Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 JULI 2012. - Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft
Titre
6 JUILLET 2012. - Décret modifiant diverses dispositions du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, en ce qui concerne le Conseil pour les Contestations des Autorisations
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
CHAPITRE 2. - Modifications du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 2. In artikel 4.2.9, § 4, tweede lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden de woorden " Raad voor vergunningsbetwistingen " vervangen door de woorden " Raad voor Vergunningsbetwistingen ".
Art. 2. Dans l'article 4.2.9, § 4, alinéa deux, 2°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, les mots " Conseil pour les contestations des autorisations " sont remplacés par les mots " Conseil pour les Contestations des Autorisations ".
Art. 3. In artikel 4.2.11, § 2, van dezelfde codex worden de woorden " in artikel 4.8.16, § 1 " vervangen door de woorden " in artikel 4.8.11, § 1 " en de woorden " Raad voor vergunningsbetwistingen " door de woorden " Raad voor Vergunningsbetwistingen ".
Art. 3. Dans l'article 4.2.11, § 2, du même Code, les mots " dans l'article 4.8.16, § 1er " sont remplacés par les mots " dans l'article 4.8.11, § 1er " et les mots " Conseil pour les contestations des autorisations " sont remplacés par les mots " Conseil pour les Contestations des Autorisations ".
Art. 4. In artikel 4.6.2, § 1, tweede lid, van dezelfde codex worden de woorden " Raad voor vergunningsbetwistingen " vervangen door de woorden " Raad voor Vergunningsbetwistingen ".
Art. 4. Dans l'article 4.6.2, § 1er, alinéa deux, du même Code, les mots " Conseil pour les contestations des autorisations " sont remplacés par les mots " Conseil pour les Contestations des Autorisations ".
Art. 5. In titel IV van dezelfde codex wordt hoofdstuk VIII, dat bestaat uit artikel 4.8.1 tot en met 4.8.31, vervangen door wat volgt :
" HOOFDSTUK VIII. - Raad voor Vergunningsbetwistingen
Afdeling 1. - Oprichting
Art. 4.8.1. Er wordt een Raad voor Vergunningsbetwistingen opgericht, hierna de Raad te noemen.
De Vlaamse Regering bepaalt de zetel van de Raad.
Afdeling 2. - Bevoegdheid
Onderafdeling 1. - Vernietiging
Art. 4.8.2. De Raad doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van :
1° vergunningsbeslissingen, zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven of weigeren van een vergunning;
2° valideringsbeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen houdende de validering of de weigering tot validering van een as-builtattest;
3° registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als " vergund geacht " wordt opgenomen in het vergunningenregister of waarbij een dergelijke opname geweigerd wordt.
De Raad vernietigt de bestreden vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing wanneer die beslissing onregelmatig is. Een beslissing is onregelmatig wanneer zij in strijd is met regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of beginselen van behoorlijk bestuur.
Als de Raad een beslissing vernietigt, kan hij het bestuur dat de vernietigde beslissing nam, bevelen om een nieuwe beslissing te nemen binnen de termijn die hij bepaalt. De Raad kan daarbij :
1° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven aanwijzen die bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet kunnen worden betrokken;
2° specifieke rechtsregelen of rechtsbeginselen aanwijzen die bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing moeten worden betrokken;
3° de procedurele handelingen omschrijven die voorafgaand aan de nieuwe beslissing moeten worden gesteld.
Onderafdeling 2. - Schorsing
Art. 4.8.3. Wanneer een beslissing vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 4.8.2, kan de Raad de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3, onderafdeling 4.
Onderafdeling 3. - Bestuurlijke lus
Art. 4.8.4. § 1. Ter oplossing van een voor de Raad gebrachte betwisting kan de Raad het vergunningverlenende bestuursorgaan in elke stand van het geding met een tussenuitspraak de mogelijkheid bieden om binnen de termijn die de Raad bepaalt een onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen, tenzij belanghebbenden, vermeld in artikel 4.8.11, daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
Onder de onregelmatigheid in de bestreden beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan een onregelmatigheid die herstelbaar is zodat de bestreden beslissing niet langer onregelmatig is in de zin van artikel 4.8.2, tweede lid, en de beslissing gehandhaafd kan blijven.
§ 2. Het vergunningverlenende bestuursorgaan deelt de Raad binnen een door de Raad bepaalde termijn mee of het gebruikmaakt van de mogelijkheid om een onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen.
Als het vergunningverlenende bestuursorgaan overgaat tot herstel van de onregelmatigheid, deelt het de Raad schriftelijk en binnen de hersteltermijn, vermeld in paragraaf 1, mee op welke wijze de onregelmatigheid is hersteld.
Partijen kunnen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde vervaltermijnen schriftelijk hun zienswijze meedelen over de wijze waarop de onregelmatigheid is hersteld.
§ 3. De Raad deelt de partijen mee op welke wijze het beroep verder wordt behandeld na :
1° ontvangst van de mededeling van het vergunningverlenende bestuursorgaan dat deze geen gebruikmaakt van de hem geboden mogelijkheid, overeenkomstig paragraaf 2, eerste lid;
2° het ongebruikt verstrijken van de door de Raad bepaalde termijn, vermeld in paragraaf 2, eerste lid;
3° het ongebruikt verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2, tweede lid; of
4° ontvangst van de zienswijzen, overeenkomstig paragraaf 2, derde lid.
§ 4. De proceduretermijnen worden geschorst vanaf de datum van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, tot de datum van mededeling, vermeld in paragraaf 3.
§ 5. Na het advies van de Raad te hebben gevraagd, kan de Vlaamse Regering aanvullende maatregelen bepalen die voor de uitvoering van deze onderafdeling nodig zijn.
Onderafdeling 4. - Bemiddeling
Art. 4.8.5. § 1. Ter oplossing van een voor de Raad gebrachte betwisting kan de Raad op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met akkoord van de partijen met een tussenuitspraak een bemiddeling bevelen zolang het beroep niet in beraad is genomen.
§ 2. Bij inwilliging van het verzoek tot bemiddeling zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 1, aan de partijen en aan de bemiddelaar.
Als bemiddelaar kunnen door de Raad worden aangewezen : raadsleden, aanvullende raadsleden, griffiers, leden van het ondersteunend personeel of derden die door de partijen gezamenlijk worden voorgesteld.
De bemiddelaar dient te voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° hij heeft een grondige kennis van en nuttige ervaring in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening;
2° hij doet blijken van een voor de bemiddelingspraktijk passende vorming;
3° hij biedt de noodzakelijke waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige bemiddeling;
4° hij heeft geen strafrechtelijke veroordelingen of tuchtrechtelijke sancties opgelopen die onverenigbaar zijn met de uitoefening van de functie van bemiddelaar.
Tijdens de bemiddeling probeert de bemiddelaar een directe dialoog tot stand te brengen tussen de partijen en verleent hij ondersteuning voor een goed verloop van de dialoog. De bemiddeling verloopt volgens de volgende principes :
1° vrijwilligheid;
2° onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bemiddelaar;
3° vertrouwelijkheid.
De bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddelingspoging betrekken.
§ 3. Zo de bemiddeling tot een bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of één van hen de Raad verzoeken dat akkoord te bekrachtigen.
De Raad kan de bekrachtiging alleen weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde, regelgeving of stedenbouwkundige voorschriften.
Bij ontbreken van een bemiddelingsakkoord of als de Raad vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, wordt bij tussenarrest de voortzetting van de jurisdictionele procedure bevolen.
§ 4. Een verzoek tot bemiddeling schorst de proceduretermijnen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de Raad tot :
1° de datum van bekrachtiging van het bemiddelingsakkoord, vermeld in paragraaf 3, eerste lid;
2° de dag na de betekening van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 3, derde lid.
§ 5. Na het advies van de Raad te hebben gevraagd, bepaalt de Vlaamse Regering alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling die voor de uitvoering van deze onderafdeling nodig zijn, onder meer :
1° de vormvereisten waaraan een verzoek tot bemiddeling moet voldoen;
2° de mogelijkheid tot regularisatie van de vereisten, vermeld in punt 1° ;
3° termijnen van de bemiddeling.
Afdeling 3. - Procedure
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 4.8.6. De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.
Art. 4.8.7. § 1. De partijen kunnen een of meer raadsleden van de bevoegde kamer schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. De voorzitter of, zo deze wordt gewraakt, het oudste raadslid doet onmiddellijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt het gewraakte raadslid vervangen.
Het raadslid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.
§ 2. De redenen tot wraking zijn dezelfde als deze die worden vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 4.8.8. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van toezending en uitwisseling van de processtukken.
Alle processtukken worden aan de Raad per beveiligde zending toegezonden, op straffe van niet-ontvankelijkheid.
De Raad verricht alle betekeningen, kennisgevingen en oproepingen per beveiligde zending. Deze zendingen mogen echter bij gewone brief worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van de termijnen, vermeld in hoofdstuk VIII.
Art. 4.8.9. De Raad kan ambtshalve middelen inroepen die niet in het verzoekschrift worden aangevoerd, voor zover die middelen de openbare orde aanbelangen.
De kennelijke onredelijkheid of onzorgvuldigheid van de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening door de overheid wordt altijd geacht een middel uit te maken dat de openbare orde aanbelangt.
Art. 4.8.10. De verzoeker kan in elke stand van het geding uitdrukkelijk afstand van het beroep doen.
De Raad doet onmiddellijk uitspraak waarbij de afstand wordt vastgesteld.
Onderafdeling 2. - Aanhangigmaking
Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad kunnen door de volgende belanghebbenden worden ingesteld :
1° de aanvrager van de vergunning of van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
2° de bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorganen;
3° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing;
4° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten;
5° de leidend ambtenaar van het departement of, bij afwezigheid, diens gemachtigde voor vergunningen die afgegeven zijn binnen de reguliere procedure, behalve in de gevallen, vermeld in artikel 4.7.19, § 1, derde lid;
6° de leidend ambtenaar of, bij afwezigheid, diens gemachtigde van het departement of agentschap waartoe de adviserende instantie behoort, aangewezen krachtens artikel 4.7.16, § 1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.7.26, § 4, 2°, op voorwaarde dat die instantie tijdig advies heeft verstrekt of ten onrechte niet om advies werd verzocht.
De belanghebbende aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de deputatie, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad te wenden.
§ 2. De beroepen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt :
1° wat betreft vergunningsbeslissingen :
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen;
2° wat betreft valideringsbeslissingen :
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
3° wat betreft registratiebeslissingen :
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.
§ 3. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift.
De Vlaamse Regering bepaalt de vormvereisten waaraan het verzoekschrift moet beantwoorden. Zij bepaalt welke stukken bij het verzoekschrift gevoegd moeten worden.
Art. 4.8.12. De griffier schrijft elk inkomend verzoekschrift in in een register.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de registratie van het verzoekschrift en de voorwaarden waaronder het verzoekschrift dat niet voldoet aan de voorwaarden, door de Vlaamse Regering bepaald ter uitvoering van artikel 4.8.11, § 3, tweede lid, kan worden geregulariseerd.
De Vlaamse Regering bepaalt tevens de wijze waarop en de personen aan wie een afschrift van het verzoekschrift wordt verstuurd.
Art. 4.8.13. De verzoeker is een rolrecht verschuldigd. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, de vervaltermijn, de modaliteiten van betaling en de vrijstellingen. Indien het rolrecht niet tijdig is betaald, wordt het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Onderafdeling 3. - Vereenvoudigde behandeling
Art. 4.8.14. § 1. Na registratie van een verzoekschrift kan de voorzitter van de Raad of het door hem aangewezen raadslid ambtshalve onderzoeken of het beroep doelloos is, kennelijk niet-ontvankelijk is of dat de Raad kennelijk onbevoegd is.
De vaststellingen van de Raad worden door de griffier overgemaakt aan de verzoeker.
§ 2. De verzoeker beschikt over een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, om een verantwoordingsnota in te dienen. Die verantwoordingsnota is beperkt tot de in paragraaf 1 aangehaalde vaststellingen.
§ 3. De Raad kan beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad wordt genomen.
De Raad doet onmiddellijk uitspraak over de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep, zijn kennelijke onbevoegdheid of het doelloos zijn van het beroep.
Besluit de Raad niet dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, dan wordt de procedure overeenkomstig de navolgende artikelen voortgezet.
Onderafdeling 4. - Schorsing
Art. 4.8.15. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden op straffe van niet-ontvankelijkheid in een en hetzelfde verzoekschrift ingesteld.
Art. 4.8.16. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het geïnventariseerde administratief dossier en hun nota's indienen. Die termijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de partijen in kennis gesteld worden van de neerlegging van de geïnventariseerde administratieve dossiers en de nota's.
Art. 4.8.17. Wanneer de verzoeker noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
Art. 4.8.18. § 1. De schorsing wordt bevolen bij gemotiveerd arrest.
§ 2. De schorsing kan enkel worden bevolen als de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden.
Het arrest waarbij de schorsing is bevolen, kan worden gewijzigd of opgeheven op verzoek van de partijen.
Art. 4.8.19. Wanneer de Raad de bestreden beslissing geschorst heeft, moet de verweerder of tussenkomende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Indien geen verzoek tot voortzetting wordt ingediend, kan de Raad volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Vlaamse Regering de bestreden beslissing vernietigen.
Heeft de Raad de bestreden beslissing niet geschorst, dan moet de verzoeker een verzoek tot voortzetting indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Dient hij geen verzoek tot voortzetting in, dan geldt ten aanzien van hem een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding.
De termijn van vijftien dagen gaat in de dag na de betekening van het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over de schorsing.
Art. 4.8.20. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de behandeling van de vordering tot schorsing.
Onderafdeling 5. - Tussenkomst
Art. 4.8.21. § 1. Elk van de belanghebbenden, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.
De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend. Zij bepaalt de vervaltermijnen die niet korter mogen zijn dan twintig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt tevens de vormvereisten waaraan het verzoekschrift moet beantwoorden. Zij bepaalt welke stukken bij het verzoekschrift gevoegd moeten worden.
§ 2. De tussenkomende partij is een rolrecht verschuldigd. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, de vervaltermijn, de modaliteiten van betaling en de vrijstellingen. Is het rolrecht niet tijdig betaald, dan wordt het verzoekschrift tot tussenkomst niet-ontvankelijk verklaard.
§ 3. De Raad doet onmiddellijk uitspraak over de ontvankelijkheid van een verzoek tot tussenkomst.
De tussenkomende partij kan een schriftelijke uiteenzetting indienen binnen de vervaltermijn die de Vlaamse Regering bepaalt. Die termijn mag niet korter zijn dan vijftien dagen.
De tussenkomende partij kan aan haar schriftelijke uiteenzetting de geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen die zij nodig acht.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten, vermeld in paragraaf 1.
Indien het een tussenkomst betreft in de procedure van de vordering tot schorsing, dan kan de Vlaamse Regering termijnen bepalen die afwijken van de termijnen, vermeld in paragraaf 1 en 3.
Onderafdeling 6. - Vooronderzoek
Art. 4.8.22. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze het tegensprekelijk vooronderzoek wordt gevoerd. Zij bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het geïnventariseerde administratief dossier en hun nota's indienen. Die termijnen mogen niet korter zijn dan dertig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de partijen in kennis gesteld worden van de neerlegging van de geïnventariseerde administratieve dossiers en de nota's.
Art. 4.8.23. De Raad voert rechtstreeks briefwisseling met alle partijen en besturen die hij nodig acht.
De Raad kan alle documenten en inlichtingen omtrent de zaken waarover hij zich moet uitspreken, opvragen bij die partijen en besturen.
Onderafdeling 7. - Zitting
Art. 4.8.24. Na afloop van het vooronderzoek worden de partijen uitgenodigd om op een zitting van de Raad te verschijnen.
De Vlaamse Regering bepaalt de maatregelen betreffende de organisatie van de zitting, met inbegrip van de nadere regels over het horen van getuigen.
Art. 4.8.25. De partijen kunnen ter zitting geen bijkomende stukken overmaken aan de Raad.
Art. 4.8.26. De zittingen zijn openbaar behoudens indien de kamervoorzitter, al dan niet op verzoek van de partijen of een ervan, oordeelt dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid verzetten.
Het beroep wordt op tegenspraak behandeld. De partijen pleiten in elkaars aanwezigheid.
Art. 4.8.27. Met behoud van de toepassing van artikel 4.8.17 belet de afwezigheid van de partijen of een ervan bij regelmatige oproeping de geldigheid van de zitting niet.
Onderafdeling 8. - Beraadslaging en uitspraak
Art. 4.8.28. § 1. De Raad beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
De uitspraken van de Raad worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen die ingaat de dag na de zitting.
§ 2. De Raad legt in zijn uitspraak het geheel of een deel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt. De kosten bestaan uit het rolrecht, vermeld in artikel 4.8.13 en 4.8.21, en uit het getuigengeld.
Het getuigengeld wordt begroot en toegekend op grond van de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde regelen.
Indien toepassing wordt gemaakt van artikel 4.8.4 of artikel 4.8.5, dan kan de Raad, in afwijking van het eerste lid, de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van het vergunningverlenende bestuursorgaan leggen.
§ 3. De uitspraken van de Raad worden ondertekend door de kamervoorzitter en door de griffier.
De uitspraken van de Raad zijn openbaar.
Art. 4.8.29. De griffier zendt kosteloos een afschrift van de uitspraak aan de partijen en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is, binnen een ordetermijn van vijftien dagen na de dagtekening ervan.
Anderen dan de partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraken van de Raad verkrijgen. Voor een afschrift of uittreksel kan een vergoeding worden gevraagd, onder de voorwaarden als bepaald door de Vlaamse Regering.
Art. 4.8.30. De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De griffier brengt op de uitgifte, na het beschikkende gedeelte van het arrest, een uitvoeringsformulier aan.
De Vlaamse Regering bepaalt de formule daarvoor.
Art. 4.8.31. De Raad kan ambtshalve een geldboete opleggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.
De geldboete bedraagt minimum 125 euro en maximum 2500 euro, met dien verstande dat die bedragen door de Vlaamse Regering kunnen worden gewijzigd ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De opbrengst van de geldboete wordt gestort op rekening van het Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende het opleggen en de inning van een geldboete.
Art. 4.8.32. § 1. De arresten van de Raad zijn vatbaar voor opheffing, verbetering of herziening.
§ 2. De Raad kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, op verzoek van de partijen opheffen.
De opheffing is alleen mogelijk wanneer nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of wanneer de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van de Raad waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
§ 3. Indien een arrest een materiële vergissing bevat, kan de Raad uit eigen beweging of op verzoek van een van de betrokken partijen een verbeterend arrest uitspreken.
Een vergissing omtrent het recht of omtrent de feiten is nooit een materiële vergissing.
§ 4. Een beroep tot herziening kan worden ingesteld als sinds de uitspraak van het eindarrest over de vordering tot vernietiging doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of als het arrest werd uitgesproken op als vals erkende of vals verklaarde stukken.
Alleen degenen die bij het bestreden arrest partij waren, kunnen bij verzoekschrift een beroep tot herziening instellen.
Een beroep tot herziening schorst de uitvoering niet, tenzij de kamervoorzitter er bij beschikking anders over oordeelt.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van de Raad waarop het beroep tot herziening wordt behandeld.
Tegen een eindarrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging, kan eenzelfde partij slechts eenmaal een beroep tot herziening instellen. Tegen een arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over een beroep tot herziening, kan geen beroep tot herziening worden ingesteld.
§ 5. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing, verbetering of herziening van arresten van de Raad, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de in dit artikel vermelde zittingen.
Afdeling 4. - Samenstelling
Art. 4.8.33. De Raad bestaat uit raadsleden onder wie een voorzitter. De Raad wordt bijgestaan door griffiers en ondersteunend personeel. De Raad kan worden bijgestaan door aanvullende raadsleden, onder de voorwaarden bepaald in artikel 4.8.35 en 4.8.36.
Art. 4.8.34. § 1. De Vlaamse Regering benoemt de raadsleden voor het leven, onverminderd de mogelijkheid van ontslag, overeenkomstig artikel 4.8.37 en 4.8.38. Ambtshalve wordt een einde gesteld aan het ambt van de raadsleden op hun vijfenzestigste verjaardag. Op gemotiveerd verzoek kan de Vlaamse Regering een eenmalige verlenging van twee jaar toestaan.
Niemand kan tot raadslid worden benoemd tenzij hij :
1° houder is van een masterdiploma in de Rechten;
2° minstens zevenendertig jaar oud is op het ogenblik van de benoeming;
3° een grondige kennis heeft van en minstens tien jaar nuttige ervaring heeft in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening;
4° een grondige kennis heeft van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke aangelegenheden.
De Raad brengt op grond van de beoordeling van de kandidaten een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken. Bij de eerste samenstelling van de Raad gebeurt de beoordeling en de voordracht door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid of diens rechtsvoorganger.
De Vlaamse Regering bepaalt :
1° nadere regelen betreffende de oproep tot de kandidaat-raadsleden;
2° de selectiecriteria op basis waarvan de kandidaten worden vergeleken en de wegingsfactor;
3° nadere regelen betreffende de wijze van beoordeling.
De Vlaamse Regering benoemt de raadsleden op grond van de voordracht, vermeld in het derde lid.
De raadsleden nemen hun ambt op nadat zij in handen van de minister-president van de Vlaamse Regering de volgende eed hebben afgelegd : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen ".
§ 2. De raadsleden ontvangen de bezoldiging, de toelagen en de vergoedingen die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 3. Het ambt van raadslid wordt voltijds uitgeoefend.
Art. 4.8.35. § 1. Op uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht van de Raad kan de Vlaamse Regering tijdelijk aanvullende raadsleden bij de Raad aanstellen, zoals personen die in een ander administratief rechtscollege een gelijkaardige functie als raadslid uitoefenen.
Deze aanvullende raadsleden worden aangesteld met het oog op het vermijden of wegwerken van een achterstand, in welk geval zij alleen of samen met een raadslid zetelen in een aanvullende kamer in de zin van artikel 4.8.43, § 1, tweede lid.
§ 2. Niemand kan tot aanvullend raadslid worden aangesteld tenzij hij :
1° houder is van een masterdiploma in de Rechten;
2° een grondige kennis heeft van en een aanmerkelijke nuttige ervaring heeft in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening;
3° een grondige kennis heeft van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke aangelegenheden.
De Raad brengt op grond van de beoordeling van de kandidaten een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
De aanvullende raadsleden nemen hun mandaat op nadat zij in handen van de voorzitter van de Raad de eed, vermeld in artikel 4.8.34, § 1, zesde lid, hebben afgelegd.
De Vlaamse Regering kan het volgende bepalen :
1° nadere regelen betreffende de oproep tot de kandidaat-raadsleden;
2° de selectiecriteria op basis waarvan de kandidaten worden vergeleken en de wegingsfactor;
3° nadere regelen betreffende de wijze van beoordeling;
4° de duur van het mandaat.
Met uitzondering van de aanvullende raadsleden die in een ander Vlaams administratief rechtscollege een gelijkaardige functie als raadslid uitoefenen, ontvangen de aanvullende raadsleden ten laste van het Vlaamse Gewest een vergoeding waarvan het bedrag of de berekeningswijze wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering.
§ 3. De Raad evalueert jaarlijks de graad van inzetbaarheid van de aanvullende raadsleden in een aanvullende kamer.
Art. 4.8.36. § 1. Het ambt van raadslid is onverenigbaar met bezoldigde beroepsactiviteiten, functies of mandaten.
De Vlaamse Regering kan een uitdrukkelijke afwijking op dat verbod toestaan in zoverre het gaat om een van volgende gevallen :
1° een deeltijds lesgeverschap aan een instelling voor hoger onderwijs;
2° een tijdelijke machtiging om in een ander Vlaams administratief rechtscollege deeltijds het ambt van raadslid of bestuursrechter uit te oefenen, voor zover het betrokken raadslid beantwoordt aan de voorwaarden om in dat rechtscollege benoemd te worden. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels en voorwaarden.
De Vlaamse Regering kan op ieder moment de afwijking gemotiveerd opheffen.
§ 2. Het mandaat van aanvullend raadslid is onverenigbaar met een politiek mandaat, met een beroepsactiviteit die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het aanvullend raadslid in het gedrang brengt en met elke activiteit die leidt tot tegenstrijdige belangen.
Art. 4.8.37. De raadsleden en aanvullende raadsleden kunnen op ieder moment ontslag nemen. Zij blijven hun functie uitoefenen tot ze zijn vervangen.
Art. 4.8.38. § 1. De raadsleden en aanvullende raadsleden worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke en beschrijvende periodieke evaluatie die leidt tot een beoordeling 'goed' of 'onvoldoende'.
De periodieke evaluatie gebeurt door de voorzitter van de Raad en vindt plaats :
1° wat betreft de raadsleden : binnen drie maanden na het verstrijken van één jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt, en vervolgens na het verstrijken van de te beoordelen periode van drie jaar;
2° wat betreft de aanvullende raadsleden : binnen drie maanden na het verstrijken van de te beoordelen periode van een jaar.
In geval van een beoordeling 'onvoldoende' wordt het raadslid of aanvullend raadslid opnieuw geëvalueerd na verloop van één jaar.
Bij twee opeenvolgende beoordelingen 'onvoldoende' doet de Raad, de aanvullende raadsleden niet inbegrepen, uitspraak bij arrest over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid van het raadslid of het aanvullend raadslid.
De evaluatie geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het raadslid of aanvullend raadslid.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en nadere regels daartoe bepalen, na het advies van de Raad te hebben gevraagd.
§ 2. Tegen een raadslid of aanvullend raadslid dat zijn ambtsplichten verzuimt of door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt of mandaat, kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken :
1° waarschuwing;
2° blaam;
3° gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris;
4° schorsing;
5° ontslag van ambtswege;
6° afzetting.
De tuchtoverheid die bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen en een van de tuchtstraffen op te leggen, is :
1° de voorzitter ten aanzien van de andere raadsleden en aanvullende raadsleden;
2° het oudste raadslid ten aanzien van de voorzitter.
Tegen de beslissing waarbij de voorzitter, in voorkomend geval het oudste raadslid ten aanzien van de voorzitter, een tuchtstraf uitspreekt, staat beroep open bij de Raad, de aanvullende raadsleden niet inbegrepen, die zetelt als tuchtraad. Het raadslid aan wie in eerste aanleg een tuchtstraf is opgelegd, neemt niet deel aan de tuchtraad.
Het raadslid dat in eerste aanleg de tuchtstraf heeft uitgesproken, onthoudt zich van de beraadslaging en uitspraak in beroep.
De Vlaamse Regering kan nadere regels daartoe bepalen.
Art. 4.8.39. § 1. De Raad benoemt griffiers.
Niemand kan tot griffier worden benoemd tenzij hij :
1° houder is van een masterdiploma in de Rechten;
2° een nuttige juridische beroepservaring kan doen gelden.
§ 2. De Raad stelt de leden van zijn ondersteunend personeel aan. Hij kan die bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan de voorzitter overdragen.
Het reglement van orde bepaalt :
1° de selectiecriteria op basis waarvan de kandidaten worden vergeleken;
2° nadere regelen betreffende de wijze van beoordeling.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de werking en organisatie van de griffie, met inbegrip van de mogelijkheid om leden van het ondersteunend personeel tijdelijk de uitoefening van de taak van zittingsgriffier of het mandaat van griffier toe te vertrouwen.
Zolang de Vlaamse Regering de nadere regels, vermeld in het eerste lid, niet heeft bepaald, kan de voorzitter van de Raad bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van de griffiers aan een lid van het ondersteunend personeel tijdelijk het mandaat van griffier of zittingsgriffier toevertrouwen.
Art. 4.8.40. De geldelijke en administratieve rechtspositieregelingen die gelden in hoofde van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid zijn van overeenkomstige toepassing op de griffiers en de leden van het ondersteunend personeel. De Vlaamse Regering bepaalt de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
Afdeling 5. - Werkingsregelen
Art. 4.8.41. De Raad kiest uit zijn midden een voorzitter voor een hernieuwbaar mandaat van drie jaar. De aanvullende raadsleden nemen niet deel aan de stemming.
De voorzitter staat aan het hoofd van de Raad.
Hij staat in voor het opmaken en opvolgen van een beleidsplan.
Art. 4.8.42. De Raad neemt een reglement van orde aan, dat door de Vlaamse Regering bekrachtigd moet worden.
Het reglement van orde bepaalt de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de Raad en de wijze waarop beroepsdossiers aan de kamers worden toegewezen.
Het reglement van orde treedt in werking de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 4.8.43. § 1. Bij reglement van orde kan de Raad in kamers ingedeeld worden.
De voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen indien de werklast dat vereist.
De kamers houden zitting met één raadslid, bijgestaan door één griffier.
§ 2. De enkelvoudige kamer verwijst de zaak door naar een meervoudige kamer die zitting houdt met drie raadsleden als dat nodig wordt geacht om de eenheid van de rechtspraak te garanderen of als juridische moeilijkheden daartoe aanleiding geven.
Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Afdeling 6. - Diverse bepalingen
Art. 4.8.44. De kredieten die voor de werking van de Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van het departement.
Art. 4.8.45. De Vlaamse Regering kan alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie en de procedure vaststellen die voor de uitvoering van dit hoofdstuk nodig zijn.
Art. 4.8.46. Onder het gezag van de Raad voorziet de website van het departement in de publicatie van de uitspraken van de Raad en van een jaarlijks verslagboek. Het verslagboek bevat onder meer een overzicht van de stand van de zaken die hangende zijn.
Bij publicatie van een arrest van de Raad kan de identiteit van natuurlijke personen op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij het geding, worden weggelaten. Dat verzoek kan worden ingediend tot aan de sluiting van de debatten.
Art. 4.8.47. De Raad onderzoekt elk jaar in de loop van de maand september de stand van de zaken die hangende zijn en brengt daarover uiterlijk op 15 oktober verslag uit aan de Vlaamse Regering en aan de voorzitter van het Vlaams Parlement.
Art. 4.8.48. Het reglement van orde van de Raad bepaalt de rechten die verschuldigd zijn voor diensten verstrekt door de griffie van de Raad. ".
(NOTA : bij arrest nr 85/2013 van 13-06-2013 (B.St. 29-07-2013, p. 47523 in zoverre het artikel 4.8.13 van de Vlaamse Codex ruimtelijk ordening invoert), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
" HOOFDSTUK VIII. - Raad voor Vergunningsbetwistingen
Afdeling 1. - Oprichting
Art. 4.8.1. Er wordt een Raad voor Vergunningsbetwistingen opgericht, hierna de Raad te noemen.
De Vlaamse Regering bepaalt de zetel van de Raad.
Afdeling 2. - Bevoegdheid
Onderafdeling 1. - Vernietiging
Art. 4.8.2. De Raad doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van :
1° vergunningsbeslissingen, zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven of weigeren van een vergunning;
2° valideringsbeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen houdende de validering of de weigering tot validering van een as-builtattest;
3° registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als " vergund geacht " wordt opgenomen in het vergunningenregister of waarbij een dergelijke opname geweigerd wordt.
De Raad vernietigt de bestreden vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing wanneer die beslissing onregelmatig is. Een beslissing is onregelmatig wanneer zij in strijd is met regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of beginselen van behoorlijk bestuur.
Als de Raad een beslissing vernietigt, kan hij het bestuur dat de vernietigde beslissing nam, bevelen om een nieuwe beslissing te nemen binnen de termijn die hij bepaalt. De Raad kan daarbij :
1° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven aanwijzen die bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet kunnen worden betrokken;
2° specifieke rechtsregelen of rechtsbeginselen aanwijzen die bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing moeten worden betrokken;
3° de procedurele handelingen omschrijven die voorafgaand aan de nieuwe beslissing moeten worden gesteld.
Onderafdeling 2. - Schorsing
Art. 4.8.3. Wanneer een beslissing vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 4.8.2, kan de Raad de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3, onderafdeling 4.
Onderafdeling 3. - Bestuurlijke lus
Art. 4.8.4. § 1. Ter oplossing van een voor de Raad gebrachte betwisting kan de Raad het vergunningverlenende bestuursorgaan in elke stand van het geding met een tussenuitspraak de mogelijkheid bieden om binnen de termijn die de Raad bepaalt een onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen, tenzij belanghebbenden, vermeld in artikel 4.8.11, daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
Onder de onregelmatigheid in de bestreden beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan een onregelmatigheid die herstelbaar is zodat de bestreden beslissing niet langer onregelmatig is in de zin van artikel 4.8.2, tweede lid, en de beslissing gehandhaafd kan blijven.
§ 2. Het vergunningverlenende bestuursorgaan deelt de Raad binnen een door de Raad bepaalde termijn mee of het gebruikmaakt van de mogelijkheid om een onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen.
Als het vergunningverlenende bestuursorgaan overgaat tot herstel van de onregelmatigheid, deelt het de Raad schriftelijk en binnen de hersteltermijn, vermeld in paragraaf 1, mee op welke wijze de onregelmatigheid is hersteld.
Partijen kunnen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde vervaltermijnen schriftelijk hun zienswijze meedelen over de wijze waarop de onregelmatigheid is hersteld.
§ 3. De Raad deelt de partijen mee op welke wijze het beroep verder wordt behandeld na :
1° ontvangst van de mededeling van het vergunningverlenende bestuursorgaan dat deze geen gebruikmaakt van de hem geboden mogelijkheid, overeenkomstig paragraaf 2, eerste lid;
2° het ongebruikt verstrijken van de door de Raad bepaalde termijn, vermeld in paragraaf 2, eerste lid;
3° het ongebruikt verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2, tweede lid; of
4° ontvangst van de zienswijzen, overeenkomstig paragraaf 2, derde lid.
§ 4. De proceduretermijnen worden geschorst vanaf de datum van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, tot de datum van mededeling, vermeld in paragraaf 3.
§ 5. Na het advies van de Raad te hebben gevraagd, kan de Vlaamse Regering aanvullende maatregelen bepalen die voor de uitvoering van deze onderafdeling nodig zijn.
Onderafdeling 4. - Bemiddeling
Art. 4.8.5. § 1. Ter oplossing van een voor de Raad gebrachte betwisting kan de Raad op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met akkoord van de partijen met een tussenuitspraak een bemiddeling bevelen zolang het beroep niet in beraad is genomen.
§ 2. Bij inwilliging van het verzoek tot bemiddeling zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 1, aan de partijen en aan de bemiddelaar.
Als bemiddelaar kunnen door de Raad worden aangewezen : raadsleden, aanvullende raadsleden, griffiers, leden van het ondersteunend personeel of derden die door de partijen gezamenlijk worden voorgesteld.
De bemiddelaar dient te voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° hij heeft een grondige kennis van en nuttige ervaring in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening;
2° hij doet blijken van een voor de bemiddelingspraktijk passende vorming;
3° hij biedt de noodzakelijke waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige bemiddeling;
4° hij heeft geen strafrechtelijke veroordelingen of tuchtrechtelijke sancties opgelopen die onverenigbaar zijn met de uitoefening van de functie van bemiddelaar.
Tijdens de bemiddeling probeert de bemiddelaar een directe dialoog tot stand te brengen tussen de partijen en verleent hij ondersteuning voor een goed verloop van de dialoog. De bemiddeling verloopt volgens de volgende principes :
1° vrijwilligheid;
2° onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bemiddelaar;
3° vertrouwelijkheid.
De bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddelingspoging betrekken.
§ 3. Zo de bemiddeling tot een bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of één van hen de Raad verzoeken dat akkoord te bekrachtigen.
De Raad kan de bekrachtiging alleen weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde, regelgeving of stedenbouwkundige voorschriften.
Bij ontbreken van een bemiddelingsakkoord of als de Raad vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, wordt bij tussenarrest de voortzetting van de jurisdictionele procedure bevolen.
§ 4. Een verzoek tot bemiddeling schorst de proceduretermijnen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de Raad tot :
1° de datum van bekrachtiging van het bemiddelingsakkoord, vermeld in paragraaf 3, eerste lid;
2° de dag na de betekening van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 3, derde lid.
§ 5. Na het advies van de Raad te hebben gevraagd, bepaalt de Vlaamse Regering alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling die voor de uitvoering van deze onderafdeling nodig zijn, onder meer :
1° de vormvereisten waaraan een verzoek tot bemiddeling moet voldoen;
2° de mogelijkheid tot regularisatie van de vereisten, vermeld in punt 1° ;
3° termijnen van de bemiddeling.
Afdeling 3. - Procedure
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 4.8.6. De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.
Art. 4.8.7. § 1. De partijen kunnen een of meer raadsleden van de bevoegde kamer schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. De voorzitter of, zo deze wordt gewraakt, het oudste raadslid doet onmiddellijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt het gewraakte raadslid vervangen.
Het raadslid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.
§ 2. De redenen tot wraking zijn dezelfde als deze die worden vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 4.8.8. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van toezending en uitwisseling van de processtukken.
Alle processtukken worden aan de Raad per beveiligde zending toegezonden, op straffe van niet-ontvankelijkheid.
De Raad verricht alle betekeningen, kennisgevingen en oproepingen per beveiligde zending. Deze zendingen mogen echter bij gewone brief worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van de termijnen, vermeld in hoofdstuk VIII.
Art. 4.8.9. De Raad kan ambtshalve middelen inroepen die niet in het verzoekschrift worden aangevoerd, voor zover die middelen de openbare orde aanbelangen.
De kennelijke onredelijkheid of onzorgvuldigheid van de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening door de overheid wordt altijd geacht een middel uit te maken dat de openbare orde aanbelangt.
Art. 4.8.10. De verzoeker kan in elke stand van het geding uitdrukkelijk afstand van het beroep doen.
De Raad doet onmiddellijk uitspraak waarbij de afstand wordt vastgesteld.
Onderafdeling 2. - Aanhangigmaking
Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad kunnen door de volgende belanghebbenden worden ingesteld :
1° de aanvrager van de vergunning of van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
2° de bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorganen;
3° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing;
4° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten;
5° de leidend ambtenaar van het departement of, bij afwezigheid, diens gemachtigde voor vergunningen die afgegeven zijn binnen de reguliere procedure, behalve in de gevallen, vermeld in artikel 4.7.19, § 1, derde lid;
6° de leidend ambtenaar of, bij afwezigheid, diens gemachtigde van het departement of agentschap waartoe de adviserende instantie behoort, aangewezen krachtens artikel 4.7.16, § 1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.7.26, § 4, 2°, op voorwaarde dat die instantie tijdig advies heeft verstrekt of ten onrechte niet om advies werd verzocht.
De belanghebbende aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de deputatie, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad te wenden.
§ 2. De beroepen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt :
1° wat betreft vergunningsbeslissingen :
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen;
2° wat betreft valideringsbeslissingen :
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
3° wat betreft registratiebeslissingen :
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.
§ 3. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift.
De Vlaamse Regering bepaalt de vormvereisten waaraan het verzoekschrift moet beantwoorden. Zij bepaalt welke stukken bij het verzoekschrift gevoegd moeten worden.
Art. 4.8.12. De griffier schrijft elk inkomend verzoekschrift in in een register.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de registratie van het verzoekschrift en de voorwaarden waaronder het verzoekschrift dat niet voldoet aan de voorwaarden, door de Vlaamse Regering bepaald ter uitvoering van artikel 4.8.11, § 3, tweede lid, kan worden geregulariseerd.
De Vlaamse Regering bepaalt tevens de wijze waarop en de personen aan wie een afschrift van het verzoekschrift wordt verstuurd.
Art. 4.8.13. De verzoeker is een rolrecht verschuldigd. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, de vervaltermijn, de modaliteiten van betaling en de vrijstellingen. Indien het rolrecht niet tijdig is betaald, wordt het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Onderafdeling 3. - Vereenvoudigde behandeling
Art. 4.8.14. § 1. Na registratie van een verzoekschrift kan de voorzitter van de Raad of het door hem aangewezen raadslid ambtshalve onderzoeken of het beroep doelloos is, kennelijk niet-ontvankelijk is of dat de Raad kennelijk onbevoegd is.
De vaststellingen van de Raad worden door de griffier overgemaakt aan de verzoeker.
§ 2. De verzoeker beschikt over een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, om een verantwoordingsnota in te dienen. Die verantwoordingsnota is beperkt tot de in paragraaf 1 aangehaalde vaststellingen.
§ 3. De Raad kan beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad wordt genomen.
De Raad doet onmiddellijk uitspraak over de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep, zijn kennelijke onbevoegdheid of het doelloos zijn van het beroep.
Besluit de Raad niet dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, dan wordt de procedure overeenkomstig de navolgende artikelen voortgezet.
Onderafdeling 4. - Schorsing
Art. 4.8.15. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden op straffe van niet-ontvankelijkheid in een en hetzelfde verzoekschrift ingesteld.
Art. 4.8.16. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het geïnventariseerde administratief dossier en hun nota's indienen. Die termijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de partijen in kennis gesteld worden van de neerlegging van de geïnventariseerde administratieve dossiers en de nota's.
Art. 4.8.17. Wanneer de verzoeker noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
Art. 4.8.18. § 1. De schorsing wordt bevolen bij gemotiveerd arrest.
§ 2. De schorsing kan enkel worden bevolen als de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden.
Het arrest waarbij de schorsing is bevolen, kan worden gewijzigd of opgeheven op verzoek van de partijen.
Art. 4.8.19. Wanneer de Raad de bestreden beslissing geschorst heeft, moet de verweerder of tussenkomende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Indien geen verzoek tot voortzetting wordt ingediend, kan de Raad volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Vlaamse Regering de bestreden beslissing vernietigen.
Heeft de Raad de bestreden beslissing niet geschorst, dan moet de verzoeker een verzoek tot voortzetting indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Dient hij geen verzoek tot voortzetting in, dan geldt ten aanzien van hem een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding.
De termijn van vijftien dagen gaat in de dag na de betekening van het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over de schorsing.
Art. 4.8.20. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de behandeling van de vordering tot schorsing.
Onderafdeling 5. - Tussenkomst
Art. 4.8.21. § 1. Elk van de belanghebbenden, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.
De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend. Zij bepaalt de vervaltermijnen die niet korter mogen zijn dan twintig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt tevens de vormvereisten waaraan het verzoekschrift moet beantwoorden. Zij bepaalt welke stukken bij het verzoekschrift gevoegd moeten worden.
§ 2. De tussenkomende partij is een rolrecht verschuldigd. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, de vervaltermijn, de modaliteiten van betaling en de vrijstellingen. Is het rolrecht niet tijdig betaald, dan wordt het verzoekschrift tot tussenkomst niet-ontvankelijk verklaard.
§ 3. De Raad doet onmiddellijk uitspraak over de ontvankelijkheid van een verzoek tot tussenkomst.
De tussenkomende partij kan een schriftelijke uiteenzetting indienen binnen de vervaltermijn die de Vlaamse Regering bepaalt. Die termijn mag niet korter zijn dan vijftien dagen.
De tussenkomende partij kan aan haar schriftelijke uiteenzetting de geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen die zij nodig acht.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten, vermeld in paragraaf 1.
Indien het een tussenkomst betreft in de procedure van de vordering tot schorsing, dan kan de Vlaamse Regering termijnen bepalen die afwijken van de termijnen, vermeld in paragraaf 1 en 3.
Onderafdeling 6. - Vooronderzoek
Art. 4.8.22. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze het tegensprekelijk vooronderzoek wordt gevoerd. Zij bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het geïnventariseerde administratief dossier en hun nota's indienen. Die termijnen mogen niet korter zijn dan dertig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de partijen in kennis gesteld worden van de neerlegging van de geïnventariseerde administratieve dossiers en de nota's.
Art. 4.8.23. De Raad voert rechtstreeks briefwisseling met alle partijen en besturen die hij nodig acht.
De Raad kan alle documenten en inlichtingen omtrent de zaken waarover hij zich moet uitspreken, opvragen bij die partijen en besturen.
Onderafdeling 7. - Zitting
Art. 4.8.24. Na afloop van het vooronderzoek worden de partijen uitgenodigd om op een zitting van de Raad te verschijnen.
De Vlaamse Regering bepaalt de maatregelen betreffende de organisatie van de zitting, met inbegrip van de nadere regels over het horen van getuigen.
Art. 4.8.25. De partijen kunnen ter zitting geen bijkomende stukken overmaken aan de Raad.
Art. 4.8.26. De zittingen zijn openbaar behoudens indien de kamervoorzitter, al dan niet op verzoek van de partijen of een ervan, oordeelt dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid verzetten.
Het beroep wordt op tegenspraak behandeld. De partijen pleiten in elkaars aanwezigheid.
Art. 4.8.27. Met behoud van de toepassing van artikel 4.8.17 belet de afwezigheid van de partijen of een ervan bij regelmatige oproeping de geldigheid van de zitting niet.
Onderafdeling 8. - Beraadslaging en uitspraak
Art. 4.8.28. § 1. De Raad beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
De uitspraken van de Raad worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen die ingaat de dag na de zitting.
§ 2. De Raad legt in zijn uitspraak het geheel of een deel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt. De kosten bestaan uit het rolrecht, vermeld in artikel 4.8.13 en 4.8.21, en uit het getuigengeld.
Het getuigengeld wordt begroot en toegekend op grond van de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde regelen.
Indien toepassing wordt gemaakt van artikel 4.8.4 of artikel 4.8.5, dan kan de Raad, in afwijking van het eerste lid, de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van het vergunningverlenende bestuursorgaan leggen.
§ 3. De uitspraken van de Raad worden ondertekend door de kamervoorzitter en door de griffier.
De uitspraken van de Raad zijn openbaar.
Art. 4.8.29. De griffier zendt kosteloos een afschrift van de uitspraak aan de partijen en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is, binnen een ordetermijn van vijftien dagen na de dagtekening ervan.
Anderen dan de partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraken van de Raad verkrijgen. Voor een afschrift of uittreksel kan een vergoeding worden gevraagd, onder de voorwaarden als bepaald door de Vlaamse Regering.
Art. 4.8.30. De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De griffier brengt op de uitgifte, na het beschikkende gedeelte van het arrest, een uitvoeringsformulier aan.
De Vlaamse Regering bepaalt de formule daarvoor.
Art. 4.8.31. De Raad kan ambtshalve een geldboete opleggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.
De geldboete bedraagt minimum 125 euro en maximum 2500 euro, met dien verstande dat die bedragen door de Vlaamse Regering kunnen worden gewijzigd ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De opbrengst van de geldboete wordt gestort op rekening van het Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende het opleggen en de inning van een geldboete.
Art. 4.8.32. § 1. De arresten van de Raad zijn vatbaar voor opheffing, verbetering of herziening.
§ 2. De Raad kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, op verzoek van de partijen opheffen.
De opheffing is alleen mogelijk wanneer nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of wanneer de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van de Raad waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
§ 3. Indien een arrest een materiële vergissing bevat, kan de Raad uit eigen beweging of op verzoek van een van de betrokken partijen een verbeterend arrest uitspreken.
Een vergissing omtrent het recht of omtrent de feiten is nooit een materiële vergissing.
§ 4. Een beroep tot herziening kan worden ingesteld als sinds de uitspraak van het eindarrest over de vordering tot vernietiging doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of als het arrest werd uitgesproken op als vals erkende of vals verklaarde stukken.
Alleen degenen die bij het bestreden arrest partij waren, kunnen bij verzoekschrift een beroep tot herziening instellen.
Een beroep tot herziening schorst de uitvoering niet, tenzij de kamervoorzitter er bij beschikking anders over oordeelt.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van de Raad waarop het beroep tot herziening wordt behandeld.
Tegen een eindarrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging, kan eenzelfde partij slechts eenmaal een beroep tot herziening instellen. Tegen een arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over een beroep tot herziening, kan geen beroep tot herziening worden ingesteld.
§ 5. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing, verbetering of herziening van arresten van de Raad, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de in dit artikel vermelde zittingen.
Afdeling 4. - Samenstelling
Art. 4.8.33. De Raad bestaat uit raadsleden onder wie een voorzitter. De Raad wordt bijgestaan door griffiers en ondersteunend personeel. De Raad kan worden bijgestaan door aanvullende raadsleden, onder de voorwaarden bepaald in artikel 4.8.35 en 4.8.36.
Art. 4.8.34. § 1. De Vlaamse Regering benoemt de raadsleden voor het leven, onverminderd de mogelijkheid van ontslag, overeenkomstig artikel 4.8.37 en 4.8.38. Ambtshalve wordt een einde gesteld aan het ambt van de raadsleden op hun vijfenzestigste verjaardag. Op gemotiveerd verzoek kan de Vlaamse Regering een eenmalige verlenging van twee jaar toestaan.
Niemand kan tot raadslid worden benoemd tenzij hij :
1° houder is van een masterdiploma in de Rechten;
2° minstens zevenendertig jaar oud is op het ogenblik van de benoeming;
3° een grondige kennis heeft van en minstens tien jaar nuttige ervaring heeft in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening;
4° een grondige kennis heeft van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke aangelegenheden.
De Raad brengt op grond van de beoordeling van de kandidaten een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken. Bij de eerste samenstelling van de Raad gebeurt de beoordeling en de voordracht door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid of diens rechtsvoorganger.
De Vlaamse Regering bepaalt :
1° nadere regelen betreffende de oproep tot de kandidaat-raadsleden;
2° de selectiecriteria op basis waarvan de kandidaten worden vergeleken en de wegingsfactor;
3° nadere regelen betreffende de wijze van beoordeling.
De Vlaamse Regering benoemt de raadsleden op grond van de voordracht, vermeld in het derde lid.
De raadsleden nemen hun ambt op nadat zij in handen van de minister-president van de Vlaamse Regering de volgende eed hebben afgelegd : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen ".
§ 2. De raadsleden ontvangen de bezoldiging, de toelagen en de vergoedingen die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 3. Het ambt van raadslid wordt voltijds uitgeoefend.
Art. 4.8.35. § 1. Op uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht van de Raad kan de Vlaamse Regering tijdelijk aanvullende raadsleden bij de Raad aanstellen, zoals personen die in een ander administratief rechtscollege een gelijkaardige functie als raadslid uitoefenen.
Deze aanvullende raadsleden worden aangesteld met het oog op het vermijden of wegwerken van een achterstand, in welk geval zij alleen of samen met een raadslid zetelen in een aanvullende kamer in de zin van artikel 4.8.43, § 1, tweede lid.
§ 2. Niemand kan tot aanvullend raadslid worden aangesteld tenzij hij :
1° houder is van een masterdiploma in de Rechten;
2° een grondige kennis heeft van en een aanmerkelijke nuttige ervaring heeft in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening;
3° een grondige kennis heeft van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke aangelegenheden.
De Raad brengt op grond van de beoordeling van de kandidaten een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
De aanvullende raadsleden nemen hun mandaat op nadat zij in handen van de voorzitter van de Raad de eed, vermeld in artikel 4.8.34, § 1, zesde lid, hebben afgelegd.
De Vlaamse Regering kan het volgende bepalen :
1° nadere regelen betreffende de oproep tot de kandidaat-raadsleden;
2° de selectiecriteria op basis waarvan de kandidaten worden vergeleken en de wegingsfactor;
3° nadere regelen betreffende de wijze van beoordeling;
4° de duur van het mandaat.
Met uitzondering van de aanvullende raadsleden die in een ander Vlaams administratief rechtscollege een gelijkaardige functie als raadslid uitoefenen, ontvangen de aanvullende raadsleden ten laste van het Vlaamse Gewest een vergoeding waarvan het bedrag of de berekeningswijze wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering.
§ 3. De Raad evalueert jaarlijks de graad van inzetbaarheid van de aanvullende raadsleden in een aanvullende kamer.
Art. 4.8.36. § 1. Het ambt van raadslid is onverenigbaar met bezoldigde beroepsactiviteiten, functies of mandaten.
De Vlaamse Regering kan een uitdrukkelijke afwijking op dat verbod toestaan in zoverre het gaat om een van volgende gevallen :
1° een deeltijds lesgeverschap aan een instelling voor hoger onderwijs;
2° een tijdelijke machtiging om in een ander Vlaams administratief rechtscollege deeltijds het ambt van raadslid of bestuursrechter uit te oefenen, voor zover het betrokken raadslid beantwoordt aan de voorwaarden om in dat rechtscollege benoemd te worden. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels en voorwaarden.
De Vlaamse Regering kan op ieder moment de afwijking gemotiveerd opheffen.
§ 2. Het mandaat van aanvullend raadslid is onverenigbaar met een politiek mandaat, met een beroepsactiviteit die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het aanvullend raadslid in het gedrang brengt en met elke activiteit die leidt tot tegenstrijdige belangen.
Art. 4.8.37. De raadsleden en aanvullende raadsleden kunnen op ieder moment ontslag nemen. Zij blijven hun functie uitoefenen tot ze zijn vervangen.
Art. 4.8.38. § 1. De raadsleden en aanvullende raadsleden worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke en beschrijvende periodieke evaluatie die leidt tot een beoordeling 'goed' of 'onvoldoende'.
De periodieke evaluatie gebeurt door de voorzitter van de Raad en vindt plaats :
1° wat betreft de raadsleden : binnen drie maanden na het verstrijken van één jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt, en vervolgens na het verstrijken van de te beoordelen periode van drie jaar;
2° wat betreft de aanvullende raadsleden : binnen drie maanden na het verstrijken van de te beoordelen periode van een jaar.
In geval van een beoordeling 'onvoldoende' wordt het raadslid of aanvullend raadslid opnieuw geëvalueerd na verloop van één jaar.
Bij twee opeenvolgende beoordelingen 'onvoldoende' doet de Raad, de aanvullende raadsleden niet inbegrepen, uitspraak bij arrest over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid van het raadslid of het aanvullend raadslid.
De evaluatie geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het raadslid of aanvullend raadslid.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en nadere regels daartoe bepalen, na het advies van de Raad te hebben gevraagd.
§ 2. Tegen een raadslid of aanvullend raadslid dat zijn ambtsplichten verzuimt of door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt of mandaat, kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken :
1° waarschuwing;
2° blaam;
3° gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris;
4° schorsing;
5° ontslag van ambtswege;
6° afzetting.
De tuchtoverheid die bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen en een van de tuchtstraffen op te leggen, is :
1° de voorzitter ten aanzien van de andere raadsleden en aanvullende raadsleden;
2° het oudste raadslid ten aanzien van de voorzitter.
Tegen de beslissing waarbij de voorzitter, in voorkomend geval het oudste raadslid ten aanzien van de voorzitter, een tuchtstraf uitspreekt, staat beroep open bij de Raad, de aanvullende raadsleden niet inbegrepen, die zetelt als tuchtraad. Het raadslid aan wie in eerste aanleg een tuchtstraf is opgelegd, neemt niet deel aan de tuchtraad.
Het raadslid dat in eerste aanleg de tuchtstraf heeft uitgesproken, onthoudt zich van de beraadslaging en uitspraak in beroep.
De Vlaamse Regering kan nadere regels daartoe bepalen.
Art. 4.8.39. § 1. De Raad benoemt griffiers.
Niemand kan tot griffier worden benoemd tenzij hij :
1° houder is van een masterdiploma in de Rechten;
2° een nuttige juridische beroepservaring kan doen gelden.
§ 2. De Raad stelt de leden van zijn ondersteunend personeel aan. Hij kan die bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan de voorzitter overdragen.
Het reglement van orde bepaalt :
1° de selectiecriteria op basis waarvan de kandidaten worden vergeleken;
2° nadere regelen betreffende de wijze van beoordeling.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de werking en organisatie van de griffie, met inbegrip van de mogelijkheid om leden van het ondersteunend personeel tijdelijk de uitoefening van de taak van zittingsgriffier of het mandaat van griffier toe te vertrouwen.
Zolang de Vlaamse Regering de nadere regels, vermeld in het eerste lid, niet heeft bepaald, kan de voorzitter van de Raad bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van de griffiers aan een lid van het ondersteunend personeel tijdelijk het mandaat van griffier of zittingsgriffier toevertrouwen.
Art. 4.8.40. De geldelijke en administratieve rechtspositieregelingen die gelden in hoofde van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid zijn van overeenkomstige toepassing op de griffiers en de leden van het ondersteunend personeel. De Vlaamse Regering bepaalt de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
Afdeling 5. - Werkingsregelen
Art. 4.8.41. De Raad kiest uit zijn midden een voorzitter voor een hernieuwbaar mandaat van drie jaar. De aanvullende raadsleden nemen niet deel aan de stemming.
De voorzitter staat aan het hoofd van de Raad.
Hij staat in voor het opmaken en opvolgen van een beleidsplan.
Art. 4.8.42. De Raad neemt een reglement van orde aan, dat door de Vlaamse Regering bekrachtigd moet worden.
Het reglement van orde bepaalt de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de Raad en de wijze waarop beroepsdossiers aan de kamers worden toegewezen.
Het reglement van orde treedt in werking de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 4.8.43. § 1. Bij reglement van orde kan de Raad in kamers ingedeeld worden.
De voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen indien de werklast dat vereist.
De kamers houden zitting met één raadslid, bijgestaan door één griffier.
§ 2. De enkelvoudige kamer verwijst de zaak door naar een meervoudige kamer die zitting houdt met drie raadsleden als dat nodig wordt geacht om de eenheid van de rechtspraak te garanderen of als juridische moeilijkheden daartoe aanleiding geven.
Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Afdeling 6. - Diverse bepalingen
Art. 4.8.44. De kredieten die voor de werking van de Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van het departement.
Art. 4.8.45. De Vlaamse Regering kan alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie en de procedure vaststellen die voor de uitvoering van dit hoofdstuk nodig zijn.
Art. 4.8.46. Onder het gezag van de Raad voorziet de website van het departement in de publicatie van de uitspraken van de Raad en van een jaarlijks verslagboek. Het verslagboek bevat onder meer een overzicht van de stand van de zaken die hangende zijn.
Bij publicatie van een arrest van de Raad kan de identiteit van natuurlijke personen op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij het geding, worden weggelaten. Dat verzoek kan worden ingediend tot aan de sluiting van de debatten.
Art. 4.8.47. De Raad onderzoekt elk jaar in de loop van de maand september de stand van de zaken die hangende zijn en brengt daarover uiterlijk op 15 oktober verslag uit aan de Vlaamse Regering en aan de voorzitter van het Vlaams Parlement.
Art. 4.8.48. Het reglement van orde van de Raad bepaalt de rechten die verschuldigd zijn voor diensten verstrekt door de griffie van de Raad. ".
(NOTA : bij arrest nr 85/2013 van 13-06-2013 (B.St. 29-07-2013, p. 47523 in zoverre het artikel 4.8.13 van de Vlaamse Codex ruimtelijk ordening invoert), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
Art. 5. Dans le titre IV du même Code, le chapitre VIII comprenant les articles 4.8.1 à 4.8.31 inclus est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE VIII. - Conseil pour les Contestations des Autorisations
Section 1re. - Création
Art. 4.8.1. Il est créé un " Conseil pour les Contestations des Autorisations ", dénommé ci-après le Conseil.
Le Gouvernement flamand fixe le siège du Conseil.
Section 2. - Compétence
Sous-section 1re. - Annulation
Art. 4.8.2. Le Conseil, en tant que juridiction administrative, se prononce, sous forme d'arrêts, sur les recours introduits d'annulation de :
1° décisions d'autorisation, à savoir des décisions administratives explicites ou tacites, prises en dernière instance administrative, concernant l'octroi ou le refus d'une autorisation;
2° décisions de validation, à savoir des décisions administratives concernant la validation ou le refus de validation d'une attestation as-built;
3° décisions d'enregistrement, à savoir des décisions administratives où une construction est reprise comme " supposée être autorisée " au registre des permis ou où une telle reprise est refusée.
Le Conseil annule la décision d'autorisation, de validation ou d'enregistrement contestée lorsque cette décision est irrégulière. Une décision est irrégulière lorsqu'elle est contraire à la réglementation, aux prescriptions urbanistiques ou aux principes de bonne gouvernance.
Lorsque le conseil annule une décision, il peut ordonner à l'administration qui a pris la décision annulée de prendre une nouvelle décisions dans le délai fixé par lui. Dans ce contexte, le Conseil peut :
1° indiquer certains motifs irréguliers ou des motifs déraisonnables ne pouvant être invoqués lors de la formation de la nouvelle décision;
2° indiquer des règles de droit spécifiques ou des principes de droit qui doivent être invoqués lors de la formation de la nouvelle décision;
3° décrire les actes relatives à la procédure qui doivent être effectués préalablement à la nouvelle décision.
Sous-section 2. - Suspension
Art. 4.8.3. Lorsqu'une décision est susceptible d'annulation sur la base de l'article 4.8.2, le Conseil peut ordonner la suspension de son exécution, conformément aux dispositions de la section 3, sous-section 4.
Sous-section 3. - Boucle administrative
Art. 4.8.4. § 1er. Concernant la résolution d'une contestation portée devant le Conseil, le Conseil peut, par le biais d'un interlocutoire, offrir dans tout état de litige la possibilité à l'organe administratif accordant l'autorisation de réparer ou de faire réparer la décision contestée dans le délai que fixe le Conseil, à moins qu'il ne puisse être porté préjudice de façon disproportionnée à des intéressés, visés à l'article 4.8.11.
On entend par irrégularité dans la décision contestée, visée à l'alinéa premier, une irrégularité réparable de sorte que la décision contestée ne soit plus irrégulière au sens de l'article 4.8.2, alinéa deux, et de sorte que la décision puisse être maintenue.
§ 2. Dans un délai fixé par le Conseil, l'organe administratif accordant l'autorisation communique au Conseil s'il fait usage de la possibilité de réparer ou de faire réparer une irrégularité dans la décision contestée.
Lorsque l'organe administratif accordant l'autorisation procède à la réparation de l'irrégularité, il communique au Conseil, par écrit et dans le délai de réparation, visé au paragraphe 1er, de quelle manière l'irrégularité est réparée.
Dans les échéances fixées par le Gouvernement flamand, des parties peuvent communiquer leur point de vue, par écrit, concernant la manière dont l'irrégularité a été réparée.
§ 3. Le Conseil communique aux parties de quelle manière le recours sera traité ultérieurement après :
1° la réception de la communication de l'organe administratif accordant l'autorisation qu'il ne fera pas usage de la possibilité qui lui est offerte, conformément au paragraphe 2, alinéa premier;
2° l'expiration inutilisée du délai fixé par le Conseil, visé au paragraphe 2, alinéa premier;
3° l'expiration inutilisée du délai visé au paragraphe 2, alinéa deux; ou
4° la réception des points de vue, conformément au paragraphe 2, alinéa trois.
§ 4. Les délais de procédure sont suspendus à partir de la date de l'interlocutoire, visé au paragraphe 1er, alinéa premier, jusqu'à la date de la communication, visée au paragraphe 3.
§ 5. Après avoir demandé l'avis du Conseil, le Gouvernement flamand peut fixer des mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la présente sous-section.
Sous-section 4. - Médiation
Art. 4.8.5. § 1er. Concernant la résolution d'une contestation portée devant le Conseil, le Conseil peut, sur la demande conjointe des parties ou à sa propre initiative mais moyennant l'accord des parties, ordonner une médiation par le biais d'un interlocutoire tant que le recours n'a pas été mis en délibéré.
§ 2. En cas d'acceptation de la demande de médiation, le greffier envoie immédiatement une copie de l'interlocutoire, visé au paragraphe 1er, aux parties ainsi qu'au médiateur.
Peuvent être désignés médiateur par le Conseil : conseillers, conseillers supplémentaires, greffiers, membres du personnel d'appui ou des tiers proposés conjointement par les parties.
Le médiateur doit répondre aux conditions suivantes :
1° il possède une connaissance approfondie et de l'expérience utile du domaine du droit flamand relatif à l'aménagement du territoire;
2° il fait preuve d'une formation appropriée pour la pratique de la médiation;
3° il offre les garanties nécessaires pour une médiation indépendante et impartiale;
4° il n'a pas encouru de condamnations pénales ou de sanctions disciplinaires qui sont incompatibles avec l'exercice de la fonction de médiateur.
Lors de la médiation, le médiateur tente d'établir un dialogue direct entre les parties et il fournit du soutien pour un bon déroulement du dialogue. La médiation se déroule selon les principes suivants :
1° volontariat;
2° indépendance et impartialité du médiateur;
3° confidentialité.
Le médiateur peut également associer des tiers à la tentative de médiation.
§ 3. Si la médiation aboutit à un accord de médiation, les parties peuvent ou un d'entre eux peut demander au Conseil de valider cet accord.
Le Conseil peut uniquement refuser la validation lorsque l'accord est contraire à l'ordre public, la réglementation ou les prescriptions urbanistiques.
A défaut d'un accord de médiation ou lorsque le conseil constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou ne sont plus remplies, la continuation de la procédure juridictionnelle sera ordonnée par le biais d'un interlocutoire.
§ 4. Une demande de médiation suspend les délais de procédure à partir de la date de réception de la demande par le Conseil jusqu'à :
1° la date de validation de l'accord de médiation, visé au paragraphe 3, alinéa premier;
2° le jour suivant la notification de l'interlocutoire, visé au paragraphe 3, alinéa trois;
§ 5. Après avoir demandé l'avis du Conseil, le Gouvernement flamand fixe toutes les mesures complémentaires concernant l'organisation de la médiation nécessaires à l'exécution de la présente sous-section, entre autres :
1° les conditions de forme auxquelles doit répondre une demande de médiation;
2° la possibilité de régularisation des conditions, visées au point 1° ;
3° des délais de médiation.
Section 3. - Procédure
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 4.8.6. Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil. Le Gouvernement flamand fixe les modalités à ce sujet.
Art. 4.8.7. § 1er. Les parties peuvent récuser un ou plusieurs conseillers de la chambre compétente, par écrit et de manière motivée, avant l'ouverture de la séance, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue que plus tard. Le président ou, s'il est récusé, le conseiller le plus âgé, se prononce immédiatement sur la demande de récusation. Lorsque la demande est acceptée, le conseiller récusé est remplacé.
Le conseiller qui sait qu'il existe un motif de récusation contre sa personne, s'abstient de l'affaire et se fait remplacer.
§ 2. Les motifs de récusation sont les mêmes que visés aux articles 828 et 830 du Code judiciaire.
Art. 4.8.8. Le Gouvernement flamand détermine le mode d'envoi et d'échange des pièces relatives au procès.
Toutes les pièces relatives au procès sont envoyées au Conseil par envoi sécurisé, sous peine d'irrecevabilité.
Le Conseil effectue toutes les notifications, communications et convocations par envoi sécurisé. Cependant, ces envois peuvent être effectués par courrier ordinaire lorsque sa réception ne fait pas produire les effets d'un délai.
Le Gouvernement flamand fixe le mode de calcul des délais, visés au chapitre VIII.
Art. 4.8.9. Le Conseil peut invoquer des moyens d'office qui ne sont pas invoqués dans la requête, dans la mesure où ces moyens concernent l'ordre public.
L'absence manifeste de justification ou négligence de la conformité au bon aménagement du territoire par les autorités est toujours censé être un moyen concernant l'ordre public.
Art. 4.8.10. Dans tout état de litige, le demandeur peut renoncer expressément au recours.
Le Conseil se prononce immédiatement, où la renonciation est constatée.
Sous-section 2. - Introduction du recours
Art. 4.8.11. § 1er. Les recours auprès du Conseil peuvent être introduits par les intéressés suivants :
1° le demandeur de l'autorisation ou de l'attestation as-built, respectivement la personne disposant de droits réels ou personnels à l'égard d'une construction qui fait l'objet d'une décision d'enregistrement, ou qui utilise cette construction de fait;
2° les organes administratifs accordant l'autorisation associés au dossier;
3° toute personne physique ou morale à qui la décision d'autorisation, de validation ou d'enregistrement peut causer, directement ou indirectement, des désagréments ou des inconvénients;
4° des associations dotées d'une compétence procédurale qui agissent au nom d'un groupe dont les intérêts collectifs sont menacés ou lésés par la décision d'autorisation, de validation ou d'enregistrement, pour autant qu'elles disposent d'un fonctionnement durable et effectif conformément aux statuts;
5° le fonctionnaire dirigeant du département ou, en son absence, son mandataire pour des autorisations délivrées selon la procédure régulière, sauf dans les cas visés à l'article 4.7.19, § 1er, alinéa trois;
6° le fonctionnaire dirigeant ou, en son absence, son mandataire du département ou de l'agence dont relève l'instance consultative, désignée en vertu de l'article 4.7.16, § 1er, alinéa premier, respectivement l'article 4.7.26, § 4, 2°, à condition que cette instance ait émis son avis à temps ou que son avis n'ait, à tort, pas été sollicité.
L'intéressé à qui il peut être reproché qu'il n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour lui par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de la députation est censé avoir renoncé au droit de s'adresser au Conseil.
§ 2. Les recours sont introduits dans une échéance de quarante-cinq jours, qui prend cours comme suit :
1° en ce qui concerne les décisions d'autorisation :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise;
b) soit le jour suivant la date de début d'affichage, dans tous les autres cas;
2° en ce qui concerne les décisions de validation :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise;
b) soit le jour suivant la reprise au registre des permis, dans tous les autres cas;
3° en ce qui concerne les décisions d'enregistrement :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise;
b) soit le jour suivant la reprise de la construction au registre des permis, dans tous les autres cas;
§ 3. Les recours sont introduits par voie de requête.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions de forme auxquelles doit répondre la requête. Il fixe quelles pièces doivent être jointes à la requête.
Art. 4.8.12. Le greffier inscrit chaque requête introduit dans un registre.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'enregistrement de la requête et les conditions auxquelles la requête qui ne répond pas aux conditions, fixées par le Gouvernement flamand en exécution de l'article l 4.8.11, § 3, alinéa deux, peut être régularisée.
Le Gouvernement flamand fixe également la manière dont et les personnes à qui une copie de la requête est envoyée.
Art. 4.8.13. Le demandeur doit payer un droit de mise au rôle. Le Gouvernement flamand fixe le montant, l'échéance, les modalités de paiement et les exonérations. Lorsque le droit de mise au rôle n'est pas payé à temps, la requête est déclarée irrecevable.
Sous-section 3. - Traitement simplifié
Art. 4.8.14. § 1er. Après l'enregistrement d'une requête, le président du Conseil ou le conseiller désigné par lui peut examiner d'office si le recours est inutile, manifestement irrecevable ou que le Conseil est manifestement incompétent.
Le greffier transmet les constatations du Conseil au demandeur.
§ 2. Le demandeur dispose d'une échéance de quinze jours qui prend cours le jour suivant la notification, visée au paragraphe 1er, alinéa deux, pour introduire une note de justification. Cette note de justification est limitée aux constatations citées au paragraphe 1er.
§ 3. Le Conseil peut décider que l'affaire est prise en considération sans procédure ultérieure.
Le Conseil se prononce immédiatement sur l'irrecevabilité manifeste du recours, sur son incompétence manifeste ou sur l'inutilité du recours.
Lorsque le Conseil ne décide pas que le recours est manifestement irrecevable ou inutile ou qu'il est manifestement incompétent, la procédure est poursuivie, conformément aux articles suivants.
Sous-section 4. - Suspension
Art. 4.8.15. La demande de suspension et le recours d'annulation sont introduits dans une seule et même requête, sous peine d'irrecevabilité.
Art. 4.8.16. Le Gouvernement flamand fixe les échéances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif inventorié et leurs notes. Ces délais ne peuvent être inférieurs à quinze jours.
Le Gouvernement flamand fixe la manière dont les parties sont informés de l'introduction des dossiers administratifs inventoriés et des notes.
Art. 4.8.17. Lorsque le demandeur ne se présente pas ou n'est pas représenté lors de la séance, la demande de suspension est rejetée.
Art. 4.8.18. § 1er. La suspension est ordonnée par arrêt motivé.
§ 2. La suspension peut uniquement être ordonnée lorsque l'exécution immédiate de cette décision peut causer un grave inconvénient difficilement réparable et lorsque des moyens sérieux sont invoqués pouvant justifier l'annulation de la décision contestée.
L'arrêt par lequel la suspension est ordonnée, peut être modifié ou abrogé sur la demande des parties.
Art. 4.8.19. Lorsque le conseil a suspendu la décision contestée, le défendeur ou la partie intervenante doit introduire une demande de continuation de la procédure dans une échéance de quinze jours. Lorsqu'aucune demande de continuation n'est introduite, le conseil peut annuler la décision contestée, conformément à une procédure accélérée fixée par le Gouvernement flamand.
Lorsque le Conseil n'a pas suspendu la décision contestée, le demandeur doit introduire une demande de dans une échéance de quinze jours. Lorsqu'il n'introduit pas de demande de continuation, il s'applique à son égard une présomption irréfragable de renonciation au recours.
Le délai de quinze jours prend cours le jours suivant la notification de l'arrêt se prononçant sur la suspension.
Art. 4.8.20. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant le traitement de la demande de suspension.
Sous-section 5. - Intervention
Art. 4.8.21. § 1er. Chacun des intéressés, visés à l'article 4.8.11, § 1er, alinéa premier, peut intervenir dans l'affaire.
Le Gouvernement flamand fixe de quelle manière il faut introduire une demande d'intervention. Il fixe les échéances qui ne peuvent être inférieurs à vingt jours.
Le Gouvernement flamand fixe également les conditions de forme auxquelles doit répondre la requête. Il fixe quelles pièces doivent être jointes à la requête.
§ 2. La partie intervenante doit payer un droit de mise au rôle. Le Gouvernement flamand fixe le montant, l'échéance, les modalités de paiement et les exonérations. Lorsque le droit de mise au rôle n'est pas payé à temps, la requête d'intervention est déclarée irrecevable.
§ 3. Le Conseil se prononce immédiatement sur la recevabilité d'une requête d'intervention.
La partie intervenante peut introduire un exposé écrit dans l'échéance fixé par le Gouvernement flamand. Ce délai ne peut être inférieur à quinze jours.
La partie intervenante peut joindre les pièces de conviction inventoriées qu'elle estime utiles à son exposé écrit.
§ 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'intervention et la possibilité de régularisation des conditions de forme, visées au paragraphe 1er.
Lorsqu'il s'agit d'une intervention dans la procédure de demande de suspension, le Gouvernement flamand peut fixer des délais dérogatoires aux délais, visés aux paragraphes 1 et 3.
Sous-section 6. - Enquête préliminaire
Art. 4.8.22. Le Gouvernement flamand fixe de quelle manière est menée l'enquête préliminaire contradictoire. Il fixe les échéances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif inventorié et leurs notes. Ces délais ne peuvent être inférieurs à trente jours.
Le Gouvernement flamand fixe la manière dont les parties sont informés de l'introduction des dossiers administratifs inventoriés et des notes.
Art. 4.8.23. Le Conseil correspond directement avec toutes les parties et administrations qu'il estime nécessaires.
Le Conseil peut demander tous les documents et toutes les informations concernant les affaires dont il doit se prononcer à ces parties et administrations.
Sous-section 7. - Séance
Art. 4.8.24. A l'issue de l'enquête préliminaire, les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance du Conseil.
Le Gouvernement flamand fixe les mesures concernant l'organisation de la séance, y compris les modalités concernant l'audience des témoins.
Art. 4.8.25. Les parties ne peuvent transmettre de pièces supplémentaires au Conseil au cours de la séance.
Art. 4.8.26. Les séances sont publiques, à moins que le président de la chambre, sur la demande des parties ou d'une des parties ou non, juge qu'il y a de sérieux motifs pour s'opposer à la publicité.
Le recours est traité contradictoirement. Les parties plaident en présence l'une de l'autre.
Art. 4.8.27. Sans préjudice de l'application de l'article 4.8.17, l'absence des parties ou d'une des parties en cas de convocation régulière ne fait pas obstacle à la validité de la séance.
Sous-section 8. - Délibération et jugement
Art. 4.8.28. § 1er. Le Conseil délibère et statue sur ses prononcés à huis clos.
Les prononcés du Conseil sont émis dans un délai d'ordre de soixante jours qui prend cours le jour suivant la séance.
§ 2. Dans sa décision, le Conseil porte l'ensemble ou une partie des frais à charge de la partie qui a succombé sur le fond. Les frais se composent du droit de mise au rôle, visé aux articles 4.8.13 et 4.8.21, et des indemnités des témoins.
Les indemnités des témoins sont estimées et attribuées sur la base des règles fixées à cet effet par le Gouvernement flamand.
Lorsque l'article 4.8.4 ou 4.8.5 s'applique, le Conseil peut, en dérogation à l'alinéa premier, porter l'ensemble ou une partie des frais à charge de l'organe administratif accordant l'autorisation.
§ 3. Les prononcés du Conseil sont signés par le président de la chambre et par le greffier.
Les prononcés du Conseil sont publics.
Art. 4.8.29. Le greffier envoie une copie du prononcé aux parties ainsi qu'au collège des bourgmestre et échevins de la commune où se situe le bien immobilier concerné, gratuitement et dans un délai d'ordre de quinze jours après sa signature.
Des personnes autres que les parties peuvent obtenir des copies ou des extraits des prononcés du Conseil. Une indemnité peut être demandée pour une copie ou un extrait, aux conditions fixées par le gouvernement flamand.
Art. 4.8.30. Les arrêts sont exécutoires de plein droit. Le greffier applique un formulaire d'exécution à la publication, suivant le dispositif de l'arrêt.
Le Gouvernement flamand fixe la formule à ce sujet.
Art. 4.8.31. Le Conseil peut imposer une amende d'office pour cause de recours manifestement illégitime.
L'amende s'élève à 125 euros au minimum et à 2.500 euros au maximum, étant entendu que ces montant peuvent être modifiés par le Gouvernement flamand suite à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. Le produit de l'amende est versé sur le compte du Fonds foncier, visé à l'article 5.6.3.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'imposition et la perception d'une amende.
Art. 4.8.32. § 1er. Les arrêts du Conseil sont susceptibles d'abrogation, d'amélioration ou de révision.
§ 2. A la demande des parties, le Conseil peut abroger les arrêts par lesquels est ordonnée la suspension.
L'abrogation est uniquement possible lorsque de nouveaux faits, soit de droit, soit de fait, se présentent ou lorsque les circonstances ont tellement changées que la suspension n'est plus justifiée.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance du Conseil où la demande d'abrogation est traitée.
§ 3. Lorsqu'un arrêt comporte une erreur matérielle, le Conseil peut prononcer un arrêt amélioré à sa propre initiative ou à la demande des parties.
Une erreur concernant le droit ou concernant les faits ne constitue jamais une erreur matérielle.
§ 4. Un recours de révision peut être introduit lorsque, depuis le prononcé de l'arrêt final concernant la demande d'annulation, des pièces décisives ont été retrouvées qui avaient été retenues par le biais de la partie adverse ou lorsque l'arrêt a été prononcé sur la base de pièces reconnues fausses ou déclarées fausses.
Seulement ceux qui étaient concernés comme partie lors de l'arrêt contesté, peuvent introduire un recours de révision par voie de requête.
Un recours de révision ne suspend pas l'exécution, à moins que le président de la chambre en décide autrement par disposition.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance du Conseil où le recours de révision est traité.
La même partie ne peut introduire qu'une seule fois un recours de révision contre un arrêt final se prononçant sur la demande d'annulation. Aucun recours de révision ne peut être introduit contre un arrêt se prononçant sur un recours de révision.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités pour l'application du régime de la procédure pour l'abrogation, l'amélioration ou la révision d'arrêts du Conseil, y compris fixer des délais et l'organisation des séances visées au présent article.
Section 4. - Composition
Art. 4.8.33. Le Conseil se compose de conseillers, dont un président. Le Conseil est assisté par des greffiers et du personnel d'appui. Le Conseil peut être assisté par des conseillers complémentaires, aux conditions fixées aux articles 4.8.35 et 4.8.36.
Art. 4.8.34. § 1er. Le Gouvernement flamand nomme les conseillers à vie, sans préjudice de la possibilité de licenciement, conformément aux articles 4.8.37 et 4.8.38. La fonction des conseillers expire d'office le jour de leur soixante-cinquième anniversaire. Sur demande motivée, le Gouvernement flamand peut accorder une prolongation unique de deux ans.
Personne ne peut être nommé conseiller à moins qu'il ne :
1° soit titulaire d'une diplôme de Master en droit;
2° ait au moins trente-sept ans au moment de la nomination;
3° possède une connaissance approfondie et au moins dix ans d'expérience utile du domaine du droit flamand relatif à l'aménagement du territoire;
4° possède une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans des affaires administratives.
Sur la base de l'évaluation des candidats, le Conseil émet une proposition expressément motivée au Gouvernement flamand, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé les prétentions et mérites respectifs des candidats. Lors de la première composition du Conseil, l'évaluation et la proposition se fait par le Conseil supérieur de la Politique du Maintien ou son prédécesseur en droit.
Le Gouvernement flamand fixe :
1° des modalités concernant l'appel aux conseillers candidat;
2° les critères de sélection sur la base desquelles les candidats seront comparés et le facteur de pondération;
3° des modalités concernant le mode d'évaluation.
Le Gouvernement flamand nomme les conseillers sur la base de la proposition, visée à l'alinéa trois.
Les conseillers prennent leur fonction après qu'ils aient prêté le serment suivant entre les mains du Ministre-Président du Gouvernement flamand : " Je jure d'être fidèle aux obligations de ma fonction ".
§ 2. Les conseillers reçoivent la rémunération, les allocations et les indemnités que fixe le Gouvernement flamand.
§ 3. La fonction de conseillers est exercée à plein temps.
Art. 4.8.35. § 1er. Sur la proposition expressément motivée du Conseil, le Gouvernement flamand peut désigner temporairement des conseillers complémentaires au Conseil, telles que des personnes exerçant une fonction similaire de conseiller dans une autre juridiction administrative.
Ces conseillers complémentaires sont désignés en vue d'éviter ou d'éliminer un retard et, dans ce cas, siègent seuls ou avec un conseiller dans une chambre complémentaire au sens de l'article 4.8.43, § 1er, alinéa deux.
§ 2. Personne ne peut être nommé conseiller complémentaire à moins qu'il ne :
1° soit titulaire d'une diplôme de Master en droit;
2° possède une connaissance approfondie et une expérience utile considérable du domaine du droit flamand relatif à l'aménagement du territoire;
3° possède une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans des affaires administratives.
Sur la base de l'évaluation des candidats, le Conseil émet une proposition expressément motivée au Gouvernement flamand, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé les prétentions et mérites respectifs des candidats.
Les conseillers complémentaires prennent leur fonction après qu'ils aient prêté le serment, visé à l'article 4.8.34, § 1er, alinéa six, entre les mains du président du Conseil.
Le Gouvernement flamand peut fixer ce qui suit :
1° des modalités concernant l'appel aux conseillers candidat;
2° les critères de sélection sur la base desquelles les candidats seront comparés et le facteur de pondération;
3° des modalités concernant le mode d'évaluation;
4° la durée du mandat.
A l'exception des conseillers complémentaires exerçant une fonction similaire de conseiller dans une autre juridiction administrative flamande, les conseillers complémentaires reçoivent une indemnité, à charge de la Région flamande, dont le montant ou le mode de calcul est fixé par le Gouvernement flamand.
§ 3. Chaque année, le Conseil évalue le degré de disponibilité des conseillers complémentaires dans une chambre complémentaire.
Art. 4.8.36. § 1er. La fonction de conseiller est incompatible avec des activités professionnelles, fonctions ou mandats rémunérés.
Le Gouvernement flamand peut autoriser une dérogation explicite à cette interdiction dans la mesure où il s'agit d'un des cas suivants :
1° un enseignement à temps partiel auprès d'une institution d'enseignement supérieur;
2° une autorisation temporaire d'exercer la fonction de conseiller ou de juge administratif dans une autre juridiction administrative flamande, dans la mesure où le conseiller concerné répond aux conditions d'être nommé au sein de cette juridiction. Le Gouvernement flamand fixe les modalités et conditions à ce sujet.
Le Gouvernement flamand peut à chaque moment annuler la dérogation de manière motivée.
§ 2. Le mandat de conseiller complémentaire est incompatible avec un mandat politique, avec une activité professionnelle compromettant l'impartialité et l'indépendance du conseiller complémentaire et avec toute activité entraînant des intérêts incompatibles.
Art. 4.8.37. Les conseillers et les conseillers complémentaires peuvent démissionner à tout moment. Ils continuent à exercer leur fonction jusqu'à ce qu'ils soient remplacés.
Art. 4.8.38. § 1er. Les conseillers et conseillers complémentaires sont soumis à une évaluation périodique écrite et descriptive motivée aboutissant à une appréciation " bien " ou " insuffisant ".
L'évaluation périodique est faite par le président du Conseil et a lieu :
1° en ce qui concerne les conseillers : dans les trois mois après l'échéance d'un an à compter de la prestation de serment dans la fonction, et ensuite après l'échéance de la période de trois ans à apprécier;
2° en ce qui concerne les conseillers complémentaires : dans les trois mois après l'échéance de la période d'un an à apprécier.
En cas d'appréciation " insuffisant ", le conseiller ou conseiller complémentaire est réévalué après un an.
En cas de deux appréciations " insuffisant " consécutives, le Conseil se prononce, à l'exclusion des conseillers complémentaires, par arrêt du licenciement pour cause d'inaptitude professionnelle du conseiller ou du conseiller complémentaire.
L'évaluation est faite sur la base de critères relatifs à la personnalité ainsi qu'aux capacités intellectuelles, professionnels et organisationnelles, y compris la qualité des prestations fournies sans qu'il soit porté préjudice à l'indépendance et l'impartialité du conseiller ou du conseiller complémentaire.
Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions et les modalités à cet effet, après avoir demandé l'avis du Conseil.
§ 2. Les peines disciplinaires suivantes peuvent être prononcées contre un conseiller ou conseiller complémentaire qui omet de respecter les devoirs de sa fonction ou qui, par son comportement, porte préjudice à la dignité de sa fonction ou de son mandat :
1° avertissement;
2° blâme;
3° retenue entière ou partielle du salaire;
4° suspension;
5° démission d'office;
6° révocation.
L'autorité disciplinaire compétente d'engager une procédure disciplinaire et d'imposer une des peines disciplinaires est :
1° le président à l'égard des autres conseillers et conseillers complémentaires;
2° le conseiller le plus âgé à l'égard du président.
Un recours peut être introduit contre la décision où le président, le cas échéant le conseiller le plus âgé à l'égard du président, prononce une peine disciplinaire, auprès du Conseil, à l'exclusion des conseillers complémentaires, qui siège en tant que conseil disciplinaire. Le conseiller à qui, en première instance, une peine disciplinaire a été imposée, ne participe pas au conseil disciplinaire.
Le conseiller qui, en première instance, a prononcé la peine disciplinaire, s'abstient de la délibération et du prononcé en recours.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités à cet effet.
Art. 4.8.39. § 1er. Le Conseil nomme des greffiers.
Personne ne peut être nommé greffier à moins qu'il ne :
1° soit titulaire d'une diplôme de Master en droit;
2° puisse faire valoir une expérience professionnelle juridique utile.
§ 2. Le Conseil désigne les membres de son personnel d'appui. Il peut transférer cette compétence entièrement ou partiellement au président.
Le règlement d'ordre stipule :
1° les critères de sélection sur la base desquelles les candidats sont comparés;
2° des modalités concernant le mode d'évaluation.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant le fonctionnement et l'organisation du greffe, y compris la possibilité de confier temporairement l'exercice de la tâche de greffier d'audience ou le mandat de greffier à des membres du personnel d'appui.
Tant que le Gouvernement flamand n'a pas fixé les modalités, visées à l'alinéa premier, le président du Conseil peut confier temporairement le mandat de greffier ou de greffier d'audience à un membre du personnel d'appui en cas d'absence ou d'indisponibilité des greffiers.
Art. 4.8.40. Les statuts pécuniaires et administratifs s'appliquant dans le chef du personnel des services des autorités flamandes s'appliquent par analogie aux greffiers et aux membres du personnel d'appui. Le Gouvernement flamand fixe les exceptions dont apparaît la nécessité.
Section 5. - Règles de fonctionnement
Art. 4.8.41. Le Conseil choisit un président parmi ses membres pour un mandat renouvelable de trois ans. Les conseillers complémentaires ne participent pas au vote.
Le président dirige le Conseil.
Il est responsable de l'établissement et du suivi d'un plan politique.
Art. 4.8.42. Le Conseil adopte un règlement d'ordre, qui doit être sanctionné par le Gouvernement flamand.
Le règlement d'ordre fixe les modalités concernant le fonctionnement et l'organisation du Conseil et le mode dont des dossiers de recours sont attribués aux chambres.
Le règlement d'ordre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 4.8.43. § 1er. Par règlement d'ordre, le Conseil peut être subdivisé en chambres.
Le président peut composer des chambres complémentaires lorsque la charge de travail l'exige.
Les chambres siègent avec un conseiller, assisté d'un greffier.
§ 2. La chambre simple renvoie l'affaire à une chambre multiple qui siège avec trois conseillers lorsque cela s'avère nécessaire pour garantir l'unité de la juridiction ou lorsque des difficultés juridiques y donnent lieu.
Le renvoi peut avoir lieu dans tout état de litige. Une affaire renvoyée est poursuivie dans l'état où elle se trouve.
Section 6. - Dispositions diverses
Art. 4.8.44. Les crédits qui sont nécessaires pour le fonctionnement du Conseil sont inscrits au budget du département.
Art. 4.8.45. Le Gouvernement flamand peut fixer toutes les mesures complémentaires concernant l'organisation ainsi que la procédure nécessaires à l'exécution du présent chapitre.
Art. 4.8.46. Sous l'autorité du Conseil, le site web du département prévoit la publication des prononcés du Conseil et d'un annuaire des rapports. L'annuaire des rapports comprend entre autres un aperçu de l'état des affaires en cours.
Lors de la publication d'un arrêt du Conseil, l'identité de personnes physiques peut être omise, à la demande explicite d'une personne physique qui est partie au litige. Cette demande peut être introduite jusqu'à la clôture des débats.
Art. 4.8.47. Chaque année, au cours du mois de septembre, le Conseil examine l'état des affaires en cours et en fait rapport au plus tard le 15 octobre au Gouvernement flamand et au président du Parlement flamand.
Art. 4.8.48. Le règlement d'ordre du Conseil fixe les droits dus pour les services fournis par le greffe du Conseil. ".
(NOTE : par son arrêt n° 85/2013 du 13-06-2013 (M.B. 29-07-2013, p. 47525, la Cour constitutionnelle a annulé cet article en tant qu'il l'introduit l'article 4.8.13 dans le Code flamand de l'Aménagement du Territoire)
" CHAPITRE VIII. - Conseil pour les Contestations des Autorisations
Section 1re. - Création
Art. 4.8.1. Il est créé un " Conseil pour les Contestations des Autorisations ", dénommé ci-après le Conseil.
Le Gouvernement flamand fixe le siège du Conseil.
Section 2. - Compétence
Sous-section 1re. - Annulation
Art. 4.8.2. Le Conseil, en tant que juridiction administrative, se prononce, sous forme d'arrêts, sur les recours introduits d'annulation de :
1° décisions d'autorisation, à savoir des décisions administratives explicites ou tacites, prises en dernière instance administrative, concernant l'octroi ou le refus d'une autorisation;
2° décisions de validation, à savoir des décisions administratives concernant la validation ou le refus de validation d'une attestation as-built;
3° décisions d'enregistrement, à savoir des décisions administratives où une construction est reprise comme " supposée être autorisée " au registre des permis ou où une telle reprise est refusée.
Le Conseil annule la décision d'autorisation, de validation ou d'enregistrement contestée lorsque cette décision est irrégulière. Une décision est irrégulière lorsqu'elle est contraire à la réglementation, aux prescriptions urbanistiques ou aux principes de bonne gouvernance.
Lorsque le conseil annule une décision, il peut ordonner à l'administration qui a pris la décision annulée de prendre une nouvelle décisions dans le délai fixé par lui. Dans ce contexte, le Conseil peut :
1° indiquer certains motifs irréguliers ou des motifs déraisonnables ne pouvant être invoqués lors de la formation de la nouvelle décision;
2° indiquer des règles de droit spécifiques ou des principes de droit qui doivent être invoqués lors de la formation de la nouvelle décision;
3° décrire les actes relatives à la procédure qui doivent être effectués préalablement à la nouvelle décision.
Sous-section 2. - Suspension
Art. 4.8.3. Lorsqu'une décision est susceptible d'annulation sur la base de l'article 4.8.2, le Conseil peut ordonner la suspension de son exécution, conformément aux dispositions de la section 3, sous-section 4.
Sous-section 3. - Boucle administrative
Art. 4.8.4. § 1er. Concernant la résolution d'une contestation portée devant le Conseil, le Conseil peut, par le biais d'un interlocutoire, offrir dans tout état de litige la possibilité à l'organe administratif accordant l'autorisation de réparer ou de faire réparer la décision contestée dans le délai que fixe le Conseil, à moins qu'il ne puisse être porté préjudice de façon disproportionnée à des intéressés, visés à l'article 4.8.11.
On entend par irrégularité dans la décision contestée, visée à l'alinéa premier, une irrégularité réparable de sorte que la décision contestée ne soit plus irrégulière au sens de l'article 4.8.2, alinéa deux, et de sorte que la décision puisse être maintenue.
§ 2. Dans un délai fixé par le Conseil, l'organe administratif accordant l'autorisation communique au Conseil s'il fait usage de la possibilité de réparer ou de faire réparer une irrégularité dans la décision contestée.
Lorsque l'organe administratif accordant l'autorisation procède à la réparation de l'irrégularité, il communique au Conseil, par écrit et dans le délai de réparation, visé au paragraphe 1er, de quelle manière l'irrégularité est réparée.
Dans les échéances fixées par le Gouvernement flamand, des parties peuvent communiquer leur point de vue, par écrit, concernant la manière dont l'irrégularité a été réparée.
§ 3. Le Conseil communique aux parties de quelle manière le recours sera traité ultérieurement après :
1° la réception de la communication de l'organe administratif accordant l'autorisation qu'il ne fera pas usage de la possibilité qui lui est offerte, conformément au paragraphe 2, alinéa premier;
2° l'expiration inutilisée du délai fixé par le Conseil, visé au paragraphe 2, alinéa premier;
3° l'expiration inutilisée du délai visé au paragraphe 2, alinéa deux; ou
4° la réception des points de vue, conformément au paragraphe 2, alinéa trois.
§ 4. Les délais de procédure sont suspendus à partir de la date de l'interlocutoire, visé au paragraphe 1er, alinéa premier, jusqu'à la date de la communication, visée au paragraphe 3.
§ 5. Après avoir demandé l'avis du Conseil, le Gouvernement flamand peut fixer des mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la présente sous-section.
Sous-section 4. - Médiation
Art. 4.8.5. § 1er. Concernant la résolution d'une contestation portée devant le Conseil, le Conseil peut, sur la demande conjointe des parties ou à sa propre initiative mais moyennant l'accord des parties, ordonner une médiation par le biais d'un interlocutoire tant que le recours n'a pas été mis en délibéré.
§ 2. En cas d'acceptation de la demande de médiation, le greffier envoie immédiatement une copie de l'interlocutoire, visé au paragraphe 1er, aux parties ainsi qu'au médiateur.
Peuvent être désignés médiateur par le Conseil : conseillers, conseillers supplémentaires, greffiers, membres du personnel d'appui ou des tiers proposés conjointement par les parties.
Le médiateur doit répondre aux conditions suivantes :
1° il possède une connaissance approfondie et de l'expérience utile du domaine du droit flamand relatif à l'aménagement du territoire;
2° il fait preuve d'une formation appropriée pour la pratique de la médiation;
3° il offre les garanties nécessaires pour une médiation indépendante et impartiale;
4° il n'a pas encouru de condamnations pénales ou de sanctions disciplinaires qui sont incompatibles avec l'exercice de la fonction de médiateur.
Lors de la médiation, le médiateur tente d'établir un dialogue direct entre les parties et il fournit du soutien pour un bon déroulement du dialogue. La médiation se déroule selon les principes suivants :
1° volontariat;
2° indépendance et impartialité du médiateur;
3° confidentialité.
Le médiateur peut également associer des tiers à la tentative de médiation.
§ 3. Si la médiation aboutit à un accord de médiation, les parties peuvent ou un d'entre eux peut demander au Conseil de valider cet accord.
Le Conseil peut uniquement refuser la validation lorsque l'accord est contraire à l'ordre public, la réglementation ou les prescriptions urbanistiques.
A défaut d'un accord de médiation ou lorsque le conseil constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou ne sont plus remplies, la continuation de la procédure juridictionnelle sera ordonnée par le biais d'un interlocutoire.
§ 4. Une demande de médiation suspend les délais de procédure à partir de la date de réception de la demande par le Conseil jusqu'à :
1° la date de validation de l'accord de médiation, visé au paragraphe 3, alinéa premier;
2° le jour suivant la notification de l'interlocutoire, visé au paragraphe 3, alinéa trois;
§ 5. Après avoir demandé l'avis du Conseil, le Gouvernement flamand fixe toutes les mesures complémentaires concernant l'organisation de la médiation nécessaires à l'exécution de la présente sous-section, entre autres :
1° les conditions de forme auxquelles doit répondre une demande de médiation;
2° la possibilité de régularisation des conditions, visées au point 1° ;
3° des délais de médiation.
Section 3. - Procédure
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 4.8.6. Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil. Le Gouvernement flamand fixe les modalités à ce sujet.
Art. 4.8.7. § 1er. Les parties peuvent récuser un ou plusieurs conseillers de la chambre compétente, par écrit et de manière motivée, avant l'ouverture de la séance, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue que plus tard. Le président ou, s'il est récusé, le conseiller le plus âgé, se prononce immédiatement sur la demande de récusation. Lorsque la demande est acceptée, le conseiller récusé est remplacé.
Le conseiller qui sait qu'il existe un motif de récusation contre sa personne, s'abstient de l'affaire et se fait remplacer.
§ 2. Les motifs de récusation sont les mêmes que visés aux articles 828 et 830 du Code judiciaire.
Art. 4.8.8. Le Gouvernement flamand détermine le mode d'envoi et d'échange des pièces relatives au procès.
Toutes les pièces relatives au procès sont envoyées au Conseil par envoi sécurisé, sous peine d'irrecevabilité.
Le Conseil effectue toutes les notifications, communications et convocations par envoi sécurisé. Cependant, ces envois peuvent être effectués par courrier ordinaire lorsque sa réception ne fait pas produire les effets d'un délai.
Le Gouvernement flamand fixe le mode de calcul des délais, visés au chapitre VIII.
Art. 4.8.9. Le Conseil peut invoquer des moyens d'office qui ne sont pas invoqués dans la requête, dans la mesure où ces moyens concernent l'ordre public.
L'absence manifeste de justification ou négligence de la conformité au bon aménagement du territoire par les autorités est toujours censé être un moyen concernant l'ordre public.
Art. 4.8.10. Dans tout état de litige, le demandeur peut renoncer expressément au recours.
Le Conseil se prononce immédiatement, où la renonciation est constatée.
Sous-section 2. - Introduction du recours
Art. 4.8.11. § 1er. Les recours auprès du Conseil peuvent être introduits par les intéressés suivants :
1° le demandeur de l'autorisation ou de l'attestation as-built, respectivement la personne disposant de droits réels ou personnels à l'égard d'une construction qui fait l'objet d'une décision d'enregistrement, ou qui utilise cette construction de fait;
2° les organes administratifs accordant l'autorisation associés au dossier;
3° toute personne physique ou morale à qui la décision d'autorisation, de validation ou d'enregistrement peut causer, directement ou indirectement, des désagréments ou des inconvénients;
4° des associations dotées d'une compétence procédurale qui agissent au nom d'un groupe dont les intérêts collectifs sont menacés ou lésés par la décision d'autorisation, de validation ou d'enregistrement, pour autant qu'elles disposent d'un fonctionnement durable et effectif conformément aux statuts;
5° le fonctionnaire dirigeant du département ou, en son absence, son mandataire pour des autorisations délivrées selon la procédure régulière, sauf dans les cas visés à l'article 4.7.19, § 1er, alinéa trois;
6° le fonctionnaire dirigeant ou, en son absence, son mandataire du département ou de l'agence dont relève l'instance consultative, désignée en vertu de l'article 4.7.16, § 1er, alinéa premier, respectivement l'article 4.7.26, § 4, 2°, à condition que cette instance ait émis son avis à temps ou que son avis n'ait, à tort, pas été sollicité.
L'intéressé à qui il peut être reproché qu'il n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour lui par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de la députation est censé avoir renoncé au droit de s'adresser au Conseil.
§ 2. Les recours sont introduits dans une échéance de quarante-cinq jours, qui prend cours comme suit :
1° en ce qui concerne les décisions d'autorisation :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise;
b) soit le jour suivant la date de début d'affichage, dans tous les autres cas;
2° en ce qui concerne les décisions de validation :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise;
b) soit le jour suivant la reprise au registre des permis, dans tous les autres cas;
3° en ce qui concerne les décisions d'enregistrement :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise;
b) soit le jour suivant la reprise de la construction au registre des permis, dans tous les autres cas;
§ 3. Les recours sont introduits par voie de requête.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions de forme auxquelles doit répondre la requête. Il fixe quelles pièces doivent être jointes à la requête.
Art. 4.8.12. Le greffier inscrit chaque requête introduit dans un registre.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'enregistrement de la requête et les conditions auxquelles la requête qui ne répond pas aux conditions, fixées par le Gouvernement flamand en exécution de l'article l 4.8.11, § 3, alinéa deux, peut être régularisée.
Le Gouvernement flamand fixe également la manière dont et les personnes à qui une copie de la requête est envoyée.
Art. 4.8.13. Le demandeur doit payer un droit de mise au rôle. Le Gouvernement flamand fixe le montant, l'échéance, les modalités de paiement et les exonérations. Lorsque le droit de mise au rôle n'est pas payé à temps, la requête est déclarée irrecevable.
Sous-section 3. - Traitement simplifié
Art. 4.8.14. § 1er. Après l'enregistrement d'une requête, le président du Conseil ou le conseiller désigné par lui peut examiner d'office si le recours est inutile, manifestement irrecevable ou que le Conseil est manifestement incompétent.
Le greffier transmet les constatations du Conseil au demandeur.
§ 2. Le demandeur dispose d'une échéance de quinze jours qui prend cours le jour suivant la notification, visée au paragraphe 1er, alinéa deux, pour introduire une note de justification. Cette note de justification est limitée aux constatations citées au paragraphe 1er.
§ 3. Le Conseil peut décider que l'affaire est prise en considération sans procédure ultérieure.
Le Conseil se prononce immédiatement sur l'irrecevabilité manifeste du recours, sur son incompétence manifeste ou sur l'inutilité du recours.
Lorsque le Conseil ne décide pas que le recours est manifestement irrecevable ou inutile ou qu'il est manifestement incompétent, la procédure est poursuivie, conformément aux articles suivants.
Sous-section 4. - Suspension
Art. 4.8.15. La demande de suspension et le recours d'annulation sont introduits dans une seule et même requête, sous peine d'irrecevabilité.
Art. 4.8.16. Le Gouvernement flamand fixe les échéances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif inventorié et leurs notes. Ces délais ne peuvent être inférieurs à quinze jours.
Le Gouvernement flamand fixe la manière dont les parties sont informés de l'introduction des dossiers administratifs inventoriés et des notes.
Art. 4.8.17. Lorsque le demandeur ne se présente pas ou n'est pas représenté lors de la séance, la demande de suspension est rejetée.
Art. 4.8.18. § 1er. La suspension est ordonnée par arrêt motivé.
§ 2. La suspension peut uniquement être ordonnée lorsque l'exécution immédiate de cette décision peut causer un grave inconvénient difficilement réparable et lorsque des moyens sérieux sont invoqués pouvant justifier l'annulation de la décision contestée.
L'arrêt par lequel la suspension est ordonnée, peut être modifié ou abrogé sur la demande des parties.
Art. 4.8.19. Lorsque le conseil a suspendu la décision contestée, le défendeur ou la partie intervenante doit introduire une demande de continuation de la procédure dans une échéance de quinze jours. Lorsqu'aucune demande de continuation n'est introduite, le conseil peut annuler la décision contestée, conformément à une procédure accélérée fixée par le Gouvernement flamand.
Lorsque le Conseil n'a pas suspendu la décision contestée, le demandeur doit introduire une demande de dans une échéance de quinze jours. Lorsqu'il n'introduit pas de demande de continuation, il s'applique à son égard une présomption irréfragable de renonciation au recours.
Le délai de quinze jours prend cours le jours suivant la notification de l'arrêt se prononçant sur la suspension.
Art. 4.8.20. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant le traitement de la demande de suspension.
Sous-section 5. - Intervention
Art. 4.8.21. § 1er. Chacun des intéressés, visés à l'article 4.8.11, § 1er, alinéa premier, peut intervenir dans l'affaire.
Le Gouvernement flamand fixe de quelle manière il faut introduire une demande d'intervention. Il fixe les échéances qui ne peuvent être inférieurs à vingt jours.
Le Gouvernement flamand fixe également les conditions de forme auxquelles doit répondre la requête. Il fixe quelles pièces doivent être jointes à la requête.
§ 2. La partie intervenante doit payer un droit de mise au rôle. Le Gouvernement flamand fixe le montant, l'échéance, les modalités de paiement et les exonérations. Lorsque le droit de mise au rôle n'est pas payé à temps, la requête d'intervention est déclarée irrecevable.
§ 3. Le Conseil se prononce immédiatement sur la recevabilité d'une requête d'intervention.
La partie intervenante peut introduire un exposé écrit dans l'échéance fixé par le Gouvernement flamand. Ce délai ne peut être inférieur à quinze jours.
La partie intervenante peut joindre les pièces de conviction inventoriées qu'elle estime utiles à son exposé écrit.
§ 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'intervention et la possibilité de régularisation des conditions de forme, visées au paragraphe 1er.
Lorsqu'il s'agit d'une intervention dans la procédure de demande de suspension, le Gouvernement flamand peut fixer des délais dérogatoires aux délais, visés aux paragraphes 1 et 3.
Sous-section 6. - Enquête préliminaire
Art. 4.8.22. Le Gouvernement flamand fixe de quelle manière est menée l'enquête préliminaire contradictoire. Il fixe les échéances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif inventorié et leurs notes. Ces délais ne peuvent être inférieurs à trente jours.
Le Gouvernement flamand fixe la manière dont les parties sont informés de l'introduction des dossiers administratifs inventoriés et des notes.
Art. 4.8.23. Le Conseil correspond directement avec toutes les parties et administrations qu'il estime nécessaires.
Le Conseil peut demander tous les documents et toutes les informations concernant les affaires dont il doit se prononcer à ces parties et administrations.
Sous-section 7. - Séance
Art. 4.8.24. A l'issue de l'enquête préliminaire, les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance du Conseil.
Le Gouvernement flamand fixe les mesures concernant l'organisation de la séance, y compris les modalités concernant l'audience des témoins.
Art. 4.8.25. Les parties ne peuvent transmettre de pièces supplémentaires au Conseil au cours de la séance.
Art. 4.8.26. Les séances sont publiques, à moins que le président de la chambre, sur la demande des parties ou d'une des parties ou non, juge qu'il y a de sérieux motifs pour s'opposer à la publicité.
Le recours est traité contradictoirement. Les parties plaident en présence l'une de l'autre.
Art. 4.8.27. Sans préjudice de l'application de l'article 4.8.17, l'absence des parties ou d'une des parties en cas de convocation régulière ne fait pas obstacle à la validité de la séance.
Sous-section 8. - Délibération et jugement
Art. 4.8.28. § 1er. Le Conseil délibère et statue sur ses prononcés à huis clos.
Les prononcés du Conseil sont émis dans un délai d'ordre de soixante jours qui prend cours le jour suivant la séance.
§ 2. Dans sa décision, le Conseil porte l'ensemble ou une partie des frais à charge de la partie qui a succombé sur le fond. Les frais se composent du droit de mise au rôle, visé aux articles 4.8.13 et 4.8.21, et des indemnités des témoins.
Les indemnités des témoins sont estimées et attribuées sur la base des règles fixées à cet effet par le Gouvernement flamand.
Lorsque l'article 4.8.4 ou 4.8.5 s'applique, le Conseil peut, en dérogation à l'alinéa premier, porter l'ensemble ou une partie des frais à charge de l'organe administratif accordant l'autorisation.
§ 3. Les prononcés du Conseil sont signés par le président de la chambre et par le greffier.
Les prononcés du Conseil sont publics.
Art. 4.8.29. Le greffier envoie une copie du prononcé aux parties ainsi qu'au collège des bourgmestre et échevins de la commune où se situe le bien immobilier concerné, gratuitement et dans un délai d'ordre de quinze jours après sa signature.
Des personnes autres que les parties peuvent obtenir des copies ou des extraits des prononcés du Conseil. Une indemnité peut être demandée pour une copie ou un extrait, aux conditions fixées par le gouvernement flamand.
Art. 4.8.30. Les arrêts sont exécutoires de plein droit. Le greffier applique un formulaire d'exécution à la publication, suivant le dispositif de l'arrêt.
Le Gouvernement flamand fixe la formule à ce sujet.
Art. 4.8.31. Le Conseil peut imposer une amende d'office pour cause de recours manifestement illégitime.
L'amende s'élève à 125 euros au minimum et à 2.500 euros au maximum, étant entendu que ces montant peuvent être modifiés par le Gouvernement flamand suite à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. Le produit de l'amende est versé sur le compte du Fonds foncier, visé à l'article 5.6.3.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'imposition et la perception d'une amende.
Art. 4.8.32. § 1er. Les arrêts du Conseil sont susceptibles d'abrogation, d'amélioration ou de révision.
§ 2. A la demande des parties, le Conseil peut abroger les arrêts par lesquels est ordonnée la suspension.
L'abrogation est uniquement possible lorsque de nouveaux faits, soit de droit, soit de fait, se présentent ou lorsque les circonstances ont tellement changées que la suspension n'est plus justifiée.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance du Conseil où la demande d'abrogation est traitée.
§ 3. Lorsqu'un arrêt comporte une erreur matérielle, le Conseil peut prononcer un arrêt amélioré à sa propre initiative ou à la demande des parties.
Une erreur concernant le droit ou concernant les faits ne constitue jamais une erreur matérielle.
§ 4. Un recours de révision peut être introduit lorsque, depuis le prononcé de l'arrêt final concernant la demande d'annulation, des pièces décisives ont été retrouvées qui avaient été retenues par le biais de la partie adverse ou lorsque l'arrêt a été prononcé sur la base de pièces reconnues fausses ou déclarées fausses.
Seulement ceux qui étaient concernés comme partie lors de l'arrêt contesté, peuvent introduire un recours de révision par voie de requête.
Un recours de révision ne suspend pas l'exécution, à moins que le président de la chambre en décide autrement par disposition.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance du Conseil où le recours de révision est traité.
La même partie ne peut introduire qu'une seule fois un recours de révision contre un arrêt final se prononçant sur la demande d'annulation. Aucun recours de révision ne peut être introduit contre un arrêt se prononçant sur un recours de révision.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités pour l'application du régime de la procédure pour l'abrogation, l'amélioration ou la révision d'arrêts du Conseil, y compris fixer des délais et l'organisation des séances visées au présent article.
Section 4. - Composition
Art. 4.8.33. Le Conseil se compose de conseillers, dont un président. Le Conseil est assisté par des greffiers et du personnel d'appui. Le Conseil peut être assisté par des conseillers complémentaires, aux conditions fixées aux articles 4.8.35 et 4.8.36.
Art. 4.8.34. § 1er. Le Gouvernement flamand nomme les conseillers à vie, sans préjudice de la possibilité de licenciement, conformément aux articles 4.8.37 et 4.8.38. La fonction des conseillers expire d'office le jour de leur soixante-cinquième anniversaire. Sur demande motivée, le Gouvernement flamand peut accorder une prolongation unique de deux ans.
Personne ne peut être nommé conseiller à moins qu'il ne :
1° soit titulaire d'une diplôme de Master en droit;
2° ait au moins trente-sept ans au moment de la nomination;
3° possède une connaissance approfondie et au moins dix ans d'expérience utile du domaine du droit flamand relatif à l'aménagement du territoire;
4° possède une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans des affaires administratives.
Sur la base de l'évaluation des candidats, le Conseil émet une proposition expressément motivée au Gouvernement flamand, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé les prétentions et mérites respectifs des candidats. Lors de la première composition du Conseil, l'évaluation et la proposition se fait par le Conseil supérieur de la Politique du Maintien ou son prédécesseur en droit.
Le Gouvernement flamand fixe :
1° des modalités concernant l'appel aux conseillers candidat;
2° les critères de sélection sur la base desquelles les candidats seront comparés et le facteur de pondération;
3° des modalités concernant le mode d'évaluation.
Le Gouvernement flamand nomme les conseillers sur la base de la proposition, visée à l'alinéa trois.
Les conseillers prennent leur fonction après qu'ils aient prêté le serment suivant entre les mains du Ministre-Président du Gouvernement flamand : " Je jure d'être fidèle aux obligations de ma fonction ".
§ 2. Les conseillers reçoivent la rémunération, les allocations et les indemnités que fixe le Gouvernement flamand.
§ 3. La fonction de conseillers est exercée à plein temps.
Art. 4.8.35. § 1er. Sur la proposition expressément motivée du Conseil, le Gouvernement flamand peut désigner temporairement des conseillers complémentaires au Conseil, telles que des personnes exerçant une fonction similaire de conseiller dans une autre juridiction administrative.
Ces conseillers complémentaires sont désignés en vue d'éviter ou d'éliminer un retard et, dans ce cas, siègent seuls ou avec un conseiller dans une chambre complémentaire au sens de l'article 4.8.43, § 1er, alinéa deux.
§ 2. Personne ne peut être nommé conseiller complémentaire à moins qu'il ne :
1° soit titulaire d'une diplôme de Master en droit;
2° possède une connaissance approfondie et une expérience utile considérable du domaine du droit flamand relatif à l'aménagement du territoire;
3° possède une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans des affaires administratives.
Sur la base de l'évaluation des candidats, le Conseil émet une proposition expressément motivée au Gouvernement flamand, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé les prétentions et mérites respectifs des candidats.
Les conseillers complémentaires prennent leur fonction après qu'ils aient prêté le serment, visé à l'article 4.8.34, § 1er, alinéa six, entre les mains du président du Conseil.
Le Gouvernement flamand peut fixer ce qui suit :
1° des modalités concernant l'appel aux conseillers candidat;
2° les critères de sélection sur la base desquelles les candidats seront comparés et le facteur de pondération;
3° des modalités concernant le mode d'évaluation;
4° la durée du mandat.
A l'exception des conseillers complémentaires exerçant une fonction similaire de conseiller dans une autre juridiction administrative flamande, les conseillers complémentaires reçoivent une indemnité, à charge de la Région flamande, dont le montant ou le mode de calcul est fixé par le Gouvernement flamand.
§ 3. Chaque année, le Conseil évalue le degré de disponibilité des conseillers complémentaires dans une chambre complémentaire.
Art. 4.8.36. § 1er. La fonction de conseiller est incompatible avec des activités professionnelles, fonctions ou mandats rémunérés.
Le Gouvernement flamand peut autoriser une dérogation explicite à cette interdiction dans la mesure où il s'agit d'un des cas suivants :
1° un enseignement à temps partiel auprès d'une institution d'enseignement supérieur;
2° une autorisation temporaire d'exercer la fonction de conseiller ou de juge administratif dans une autre juridiction administrative flamande, dans la mesure où le conseiller concerné répond aux conditions d'être nommé au sein de cette juridiction. Le Gouvernement flamand fixe les modalités et conditions à ce sujet.
Le Gouvernement flamand peut à chaque moment annuler la dérogation de manière motivée.
§ 2. Le mandat de conseiller complémentaire est incompatible avec un mandat politique, avec une activité professionnelle compromettant l'impartialité et l'indépendance du conseiller complémentaire et avec toute activité entraînant des intérêts incompatibles.
Art. 4.8.37. Les conseillers et les conseillers complémentaires peuvent démissionner à tout moment. Ils continuent à exercer leur fonction jusqu'à ce qu'ils soient remplacés.
Art. 4.8.38. § 1er. Les conseillers et conseillers complémentaires sont soumis à une évaluation périodique écrite et descriptive motivée aboutissant à une appréciation " bien " ou " insuffisant ".
L'évaluation périodique est faite par le président du Conseil et a lieu :
1° en ce qui concerne les conseillers : dans les trois mois après l'échéance d'un an à compter de la prestation de serment dans la fonction, et ensuite après l'échéance de la période de trois ans à apprécier;
2° en ce qui concerne les conseillers complémentaires : dans les trois mois après l'échéance de la période d'un an à apprécier.
En cas d'appréciation " insuffisant ", le conseiller ou conseiller complémentaire est réévalué après un an.
En cas de deux appréciations " insuffisant " consécutives, le Conseil se prononce, à l'exclusion des conseillers complémentaires, par arrêt du licenciement pour cause d'inaptitude professionnelle du conseiller ou du conseiller complémentaire.
L'évaluation est faite sur la base de critères relatifs à la personnalité ainsi qu'aux capacités intellectuelles, professionnels et organisationnelles, y compris la qualité des prestations fournies sans qu'il soit porté préjudice à l'indépendance et l'impartialité du conseiller ou du conseiller complémentaire.
Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions et les modalités à cet effet, après avoir demandé l'avis du Conseil.
§ 2. Les peines disciplinaires suivantes peuvent être prononcées contre un conseiller ou conseiller complémentaire qui omet de respecter les devoirs de sa fonction ou qui, par son comportement, porte préjudice à la dignité de sa fonction ou de son mandat :
1° avertissement;
2° blâme;
3° retenue entière ou partielle du salaire;
4° suspension;
5° démission d'office;
6° révocation.
L'autorité disciplinaire compétente d'engager une procédure disciplinaire et d'imposer une des peines disciplinaires est :
1° le président à l'égard des autres conseillers et conseillers complémentaires;
2° le conseiller le plus âgé à l'égard du président.
Un recours peut être introduit contre la décision où le président, le cas échéant le conseiller le plus âgé à l'égard du président, prononce une peine disciplinaire, auprès du Conseil, à l'exclusion des conseillers complémentaires, qui siège en tant que conseil disciplinaire. Le conseiller à qui, en première instance, une peine disciplinaire a été imposée, ne participe pas au conseil disciplinaire.
Le conseiller qui, en première instance, a prononcé la peine disciplinaire, s'abstient de la délibération et du prononcé en recours.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités à cet effet.
Art. 4.8.39. § 1er. Le Conseil nomme des greffiers.
Personne ne peut être nommé greffier à moins qu'il ne :
1° soit titulaire d'une diplôme de Master en droit;
2° puisse faire valoir une expérience professionnelle juridique utile.
§ 2. Le Conseil désigne les membres de son personnel d'appui. Il peut transférer cette compétence entièrement ou partiellement au président.
Le règlement d'ordre stipule :
1° les critères de sélection sur la base desquelles les candidats sont comparés;
2° des modalités concernant le mode d'évaluation.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant le fonctionnement et l'organisation du greffe, y compris la possibilité de confier temporairement l'exercice de la tâche de greffier d'audience ou le mandat de greffier à des membres du personnel d'appui.
Tant que le Gouvernement flamand n'a pas fixé les modalités, visées à l'alinéa premier, le président du Conseil peut confier temporairement le mandat de greffier ou de greffier d'audience à un membre du personnel d'appui en cas d'absence ou d'indisponibilité des greffiers.
Art. 4.8.40. Les statuts pécuniaires et administratifs s'appliquant dans le chef du personnel des services des autorités flamandes s'appliquent par analogie aux greffiers et aux membres du personnel d'appui. Le Gouvernement flamand fixe les exceptions dont apparaît la nécessité.
Section 5. - Règles de fonctionnement
Art. 4.8.41. Le Conseil choisit un président parmi ses membres pour un mandat renouvelable de trois ans. Les conseillers complémentaires ne participent pas au vote.
Le président dirige le Conseil.
Il est responsable de l'établissement et du suivi d'un plan politique.
Art. 4.8.42. Le Conseil adopte un règlement d'ordre, qui doit être sanctionné par le Gouvernement flamand.
Le règlement d'ordre fixe les modalités concernant le fonctionnement et l'organisation du Conseil et le mode dont des dossiers de recours sont attribués aux chambres.
Le règlement d'ordre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 4.8.43. § 1er. Par règlement d'ordre, le Conseil peut être subdivisé en chambres.
Le président peut composer des chambres complémentaires lorsque la charge de travail l'exige.
Les chambres siègent avec un conseiller, assisté d'un greffier.
§ 2. La chambre simple renvoie l'affaire à une chambre multiple qui siège avec trois conseillers lorsque cela s'avère nécessaire pour garantir l'unité de la juridiction ou lorsque des difficultés juridiques y donnent lieu.
Le renvoi peut avoir lieu dans tout état de litige. Une affaire renvoyée est poursuivie dans l'état où elle se trouve.
Section 6. - Dispositions diverses
Art. 4.8.44. Les crédits qui sont nécessaires pour le fonctionnement du Conseil sont inscrits au budget du département.
Art. 4.8.45. Le Gouvernement flamand peut fixer toutes les mesures complémentaires concernant l'organisation ainsi que la procédure nécessaires à l'exécution du présent chapitre.
Art. 4.8.46. Sous l'autorité du Conseil, le site web du département prévoit la publication des prononcés du Conseil et d'un annuaire des rapports. L'annuaire des rapports comprend entre autres un aperçu de l'état des affaires en cours.
Lors de la publication d'un arrêt du Conseil, l'identité de personnes physiques peut être omise, à la demande explicite d'une personne physique qui est partie au litige. Cette demande peut être introduite jusqu'à la clôture des débats.
Art. 4.8.47. Chaque année, au cours du mois de septembre, le Conseil examine l'état des affaires en cours et en fait rapport au plus tard le 15 octobre au Gouvernement flamand et au président du Parlement flamand.
Art. 4.8.48. Le règlement d'ordre du Conseil fixe les droits dus pour les services fournis par le greffe du Conseil. ".
(NOTE : par son arrêt n° 85/2013 du 13-06-2013 (M.B. 29-07-2013, p. 47525, la Cour constitutionnelle a annulé cet article en tant qu'il l'introduit l'article 4.8.13 dans le Code flamand de l'Aménagement du Territoire)
Art. 6. In artikel 5.1.3, § 3, van dezelfde codex, worden de woorden " Raad voor vergunningsbetwistingen " vervangen door de woorden " Raad voor Vergunningsbetwistingen ".
Art. 6. Dans l'article 5.1.3, § 3, du même Code, les mots " Conseil pour les contestations des autorisations " sont remplacés par les mots " Conseil pour les Contestations des Autorisations ".
Art. 7. In artikel 7.5.8 van dezelfde codex, zoals gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " Raad voor vergunningsbetwistingen " worden telkens vervangen door de woorden " Raad voor Vergunningsbetwistingen ";
2° in paragraaf 2, tweede en vierde lid, worden de woorden " op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.8.11 tot en met 4.8.27 " opgeheven;
3° in paragraaf 3, tweede en derde lid, worden de woorden " op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.8.11 tot en met 4.8.25 " opgeheven;
4° in paragraaf 5 worden de woorden " in artikel 4.8.17, § 1, eerste lid " vervangen door de woorden " in artikel 4.8.12, eerste lid ";
5° in paragraaf 6 worden de woorden " in artikel 4.8.1, eerste lid, 1° " vervangen door de woorden " in artikel 4.8.2, eerste lid, 1° ".
1° de woorden " Raad voor vergunningsbetwistingen " worden telkens vervangen door de woorden " Raad voor Vergunningsbetwistingen ";
2° in paragraaf 2, tweede en vierde lid, worden de woorden " op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.8.11 tot en met 4.8.27 " opgeheven;
3° in paragraaf 3, tweede en derde lid, worden de woorden " op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.8.11 tot en met 4.8.25 " opgeheven;
4° in paragraaf 5 worden de woorden " in artikel 4.8.17, § 1, eerste lid " vervangen door de woorden " in artikel 4.8.12, eerste lid ";
5° in paragraaf 6 worden de woorden " in artikel 4.8.1, eerste lid, 1° " vervangen door de woorden " in artikel 4.8.2, eerste lid, 1° ".
Art. 7. Dans l'article 7.5.8 du même décret, tel que modifié par le décret du 16 juillet 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " Conseil pour les contestations des autorisations " sont à chaque fois remplacés par les mots " Conseil pour les Contestations des Autorisations ";
2° dans le paragraphe 2, alinéas deux et quatre, les mots " en fonction des réglementations établies par ou en vertu des articles 4.8.11 à 4.8.27 inclus " sont abrogés;
3° dans le paragraphe 3, alinéas deux et trois, les mots " en fonction des réglementations établies par ou en vertu des articles 4.8.11 à 4.8.25 inclus " sont abrogés;
4° dans le paragraphe 5, les mots " dans l'article 4.8.17, § 1er, alinéa premier " sont remplacés par les mots " dans l'article 4.8.12, alinéa premier ";
5° dans le paragraphe 6, les mots " dans l'article 4.8.1, alinéa premier, 1° " sont remplacés par les mots " dans l'article 4.8.2, alinéa premier, 1° ".
1° les mots " Conseil pour les contestations des autorisations " sont à chaque fois remplacés par les mots " Conseil pour les Contestations des Autorisations ";
2° dans le paragraphe 2, alinéas deux et quatre, les mots " en fonction des réglementations établies par ou en vertu des articles 4.8.11 à 4.8.27 inclus " sont abrogés;
3° dans le paragraphe 3, alinéas deux et trois, les mots " en fonction des réglementations établies par ou en vertu des articles 4.8.11 à 4.8.25 inclus " sont abrogés;
4° dans le paragraphe 5, les mots " dans l'article 4.8.17, § 1er, alinéa premier " sont remplacés par les mots " dans l'article 4.8.12, alinéa premier ";
5° dans le paragraphe 6, les mots " dans l'article 4.8.1, alinéa premier, 1° " sont remplacés par les mots " dans l'article 4.8.2, alinéa premier, 1° ".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires
Art. 8. Artikel 4.8.4 en 4.8.5 zoals bedoeld in artikel 5 van dit decreet kunnen enkel worden toegepast op beroepen die zijn ingediend na de datum van inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 8. Les articles 4.8.4 et 4.8.5 tels que visés à l'article 5 du présent décret peuvent uniquement être appliqués à des recours introduits après la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 9. Beroepen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet worden behandeld volgens de procedureregels die golden vóór die datum.
Art. 9. Des recours introduits avant la date d'entrée en vigueur du présent décret sont traités selon les règles de procédure s'appliquant avant cette date.
Art. 10. Raadsleden die op het ogenblik van inwerkingtreding van dit decreet reeds benoemd zijn, worden een eerste maal periodiek geëvalueerd één jaar na inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 10. Des conseillers qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, sont déjà nommés, sont évalués périodiquement une première fois un an après l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 11. In afwijking van artikel 4.8.41 zoals bedoeld in artikel 5 van dit decreet is het mandaat van de zetelend voorzitter beperkt tot één jaar.
Art. 11. Par dérogation à l'article 4.8.41, tel que visé à l'article 5 du présent décret, le mandat du président siégeant est limité à un an.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 12. De Vlaamse Regering bepaalt voor iedere bepaling van dit decreet de dag van inwerkingtreding.
Art. 12. Le Gouvernement flamand fixe, pour chaque disposition du présent décret, le jour d'entrée en vigueur.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 01-09-2012 par AGF 2012-07-13/20, art. 60, 1°)
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 6 juli 2012.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
Ph. MUYTERS
Brussel, 6 juli 2012.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
Ph. MUYTERS
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 6 juillet 2012.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand des Finances, du Budget, de l'Emploi, de l'Aménagement du Territoire et des Sports,
Ph. MUYTERS
Bruxelles, le 6 juillet 2012.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand des Finances, du Budget, de l'Emploi, de l'Aménagement du Territoire et des Sports,
Ph. MUYTERS