Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 APRIL 2012. - Decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-06-2012 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
20 AVRIL 2012. - Décret portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-06-2012 et mise à jour au 30-12-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Afbakening en definities
Afdeling 2. - Doelstellingen en beginselen
HOOFDSTUK 2. - Vergunningsstelsel
Afdeling 1. - Vergunningsplicht
Afdeling 2. - Vergunningsvoorwaarden
HOOFDSTUK 3. - Subsidiëring
HOOFDSTUK 4. - Lokaal loket kinderopvang
HOOFDSTUK 5. - Vernieuwende projecten
HOOFDSTUK 6. - Handhaving
Afdeling 1. - Toezicht
Onderafdeling 1. - Toezichthouders
Onderafdeling 1/1. [1 Het voorzorgsbeginsel ]1
Onderafdeling 2. - Toezichtrechten
Afdeling 2. - Aanmaning
Afdeling 3. - Bestuurlijke maatregelen
Afdeling 4. - Bestuurlijke geldboete
HOOFDSTUK 6/1. [1 Comité van toezicht op de Han...
HOOFDSTUK 7. - Gegevensverzameling en -verwerking
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Section 1re. - Délimitation et définitions
Section 2. - Objectifs et principes
CHAPITRE 2. - Système d'autorisation
Section 1re. - Obligation d'autorisation
Section 2. - Conditions d'autorisation
CHAPITRE 3. - Subventionnement
CHAPITRE 4. - Guichet local en matière d'accuei...
CHAPITRE 5. - Projets innovateurs
CHAPITRE 6. - Maintien
Section 1re. - Surveillance
Sous-section 1re. - Surveillants
Sous-section 1/1 [1 Sous-section 1/1. Le princi...
Sous-section 2. - Droits de surveillance
Section 2. - Sommation
Section 3. - Mesures administratives
Section 4. - Amende administrative
CHAPITRE 6/1. [1 Comité de contrôle du Maintien...
CHAPITRE 7. - Collecte et traitement de données
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Tekst (61)
Texte (61)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Afdeling 1. - Afbakening en definities
Section 1re. - Délimitation et définitions
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder :
1° [4 agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;]4
[6 1° /1 algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;]6
2° kinderopvang : kinderopvang van baby's en peuters, [6 buiten de gezinswoning van het kind,]6 namelijk het beroepsmatig en tegen betaling opvoeden, bijdragen aan de ontwikkeling en verzorgen van baby's en peuters tot ze naar de kleuterschool, vermeld in artikel 3, 26°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gaan;
3° kinderopvanglocatie : een vestigingsplaats waar kinderopvang georganiseerd wordt;
4° organisator : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die kinderopvang organiseert;
5° verantwoordelijke : de persoon die door de organisator is aangewezen om de kwaliteitsvolle werking van de kinderopvanglocatie dagelijks te regelen;
6° kinderbegeleider : de persoon die door de organisator is aangewezen om de kinderen op te voeden, bij te dragen tot hun ontwikkeling en hen te verzorgen;
7° startvoorwaarde : de voorwaarde waaraan een organisator van kinderopvang moet voldoen voor de start van de werking van de kinderopvanglocatie om een vergunning te krijgen;
8° werkingsvoorwaarde : de voorwaarde waaraan een organisator van een vergunde kinderopvanglocatie moet voldoen om de vergunning te behouden;
9° lokaal bestuur : het gemeentebestuur en het bestuur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Voor de gemeenten uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden de opdrachten van het lokaal bestuur opgenomen door de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
10° lokaal loket kinderopvang : neutraal informatie- en ondersteuningspunt voor gezinnen met een vraag naar kinderopvang, in de vorm van een netwerk van actoren die relevant zijn voor kinderopvang;
11° toezichthouder : de organisatie die één of meerdere toezichtperso(o)n(en) aanwijst om ter plaatse te laten vaststellen of de organisator de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan naleeft, om [4 het agentschap]4 daarover te adviseren;
12° [3 private]3 toezichtpersoon : het personeelslid van de [3 private]3 toezichthouder dat toezicht houdt;
13° [5 ...]5
14° tegelijk aanwezige kinderen : alle baby's, peuters en kinderen die naar de basisschool gaan, en wat de kinderen die deel uitmaken van het gezin van de kinderbegeleider gezinsopvang betreft tot het einde van de kleuterschool, die gelijktijdig in de kinderopvanglocatie aanwezig zijn;
15° zorgregio : zorgregio niveau kleine stad, vermeld in artikel 2, 5°, van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen. De gemeenten behorend tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden beschouwd als één aparte zorgregio;
16° kwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties;
17° competentie : de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten.
[3 18° private toezichthouder: een toezichthouder die is vormgegeven volgens het private vennootschaps- of verenigingsrecht.]3
[6 19° de beginselen van voorzorg, preventie en zorgvuldigheid, hierna voorzorgsbeginsel genoemd: de mogelijkheid om, los van de vaststelling van een inbreuk op de bepalingen, bestuurlijke maatregelen te nemen als er in het kader van kinderopvang als vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan:
a) een risico is op een schending van de fysieke of psychische integriteit van de kinderen;
b) een vaststelling is van een ernstige gebeurtenis waarbij de fysieke of psychische integriteit van de kinderen is geschonden;
20° beleidsvoerend vermogen: de mate waarin de organisator in staat is om een zelfstandig beleid te voeren, rekening houdend met de beschikbare beleidsruimte, met de eigen doelstellingen en met de lokale context, en de mate waarin de activiteiten van de verantwoordelijke en van de medewerkers op elkaar zijn afgestemd in functie van het bijdragen aan de ontplooiing van het kind.]6
Onder meer de volgende activiteiten worden niet beschouwd als kinderopvang met betrekking tot baby's en peuters :
1° [2 jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 2, § 1, 30°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;]2
2° het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap;
3° het bieden van gezondheidszorg aan kinderen;
4° het passen op kinderen van klanten of bezoekers.
1° [4 agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;]4
[6 1° /1 algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;]6
2° kinderopvang : kinderopvang van baby's en peuters, [6 buiten de gezinswoning van het kind,]6 namelijk het beroepsmatig en tegen betaling opvoeden, bijdragen aan de ontwikkeling en verzorgen van baby's en peuters tot ze naar de kleuterschool, vermeld in artikel 3, 26°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gaan;
3° kinderopvanglocatie : een vestigingsplaats waar kinderopvang georganiseerd wordt;
4° organisator : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die kinderopvang organiseert;
5° verantwoordelijke : de persoon die door de organisator is aangewezen om de kwaliteitsvolle werking van de kinderopvanglocatie dagelijks te regelen;
6° kinderbegeleider : de persoon die door de organisator is aangewezen om de kinderen op te voeden, bij te dragen tot hun ontwikkeling en hen te verzorgen;
7° startvoorwaarde : de voorwaarde waaraan een organisator van kinderopvang moet voldoen voor de start van de werking van de kinderopvanglocatie om een vergunning te krijgen;
8° werkingsvoorwaarde : de voorwaarde waaraan een organisator van een vergunde kinderopvanglocatie moet voldoen om de vergunning te behouden;
9° lokaal bestuur : het gemeentebestuur en het bestuur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Voor de gemeenten uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden de opdrachten van het lokaal bestuur opgenomen door de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
10° lokaal loket kinderopvang : neutraal informatie- en ondersteuningspunt voor gezinnen met een vraag naar kinderopvang, in de vorm van een netwerk van actoren die relevant zijn voor kinderopvang;
11° toezichthouder : de organisatie die één of meerdere toezichtperso(o)n(en) aanwijst om ter plaatse te laten vaststellen of de organisator de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan naleeft, om [4 het agentschap]4 daarover te adviseren;
12° [3 private]3 toezichtpersoon : het personeelslid van de [3 private]3 toezichthouder dat toezicht houdt;
13° [5 ...]5
14° tegelijk aanwezige kinderen : alle baby's, peuters en kinderen die naar de basisschool gaan, en wat de kinderen die deel uitmaken van het gezin van de kinderbegeleider gezinsopvang betreft tot het einde van de kleuterschool, die gelijktijdig in de kinderopvanglocatie aanwezig zijn;
15° zorgregio : zorgregio niveau kleine stad, vermeld in artikel 2, 5°, van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen. De gemeenten behorend tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden beschouwd als één aparte zorgregio;
16° kwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties;
17° competentie : de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten.
[3 18° private toezichthouder: een toezichthouder die is vormgegeven volgens het private vennootschaps- of verenigingsrecht.]3
[6 19° de beginselen van voorzorg, preventie en zorgvuldigheid, hierna voorzorgsbeginsel genoemd: de mogelijkheid om, los van de vaststelling van een inbreuk op de bepalingen, bestuurlijke maatregelen te nemen als er in het kader van kinderopvang als vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan:
a) een risico is op een schending van de fysieke of psychische integriteit van de kinderen;
b) een vaststelling is van een ernstige gebeurtenis waarbij de fysieke of psychische integriteit van de kinderen is geschonden;
20° beleidsvoerend vermogen: de mate waarin de organisator in staat is om een zelfstandig beleid te voeren, rekening houdend met de beschikbare beleidsruimte, met de eigen doelstellingen en met de lokale context, en de mate waarin de activiteiten van de verantwoordelijke en van de medewerkers op elkaar zijn afgestemd in functie van het bijdragen aan de ontplooiing van het kind.]6
Onder meer de volgende activiteiten worden niet beschouwd als kinderopvang met betrekking tot baby's en peuters :
1° [2 jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 2, § 1, 30°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;]2
2° het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap;
3° het bieden van gezondheidszorg aan kinderen;
4° het passen op kinderen van klanten of bezoekers.
Modifications
Art. 2. Dans le présent décret, on entend par :
1° [4 agence : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Opgroeien regie " (Grandir régie), créée par l'article 3 du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir régie (" Opgroeien regie ") ;]4
[6 1° /1 règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ; ]6
2° accueil d'enfants : accueil de bébés et de bambins, [6 en dehors de l'habitation familiale de l'enfant, ]6 à savoir l'éducation à titre de profession et moyennant rémunération, la contribution au développement et la garde de bébés et de bambins jusqu'à ce qu'ils vont à l'école maternelle, visée à l'article 3, 26°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997;
3° emplacement d'accueil d'enfants : une implantation où l'on organise l'accueil d'enfants;
4° organisateur : la personne physique ou morale qui organise l'accueil d'enfants;
5° responsable : la personne désignée par l'organisateur pour régler quotidiennement le fonctionnement qualitatif de l'emplacement d'accueil d'enfants;
6° accompagnateur d'enfants : la personne désignée par l'organisateur pour éduquer les enfants, contribuer à leur développement et en prendre soin;
7° condition de départ : la condition que doit remplir un organisateur d'accueil d'enfants avant le début des activités de l'emplacement d'accueil d'enfants pour obtenir une autorisation;
8° condition de fonctionnement : la condition que doit remplir un organisateur d'un emplacement d'accueil d'enfants autorisé pour maintenir l'autorisation;
9° administration locale : l'administration communale et l'administration du centre public d'aide sociale. Pour les communes de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, les missions de l'administration locale sont reprises par la Commission communautaire flamande;
10° guichet local en matière d'accueil d'enfants : un point d'appui et d'information neutre pour les familles ayant une demande d'accueil d'enfants, sous forme d'un réseau d'acteurs pertinents pour l'accueil d'enfants;
11° surveillant : l'organisation qui désigne une ou plusieurs personnes chargée de la surveillance, afin d'établir sur place si l'organisateur respecte les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, afin de conseiller [4 l'agence]4 à ce sujet;
12° personne [3 privée]3 chargée de la surveillance : le membre du personnel [3 privé]3 du surveillant qui exerce la surveillance;
13° [5 ...]5
14° le nombre d'enfants présents simultanément : tous les bébés, bambins et enfants fréquentant l'enseignement fondamental, et, en ce qui concerne les enfants appartenant à la famille de l'accompagnateur d'enfants de l'accueil familial, jusqu'à la fin de l'école maternelle, qui sont simultanément présents dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
15° région de soins : région de soins au niveau de la petite ville telle que visée à l'article 2, 5°, du décret du 23 mai 2003 relatif à la répartition en régions de soins et relatif à la coopération et à la programmation de structures de santé et de structures d'aide sociale. Les communes appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale sont considérées comme une seule région de soins distincte;
16° qualification : un ensemble complet et intégré de compétences;
17° compétence : la capacité d'appliquer des savoirs, aptitudes et attitudes de façon intégrée dans l'action pour des activités sociales.
[3 18° surveillant privé : un surveillant de droit privé des sociétés ou des associations.]3
[6 19° les principes de précaution, de prévention et de minutie, ci-après dénommés le principe de précaution : la possibilité de prendre des mesures administratives, indépendamment de la constatation d'une infraction aux dispositions, si, dans le cadre de l'accueil d'enfants tel que visé au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution :
a) il y a un risque de violation de l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
b) il y a une constatation d'un événement grave d'atteinte à l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
20° pouvoir gestionnel : la mesure dans laquelle l'organisateur est en mesure de mener une politique autonome, compte tenu de la marge de manoeuvre politique disponible, des propres objectifs et du contexte local, et la mesure dans laquelle les activités du responsable et des collaborateurs sont alignées en vue de contribuer à l'épanouissement des enfants.]6
Entre autres les activités suivantes ne sont pas considérées comme l'accueil d'enfants relatif aux bébés et aux bambins :
1° [2 aide à la jeunesse telle que visée à l'article 2, § 1er, 30°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse;]2
2° l'offre de soins exclusifs à des enfants handicapés;
3° l'offre de soins de santé à des enfants;
4° la garde d'enfants de clients ou de visiteurs.
1° [4 agence : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Opgroeien regie " (Grandir régie), créée par l'article 3 du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir régie (" Opgroeien regie ") ;]4
[6 1° /1 règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ; ]6
2° accueil d'enfants : accueil de bébés et de bambins, [6 en dehors de l'habitation familiale de l'enfant, ]6 à savoir l'éducation à titre de profession et moyennant rémunération, la contribution au développement et la garde de bébés et de bambins jusqu'à ce qu'ils vont à l'école maternelle, visée à l'article 3, 26°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997;
3° emplacement d'accueil d'enfants : une implantation où l'on organise l'accueil d'enfants;
4° organisateur : la personne physique ou morale qui organise l'accueil d'enfants;
5° responsable : la personne désignée par l'organisateur pour régler quotidiennement le fonctionnement qualitatif de l'emplacement d'accueil d'enfants;
6° accompagnateur d'enfants : la personne désignée par l'organisateur pour éduquer les enfants, contribuer à leur développement et en prendre soin;
7° condition de départ : la condition que doit remplir un organisateur d'accueil d'enfants avant le début des activités de l'emplacement d'accueil d'enfants pour obtenir une autorisation;
8° condition de fonctionnement : la condition que doit remplir un organisateur d'un emplacement d'accueil d'enfants autorisé pour maintenir l'autorisation;
9° administration locale : l'administration communale et l'administration du centre public d'aide sociale. Pour les communes de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, les missions de l'administration locale sont reprises par la Commission communautaire flamande;
10° guichet local en matière d'accueil d'enfants : un point d'appui et d'information neutre pour les familles ayant une demande d'accueil d'enfants, sous forme d'un réseau d'acteurs pertinents pour l'accueil d'enfants;
11° surveillant : l'organisation qui désigne une ou plusieurs personnes chargée de la surveillance, afin d'établir sur place si l'organisateur respecte les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, afin de conseiller [4 l'agence]4 à ce sujet;
12° personne [3 privée]3 chargée de la surveillance : le membre du personnel [3 privé]3 du surveillant qui exerce la surveillance;
13° [5 ...]5
14° le nombre d'enfants présents simultanément : tous les bébés, bambins et enfants fréquentant l'enseignement fondamental, et, en ce qui concerne les enfants appartenant à la famille de l'accompagnateur d'enfants de l'accueil familial, jusqu'à la fin de l'école maternelle, qui sont simultanément présents dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
15° région de soins : région de soins au niveau de la petite ville telle que visée à l'article 2, 5°, du décret du 23 mai 2003 relatif à la répartition en régions de soins et relatif à la coopération et à la programmation de structures de santé et de structures d'aide sociale. Les communes appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale sont considérées comme une seule région de soins distincte;
16° qualification : un ensemble complet et intégré de compétences;
17° compétence : la capacité d'appliquer des savoirs, aptitudes et attitudes de façon intégrée dans l'action pour des activités sociales.
[3 18° surveillant privé : un surveillant de droit privé des sociétés ou des associations.]3
[6 19° les principes de précaution, de prévention et de minutie, ci-après dénommés le principe de précaution : la possibilité de prendre des mesures administratives, indépendamment de la constatation d'une infraction aux dispositions, si, dans le cadre de l'accueil d'enfants tel que visé au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution :
a) il y a un risque de violation de l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
b) il y a une constatation d'un événement grave d'atteinte à l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
20° pouvoir gestionnel : la mesure dans laquelle l'organisateur est en mesure de mener une politique autonome, compte tenu de la marge de manoeuvre politique disponible, des propres objectifs et du contexte local, et la mesure dans laquelle les activités du responsable et des collaborateurs sont alignées en vue de contribuer à l'épanouissement des enfants.]6
Entre autres les activités suivantes ne sont pas considérées comme l'accueil d'enfants relatif aux bébés et aux bambins :
1° [2 aide à la jeunesse telle que visée à l'article 2, § 1er, 30°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse;]2
2° l'offre de soins exclusifs à des enfants handicapés;
3° l'offre de soins de santé à des enfants;
4° la garde d'enfants de clients ou de visiteurs.
Modifications
Afdeling 2. - Doelstellingen en beginselen
Section 2. - Objectifs et principes
Art. 3. De Vlaamse Gemeenschap beoogt met kinderopvang een dienstverlening aan gezinnen die een economische, pedagogische en sociale functie heeft, die kwaliteitsvol, beschikbaar, betaalbaar en rechtstreeks toegankelijk is voor elk kind zonder onderscheid, in aanvulling op de opvoeding van het kind in zijn gezin, met respect voor de draagkracht van het kind, zijn thuismilieu en de keuzevrijheid van het gezin.
Binnen het beschikbare aanbod aan kinderopvang heeft elk gezin met een behoefte aan kinderopvang, recht op kinderopvang. [1 ...]1
De kinderopvang wordt in de Vlaamse Gemeenschap uitgebouwd met als doel aan alle gezinnen die behoefte hebben aan kinderopvang binnen een redelijke termijn en op een redelijke afstand een kwaliteitsvolle en betaalbare opvangplaats te kunnen aanbieden.
[1 De Vlaamse Gemeenschap ontwikkelt een financieringskader met het oog op een duurzame uitbouw van de kinderopvang, zowel kwalitatief als kwantitatief.
De uitbouw van bovenstaande aspecten binnen de kinderopvang gebeurt binnen een afgesproken budgettair kader.]1
Lokale loketten, zoals vermeld in artikel 13, moeten voor alle gezinnen de toegankelijkheid van kinderopvanglocaties, vermeld in het eerste lid, bevorderen.
Zolang het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, bepaalt de Vlaamse Regering in functie van de toegankelijkheid welke groepen bij voorrang kunnen gebruik maken van het aanbod waarvoor de organisator een subsidie ontvangt als vermeld in artikel 8 en 9.
De Vlaamse Regering houdt bij de programmatie van de [2 subsidies]2, zoals vermeld in artikel 8 en 9, rekening met een wetenschappelijk onderbouwde raming van de behoefte aan kinderopvang die minstens uitgaat van :
1° de vastgestelde nataliteit en de prognose van de toekomstige nataliteit in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° het aantal kinderen dat kinderopvang gebruikt;
3° de gezinskenmerken en de werksituatie van gezinnen met niet-schoolgaande kinderen, vooral in het kader van de stimulering van de tewerkstellingsgraad;
4° het aantal plaatsen in vergunde kinderopvanglocaties en de bezetting ervan;
5° de kenmerken van de gemeente.
Binnen het beschikbare aanbod aan kinderopvang heeft elk gezin met een behoefte aan kinderopvang, recht op kinderopvang. [1 ...]1
De kinderopvang wordt in de Vlaamse Gemeenschap uitgebouwd met als doel aan alle gezinnen die behoefte hebben aan kinderopvang binnen een redelijke termijn en op een redelijke afstand een kwaliteitsvolle en betaalbare opvangplaats te kunnen aanbieden.
[1 De Vlaamse Gemeenschap ontwikkelt een financieringskader met het oog op een duurzame uitbouw van de kinderopvang, zowel kwalitatief als kwantitatief.
De uitbouw van bovenstaande aspecten binnen de kinderopvang gebeurt binnen een afgesproken budgettair kader.]1
Lokale loketten, zoals vermeld in artikel 13, moeten voor alle gezinnen de toegankelijkheid van kinderopvanglocaties, vermeld in het eerste lid, bevorderen.
Zolang het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, bepaalt de Vlaamse Regering in functie van de toegankelijkheid welke groepen bij voorrang kunnen gebruik maken van het aanbod waarvoor de organisator een subsidie ontvangt als vermeld in artikel 8 en 9.
De Vlaamse Regering houdt bij de programmatie van de [2 subsidies]2, zoals vermeld in artikel 8 en 9, rekening met een wetenschappelijk onderbouwde raming van de behoefte aan kinderopvang die minstens uitgaat van :
1° de vastgestelde nataliteit en de prognose van de toekomstige nataliteit in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° het aantal kinderen dat kinderopvang gebruikt;
3° de gezinskenmerken en de werksituatie van gezinnen met niet-schoolgaande kinderen, vooral in het kader van de stimulering van de tewerkstellingsgraad;
4° het aantal plaatsen in vergunde kinderopvanglocaties en de bezetting ervan;
5° de kenmerken van de gemeente.
Art. 3. Dans le cadre de l'accueil d'enfants, la Communauté flamande vise à offrir aux familles des services ayant une fonction économique, pédagogique et sociale, qui sont qualitatifs, disponibles, abordable et directement accessibles à chaque enfant sans distinction, à titre de complément à l'éducation de l'enfant au sein de sa famille, en respectant la capacité de l'enfant, son environnement familial et la liberté de choix de la famille.
Au sein de l'offre disponible d'accueil d'enfants, chaque famille ayant un besoin d'accueil d'enfants a droit à l'accueil. [1 ...]1
Dans la Communauté flamande l'accueil d'enfants est élaboré dans le but de pouvoir offrir, à toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, une place d'accueil qualitative et abordable, dans un délai raisonnable et à une distance raisonnable.
[1 La Communauté flamande élabore un cadre de financement en vue d'un développement durable de l'accueil d'enfants, tant sur le plan qualitatif que quantitatif.
Le développement des aspects précités dans l'accueil d'enfants se fait dans un cadre budgétaire convenu.]1
Des guichets locaux, tels que visés à l'article 13 doivent promouvoir l'accessibilité des emplacements d'accueil d'enfants, visée à l'alinéa premier, pour toutes les familles.
Tant que l'offre ne suffit pas pour toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, le Gouvernement flamand détermine, en fonction de l'accessibilité, les groupes pouvant utiliser par priorité l'offre pour laquelle l'organisateur reçoit une subvention telle que visée aux articles 8 et 9.
Lors de la programmation des [2 subventions]2, telle que visée aux articles 8 et 9, le Gouvernement flamand tient compte d'une estimation scientifiquement étayée du besoin d'accueil d'enfants qui est basée au moins sur :
1° la natalité constatée et la prévision de la natalité future dans la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale;
2° le nombre d'enfants faisant appel à l'accueil d'enfants;
3° les caractéristiques familiales et la situation de travail des familles ayant des enfants non scolarisés, surtout dans le cadre de la stimulation du taux d'activité;
4° le nombre de places dans des emplacements d'accueil d'enfants autorisés et leur occupation;
5° les caractéristiques de la commune.
Au sein de l'offre disponible d'accueil d'enfants, chaque famille ayant un besoin d'accueil d'enfants a droit à l'accueil. [1 ...]1
Dans la Communauté flamande l'accueil d'enfants est élaboré dans le but de pouvoir offrir, à toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, une place d'accueil qualitative et abordable, dans un délai raisonnable et à une distance raisonnable.
[1 La Communauté flamande élabore un cadre de financement en vue d'un développement durable de l'accueil d'enfants, tant sur le plan qualitatif que quantitatif.
Le développement des aspects précités dans l'accueil d'enfants se fait dans un cadre budgétaire convenu.]1
Des guichets locaux, tels que visés à l'article 13 doivent promouvoir l'accessibilité des emplacements d'accueil d'enfants, visée à l'alinéa premier, pour toutes les familles.
Tant que l'offre ne suffit pas pour toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, le Gouvernement flamand détermine, en fonction de l'accessibilité, les groupes pouvant utiliser par priorité l'offre pour laquelle l'organisateur reçoit une subvention telle que visée aux articles 8 et 9.
Lors de la programmation des [2 subventions]2, telle que visée aux articles 8 et 9, le Gouvernement flamand tient compte d'une estimation scientifiquement étayée du besoin d'accueil d'enfants qui est basée au moins sur :
1° la natalité constatée et la prévision de la natalité future dans la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale;
2° le nombre d'enfants faisant appel à l'accueil d'enfants;
3° les caractéristiques familiales et la situation de travail des familles ayant des enfants non scolarisés, surtout dans le cadre de la stimulation du taux d'activité;
4° le nombre de places dans des emplacements d'accueil d'enfants autorisés et leur occupation;
5° les caractéristiques de la commune.
HOOFDSTUK 2. - Vergunningsstelsel
CHAPITRE 2. - Système d'autorisation
Afdeling 1. - Vergunningsplicht
Section 1re. - Obligation d'autorisation
Art. 4. Een organisator moet over een of meer van de volgende vergunningen van [2 het agentschap]2 beschikken om kinderopvang te kunnen organiseren :
1° vergunning voor gezinsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind, voor maximaal acht tegelijk aanwezige kinderen;
2° vergunning voor groepsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind, en er minimaal negen tegelijk aanwezige kinderen kunnen zijn;
3° vergunning voor opvang aan huis, als de organisator van kinderopvang uitsluitend kinderen in hun eigen gezinswoning opvangt.
Een natuurlijke persoon die kinderopvang organiseert in een kinderopvanglocatie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kan vrijwillig een vergunning aanvragen bij [2 het agentschap]2.
Een vergunning wordt toegekend door [2 het agentschap]2 als uit passend onderzoek door een toezichthouder of door [2 het agentschap]2, zoals vermeld in artikel 16, blijkt dat de organisator van de kinderopvanglocatie voldoet aan de startvoorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. [3 Het passend onderzoek heeft minstens betrekking op de aanwezigheid van het beleidsvoerend vermogen, vermeld in artikel 6, § 1.]3
Als de organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, geldt een vergunning voor onbepaalde duur, met behoud van de toepassing van artikel 19.
De organisator meldt tijdig de tijdelijke of definitieve stopzetting van de kinderopvang of elke wijziging die gevolgen heeft voor de vergunning aan [2 het agentschap]2 en aan de gezinnen van de op te vangen kinderen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de toekenning [1 en de wijziging]1 [1 ...]1 van de vergunning, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen, evenals de procedure om een sanctie op te leggen als een stopzetting of een wijziging die gevolgen heeft voor de vergunning, niet of niet tijdig wordt gemeld.
1° vergunning voor gezinsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind, voor maximaal acht tegelijk aanwezige kinderen;
2° vergunning voor groepsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind, en er minimaal negen tegelijk aanwezige kinderen kunnen zijn;
3° vergunning voor opvang aan huis, als de organisator van kinderopvang uitsluitend kinderen in hun eigen gezinswoning opvangt.
Een natuurlijke persoon die kinderopvang organiseert in een kinderopvanglocatie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kan vrijwillig een vergunning aanvragen bij [2 het agentschap]2.
Een vergunning wordt toegekend door [2 het agentschap]2 als uit passend onderzoek door een toezichthouder of door [2 het agentschap]2, zoals vermeld in artikel 16, blijkt dat de organisator van de kinderopvanglocatie voldoet aan de startvoorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. [3 Het passend onderzoek heeft minstens betrekking op de aanwezigheid van het beleidsvoerend vermogen, vermeld in artikel 6, § 1.]3
Als de organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, geldt een vergunning voor onbepaalde duur, met behoud van de toepassing van artikel 19.
De organisator meldt tijdig de tijdelijke of definitieve stopzetting van de kinderopvang of elke wijziging die gevolgen heeft voor de vergunning aan [2 het agentschap]2 en aan de gezinnen van de op te vangen kinderen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de toekenning [1 en de wijziging]1 [1 ...]1 van de vergunning, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen, evenals de procedure om een sanctie op te leggen als een stopzetting of een wijziging die gevolgen heeft voor de vergunning, niet of niet tijdig wordt gemeld.
Art. 4. Un organisateur doit disposer d'une ou de plusieurs autorisations suivantes de [2 l'agence]2 afin de pouvoir organiser l'accueil d'enfants :
1° autorisation pour l'accueil familial, lorsque l'accueil d'enfants a lieu en dehors du logement familial de l'enfant, pour un maximum de huit enfants présents simultanément;
2° autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants, lorsque l'accueil d'enfants a lieu en dehors du logement familial de l'enfant, et lorsqu'un maximum de neuf enfants peuvent être présents simultanément;
3° autorisation pour l'accueil à domicile, lorsque l'organisateur de l'accueil d'enfants n'accueille les enfants que dans leur propre logement familial.
Une personne physique qui organise l'accueil d'enfants dans un emplacement d'accueil d'enfants dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale peut demander volontairement une autorisation auprès de [2 l'agence]2.
Une autorisation est accordée par [2 l'agence]2 lorsqu'un examen approprié, effectué par un surveillant ou par [2 l'agence]2, tel que visé à l'article 16, démontre que l'organisateur de l'emplacement d'accueil d'enfants remplit les conditions de départ, visées au présent décret et à ses arrêtés d'exécution. [3 L'examen approprié porte au moins sur la présence du pouvoir gestionnel, visé à l'article 6, § 1er. ]3
Lorsque l'organisateur remplit les conditions, visées au présent décret et à ses arrêtés d'exécution, une autorisation à durée indéterminée s'applique, sans préjudice de l'application de l'article 19.
L'organisateur informe [2 l'agence]2 et les familles des enfants à accueillir à temps de la cessation temporaire ou définitive de l'accueil d'enfants ou de toute modification ayant des effets pour l'autorisation.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de demande, d'octroi [1 et de modification]1 [1 ...]1 de l'autorisation, y compris la possibilité de déposer une réclamation, ainsi que la procédure d'imposer une sanction lorsqu'une cessation ou une modification qui a des effets pour l'autorisation, n'est pas communiquée ou n'est pas communiquée à temps.
1° autorisation pour l'accueil familial, lorsque l'accueil d'enfants a lieu en dehors du logement familial de l'enfant, pour un maximum de huit enfants présents simultanément;
2° autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants, lorsque l'accueil d'enfants a lieu en dehors du logement familial de l'enfant, et lorsqu'un maximum de neuf enfants peuvent être présents simultanément;
3° autorisation pour l'accueil à domicile, lorsque l'organisateur de l'accueil d'enfants n'accueille les enfants que dans leur propre logement familial.
Une personne physique qui organise l'accueil d'enfants dans un emplacement d'accueil d'enfants dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale peut demander volontairement une autorisation auprès de [2 l'agence]2.
Une autorisation est accordée par [2 l'agence]2 lorsqu'un examen approprié, effectué par un surveillant ou par [2 l'agence]2, tel que visé à l'article 16, démontre que l'organisateur de l'emplacement d'accueil d'enfants remplit les conditions de départ, visées au présent décret et à ses arrêtés d'exécution. [3 L'examen approprié porte au moins sur la présence du pouvoir gestionnel, visé à l'article 6, § 1er. ]3
Lorsque l'organisateur remplit les conditions, visées au présent décret et à ses arrêtés d'exécution, une autorisation à durée indéterminée s'applique, sans préjudice de l'application de l'article 19.
L'organisateur informe [2 l'agence]2 et les familles des enfants à accueillir à temps de la cessation temporaire ou définitive de l'accueil d'enfants ou de toute modification ayant des effets pour l'autorisation.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de demande, d'octroi [1 et de modification]1 [1 ...]1 de l'autorisation, y compris la possibilité de déposer une réclamation, ainsi que la procédure d'imposer une sanction lorsqu'une cessation ou une modification qui a des effets pour l'autorisation, n'est pas communiquée ou n'est pas communiquée à temps.
Art. 5. [1 De vergunning bevat]1 minstens de volgende gegevens :
1° de organisator;
2° de vestigingsplaats;
3° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, namelijk het maximaal toegestane aantal tegelijk aanwezige kinderen in de kinderopvanglocatie;
4° de datum van de toekenning van de vergunning.
[1 ...]1
De Vlaamse Regering kan bijkomende op te nemen gegevens bepalen.
Als de gegevens, vermeld in het eerste en het tweede lid, die op de uitgereikte vergunning staan, niet meer met de werkelijkheid overeenstemmen of als er anderszins aanleiding bestaat om die gegevens te wijzigen, moet een nieuwe of aangepaste vergunning worden aangevraagd volgens de procedure, vermeld in artikel 4, zesde lid.
1° de organisator;
2° de vestigingsplaats;
3° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, namelijk het maximaal toegestane aantal tegelijk aanwezige kinderen in de kinderopvanglocatie;
4° de datum van de toekenning van de vergunning.
[1 ...]1
De Vlaamse Regering kan bijkomende op te nemen gegevens bepalen.
Als de gegevens, vermeld in het eerste en het tweede lid, die op de uitgereikte vergunning staan, niet meer met de werkelijkheid overeenstemmen of als er anderszins aanleiding bestaat om die gegevens te wijzigen, moet een nieuwe of aangepaste vergunning worden aangevraagd volgens de procedure, vermeld in artikel 4, zesde lid.
Modifications
Art. 5. [1 L'autorisation comporte]1 au moins les données suivantes :
1° l'organisateur;
2° l'implantation;
3° le nombre de places d'accueil autorisées, à savoir le nombre maximal autorisé d'enfants présents simultanément dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
4° la date d'octroi de l'autorisation.
[1 ...]1
Le Gouvernement flamand peut déterminer des données supplémentaires à reprendre.
Lorsque les données, visées aux alinéas premier et deux, reprises sur l'autorisation délivrée, ne correspondent plus à la réalité ou s'il y a lieu d'une autre manière de modifier ces données, une autorisation nouvelle ou adaptée doit être demandée selon la procédure visée à l'article 4, alinéa six.
1° l'organisateur;
2° l'implantation;
3° le nombre de places d'accueil autorisées, à savoir le nombre maximal autorisé d'enfants présents simultanément dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
4° la date d'octroi de l'autorisation.
[1 ...]1
Le Gouvernement flamand peut déterminer des données supplémentaires à reprendre.
Lorsque les données, visées aux alinéas premier et deux, reprises sur l'autorisation délivrée, ne correspondent plus à la réalité ou s'il y a lieu d'une autre manière de modifier ces données, une autorisation nouvelle ou adaptée doit être demandée selon la procédure visée à l'article 4, alinéa six.
Modifications
Afdeling 2. - Vergunningsvoorwaarden
Section 2. - Conditions d'autorisation
Art. 6. § 1. [4 . De organisator heeft de integriteit en het beleidsvoerend vermogen om op een rechtmatige manier, rekening houdend met de geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle en duurzame kinderopvang te organiseren.
De naleving van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de manier waarop de volgende aspecten in de vergunde werking aanwezig zijn:
1° duidelijk leiderschap, met een gestructureerde werkomgeving waar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk worden toebedeeld en waarbij de organisator ervoor zorgt dat alle medewerkers minstens de geïntegreerde aanpak, vermeld in punt 2°, kennen en toepassen;
2° een geïntegreerde aanpak van al de volgende thema's:
a) infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;
b) veiligheid en gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;
c) omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens:
1) respect voor integriteit en niet-discriminatie;
2) pedagogisch beleid met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal, emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
3) betrokkenheid en participatie van de gezinnen;
4) huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst;
5) inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister;
d) personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot:
1) de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
2) de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens een van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;
3) andere personen met regelmatig direct contact;
e) organisatorisch management van de kinderopvanglocatie, minstens het medewerkersbeleid, de algemene en financiële werking, de leefgroepindeling en de klachtenbehandeling;
f) samenwerking met het agentschap, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur;
3° een reflectieve, proactieve en reactieve houding met het oog op een voortdurende verbetering van de eigen werking, rekening houdend met de feedback en input van gezinnen, medewerkers en relevante expertise van externe organisaties;
4° een innovatieve houding, waarbij er oog is voor vernieuwing, rekening houdend met ontwikkelingen in de omgeving, de samenleving en de regelgeving;
5° doeltreffende communicatie en transparantie, waarbij erop gelet wordt dat de nodige en correcte informatie tijdig en duidelijk bij de juiste mensen terechtkomt, waaronder de personen die werken in de kinderopvanglocatie en de gezinnen van de opgevangen kinderen;
6° samenwerking en transparante communicatie met het agentschap, het lokaal bestuur, het lokaal loket kinderopvang en andere lokale partners.
De organisator zorgt voor ondersteuning voor zichzelf en voor zijn medewerkers voor alle voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator kan de naleving van alle voorwaarden als vermeld in het eerste, tweede en derde lid aantonen op basis van onder meer documentatie]4.
§ 2.[4 ...]4
§ 3.[4 ...]4
§ 4. [4 De organisator controleert bij de aanstelling van elke nieuwe verantwoordelijke en kinderbegeleider en voor elke andere meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, het goed zedelijk gedrag van de betrokkene dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon. De organisator controleert van de zaakvoerders en bestuurders het goed zedelijk gedrag, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 5, § 1, § 2 en § 3, eerste, tweede en vijfde lid, van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, zijn van toepassing bij de controle, vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator zorgt er via een schriftelijk document voor dat elke persoon als vermeld in het eerste en tweede lid, die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek of een veroordeling oploopt met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen, dat verplicht meldt aan de organisator. Onder schriftelijk document kan ook verstaan worden het arbeidsreglement van een organisator.
De organisator voert een nieuwe controle uit zoals bedoeld in het eerste lid op het ogenblik dat hij informatie ontvangt, ofwel via de meldingsplicht, ofwel op een andere wijze, over het opstarten van een strafonderzoek of over het oplopen van een nieuwe veroordeling met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen. Het resultaat van de controle of het niet naleven van de meldingsplicht kunnen arbeidsrechtelijke of contractuele gevolgen hebben voor de verantwoordelijke, de kinderbegeleider of de meerderjarige personen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen.
De organisator vraagt een nieuw uittreksel uit het strafregister op na elke periode van drie jaar]4.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en maakt daarbij een onderscheid tussen de startvoorwaarden en de werkingsvoorwaarden.
De Vlaamse Regering bepaalt de competenties voor kinderopvang.
§ 6. De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 6, paragraaf 1, 2°, wordt vastgelegd in een attest over brandveiligheid. Dat attest wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de kinderopvanglocatie gelegen is, met de medewerking van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De Vlaamse Regering kan voorzien in meerdere attesten, die verschillen volgens de mate waarin de specifieke brandveiligheidsvoorschriften in acht genomen zijn.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens het model en de geldigheidsduur van het attest of van elk van de attesten, de regels voor de afgifte en de verlenging van het attest of de attesten. De Vlaamse Regering kan bovendien voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing van de burgemeester tot weigering van een attest dat de organisatie van een kinderopvanglocatie mogelijk maakt, of tegen het uitblijven van een beslissing van de burgemeester over het afgeven of verlengen van een attest.
§ 7. De Vlaamse Regering kan, op vraag van een organisator, een afwijking toestaan op de naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan.
De naleving van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de manier waarop de volgende aspecten in de vergunde werking aanwezig zijn:
1° duidelijk leiderschap, met een gestructureerde werkomgeving waar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk worden toebedeeld en waarbij de organisator ervoor zorgt dat alle medewerkers minstens de geïntegreerde aanpak, vermeld in punt 2°, kennen en toepassen;
2° een geïntegreerde aanpak van al de volgende thema's:
a) infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;
b) veiligheid en gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;
c) omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens:
1) respect voor integriteit en niet-discriminatie;
2) pedagogisch beleid met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal, emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
3) betrokkenheid en participatie van de gezinnen;
4) huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst;
5) inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister;
d) personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot:
1) de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
2) de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens een van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;
3) andere personen met regelmatig direct contact;
e) organisatorisch management van de kinderopvanglocatie, minstens het medewerkersbeleid, de algemene en financiële werking, de leefgroepindeling en de klachtenbehandeling;
f) samenwerking met het agentschap, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur;
3° een reflectieve, proactieve en reactieve houding met het oog op een voortdurende verbetering van de eigen werking, rekening houdend met de feedback en input van gezinnen, medewerkers en relevante expertise van externe organisaties;
4° een innovatieve houding, waarbij er oog is voor vernieuwing, rekening houdend met ontwikkelingen in de omgeving, de samenleving en de regelgeving;
5° doeltreffende communicatie en transparantie, waarbij erop gelet wordt dat de nodige en correcte informatie tijdig en duidelijk bij de juiste mensen terechtkomt, waaronder de personen die werken in de kinderopvanglocatie en de gezinnen van de opgevangen kinderen;
6° samenwerking en transparante communicatie met het agentschap, het lokaal bestuur, het lokaal loket kinderopvang en andere lokale partners.
De organisator zorgt voor ondersteuning voor zichzelf en voor zijn medewerkers voor alle voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator kan de naleving van alle voorwaarden als vermeld in het eerste, tweede en derde lid aantonen op basis van onder meer documentatie]4.
§ 2.[4 ...]4
§ 3.[4 ...]4
§ 4. [4 De organisator controleert bij de aanstelling van elke nieuwe verantwoordelijke en kinderbegeleider en voor elke andere meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, het goed zedelijk gedrag van de betrokkene dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon. De organisator controleert van de zaakvoerders en bestuurders het goed zedelijk gedrag, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 5, § 1, § 2 en § 3, eerste, tweede en vijfde lid, van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, zijn van toepassing bij de controle, vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator zorgt er via een schriftelijk document voor dat elke persoon als vermeld in het eerste en tweede lid, die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek of een veroordeling oploopt met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen, dat verplicht meldt aan de organisator. Onder schriftelijk document kan ook verstaan worden het arbeidsreglement van een organisator.
De organisator voert een nieuwe controle uit zoals bedoeld in het eerste lid op het ogenblik dat hij informatie ontvangt, ofwel via de meldingsplicht, ofwel op een andere wijze, over het opstarten van een strafonderzoek of over het oplopen van een nieuwe veroordeling met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen. Het resultaat van de controle of het niet naleven van de meldingsplicht kunnen arbeidsrechtelijke of contractuele gevolgen hebben voor de verantwoordelijke, de kinderbegeleider of de meerderjarige personen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen.
De organisator vraagt een nieuw uittreksel uit het strafregister op na elke periode van drie jaar]4.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en maakt daarbij een onderscheid tussen de startvoorwaarden en de werkingsvoorwaarden.
De Vlaamse Regering bepaalt de competenties voor kinderopvang.
§ 6. De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 6, paragraaf 1, 2°, wordt vastgelegd in een attest over brandveiligheid. Dat attest wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de kinderopvanglocatie gelegen is, met de medewerking van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De Vlaamse Regering kan voorzien in meerdere attesten, die verschillen volgens de mate waarin de specifieke brandveiligheidsvoorschriften in acht genomen zijn.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens het model en de geldigheidsduur van het attest of van elk van de attesten, de regels voor de afgifte en de verlenging van het attest of de attesten. De Vlaamse Regering kan bovendien voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing van de burgemeester tot weigering van een attest dat de organisatie van een kinderopvanglocatie mogelijk maakt, of tegen het uitblijven van een beslissing van de burgemeester over het afgeven of verlengen van een attest.
§ 7. De Vlaamse Regering kan, op vraag van een organisator, een afwijking toestaan op de naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan.
Art. 6. § 1er. [4 L'organisateur fait preuve de l'intégrité et dispose du pouvoir gestionnel lui permettant d'organiser une garde d'enfants de manière légitime, en tenant compte des normes et valeurs en vigueur, de qualité et durable.
Le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, est attesté par la manière dont les aspects suivants sont présents dans le fonctionnement autorisé :
1° une direction claire, dans un environnement de travail structuré, où les compétences et les responsabilités sont clairement attribuées et où l'organisateur veille à ce que l'ensemble des collaborateurs connaissent et appliquent au moins l'approche intégrée visée au point 2° ;
2° une approche intégrée de tous les thèmes suivants :
a) l'infrastructure, au moins l'espace destiné à l'accueil d'enfants, son équipement et son aménagement ;
b) la santé et la sécurité, y compris les exigences spécifiques en matière de sécurité incendie pour les milieux d'accueil d'enfants, sans préjudice de l'application des normes de base fédérales en matière de sécurité incendie des bâtiments ;
c) les contacts avec les enfants et les familles, dont au moins :
1) le respect de l'intégrité et de la non-discrimination ;
2) une politique pédagogique visant à encourager le développement physique, cognitif, social, émotionnel, communicatif, créatif et moral de chaque enfant, et à assurer le bien-être et la participation de chaque enfant ;
3) l'engagement et la participation des familles ;
4) le règlement d'ordre intérieur et la convention écrite ;
5) la fiche d'information et le registre de présence ;
d) les personnes employées au sein du milieu d'accueil d'enfants, au moins en ce qui concerne :
1) le responsable, comme sa qualification et sa connaissance active de la langue néerlandaise ;
2) l'accompagnateur d'enfants, comme sa qualification, le nombre d'accompagnateurs d'enfants par rapport au nombre d'enfants présents simultanément, et pour au moins un des accompagnateurs d'enfants la connaissance active de la langue néerlandaise ;
3) d'autres personnes en contact direct et régulier ;
e) la gestion organisationnelle du milieu d'accueil d'enfants, au moins la politique du personnel, le fonctionnement général et financier, la division en groupes de vie et le traitement des plaintes ;
f) la coopération avec l'agence, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et l'administration locale ;
3° une attitude réflective, proactive et réactive en vue d'une amélioration continue du propre fonctionnement, en tenant compte du feed-back et de la contribution des familles, des collaborateurs et de l'expertise pertinente d'organisations externes ;
4° une attitude innovante, en portant une attention à la modernisation, compte tenu des évolutions de l'environnement, de la société et des réglementations ;
5° une communication efficace et toute la transparence requise, en veillant à ce que les informations nécessaires et correctes parviennent aux bonnes personnes en temps voulu et de manière claire, dont les personnes employées au sein du milieu d'accueil et les familles des enfants gardés ;
6° une coopération et une communication transparente avec l'agence, l'administration locale, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et d'autres partenaires locaux.
L'organisateur fournit un soutien pour lui-même et ses collaborateurs pour toutes les conditions visées aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur est capable de démontrer le respect de toutes les conditions visées aux alinéas 1er, 2 et 3, sur la base, entre autres, d'une documentation]4
§ 2. [4 ...]4
§ 3. [4 ...]4
§ 4. [4 Lors de la désignation de chaque nouveau responsable et accompagnateur d'enfants, et pour toute autre personne majeure ayant un contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, l'organisateur vérifie la bonne conduite de la personne concernée, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
Lorsque l'organisateur est une personne morale, l'organisateur dispose d'un extrait du casier judiciaire central au nom de la personne morale. L'organisateur vérifie la bonne conduite des gérants et des administrateurs, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
L'article 3, alinéas 2 à 5, l'article 4, alinéa 1er, 1°, et l'article 5, § 1er, § 2 et § 3, alinéas 1er, 2 et 5, du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, s'appliquent au contrôle visé aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur veille, par le biais d'un document écrit, à ce que toute personne telle que visée aux alinéas 1er et 2, qui fait l'objet d'une enquête pénale ou d'une condamnation pour des faits à l'encontre de mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs, le signale obligatoirement à l'organisateur. Par document écrit, on peut également entendre le règlement de travail d'un organisateur.
L'organisateur procède à un nouveau contrôle tel que visé à l'alinéa 1er au moment où il est informé, soit par l'obligation de notification, soit par d'autres moyens, de l'ouverture d'une enquête pénale ou de la survenance d'une nouvelle condamnation pour des faits à l'encontre des mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. Le résultat du contrôle ou le non-respect de l'obligation de notification peut avoir des conséquences concernant le droit du travail ou contractuelles pour le responsable, l'accompagnateur d'enfants ou les personnes majeures qui sont en contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants.
L'organisateur demande un nouvel extrait de casier judiciaire après chaque période de trois ans]4.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant les paragraphes 1er à 4 inclus, en faisant une distinction entre les conditions de départ et les conditions de fonctionnement.
Le Gouvernement flamand arrête les compétences pour l'accueil d'enfants.
§ 6. Le respect des prescriptions spécifiques en matière de sécurité incendie, visées à l'article 6, paragraphe 1er, 2°, est établi dans une attestation sur la sécurité incendie. Cette attestation est délivrée par le bourgmestre de la commune dans laquelle l'emplacement d'accueil d'enfants est situé, avec la collaboration du service d'incendie territorialement compétent. Le Gouvernement flamand peut prévoir plusieurs attestations qui diffèrent selon la mesure dans laquelle les prescriptions spécifiques en matière de sécurité incendie ont été prises en considération.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, au moins le modèle et la durée de validité de l'attestation ou de chacune des attestations, les règles de délivrance et de prolongation de l'attestation ou des attestations. Le Gouvernement flamand peut en outre prévoir la possibilité de recours contre une décision du bourgmestre de refus d'une attestation permettant l'organisation d'un emplacement d'accueil d'enfants, ou contre l'absence d'une décision du bourgmestre sur la délivrance ou la prolongation d'une attestation.
§ 7. Le Gouvernement flamand peut, sur demande d'un organisateur, accorder une dérogation sur le respect de certaines conditions d'autorisation fixées en exécution des paragraphes 1er à 4 inclus, à condition que la sécurité des enfants et des collaborateurs, et la qualité de l'accueil d'enfants soient suffisamment assurées. Le Gouvernement flamand arrête les règles pour accorder cette dérogation.
Le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, est attesté par la manière dont les aspects suivants sont présents dans le fonctionnement autorisé :
1° une direction claire, dans un environnement de travail structuré, où les compétences et les responsabilités sont clairement attribuées et où l'organisateur veille à ce que l'ensemble des collaborateurs connaissent et appliquent au moins l'approche intégrée visée au point 2° ;
2° une approche intégrée de tous les thèmes suivants :
a) l'infrastructure, au moins l'espace destiné à l'accueil d'enfants, son équipement et son aménagement ;
b) la santé et la sécurité, y compris les exigences spécifiques en matière de sécurité incendie pour les milieux d'accueil d'enfants, sans préjudice de l'application des normes de base fédérales en matière de sécurité incendie des bâtiments ;
c) les contacts avec les enfants et les familles, dont au moins :
1) le respect de l'intégrité et de la non-discrimination ;
2) une politique pédagogique visant à encourager le développement physique, cognitif, social, émotionnel, communicatif, créatif et moral de chaque enfant, et à assurer le bien-être et la participation de chaque enfant ;
3) l'engagement et la participation des familles ;
4) le règlement d'ordre intérieur et la convention écrite ;
5) la fiche d'information et le registre de présence ;
d) les personnes employées au sein du milieu d'accueil d'enfants, au moins en ce qui concerne :
1) le responsable, comme sa qualification et sa connaissance active de la langue néerlandaise ;
2) l'accompagnateur d'enfants, comme sa qualification, le nombre d'accompagnateurs d'enfants par rapport au nombre d'enfants présents simultanément, et pour au moins un des accompagnateurs d'enfants la connaissance active de la langue néerlandaise ;
3) d'autres personnes en contact direct et régulier ;
e) la gestion organisationnelle du milieu d'accueil d'enfants, au moins la politique du personnel, le fonctionnement général et financier, la division en groupes de vie et le traitement des plaintes ;
f) la coopération avec l'agence, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et l'administration locale ;
3° une attitude réflective, proactive et réactive en vue d'une amélioration continue du propre fonctionnement, en tenant compte du feed-back et de la contribution des familles, des collaborateurs et de l'expertise pertinente d'organisations externes ;
4° une attitude innovante, en portant une attention à la modernisation, compte tenu des évolutions de l'environnement, de la société et des réglementations ;
5° une communication efficace et toute la transparence requise, en veillant à ce que les informations nécessaires et correctes parviennent aux bonnes personnes en temps voulu et de manière claire, dont les personnes employées au sein du milieu d'accueil et les familles des enfants gardés ;
6° une coopération et une communication transparente avec l'agence, l'administration locale, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et d'autres partenaires locaux.
L'organisateur fournit un soutien pour lui-même et ses collaborateurs pour toutes les conditions visées aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur est capable de démontrer le respect de toutes les conditions visées aux alinéas 1er, 2 et 3, sur la base, entre autres, d'une documentation]4
§ 2. [4 ...]4
§ 3. [4 ...]4
§ 4. [4 Lors de la désignation de chaque nouveau responsable et accompagnateur d'enfants, et pour toute autre personne majeure ayant un contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, l'organisateur vérifie la bonne conduite de la personne concernée, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
Lorsque l'organisateur est une personne morale, l'organisateur dispose d'un extrait du casier judiciaire central au nom de la personne morale. L'organisateur vérifie la bonne conduite des gérants et des administrateurs, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
L'article 3, alinéas 2 à 5, l'article 4, alinéa 1er, 1°, et l'article 5, § 1er, § 2 et § 3, alinéas 1er, 2 et 5, du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, s'appliquent au contrôle visé aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur veille, par le biais d'un document écrit, à ce que toute personne telle que visée aux alinéas 1er et 2, qui fait l'objet d'une enquête pénale ou d'une condamnation pour des faits à l'encontre de mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs, le signale obligatoirement à l'organisateur. Par document écrit, on peut également entendre le règlement de travail d'un organisateur.
L'organisateur procède à un nouveau contrôle tel que visé à l'alinéa 1er au moment où il est informé, soit par l'obligation de notification, soit par d'autres moyens, de l'ouverture d'une enquête pénale ou de la survenance d'une nouvelle condamnation pour des faits à l'encontre des mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. Le résultat du contrôle ou le non-respect de l'obligation de notification peut avoir des conséquences concernant le droit du travail ou contractuelles pour le responsable, l'accompagnateur d'enfants ou les personnes majeures qui sont en contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants.
L'organisateur demande un nouvel extrait de casier judiciaire après chaque période de trois ans]4.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant les paragraphes 1er à 4 inclus, en faisant une distinction entre les conditions de départ et les conditions de fonctionnement.
Le Gouvernement flamand arrête les compétences pour l'accueil d'enfants.
§ 6. Le respect des prescriptions spécifiques en matière de sécurité incendie, visées à l'article 6, paragraphe 1er, 2°, est établi dans une attestation sur la sécurité incendie. Cette attestation est délivrée par le bourgmestre de la commune dans laquelle l'emplacement d'accueil d'enfants est situé, avec la collaboration du service d'incendie territorialement compétent. Le Gouvernement flamand peut prévoir plusieurs attestations qui diffèrent selon la mesure dans laquelle les prescriptions spécifiques en matière de sécurité incendie ont été prises en considération.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, au moins le modèle et la durée de validité de l'attestation ou de chacune des attestations, les règles de délivrance et de prolongation de l'attestation ou des attestations. Le Gouvernement flamand peut en outre prévoir la possibilité de recours contre une décision du bourgmestre de refus d'une attestation permettant l'organisation d'un emplacement d'accueil d'enfants, ou contre l'absence d'une décision du bourgmestre sur la délivrance ou la prolongation d'une attestation.
§ 7. Le Gouvernement flamand peut, sur demande d'un organisateur, accorder une dérogation sur le respect de certaines conditions d'autorisation fixées en exécution des paragraphes 1er à 4 inclus, à condition que la sécurité des enfants et des collaborateurs, et la qualité de l'accueil d'enfants soient suffisamment assurées. Le Gouvernement flamand arrête les règles pour accorder cette dérogation.
HOOFDSTUK 3. - Subsidiëring
CHAPITRE 3. - Subventionnement
Art. 7. [2 De organisator met een vergunning]2g kan een basissubsidie ontvangen van [1 het agentschap]1.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de basissubsidie, waaronder minstens de voorwaarden voor de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders, en het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie.
(NOTA : bij arrest 97/2014 van 30 juni (B.St. 22-07-2014,p. 54886), heeft het Gondwettelijk Hof dit artikel 7,L2 vernietigd)
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de basissubsidie, waaronder minstens de voorwaarden voor de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders, en het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie.
(NOTA : bij arrest 97/2014 van 30 juni (B.St. 22-07-2014,p. 54886), heeft het Gondwettelijk Hof dit artikel 7,L2 vernietigd)
Art. 7. [2 L'organisateur disposant d'une autorisation ]2 peut recevoir une subvention de base de [1 l'agence]1.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la subvention de base, comprenant au moins les conditions de la connaissance linguistique active du néerlandais pour les accompagnateurs d'enfants, et l'utilisation du néerlandais dans le fonctionnement de l'emplacement d'accueil d'enfants.
(NOTE : par son arrêt 97/2014 du 30 juin 2014 (M.B 22-07-2014?P. 54875), la Cour constitutionnelle a annulé cet article 7,alinéa 2)
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la subvention de base, comprenant au moins les conditions de la connaissance linguistique active du néerlandais pour les accompagnateurs d'enfants, et l'utilisation du néerlandais dans le fonctionnement de l'emplacement d'accueil d'enfants.
(NOTE : par son arrêt 97/2014 du 30 juin 2014 (M.B 22-07-2014?P. 54875), la Cour constitutionnelle a annulé cet article 7,alinéa 2)
Art. 8. § 1.[7 [8 De organisator met een vergunning]8 kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van het agentschap voor de realisatie van kinderopvan g[8 en van opvang van schoolgaande kinderen binnen de vergunde opvang]8 waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van voorrang bij de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is om te werken of om een opleiding met het oog op werk te volgen.
[10 Bij de voorrang, vermeld in het eerste lid, geeft de organisator absolute voorrang aan:
1° gezinnen die in totaliteit minstens hetzij vier vijfde werken, hetzij een viervijfdedagopleiding met het oog op werk volgen, hetzij een viervijfdecombinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren;
2° broertjes of zusjes van kinderen die op hetzelfde moment al gebruikmaken van dezelfde kinderopvang;
3° pleegkinderen als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als vermeld in artikel 2, 2°]10;
[11 De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het tweede lid, 3°, of van een kind van een moeder die op het moment van de aanvraag is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in de leertijd, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de moeder.]11
De organisator kan afwijken op de voorrang, vermeld in het eerste lid, ten belope van maximaal 10% van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden in de kinderopvanglocatie, in het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie in het gezin.]7]5]2
§ 2. Behoudens de bepalingen in § 1 geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55 percent van hun opvangcapaciteit.
Om van deze voorrangsregel gebruik te kunnen maken, toont de ouder op een van de volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :
1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van een van de volgende stukken :
a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
4° door het voorleggen van het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
5° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de nadere regels voor de prijs van de kinderopvang [8 of van de opvang van schoolgaande kinderen]8 voor de gezinnen, met inbegrip van het principe dat de gezinnen betalen voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen;
2° [7 de nadere regels voor de voorrangscriteria en de wijze waarop ze formeel zullen worden vastgesteld]7;
3° [7 ...]7
[8 In dit artikel wordt verstaan onder opvang van schoolgaande kinderen: opvang van kinderen die naar de basisschool gaan en die gebruik maken van kinderopvang in een opvanglocatie die een vergunning heeft voor opvang van baby's en peuters, en die hoofdzakelijk baby's en peuters opvangt]8.
[3 De Vlaamse Regering kan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. Voor gezinnen die een beroep doen op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die moet worden geacht wegens zijn organisatie uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap, en voor wie het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn geen beslissing neemt, kan de Vlaamse Regering de organisator ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, meer bepaald in welke gevallen het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of de organisator, in geval een beroep gedaan wordt op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een beslissing kan nemen en waarover.]3
[4 [6 Het agentschap]6 kan maatregelen nemen ten aanzien van de gezinnen die niet de correcte gegevens verstrekken, nodig voor de berekening van de prijs van de kinderopvang, of die een wijziging van die gegevens niet meedelen. Die maatregelen bestaan uit de bepaling van het juiste inkomenstarief voor de toekomst en uit het bepalen van een schadevergoeding ten laste van de contracthouder voor het verleden. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels, meer bepaald hoe dit juiste inkomenstarief gefactureerd zal worden ten aanzien van de contracthouder en hoeveel de schadevergoeding bedraagt. [6 Het agentschap]6 kan beslissen af te zien van deze schadevergoeding in geval van overmacht, goede trouw of indien sprake van behartenswaardige gevallen.]4
[10 Bij de voorrang, vermeld in het eerste lid, geeft de organisator absolute voorrang aan:
1° gezinnen die in totaliteit minstens hetzij vier vijfde werken, hetzij een viervijfdedagopleiding met het oog op werk volgen, hetzij een viervijfdecombinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren;
2° broertjes of zusjes van kinderen die op hetzelfde moment al gebruikmaken van dezelfde kinderopvang;
3° pleegkinderen als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als vermeld in artikel 2, 2°]10;
[11 De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het tweede lid, 3°, of van een kind van een moeder die op het moment van de aanvraag is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in de leertijd, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de moeder.]11
De organisator kan afwijken op de voorrang, vermeld in het eerste lid, ten belope van maximaal 10% van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden in de kinderopvanglocatie, in het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie in het gezin.]7]5]2
§ 2. Behoudens de bepalingen in § 1 geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55 percent van hun opvangcapaciteit.
Om van deze voorrangsregel gebruik te kunnen maken, toont de ouder op een van de volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :
1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van een van de volgende stukken :
a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
4° door het voorleggen van het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
5° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de nadere regels voor de prijs van de kinderopvang [8 of van de opvang van schoolgaande kinderen]8 voor de gezinnen, met inbegrip van het principe dat de gezinnen betalen voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen;
2° [7 de nadere regels voor de voorrangscriteria en de wijze waarop ze formeel zullen worden vastgesteld]7;
3° [7 ...]7
[8 In dit artikel wordt verstaan onder opvang van schoolgaande kinderen: opvang van kinderen die naar de basisschool gaan en die gebruik maken van kinderopvang in een opvanglocatie die een vergunning heeft voor opvang van baby's en peuters, en die hoofdzakelijk baby's en peuters opvangt]8.
[3 De Vlaamse Regering kan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. Voor gezinnen die een beroep doen op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die moet worden geacht wegens zijn organisatie uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap, en voor wie het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn geen beslissing neemt, kan de Vlaamse Regering de organisator ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, meer bepaald in welke gevallen het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of de organisator, in geval een beroep gedaan wordt op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een beslissing kan nemen en waarover.]3
[4 [6 Het agentschap]6 kan maatregelen nemen ten aanzien van de gezinnen die niet de correcte gegevens verstrekken, nodig voor de berekening van de prijs van de kinderopvang, of die een wijziging van die gegevens niet meedelen. Die maatregelen bestaan uit de bepaling van het juiste inkomenstarief voor de toekomst en uit het bepalen van een schadevergoeding ten laste van de contracthouder voor het verleden. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels, meer bepaald hoe dit juiste inkomenstarief gefactureerd zal worden ten aanzien van de contracthouder en hoeveel de schadevergoeding bedraagt. [6 Het agentschap]6 kan beslissen af te zien van deze schadevergoeding in geval van overmacht, goede trouw of indien sprake van behartenswaardige gevallen.]4
Art. 8. § [7 § 1er.[8 L'organisateur disposant d'une autorisation]8 peut recevoir, outre la subvention visée à l'article 7, une subvention de l'agence pour l'organisation de l'accueil d'enfants [8 et de l'accueil d'enfants scolarisés dans l'accueil autorisé]8 pour lequel les familles paient sur la base du revenu, et pour la mise en oeuvre des conditions d'accès prioritaire à l'accueil d'enfants pour les familles pour lesquelles la garde d'enfants est nécessaire pour travailler ou pour suivre une formation en vue d'un emploi.
[10 Lors de l'attribution de la priorité visée à l'alinéa 1er, l'organisateur donne la priorité absolue aux :
1° ménages qui au total travaillent au moins à 4/5e temps, soit qui suivent une formation de jour à 4/5e temps en vue de l'emploi, soit qui combinent travail et formation en vue de l'emploi dans une proportion de 4/5e ;
2° frères et soeurs d'enfants utilisant déjà au même moment les mêmes services de garde d'enfants ;
3° enfants placés, tels que visés à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, dans la famille et qui sont éligibles à la garde d'enfants visée à l'article 2, 2°.]10
[11 La participation financière des familles à la garde d'un enfant placé tel que visé à l'alinéa 2, 3°, ou d'un enfant d'une mère qui, au moment de la demande, est inscrite dans un établissement d'enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande pour l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial ou en apprentissage, correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mère.]11
L'organisateur peut déroger à la priorité visée à l'alinéa 1er, de 10 % maximum du nombre total d'enfants accueillis sur base annuelle dans le milieu d'accueil, dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être de la famille.]7]5]2
§ 2. Sous réserve des dispositions du § 1er, il s'applique à l'égard des emplacements d'accueil d'enfants dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale une priorité pour les enfants dont au moins un des parents maîtrise suffisamment le néerlandais, à concurrence d'au maximum 55 pour cent de leur capacité d'accueil.
Pour pouvoir bénéficier de cette règle prioritaire, le parent démontre d'une des manières suivantes qu'il maîtrise suffisamment le néerlandais :
1° en produisant au moins le diplôme néerlandophone de l'enseignement secondaire ou un titre néerlandophone équivalent;
2° en produisant le certificat néerlandophone de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou un titre néerlandophone équivalent;
3° en produisant la preuve qu'il maîtrise au moins le néerlandais au niveau B1 du Cadre européen commun de référence pour les Langues. Ceci se fait au vu d'une des pièces suivantes :
a) un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande ou un titre néerlandophone équivalent, démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais;
b) une attestation de fixation du niveau, effectuée par une "Huis van het Nederlands" (Maison du néerlandais), démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais;
4° en produisant la preuve d'une connaissance suffisante du néerlandais après avoir subi un examen linguistique auprès du bureau de sélection de l'Autorité fédérale;
5° en produisant la preuve qu'il a suivi, pendant neuf ans, comme élève régulier, les cours de l'enseignement primaire et secondaire en langue néerlandaise. Ceci se fait au vu d'attestations délivrées à cet effet par les autorités scolaires intéressées.
§ 3. Le Gouvernement flamand détermine :
1° les modalités relatives au prix de l'accueil d'enfants [8 ou de l'accueil d'enfants scolarisés]8 pour les familles, y compris le principe que les familles paieront pour les jours d'accueil qu'elles ont réservés;
2° [7 les détails des critères de priorité et la manière dont ils seront formellement adoptés]7;
3° [7 ...]7
[8 Dans le présent article, on entend par l'accueil d'enfants scolarisés : l'accueil d'enfants fréquentant l'école fondamentale et ayant recours à l'accueil d'enfants dans un milieu d'accueil qui dispose d'une autorisation pour l'accueil de la petite enfance, et qui accueille principalement la petite enfance.]8
[3 Le Gouvernement flamand peut charger les Centres Publics d'Aide Sociale de statuer dans les cas individuels sur une réduction du prix de l'accueil d'enfants pour les familles. Pour les familles faisant appel à un organisateur, établi dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, qui doit être censé appartenant exclusivement à la Communauté flamande à cause de son organisation, et pour lequel le Centre Public d'Aide Sociale ne prend aucune décision, le Gouvernement flamand peut charger un organisateur de décider dans des cas individuels sur une réduction du prix de l'accueil d'enfants pour les familles. Le Gouvernement flamand arrête les modalités, notamment les cas dans lesquels le Centre Public d'Aide Sociale ou l'organisateur, lorsqu'il est fait appel à un organisateur, établi dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, peut prendre une décision et sur quoi.]3
[4 [6 L'agence]6 peut prendre des mesures à l'égard des familles qui ne fournissent pas les données correctes, requises pour le calcul du prix de l'accueil des enfants, ou qui négligent de communiquer une modification de ces données. Ces mesures consistent en la détermination du tarif correct sur la base des revenus pour l'avenir et en la détermination d'une indemnisation à charge du titulaire du contrat pour le passé. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à ce sujet, notamment la façon dont ce tarif sur la base des revenus sera facturé à l'égard du titulaire du contrat ainsi que le montant de l'indemnisation. [6 L'agence]6 peut décider de renoncer à cette indemnisation en cas de force majeure, bonne foi ou dans les cas qui valent d'être pris en considération.]4
[10 Lors de l'attribution de la priorité visée à l'alinéa 1er, l'organisateur donne la priorité absolue aux :
1° ménages qui au total travaillent au moins à 4/5e temps, soit qui suivent une formation de jour à 4/5e temps en vue de l'emploi, soit qui combinent travail et formation en vue de l'emploi dans une proportion de 4/5e ;
2° frères et soeurs d'enfants utilisant déjà au même moment les mêmes services de garde d'enfants ;
3° enfants placés, tels que visés à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, dans la famille et qui sont éligibles à la garde d'enfants visée à l'article 2, 2°.]10
[11 La participation financière des familles à la garde d'un enfant placé tel que visé à l'alinéa 2, 3°, ou d'un enfant d'une mère qui, au moment de la demande, est inscrite dans un établissement d'enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande pour l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial ou en apprentissage, correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mère.]11
L'organisateur peut déroger à la priorité visée à l'alinéa 1er, de 10 % maximum du nombre total d'enfants accueillis sur base annuelle dans le milieu d'accueil, dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être de la famille.]7]5]2
§ 2. Sous réserve des dispositions du § 1er, il s'applique à l'égard des emplacements d'accueil d'enfants dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale une priorité pour les enfants dont au moins un des parents maîtrise suffisamment le néerlandais, à concurrence d'au maximum 55 pour cent de leur capacité d'accueil.
Pour pouvoir bénéficier de cette règle prioritaire, le parent démontre d'une des manières suivantes qu'il maîtrise suffisamment le néerlandais :
1° en produisant au moins le diplôme néerlandophone de l'enseignement secondaire ou un titre néerlandophone équivalent;
2° en produisant le certificat néerlandophone de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou un titre néerlandophone équivalent;
3° en produisant la preuve qu'il maîtrise au moins le néerlandais au niveau B1 du Cadre européen commun de référence pour les Langues. Ceci se fait au vu d'une des pièces suivantes :
a) un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande ou un titre néerlandophone équivalent, démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais;
b) une attestation de fixation du niveau, effectuée par une "Huis van het Nederlands" (Maison du néerlandais), démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais;
4° en produisant la preuve d'une connaissance suffisante du néerlandais après avoir subi un examen linguistique auprès du bureau de sélection de l'Autorité fédérale;
5° en produisant la preuve qu'il a suivi, pendant neuf ans, comme élève régulier, les cours de l'enseignement primaire et secondaire en langue néerlandaise. Ceci se fait au vu d'attestations délivrées à cet effet par les autorités scolaires intéressées.
§ 3. Le Gouvernement flamand détermine :
1° les modalités relatives au prix de l'accueil d'enfants [8 ou de l'accueil d'enfants scolarisés]8 pour les familles, y compris le principe que les familles paieront pour les jours d'accueil qu'elles ont réservés;
2° [7 les détails des critères de priorité et la manière dont ils seront formellement adoptés]7;
3° [7 ...]7
[8 Dans le présent article, on entend par l'accueil d'enfants scolarisés : l'accueil d'enfants fréquentant l'école fondamentale et ayant recours à l'accueil d'enfants dans un milieu d'accueil qui dispose d'une autorisation pour l'accueil de la petite enfance, et qui accueille principalement la petite enfance.]8
[3 Le Gouvernement flamand peut charger les Centres Publics d'Aide Sociale de statuer dans les cas individuels sur une réduction du prix de l'accueil d'enfants pour les familles. Pour les familles faisant appel à un organisateur, établi dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, qui doit être censé appartenant exclusivement à la Communauté flamande à cause de son organisation, et pour lequel le Centre Public d'Aide Sociale ne prend aucune décision, le Gouvernement flamand peut charger un organisateur de décider dans des cas individuels sur une réduction du prix de l'accueil d'enfants pour les familles. Le Gouvernement flamand arrête les modalités, notamment les cas dans lesquels le Centre Public d'Aide Sociale ou l'organisateur, lorsqu'il est fait appel à un organisateur, établi dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, peut prendre une décision et sur quoi.]3
[4 [6 L'agence]6 peut prendre des mesures à l'égard des familles qui ne fournissent pas les données correctes, requises pour le calcul du prix de l'accueil des enfants, ou qui négligent de communiquer une modification de ces données. Ces mesures consistent en la détermination du tarif correct sur la base des revenus pour l'avenir et en la détermination d'une indemnisation à charge du titulaire du contrat pour le passé. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à ce sujet, notamment la façon dont ce tarif sur la base des revenus sera facturé à l'égard du titulaire du contrat ainsi que le montant de l'indemnisation. [6 L'agence]6 peut décider de renoncer à cette indemnisation en cas de force majeure, bonne foi ou dans les cas qui valent d'être pris en considération.]4
(NOTA : bij arrest nr. 72/2025 van 30 april 2025 ( AGH 2025-04-30/06, art. M, 019; Inwerkingtreding : 17-05-2024, B.St. 26-05-2025, p. 50505), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel § 1, eerste, tweede en vierde lid, en § 3, 2° en 3° vernietigd)
Modifications
(NOTE : par son arrêt n° 72/2025 du 30 avril 2025 ( ACC 2025-04-30/06, art. M, 019; En vigueur : 17-05-2024; M.B. 26-05-2025, p. 5011), la Cour Constitutionnelle a annulé le présent article § 1er, alinéas 1er, 2 et 4, et § 3, 2° et 3°)
Modifications
Art. 9. [2 De organisator met een vergunning]2 kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 8, een subsidie ontvangen van [1 het agentschap]1 voor de realisatie van kinderopvangopdrachten ter ondersteuning van kwetsbare gezinnen, waaronder de bestrijding van armoede in gezinnen, en voor de realisatie van toegang voor die gezinnen. Kwetsbare gezinnen zijn gezinnen die minstens beantwoorden aan verschillende van de hieronder vermelde basiscriteria :
1° de werksituatie;
2° de financiële situatie;
3° de gezinssamenstelling;
4° de gezondheid en de zorgsituatie;
5° het opleidingsniveau.
De Vlaamse Regering bepaalt de opdrachten en de regels, die minstens inhouden welke groepen bij voorrang toegang hebben tot kinderopvang met de subsidie, en dat de organisatoren van kinderopvang met de subsidie onderling en met het lokaal loket kinderopvang samenwerken met het oog op een opnamebeleid dat afgestemd is op kwetsbare gezinnen en tevens de basiscriteria, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld.
1° de werksituatie;
2° de financiële situatie;
3° de gezinssamenstelling;
4° de gezondheid en de zorgsituatie;
5° het opleidingsniveau.
De Vlaamse Regering bepaalt de opdrachten en de regels, die minstens inhouden welke groepen bij voorrang toegang hebben tot kinderopvang met de subsidie, en dat de organisatoren van kinderopvang met de subsidie onderling en met het lokaal loket kinderopvang samenwerken met het oog op een opnamebeleid dat afgestemd is op kwetsbare gezinnen en tevens de basiscriteria, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld.
Art. 9. [2 L'organisateur disposant d'une autorisation]2 peut recevoir, outre la subvention visée à l'article 8, une subvention de [1 l'agence]1 pour la réalisation de missions d'accueil d'enfants à l'appui de familles vulnérables, comprenant la lutte contre la pauvreté dans des familles, et pour la réalisation de l'accès pour ces familles. Les familles vulnérables sont les familles répondant au moins à plusieurs des critères de base mentionnés ci-après :
1° la situation de travail;
2° la situation financière;
3° la composition du ménage;
4° la santé et la situation de soins;
5° le niveau de formation.
Le Gouvernement flamand détermine les missions et les règles, comprenant au moins les groupes qui ont par priorité accès à l'accueil d'enfants à la subvention, et que les organisateurs d'accueil d'enfants à la subvention collaborent mutuellement et avec le guichet local en matière d'accueil d'enfants en vue d'une politique d'admission orientée sur les familles vulnérables, ainsi que les critères de base, visés à l'alinéa premier, et le mode dont ils sont établis formellement.
1° la situation de travail;
2° la situation financière;
3° la composition du ménage;
4° la santé et la situation de soins;
5° le niveau de formation.
Le Gouvernement flamand détermine les missions et les règles, comprenant au moins les groupes qui ont par priorité accès à l'accueil d'enfants à la subvention, et que les organisateurs d'accueil d'enfants à la subvention collaborent mutuellement et avec le guichet local en matière d'accueil d'enfants en vue d'une politique d'admission orientée sur les familles vulnérables, ainsi que les critères de base, visés à l'alinéa premier, et le mode dont ils sont établis formellement.
Art. 10. [2 De organisator met een vergunning]2 kan [3 ...]3 een subsidie ontvangen van [1 het agentschap]1 voor :
1° de organisatie van kinderopvang met flexibele openingstijden;
2° de organisatie van inclusieve kinderopvang voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
3° de ondersteuning van specifieke opdrachten;
4° de eenmalige ondersteuning van andere opdrachten.
1° de organisatie van kinderopvang met flexibele openingstijden;
2° de organisatie van inclusieve kinderopvang voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
3° de ondersteuning van specifieke opdrachten;
4° de eenmalige ondersteuning van andere opdrachten.
Art. 10. [2 L'organisateur disposant d'une autorisation ]2 peut recevoir [3 ...]3 une subvention de [1 l'agence]1 pour :
1° l'organisation de l'accueil d'enfants aux heurs d'ouverture flexibles;
2° l'organisation de l'accueil inclusif d'enfants pour des enfants ayant des besoins spécifiques en soins;
3° le soutien de missions spécifiques;
4° le soutien unique d'autres missions.
1° l'organisation de l'accueil d'enfants aux heurs d'ouverture flexibles;
2° l'organisation de l'accueil inclusif d'enfants pour des enfants ayant des besoins spécifiques en soins;
3° le soutien de missions spécifiques;
4° le soutien unique d'autres missions.
Art. 11. [1 Het agentschap]1 kan een subsidie toekennen aan :
1°[2 de organisator van het lokaal loket kinderopvang, vermeld in artikel 13]2;
2° [2 de organisaties aangesteld voor de ondersteuning van organisatoren, bij de realisatie van de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 1]2;
[3 3° de organisaties of deskundigen die instaan voor de screening en adviesverlening, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 3° en 4°]3.
1°[2 de organisator van het lokaal loket kinderopvang, vermeld in artikel 13]2;
2° [2 de organisaties aangesteld voor de ondersteuning van organisatoren, bij de realisatie van de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 1]2;
[3 3° de organisaties of deskundigen die instaan voor de screening en adviesverlening, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 3° en 4°]3.
Art. 11. [1 L'agence]1 peut accorder une subvention à :
1° [2 l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, visé à l'article 13 ]2;
2° [2 les organisations désignées pour le soutien des organisateurs, lors de la réalisation des conditions, visées à l'article 6, § 1er]2
[3 3° les organisations ou experts responsables de l'examen et des conseils, visés à l'article 19, alinéa 5, 3° et 4°]3.
1° [2 l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, visé à l'article 13 ]2;
2° [2 les organisations désignées pour le soutien des organisateurs, lors de la réalisation des conditions, visées à l'article 6, § 1er]2
[3 3° les organisations ou experts responsables de l'examen et des conseils, visés à l'article 19, alinéa 5, 3° et 4°]3.
Art. 12. § 1. De subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 11, kunnen alleen binnen de perken van het daarvoor vastgelegde budget worden toegekend.
De Vlaamse Regering legt de programmatieregels vast, minstens voor de subsidies vermeld in artikel 8, 9, en 10, 1° en 2°, [2 ...]2 en bepaalt de nadere regels [2 voor de subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 11]2.
§ 2. De beslissing over de subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 9, en artikel 10, 1° en 2°, bevat minstens de volgende gegevens :
1° de organisator;
2° het aantal plaatsen waarvoor een subsidie wordt gegeven, dat nooit hoger kan liggen dan het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°.
[1 § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de toekenning en de wijziging van de subsidie, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.]1
De Vlaamse Regering legt de programmatieregels vast, minstens voor de subsidies vermeld in artikel 8, 9, en 10, 1° en 2°, [2 ...]2 en bepaalt de nadere regels [2 voor de subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 11]2.
§ 2. De beslissing over de subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 9, en artikel 10, 1° en 2°, bevat minstens de volgende gegevens :
1° de organisator;
2° het aantal plaatsen waarvoor een subsidie wordt gegeven, dat nooit hoger kan liggen dan het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°.
[1 § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de toekenning en de wijziging van de subsidie, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.]1
Art. 12. § 1er. Les subventions, visées aux articles 7 à 11 inclus, ne peuvent être accordées que dans les limites du budget engagé à cet effet.
Le Gouvernement flamand arrête les règles de programmation, au moins pour les subventions visées aux articles 8, 9 et 10, 1° et 2°, [2 ...]2 et arrête les modalités [2 pour les subventions, visées aux articles 7 à 11]2.
§ 2. La décision sur les subventions, visées aux articles 7 à 9 inclus, et à l'article 10, 1° et 2°, comprend au moins les données suivantes :
1° l'organisateur;
2° le nombre de places faisant l'objet d'une subvention, qui ne peut jamais dépasser le nombre de places d'accueil autorisées, visé à l'article 5, alinéa premier, 3°.
[1 § 3. Le Gouvernement flamand arrête la procédure pour la demande, l'octroi et la modification de la subvention, y compris la possibilité de former un recours.]1
Le Gouvernement flamand arrête les règles de programmation, au moins pour les subventions visées aux articles 8, 9 et 10, 1° et 2°, [2 ...]2 et arrête les modalités [2 pour les subventions, visées aux articles 7 à 11]2.
§ 2. La décision sur les subventions, visées aux articles 7 à 9 inclus, et à l'article 10, 1° et 2°, comprend au moins les données suivantes :
1° l'organisateur;
2° le nombre de places faisant l'objet d'une subvention, qui ne peut jamais dépasser le nombre de places d'accueil autorisées, visé à l'article 5, alinéa premier, 3°.
[1 § 3. Le Gouvernement flamand arrête la procédure pour la demande, l'octroi et la modification de la subvention, y compris la possibilité de former un recours.]1
HOOFDSTUK 4. - Lokaal loket kinderopvang
CHAPITRE 4. - Guichet local en matière d'accueil d'enfants
Art. 13. Binnen een gemeente is er één lokaal loket kinderopvang met de volgende opdrachten :
1° [1 de registratie van de vragen naar kinderopvang en van de voorkeur van gezinnen voor kinderopvangplaatsen coördineren, zodat een gezin maar één vraag hoeft te stellen over beschikbare opvangplaatsen;]1
2° gezinnen binnen een redelijke termijn informeren over beschikbare kinderopvangplaatsen en hen zo nodig in contact brengen met de kinderopvanglocaties, met aandacht voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen;
3° samenwerken met alle kinderopvanglocaties binnen het werkingsgebied, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met andere lokale loketten kinderopvang in functie van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2° ;
4° het lokaal bestuur of de lokale besturen, de organisatoren van kinderopvang en [2 het agentschap]2 informeren over de vragen naar kinderopvangplaatsen;
[3 5° ondersteuning bieden aan de gezinnen, bij het aanvragen van het inkomenstarief als bedoeld in artikel 8;]3
[4 Het lokaal bestuur organiseert het lokaal loket kinderopvang. Als een lokaal bestuur deze opdracht niet opneemt, kan een andere actor de organisatie opnemen. In de steden en gemeenten waar een Huis van het Kind aanwezig is, kan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseren in samenwerking met het Huis van het Kind. Als een andere actor dan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseert, dan moet deze lid zijn van het samenwerkingsverband Huis van het Kind en het lokaal loket kinderopvang in die context organiseren]4.
Het lokaal loket kinderopvang kan betrekking hebben op verschillende gemeenten binnen de grenzen van de zorgregio.
[4 De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels waaronder de scheiding van de rol van de organisator van kinderopvang en de rol van organisator van het lokaal loket kinderopvang waarbij de neutraliteit van de dienstverlening van het lokaal loket kinderopvang moet gegarandeerd worden]4.
1° [1 de registratie van de vragen naar kinderopvang en van de voorkeur van gezinnen voor kinderopvangplaatsen coördineren, zodat een gezin maar één vraag hoeft te stellen over beschikbare opvangplaatsen;]1
2° gezinnen binnen een redelijke termijn informeren over beschikbare kinderopvangplaatsen en hen zo nodig in contact brengen met de kinderopvanglocaties, met aandacht voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen;
3° samenwerken met alle kinderopvanglocaties binnen het werkingsgebied, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met andere lokale loketten kinderopvang in functie van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2° ;
4° het lokaal bestuur of de lokale besturen, de organisatoren van kinderopvang en [2 het agentschap]2 informeren over de vragen naar kinderopvangplaatsen;
[3 5° ondersteuning bieden aan de gezinnen, bij het aanvragen van het inkomenstarief als bedoeld in artikel 8;]3
[4 Het lokaal bestuur organiseert het lokaal loket kinderopvang. Als een lokaal bestuur deze opdracht niet opneemt, kan een andere actor de organisatie opnemen. In de steden en gemeenten waar een Huis van het Kind aanwezig is, kan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseren in samenwerking met het Huis van het Kind. Als een andere actor dan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseert, dan moet deze lid zijn van het samenwerkingsverband Huis van het Kind en het lokaal loket kinderopvang in die context organiseren]4.
Het lokaal loket kinderopvang kan betrekking hebben op verschillende gemeenten binnen de grenzen van de zorgregio.
[4 De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels waaronder de scheiding van de rol van de organisator van kinderopvang en de rol van organisator van het lokaal loket kinderopvang waarbij de neutraliteit van de dienstverlening van het lokaal loket kinderopvang moet gegarandeerd worden]4.
Art. 13. Au sein d'une commune, il y a un guichet local en matière d'accueil d'enfants chargé des missions suivantes :
1° [1 coordonner l'enregistrement des demandes d'accueil d'enfants et de la préférence des familles pour des places d'accueil d'enfants, de sorte qu'une famille ne doive poser qu'une seule question sur la disponibilité des places d'accueil;]1
2° informer les familles dans un délai raisonnable sur les places d'accueil d'enfants disponibles et, au besoin, les mettre en contact avec les emplacements d'accueil d'enfants, portant une attention particulière aux familles socialement vulnérables;
3° collaborer avec tous les emplacements d'accueil d'enfants au sein de la zone d'action, avec les instances travaillant avec des familles qui peuvent avoir des demandes d'accueil d'enfants, et avec d'autres guichets locaux en matière d'accueil d'enfants en fonction des missions, visées aux points 1° et 2° ;
4° informer l'administration locale ou les administrations locales, les organisateurs d'accueil d'enfants et [2 l'agence]2 sur les demandes de places d'accueil d'enfants;
[3 5° offrir un soutien aux familles lors de la demande du tarif sur base des revenus, tel que visé à l'article 8 ;]3
[4 L'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants. Si une administration locale n'assume pas cette mission, un autre acteur peut assumer l'organisation. Dans les villes et communes où il y a une Maison de l'Enfant, l'administration locale peut organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants en coopération avec la Maison de l'Enfant. Si un acteur autre que l'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants, celui-ci doit être membre du partenariat Maison de l'Enfant et organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants dans ce contexte]4.
Le guichet local en matière d'accueil d'enfants peut concerner plusieurs communes au sein des limites de la région de soins.
[4 Le Gouvernement flamand arrête les modalités, y compris la séparation du rôle de l'organisateur de l'accueil d'enfants et du rôle de l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, la neutralité des services du guichet local en matière d'accueil d'enfants devant être garantie]4.
1° [1 coordonner l'enregistrement des demandes d'accueil d'enfants et de la préférence des familles pour des places d'accueil d'enfants, de sorte qu'une famille ne doive poser qu'une seule question sur la disponibilité des places d'accueil;]1
2° informer les familles dans un délai raisonnable sur les places d'accueil d'enfants disponibles et, au besoin, les mettre en contact avec les emplacements d'accueil d'enfants, portant une attention particulière aux familles socialement vulnérables;
3° collaborer avec tous les emplacements d'accueil d'enfants au sein de la zone d'action, avec les instances travaillant avec des familles qui peuvent avoir des demandes d'accueil d'enfants, et avec d'autres guichets locaux en matière d'accueil d'enfants en fonction des missions, visées aux points 1° et 2° ;
4° informer l'administration locale ou les administrations locales, les organisateurs d'accueil d'enfants et [2 l'agence]2 sur les demandes de places d'accueil d'enfants;
[3 5° offrir un soutien aux familles lors de la demande du tarif sur base des revenus, tel que visé à l'article 8 ;]3
[4 L'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants. Si une administration locale n'assume pas cette mission, un autre acteur peut assumer l'organisation. Dans les villes et communes où il y a une Maison de l'Enfant, l'administration locale peut organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants en coopération avec la Maison de l'Enfant. Si un acteur autre que l'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants, celui-ci doit être membre du partenariat Maison de l'Enfant et organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants dans ce contexte]4.
Le guichet local en matière d'accueil d'enfants peut concerner plusieurs communes au sein des limites de la région de soins.
[4 Le Gouvernement flamand arrête les modalités, y compris la séparation du rôle de l'organisateur de l'accueil d'enfants et du rôle de l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, la neutralité des services du guichet local en matière d'accueil d'enfants devant être garantie]4.
HOOFDSTUK 5. - Vernieuwende projecten
CHAPITRE 5. - Projets innovateurs
Art. 14. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om vernieuwende projecten inzake kinderopvang die niet onder de toepassing van de bepalingen in dit decreet vallen, te organiseren en te laten subsidiëren door [1 het agentschap]1.
Modifications
Art. 14. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités en vue de l'organisation et du subventionnement par [1 l'agence]1 de projets innovateurs en matière d'accueil d'enfants qui ne relèvent pas de l'application des dispositions du présent décret.
Modifications
HOOFDSTUK 6. - Handhaving
CHAPITRE 6. - Maintien
Afdeling 1. - Toezicht
Section 1re. - Surveillance
Onderafdeling 1. - Toezichthouders
Sous-section 1re. - Surveillants
Art. 15. De Vlaamse Regering kan [1 private]1 toezichthouders aanwijzen naast Zorginspectie. Dit gebeurt op basis van regels die de Vlaamse Regering heeft bepaald voor :
1° de toezichtopdracht;
2° de voorwaarden waaraan de [1 private]1 toezichthouder en de [1 private]1 toezichtperso(o)n(en) moeten voldoen, minstens met betrekking tot de vereiste expertise, de vereiste kwalificaties en de onafhankelijkheid ten opzichte van de organisator;
3° de voorafgaande machtiging door de Vlaamse Regering;
4° de controle op de [1 private]1 toezichthouder;
5° de prijs die voor het toezicht gevraagd wordt, en wie die prijs betaalt;
6° de verhouding met Zorginspectie en met [2 het agentschap]2.
[3 In het eerste lid wordt verstaan onder Zorginspectie: de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.]3
Bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht draagt de [1 private]1 toezichtpersoon een legitimatiebewijs bij zich dat hij, op verzoek, meteen voorlegt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere inhoud en het model van het legitimatiebewijs en bepaalt ook welk bestuursorgaan het legitimatiebewijs uitreikt.
[4 ...]4
1° de toezichtopdracht;
2° de voorwaarden waaraan de [1 private]1 toezichthouder en de [1 private]1 toezichtperso(o)n(en) moeten voldoen, minstens met betrekking tot de vereiste expertise, de vereiste kwalificaties en de onafhankelijkheid ten opzichte van de organisator;
3° de voorafgaande machtiging door de Vlaamse Regering;
4° de controle op de [1 private]1 toezichthouder;
5° de prijs die voor het toezicht gevraagd wordt, en wie die prijs betaalt;
6° de verhouding met Zorginspectie en met [2 het agentschap]2.
[3 In het eerste lid wordt verstaan onder Zorginspectie: de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.]3
Bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht draagt de [1 private]1 toezichtpersoon een legitimatiebewijs bij zich dat hij, op verzoek, meteen voorlegt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere inhoud en het model van het legitimatiebewijs en bepaalt ook welk bestuursorgaan het legitimatiebewijs uitreikt.
[4 ...]4
Art. 15. Le Gouvernement flamand peut désigner des surveillants [1 privé]1 outre l'Inspection des Soins. Cette désignation se fait sur la base des règles fixées par le Gouvernement flamand en ce qui concerne :
1° la mission de surveillance;
2° les conditions qui doivent être remplies par le surveillant [1 privé]1 et la (les) personne(s) [1 privé(e)(s)]1 chargée(s) de la surveillance, au moins concernant l'expertise requise, les qualifications requises et l'indépendance à l'égard de l'organisateur;
3° l'autorisation préalable du Gouvernement flamand;
4° le contrôle du surveillant [1 privé]1;
5° le prix chargé pour la surveillance, et la personne payant ce prix;
6° la relation avec l'Inspection des Soins et avec [2 l'agence]2.
[3 A l'alinéa 1er, il y a lieu d'entendre par Inspection des Soins : la division de l'Inspection des Soins du Département des Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.]3
Lors de l'exercice de sa mission de surveillance, la personne [1 privée]1 chargée de la surveillance porte une légitimation qu'elle produise immédiatement sur demande. Le Gouvernement flamand arrête le contenu et le modèle de la légitimation, et détermine l'organe de gestion qui délivre la légitimation.
[4 ...]4
1° la mission de surveillance;
2° les conditions qui doivent être remplies par le surveillant [1 privé]1 et la (les) personne(s) [1 privé(e)(s)]1 chargée(s) de la surveillance, au moins concernant l'expertise requise, les qualifications requises et l'indépendance à l'égard de l'organisateur;
3° l'autorisation préalable du Gouvernement flamand;
4° le contrôle du surveillant [1 privé]1;
5° le prix chargé pour la surveillance, et la personne payant ce prix;
6° la relation avec l'Inspection des Soins et avec [2 l'agence]2.
[3 A l'alinéa 1er, il y a lieu d'entendre par Inspection des Soins : la division de l'Inspection des Soins du Département des Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.]3
Lors de l'exercice de sa mission de surveillance, la personne [1 privée]1 chargée de la surveillance porte une légitimation qu'elle produise immédiatement sur demande. Le Gouvernement flamand arrête le contenu et le modèle de la légitimation, et détermine l'organe de gestion qui délivre la légitimation.
[4 ...]4
Onderafdeling 1/1. [1 Het voorzorgsbeginsel ]1
Sous-section 1/1 [1 Sous-section 1/1. Le principe de précaution ]1
Art. 15. /1.[1 Het agentschap oefent toezicht uit op basis van alle informatie die beschikbaar is. Daarbij hanteert het agentschap het voorzorgsbeginsel. Het agentschap kan een beroep doen op organisaties of deskundigen om het agentschap te adviseren in het kader van het voorzorgsbeginsel.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels wat betreft de toepassing van het voorzorgsbeginsel, die minstens de elementen van de risicoinschatting bevatten op basis waarvan het agentschap kan overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel en de communicatieprocedure ten aanzien van de organisator. ]1
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels wat betreft de toepassing van het voorzorgsbeginsel, die minstens de elementen van de risicoinschatting bevatten op basis waarvan het agentschap kan overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel en de communicatieprocedure ten aanzien van de organisator. ]1
Art.15/1.[1 L'agence exerce le contrôle sur la base de toutes les informations disponibles, en utilisant le principe de précaution. L'agence peut faire appel à des organisations ou à des experts pour la conseiller en vertu du principe de précaution.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application du principe de précaution, qui comprennent au moins les éléments de l'évaluation des risques sur la base desquels l'agence peut imposer une mesure administrative et la procédure de communication vis-à-vis de l'organisateur .]1
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application du principe de précaution, qui comprennent au moins les éléments de l'évaluation des risques sur la base desquels l'agence peut imposer une mesure administrative et la procédure de communication vis-à-vis de l'organisateur .]1
Onderafdeling 2. - Toezichtrechten
Sous-section 2. - Droits de surveillance
Art. 16. De [1 private]1 toezichtpersoon beschikt over de volgende toezichtrechten, waarvan de [1 private]1 toezichtpersoon alleen gebruik maakt als dat relevant en noodzakelijk is om de toezichtopdracht te vervullen :
1° het recht op toegang in de ruimten die gebruikt worden voor kinderopvang gedurende de openingstijden van de kinderopvanglocatie. De aanvraag van een vergunning bevat een toestemming van alle meerderjarige natuurlijke personen die de lokalen bewonen om controlebezoeken te laten uitvoeren in de bewoonde lokalen die voor kinderopvang dienen;
2° het recht om inzage te vorderen in documenten en andere informatiedragers die verband houden met kinderopvang. Daarvoor mag hij zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die hij aanwijst. Hij mag zich van de documenten en andere informatiedragers kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als hij ter plaatse geen kopieën kan maken, mag hij de informatiedragers voor korte tijd meenemen om ze in te kijken of om ze te kopiëren, tegen afgifte van een schriftelijk ontvangstbewijs met een inventaris van de informatiedragers in kwestie;
3° het recht om vaststellingen te doen van mogelijke schendingen van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan in de ruimten die gebruikt worden voor kinderopvang, met behulp van audiovisuele middelen. Identificeerbare personen en voorwerpen mogen alleen op de audiovisuele middelen voorkomen als dat relevant en noodzakelijk is;
4° het recht van onderzoek van zaken, zoals het recht van monsterneming en analyse;
5° het recht om bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht de bijstand van de politie te vorderen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
De [1 private]1 toezichtpersonen oefenen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, uit met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, staan de toezichthouder en de [1 private]1 toezichtpersoon ervoor in dat de middelen die de [1 private]1 toezichtpersoon aanwendt, passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
1° het recht op toegang in de ruimten die gebruikt worden voor kinderopvang gedurende de openingstijden van de kinderopvanglocatie. De aanvraag van een vergunning bevat een toestemming van alle meerderjarige natuurlijke personen die de lokalen bewonen om controlebezoeken te laten uitvoeren in de bewoonde lokalen die voor kinderopvang dienen;
2° het recht om inzage te vorderen in documenten en andere informatiedragers die verband houden met kinderopvang. Daarvoor mag hij zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die hij aanwijst. Hij mag zich van de documenten en andere informatiedragers kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als hij ter plaatse geen kopieën kan maken, mag hij de informatiedragers voor korte tijd meenemen om ze in te kijken of om ze te kopiëren, tegen afgifte van een schriftelijk ontvangstbewijs met een inventaris van de informatiedragers in kwestie;
3° het recht om vaststellingen te doen van mogelijke schendingen van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan in de ruimten die gebruikt worden voor kinderopvang, met behulp van audiovisuele middelen. Identificeerbare personen en voorwerpen mogen alleen op de audiovisuele middelen voorkomen als dat relevant en noodzakelijk is;
4° het recht van onderzoek van zaken, zoals het recht van monsterneming en analyse;
5° het recht om bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht de bijstand van de politie te vorderen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
De [1 private]1 toezichtpersonen oefenen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, uit met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, staan de toezichthouder en de [1 private]1 toezichtpersoon ervoor in dat de middelen die de [1 private]1 toezichtpersoon aanwendt, passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Modifications
Art. 16. La personne chargée de la surveillance dispose des droits de surveillance suivants, dont elle fait uniquement usage lorsqu'il est pertinent et nécessaire pour l'accomplissement de la mission de surveillance :
1° le droit d'accès aux locaux utilisés pour l'accueil d'enfants pendant les heures d'ouverture de l'emplacement d'accueil d'enfants. La demande d'une autorisation comprend une autorisation de toutes les personnes physiques majeures habitant les locaux de faire effectuer des visites de contrôle dans les locaux occupés servant à l'accueil d'enfants;
2° le droit de demander la consultation de documents et d'autres supports d'information relatifs à l'accueil d'enfants. A cet effet, elle peut se faire présenter ces supports d'informations à l'endroit qu'elle désigne. Elle peut se faire transmettre une copie gratuite de tous les documents et d'autres supports d'informations ou en faire une copie elle-même. Lorsqu'elle ne peut pas faire des copies sur place, elle peut emporter les supports d'information pour peu de temps afin de les consulter ou de les copier, contre récépissé avec un inventaire des supports d'information en question;
3° le droit de constater des violations possibles des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution dans les locaux utilisés pour l'accueil d'enfants, à l'aide de moyens audiovisuels. Des personnes et objets identifiables ne peuvent figurer sur les moyens audiovisuels que s'il est pertinent et nécessaire;
4° le droit d'examen d'affaires, comme le droit d'échantillonnage et d'analyse;
5° le droit d'exiger, lors de l'exercice de sa mission de surveillance, l'assistance de la police.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Les personnes [1 privées]1 chargées de la surveillance exercent les compétences, visées à l'alinéa premier, en vue de la surveillance du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Lors de l'exercice des compétences, visées à l'alinéa premier, le surveillant [1 privé]1 et la personne [1 privée]1 chargée de la surveillance veillent à ce que les moyens utilisés par la personne chargée de la surveillance, soient appropriés et nécessaires pour la surveillance du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
1° le droit d'accès aux locaux utilisés pour l'accueil d'enfants pendant les heures d'ouverture de l'emplacement d'accueil d'enfants. La demande d'une autorisation comprend une autorisation de toutes les personnes physiques majeures habitant les locaux de faire effectuer des visites de contrôle dans les locaux occupés servant à l'accueil d'enfants;
2° le droit de demander la consultation de documents et d'autres supports d'information relatifs à l'accueil d'enfants. A cet effet, elle peut se faire présenter ces supports d'informations à l'endroit qu'elle désigne. Elle peut se faire transmettre une copie gratuite de tous les documents et d'autres supports d'informations ou en faire une copie elle-même. Lorsqu'elle ne peut pas faire des copies sur place, elle peut emporter les supports d'information pour peu de temps afin de les consulter ou de les copier, contre récépissé avec un inventaire des supports d'information en question;
3° le droit de constater des violations possibles des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution dans les locaux utilisés pour l'accueil d'enfants, à l'aide de moyens audiovisuels. Des personnes et objets identifiables ne peuvent figurer sur les moyens audiovisuels que s'il est pertinent et nécessaire;
4° le droit d'examen d'affaires, comme le droit d'échantillonnage et d'analyse;
5° le droit d'exiger, lors de l'exercice de sa mission de surveillance, l'assistance de la police.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Les personnes [1 privées]1 chargées de la surveillance exercent les compétences, visées à l'alinéa premier, en vue de la surveillance du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Lors de l'exercice des compétences, visées à l'alinéa premier, le surveillant [1 privé]1 et la personne [1 privée]1 chargée de la surveillance veillent à ce que les moyens utilisés par la personne chargée de la surveillance, soient appropriés et nécessaires pour la surveillance du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Modifications
Art. 17. De [1 private]1 toezichtpersoon maakt een verslag op van zijn toezichtbezoek en stelt, in voorkomend geval, inbreuken vast in een verslag van vaststelling. Als een kopie van de verslagen naar de organisator is gestuurd, hebben deze verslagen bewijswaarde tot het bewijs van het tegendeel.
De organisator heeft het recht om binnen een termijn van veertien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving schriftelijke opmerkingen over de inhoud van het verslag aan de [1 private]1 toezichthouder over te maken.
De [1 private]1 toezichthouder voegt de eventuele schriftelijke opmerkingen van de organisator bij het verslag van vaststelling dat hij aan [2 het agentschap]2 bezorgt.
Op basis van het ontvangen verslag van vaststelling van de [1 private]1 toezichthouder [2 onderneemt het agentschap]2 zo nodig verdere stappen volgens de bepalingen, vermeld in artikel 18 tot en met 22. [2 Het agentschap stelt]2 de organisator daarvan in kennis.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
De organisator heeft het recht om binnen een termijn van veertien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving schriftelijke opmerkingen over de inhoud van het verslag aan de [1 private]1 toezichthouder over te maken.
De [1 private]1 toezichthouder voegt de eventuele schriftelijke opmerkingen van de organisator bij het verslag van vaststelling dat hij aan [2 het agentschap]2 bezorgt.
Op basis van het ontvangen verslag van vaststelling van de [1 private]1 toezichthouder [2 onderneemt het agentschap]2 zo nodig verdere stappen volgens de bepalingen, vermeld in artikel 18 tot en met 22. [2 Het agentschap stelt]2 de organisator daarvan in kennis.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
Art. 17. La personne [1 privée]1 chargée de la surveillance établit un rapport de sa visite de surveillance et constate, le cas échéant, des infractions dans un rapport de constatation. Si une copie des rapports est envoyée à l'organisateur, ces rapports font foi jusqu'à preuve du contraire.
L'organisateur a le droit de transmettre des remarques écrites sur le contenu du rapport du surveillant [1 privé]1, dans un délai de quatorze jours calendaires après la notification écrite.
Le surveillant [1 privé]1 joint les remarques écrites éventuelles de l'organisateur au rapport de constatation qu'il transmet à [2 l'agence]2.
Sur la base du rapport de constatation reçu du surveillant [1 privé]1, [2 l'agence entreprend]2 au besoin des démarches ultérieures selon les dispositions, visées aux articles 18 à 22 inclus. [2 L'agence en informe]2 l'organisateur.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
L'organisateur a le droit de transmettre des remarques écrites sur le contenu du rapport du surveillant [1 privé]1, dans un délai de quatorze jours calendaires après la notification écrite.
Le surveillant [1 privé]1 joint les remarques écrites éventuelles de l'organisateur au rapport de constatation qu'il transmet à [2 l'agence]2.
Sur la base du rapport de constatation reçu du surveillant [1 privé]1, [2 l'agence entreprend]2 au besoin des démarches ultérieures selon les dispositions, visées aux articles 18 à 22 inclus. [2 L'agence en informe]2 l'organisateur.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Afdeling 2. - Aanmaning
Section 2. - Sommation
Art. 18. Als wordt vastgesteld dat een organisator de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft, [1 of het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert,]1 wordt de organisator schriftelijk aangemaand door [4 het agentschap]4. Die aanmaning vermeldt een termijn waarbinnen de organisator moet voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen [1 of aan de vereisten betreffende het toezicht]1 en kan specifieke voorwaarden bevatten om te voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen. [5 Ook bij toepassing van het voorzorgsbeginsel wordt de organisator schriftelijk aangemaand door het agentschap.]5
[2 [3[5 De aanmaning kan achterwege blijven en het agentschap kan onmiddellijk overgaan tot het nemen van een bestuurlijke maatregel als vermeld in afdeling 3:
1° bij dringende noodzakelijkheid;
2° als een herstel van de inbreuk niet meer mogelijk is;
3° bij de niet-naleving van een beveiligende maatregel als vermeld in artikel 19;
4° bij de stopzetting van de subsidie in geval van gelijktijdige opheffing of wijziging van de vergunning]5
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
[2 [3[5 De aanmaning kan achterwege blijven en het agentschap kan onmiddellijk overgaan tot het nemen van een bestuurlijke maatregel als vermeld in afdeling 3:
1° bij dringende noodzakelijkheid;
2° als een herstel van de inbreuk niet meer mogelijk is;
3° bij de niet-naleving van een beveiligende maatregel als vermeld in artikel 19;
4° bij de stopzetting van de subsidie in geval van gelijktijdige opheffing of wijziging van de vergunning]5
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
Modifications
Art. 18. Lorsqu'il est constaté qu'un organisateur ne respecte pas les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, [1 ou empêche le contrôle réglé en vertu du présent décret,]1 l'organisateur reçoit une sommation écrite de [4 l'agence]4. Cette sommation mentionne un délai dans lequel l'organisateur doit répondre aux dispositions non respectées, [1 ou aux exigences relatives au contrôle]1 et peut contenir des conditions spécifiques pour répondre aux dispositions non respectées. [5 Même lorsque le principe de précaution est appliqué, l'organisateur reçoit une sommation écrite de l'agence.]5
[5 La sommation peut être omise et l'agence peut immédiatement prendre une mesure administrative telle que visée à la section 3 :
1° en cas d'urgence ;
2° si la réparation de l'infraction n'est plus possible ;
3° en cas de non-respect d'une mesure conservatoire telle que visée à l'article 19 ;
4° lors de la cessation de la subvention en cas d'abrogation ou de modification simultanée de l'autorisation]5.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
[5 La sommation peut être omise et l'agence peut immédiatement prendre une mesure administrative telle que visée à la section 3 :
1° en cas d'urgence ;
2° si la réparation de l'infraction n'est plus possible ;
3° en cas de non-respect d'une mesure conservatoire telle que visée à l'article 19 ;
4° lors de la cessation de la subvention en cas d'abrogation ou de modification simultanée de l'autorisation]5.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Modifications
Afdeling 3. - Bestuurlijke maatregelen
Section 3. - Mesures administratives
Art. 19. [1 Het agentschap kan de vergunning wijzigen, schorsen, opheffen of kan beveiligende maatregelen nemen als het agentschap vaststelt:
1° dat er een inbreuk is op de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° dat een maatregel moet worden genomen vanuit het voorzorgsbeginsel;
3° dat het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhinderd wordt.
De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die vermeld is in de schorsingsbeslissing tot het moment dat het agentschap vaststelt dat de organisator opnieuw voldoet aan de vergunningsvoorwaarden en uiterlijk tot de datum die vermeld is in de schorsingsbeslissing. Als op de einddatum van de schorsing de aanleiding van de maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de schorsing verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
De opheffing van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg.
De beveiligende maatregelen zijn tijdelijke bestuurlijke maatregelen waarbij de uitoefening van de kinderopvang niet volledig wordt opgeschort, tenzij het agentschap gelijktijdig met de beveiligende maatregel een schorsing oplegt. Als op de einddatum van de beveiligende maatregel de aanleiding van de beveiligende maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de beveiligende maatregel verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
Het agentschap kan een of meer beveiligende maatregelen nemen die kunnen bestaan uit:
1° de wijziging van de vergunning, al dan niet gekoppeld aan het verbod om bepaalde ruimtes in de kinderopvanglocatie in gebruik te nemen;
2° de beperking van de openingsdagen en -uren;
3° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de risico's met betrekking tot de persoon van de organisator of van een persoon die werkzaam is in de kinderopvanglocatie, door een organisatie of deskundige als vermeld in [2 artikel 15/1, eerste lid]2;
4° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de competenties van de organisator met betrekking tot het beleidsvoerend vermogen, door een organisatie als vermeld in artikel 11;
5° het opleggen van een verbod voor een organisator om een vergunning aan te vragen als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om als organisator van een kinderopvanglocatie op te treden;
6° het opleggen van een verbod voor een persoon om als verantwoordelijke van een kinderopvanglocatie tewerkgesteld te worden als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om dergelijke functie op te nemen;
7° het opleggen van een verbod om activiteiten op te nemen met de opgevangen kinderen ten aanzien van een of meer personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie;
8° het opleggen van een specifieke ondersteuning, al dan niet op de werkvloer, of van een specifieke opleiding;
9° het opleggen van een verbod om nieuwe contracten af te sluiten met gezinnen;
10° het verzoek aan de rechter om een voorlopige bewindvoerder aan te stellen met competenties in de organisatie van een zorgvoorziening die gemachtigd wordt om in naam en voor rekening van de organisator de nodige maatregelen te nemen om tegemoet te komen aan de vastgestelde inbreuken of risico's wat betreft de kwaliteit en de duurzaamheid van de kinderopvang.
In de beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt transparant omschreven wat de bestuurlijke maatregel inhoudt, de motivering voor de keuze van de opgelegde bestuurlijke maatregel en welke voorwaarden in voorkomend geval vervuld moeten zijn en binnen welke termijn ze vervuld moeten zijn.
Het agentschap kan in voorkomend geval de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen geheel of ten dele aanrekenen aan de organisator.
Het agentschap kan in geval van een schorsing van een vergunning [2 naar aanleiding van een ernstige gebeurtenis als vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, b),]2 waaruit blijkt dat de gebeurtenis te wijten is aan een oorzaak die volledig buiten de organisator of zijn medewerkers ligt, een eenmalig forfaitair bedrag betalen voor geleden inkomensverlies.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels die minstens de mogelijkheid bevatten om bezwaar in te dienen tegen de bestuurlijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, die de parameters bevatten voor het vastleggen van de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen en voor het vastleggen van het eenmalig forfaitair bedrag, vermeld in het zevende en achtste lid, en de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder als vermeld in het vijfde lid, 10°.
De Vlaamse regering bepaalt de maximale duurtijd van de eerste schorsingsbeslissing en van de beveiligende maatregelen ]1.
1° dat er een inbreuk is op de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° dat een maatregel moet worden genomen vanuit het voorzorgsbeginsel;
3° dat het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhinderd wordt.
De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die vermeld is in de schorsingsbeslissing tot het moment dat het agentschap vaststelt dat de organisator opnieuw voldoet aan de vergunningsvoorwaarden en uiterlijk tot de datum die vermeld is in de schorsingsbeslissing. Als op de einddatum van de schorsing de aanleiding van de maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de schorsing verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
De opheffing van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg.
De beveiligende maatregelen zijn tijdelijke bestuurlijke maatregelen waarbij de uitoefening van de kinderopvang niet volledig wordt opgeschort, tenzij het agentschap gelijktijdig met de beveiligende maatregel een schorsing oplegt. Als op de einddatum van de beveiligende maatregel de aanleiding van de beveiligende maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de beveiligende maatregel verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
Het agentschap kan een of meer beveiligende maatregelen nemen die kunnen bestaan uit:
1° de wijziging van de vergunning, al dan niet gekoppeld aan het verbod om bepaalde ruimtes in de kinderopvanglocatie in gebruik te nemen;
2° de beperking van de openingsdagen en -uren;
3° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de risico's met betrekking tot de persoon van de organisator of van een persoon die werkzaam is in de kinderopvanglocatie, door een organisatie of deskundige als vermeld in [2 artikel 15/1, eerste lid]2;
4° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de competenties van de organisator met betrekking tot het beleidsvoerend vermogen, door een organisatie als vermeld in artikel 11;
5° het opleggen van een verbod voor een organisator om een vergunning aan te vragen als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om als organisator van een kinderopvanglocatie op te treden;
6° het opleggen van een verbod voor een persoon om als verantwoordelijke van een kinderopvanglocatie tewerkgesteld te worden als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om dergelijke functie op te nemen;
7° het opleggen van een verbod om activiteiten op te nemen met de opgevangen kinderen ten aanzien van een of meer personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie;
8° het opleggen van een specifieke ondersteuning, al dan niet op de werkvloer, of van een specifieke opleiding;
9° het opleggen van een verbod om nieuwe contracten af te sluiten met gezinnen;
10° het verzoek aan de rechter om een voorlopige bewindvoerder aan te stellen met competenties in de organisatie van een zorgvoorziening die gemachtigd wordt om in naam en voor rekening van de organisator de nodige maatregelen te nemen om tegemoet te komen aan de vastgestelde inbreuken of risico's wat betreft de kwaliteit en de duurzaamheid van de kinderopvang.
In de beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt transparant omschreven wat de bestuurlijke maatregel inhoudt, de motivering voor de keuze van de opgelegde bestuurlijke maatregel en welke voorwaarden in voorkomend geval vervuld moeten zijn en binnen welke termijn ze vervuld moeten zijn.
Het agentschap kan in voorkomend geval de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen geheel of ten dele aanrekenen aan de organisator.
Het agentschap kan in geval van een schorsing van een vergunning [2 naar aanleiding van een ernstige gebeurtenis als vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, b),]2 waaruit blijkt dat de gebeurtenis te wijten is aan een oorzaak die volledig buiten de organisator of zijn medewerkers ligt, een eenmalig forfaitair bedrag betalen voor geleden inkomensverlies.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels die minstens de mogelijkheid bevatten om bezwaar in te dienen tegen de bestuurlijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, die de parameters bevatten voor het vastleggen van de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen en voor het vastleggen van het eenmalig forfaitair bedrag, vermeld in het zevende en achtste lid, en de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder als vermeld in het vijfde lid, 10°.
De Vlaamse regering bepaalt de maximale duurtijd van de eerste schorsingsbeslissing en van de beveiligende maatregelen ]1.
Art. 19. [1 L'agence peut modifier, suspendre ou abroger l'autorisation ou peut prendre des mesures conservatoires si elle constate :
1° qu'il y a une infraction aux dispositions visées au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution ;
2° qu'une mesure doit être prise sur la base du principe de précaution ;
3° que le contrôle réglementé par ou en vertu du présent décret est empêché.
La suspension de l'autorisation entraîne de plein droit la suspension de l'exercice de l'accueil d'enfants à partir du jour mentionné dans la décision de suspension jusqu'au moment où l'agence constate que l'organisateur remplit à nouveau les conditions d'autorisation et au plus tard jusqu'à la date mentionnée dans la décision de suspension. Si, à la date de fin de la suspension, le motif de la mesure n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la suspension ou imposer une autre mesure administrative.
L'abrogation de l'autorisation entraîne de plein droit la fermeture du milieu d'accueil d'enfants.
Les mesures conservatoires sont des mesures administratives temporaires qui ne suspendent pas complètement l'exercice de l'accueil d'enfants, sauf si l'agence impose une suspension en même temps que la mesure conservatoire. Si, à la date de fin de la mesure conservatoire, le motif de la mesure conservatoire n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la mesure conservatoire ou imposer une autre mesure administrative.
L'agence peut prendre une ou plusieurs mesures conservatoires, qui peuvent consister en :
1° la modification de l'autorisation, liée ou non à l'interdiction d'occuper certains espaces du milieu d'accueil d'enfants ;
2° la limitation des jours et heures d'ouverture ;
3° l'examen et les conseils à l'agence des risques relatifs à la personne de l'organisateur ou d'une personne travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, par une organisation ou un expert tel que visé à [2 l'article 15/1, alinéa 1er]2 ;
4° l'examen et les conseils à l'agence des compétences de l'organisateur en ce qui concerne le pouvoir gestionnel, par une organisation telle que visée à l'article 11 ;
5° l'imposition d'une interdiction à un organisateur de demander une autorisation si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à agir en tant qu'organisateur d'un milieu d'accueil d'enfants ;
6° l'imposition d'une interdiction à une personne d'être employée en tant que responsable d'un milieu d'accueil d'enfants si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à exercer une telle fonction ;
7° l'imposition d'une interdiction d'assumer des activités avec les enfants accueillis à l'égard d'une ou plusieurs personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants ;
8° l'imposition d'un soutien spécifique, sur le lieu du travail ou non, ou d'une formation spécifique ;
9° l'imposition d'une interdiction de conclure de nouveaux contrats avec des familles ;
10° la demande au juge de désigner un administrateur provisoire ayant des compétences dans l'organisation d'une structure de soins et autorisé à prendre, au nom et pour le compte de l'organisateur, les mesures nécessaires pour répondre aux infractions ou aux risques constatés en termes de qualité et de durabilité de l'accueil d'enfants.
La décision visée à l'alinéa 1er décrit de manière transparente ce que la mesure administrative implique, la justification du choix de la mesure administrative imposée et, le cas échéant, les conditions qui doivent être remplies et le délai dans lequel elles doivent l'être.
Le cas échéant, l'agence peut mettre à la charge de l'organisateur tout ou partie du coût de certaines mesures conservatoires.
L'agence peut, en cas de suspension d'une autorisation [2 à la suite d'un événement grave tel que visé à l'article 2, alinéa 1er, 19°, b),]2 démontrant que l'événement est dû à une cause entièrement extérieure à l'organisateur ou à ses collaborateurs, verser un montant forfaitaire unique pour la perte de revenus subie.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités qui contiennent au moins la possibilité d'introduire une objection contre les mesures administratives, visées à l'alinéa 1er, qui contiennent les paramètres pour la détermination des coûts de certaines mesures conservatoires et pour la détermination du montant forfaitaire unique visé aux alinéas 7 et 8, et la désignation d'un administrateur provisoire tel que visé à l'alinéa 5, 10°.
Le Gouvernement flamand détermine la durée maximale de la première décision de suspension et des mesures conservatoires ]1.
1° qu'il y a une infraction aux dispositions visées au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution ;
2° qu'une mesure doit être prise sur la base du principe de précaution ;
3° que le contrôle réglementé par ou en vertu du présent décret est empêché.
La suspension de l'autorisation entraîne de plein droit la suspension de l'exercice de l'accueil d'enfants à partir du jour mentionné dans la décision de suspension jusqu'au moment où l'agence constate que l'organisateur remplit à nouveau les conditions d'autorisation et au plus tard jusqu'à la date mentionnée dans la décision de suspension. Si, à la date de fin de la suspension, le motif de la mesure n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la suspension ou imposer une autre mesure administrative.
L'abrogation de l'autorisation entraîne de plein droit la fermeture du milieu d'accueil d'enfants.
Les mesures conservatoires sont des mesures administratives temporaires qui ne suspendent pas complètement l'exercice de l'accueil d'enfants, sauf si l'agence impose une suspension en même temps que la mesure conservatoire. Si, à la date de fin de la mesure conservatoire, le motif de la mesure conservatoire n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la mesure conservatoire ou imposer une autre mesure administrative.
L'agence peut prendre une ou plusieurs mesures conservatoires, qui peuvent consister en :
1° la modification de l'autorisation, liée ou non à l'interdiction d'occuper certains espaces du milieu d'accueil d'enfants ;
2° la limitation des jours et heures d'ouverture ;
3° l'examen et les conseils à l'agence des risques relatifs à la personne de l'organisateur ou d'une personne travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, par une organisation ou un expert tel que visé à [2 l'article 15/1, alinéa 1er]2 ;
4° l'examen et les conseils à l'agence des compétences de l'organisateur en ce qui concerne le pouvoir gestionnel, par une organisation telle que visée à l'article 11 ;
5° l'imposition d'une interdiction à un organisateur de demander une autorisation si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à agir en tant qu'organisateur d'un milieu d'accueil d'enfants ;
6° l'imposition d'une interdiction à une personne d'être employée en tant que responsable d'un milieu d'accueil d'enfants si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à exercer une telle fonction ;
7° l'imposition d'une interdiction d'assumer des activités avec les enfants accueillis à l'égard d'une ou plusieurs personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants ;
8° l'imposition d'un soutien spécifique, sur le lieu du travail ou non, ou d'une formation spécifique ;
9° l'imposition d'une interdiction de conclure de nouveaux contrats avec des familles ;
10° la demande au juge de désigner un administrateur provisoire ayant des compétences dans l'organisation d'une structure de soins et autorisé à prendre, au nom et pour le compte de l'organisateur, les mesures nécessaires pour répondre aux infractions ou aux risques constatés en termes de qualité et de durabilité de l'accueil d'enfants.
La décision visée à l'alinéa 1er décrit de manière transparente ce que la mesure administrative implique, la justification du choix de la mesure administrative imposée et, le cas échéant, les conditions qui doivent être remplies et le délai dans lequel elles doivent l'être.
Le cas échéant, l'agence peut mettre à la charge de l'organisateur tout ou partie du coût de certaines mesures conservatoires.
L'agence peut, en cas de suspension d'une autorisation [2 à la suite d'un événement grave tel que visé à l'article 2, alinéa 1er, 19°, b),]2 démontrant que l'événement est dû à une cause entièrement extérieure à l'organisateur ou à ses collaborateurs, verser un montant forfaitaire unique pour la perte de revenus subie.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités qui contiennent au moins la possibilité d'introduire une objection contre les mesures administratives, visées à l'alinéa 1er, qui contiennent les paramètres pour la détermination des coûts de certaines mesures conservatoires et pour la détermination du montant forfaitaire unique visé aux alinéas 7 et 8, et la désignation d'un administrateur provisoire tel que visé à l'alinéa 5, 10°.
Le Gouvernement flamand détermine la durée maximale de la première décision de suspension et des mesures conservatoires ]1.
Art. 20. [1 [3 Het agentschap]3 kan de subsidie verminderen, schorsen of stopzetten als de organisator:
1° de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft;
2° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert.
[3 Het agentschap]3 beslist tot terugvordering van de subsidie overeenkomstig [2 artikel 75 en artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]2.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die minstens de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen.
1° de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft;
2° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert.
[3 Het agentschap]3 beslist tot terugvordering van de subsidie overeenkomstig [2 artikel 75 en artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]2.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die minstens de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen.
Art. 20. [1 [3 L'agence]3 peut diminuer, suspendre ou arrêter la subvention lorsque l'organisateur :
1° ne respecte pas les dispositions du présent décret ou de ses arrêtés d'exécution ;
2° empêche le contrôle réglé par ou en vertu du présent décret.
[3 L'agence]3 décide du recouvrement de la subvention conformément à [2 les articles 75 et 76 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]2.]1
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, comprenant au moins la possibilité d'introduire une réclamation.
1° ne respecte pas les dispositions du présent décret ou de ses arrêtés d'exécution ;
2° empêche le contrôle réglé par ou en vertu du présent décret.
[3 L'agence]3 décide du recouvrement de la subvention conformément à [2 les articles 75 et 76 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]2.]1
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, comprenant au moins la possibilité d'introduire une réclamation.
Art. 21. Als de kinderopvanglocatie georganiseerd wordt zonder een vergunning van [2 het agentschap]2 als vermeld in artikel 4, of als de vergunning wordt opgeheven [3 , geeft het bevoegde personeelslid van het agentschap een sluitingsbevel aan de organisator, met vermelding van de datum waarop de sluiting ingaat]3. In geval van een imminent en ernstig gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de kinderen kan de sluiting onmiddellijk worden opgelegd.
[1 Als de uitoefening van de kinderopvang opgeschort moet worden of als een kinderopvanglocatie moet sluiten, licht [2 het agentschap]2 zo spoedig mogelijk de burgemeester van de gemeente van de kinderopvanglocatie daarover in.
De burgemeester gaat na of de opschorting of het sluitingsbevel wordt nageleefd. Als dat niet het geval is, gaat de burgemeester over tot sluiting van de kinderopvanglocatie. Die maatregel wordt op kosten en op risico van de organisator uitgevoerd. De burgemeester informeert [2 het agentschap]2 over zijn vaststellingen.]1
[3 De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap aan die bevoegd zijn om de beslissingen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel te nemen en bepaalt de nadere regels.]3
[1 Als de uitoefening van de kinderopvang opgeschort moet worden of als een kinderopvanglocatie moet sluiten, licht [2 het agentschap]2 zo spoedig mogelijk de burgemeester van de gemeente van de kinderopvanglocatie daarover in.
De burgemeester gaat na of de opschorting of het sluitingsbevel wordt nageleefd. Als dat niet het geval is, gaat de burgemeester over tot sluiting van de kinderopvanglocatie. Die maatregel wordt op kosten en op risico van de organisator uitgevoerd. De burgemeester informeert [2 het agentschap]2 over zijn vaststellingen.]1
[3 De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap aan die bevoegd zijn om de beslissingen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel te nemen en bepaalt de nadere regels.]3
Art. 21. Lorsque l'emplacement d'accueil d'enfants est organisé sans autorisation de [2 l'agence]2, telle que visée à l'article 4, ou lorsque l'autorisation est annulée, [3 , le membre du personnel compétent de l'agence transmet à l'organisateur un ordre de fermeture mentionnant la date à laquelle la fermeture prend cours]3. En cas de danger imminent et grave pour la santé ou la sécurité des enfants, la fermeture peut être imposée immédiatement.
[1 Lorsque l'exercice de l'accueil d'enfants doit être suspendu ou lorsqu'un emplacement d'accueil d'enfants doit fermer, [2 l'agence]2 en informe le bourgmestre de la commune de l'emplacement d'accueil d'enfants.
Le bourgmestre vérifie si la suspension ou l'ordre de fermeture sont respectés. Lorsque tel n'est pas le cas, le bourgmestre procède à la fermeture de l'emplacement d'accueil d'enfants. Cette mesure est effectuée aux frais et aux risques de l'organisateur. Le bourgmestre informe [2 l'agence]2 sur ses constatations.]1
[3 Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence qui sont compétents pour prendre les décisions conformément aux dispositions du présent article et arrête les modalités.]3
[1 Lorsque l'exercice de l'accueil d'enfants doit être suspendu ou lorsqu'un emplacement d'accueil d'enfants doit fermer, [2 l'agence]2 en informe le bourgmestre de la commune de l'emplacement d'accueil d'enfants.
Le bourgmestre vérifie si la suspension ou l'ordre de fermeture sont respectés. Lorsque tel n'est pas le cas, le bourgmestre procède à la fermeture de l'emplacement d'accueil d'enfants. Cette mesure est effectuée aux frais et aux risques de l'organisateur. Le bourgmestre informe [2 l'agence]2 sur ses constatations.]1
[3 Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence qui sont compétents pour prendre les décisions conformément aux dispositions du présent article et arrête les modalités.]3
Afdeling 4. - Bestuurlijke geldboete
Section 4. - Amende administrative
Art. 22. [3 Het bevoegde personeelslid van het agentschap]3 kan een bestuurlijke geldboete van 100 tot 100.000 euro opleggen als de organisator :
1° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht [1 door de private toezichthouder]1 verhindert;
2° kinderopvang organiseert zonder vergunning als vermeld in artikel 4;
3° de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft.
De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag dat [3 het bevoegde personeelslid van het agentschap]3 het verslag van vaststelling van de toezichthouder ontvangt, en op voorwaarde dat de betrokken organisator de kans heeft gehad om gehoord te worden over de vermeende inbreuk en over de hoogte van de geldboete. De organisator mag zich daarbij laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.
De betrokkene kan, op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep, binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd tegen die beslissing beroep aantekenen met een verzoekschrift bij de Raad van State. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
[4 ...]4.
De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
[3 De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap aan die overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling bevoegd zijn om bestuurlijke geldboeten op te leggen, en bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de bestuurlijke geldboete.]3
1° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht [1 door de private toezichthouder]1 verhindert;
2° kinderopvang organiseert zonder vergunning als vermeld in artikel 4;
3° de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft.
De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag dat [3 het bevoegde personeelslid van het agentschap]3 het verslag van vaststelling van de toezichthouder ontvangt, en op voorwaarde dat de betrokken organisator de kans heeft gehad om gehoord te worden over de vermeende inbreuk en over de hoogte van de geldboete. De organisator mag zich daarbij laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.
De betrokkene kan, op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep, binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd tegen die beslissing beroep aantekenen met een verzoekschrift bij de Raad van State. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
[4 ...]4.
De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
[3 De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap aan die overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling bevoegd zijn om bestuurlijke geldboeten op te leggen, en bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de bestuurlijke geldboete.]3
Art. 22. [3 Le membre du personnel compétent de l'agence]3 peut imposer une amende administrative de 100 à 100.000 euros lorsque l'organisateur :
1° empêche la surveillance [1 par le surveillant privé]1 réglée par ou en vertu du présent décret;
2° organise l'accueil d'enfants sans autorisation, telle que visée à l'article 4;
3° ne respecte pas les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
L'amende administrative peut être imposée dans un délai de six mois, à compter du jour auquel [3 le membre du personnel compétent de l'agence]3 reçoit le rapport de constatation du surveillant, et à condition que l'organisateur concerné ait eu la possibilité d'être entendu sur l'infraction présumée et sur le montant de l'amende. L'organisateur peut se faire assister ou représenter par un avocat ou une tierce personne. Si une amende administrative est imposée, la décision mentionne le montant, le mode de paiement et le délai de paiement de celle-ci. L'avis à l'intéressé de la décision mentionne les modalités selon lesquelles et le délai endéans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
Sous peine de déchéance du droit à l'introduction d'un recours dans un délai d'un mois prenant cours le jour de la notification de la décision de lui imposer une amende administrative, l'intéressé peut introduire un recours contre cette décision par voie de requête auprès du Conseil d'Etat. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
[4 ...]4.
L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision, visée à l'alinéa deux, ou dans le cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en autorité de la chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
[3 Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence qui sont compétents, conformément aux dispositions de la présente section, pour imposer des amendes administratives, et arrête les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative.]3
1° empêche la surveillance [1 par le surveillant privé]1 réglée par ou en vertu du présent décret;
2° organise l'accueil d'enfants sans autorisation, telle que visée à l'article 4;
3° ne respecte pas les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
L'amende administrative peut être imposée dans un délai de six mois, à compter du jour auquel [3 le membre du personnel compétent de l'agence]3 reçoit le rapport de constatation du surveillant, et à condition que l'organisateur concerné ait eu la possibilité d'être entendu sur l'infraction présumée et sur le montant de l'amende. L'organisateur peut se faire assister ou représenter par un avocat ou une tierce personne. Si une amende administrative est imposée, la décision mentionne le montant, le mode de paiement et le délai de paiement de celle-ci. L'avis à l'intéressé de la décision mentionne les modalités selon lesquelles et le délai endéans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
Sous peine de déchéance du droit à l'introduction d'un recours dans un délai d'un mois prenant cours le jour de la notification de la décision de lui imposer une amende administrative, l'intéressé peut introduire un recours contre cette décision par voie de requête auprès du Conseil d'Etat. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
[4 ...]4.
L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision, visée à l'alinéa deux, ou dans le cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en autorité de la chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
[3 Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence qui sont compétents, conformément aux dispositions de la présente section, pour imposer des amendes administratives, et arrête les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative.]3
Art. 23. [1 Het agentschap]1 beheert het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en besteedt het ten voordele van de kinderopvangsector.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
Modifications
Art. 23. [1 L'agence]1 gère le budget provenant des amendes administratives, visées au présent décret et à ses arrêtés d'exécution, et le dépense en faveur du secteur de l'accueil d'enfants.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Modifications
HOOFDSTUK 6/1. [1 Comité van toezicht op de Handhaving in de Kinderopvang ]1
CHAPITRE 6/1. [1 Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants ]1
Art. 23/1. [1 Er wordt een Comité van toezicht op de Handhaving in de Kinderopvang opgericht, hierna het Comité genoemd, met de volgende opdrachten:
1° het handhavingsbeleid en de operationele handhaving, met inbegrip van de toepassing van het voorzorgsbeginsel, vermeld in artikel 15/1, evalueren;
2° op eigen initiatief, vanuit de evaluatie, vermeld in punt 1°, advies formuleren aan het agentschap;
3° op verzoek van de bevoegde minister of de leidend ambtenaar van het agentschap een advies formuleren over het handhavingsbeleid of bepaalde aspecten ervan.
Om de opdrachten, vermeld in het eerste lid, te kunnen realiseren heeft het Comité toegang tot alle relevante informatie, vermeld in artikel 24, vijfde lid, met inbegrip van de handhavingsdossiers die het agentschap bezorgt aan het Comité.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens met betrekking tot de samenstelling, de benoeming van de leden, de duur van hun mandaat, de werking, de rapportering en de vertrouwelijkheid van de informatie.
De Vlaamse Regering stelt de vergoeding voor de leden van het Comité vast. ]1
1° het handhavingsbeleid en de operationele handhaving, met inbegrip van de toepassing van het voorzorgsbeginsel, vermeld in artikel 15/1, evalueren;
2° op eigen initiatief, vanuit de evaluatie, vermeld in punt 1°, advies formuleren aan het agentschap;
3° op verzoek van de bevoegde minister of de leidend ambtenaar van het agentschap een advies formuleren over het handhavingsbeleid of bepaalde aspecten ervan.
Om de opdrachten, vermeld in het eerste lid, te kunnen realiseren heeft het Comité toegang tot alle relevante informatie, vermeld in artikel 24, vijfde lid, met inbegrip van de handhavingsdossiers die het agentschap bezorgt aan het Comité.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens met betrekking tot de samenstelling, de benoeming van de leden, de duur van hun mandaat, de werking, de rapportering en de vertrouwelijkheid van de informatie.
De Vlaamse Regering stelt de vergoeding voor de leden van het Comité vast. ]1
Art.23/1.[1 Il est créé un Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, ci-après dénommé le Comité, qui a les missions suivantes :
1° évaluer la politique de maintien et le maintien opérationnel, y compris l'application du principe de précaution, visé à l'article 15/1 ;
2° de sa propre initiative, sur la base de l'évaluation visée au point 1°, formuler un avis à l'agence ;
3° à la demande du ministre compétent ou du fonctionnaire dirigeant de l'agence, formuler un avis sur la politique de maintien ou certains de ses aspects.
Afin de pouvoir accomplir les missions visées à l'alinéa 1er, le Comité a accès à toutes les informations pertinentes visées à l'article 24, alinéa 5, y compris les dossiers de maintien que l'agence transmet au Comité.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, au moins en ce qui concerne la composition, la nomination des membres, la durée de leur mandat, le fonctionnement, le compte-rendu et la confidentialité des informations.
Le Gouvernement flamand détermine la rémunération des membres du Comité ]1.
1° évaluer la politique de maintien et le maintien opérationnel, y compris l'application du principe de précaution, visé à l'article 15/1 ;
2° de sa propre initiative, sur la base de l'évaluation visée au point 1°, formuler un avis à l'agence ;
3° à la demande du ministre compétent ou du fonctionnaire dirigeant de l'agence, formuler un avis sur la politique de maintien ou certains de ses aspects.
Afin de pouvoir accomplir les missions visées à l'alinéa 1er, le Comité a accès à toutes les informations pertinentes visées à l'article 24, alinéa 5, y compris les dossiers de maintien que l'agence transmet au Comité.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, au moins en ce qui concerne la composition, la nomination des membres, la durée de leur mandat, le fonctionnement, le compte-rendu et la confidentialité des informations.
Le Gouvernement flamand détermine la rémunération des membres du Comité ]1.
HOOFDSTUK 7. - Gegevensverzameling en -verwerking
CHAPITRE 7. - Collecte et traitement de données
Art. 24. [3 Het agentschap]3 verwerkt in uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de volgende soorten persoonsgegevens :
1° van het kind en van het gezin van het kind :
a) [2 de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),]2 van het kind in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden en in het kader van de beleidsvoorbereiding en -evaluatie;
b) identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer,]6 in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie, het kenbaar maken van genomen maatregelen met betrekking tot de vergunning of subsidiëring, en de facturatie;
c) gegevens over de vraag naar kinderopvang in het kader van de handhaving van vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie en de programmatie;
d) gegevens over het gebruik van de kinderopvanglocatie door gezinnen in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, de facturatie, de programmatie en de aanwezigheidsregistratie;
e) financiële gegevens en gegevens over de gezinssituatie in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, de facturatie en de bepaling van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen;
f) gegevens over de omgang met crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
g) gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
h) gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid in het kader van de handhaving van de subsidievoorwaarden en de beleidsvoorbereiding en -evaluatie;
[6 i) de aanduiding of het kind een pleegkind is als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, en als dusdanig enige voordelen krijgt, zoals voorrang of een verlaagde ouderbijdrage;]6
2° van de organisatoren, de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en eventuele andere medewerkers in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, minstens :
a) de [2 gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening]2, minstens een attest van medische geschiktheid [6 , een uittreksel uit het strafregister of andere strafrechtelijke informatie]6;
[6 a/1) de gegevens over de geschiktheid en competenties en de risico's met betrekking tot die personen;]6
b) [1 de identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer]6 [5 de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens]5;]1
c) de gegevens over crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
d) de gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
[6 e) de gegevens over de organisatie en de financiële werking van de organisator zoals opgenomen in de federale en Vlaamse authentieke databanken;]6
3° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a). [5 Het agentschap bezorgt de gegevens die noodzakelijk zijn voor hun opdrachten, aan de organisaties en deskundigen, vermeld in artikel 15/1 of [6 artikel 11, 2° en 3°]6, en aan de gerechtelijke instanties met het oog op meldingen door het agentschap of in het kader van lopende strafonderzoeken]5
De organisator verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de volgende soorten persoonsgegevens :
1° van het kind en van het gezin van het kind :
a) de [2 gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening]2 in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden;
b) de identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer,]6 in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie en de facturatie;
c) de gegevens over de vraag naar kinderopvang in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden en het beleid van de organisator met betrekking tot de kinderopvanglocatie;
d) de gegevens over het gebruik van de kinderopvanglocatie door gezinnen in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie, de facturatie en het beleid van de kinderopvanglocatie;
e) de financiële gegevens en de gegevens over de gezinssituatie in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de facturatie en de bepaling van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen;
f) de gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid in het kader van de subsidievoorwaarden en het beleid van de organisator met betrekking tot de kinderopvanglocatie;
2° van de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en eventuele andere medewerkers in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, minstens :
a) de [2 gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening]2, minstens een attest van medische geschiktheid en een uittreksel uit het strafregister;
b) [1 de identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer,]6, de opleidingsgegevens en de gegevens over de draagkracht van de kinderbegeleiders;]1
3° van de personen, vermeld in punt 1° en 2° :
a) de gegevens over de omgang met crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
b) de gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
4° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a).
De toezichthouder verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, minstens de persoonsgegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, in het kader van het toezicht op de vergunnings- en subsidievoorwaarden.
Het lokaal loket kinderopvang verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de persoonsgegevens van het kind en van het gezin van het kind, meer bepaald de identificatiegegevens, [4 de financiële gegevens en de gegevens over de gezinssituatie,]4 gegevens over de vraag naar kinderopvang en gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid van het kind en het gezin van het kind in het kader van de opdracht van het lokaal loket kinderopvang.
[5 Het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang verwerkt de volgende persoonsgegevens, als de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van zijn decretale opdrachten voor het toezicht op het handhavingsbeleid van het agentschap:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1°, a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De personen van wie de persoonsgegevens door het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang kunnen worden verwerkt, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. Het agentschap is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot één jaar nadat het Comité van toezicht op Handhaving het onderzoek heeft afgerond of het advies heeft uitgebracht aan de leidend ambtenaar of de minister.
De organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering of het agentschap ter uitvoering van artikel 15/1 verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in dit decreet:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1° a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie of deskundige is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie of deskundige het onderzoek heeft afgerond en het advies heeft uitgebracht aan het agentschap.
De personen van wie de persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering ter uitvoering van artikel 15/1, zijn de organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de minderjarigen of personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in [6 artikel 11, 2° en 3°]6, verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
4° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren, die noodzakelijk zijn voor de opdracht van de organisatie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie die een subsidie ontvangt voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in [6 artikel 11, 2° en 3°]6, is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie de ondersteuning aan de organisator heeft afgerond.
De personen van wie de persoonsgegevens door de organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in [6 artikel 11, 2° en 3°]6, kunnen verwerkt worden, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang en de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocaties.]5
De bewaartermijn is tien jaar voor de gegevens over de klachten en crisissituaties, en vijf jaar voor de andere gegevens, vermeld in het eerste lid tot en met het vierde lid. Voor de gegevens over de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de eventuele andere medewerkers begint de termijn te lopen vanaf het einde van hun tewerkstelling.
[5 Voor het uittreksel uit het strafregister geldt, in afwijking van het veertiende lid en in afwijking van artikel 5 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, dat de bewaartermijn drie jaar is, waarbij die termijn begint te lopen vanaf de aanstelling van de betrokkene. Bij de ontvangst door de organisator van een nieuw uittreksel uit het strafregister wordt het voorgaande uittreksel vernietigd. De organisator neemt de gepaste maatregelen voor de beveiligde bewaring van de uittreksels.
Elke verwerkingsverantwoordelijke neemt in overeenstemming met artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikel 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde informatie en de in de artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke taal ontvangt. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van elektronische middelen, verstrekt. Als de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is]5
1° van het kind en van het gezin van het kind :
a) [2 de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),]2 van het kind in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden en in het kader van de beleidsvoorbereiding en -evaluatie;
b) identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer,]6 in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie, het kenbaar maken van genomen maatregelen met betrekking tot de vergunning of subsidiëring, en de facturatie;
c) gegevens over de vraag naar kinderopvang in het kader van de handhaving van vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie en de programmatie;
d) gegevens over het gebruik van de kinderopvanglocatie door gezinnen in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, de facturatie, de programmatie en de aanwezigheidsregistratie;
e) financiële gegevens en gegevens over de gezinssituatie in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, de facturatie en de bepaling van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen;
f) gegevens over de omgang met crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
g) gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
h) gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid in het kader van de handhaving van de subsidievoorwaarden en de beleidsvoorbereiding en -evaluatie;
[6 i) de aanduiding of het kind een pleegkind is als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, en als dusdanig enige voordelen krijgt, zoals voorrang of een verlaagde ouderbijdrage;]6
2° van de organisatoren, de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en eventuele andere medewerkers in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, minstens :
a) de [2 gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening]2, minstens een attest van medische geschiktheid [6 , een uittreksel uit het strafregister of andere strafrechtelijke informatie]6;
[6 a/1) de gegevens over de geschiktheid en competenties en de risico's met betrekking tot die personen;]6
b) [1 de identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer]6 [5 de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens]5;]1
c) de gegevens over crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
d) de gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
[6 e) de gegevens over de organisatie en de financiële werking van de organisator zoals opgenomen in de federale en Vlaamse authentieke databanken;]6
3° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a). [5 Het agentschap bezorgt de gegevens die noodzakelijk zijn voor hun opdrachten, aan de organisaties en deskundigen, vermeld in artikel 15/1 of [6 artikel 11, 2° en 3°]6, en aan de gerechtelijke instanties met het oog op meldingen door het agentschap of in het kader van lopende strafonderzoeken]5
De organisator verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de volgende soorten persoonsgegevens :
1° van het kind en van het gezin van het kind :
a) de [2 gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening]2 in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden;
b) de identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer,]6 in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie en de facturatie;
c) de gegevens over de vraag naar kinderopvang in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden en het beleid van de organisator met betrekking tot de kinderopvanglocatie;
d) de gegevens over het gebruik van de kinderopvanglocatie door gezinnen in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie, de facturatie en het beleid van de kinderopvanglocatie;
e) de financiële gegevens en de gegevens over de gezinssituatie in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de facturatie en de bepaling van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen;
f) de gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid in het kader van de subsidievoorwaarden en het beleid van de organisator met betrekking tot de kinderopvanglocatie;
2° van de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en eventuele andere medewerkers in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, minstens :
a) de [2 gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening]2, minstens een attest van medische geschiktheid en een uittreksel uit het strafregister;
b) [1 de identificatiegegevens [6 , met inbegrip van het INSZ-nummer,]6, de opleidingsgegevens en de gegevens over de draagkracht van de kinderbegeleiders;]1
3° van de personen, vermeld in punt 1° en 2° :
a) de gegevens over de omgang met crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
b) de gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
4° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a).
De toezichthouder verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, minstens de persoonsgegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, in het kader van het toezicht op de vergunnings- en subsidievoorwaarden.
Het lokaal loket kinderopvang verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de persoonsgegevens van het kind en van het gezin van het kind, meer bepaald de identificatiegegevens, [4 de financiële gegevens en de gegevens over de gezinssituatie,]4 gegevens over de vraag naar kinderopvang en gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid van het kind en het gezin van het kind in het kader van de opdracht van het lokaal loket kinderopvang.
[5 Het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang verwerkt de volgende persoonsgegevens, als de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van zijn decretale opdrachten voor het toezicht op het handhavingsbeleid van het agentschap:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1°, a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De personen van wie de persoonsgegevens door het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang kunnen worden verwerkt, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. Het agentschap is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot één jaar nadat het Comité van toezicht op Handhaving het onderzoek heeft afgerond of het advies heeft uitgebracht aan de leidend ambtenaar of de minister.
De organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering of het agentschap ter uitvoering van artikel 15/1 verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in dit decreet:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1° a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie of deskundige is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie of deskundige het onderzoek heeft afgerond en het advies heeft uitgebracht aan het agentschap.
De personen van wie de persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering ter uitvoering van artikel 15/1, zijn de organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de minderjarigen of personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in [6 artikel 11, 2° en 3°]6, verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
4° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren, die noodzakelijk zijn voor de opdracht van de organisatie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie die een subsidie ontvangt voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in [6 artikel 11, 2° en 3°]6, is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie de ondersteuning aan de organisator heeft afgerond.
De personen van wie de persoonsgegevens door de organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in [6 artikel 11, 2° en 3°]6, kunnen verwerkt worden, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang en de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocaties.]5
De bewaartermijn is tien jaar voor de gegevens over de klachten en crisissituaties, en vijf jaar voor de andere gegevens, vermeld in het eerste lid tot en met het vierde lid. Voor de gegevens over de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de eventuele andere medewerkers begint de termijn te lopen vanaf het einde van hun tewerkstelling.
[5 Voor het uittreksel uit het strafregister geldt, in afwijking van het veertiende lid en in afwijking van artikel 5 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, dat de bewaartermijn drie jaar is, waarbij die termijn begint te lopen vanaf de aanstelling van de betrokkene. Bij de ontvangst door de organisator van een nieuw uittreksel uit het strafregister wordt het voorgaande uittreksel vernietigd. De organisator neemt de gepaste maatregelen voor de beveiligde bewaring van de uittreksels.
Elke verwerkingsverantwoordelijke neemt in overeenstemming met artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikel 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde informatie en de in de artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke taal ontvangt. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van elektronische middelen, verstrekt. Als de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is]5
Modifications
Art. 24. En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, [3 l'agence]3 traite au moins les types suivants de données à caractère personnel :
1° de l'enfant et de la famille de l'enfant :
a) [2 les données relatives à la santé, visées à l'article 4, point 15), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]2 de l'enfant dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement et dans le cadre de la préparation et de l'évaluation politique;
b) données d'identification [6 , y compris le numéro NISS, ]6 dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, l'enregistrement des présences, la communication des mesures prises concernant l'autorisation ou le subventionnement, et la facturation;
c) données sur la demande d'accueil d'enfants dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique et la programmation;
d) données sur l'utilisation de l'emplacement d'accueil d'enfants par les familles dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique, la facturation, la programmation et l'enregistrement des présences;
e) données financières et données sur la composition du ménage dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique, la facturation et la détermination du prix de l'accueil d'enfants pour les familles;
f) données sur la gestion des situations de crise dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
g) données sur le traitement des plaintes sur l'emplacement d'accueil d'enfants;
h) données sur la vulnérabilité sociale dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique;
[6 i) l'indication si l'enfant est un enfant placé tel que visé à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, et bénéficie à ce titre de certains avantages, tels que l'attribution de la priorité ou une réduction de la cotisation parentale;]6
2° des organisateurs, des responsables, des accompagnateurs d'enfants et d'autres collaborateurs éventuels dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, au moins :
a) les [2 données relatives à la santé visées à l'article 4, point 15) du règlement précité, et les données à caractère personnel visées à l'article 10 du règlement précité]2, au moins une attestation d'aptitude médicale et [6 , un extrait du casier judiciaire ou d'autres informations pénales]6;
[6 a/1) les données relatives à l'aptitude et les compétences, et les risques concernant ces personnes ;]6
b) [1 les données d'identification [6 , y compris le numéro NISS,]6 [5 , les données de formation et les données d'emploi]5;]1
c) les données sur des situations de crise dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
d) les données sur le traitement des plaintes sur l'emplacement d'accueil d'enfants;
[6 e) les données relatives à l'organisation et au fonctionnement financier de l'organisateur, telles que reprises dans les bases de données authentiques fédérales et flamandes;]6
3° de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants accueillis dans l'emplacement d'accueil d'enfants, les données visées au point 2°, a). [5 L'agence transmet les données nécessaires à leurs missions aux organisations et experts visés à l'article 15/1 ou à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 ainsi qu'aux autorités judiciaires en vue des notifications par l'agence ou dans le cadre d'enquêtes pénales en cours.]5
En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, l'organisateur traite au moins les types suivants de données à caractère personnel :
1° de l'enfant et de la famille de l'enfant :
a) les [2 données relatives à la santé, visées à l'article 4, point 15), du règlement précité]2 dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement;
b) les données d'identification [6 , y compris le numéro NISS,]6 dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, l'enregistrement des présences et la facturation;
c) les données sur la demande d'accueil d'enfants dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement et la politique de l'organisateur concernant l'emplacement d'accueil d'enfants;
d) les données sur l'utilisation de l'emplacement d'accueil d'enfants par les familles dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, l'enregistrement des présences, la facturation et la politique de l'emplacement d'accueil d'enfants;
e) les données financières et les données sur la composition du ménage dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, la facturation et la détermination du prix de l'accueil d'enfants pour les familles;
f) les données sur la vulnérabilité sociale dans le cadre des conditions de subventionnement et la politique de l'organisateur concernant l'emplacement d'accueil d'enfants;
2° des responsables, des accompagnateurs d'enfants et d'autres collaborateurs éventuels dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, au moins :
a) les [2 données relatives à la santé, visées à l'article 4, point 15) du règlement précité, et les données à caractère personnel, visées à l'article 10 du règlement précité]2, au moins une attestation d'aptitude médicale et un extrait du casier judiciaire;
b) [1 les données d'identification [6 , y compris le numéro NISS,]6, les données de formation et les données relatives à la capacité des accompagnateurs d'enfants]1
3° des personnes, visées aux points 1° et 2° :
a) les données sur la gestion des situations de crise dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
b) les données sur le traitement des plaintes sur l'emplacement d'accueil d'enfants;
4° de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants accueillis dans l'emplacement d'accueil d'enfants, les données visées au point 2°, a).
En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, le surveillant traite au moins les données à caractère personnel, visées aux alinéas premier et deux, dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement.
En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, le guichet local en matière d'accueil d'enfants traite au moins les données à caractère personnel de l'enfant et de la famille de l'enfant, notamment les données d'identification, [4 les données financières et les données sur la situation familiale]4 les données sur la demande d'accueil d'enfants et les données sur la vulnérabilité sociale de l'enfant et de la famille de l'enfant dans le cadre de la mission du guichet local en matière d'accueil d'enfants.
[5 Le Comité de contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants traite les données à caractère personnel suivantes, si le traitement est nécessaire en vue de l'exécution de ses missions décrétales relatives au contrôle de la politique de maintien de l'agence :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par le Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les personnes impliquées dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'agence est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à un an après que le Comité de Contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants a terminé l'examen ou a émis l'avis au fonctionnaire dirigeant ou au ministre.
Les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand ou l'agence en exécution de l'article 15/1 traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions, visées au présent décret :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'organisation ou l'expert est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation ou l'expert a terminé l'examen et a émis l'avis à l'agence.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 15/1, sont les organisateurs d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans leur milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les mineurs ou personnes impliqués dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
4° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs, qui sont nécessaires pour la mission de l'organisation.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), du règlement général sur la protection des données. L'organisation qui reçoit une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation a terminé le soutien fourni à l'organisateur.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants et les personnes travaillant dans leurs milieux d'accueil d'enfants.]5
Le délai de conservation est de dix ans pour les données sur les plaintes et les situations de crise, et de cinq ans pour les autres données, visées aux alinéas premier à quatre inclus. Pour les données sur les responsables, les accompagnateurs d'enfants et les autres collaborateurs éventuels, le délai prend cours à partir de la fin de leur emploi.
[5 Par dérogation à l'alinéa 14 et par dérogation à l'article 5 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, le délai de conservation de l'extrait du casier judiciaire est de trois ans et prend cours à partir de la désignation de la personne concernée. En cas de réception par l'organisateur d'un nouvel extrait du casier judiciaire, l'extrait précédent est détruit. L'organisateur prend les mesures appropriées pour la conservation sécurisée des extraits.
Conformément à l'article 12 du règlement général sur la protection des données, chaque responsable du traitement prend des mesures appropriées pour fournir toute information visée aux articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données, ainsi que pour procéder à toute communication au titre des articles 15 à 22 et de l'article 34 du règlement général sur la protection des données, en ce qui concerne le traitement à la personne concernée d'une façon concise, transparente, compréhensible et aisément accessible, en des termes clairs et simples. Les informations sont fournies par écrit ou par d'autres moyens y compris par voie électronique. Lorsque la personne concernée en fait la demande, les informations peuvent être fournies oralement, à condition que l'identité de la personne concernée soit démontrée par d'autres moyens. ]5
1° de l'enfant et de la famille de l'enfant :
a) [2 les données relatives à la santé, visées à l'article 4, point 15), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]2 de l'enfant dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement et dans le cadre de la préparation et de l'évaluation politique;
b) données d'identification [6 , y compris le numéro NISS, ]6 dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, l'enregistrement des présences, la communication des mesures prises concernant l'autorisation ou le subventionnement, et la facturation;
c) données sur la demande d'accueil d'enfants dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique et la programmation;
d) données sur l'utilisation de l'emplacement d'accueil d'enfants par les familles dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique, la facturation, la programmation et l'enregistrement des présences;
e) données financières et données sur la composition du ménage dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique, la facturation et la détermination du prix de l'accueil d'enfants pour les familles;
f) données sur la gestion des situations de crise dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
g) données sur le traitement des plaintes sur l'emplacement d'accueil d'enfants;
h) données sur la vulnérabilité sociale dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, la préparation et l'évaluation politique;
[6 i) l'indication si l'enfant est un enfant placé tel que visé à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, et bénéficie à ce titre de certains avantages, tels que l'attribution de la priorité ou une réduction de la cotisation parentale;]6
2° des organisateurs, des responsables, des accompagnateurs d'enfants et d'autres collaborateurs éventuels dans le cadre du maintien des conditions d'autorisation et de subventionnement, au moins :
a) les [2 données relatives à la santé visées à l'article 4, point 15) du règlement précité, et les données à caractère personnel visées à l'article 10 du règlement précité]2, au moins une attestation d'aptitude médicale et [6 , un extrait du casier judiciaire ou d'autres informations pénales]6;
[6 a/1) les données relatives à l'aptitude et les compétences, et les risques concernant ces personnes ;]6
b) [1 les données d'identification [6 , y compris le numéro NISS,]6 [5 , les données de formation et les données d'emploi]5;]1
c) les données sur des situations de crise dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
d) les données sur le traitement des plaintes sur l'emplacement d'accueil d'enfants;
[6 e) les données relatives à l'organisation et au fonctionnement financier de l'organisateur, telles que reprises dans les bases de données authentiques fédérales et flamandes;]6
3° de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants accueillis dans l'emplacement d'accueil d'enfants, les données visées au point 2°, a). [5 L'agence transmet les données nécessaires à leurs missions aux organisations et experts visés à l'article 15/1 ou à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 ainsi qu'aux autorités judiciaires en vue des notifications par l'agence ou dans le cadre d'enquêtes pénales en cours.]5
En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, l'organisateur traite au moins les types suivants de données à caractère personnel :
1° de l'enfant et de la famille de l'enfant :
a) les [2 données relatives à la santé, visées à l'article 4, point 15), du règlement précité]2 dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement;
b) les données d'identification [6 , y compris le numéro NISS,]6 dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, l'enregistrement des présences et la facturation;
c) les données sur la demande d'accueil d'enfants dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement et la politique de l'organisateur concernant l'emplacement d'accueil d'enfants;
d) les données sur l'utilisation de l'emplacement d'accueil d'enfants par les familles dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, l'enregistrement des présences, la facturation et la politique de l'emplacement d'accueil d'enfants;
e) les données financières et les données sur la composition du ménage dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, la facturation et la détermination du prix de l'accueil d'enfants pour les familles;
f) les données sur la vulnérabilité sociale dans le cadre des conditions de subventionnement et la politique de l'organisateur concernant l'emplacement d'accueil d'enfants;
2° des responsables, des accompagnateurs d'enfants et d'autres collaborateurs éventuels dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement, au moins :
a) les [2 données relatives à la santé, visées à l'article 4, point 15) du règlement précité, et les données à caractère personnel, visées à l'article 10 du règlement précité]2, au moins une attestation d'aptitude médicale et un extrait du casier judiciaire;
b) [1 les données d'identification [6 , y compris le numéro NISS,]6, les données de formation et les données relatives à la capacité des accompagnateurs d'enfants]1
3° des personnes, visées aux points 1° et 2° :
a) les données sur la gestion des situations de crise dans l'emplacement d'accueil d'enfants;
b) les données sur le traitement des plaintes sur l'emplacement d'accueil d'enfants;
4° de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants accueillis dans l'emplacement d'accueil d'enfants, les données visées au point 2°, a).
En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, le surveillant traite au moins les données à caractère personnel, visées aux alinéas premier et deux, dans le cadre des conditions d'autorisation et de subventionnement.
En exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, le guichet local en matière d'accueil d'enfants traite au moins les données à caractère personnel de l'enfant et de la famille de l'enfant, notamment les données d'identification, [4 les données financières et les données sur la situation familiale]4 les données sur la demande d'accueil d'enfants et les données sur la vulnérabilité sociale de l'enfant et de la famille de l'enfant dans le cadre de la mission du guichet local en matière d'accueil d'enfants.
[5 Le Comité de contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants traite les données à caractère personnel suivantes, si le traitement est nécessaire en vue de l'exécution de ses missions décrétales relatives au contrôle de la politique de maintien de l'agence :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par le Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les personnes impliquées dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'agence est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à un an après que le Comité de Contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants a terminé l'examen ou a émis l'avis au fonctionnaire dirigeant ou au ministre.
Les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand ou l'agence en exécution de l'article 15/1 traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions, visées au présent décret :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'organisation ou l'expert est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation ou l'expert a terminé l'examen et a émis l'avis à l'agence.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 15/1, sont les organisateurs d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans leur milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les mineurs ou personnes impliqués dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
4° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs, qui sont nécessaires pour la mission de l'organisation.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), du règlement général sur la protection des données. L'organisation qui reçoit une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation a terminé le soutien fourni à l'organisateur.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à [6 l'article 11, 2° et 3°,]6 sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants et les personnes travaillant dans leurs milieux d'accueil d'enfants.]5
Le délai de conservation est de dix ans pour les données sur les plaintes et les situations de crise, et de cinq ans pour les autres données, visées aux alinéas premier à quatre inclus. Pour les données sur les responsables, les accompagnateurs d'enfants et les autres collaborateurs éventuels, le délai prend cours à partir de la fin de leur emploi.
[5 Par dérogation à l'alinéa 14 et par dérogation à l'article 5 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, le délai de conservation de l'extrait du casier judiciaire est de trois ans et prend cours à partir de la désignation de la personne concernée. En cas de réception par l'organisateur d'un nouvel extrait du casier judiciaire, l'extrait précédent est détruit. L'organisateur prend les mesures appropriées pour la conservation sécurisée des extraits.
Conformément à l'article 12 du règlement général sur la protection des données, chaque responsable du traitement prend des mesures appropriées pour fournir toute information visée aux articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données, ainsi que pour procéder à toute communication au titre des articles 15 à 22 et de l'article 34 du règlement général sur la protection des données, en ce qui concerne le traitement à la personne concernée d'une façon concise, transparente, compréhensible et aisément accessible, en des termes clairs et simples. Les informations sont fournies par écrit ou par d'autres moyens y compris par voie électronique. Lorsque la personne concernée en fait la demande, les informations peuvent être fournies oralement, à condition que l'identité de la personne concernée soit démontrée par d'autres moyens. ]5
Modifications
Art. 24/1. [1 § 1. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert de toezichthouder inspectierapporten van de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website. In het inspectierapport worden de naam en het adres van de kinderopvanglocatie en de naam, het ondernemingsnummer, het vestigingsadres en in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken en de rechtsvorm van de organisator vermeld. Daarbij kan ook informatie van persoonlijke aard van de organisator worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
De inspectierapporten worden bewaard gedurende een termijn van twintig jaar, te rekenen vanaf het ogenblik dat het betreffende inspectieverslag definitief is geworden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels wat betreft de maximale termijnen waarbinnen de inspectierapporten actief gepubliceerd worden.
§ 2. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert het agentschap de volgende informatie over een vergunde kinderopvanglocatie op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit, in voorkomend geval per kinderopvanglocatie;
5° in voorkomend geval de naam en het adres van de kinderopvanglocatie(s);
6° in voorkomend geval dat het agentschap een aanmaning of een bestuurlijke maatregel heeft getroffen, zolang die van kracht is, met daarbij een status van de reactie van de organisator;
7° in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken op de regelgeving en de meldingen die aanleiding hebben gegeven tot de aanmaning of bestuurlijke maatregel;
8° in voorkomend geval de vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel die aanleiding hebben gegeven tot een aanmaning of een bestuurlijke maatregel.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8°, bepaalt de Vlaamse Regering bij welke bestuurlijke maatregelen, inbreuken en vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel en onder welke modaliteiten aan de organisator de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op de bekendmaking.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan ook informatie van persoonlijke aard worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
Als de vergunning van een kinderopvanglocatie wordt opgeheven, vermeldt het agentschap dat gedurende een periode van zes maanden op zijn website.
§ 3. Ter uitvoering van zijn opdrachten, vermeld in artikel 13, verwerkt en publiceert het lokaal loket kinderopvang de volgende informatie over de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit;
5° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie.
In dit artikel wordt verstaan onder informatie van persoonlijke aard: informatie van persoonlijke aard als vermeld in artikel II.40, § 3, derde lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. ]1
De inspectierapporten worden bewaard gedurende een termijn van twintig jaar, te rekenen vanaf het ogenblik dat het betreffende inspectieverslag definitief is geworden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels wat betreft de maximale termijnen waarbinnen de inspectierapporten actief gepubliceerd worden.
§ 2. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert het agentschap de volgende informatie over een vergunde kinderopvanglocatie op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit, in voorkomend geval per kinderopvanglocatie;
5° in voorkomend geval de naam en het adres van de kinderopvanglocatie(s);
6° in voorkomend geval dat het agentschap een aanmaning of een bestuurlijke maatregel heeft getroffen, zolang die van kracht is, met daarbij een status van de reactie van de organisator;
7° in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken op de regelgeving en de meldingen die aanleiding hebben gegeven tot de aanmaning of bestuurlijke maatregel;
8° in voorkomend geval de vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel die aanleiding hebben gegeven tot een aanmaning of een bestuurlijke maatregel.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8°, bepaalt de Vlaamse Regering bij welke bestuurlijke maatregelen, inbreuken en vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel en onder welke modaliteiten aan de organisator de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op de bekendmaking.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan ook informatie van persoonlijke aard worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
Als de vergunning van een kinderopvanglocatie wordt opgeheven, vermeldt het agentschap dat gedurende een periode van zes maanden op zijn website.
§ 3. Ter uitvoering van zijn opdrachten, vermeld in artikel 13, verwerkt en publiceert het lokaal loket kinderopvang de volgende informatie over de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit;
5° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie.
In dit artikel wordt verstaan onder informatie van persoonlijke aard: informatie van persoonlijke aard als vermeld in artikel II.40, § 3, derde lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. ]1
Art.24/1. [1 § 1er. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, le surveillant publie des rapports d'inspection des milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web. Le rapport d'inspection mentionne le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants et le nom, le numéro d'entreprise, l'adresse d'établissement et, le cas échéant, les infractions constatées et la forme juridique de l'organisateur. Des informations d'ordre personnel de l'organisateur peuvent également être publiées, dans la mesure où ces informations ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Les rapports d'inspection sont conservés pendant un délai de vingt ans, à compter du moment où le rapport d'inspection concerné est devenu définitif. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux délais maximaux dans lesquels les rapports d'inspection sont activement publiés.
§ 2. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, l'agence publie les informations suivantes concernant un milieu autorisé d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée, le cas échéant par milieu d'accueil d'enfants ;
5° le cas échéant, le nom et l'adresse du ou des milieux d'accueil d'enfants ;
6° le cas échéant, le fait que l'agence a envoyé une sommation ou pris une mesure administrative, tant qu'elle est en vigueur, y compris un état de la réaction de l'organisateur ;
7° le cas échéant, les infractions à la réglementation constatées et les notifications ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative ;
8° le cas échéant, les constatations sur la base du principe de précaution ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8°, le Gouvernement flamand détermine les mesures administratives, infractions et constatations sur la base du principe de précaution pour lesquelles l'organisateur se voit offrir la possibilité de réagir à la publication, ainsi que les modalités à cet égard.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 7° et 8°, des informations d'ordre personnel peuvent également être publiées, dans la mesure où elles ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Si l'autorisation d'un milieu d'accueil d'enfants est abrogée, l'agence en fait mention sur son site web pendant une période de six mois.
§ 3. En exécution de ses missions visées à l'article 13, le guichet local en matière d'accueil d'enfants traite et publie les informations suivantes concernant les milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée ;
5° le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants.
Dans le présent article, on entend par informations d'ordre personnel : des informations d'ordre personnel telles que visées à l'article II.40, § 3, alinéa 3, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018. ]1
Les rapports d'inspection sont conservés pendant un délai de vingt ans, à compter du moment où le rapport d'inspection concerné est devenu définitif. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux délais maximaux dans lesquels les rapports d'inspection sont activement publiés.
§ 2. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, l'agence publie les informations suivantes concernant un milieu autorisé d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée, le cas échéant par milieu d'accueil d'enfants ;
5° le cas échéant, le nom et l'adresse du ou des milieux d'accueil d'enfants ;
6° le cas échéant, le fait que l'agence a envoyé une sommation ou pris une mesure administrative, tant qu'elle est en vigueur, y compris un état de la réaction de l'organisateur ;
7° le cas échéant, les infractions à la réglementation constatées et les notifications ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative ;
8° le cas échéant, les constatations sur la base du principe de précaution ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8°, le Gouvernement flamand détermine les mesures administratives, infractions et constatations sur la base du principe de précaution pour lesquelles l'organisateur se voit offrir la possibilité de réagir à la publication, ainsi que les modalités à cet égard.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 7° et 8°, des informations d'ordre personnel peuvent également être publiées, dans la mesure où elles ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Si l'autorisation d'un milieu d'accueil d'enfants est abrogée, l'agence en fait mention sur son site web pendant une période de six mois.
§ 3. En exécution de ses missions visées à l'article 13, le guichet local en matière d'accueil d'enfants traite et publie les informations suivantes concernant les milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée ;
5° le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants.
Dans le présent article, on entend par informations d'ordre personnel : des informations d'ordre personnel telles que visées à l'article II.40, § 3, alinéa 3, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018. ]1
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
Art. 25. In artikel 2, 1°, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen worden de woorden " een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap " vervangen door de zinsnede " een organisatie die erkend of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergund is door de Vlaamse Gemeenschap ".
Art. 25. Dans l'article 2, 1°, du décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des structures de soins de santé et d'aide sociale, les mots " une organisation agréée par la Communauté flamande " sont remplacés par le membre de phrase " une organisation agréée ou, en ce qui concerne l'accueil de bébés et de bambins, autorisée par la Communauté flamande ".
Art. 26. In artikel 3, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord " erkenningsnormen " vervangen door de zinsnede " erkenningsnormen of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergunningsnormen ".
Art. 26. Dans l'article 3, § 1er, du même décret, les mots " normes d'agrément " sont remplacés par le membre de phrase " normes d'agrément ou, en ce qui concerne l'accueil de bébés et de bambins, normes d'autorisation ".
Art. 27. In artikel 9 van hetzelfde decreet wordt het woord " erkenningsnormen " vervangen door de zinsnede " erkenningsnormen of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergunningsnormen " en wordt het woord " erkenning " telkens vervangen door de zinsnede " erkenning of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergunning ".
Art. 27. Dans l'article 9 du même décret, les mots " normes d'agrément " sont remplacés par le membre de phrase " normes d'agrément ou, en ce qui concerne l'accueil de bébés et de bambins, normes d'autorisation ", et le mot " agrément " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " agrément ou, en ce qui concerne l'accueil de bébés ou de bambins, autorisation ".
Art. 28. In artikel 2, 2°, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2006, worden de woorden " de voorschoolse opvang van kinderen " vervangen door de woorden " kinderopvang van baby's en peuters ".
Art. 28. Dans l'article 2, 2°, du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Kind en Gezin ", modifié par le décret du 22 décembre 2006, les mots " l'accueil préscolaire d'enfants " sont remplacés par les mots " l'accueil de bébés et de bambins ".
Art. 29. In artikel 6 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. De taak inzake de regie van kinderopvang omvat in elk geval :
1° de programmatie op operationeel niveau, op lokaal en regionaal niveau en op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap;
2° het stimuleren, toelaten, vergunnen, erkennen, subsidiëren en handhaven van kinderopvanglocaties;
3° het beheren van een informatie- en registratiesysteem om de vraag naar kinderopvang af te stemmen op het beschikbare aanbod aan kinderopvanglocaties en om registratiegegevens over de vraag, het aanbod, het gebruik en de subsidiëring van kinderopvang te verzamelen en te beheren;
4° de bevordering van de kwaliteit van kinderopvanglocaties;
5° het adviseren van de Vlaamse Regering over de kwalificaties en de competenties voor kinderopvang;
6° het beheren van het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten. ".
" § 1. De taak inzake de regie van kinderopvang omvat in elk geval :
1° de programmatie op operationeel niveau, op lokaal en regionaal niveau en op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap;
2° het stimuleren, toelaten, vergunnen, erkennen, subsidiëren en handhaven van kinderopvanglocaties;
3° het beheren van een informatie- en registratiesysteem om de vraag naar kinderopvang af te stemmen op het beschikbare aanbod aan kinderopvanglocaties en om registratiegegevens over de vraag, het aanbod, het gebruik en de subsidiëring van kinderopvang te verzamelen en te beheren;
4° de bevordering van de kwaliteit van kinderopvanglocaties;
5° het adviseren van de Vlaamse Regering over de kwalificaties en de competenties voor kinderopvang;
6° het beheren van het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten. ".
Art. 29. Dans l'article 6 du même décret, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La tâche relative à la régie de l'accueil des enfants comprend en tout cas :
1° la programmation au niveau opérationnel, aux niveaux local et régional, et au niveau de la Communauté flamande;
2° la stimulation, l'admission, l'autorisation, l'agrément, le subventionnement et le maintien d'emplacements d'accueil d'enfants;
3° la gestion d'un système d'information et d'enregistrement afin d'orienter la demande d'accueil d'enfants sur l'offre disponible en emplacements d'accueil d'enfants, et afin de collecter et de gérer les données d'enregistrement sur la demande, l'offre, l'utilisation et le subventionnement de l'accueil d'enfants;
4° la promotion de la qualité des emplacements d'accueil d'enfants;
5° le fait de conseiller le Gouvernement flamand sur les qualifications et les compétences pour l'accueil d'enfants;
6° la gestion du budget provenant des amendes administratives. ".
" § 1er. La tâche relative à la régie de l'accueil des enfants comprend en tout cas :
1° la programmation au niveau opérationnel, aux niveaux local et régional, et au niveau de la Communauté flamande;
2° la stimulation, l'admission, l'autorisation, l'agrément, le subventionnement et le maintien d'emplacements d'accueil d'enfants;
3° la gestion d'un système d'information et d'enregistrement afin d'orienter la demande d'accueil d'enfants sur l'offre disponible en emplacements d'accueil d'enfants, et afin de collecter et de gérer les données d'enregistrement sur la demande, l'offre, l'utilisation et le subventionnement de l'accueil d'enfants;
4° la promotion de la qualité des emplacements d'accueil d'enfants;
5° le fait de conseiller le Gouvernement flamand sur les qualifications et les compétences pour l'accueil d'enfants;
6° la gestion du budget provenant des amendes administratives. ".
Art. 30. In artikel 14, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " kinderen beneden de twaalf jaar opvangt " vervangen door de zinsnede " kinderen opvangt die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan ".
Art. 30. Dans l'article 14, alinéa premier, du même décret, les mots " des enfants de moins de douze ans " sont remplacés par le membre de phrase " des enfants fréquentant l'enseignement fondamental, visé à l'article 3, 6°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ".
Art. 31. Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 15. Aan elke persoon die niet door de Vlaamse Regering van de meldingsplicht is vrijgesteld en die op bestendige wijze kinderen opvangt die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan, zonder dat aan het agentschap mee te delen, of aan elke persoon die de toegang, vermeld in artikel 14, tweede lid, weigert, kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd van 500 euro.
De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag dat Kind en Gezin het verslag van vaststelling van de toezichthouder ontvangt, en op voorwaarde dat de betrokken organisator de kans heeft gehad om gehoord te worden over de vermeende inbreuk en over de hoogte van de geldboete, waarbij de organisator zich mag laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.
De betrokkene kan op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, tegen die beslissing bij de Raad van State beroep aantekenen met een verzoekschrift. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
Als de betrokkene weigert de bestuurlijke geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.
De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de bestuurlijke geldboete. ".
" Art. 15. Aan elke persoon die niet door de Vlaamse Regering van de meldingsplicht is vrijgesteld en die op bestendige wijze kinderen opvangt die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan, zonder dat aan het agentschap mee te delen, of aan elke persoon die de toegang, vermeld in artikel 14, tweede lid, weigert, kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd van 500 euro.
De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag dat Kind en Gezin het verslag van vaststelling van de toezichthouder ontvangt, en op voorwaarde dat de betrokken organisator de kans heeft gehad om gehoord te worden over de vermeende inbreuk en over de hoogte van de geldboete, waarbij de organisator zich mag laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.
De betrokkene kan op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, tegen die beslissing bij de Raad van State beroep aantekenen met een verzoekschrift. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
Als de betrokkene weigert de bestuurlijke geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.
De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de bestuurlijke geldboete. ".
Art. 31. L'article 15 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 15. Toute personne qui n'est pas dispensée par le Gouvernement flamand de l'obligation de déclaration, et qui accueille à titre permanent des enfants fréquentant l'enseignement fondamental, visé à l'article 3, 6°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, sans le notifier à l'agence, ou toute personne qui refuse l'accès visé à l'article 14, alinéa deux, peut être punie d'une amende administrative de 500 euros.
L'amende administrative peut être imposée dans un délai de six mois, à compter du jour auquel Kind en Gezin reçoit le rapport de constatation du surveillant, et à condition que l'organisateur concerné ait eu la possibilité d'être entendu sur l'infraction présumée et sur le montant de l'amende. A cette occasion, l'organisateur peut se faire assister ou représenter par un avocat ou une tierce personne. Si une amende administrative est imposée, la décision mentionne le montant, le mode de paiement et le délai de paiement de celle-ci. L'avis à l'intéressé de la décision mentionne les modalités selon lesquelles et le délai endéans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
Sous peine de déchéance du droit à l'introduction d'un recours dans un délai d'un mois à partir de la notification de la décision de lui imposer une amende administrative, l'intéressé peut introduire un recours contre cette décision par voie de requête auprès du Conseil d'Etat. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
Si l'intéressé refuse de payer l'amende administrative, elle est recouvrée par voie de contrainte. Une contrainte est signifiée par exploit d'huissier avec injonction de payer.
L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision telle que visée à l'alinéa deux, ou dans le cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en autorité de la chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative. ".
" Art. 15. Toute personne qui n'est pas dispensée par le Gouvernement flamand de l'obligation de déclaration, et qui accueille à titre permanent des enfants fréquentant l'enseignement fondamental, visé à l'article 3, 6°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, sans le notifier à l'agence, ou toute personne qui refuse l'accès visé à l'article 14, alinéa deux, peut être punie d'une amende administrative de 500 euros.
L'amende administrative peut être imposée dans un délai de six mois, à compter du jour auquel Kind en Gezin reçoit le rapport de constatation du surveillant, et à condition que l'organisateur concerné ait eu la possibilité d'être entendu sur l'infraction présumée et sur le montant de l'amende. A cette occasion, l'organisateur peut se faire assister ou représenter par un avocat ou une tierce personne. Si une amende administrative est imposée, la décision mentionne le montant, le mode de paiement et le délai de paiement de celle-ci. L'avis à l'intéressé de la décision mentionne les modalités selon lesquelles et le délai endéans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
Sous peine de déchéance du droit à l'introduction d'un recours dans un délai d'un mois à partir de la notification de la décision de lui imposer une amende administrative, l'intéressé peut introduire un recours contre cette décision par voie de requête auprès du Conseil d'Etat. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
Si l'intéressé refuse de payer l'amende administrative, elle est recouvrée par voie de contrainte. Une contrainte est signifiée par exploit d'huissier avec injonction de payer.
L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision telle que visée à l'alinéa deux, ou dans le cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en autorité de la chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative. ".
Art. 32. Aan artikel 24 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De bepaling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op kinderopvang, vermeld in het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters. ".
" De bepaling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op kinderopvang, vermeld in het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters. ".
Art. 32. L'article 24 du même décret est complété par un alinéa quatre, rédigé comme suit :
" La disposition, visée à l'alinéa premier, ne s'applique pas à l'accueil d'enfants, visé au décret du 20 avril 2012 portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins. ".
" La disposition, visée à l'alinéa premier, ne s'applique pas à l'accueil d'enfants, visé au décret du 20 avril 2012 portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins. ".
Art. 33. In artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
" De commissie heeft als opdracht aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen en voor het gezondheidsbeleid, advies uit te brengen over het bezwaar tegen een van de volgende beslissingen die, met betrekking tot een voorziening van welzijn, volksgezondheid en gezin of een onderdeel ervan, door het departement of een agentschap van het beleidsdomein zijn genomen, of tegen het voornemen om een van de volgende beslissingen te nemen, dat door het departement of door het agentschap wordt geuit en formeel wordt betekend :
1° de weigering om een toelating, een vergunning of een erkenning te verlenen, te verlengen of te wijzigen;
2° de gedwongen wijziging, de schorsing, de opheffing of de intrekking van een toelating, een vergunning of een erkenning;
3° de sluiting;
4° de weigering, vermindering, stopzetting of terugvordering van een subsidie voor kinderopvanglocaties. ";
2° het derde lid wordt opgeheven.
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
" De commissie heeft als opdracht aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen en voor het gezondheidsbeleid, advies uit te brengen over het bezwaar tegen een van de volgende beslissingen die, met betrekking tot een voorziening van welzijn, volksgezondheid en gezin of een onderdeel ervan, door het departement of een agentschap van het beleidsdomein zijn genomen, of tegen het voornemen om een van de volgende beslissingen te nemen, dat door het departement of door het agentschap wordt geuit en formeel wordt betekend :
1° de weigering om een toelating, een vergunning of een erkenning te verlenen, te verlengen of te wijzigen;
2° de gedwongen wijziging, de schorsing, de opheffing of de intrekking van een toelating, een vergunning of een erkenning;
3° de sluiting;
4° de weigering, vermindering, stopzetting of terugvordering van een subsidie voor kinderopvanglocaties. ";
2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 33. A l'article 12 du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante :
" La commission a pour mission de conseiller le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes et de la politique de la santé, sur la réclamation contre une des décisions suivantes qui sont prises, en ce qui concerne une structure d'aide sociale, de santé publique et de la famille ou une de ses composants, par le département ou par une agence du domaine politique, ou contre l'intention de prendre une des décisions suivantes, exprimée et formellement signifiée par le département ou par l'agence :
1° le refus d'accorder, de prolonger ou de modifier une admission, une autorisation ou un agrément;
2° la modification contrainte, la suspension, l'annulation ou le retrait d'une admission, d'une autorisation ou d'un agrément;
3° la fermeture;
4° le refus, la diminution, l'arrêt ou la réclamation d'une subvention pour emplacements d'accueil d'enfants. ";
2° l'alinéa trois est abrogé.
1° l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante :
" La commission a pour mission de conseiller le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes et de la politique de la santé, sur la réclamation contre une des décisions suivantes qui sont prises, en ce qui concerne une structure d'aide sociale, de santé publique et de la famille ou une de ses composants, par le département ou par une agence du domaine politique, ou contre l'intention de prendre une des décisions suivantes, exprimée et formellement signifiée par le département ou par l'agence :
1° le refus d'accorder, de prolonger ou de modifier une admission, une autorisation ou un agrément;
2° la modification contrainte, la suspension, l'annulation ou le retrait d'une admission, d'une autorisation ou d'un agrément;
3° la fermeture;
4° le refus, la diminution, l'arrêt ou la réclamation d'une subvention pour emplacements d'accueil d'enfants. ";
2° l'alinéa trois est abrogé.
Art. 34. In artikel 15, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " artikel 10 " worden vervangen door de woorden " artikel 12 ";
2° de volgende zin wordt toegevoegd :
" De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de beslissing over het bezwaar. ".
1° de woorden " artikel 10 " worden vervangen door de woorden " artikel 12 ";
2° de volgende zin wordt toegevoegd :
" De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de beslissing over het bezwaar. ".
Art. 34. A l'article 15, alinéa deux, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " l'article 10 " sont remplacés par les mots " l'article 12 ";
2° la phrase suivante est ajoutée :
" Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la décision sur la réclamation. ".
1° les mots " l'article 10 " sont remplacés par les mots " l'article 12 ";
2° la phrase suivante est ajoutée :
" Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la décision sur la réclamation. ".
Art. 35. Het decreet van 7 mei 2004 houdende de toekenning van dienstencheques voor kinderopvang, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 35. Le décret du 7 mai 2004 portant octroi de titres-services pour la garde d'enfants, modifié par le décret du 22 décembre 2006, est abrogé.
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 36. Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht hebben van Kind en Gezin, wordt die erkenning, die toestemming of dat attest van toezicht omgezet in een vergunning van Kind en Gezin als vermeld in artikel 4, met behoud van de toepassing van artikel 19.
Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gesubsidieerd zijn door Kind en Gezin, wordt de subsidie omgezet in een subsidie als vermeld in artikel 7 tot en met 11, met behoud van de toepassing van artikel 19.
De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke voorwaarden en termijnen voor die omzetting, waarbij ook de samenhang geregeld wordt met de buitenschoolse kinderopvang, de kinderopvang van kinderen die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de overgangsbepalingen voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gemeld zijn bij Kind en Gezin.
Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gesubsidieerd zijn door Kind en Gezin, wordt de subsidie omgezet in een subsidie als vermeld in artikel 7 tot en met 11, met behoud van de toepassing van artikel 19.
De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke voorwaarden en termijnen voor die omzetting, waarbij ook de samenhang geregeld wordt met de buitenschoolse kinderopvang, de kinderopvang van kinderen die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de overgangsbepalingen voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gemeld zijn bij Kind en Gezin.
Art. 36. Pour les emplacements d'accueil d'enfants qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, disposent d'un agrément, d'une permission ou d'un certificat de contrôle de " Kind en Gezin ", cette permission ou ce certificat de contrôle est transposé(e) en une autorisation de " Kind en Gezin " telle que visée à l'article 4, sans préjudice de l'application de l'article 19.
Pour les emplacements d'accueil d'enfants qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont subventionnés par " Kind en Gezin ", la subvention est transposée en une subvention telle que visée aux articles 7 à 11 inclus, sans préjudice de l'application de l'article 19.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et délais nécessaires pour cette transposition, réglant également la cohérence avec l'accueil extrascolaire d'enfants, l'accueil des enfants fréquentant l'enseignement fondamental, visé à l'article 3, 6°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
Le Gouvernement flamand arrête les dispositions transitoires pour les emplacements d'accueil d'enfants qui sont notifiés à " Kind en Gezin " à la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Pour les emplacements d'accueil d'enfants qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont subventionnés par " Kind en Gezin ", la subvention est transposée en une subvention telle que visée aux articles 7 à 11 inclus, sans préjudice de l'application de l'article 19.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et délais nécessaires pour cette transposition, réglant également la cohérence avec l'accueil extrascolaire d'enfants, l'accueil des enfants fréquentant l'enseignement fondamental, visé à l'article 3, 6°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
Le Gouvernement flamand arrête les dispositions transitoires pour les emplacements d'accueil d'enfants qui sont notifiés à " Kind en Gezin " à la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 37. [1 De Vlaamse Regering stelt voor iedere bepaling van dit decreet de datum van inwerkingtreding vast met behoud van de toepassing van het tweede lid.
Dit decreet treedt uiterlijk op 1 januari 2015 in werking.]1
Dit decreet treedt uiterlijk op 1 januari 2015 in werking.]1
Art. 37. [1 Le Gouvernement flamand arrête la date d'entrée en vigueur pour chaque disposition du présent décret, sans préjudice de l'application de l'alinéa deux.
Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2015 au plus tard.]1
Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2015 au plus tard.]1
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 33 et 34 fixée au 01-01-2014 par AGF 2013-07-12/41, art. 85)
(NOTE : Entrée en vigueur :
- des articles 1er, 2, 5, 7 à 10 inclus, et 25 à 36 inclus fixée au 01-04-2014
- des articles 3, 4, 6, 11 à 24 inclus et 37 fixée au 01-04-2014, hormis en ce qui concerne l'autorisation pour l'accueil à domicile
par AGF 2013-11-22/33, art. 75)
- des articles 1er, 2, 5, 7 à 10 inclus, et 25 à 36 inclus fixée au 01-04-2014
- des articles 3, 4, 6, 11 à 24 inclus et 37 fixée au 01-04-2014, hormis en ce qui concerne l'autorisation pour l'accueil à domicile
par AGF 2013-11-22/33, art. 75)