Artikel 1. In dit Protocol wordt verstaan onder :
a) " kantoorruimten van de Benelux Unie " : het terrein en de gebouwen in gebruik van de Benelux Unie voor de uitoefening van haar officiële taken;
b) " archieven " : alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto's, films, video- en geluidsopnamen die de Benelux Unie of haar personeel in het kader van de taakuitoefening bezit of onder zich heeft;
c) " gastland " : de staat waar de Benelux Unie haar zetel heeft of de staat waar een entiteit is gevestigd, die door de Benelux Unie is ingesteld en die als zodanig is erkend door deze staat;
d) " officiële werkzaamheden " : de werkzaamheden van de Benelux Unie welke strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak zoals die is vastgesteld in Deel 1 van het Verdrag.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 JUNI 2008. - Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Benelux Unie,
Titre
17 JUIN 2008. - Protocole relatif aux privilèges et immunités de l'Union Benelux
Informations sur le document
Numac: 2011B15004
Datum: 2008-06-17
Info du document
Numac: 2011B15004
Date: 2008-06-17
Tekst (20)
Texte (20)
Article 1er. Au sens du présent Protocole :
a) les " locaux de l'Union Benelux " sont le terrain et les bâtiments utilisés par l'Union Benelux pour l'exercice de ses activités officielles;
b) les " archives " sont tous les dossiers, documents, manuscrits, documents électroniques, photos, films, et enregistrements audio et vidéo appartenant à ou détenus par l'Union Benelux ou son personnel dans l'exercice de leurs activités officielles;
c) le " pays hôte " est l'Etat où l'Union Benelux a son siège ou un Etat où est établie une entité, qui a été instituée par l'Union Benelux et qui est reconnue comme telle par cet Etat;
d) les " activités officielles " sont les activités de l'Union Benelux qui sont strictement nécessaires à l'accomplissement de sa mission telle que définie dans la Partie 1 du Traité.
a) les " locaux de l'Union Benelux " sont le terrain et les bâtiments utilisés par l'Union Benelux pour l'exercice de ses activités officielles;
b) les " archives " sont tous les dossiers, documents, manuscrits, documents électroniques, photos, films, et enregistrements audio et vidéo appartenant à ou détenus par l'Union Benelux ou son personnel dans l'exercice de leurs activités officielles;
c) le " pays hôte " est l'Etat où l'Union Benelux a son siège ou un Etat où est établie une entité, qui a été instituée par l'Union Benelux et qui est reconnue comme telle par cet Etat;
d) les " activités officielles " sont les activités de l'Union Benelux qui sont strictement nécessaires à l'accomplissement de sa mission telle que définie dans la Partie 1 du Traité.
Art. 2. 1. De kantoorruimten van de Benelux Unie alsmede haar archieven en documenten die haar toebehoren of die zij onder zich houdt, zijn onschendbaar.
2. De autoriteiten van de Hoge Verdragsluitende Partijen op het grondgebied waarvan de Benelux Unie haar kantoorruimten heeft, kunnen deze ruimten slechts betreden met toestemming van de Secretaris-generaal. Deze toestemming wordt geacht te zijn verkregen bij brand of bij enig ander ongeval waarbij onmiddellijk maatregelen ter bescherming dienen te worden genomen.
3. Het betekenen ten kantore van de Benelux Unie van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de Benelux Unie gerichte rechtsvordering, vormt geen inbreuk op de onschendbaarheid.
2. De autoriteiten van de Hoge Verdragsluitende Partijen op het grondgebied waarvan de Benelux Unie haar kantoorruimten heeft, kunnen deze ruimten slechts betreden met toestemming van de Secretaris-generaal. Deze toestemming wordt geacht te zijn verkregen bij brand of bij enig ander ongeval waarbij onmiddellijk maatregelen ter bescherming dienen te worden genomen.
3. Het betekenen ten kantore van de Benelux Unie van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de Benelux Unie gerichte rechtsvordering, vormt geen inbreuk op de onschendbaarheid.
Art. 2. 1. Les locaux de l'Union Benelux ainsi que ses archives et tout document lui appartenant ou détenu par elle sont inviolables.
2. Les autorités des Hautes Parties Contractantes sur le territoire desquelles l'Union Benelux a ses locaux ne peuvent pénétrer dans ces locaux qu'avec le consentement du Secrétaire général. Ce consentement est présumé acquis en cas d'incendie ou autre sinistre exigeant des mesures de protection immédiates.
3. La remise dans les locaux de l'Union Benelux de tous actes de procédure nécessités par une instance en justice concernant l'Union Benelux ne constitue pas une infraction à l'inviolabilité.
2. Les autorités des Hautes Parties Contractantes sur le territoire desquelles l'Union Benelux a ses locaux ne peuvent pénétrer dans ces locaux qu'avec le consentement du Secrétaire général. Ce consentement est présumé acquis en cas d'incendie ou autre sinistre exigeant des mesures de protection immédiates.
3. La remise dans les locaux de l'Union Benelux de tous actes de procédure nécessités par une instance en justice concernant l'Union Benelux ne constitue pas une infraction à l'inviolabilité.
Art. 3. 1. In het kader van haar officiële werkzaamheden geniet de Benelux Unie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens :
a) voor zover de Benelux Unie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;
b) met betrekking tot een door derden ingediende rechtsvordering betreffende personen of goederen, voor zover die rechtsvordering niet rechtstreeks samenhangt met het officiële functioneren van de Benelux Unie;
c) met betrekking tot een door derden ingediende rechtsvordering betreffende schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan de Benelux Unie of namens deze wordt gebruikt, of in geval van een met voormeld voertuig begane verkeersovertreding.
2. Activa, fondsen en tegoeden van de Benelux Unie, ongeacht waar deze zich bevinden op het grondgebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen, zijn vrij van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging.
3. Activa, fondsen en tegoeden van de Benelux Unie zijn eveneens vrij van elke vorm van administratieve of gerechtelijke dwang, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zou zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij motorvoertuigen zijn betrokken, die toebehoren aan de Benelux Unie of namens deze worden gebruikt, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.
a) voor zover de Benelux Unie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;
b) met betrekking tot een door derden ingediende rechtsvordering betreffende personen of goederen, voor zover die rechtsvordering niet rechtstreeks samenhangt met het officiële functioneren van de Benelux Unie;
c) met betrekking tot een door derden ingediende rechtsvordering betreffende schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan de Benelux Unie of namens deze wordt gebruikt, of in geval van een met voormeld voertuig begane verkeersovertreding.
2. Activa, fondsen en tegoeden van de Benelux Unie, ongeacht waar deze zich bevinden op het grondgebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen, zijn vrij van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging.
3. Activa, fondsen en tegoeden van de Benelux Unie zijn eveneens vrij van elke vorm van administratieve of gerechtelijke dwang, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zou zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij motorvoertuigen zijn betrokken, die toebehoren aan de Benelux Unie of namens deze worden gebruikt, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.
Art. 3. 1. Dans le cadre de ses activités officielles, l'Union Benelux bénéficie de l'immunité de juridiction et d'exécution sauf :
a) dans la mesure où l'Union Benelux aurait expressément renoncé à une telle immunité dans un cas particulier;
b) en cas d'action civile intentée par un tiers concernant des personnes et/ou des biens, pour autant que cette action civile n'ait pas de lien direct avec le fonctionnement officiel de l'Union Benelux;
c) en cas d'action civile intentée par un tiers pour les dommages résultant d'un accident causé par un véhicule automoteur appartenant à l'Union Benelux ou circulant pour son compte ou en cas d'infraction à la réglementation de la circulation automobile intéressant le véhicule précité.
2. Les biens, fonds et avoirs de l'Union Benelux, quel que soit le lieu ou ils se trouvent sur le territoire des Hautes Parties Contractantes, bénéficient de l'immunité à l'égard de toute forme de réquisition, confiscation, expropriation et séquestre.
3. Les biens, fonds et avoirs de l'Union Benelux bénéficient également de l'immunité à l'égard de toute forme de contrainte administrative ou judiciaire, sauf dans la mesure ou le nécessitent temporairement la prévention des accidents mettant en cause des véhicules automoteurs appartenant à l'Union Benelux ou circulant pour le compte de celle-ci et les enquêtes auxquelles peuvent donner lieu lesdits accidents.
a) dans la mesure où l'Union Benelux aurait expressément renoncé à une telle immunité dans un cas particulier;
b) en cas d'action civile intentée par un tiers concernant des personnes et/ou des biens, pour autant que cette action civile n'ait pas de lien direct avec le fonctionnement officiel de l'Union Benelux;
c) en cas d'action civile intentée par un tiers pour les dommages résultant d'un accident causé par un véhicule automoteur appartenant à l'Union Benelux ou circulant pour son compte ou en cas d'infraction à la réglementation de la circulation automobile intéressant le véhicule précité.
2. Les biens, fonds et avoirs de l'Union Benelux, quel que soit le lieu ou ils se trouvent sur le territoire des Hautes Parties Contractantes, bénéficient de l'immunité à l'égard de toute forme de réquisition, confiscation, expropriation et séquestre.
3. Les biens, fonds et avoirs de l'Union Benelux bénéficient également de l'immunité à l'égard de toute forme de contrainte administrative ou judiciaire, sauf dans la mesure ou le nécessitent temporairement la prévention des accidents mettant en cause des véhicules automoteurs appartenant à l'Union Benelux ou circulant pour le compte de celle-ci et les enquêtes auxquelles peuvent donner lieu lesdits accidents.
Art. 4. 1. Met betrekking tot officiële berichtgeving en het overbrengen van al haar documenten geniet de Benelux Unie in elke Hoge Verdragsluitende Partij de meest gunstige behandeling, die deze Hoge Verdragsluitende Partij elke andere internationale organisatie doet genieten.
2. Er wordt geen censuur uitgeoefend op de officiële berichtgeving van de Benelux Unie, ongeacht de middelen waarmee bedoelde berichtgeving geschiedt.
2. Er wordt geen censuur uitgeoefend op de officiële berichtgeving van de Benelux Unie, ongeacht de middelen waarmee bedoelde berichtgeving geschiedt.
Art. 4. 1. Pour ses communications officielles et le transfert de tous ses documents, l'Union Benelux bénéficie, dans chaque Haute Partie Contractante, du traitement le plus favorable accordé à toute autre organisation internationale par cette Haute Partie Contractante.
2. Aucune censure ne peut être exercée à l'égard des communications officielles de l'Union Benelux, quelle que soit la voie de communication utilisée.
2. Aucune censure ne peut être exercée à l'égard des communications officielles de l'Union Benelux, quelle que soit la voie de communication utilisée.
Art. 5. 1. Binnen het kader van haar officiële werkzaamheden zijn de Benelux Unie, haar eigendommen, bezittingen en inkomsten bestemd voor officieel gebruik vrijgesteld van alle directe belastingen.
2. Wanneer de Benelux Unie voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden belangrijke aankopen doet van goederen of diensten, in de prijs waarvan belastingen zijn begrepen, worden door de Hoge Verdragsluitende Partijen telkens wanneer mogelijk, en onverminderd de toepassing van de Europese regelgeving, passende maatregelen genomen om het met deze belastingen gemoeide bedrag terug te betalen aan de Benelux Unie of vooraf een vrijstelling te verlenen.
3. Geen vrijstelling wordt verleend van belastingen en heffingen die in feite een vergoeding zijn voor diensten van openbaar nut.
4. Goederen of diensten ten aanzien waarvan vrijstelling van belastingen is verleend als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen uitsluitend aan de vrijgestelde bestemming worden onttrokken overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door het gastland dat de vrijstelling heeft toegekend.
2. Wanneer de Benelux Unie voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden belangrijke aankopen doet van goederen of diensten, in de prijs waarvan belastingen zijn begrepen, worden door de Hoge Verdragsluitende Partijen telkens wanneer mogelijk, en onverminderd de toepassing van de Europese regelgeving, passende maatregelen genomen om het met deze belastingen gemoeide bedrag terug te betalen aan de Benelux Unie of vooraf een vrijstelling te verlenen.
3. Geen vrijstelling wordt verleend van belastingen en heffingen die in feite een vergoeding zijn voor diensten van openbaar nut.
4. Goederen of diensten ten aanzien waarvan vrijstelling van belastingen is verleend als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen uitsluitend aan de vrijgestelde bestemming worden onttrokken overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door het gastland dat de vrijstelling heeft toegekend.
Art. 5. 1. Dans le cadre de ses activités officielles, l'Union Benelux, ses biens, avoirs et revenus affectés à son usage officiel sont exonérés d'impôts directs.
2. Lorsque des achats importants de biens ou de services sont faits par l'Union Benelux pour l'exercice de ses activités officielles et que le prix de ces biens et services comprend des impôts, des dispositions appropriées sont prises par les Hautes Parties Contractantes, chaque fois qu'il est possible, et sans préjudice de l'application de la réglementation européenne, en vue du remboursement à l'Union Benelux du montant de ces impôts ou de l'octroi de l'exonération préalable.
3. Aucune exonération n'est accordée en ce qui concerne les impôts et redevances qui ne constituent que la simple rémunération de services d'utilité publique.
4. Les biens ou les services qui ont bénéficié d'une exonération d'impôts visée aux premier et deuxième paragraphes ne peuvent être affectés à un autre usage que celui pour lequel l'exonération a été accordée que conformément aux conditions fixées par le pays hôte qui a accordé l'exonération.
2. Lorsque des achats importants de biens ou de services sont faits par l'Union Benelux pour l'exercice de ses activités officielles et que le prix de ces biens et services comprend des impôts, des dispositions appropriées sont prises par les Hautes Parties Contractantes, chaque fois qu'il est possible, et sans préjudice de l'application de la réglementation européenne, en vue du remboursement à l'Union Benelux du montant de ces impôts ou de l'octroi de l'exonération préalable.
3. Aucune exonération n'est accordée en ce qui concerne les impôts et redevances qui ne constituent que la simple rémunération de services d'utilité publique.
4. Les biens ou les services qui ont bénéficié d'une exonération d'impôts visée aux premier et deuxième paragraphes ne peuvent être affectés à un autre usage que celui pour lequel l'exonération a été accordée que conformément aux conditions fixées par le pays hôte qui a accordé l'exonération.
Art. 6. 1. De Benelux Unie geniet op het grondgebied van ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen dezelfde rechtsbevoegdheid als aan nationale rechtspersonen wordt toegekend, voor zover deze nodig is voor het uitoefenen van haar taak en voor het bereiken van haar doeleinden; in het bijzonder kan zij onroerende en roerende goederen verwerven en vervreemden alsmede in rechte optreden. De Benelux Unie wordt hiertoe door de Secretaris-generaal vertegenwoordigd.
2. Ingeval van een competentiegeschil tussen de rechtsprekende organen van de Hoge Verdragsluitende Partijen ter zake van een geschil waarbij de Benelux Unie als partij optreedt, is het gerecht van de staat waar de Benelux Unie haar zetel heeft bij uitsluiting bevoegd.
2. Ingeval van een competentiegeschil tussen de rechtsprekende organen van de Hoge Verdragsluitende Partijen ter zake van een geschil waarbij de Benelux Unie als partij optreedt, is het gerecht van de staat waar de Benelux Unie haar zetel heeft bij uitsluiting bevoegd.
Art. 6. 1. Dans la mesure reconnue aux personnes civiles nationales, l'Union Benelux jouit, sur le territoire de chacune des Hautes Parties Contractantes, de la capacité juridique nécessaire pour exercer ses fonctions et atteindre ses buts; elle peut notamment acquérir et aliéner des biens immobiliers et mobiliers et ester en justice. L'Union Benelux est représentée à cet effet par le Secrétaire général.
2. En cas de conflit de compétence entre les juridictions des Hautes Parties Contractantes à propos d'un litige auquel l'Union Benelux est partie, la juridiction de l'Etat où l'Union Benelux a son siège est seule compétente.
2. En cas de conflit de compétence entre les juridictions des Hautes Parties Contractantes à propos d'un litige auquel l'Union Benelux est partie, la juridiction de l'Etat où l'Union Benelux a son siège est seule compétente.
Art. 7. De vertegenwoordigers van de Hoge Verdragsluitende Partijen, alsmede hun plaatsvervangers, hun raadgevers en deskundigen genieten bij de vergaderingen van de instellingen van de Benelux Unie, van de Gemeenschappelijke Diensten en van de ambtelijke werkgroepen, alsmede op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug, de volgende voorrechten en immuniteiten :
a) immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve wanneer zij op heterdaad betrapt worden;
b) vrijstelling van rechtsvervolging, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van een door een van de hierboven bedoelde personen begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem wordt bestuurd;
c) onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
d) het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas.
a) immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve wanneer zij op heterdaad betrapt worden;
b) vrijstelling van rechtsvervolging, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van een door een van de hierboven bedoelde personen begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem wordt bestuurd;
c) onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
d) het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas.
Art. 7. Les représentants des Hautes Parties Contractantes, leurs suppléants, leurs conseillers ou experts jouissent, lors des réunions des institutions de l'Union Benelux, des Services communs et des groupes de travail de l'administration ainsi qu'au cours de leurs voyages à destination ou en provenance du lieu de la réunion des privilèges et immunités suivants :
a) immunité d'arrestation et de détention, ainsi que de saisie de leurs bagages personnels, sauf en cas de flagrant délit;
b) immunité de juridiction, même après la fin de leur mission, pour les actes, y compris leurs écrits et leurs paroles, accomplis dans l'exercice de leurs fonctions; cette immunité ne joue cependant pas dans le cas d'une infraction à la réglementation de la circulation des véhicules automoteurs, commise par une des personnes visées ci-dessus, ou dans le cas de dommages causés par un véhicule automoteur lui appartenant ou conduit par elle;
c) inviolabilité pour tous leurs papiers et documents officiels;
d) droit de faire usage de codes et de recevoir des documents ou de la correspondance par courrier spécial ou par valises scellées.
a) immunité d'arrestation et de détention, ainsi que de saisie de leurs bagages personnels, sauf en cas de flagrant délit;
b) immunité de juridiction, même après la fin de leur mission, pour les actes, y compris leurs écrits et leurs paroles, accomplis dans l'exercice de leurs fonctions; cette immunité ne joue cependant pas dans le cas d'une infraction à la réglementation de la circulation des véhicules automoteurs, commise par une des personnes visées ci-dessus, ou dans le cas de dommages causés par un véhicule automoteur lui appartenant ou conduit par elle;
c) inviolabilité pour tous leurs papiers et documents officiels;
d) droit de faire usage de codes et de recevoir des documents ou de la correspondance par courrier spécial ou par valises scellées.
Art. 8. De Secretaris-generaal, de adjunct-Secretarissen-generaal en de personeelsleden van de Benelux Unie :
a) genieten immuniteit van rechtsmacht voor handelingen verricht in de uitoefening van hun functie, met inbegrip van hetgeen zij hebben gezegd of geschreven, ook nadat zij niet langer hun functie uitoefenen; deze immuniteit geldt niet in geval van een door hen begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hen toebehoort of dat door hen wordt bestuurd;
b) zijn vrijgesteld van elke verplichting inzake militaire dienstplicht;
c) genieten onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
d) genieten voor henzelf, hun samenwonende echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner en inwonende kinderen ten laste dezelfde uitzonderingen op de maatregelen inzake inreisbeperkingen en registratie van vreemdelingen, als deze die gewoonlijk worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;
e) ontvangen voor henzelf, hun samenwonende echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner en inwonende kinderen ten laste in tijden van internationale crisis dezelfde repatriëringfaciliteiten als personen die met een diplomatieke zending zijn belast.
a) genieten immuniteit van rechtsmacht voor handelingen verricht in de uitoefening van hun functie, met inbegrip van hetgeen zij hebben gezegd of geschreven, ook nadat zij niet langer hun functie uitoefenen; deze immuniteit geldt niet in geval van een door hen begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hen toebehoort of dat door hen wordt bestuurd;
b) zijn vrijgesteld van elke verplichting inzake militaire dienstplicht;
c) genieten onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
d) genieten voor henzelf, hun samenwonende echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner en inwonende kinderen ten laste dezelfde uitzonderingen op de maatregelen inzake inreisbeperkingen en registratie van vreemdelingen, als deze die gewoonlijk worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;
e) ontvangen voor henzelf, hun samenwonende echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner en inwonende kinderen ten laste in tijden van internationale crisis dezelfde repatriëringfaciliteiten als personen die met een diplomatieke zending zijn belast.
Art. 8. Le Secrétaire général, les Secrétaires généraux adjoints et les agents de l'Union Benelux :
a) jouissent, même lorsqu'ils ont cessé d'exercer leurs fonctions, de l'immunité de juridiction pour les actes, y compris les paroles et écrits, accomplis dans l'exercice de leurs fonctions; cette immunité ne joue cependant pas dans le cas d'infraction à la réglementation de la circulation des véhicules automoteurs commise par eux ou dans le cas de dommage causé par un véhicule automoteur leur appartenant ou qu'ils conduisent;
b) sont exemptés de toute obligation relative au service militaire;
c) jouissent de l'inviolabilité pour tous leurs papiers et documents officiels;
d) jouissent, pour eux-mêmes et pour leurs conjoints légaux ou reconnus et leurs enfants à charge vivant à leur foyer, des mêmes exceptions aux dispositions limitant l'immigration et réglant l'enregistrement des étrangers, que celles généralement reconnues aux membres du personnel des organisations internationales;
e) jouissent, en période de crise internationale, ainsi que leurs conjoints légaux ou reconnus et leurs enfants à charge vivant à leur foyer, des mêmes facilités de rapatriement que les agents diplomatiques.
a) jouissent, même lorsqu'ils ont cessé d'exercer leurs fonctions, de l'immunité de juridiction pour les actes, y compris les paroles et écrits, accomplis dans l'exercice de leurs fonctions; cette immunité ne joue cependant pas dans le cas d'infraction à la réglementation de la circulation des véhicules automoteurs commise par eux ou dans le cas de dommage causé par un véhicule automoteur leur appartenant ou qu'ils conduisent;
b) sont exemptés de toute obligation relative au service militaire;
c) jouissent de l'inviolabilité pour tous leurs papiers et documents officiels;
d) jouissent, pour eux-mêmes et pour leurs conjoints légaux ou reconnus et leurs enfants à charge vivant à leur foyer, des mêmes exceptions aux dispositions limitant l'immigration et réglant l'enregistrement des étrangers, que celles généralement reconnues aux membres du personnel des organisations internationales;
e) jouissent, en période de crise internationale, ainsi que leurs conjoints légaux ou reconnus et leurs enfants à charge vivant à leur foyer, des mêmes facilités de rapatriement que les agents diplomatiques.
Art. 9. 1. Naast de in artikel 8 vastgelegde voorrechten en immuniteiten genieten de Secretaris-generaal en de Adjunct-secretarissen-generaal respectievelijk de voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan een hoofd van een diplomatieke zending en aan de leden van het diplomatiek personeel ingevolge het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer.
2. De immuniteit van rechtsmacht geldt niet met betrekking tot civiele vorderingen die voortvloeien uit door de Secretaris-generaal en de Adjunct-secretarissen-generaal in de privé-sfeer veroorzaakte schade dan wel uit door hen in de privé-sfeer afgesloten contracten.
3. Niettegenstaande het eerste lid wordt de toepassing van de belastingen naar het inkomen en naar het vermogen op de inkomsten en vermogensbestanddelen van de Secretaris-generaal en de adjunct-Secretarissen-generaal geregeld in aanvullende overeenkomsten in de zin van artikel 29 van het Verdrag.
2. De immuniteit van rechtsmacht geldt niet met betrekking tot civiele vorderingen die voortvloeien uit door de Secretaris-generaal en de Adjunct-secretarissen-generaal in de privé-sfeer veroorzaakte schade dan wel uit door hen in de privé-sfeer afgesloten contracten.
3. Niettegenstaande het eerste lid wordt de toepassing van de belastingen naar het inkomen en naar het vermogen op de inkomsten en vermogensbestanddelen van de Secretaris-generaal en de adjunct-Secretarissen-generaal geregeld in aanvullende overeenkomsten in de zin van artikel 29 van het Verdrag.
Art. 9. 1. En plus des privilèges et immunités visés à l'article 8, le Secrétaire général et les Secrétaires généraux adjoints jouissent respectivement des privilèges et immunités accordés un chef de mission diplomatique aux agents diplomatiques en vertu de la Convention de Vienne du 18 avril 1961 sur les relations diplomatiques.
2. L'immunité de juridiction ne joue pas dans le cas d'actions civiles découlant des dommages causés par le Secrétaire général et les Secrétaires généraux adjoints dans la vie privée ou de contrats qu'ils auront conclus à titre privé.
3. Nonobstant le paragraphe premier, l'application de l'impôt sur les revenus et sur la fortune, aux revenus et éléments du patrimoine du Secrétaire général et des Secrétaires généraux adjoints sera réglée dans des accords complémentaires au sens de l'article 29 du Traité.
2. L'immunité de juridiction ne joue pas dans le cas d'actions civiles découlant des dommages causés par le Secrétaire général et les Secrétaires généraux adjoints dans la vie privée ou de contrats qu'ils auront conclus à titre privé.
3. Nonobstant le paragraphe premier, l'application de l'impôt sur les revenus et sur la fortune, aux revenus et éléments du patrimoine du Secrétaire général et des Secrétaires généraux adjoints sera réglée dans des accords complémentaires au sens de l'article 29 du Traité.
Art. 10. Deskundigen die optreden namens en voor rekening van de Benelux Unie genieten, ook tijdens de reizen die zij in de uitoefening van hun functie of tijdens deze zending maken, de hierna vermelde voorrechten en immuniteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functie of de uitvoering van hun zending :
a) immuniteit van rechtsmacht voor handelingen verricht in de uitoefening van hun functie of hun zending, met inbegrip van hetgeen zij hebben gezegd of geschreven; deze immuniteit geldt niet in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem wordt bestuurd; de deskundigen blijven van deze immuniteit genieten na het beëindigen van hun in de aanhef van dit artikel beschreven taak voor de Benelux Unie;
b) onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten.
a) immuniteit van rechtsmacht voor handelingen verricht in de uitoefening van hun functie of hun zending, met inbegrip van hetgeen zij hebben gezegd of geschreven; deze immuniteit geldt niet in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem wordt bestuurd; de deskundigen blijven van deze immuniteit genieten na het beëindigen van hun in de aanhef van dit artikel beschreven taak voor de Benelux Unie;
b) onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten.
Art. 10. Les experts exerçant des fonctions au nom de et pour le compte de l'Union Benelux jouissent des privilèges et immunités ci-après dans la mesure ou ils leur sont nécessaires pour l'exercice de leurs fonctions, y compris durant les voyages effectués dans l'exercice de leurs fonctions ou au cours de ces missions :
a) immunité de juridiction pour les actes accomplis dans l'exercice de leurs fonctions, y compris les paroles et écrits, sauf dans le cas d'infraction à la réglementation de la circulation des véhicules automoteurs commise par un expert ou de dommage causé par un véhicule automoteur lui appartenant ou qu'il conduit; les experts continueront à bénéficier de cette immunité après la cessation de leurs fonctions décrites au début du présent article auprès de l'Union Benelux;
b) inviolabilité pour tous leurs papiers et documents officiels.
a) immunité de juridiction pour les actes accomplis dans l'exercice de leurs fonctions, y compris les paroles et écrits, sauf dans le cas d'infraction à la réglementation de la circulation des véhicules automoteurs commise par un expert ou de dommage causé par un véhicule automoteur lui appartenant ou qu'il conduit; les experts continueront à bénéficier de cette immunité après la cessation de leurs fonctions décrites au début du présent article auprès de l'Union Benelux;
b) inviolabilité pour tous leurs papiers et documents officiels.
Art. 11. 1. Onverminderd de verplichtingen die voor de Hoge Verdragsluitende Partijen voortvloeien uit de verdragen betreffende de Europese Unie treffen zij de nodige maatregelen om personen bedoeld in artikel 10 de binnenkomst in hun landen te vergemakkelijken. Het voor deze personen vereiste visum wordt zo snel mogelijk afgegeven.
2. De Secretaris-generaal van de Benelux Unie geeft de bevoegde autoriteiten vooraf kennis van de naam van de in het eerste lid bedoelde personen.
2. De Secretaris-generaal van de Benelux Unie geeft de bevoegde autoriteiten vooraf kennis van de naam van de in het eerste lid bedoelde personen.
Art. 11. 1. Sans préjudice des obligations qui découlent pour les Hautes Parties Contractantes des traités relatifs à l'Union européenne, les Hautes Parties Contractantes prendront les mesures nécessaires pour faciliter l'entrée dans leurs pays des personnes visées à l'article 10. Tout visa requis pour ces personnes sera délivré le plus vite possible.
2. Le Secrétaire général de l'Union Benelux communiquera le nom des personnes visées au paragraphe 1er au préalable aux autorités compétentes.
2. Le Secrétaire général de l'Union Benelux communiquera le nom des personnes visées au paragraphe 1er au préalable aux autorités compétentes.
Art. 12. 1. De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn niet verplicht de in artikelen 7, 8, onder (b) en 9, eerste lid bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan :
a) hun eigen onderdanen;
b) personen die bij het begin van hun werkzaamheden bij de Benelux Unie duurzaam verblijf houden op hun grondgebied.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder duurzaam verblijf verstaan een voorafgaand verblijf op het grondgebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen, gedurende een minimale periode zoals voorzien krachtens de in deze Hoge Verdragsluitende Partij geldende bepalingen, met uitzondering van de jaren in dienstverband bij een internationale organisatie of bij een buitenlandse zending.
a) hun eigen onderdanen;
b) personen die bij het begin van hun werkzaamheden bij de Benelux Unie duurzaam verblijf houden op hun grondgebied.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder duurzaam verblijf verstaan een voorafgaand verblijf op het grondgebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen, gedurende een minimale periode zoals voorzien krachtens de in deze Hoge Verdragsluitende Partij geldende bepalingen, met uitzondering van de jaren in dienstverband bij een internationale organisatie of bij een buitenlandse zending.
Art. 12. 1. Les Hautes Parties Contractantes ne sont pas tenues d'accorder les privilèges et immunités visés aux articles 7, 8 (b) et 9, paragraphe premier :
a) à leurs propres ressortissants;
b) aux personnes qui ont leur résidence permanente sur leur territoire au moment où elles prennent leurs fonctions auprès de l'Union Benelux.
2. Pour l'application du présent article, on entend par résidence permanente une résidence antérieure sur le territoire de l'une des Hautes Parties contractantes d'une durée minimale au sens des dispositions en vigueur au sein de cette Haute Partie contractante, à l'exception des années passées au service d'une organisation internationale ou d'une mission étrangère.
a) à leurs propres ressortissants;
b) aux personnes qui ont leur résidence permanente sur leur territoire au moment où elles prennent leurs fonctions auprès de l'Union Benelux.
2. Pour l'application du présent article, on entend par résidence permanente une résidence antérieure sur le territoire de l'une des Hautes Parties contractantes d'une durée minimale au sens des dispositions en vigueur au sein de cette Haute Partie contractante, à l'exception des années passées au service d'une organisation internationale ou d'une mission étrangère.
Art. 13. 1. De Secretaris-generaal heeft de plicht de immuniteit van de personeelsleden bedoeld in artikel 8 en van de deskundigen bedoeld in artikel 10 op te heffen indien hij van oordeel is dat deze immuniteit aan de loop van het recht in de weg staat en indien het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder de belangen van de Benelux Unie in gevaar te brengen.
2. Het Comité van Ministers kan op dezelfde gronden de aan de Secretaris-generaal en de Adjunct-secretarissen-generaal toegekende immuniteiten, bedoeld in de artikelen 8 en 9, opheffen.
3. Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft de plicht de immuniteit op te heffen van haar vertegenwoordigers, alsmede van haar plaatsvervangers, raadgevers of deskundigen bedoeld in artikel 7, telkens wanneer, naar het oordeel van de betreffende Staat, de immuniteit aan de loop van het recht in de weg zou staan, en er afstand van kan worden gedaan zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend in gevaar te brengen.
2. Het Comité van Ministers kan op dezelfde gronden de aan de Secretaris-generaal en de Adjunct-secretarissen-generaal toegekende immuniteiten, bedoeld in de artikelen 8 en 9, opheffen.
3. Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft de plicht de immuniteit op te heffen van haar vertegenwoordigers, alsmede van haar plaatsvervangers, raadgevers of deskundigen bedoeld in artikel 7, telkens wanneer, naar het oordeel van de betreffende Staat, de immuniteit aan de loop van het recht in de weg zou staan, en er afstand van kan worden gedaan zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend in gevaar te brengen.
Art. 13. 1. Le Secrétaire général a le devoir de lever l'immunité des agents visés à l'article 8 ainsi que des experts visés à l'article 10 lorsqu'il estime que cette immunité entrave le cours de la justice et qu'il est possible d'y renoncer sans porter atteinte aux intérêts de l'Union Benelux.
2. Le Comité de Ministres peut, pour les mêmes raisons, lever les immunités accordées au Secrétaire général et aux Secrétaires généraux adjoints, visées aux articles 8 et 9.
3. Chacune des Hautes Parties contractantes a le devoir de lever l'immunité de ses représentants, ainsi que de ses suppléants, conseillers ou experts visés à l'article 7, dans tous les cas ou, à son avis, l'immunité entraverait l'action de la justice et ou elle peut être levée sans compromettre les fins pour lesquelles elle a été accordée.
2. Le Comité de Ministres peut, pour les mêmes raisons, lever les immunités accordées au Secrétaire général et aux Secrétaires généraux adjoints, visées aux articles 8 et 9.
3. Chacune des Hautes Parties contractantes a le devoir de lever l'immunité de ses représentants, ainsi que de ses suppléants, conseillers ou experts visés à l'article 7, dans tous les cas ou, à son avis, l'immunité entraverait l'action de la justice et ou elle peut être levée sans compromettre les fins pour lesquelles elle a été accordée.
Art. 14. 1. De Benelux Unie werkt voortdurend samen met de bevoegde autoriteiten van de Hoge Verdragsluitende Partijen ter bevordering van een goede rechtsbedeling, ter verzekering van de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de volksgezondheid, de arbeidsinspectie, of andere nationale wetten, alsmede ter voorkoming van misbruik van de in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.
2. De in dit Protocol aan de personen bedoeld in de artikelen 7, 8 en 10 toegekende voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de betrokkenen tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Benelux Unie onder alle omstandigheden, alsmede de volledige onafhankelijkheid van de betrokkenen.
3. De Benelux Unie en de personen genoemd in de artikelen 7, 8 en 10 dienen zich te houden aan de wetgeving en de regelgeving van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
2. De in dit Protocol aan de personen bedoeld in de artikelen 7, 8 en 10 toegekende voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de betrokkenen tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Benelux Unie onder alle omstandigheden, alsmede de volledige onafhankelijkheid van de betrokkenen.
3. De Benelux Unie en de personen genoemd in de artikelen 7, 8 en 10 dienen zich te houden aan de wetgeving en de regelgeving van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
Art. 14. 1. L'Union Benelux coopère en tout temps avec les autorités compétentes des Hautes Parties Contractantes en vue de faciliter une bonne administration de la justice, d'assurer l'observation des règlements de police et de ceux concernant la santé publique et l'inspection du travail ou d'autres lois nationales et empêcher tout abus des privilèges, immunités et facilités prévus par le présent Protocole.
2. Les privilèges et immunités accordés par ce Protocole aux personnes visées aux articles 7, 8 et 10 ne sont pas établis en vue d'accorder des avantages personnels aux intéressés. Ils ont pour seul but d'assurer, en toutes circonstances, le bon fonctionnement de l'Union Benelux et l'entière indépendance des intéressés.
3. L'Union Benelux et les personnes visées aux articles 7, 8 et 10 sont tenues de respecter la législation et la réglementation des Hautes Parties Contractantes.
2. Les privilèges et immunités accordés par ce Protocole aux personnes visées aux articles 7, 8 et 10 ne sont pas établis en vue d'accorder des avantages personnels aux intéressés. Ils ont pour seul but d'assurer, en toutes circonstances, le bon fonctionnement de l'Union Benelux et l'entière indépendance des intéressés.
3. L'Union Benelux et les personnes visées aux articles 7, 8 et 10 sont tenues de respecter la législation et la réglementation des Hautes Parties Contractantes.
Art. 15. Elke Hoge Verdragsluitende Partij behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van haar veiligheid.
Art. 15. Chacune des Hautes Parties Contractantes se réserve le droit de prendre toutes les précautions utiles dans l'intérêt de sa sécurité.
Art. 16. De Hoge Verdragsluitende Partijen dragen ten aanzien van de werkzaamheden van de Benelux Unie generlei internationale aansprakelijkheid voor daden of nalatigheden van de Benelux Unie of van diens personeelsleden die in het kader van hun functie een daad stellen of nalaten te stellen.
Art. 16. Les Hautes Parties Contractantes n'encourent du fait de l'activité de l'Union Benelux aucune responsabilité internationale quelconque pour les actes ou omissions de l'Union Benelux ou de ses agents agissant ou s'abstenant dans le cadre de leurs fonctions.
Art. 17. Dit Protocol is niet van toepassing op de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad en het Benelux-Gerechtshof.
Art. 17. Le présent Protocole n'est pas d'application au Conseil interparlementaire consultatif de Benelux et à la Cour de Justice Benelux.
Art. 18. 1. Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen of tussen de Benelux Unie en een of meer Verdragsluitende Partijen over de uitlegging of de toepassing van dit Protocol wordt geregeld door overleg, onderhandeling of elk ander overeengekomen middel.
2. Indien het geschil niet overeenkomstig het eerste lid van dit artikel geregeld is binnen de drie maanden die volgen op het schriftelijke verzoek dienaangaande vanwege één van de partijen in het geschil, wordt het, op verzoek van één der partijen, voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig de procedure uiteengezet in lid drie tot zeven van dit artikel.
3. Het scheidsgerecht bestaat uit een oneven aantal leden. Elke partij in het geschil wijst één lid aan. Indien het scheidsgerecht bestaat uit een oneven aantal leden wijzen de leden daarvan uit hun midden een lid aan dat het scheidsgerecht voorzit. Indien er een even aantal leden is aangewezen, kiezen deze leden een bijkomend lid, dat het scheidsgerecht voorzit.
4. Indien één der partijen in het geschil zijn lid van het scheidsgerecht niet heeft aangewezen binnen de drie maanden die volgen op de datum van het schriftelijke verzoek bedoeld in het tweede lid, kan de andere partij dan wel één van de andere partijen de President van het Internationaal Gerechtshof verzoeken over te gaan tot deze aanwijzing. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de leden over de keuze van de voorzitter van het scheidsgerecht binnen een maand volgend op de dag waarop de aanwijzing van de andere leden is voltooid, kan de andere partij dan wel één van de andere partijen de President van het Internationaal Gerechtshof verzoeken hem aan te wijzen.
5. Tenzij de partijen in het geschil er anders over beslissen, legt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast. De kosten worden gedragen door de partijen in het geschil, op de wijze bepaald door het scheidsgerecht.
6. Het scheidsgerecht, dat bij meerderheid beslist, baseert zich voor zijn uitspraak over het geschil op de bepalingen van dit Protocol en op de regelen van het internationaal recht die van toepassing zijn. Zijn beslissing is definitief en bindend voor de partijen.
7. De beslissing van het scheidsgerecht wordt ter kennis gebracht van de partijen in het geschil en van de Secretaris-generaal van de Benelux Unie.
Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Protocol hebben ondertekend en voorzien van hun zegel.
2. Indien het geschil niet overeenkomstig het eerste lid van dit artikel geregeld is binnen de drie maanden die volgen op het schriftelijke verzoek dienaangaande vanwege één van de partijen in het geschil, wordt het, op verzoek van één der partijen, voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig de procedure uiteengezet in lid drie tot zeven van dit artikel.
3. Het scheidsgerecht bestaat uit een oneven aantal leden. Elke partij in het geschil wijst één lid aan. Indien het scheidsgerecht bestaat uit een oneven aantal leden wijzen de leden daarvan uit hun midden een lid aan dat het scheidsgerecht voorzit. Indien er een even aantal leden is aangewezen, kiezen deze leden een bijkomend lid, dat het scheidsgerecht voorzit.
4. Indien één der partijen in het geschil zijn lid van het scheidsgerecht niet heeft aangewezen binnen de drie maanden die volgen op de datum van het schriftelijke verzoek bedoeld in het tweede lid, kan de andere partij dan wel één van de andere partijen de President van het Internationaal Gerechtshof verzoeken over te gaan tot deze aanwijzing. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de leden over de keuze van de voorzitter van het scheidsgerecht binnen een maand volgend op de dag waarop de aanwijzing van de andere leden is voltooid, kan de andere partij dan wel één van de andere partijen de President van het Internationaal Gerechtshof verzoeken hem aan te wijzen.
5. Tenzij de partijen in het geschil er anders over beslissen, legt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast. De kosten worden gedragen door de partijen in het geschil, op de wijze bepaald door het scheidsgerecht.
6. Het scheidsgerecht, dat bij meerderheid beslist, baseert zich voor zijn uitspraak over het geschil op de bepalingen van dit Protocol en op de regelen van het internationaal recht die van toepassing zijn. Zijn beslissing is definitief en bindend voor de partijen.
7. De beslissing van het scheidsgerecht wordt ter kennis gebracht van de partijen in het geschil en van de Secretaris-generaal van de Benelux Unie.
Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Protocol hebben ondertekend en voorzien van hun zegel.
Art. 18. 1. Tout différend entre deux ou plusieurs Hautes Parties Contractantes ou entre l'Union Benelux et une ou plusieurs Hautes Parties Contractantes portant sur l'interprétation et l'application du présent Protocole, est réglé par voie de consultation, de négociation ou par tout autre moyen convenu,
2. Si le différend n'est pas réglé conformément au paragraphe 1er du présent article dans les trois mois qui suivent la demande écrite faite à cet effet par l'une des parties au différend, il est porté, à la demande de l'une des parties, devant un tribunal arbitral, conformément à la procédure énoncée aux paragraphes 3 à 7 du présent article.
3. Le tribunal arbitral se compose d'un nombre impair de membres. Chaque partie au différend désigne un membre. Si le tribunal arbitral se compose d'un nombre impair de membres, ces membres désignent en leur sein un membre qui préside le tribunal. Si un nombre pair de membres est désigné, ces membres choisissent un membre additionnel qui préside le tribunal.
4. Si l'une des parties au différend n'a pas désigné son membre du tribunal dans les trois mois qui suivent la date de la demande écrite visée au paragraphe 2 l'autre partie ou l'une des autres parties peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de procéder à cette désignation. A défaut d'accord entre les premiers membres sur le choix du président du tribunal arbitral dans le mois qui suit la désignation des autres membres, l'autre partie ou l'une des autres parties peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de désigner le président.
5. Sauf aux parties au différend d'en décider autrement, le tribunal arbitral définit sa propre procédure. Les frais sont supportés par les parties au différend, de la manière déterminée par le tribunal arbitral.
6. Le tribunal arbitral, qui statue à la majorité, se prononce sur le différend en se fondant sur les dispositions du présent Protocole et sur les règles de droit international applicables. Sa décision est définitive et s'impose aux parties au différend.
7. La décision du tribunal arbitral est communiquée aux parties au différend et au Secrétaire général de l'Union Benelux.
EN FOI DE QUOI les Plénipotentiaires ont signé le présent Protocole et l'ont revêtu de leur sceau.
2. Si le différend n'est pas réglé conformément au paragraphe 1er du présent article dans les trois mois qui suivent la demande écrite faite à cet effet par l'une des parties au différend, il est porté, à la demande de l'une des parties, devant un tribunal arbitral, conformément à la procédure énoncée aux paragraphes 3 à 7 du présent article.
3. Le tribunal arbitral se compose d'un nombre impair de membres. Chaque partie au différend désigne un membre. Si le tribunal arbitral se compose d'un nombre impair de membres, ces membres désignent en leur sein un membre qui préside le tribunal. Si un nombre pair de membres est désigné, ces membres choisissent un membre additionnel qui préside le tribunal.
4. Si l'une des parties au différend n'a pas désigné son membre du tribunal dans les trois mois qui suivent la date de la demande écrite visée au paragraphe 2 l'autre partie ou l'une des autres parties peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de procéder à cette désignation. A défaut d'accord entre les premiers membres sur le choix du président du tribunal arbitral dans le mois qui suit la désignation des autres membres, l'autre partie ou l'une des autres parties peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de désigner le président.
5. Sauf aux parties au différend d'en décider autrement, le tribunal arbitral définit sa propre procédure. Les frais sont supportés par les parties au différend, de la manière déterminée par le tribunal arbitral.
6. Le tribunal arbitral, qui statue à la majorité, se prononce sur le différend en se fondant sur les dispositions du présent Protocole et sur les règles de droit international applicables. Sa décision est définitive et s'impose aux parties au différend.
7. La décision du tribunal arbitral est communiquée aux parties au différend et au Secrétaire général de l'Union Benelux.
EN FOI DE QUOI les Plénipotentiaires ont signé le présent Protocole et l'ont revêtu de leur sceau.
Gedaan te 's-Gravenhage op 17 juni 2008 in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.
FAIT à La Haye, le 17 juin 2008 en trois exemplaires, en langues française et néerlandaise, les deux textes faisant également foi.
VERKLARING
Bij de ondertekening van het Verdrag tot herziening van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 (hierna : het Verdrag), hebben de gevolmachtigde vertegenwoordigers van de Hoge Verdragsluitende Partijen het volgende verklaard :
Met betrekking tot het gemeenschappelijk werkprogramma
Het gemeenschappelijk werkprogramma, genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag, wordt voor een periode van vier jaar vastgesteld. Het Comité van Ministers beziet, volgens de procedure van artikel 6, tweede lid, onder (b), van het Verdrag, elke twee jaar of het gemeenschappelijk werkprogramma aanpassing behoeft. Het jaarplan genoemd onder artikel 6, tweede lid, onder (d), van het Verdrag geeft nadere uitwerking aan het gemeenschappelijk werkprogramma.
Elementen van een gemeenschappelijk werkprogramma van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn bij deze Verklaring bijgevoegd.
Dit initiële gemeenschappelijk werkprogramma dient er toe de continuïteit te verzekeren tussen het bestaande Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en het herziene Verdrag tot instelling van de Benelux Unie. Het dient er tevens toe een geleidelijke overgang mogelijk te maken naar een verdieping en verbreding van het Benelux takenpakket teneinde een dynamische invulling te kunnen geven aan de onderlinge samenwerking in een gewijzigde internationale context.
De realisatie van dit gemeenschappelijk werkprogramma noodzaakt een politieke en hoogambtelijke sturing. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen er op toezien dat deze daadwerkelijk plaats vindt en indien nodig op ministerieel niveau.
Het Secretariaat-generaal geeft uitwerking aan de elementen van het gemeenschappelijk werkprogramma. Het evalueert op regelmatige basis alle samenwerkingstrajecten en initieert daarop passende actie. Het ondersteunt de samenwerking in diplomatieke, logistieke en administratieve zin en rapporteert over de behaalde resultaten.
Met betrekking tot het voorzitterschap van het Benelux Comité van Ministers
Bij de inwerkingtreding van het Verdrag wordt artikel 9, tweede lid, van het Verdrag, als volgt uitgevoerd :
(a) Indien het Verdrag vóór 1 oktober van een bepaald jaar in werking treedt, wordt het voorzitterschap van het Comité van Ministers voor het resterende kalenderjaar vanaf de datum van inwerkingtreding bekleed door de Hoge Verdragsluitende Partij die op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 op de datum van inwerkingtreding het voorzitterschap bekleedt.
(b) Indien het Verdrag op of na 1 oktober van een bepaald jaar in werking treedt, wordt het voorzitterschap van het Comité van Ministers voor het resterende kalenderjaar vanaf de datum van inwerkingtreding bekleed door de Hoge Verdragsluitende Partij die op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 het voorzitterschap zou bekleden per 1 januari van het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding.
Met betrekking tot de vertegenwoordiging in de Benelux Raad
De in artikel 13, eerste lid, van het Verdrag bedoelde vertegenwoordiger of vertegenwoordigers van ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen vervult of vervullen binnen de overheidsdiensten in de Hoge Verdragsluitende Partijen de functie van Secretaris-generaal, Directeur-generaal, dan wel een leidinggevende functie van een vergelijkbaar niveau.
Met betrekking tot de contacten tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Benelux Unie
Elke Hoge Verdragsluitende Partij wijst een contactpunt aan dat zal optreden als coördinator in de betrekkingen tussen de betreffende Hoge Verdragsluitende Partij en de Benelux Unie.
Met betrekking tot artikel 29, derde lid
De onderhandelingen over de tussen het Koninkrijk België en de Benelux Unie te sluiten aanvullende overeenkomst zullen zo spoedig mogelijk na de ondertekening van start gaan met het oogmerk deze op korte termijn af te ronden. Deze overeenkomst heeft onder meer tot doel te komen tot een evenwichtiger samenstelling van het Benelux Secretariaat-generaal.
Met betrekking tot de begroting
1. De Overeenkomst van 14 januari 1964 tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg ter uitvoering van artikel 37, lid 2, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie wordt geacht te zijn gesloten ter uitvoering van artikel 22, tweede lid, van het Verdrag.
2. Het Comité van Ministers stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag per beschikking bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder (a) van het Verdrag vast, welke vertegenwoordiger van elke Hoge Verdragsluitende Partij in de Raad optreedt als persoon bedoeld in artikel 26, tweede lid van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.
Bij de ondertekening van het Verdrag tot herziening van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 (hierna : het Verdrag), hebben de gevolmachtigde vertegenwoordigers van de Hoge Verdragsluitende Partijen het volgende verklaard :
Met betrekking tot het gemeenschappelijk werkprogramma
Het gemeenschappelijk werkprogramma, genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag, wordt voor een periode van vier jaar vastgesteld. Het Comité van Ministers beziet, volgens de procedure van artikel 6, tweede lid, onder (b), van het Verdrag, elke twee jaar of het gemeenschappelijk werkprogramma aanpassing behoeft. Het jaarplan genoemd onder artikel 6, tweede lid, onder (d), van het Verdrag geeft nadere uitwerking aan het gemeenschappelijk werkprogramma.
Elementen van een gemeenschappelijk werkprogramma van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn bij deze Verklaring bijgevoegd.
Dit initiële gemeenschappelijk werkprogramma dient er toe de continuïteit te verzekeren tussen het bestaande Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en het herziene Verdrag tot instelling van de Benelux Unie. Het dient er tevens toe een geleidelijke overgang mogelijk te maken naar een verdieping en verbreding van het Benelux takenpakket teneinde een dynamische invulling te kunnen geven aan de onderlinge samenwerking in een gewijzigde internationale context.
De realisatie van dit gemeenschappelijk werkprogramma noodzaakt een politieke en hoogambtelijke sturing. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen er op toezien dat deze daadwerkelijk plaats vindt en indien nodig op ministerieel niveau.
Het Secretariaat-generaal geeft uitwerking aan de elementen van het gemeenschappelijk werkprogramma. Het evalueert op regelmatige basis alle samenwerkingstrajecten en initieert daarop passende actie. Het ondersteunt de samenwerking in diplomatieke, logistieke en administratieve zin en rapporteert over de behaalde resultaten.
Met betrekking tot het voorzitterschap van het Benelux Comité van Ministers
Bij de inwerkingtreding van het Verdrag wordt artikel 9, tweede lid, van het Verdrag, als volgt uitgevoerd :
(a) Indien het Verdrag vóór 1 oktober van een bepaald jaar in werking treedt, wordt het voorzitterschap van het Comité van Ministers voor het resterende kalenderjaar vanaf de datum van inwerkingtreding bekleed door de Hoge Verdragsluitende Partij die op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 op de datum van inwerkingtreding het voorzitterschap bekleedt.
(b) Indien het Verdrag op of na 1 oktober van een bepaald jaar in werking treedt, wordt het voorzitterschap van het Comité van Ministers voor het resterende kalenderjaar vanaf de datum van inwerkingtreding bekleed door de Hoge Verdragsluitende Partij die op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 het voorzitterschap zou bekleden per 1 januari van het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding.
Met betrekking tot de vertegenwoordiging in de Benelux Raad
De in artikel 13, eerste lid, van het Verdrag bedoelde vertegenwoordiger of vertegenwoordigers van ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen vervult of vervullen binnen de overheidsdiensten in de Hoge Verdragsluitende Partijen de functie van Secretaris-generaal, Directeur-generaal, dan wel een leidinggevende functie van een vergelijkbaar niveau.
Met betrekking tot de contacten tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Benelux Unie
Elke Hoge Verdragsluitende Partij wijst een contactpunt aan dat zal optreden als coördinator in de betrekkingen tussen de betreffende Hoge Verdragsluitende Partij en de Benelux Unie.
Met betrekking tot artikel 29, derde lid
De onderhandelingen over de tussen het Koninkrijk België en de Benelux Unie te sluiten aanvullende overeenkomst zullen zo spoedig mogelijk na de ondertekening van start gaan met het oogmerk deze op korte termijn af te ronden. Deze overeenkomst heeft onder meer tot doel te komen tot een evenwichtiger samenstelling van het Benelux Secretariaat-generaal.
Met betrekking tot de begroting
1. De Overeenkomst van 14 januari 1964 tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg ter uitvoering van artikel 37, lid 2, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie wordt geacht te zijn gesloten ter uitvoering van artikel 22, tweede lid, van het Verdrag.
2. Het Comité van Ministers stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag per beschikking bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder (a) van het Verdrag vast, welke vertegenwoordiger van elke Hoge Verdragsluitende Partij in de Raad optreedt als persoon bedoeld in artikel 26, tweede lid van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.
DECLARATION
Au moment de la signature du Traité portant révision du Traité instituant l'Union économique Benelux du 3 février 1958 (ci-après : le Traité), les plénipotentiaires des Hautes Parties Contractantes ont adopté la déclaration suivante :
Concernant le programme de travail commun
Le programme de travail commun, visé à l'article 3, alinéa 1er, du Traité, est établi pour une période de quatre années. Le Comité de Ministres examine tous les deux ans la nécessité d'adapter le programme de travail commun selon la procédure prévue à l'article 6, alinéa 2, sous (b), du Traité. Le plan annuel visé à l'article 6, alinéa 2, sous (d), du Traité assure la mise en oeuvre du programme de travail commun.
Des éléments d'un programme de travail commun, qui prendra cours à compter de la date d'entrée en vigueur du présent Traité sont annexés à la présente Déclaration.
Ce programme de travail commun initial doit assurer la continuité entre l'actuel Traité instituant l'Union économique Benelux et le Traité révisé instituant l'Union Benelux. Il doit permettre également la transition graduelle vers l'approfondissement et l'élargissement des tâches du Benelux afin de pouvoir dynamiser la coopération mutuelle dans un contexte international modifié.
La réalisation de ce programme de travail nécessite un pilotage au niveau politique et des hauts fonctionnaires. Les Hautes Parties Contractantes veilleront à ce qu'il en soit effectivement ainsi et si nécessaire au niveau ministériel.
Le Secrétariat général met en oeuvre les éléments du programme de travail commun. Il évalue périodiquement toutes les activités de coopération et initie les actions appropriées subséquentes. Il soutient la coopération au niveau diplomatique, logistique et administratif et fait rapport sur les résultats atteints.
Concernant la présidence du Comité de Ministres Benelux
Au moment de l'entrée en vigueur du Traité, l'article 9, alinéa 2, du Traité sera appliqué de la manière suivante :
(a) Si le Traité entre en vigueur avant le 1er octobre d'une année donnée, la présidence du Comité de Ministres est assurée, pour la période restante de l'année civile à compter de la date d'entrée en vigueur, par la Haute Partie Contractante qui exerce la présidence à la date d'entrée en vigueur en vertu de l'article 20, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux du 3 février 1958.
(b) Si le Traité entre en vigueur le 1er octobre d'une année donnée ou après cette date, la présidence du Comité de Ministres est assurée, pour la période restante de l'année civile à compter de la date d'entrée en vigueur, par la Haute Partie Contractante qui exercerait la présidence au 1er janvier de l'année suivant l'année de l'entrée en vigueur en vertu de l'article 20, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux du 3 février 1958.
Concernant la représentation au Conseil Benelux
Le ou les représentants de chacune des Hautes Parties Contractantes, visés à l'article 13, alinéa 1er, du Traité, exercent au sein des services publics dans les Hautes Parties Contractantes les fonctions de secrétaire général, directeur général ou une fonction dirigeante à un niveau comparable.
Concernant les contacts entre les Hautes Parties Contractantes et l'Union Benelux
Chaque Haute Partie Contractante désigne un point de contact qui agira en tant que coordinateur dans les relations entre la Haute Partie Contractante concernée et l'Union Benelux.
Concernant l'article 29, alinéa 3
Les négociations relatives à la conclusion d'un accord complémentaire entre le Royaume de Belgique et l'Union Benelux s'ouvriront le plus rapidement possible après la signature afin de les clôturer à court terme. Cet accord a entre autre pour but d'arriver à terme à une composition plus équilibrée du Secrétariat général.
Concernant le budget
1. La Convention du 14 janvier 1964 entre le Royaume des Pays-Bas, le Royaume de Belgique et le grand-duché de Luxembourg conclue en exécution de l'article 37, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux est réputée avoir été conclue en exécution de l'article 22, alinéa 2, du Traité.
2. Dans les trois mois suivant l'entrée en vigueur du Traité, le Comité de Ministres détermine par décision visée à l'article 6, alinéa 2, sous (a), du Traité quel représentant de quelle Haute Partie Contractante au Conseil agit en tant que personne visée à l'article 26, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux.
Au moment de la signature du Traité portant révision du Traité instituant l'Union économique Benelux du 3 février 1958 (ci-après : le Traité), les plénipotentiaires des Hautes Parties Contractantes ont adopté la déclaration suivante :
Concernant le programme de travail commun
Le programme de travail commun, visé à l'article 3, alinéa 1er, du Traité, est établi pour une période de quatre années. Le Comité de Ministres examine tous les deux ans la nécessité d'adapter le programme de travail commun selon la procédure prévue à l'article 6, alinéa 2, sous (b), du Traité. Le plan annuel visé à l'article 6, alinéa 2, sous (d), du Traité assure la mise en oeuvre du programme de travail commun.
Des éléments d'un programme de travail commun, qui prendra cours à compter de la date d'entrée en vigueur du présent Traité sont annexés à la présente Déclaration.
Ce programme de travail commun initial doit assurer la continuité entre l'actuel Traité instituant l'Union économique Benelux et le Traité révisé instituant l'Union Benelux. Il doit permettre également la transition graduelle vers l'approfondissement et l'élargissement des tâches du Benelux afin de pouvoir dynamiser la coopération mutuelle dans un contexte international modifié.
La réalisation de ce programme de travail nécessite un pilotage au niveau politique et des hauts fonctionnaires. Les Hautes Parties Contractantes veilleront à ce qu'il en soit effectivement ainsi et si nécessaire au niveau ministériel.
Le Secrétariat général met en oeuvre les éléments du programme de travail commun. Il évalue périodiquement toutes les activités de coopération et initie les actions appropriées subséquentes. Il soutient la coopération au niveau diplomatique, logistique et administratif et fait rapport sur les résultats atteints.
Concernant la présidence du Comité de Ministres Benelux
Au moment de l'entrée en vigueur du Traité, l'article 9, alinéa 2, du Traité sera appliqué de la manière suivante :
(a) Si le Traité entre en vigueur avant le 1er octobre d'une année donnée, la présidence du Comité de Ministres est assurée, pour la période restante de l'année civile à compter de la date d'entrée en vigueur, par la Haute Partie Contractante qui exerce la présidence à la date d'entrée en vigueur en vertu de l'article 20, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux du 3 février 1958.
(b) Si le Traité entre en vigueur le 1er octobre d'une année donnée ou après cette date, la présidence du Comité de Ministres est assurée, pour la période restante de l'année civile à compter de la date d'entrée en vigueur, par la Haute Partie Contractante qui exercerait la présidence au 1er janvier de l'année suivant l'année de l'entrée en vigueur en vertu de l'article 20, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux du 3 février 1958.
Concernant la représentation au Conseil Benelux
Le ou les représentants de chacune des Hautes Parties Contractantes, visés à l'article 13, alinéa 1er, du Traité, exercent au sein des services publics dans les Hautes Parties Contractantes les fonctions de secrétaire général, directeur général ou une fonction dirigeante à un niveau comparable.
Concernant les contacts entre les Hautes Parties Contractantes et l'Union Benelux
Chaque Haute Partie Contractante désigne un point de contact qui agira en tant que coordinateur dans les relations entre la Haute Partie Contractante concernée et l'Union Benelux.
Concernant l'article 29, alinéa 3
Les négociations relatives à la conclusion d'un accord complémentaire entre le Royaume de Belgique et l'Union Benelux s'ouvriront le plus rapidement possible après la signature afin de les clôturer à court terme. Cet accord a entre autre pour but d'arriver à terme à une composition plus équilibrée du Secrétariat général.
Concernant le budget
1. La Convention du 14 janvier 1964 entre le Royaume des Pays-Bas, le Royaume de Belgique et le grand-duché de Luxembourg conclue en exécution de l'article 37, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux est réputée avoir été conclue en exécution de l'article 22, alinéa 2, du Traité.
2. Dans les trois mois suivant l'entrée en vigueur du Traité, le Comité de Ministres détermine par décision visée à l'article 6, alinéa 2, sous (a), du Traité quel représentant de quelle Haute Partie Contractante au Conseil agit en tant que personne visée à l'article 26, alinéa 2, du Traité instituant l'Union économique Benelux.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage 1. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN. (Ingevoegd bij corrigendum, B.St. 20-01-2012, Ed. 2, p. 43789)
Art. N. LISTE DES ETATS LIES. (Inséré par corrigendum, M.B. 20-01-2012, p; 4389)
| Staten | Datum authentificatie | Type instemming | Datum instemming | Datum inwerkingtreding |
| BELGIE | 17/06/2008 | Bekrachtiging | 30/11/2011 | 01/01/2012 |
| LUXEMBURG | 17/06/2008 | Bekrachtiging | 13/07/2009 | 01/01/2012 |
| NEDERLAND | 17/06/2008 | Bekrachtiging | 04/10/2010 | 01/01/2012 |
| Etats | Date authentification | Type de consentement | Date de consentement | Entrée en vigueur |
| BELGIQUE | 17/06/2008 | Ratification | 30/11/2011 | 01/01/2012 |
| LUXEMBOURG | 17/06/2008 | Ratification | 13/07/2009 | 01/01/2012 |
| PAYS-BAS | 17/06/2008 | Ratification | 04/10/2010 | 01/01/2012 |
StatenDatum
authentificatieType
instemmingDatum
instemmingDatum
inwerkingtreding
BELGIE17/06/2008Bekrachtiging30/11/201101/01/2012
LUXEMBURG17/06/2008Bekrachtiging13/07/200901/01/2012
NEDERLAND17/06/2008Bekrachtiging04/10/201001/01/2012
authentificatieType
instemmingDatum
instemmingDatum
inwerkingtreding
BELGIE17/06/2008Bekrachtiging30/11/201101/01/2012
LUXEMBURG17/06/2008Bekrachtiging13/07/200901/01/2012
NEDERLAND17/06/2008Bekrachtiging04/10/201001/01/2012
EtatsDate
authentificationType
de consentementDate
de consentementEntrée
en vigueur
BELGIQUE17/06/2008Ratification30/11/201101/01/2012
LUXEMBOURG17/06/2008Ratification13/07/200901/01/2012
PAYS-BAS17/06/2008Ratification04/10/201001/01/2012
authentificationType
de consentementDate
de consentementEntrée
en vigueur
BELGIQUE17/06/2008Ratification30/11/201101/01/2012
LUXEMBOURG17/06/2008Ratification13/07/200901/01/2012
PAYS-BAS17/06/2008Ratification04/10/201001/01/2012