Artikel 1. Toepassingsgebied
Dit decreet is van toepassing op het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs, op de voortgezette schoolopleiding en op het huisonderwijs.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
25 JUNI 2012. - [Het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs] <DDG2019-05-06/10, art. 214, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2019> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-07-2012 en tekstbijwerking tot 09-11-2023)
Titre
25 JUIN 2012. - Décret relatif à l'inspection scolaire [, la guidance en développement scolaire et la guidance pour l'inclusion et l'intégration] <DCG2019-05-06/10, art. 214, 006; En vigueur : 01-09-2019>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-07-2012 et mise à jour au 09-11-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Taken
Afdeling 1. [1 - Hoofd van de onderwijsinspecti...
Afdeling 2. - Onderwijsinspectie
Afdeling 3. - Klachtenbeheer
Afdeling 4. - Adviespunt voor schoolontwikkeling
Afdeling 5. [1 - Adviespunt voor inclusie en in...
Afdeling 6. [1 - Beroepsgeheim]1
HOOFDSTUK 3. - Statuut
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Missions
Section 1re. [1 - Chef de l'inspection scolaire...
Section 2. - Inspection scolaire
Section 3. - Gestion des plaintes
Section 4. - Guidance en développement scolaire
Section 5. [1 - Guidance pour l'inclusion et l'...
Section 6. [1 - Secret professionnel]1
CHAPITRE 3. - Statut
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (90)
Texte (90)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Champ d'application
Le présent décret s'applique à l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone, à la formation scolaire continuée, ainsi qu'à l'enseignement à domicile.
Le présent décret s'applique à l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone, à la formation scolaire continuée, ainsi qu'à l'enseignement à domicile.
Art. 2. Hoedanigheden
De hoedanigheden in dit decreet gelden voor beide geslachten.
De hoedanigheden in dit decreet gelden voor beide geslachten.
Art. 2. Qualifications
Dans le présent décret, les qualifications s'appliquent aux deux sexes.
Dans le présent décret, les qualifications s'appliquent aux deux sexes.
Art. 3. [1 Er wordt een onderwijsinspectie, een adviespunt voor schoolontwikkeling en een adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs opgericht.]1
Modifications
Art. 3. [1 Une inspection scolaire, une guidance en développement scolaire ainsi qu'une guidance pour l'inclusion et l'intégration sont créées.]1
Modifications
Art. 4. Aantal betrekkingen
[1 Er wordt een voltijdse betrekking opgericht voor het hoofd van de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs, hierna "hoofd" genoemd.]1
Er worden vier voltijdse betrekkingen voor de onderwijsinspecteurs opgericht, verdeeld als volgt :
- twee voltijdse betrekkingen voor de onderwijsinspecteurs uit het basisonderwijs;
- twee voltijdse betrekkingen voor de onderwijsinspecteurs uit het secundair, hoger of universitair onderwijs.
Er worden vier voltijdse betrekkingen voor de adviseurs voor schoolontwikkeling opgericht, verdeeld als volgt :
- twee voltijdse betrekkingen voor de adviseurs voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs;
- twee voltijdse betrekkingen voor de adviseurs voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs.
[1 Er [2 worden twee voltijdse betrekkingen]2 opgericht voor de adjunct voor inclusie en integratie, hierna "adjunct" genoemd.]1
[1 Er wordt een voltijdse betrekking opgericht voor het hoofd van de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs, hierna "hoofd" genoemd.]1
Er worden vier voltijdse betrekkingen voor de onderwijsinspecteurs opgericht, verdeeld als volgt :
- twee voltijdse betrekkingen voor de onderwijsinspecteurs uit het basisonderwijs;
- twee voltijdse betrekkingen voor de onderwijsinspecteurs uit het secundair, hoger of universitair onderwijs.
Er worden vier voltijdse betrekkingen voor de adviseurs voor schoolontwikkeling opgericht, verdeeld als volgt :
- twee voltijdse betrekkingen voor de adviseurs voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs;
- twee voltijdse betrekkingen voor de adviseurs voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs.
[1 Er [2 worden twee voltijdse betrekkingen]2 opgericht voor de adjunct voor inclusie en integratie, hierna "adjunct" genoemd.]1
Art. 4. Nombre d'emplois
[1 Un emploi à temps plein est créé pour le chef de l'inspection scolaire, de la guidance en développement scolaire et de la guidance pour l'inclusion et l'intégration, ci-après dénommé "chef", ";]1
Il est créé quatre emplois à temps plein pour les inspecteurs scolaires, répartis comme suit :
- deux emplois à temps plein pour les inspecteurs scolaires provenant de l'enseignement fondamental;
- deux emplois à temps plein pour les inspecteurs scolaires provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire.
Il est créé quatre emplois à temps plein pour les conseillers en développement scolaire, répartis comme suit :
- deux emplois à temps plein pour les conseillers en développement scolaire provenant de l'enseignement fondamental;
- deux emplois à temps plein pour les conseillers en développement scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire.
[2 Deux emplois à temps plein sont créés pour les adjoints pour l'inclusion et l'intégration, ci-après dénommés "adjoints". ]2
[1 Un emploi à temps plein est créé pour le chef de l'inspection scolaire, de la guidance en développement scolaire et de la guidance pour l'inclusion et l'intégration, ci-après dénommé "chef", ";]1
Il est créé quatre emplois à temps plein pour les inspecteurs scolaires, répartis comme suit :
- deux emplois à temps plein pour les inspecteurs scolaires provenant de l'enseignement fondamental;
- deux emplois à temps plein pour les inspecteurs scolaires provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire.
Il est créé quatre emplois à temps plein pour les conseillers en développement scolaire, répartis comme suit :
- deux emplois à temps plein pour les conseillers en développement scolaire provenant de l'enseignement fondamental;
- deux emplois à temps plein pour les conseillers en développement scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire.
[2 Deux emplois à temps plein sont créés pour les adjoints pour l'inclusion et l'intégration, ci-après dénommés "adjoints". ]2
HOOFDSTUK 2. - Taken
CHAPITRE 2. - Missions
Afdeling 1. [1 - Hoofd van de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs]1
Section 1re. [1 - Chef de l'inspection scolaire, de la guidance en développement scolaire et de la guidance pour l'inclusion et l'intégration]1
Art. 5. Leiding en taken
[1 Het hoofd heeft de leiding over de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct en coördineert de uitvoering van hun taken.]1
[1 Het hoofd kan zowel taken van de onderwijsinspecteurs, als taken van de adviseurs voor schoolontwikkeling en van de adjunct vervullen.]1
[1 Na overleg met de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct bepaalt het hoofd hun jaarlijkse plan inzake voortgezette opleiding om de vak- en vakoverschrijdende competenties te waarborgen en te verdiepen.]1
[1 Het hoofd heeft de leiding over de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct en coördineert de uitvoering van hun taken.]1
[1 Het hoofd kan zowel taken van de onderwijsinspecteurs, als taken van de adviseurs voor schoolontwikkeling en van de adjunct vervullen.]1
[1 Na overleg met de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct bepaalt het hoofd hun jaarlijkse plan inzake voortgezette opleiding om de vak- en vakoverschrijdende competenties te waarborgen en te verdiepen.]1
Modifications
Art. 5. Direction et missions
[1 Le chef]1 assure la direction des inspecteurs scolaires [1 , des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint]1 et coordonne la mise en oeuvre des tâches qui leur sont assignées.
[1 Le chef]1 peut assumer tant des tâches de l'inspection scolaire que des tâches de conseiller en développement scolaire [1 et de l'adjoint]1.
[1 Après consultation des inspecteurs scolaires, des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint, le chef fixe leur plan annuel de formation continuée, afin de garantir et d'élargir les compétences disciplinaires et transversales.]1
[1 Le chef]1 assure la direction des inspecteurs scolaires [1 , des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint]1 et coordonne la mise en oeuvre des tâches qui leur sont assignées.
[1 Le chef]1 peut assumer tant des tâches de l'inspection scolaire que des tâches de conseiller en développement scolaire [1 et de l'adjoint]1.
[1 Après consultation des inspecteurs scolaires, des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint, le chef fixe leur plan annuel de formation continuée, afin de garantir et d'élargir les compétences disciplinaires et transversales.]1
Modifications
Afdeling 2. - Onderwijsinspectie
Section 2. - Inspection scolaire
Art. 6. Taken
De onderwijsinspectie zorgt voor de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling in het onderwijs en vervult de volgende taken voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs alsmede voor de voortgezette schoolopleiding :
1° ze controleert of de wettelijke voorschriften worden nageleefd :
a) ze gaat na of de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn, aangeleerd worden;
b) ze gaat na of de onderwijsinstellingen de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgen;
c) ze gaat na of de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake leerplicht worden nageleefd en houdt toezicht op het thuisonderwijs;
d) ze gaat na of de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs worden nageleefd;
e) ze gaat na of een onderwijsinstelling over voldoende leermiddelen en over een aangepaste onderwijsvoorziening beschikt;
f) ze gaat na of de onderwijsinstellingen de bepalingen m.b.t. de vakanties en de cursussen alsmede het minimale aantal wekelijkse lestijden naleven;
2° ze neemt kennis van de doelstellingen inzake kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling die de school op eigen verantwoordelijkheid heeft uitgewerkt en in de gevallen vermeld in artikel 70 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone en gespecialiseerde scholen gaat ze, samen met de zelfsturende school, na of die doelstellingen worden uitgevoerd;
3° ze werkt mee aan de mondelinge feedback die aan de scholen wordt gegeven over de externe evaluatie;
4° ze werkt mee aan de beoordeling resp. de evaluatie van de personeelsleden overeenkomstig de nadere regels die in de rechtspositieregeling zijn vastgelegd; voor het uitoefenen van die taak kan ze zich laten bijstaan door externe deskundigen;
5° ze zorgt voor het klachtenbeheer vermeld in afdeling 3, alsook voor het klachtenbeheer vermeld in titel IV, ondertitel 2, van het decreet van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool;
6° ze geeft de Regering adviezen over de financiering, de subsidieerbaarheid en de erkenning van onderwijsinstellingen of studierichtingen;
7° in opdracht van de Regering vervult ze pedagogische taken; die taken omvatten onder meer :
a) referentiekaders voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap uitwerken en implementeren;
b) pedagogische projecten plannen en uitvoeren, in samenwerking met inrichtende machten;
c) pedagogische adviezen opstellen.
8° ze vervult alle andere opdrachten die zijn vastgelegd bij wet, decreet of uitvoeringsbepalingen van wetten of decreten.
Voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd basis- en secundair onderwijs en voor de voortgezette schoolopleiding vervult de onderwijsinspectie, naast de taken vermeld in het eerste lid, ook nog de volgende taken :
1° ze coördineert de uitwerking van nieuwe en de herziening van bestaande activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen;
2° ze ontwikkelt, bewerkt en evalueert pedagogische concepten en projecten;
3° in conflictsituaties treedt ze op als pedagogisch bemiddelaar.
De onderwijsinspectie zorgt voor de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling in het onderwijs en vervult de volgende taken voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs alsmede voor de voortgezette schoolopleiding :
1° ze controleert of de wettelijke voorschriften worden nageleefd :
a) ze gaat na of de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn, aangeleerd worden;
b) ze gaat na of de onderwijsinstellingen de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgen;
c) ze gaat na of de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake leerplicht worden nageleefd en houdt toezicht op het thuisonderwijs;
d) ze gaat na of de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs worden nageleefd;
e) ze gaat na of een onderwijsinstelling over voldoende leermiddelen en over een aangepaste onderwijsvoorziening beschikt;
f) ze gaat na of de onderwijsinstellingen de bepalingen m.b.t. de vakanties en de cursussen alsmede het minimale aantal wekelijkse lestijden naleven;
2° ze neemt kennis van de doelstellingen inzake kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling die de school op eigen verantwoordelijkheid heeft uitgewerkt en in de gevallen vermeld in artikel 70 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone en gespecialiseerde scholen gaat ze, samen met de zelfsturende school, na of die doelstellingen worden uitgevoerd;
3° ze werkt mee aan de mondelinge feedback die aan de scholen wordt gegeven over de externe evaluatie;
4° ze werkt mee aan de beoordeling resp. de evaluatie van de personeelsleden overeenkomstig de nadere regels die in de rechtspositieregeling zijn vastgelegd; voor het uitoefenen van die taak kan ze zich laten bijstaan door externe deskundigen;
5° ze zorgt voor het klachtenbeheer vermeld in afdeling 3, alsook voor het klachtenbeheer vermeld in titel IV, ondertitel 2, van het decreet van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool;
6° ze geeft de Regering adviezen over de financiering, de subsidieerbaarheid en de erkenning van onderwijsinstellingen of studierichtingen;
7° in opdracht van de Regering vervult ze pedagogische taken; die taken omvatten onder meer :
a) referentiekaders voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap uitwerken en implementeren;
b) pedagogische projecten plannen en uitvoeren, in samenwerking met inrichtende machten;
c) pedagogische adviezen opstellen.
8° ze vervult alle andere opdrachten die zijn vastgelegd bij wet, decreet of uitvoeringsbepalingen van wetten of decreten.
Voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd basis- en secundair onderwijs en voor de voortgezette schoolopleiding vervult de onderwijsinspectie, naast de taken vermeld in het eerste lid, ook nog de volgende taken :
1° ze coördineert de uitwerking van nieuwe en de herziening van bestaande activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen;
2° ze ontwikkelt, bewerkt en evalueert pedagogische concepten en projecten;
3° in conflictsituaties treedt ze op als pedagogisch bemiddelaar.
Art. 6. Missions
L'inspection scolaire veille à garantir et développer la qualité de l'enseignement et assure les missions suivantes en ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone, ainsi que la formation scolaire continuée :
1° elle vérifie si les prescriptions légales sont respectées :
a) elle vérifie si les objectifs de développement prescrits et les compétences décrites dans les référentiels sont biens transmis;
b) elle vérifie si les établissements d'enseignement suivent les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
c) elle vérifie si les dispositions légales et réglementaires régissant l'obligation scolaire sont bien respectées et contrôle l'enseignement à domicile;
d) elle vérifie si les dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement sont respectées;
e) elle vérifie si l'établissement d'enseignement dispose du matériel didactique suffisant et d'un équipement scolaire adapté;
f) elle vérifie si les établissements d'enseignement respectent les dispositions relatives aux périodes de congé et de cours ainsi que les horaires hebdomadaires minimaux;
2° elle prend connaissance des objectifs que l'école s'est fixés, sous sa propre responsabilité, en matière de garantie et de développement de la qualité et vérifie leur mise en oeuvre avec l'école dans les cas mentionnés à l'article 70 du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires et spécialisées;
3° elle participe au feedback oral donné aux écoles quant à évaluation externe;
4° elle participe, selon le cas, au signalement ou à l'évaluation des membres du personnel conformément aux modalités fixées dans le statut. Pour ce, elle peut se faire accompagner par des experts externes;
5° elle se charge de la gestion des plaintes telle que prévue à la section 3 ainsi qu'au titre IV, sous-titre 2, du décret du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome;
6° elle remet des avis au Gouvernement en ce qui concerne le financement, l'admissibilité aux subventions ou la reconnaissance d'établissements d'enseignement ou de sections;
7° elle assume des missions d'ordre pédagogique sur ordre du Gouvernement. Cela couvre notamment :
a) l'élaboration et la mise en oeuvre de référentiels pour l'enseignement en Communauté germanophone;
b) la planification et la mise en oeuvre de projets pédagogiques en coopération avec les pouvoirs organisateurs;
c) l'établissement d'avis pédagogiques;
8° elle exerce toutes les autres missions prévues dans la loi ou le décret ou dans les dispositions portant exécution de ceux-ci.
En ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé par la Communauté germanophone et la formation scolaire continuée, l'inspection scolaire assure les missions suivantes en plus de celles énumérées au premier alinéa :
1° elle coordonne l'établissement de nouveaux plans d'activités, programmes d'études ou programmes de cours ou la refonte de ceux qui existent;
2° elle développe, élabore et évalue des concepts et projets pédagogiques;
3° elle assure, en cas de situations conflictuelles, des missions de médiation pédagogique.
L'inspection scolaire veille à garantir et développer la qualité de l'enseignement et assure les missions suivantes en ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone, ainsi que la formation scolaire continuée :
1° elle vérifie si les prescriptions légales sont respectées :
a) elle vérifie si les objectifs de développement prescrits et les compétences décrites dans les référentiels sont biens transmis;
b) elle vérifie si les établissements d'enseignement suivent les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
c) elle vérifie si les dispositions légales et réglementaires régissant l'obligation scolaire sont bien respectées et contrôle l'enseignement à domicile;
d) elle vérifie si les dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement sont respectées;
e) elle vérifie si l'établissement d'enseignement dispose du matériel didactique suffisant et d'un équipement scolaire adapté;
f) elle vérifie si les établissements d'enseignement respectent les dispositions relatives aux périodes de congé et de cours ainsi que les horaires hebdomadaires minimaux;
2° elle prend connaissance des objectifs que l'école s'est fixés, sous sa propre responsabilité, en matière de garantie et de développement de la qualité et vérifie leur mise en oeuvre avec l'école dans les cas mentionnés à l'article 70 du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires et spécialisées;
3° elle participe au feedback oral donné aux écoles quant à évaluation externe;
4° elle participe, selon le cas, au signalement ou à l'évaluation des membres du personnel conformément aux modalités fixées dans le statut. Pour ce, elle peut se faire accompagner par des experts externes;
5° elle se charge de la gestion des plaintes telle que prévue à la section 3 ainsi qu'au titre IV, sous-titre 2, du décret du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome;
6° elle remet des avis au Gouvernement en ce qui concerne le financement, l'admissibilité aux subventions ou la reconnaissance d'établissements d'enseignement ou de sections;
7° elle assume des missions d'ordre pédagogique sur ordre du Gouvernement. Cela couvre notamment :
a) l'élaboration et la mise en oeuvre de référentiels pour l'enseignement en Communauté germanophone;
b) la planification et la mise en oeuvre de projets pédagogiques en coopération avec les pouvoirs organisateurs;
c) l'établissement d'avis pédagogiques;
8° elle exerce toutes les autres missions prévues dans la loi ou le décret ou dans les dispositions portant exécution de ceux-ci.
En ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé par la Communauté germanophone et la formation scolaire continuée, l'inspection scolaire assure les missions suivantes en plus de celles énumérées au premier alinéa :
1° elle coordonne l'établissement de nouveaux plans d'activités, programmes d'études ou programmes de cours ou la refonte de ceux qui existent;
2° elle développe, élabore et évalue des concepts et projets pédagogiques;
3° elle assure, en cas de situations conflictuelles, des missions de médiation pédagogique.
Art. 7. Uitbreiding
Op verzoek van een gesubsidieerde of erkende inrichtende macht vervult de onderwijsinspectie de in artikel 6, tweede lid, vermelde taken voor de scholen die onder deze inrichtende macht ressorteren.
In opdracht van de Regering geeft het adviespunt voor schoolontwikkeling advies aan andere pedagogische instellingen, indien deze instellingen daarmee ingestemd hebben.
Op verzoek van een gesubsidieerde of erkende inrichtende macht vervult de onderwijsinspectie de in artikel 6, tweede lid, vermelde taken voor de scholen die onder deze inrichtende macht ressorteren.
In opdracht van de Regering geeft het adviespunt voor schoolontwikkeling advies aan andere pedagogische instellingen, indien deze instellingen daarmee ingestemd hebben.
Art. 7. Extension
Sur demande d'un pouvoir organisateur subventionné ou reconnu, l'inspection scolaire assume pour ses écoles les missions mentionnées à l'article 6, alinéa 2.
Sur ordre du Gouvernement, elle conseille d'autres institutions pédagogiques moyennant leur accord.
Sur demande d'un pouvoir organisateur subventionné ou reconnu, l'inspection scolaire assume pour ses écoles les missions mentionnées à l'article 6, alinéa 2.
Sur ordre du Gouvernement, elle conseille d'autres institutions pédagogiques moyennant leur accord.
Art. 8. Uitvoering van de taken
Voor de uitoefening van de taken vermeld in de artikelen 6 en 7 hebben de onderwijsinspecteurs het recht om :
1° de lessen, na ruggespraak met het schoolhoofd of - indien het schoolhoofd afwezig is - met diens plaatsvervanger, bij te wonen en een brede dialoog met de leden van de schoolgemeenschap te voeren;
2° alle documenten in te kijken die voor de uitvoering van de taken relevant zijn.
Voor de uitoefening van de taken vermeld in de artikelen 6 en 7 hebben de onderwijsinspecteurs het recht om :
1° de lessen, na ruggespraak met het schoolhoofd of - indien het schoolhoofd afwezig is - met diens plaatsvervanger, bij te wonen en een brede dialoog met de leden van de schoolgemeenschap te voeren;
2° alle documenten in te kijken die voor de uitvoering van de taken relevant zijn.
Art. 8. Mise en oeuvre des missions
Pour exercer les missions mentionnées aux articles 6 et 7, les inspecteurs scolaires ont le droit :
1° d'assister aux cours, après consultation du chef d'établissement ou - s'il est absent - de son représentant, et de mener un large dialogue avec les membres de la communauté scolaire;
2° de consulter tous les documents utiles pour l'accomplissement des missions.
Pour exercer les missions mentionnées aux articles 6 et 7, les inspecteurs scolaires ont le droit :
1° d'assister aux cours, après consultation du chef d'établissement ou - s'il est absent - de son représentant, et de mener un large dialogue avec les membres de la communauté scolaire;
2° de consulter tous les documents utiles pour l'accomplissement des missions.
Afdeling 3. - Klachtenbeheer
Section 3. - Gestion des plaintes
Art. 9. Ontvankelijkheid van de klachten
De onderwijsinspectie behandelt een klacht indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de klacht heeft betrekking op zaken die te maken hebben met de school;
2° de klacht is ingediend per aangetekend schrijven;
3° de klacht is in het Duits, het Frans of het Nederlands gesteld;
4° de identiteit van de indiener van de klacht is bekend.
De onderwijsinspectie weigert de behandeling van een klacht indien zich één van de volgende gevallen voordoet :
1° de klacht is kennelijk ongegrond;
2° de indiener van de klacht heeft zich niet tot de bevoegde school of de bevoegde inrichtende macht gericht om genoegdoening te krijgen;
3° de klacht stemt in essentie over met een andere klacht die de onderwijsinspectie al afgewezen heeft, voor zover geen nieuwe feiten voorliggen;
4° de klacht heeft betrekking op feiten die zich meer dan een jaar vóór het indienen van de klacht hebben voorgedaan;
5° de klacht heeft betrekking op de externe evaluatie.
De onderwijsinspectie behandelt een klacht indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de klacht heeft betrekking op zaken die te maken hebben met de school;
2° de klacht is ingediend per aangetekend schrijven;
3° de klacht is in het Duits, het Frans of het Nederlands gesteld;
4° de identiteit van de indiener van de klacht is bekend.
De onderwijsinspectie weigert de behandeling van een klacht indien zich één van de volgende gevallen voordoet :
1° de klacht is kennelijk ongegrond;
2° de indiener van de klacht heeft zich niet tot de bevoegde school of de bevoegde inrichtende macht gericht om genoegdoening te krijgen;
3° de klacht stemt in essentie over met een andere klacht die de onderwijsinspectie al afgewezen heeft, voor zover geen nieuwe feiten voorliggen;
4° de klacht heeft betrekking op feiten die zich meer dan een jaar vóór het indienen van de klacht hebben voorgedaan;
5° de klacht heeft betrekking op de externe evaluatie.
Art. 9. Recevabilité des plaintes
L'inspection scolaire se charge d'une plainte si les conditions suivantes sont rencontrées :
1° elle est d'intérêt scolaire;
2° elle a été introduite par recommandé;
3° elle a été introduite en allemand, en français ou en néerlandais;
4° l'identité du plaignant est connue.
L'inspection scolaire refuse de traiter une plainte si :
1° elle est manifestement non fondée;
2° le plaignant n'a entrepris aucune démarche auprès de l'établissement scolaire compétent ou du pouvoir organisateur compétent en vue d'obtenir satisfaction;
3° elle est pour l'essentiel identique à une plainte déjà rejetée par l'inspection scolaire, dans la mesure où il n'y a pas d'élément nouveau;
4° elle se rapporte à des faits qui se sont passés plus d'un an avant l'introduction de la plainte;
5° elle concerne la procédure relative à l'évaluation externe.
L'inspection scolaire se charge d'une plainte si les conditions suivantes sont rencontrées :
1° elle est d'intérêt scolaire;
2° elle a été introduite par recommandé;
3° elle a été introduite en allemand, en français ou en néerlandais;
4° l'identité du plaignant est connue.
L'inspection scolaire refuse de traiter une plainte si :
1° elle est manifestement non fondée;
2° le plaignant n'a entrepris aucune démarche auprès de l'établissement scolaire compétent ou du pouvoir organisateur compétent en vue d'obtenir satisfaction;
3° elle est pour l'essentiel identique à une plainte déjà rejetée par l'inspection scolaire, dans la mesure où il n'y a pas d'élément nouveau;
4° elle se rapporte à des faits qui se sont passés plus d'un an avant l'introduction de la plainte;
5° elle concerne la procédure relative à l'évaluation externe.
Art. 10. Mogelijke indiener van de klacht
Elke natuurlijke of rechtspersoon die een rechtstreeks belang kan aantonen, kan klacht indienen bij de onderwijsinspectie.
Elke natuurlijke of rechtspersoon die een rechtstreeks belang kan aantonen, kan klacht indienen bij de onderwijsinspectie.
Art. 10. Plaignants admis
Toute personne physique ou morale pouvant justifier d'un intérêt direct peut introduire une plainte auprès de l'inspection scolaire.
Toute personne physique ou morale pouvant justifier d'un intérêt direct peut introduire une plainte auprès de l'inspection scolaire.
Art. 11. Inlichten van de partijen over de klachtenprocedure
De onderwijsinspectie deelt de indiener van de klacht zo snel mogelijk schriftelijk mee of ze besloten heeft de klacht te behandelen, niet te behandelen of door te verwijzen naar een andere dienst die bevoegd is.
De onderwijsinspectie stelt de school en de inrichtende macht schriftelijk in kennis van klachten die tegen hen zijn ingediend en bezorgt hen een kopie van die klachten. Ze verzoekt de betrokken schoolleiding of de inrichtende macht schriftelijk om een verslag over de situatie op te maken.
De onderwijsinspectie deelt de indiener van de klacht zo snel mogelijk schriftelijk mee of ze besloten heeft de klacht te behandelen, niet te behandelen of door te verwijzen naar een andere dienst die bevoegd is.
De onderwijsinspectie stelt de school en de inrichtende macht schriftelijk in kennis van klachten die tegen hen zijn ingediend en bezorgt hen een kopie van die klachten. Ze verzoekt de betrokken schoolleiding of de inrichtende macht schriftelijk om een verslag over de situatie op te maken.
Art. 11. Information des parties
L'inspection scolaire informe sans délai et par écrit le plaignant sur la décision qu'elle a prise de traiter la plainte, de refuser de la traiter ou encore de la renvoyer à un autre service compétent.
L'inspection scolaire informe par écrit l'établissement scolaire et le pouvoir organisateur de toute plainte les concernant et leur transmet une copie de cette plainte. Elle demande par écrit à la direction concernée ou au pouvoir organisateur de faire un rapport sur la situation.
L'inspection scolaire informe sans délai et par écrit le plaignant sur la décision qu'elle a prise de traiter la plainte, de refuser de la traiter ou encore de la renvoyer à un autre service compétent.
L'inspection scolaire informe par écrit l'établissement scolaire et le pouvoir organisateur de toute plainte les concernant et leur transmet une copie de cette plainte. Elle demande par écrit à la direction concernée ou au pouvoir organisateur de faire un rapport sur la situation.
Art. 12. Onderzoek en kennisgeving
De onderwijsinspectie onderzoekt de bestreden feiten en tracht de verschillende standpunten met elkaar te verzoenen en vervolgens een oplossing te vinden.
De onderwijsinspectie deelt haar bevindingen en mogelijke oplossingen schriftelijk mee aan de inrichtende macht, het schoolhoofd en de indiener van de klacht.
De onderwijsinspectie onderzoekt de bestreden feiten en tracht de verschillende standpunten met elkaar te verzoenen en vervolgens een oplossing te vinden.
De onderwijsinspectie deelt haar bevindingen en mogelijke oplossingen schriftelijk mee aan de inrichtende macht, het schoolhoofd en de indiener van de klacht.
Art. 12. Examen et information
L'inspection scolaire examine les faits contestés et tente de concilier les différents points de vue pour finalement trouver une solution.
L'inspection scolaire communique ses constatations et propositions de solution, par écrit, au pouvoir organisateur, au chef d'établissement et au plaignant.
L'inspection scolaire examine les faits contestés et tente de concilier les différents points de vue pour finalement trouver une solution.
L'inspection scolaire communique ses constatations et propositions de solution, par écrit, au pouvoir organisateur, au chef d'établissement et au plaignant.
Afdeling 4. - Adviespunt voor schoolontwikkeling
Section 4. - Guidance en développement scolaire
Art. 13. Taken
Het adviespunt voor schoolontwikkeling zorgt voor de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling in de scholen en vervult, op verzoek van het schoolhoofd of de inrichtende macht, de volgende taken voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs en voor de voortgezette schoolopleiding :
1° de ontwikkelingsbehoeften van de school concretiseren op basis van doelstellingen die de onderwijsinspectie en de school samen hebben bepaald;
2° de invoering van binnenschoolse structuren voor schoolontwikkeling ondersteunen;
3° maatregelen nemen om aan kwaliteitsontwikkeling te doen;
4° teamgeest en communicatie binnen de school stimuleren;
5° zorgen voor coherente organisatieontwikkeling, personeelsontwikkeling en onderwijsontwikkeling binnen de school;
6° de resultaten van de ontwikkelingsprocessen regelmatig documenteren en feedback geven aan de scholen;
7° de scholen zo nodig op andere ondersteuningsmogelijkheden wijzen;
8° het adviespunt kan meewerken aan de mondelinge feedback die aan de scholen wordt gegeven over de externe evaluatie.
Het adviespunt voor schoolontwikkeling ondersteunt de onderwijsinspectie bij :
1° het vervullen van de pedagogische taken die in opdracht van de Regering moeten worden uitgevoerd;
2° het opstellen van adviezen voor de Regering;
3° het vervullen van alle andere opdrachten die vastgelegd zijn bij wet, decreet of uitvoeringsbepalingen van wetten of decreten.
Het adviespunt voor schoolontwikkeling zorgt voor de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling in de scholen en vervult, op verzoek van het schoolhoofd of de inrichtende macht, de volgende taken voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs en voor de voortgezette schoolopleiding :
1° de ontwikkelingsbehoeften van de school concretiseren op basis van doelstellingen die de onderwijsinspectie en de school samen hebben bepaald;
2° de invoering van binnenschoolse structuren voor schoolontwikkeling ondersteunen;
3° maatregelen nemen om aan kwaliteitsontwikkeling te doen;
4° teamgeest en communicatie binnen de school stimuleren;
5° zorgen voor coherente organisatieontwikkeling, personeelsontwikkeling en onderwijsontwikkeling binnen de school;
6° de resultaten van de ontwikkelingsprocessen regelmatig documenteren en feedback geven aan de scholen;
7° de scholen zo nodig op andere ondersteuningsmogelijkheden wijzen;
8° het adviespunt kan meewerken aan de mondelinge feedback die aan de scholen wordt gegeven over de externe evaluatie.
Het adviespunt voor schoolontwikkeling ondersteunt de onderwijsinspectie bij :
1° het vervullen van de pedagogische taken die in opdracht van de Regering moeten worden uitgevoerd;
2° het opstellen van adviezen voor de Regering;
3° het vervullen van alle andere opdrachten die vastgelegd zijn bij wet, decreet of uitvoeringsbepalingen van wetten of decreten.
Art. 13. Missions
La guidance en développement scolaire s'occupe de la garantie et du développement de la qualité de l'enseignement et assure, à la demande du chef d'établissement ou du pouvoir organisateur, les missions suivantes en ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone ainsi que la formation scolaire continuée :
1° elle concrétise les besoins en développement d'une école en se basant sur les objectifs que celle-ci s'est fixés en matière de garantie et de développement de la qualité;
2° elle soutient la mise en place de structures propres à l'école et visant son développement;
3° elle mène des mesures en matière de développement de la qualité;
4° elle promeut la capacité de l'école à travailler en équipe et la communication;
5° elle établit la cohérence interne de l'école quant au développement de l'organisation, du personnel et de l'enseignement;
6° elle étaye régulièrement par des documents les résultats du processus de développement et donne un feedback aux écoles;
7° si nécessaire, elle signale aux écoles d'autres aides possibles;
8° elle peut participer au feedback oral donné aux écoles quant à évaluation externe.
La guidance en développement scolaire soutient l'inspection scolaire pour :
1° la réalisation des missions pédagogiques menées sur ordre du Gouvernement;
2° la rédaction d'avis pour le Gouvernement;
3° l'exercice toutes les autres missions prévues dans la loi ou le décret ou dans les dispositions portant exécution de ceux-ci.
La guidance en développement scolaire s'occupe de la garantie et du développement de la qualité de l'enseignement et assure, à la demande du chef d'établissement ou du pouvoir organisateur, les missions suivantes en ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone ainsi que la formation scolaire continuée :
1° elle concrétise les besoins en développement d'une école en se basant sur les objectifs que celle-ci s'est fixés en matière de garantie et de développement de la qualité;
2° elle soutient la mise en place de structures propres à l'école et visant son développement;
3° elle mène des mesures en matière de développement de la qualité;
4° elle promeut la capacité de l'école à travailler en équipe et la communication;
5° elle établit la cohérence interne de l'école quant au développement de l'organisation, du personnel et de l'enseignement;
6° elle étaye régulièrement par des documents les résultats du processus de développement et donne un feedback aux écoles;
7° si nécessaire, elle signale aux écoles d'autres aides possibles;
8° elle peut participer au feedback oral donné aux écoles quant à évaluation externe.
La guidance en développement scolaire soutient l'inspection scolaire pour :
1° la réalisation des missions pédagogiques menées sur ordre du Gouvernement;
2° la rédaction d'avis pour le Gouvernement;
3° l'exercice toutes les autres missions prévues dans la loi ou le décret ou dans les dispositions portant exécution de ceux-ci.
Art. 14. Uitbreiding
In opdracht van de Regering geeft het adviespunt voor schoolontwikkeling advies aan andere pedagogische instellingen, indien deze instellingen daarmee ingestemd hebben.
In opdracht van de Regering geeft het adviespunt voor schoolontwikkeling advies aan andere pedagogische instellingen, indien deze instellingen daarmee ingestemd hebben.
Art. 14. Extension
Sur ordre du Gouvernement, elle conseille d'autres institutions pédagogiques moyennant leur accord.
Sur ordre du Gouvernement, elle conseille d'autres institutions pédagogiques moyennant leur accord.
Art. 15. Uitvoering van de taken
Voor de uitoefening van de taken vermeld in de artikelen 13 en 14 hebben de adviseurs voor schoolontwikkeling het recht om :
1° de lessen, na ruggespraak met het schoolhoofd of - indien het schoolhoofd afwezig is - met diens plaatsvervanger, bij te wonen en een brede dialoog met de leden van de schoolgemeenschap te voeren;
2° alle documenten in te kijken die voor de uitvoering van de taken relevant zijn.
Voor de uitoefening van de taken vermeld in de artikelen 13 en 14 hebben de adviseurs voor schoolontwikkeling het recht om :
1° de lessen, na ruggespraak met het schoolhoofd of - indien het schoolhoofd afwezig is - met diens plaatsvervanger, bij te wonen en een brede dialoog met de leden van de schoolgemeenschap te voeren;
2° alle documenten in te kijken die voor de uitvoering van de taken relevant zijn.
Art. 15. Mise en oeuvre des missions
Pour exercer les missions mentionnées aux articles 13 et 14, les conseillers en développement scolaire ont le droit :
1° d'assister aux cours, après consultation du chef d'établissement ou - s'il est absent - de son représentant, et de mener un large dialogue avec les membres de la communauté scolaire;
2° de consulter tous les documents utiles pour l'accomplissement des missions.
Pour exercer les missions mentionnées aux articles 13 et 14, les conseillers en développement scolaire ont le droit :
1° d'assister aux cours, après consultation du chef d'établissement ou - s'il est absent - de son représentant, et de mener un large dialogue avec les membres de la communauté scolaire;
2° de consulter tous les documents utiles pour l'accomplissement des missions.
Afdeling 5. [1 - Adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs]1
Section 5. [1 - Guidance pour l'inclusion et l'intégration]1
Art.15.1.[1 - Taken
[2 Het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs zorgt voor de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling van de bevorderingspedagogiek in het onderwijs en in de middenstandsopleiding en vervult, op verzoek van het schoolhoofd, de inrichtende macht, het IAWM of een directeur van een ZAWM, de volgende taken voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs, de voortgezette schoolopleiding en de middenstandsopleiding:]2
1° adviezen over bevorderingspedagogiek opstellen voor de Regering, in het bijzonder over aangevraagde integratiemaatregelen en inclusiemaatregelen;
2° concepten en projecten inzake bevorderingspedagogiek opstellen, bewerken en evalueren in samenwerking met inrichtende machten, scholen en andere betrokken instellingen;
3° pedagogische adviezen opstellen;
4° advies verlenen inzake bevorderingspedagogiek;
5° de integratie en inclusie van leerlingen [2 in het onderwijs en in de middenstandsopleiding]2 ondersteunen via casemanagement voor leerlingen met een complexe problematiek;
6° het adviespunt voor schoolontwikkeling ondersteunen bij het uitvoeren van taken inzake inclusie in het onderwijs;
7° de onderwijsinspectie ondersteunen bij het uitvoeren van taken inzake bemiddeling bij conflicten over de ondersteuning bij specifieke onderwijsbehoeften.]1
[2 Het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs zorgt voor de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling van de bevorderingspedagogiek in het onderwijs en in de middenstandsopleiding en vervult, op verzoek van het schoolhoofd, de inrichtende macht, het IAWM of een directeur van een ZAWM, de volgende taken voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd en erkend basis- en secundair onderwijs, de voortgezette schoolopleiding en de middenstandsopleiding:]2
1° adviezen over bevorderingspedagogiek opstellen voor de Regering, in het bijzonder over aangevraagde integratiemaatregelen en inclusiemaatregelen;
2° concepten en projecten inzake bevorderingspedagogiek opstellen, bewerken en evalueren in samenwerking met inrichtende machten, scholen en andere betrokken instellingen;
3° pedagogische adviezen opstellen;
4° advies verlenen inzake bevorderingspedagogiek;
5° de integratie en inclusie van leerlingen [2 in het onderwijs en in de middenstandsopleiding]2 ondersteunen via casemanagement voor leerlingen met een complexe problematiek;
6° het adviespunt voor schoolontwikkeling ondersteunen bij het uitvoeren van taken inzake inclusie in het onderwijs;
7° de onderwijsinspectie ondersteunen bij het uitvoeren van taken inzake bemiddeling bij conflicten over de ondersteuning bij specifieke onderwijsbehoeften.]1
Art.15.1.[1 - Missions
La guidance pour l'inclusion et l'intégration veille à garantir et développer la qualité de la pédagogie de soutien dans l'enseignement [2 et dans la formation en alternance]2 et, à la demande du chef d'établissement [2 , du pouvoir organisateur, de l'IAWM ou du directeur d'un ZAWM " et la phrase est complétée par les mots suivants " , la formation scolaire ainsi que la formation dans les classes moyenne]2, assure les missions suivantes en ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone :
1° elle rend des avis au Gouvernement dans le domaine de la pédagogie de soutien, notamment concernant les mesures sollicitées en matière d'intégration et d'inclusion;
2° elle développe, élabore et évalue, en collaboration avec les pouvoirs organisateurs, les écoles et d'autres établissements concernés, des concepts et des projets en matière de pédagogie de soutien;
3° elle rend des avis pédagogiques;
4° elle prodigue des conseils en pédagogie de soutien;
5° elle appuie l'intégration et l'inclusion d'élèves dans l'enseignement [2 et dans la formation en alternance]2 par la gestion de cas pour des problèmes complexes;
6° elle appuie la guidance en développement scolaire en assurant les missions qui relèvent du développement scolaire inclusif;
7° elle appuie l'inspection scolaire en assurant les missions qui relèvent de la médiation en pédagogie de soutien.]1
La guidance pour l'inclusion et l'intégration veille à garantir et développer la qualité de la pédagogie de soutien dans l'enseignement [2 et dans la formation en alternance]2 et, à la demande du chef d'établissement [2 , du pouvoir organisateur, de l'IAWM ou du directeur d'un ZAWM " et la phrase est complétée par les mots suivants " , la formation scolaire ainsi que la formation dans les classes moyenne]2, assure les missions suivantes en ce qui concerne l'enseignement fondamental et secondaire organisé, subventionné et reconnu par la Communauté germanophone :
1° elle rend des avis au Gouvernement dans le domaine de la pédagogie de soutien, notamment concernant les mesures sollicitées en matière d'intégration et d'inclusion;
2° elle développe, élabore et évalue, en collaboration avec les pouvoirs organisateurs, les écoles et d'autres établissements concernés, des concepts et des projets en matière de pédagogie de soutien;
3° elle rend des avis pédagogiques;
4° elle prodigue des conseils en pédagogie de soutien;
5° elle appuie l'intégration et l'inclusion d'élèves dans l'enseignement [2 et dans la formation en alternance]2 par la gestion de cas pour des problèmes complexes;
6° elle appuie la guidance en développement scolaire en assurant les missions qui relèvent du développement scolaire inclusif;
7° elle appuie l'inspection scolaire en assurant les missions qui relèvent de la médiation en pédagogie de soutien.]1
Art.15.2. [1 - Uitbreiding
In opdracht van de Regering geeft het adviespunt advies aan andere pedagogische instellingen, indien deze instellingen daarmee ingestemd hebben.]1
In opdracht van de Regering geeft het adviespunt advies aan andere pedagogische instellingen, indien deze instellingen daarmee ingestemd hebben.]1
Art.15.2. [1 - Extension
Sur ordre du Gouvernement, elle conseille d'autres institutions pédagogiques, moyennant leur accord.]1
Sur ordre du Gouvernement, elle conseille d'autres institutions pédagogiques, moyennant leur accord.]1
Art.15.3.[1 - Uitvoering van de taken
Voor de taken vermeld in artikel 15.1 heeft de adjunct het recht:
1° de lessen, [2 na overleg met het schoolhoofd, met een directeur van een ZAWM of - indien betrokkene afwezig is - met diens plaatsvervanger]2, bij te wonen en een brede dialoog met de leden van de [2 schoolgemeenschap of de personeelsleden van de middenstandsopleiding]2 te voeren;
2° alle documenten in te kijken die voor de uitvoering van de taken relevant, ter zake dienend en doelmatig zijn.]1
Voor de taken vermeld in artikel 15.1 heeft de adjunct het recht:
1° de lessen, [2 na overleg met het schoolhoofd, met een directeur van een ZAWM of - indien betrokkene afwezig is - met diens plaatsvervanger]2, bij te wonen en een brede dialoog met de leden van de [2 schoolgemeenschap of de personeelsleden van de middenstandsopleiding]2 te voeren;
2° alle documenten in te kijken die voor de uitvoering van de taken relevant, ter zake dienend en doelmatig zijn.]1
Art.15.3.[1 - Mise en oeuvre des missions
Pour exercer les missions mentionnées à l'article 15.1, l'adjoint a le droit :
1° d'assister aux cours, après consultation du chef d'établissement [2 , le directeur d'un ZAWM]2 ou - s'il est absent - de son représentant, et de mener un large dialogue avec les membres de la communauté scolaire [2 ou les membres du personnel de la formation dans les classes moyennes]2;
2° de consulter tous les documents utiles, pertinents et opportuns pour l'accomplissement des missions.]1
Pour exercer les missions mentionnées à l'article 15.1, l'adjoint a le droit :
1° d'assister aux cours, après consultation du chef d'établissement [2 , le directeur d'un ZAWM]2 ou - s'il est absent - de son représentant, et de mener un large dialogue avec les membres de la communauté scolaire [2 ou les membres du personnel de la formation dans les classes moyennes]2;
2° de consulter tous les documents utiles, pertinents et opportuns pour l'accomplissement des missions.]1
Afdeling 6. [1 - Beroepsgeheim]1
Section 6. [1 - Secret professionnel]1
Art.15.4.[1 - Geheimhoudingsplicht
Het hoofd, de onderwijsinspecteurs en de adjunct zijn in het kader van de uitvoering van hun taken tot geheimhouding verplicht. Artikel 4.11 van het decreet van 31 maart 2014 betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren is van toepassing, waarbij onder "personen die bij het centrum werken" het hoofd, de onderwijsinspecteurs en de adjunct moet worden verstaan."]1
Het hoofd, de onderwijsinspecteurs en de adjunct zijn in het kader van de uitvoering van hun taken tot geheimhouding verplicht. Artikel 4.11 van het decreet van 31 maart 2014 betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren is van toepassing, waarbij onder "personen die bij het centrum werken" het hoofd, de onderwijsinspecteurs en de adjunct moet worden verstaan."]1
Modifications
Art.15.4.[1 Obligation de secret
Dans le cadre de l'exercice de leurs activités, le chef, les inspecteurs scolaires et l'adjoint sont tenus au secret professionnel. L'article 4.11 du décret du 31 mars 2014 relatif au centre pour le développement sain des enfants et des jeunes s'applique; "les personnes occupées par le centre" devant s'entendre comme désignant "le chef, les inspecteurs scolaires et l'adjoint".]1
Dans le cadre de l'exercice de leurs activités, le chef, les inspecteurs scolaires et l'adjoint sont tenus au secret professionnel. L'article 4.11 du décret du 31 mars 2014 relatif au centre pour le développement sain des enfants et des jeunes s'applique; "les personnes occupées par le centre" devant s'entendre comme désignant "le chef, les inspecteurs scolaires et l'adjoint".]1
Modifications
HOOFDSTUK 3. - Statuut
CHAPITRE 3. - Statut
Art. 16. [1 Het hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor onderwijsontwikkeling en de adjunct - met uitzondering van het hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct die het ambt in kwestie uitoefenen in het kader van een verlof voor de uitoefening van een ander ambt overeenkomstig de artikelen 4 tot 9 van het decreet van 30 juni 2003 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs 2003 - vallen onder het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.]1
Modifications
Art. 16. [1 L'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire est applicable au chef, aux inspecteurs scolaires, aux conseillers en développement scolaire et à l'adjoint, à l'exception du chef, des inspecteurs scolaires, des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint qui exercent ladite fonction dans le cadre d'un congé en vue de l'exercice d'une autre fonction conformément aux articles 4 à 9 du décret du 30 juin 2003 portant des mesures urgentes en matière d'enseignement 2003.]1
Modifications
Art. 17. Toelatingsvoorwaarden
[2 Het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs, het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs en het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs of het ambt van adjunct worden bekleed door een persoon die:]2
1° één van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus krachtens de bepalingen van diezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; "
2° [2 ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezit;
a) met uitzondering van het hoofd, dat ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit;
b) met uitzondering van de adjunct, die houder is van een bekwaamheidsbewijs vermeld in artikel 14, 8°, met uitzondering van de bepaling onder g), van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;]2
3° a) voor het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs en het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs : een nuttige beroepservaring van ten minste vijf jaar in het basisonderwijs heeft [2 deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend]2;
b) voor het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs en het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs : een nuttige beroepservaring van ten minste vijf jaar in het secundair, hoger of universitair onderwijs heeft [2 deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend]2 ;
c) [2 voor het ambt van hoofd:]2 een nuttige beroepservaring van ten minste tien jaar heeft [2 deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend]2;
[2 d) voor het ambt van adjunct: een nuttige beroepservaring van ten minste vijf jaar inzake bevorderingspedagogiek heeft; deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend;]2
4° in het laatste beoordelings- of evaluatieverslag ten minste de vermelding " goed " gekregen heeft, voor zover een dergelijke evaluatiestructuur bestaat;
5° de sollicitatie heeft ingediend in de vorm en binnen de termijn die in de oproep zijn vastgelegd;
6° een gedrag heeft dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;
7° de burgerlijke en politieke rechten geniet [1 ;]1
[1 8° voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Het eerste lid, 1°, b) tot d), voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.
[2 Het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs, het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs en het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs of het ambt van adjunct worden bekleed door een persoon die:]2
1° één van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus krachtens de bepalingen van diezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; "
2° [2 ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezit;
a) met uitzondering van het hoofd, dat ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit;
b) met uitzondering van de adjunct, die houder is van een bekwaamheidsbewijs vermeld in artikel 14, 8°, met uitzondering van de bepaling onder g), van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;]2
3° a) voor het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs en het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs : een nuttige beroepservaring van ten minste vijf jaar in het basisonderwijs heeft [2 deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend]2;
b) voor het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs en het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs : een nuttige beroepservaring van ten minste vijf jaar in het secundair, hoger of universitair onderwijs heeft [2 deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend]2 ;
c) [2 voor het ambt van hoofd:]2 een nuttige beroepservaring van ten minste tien jaar heeft [2 deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend]2;
[2 d) voor het ambt van adjunct: een nuttige beroepservaring van ten minste vijf jaar inzake bevorderingspedagogiek heeft; deeltijdse prestaties worden in verhouding tot een voltijdse betrekking aangerekend;]2
4° in het laatste beoordelings- of evaluatieverslag ten minste de vermelding " goed " gekregen heeft, voor zover een dergelijke evaluatiestructuur bestaat;
5° de sollicitatie heeft ingediend in de vorm en binnen de termijn die in de oproep zijn vastgelegd;
6° een gedrag heeft dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;
7° de burgerlijke en politieke rechten geniet [1 ;]1
[1 8° voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Het eerste lid, 1°, b) tot d), voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.
Art. 17. Conditions d'admission
[2 Pour pouvoir revêtir la fonction de chef, d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire ou d'adjoint, le candidat doit :]2
1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2° [2 être porteur au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré;
a) à l'exception du chef, qui doit être porteur au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré;
b) à l'exception de l'adjoint qui doit être porteur de l'un des titres d'études mentionnés à l'article 14, 8°, à l'exception du g), de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements;]2
3° a) avoir une expérience utile d'au moins cinq ans dans l'enseignement fondamental pour la fonction d'inspecteur scolaire ou de conseiller en développement scolaire provenant du fondamental [2 , les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein]2;
b) avoir une expérience utile d'au moins cinq ans dans l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire pour la fonction d'inspecteur scolaire ou de conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire [2 , les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein]2;
c) avoir une expérience utile d'au moins dix ans pour la fonction [2 de chef]2 [2 , les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein]2;
[2 d) pour la fonction d'adjoint : une expérience professionnelle utile d'au moins cinq ans dans le domaine de la pédagogie de soutien, les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein;]2
4° avoir obtenu au moins la mention " bon " dans le dernier rapport d'évaluation ou bulletin de signalement, dans la mesure où une telle structure d'évaluation existe;
5° avoir introduit sa candidature dans les formes et délais fixés dans l'appel aux candidats;
6° avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction;
7° jouir des droits civils et politiques [1 ;]1
[1 8° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
L'alinéa 1er, 1°, lettres b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative aux titres de séjour délivrés aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou qui ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de la protection à fournir.
[2 Pour pouvoir revêtir la fonction de chef, d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire ou d'adjoint, le candidat doit :]2
1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2° [2 être porteur au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré;
a) à l'exception du chef, qui doit être porteur au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré;
b) à l'exception de l'adjoint qui doit être porteur de l'un des titres d'études mentionnés à l'article 14, 8°, à l'exception du g), de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements;]2
3° a) avoir une expérience utile d'au moins cinq ans dans l'enseignement fondamental pour la fonction d'inspecteur scolaire ou de conseiller en développement scolaire provenant du fondamental [2 , les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein]2;
b) avoir une expérience utile d'au moins cinq ans dans l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire pour la fonction d'inspecteur scolaire ou de conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire [2 , les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein]2;
c) avoir une expérience utile d'au moins dix ans pour la fonction [2 de chef]2 [2 , les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein]2;
[2 d) pour la fonction d'adjoint : une expérience professionnelle utile d'au moins cinq ans dans le domaine de la pédagogie de soutien, les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein;]2
4° avoir obtenu au moins la mention " bon " dans le dernier rapport d'évaluation ou bulletin de signalement, dans la mesure où une telle structure d'évaluation existe;
5° avoir introduit sa candidature dans les formes et délais fixés dans l'appel aux candidats;
6° avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction;
7° jouir des droits civils et politiques [1 ;]1
[1 8° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
L'alinéa 1er, 1°, lettres b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative aux titres de séjour délivrés aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou qui ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de la protection à fournir.
Art. 18. Oproep tot de kandidaten en sollicitatie
[1 De oproep tot de kandidaten voor het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs, het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs en het ambt van adjunct wordt bekendgemaakt in de pers, door aanplakking in de scholen alsmede in elke andere passende vorm.]1
De oproep bevat het profiel dat voor het te bekleden ambt vereist wordt.
De sollicitatie wordt per aangetekende brief ingediend, binnen een in de oproep vastgestelde termijn van ten minste één maand na de bekendmaking van de oproep. Bij de sollicitatiebrief voegt de kandidaat minstens een kopie van de vereiste diploma's, een bewijs van zijn beroepservaring, het in artikel 596, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde uittreksel uit het strafregister dat niet ouder is dan zes maanden, een curriculum vitae en een motivering.
Wie naar het ambt van [1 hoofd]1 solliciteert, voegt bij zijn sollicitatie ook nog een strategie- en actieplan over zijn werkzaamheid.
[1 De oproep tot de kandidaten voor het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs, het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs en het ambt van adjunct wordt bekendgemaakt in de pers, door aanplakking in de scholen alsmede in elke andere passende vorm.]1
De oproep bevat het profiel dat voor het te bekleden ambt vereist wordt.
De sollicitatie wordt per aangetekende brief ingediend, binnen een in de oproep vastgestelde termijn van ten minste één maand na de bekendmaking van de oproep. Bij de sollicitatiebrief voegt de kandidaat minstens een kopie van de vereiste diploma's, een bewijs van zijn beroepservaring, het in artikel 596, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde uittreksel uit het strafregister dat niet ouder is dan zes maanden, een curriculum vitae en een motivering.
Wie naar het ambt van [1 hoofd]1 solliciteert, voegt bij zijn sollicitatie ook nog een strategie- en actieplan over zijn werkzaamheid.
Modifications
Art. 18. Appel aux candidats et candidature
[1 L'appel aux candidats pour la fonction de chef, d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire ainsi que d'adjoint provenant de l'enseignement fondamental ou de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire est publié dans la presse, dans les écoles par affichage et sous toute autre forme appropriée. ]1
L'appel aux candidats mentionne le profil requis pour la fonction à pourvoir.
La candidature est introduite par recommandé dans le délai fixé dans l'appel aux candidats et qui est au moins d'un mois à dater de la publication de l'appel. Le candidat y joint au moins une copie des diplômes requis, la preuve de l'expérience professionnelle, un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code de procédure pénale et datant de moins de six mois, ainsi qu'un curriculum vitae et une lettre de motivation.
Le candidat à la fonction de [1 chef]1 annexe en plus des documents de candidature un plan de stratégie et d'action relatif à son activité.
[1 L'appel aux candidats pour la fonction de chef, d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire ainsi que d'adjoint provenant de l'enseignement fondamental ou de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire est publié dans la presse, dans les écoles par affichage et sous toute autre forme appropriée. ]1
L'appel aux candidats mentionne le profil requis pour la fonction à pourvoir.
La candidature est introduite par recommandé dans le délai fixé dans l'appel aux candidats et qui est au moins d'un mois à dater de la publication de l'appel. Le candidat y joint au moins une copie des diplômes requis, la preuve de l'expérience professionnelle, un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code de procédure pénale et datant de moins de six mois, ainsi qu'un curriculum vitae et une lettre de motivation.
Le candidat à la fonction de [1 chef]1 annexe en plus des documents de candidature un plan de stratégie et d'action relatif à son activité.
Modifications
Art. 19. Aanstelling
§ 1. De Regering richt een onafhankelijke commissie op die belast is met de uitvoering van de procedure voor aanstellingen [2 in het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling en het ambt van adjunct]2.
§ 2. De commissie bestaat uit :
1° een voorzitter die gekozen is uit de personeelsleden van het Ministerie en die over de nodige kennis beschikt wat de statuten betreft;
2° een personeelslid van het Ministerie dat over de nodige pedagogische kennis beschikt;
3° een personeelslid van het Ministerie dat over de nodige kennis betreffende de organisatie van het onderwijs beschikt;
4° twee leden die geen personeelslid van het Ministerie zijn en over de nodige kennis beschikken wat onderwijs en opleidingen betreft;
5° een lid dat de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs vertegenwoordigt;
6° een lid dat de inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs vertegenwoordigt;
7° een lid dat de inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt;
8° een secretaris die uit de personeelsleden van het Ministerie wordt gekozen.
Voor elk werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen; het plaatsvervangend lid wordt volgens dezelfde criteria uitgekozen als het werkend lid dat het vervangt.
De leden van de commissie worden voor een onbepaalde duur aangewezen.
De commissie kan slechts geldig beraadslagen als minstens vijf van de leden vermeld in het eerste lid, 1° tot 7°, aanwezig zijn.
Wordt het quorum niet bereikt, dan roept de voorzitter ten vroegste op de daarop volgende werkdag een nieuwe zitting bijeen. Onder werkdag worden de weekdagen van maandag tot vrijdag verstaan, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.
Het met redenen omkleed advies wordt verstrekt bij gewone meerderheid van stemmen. Stemonthoudingen zijn niet toegestaan. Bij staking der stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. De secretaris is niet stemgerechtigd.
§ 3. De commissie stelt vast of de kandidaten voor het ambt in aanmerking komen.
De in aanmerking komende kandidaten doorlopen een procedure om vast te stellen of ze voor het ambt geschikt zijn; die procedure wordt door de Regering vastgelegd.
[3 In aansluiting daarop voert de commissie met elke kandidaat die de procedure om de geschiktheid voor het ambt vast te stellen, met succes doorlopen heeft, een sollicitatiegesprek waarin zij nagaat of de kandidaat beschikt over de voor het ambt vereiste vakkennis en dus geschikt is voor het ambt. Bij haar beslissing over de geschiktheid van de kandidaat houdt de commissie rekening met de stukken vermeld in artikel 18, derde en vierde lid, de pedagogische kwalificatie, de beroepservaring en de voor het te bekleden ambt vereiste vakkennis van de kandidaat.]3
[3 Aansluitend stelt de commissie een met redenen omkleed advies op, waarin de geschikte kandidaten worden gerangschikt en voor een aanstelling worden voorgedragen. Voor de rangschikking baseert de commissie zich zowel op de resultaten die de kandidaten behaald hebben bij de procedure om de geschiktheid voor het ambt vast te stellen, als op de inzichten die verworven werden tijdens het sollicitatiegesprek.]3
[1 ...]1
De rangschikking van de geschikte kandidaten blijft vier jaar geldig met ingang van 1 september na de rangschikking, alsook tussen de rangschikking en die eerste september.
§ 4. Zodra de Regering het advies van de commissie ontvangen heeft, deelt ze haar beslissing aangetekend mee aan de kandidaten en stelt ze één kandidaat per vacante betrekking aan.
In voorkomend geval vermeldt de Regering waarom zij het advies niet volgt.
§ 1. De Regering richt een onafhankelijke commissie op die belast is met de uitvoering van de procedure voor aanstellingen [2 in het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling en het ambt van adjunct]2.
§ 2. De commissie bestaat uit :
1° een voorzitter die gekozen is uit de personeelsleden van het Ministerie en die over de nodige kennis beschikt wat de statuten betreft;
2° een personeelslid van het Ministerie dat over de nodige pedagogische kennis beschikt;
3° een personeelslid van het Ministerie dat over de nodige kennis betreffende de organisatie van het onderwijs beschikt;
4° twee leden die geen personeelslid van het Ministerie zijn en over de nodige kennis beschikken wat onderwijs en opleidingen betreft;
5° een lid dat de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs vertegenwoordigt;
6° een lid dat de inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs vertegenwoordigt;
7° een lid dat de inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt;
8° een secretaris die uit de personeelsleden van het Ministerie wordt gekozen.
Voor elk werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen; het plaatsvervangend lid wordt volgens dezelfde criteria uitgekozen als het werkend lid dat het vervangt.
De leden van de commissie worden voor een onbepaalde duur aangewezen.
De commissie kan slechts geldig beraadslagen als minstens vijf van de leden vermeld in het eerste lid, 1° tot 7°, aanwezig zijn.
Wordt het quorum niet bereikt, dan roept de voorzitter ten vroegste op de daarop volgende werkdag een nieuwe zitting bijeen. Onder werkdag worden de weekdagen van maandag tot vrijdag verstaan, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.
Het met redenen omkleed advies wordt verstrekt bij gewone meerderheid van stemmen. Stemonthoudingen zijn niet toegestaan. Bij staking der stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. De secretaris is niet stemgerechtigd.
§ 3. De commissie stelt vast of de kandidaten voor het ambt in aanmerking komen.
De in aanmerking komende kandidaten doorlopen een procedure om vast te stellen of ze voor het ambt geschikt zijn; die procedure wordt door de Regering vastgelegd.
[3 In aansluiting daarop voert de commissie met elke kandidaat die de procedure om de geschiktheid voor het ambt vast te stellen, met succes doorlopen heeft, een sollicitatiegesprek waarin zij nagaat of de kandidaat beschikt over de voor het ambt vereiste vakkennis en dus geschikt is voor het ambt. Bij haar beslissing over de geschiktheid van de kandidaat houdt de commissie rekening met de stukken vermeld in artikel 18, derde en vierde lid, de pedagogische kwalificatie, de beroepservaring en de voor het te bekleden ambt vereiste vakkennis van de kandidaat.]3
[3 Aansluitend stelt de commissie een met redenen omkleed advies op, waarin de geschikte kandidaten worden gerangschikt en voor een aanstelling worden voorgedragen. Voor de rangschikking baseert de commissie zich zowel op de resultaten die de kandidaten behaald hebben bij de procedure om de geschiktheid voor het ambt vast te stellen, als op de inzichten die verworven werden tijdens het sollicitatiegesprek.]3
[1 ...]1
De rangschikking van de geschikte kandidaten blijft vier jaar geldig met ingang van 1 september na de rangschikking, alsook tussen de rangschikking en die eerste september.
§ 4. Zodra de Regering het advies van de commissie ontvangen heeft, deelt ze haar beslissing aangetekend mee aan de kandidaten en stelt ze één kandidaat per vacante betrekking aan.
In voorkomend geval vermeldt de Regering waarom zij het advies niet volgt.
Art. 19. Désignation
§ 1er. [2 Le Gouvernement installe une commission indépendante chargée de mener la procédure en vue de la désignation aux fonctions de chef, d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire et d'adjoint.]2
§ 2. La commission est composée comme suit :
1° un président, choisi parmi les membres du personnel du Ministère et qui dispose des connaissances nécessaires en matière de statut;
2° un membre du personnel du Ministère qui dispose des connaissances pédagogiques nécessaires;
3° un membre du personnel du Ministère qui dispose des connaissances nécessaires en matière d'organisation de l'enseignement;
4° deux membres qui n'appartiennent pas au personnel du Ministère et qui disposent des connaissances professionnelles requises en matière de formation;
5° un membre qui représente le pouvoir organisateur de l'enseignement communautaire;
6° un membre qui représente le pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné;
7° un membre qui représente le pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné;
8° un secrétaire, choisi parmi les membres du personnel du Ministère.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un suppléant répondant aux mêmes critères.
Les membres de la commission sont désignés pour une durée indéterminée.
La commission ne peut délibérer valablement que si au moins cinq des membres mentionnés à l'alinéa 1er, 1° à 7°, sont présents.
Si le quorum n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion au plus tôt pour le jour ouvrable suivant. Par jour ouvrable, l'on entend les jours de la semaine du lundi au vendredi à l'exception des jours fériés légaux.
L'avis motivé est émis après un vote à la majorité simple. Les membres de la commission ne peuvent s'abstenir. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante. Le secrétaire n'a pas voix délibérative.
§ 3. La commission constate l'admissibilité des candidats.
Les candidats admis se soumettent à une procédure fixée par le Gouvernement et permettant de constater leur aptitude.
[3 La commission mène ensuite avec les candidats ayant réussi la procédure permettant de constater leur aptitude un entretien de candidature, dans le cadre duquel elle vérifie si le candidat dispose des connaissances disciplinaires requises pour la fonction et s'il est par conséquent apte à exercer la fonction. Pour prendre sa décision quant à l'aptitude du candidat, la commission se base sur les documents mentionnés à l'article 18, alinéas 3 et 4, les qualifications pédagogiques, l'expérience professionnelle ainsi que les connaissances disciplinaires requises pour la fonction à pourvoir du candidat.]3
[3 La commission émet alors un avis motivé qui classe les candidats appropriés et les propose pour une désignation. Pour établir le classement, la commission se base autant sur les résultats obtenus lors de la procédure permettant de constater l'aptitude que sur les conclusions tirées de l'entretien. ]3
[1 ...]1
Le classement des candidats pertinents reste valable quatre ans à dater du 1er septembre suivant le classement ainsi qu'entre le classement et ce 1er septembre.
§ 4. Après réception de l'avis de la commission, le Gouvernement communique sa décision aux candidats par lettre recommandée et désigne un candidat par poste à pourvoir.
S'il ne suit pas l'avis, il en indique les raisons.
§ 1er. [2 Le Gouvernement installe une commission indépendante chargée de mener la procédure en vue de la désignation aux fonctions de chef, d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire et d'adjoint.]2
§ 2. La commission est composée comme suit :
1° un président, choisi parmi les membres du personnel du Ministère et qui dispose des connaissances nécessaires en matière de statut;
2° un membre du personnel du Ministère qui dispose des connaissances pédagogiques nécessaires;
3° un membre du personnel du Ministère qui dispose des connaissances nécessaires en matière d'organisation de l'enseignement;
4° deux membres qui n'appartiennent pas au personnel du Ministère et qui disposent des connaissances professionnelles requises en matière de formation;
5° un membre qui représente le pouvoir organisateur de l'enseignement communautaire;
6° un membre qui représente le pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné;
7° un membre qui représente le pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné;
8° un secrétaire, choisi parmi les membres du personnel du Ministère.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un suppléant répondant aux mêmes critères.
Les membres de la commission sont désignés pour une durée indéterminée.
La commission ne peut délibérer valablement que si au moins cinq des membres mentionnés à l'alinéa 1er, 1° à 7°, sont présents.
Si le quorum n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion au plus tôt pour le jour ouvrable suivant. Par jour ouvrable, l'on entend les jours de la semaine du lundi au vendredi à l'exception des jours fériés légaux.
L'avis motivé est émis après un vote à la majorité simple. Les membres de la commission ne peuvent s'abstenir. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante. Le secrétaire n'a pas voix délibérative.
§ 3. La commission constate l'admissibilité des candidats.
Les candidats admis se soumettent à une procédure fixée par le Gouvernement et permettant de constater leur aptitude.
[3 La commission mène ensuite avec les candidats ayant réussi la procédure permettant de constater leur aptitude un entretien de candidature, dans le cadre duquel elle vérifie si le candidat dispose des connaissances disciplinaires requises pour la fonction et s'il est par conséquent apte à exercer la fonction. Pour prendre sa décision quant à l'aptitude du candidat, la commission se base sur les documents mentionnés à l'article 18, alinéas 3 et 4, les qualifications pédagogiques, l'expérience professionnelle ainsi que les connaissances disciplinaires requises pour la fonction à pourvoir du candidat.]3
[3 La commission émet alors un avis motivé qui classe les candidats appropriés et les propose pour une désignation. Pour établir le classement, la commission se base autant sur les résultats obtenus lors de la procédure permettant de constater l'aptitude que sur les conclusions tirées de l'entretien. ]3
[1 ...]1
Le classement des candidats pertinents reste valable quatre ans à dater du 1er septembre suivant le classement ainsi qu'entre le classement et ce 1er septembre.
§ 4. Après réception de l'avis de la commission, le Gouvernement communique sa décision aux candidats par lettre recommandée et désigne un candidat par poste à pourvoir.
S'il ne suit pas l'avis, il en indique les raisons.
Art. 20. Duur en einde van de aanstelling, benoeming
§ 1. [2 De aanstelling in het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs, het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs of het ambt van adjunct is van onbepaalde duur.]2
§ 2. Ze eindigt in de volgende gevallen :
1° in het geval van een preventieve schorsing van meer dan zes maanden;
2° in het geval van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst van meer dan zes maanden;
3° indien één der volgende tuchtstraffen wordt opgelegd :
a) schorsing bij tuchtmaatregel;
b) op nonactiviteitstelling bij tuchtmaatregel;
c) ontslag wegens een zware fout;
4° bij vrijwillig ontslag, indien het om een vastbenoemd personeelslid gaat;
5° bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6° bij eenzijdige opzegging door de Regering;
[1 7° indien op het evaluatieverslag de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat.]1
De Regering kan de aanstelling beëindigen in geval van een verlof of terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid voor een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.
[2 In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°, nemen het hoofd, de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct een opzeggingstermijn van 60 dagen in acht.]2
In het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden als [2 het hoofd, de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]2 een ambtsanciënniteit van ten hoogste vijf jaar telt. Voor elke verdere aangevangen termijn van vijf jaar wordt de duur van de opzeggingstermijn met drie maanden verlengd.
De in de vorige leden voorgeschreven opzeggingstermijn kan in onderlinge overeenstemming worden verkort. De opzegging geschiedt per aangetekende brief met vermelding van de duur van de opzeggingstermijn. De aangetekende brief heeft uitwerking vanaf de derde werkdag na de verzendingsdatum. Onder werkdag worden de weekdagen van maandag tot vrijdag verstaan, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.
§ 3. De aanstelling van het [2 hoofd]2, van de onderwijsinspecteur of van de adviseur voor schoolontwikkeling eindigt van ambtswege na drie jaar indien de betrokkene binnen die termijn niet geslaagd is voor de specifieke opleiding die in de bijlage wordt bepaald.
De Regering kan vrijstellingen verlenen aan personen die houder zijn van een studiegetuigschrift van het hoger onderwijs of die geslaagd zijn voor minstens één studiejaar of afzonderlijke modules van een andere opleiding van het hoger onderwijs. Een vrijstelling kan alleen verleend worden voor vakken of modules met eenzelfde of vergelijkbare onderwijsinhoud waarvoor de betrokkene geslaagd is. Wie een vrijstelling wil krijgen, dient een schriftelijke aanvraag bij de Regering in.
§ 4. Indien [2 een hoofd, een onderwijsinspecteur, een adviseur voor schoolontwikkeling of een adjunct]2 ten minste [3 45]3 jaar oud is, wordt de betrokkene in vast verband benoemd, indien hij :
1° een ambtsanciënniteit van ten minste 5 jaar telt;
2° op zijn beoordelingsstaat bedoeld in artikel 21 ten minste de vermelding " goed " als eindconclusie staat.
§ 1. [2 De aanstelling in het ambt van hoofd, het ambt van onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs, het ambt van onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs, het ambt van adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs of het ambt van adjunct is van onbepaalde duur.]2
§ 2. Ze eindigt in de volgende gevallen :
1° in het geval van een preventieve schorsing van meer dan zes maanden;
2° in het geval van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst van meer dan zes maanden;
3° indien één der volgende tuchtstraffen wordt opgelegd :
a) schorsing bij tuchtmaatregel;
b) op nonactiviteitstelling bij tuchtmaatregel;
c) ontslag wegens een zware fout;
4° bij vrijwillig ontslag, indien het om een vastbenoemd personeelslid gaat;
5° bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6° bij eenzijdige opzegging door de Regering;
[1 7° indien op het evaluatieverslag de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat.]1
De Regering kan de aanstelling beëindigen in geval van een verlof of terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid voor een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.
[2 In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°, nemen het hoofd, de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct een opzeggingstermijn van 60 dagen in acht.]2
In het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden als [2 het hoofd, de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]2 een ambtsanciënniteit van ten hoogste vijf jaar telt. Voor elke verdere aangevangen termijn van vijf jaar wordt de duur van de opzeggingstermijn met drie maanden verlengd.
De in de vorige leden voorgeschreven opzeggingstermijn kan in onderlinge overeenstemming worden verkort. De opzegging geschiedt per aangetekende brief met vermelding van de duur van de opzeggingstermijn. De aangetekende brief heeft uitwerking vanaf de derde werkdag na de verzendingsdatum. Onder werkdag worden de weekdagen van maandag tot vrijdag verstaan, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.
§ 3. De aanstelling van het [2 hoofd]2, van de onderwijsinspecteur of van de adviseur voor schoolontwikkeling eindigt van ambtswege na drie jaar indien de betrokkene binnen die termijn niet geslaagd is voor de specifieke opleiding die in de bijlage wordt bepaald.
De Regering kan vrijstellingen verlenen aan personen die houder zijn van een studiegetuigschrift van het hoger onderwijs of die geslaagd zijn voor minstens één studiejaar of afzonderlijke modules van een andere opleiding van het hoger onderwijs. Een vrijstelling kan alleen verleend worden voor vakken of modules met eenzelfde of vergelijkbare onderwijsinhoud waarvoor de betrokkene geslaagd is. Wie een vrijstelling wil krijgen, dient een schriftelijke aanvraag bij de Regering in.
§ 4. Indien [2 een hoofd, een onderwijsinspecteur, een adviseur voor schoolontwikkeling of een adjunct]2 ten minste [3 45]3 jaar oud is, wordt de betrokkene in vast verband benoemd, indien hij :
1° een ambtsanciënniteit van ten minste 5 jaar telt;
2° op zijn beoordelingsstaat bedoeld in artikel 21 ten minste de vermelding " goed " als eindconclusie staat.
Art. 20. Durée et fin de la désignation et nomination
§ 1er. La désignation à la fonction de [2 chef]2, d'inspecteur scolaire [2 ,]2 de conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement fondamental, secondaire, supérieur ou universitaire [2 ou d'adjoint]2 est à durée indéterminée.
§ 2. Elle prend fin dans les cas suivants :
1° suspension préventive de plus de six mois;
2° mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3° prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une suspension disciplinaire;
b) une mise en non-activité par mesure disciplinaire;
c) un licenciement pour faute grave;
4° démission volontaire sil s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif;
5° renonciation volontaire à la désignation;
6° résiliation unilatérale par le Gouvernement;
[1 7° rapport d'évaluation portant la mention "insuffisant".]1
En cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation.
[2 Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5°, le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint respectent un délai de préavis de soixante jours.]2
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de trois mois [2 si le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint]2 a une ancienneté de fonction inférieure ou égale à cinq ans. Pour toute autre période entamée de cinq ans, la durée est augmentée de trois mois.
Le délai de préavis prescrit dans les alinéas précédents peut être réduit de commun accord. Le congé est donné par recommandé indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition. Par jour ouvrable, l'on entend les jours de la semaine du lundi au vendredi à l'exception des jours fériés légaux.
§ 3. La désignation tant du [2 chef]2 que de l'inspecteur scolaire ou du conseiller en développement scolaire cesse d'office après trois ans lorsqu'il n'a pas, dans ce laps de temps, suivi avec fruit la formation spécifique déterminée en annexe.
Le Gouvernement peut accorder des dispenses aux personnes porteuses d'un titre d'études de l'enseignement supérieur ou ayant réussi au moins une année d'études ou des modules distincts dans une autre formation d'enseignement supérieur. Une dispense n'est possible que pour les branches ou les modules dont le contenu, au niveau de l'enseignement, est identique ou similaire et que la personne a réussis avec fruit. La personne qui souhaite obtenir une dispense introduit une demande écrite auprès du Gouvernement.
§ 4. [2 Tout chef, inspecteur scolaire, conseiller en développement scolaire ou adjoint âgé d'au moins [3 45]3 ans est nommé à titre définitif s'il a :]2
1° une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° obtenu au moins la mention " bon " dans son bulletin de signalement visé à l'article 21.
§ 1er. La désignation à la fonction de [2 chef]2, d'inspecteur scolaire [2 ,]2 de conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement fondamental, secondaire, supérieur ou universitaire [2 ou d'adjoint]2 est à durée indéterminée.
§ 2. Elle prend fin dans les cas suivants :
1° suspension préventive de plus de six mois;
2° mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3° prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une suspension disciplinaire;
b) une mise en non-activité par mesure disciplinaire;
c) un licenciement pour faute grave;
4° démission volontaire sil s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif;
5° renonciation volontaire à la désignation;
6° résiliation unilatérale par le Gouvernement;
[1 7° rapport d'évaluation portant la mention "insuffisant".]1
En cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation.
[2 Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5°, le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint respectent un délai de préavis de soixante jours.]2
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de trois mois [2 si le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint]2 a une ancienneté de fonction inférieure ou égale à cinq ans. Pour toute autre période entamée de cinq ans, la durée est augmentée de trois mois.
Le délai de préavis prescrit dans les alinéas précédents peut être réduit de commun accord. Le congé est donné par recommandé indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition. Par jour ouvrable, l'on entend les jours de la semaine du lundi au vendredi à l'exception des jours fériés légaux.
§ 3. La désignation tant du [2 chef]2 que de l'inspecteur scolaire ou du conseiller en développement scolaire cesse d'office après trois ans lorsqu'il n'a pas, dans ce laps de temps, suivi avec fruit la formation spécifique déterminée en annexe.
Le Gouvernement peut accorder des dispenses aux personnes porteuses d'un titre d'études de l'enseignement supérieur ou ayant réussi au moins une année d'études ou des modules distincts dans une autre formation d'enseignement supérieur. Une dispense n'est possible que pour les branches ou les modules dont le contenu, au niveau de l'enseignement, est identique ou similaire et que la personne a réussis avec fruit. La personne qui souhaite obtenir une dispense introduit une demande écrite auprès du Gouvernement.
§ 4. [2 Tout chef, inspecteur scolaire, conseiller en développement scolaire ou adjoint âgé d'au moins [3 45]3 ans est nommé à titre définitif s'il a :]2
1° une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° obtenu au moins la mention " bon " dans son bulletin de signalement visé à l'article 21.
Art.20.1.[1 - Wedde en premie
§ 1 - Tijdens de uitoefening van het ambt als hoofd krijgt het personeelslid de volgende wedde:
1° bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als hoofd: een wedde op basis van de weddeschaal 486 vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
2° vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als hoofd of minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 487 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
3° vanaf minstens tien jaar ambtsanciënniteit als hoofd en minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 488 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro.
Indien het hoofd van de onderwijsinspectie tegelijk is aangesteld als departementshoofd bij het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en voor de uitoefening van die activiteit de toelage voor managements- en stafopdrachten ontvangt vermeld in artikel 87.2 van het besluit van de Regering van 27 december 1996 houdende organisatie van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en houdende regeling van de aanwerving, de loopbaan en de bezoldiging van de ambtenaren, heeft hij, in afwijking van het eerste lid, geen recht op de maandelijkse premie vermeld in het eerste lid.
Tijdens de uitoefening van het ambt van onderwijsinspecteur, adviseur voor schoolontwikkeling of adjunct voor inclusie en integratie ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal waarop hij recht heeft overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk I, van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste lid wordt vermeld, evenredig verminderd.
§ 2 - Wordt een personeelslid dat in een ander ambt voor doorlopende duur aangesteld of vast benoemd is als hoofd, onderwijsinspecteur, adviseur voor schoolontwikkeling of adjunct voor inclusie en integratie aangewezen, dan ontvangt het, in afwijking van paragraaf 1, verder zijn wedde, evenals, ter compensatie, een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend:
P = X - M
P = de premie
X = de in § 1 bedoelde wedde
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid.
De premie wordt gelijktijdig met de maandelijkse wedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3 - Gaat het niet om een personeelslid, dan ontvangt betrokkene vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de in het onderwijs vigerende bepalingen, waarbij het in paragraaf 1 vermeld bedrag als berekeningsbasis dient.
§ 4 - Het bedrag vermeld in § 1 en § 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover het personeelslid niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]1
[2 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een hoofd, een schoolinspecteur, een adviseur voor schoolontwikkeling of een adjunct aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]2
§ 1 - Tijdens de uitoefening van het ambt als hoofd krijgt het personeelslid de volgende wedde:
1° bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als hoofd: een wedde op basis van de weddeschaal 486 vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
2° vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als hoofd of minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 487 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
3° vanaf minstens tien jaar ambtsanciënniteit als hoofd en minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 488 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro.
Indien het hoofd van de onderwijsinspectie tegelijk is aangesteld als departementshoofd bij het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en voor de uitoefening van die activiteit de toelage voor managements- en stafopdrachten ontvangt vermeld in artikel 87.2 van het besluit van de Regering van 27 december 1996 houdende organisatie van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en houdende regeling van de aanwerving, de loopbaan en de bezoldiging van de ambtenaren, heeft hij, in afwijking van het eerste lid, geen recht op de maandelijkse premie vermeld in het eerste lid.
Tijdens de uitoefening van het ambt van onderwijsinspecteur, adviseur voor schoolontwikkeling of adjunct voor inclusie en integratie ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal waarop hij recht heeft overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk I, van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste lid wordt vermeld, evenredig verminderd.
§ 2 - Wordt een personeelslid dat in een ander ambt voor doorlopende duur aangesteld of vast benoemd is als hoofd, onderwijsinspecteur, adviseur voor schoolontwikkeling of adjunct voor inclusie en integratie aangewezen, dan ontvangt het, in afwijking van paragraaf 1, verder zijn wedde, evenals, ter compensatie, een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend:
P = X - M
P = de premie
X = de in § 1 bedoelde wedde
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid.
De premie wordt gelijktijdig met de maandelijkse wedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3 - Gaat het niet om een personeelslid, dan ontvangt betrokkene vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de in het onderwijs vigerende bepalingen, waarbij het in paragraaf 1 vermeld bedrag als berekeningsbasis dient.
§ 4 - Het bedrag vermeld in § 1 en § 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover het personeelslid niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]1
[2 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een hoofd, een schoolinspecteur, een adviseur voor schoolontwikkeling of een adjunct aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]2
Art.20.1.[1 - Traitement et prime
" § 1er - Durant l'exercice de la fonction de chef, le membre du personnel perçoit le traitement suivant :
1° si l'ancienneté de fonction en tant que chef est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 486 figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, traitement majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
2° si l'ancienneté de fonction en tant que chef est d'au moins neuf ans ou si l'ancienneté pécuniaire est égale ou supérieure à 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 487 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
3° à partir d'une ancienneté de fonction en tant que chef d'au moins 10 ans et une ancienneté pécuniaire d'au moins 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 488 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros.
Si le chef de l'inspection scolaire est également désigné en tant que chef de département au sein du Ministère de la Communauté germanophone et qu'il perçoit, pour l'exercice de cette activité, l'allocation de management et d'encadrement visée à l'article 87.2 de l'arrêté du Gouvernement du 27 décembre 1996 portant organisation du Ministère de la Communauté germanophone et réglant le recrutement, la carrière et le statut pécuniaire des agents, il n'a, par dérogation à l'alinéa 1er, pas droit à la prime mensuelle mentionnée dans ce même alinéa.
Durant l'exercice de la fonction d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire ou d'adjoint pour l'inclusion et l'intégration, le membre du personnel perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement lui attribuée conformément à l'article 2, chapitre Ier, du même arrêté royal du 27 juin 1974.
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné à l'alinéa 1er est réduit proportionnellement à l'occupation.
§ 2 - Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée ou nommé à titre définitif dans une autre fonction est désigné comme chef, inspecteur scolaire, conseillers en développement scolaire ou adjoint pour l'inclusion et l'intégration, il continue à percevoir son traitement par dérogation au § 1er et bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M
P = la prime
X = le traitement mentionné au § 1er
M = le traitement mensuel brut du membre du personnel ".
La prime est liquidée en même temps que le traitement mensuel et aux mêmes conditions.
§ 3 - Si la personne n'est pas membre du personnel, elle perçoit le pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement, le montant visé au § 1er servant de base de calcul.
§ 4 - Le montant dont question aux §§ 1er et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifiée par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982, l'arrêté royal du 24 décembre 1993 et les lois des 2 janvier 2001 et 19 juillet 2001.
" Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le membre du personnel ne soit pas à la charge de la mutualité.]1
[2 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]2
" § 1er - Durant l'exercice de la fonction de chef, le membre du personnel perçoit le traitement suivant :
1° si l'ancienneté de fonction en tant que chef est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 486 figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, traitement majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
2° si l'ancienneté de fonction en tant que chef est d'au moins neuf ans ou si l'ancienneté pécuniaire est égale ou supérieure à 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 487 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
3° à partir d'une ancienneté de fonction en tant que chef d'au moins 10 ans et une ancienneté pécuniaire d'au moins 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 488 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros.
Si le chef de l'inspection scolaire est également désigné en tant que chef de département au sein du Ministère de la Communauté germanophone et qu'il perçoit, pour l'exercice de cette activité, l'allocation de management et d'encadrement visée à l'article 87.2 de l'arrêté du Gouvernement du 27 décembre 1996 portant organisation du Ministère de la Communauté germanophone et réglant le recrutement, la carrière et le statut pécuniaire des agents, il n'a, par dérogation à l'alinéa 1er, pas droit à la prime mensuelle mentionnée dans ce même alinéa.
Durant l'exercice de la fonction d'inspecteur scolaire, de conseiller en développement scolaire ou d'adjoint pour l'inclusion et l'intégration, le membre du personnel perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement lui attribuée conformément à l'article 2, chapitre Ier, du même arrêté royal du 27 juin 1974.
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné à l'alinéa 1er est réduit proportionnellement à l'occupation.
§ 2 - Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée ou nommé à titre définitif dans une autre fonction est désigné comme chef, inspecteur scolaire, conseillers en développement scolaire ou adjoint pour l'inclusion et l'intégration, il continue à percevoir son traitement par dérogation au § 1er et bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M
P = la prime
X = le traitement mentionné au § 1er
M = le traitement mensuel brut du membre du personnel ".
La prime est liquidée en même temps que le traitement mensuel et aux mêmes conditions.
§ 3 - Si la personne n'est pas membre du personnel, elle perçoit le pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement, le montant visé au § 1er servant de base de calcul.
§ 4 - Le montant dont question aux §§ 1er et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifiée par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982, l'arrêté royal du 24 décembre 1993 et les lois des 2 janvier 2001 et 19 juillet 2001.
" Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le membre du personnel ne soit pas à la charge de la mutualité.]1
[2 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]2
Art. 21. Beoordelingsstaat
Het [1 hoofd]1 wordt vóór zijn benoeming beoordeeld door de Regering.
[1 De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling en de adjunct worden vóór hun benoeming beoordeeld door het hoofd.]1
Het [1 hoofd]1 wordt vóór zijn benoeming beoordeeld door de Regering.
[1 De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling en de adjunct worden vóór hun benoeming beoordeeld door het hoofd.]1
Modifications
Art. 21. Bulletin de signalement
Le Gouvernement procède au signalement du [1 chef]1 avant sa nomination.
[1 Avant leur nomination, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire et l'adjoint font l'objet d'un signalement par le chef.]1
Le Gouvernement procède au signalement du [1 chef]1 avant sa nomination.
[1 Avant leur nomination, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire et l'adjoint font l'objet d'un signalement par le chef.]1
Modifications
Art. 21.1. [1 Wekelijkse arbeidsduur
[2 Het hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]2 presteren in het kader van een voltijdse betrekking gemiddeld 38 uren van 60 minuten per week om de in hoofdstuk 2 bepaalde taken uit te oefenen. Het gemiddelde wordt op basis van een referentieperiode van vier maanden berekend.
De wekelijkse arbeidsduur mag in geen geval 50 uur overschrijden.]1
[2 Het hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]2 presteren in het kader van een voltijdse betrekking gemiddeld 38 uren van 60 minuten per week om de in hoofdstuk 2 bepaalde taken uit te oefenen. Het gemiddelde wordt op basis van een referentieperiode van vier maanden berekend.
De wekelijkse arbeidsduur mag in geen geval 50 uur overschrijden.]1
Art. 21.1. [1 Temps de travail hebdomadaire
Les prestations fournies par [2 le chef, les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]2 en vue d'assurer les missions fixées dans le chapitre 2 s'élèvent, dans le cadre d'une activité à temps plein, à 38 heures de 60 minutes par semaine en moyenne. Cette moyenne est calculée sur une période de référence de quatre mois.
Le temps de travail hebdomadaire ne peut en aucun cas dépasser 50 heures.]1
Les prestations fournies par [2 le chef, les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]2 en vue d'assurer les missions fixées dans le chapitre 2 s'élèvent, dans le cadre d'une activité à temps plein, à 38 heures de 60 minutes par semaine en moyenne. Cette moyenne est calculée sur une période de référence de quatre mois.
Le temps de travail hebdomadaire ne peut en aucun cas dépasser 50 heures.]1
Art. 22. Verloven en terbeschikkingstellingen
[3 De onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 kunnen alleen aanspraak maken op de volgende verloven en terbeschikkingstellingen :
1° de jaarlijkse vakantie;
2° het omstandigheidsverlof;
3° het uitzonderlijk verlof wegens overmacht;
4° het bevallingsverlof;
5° [4 adoptie- of pleegouderverlof;]4
6° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
7° de terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid;
8° het [3 voltijds verlof]3 wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
9° de voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;
10° het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
11° het verlof om dringende familiale redenen;
12° de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;
13° het verlof voor verminderde prestaties vanaf 50 jaar of vanaf twee kinderen ten laste die jonger dan 14 jaar zijn;
14° het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen;
15° het verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
[2 16° voltijdse loopbaanonderbreking,]2
[4 17° voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken;]4
[5 18° verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
19° afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
20° gedurende hoogstens twee schooljaren een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover het personeelslid, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt en uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een personeelslid dat gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
a) schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in 9°, voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
b) wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]5
[1 Het [3 hoofd]3 kan alleen aanspraak maken op de verloven en terbeschikkingstellingen vermeld in de bepalingen [2 1° tot 12° en [4 16° tot [5 20°]5]4]2 van het eerste lid.]1
[4 De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling, de adjunct en het hoofd]4 mag geen deeltijdse loopbaanonderbreking nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [4 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]4 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
[3 De onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 kunnen de verloven vermeld in het eerste lid alleen nemen met toestemming van het hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling.
Het [3 hoofd]3 kan de verloven vermeld in het eerste lid alleen nemen met toestemming van de Regering.
Onverminderd [1 het eerste tot het vijfde lid]1 zijn de in het gemeenschapsonderwijs toepasselijke bepalingen inzake verloven en terbeschikkingstellingen van toepassing.
[3 Met behoud van de toepassing van het eerste lid mogen het vastbenoemde hoofd, de vast benoemde onderwijsinspecteur, de vast benoemde adviseur voor onderwijsontwikkeling of de vastbenoemde adjunct verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[5 In afwijking van het derde lid mogen het hoofd, de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling en de adjunct gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt en uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een hoofd, onderwijsinspecteur, adviseur voor schoolontwikkeling of adjunct die een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in 9°, voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]5
[3 De onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 kunnen alleen aanspraak maken op de volgende verloven en terbeschikkingstellingen :
1° de jaarlijkse vakantie;
2° het omstandigheidsverlof;
3° het uitzonderlijk verlof wegens overmacht;
4° het bevallingsverlof;
5° [4 adoptie- of pleegouderverlof;]4
6° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
7° de terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid;
8° het [3 voltijds verlof]3 wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
9° de voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;
10° het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
11° het verlof om dringende familiale redenen;
12° de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;
13° het verlof voor verminderde prestaties vanaf 50 jaar of vanaf twee kinderen ten laste die jonger dan 14 jaar zijn;
14° het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen;
15° het verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
[2 16° voltijdse loopbaanonderbreking,]2
[4 17° voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken;]4
[5 18° verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
19° afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
20° gedurende hoogstens twee schooljaren een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover het personeelslid, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt en uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een personeelslid dat gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
a) schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in 9°, voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
b) wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]5
[1 Het [3 hoofd]3 kan alleen aanspraak maken op de verloven en terbeschikkingstellingen vermeld in de bepalingen [2 1° tot 12° en [4 16° tot [5 20°]5]4]2 van het eerste lid.]1
[4 De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling, de adjunct en het hoofd]4 mag geen deeltijdse loopbaanonderbreking nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [4 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]4 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
[3 De onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 kunnen de verloven vermeld in het eerste lid alleen nemen met toestemming van het hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling.
Het [3 hoofd]3 kan de verloven vermeld in het eerste lid alleen nemen met toestemming van de Regering.
Onverminderd [1 het eerste tot het vijfde lid]1 zijn de in het gemeenschapsonderwijs toepasselijke bepalingen inzake verloven en terbeschikkingstellingen van toepassing.
[3 Met behoud van de toepassing van het eerste lid mogen het vastbenoemde hoofd, de vast benoemde onderwijsinspecteur, de vast benoemde adviseur voor onderwijsontwikkeling of de vastbenoemde adjunct verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[5 In afwijking van het derde lid mogen het hoofd, de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling en de adjunct gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt en uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een hoofd, onderwijsinspecteur, adviseur voor schoolontwikkeling of adjunct die een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in 9°, voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]5
Modifications
Art. 22. Congés et mises en disponibilité
[3 Les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]3 ne peuvent prendre que les congés et mises en disponibilité ci-après :
1° le congé annuel;
2° le congé de circonstance;
3° le congé exceptionnel pour cas de force majeure
4° le congé de maternité;
5° [4 le congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil;]4
6° le congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
7° la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
8° le congé [3 à temps plein]3 pour mission dans l'intérêt de l'enseignement;
9° la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
10° le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
11° le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
12° la mise en disponibilité pour convenances personnelles;
13° le congé pour prestations réduites accordé aux membres du personnel qui ont atteint l'âge de 50 ans ou qui ont au moins deux enfants à charge qui n'ont pas dépassé l'âge de quatorze ans;
14° le congé pour prestations réduites justifiées par des raisons sociales ou familiales;
15° le congé pour prestations réduites justifié par des raisons de convenances personnelles;
[2 16° l'interruption de carrière complète,]2
[4 17° le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel;]4
[5 18° le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
19° l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
20° une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant que le membre du personnel, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, ait au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question et qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Ce congé est irréversible. Un membre du personnel qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
a) passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au 9°, pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
b) est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.]5
[1 Le [3 chef]3 ne peut prendre que les congés et mises en disponibilité mentionnés à l'alinéa 1er, [2 1° à 12° [4 et 16° ainsi que [5 20°]5]4]2.]1
Il est interdit au [3 [4 aux inspecteurs scolaires, aux conseillers en développement scolaire, à l'adjoint et au chef]4]3 de prendre une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [4 ou pour les aidants proches,]4 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.
[3 Les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]3 ne peuvent prendre les congés mentionnés au premier alinéa que moyennant l'accord du chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire.
Le [3 chef]3 ne peut prendre les congés mentionnés au premier alinéa que moyennant l'accord du Gouvernement.
Sans préjudice des alinéas [1 1 à 5]1 , les dispositions valables dans l'enseignement communautaire en matière de congés et de mises en disponibilité sont applicables.
[2 Sans préjudice de l'alinéa 1er, [3 le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint]3 nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]2
[5 Par dérogation à l'alinéa 3, le directeur, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il ait au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question et qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Ce congé est irréversible. Un directeur, inspecteur scolaire, conseiller en développement scolaire ou un adjoint qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au 9°, pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.]5
[3 Les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]3 ne peuvent prendre que les congés et mises en disponibilité ci-après :
1° le congé annuel;
2° le congé de circonstance;
3° le congé exceptionnel pour cas de force majeure
4° le congé de maternité;
5° [4 le congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil;]4
6° le congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
7° la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
8° le congé [3 à temps plein]3 pour mission dans l'intérêt de l'enseignement;
9° la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
10° le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
11° le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
12° la mise en disponibilité pour convenances personnelles;
13° le congé pour prestations réduites accordé aux membres du personnel qui ont atteint l'âge de 50 ans ou qui ont au moins deux enfants à charge qui n'ont pas dépassé l'âge de quatorze ans;
14° le congé pour prestations réduites justifiées par des raisons sociales ou familiales;
15° le congé pour prestations réduites justifié par des raisons de convenances personnelles;
[2 16° l'interruption de carrière complète,]2
[4 17° le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel;]4
[5 18° le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
19° l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
20° une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant que le membre du personnel, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, ait au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question et qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Ce congé est irréversible. Un membre du personnel qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
a) passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au 9°, pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
b) est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.]5
[1 Le [3 chef]3 ne peut prendre que les congés et mises en disponibilité mentionnés à l'alinéa 1er, [2 1° à 12° [4 et 16° ainsi que [5 20°]5]4]2.]1
Il est interdit au [3 [4 aux inspecteurs scolaires, aux conseillers en développement scolaire, à l'adjoint et au chef]4]3 de prendre une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [4 ou pour les aidants proches,]4 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.
[3 Les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]3 ne peuvent prendre les congés mentionnés au premier alinéa que moyennant l'accord du chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire.
Le [3 chef]3 ne peut prendre les congés mentionnés au premier alinéa que moyennant l'accord du Gouvernement.
Sans préjudice des alinéas [1 1 à 5]1 , les dispositions valables dans l'enseignement communautaire en matière de congés et de mises en disponibilité sont applicables.
[2 Sans préjudice de l'alinéa 1er, [3 le chef, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint]3 nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]2
[5 Par dérogation à l'alinéa 3, le directeur, l'inspecteur scolaire, le conseiller en développement scolaire ou l'adjoint est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il ait au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question et qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Ce congé est irréversible. Un directeur, inspecteur scolaire, conseiller en développement scolaire ou un adjoint qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au 9°, pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.]5
Modifications
Art. 23. Jaarlijkse vakantie
§ 1. Het [3 hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 hebben recht op jaarlijkse vakantie.
[3 De jaarlijkse vakantiedagen van de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct worden toegekend door het hoofd. De jaarlijkse vakantiedagen van het hoofd worden toegekend door de Regering.]3
De jaarlijkse vakantie kan opgesplitst worden, maar moet ten minste één ononderbroken periode van vijf werkdagen omvatten.
§ 2. Het aantal jaarlijkse vakantiedagen bedraagt :
1° tot 45 jaar : 26 dagen;
2° tussen 45 en 50 jaar : 27 dagen;
3° vanaf 50 jaar : 28 dagen;
4° [1 vanaf 53 jaar : 29 dagen;]1
5° [1 vanaf 55 jaar : 30 dagen;]1
[1 6° vanaf 58 jaar : 31 dagen;]1
[2 7° vanaf 59 jaar : 32 dagen.]2
Vanaf het jaar waarin [3 het hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 60 jaar worden, krijgen ze één vakantiedag extra per jaar.
§ 3. De regels betreffende de overdracht van vakantiedagen naar het volgende kalenderjaar, de regels betreffende de vermindering en de berekening van de jaarlijkse vakantiedagen, de wettelijke feestdagen, de aanvullende dienstvrije dagen en de inhaaldagen die voor de personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden, zijn van toepassing op het [3 hoofd]3, de onderwijsinspecteurs en de adviseurs voor schoolontwikkeling.
§ 1. Het [3 hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 hebben recht op jaarlijkse vakantie.
[3 De jaarlijkse vakantiedagen van de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct worden toegekend door het hoofd. De jaarlijkse vakantiedagen van het hoofd worden toegekend door de Regering.]3
De jaarlijkse vakantie kan opgesplitst worden, maar moet ten minste één ononderbroken periode van vijf werkdagen omvatten.
§ 2. Het aantal jaarlijkse vakantiedagen bedraagt :
1° tot 45 jaar : 26 dagen;
2° tussen 45 en 50 jaar : 27 dagen;
3° vanaf 50 jaar : 28 dagen;
4° [1 vanaf 53 jaar : 29 dagen;]1
5° [1 vanaf 55 jaar : 30 dagen;]1
[1 6° vanaf 58 jaar : 31 dagen;]1
[2 7° vanaf 59 jaar : 32 dagen.]2
Vanaf het jaar waarin [3 het hoofd, de onderwijsinspecteurs, de adviseurs voor schoolontwikkeling en de adjunct]3 60 jaar worden, krijgen ze één vakantiedag extra per jaar.
§ 3. De regels betreffende de overdracht van vakantiedagen naar het volgende kalenderjaar, de regels betreffende de vermindering en de berekening van de jaarlijkse vakantiedagen, de wettelijke feestdagen, de aanvullende dienstvrije dagen en de inhaaldagen die voor de personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden, zijn van toepassing op het [3 hoofd]3, de onderwijsinspecteurs en de adviseurs voor schoolontwikkeling.
Art. 23. Congés annuels
§ 1er. [3 Le chef, les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint ont droit à des congés annuels.]3
[3 Les congés annuels des inspecteurs scolaires, des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint sont accordés par le chef.]3
Les congés annuels peuvent être fractionnés mais doivent comporter au moins une période continue de 5 jours ouvrables.
§ 2. Le nombre de jours de congé annuel est de :
1° 26 jours jusqu'à 45 ans;
2° 27 jours entre 45 et 50 ans;
3° 28 jours à partir de 50 ans;
4° [1 29 jours à partir de 53 ans;]1
5° [1 30 jours à partir de 55 ans;]1
[1 6° 31 jours à partir de 58 ans;]1
[2 7° 32 jours à partir de 59 ans.]2
[3 Le chef, les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]3 ayant atteint l'âge de 60 ans bénéficieront d'un jour de congé annuel supplémentaire par année au-delà de leur 60e anniversaire.
§ 3. Les règles applicables aux membres du personnel du Ministère de la Communauté germanophone en ce qui concerne le report de jours de congé à l'année civile suivante, la fixation et la réduction du congé annuel, les jours fériés légaux, les jours de congé supplémentaires, les jours de compensation s'appliquent au [3 chef]3, aux inspecteurs scolaires et aux conseillers en développement scolaire.
§ 1er. [3 Le chef, les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint ont droit à des congés annuels.]3
[3 Les congés annuels des inspecteurs scolaires, des conseillers en développement scolaire et de l'adjoint sont accordés par le chef.]3
Les congés annuels peuvent être fractionnés mais doivent comporter au moins une période continue de 5 jours ouvrables.
§ 2. Le nombre de jours de congé annuel est de :
1° 26 jours jusqu'à 45 ans;
2° 27 jours entre 45 et 50 ans;
3° 28 jours à partir de 50 ans;
4° [1 29 jours à partir de 53 ans;]1
5° [1 30 jours à partir de 55 ans;]1
[1 6° 31 jours à partir de 58 ans;]1
[2 7° 32 jours à partir de 59 ans.]2
[3 Le chef, les inspecteurs scolaires, les conseillers en développement scolaire et l'adjoint]3 ayant atteint l'âge de 60 ans bénéficieront d'un jour de congé annuel supplémentaire par année au-delà de leur 60e anniversaire.
§ 3. Les règles applicables aux membres du personnel du Ministère de la Communauté germanophone en ce qui concerne le report de jours de congé à l'année civile suivante, la fixation et la réduction du congé annuel, les jours fériés légaux, les jours de congé supplémentaires, les jours de compensation s'appliquent au [3 chef]3, aux inspecteurs scolaires et aux conseillers en développement scolaire.
Art. 24. Evaluatieverslag
§ 1. Voor een onderwijsinspecteur [1 , een adviseur voor schoolontwikkeling of een adjunct]1 stelt het [1 hoofd]1 ten minste één evaluatieverslag op om de vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
De onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 kan het [1 hoofd]1 schriftelijk om een evaluatie verzoeken. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, eerste lid, eerste zin.
§ 2. De onderwijsinspecteur [1 hoofd]1 maakt vooraf een activiteitenverslag dat als basis dient voor het evaluatiegesprek.
Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : " zeer goed ", " goed ", "voldoende ", " niet tevredenstellend " of " onvoldoende ".
§ 3. [1 Het hoofd overhandigt de adviseur voor schoolontwikkeling, de onderwijsinspecteur of de adjunct het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct heeft tot zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag de tijd om te laten weten of hij het al dan niet met dat verslag eens is en om zijn opmerkingen schriftelijk mee te delen. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het terug aan het hoofd.]1
[1 Als de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan het hoofd teruggeeft, dan geldt het evaluatieverslag van het hoofd.]1
Ten laatste op 15 mei zendt het [1 hoofd]1 het evaluatieverslag, samen met de opmerkingen van het personeelslid, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de Regering toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Beschikt de Regering uiterlijk 15 mei van het lopende schooljaar niet over een exemplaar van het evaluatieverslag dat overeenkomstig het eerste en het tweede lid is opgesteld, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt de onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt de onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 de vermelding "goed ".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. De onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. [1 De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en kan, binnen tien dagen nadat het hoofd het verslag ter kennis heeft gebracht, beroep instellen bij de raad van beroep.]1
In afwijking van het eerste lid kan de onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 geen beroep instellen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, vierde lid, verkregen is.
Binnen 45 dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het [1 hoofd]1. Binnen tien dagen na ontvangst van dat advies deelt het hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling zijn definitieve beslissing mee. In voorkomend geval vermeldt hij waarom hij het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.
§ 5. De Regering maakt een evaluatieverslag op voor het [1 hoofd]1. De Regering gaat daarbij te werk zoals beschreven in de § § 1 tot 4.
§ 1. Voor een onderwijsinspecteur [1 , een adviseur voor schoolontwikkeling of een adjunct]1 stelt het [1 hoofd]1 ten minste één evaluatieverslag op om de vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
De onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 kan het [1 hoofd]1 schriftelijk om een evaluatie verzoeken. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, eerste lid, eerste zin.
§ 2. De onderwijsinspecteur [1 hoofd]1 maakt vooraf een activiteitenverslag dat als basis dient voor het evaluatiegesprek.
Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : " zeer goed ", " goed ", "voldoende ", " niet tevredenstellend " of " onvoldoende ".
§ 3. [1 Het hoofd overhandigt de adviseur voor schoolontwikkeling, de onderwijsinspecteur of de adjunct het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct heeft tot zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag de tijd om te laten weten of hij het al dan niet met dat verslag eens is en om zijn opmerkingen schriftelijk mee te delen. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het terug aan het hoofd.]1
[1 Als de onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan het hoofd teruggeeft, dan geldt het evaluatieverslag van het hoofd.]1
Ten laatste op 15 mei zendt het [1 hoofd]1 het evaluatieverslag, samen met de opmerkingen van het personeelslid, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de Regering toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Beschikt de Regering uiterlijk 15 mei van het lopende schooljaar niet over een exemplaar van het evaluatieverslag dat overeenkomstig het eerste en het tweede lid is opgesteld, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt de onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt de onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 de vermelding "goed ".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. De onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. [1 De onderwijsinspecteur, de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en kan, binnen tien dagen nadat het hoofd het verslag ter kennis heeft gebracht, beroep instellen bij de raad van beroep.]1
In afwijking van het eerste lid kan de onderwijsinspecteur [1 , de adviseur voor schoolontwikkeling of de adjunct]1 geen beroep instellen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, vierde lid, verkregen is.
Binnen 45 dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het [1 hoofd]1. Binnen tien dagen na ontvangst van dat advies deelt het hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling zijn definitieve beslissing mee. In voorkomend geval vermeldt hij waarom hij het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.
§ 5. De Regering maakt een evaluatieverslag op voor het [1 hoofd]1. De Regering gaat daarbij te werk zoals beschreven in de § § 1 tot 4.
Modifications
Art. 24. Rapport d'évaluation
§ 1er. Le [1 chef]1 établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour un inspecteur scolaire [1 ,]1 un conseiller en développement scolaire [1 ou un adjoint]1. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 peut demander une telle évaluation par écrit auprès du [1 chef]1. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
§ 2. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 établit à l'avance un rapport d'activités qui servira de base à l'entretien d'évaluation.
Le rapport d'évaluation porte en conclusion une des mentions suivantes : " très bon ", " bon ", " suffisant ", insatisfaisant " ou " insuffisant ".
§ 3. Le [1 chef]1 remet le rapport au conseiller en développement scolaire [1 , à l'inspecteur scolaire ou à l'adjoint]1 au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 dispose de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 date et signe le rapport et le remet au chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire.
Si le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 ne remet pas le rapport et ses remarques au [1 chef]1 dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du [1 chef]1 qui prévaut.
Le [1 chef]1 adresse le rapport et les remarques du membre du personnel au Gouvernement, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le Gouvernement ne dispose pas d'un exemplaire du rapport établi conformément au premier ou au deuxième alinéa, le rapport est nul et l'inspecteur scolaire [1 , le conseiller scolaire ou l'adjoint]1 obtient la mention du dernier rapport. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention " bon ".
Le bulletin est établi en trois exemplaires. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le [1 chef]1.
Par dérogation au premier alinéa, le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au [1 chef]1 dans les 45 jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Dans un délai de dix jours à dater de la réception de l'avis, le [1 chef]1 communique sa décision définitive. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.
§ 5. Le Gouvernement établit un rapport d'évaluation conformément à la procédure décrite aux §§ 1er à 4 pour le [1 chef]1.
§ 1er. Le [1 chef]1 établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour un inspecteur scolaire [1 ,]1 un conseiller en développement scolaire [1 ou un adjoint]1. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 peut demander une telle évaluation par écrit auprès du [1 chef]1. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
§ 2. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 établit à l'avance un rapport d'activités qui servira de base à l'entretien d'évaluation.
Le rapport d'évaluation porte en conclusion une des mentions suivantes : " très bon ", " bon ", " suffisant ", insatisfaisant " ou " insuffisant ".
§ 3. Le [1 chef]1 remet le rapport au conseiller en développement scolaire [1 , à l'inspecteur scolaire ou à l'adjoint]1 au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 dispose de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 date et signe le rapport et le remet au chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire.
Si le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 ne remet pas le rapport et ses remarques au [1 chef]1 dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du [1 chef]1 qui prévaut.
Le [1 chef]1 adresse le rapport et les remarques du membre du personnel au Gouvernement, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le Gouvernement ne dispose pas d'un exemplaire du rapport établi conformément au premier ou au deuxième alinéa, le rapport est nul et l'inspecteur scolaire [1 , le conseiller scolaire ou l'adjoint]1 obtient la mention du dernier rapport. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention " bon ".
Le bulletin est établi en trois exemplaires. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le [1 chef]1.
Par dérogation au premier alinéa, le conseiller en développement scolaire [1 , l'inspecteur scolaire ou l'adjoint]1 ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au [1 chef]1 dans les 45 jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Dans un délai de dix jours à dater de la réception de l'avis, le [1 chef]1 communique sa décision définitive. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.
§ 5. Le Gouvernement établit un rapport d'évaluation conformément à la procédure décrite aux §§ 1er à 4 pour le [1 chef]1.
Modifications
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
Art. 25. In de artikelen 8 tot 11 en 71 van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957, gewijzigd bij het decreet van 24 maart 2003, worden de woorden " pedagogisch inspecteur-adviseur " telkens vervangen door het woord " onderwijsinspecteur ".
Art. 25. Dans les articles 8 à 11 et 71 des lois sur l'enseignement primaire coordonnées le 20 août 1957, modifiés par le décret du 24 mars 2003, les mots " inspecteur-conseiller pédagogique " sont chaque fois remplacés par les mots " inspecteur pédagogique ".
Art. 26. Artikel 24, § 2, tweede lid, 3°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij het decreet van 24 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
" 3° zich onderwerpen aan het toezicht dat georganiseerd wordt bij het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling; "
" 3° zich onderwerpen aan het toezicht dat georganiseerd wordt bij het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling; "
Art. 26. L'article 24, § 2, alinéa 2, 3°, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, modifié par le décret du 24 mars 2003, est remplacé par ce qui suit :
" 3° se soumettre au contrôle organisé par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire; "
" 3° se soumettre au contrôle organisé par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire; "
Art. 27. In artikel 10, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepalingen onder 1° en 2° worden vervangen als volgt :
" 1° hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling;
2° onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs; "
2° de bepalingen 2bis tot 2quater worden ingevoegd :
" 2bis onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs;
2ter adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs;
2quater adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs; "
3° de bepalingen onder 5 tot 8 en 11 tot 17 worden opgeheven.
1° de bepalingen onder 1° en 2° worden vervangen als volgt :
" 1° hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling;
2° onderwijsinspecteur uit het basisonderwijs; "
2° de bepalingen 2bis tot 2quater worden ingevoegd :
" 2bis onderwijsinspecteur uit het secundair, hoger of universitair onderwijs;
2ter adviseur voor schoolontwikkeling uit het basisonderwijs;
2quater adviseur voor schoolontwikkeling uit het secundair, hoger of universitair onderwijs; "
3° de bepalingen onder 5 tot 8 en 11 tot 17 worden opgeheven.
Art. 27. A l'article 10, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, les modifications suivantes sont apportées :
1° les 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire;
2° inspecteur scolaire provenant de l'enseignement fondamental; "
2° les 2bis à 2quater, rédigés comme suit, sont insérés :
" 2bis inspecteur scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire;
2ter conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement fondamental;
2quater conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire; "
3° les 5° à 8° et 11° à 17° sont abrogés.
1° les 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire;
2° inspecteur scolaire provenant de l'enseignement fondamental; "
2° les 2bis à 2quater, rédigés comme suit, sont insérés :
" 2bis inspecteur scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire;
2ter conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement fondamental;
2quater conseiller en développement scolaire provenant de l'enseignement secondaire, supérieur ou universitaire; "
3° les 5° à 8° et 11° à 17° sont abrogés.
Art. 28. In artikel 24 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psychosociaal personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - In de gevallen vermeld in artikel 16, eerste lid, 5°, c), en artikel 17, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het inrichtingshoofd en/of in opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden "opgesteld door het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden "overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden "het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ".
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - In de gevallen vermeld in artikel 16, eerste lid, 5°, c), en artikel 17, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het inrichtingshoofd en/of in opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden "opgesteld door het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden "overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden "het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ".
Art. 28. A l'article 24 de l'arrêté royal au 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique et artistique de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, remplacé par le décret du 28 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Dans les cas mentionnés à l'article 16, alinéa 1er, 5°, c) et à l'article 17, 4°, le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent à un signalement conjoint.
A la demande écrite et motivée du chef d'établissement et/ou sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement ou à l'inspection scolaire selon le cas ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement ou l'inspection scolaire selon le cas ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement ou de l'inspection scolaire selon le cas ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots "conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Dans les cas mentionnés à l'article 16, alinéa 1er, 5°, c) et à l'article 17, 4°, le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent à un signalement conjoint.
A la demande écrite et motivée du chef d'établissement et/ou sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement ou à l'inspection scolaire selon le cas ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement ou l'inspection scolaire selon le cas ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement ou de l'inspection scolaire selon le cas ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots "conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
Art. 29. Artikel 66 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt vervangen als volgt :
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het inrichtingshoofd en/of in opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ".
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het inrichtingshoofd en/of in opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd resp. de onderwijsinspectie ".
Art. 29. A l'article 66 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par le décret du 28 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Sur demande écrite et motivée du chef d'établissement et/ou sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel nommé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement ou à l'inspection scolaire selon le cas ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement ou l'inspection scolaire selon le cas ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement ou de l'inspection scolaire selon le cas ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots "conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Sur demande écrite et motivée du chef d'établissement et/ou sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel nommé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement ou à l'inspection scolaire selon le cas ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement ou l'inspection scolaire selon le cas ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement ou de l'inspection scolaire selon le cas ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots "conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
Art. 30. Artikel 91undecies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2009 en vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt aangevuld met een § 1.1, luidende :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het inrichtingshoofd en/of in opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een departementshoofd. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het inrichtingshoofd en/of in opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een departementshoofd. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
Art. 30. A l'article 91undecies du même arrêté royal, inséré par le décret du 11 mai 2009 et remplacé par le décret du 28 juin 2010, il est inséré un § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - Sur demande écrite et motivée du chef d'établissement et/ou sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef de département. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
" § 1.1 - Sur demande écrite et motivée du chef d'établissement et/ou sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef de département. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
Art. 31. In artikel 114, 3°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 23 juni 2008, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door de woorden " onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling ".
Art. 31. A l'article 114, 3°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 23 juin 2008, les mots "inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire ".
Art. 32. Artikel 121undecies van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007 en vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt aangevuld met een § 1.1, luidende :
" § 1.1 - In opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
" § 1.1 - In opdracht van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
Art. 32. A l'article 121undecies du même arrêté royal, inséré par le décret du 25 juin 2007 et remplacé par le décret du 28 juin 2010, il est inséré un § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - Sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
" § 1.1 - Sur ordre du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
Art. 33. Artikel 13sexies, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel der Rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2009, worden de woorden "pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 33. A l'article 13sexies, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements, inséré par le décret du 23 mars 2009, les mots "inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 34. In artikel 14, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 11 mei 2009, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 34. A l'article 14, alinéa 2, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 11 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 35. In artikel 15.1, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2009, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 35. A l'article 15.1, alinéa 2, du même arrêté royal, inséré par le décret du 11 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 36. In artikel 2, hoofdstuk IB, van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat worden de regels
" Pedagogisch inspecteur-adviseur die ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 475
Pedagogisch inspecteur-adviseur die niet ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 275 ",
ingevoegd bij het decreet van 24 maart 2003, vervangen als volgt :
" hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling . . . . . 475;
onderwijsinspecteur die ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 471;
onderwijsinspecteur die niet ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 270
adviseur voor schoolontwikkeling die ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 471
adviseur voor schoolontwikkeling die niet ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 270 ".
" Pedagogisch inspecteur-adviseur die ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 475
Pedagogisch inspecteur-adviseur die niet ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 275 ",
ingevoegd bij het decreet van 24 maart 2003, vervangen als volgt :
" hoofd van de onderwijsinspectie en van het adviespunt voor schoolontwikkeling . . . . . 475;
onderwijsinspecteur die ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 471;
onderwijsinspecteur die niet ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 270
adviseur voor schoolontwikkeling die ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 471
adviseur voor schoolontwikkeling die niet ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezit . . . . . 270 ".
Art. 36. A l'article 2, chapitre Ier, B, de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation et du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, les lignes
" inspecteur-conseiller pédagogique qui dispose au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 475
inspecteur-conseiller pédagogique qui ne dispose pas au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 275 ",
insérées par le décret du 24 mars 2003, sont remplacées par les lignes suivantes :
" chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire . . . . . 475;
inspecteur scolaire qui dispose au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 471;
inspecteur scolaire qui ne dispose pas au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 270 ",
conseiller en développement scolaire qui dispose au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 471;
conseiller en développement scolaire qui ne dispose pas au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 270.
" inspecteur-conseiller pédagogique qui dispose au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 475
inspecteur-conseiller pédagogique qui ne dispose pas au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 275 ",
insérées par le décret du 24 mars 2003, sont remplacées par les lignes suivantes :
" chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire . . . . . 475;
inspecteur scolaire qui dispose au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 471;
inspecteur scolaire qui ne dispose pas au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 270 ",
conseiller en développement scolaire qui dispose au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 471;
conseiller en développement scolaire qui ne dispose pas au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du deuxième degré . . . . . 270.
Art. 37. In artikel 16, f), van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel in het gespecialiseerd onderwijs worden bepaald, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2009, worden de woorden " De Pedagogische Inspectie-Begeleiding " vervangen door het woord " De onderwijsinspectie ".
Art. 37. A l'article 16, f), du décret du 27 juin 1990 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel dans l'enseignement spécialisé, modifié par le décret du 11 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 38. In artikel 17 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 11 mei 2009, worden de woorden " De Pedagogische Inspectie-Begeleiding " vervangen door het woord " De onderwijsinspectie ".
Art. 38. A l'article 17 du même décret, remplacé par le décret du 11 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 39. Artikel 7, § 6, vierde lid, 1°, van het decreet van 16 december 1991 betreffende de opleiding en de voortgezette opleiding in de Middenstand en de KMO's, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2009, wordt vervangen als volgt :
" 1° het Instituut biedt de onderwijsinspectie de mogelijkheid om de taken vermeld in artikel 6, eerste lid, 1°, a), en b), van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling uit te oefenen in de centra voor opleiding en voortgezette opleiding in de middenstand en de kmo's; "
" 1° het Instituut biedt de onderwijsinspectie de mogelijkheid om de taken vermeld in artikel 6, eerste lid, 1°, a), en b), van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling uit te oefenen in de centra voor opleiding en voortgezette opleiding in de middenstand en de kmo's; "
Art. 39. L'article 7, § 6, alinéa 4, 1°, du décret du 16 décembre 1991 relatif à la formation et la formation continue dans les classes moyennes et les PME, inséré par le décret du 25 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'Institut permet à l'inspection scolaire de mener dans les centres de formation et de formation continue dans les Classes moyennes et les PME les missions mentionnées à l'article 6, alinéa 1er, 1°, a) et b), du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire; "
" 1° l'Institut permet à l'inspection scolaire de mener dans les centres de formation et de formation continue dans les Classes moyennes et les PME les missions mentionnées à l'article 6, alinéa 1er, 1°, a) et b), du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire; "
Art. 40. Artikel 4, 24°, van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone en gespecialiseerde scholen, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2009, wordt vervangen als volgt :
" 24° onderwijsinspectie : dienst die krachtens het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling is opgericht en die de inspectietaken uitoefent die hem bij dat decreet worden opgedragen; "
" 24° onderwijsinspectie : dienst die krachtens het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling is opgericht en die de inspectietaken uitoefent die hem bij dat decreet worden opgedragen; "
Art. 40. L'article 4, 24°, du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires et spécialisées, modifié par le décret du 11 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
" 24° inspection scolaire : le service institué par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire qui assure les missions d'inspection lui confiées par le même décret; "
" 24° inspection scolaire : le service institué par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire qui assure les missions d'inspection lui confiées par le même décret; "
Art. 41. In artikel 21.2, § 2, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 oktober 2010 en gewijzigd bij het decreet van 16 januari 2012, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " telkens vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 41. A l'article 21.2, § 2, alinéas 1 et 2, du même décret, inséré par le décret du 25 octobre 2010 et modifié par le décret du 16 janvier 2012, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont chaque fois remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 42. In artikel 22.2, § 2, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 oktober 2010 en gewijzigd bij het decreet van 16 januari 2012, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " telkens vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 42. A l'article 22.2, § 2, alinéas 1 et 2, du même décret, inséré par le décret du 25 octobre 2010 et modifié par le décret du 16 janvier 2012, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont chaque fois remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 43. In artikel 34, derde lid, van hetzelfde decreet, laatstelijk vervangen bij het decreet van 25 oktober 2010, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 43. A l'article 34, alinéa 3, du même décret, remplacé en dernier lieu par le décret du 25 octobre 2010, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 44. In artikel 45, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2009, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 44. A l'article 45, alinéa 2, 4°, du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 45. Artikel 73 van hetzelfde decreet, opgeheven bij het decreet van 25 mei 2009, wordt hersteld als volgt :
" Art. 73 - Onderwijsinspectie
In het geval vermeld in artikel 70, § 3, eerste lid, en naar aanleiding van opvallende resultaten in het kader van internationale vergelijkende studies stelt het inrichtingshoofd de onderwijsinspectie in kennis van de doelstellingen inzake kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling die de school onder eigen verantwoordelijkheid heeft uitgewerkt. De onderwijsinspectie geeft dan zo vlug mogelijk gemotiveerde feedback aan de school. "
" Art. 73 - Onderwijsinspectie
In het geval vermeld in artikel 70, § 3, eerste lid, en naar aanleiding van opvallende resultaten in het kader van internationale vergelijkende studies stelt het inrichtingshoofd de onderwijsinspectie in kennis van de doelstellingen inzake kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling die de school onder eigen verantwoordelijkheid heeft uitgewerkt. De onderwijsinspectie geeft dan zo vlug mogelijk gemotiveerde feedback aan de school. "
Art. 45. L'article 73 du même décret, abrogé par le décret du 25 mai 2009, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 73 - Inspection scolaire
Le chef d'établissement informe l'inspection scolaire quant aux objectifs que l'école s'est fixés, sous sa propre responsabilité, en matière de garantie et de développement de la qualité dans le cas mentionné à l'article 70, § 3, alinéa 1er, et à la suite de résultats interpellants dans le cadre d'études comparatives internationales. L'inspection scolaire donne alors, dans les meilleurs délais, un feedback motivé à l'école. "
" Art. 73 - Inspection scolaire
Le chef d'établissement informe l'inspection scolaire quant aux objectifs que l'école s'est fixés, sous sa propre responsabilité, en matière de garantie et de développement de la qualité dans le cas mentionné à l'article 70, § 3, alinéa 1er, et à la suite de résultats interpellants dans le cadre d'études comparatives internationales. L'inspection scolaire donne alors, dans les meilleurs délais, un feedback motivé à l'école. "
Art. 46. In artikel 75bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2008 en gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2009, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 46. A l'article 75bis du même décret, inséré par le décret du 16 juin 2008 et modifié par le décret du 11 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont chaque fois remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 47. In artikel 100 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2009, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 47. A l'article 100 du même décret, modifié par le décret du 11 mai 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 48. In artikel 39bis van het decreet van 14 december 1998 houdende vastlegging van het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij psycho-medisch-sociaal centrum, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006 en vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - In het geval vermeld in artikel 33, eerste lid, 5°, c), maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen beoordeelt of het personeelslid geschikt is om het ambt uit te oefenen.
In het geval vermeld in artikel 35, § 1, eerste lid, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie zich bij de beoordeling beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen de aspecten vermeld in het tweede lid beoordeelt. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd resp. de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ".
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - In het geval vermeld in artikel 33, eerste lid, 5°, c), maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen beoordeelt of het personeelslid geschikt is om het ambt uit te oefenen.
In het geval vermeld in artikel 35, § 1, eerste lid, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie zich bij de beoordeling beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen de aspecten vermeld in het tweede lid beoordeelt. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd resp. de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ".
Art. 48. A l'article 39bis du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, inséré par le décret du 26 juin 2006 et remplacé par le décret du 28 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Dans le cas mentionné à l'article 33, alinéa 1er, 5°, c), le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire portant uniquement sur l'aptitude professionnelle du membre du personnel à exercer la fonction.
Dans le cas mentionné à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, 4°, le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects mentionnés au deuxième alinéa. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas " sont insérés après les mots " sa délivrance ".
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Dans le cas mentionné à l'article 33, alinéa 1er, 5°, c), le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire portant uniquement sur l'aptitude professionnelle du membre du personnel à exercer la fonction.
Dans le cas mentionné à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, 4°, le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects mentionnés au deuxième alinéa. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas " sont insérés après les mots " sa délivrance ".
Art. 49. Artikel 62.10 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2009 en vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt aangevuld met een § 1.1, luidende :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een departementshoofd. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een departementshoofd. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
Art. 49. A l'article 62.10 du même décret, inséré par le décret du 11 mai 2009 et remplacé par le décret du 28 juin 2010, il est inséré un § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef de département. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement. "
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef de département. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement. "
Art. 50. Artikel 69.10 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007 en vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt aangevuld met een § 1.1, luidende :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
Art. 50. A l'article 69.10 du même décret, inséré par le décret du 25 juin 2007 et remplacé par le décret du 28 juin 2010, il est inséré un § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
Art. 51. Artikel 69.14 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt gewijzigd als volgt :
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een definitief aangesteld personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie, waarbij de evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs. "
2° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, worden de woorden " door het inrichtingshoofd of door de directeur " vervangen door de woorden " door het inrichtingshoofd of door de directeur resp. door de onderwijsinspectie ".
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een definitief aangesteld personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie, waarbij de evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs. "
2° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, worden de woorden " door het inrichtingshoofd of door de directeur " vervangen door de woorden " door het inrichtingshoofd of door de directeur resp. door de onderwijsinspectie ".
Art. 51. A l'article 69.14, du même décret, remplacé par le décret du 28 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel engagé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. L'évaluation est menée conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement. "
2° au § 3 les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° Au § 4, alinéa 1er, les mots " par le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel engagé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. L'évaluation est menée conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement. "
2° au § 3 les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° Au § 4, alinéa 1er, les mots " par le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
Art. 52. In artikel 15, § 2, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 25 oktober 2010 en gewijzigd bij het decreet van 16 januari 2012, worden de woorden " pedagogische inspectiebegeleiding " telkens vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 52. A l'article 15, § 2, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, inséré par le décret du 25 octobre 2010 et modifié par le décret du 16 janvier 2012, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont chaque fois remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 53. Artikel 23, 11°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
" 11° zich aan het toezicht onderwerpt dat georganiseerd wordt bij het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling. "
" 11° zich aan het toezicht onderwerpt dat georganiseerd wordt bij het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling. "
Art. 53. L'article 23, 11°, du même décret, inséré par le décret du 24 mars 2003, est remplacé par ce qui suit :
" 1° elle se soumet au contrôle organisé par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire. "
" 1° elle se soumet au contrôle organisé par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire. "
Art. 54. In artikel 28 van het decreet van 29 maart 2004 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - In het geval vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, c), maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen beoordeelt of het personeelslid geschikt is om het ambt uit te oefenen.
In het geval vermeld in artikel 22, eerste lid, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie zich bij de beoordeling beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen de aspecten vermeld in het tweede lid beoordeelt. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd resp. de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ".
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - In het geval vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, c), maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen beoordeelt of het personeelslid geschikt is om het ambt uit te oefenen.
In het geval vermeld in artikel 22, eerste lid, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie zich bij de beoordeling beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen de aspecten vermeld in het tweede lid beoordeelt. "
2° In § 3 van hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden " het inrichtingshoofd resp. de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ".
Art. 54. A l'article 28 du décret du 29 mars 2004 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, inséré par le décret du 28 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Dans le cas mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, c), le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire portant uniquement sur l'aptitude professionnelle du membre du personnel à exercer la fonction.
Dans le cas mentionné à l'article 22, alinéa 1er, 4°, le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects mentionnés au deuxième alinéa. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou conformément au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas " sont insérés après les mots " sa délivrance ".
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - Dans le cas mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, c), le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire portant uniquement sur l'aptitude professionnelle du membre du personnel à exercer la fonction.
Dans le cas mentionné à l'article 22, alinéa 1er, 4°, le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects mentionnés au deuxième alinéa. "
2° au § 3 du même article, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou conformément au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, du même article, les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas " sont insérés après les mots " sa délivrance ".
Art. 55. Artikel 64.9 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2009 en vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, wordt aangevuld met een § 1.1, luidende :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van de directeur van een kunstacademie. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van de directeur van een kunstacademie. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
Art. 55. A l'article 64.9 du même décret, inséré par le décret du 23 mars 2009 et remplacé par le décret du 28 juin 2010, il est inséré un § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation du directeur d'académie. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation du directeur d'académie. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
Art. 56. Artikel 64.21 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 juni 2010, wordt aangevuld met een § 1.1, luidende :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie. "
Art. 56. A l'article 64.21 du même décret, inséré par le décret du 28 juin 2010, il est inséré un § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation. "
Art. 57. In artikel 65 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 28 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie, waarbij de evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
2° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, worden de woorden " door het inrichtingshoofd of door de directeur " vervangen door de woorden " door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ".
1° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd :
" § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie, waarbij de evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
2° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste en het tweede lid worden de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
2° in het eerste lid worden de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie " en in het derde lid worden de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
3° in het tweede lid worden de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur " vervangen door de woorden " opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ";
4° in het vierde lid worden de woorden " overeenkomstig de leden 1 en 2 " vervangen door de woorden " overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1 ";
3° In § 4, eerste lid, worden de woorden " door het inrichtingshoofd of door de directeur " vervangen door de woorden " door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie ".
Art. 57. A l'article 65, du même décret, remplacé par le décret du 28 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel nommé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément à la section 3 du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. L'évaluation est menée conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
2° au § 3 les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, les mots " par le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
1° le § 1.1, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel nommé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément à la section 3 du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. L'évaluation est menée conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
2° au § 3 les modifications suivantes sont apportées :
1° aux alinéas 1 et 2, les mots " au chef d'établissement, au directeur " sont remplacés par les mots " au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire ";
2° aux alinéas 1 et 3, les mots " Le chef d'établissement, le directeur " respectivement " Le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire ";
3° à l'alinéa 2, les mots " du chef d'établissement ou du directeur " sont remplacés par les mots " du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas, ".
4° à l'alinéa 4, les mots " conformément au premier ou au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1 ".
3° au § 4, alinéa 1er, les mots " par le chef d'établissement ou le directeur " sont remplacés par les mots " par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas ".
Art. 58. In artikel 6 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 27 juni 2011, worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " telkens vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 58. A l'article 6 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement, inséré par le décret du 27 juin 2011, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont chaque fois remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 59. Artikel 1.3 van het decreet van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 25 oktober 2010, wordt aangevuld met een bepaling onder 12.1, luidende :
" 12.1. " onderwijsinspectie : dienst die krachtens het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling is opgericht en die de inspectietaken uitoefent die hem bij dat decreet worden opgedragen; "
" 12.1. " onderwijsinspectie : dienst die krachtens het decreet van 25 juni 2012 over de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling is opgericht en die de inspectietaken uitoefent die hem bij dat decreet worden opgedragen; "
Art. 59. A l'article 1.3 du décret du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome, modifié en dernier lieu par le décret du 25 octobre 2010, il est inséré un 12.1, rédigé comme suit :
" 2.1 inspection scolaire : le service institué par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire qui assure les missions d'inspection lui confiées par le même décret; "
" 2.1 inspection scolaire : le service institué par le décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire et à la guidance en développement scolaire qui assure les missions d'inspection lui confiées par le même décret; "
Art. 60. Artikel 2.8, § 2, 3.1, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt :
" 3.1. disciplinaire en interdisciplinaire basiskennis, met inbegrip van de epistemologische aspecten m.b.t. de activiteiten, vakken en vakgebieden vermeld in de artikelen 16 en 17 van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs, m.b.t. de ontwikkelingsdoeleinden en referentiekaders voor de kleuterafdeling en het lager onderwijs vermeld in het decreet van 16 december 2002 houdende vastlegging van de ontwikkelingsdoeleinden voor de kleuterafdeling, alsmede tot wijziging van de decreten van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs en van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs en m.b.t. de ontwikkelingsdoeleinden en referentiekaders voor de kleuterafdeling en het lager onderwijs vermeld in het decreet van 16 juni 2008 tot vaststelling van kerncompetenties en referentiekaders in het onderwijs ".
" 3.1. disciplinaire en interdisciplinaire basiskennis, met inbegrip van de epistemologische aspecten m.b.t. de activiteiten, vakken en vakgebieden vermeld in de artikelen 16 en 17 van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs, m.b.t. de ontwikkelingsdoeleinden en referentiekaders voor de kleuterafdeling en het lager onderwijs vermeld in het decreet van 16 december 2002 houdende vastlegging van de ontwikkelingsdoeleinden voor de kleuterafdeling, alsmede tot wijziging van de decreten van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs en van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs en m.b.t. de ontwikkelingsdoeleinden en referentiekaders voor de kleuterafdeling en het lager onderwijs vermeld in het decreet van 16 juni 2008 tot vaststelling van kerncompetenties en referentiekaders in het onderwijs ".
Art. 60. A l'article 2.8, § 2, du même décret, le 3.1. est remplacé par ce qui suit :
" 3.1. Connaissances de base disciplinaires et interdisciplinaires, en ce compris les aspects épistémologiques au niveau des activités, disciplines et domaines énumérés aux articles 16 et 17 du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire ainsi qu'au niveau des objectifs de développement et référentiels pour la section maternelle et l'enseignement primaire fixés dans le décret du 16 décembre 2002 fixant les objectifs de développement pour la section maternelle et modifiant le décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires et le décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire ainsi que dans le décret du 16 juin 2008 fixant les macro-compétences et les référentiels de compétences dans l'enseignement; "
" 3.1. Connaissances de base disciplinaires et interdisciplinaires, en ce compris les aspects épistémologiques au niveau des activités, disciplines et domaines énumérés aux articles 16 et 17 du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire ainsi qu'au niveau des objectifs de développement et référentiels pour la section maternelle et l'enseignement primaire fixés dans le décret du 16 décembre 2002 fixant les objectifs de développement pour la section maternelle et modifiant le décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires et le décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire ainsi que dans le décret du 16 juin 2008 fixant les macro-compétences et les référentiels de compétences dans l'enseignement; "
Art. 61. Het opschrift van titel IV van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt :
" Titel IV - Kwaliteitscontrole en klachtenbeheer "
In dezelfde titel wordt een ondertitel 1 ingevoegd, die de bestaande artikelen 4.1 en 4.2 omvat :
" Ondertitel 1 - Kwaliteitscontrole "
" Titel IV - Kwaliteitscontrole en klachtenbeheer "
In dezelfde titel wordt een ondertitel 1 ingevoegd, die de bestaande artikelen 4.1 en 4.2 omvat :
" Ondertitel 1 - Kwaliteitscontrole "
Art. 61. L'intitulé du titre IV du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Titre IV - Contrôle de qualité et gestion des plaintes "
Dans le même titre, il est inséré un sous-titre 1er, comprenant les articles 4.1. et 4.2 actuels :
" Sous-titre 1er - Contrôle de qualité "
" Titre IV - Contrôle de qualité et gestion des plaintes "
Dans le même titre, il est inséré un sous-titre 1er, comprenant les articles 4.1. et 4.2 actuels :
" Sous-titre 1er - Contrôle de qualité "
Art. 62. In dezelfde titel wordt een ondertitel 2 ingevoegd, die de artikelen 4.3 tot 4.7 omvat, luidende :
" Ondertitel 2 - Klachtenbeheer
Art. 4.3 - Ontvankelijkheid van de klachten
De onderwijsinspectie behandelt een klacht indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de klacht heeft betrekking op zaken die te maken hebben met de school;
2° de klacht is ingediend per aangetekend schrijven;
3° de klacht is in het Duits, het Frans of het Nederlands gesteld;
4° de identiteit van de indiener van de klacht is bekend.
De onderwijsinspectie weigert de behandeling van een klacht indien zich één van de volgende gevallen voordoet :
1° de klacht is kennelijk ongegrond;
2° de indiener van de klacht heeft zich niet tot de hogeschool of de inrichtende macht gericht om genoegdoening te krijgen;
3° de klacht stemt in essentie overeen met een andere klacht die de onderwijsinspectie al afgewezen heeft, voor zover geen nieuwe feiten voorliggen;
4° de klacht heeft betrekking op feiten die zich meer dan een jaar vóór het indienen van de klacht hebben voorgedaan;
5° de klacht heeft betrekking op de externe evaluatie.
Art. 4.4 - Mogelijke indiener van de klacht
Elke natuurlijke of rechtspersoon die een rechtstreeks belang kan aantonen, kan klacht indienen bij de onderwijsinspectie.
Art. 4.5 - Inlichten van de partijen over de klachtenprocedure
De onderwijsinspectie deelt de indiener van de klacht zo snel mogelijk schriftelijk mee of ze besloten heeft de klacht te behandelen, niet te behandelen of door te verwijzen naar een andere dienst die bevoegd is.
De onderwijsinspectie stelt de hogeschool en de inrichtende macht in kennis van klachten die tegen hen zijn ingediend en bezorgt hen een kopie van die klachten. Ze verzoekt de directeur of de inrichtende macht schriftelijk om een verslag over de situatie op te maken.
Art. 4.6 - Onderzoek en kennisgeving
De onderwijsinspectie onderzoekt de bestreden feiten en tracht de verschillende standpunten met elkaar te verzoenen en vervolgens een oplossing te vinden.
De onderwijsinspectie deelt haar bevindingen en mogelijke oplossingen schriftelijk mee aan de inrichtende macht, de directeur en de indiener van de klacht.
Art. 4.7 - Medewerking aan de beoordeling of evaluatie van de personeelsleden
Indien klacht tegen een personeelslid wordt ingediend, kan de onderwijsinspectie een beoordeling of een evaluatie laten maken. De directeur en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling/evaluatie, waarbij de beoordeling/evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de competenties vermeld in de artikelen 2.7, 2.8, 2.8.1 en 2.8.2;
2° ze gaat na of het personeelslid de studieprogramma's, opleidingsprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
De onderwijsinspectie kan zich laten bijstaan door externe deskundigen.
De procedure vermeld in artikel 5.22, § § 3 en 4, artikel 5.39, § § 3 en 4, artikel 5.88, § § 3 en 4, en artikel 5.102, § § 3 en 4, wordt in acht genomen. "
" Ondertitel 2 - Klachtenbeheer
Art. 4.3 - Ontvankelijkheid van de klachten
De onderwijsinspectie behandelt een klacht indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de klacht heeft betrekking op zaken die te maken hebben met de school;
2° de klacht is ingediend per aangetekend schrijven;
3° de klacht is in het Duits, het Frans of het Nederlands gesteld;
4° de identiteit van de indiener van de klacht is bekend.
De onderwijsinspectie weigert de behandeling van een klacht indien zich één van de volgende gevallen voordoet :
1° de klacht is kennelijk ongegrond;
2° de indiener van de klacht heeft zich niet tot de hogeschool of de inrichtende macht gericht om genoegdoening te krijgen;
3° de klacht stemt in essentie overeen met een andere klacht die de onderwijsinspectie al afgewezen heeft, voor zover geen nieuwe feiten voorliggen;
4° de klacht heeft betrekking op feiten die zich meer dan een jaar vóór het indienen van de klacht hebben voorgedaan;
5° de klacht heeft betrekking op de externe evaluatie.
Art. 4.4 - Mogelijke indiener van de klacht
Elke natuurlijke of rechtspersoon die een rechtstreeks belang kan aantonen, kan klacht indienen bij de onderwijsinspectie.
Art. 4.5 - Inlichten van de partijen over de klachtenprocedure
De onderwijsinspectie deelt de indiener van de klacht zo snel mogelijk schriftelijk mee of ze besloten heeft de klacht te behandelen, niet te behandelen of door te verwijzen naar een andere dienst die bevoegd is.
De onderwijsinspectie stelt de hogeschool en de inrichtende macht in kennis van klachten die tegen hen zijn ingediend en bezorgt hen een kopie van die klachten. Ze verzoekt de directeur of de inrichtende macht schriftelijk om een verslag over de situatie op te maken.
Art. 4.6 - Onderzoek en kennisgeving
De onderwijsinspectie onderzoekt de bestreden feiten en tracht de verschillende standpunten met elkaar te verzoenen en vervolgens een oplossing te vinden.
De onderwijsinspectie deelt haar bevindingen en mogelijke oplossingen schriftelijk mee aan de inrichtende macht, de directeur en de indiener van de klacht.
Art. 4.7 - Medewerking aan de beoordeling of evaluatie van de personeelsleden
Indien klacht tegen een personeelslid wordt ingediend, kan de onderwijsinspectie een beoordeling of een evaluatie laten maken. De directeur en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling/evaluatie, waarbij de beoordeling/evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de competenties vermeld in de artikelen 2.7, 2.8, 2.8.1 en 2.8.2;
2° ze gaat na of het personeelslid de studieprogramma's, opleidingsprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
De onderwijsinspectie kan zich laten bijstaan door externe deskundigen.
De procedure vermeld in artikel 5.22, § § 3 en 4, artikel 5.39, § § 3 en 4, artikel 5.88, § § 3 en 4, en artikel 5.102, § § 3 en 4, wordt in acht genomen. "
Art. 62. Au même titre, il est inséré un sous-titre 2, comprenant les articles 4.3 à 4.7 :
" Sous-titre 2 - Gestion des plaintes
Art. 4.3. - Recevabilité des plaintes
L'inspection scolaire se charge d'une plainte si les conditions suivantes sont rencontrées :
1° elle est d'intérêt scolaire;
2° elle a été introduite par recommandé;
3° elle a été introduite en allemand, en français ou en néerlandais;
4° l'identité du plaignant est connue.
L'inspection scolaire peut refuser de traiter une plainte si :
1° elle est manifestement non fondée;
2° le plaignant n'a entrepris aucune démarche auprès de la haute école ou du pouvoir organisateur en vue d'obtenir satisfaction;
3° elle est pour l'essentiel identique à une plainte déjà rejetée par l'inspection scolaire, dans la mesure où il n'y a pas d'élément nouveau;
4° elle se rapporte à des faits qui se sont passés plus d'un an avant l'introduction de la plainte;
5° elle concerne la procédure relative à l'évaluation externe.
Art. 4.4. - Plaignants admis
Toute personne physique ou morale pouvant justifier d'un intérêt direct peut introduire une plainte auprès de l'inspection scolaire.
Art. 4.5. - Information des parties
L'inspection scolaire informe sans délai et par écrit le plaignant sur la décision qu'elle a prise de traiter la plainte, de refuser de la traiter ou encore de la renvoyer à un autre service compétent.
L'inspection scolaire informe par écrit la haute école et le pouvoir organisateur de toute plainte les concernant et leur transmet une copie de cette plainte. Elle demande par écrit au directeur ou au pouvoir organisateur de faire un rapport sur la situation.
Art. 4.6. - Examen et information
L'inspection scolaire examine les faits contestés et tente de concilier les différents points de vue et de finalement trouver une solution.
L'inspection scolaire communique ses constatations et propositions de solution, par écrit, au pouvoir organisateur, au directeur et au plaignant.
Art. 4.7. - Participation au signalement ou à l'évaluation de membres du personnel
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement ou une évaluation. Le signalement ou l'évaluation est mené(e) conjointement par le directeur et l'inspection scolaire, le signalement ou l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les compétences mentionnées aux articles 2.7, 2.8, 2.8.1 et 2.8.2;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les programmes d'études, de formation ou de cours;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
L'inspection scolaire peut se faire accompagner par des experts externes.
La procédure énoncée aux articles 5.22, § § 3 et 4, 5.35, § § 3 et 4, 5.88, § § 3 et 4, et 5.102, § § 3 et 4, est respectée. "
" Sous-titre 2 - Gestion des plaintes
Art. 4.3. - Recevabilité des plaintes
L'inspection scolaire se charge d'une plainte si les conditions suivantes sont rencontrées :
1° elle est d'intérêt scolaire;
2° elle a été introduite par recommandé;
3° elle a été introduite en allemand, en français ou en néerlandais;
4° l'identité du plaignant est connue.
L'inspection scolaire peut refuser de traiter une plainte si :
1° elle est manifestement non fondée;
2° le plaignant n'a entrepris aucune démarche auprès de la haute école ou du pouvoir organisateur en vue d'obtenir satisfaction;
3° elle est pour l'essentiel identique à une plainte déjà rejetée par l'inspection scolaire, dans la mesure où il n'y a pas d'élément nouveau;
4° elle se rapporte à des faits qui se sont passés plus d'un an avant l'introduction de la plainte;
5° elle concerne la procédure relative à l'évaluation externe.
Art. 4.4. - Plaignants admis
Toute personne physique ou morale pouvant justifier d'un intérêt direct peut introduire une plainte auprès de l'inspection scolaire.
Art. 4.5. - Information des parties
L'inspection scolaire informe sans délai et par écrit le plaignant sur la décision qu'elle a prise de traiter la plainte, de refuser de la traiter ou encore de la renvoyer à un autre service compétent.
L'inspection scolaire informe par écrit la haute école et le pouvoir organisateur de toute plainte les concernant et leur transmet une copie de cette plainte. Elle demande par écrit au directeur ou au pouvoir organisateur de faire un rapport sur la situation.
Art. 4.6. - Examen et information
L'inspection scolaire examine les faits contestés et tente de concilier les différents points de vue et de finalement trouver une solution.
L'inspection scolaire communique ses constatations et propositions de solution, par écrit, au pouvoir organisateur, au directeur et au plaignant.
Art. 4.7. - Participation au signalement ou à l'évaluation de membres du personnel
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement ou une évaluation. Le signalement ou l'évaluation est mené(e) conjointement par le directeur et l'inspection scolaire, le signalement ou l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les compétences mentionnées aux articles 2.7, 2.8, 2.8.1 et 2.8.2;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les programmes d'études, de formation ou de cours;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
L'inspection scolaire peut se faire accompagner par des experts externes.
La procédure énoncée aux articles 5.22, § § 3 et 4, 5.35, § § 3 et 4, 5.88, § § 3 et 4, et 5.102, § § 3 et 4, est respectée. "
Art. 63. In artikel 26, § 4, vierde lid, van het decreet van 23 maart 2009 betreffende de organisatie van het deeltijdse kunstonderwijs worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 63. A l'article 26, § 4, alinéa 4, du décret du 23 mars 2009 portant organisation de l'enseignement artistique à horaire réduit, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
Art. 64. In de bijlage bij het decreet van 25 mei 2009 over maatregelen inzake onderwijs en opleiding 2009 worden de woorden " pedagogische inspectie-begeleiding " vervangen door het woord " onderwijsinspectie ".
Art. 64. Dans l'annexe au décret du 25 mai 2009 portant sur des mesures en matière d'enseignement et de formation pour 2009, les mots " inspection-guidance pédagogique " sont remplacés par les mots " inspection scolaire ".
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 65. Het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan, gewijzigd bij de decreten van 30 juni 2003, 26 juni 2006, 11 mei 2009 en 27 juni 2011, wordt opgeheven.
Art. 65. Le décret du 24 mars 2003 instaurant l'inspection-guidance pédagogique pour l'enseignement en Communauté germanophone et en fixant les missions, modifié par les décrets des 30 juin 2003, 26 juin 2006, 11 mai 2009 et 27 juin 2011, est abrogé.
Art. 66. In afwijking van de artikelen 18, 19, en 20 van dit decreet worden de pedagogische inspecteurs-adviseurs die in het schooljaar 2011-2012 aangesteld waren overeenkomstig het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan, en die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, met uitzondering van het eerste lid, 5°, door de inrichtende macht vast benoemd tot onderwijsinspecteur en dit op de datum van inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 66. Par dérogation aux articles 18, 19 et 20 du présent décret, les inspecteurs-conseillers pédagogiques qui étaient désignés pendant l'année scolaire 2011-2012 conformément au décret du 24 mars 2003 instaurant l'inspection-guidance pédagogique pour l'enseignement en Communauté germanophone et en fixant les missions, et qui remplissent les conditions énumérées à l'article 17 sauf celle reprise à l'alinéa 1er, 5°, sont nommés à titre définitif comme inspecteurs scolaires par le Gouvernement, et ce à la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 67. In afwijking van de artikelen 18, 19, en 20 van dit decreet wordt de pedagogische inspecteur-adviseur die in het schooljaar 2011-2012 aangesteld was overeenkomstig het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan, en die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, met uitzondering van het eerste lid, 5°, door de inrichtende macht vast benoemd als eerste hoofd van de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling en dit met ingang van 1 september 2012.
Art. 67. Par dérogation aux articles 18, 19 et 20 du présent décret, l'inspecteur-conseiller pédagogique qui était désigné pendant l'année scolaire 2011-2012 conformément au décret du 24 mars 2003 instaurant l'inspection-guidance pédagogique pour l'enseignement en Communauté germanophone et en fixant les missions, et qui remplit les conditions énumérées à l'article 17 sauf celle reprise à l'alinéa 1er, 5°, est nommé à titre définitif par le Gouvernement comme premier chef de l'inspection pédagogique et de la guidance en développement scolaire, et ce à dater du 1er septembre 2012.
Art.67.1. [1 In afwijking van de artikelen 18, 19 en 20 stelt de Regering met ingang van 1 september 2019 de volgende persoon voor doorlopende duur aan in het ambt van adjunct voor inclusie en integratie: de persoon die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden vermeld in artikel 17, met uitzondering van die vermeld in het eerste lid, 5°, en die in de vijf voorgaande schooljaren de taken vermeld in artikel 15.1 heeft uitgeoefend in het kader van een opdracht in het belang van het onderwijs.]1
Art.67.1. [1 Par dérogation aux articles 18, 19 et 20, le Gouvernement désigne, au 1er septembre 2019, pour une durée indéterminée dans la fonction d'adjoint pour l'inclusion et l'intégration, toute personne qui remplit les conditions d'admission énumérées à l'article 17, à l'exception de l'alinéa 1er, 5°, et qui a assuré, au cours des cinq dernières années scolaires, les missions reprises dans l'article 15.1 dans le cadre d'une mission dans l'intérêt de l'enseignement.]1
Art.67.2. [1 Het personeelslid dat op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van hoofd van de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling, geldt vanaf 1 september 2019 als vast benoemd in het ambt van hoofd van de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie.]1
Art.67.2. [1 Le membre du personnel qui, au 31 août 2019, est nommé à titre définitif dans la fonction de chef de l'inspection scolaire et de la guidance en développement scolaire, est considéré, au 1er septembre 2019, comme étant nommé à titre définitif dans la fonction de chef de l'inspection scolaire, de la guidance en développement scolaire et de la guidance pour l'inclusion et l'intégration.]1
Art.67.3. [1 - De periodes waarin een adjunct voor inclusie en integratie de opdrachten vermeld in artikel 15.1 heeft uitgevoerd in het kader van verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs worden in aanmerking genomen om de ambtsanciënniteit vermeld in artikel 20, § 4, 1°, te bepalen.]1
Art.67.3. [1 - La période pendant laquelle un adjoint pour l'inclusion et l'intégration a assuré les missions énumérées à l'article 15.1 dans le cadre d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement est prise en compte pour calculer l'ancienneté de fonction mentionnée à l'article 20, § 4, 1°.]1
Art. 68. Dit decreet treedt in werking op 1 mei 2012, met uitzondering van de artikelen 5 tot 15, 25, 26, 28 tot 35, 37 tot 59 en 61 tot 65 die in werking treden op 1 september 2013.
Art. 68. Le présent décret entre en vigueur le 1er mai 2012, à l'exception des articles 5 à 15, 25, 26, 28 à 35, 37 à 59 et 61 à 65, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2013.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Specifieke opleiding tot onderwijsinspecteur en adviseur voor schoolontwikkeling
Art. N. Formation spécifique d'inspecteur scolaire et de conseiller en développement scolaire
| Module | Studiepunten | Korte beschrijving van de inhoud |
| Schoolmanagement | 4 | |
| Cultuur op het vlak van het pedagogisch leiderschap | Ontwikkeling van een modern leiderschap in zelfsturende scholen Begrip van de rol en functie van de schoolleidingen die een sleutelpositie innemen bij de planning, uitvoering en evaluatie van innoverende projecten | |
| Verandermanagement, projectontwikkeling en projectmanagement | Verdieping van de methodische competenties Maken, uitvoeren en evalueren van masterplannen Het vaststellen en uitvoeren van de belangrijkste ontwikkelingsdoelstellingen projectmatig plannen Projectmanagement en multiprojectmanagement | |
| Personeelmanagement | Instrumenten voor moderne personeelsontwikkeling : Methodes en technieken om personeel te selecteren en te plannen hoe het personeel het best wordt ingezet Instrumenten om de behoeften van het onderwijzend personeel te bepalen wat voortgezette opleidingen betreft; Methodes om het personeel te evalueren en te stimuleren | |
| Teamontwikkeling en communicatie; | 4 | |
| Teamontwikkeling en -samenwerking | Concept " teamontwikkeling " en aanwending ervan in het kader van een school als wezenlijk instrument voor de systematisering van de ontwikkelingsprocessen binnen de schoolgemeenschap | |
| Professionele communicatie en normen | Grondbeginselen van de communicatiepsychologie Communicatietechnieken Omgang met weerstand | |
| Samenwerkings- en communicatie-technieken | Gesprekstechnieken, waaronder het inoefenen van conflict- en adviesgesprekken Coaching, collegiale teamcoaching en supervisietechnieken Bemiddelingstechnieken, waaronder het organiseren van conferenties en groepsgesprekken | |
| Schoolontwikkeling | 4 | |
| Doelstellingen als instrument voor kwaliteitsbewaking en kwaliteitsontwikkeling | Hoofdkenmerken van kwaliteitsmanagement, controlling en verantwoording Rol en taken van de onderwijsinspectie bij schoolontwikkelingsprocessen Verdieping van de dialogische competentie om doelen te bepalen | |
| Conflictmanagement | Grondbeginselen van conflictmanagement Aanpak van conflicten Het voeren van zware conflictgesprekken | |
| Advies over schoolontwikkeling | Beter inzicht in advies over schoolontwikkeling en begeleiding van schoolontwikkeling Rol van de adviseurs voor schoolontwikkeling en de daarmee samenhangende competenties van de adviseurs Taken van de adviseurs voor schoolontwikkeling Hoofdkenmerken van schoolontwikkelingsprocessen en taken i.v.m. de begeleiding van schoolontwikkeling Omstandigheden die bijdragen tot het lukken of mislukken van schoolontwikkelingsprocessen met organisatie-, onderwijs- en personeelsontwikkeling Omvangrijke presentatie- en bemiddelingstechnieken | |
| Didactiek voor grote groepen en bemiddeling | Zich verscheidene technieken eigen maken Toepassing van die technieken | |
| Instrumenten en processen m.b.t. schoolontwikkeling | Sterke punten van de moderne ontwikkeling van een school, instrumenten en procedures die het mogelijk maken om met het lerarenkorps ontwikkelingsgerichte doelen te stellen Systeemsamenhang in de onderwijsontwikkeling van de school Schoolontwikkeling Verloop van een schoolontwikkelingsproces Opstellen van een contract en verduidelijking van de doelstellingen | |
| Ontwikkeling en diagnose van de organisatie | Analyse van basisstrategieën voor organisatieontwikkeling Kenmerken van geslaagde organisatieontwikkeling Rol van de organisatieontwikkeling in het schoolontwikkelingsproces Grondige studie van wetenschappelijke theorieën over moderne organisatieontwikkeling, rekening houdend met concrete uitgangspunten voor een duurzame schoolontwikkeling en organisatieontwikkeling Moderne sturingsmodellen voor een lerende school Oprichting, opdracht en structuur van stuurgroepen en projectgroepen Verdieping van competenties op het gebied van organisatiediagnose | |
| Personeels-ontwikkeling | Analyse van basisstrategieën voor personeelsontwikkeling Kenmerken van geslaagde personeelsontwikkeling Rol van de personeelsontwikkeling in het schoolontwikkelingsproces | |
| Onderwijsontwikkeling en onderwijskwaliteit | Analyse van basisstrategieën inzake onderwijsontwikkeling, met inbegrip van nieuwe didactische inzichten Kenmerken van geslaagde onderwijsontwikkeling Rol van de onderwijsontwikkeling in het schoolontwikkelingsproces Onderwijsontwikkeling als verandermanagement | |
| Evaluatie-instrumenten | Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsverbetering op het vlak van het onderwijs en de school die in haar geheel als dienstverlener wordt beschouwd, via instrumenten voor interne en externe evaluatie, alsook via de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling | |
| Onderwijsonderzoek | 3 | |
| Sociaalwetenschap-pelijke onderzoeksmethodes voor schoolevaluatie | Analyse van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethodes Kwaliteitsmanagement | |
| Nationale en internationale vergelijkende onderzoeken | Analyse van de instrumenten en resultaten van nationale en internationale vergelijkende onderzoeken i.v.m. het opleidingsbeleid om de resultaten ervan in de eigen school te exploiteren | |
| TOTAAL | 15 |
Analyse van basisstrategieën inzake onderwijsontwikkeling, met inbegrip van nieuwe didactische inzichten Kenmerken van geslaagde onderwijsontwikkeling Rol van de onderwijsontwikkeling in het schoolontwikkelingsproces Onderwijsontwikkeling als verandermanagement Evaluatie-instrumenten Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsverbetering op het vlak van het onderwijs en de school die in haar geheel als dienstverlener wordt beschouwd, via instrumenten voor interne en externe evaluatie, alsook via de onderwijsinspectie en het adviespunt voor schoolontwikkeling Onderwijsonderzoek 3 Sociaalwetenschap-pelijke onderzoeksmethodes voor schoolevaluatie Analyse van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethodes Kwaliteitsmanagement Nationale en internationale vergelijkende onderzoeken Analyse van de instrumenten en resultaten van nationale en internationale vergelijkende onderzoeken i.v.m. het opleidingsbeleid om de resultaten ervan in de eigen school te exploiteren TOTAAL 15
| Modules | ECTS | Brève description du contenu |
| Management scolaire | 4 | |
| Culture de leadership pédagogique | Développement d'un leadership moderne dans des écoles autonomes Perception des rôle et fonction des directions d'établissement, lesquelles occupent une position-clé en matière de planification, de mise en oeuvre et d'évaluation des projets novateurs | |
| Gestion du changement, développement de projets et gestion de projets | Approfondissement des compétences méthodologiques élaboration, mise en oeuvre et évaluation de master plans Planifier la détermination et la mise en oeuvre de points forts de développement conformément au projet Gestion de projets et gestion de projets multiples | |
| Gestion du personnel | Instruments modernes de développement des ressources humaines : méthodes et techniques de sélection du personnel et de planification des affectations instruments permettant d'identifier les besoins en formation continuée des enseignants méthodes d'évaluation et de promotion du personnel | |
| Développement d'une équipe et communication | 4 | |
| Développement d'une équipe et coopération au sein de celle-ci | Concept " développement d'équipe " et application de celui-ci dans le cadre d'une école en tant qu'instrument essentiel pour la systématisation de processus de développement au sein de la communauté scolaire | |
| Communication professionnelle et normes | Bases en psychologie de la communication Techniques de communication Gestion de résistances | |
| Techniques de coopération et de communication | Techniques de conduite de réunions, y compris entraînement à la gestion d'entretiens conflictuels et d'entretiens conseils Coaching, coaching collégial d'équipes et techniques de supervision Techniques d'animation, y compris organisation de conférences et d'entretiens collectifs | |
| Développement scolaire | 4 | |
| Conventions d'objectifs en tant qu'instruments pour la garantie et le développement de la qualité | Caractéristiques principales de la gestion de la qualité, du contrôle et de la responsabilité Rôle et missions de l'inspection scolaire dans les processus de développement scolaire Approfondissement des compétences en matière de dialogue pour la fixation de conventions d'objectifs | |
| Gestion de conflits | Bases de la gestion de conflits Méthodes d'intervention Conduite de réunions fortement conflictuelles | |
| Guidance en développement scolaire | Renforcement de la perception de la guidance et du suivi du développement scolaire Rôle des conseillers en développement scolaire et les compétences qui en résultent pour les conseillers Missions des conseillers en développement scolaire Caractéristiques principales des processus de développement scolaire et missions de suivi du développement scolaire Conditions pour la réussite ou l'échec des processus de développement scolaire, avec le développement de l'organisation, de l'enseignement et du personnel Techniques détaillées de présentation et d'animation | |
| Didactique des grands groupes et animation | Consolidation de différentes techniques Mise en oeuvre de celles-ci | |
| Instruments et processus de développement scolaire | Points forts du développement moderne d'une école, instruments et procédures permettant de conclure avec le corps professoral des " conventions d'objectifs " orientées sur le développement Cohérence du système du développement pédagogique de l'école Déroulement d'un processus de développement scolaire Etablissement d'un contrat et explication des objectifs | |
| Développement et diagnostic de l'organisation | Analyse de stratégies fondamentales pour un développement de l'organisation Caractéristiques d'un développement de l'organisation réussi Contribution du développement de l'organisation au processus de développement scolaire Explication des diverses théories scientifiques relatives au développement organisationnel moderne en tenant compte de points de départ concrets assurant un développement durable de l'école et de l'organisation Modèles modernes de pilotage d'une école " apprenante " Institution, mission et structure de groupes de pilotage et de groupes de projets Approfondissement des compétences en matière de diagnostic organisationnel | |
| Développement du personnel | Analyse de stratégies fondamentales pour un développement du personnel Caractéristiques d'un développement du personnel réussi Contribution du développement du personnel au processus de développement scolaire | |
| Développement et qualité des cours | Analyse de stratégies fondamentales de développement des cours, y compris de nouvelles connaissances didactiques Caractéristiques d'un développement des cours réussi Contribution du développement des cours au processus de développement scolaire Développement des cours en tant que gestion du changement | |
| Instruments d'évaluation | Garantie et amélioration de la qualité de l'enseignement et de l'école considérée globalement comme prestataire de services, grâce à des instruments d'évaluation interne et externe ainsi qu'à l'inspection scolaire et guidance en développement scolaire | |
| Recherche en matière de formation | 3 | |
| Méthodes de recherche en sciences sociales destinées à l'évaluation scolaire | Analyse de méthodes de recherche qualitative et quantitative - gestion de la qualité | |
| Enquêtes comparatives nationales et internationales | Analyse des instruments et des résultats d'enquêtes comparatives nationales et internationales en matière de politique de formation afin d'en exploiter les résultats dans sa propre école | |
| TOTAL | 15 |
Analyse de stratégies fondamentales de développement des cours, y compris de nouvelles connaissances didactiques
Caractéristiques d'un développement des cours réussi Contribution du développement des cours au processus de développement scolaire Développement des cours en tant que gestion du changement Instruments d'évaluation Garantie et amélioration de la qualité de l'enseignement et de l'école considérée globalement comme prestataire de services, grâce à des instruments d'évaluation interne et externe ainsi qu'à l'inspection scolaire et guidance en développement scolaire Recherche en matière de formation 3 Méthodes de recherche en sciences sociales destinées à l'évaluation scolaire Analyse de méthodes de recherche qualitative et quantitative - gestion de la qualité Enquêtes comparatives nationales et internationales Analyse des instruments et des résultats d'enquêtes comparatives nationales et internationales en matière de politique de formation afin d'en exploiter les résultats dans sa propre école TOTAL 15