Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
7 OKTOBER 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan
Titre
7 OCTOBRE 2013. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire
Informations sur le document
Numac: 2013009439
Datum: 2013-10-07
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2013009439
Date: 2013-10-07
Moniteur: Voir
Tekst (26)
Texte (26)
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt :
  " 6° het personeel van de steundiensten. ";
  b) paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
  " De Minister van Justitie kan, na advies van de rechterlijke overheden, de vierdagenweek met premie, de vierdagenweek zonder premie, het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar en de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden toestaan, wanneer deze wordt aangevraagd door de personeelsleden bedoeld in het tweede lid. ";
  c) paragraaf 1, vierde lid, wordt aangevuld wordt met de bepalingen onder 3°, 4° en 5°, luidende :
  " 3° de vierdagenweek met premie;
  4° de vierdagenweek zonder premie;
  5° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. ";
  d) paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° en 7°, luidende :
  " 6° de vierdagenweek met premie;
  7° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. ";
  e) paragraaf 2, derde lid, wordt vervangen als volgt :
  " De titularissen van de graden van hoofdgriffier en van griffier-hoofd van dienst zijn uitgesloten van het recht op :
  1° het verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van het verlof voor palliatieve zorg en het ouderschapsverlof;
  2° de vierdagenweek met premie;
  3° de vierdagenweek zonder premie;
  4° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. ";
  f) paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De Minister van Justitie kan, na advies van de rechterlijke overheden, de vierdagenweek met premie en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar toestaan wanneer deze wordt aangevraagd door de houders van de graad van griffier. ";
  g) paragraaf 3, eerste lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 5°, 6° en 7°, luidende :
  " 5° de vierdagenweek met premie;
  6° de vierdagenweek zonder premie;
  7° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. ";
  h) in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
  " 2° het omstandigheidsverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor dezelfde gebeurtenis; ";
  i) in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
  " 3° het verlof voor het afstaan van organen of weefsels, voor het afstaan van beenmerg en voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes; ";
  j) in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 7° vervangen als volgt :
  " 7° het adoptieverlof, het opvangverlof en het pleegzorgverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30ter, §§ 1 tot 3 en van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30ter, § 4 van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het adoptieverlof of het opvangverlof voorzien bij dit besluit; ";
  k) paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 11°, 12° en 13°, luidende :
  " 11° het uitzonderlijk verlof voor het vergezellen en bijstaan van zieken, personen met een handicap en maatschappelijk kwetsbare mensen tijdens vakantiereizen en -verblijven in België of het buitenland of voor het begeleiden van sporters met een handicap tijdens hun deelname aan de paralympische spelen of de " special olympics ";
  12° de vierdagenweek met premie;
  13° de vierdagenweek zonder premie. ";
  l) in paragraaf 4, vierde lid, worden de woorden " met de helft " en de woorden " , voor zover de benoemde personeelsleden, die hetzelfde ambt vervullen, dit recht genieten " opgeheven.
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 20 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° au personnel des services d'appui. ";
  b) le paragraphe 1er, alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
  " Le Ministre de la Justice peut autoriser, après avis des autorités judiciaires, la semaine de quatre jours avec prime, la semaine de quatre jours sans prime, le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans et les prestations réduites pour convenance personnelle, à la demande des membres du personnel visés à l'alinéa 2. ";
  c) le paragraphe 1er, alinéa 4, est complété par les 3°, 4° et 5° rédigés comme suit :
  " 3° la semaine de quatre jours avec prime;
  4° la semaine de quatre jours sans prime;
  5° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans. ";
  d) le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par les 6° et 7° rédigés comme suit :
  " 6° la semaine de quatre jours avec prime;
  7° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans. ";
  e) le paragraphe 2, alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
  " Les titulaires des grades de greffier en chef et de greffier-chef de service sont exclus du droit :
  1° au congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception du congé pour soins palliatifs et du congé parental;
  2° à la semaine de quatre jours avec prime;
  3° à la semaine de quatre jours sans prime;
  4° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans. ";
  f) le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Le Ministre de la Justice peut autoriser, après avis des autorités judiciaires, la semaine de quatre jours avec prime et le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans demandé(e) par les titulaires du grade de greffier. ";
  g) le paragraphe 3, alinéa 1er, est complété par les 5°, 6° et 7° rédigés comme suit :
  " 5° la semaine de quatre jours avec prime;
  6° la semaine de quatre jours sans prime;
  7° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans. ";
  h) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° au congé de circonstances, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail pour le même évènement; ";
  i) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° au congé pour don d'organes ou de tissus, pour don de moelle osseuse et pour don de sang, de plaquettes et de plasma sanguin; ";
  j) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° au congé d'adoption, au congé d'accueil et au congé pour soins d'accueil, dans la mesure où l'agent n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30ter, §§ 1er à 3 et de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30ter, § 4, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'adoption ou d'accueil prévu par le présent arrêté; ";
  k) le paragraphe 4, alinéa 1er, est complété par les 11°, 12° et 13° rédigés comme suit :
  " 11° au congé exceptionnel pour accompagner ou assister des malades, des personnes handicapées et des personnes en précarité sociale lors de voyages et séjours de vacances en Belgique ou à l'étranger ou pour accompagner des sportifs handicapés lors de leur participation aux jeux paralympiques ou aux " special olympics;
  12° la semaine de quatre jours avec prime;
  13° la semaine de quatre jours sans prime. ";
  l) dans le paragraphe 4, alinéa 4, les mots " de moitié " et les mots " , pour autant que les membres du personnel nommés exerçant les mêmes fonctions bénéficient de ce droit " sont abrogés.
Art. 2. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Voor de toepassing van dit besluit, wordt gelijkgesteld met :
  1° het huwelijk : het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
  2° de echtgenoot van het personeelslid : de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie het personeelslid samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
  3° de echtgenote van het personeelslid : de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie het personeelslid samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
  4° de vader : de persoon van het vrouwelijk of het mannelijk geslacht getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats. ".
Art. 2. L'article 2 du même arrêté est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour l'application du présent arrêté, sont assimilés :
  1° au mariage : l'enregistrement d'une déclaration de cohabitation légale par deux personnes de sexe différent ou de même sexe qui cohabitent en tant que couple;
  2° au conjoint du membre du personnel : la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui le membre du personnel vit en couple au même domicile;
  3° à l'épouse du membre du personnel : la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui le membre du personnel vit en couple au même domicile;
  4° au père : la personne de sexe féminin ou masculin mariée à la mère ou vivant en couple avec cette dernière au même domicile. ".
Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit wordt het derde lid vervangen als volgt :
  " De Minister van Justitie bepaalt de modaliteiten van een eventuele overdracht van jaarlijks vakantieverlof naar het volgend jaar. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar.
  Indien het personeelslid zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, dan is de overdracht niet beperkt tot één jaar. Bij de terugkeer van het personeelslid wordt het jaarlijks vakantieverlof opgenomen naar keuze van het personeelslid met inachtneming van de behoeften van de dienst en volgens de modaliteiten van de overdracht vastgesteld door de Minister van Justitie. ".
Art. 3. Dans l'article 8 du même arrêté, l'alinéa 3 est remplacé comme suit :
  " Le Ministre de la Justice fixe les modalités du report éventuel du congé annuel de vacances à l'année suivante. Ce report est valable un an au maximum.
  Lorsque le membre du personnel n'a pas pu prendre l'entièreté ou une partie de son congé annuel de vacances à cause d'une absence pour maladie, par suite d'un accident de travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, le report n'est pas limité à un an. Au retour du membre du personnel, le congé annuel de vacances est pris au choix du membre du personnel dans le respect toutefois des nécessités du service et suivant les modalités du report fixées par le ministre de la Justice ".
Art. 4. In artikel 9 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
  " § 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
  Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt, in dienst is genomen om onvolledige prestaties te verrichten, of tijdens het jaar één van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen :
  1° de verloven vermeld in artikelen 12 en 13 van dit besluit;
  2° de halftijdse vervroegde uittreding;
  3° de vrijwillige vierdagenweek;
  4° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  5° de afwezigheden waarbij het personeelslid in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;
  6° de verminderde prestaties wegens medische redenen;
  7° de vierdagenweek met en zonder premie;
  8° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.
  Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.
  Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid wegens ouderschapsverlof bedoeld in artikel 31 en wegens verloven die met het oog op de bescherming van het moederschap zijn toegekend bij de artikelen 39, 41, 41bis, 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op het bijkomend jaarlijks vakantieverlof. Onder " bijkomend jaarlijks vakantieverlof " dient te worden verstaan het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof hoger dan 28 werkdagen.
  Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid voor geboorteverlof, adoptieverlof en pleegzorgverlof toegekend bij het artikel 30, § 2, het artikel 30ter en het artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid.
  Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van volledige afwezigheid wegens ziekte, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid. ".
Art. 4. Dans l'article 9 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 20 juillet 2010, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit, :
  " § 1er. Toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances.
  Le congé de vacances est toutefois réduit à due concurrence, lorsqu'un membre du personnel entre en service dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions, est engagé pour effectuer des prestations incomplètes ou a obtenu au cours de l'année l'un des congés ou l'une des absences mentionnés ci-après :
  1° les congés visés aux articles 12 et 13 du présent arrêté;
  2° le départ anticipé à mi-temps;
  3° la semaine volontaire de quatre jours;
  4° le congé pour interruption de la carrière professionnelle;
  5° les absences pendant lesquelles le membre du personnel est placé dans la position administrative de non-activité ou de disponibilité;
  6° les prestations réduites pour raisons médicales;
  7° la semaine de quatre jours avec ou sans prime;
  8° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans.
  Si le nombre de jours de congé ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat de travail, les périodes d'absence causée par le congé parental visé à l'article 31 et par des congés accordés en vue de la protection de la maternité par les articles 39, 41, 41bis, 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1er.
  Le présent paragraphe n'est pas applicable au congé annuel de vacances supplémentaire. Par " congé annuel de vacances supplémentaire ", il convient d'entendre le nombre de jours de congé annuel de vacances supérieur à 28 jours ouvrables.
  Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat de travail, les périodes d'absence pour congé à l'occasion d'une naissance, d'adoption et pour soins d'accueil accordé par l'article 30, § 2, l'article 30ter et l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1er.
  Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat de travail, les périodes d'absence complète pour maladie sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1er. ".
Art. 5. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Indien een vrije dag in het kader van deeltijds werken samenvalt met één van de dagen bedoeld in het eerste lid of met de compensatieverlofdagen voor 2 november, 15 november en 26 december, bekomt het personeelslid geen vervangende verlofdag. ".
Art. 5. L'article 10 du même arrêté est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Si un jour libre dans le cadre du travail à temps partiel coïncide avec un des jours visés à l'alinéa 1er ou avec les jours de congé de compensation pour les 2 novembre, 15 novembre et 26 décembre, le membre du personnel n'obtient pas de jour de congé de substitution. ".
Art. 6. Artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 juli 2004, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 11. Het omstandigheidsverlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald :
  1° huwelijk van het personeelslid : 4 werkdagen;
  2° de bevalling van de echtgenote van het personeelslid : 10 werkdagen;
  3° overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid, overlijden van een bloed- of aanverwant in de eerste graad van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) alsook het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het kind van het personeelslid of het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het kind van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid : 4 werkdagen;
  4° huwelijk van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 2 werkdagen;
  5° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder, een kleinkind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
  6° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid : 2 werkdagen;
  7° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid : 1 werkdag;
  8° priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
  9° plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
  10° deelneming van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd" : 1 werkdag;
  11° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege : voor de nodige duur;
  12° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een opnemingsbureau : de nodige tijd met een maximum van twee werkdagen.
  De verloven bedoeld in dit artikel worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. ".
Art. 6. L'article 11 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 14 juillet 2004, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 11. Des congés de circonstances sont accordés dans les limites fixées ci-après :
  1° le mariage du membre du personnel : 4 jours ouvrables;
  2° l'accouchement de l'épouse du membre du personnel : 10 jours ouvrables;
  3° le décès du conjoint du membre du personnel, le décès d'un parent ou allié au premier degré du membre du personnel ou de son conjoint, ainsi que le décès du conjoint de l'enfant du membre du personnel ou le décès du conjoint de l'enfant du conjoint du membre du personnel : 4 jours ouvrables;
  4° le mariage d'un enfant du membre du personnel ou de son conjoint : 2 jours ouvrables;
  5° le mariage d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, d'un petit-enfant du membre du personnel ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
  6° le décès d'un parent ou allié, à quelque degré que ce soit, du membre du personnel ou de son conjoint, habitant sous le même toit que le membre du personnel : 2 jours ouvrables;
  7° le décès d'un parent ou allié au deuxième ou au troisième degré du membre du personnel ou de son conjoint, n'habitant pas sous le même toit que le membre du personnel : 1 jour ouvrable;
  8° l'ordination, l'entrée au couvent ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant du membre du personnel ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
  9° la communion solennelle ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant du membre du personnel ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
  10° la participation à la fête de la jeunesse laïque, d'un enfant du membre du personnel ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
  11° la convocation comme témoin devant une juridiction ou comparution personnelle ordonnée par une juridiction : pour la durée nécessaire;
  12° l'exercice des fonctions de président, d'assesseur ou de secrétaire d'un bureau de vote ou d'un bureau de dépouillement : le temps nécessaire avec un maximum de deux jours ouvrables.
  Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service. ".
Art. 7. Artikel 11bis van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 14 juli 2004, wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 11bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 14 juillet 2004, est abrogé.
Art. 8. In artikel 13, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord " verlof " vervangen door de woorden " voltijds verlof ".
Art. 8. Dans l'article 13, alinéa 1er, du même arrêté, le mot " congé " est remplacé par les mots " congé à temps plein ".
Art. 9. In artikel 17, § 1, van hetzelfde besluit, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  " § 1. Het personeelslid bekomt uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan één van de hierna opgesomde personen, met wie hij samenleeft op dezelfde woonplaats :
  1° de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid;
  2° een bloed- of aanverwant van het personeelslid of zijn echtgeno(o)t(e);
  3° een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie, met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij of ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
  Het personeelslid bekomt eveneens een uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan zijn kind dat bij hem verblijft maar gedomicilieerd is bij de andere ouder van het kind. ".
Art. 9. Dans l'article 17, § 1er, du même arrêté, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le membre du personnel obtient des congés exceptionnels pour cas de force majeure résultant de la maladie ou d'un accident survenu à une des personnes énumérées ci-après, avec qui l'agent cohabite au même domicile :
  1° le conjoint du membre du personnel;
  2° un parent ou allié du membre du personnel ou de son conjoint;
  3° une personne accueillie en vue de son adoption, en vue de l'exercice d'une tutelle officieuse ou suite à une décision judiciaire de placement dans une famille d'accueil.
  Le membre du personnel obtient également un congé exceptionnel pour cas de force majeure résultant de la maladie ou d'un accident survenu à son enfant lorsque celui-ci séjourne chez lui mais est domicilié chez l'autre parent. ".
Art. 10. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 18. Het personeelslid heeft recht op een verlof van 5 werkdagen per jaar om :
  1° zieken, personen met een handicap en maatschappelijke kwetsbare mensen te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en -verblijven in België en het buitenland. Deze vakantiereizen en -verblijven moeten georganiseerd worden door een vereniging, een openbare instelling of een privé-instelling, waarvan de opdracht erin bestaat de zorg voor zieken, personen met een handicap of maatschappelijke kwetsbare mensen op zich te nemen en die hiervoor subsidies van de overheid krijgt;
  2° sporters met een handicap te begeleiden die deelnemen aan de paralympische spelen of de " special olympics ".
  Om het verlof bedoeld in eerste lid te genieten, kan de dienst het personeelslid vragen het bewijs te leveren van deelname aan de activiteiten.
  Het verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. ".
Art. 10. L'article 18 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 18. Le membre du personnel a droit à un congé de 5 jours ouvrables par an :
  1° pour accompagner et assister des malades, des personnes handicapées et des personnes en précarité sociale lors de voyages ou de séjours de vacances en Belgique et à l'étranger. Ces voyages et séjours de vacances doivent être organisés par une association, une institution publique ou une institution privée dont la mission consiste à s'occuper de malades, de personnes handicapées ou de personnes en précarité sociale et qui reçoit des subsides publics à cet effet;
  2° pour accompagner des sportifs handicapés qui participent aux jeux paralympiques ou aux " special olympics ".
  Pour bénéficier du congé visé à l'alinéa 1er, le service peut demander au membre du personnel de fournir la preuve de sa participation aux activités.
  Le congé est assimilé à une période d'activité de service. ".
Art. 11. In hetzelfde besluit wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 20bis. Het personeelslid bekomt een verlof voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes, op voorwaarde dat hij voorafgaandelijk aan de donatie toelating heeft gekregen van de overheid waaronder hij ressorteert. Dit verlof kan worden geweigerd om dienstredenen.
  Het personeelslid krijgt verlof voor de nodige duur voor het geven van bloed, bloedplasma of bloedplaatjes en voor een maximale verplaatsingstijd van twee uur.
  Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. ".
Art. 11. Dans le même arrêté, il est inséré un article 20bis rédigé comme suit :
  " Art. 20bis. Le membre du personnel obtient un congé pour don de sang, de plasma sanguin et de plaquettes à condition qu'il ait reçu l'autorisation de l'autorité dont il relève avant le don. Ce congé peut être refusé pur des raisons de service.
  Le membre du personnel obtient un congé pour la durée nécessaire pour le don de sang, de plasma sanguin ou de plaquettes ainsi que pour un temps de déplacement maximum de deux heures.
  Le congé est assimilé à une période d'activité de service. ".
Art. 12. In artikel 30ter, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juli 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " zeven maanden " vervangen door de woorden " negen maanden ";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 12. Dans l'article 30ter, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 14 juillet 2004 et modifié par arrêté royal du 12 juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " sept mois " sont remplacés par les mots " neuf mois ";
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 13. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk VI, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juli 2006, vervangen als volgt :
  " HOOFDSTUK VI. - Adoptieverlof, opvangverlof en pleegzorgverlof ".
Art. 13. Dans le même arrêté, l'intitulé du chapitre VI, remplacé par l'arrêté royal du 12 juillet 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " CHAPITRE VI. - Congé d'adoption, congé d'accueil et congé pour soins d'accueil ".
Art. 14. Artikel 33 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juli 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met 2 weken, wanneer het personeelslid voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof in toepassing van artikel 11, eerste lid, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft bekomen. ".
Art. 14. L'article 33 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 12 juillet 2006, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " La durée maximum du congé d'adoption est réduite de 2 semaines, lorsque le membre du personnel a obtenu pour le même enfant un congé de circonstances en application de l'article 11, alinéa 1er, 2°, ou un congé à l'occasion d'une naissance en application de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
Art. 15. In hetzelfde besluit wordt een artikel 33ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 33ter. § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegestaan aan het personeelslid dat is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een Gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van " l'Aide à la Jeunesse ", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de " Jugendhilfedienst " voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
  De duur van het verlof mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
  § 2. Onder pleegouder moet worden verstaan de persoon die is aangesteld en vernoemd in een formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de instellingen, opgesomd in § 1, eerste lid.
  Onder pleeggezin moet worden verstaan, het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder werd(en) aangesteld in de zin van het vorige lid.
  De plaatsing omvat alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van een pleegzorgmaatregel, zowel de plaatsing van minderjarige personen, als de plaatsing van personen met een handicap.
  § 3. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van het personeelslid vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de normale uren.
  a) alle soorten van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
  b) contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind of de pleeggast;
  c) contacten met de dienst voor pleegzorg.
  In andere dan de hiervoor vermelde situaties geldt het recht op verlof voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom dergelijk verlof noodzakelijk is.
  § 4. Het personeelslid dat gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, is ertoe gehouden de overheid waaronder hij ressorteert hiervan ten minste twee weken op voorhand te verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, moet hij de overheid waaronder hij ressorteert zo spoedig mogelijk verwittigen.
  Om het verlof te kunnen genieten moet het personeelslid het bewijs leveren dat hij pleegouder is aan de hand van de formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de in § 1, eerste lid, bedoelde instellingen.
  Op verzoek van de overheid waaronder het personeelslid ressorteert, levert het personeelslid aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel, het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid op het werk rechtvaardigen. ".
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un article 33ter, rédigé comme suit :
  " Art. 33ter. § 1er. Un congé pour soins d'accueil est accordé au membre du personnel qui a été désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par une Communauté, par les services de l'Aide à la Jeunesse, par " het Comité Bijzondere Jeugdbijstand " ou par le " Jugendhilfedienst " pour remplir les obligations et les missions ou pour faire face à des situations qui découlent du placement dans sa famille d'une ou de plusieurs personnes qui lui ont été confiées dans le cadre de ce placement.
  La durée du congé ne peut pas dépasser six jours ouvrables par an.
  § 2. Par parent d'accueil, il faut entendre la personne qui est désignée et nommée par une décision officielle émanant d'un des organismes visés au § 1er, alinéa 1er.
  Par famille d'accueil, il faut entendre la famille de la personne ou des personnes qui sont désignées comme parent(s) d'accueil au sens du précédent alinéa.
  Le placement comprend toutes les formes de placement dans la famille qui peuvent être décidées dans le cadre des mesures de placement, aussi bien le placement de mineurs d'âge, que le placement de personnes avec un handicap.
  § 3. Les types d'obligations, missions et situations pour lesquels le congé est prévu dans le but de dispenser des soins d'accueil, concernent les évènements suivants qui sont en rapport avec la situation de placement et dans lesquels l'intervention du membre du personnel est requise, et ce pour autant que cela ne puisse se faire en dehors des heures normales.
  a) tous types d'audience auprès des autorités judiciaires et administratives ayant compétence auprès de la famille d'accueil;
  b) les contacts du parent d'accueil ou de la famille d'accueil avec les parents ou des tiers qui sont importants pour l'enfant ou la personne placée;
  c) les contacts avec le service de placement.
  Dans les situations autres que celles mentionnées ci-dessus, le droit au congé ne s'applique que pour autant que le service de placement compétent délivre une attestation qui précise pourquoi un tel congé est indispensable.
  § 4. Le membre du personnel qui fait usage du congé dans le but de dispenser des soins d'accueil est tenu d'en informer l'autorité dont il relève au moins deux semaines à l'avance. Dans le cas où il n'en a pas la possibilité, il doit avertir l'autorité dont il relève le plus vite possible.
  Pour pouvoir bénéficier du congé, le membre du personnel doit prouver qu'il est parent d'accueil, au moyen d'une décision officielle émanant d'un des organismes visés au § 1er, alinéa 1er.
  A la demande de l'autorité dont relève le membre du personnel, le membre du personnel apporte la preuve de l'évènement qui légitime son absence au travail à l'aide des documents appropriés ou à défaut par tout autre moyen de preuve. ".
Art. 16. Artikel 34 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juli 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 34. Het adoptieverlof, het opvangverlof en het pleegzorgverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind in toepassing van artikel 33ter en in toepassing van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  Het pleegzorgverlof in toepassing van artikel 33ter wordt verminderd met het aantal werkdagen opvangverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar. ".
Art. 16. L'article 34 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 12 juillet 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 34. Le congé d'adoption, le congé d'accueil et le congé pour soins d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service.
  Le congé d'accueil est réduit du nombre de jours ouvrables de congé pour soins d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant en application de l'article 33ter et en application de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  Le congé pour soins d'accueil en application de l'article 33ter est réduit du nombre de jours ouvrables de congé d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année. ".
Art. 17. Artikel 35 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 september 2004 en 1 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 35.- Het personeelslid heeft recht op een verlof om dwingende redenen van familiaal belang voor een periode van maximaal vijfenveertig werkdagen per jaar; het verlof wordt genomen per dag of per halve dag.
  De dwingende redenen van familiaal belang dienen erkend te worden door de dienst waaronder het personeelslid ressorteert. Als dwingende redenen van familiaal belang worden van ambtswege erkend :
  1° de ziekenhuisopname van een persoon die met het personeelslid onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met het personeelslid onder hetzelfde dak woont;
  2° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van het personeelslid of van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid die de leeftijd van 15 jaar niet hebben bereikt;
  3° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van het personeelslid of van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
  4° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van het personeelslid of van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst. ".
Art. 17. L'article 35 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 1er septembre 2004 et 1er septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 35. Le membre du personnel a droit à un congé pour motifs impérieux d'ordre familial pour une période maximum de quarante cinq jours ouvrables par an; le congé est pris par jour ou par demi-jour.
  Les motifs impérieux d'ordre familial doivent être reconnus par le service dont l'agent relève. Toutefois, sont reconnus d'office les motifs impérieux d'ordre familial suivants :
  1° l'hospitalisation d'une personne habitant sous le même toit que le membre du personnel ou d'un parent ou d'un allié au premier degré n'habitant pas sous le même toit que le membre du personnel;
  2° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants du membre du personnel ou du conjoint du membre du personnel qui n'ont pas atteint l'âge de 15 ans;
  3° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants du membre du personnel ou du conjoint du membre du personnel qui n'ont pas atteint l'âge de 18 ans, lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales;
  4° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants du membre du personnel ou du conjoint du membre du personnel qui se trouvent sous le statut de la minorité prolongée. ".
Art. 18. In artikel 39, § 1, 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden " in artikel 9, § 1, 1° tot 5° " vervangen door de woorden " in artikel 9, § 1, 1° tot 5°, 7° en 8° ".
Art. 18. Dans l'article 39, § 1er, 1°, du même arrêté, les mots " à l'article 9, § 1er, 1° à 5° " sont remplacés par les mots " l'article 9, § 1er, 1° à 5°, 7° et 8° ".
Art. 19. In artikel 40, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " noch aan het verlof voor deeltijdse prestaties bedoeld in hoofdstuk XII " vervangen door de woorden " noch aan de verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk XII, noch aan de vierdagenweek met premie en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, zoals bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, noch aan de vierdagenweek zonder premie, zoals bedoeld in hoofdstuk XIIbis ".
Art. 19. Dans l'article 40, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " ni au congé pour prestations à temps partiel visé au chapitre XII " sont remplacés par les mots " ni aux prestations réduites pour convenance personnelle, visées au chapitre XII, ni à la semaine de quatre jours avec prime et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans visés dans la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, ni à la semaine de quatre jours sans prime visée au chapitre XIIbis ".
Art. 20. In hetzelfde besluit wordt een artikel 44bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 44bis. Elk personeelslid krijgt jaarlijks het overzicht van het saldo van de verloven waarop artikel 38 van dit besluit hem recht geeft.
  Indien het personeelslid niet akkoord gaat met dit saldo, kan hij bij de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie binnen de 50 werkdagen een gemotiveerd bezwaar indienen. Deze laatste neemt een beslissing binnen de 50 werkdagen. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het bezwaar aanvaard. ".
Art. 20. Dans le même arrêté, il est inséré un article 44bis, rédigé comme suit :
  " Art. 44bis. Chaque membre du personnel reçoit annuellement l'aperçu du solde des congés auxquels lui donne droit l'article 38 du présent arrêté.
  Si le membre du personnel n'est pas d'accord avec ce solde, il peut adresser dans les 50 jours ouvrables une objection motivée au directeur général de la Direction générale de l'Organisation judiciaire. Ce dernier prend une décision dans les 50 jours ouvrables. Passé ce délai, l'objection est acceptée. ".
Art. 21. In artikel 48, § 3, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) In het eerste lid worden de woorden " De verminderde prestaties wegens medische redenen " vervangen door de woorden " De verminderde prestaties wegens medische redenen, bedoeld in artikel 46, 2° ";
  b) het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 8° en 9°, luidende :
  " 8° de vierdagenweek met en zonder premie;
  9° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. ".
Art. 21. A l'article 48, § 3, les modifications suivantes sont apportées :
  a) A l'alinéa 1er, les mots " Les prestations réduites pour raisons médicales " sont remplacés par les mots " Les prestations réduites pour raisons médicales, visées à l' article 46, 2° ";
  b) l'alinéa 1er, est complété par les 8° et 9° rédigés comme suit :
  " 8° la semaine de quatre jours avec ou sans prime;
  9° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans. ".
Art. 22. In artikel 55, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " noch aan het verlof voor verminderde prestaties bedoeld in hoofdstuk XII " vervangen door de woorden " noch aan de verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk XII, noch aan de vierdagenweek met premie en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, zoals bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, noch aan de vierdagenweek zonder premie, zoals bedoeld in hoofdstuk XIIbis ".
Art. 22. Dans l'article 55, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " ni au congé pour prestations réduites visé au chapitre XII " sont remplacés per les mots " ni aux prestations réduites pour convenance personnelle, visées au chapitre XII, ni à la semaine de quatre jours avec prime et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans visés dans la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, ni à la semaine de quatre jours sans prime visée au chapitre XIIbis ".
Art. 23. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk XIIbis ingevoegd die de artikelen 90/1 tot 90/3 bevat, luidende :
  " HOOFDSTUK XIIbis. - De vierdagenweek met en zonder premie
  Art. 90/1. § 1. Het personeelslid dat gebruik wenst te maken van het recht op de vierdagenweek met premie dient daartoe bij de overheid waaronder hij ressorteert een aanvraag in, minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode.
  De machtiging voor de vierdagenweek met premie wordt toegekend voor een periode van ten minste drie maanden en ten hoogste vierentwintig maanden. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
  § 2. De aanvraag van het verlof bevat de wensen van het personeelslid rond de dag waarop het in verlof is.
  De Minister van Justitie of zijn afgevaardigde kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximum zes maanden omwille van de noden van de dienst.
  In functie van de noden van de dienst of op vraag van het personeelslid kan de werkkalender door de Minister van Justitie of zijn afgevaardigde worden aangepast. Deze laatsten brengen het personeelslid twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
  Een tijdelijke aanpassing van werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
  § 3. Tijdens de periode dat het personeelslid in de vierdagenweek met premie geen prestaties dient te verrichten mag hij geen beroepsbedrijvigheid uitoefenen. Onder beroepsbedrijvigheid moet worden verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is dat bedoeld wordt in artikel 23 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992.
  Art. 90/2. § 1. De periode van de vierdagenweek met premie neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.
  Tijdens de periode van vierdagenweek met premie kan het personeelslid niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke reden dan ook uit te oefenen. Het kan evenmin aanspraak maken op een regeling van deeltijdse loopbaanonderbreking.
  § 2. Het verlof voor vierdagenweek wordt ambtshalve opgeschort wanneer het personeelslid één van de volgende verloven geniet :
  1° moederschapsverlof en het verlof wegens vrijstelling van arbeid in toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
  2° ouderschapsverlof;
  3° adoptieverlof en opvangverlof;
  4° verlof voor loopbaanonderbreking teneinde palliatieve zorg te verstrekken of voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin of aan een familielid;
  5° verminderde prestaties voor medische redenen in toepassing van artikel 46, eerste lid, 1° van dit besluit.
  § 3. Wanneer een personeelslid een schorsing bekomt in toepassing van § 2, dan worden deze schorsingsperioden niet aangerekend op de maximumperiode van 60 maanden bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, noch op de lopende periode van de vierdagenweek.
  Wanneer het personeelslid, in toepassing van § 1, niet tijdens een volledige maand het verlof voor vierdagenweek met premie heeft genoten, dan wordt de premie bedoeld in artikel 5 van de wet, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal kalenderdagen van de periode van het verlof voor vierdagenweek met premie en de noemer het aantal kalenderdagen van de maand.
  In de andere gevallen, wanneer de tachtig procent van wedde niet volledig wordt betaald, wordt de premie bedoeld in artikel 5 van de wet, prorata verminderd.
  Art. 90/3. § 1. Onverminderd het recht op de vierdagenweek met premie, hebben de vastbenoemde personeelsleden en de personeelsleden die in dienst genomen zijn met een arbeidsovereenkomst en die voltijds tewerkgesteld zijn, het recht om vier vijfde te verrichten van de prestaties die hun normaal worden opgelegd zonder bijkomende premie. De prestaties worden verricht over vier werkdagen per week.
  § 2. Het personeelslid dat gebruik maakt van het recht bedoeld in § 1 ontvangt tachtig procent van de wedde. Voor de vastbenoemde personeelsleden wordt de periode van afwezigheid als verlof beschouwd en met dienstactiviteit gelijkgesteld. Voor de personeelsleden in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst wordt gedurende de afwezigheid de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst.
  § 3. Het personeelslid dat gebruik wenst te maken van het recht op de vierdagenweek zonder premie bedoeld in § 1 dient daartoe bij de overheid waaronder hij ressorteert een aanvraag in, minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode.
  De machtiging voor de arbeidsregeling bedoeld in § 1 wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
  De bevordering tot een hogere klasse of niveau maakt een einde aan de machtiging tot de arbeidsregeling bedoeld in § 1.
  § 4. Het artikel 90/1, §§ 2 en 3 en artikel 90/2, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, zijn van toepassing op de arbeidsregeling bedoeld in § 1.
  § 5. Het personeelslid kan een einde maken aan de in § 1 bedoelde arbeidsregeling met een opzegging van drie maanden, tenzij de overheid waaronder de betrokkene ressorteert op zijn verzoek een kortere termijn aanvaardt. ".
Art. 23. Dans le même arrêté il est inséré un chapitre XIIbis, comportant les articles 90/1 au 90/3, rédigé comme suit :
  " CHAPITRE XIIbis. - La semaine de quatre jours avec et sans prime
  Art. 90/1. § 1er. Le membre du personnel qui désire faire usage du droit à la semaine de quatre jours avec prime introduit sa demande auprès de l'autorité dont il relève au moins trois mois avant le début de la période.
  L'autorisation pour la semaine de quatre jours avec prime est accordée pour une période de minimum trois mois et maximum vingt-quatre mois. Pour chaque prolongation, une demande du membre du personnel concerné est requise. Cette demande doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
  § 2. La demande du congé précise les souhaits du membre du personnel concernant le jour auquel il est en congé.
  Le Ministre de la Justice ou son délégué accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Il peut reporter le début du congé de maximum six mois pour les besoins du service.
  En fonction des besoins du service ou à la demande du membre du personnel, le calendrier de travail peut être adapté par le Ministre de la Justice ou son délégué. Ces derniers informent le membre du personnel de cette adaptation deux mois à l'avance.
  Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
  § 3. Pendant la période durant laquelle le membre du personnel n'a pas de prestations à fournir dans le cadre de la semaine de quatre jours avec prime, il ne peut exercer aucune activité professionnelle. Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Art. 90/2. § 1er. La période de la semaine de quatre jours avec prime prend cours le premier jour d'un mois.
  Pendant la période de la semaine de quatre jours avec prime, le membre du personnel ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit. Il ne peut pas non plus prétendre à un régime d'interruption à temps partiel de la carrière professionnelle.
  § 2. Le congé pour la semaine de quatre jours est d'office suspendu lorsque le membre du personnel bénéficie de l'un des congés suivants :
  1° congé de maternité et le congé pour dispense de travail en application des articles 42 et 43 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public;
  2° congé parental;
  3° congé d'adoption et congé d'accueil;
  4° congé pour interruption de la carrière professionnelle pour soins palliatifs ou pour assister ou prodiguer des soins à un membre du ménage ou de la famille;
  5° prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 46, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté.
  § 3. Lorsqu'un membre du personnel obtient une suspension en application du § 2, ces périodes de suspension ne sont pas imputées sur la période maximale de 60 mois visée à l'article 4, § 2, de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, ni sur la période en cours de la semaine de quatre jours.
  Lorsqu'un membre du personnel, en application du § 1er, n'a pas bénéficié du congé pour la semaine de quatre jours avec prime pendant un mois complet, la prime visée à l'article 5 de la loi est alors multipliée par une fraction dont le numérateur est le nombre de jours de calendrier de la période du congé pour la semaine de quatre jours avec prime et le dénominateur est le nombre de jours de calendrier du mois.
  Dans les autres cas, lorsque les quatre-vingts pour cent du traitement ne sont pas entièrement payés, la prime visée à l'article 5 de la loi est réduite de façon proportionnelle.
  Art. 90/3. § 1er. Sans préjudice du droit à la semaine de quatre jours avec prime, les membres du personnel nommés à titre définitif et les membres du personnel engagés sous contrat de travail à temps plein ont le droit de fournir quatre cinquième des prestations qui leur sont normalement imposées sans bénéficier d'une prime complémentaire. Les prestations sont effectuées sur quatre jours ouvrables par semaine.
  § 2. Le membre du personnel qui fait usage du droit visé au § 1er, reçoit quatre-vingts pour cent du traitement. Pour les membres du personnel nommés à titre définitif, la période d'absence est considérée comme un congé et assimilée à de l'activité de service. Pour les membres du personnel engagés sous contrat de travail, l'exécution du contrat de travail est suspendue durant l'absence.
  § 3. Le membre du personnel qui désire faire usage du droit à la semaine de quatre jours sans prime visé au § 1er, introduit à cet effet sa demande auprès de l'autorité dont il relève au moins trois mois avant le début de la période.
  L'autorisation pour le régime de travail visé au § 1er est accordée pour une période de minimum trois mois et maximum vingt-quatre mois. Pour chaque prolongation, une demande du membre du personnel concerné est requise. Cette demande doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
  La promotion à une classe supérieure ou un niveau supérieur met fin d'office à l'autorisation de régime de travail visé au § 1er.
  § 4. L'article 90/1, §§ 2 et 3 et l'article 90/2, §§ 1er, 2 et 3, alinéa 1er, sont applicables au régime de travail visé au § 1er.
  § 5. Le membre du personnel peut mettre fin au régime de travail visé au § 1er moyennant un préavis de trois mois, à moins que l'autorité dont relève l'intéressé n'accepte, à sa demande, un délai plus court. ".
Art. 24. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk XIIter ingevoegd die de artikelen 90/4 en 90/5 bevat, luidende :
  " HOOFDSTUK XIIter. - Halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar
  Art. 90/4. § 1. Het vastbenoemd personeelslid dat gebruik wenst te maken van het recht op halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar dient zijn aanvraag in bij de overheid waaronder hij ressorteert, minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode.
  § 2. De aanvraag van het verlof bevat de wensen van het personeelslid rond de dagen waarop het in verlof is. Onder " halftijds werken " wordt een arbeidsregeling verstaan waarbij het vastbenoemd personeelslid in de loop van een maand de helft van de prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan een voltijdse tewerkstelling. De verdeling van de prestaties geschiedt in volledige of halve dagen.
  De Minister van Justitie of zijn afgevaardigde kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximum zes maanden omwille van de noden van de dienst.
  In functie van de noden van de dienst of op vraag van het personeelslid kan de werkkalender door De Minister van Justitie of zijn afgevaardigde worden aangepast. Deze laatsten brengen het personeelslid twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
  Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
  § 3. Tijdens de periode dat het vastbenoemd personeelslid in de halftijdse arbeidsregeling geen prestaties dient te verrichten mag hij geen beroepsbedrijvigheid uitoefenen. Onder beroepsbedrijvigheid moet worden verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is dat bedoeld wordt in artikel 23 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  Art. 90/5. De periode van de halftijdse prestaties neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.
  Tijdens de periode van het verlof voor halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar kan het personeelslid niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke redenen dan ook uit te oefenen. Het kan evenmin aanspraak maken op een regeling voor deeltijdse loopbaanonderbreking.
Art. 24. Dans le même arrêté, il est inséré un chapitre XIIter, comportant les articles 90/4 et 90/5, rédigé comme suit :
  " CHAPITRE XIIter. - Le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans
  Art. 90/4. § 1er. Le membre du personnel nommé à titre définitif qui désire faire usage du droit au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans introduit sa demande auprès de l'autorité dont il relève, au moins trois mois avant le début de la période.
  § 2. La demande du congé précise les souhaits du membre du personnel concernant les jours auxquels il est en congé. Par " travail à mi-temps ", il faut entendre un régime de travail dans lequel le membre du personnel nommé à titre définitif doit, au cours d'un mois, effectuer la moitié des prestations qui sont liées à un emploi à temps plein. La répartition des prestations se fait en jours entiers ou en demi-jours.
  Le Ministre de la Justice ou son délégué accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Il peut reporter le début du congé de maximum six mois pour les besoins du service.
  En fonction des besoins du service ou à la demande du membre du personnel, le calendrier de travail peut être adapté par le Ministre de la Justice ou son délégué. Ces derniers informent le membre du personnel de cette adaptation deux mois à l'avance.
  Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
  § 3. Pendant la période durant laquelle le membre du personnel n'a pas de prestations à fournir dans le cadre du régime de travail à mi-temps, il ne peut exercer aucune activité professionnelle. Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Art. 90/5. La période des prestations à mi-temps prend cours le premier jour d'un mois.
  Pendant la période du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans, le membre du personnel ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit. Il ne peut pas non plus prétendre à un régime d'interruption à temps partiel de la carrière professionnelle.
Art. 25. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad met uitzondering van :
  1° artikel 20 dat in werking treedt op 1 januari 2014;
  2° artikel 1, a, h, i, j en k, 11°, artikel 2, de artikelen 6 tot 16 en het vijfde en het zesde lid van artikel 9, § 1, zoals gewijzigd bij artikel 4 van dit besluit, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2012.
Art. 25. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit sa publication au Moniteur belge à l'exception de :
  1° l'article 20 qui entre en vigueur le 1er janvier 2014;
  2° l'article 1er, a, h, i, j et k, 11°, de l'article 2, des articles 6 à 16 et de l'article 9, § 1er, alinéas 5 et 6 tels que modifiés par l'article 4 du présent arrêté qui produisent leurs effets le 1er janvier 2012.
Art. 26. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 26. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Gegeven te Brussel, 7 oktober 2013.
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM
  Donné à Bruxelles, le 7 octobre 2013.
  PHILIPPE
  Par le Roi :
  La Ministre de la Justice,
  Mme A. TURTELBOOM