Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 AUGUSTUS 2012. - Wet tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid en tot opheffing van het koninklijk besluit van 4 april 2006 betreffende de afbakening van de plaatsen die deel uitmaken van de infrastructuur, uitgebaat door de openbare vervoersmaatschappijen, waarop de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid van toepassing zijn met het oog op het verstrekken van de veiligheid in het openbaar vervoer
Titre
3 AOUT 2012. - Loi modifiant la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particulière et abrogeant l'arrêté royal du 4 avril 2006 relatif à la délimitation des lieux, faisant partie de l'infrastructure exploitée par les sociétés publiques de transports en commun, auxquels s'appliquent les dispositions visées au chapitre IIIbis de la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particulière, en vue de renforcer la sécurité dans les transports en commun
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (11)
Texte (11)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particulière
Art. 2. Artikel 13.1., van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 13.1. § 1. Niettegenstaande de andere bepalingen van deze wet, zijn de in onderhavig hoofdstuk bedoelde bepalingen uitsluitend van toepassing :
1° op de in artikel 1, § 11, bedoelde veiligheidsdiensten en de veiligheidsagenten die tot een veiligheidsdienst behoren;
2° op alle plaatsen die deel uitmaken van de infrastructuur die wordt uitgebaat door de openbare vervoersmaatschappijen en de transportvoertuigen.
§ 2. Voor wat betreft de veiligheidsdienst behorend tot de openbare vervoermaatschappij van de bedrijven van de NMBS-groep, kunnen de in § 1, 1°, bedoelde veiligheidsagenten hun bevoegdheden uitoefenen in de al dan niet publiek toegankelijke plaatsen en de transportvoertuigen toebehorend aan de bedrijven van de NMBS-groep, met uitzondering van :
a) de infrastructuur die aan derden als concessie wordt gegeven, behalve in geval van samenwerkingsakkoord met de concessiehouder en volgens de modaliteiten die door voornoemd akkoord zijn bepaald;
b) de wegen die een openbare weg vormen, met uitzondering van de ondergrondse doorgangen en passerellen.
§ 3. Met betrekking tot de regionale openbare vervoersmaatschappijen die diensten organiseren inzake metro, tram en bus, kunnen de in § 1, 1°, bedoelde veiligheidsagenten hun bevoegdheden uitoefenen :
a) op de al dan niet publiek toegankelijke plaatsen en die tot deze maatschappijen behoren, met inbegrip van de bovengrondse infrastructuur die toegankelijk is voor het publiek, de tram- en busstations die door de maatschappij worden gedefinieerd als zijnde bovengronds, de ondergrondse premetrostations met uitzondering van de infrastructuur die aan derden als concessie wordt gegeven behalve in geval van samenwerkingsakkoord met de concessiehouder en volgens de modaliteiten die door voornoemd akkoord zijn bepaald;
b) in de transportvoertuigen die door deze vervoersmaatschappijen worden gebruikt, met inbegrip van de voertuigen die gebruikt worden op verzoek en voor rekening van de vervoersmaatschappij.
§ 4. In geval van samenwerkingsakkoord tussen de openbare vervoersmaatschappijen, kunnen de veiligheidsagenten hun bevoegdheden uitoefenen op de plaatsen en in de transportvoertuigen van de andere vervoersmaatschappijen volgens de voorwaarden die in voornoemd akkoord bepaald zijn.
§ 5. Bij wijze van uitzondering, kunnen de veiligheidsagenten hun bevoegdheden op de openbare weg uitoefenen, onder de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° in geval van verkeersongeval of gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad die zojuist werd gepleegd of in geval van gedrag dat de veiligheid van derden of van de betrokkene ernstig in het gedrang brengt;
2° binnen een perimeter geldende van 15 meter rond het voertuig van de openbare vervoersmaatschappij;
3° in geval van afwezigheid van de politiediensten en in afwachting van het toekomen van deze diensten. "
" Art. 13.1. § 1. Niettegenstaande de andere bepalingen van deze wet, zijn de in onderhavig hoofdstuk bedoelde bepalingen uitsluitend van toepassing :
1° op de in artikel 1, § 11, bedoelde veiligheidsdiensten en de veiligheidsagenten die tot een veiligheidsdienst behoren;
2° op alle plaatsen die deel uitmaken van de infrastructuur die wordt uitgebaat door de openbare vervoersmaatschappijen en de transportvoertuigen.
§ 2. Voor wat betreft de veiligheidsdienst behorend tot de openbare vervoermaatschappij van de bedrijven van de NMBS-groep, kunnen de in § 1, 1°, bedoelde veiligheidsagenten hun bevoegdheden uitoefenen in de al dan niet publiek toegankelijke plaatsen en de transportvoertuigen toebehorend aan de bedrijven van de NMBS-groep, met uitzondering van :
a) de infrastructuur die aan derden als concessie wordt gegeven, behalve in geval van samenwerkingsakkoord met de concessiehouder en volgens de modaliteiten die door voornoemd akkoord zijn bepaald;
b) de wegen die een openbare weg vormen, met uitzondering van de ondergrondse doorgangen en passerellen.
§ 3. Met betrekking tot de regionale openbare vervoersmaatschappijen die diensten organiseren inzake metro, tram en bus, kunnen de in § 1, 1°, bedoelde veiligheidsagenten hun bevoegdheden uitoefenen :
a) op de al dan niet publiek toegankelijke plaatsen en die tot deze maatschappijen behoren, met inbegrip van de bovengrondse infrastructuur die toegankelijk is voor het publiek, de tram- en busstations die door de maatschappij worden gedefinieerd als zijnde bovengronds, de ondergrondse premetrostations met uitzondering van de infrastructuur die aan derden als concessie wordt gegeven behalve in geval van samenwerkingsakkoord met de concessiehouder en volgens de modaliteiten die door voornoemd akkoord zijn bepaald;
b) in de transportvoertuigen die door deze vervoersmaatschappijen worden gebruikt, met inbegrip van de voertuigen die gebruikt worden op verzoek en voor rekening van de vervoersmaatschappij.
§ 4. In geval van samenwerkingsakkoord tussen de openbare vervoersmaatschappijen, kunnen de veiligheidsagenten hun bevoegdheden uitoefenen op de plaatsen en in de transportvoertuigen van de andere vervoersmaatschappijen volgens de voorwaarden die in voornoemd akkoord bepaald zijn.
§ 5. Bij wijze van uitzondering, kunnen de veiligheidsagenten hun bevoegdheden op de openbare weg uitoefenen, onder de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° in geval van verkeersongeval of gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad die zojuist werd gepleegd of in geval van gedrag dat de veiligheid van derden of van de betrokkene ernstig in het gedrang brengt;
2° binnen een perimeter geldende van 15 meter rond het voertuig van de openbare vervoersmaatschappij;
3° in geval van afwezigheid van de politiediensten en in afwachting van het toekomen van deze diensten. "
Art. 2. L'article 13.1., de la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée et particulière, inséré par la loi du 27 décembre 2004, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13.1. § 1er. Nonobstant les autres dispositions de cette loi, les dispositions visées au présent chapitre sont exclusivement d'application :
1° aux services de sécurité visés à l'article 1er, § 11, et aux agents de sécurité qui appartiennent à un service de sécurité;
2° dans tous les lieux faisant partie de l'infrastructure exploitée par les sociétés publiques de transports en commun et les véhicules de transport.
§ 2. En ce qui concerne le service de sécurité faisant partie de la société publique de transports en commun appartenant aux entreprises du groupe SNCB, les agents de sécurités visés au § 1er, 1°, peuvent exercer leurs compétences dans les lieux accessibles ou non au public et dans les véhicules de transport appartenant aux entreprises du groupe SNCB, à l'exception :
a) de l'infrastructure donnée en concession à des tiers sauf en cas d'accord de coopération avec le concessionnaire et selon les modalités fixées par l'accord précité;
b) des chemins qui constituent une voie publique, à l'exception des passages souterrains et des passerelles.
§ 3. En ce qui concerne les sociétés publiques régionales de transport en commun qui organisent des services de métro, tram et bus, les agents de sécurité visés au § 1er, 1°, peuvent exercer leurs compétences :
a) dans les lieux accessibles ou non au public et appartenant à ces sociétés, y compris les infrastructures de surface accessibles au public, les gares de tram et bus que la société définit comme étant situées en surface, les gares de pré-métro souterrains à l'exception de l'infrastructure donnée en concession à des tiers sauf en cas d'accord de coopération avec le concessionnaire et selon les modalités fixées par l'accord précité;
b) dans les véhicules de transport utilisés par ces sociétés de transport en ce compris les véhicules utilisés sur ordre et pour compte de la société de transport.
§ 4. En cas d'accord de coopération entre les sociétés publiques de transport en commun, les agents de sécurité peuvent exercer leurs compétences dans les lieux et véhicules de transport des autres sociétés de transports selon les conditions fixées dans l'accord précité.
§ 5. Exceptionnellement, les agents de sécurité peuvent exercer leurs compétences sur la voie publique selon les conditions cumulatives suivantes :
1° en cas d'accident de la circulation ou de délit de droit commun ou crime venant d'être commis ou en cas de comportement mettant gravement en danger la sécurité des tiers ou celle de l'intéressé;
2° dans un périmètre de 15 mètres situé autour du véhicule de la société de transports en commun;
3° en cas d'absence des services de police et en attendant l'arrivée de ces derniers. "
" Art. 13.1. § 1er. Nonobstant les autres dispositions de cette loi, les dispositions visées au présent chapitre sont exclusivement d'application :
1° aux services de sécurité visés à l'article 1er, § 11, et aux agents de sécurité qui appartiennent à un service de sécurité;
2° dans tous les lieux faisant partie de l'infrastructure exploitée par les sociétés publiques de transports en commun et les véhicules de transport.
§ 2. En ce qui concerne le service de sécurité faisant partie de la société publique de transports en commun appartenant aux entreprises du groupe SNCB, les agents de sécurités visés au § 1er, 1°, peuvent exercer leurs compétences dans les lieux accessibles ou non au public et dans les véhicules de transport appartenant aux entreprises du groupe SNCB, à l'exception :
a) de l'infrastructure donnée en concession à des tiers sauf en cas d'accord de coopération avec le concessionnaire et selon les modalités fixées par l'accord précité;
b) des chemins qui constituent une voie publique, à l'exception des passages souterrains et des passerelles.
§ 3. En ce qui concerne les sociétés publiques régionales de transport en commun qui organisent des services de métro, tram et bus, les agents de sécurité visés au § 1er, 1°, peuvent exercer leurs compétences :
a) dans les lieux accessibles ou non au public et appartenant à ces sociétés, y compris les infrastructures de surface accessibles au public, les gares de tram et bus que la société définit comme étant situées en surface, les gares de pré-métro souterrains à l'exception de l'infrastructure donnée en concession à des tiers sauf en cas d'accord de coopération avec le concessionnaire et selon les modalités fixées par l'accord précité;
b) dans les véhicules de transport utilisés par ces sociétés de transport en ce compris les véhicules utilisés sur ordre et pour compte de la société de transport.
§ 4. En cas d'accord de coopération entre les sociétés publiques de transport en commun, les agents de sécurité peuvent exercer leurs compétences dans les lieux et véhicules de transport des autres sociétés de transports selon les conditions fixées dans l'accord précité.
§ 5. Exceptionnellement, les agents de sécurité peuvent exercer leurs compétences sur la voie publique selon les conditions cumulatives suivantes :
1° en cas d'accident de la circulation ou de délit de droit commun ou crime venant d'être commis ou en cas de comportement mettant gravement en danger la sécurité des tiers ou celle de l'intéressé;
2° dans un périmètre de 15 mètres situé autour du véhicule de la société de transports en commun;
3° en cas d'absence des services de police et en attendant l'arrivée de ces derniers. "
Art. 3. Artikel 13.7., van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 13.7. De beslissing de mogelijkheden aan te wenden die bepaald zijn in de artikelen 13.5 en 13.6 wordt genomen door de minister van Binnenlandse Zaken op voordracht van de openbare vervoersmaatschappij. "
" Art. 13.7. De beslissing de mogelijkheden aan te wenden die bepaald zijn in de artikelen 13.5 en 13.6 wordt genomen door de minister van Binnenlandse Zaken op voordracht van de openbare vervoersmaatschappij. "
Art. 3. L'article 13.7. de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004, est remplacé par ce qui suit :
" Art.13.7. La décision d'utiliser les possibilités prévues aux articles 13.5 et 13.6 est prise par le ministre de l'Intérieur sur proposition de la société de transports en commun. "
" Art.13.7. La décision d'utiliser les possibilités prévues aux articles 13.5 et 13.6 est prise par le ministre de l'Intérieur sur proposition de la société de transports en commun. "
Art. 4. Artikel 13.11. van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen door wat volgt :
" In afwijking van artikel 8, § 11, kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde veiligheidsagenten personen vragen identiteitsdocumenten voor te leggen of te overhandigen, deze controleren, kopiëren of inhouden, in de volgende gevallen :
1° nadat de betrokkene een gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad heeft gepleegd of in geval hij een gedrag heeft vertoond dat de veiligheid van derden of zijn eigen veiligheid ernstig in het gedrang brengt;
2° om het naleven van de vigerende regelgeving inzake openbaar vervoer na te gaan of in geval van inbreuk op voornoemde regelgeving.
De veiligheidsagent verwittigt de betrokkene dat hij het voorwerp kan uitmaken van de vatting voorzien in artikel 13.12 indien hij weigert zich te identificeren of een identiteit opgeeft die vals blijkt te zijn.
De veiligheidsagent kan het identiteitsdocument slechts gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd controleren, kopiëren of inhouden en dient dit document daarna onmiddellijk aan de betrokkene terug te geven. "
" In afwijking van artikel 8, § 11, kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde veiligheidsagenten personen vragen identiteitsdocumenten voor te leggen of te overhandigen, deze controleren, kopiëren of inhouden, in de volgende gevallen :
1° nadat de betrokkene een gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad heeft gepleegd of in geval hij een gedrag heeft vertoond dat de veiligheid van derden of zijn eigen veiligheid ernstig in het gedrang brengt;
2° om het naleven van de vigerende regelgeving inzake openbaar vervoer na te gaan of in geval van inbreuk op voornoemde regelgeving.
De veiligheidsagent verwittigt de betrokkene dat hij het voorwerp kan uitmaken van de vatting voorzien in artikel 13.12 indien hij weigert zich te identificeren of een identiteit opgeeft die vals blijkt te zijn.
De veiligheidsagent kan het identiteitsdocument slechts gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd controleren, kopiëren of inhouden en dient dit document daarna onmiddellijk aan de betrokkene terug te geven. "
Art. 4. L'article 13.11. de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004, est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'article 8, § 11, les agents de sécurité visés au présent chapitre peuvent demander à des personnes de présenter ou transmettre des documents d'identité, les contrôler, les copier ou les retenir, dans les cas suivants :
1° après que l'intéressé a commis un délit de droit commun ou un crime ou si il a ou a eu un comportement mettant gravement en danger la sécurité des tiers ou la sienne;
2° afin de vérifier le respect de la réglementation en vigueur en matière de transports en commun ou en cas d'infraction à la réglementation précitée.
L'agent de sécurité avertit l'intéressé qu'il peut faire l'objet de la rétention prévue à l'article 13.12 s'il refuse de s'identifier ou donne une identité qui s'avère fausse.
L'agent de sécurité peut uniquement contrôler, copier ou retenir le document d'identité pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité. Il doit ensuite restituer immédiatement ce document à l'intéressé. "
" Par dérogation à l'article 8, § 11, les agents de sécurité visés au présent chapitre peuvent demander à des personnes de présenter ou transmettre des documents d'identité, les contrôler, les copier ou les retenir, dans les cas suivants :
1° après que l'intéressé a commis un délit de droit commun ou un crime ou si il a ou a eu un comportement mettant gravement en danger la sécurité des tiers ou la sienne;
2° afin de vérifier le respect de la réglementation en vigueur en matière de transports en commun ou en cas d'infraction à la réglementation précitée.
L'agent de sécurité avertit l'intéressé qu'il peut faire l'objet de la rétention prévue à l'article 13.12 s'il refuse de s'identifier ou donne une identité qui s'avère fausse.
L'agent de sécurité peut uniquement contrôler, copier ou retenir le document d'identité pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité. Il doit ensuite restituer immédiatement ce document à l'intéressé. "
Art. 5. Artikel 13.12. van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 13.12. § 1. De veiligheidsagenten kunnen personen vatten indien volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
1° de betrokkene heeft :
a) ofwel een gemeenrechtelijk wanbedrijf of een misdaad, of als hij minderjarig is, een als gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad omschreven feit gepleegd;
b) ofwel een inbreuk gepleegd op de vigerende regelgeving inzake openbaar vervoer waarbij hij de veiligheid van derden of zijn eigen veiligheid ernstig in het gedrang bracht;
c) ofwel, na de in artikel 13.11, tweede lid, bedoelde verwittiging klaarblijkelijk geweigerd zich met alle middelen te identificeren of een identiteit opgegeven die, na contact met de bevoegde diensten, vals is gebleken;
2° de vattende veiligheidsagent of een personeelslid van de openbare vervoersmaatschappij of vijf personen van wie de identiteit onmiddellijk door de veiligheidsagent of een personeelslid van de vervoersmaatschappij wordt opgenomen zijn ooggetuigen geweest van deze inbreuk of dit feit;
3° de vatting doet zich voor onmiddellijk nadat de in 1° bedoelde feiten werden gepleegd en vastgesteld;
4° onmiddellijk na de vatting wordt een politiedienst ingelicht. Indien de vatting gebeurt op een rijdend voertuig, dient de verwittiging te gebeuren uiterlijk op het ogenblik dat de betrokkene uit het voertuig wordt verwijderd;
5° de betrokkene wordt zo vlug mogelijk aan het zicht van het publiek onttrokken.
§ 2. Tot de aankomst van de politieambtenaren blijft de betrokkene onder het rechtstreekse toezicht van de veiligheidsdienst. Het is verboden om de betrokkene op te sluiten of hem door enig middel ergens aan vast te maken.
§ 3. De vatting dient onmiddellijk te worden beëindigd :
1° indien de verwittigde politiedienst laat weten dat hij niet ter plaatse zal komen;
2° indien de verwittigde politiedienst te kennen geeft dat hij achteraf niet ter plaatse zal komen :
a) binnen twee uur te rekenen vanaf de verwittiging in geval van gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad of gedrag dat de veiligheid van derden of van de betrokkene ernstig in het gedrang brengt;
b) binnen dertig minuten vanaf de verwittiging in geval van klaarblijkelijke weigering zich te identificeren of het aangeven van een identiteit die, na contact met de bevoegde dienst, vals bleek;
3° indien de politiedienst aangeeft dat hij ter plaatse zal komen maar dat de opgeroepen politieambtenaren achteraf niet ter plaatse zijn binnen de termijnen die bepaald zijn bij 2°.
De vatting mag niet langer duren dan verantwoord door de omstandigheden. In ieder geval mag de vatting niet langer duren dan twee uren, in het in § 3, 2°, a) bedoelde geval en dertig minuten in het in § 3, 2°, b) bedoelde geval, onverminderd artikel 34, § 4, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. "
" Art. 13.12. § 1. De veiligheidsagenten kunnen personen vatten indien volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
1° de betrokkene heeft :
a) ofwel een gemeenrechtelijk wanbedrijf of een misdaad, of als hij minderjarig is, een als gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad omschreven feit gepleegd;
b) ofwel een inbreuk gepleegd op de vigerende regelgeving inzake openbaar vervoer waarbij hij de veiligheid van derden of zijn eigen veiligheid ernstig in het gedrang bracht;
c) ofwel, na de in artikel 13.11, tweede lid, bedoelde verwittiging klaarblijkelijk geweigerd zich met alle middelen te identificeren of een identiteit opgegeven die, na contact met de bevoegde diensten, vals is gebleken;
2° de vattende veiligheidsagent of een personeelslid van de openbare vervoersmaatschappij of vijf personen van wie de identiteit onmiddellijk door de veiligheidsagent of een personeelslid van de vervoersmaatschappij wordt opgenomen zijn ooggetuigen geweest van deze inbreuk of dit feit;
3° de vatting doet zich voor onmiddellijk nadat de in 1° bedoelde feiten werden gepleegd en vastgesteld;
4° onmiddellijk na de vatting wordt een politiedienst ingelicht. Indien de vatting gebeurt op een rijdend voertuig, dient de verwittiging te gebeuren uiterlijk op het ogenblik dat de betrokkene uit het voertuig wordt verwijderd;
5° de betrokkene wordt zo vlug mogelijk aan het zicht van het publiek onttrokken.
§ 2. Tot de aankomst van de politieambtenaren blijft de betrokkene onder het rechtstreekse toezicht van de veiligheidsdienst. Het is verboden om de betrokkene op te sluiten of hem door enig middel ergens aan vast te maken.
§ 3. De vatting dient onmiddellijk te worden beëindigd :
1° indien de verwittigde politiedienst laat weten dat hij niet ter plaatse zal komen;
2° indien de verwittigde politiedienst te kennen geeft dat hij achteraf niet ter plaatse zal komen :
a) binnen twee uur te rekenen vanaf de verwittiging in geval van gemeenrechtelijk wanbedrijf of misdaad of gedrag dat de veiligheid van derden of van de betrokkene ernstig in het gedrang brengt;
b) binnen dertig minuten vanaf de verwittiging in geval van klaarblijkelijke weigering zich te identificeren of het aangeven van een identiteit die, na contact met de bevoegde dienst, vals bleek;
3° indien de politiedienst aangeeft dat hij ter plaatse zal komen maar dat de opgeroepen politieambtenaren achteraf niet ter plaatse zijn binnen de termijnen die bepaald zijn bij 2°.
De vatting mag niet langer duren dan verantwoord door de omstandigheden. In ieder geval mag de vatting niet langer duren dan twee uren, in het in § 3, 2°, a) bedoelde geval en dertig minuten in het in § 3, 2°, b) bedoelde geval, onverminderd artikel 34, § 4, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. "
Art. 5. L'article 13.12. de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13.12. § 1er. Les agents de sécurité peuvent retenir des personnes si les conditions suivantes sont remplies cumulativement :
1° l'intéressé a :
a) soit commis un délit de droit commun ou un crime ou, s'il est mineur, un fait décrit comme un délit de droit commun ou un crime;
b) soit commis une infraction à la réglementation en vigueur sur les transports en commun, mettant ainsi gravement en danger la sécurité de tiers ou la sienne;
c) soit, après l'avertissement visé à l'article 13.11, alinéa 2, refusé manifestement de s'identifier par tous moyens ou a donné une identité qui, après un contact avec les services compétents, s'est avérée fausse;
2° l'agent de sécurité chargé de la rétention ou un membre du personnel de la société publique de transports en commun ou cinq personnes dont les identités sont relevées immédiatement par l'agent de sécurité ou un membre du personnel de la société de transports ont été témoins oculaires de cette infraction ou de ce fait;
3° la rétention se produit immédiatement après que les faits visés au 1° ont été commis et constatés;
4° immédiatement après la rétention, un service de police est informé. Si la rétention a lieu dans un véhicule en mouvement, l'avertissement doit se faire au plus tard au moment où l'intéressé est éloigné du véhicule;
5° l'intéressé est soustrait le plus rapidement possible à la vue du public.
§ 2. Jusqu'à l'arrivée des fonctionnaires de police, l'intéressé reste sous la surveillance directe du service de sécurité. Il est interdit d'enfermer l'intéressé ou de l'attacher à un endroit par quelque moyen que ce soit.
§ 3. Il faut mettre immédiatement fin à la rétention :
1° si le service de police averti fait savoir qu'il ne viendra pas sur place;
2° si le service de police averti signale qu'il ne viendra pas sur place ultérieurement :
a) dans les deux heures à compter de l'avertissement en cas de délit de droit commun ou de crime ou de comportements mettant gravement en danger la sécurité des tiers ou celle de l'intéressé;
b) dans les trente minutes à compter de l'avertissement en cas de refus manifeste de s'identifier ou de la communication d'une identité qui, après un contact avec le service compétent, s'est avérée fausse;
3° si le service de police averti signale qu'il arrivera sur place, mais que les fonctionnaires de police appelés ne sont pas sur place ultérieurement dans les délais établis au 2°.
La rétention ne peut durer plus longtemps que les circonstances le justifient. En tout cas, la rétention ne peut pas durer plus de deux heures dans le cas visé au § 3, 2°, a) et trente minutes dans le cas visé au § 3, 2°, b), sans préjudice de l'article 34, § 4 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. "
" Art. 13.12. § 1er. Les agents de sécurité peuvent retenir des personnes si les conditions suivantes sont remplies cumulativement :
1° l'intéressé a :
a) soit commis un délit de droit commun ou un crime ou, s'il est mineur, un fait décrit comme un délit de droit commun ou un crime;
b) soit commis une infraction à la réglementation en vigueur sur les transports en commun, mettant ainsi gravement en danger la sécurité de tiers ou la sienne;
c) soit, après l'avertissement visé à l'article 13.11, alinéa 2, refusé manifestement de s'identifier par tous moyens ou a donné une identité qui, après un contact avec les services compétents, s'est avérée fausse;
2° l'agent de sécurité chargé de la rétention ou un membre du personnel de la société publique de transports en commun ou cinq personnes dont les identités sont relevées immédiatement par l'agent de sécurité ou un membre du personnel de la société de transports ont été témoins oculaires de cette infraction ou de ce fait;
3° la rétention se produit immédiatement après que les faits visés au 1° ont été commis et constatés;
4° immédiatement après la rétention, un service de police est informé. Si la rétention a lieu dans un véhicule en mouvement, l'avertissement doit se faire au plus tard au moment où l'intéressé est éloigné du véhicule;
5° l'intéressé est soustrait le plus rapidement possible à la vue du public.
§ 2. Jusqu'à l'arrivée des fonctionnaires de police, l'intéressé reste sous la surveillance directe du service de sécurité. Il est interdit d'enfermer l'intéressé ou de l'attacher à un endroit par quelque moyen que ce soit.
§ 3. Il faut mettre immédiatement fin à la rétention :
1° si le service de police averti fait savoir qu'il ne viendra pas sur place;
2° si le service de police averti signale qu'il ne viendra pas sur place ultérieurement :
a) dans les deux heures à compter de l'avertissement en cas de délit de droit commun ou de crime ou de comportements mettant gravement en danger la sécurité des tiers ou celle de l'intéressé;
b) dans les trente minutes à compter de l'avertissement en cas de refus manifeste de s'identifier ou de la communication d'une identité qui, après un contact avec le service compétent, s'est avérée fausse;
3° si le service de police averti signale qu'il arrivera sur place, mais que les fonctionnaires de police appelés ne sont pas sur place ultérieurement dans les délais établis au 2°.
La rétention ne peut durer plus longtemps que les circonstances le justifient. En tout cas, la rétention ne peut pas durer plus de deux heures dans le cas visé au § 3, 2°, a) et trente minutes dans le cas visé au § 3, 2°, b), sans préjudice de l'article 34, § 4 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. "
Art. 6. In artikel 13.15 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden " in de artikelen 13.5 en 13.12 tot 13.14 " vervangen door de woorden " in de artikelen 13.1, § 5, 13.5 en 13.11 tot 13.14 ".
Art. 6. A l'article 13.15 de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004, les mots " aux articles 13.5. et 13.12 à 13.14 " sont à chaque fois remplacés par les mots " aux articles 13.1, § 5, 13.5 et 13.11 à 13.14 ".
Art. 7. In artikel 13.16, lid 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden " in de artikelen 13.5 en 13.12 tot 13.14 " vervangen door de woorden " in de artikelen 13.1, § 5, 13.5 en 13.11 tot 13.14 ".
Art. 7. A l'article 13.16, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004, les mots " aux articles 13.5 et 13.12 à 13.14 " sont remplacés par les mots " aux articles 13.1, § 5, 13.5 et 13.11 à 13.14 ".
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition abrogatoire
Art. 8. Het koninklijk besluit van 4 april 2006 betreffende de afbakening van de plaatsen die deel uitmaken van de infrastructuur, uitgebaat door de openbare vervoersmaatschappijen, waarop de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid van toepassing zijn, wordt opgeheven.
Art. 8. L'arrêté royal du 4 avril 2006 relatif à la délimitation des lieux, faisant partie de l'infrastructure exploitée par les sociétés publiques de transports en commun, auxquels s'appliquent les dispositions visées au chapitre IIIbis de la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée en particulier, est abrogé.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 3 augustus 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 3 augustus 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 3 août 2012.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Intérieur,
Mme J. MILQUET
Scellé du Sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme A. TURTELBOOM
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 3 août 2012.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Intérieur,
Mme J. MILQUET
Scellé du Sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme A. TURTELBOOM