Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
17 OKTOBER 2011. - Koninklijk besluit betreffende de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-11-2011 en tekstbijwerking tot 28-04-2023)
Titre
17 OCTOBRE 2011. - Arrêté royal relatif à la protection physique des matières nucléaires et des installations nucléaires(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-11-2011 et mise à jour au 28-04-2023)
Informations sur le document
Numac: 2011205531
Datum: 2011-10-17
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2011205531
Date: 2011-10-17
Moniteur: Voir
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit koninklijk besluit, dient te worden verstaan onder :
- Exploitant : elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor een bedrijf voor het vervoer van kernmateriaal of voor een nucleaire installatie zoals bepaald door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
- externe perimeter : de externe perimeter zoals hij gedefinieerd wordt in het eerste artikel van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de categorisering en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven;
- interne perimeter : de interne perimeter zoals hij gedefinieerd wordt in het eerste artikel van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de categorisering en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven;
- beveiligde zone, beschermde zone, hoogbeschermde zone, zeer hoogbeschermde zone, vitale zone : de beveiligde zone, beschermde zone, hoogbeschermde zone, zeer hoogbeschermde zone, vitale zone : de beveiligde zone zoals ze gedefinieerd worden in artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de categorisering en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven;
- niet-toegestane toegang : elke toegang tot een veiligheidszone evenals elke toegang tot kernmateriaal waaraan een veiligheidsrang werd toegekend, buiten de voorwaarden bepaald krachtens de bepalingen inzake de fysieke beveiliging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
- agressie : gewone of zware diefstal, verduistering, evenals elk ander niet-toegestaan bezit of gebruik van kernmateriaal, de poging of dreiging tot dergelijke handelingen; de sabotage van kernmateriaal of van nucleaire installaties, evenals de poging of dreiging tot een dergelijke handeling [1 en alle andere handelingen die in de artikelen 331bis, 1° en 2°, 477, 477bis tot 477sexies, 488bis, 488quater en 488quinquies van het Strafwetboek strafbaar worden gesteld, voor zover ze betrekking hebben op kernmateriaal, nucleaire installaties of nucleaire vervoerbedrijven.]1;
- de wet van 11 december 1998 : de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
- vervoer van kernmateriaal van groep A en vervoer van kernmateriaal van groep B : de twee groepen van nationaal en internationaal vervoer van kernmateriaal zoals bepaald door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de categorisering en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven;
- Agentschap : het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, opgericht door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
- afgevaardigde voor de fysieke beveiliging : de natuurlijke persoon die, afhankelijk van het geval, overeenkomstig artikel 6, § 5, of artikel 7, § 5, van dit besluit aangesteld wordt en belast is met het toezicht op de naleving van de fysieke beveiligingsregels in een nucleaire installatie of een nucleair vervoerbedrijf.
[1 politiediensten: de politiediensten bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
- nucleaire beveiligingscultuur: het geheel van kenmerken, houdingen en gedragingen die tot de maatregelen om agressie te voorkomen, te detecteren en erop te reageren, bijdragen, of deze versterken.]1

Article 1er. Définitions
Aux fins du présent arrêté royal, il faut entendre par
- Exploitant : toute personne physique ou morale qui assume la responsabilité d'une entreprise de transport de matières nucléaires ou d'une installation nucléaire telle que définie par la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire;
- périmètre extérieur : le périmètre extérieur tel qu'il est défini par l'article premier de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 relatif à la catégorisation et à la définition de zones de sécurité au sein des installations nucléaires et des entreprises de transport nucléaire;
- périmètre intérieur : le périmètre intérieur tel qu'il est défini par l'article premier de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 relatif à la catégorisation et à la définition de zones de sécurité au sein des installations nucléaires et des entreprises de transport nucléaire;
- zone sécurisée, zone protégée, zone hautement protégée, zone très hautement protégée zone vitale : la zone sécurisée, la zone protégée, la zone hautement protégée, la zone très hautement protégée et la zone vitale telles qu'elles sont définies par l'article 2 de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 relatif à la catégorisation et à la définition de zones de sécurité au sein des installations nucléaires et des entreprises de transport nucléaire;
- accès non autorisé : tout accès à une zone de sécurité ainsi que tout accès à des matières nucléaires auxquelles un échelon de sécurité a été attribué, en dehors des conditions déterminées en vertu des dispositions en matière de protection physique de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire;
- agression : le vol simple ou qualifié, le détournement ainsi que toute autre détention ou utilisation non autorisée de matières nucléaires, la tentative ou la menace de tels actes; le sabotage de matières ou d'installations nucléaires ainsi que la tentative ou la menace d'un tel acte [1 et tous autres actes incriminés aux articles 331bis, 1° et 2°, 477, 477bis à 477sexies, 488bis, 488quater et 488quinquies du Code pénal, pour autant qu'ils concernent des matières, des installations ou des entreprises de transports nucléaires]1;
- la loi du 11 décembre 1998 : la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité;
- transport de matières nucléaires de groupe A et transport de matières nucléaires de groupe B : les deux groupes de transports nationaux et internationaux de matières nucléaires tels que définis par l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 relatif à la catégorisation et à la définition de zones de sécurité au sein des installations nucléaires et des entreprises de transport nucléaire;
- Agence : l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire créée par la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire;
- délégué à la protection physique : la personne physique désignée, selon le cas, conformément à l'article 6, § 5, ou à l'article 7, § 5, et chargée de veiller à l'observation des règles de protection physique dans une installation nucléaire ou une entreprise de transport de matières nucléaires.
[1 - services de police: les services de police visés par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux ;
- culture de sécurité nucléaire : l'ensemble des caractéristiques, des attitudes et des comportements qui contribuent ou renforcent les mesures visant à empêcher, à détecter et à intervenir en cas d'agression. ]1

HOOFDSTUK II. - Fysieke beveiliging van het kernmateriaal dat gebruikt, geproduceerd of opgeslagen wordt
CHAPITRE II. - Protection physique des matières nucléaires en cours d'utilisation, de production ou d'entreposage
Art. 2. Minimale beveiligingsniveaus
§ 1. De volgende minimale beveiligingsniveaus vormen één van de onderdelen van het fysiek beveiligingssysteem dat de Exploitant verplicht dient op te stellen krachtens artikel 6 § 1.
§ 2.[1 Voor zover het tot zijn verantwoordelijkheid behoort overeenkomstig artikel 6, § 4bis, en onverminderd de taken voor de bescherming van de externe perimeter die door de openbare macht kunnen worden uitgevoerd, belast de Exploitant bewakingsfirma's, of interne bewakingsdiensten die hiervoor overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid erkend zijn, met de bescherming van deze perimeter. De bewakingsagenten zijn belast met de controle van de voertuigen en hun lading binnen de limieten van voormelde wet.]1. De personen die gemachtigd zijn om de installatie te betreden, moeten hun identiteit bewijzen en de verificatie van de voertuigen evenals van de bagage en de colli toelaten met uitzondering van de radioactieve colli die ze vervoeren.
§ 3. De externe of interne perimeter moet omgeven zijn door een omsluiting, voorzien van een automatisch detectieinstallatie voor het detecteren van een mogelijke binnendringing of poging tot binnendringing binnen de desbetreffende perimeter.
§ 4. De motorvoertuigen mogen geen toegang hebben tot de interne perimeter of, indien deze ontbreekt, tot de externe perimeter, behalve indien deze toegang gerechtvaardigd wordt door technische beperkingen die de goede werking van de installatie beïnvloeden. In dit geval moeten de voertuigen vooraf worden gecontroleerd door de personeelsleden bedoeld in § 2.
Met uitzondering van de hulpdiensten kan geen enkel voertuig bestemd voor personenvervoer toegang hebben tot de interne perimeter, of indien deze ontbreekt, tot de externe perimeter.
De interne perimeter of, indien deze ontbreekt, de externe perimeter moet tegen pogingen tot vernieling met behulp van een voertuig beschermd worden.
§ 5. De toegang tot de beveiligde, vitale, beschermde, hoogbeschermde en zeer hoogbeschermde zones wordt zodanig gecontroleerd dat elke niet-toegestane toegang gedetecteerd en vertraagd wordt en dat risico's op agressie worden voorkomen. Hun omsluiting is zodanig beschermd dat risico's op niet-toegestane toegang en op agressie worden verhinderd en dat overtreders worden vertraagd.
§ 6. De beschermde, vitale, hoogbeschermde en zeer hoogbeschermde zones kunnen slechts een beperkt aantal ingangs en uitgangspunten bevatten die aan een gepaste controle onderworpen worden.
Wanneer niemand de toelating heeft om aanwezig te zijn, worden deze zones onder permanent toezicht geplaatst van een alarmsysteem dat in verbinding staat met een alarmcentrale en waardoor de eventuele aanwezigheid van personen kan worden gedetecteerd. Het alarmsysteem en de alarmcentrale moeten aan de door voormelde [3 wet van 2 oktober 2017 ]3 voorgeschreven criteria beantwoorden, evenals aan haar uitvoeringsbesluiten.
§ 7. De vitale zones bevinden zich binnen de beschermde zone of op elke andere plaats die geniet van een beschermingsniveau dat op zijn minst gelijk is aan dat van de beschermde zone. De exploitant moet toezicht houden om zich ervan te vergewissen dat er zich geen manipulatie of verhindering van de werking van de uitrusting, systemen of voorzieningen die zich in de vitale zones bevinden, heeft voorgedaan, of hij moet de vereiste maatregelen treffen om voldoende snel een dergelijke manipulatie of verhindering van de werking te detecteren.
§ 8. Binnen de nucleaire installaties waar zich vitale zones bevinden, of waar zich kernmateriaal bevindt waaraan de veiligheidsrang "GEHEIM - NUC" of "ZEER GEHEIM - NUC" werd toegekend, wordt een centrale veiligheidspost opgesteld. De registratie van de alarmen, de evaluatie van de situatie en de communicatie met de bewakingsagenten en met de politiediensten gebeuren voortdurend en overeenkomstig voornoemde [2 wet van 2 oktober 2017]2 en haar uitvoeringsbesluiten.
De centrale veiligheidspost verzorgt eveneens de communicatie met de directie van de installatie.
Hij beschikt over eenzelfde beschermingsniveau als de beschermde zone. Hij beschikt over een telefoonverbinding voorbehouden voor de [4 communicatie met de politiediensten die worden opgeroepen om tussen te komen in geval van agressie ]4
De toegang tot de centrale veiligheidspost is beperkt tot een minimum aantal gemachtigde personen die, overeenkomstig de wet van 11 december 1998 en haar uitvoeringsbesluiten houder zijn van een machtiging "GEHEIM". In het geval er kernmateriaal waaraan de veiligheidsrang "ZEER GEHEIM - NUC" werd toegekend aanwezig is in de nucleaire installatie, moeten deze personen houder zijn van een machtiging "ZEER GEHEIM".
§ 9. De hoogbeschermde en zeer hoogbeschermde zones worden onder permanent bewaking van een toegangscontrolesysteem geplaatst dat op twee verschillende controlemiddelen steunt.
Deze zones zijn zodanig ingericht dat de toegangspunten tot het noodzakelijke minimum beperkt zijn. Deze toegangspunten zijn uitgerust met een intrinsiek intrusiedetectiesysteem. De mogelijke toegangspunten tot deze zones moeten eveneens met intrusiedetectoren worden uitgerust.
De hoogbeschermde en zeer hoogbeschermde zones moeten voorzien zijn van een voorziening die verbonden is met een alarmsysteem en die de personen die zich binnen deze zones bevinden toelaat om alarm te slaan.
§ 10. Het kernmateriaal dat zich binnen veiligheidszones bevindt, moet het voorwerp uitmaken van specifieke beschermingsmaatregelen zodat dit kernmateriaal enkel voor geautoriseerde personen rechtstreeks toegankelijk is, indien dit doel niet kan worden bereikt door zijn opslag- of gebruiksvoorwaarden.
Deze maatregelen, opslag- of gebruiksomstandigheden moeten ook een fysieke hindernis vormen.
Art. 2. Niveaux minima de protection.
§ 1er. Les niveaux minima de protection suivants constituent un des éléments du système de protection physique que l'Exploitant est tenu d'établir en vertu de l'article 6 § 1er.
§ 2. [1 Dans la mesure de la responsabilité qui lui incombe en application de l'article 6, § 4bis, et sans préjudice des tâches de protection du périmètre extérieur que peut assurer la force publique, l'Exploitant charge des entreprises ou des services internes de gardiennage autorisés au sens de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière de protéger ce périmètre. Les agents de gardiennage sont chargés du contrôle des véhicules et de leur cargaison dans les limites de la loi précitée. ]1 Les personnes autorisées à pénétrer dans l'installation doivent prouver leur identité et permettre la vérification des véhicules ainsi que des bagages et colis à l'exception des colis radioactifs qu'elles transportent.
§ 3. Le périmètre extérieur ou le périmètre intérieur doivent être entourés d'une enceinte munie d'un dispositif automatique de détection d'intrusion ou de tentative d'intrusion dans ledit périmètre.
§ 4. Les véhicules à moteur ne peuvent avoir accès au périmètre intérieur ou, à défaut, au périmètre extérieur sauf si cet accès est justifié par les contraintes techniques conditionnant le bon fonctionnement de l'installation nucléaire. Dans ce cas, les véhicules doivent être préalablement contrôlés par les agents visés au § 2.
Hormis les véhicules des services de secours, aucun véhicule destiné au transport de personnes ne peut accéder au périmètre intérieur ou, à défaut, au périmètre extérieur.
Le périmètre intérieur ou, à défaut, le périmètre extérieur doit être protégé contre des tentatives de destruction à l'aide d'un véhicule.
§ 5. L'accès des zones sécurisées, vitales, protégées, hautement protégées et très hautement protégées est contrôlé de manière à détecter et à ralentir tout accès non autorisé et à prévenir les risques d'agression. Leur enceinte est protégée de manière à prévenir les risques d'accès non autorisé et d'agression et à ralentir les contrevenants.
§ 6. Les zones protégées, vitales, hautement protégées et très hautement protégées ne peuvent comporter qu'un nombre limité de points d'entrée ou de sortie soumis à un contrôle approprié.
Lorsqu'aucune personne n'est autorisée à être présente, ces zones sont placées sous la surveillance permanente d'un dispositif d'alarme relié à [2 une centrale d'alarme ]2 et permettant de détecter la présence éventuelle de personnes. Le système d'alarme et [2 la centrale d'alarme]2 doivent répondre aux critères prescrits par [3 loi du 2 octobre 2017 ]3 précitée ainsi qu'à ses arrêtés d'exécution.
§ 7. Les zones vitales sont situées à l'intérieur de la zone protégée ou dans tout autre endroit bénéficiant d'un niveau de protection au moins égal à celui de la zone protégée. L'exploitant doit exercer une surveillance pour s'assurer qu'il n'y a pas eu manipulation ou entrave au fonctionnement d'équipements, systèmes ou dispositifs se trouvant dans des zones vitales, ou prendre les mesures nécessaires pour détecter suffisamment tôt une telle manipulation ou entrave au fonctionnement.
§ 8. Dans les installations nucléaires où se trouvent des zones vitales, ou où se trouvent des matières nucléaires auxquelles les échelons de sécurité " SECRET - NUC " ou " TRES SECRET - NUC " ont été attribués, un poste central de sécurité est établi. L'enregistrement des alarmes, l'évaluation de la situation et les communications avec les agents de gardiennage et avec les services de police sont effectués en permanence et en conformité avec la [3 loi du 2 octobre 2017 ]3 précitée et ses arrêtés d'exécution.
Le poste central de sécurité assure également les communications avec la direction de l'installation.
Il bénéficie d'un même niveau de protection que la zone protégée. Il dispose d'une liaison téléphonique réservée à ses [4 communications avec les services de police appelés à intervenir ]4 en cas d'agression.
L'accès au poste central de sécurité est limité à un nombre restreint au minimum de personnes habilitées conformément à la loi du 11 décembre 1998 et ses arrêtés d'exécution, titulaires d'une habilitation " SECRET ". Dans le cas où des matières nucléaires auxquelles l'échelon de sécurité " TRES SECRET - NUC " a été attribué sont présentes au sein de l'installation nucléaire, ces personnes doivent être titulaires d'une habilitation " TRES SECRET ".
§ 9. Les zones hautement et très hautement protégées sont placées en permanence sous la surveillance d'un système de contrôle d'accès reposant sur deux moyens de contrôle distincts.
Ces zones sont aménagées de manière à réduire au minimum nécessaire les points d'accès. Ces points d'accès sont équipés d'un système intrinsèque de détection d'intrusion. Les points d'accès potentiels à ces zones doivent également être munis de détecteurs d'intrusion.
Les zones hautement et très hautement protégées doivent être pourvues d'un dispositif relié à un système d'alarme et permettant aux personnes se trouvant dans ces zones de donner l'alerte.
§ 10. Les matières nucléaires se trouvant à l'intérieur des zones de sécurité doivent, si cet objectif ne peut être rencontré par leurs conditions d'entreposage ou d'utilisation, faire l'objet de mesures de protection spécifiques visant à ce qu'elles ne soient directement accessibles qu'aux personnes autorisées
Ces mesures, conditions d'entreposage ou d'utilisation doivent aussi constituer une barrière physique.
HOOFDSTUK III. - Fysieke beveiliging van het kernmateriaal tijdens het vervoer
CHAPITRE III. - Protection physique des matières nucléaires en cours de transport
Art. 3. Minimale beveiligingsniveaus
§ 1. De totale duur van elk vervoer van kernmateriaal evenals het aantal overladingen moeten tot een minimum worden beperkt.
§ 2. Elk vervoer van kernmateriaal is onderworpen aan op voorhand getroffen regelingen tussen de verzender, de ontvanger en het nucleaire vervoerbedrijf, die betrekking hebben op de vervoersmodaliteiten. De verzender moet voorafgaand aan de voorziene verzending een kennisgeving overmaken aan de ontvanger, met vermelding van de vervoerswijze, de voorziene datum en het uur van aankomst en de exacte plaats van de overhandiging van de lading, wanneer deze plaats heeft op een tussenliggend punt voor de eindbestemming. Daarenboven moet er, in geval van een internationaal vervoer, een voorafgaand akkoord gesloten worden tussen de natuurlijke of rechtspersonen die onder de jurisdictie van de regelgeving van de uit- en invoerende landen vallen met vermelding van de datum, de plaats en de modaliteiten voor de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de fysieke beveiliging van het vervoer van de verzender naar de ontvanger.
§ 3. Vooraleer tot de lading en de verzending over te gaan, moet het transportvoertuig voor groep A, evenals het wegtransportvoertuig voor groep B, aan een controle worden onderworpen om er zeker van te zijn dat er geen toestel of voorwerp werd ingebracht met als doel te saboteren of dat er niet werd geknoeid met essentiële onderdelen van het voertuig. Voor het niet-wegvervoer van groep B wordt een dergelijke controle in de mate van het mogelijke uitgevoerd.
§ 4. Voor het vervoer van groep B moeten de colli, tenzij hiervan uitdrukkelijk wordt afgeweken in de vervoervergunning, verzegeld worden en vastgezet worden in het voertuig of in de container en moeten de transportvoertuigen, -compartimenten of -containers voorzien zijn van grendels of zegels. Het vervoer van colli met een massa groter dan 1,5 ton, vastgezet of bevestigd in het transportvoertuig of de transportcontainer, mag in open voertuigen of containers gebeuren.
§ 5. Voor het vervoer van groep A moeten de colli, tenzij hiervan uitdrukkelijk wordt afgeweken in de vervoervergunning, verzegeld worden en vastgezet worden in het voertuig of in de container en moeten de transportvoertuigen, -compartimenten of -containers voorzien zijn van grendels of zegels. Met expliciete toelating van het Agentschap, mag het vervoer van colli met een massa groter dan 2 ton vastgezet of bevestigd in het transportvoertuig of de transportcontainer gebeuren in open voertuigen of containers.
§ 6. Vanaf de aankomst van elk collo met kernmateriaal moet de ontvanger de verzender hiervan op de hoogte brengen. Voor een vervoer van groep A is de bestemmeling bovendien verplicht om na te gaan of de colli, de grendels en de zegels ongeschonden zijn en om de lading te aanvaarden. Elke anomalie moet onmiddellijk aan de verzender en aan het Agentschap gemeld worden. De ontvanger moet eveneens de verzender op de hoogte brengen van elke significante vertraging.
§ 7. Het vervoer van groep A wordt begeleid door de federale politie.
Het vervoer van groep B kan, op basis van een evaluatie van de dreiging, begeleid worden door de federale politie.
De modaliteiten van deze begeleidingen worden door de Minister van Binnenlandse Zaken bepaald.
§ 8. Elk vervoer langs de weg moet worden uitgevoerd door ten minste twee overeenkomstig de wet van 11 december 1998 en op het niveau bepaald door artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de categorisering, en de definiëring van veiligheidszones in de kerninstallaties en de nucleaire vervoerbedrijven gemachtigde personen. Er moeten twee overeenkomstig de wet van 11 december 1998 en op het niveau bepaald door artikel 3 van voormeld koninklijk besluit gemachtigde personen het laden en lossen bijwonen.
§ 9. De personen belast met de uitvoering van het wegvervoer van kernmateriaal moeten in het bezit zijn van geschreven instructies goedgekeurd door het Agentschap. Deze instructies hebben in het bijzonder betrekking op de maatregelen te treffen om het kernmateriaal permanent te beschermen tijdens het vervoer, evenals op de maatregelen die in geval van agressie moeten worden getroffen.
§ 10. Omwille van administratieve en organisatorische redenen wordt het wegvervoer van groep A daarenboven eveneens uitgevoerd onder de permanente supervisie van twee personen aan boord van het voertuig die op zijn minst bekwaam zijn om een verbinding met een vervoerscontrolecentrum te verzekeren.
§ 11. Tijdens een wegvervoer van groep A wordt er permanent toezicht gehouden op de positie van het transportvoertuig door een vervoerscontrolecentrum dat zich in de lokalen van de Exploitant bevindt. Dit controlecentrum verzekert een verbinding met de bevoegde politiediensten.
§ 12. Het Agentschap is ertoe gemachtigd om aanbevelingen op te stellen die betrekking hebben op de fysieke beveiliging van de wegtransportvoertuigen.
De voertuigen voor wegtransport die gebruikt worden door de exploitanten van een in het buitenland gevestigd vervoerbedrijf voor kernmateriaal, moeten evenwaardige garanties bieden vanuit het oogpunt van de fysieke beveiliging als deze die eventueel vereist zijn uit hoofde van het eerste lid.
§ 13. De personen die het niet-wegvervoer van kernmateriaal begeleiden, moeten kennis nemen van de beveiligingsinstructies die door het Agentschap werden goedgekeurd.
Het Agentschap kan de beveiligingsinstructies bestemd voor andere personen belast met de uitvoering van het niet-wegvervoer van kernmateriaal goedkeuren.
De veiligheidsinstructies bedoeld in de voorgaande leden hebben in het bijzonder betrekking op de maatregelen te treffen om het kernmateriaal tijdens het vervoer en in geval van agressie te beschermen.
§ 14. Het spoorwegvervoer van kernmateriaal van groep A dient te gebeuren met een goederentrein in een wagon onder uitsluitend gebruik. De gemachtigde persoon of personen die dit vervoer moeten begeleiden, reizen mee in de wagon die zich het dichtst bij de wagon met de lading bevindt.
In het geval van spoorwegvervoer van voertuigen voor het wegvervoer van kernmateriaal, dan zal het eerste lid worden toegepast in de mate van het mogelijke en rekening houdend met eventuele specifieke regels.
§ 15. Het vervoer van kernmateriaal van groep A met zee- of binnenscheepvaart, moet uitgevoerd worden met een gespecialiseerd zee- of binnenschip.
De lading moet geplaatst worden in een beschermd compartiment of in een beschermde, vergrendelde en verzegelde container.
In het geval van vervoer van transportvoertuigen voor het wegvervoer van kernmateriaal via de zee- of de binnenscheepvaart, zijn de voorgaande leden in de mate van het mogelijke en rekening gehouden met eventuele specifieke regels, van toepassing.
§ 16. Het luchtvervoer van kernmateriaal van groep A dient te gebeuren aan boord van een luchtvaartuig uitsluitend bestemd voor goederenvervoer en waarvan het kernmateriaal de enige lading is.
Art. 3. Niveaux minima de protection
§ 1er. La durée totale de tout transport de matières nucléaires ainsi que le nombre de transbordements doivent être réduits au minimum.
§ 2. Tout transport de matières nucléaires est soumis à la conclusion d'arrangements préalables portant sur les modalités du transport entre l'expéditeur, le destinataire et l' entreprise de transport nucléaire. L'expéditeur doit envoyer au destinataire une notification préalable de l'expédition prévue en précisant le mode de transport, la date et l'heure d'arrivée prévues et le lieu exact de la remise du chargement si celle-ci a lieu en un point intermédiaire avant la destination finale. En outre, en cas de transport international, un accord préalable spécifiant la date, le lieu et les modalités de transfert de l'expéditeur au destinataire de la responsabilité de la protection physique du transport doit être conclu entre les personnes physiques ou morales relevant de la juridiction et de la réglementation des Etats exportateur et importateur.
§ 3. Avant de procéder au chargement et à l'expédition, le véhicule de transport du groupe A, ainsi que le véhicule de transport routier du groupe B, doit être soumis à un contrôle afin de s'assurer qu'un engin ou un dispositif n'y a pas été introduit à des fins de sabotage ou que des organes essentiels du véhicule n'ont pas été trafiqués. Pour les transports non routiers du groupe B, un tel contrôle est réalisé dans toute la mesure du possible.
§ 4. Pour les transports du groupe B, sauf dérogation expresse stipulée par l'autorisation de transport, les colis doivent être scellés et arrimés dans le véhicule ou le conteneur et les véhicules, les compartiments ou les conteneurs de transport doivent être munis de verrous ou de scellés. Le transport de colis d'une masse supérieure à 1,5 tonne arrimés ou fixés au véhicule ou au conteneur de transport peut s'effectuer dans des véhicules ou conteneurs ouverts.
§ 5. Pour les transports du groupe A, sauf dérogation expresse stipulée par l'autorisation de transport, les colis doivent être scellés et arrimés dans le véhicule ou le conteneur et les véhicules, compartiments ou conteneurs de transport doivent être munis de verrous ou de scellés. Sous autorisation explicite de l'Agence, le transport de colis d'une masse supérieure à 2 tonnes arrimés ou fixés au véhicule ou au conteneur de transport peut s'effectuer dans des véhicules ou conteneurs ouverts.
§ 6. Dès l'arrivée de tout colis de matières nucléaires, le destinataire doit en aviser l'expéditeur. Pour un transport du groupe A, le destinataire est, de surcroît, tenu de vérifier l'intégrité des colis, des verrous et des scellés et d'accepter le chargement. Toute anomalie doit être immédiatement signalée à l'expéditeur et à l'Agence. Le destinataire doit également aviser l'expéditeur de tout retard significatif.
§ 7. Le transport du groupe A est escorté par la police fédérale.
Sur la base d'une évaluation de la menace, le transport du groupe B peut être escorté par la police fédérale.
Les modalités de ces escortes sont déterminées par le Ministre de l'Intérieur.
§ 8. Tout transport routier doit être effectué par au moins deux personnes habilitées conformément à la loi du 11 décembre 1998 et au niveau prescrit par l'article 3 de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 relatif à la catégorisation et à la définition de zones de sécurité au sein des installations nucléaires et des entreprises de transport nucléaires. Deux personnes habilitées conformément à la loi du 11 décembre 1998 et au niveau prescrit par l'article 3 de l'arrêté royal précité doivent assister au chargement et au déchargement.
§ 9. Les personnes chargées de la réalisation d'un transport routier de matières nucléaires doivent être munies d'instructions écrites approuvées par l'Agence. Ces instructions portent notamment sur les mesures à prendre pour protéger en permanence les matières nucléaires pendant le transport ainsi que sur les mesures à prendre en cas d'agression.
§ 10. Pour des raisons administratives et organisationnelles, le transport routier du groupe A est, en outre, également réalisé sous la supervision permanente de deux personnes à bord d'un véhicule au moins capables d'assurer une liaison avec un centre de contrôle du transport.
§ 11. Lors d'un transport routier du groupe A, la position du véhicule de transport est surveillée en permanence par un centre de contrôle du transport sis dans les locaux de l'Exploitant. Ce centre de contrôle assure une liaison avec le service de police compétent.
§ 12. L'Agence est autorisée à élaborer des recommandations relatives à la protection physique des véhicules de transport routier.
Les véhicules de transport routier utilisés par des exploitants d'une entreprise de transport de matières nucléaires sise à l'étranger doivent offrir, du point de vue de la protection physique, des garanties équivalentes à celles qui sont éventuellement requises en vertu de l'alinéa premier.
§ 13. Les personnes qui accompagnent des transports non-routiers de matières nucléaires doivent prendre connaissance des consignes de sécurité approuvées par l'Agence.
L'Agence peut approuver des consignes de sécurité destinées aux autres personnes chargées de la réalisation des transports non-routiers de matières nucléaires.
Les consignes de sécurité visées aux alinéas précédents portent notamment sur les mesures à prendre pour protéger les matières nucléaires pendant le transport et en cas d'agression.
§ 14. Le transport de matières nucléaires du groupe A par voie ferrée doit s'effectuer par train de marchandise dans un wagon sous utilisation exclusive. La ou les personnes habilitées qui doivent accompagner ce transport voyagent dans la voiture la plus proche du wagon contenant le chargement.
Lorsqu'il s'agit de transports ferroviaires de véhicules de transport routier de matières nucléaires, l'alinéa premier sera appliqué dans la mesure du possible et compte tenu des règles spécifiques éventuelles.
§ 15. Le transport de matières nucléaires du groupe A par voie maritime ou fluviale doit s'effectuer par un navire spécialisé ou par une péniche spécialisée.
Le chargement doit être placé dans un compartiment protégé ou dans un conteneur protégé, verrouillé et scellé.
Lorsqu'il s'agit de transports par voie maritime ou fluviale de véhicules de transport routier de matières nucléaires, les alinéas précédents sont appliqués dans la mesure du possible et compte tenu des règles spécifiques éventuelles.
§ 16. Le transport de matières nucléaires du groupe A par voie aérienne doit s'effectuer à bord d'un aéronef destiné uniquement au transport de marchandises et dont les matières nucléaires constituent la seule cargaison.
Art. 4. Opgesplitst vervoer
In geval van een opgesplitst vervoer, hetgeen de deelname van twee of meerdere nucleaire vervoerbedrijven inhoudt, wordt de verplichting om de fysieke beveiliging te verzekeren van het ene nucleair vervoerbedrijf op het andere overgedragen, in omstandigheden die de continuïteit van de fysieke beveiliging garanderen.
Art. 4. Transport scindé
En cas de transport scindé, impliquant la participation de deux ou de plusieurs entreprises de transport nucléaire, l'obligation d'assurer la protection physique est transférée d'une entreprise de transport nucléaire à la suivante dans des conditions qui garantissent la continuité de la protection physique.
Art. 5. [ 2 onderbreking van transport ]2
§ 1. [2 De toegang tot de onderbrekingsplaats of onderbrekingssite voor het kernmateriaal is beperkt]3.
Er wordt een permanente wacht ingesteld die wordt verzekerd door bewakingsagenten die hiertoe vergund zijn overeenkomstig de [1 wet van 2 oktober 2017]1 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
Deze agenten moeten gemakkelijk in contact kunnen treden met de bevoegde politiedienst die op voorhand van deze situatie op de hoogte zal zijn gebracht.
Wanneer het voertuig dat wordt gebruikt voor het wegvervoer van Groep, A niet onder het visueel toezicht kan zijn van het personeel belast met de besturing ervan of van bewakingsagenten, dan moet dit toezicht worden verzekerd door middel van een camera voorzien voor dit doel.
[2 Een plan voor de onderbreking van transport van kernmateriaal]2
met vermelding van in het bijzonder de maatregelen die ingevolge deze paragraaf moeten worden getroffen, wordt op voorhand opgesteld.
§ 2. Artikel 2, § 10, is van toepassing wanneer de [2 Een plan voor de onderbreking van transport van kernmateriaal]2 gebeurt in een veiligheidszone.
Art. 5. [2 interruption de transport ]2
§ 1er. [2 L'accès au lieu ou site d'interruption de transport de matières nucléaires est limité ]2.
Une garde permanente assurée par des agents de gardiennage autorisés au sens de la [1 loi du 2 octobre 2017 ]1 réglementant la sécurité privée et particulière est mise en place.
Ces agents doivent pouvoir entrer facilement en contact avec le service de police compétent qui aura été préalablement informé de cette situation.
Lorsque le véhicule utilisé pour un transport routier du groupe A ne peut être sous la surveillance visuelle du personnel chargé de sa conduite ou des agents de gardiennage, cette surveillance doit être assurée par le biais d'une caméra prévue à cet effet.
[2 Un plan d'interruption de transport de matières nucléaires ]2 reprenant notamment les mesures à prendre en exécution du présent paragraphe est établi préalablement.
§ 2. Lorsque [2 l'interruption de transport ]2 a lieu dans une zone de sécurité, l'article 2, § 10, est d'application.
HOOFDSTUK IV. - Verplichtingen voor de exploitanten van nucleaire installaties en bedrijven voor het vervoer van kernmateriaal
CHAPITRE IV. - Obligations des exploitants d'installations nucléaires et d'entreprises de transport de matières nucléaires
Afdeling 1 [1 Verplichtingen voor de Exploitanten van nucleaire installaties ]1
Section 1re. [1 Obligations des Exploitants d'installations nucléair ]1
Art. 6. Verplichtingen voor de exploitanten van nucleaire installaties die kernmateriaal gebruiken, produceren of opslaan
§ 1. De Exploitant is ertoe gehouden een fysiek beveiligingssysteem eigen aan zijn installatie in te richten.
Dit systeem is gebaseerd op de minimale beveiligingsniveaus voorzien in artikel 2 en op de evaluatie van mogelijke, zowel interne als externe, risico's op agressie[2 ...]2waarvan het kernmateriaal en de kerninstallatie het voorwerp kunnen uitmaken.
§ 2. De Exploitant is daarenboven verplicht om zich op de hoogte te houden van de evolutie van het risico en om indien nodig de vereiste bijkomende beschermingsmaatregelen te treffen.
§ 3. Het fysiek beveiligingssysteem wordt zodanig ontworpen dat elke niet-toegestane toegang maximaal kan opgespoord en vertraagd worden en dat de risico's op agressie worden voorkomen.
§ 4. Het fysiek beveiligingssysteem van elke kerninstallatie wordt door het Agentschap erkend.
[3 § 4bis. De Exploitant is in alle omstandigheden verantwoordelijk voor de correcte toepassing van de reglementaire bepalingen m.b.t. de bescherming van het kernmateriaal en de nucleaire installatie tegen de risico's op agressie.
Deze verantwoordelijkheid kan niet worden gedelegeerd.
De opdrachten toegekend aan de vast of plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging, met toepassing van §§ 5 en 5bis, doen in geen enkel opzicht afbreuk aan de autoriteit en de verantwoordelijkheden van de Exploitant.]3

§ 5. De Exploitant stelt, onder het personeel van zijn installatie, een vast afgevaardigde voor de fysieke beveiliging en een plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging aan, beide houder van een veiligheidsmachtiging "ZEER GEHEIM" overeenkomstig de wet van 11 december 1998 en [4 belast overeenkomstig de modaliteiten bepaald in § 5bis met]4 de toepassing van het door het Agentschap erkend fysiek beveiligingssysteem. Deze aanstelling moet voorafgaandelijk door het Agentschap worden goedgekeurd [4 , dat hierbij rekening houdt met:
a) de kwalificaties van de persoon waarvan de aanstelling aan zijn goedkeuring onderworpen is, alsook de beroepservaring en de specifieke opleidingen in nucleaire beveiliging die deze heeft kunnen volgen;
b) De status, positie en middelen waarover de afgevaardigde binnen de nucleaire installatie kan beschikken.
Het Agentschap kan aanbevelingen uitvaardigen m.b.t. de aanstelling van de vast afgevaardigde voor de fysieke beveiliging, of de plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging.]4
.
De uit hoofde van de wet van 11 december 1998 aangestelde veiligheidsofficier kan als vast of plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging worden aangesteld.
[5 § 5bis. Onverminderd artikel 6, § 4bis, is de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging belast met de volgende opdrachten:
1° de praktische uitvoering van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de verplichtingen inzake fysieke beveiliging van de Exploitant van een nucleaire installatie;
2° het toezicht op de correcte naleving van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de verplichtingen inzake de fysieke beveiliging van een nucleaire installatie door het personeel en door personen van buiten de nucleaire installatie belast met werken of diensten, alsook met de rapportage aan de Exploitant daaromtrent;
3° het beheer van de toegang tot veiligheidszones;
4° het adviseren van de Exploitant met betrekking tot de fysieke beveiliging van de nucleaire installatie;
5° desgevallend, de uitvoering van de door de Exploitant aan hem gedelegeerde taken, waarbij de verantwoordelijkheid hiervoor bij de Exploitant blijft.
De afgevaardigde voor de fysieke beveiliging handelt desgevallend in overleg met:
a) de veiligheidsofficier in de zin van artikel 13,1° ), a), b) of c) van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, die werd aangesteld om toe te zien op de naleving van de veiligheidsregels in het kader van een veiligheidsadvies of een veiligheidsattest;
b) de dienst voor fysische controle opgericht overeenkomstig artikel 23.1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
Wanneer de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging vaststelt dat het fysiek beveiligingssysteem, of een van de componenten ervan, niet correct wordt toegepast, stelt hij de Exploitant hiervan onverwijld in kennis, onderneemt alle noodzakelijke acties en ziet toe op de uitvoering van eventuele beslissingen van de Exploitant.]5

§ 6. [6 Onverminderd de artikelen 6bis, 6ter en 6quater, is de Exploitant verplicht]6 om aan het personeel, evenals aan de externe personen van de kerninstallatie die belast zijn met werken of diensten, de schriftelijke instructies te verstrekken die nodig zijn om de naleving van de praktische maatregelen die vereist zijn door het erkend fysiek beveiligingssysteem te verzekeren.
[6 De Exploitant vaardigt in het bijzonder]6 de te volgen regels uit en bepaalt de te nemen maatregelen in noodsituaties. [6 Hij werkt voor het personeel van de installatie de instructies uit die in geval van een agressie moeten worden opgevolgd. Met het oog op een betere integratie van deze instructies in het algemeen kader van de beveiligingsinstructies, handelt de Exploitant in samenwerking met de in artikel 6bis, § 1, vermelde autoriteiten.]6
[6 et in het vorig lid bedoeld ontwerp van instructies wordt uiterlijk op de eerste dag van de vierde maand na de inwerkingtreding van deze bepaling per aangetekende brief met ontvangstbewijs ter goedkeuring aan het Agentschap voorgelegd.
Het Agentschap beschikt over een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dag na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde brief, om de ontwerpinstructies goed of af te keuren.
In geval van afkeuring overlegt het Agentschap desgevallend met andere beveiligingsinstanties, met inbegrip van de in artikel 6bis, § 1, bedoelde instanties. ]6

§ 7. De Exploitant moet het fysiek beveiligingssysteem evalueren en testen om hiervan de betrouwbaarheid en de doeltreffendheid te bepalen. Hiervoor moet hij met name overgaan tot oefeningen waarbij, in de mate van het mogelijke, de politiediensten worden betrokken.
Deze evaluatie moet minimum een maal per jaar plaatsvinden voor de nucleaire installaties waar zich een zeer hoogbeveiligde zone, een hoogbeveiligde zone, of een vitale zone bevindt. Deze evaluatie moet minimum een maal om de twee jaar plaatsvinden voor de andere nucleaire installaties bedoeld in dit besluit.
Wanneer er tekortkomingen worden vastgesteld, moeten er zo snel mogelijk corrigerende maatregelen worden genomen.
Na elke evaluatie stelt de Exploitant binnen de maand een verslag op waarvan hij onverwijld een kopie aan het Agentschap meedeelt.
[1 De in het eerste lid vermelde evaluatie heeft eveneens betrekking op de negatieve effecten die enerzijds het fysiek beveiligingssysteem of zijn componenten en anderzijds de nucleaire veiligheid van de installatie op elkaar hebben of kunnen hebben, in het bijzonder de uitvoering van de voorschriften van het KB van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties.]1
[7 § 8. De Exploitant vraagt de medewerking van de politiediensten om oefeningen te organiseren, of om deel te nemen aan de jaarlijkse of tweejaarlijkse oefeningen bedoeld in § 7 die hij organiseert. De Exploitant organiseert de oefeningen of zijn deelname daaraan zodanig dat ze het mogelijk maken voor hem om de uitvoering van de crisisstructuren, de doeltreffendheid van de informatie-uitwisseling en de goede werking van de communicatiemiddelen met de politiediensten te testen, alsook om te beoordelen in hoeverre zijn personeel zich de instructies eigen maakt die in geval van een agressie moeten worden nageleefd. De Exploitant stelt bovendien alles in het werk om deze oefeningen of zijn deelname daaraan zo te organiseren dat hij in de mate van het mogelijke bijdraagt aan de beoordeling van de doeltreffendheid en de interventiesnelheid van de politiediensten door de bevoegde autoriteiten.
De Exploitant brengt het Agentschap minstens een maand op voorhand op de hoogte van de datum waarop de oefening zal worden uitgevoerd. Het Agentschap kan hieraan op eigen initiatief, of op verzoek van de Exploitant deelnemen.
De Exploitant brengt bij het Agentschap verslag uit over alle door hem vastgestelde defecten, technische of organisatorische mankementen en de algemene resultaten van de oefening. In voorkomend geval en voor zover dit door de politiediensten wordt gevraagd, werkt hij mee aan de opstelling van het verslag van de politie over de oefening."
" § 9. De Exploitant werkt naar beste vermogen mee:
a) aan regelmatige tests die de politiediensten kunnen organiseren om de goede werking van het in artikel 6bis, § 1, 2e lid, a), bedoeld beveiligd communicatiekanaal te waarborgen;
b) aan regelmatige oefeningen die de politiediensten kunnen organiseren om de coördinatie tussen de verschillende interventie-eenheden en tussen deze eenheden en de verantwoordelijken voor de beveiliging van de installatie te verzekeren;
c) aan de voorbereiding van de oefeningen die de politiediensten kunnen organiseren op de site waar zich de nucleaire installatie bevindt en in de installatie zelf, om de topografische kennis van de personeelsleden die in geval van agressie op de site moeten interveniëren, te ontwikkelen en te controleren.]7

Art. 6. Obligations des exploitants d'installations nucléaires utilisant, produisant ou entreposant des matières nucléaires
§ 1er. l'Exploitant est tenu d'établir un système de protection physique propre à son installation.
Ce système est basé sur les niveaux minima de protection prévus à l'article 2 et sur l'évaluation des risques potentiels d'agression [2 ...]2 tant internes qu'externes dont les matières nucléaires et l'installation nucléaire pourraient être l'objet.
§ 2. L'Exploitant est, de plus, tenu de se tenir informé de l'évolution du risque et de prendre, si nécessaire, les mesures de protection complémentaires qui s'imposent.
§ 3. Le système de protection physique est conçu de manière à détecter et à ralentir, au maximum, tout accès non autorisé et à prévenir les risques d'agression.
§ 4. Le système de protection physique de chaque installation nucléaire est agréé par l'Agence.
[3 § 4bis. L'Exploitant est responsable, en toutes circonstances, de la bonne exécution des prescriptions réglementaires relatives à la protection des matières nucléaires et de l'installation nucléaire contre les risques d'agression.
Cette responsabilité ne peut être déléguée.
Les missions attribuées au délégué à la protection physique effectif ou suppléant en application des §§ 5 et 5bis ne préjudicient en rien à l'autorité et aux responsabilités de l'Exploitant. ]3

§ 5. L'Exploitant désigne, parmi le personnel de son installation, un délégué à la protection physique effectif et un délégué à la protection physique suppléant titulaires d'une habilitation de sécurité "TRES SECRET" conformément à la loi du 11 décembre 1998 et [4 chargés selon les modalités précisées au § 5bis]4 de l'application du système de protection physique agréé par l'Agence. Cette désignation doit être approuvée préalablement par l'Agence [4 , qui prend en considération :
a) les qualifications de la personne dont la désignation est soumise à son approbation, ainsi que son expérience professionnelle et les formations spécifiques en sécurité nucléaire qu'elle a pu suivre;
b) le statut, la position et les ressources dont le délégué peut bénéficier au sein de l'installation nucléaire.
L'Agence peut énoncer des recommandations relatives à la désignation du délégué à la protection physique effectif et du délégué à la protection physique suppléant.]4
.
L'officier de sécurité désigné en vertu de la loi du 11 décembre 1998 peut être désigné en tant que délégué à la protection physique effectif ou suppléant.
[5 § 5bis. Sans préjudice de l'article 6, § 4bis, le délégué à la protection physique est chargé des missions suivantes :
1° l'exécution pratique des dispositions du présent arrêté qui sont relatives aux obligations de protection physique de l'Exploitant d'une installation nucléaire;
2° la surveillance de l'observation correcte des dispositions du présent arrêté qui sont relatives aux obligations de protection physique d'une installation nucléaire par le personnel et par les personnes extérieures à l'installation nucléaire chargées de travaux ou de services, ainsi que le rapportage à l'Exploitant à ce sujet ;
3° la gestion des accès aux zones de sécurité ;
4° le conseil à l'Exploitant pour ce qui concerne la protection physique de l'installation nucléaire ;
5° le cas échéant l'exécution des tâches que l'Exploitant lui a déléguées, la responsabilité en subsistant dans le chef de l'Exploitant.
Le délégué à la protection physique agit le cas échéant en concertation avec :
a) l'officier de sécurité au sens de l'article 13, 1° ), a), b) ou c) de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, désigné pour veiller à l'observation des règles de sécurité dans le cadre d'un avis de sécurité ou d'une attestation de sécurité;
b) le service de contrôle physique créé en application de l'article 23.1 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants.
Si le délégué à la protection physique constate une mauvaise application du système de protection physique ou de ses composantes, il en informe l'Exploitant sans délai, prend les actions nécessaires, et veille à la mise en oeuvre des éventuelles décisions de l'Exploitant.]5

§ 6. [6 Sans préjudice des articles 6bis, 6ter et 6quater, l'Exploitant est tenu ]6de donner au personnel ainsi qu'aux personnes extérieures à l'installation nucléaire chargées de travaux ou de services, les instructions écrites nécessaires pour assurer le respect des mesures pratiques requises par le système de protection physique agréé.
[6 En particulier, l'Exploitant édicte]6 à suivre et détermine les mesures à prendre en cas de situations d'urgence. [6 Il élabore à l'attention du personnel de l'installation les consignes à observer en cas d'agression. En vue de mieux intégrer lesdites consignes dans le cadre global des consignes de sécurité, l'Exploitant agit en collaboration avec les autorités mentionnées à l'article 6bis, § 1er.]6
[6 Le projet de consignes visé à l'alinéa précédent est soumis, pour approbation, à l'Agence par lettre recommandée avec accusé de réception au plus tard le premier jour du quatrième mois qui suit l'entrée en vigueur de la présente disposition.
L'Agence dispose d'un délai de deux mois prenant cours le lendemain de la réception du courrier mentionné à l'alinéa précédent pour approuver ou refuser le projet de consignes.
En cas de refus, l'Agence se concerte le cas échéant avec d'autres instances de sécurité, y compris celles qui sont mentionnées à l'article 6bis, § 1er.]6

§ 7. L'Exploitant doit évaluer et tester le système de protection physique afin d'en déterminer la fiabilité et l'efficacité. A cette fin, il doit notamment recourir à des exercices qui, dans la mesure du possible, associent les services de police.
Cette évaluation doit avoir lieu au moins une fois par an pour les installations nucléaires où se trouvent une zone très hautement protégée, une zone hautement protégée ou une zone vitale. Cette évaluation doit avoir lieu au moins une fois tous les deux ans pour les autres installations nucléaires visées par le présent arrêté.
Lorsque des déficiences sont constatées, des mesures correctives doivent être prises le plus rapidement possible.
Au terme de chaque évaluation, l'Exploitant établit un rapport dans le mois et en communique sans délai une copie à l'Agence.
[1 L'évaluation mentionnée à l'alinéa premier porte également sur les effets négatifs qu'ont ou que peuvent avoir l'un sur l'autre d'une part le système de protection physique ou ses composantes, d'autre part la sûreté nucléaire de l'installation, en particulier la mise en oeuvre des prescriptions de l'AR du 30 novembre 2011 portant prescriptions de sûreté des installations nucléaires.]1
[7 § 8. L'Exploitant sollicite la coopération des services de police pour organiser des exercices ou pour participer aux exercices annuels ou bisannuels visés au § 7 qu'il organise. L'Exploitant organise les exercices ou sa participation à ceux-ci de telle manière qu'ils lui permettent de tester la mise en oeuvre des structures de crise, l'efficacité des échanges d'information et le bon fonctionnement des moyens de communication avec les services de police, ainsi que d'évaluer le niveau d'acquisition par son personnel des consignes à respecter en cas d'agression. L'Exploitant s'efforce également d'organiser ces exercices ou sa participation à ceux-ci afin de contribuer dans la mesure du possible à l'évaluation par les autorités compétentes de l'efficacité et de la rapidité d'intervention des services de police.
L'Exploitant informe l'Agence de la date à laquelle l'exercice sera réalisé au moins un mois à l'avance. L'Agence peut y participer d'initiative ou à la demande de l'Exploitant.
L'Exploitant rapporte à l'Agence les dysfonctionnements, les défaillances techniques ou organisationnelles et les résultats globaux de l'exercice, qu'il a pu constater. Le cas échéant et dans la mesure où il en est requis par les services de police, il collabore à la rédaction du rapport des services de police relatif à l'exercice. "
" § 9. L'Exploitant prête son meilleur concours :
a) aux tests réguliers que les services de police peuvent organiser afin de s'assurer du bon fonctionnement du canal de communication sécurisé mentionné à l'article 6bis, § 1er, alinéa 2, a);
b) aux exercices réguliers que les services de police peuvent organiser afin de s'assurer de la coordination entre les différentes forces d'intervention ainsi qu'entre celles-ci et les responsables de la sécurité de l'installation;
c) à la préparation des exercices que les services de police peuvent organiser à l'intérieur du site où est localisée l'installation nucléaire et de l'installation elle-même afin de développer et de vérifier les connaissances topographiques des membres de leur personnel appelés à intervenir sur le site en cas d'agression.]7

Art. 6bis. [1 Meewerken aan de afsluiting van een samenwerkingsprotocol
§ 1- Wanneer de bevoegde overheidsinstanties, of een aantal daarvan, overgaan tot het afsluiten van een samenwerkingsprotocol met de Exploitant voor een interventie in geval van agressie of andere veiligheidsincidenten die verband houden met de nucleaire installatie, dan werkt de Exploitant naar beste vermogen mee aan de afsluiting van een dergelijk protocol.
Hij ziet er met name op toe dat de volgende punten in onderling overleg met de toekomstige andere partijen bij het protocol worden vastgesteld:
a) Het beveiligde communicatiekanaal en de beveiligde communicatieprocedures die tussen enerzijds de Exploitant, de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging, of het in § 2 vermelde contactpunt van de installatie, en anderzijds de in § 1 vermelde betrokken autoriteiten, in het bijzonder de politiediensten, moeten worden gebruikt in geval van agressie.
b) De procedures voor de voorbereiding, organisatie, uitvoering en evaluatie van de in artikel 6, §§ 7, 8 en 9 bedoelde oefeningen.
c) De interventieprocedures in geval van agressie.
§ 2.- Met het oog op de afsluiting van het in § 1 bedoelde samenwerkingsprotocol deelt de Exploitant aan de toekomstige andere partijen bij het protocol in het bijzonder de volgende gegevens mee:
- de namen, hoedanigheden, adressen, telefoon-, faxnummers en e-mailadressen van de personen die als contactpunt de uitvoering van het protocol op het niveau van de nucleaire installatie moeten beheren;
- de namen, hoedanigheden, adressen, telefoon-, faxnummers en e-mailadressen van de vaste en plaatsvervangende afgevaardigden voor de fysieke beveiliging van de kerninstallatie. ]1

Art. 6bis. [1 Collaboration à la conclusion d'un protocole de coopération
§ 1er.- Lorsque les autorités publiques compétentes, ou certaines d'entre elles, entreprennent de conclure avec l'Exploitant un protocole de coopération relatif à l'intervention en cas d'agression ou d'autres incidents de sécurité en rapport avec l'installation nucléaire, l'Exploitant prête son meilleur concours à la conclusion d'un tel protocole.
Il veille en particulier à la détermination des points suivants de commun accord avec les futures autres parties au protocole:
a) Le canal et les procédures de communication sécurisée destinés à être utilisés entre d'une part l'Exploitant, le délégué à la protection physique ou le point de contact de l'installation mentionné au § 2, et d'autre part les autorités mentionnées au § 1er concernées, spécialement les services de police, en cas d'agression.
b) Les procédures de préparation, d'organisation, de réalisation et d'évaluation des exercices prévus à l'article 6, §§ 7, 8 et 9.
c) Les procédures d'intervention en cas d'agression.
§ 2.- En vue de la conclusion du protocole de coopération mentionné au § 1er, l'Exploitant communique aux futures autres parties au protocole notamment les données suivantes :
- les noms, qualités, adresses, numéros de téléphone, numéros de fax et adresses électroniques des personnes appelées à gérer, en tant que point de contact, la mise en oeuvre du protocole au niveau de l'installation nucléaire ;
- les noms, qualités, adresses, numéros de téléphone, numéros de fax et adresses électroniques des délégués à la protection physique effectifs et suppléants de l'installation nucléaire. ]1

Art. 6ter. [1 Meewerken aan de uitvoering van een samenwerkingsprotocol
§ 1st. Wanneer de bevoegde overheidsinstanties, of een aantal daarvan, een samenwerkingsprotocol afgesloten hebben met de Exploitant voor een interventie in geval van agressie, of andere beveiligingsincidenten in verband met de nucleaire installatie, dan werkt de Exploitant naar beste vermogen mee aan de uitvoering van een dergelijk protocol.
§ 2- De Exploitant stelt in samenwerking met en voor de in artikel 6quater aangewezen personen, nauwkeurige plannen op van de site waar zich de nucleaire installatie bevindt en van de installatie zelf. Op deze plannen worden de kritieke punten van de site en de nucleaire installatie met betrekking tot de nucleaire veiligheid, de stralingsbescherming en de nucleaire beveiliging blootgelegd. De Exploitant maakt de meer precieze elementen m.b.t. deze plannen over aan de in artikel 6quater aangeduide personen die de leiding over deze teams uitoefenen; het Agentschap bepaalt, na raadpleging van de betrokken politiediensten, in een reglement of via bijzondere instructies, de aard van deze elementen en de overdrachtsmodaliteiten. Op het plan van de site wordt ook de locatie vermeld van eventuele entiteiten die geen deel uitmaken van de nucleaire installatie, maar zich wel op dezelfde site bevinden.
In geval van een wijziging aan de configuratie van de site of de nucleaire installatie moet de Exploitant een aangepast plan voorleggen aan de hierboven vermelde personen.
§ 3 De Exploitant verstrekt aan de in artikel 6quater aangewezen personen elk ander document dat door de partijen bij het protocol, in gezamenlijk overleg, nuttig kan worden geacht in geval van een interventie.
§ 4 De Exploitant brengt de in artikel 6quater aangewezen personen op de hoogte van de interne beveiligingsmaatregelen en de instructies die aan het personeel worden gegeven in geval van een agressie.
§ 5 De Exploitant brengt de in artikel 6quater aangewezen personen en het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle via het in artikel 6bis, § 1, tweede lid, a), bedoeld beveiligd communicatiekanaal onmiddellijk op de hoogte van elke binnendringing in de nucleaire installatie of van elk feit waarvan hij oordeelt dat het de beveiliging van de nucleaire installatie of van het nucleair materiaal dat zich daar bevindt of van de transportvoertuigen die er geparkeerd staan, in gevaar kan brengen.
§ 6 De Exploitant maakt aan de in artikel 6quater bedoelde personen alle informatie over waarover hij beschikt, en in het bijzonder de aankondigingen van opleidingen, die voor hen nuttig kunnen zijn in geval van agressie. ]1

Art. 6ter. [1 Collaboration à la mise en oeuvre d'un protocole de coopération
§ 1er. Lorsque les autorités publiques compétentes, ou certaines d'entre elles, ont conclu avec l'Exploitant un protocole de coopération relatif à l'intervention en cas d'agression ou d'autres incidents de sécurité en rapport avec l'installation nucléaire, l'Exploitant prête son meilleur concours à la mise en oeuvre d'un tel protocole.
§ 2.- L'Exploitant établit en collaboration avec les personnes désignées à l'article 6quater et à leur intention, les plans précis du site où est localisée l'installation nucléaire et de l'installation elle-même. Ces plans indiquent les points névralgiques du site et de l'installation nucléaire au regard de la sûreté nucléaire, de la radioprotection et de la sécurité nucléaire. L'Exploitant transmet des éléments plus précis relatifs à ces plans à celles des personnes désignées à l'article 6quater qui exercent la direction de ces équipes; l'Agence, après consultation des services de police concernés, précise dans un règlement ou par voie d'instructions particulières la nature de ces éléments et les modalités de transmission. Le plan du site indique aussi la localisation d'éventuelles entités non constitutives de l'installation nucléaire mais qui occupent le même site.
En cas de modification apportée à la configuration du site ou de l'installation nucléaire, l'Exploitant est tenu de remettre un plan actualisé aux personnes mentionnées supra.
§ 3. L'Exploitant fournit aux personnes désignées à l'article 6quater tout autre document qui aurait été jugé, de commun accord, par les parties au protocole, utile en cas d'intervention.
§ 4. L'Exploitant informe les personnes désignées à l'article 6quater, des mesures internes de sécurité ainsi que des consignes données au personnel en cas d'agression.
§ 5. L'Exploitant informe immédiatement, via le canal de communication sécurisé mentionné supra à l'article 6bis, § 1er, alinéa 2, a), les personnes désignées à l'article 6quater et l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire de toute intrusion dans l'installation nucléaire ou de tout fait qu'il évalue comme étant de nature à mettre en péril la sécurité de l'installation nucléaire ou des matières nucléaires qui y sont localisées ou des véhicules de transport qui s'y trouvent en stationnement.
§ 6. L'Exploitant transmet aux personnes visées à l'article 6quater toute information en sa possession, et tout particulièrement les notifications de sessions de formation, qui pourraient leur être utiles en cas d'agression. ]1

Art. 6quater. [1 Opleiding en uitrusting van de interventiediensten
Volgens de met de betrokken politiediensten overeen te komen modaliteiten, worden de leden van de politiediensten die werden aangeduid om in geval van een agressie tot een rechtstreekse interventie in de installatie over te gaan, bijgestaan en geadviseerd door de Exploitant, zodat ze:
a) de vereiste opleidingen in de stralingsbescherming kunnen krijgen;
b) onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen met betrekking tot de basisnormen betreffende de bescherming tegen blootstelling aan ioniserende straling, over de gepaste individuele stralingsbeschermingsuitrusting kunnen beschikken.
Indien nodig maakt de Exploitant met de betrokken politiediensten afspraken over kwesties in verband met de verstrekking, door de Exploitant, van bepaalde stralingsbeschermingsuitrusting en materialen aan de leden van de politiediensten die werden aangeduid om in geval van een agressie tot een rechtstreekse interventie in de installatie over te gaan; de overeenkomst kan met name betrekking hebben op de bepaling van de uitrusting en materialen, het onderhoud, de eventuele kosten, de omstandigheden van de levering en het regime in noodsituaties. ]1

Art. 6quater. [1 Formation et équipement des services d'intervention
Selon des modalités à convenir avec les services de police concernés, l'Exploitant les assiste et les conseille afin que les membres du personnel des services de police désignés pour intervenir directement dans l'installation lors d'une agression puissent :
a) recevoir les formations nécessaires en matière de radioprotection ;
b) sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants relatives aux normes de base concernant la protection contre l'exposition aux rayonnements ionisants, disposer du matériel de radioprotection individuel adéquat.
Pour autant que de besoin, l'Exploitant convient avec les services de police concernés des questions ayant trait à la fourniture par l'Exploitant de certains équipements et matériels de radioprotection des membres du personnel des services de police désignés pour intervenir directement dans l'installation lors d'une agression; la convention peut notamment porter sur la détermination des équipements et matériels, l'entretien, le coût éventuel, les circonstances de fourniture et le régime en situation d'urgence. ]1

Afdeling 2 [1 Verplichtingen voor de Exploitanten van vervoerbedrijven voor kernmateriaal ]1
Section 2. [1 Obligations des Exploitants d'entreprises de transport de matières nucléaires ]1
Art. 7. Verplichtingen van de exploitanten van vervoerbedrijven voor kernmateriaal
§ 1. De Exploitant van een instelling of van een bedrijf dat het vervoer van kernmateriaal verzorgt, is verplicht om een fysiek beveiligingssysteem, genaamd "algemeen beveiligingssysteem" in te richten om het materiaal en het voertuig te beschermen tegen elke niet-toegestane toegang en tegen risico's op agressie tijdens een nationaal of internationaal vervoer. Dit systeem moet gebaseerd zijn op de minimale beveiligingsniveaus voorzien in artikel 3 en op de evaluatie van mogelijke, zowel interne als externe risico's op agressie [1 ...]1 waarvan het kernmateriaal en de transportvoertuigen het voorwerp kunnen uitmaken.
§ 2. De exploitant is daarenboven verplicht om zich op de hoogte te houden van de evolutie van het risico en om indien nodig de vereiste bijkomende beveiligingsmaatregelen te treffen.
§ 3. Het algemeen beveiligingssysteem dat ingericht wordt, wordt door het Agentschap erkend.
§ 4. Daarenboven is de Exploitant verplicht om een fysiek beveiligingssysteem, genaamd "specifiek beveiligingssysteem" in te richten om de veiligheid van elk nucleair vervoer te verzekeren en dit onverminderd de andere toepasselijke wettelijke of reglementaire bepalingen inzake het vervoer van kernmateriaal.
Het specifiek beveiligingssysteem is gebaseerd op de minimale beveiligingsniveaus voorzien in artikel 3 evenals op de evaluatie van de politieke, sociale, economische en culturele omstandigheden binnen de context waarin het vervoer, dient te gebeuren.
[2 4 bis. De Exploitant is in alle omstandigheden verantwoordelijk voor de correcte toepassing van de reglementaire voorschriften met betrekking tot de bescherming van het kernmateriaal en het nucleair vervoerbedrijf tegen de risico's op agressie.
Deze verantwoordelijkheid kan niet worden gedelegeerd.
De opdrachten die overeenkomstig §§ 5 en 5bis aan de vast of plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging worden toegewezen, doen op generlei wijze afbreuk aan het gezag en de verantwoordelijkheden van de Exploitant.]2

§ 5. De exploitant stelt aan, onder de leden van zijn personeel, een vast afgevaardigde voor de fysieke beveiliging en een plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging, beide houder van een veiligheidsmachtiging "ZEER GEHEIM" overeenkomstig de wet van 11 december 1998 en [3 belast overeenkomstig de modaliteiten bepaald in § 5bis met]3 de toepassing van het door het Agentschap erkend algemeen en specifiek beveiligingssysteem. Deze aanstelling moet voorafgaandelijk door het Agentschap worden goedgekeurd [3 ..., dat hierbij rekening houdt met:
a) de kwalificaties van de persoon waarvan de aanstelling aan zijn goedkeuring onderworpen is, alsook de beroepservaring en de specifieke opleidingen in nucleaire beveiliging die deze heeft kunnen volgen;
b) de status, positie en middelen waarover de afgevaardigde binnen het nucleair vervoerbedrijf kan beschikken.
Het Agentschap kan aanbevelingen uitvaardigen met betrekking tot de aanstelling van de vast afgevaardigde voor de fysieke beveiliging, of de plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging.]3
.
De veiligheidsofficier die krachtens de wet van 11 december 1998 werd aangesteld, kan als vast of plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging worden aangesteld.
[3 In afwijking van het eerste lid en behalve indien het nucleair vervoerbedrijf erkend is voor het uitvoeren van transporten van groep A kan de vast, of plaatsvervangend afgevaardigde voor de fysieke beveiliging houder zijn van een veiligheidsmachtiging "GEHEIM", onverminderd artikel 15 van dit besluit, artikel 4 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de categorisering en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven en de artikelen 3 § 1 en 4 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 houdende de categorisering en de bescherming van nucleaire documenten.]3
[4 § 5bis. Onverminderd § 4bis is de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging belast met de volgende opdrachten:
1° de praktische uitvoering van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de verplichtingen inzake fysieke beveiliging van de Exploitant van een nucleair vervoerbedrijf;
2° het toezicht op de correcte naleving van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de verplichtingen van een nucleair vervoerbedrijf op het gebied van de fysieke beveiliging door het personeel van het bedrijf en personen van buiten het bedrijf belast met werken of diensten, alsook met de rapportage aan de Exploitant daaromtrent;
3° het beheer van de toegang tot veiligheidszones;
4° het adviseren van de Exploitant met betrekking tot de fysieke beveiliging van het nucleair vervoerbedrijf;
5° desgevallend met de uitvoering van de door de Exploitant aan hem gedelegeerde taken, waarbij de verantwoordelijkheid hiervoor bij de Exploitant blijft.
De afgevaardigde voor de fysieke beveiliging handelt desgevallend in overleg met:
a) de veiligheidsofficier in de zin van artikel 13,1° ), a), b) of c) van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, die werd aangesteld om toe te zien op de naleving van de veiligheidsregels in het kader van een veiligheidsadvies of een veiligheidsattest;
b) de dienst voor fysische controle opgericht overeenkomstig artikel 23.1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
Wanneer de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging vaststelt dat het fysiek beveiligingssysteem, of een van de componenten ervan niet correct wordt toegepast, stelt hij de Exploitant hiervan onverwijld in kennis, onderneemt de nodige acties en ziet toe op de uitvoering van eventuele beslissingen van de Exploitant.]4

§ 6. De Exploitant[5 ...]5 is eveneens verplicht om aan de personeelsleden belast met de uitvoering van dit vervoer, de schriftelijke instructies te verstrekken die nodig zijn om de naleving te verzekeren van de praktische maatregelen die vereist zijn door het algemeen en het specifiek beveiligingssysteem Hij vaardigt de te volgen regels uit en bepaalt de te nemen maatregelen in geval van noodsituaties.
§ 7 [6 De Exploitant moet zijn algemeen beveiligingssysteem minstens jaarlijks evalueren om hiervan de betrouwbaarheid en doeltreffendheid te bepalen. Hiervoor moet hij met name overgaan tot frequente tests en oefeningen waarbij, in de mate van het mogelijke, de politiediensten worden betrokken. Deze evaluatie moet specifieke beveiligingssystemen omvatten]6.
[6 ...]6
Wanneer er tekortkomingen worden vastgesteld, moeten er zo snel mogelijk corrigerende maatregelen worden genomen.
Na elke evaluatie stelt de Exploitant binnen de maand een verslag op waarvan hij onverwijld een kopie aan het Agentschap meedeelt.
[6 De in het eerste lid bedoelde evaluatie heeft eveneens betrekking op de negatieve invloed die op elkaar hebben of kunnen hebben enerzijds het algemeen beveiligingssysteem, de specifieke beveiligingssystemen en de componenten van het algemeen en van de specifieke beveiligingssystemen, en anderzijds de nucleaire veiligheid van de door het bedrijf uitgevoerde transporten, in het bijzonder de uitvoering van de desbetreffende bepalingen van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.]6
Art. 7. Obligations des exploitants d'entreprises de transport de matières nucléaires
§ 1er. L'Exploitant d'un organisme ou d'une société effectuant le transport de matières nucléaires est tenu d' établir un système de protection physique dit " système générique de sécurité " pour protéger les matières et le véhicule de tout accès non autorisé et des risques d'agression pendant un transport national ou international. Ce système doit être basé sur les niveaux minima de protection prévus à l'article 3 et sur l'évaluation des risques potentiels d'agression [1 ...]1 tant internes qu'externes dont les matières nucléaires et les véhicules de transport pourraient être l'objet.
§ 2. L'Exploitant est, de plus, tenu de se tenir informé de l'évolution du risque et de prendre, si nécessaire, les mesures de protection qui s'imposent.
§ 3. Le système générique de sécurité mis en place est agréé par l'Agence.
§ 4. En outre, l'Exploitant est tenu de mettre en place un système de protection physique propre à assurer la sécurité de chaque transport nucléaire dit "système spécifique de sécurité" et ce, sans préjudice des autres dispositions légales ou réglementaires pertinentes en matière de transport de matières nucléaires.
Le système spécifique de sécurité est basé sur les niveaux minima de protection prévus à l'article 3 ainsi que sur l'évaluation des circonstances politiques, sociales, économiques et culturelles dans le contexte desquelles le transport est appelé à être réalisé.
[2 § 4bis. L'Exploitant est responsable, en toutes circonstances, de la bonne exécution des prescriptions réglementaires relatives à la protection des matières nucléaires et de l'entreprise de transport nucléaire contre les risques d'agression.
Cette responsabilité ne peut être déléguée.
Les missions attribuées au délégué à la protection physique effectif ou suppléant en application des §§ 5 et 5bis ne préjudicient en rien à l'autorité et aux responsabilités de l'Exploitant.]2

§ 5. L'Exploitant désigne, parmi les membres de son personnel, un délégué à la protection physique effectif et un délégué à la protection physique suppléant titulaires d'une habilitation de sécurité "TRES SECRET" conformément à la loi du 11 décembre 1998 et [3 chargés selon les modalités précisées au § 5bis]3 de l'application du système générique de sécurité et du système spécifique de sécurité agréés par l'Agence. Cette désignation doit être approuvée préalablement par l'Agence [3 ..., qui prend en considération :
a) les qualifications de la personne dont la désignation est soumise à son approbation, ainsi que son expérience professionnelle et les formations spécifiques en sécurité nucléaire qu'elle a pu suivre;
b) le statut, la position et les ressources dont le délégué peut bénéficier au sein de l'entreprise de transport nucléaire.
L'Agence peut énoncer des recommandations relatives à la désignation du délégué à la protection physique effectif et du délégué à la protection physique suppléant]3

L'officier de sécurité désigné en vertu de la loi du 11 décembre 1998 peut être désigné comme délégué à la protection physique effectif ou suppléant.
[3 Par dérogation à l'alinéa premier et sauf si l'entreprise de transport de matières nucléaires est agréée pour effectuer des transports du groupe A, le délégué à la protection physique effectif ou suppléant peut être titulaire d'une habilitation de sécurité " SECRET ", sans préjudice de l' article 15 du présent arrêté, de l'article 4 de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 relatif à la catégorisation et à la définition de zones de sécurité au sein des installations nucléaires et des entreprises de transport nucléaire, et des articles 3 § 1er et 4 de l'arrêté royal du 17 octobre 2011 portant sur la catégorisation et la protection des documents nucléaires]3
[4 § 5bis. Sans préjudice du § 4bis, le délégué à la protection physique est chargé des missions suivantes :
1° l'exécution pratique des dispositions du présent arrêté qui sont relatives aux obligations de protection physique de l'Exploitant d'une entreprise de transport de matières nucléaires;
2° la surveillance de l'observation correcte des dispositions du présent arrêté qui sont relatives aux obligations de protection physique d'une entreprise de transport de matières nucléaires par le personnel et par les personnes extérieures à l'entreprise chargées de travaux ou de services, ainsi que le rapportage à l'Exploitant à ce sujet ;
3° la gestion des accès aux zones de sécurité ;
4° le conseil à l'Exploitant pour ce qui concerne la protection physique de l' entreprise de transport de matières nucléaires;
5° le cas échéant l'exécution des tâches que l'Exploitant lui a déléguées, la responsabilité en subsistant dans le chef de l'Exploitant.
Le délégué à la protection physique agit le cas échéant en concertation avec :
a) l'officier de sécurité au sens de l'article 13, 1° ), a), b) ou c) de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, désigné pour veiller à l'observation des règles de sécurité dans le cadre d'un avis de sécurité ou d'une attestation de sécurité ;
b) le service de contrôle physique créé en application de l'article 23.1 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants.
Si le délégué à la protection physique constate une mauvaise application du système de protection physique ou de ses composantes, il en informe l'Exploitant sans délai, prend les actions nécessaires, et veille à la mise en oeuvre des éventuelles décisions de l'Exploitant.]4

§ 6. L'Exploitant [5 ...]5 est également tenu de donner aux membres du personnel chargés de l'exécution de ces transports, les instructions écrites nécessaires pour assurer le respect des mesures pratiques requises par le système générique de sécurité et le système spécifique de sécurité. Il édicte les règles à suivre et détermine les mesures à prendre en cas de situations d'urgence.
§ 7. [6 L'Exploitant doit évaluer au moins annuellement le système générique de sécurité afin d'en déterminer la fiabilité et l'efficacité. A cette fin, il doit notamment recourir à des tests fréquents ainsi qu'à des exercices, lesquels, dans la mesure du possible, associent les services de police. Cette évaluation doit inclure des systèmes spécifiques de sécurité]6.
[6 ...]6
Lorsque des déficiences sont constatées, des mesures correctives doivent être prises le plus rapidement possible.
Au terme de chaque évaluation, l'Exploitant établit un rapport dans le mois et en communique sans délai une copie à l'Agence.
[6 L'évaluation mentionnée à l'alinéa premier porte également sur les effets négatifs qu'ont ou que peuvent avoir l'un sur l'autre d'une part les système générique de sécurité, les systèmes spécifiques de sécurité, ainsi que les composantes du système générique et des systèmes spécifiques de sécurité, et d'autre part la sûreté nucléaire des transports réalisés par l'entreprise, en particulier la mise en oeuvre des prescriptions en la matière de l'Arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7.]6
Afdeling 3 [1 Afdeling 3. - Algemene verplichting ]1
Section 3. [1 Obligation générale ]1
Art. 7bis. [1 Nucleaire beveiligingscultuur
Art. 7bis. . [1 Culture de sécurité nucléaire
HOOFDSTUK V. - Erkenningsprocedure voor de fysieke beveiligingssystemen
CHAPITRE V. - Procédure d'agrément des systèmes de protection physique
Art. 8. Erkenningsprocedure voor de fysieke beveiligingsystemen van een nucleaire installatie
§ 1. Onverminderd de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, is de Exploitant van een nieuwe installatie, wanneer hij zijn aanvraag voor een oprichtings- en exploitatievergunning bij het Agentschap indient, verplicht om tegelijk de erkenning van het fysiek beveiligingssysteem van zijn installatie aan te vragen. Deze moet voorafgaand aan de definitieve inbedrijfname door het Agentschap worden erkend. Het Agentschap bepaalt de modaliteiten en de vormen volgens welke dit fysiek beveiligingssysteem aan hem moet worden voorgelegd.
§ 2 De Exploitant van een bestaande installatie legt zijn aanvraag tot erkenning van het fysiek beveiligingssysteem van zijn installatie voor aan het Agentschap binnen de 6 maanden die volgen op de inwerkingtreding van dit besluit, Het Agentschap bepaalt de modaliteiten en de vormen volgens welke dit fysiek beveiligingssysteem aan hem moet worden voorgelegd.
§ 3.[2 Van zodra het Agentschap verklaart dat het dossier met de erkenningsaanvraag voor het fysiek beveiligingssysteem dat door de Exploitant werd ingediend, volledig is, beschikt het over 6 maanden, of over een langere termijn die het rechtvaardigt, om over te gaan tot het onderzoek van dit ontwerp en om deze zijn advies kenbaar te maken]2.
Vanaf de ontvangst van dit advies, beschikt de Exploitant over een periode van maximum 36 maanden voor het uitvoeren van het ontwerp van fysiek beveiligingssysteem, in voorkomend geval aangepast op basis van het advies afgeleverd door het Agentschap.
Gedurende de uitvoering van het ontwerp, informeert de Exploitant het Agentschap haljaarlijks en op eigen initiatief over de staat van vordering van dit project. De Exploitant brengt het Agentschap op de hoogte van het einde van de uitvoering van het ontwerp.
In de 6 maanden die volgen, gaat het Agentschap over tot de evaluatie van het ingericht fysieke beveiligingssysteem, en doet een uitspraak over de erkenningsaanvraag.
§ 4 Indien het Agentschap het fysiek beveiligingssysteem erkent, maakt het deze beslissing kenbaar aan de Exploitant.
Indien het Agentschap het fysiek beveiligingssysteem niet erkent, deelt het zijn bevindingen mee aan de Exploitant, die vervolgens over 3 maanden beschikt om hierop te antwoorden en, indien nodig, om aan het fysiek beveiligingssysteem de door het Agentschap aanbevolen aanpassingen, door te voeren.
Binnen de drie maanden die volgen op het verstrijken van deze periode, doet het Agentschap opnieuw een uitspraak over de erkenning van het fysiek beveiligingssysteem dat door de Exploitant werd ingericht en maakt deze zijn beslissing kenbaar.
In het geval van een weigering tot erkenning, motiveert het Agentschap zijn beslissing en legt het bijkomende fysieke beveiligingsmaatregelen op die de Exploitant in werking moet stellen, alsook de uitvoeringstermijnen. Wanneer het Agentschap kan vaststellen dat alle bijkomende fysieke beveiligingsmaatregelen genomen zijn, erkent het, in de maand die volgt op deze vaststelling, het fysiek beveiligingssysteem, en brengt het de Exploitant op de hoogte van deze beslissing.
§ 5. Indien de beslissing van het Agentschap door de Exploitant betwist wordt, kan deze een beroep indienen bij de Minister waarvan het Agentschap afhangt binnen de 3 maanden die volgen op de kennisgeving van de beslissing van het Agentschap. Deze treft alle nodige maatregelen om het geschil te beslechten en doet in laatste instantie een uitspraak over de erkenningsaanvraag.
§ 6. Het Agentschap gaat periodiek, en minstens eenmaal elke [2 vijf ]2 jaar vanaf de datum van de kennisgeving van de erkenning, over tot de evaluatie van het fysiek beveiligingssysteem.
[1 De evaluatie heeft tevens betrekking op de wijze waarop de exploitant evalueert en toeziet op de beperking van de negatieve effecten die enerzijds het fysiek beveiligingssysteem of zijn componenten en anderzijds de nucleaire veiligheid van de installatie op elkaar hebben of kunnen hebben, in het bijzonder de uitvoering van de voorschriften van het KB van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties.]1
§ 7. [2 ...]2
Art. 8. Procédure d'agrément des systèmes de protection physique d'une installation nucléaire
§ 1er. Sans préjudice des articles 6 et 7 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants, l'Exploitant d'une nouvelle installation est tenu, lorsqu'il introduit sa demande d'autorisation de création et d'exploitation auprès de l'Agence, de demander concomitamment l'agrément du système de protection physique de son installation. Celui-ci doit être agréé par l'Agence préalablement à la mise en exploitation définitive de celle-ci. L'Agence [2 arrête]2 les modalités et formes selon lesquelles ce système de protection physique doit lui être présenté.
§ 2. L'Exploitant d'une installation existante saisit, dans les 6 mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'Agence de la demande d'agrément du système de protection physique de son installation. L'Agence [2 arrête]2 les modalités et formes selon lesquelles ce système de protection physique doit lui être présenté.
§ 3. [2 Dès que l'Agence déclare que le dossier de demande d'agrément du système de protection physique que l'Exploitant lui a soumis est complet, elle dispose de 6 mois pour procéder à l'examen de ce projet et lui notifier son avis, ou d'une durée plus longue qu'elle justifie]2.
A dater de la réception de cet avis, l'Exploitant dispose d'un délai maximum de 36 mois pour exécuter le projet de système de protection physique adapté, le cas échéant, sur base de l'avis rendu par l'Agence.
Au cours de l'exécution du projet, l'Exploitant informe semestriellement et d'initiative l'Agence de l'état d'avancement dudit projet. Au terme de l'exécution de ce projet, l'Exploitant en informe l'Agence.
Dans les 6 mois qui suivent, l'Agence procède à l'évaluation du système de protection physique mis en place et statue sur la demande d'agrément.
§ 4. Si l'Agence agrée le système de protection physique, elle notifie cette décision à l'Exploitant.
Si l'Agence n'agrée pas le système de protection physique, elle communique ses observations à l'Exploitant qui dispose alors de 3 mois pour y répondre et, s'il échet, pour apporter au système de protection physique les adaptations recommandées par l'Agence.
Dans les trois mois qui suivent l'expiration de ce délai, l'Agence statue à nouveau sur la demande d'agrément du système de protection physique mis en place par l'Exploitant et lui notifie sa décision.
En cas de refus de l'agrément, l'Agence motive sa décision et fixe les mesures de protection physique complémentaires que l'Exploitant doit mettre en oeuvre ainsi que les délais d'exécution. Lorsque l'Agence est en mesure de constater que toutes les mesures de protection physique complémentaires ont été prises, elle agrée, dans le mois qui suit ce constat, le système de protection physique et notifie cette décision à l'Exploitant.
§ 5. Si la décision de l'Agence est contestée par l'Exploitant, celui-ci peut introduire un recours auprès du Ministre dont relève l'Agence dans les 3 mois qui suivent la notification de la décision de l'Agence. Celui-ci prend toutes les mesures requises pour régler le différend et statue en dernier ressort sur la demande d'agrément.
§ 6. L'Agence procède périodiquement à l'évaluation du système de protection physique et, au moins une fois tous les [2 cinq]2 ans à dater de la notification de l'agrément.
[1 L'évaluation porte également sur la manière dont l'exploitant évalue et veille à limiter les effets négatifs qu'ont ou que peuvent avoir l'un sur l'autre d'une part le système de protection physique ou ses composantes, d'autre part la sûreté nucléaire de l'installation, en particulier la mise en oeuvre des prescriptions de l'AR du 30 novembre 2011 portant prescriptions de sûreté des installations nucléaires.]1
§ 7.[2 ...]2
Art. 8bis. [1 Beheer van de wijzigingen aangebracht aan de nucleaire installatie of aan het fysiek beveiligingssysteem
§ 1 Onder voorbehoud van een andere beoordeling met toepassing van § 4, worden, in de zin van huidig besluit, met name de volgende wijzigingen, inclusief deze van tijdelijke aard, en met uitzondering van onderhoudswerken, de vervanging van onderdelen door identieke onderdelen en de bijwerking van procedures, beschouwd als wijzigingen waarvan de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging de ontwerpen moet kennen in toepassing van § 4:
a) wijzigingen aangebracht aan de nucleaire installatie, uitbreidingen en toevoegingen aan de installatie, onder voorbehoud van artikel 8, § 1;
b) wijzigingen aangebracht aan de exploitatieprocedés en -processen toegepast in de installatie;
c) wijzigingen die leiden tot het afwijken van het beschrijvend dossier van het erkend fysiek beveiligingssysteem;
d) wijzigingen bestemd:
(i) om te kunnen inspelen op de evolutie van het risico vermeld in artikel 6, § 2;
(ii) om corrigerende maatregelen te vormen waartoe werd beslist op grond van artikel 6, § 7;
(iii) om te antwoorden op de vragen van het Agentschap die resulteren uit de evaluatie in toepassing van artikel 8 § 6.
§ 2. Onder voorbehoud van een andere beoordeling met toepassing van § 4, worden met name beschouwd als wijzigingen met een significante invloed op het fysiek beveiligingssysteem, naast deze waarvan de significante aard evident is:
- deze die rechtstreeks betrekking hebben op het fysiek beveiligingssysteem;
- deze die de kenmerken van de installatie, of de exploitatie wijzigen, expliciet vermeld in het beschrijvend dossier van het erkend fysiek beveiligingssysteem;
- deze waarvoor handelingen nodig zijn die bij hun uitvoering een significant risico voor de nucleaire beveiliging inhouden;
- deze die verband houden met buitenbedrijfstellingshandelingen in de zin van artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 2001.
§ 3. Onder voorbehoud van een andere beoordeling met toepassing van § 4, worden met name als wijzigingen met een niet-significante invloed op het fysiek beveiligingssysteem beschouwd, andere wijzigingen dan deze die vallen onder § 2 en die een geringer invloed hebben op de nucleaire beveiliging.
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan artikels 12 en 23 van bovengenoemd koninklijk besluit van 20 juli 2001, behandelt de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging elk ontwerp met betrekking tot wijzigingen die aan de installatie moeten worden aangebracht vóór de implementatie van het ontwerp. Hij beoordeelt of het hetzij een ontwerp tot wijziging betreft met een significante invloed op het fysiek beveiligingssysteem in de zin van § 2, hetzij een ontwerp tot wijziging met een niet-significante invloed op het fysiek beveiligingssysteem in de zin van § 3, hetzij een ontwerp tot wijziging zonder invloed op voormeld systeem.
§ 5 Elke door de Exploitant aan de nucleaire installatie aangebrachte wijziging met een significante invloed op zijn fysiek beveiligingssysteem, moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande erkenningsaanvraag aan het Agentschap. Van zodra het Agentschap verklaart dat het aanvraagdossier volledig is, bepaalt het de termijn die nodig is om een uitspraak te doen over deze aanvraag, nadat het de Exploitant over dit punt geraadpleegd heeft; de wijziging kan niet worden doorgevoerd zonder uitdrukkelijk akkoord van het Agentschap. In geval van weigering door het Agentschap is de in artikel 8 § 5 bedoelde beroepsprocedure van toepassing.
§ 6. Elke door de Exploitant aan de nucleaire installatie aangebrachte wijziging met een niet-significante invloed op zijn fysiek beveiligingssysteem, moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande kennisgeving aan het Agentschap, inclusief door het opnemen van het dossier door de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging in een register dat hij ter beschikking van het Agentschap houdt. Dit wijzigingsontwerp wordt als aanvaard beschouwd, behalve in geval van een beslissing van het Agentschap binnen een termijn van vijftien dagen, tenzij het specifiek de verlenging van de termijn rechtvaardigt, die redelijk en proportioneel moet blijven, en na overleg met de Exploitant.
Van zodra de wijziging werd doorgevoerd brengt de Exploitant het Agentschap hiervan onmiddellijk op de hoogte, inclusief via een register dat hij tot diens beschikking houdt.
§ 7. Onverminderd de § 1 tot 6 kan het Agentschap het volgende regelen:
a) de criteria en modaliteiten voor de bepaling van de wijzigingscategorieën, inclusief de tijdelijke wijzigingen, alsook de termijnen waarbinnen en de procedure volgens welke de classificatie van het wijzigingsontwerp wordt gevalideerd;
b) de termijnen en de procedure voor het beheer van de erkenningsaanvragen voor de wijzigingen vermeld in § 5, inclusief tijdelijke wijzigingen, in het bijzonder de modaliteiten en vormen voor de indiening van deze aanvragen, de modaliteiten voor de oplevering van de erkende wijziging, alsook de wijze waarop het beschrijvend dossier van het erkend systeem voor fysieke beveiliging wordt bijgewerkt;
c) de termijnen en de procedure voor het beheer van de aangiften van wijzigingsontwerpen vermeld in § 6, inclusief de tijdelijke wijzigingen, in het bijzonder de modaliteiten en vormen van deze aangiften, de bepaling van de duur van de termijn voor hun onderzoek door het Agentschap, de te volgen procedure in geval van niet aanvaarding door het Agentschap, alsook de wijze waarop het beschrijvend dossier van het erkend fysiek beveiligingssysteem wordt bijgewerkt. ]1

Art. 8bis. [1 Gestion des modifications apportées à l'installation nucléaire ou au système de protection physique
§ 1er. Sous réserve d'une appréciation différente en application du § 4, sont notamment considérées, au sens du présent arrêté, comme des modifications dont le délégué à la protection physique doit connaître les projets en application du § 4, les changements suivants, y compris s'ils présentent un caractère temporaire, et à l'exclusion des opérations d'entretien, de remplacement de pièces par des pièces identiques, et de la mise à jour de procédures:
a) les changements apportés à l'installation nucléaire, les extensions et ajouts à l'installation, sous réserve de l'article 8 § 1er ;
b) les changements apportés aux procédés et aux processus d'exploitation mis en oeuvre dans l'installation ;
c) les changements conduisant à s'écarter du dossier descriptif du système de protection physique agréé;
d) les changements destinés :
(i) à répondre à l'évolution du risque mentionnée à l'article 6, § 2 ;
(ii) à constituer des mesures correctives décidées en application de l'article 6, § 7 ;
(iii) à répondre aux demandes de l'Agence résultant de son évaluation en application de l'article 8 § 6.
§ 2. Sous réserve d'une appréciation différente en application du § 4, sont notamment considérées comme des modifications ayant une incidence significative sur le système de protection physique, outre celles dont le caractère significatif est évident:
-celles qui portent directement sur le système de protection physique ;
- celles qui changent les caractéristiques de l'installation ou de l'exploitation explicitement mentionnées dans le dossier descriptif du système de protection physique agréé ;
- celles qui nécessitent des opérations présentant un risque significatif pour la sécurité nucléaire lors de leur mise en oeuvre ;
- celles qui sont liées aux opérations de déclassement au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 précité.
§ 3. Sous réserve d'une appréciation différente en application du § 4, sont notamment considérées comme des modifications ayant une incidence non significative sur le système de protection physique les modifications autres que celles qui relèvent du § 2 et qui ont une incidence moindre sur la sécurité nucléaire.
§ 4. Sans préjudice des articles 12 et 23 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 précité, le délégué à la protection physique connaît de tout projet de modification à apporter à l'installation avant toute mise en oeuvre du projet. Il apprécie s'il s'agit soit d'un projet de modification ayant une incidence significative sur le système de protection physique au sens du § 2, soit d'un projet de modification ayant une incidence non significative sur le système de protection physique au sens du § 3 soit d'un projet de modification sans incidence sur le dit système.
§ 5. Toute modification apportée à l'installation nucléaire par l'Exploitant et ayant une incidence significative sur son système de protection physique doit faire l'objet d'une demande préalable d'agrément à l'Agence. Dès que l'Agence déclare que le dossier de demande est complet, elle fixe le délai nécessaire pour statuer sur cette demande après avoir consulté l'Exploitant sur ce point; la modification ne peut intervenir sans l'accord exprès de l'Agence. En cas de refus par l'Agence, la procédure de recours prévue au § 5 de l'article 8 s'applique.
§ 6. Toute modification apportée à l'installation nucléaire par l'Exploitant et ayant une incidence non significative sur son système de protection physique doit faire l'objet d'une déclaration préalable à l'Agence, y compris par le placement du dossier par le délégué à la protection physique dans un registre qu'il tient à la disposition de l'Agence. Ce projet de modification est réputé accepté sauf décision de l'Agence dans un délai de quinze jours, à moins que celle-ci ne justifie spécifiquement l'extension du délai, qui doit rester raisonnable et proportionné, et après consultation de l'Exploitant .
La modification une fois apportée, l'Exploitant en informe l'Agence sans délai y compris au moyen d'un registre qu'il tient à sa disposition.
§ 7. Sans préjudice des § 1 à 6, l'Agence peut régler :
a) les critères et modalités de détermination des catégories de modification, y compris les modifications temporaires, ainsi que les délais dans lesquels et la procédure selon laquelle la classification du projet de modification est validée;
b) les délais et la procédure de gestion des demandes d'agrément des modifications mentionnées au § 5, y compris les modifications temporaires, spécialement les modalités et formes d'introduction de ces demandes, les modalités de réception de la modification agréée, ainsi que la manière dont le dossier descriptif du système de protection physique agréé est mis à jour ;
c) les délais et la procédure de gestion des déclarations des projets de modifications mentionnées au § 6, y compris les modifications temporaires,, spécialement les modalités et les formes de ces déclarations, la détermination de la durée de leur délai d'examen par l'Agence, la procédure à suivre en cas de non-acceptation par l'Agence, ainsi que la manière dont le dossier descriptif du système de protection physique agréé est mis à jour. ]1

Art. 9. Erkenningsprocedure voor het algemeen beveiligingssysteem
§ 1. Onverminderd de andere wettelijke en reglementaire normen m.b.t. de exploitatievergunning van een bedrijf voor het vervoer van kernmateriaal, wordt het algemeen beveiligingssysteem van het bedrijf voorafgaand aan de door het Agentschap toegekende [1 erkenning]1 voor het eerste vervoer van kernmateriaal dat het voorwerp van een dergelijke [1 erkenning]1 uit hoofde van de wet van 15 april 1994 moet uitmaken, door het Agentschap erkend.
Het Agentschap bepaalt de modaliteiten en vorm volgens welke het algemeen beveiligingssysteem aan hem voorgesteld moet worden.
§ 2 De Exploitant van een bestaand bedrijf voor het vervoer van kernmateriaal wendt zich, binnen de 6 maanden die volgen op de inwerkingtreding van dit besluit, tot het Agentschap voor de erkenningsaanvraag van het algemeen beveiligingssysteem voor zijn onderneming. Het Agentschap bepaalt de modaliteiten en vorm volgens welke het algemeen beveiligingssysteem aan hem voorgesteld moet worden.
§ 3.[1 Zodra het Agentschap verklaart dat het door de Exploitant ingediende dossier voor de erkenningsaanvraag van het algemeen beveiligingssysteem volledig is, beschikt het over 6 maanden om over te gaan tot het onderzoek van dit ontwerp en om deze zijn advies kenbaar te maken, of over een langere termijn die het rechtvaardigt.]1.
Vanaf de dag van ontvangst van dit advies, beschikt de Exploitant over een maximumperiode van 36 maanden voor het uitvoeren van het ontwerp van algemeen beveiligingssysteem, in voorkomend geval aangepast op basis van het door het Agentschap overgebrachte advies.
Gedurende de uitvoering van het ontwerp, informeert de Exploitant het Agentschap halfjaarlijks en op eigen initiatief over de staat van vordering van dit ontwerp. De Exploitant brengt het Agentschap op de hoogte van het einde van de uitvoering van het ontwerp.
In de 6 maanden die volgen, gaat het Agentschap over tot de evaluatie van het geïnstalleerd algemeen beveiligingssysteem en doet een uitspraak over de erkenningsaanvraag.
§ 4 Indien het Agentschap het algemeen beveiligingssysteem erkent, maakt het deze beslissing kenbaar aan de Exploitant.
Indien het Agentschap het algemeen beveiligingssysteem niet erkent, deelt het zijn bevindingen mee aan de Exploitant, die vervolgens over 3 maanden beschikt om hierop te antwoorden en, indien nodig, om aan het algemeen beveiligingssysteem de door het Agentschap aanbevolen aanpassingen, door te voeren.
Binnen de drie maanden na het verstrijken van deze periode, doet het Agentschap opnieuw een uitspraak over de erkenning van het algemeen beveiligingssysteem dat door de Exploitant werd ingericht en maakt deze zijn beslissing kenbaar.
In het geval van een weigering tot erkenning, motiveert het Agentschap zijn beslissing en legt het bijkomende fysieke beveiligingsmaatregelen op die de Exploitant in werking moet stellen, alsook de uitvoeringstermijnen.
Wanneer het Agentschap kan vaststellen dat alle bijkomende fysieke beveiligingsmaatregelen genomen zijn, erkent het, in de maand die volgt op deze vaststelling, het algemeen beveiligingssysteem, en brengt het de Exploitant op de hoogte van deze beslissing.
§ 5. Indien de beslissing van het Agentschap door de Exploitant betwist wordt, kan deze een beroep indienen bij de Minister waarvan het Agentschap afhangt, binnen de 3 maanden die volgen op de kennisgeving van de beslissing van het Agentschap. Deze treft alle vereiste maatregelen om het geschil te beslechten en doet in laatste instantie een uitspraak over de erkenningsaanvraag.
§ 6. Het Agentschap gaat periodiek, en minstens eenmaal elke [1 vijf]1 jaar vanaf de datum van de kennisgeving van de erkenning, over tot de evaluatie van het algemeen beveiligingssysteem. [1 Deze evaluatie omvat deze van specifieke beveiligingssystemen.]1
[1 De evaluatie heeft ook betrekking op de wijze waarop de Exploitant evalueert en toeziet op de beperking van de negatieve invloed die op elkaar hebben of kunnen hebben enerzijds het algemeen beveiligingssysteem, de specifieke beveiligingssystemen en de componenten van het algemeen en van de specifieke beveiligingssystemen, en anderzijds de nucleaire veiligheid van de door het bedrijf uitgevoerde transporten, in het bijzonder de uitvoering van de desbetreffende bepalingen van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.]1
§ 7.[1 ...]1
Art. 9. Procédure d'agrément du système générique de sécurité
§ 1er. Sans préjudice des autres normes légales et réglementaires d'autorisation d'exploitation d'une entreprise de transport de matières nucléaires le système générique de sécurité de l'entreprise est agréé par l'Agence préalablement à l'[1 agrément]1 par l'Agence du premier transport de matières nucléaires devant faire l'objet d'une telle [1 agrément]1 en vertu de la loi du 15 avril 1994.
L'Agence [1 arrête]1 les modalités et formes selon lesquelles ce système générique de sécurité doit lui être présenté.
§ 2. L'Exploitant d'une entreprise de transport de matières nucléaires existante saisit, dans les 6 mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'Agence de la demande d'agrément du système générique de sécurité de son entreprise. L'Agence fixe les modalités et formes selon lesquelles ce système générique de sécurité doit lui être présenté.
§ 3. [1 Dès que l'Agence déclare que le dossier de demande d'agrément du système générique de sécurité que l'Exploitant lui a soumis est complet, elle dispose de 6 mois pour procéder à l'examen de ce projet et lui notifier son avis, ou d'une durée plus longue qu'elle justifie]1.
A dater de la réception de cet avis, l'Exploitant dispose d'un délai maximum de 36 mois pour exécuter le projet de système générique de sécurité adapté, le cas échéant, sur base de l'avis rendu par l'Agence.
Au cours de l'exécution du projet, l'Exploitant informe semestriellement et d'initiative l'Agence de l'état d'avancement dudit projet. Au terme de l'exécution de ce projet, l'Exploitant en informe l'Agence.
Dans les 6 mois qui suivent, l'Agence procède à l'évaluation du système générique de sécurité mis en place et statue sur la demande d'agrément.
§ 4. Si l'Agence agrée le système générique de sécurité, elle notifie cette décision à l'Exploitant.
Si l'Agence n'agrée pas le système générique de sécurité, elle communique ses observations à l'Exploitant qui dispose alors de 3 mois pour y répondre et, s'il échet, pour apporter au système générique de sécurité les adaptations recommandées par l'Agence.
Dans les trois mois qui suivent l'expiration de ce délai, l'Agence statue à nouveau sur la demande d'agrément du système générique de sécurité mis en place par l'Exploitant et lui notifie sa décision.
En cas de refus de l'agrément, l'Agence motive sa décision et fixe les mesures de protection physique complémentaires que l'Exploitant doit mettre en oeuvre ainsi que les délais d'exécution.
Lorsque l'Agence est en mesure de constater que toutes les mesures de protection physique complémentaires ont été prises, elle agrée, dans le mois qui suit ce constat, le système générique de sécurité et notifie cette décision à l'Exploitant.
§ 5. Si la décision de l'Agence est contestée par l'Exploitant, celui-ci peut introduire un recours auprès du Ministre dont relève l'Agence dans les 3 mois qui suivent la notification de la décision de l'Agence. Celui-ci prend toutes les mesures requises pour régler le différend et statue en dernier ressort sur la demande d'agrément.
§ 6. L'Agence procède périodiquement à l'évaluation du système générique de sécurité, et au moins une fois tous les [1 cinq ]1 ans à dater de la notification de l'agrément. [1 Cette évaluation inclut celle de systèmes spécifiques de sécurité. ]1
[1 L'évaluation porte également sur la manière dont l'Exploitant évalue et veille à limiter les effets négatifs qu'ont ou que peuvent avoir l'un sur l'autre d'une part le système générique de sécurité et les systèmes spécifiques de sécurité, ainsi que les composantes du système générique et des systèmes spécifiques de sécurité, et d'autre part la sûreté nucléaire des transports réalisés par l'entreprise, en particulier la mise en oeuvre des prescriptions en la matière de l'Arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7. ]1
[1 ...]1
Art. 9bis. [1 Beheer van de wijzigingen aangebracht aan het nucleair vervoerbedrijf
§ 1.- Onder voorbehoud van een andere beoordeling met toepassing van § 4, worden, in de zin van huidig besluit, met name de volgende wijzigingen, ook indien deze wijzigingen van tijdelijke aard zijn, en met uitzondering van onderhoudswerken, de vervanging van onderdelen door identieke onderdelen en de bijwerking van procedures, die aan het nucleair vervoerbedrijf, met inbegrip van zijn wagenpark, worden aangebracht, beschouwd als wijzigingen waarvan de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging de ontwerpen moet kennen in toepassing van § 4:
a) wijzigingen aangebracht aan het nucleair vervoerbedrijf, uitbreidingen en toevoegingen aan de installatie, onder voorbehoud van artikel 9, § 1;
b) wijzigingen aangebracht aan de exploitatieprocedés en -processen toegepast in het bedrijf;
c) wijzigingen die leiden tot het afwijken van het beschrijvend dossier van het erkend algemeen beveiligingssysteem;
d) wijzigingen bestemd:
(i) om te kunnen inspelen op de evolutie van het risico vermeld in artikel 7, § 2;
(ii) om corrigerende maatregelen te vormen waartoe werd beslist op grond van artikel 7 § 7;
(iii) om te antwoorden op de vragen van het Agentschap die resulteren uit de evaluatie in toepassing van artikel 9, § 6.
§ 2. Onder voorbehoud van een andere beoordeling met toepassing van § 4, worden met name beschouwd als wijzigingen met een significante invloed op het algemeen beveiligingssysteem, naast deze waarvan de significante aard evident is:
- deze die rechtstreeks betrekking hebben op het algemeen beveiligingssysteem;
- deze die de kenmerken van het bedrijf, of de exploitatie wijzigen, expliciet vermeld in het beschrijvend dossier van het erkend algemeen beveiligingssysteem;
- deze waarvoor handelingen nodig zijn die bij hun uitvoering een significant risico voor de nucleaire beveiliging inhouden;
- deze die verband houden met de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de bedrijfsactiviteiten.
§ 3. Onder voorbehoud van een andere beoordeling met toepassing van § 4, worden met name als wijzigingen met een niet-significante invloed op het algemeen beveiligingssysteem beschouwd, andere wijzigingen dan deze die in § 2 worden bedoeld en die een geringere impact op de nucleaire beveiliging hebben.
§ 4. De afgevaardigde voor de fysieke beveiliging is op de hoogte van elk ontwerp van wijzigingen die aan het bedrijf, inclusief aan zijn wagenpark, moeten worden aangebracht, vóór de implementatie van het ontwerp. Hij beoordeelt of het hetzij een ontwerp tot wijziging met een significante invloed op het algemeen beveiligingssysteem in de zin van § 2 betreft, hetzij een ontwerp tot wijziging met een niet-significante invloed op het algemeen beveiligingssysteem in de zin van § 3, hetzij een ontwerp tot wijziging zonder invloed op voormeld systeem.
§ 5 Elke door de Exploitant aan het nucleair vervoerbedrijf, inclusief aan zijn wagenpark, aangebrachte wijziging met een significante invloed op zijn algemeen beveiligingssysteem, moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande erkenningsaanvraag aan het Agentschap. Van zodra het Agentschap verklaart dat het aanvraagdossier volledig is, bepaalt het de termijn die nodig is om een uitspraak te doen over deze aanvraag, nadat het de Exploitant over dit punt geraadpleegd heeft; de wijziging kan niet worden doorgevoerd zonder uitdrukkelijk akkoord van het Agentschap.
§ 6 Elke door de Exploitant aan het nucleair vervoerbedrijf, inclusief aan zijn wagenpark, aangebrachte wijziging met een niet-significante invloed op zijn algemeen beveiligingssysteem, moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande kennisgeving aan het Agentschap, inclusief door het opnemen van het dossier door de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging in een register dat hij ter beschikking van het Agentschap houdt, onverminderd artikel 27 of 44 van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7. Dit ontwerp tot wijziging wordt als aanvaard beschouwd, behalve in geval van een beslissing van het Agentschap binnen een termijn van vijftien dagen, tenzij het specifiek de verlenging van de termijn rechtvaardigt, die redelijk en proportioneel moet blijven, en na overleg met de Exploitant. Van zodra de wijziging werd doorgevoerd brengt de Exploitant het Agentschap hiervan onmiddellijk op de hoogte, inclusief via een register dat hij tot diens beschikking houdt.
§ 7. Onverminderd de § 1 tot 6 kan het Agentschap het volgende regelen:
a) de criteria en modaliteiten voor de bepaling van de wijzigingscategorieën, inclusief de tijdelijke wijzigingen, alsook de termijnen waarbinnen en de procedure volgens welke de classificatie van het ontwerp tot wijziging wordt gevalideerd;
b) de termijnen en de procedure voor het beheer van de erkenningsaanvragen voor de wijzigingen vermeld in § 5, inclusief de tijdelijke wijzigingen, in het bijzonder de modaliteiten en vormen voor de indiening van deze aanvragen, de modaliteiten voor de oplevering van de erkende wijziging, alsook de wijze waarop het beschrijvend dossier van het erkend algemeen beveiligingssysteem wordt bijgewerkt;
c) de termijnen en de procedure voor het beheer van de aangiften van wijzigingsontwerpen vermeld in § 6, inclusief de tijdelijke wijzigingen, in het bijzonder de modaliteiten en vormen van deze aangiften, de bepaling van de duur van de termijn voor hun onderzoek door het Agentschap, de te volgen procedure in geval van niet aanvaarding door het Agentschap, alsook de wijze waarop het beschrijvend dossier van het erkend fysiek beveiligingssysteem wordt bijgewerkt. ]1

Art. 9bis. [1 Gestion des modifications apportées à l'entreprise de transport de matières nucléaires
§ 1er.- Sous réserve d'une appréciation différente en application du § 4, les changements suivants apportés à l'entreprise de transport de matières nucléaires, y compris à sa flotte de véhicules, sont notamment considérées, au sens du présent arrêté, comme des modifications dont le délégué à la protection physique doit connaître les projets en application du § 4, y compris si ces changements présentent un caractère temporaire, et à l'exclusion des opérations d'entretien, de remplacement de pièces par des pièces identiques, et de la mise à jour de procédures:
a) les changements apportés à l'entreprise de transport de matières nucléaires, les extensions et ajouts à l'entreprise, sous réserve de l'article 9, § 1er ;
b) les changements apportés aux procédés et aux processus d'exploitation mis en oeuvre dans l'entreprise ;
c) les changements conduisant à s'écarter du dossier descriptif du système générique de sécurité agréé;
d) les changements destinés :
(i) à répondre à l'évolution du risque mentionnée à l'article 7, § 2 ;
(ii) à constituer des mesures correctives décidées en application de l'article 7 § 7 ;
(iii) à répondre aux demandes de l'Agence résultant de son évaluation en application de l'article 9, § 6.
§ 2. Sous réserve d'une appréciation différente en application du § 4, sont notamment considérées comme des modifications ayant une incidence significative sur le système générique de sécurité, outre celles dont le caractère significatif est évident:
- celles qui portent directement sur le système générique de sécurité;
- celles qui changent les caractéristiques de l'entreprise ou de l'exploitation explicitement mentionnées dans le dossier descriptif du système générique de sécurité agréé ;
- celles qui nécessitent des opérations présentant un risque significatif pour la sécurité nucléaire lors de leur mise en oeuvre ;
- celles qui sont liées aux opérations de cessation d'activités totale ou partielle de l'entreprise.
§ 3. Sous réserve d'une appréciation différente en application du § 4, sont notamment considérées comme des modifications ayant une incidence non significative sur le système générique de sécurité les modifications autres que celles qui relèvent du § 2 et qui ont une incidence moindre sur la sécurité nucléaire.
§ 4. Le délégué à la protection physique connaît de tout projet de modification à apporter à l'entreprise, y compris à sa flotte de moyens de transport, avant toute mise en oeuvre du projet. Il apprécie s'il s'agit soit d'un projet de modification ayant une incidence significative sur le système générique de sécurité au sens du § 2, soit d'un projet de modification ayant une incidence non significative sur le système générique de sécurité au sens du § 3, soit d'un projet de modification sans incidence sur le dit système.
§ 5. Toute modification apportée à l'entreprise de transport de matières nucléaires, y compris à sa flotte de moyens de transport, par l'Exploitant et ayant une incidence significative sur son système générique de sécurité doit faire l'objet d'une demande préalable d'agrément à l'Agence. Dès que l'Agence déclare que le dossier de demande est complet, elle fixe le délai nécessaire pour statuer sur cette demande après avoir consulté l'Exploitant sur ce point; la modification ne peut intervenir sans l'accord exprès de l'Agence.
§ 6. Toute modification apportée à l'entreprise de transport de matières nucléaires, y compris à sa flotte de moyens de transport, par l'Exploitant et ayant une incidence non significative sur son système générique de sécurité doit faire l'objet d'une déclaration préalable à l'Agence, y compris par le placement du dossier par le délégué à la protection physique dans un registre qu'il tient à la disposition de l'Agence, sans préjudice de l'article 27 ou de l'article 44 de l'arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7. Ce projet de modification est réputé accepté sauf décision de l'Agence dans un délai de quinze jours, à moins que celle-ci ne justifie spécifiquement l'extension du délai, qui doit rester raisonnable et proportionné, et après consultation de l'Exploitant. La modification une fois apportée, l'Exploitant en informe l'Agence sans délai y compris au moyen d'un registre qu'il tient à sa disposition.
§ 7. Sans préjudice des § 1 à 6, l'Agence peut régler :
a) les critères et modalités de détermination des catégories de modification, y compris les modifications temporaires, ainsi que les délais dans lesquels et la procédure selon laquelle la classification du projet de modification est validée;
b) les délais et la procédure de gestion des demandes d'agrément des modifications mentionnées au § 5, y compris les modifications temporaires, spécialement les modalités et formes d'introduction de ces demandes, les modalités de réception de la modification agréée, ainsi que la manière dont le dossier descriptif du système générique de sécurité agréé est mis à jour ;
c) les délais et la procédure de gestion des déclarations des projets de modifications mentionnées au § 6, y compris les modifications temporaires, aux registres, spécialement les modalités et les formes de ces déclarations, la détermination de la durée de leur délai d'examen par l'Agence, la procédure à suivre en cas de non-acceptation par l'Agence, ainsi que la manière dont le dossier descriptif du système générique de sécurité agréé est mis à jour. ]1

Art. 10. Erkenningsprocedure voor het specifiek beveiligingssysteem
De exploitant richt de erkenningsaanvraag voor het specifiek beveiligingssysteem aan het Agentschap.
De erkenningsaanvraag voor het specifiek beveiligingssysteem voor het vervoer van kernmateriaal van groep B kan betrekking hebben op één enkel transport of, behalve in geval van verhoogde dreiging, op een reeks transporten die in de loop van een bepaalde periode worden uitgevoerd die evenwel niet meer dan drie maanden mag bedragen.
De aanvraag moet ten laatste 30 dagen voor de datum voorzien voor de uitvoering van het vervoer bij het Agentschap worden ingediend of, in het geval waarin de erkenning voor een reeks transporten uit hoofde van het tweede lid wordt aangevraagd; voor de datum voorzien voor het eerste vervoer.
Het Agentschap bepaalt de modaliteiten en de vormen volgens welke dit specifiek beveiligingssysteem aan hem moet worden voorgelegd.
Het Agentschap dient zijn beslissing aan de Exploitant ten laatste 15 dagen voor de datum voorzien voor de uitvoering van het vervoer aan de exploitant kenbaar te maken, of in het geval waarin de erkenning voor een reeks transporten uit hoofde van het tweede lid wordt aangevraagd, voor de datum voorzien voor het eerste vervoer.
Art. 10. Procédure d'agrément du système spécifique de sécurité
L'Exploitant adresse la demande d'agrément du système spécifique de sécurité à l'Agence.
La demande d'agrément du système spécifique de sécurité d'un transport de matières nucléaires de groupe B peut couvrir soit un seul transport soit, sauf en cas de menace aggravée, une série de transports effectués au cours d'une période déterminée qui ne peut toutefois être supérieure à trois mois.
La demande doit être introduite auprès de l'Agence au plus tard 30 jours avant la date prévue pour la réalisation du transport ou, dans le cas où l'agrément est demandé pour une série de transports en vertu de l'alinéa 2, du premier transport.
L'Agence fixe les modalités et formes selon lesquelles ce système spécifique de sécurité doit lui être présenté.
L'Agence doit notifier sa décision à l'Exploitant au plus tard 15 jours avant la date prévue pour la réalisation du transport ou, dans le cas où l'agrément est demandé pour une série de transports en vertu de l'alinéa 2, du premier transport.
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere fysieke beveiligingsmaatregelen
CHAPITRE VI. - Mesures de protection physique particulières
Art. 11. Het Agentschap kan aanbevelingen van technische aard opstellen die betrekking hebben op de fysieke beveiliging van het kernmateriaal, de nucleaire installaties en het nucleair vervoer waarop de exploitant zich kan inspireren om de door dit besluit voorziene maatregelen toe te passen. Deze aanbevelingen worden schriftelijk meegedeeld aan de Exploitant.
Art. 11. L'Agence peut établir des recommandations à caractère technique relatives à la protection physique des matières nucléaires, des installations et des transports dont l'Exploitant peut s'inspirer afin d'appliquer les mesures prévues par le présent arrêté. Ces recommandations sont communiquées, par écrit, à l'Exploitant.
HOOFDSTUK VII. - Vertrouwelijkheid van de fysieke beveiligingsmaatregelen
CHAPITRE VII. - Confidentialité des mesures de protection physique
Art. 12. Op het ogenblik van hun indiensttreding, hetzij in een nucleaire installatie, hetzij in een instelling of een bedrijf dat het nucleair vervoer uitvoert, ondertekenen de personen die houder zijn van een veiligheidsmachtiging of -attest een verklaring waardoor ze erkennen kennis te nemen van de fysieke beveiligingsmaatregelen die op hun activiteiten betrekking hebben. Ze engageren zich daarenboven om hun vertrouwelijkheid te waarborgen gedurende de looptijd van de uitoefening van hun functie alsook na de beëindiging ervan.
Art. 12. Au moment de leur entrée en fonction soit dans une installation nucléaire soit dans un organisme ou une entreprise qui effectue des transports nucléaires, les personnes titulaires d'une habilitation ou d'une attestation de sécurité signent une déclaration par laquelle elles reconnaissent prendre connaissance des mesures de protection physique qui concernent leur activité. Elles s'engagent en outre à sauvegarder leur confidentialité pendant la durée de l'exercice de leur fonction ainsi qu'à son issue.
HOOFDSTUK VIII. [1 Maatregelen die in geval van agressie of beveiligingsincidenten moeten worden getroffen ]1
CHAPITRE VIII. [1 - Mesures à prendre en cas d'agression ou d'incidents de sécurité]1
Art. 13. Maatregelen bij het verlies van kernmateriaal
§ 1. Ieder persoon die het verlies van kernmateriaal vaststelt, moet hiervan de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging verwittigen, die onmiddellijk het Agentschap verwittigt.
§ 2. Iedere persoon die kernmateriaal vindt, moet hiervan onmiddellijk de procureur des Konings tot wiens bevoegdheid het grondgebied behoort waarop het kernmateriaal werd gevonden, de Politiediensten of het Agentschap verwittigen. Deze instellingen wisselen, met het akkoord van het openbaar ministerie, de ontvangen informatie uit om de procedure voor de berging van het desbetreffende materiaal tot een goed einde te brengen.
Art. 13. Mesures relatives à la perte de matières nucléaires
§ 1er. Toute personne qui constate la perte de matières nucléaires doit en avertir le délégué à la protection physique, lequel avertit immédiatement l'Agence.
§ 2. Toute personne qui trouve des matières nucléaires doit immédiatement en avertir le procureur du Roi dans le ressort duquel les matières nucléaires ont été trouvées, les services de Police ou l'Agence. Moyennant l'accord du ministère public, ces institutions s'échangent les informations reçues pour mener à bien la procédure de récupération desdites matières.
Art. 14. Maatregelen m.b.t. de niet-toegestane toegang tot kernmateriaal of tot een nucleaire installatie of een agressie die schade berokkent aan het kernmateriaal of aan een nucleaire installatie
§ 1. Iedere persoon die op de site of aan boord van een transportvoertuig aanwezig is en die een niet-toegestane toegang tot kernmateriaal of tot een nucleaire installatie vaststelt, of een actie vaststelt die schade berokkent aan het kernmateriaal of aan een nucleaire installatie, moet hiervan onmiddellijk de Exploitant of de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging op hiervan verwittigen, die er dan onverwijld de politiediensten en het Agentschap over inlicht.
§ 2. Ieder persoon die getuige is van een niet-toegestane toegang tot kernmateriaal of tot een nucleaire installatie, of van een actie die schade berokkent aan het kernmateriaal of aan de nucleaire installatie, moet hiervan onmiddellijk de politiediensten en vervolgens de Exploitant of de afgevaardigde voor de fysieke beveiliging verwittigen, die er dan onverwijld het Agentschap over inlicht.
Art. 14. Mesures concernant l'accès non autorisé aux matières nucléaires ou à une installation nucléaire ou une agression portant atteinte aux matières nucléaires ou à une l'installation nucléaire
§ 1er. Toute personne présente sur le site ou à bord du véhicule de transport qui constate un accès non autorisé aux matières nucléaires ou à une installation nucléaire ou une action portant atteinte aux matières nucléaires ou à l'installation nucléaire doit en avertir immédiatement l'Exploitant ou le délégué à la protection physique, lequel en informe sans délai les services de police et l'Agence.
§ 2. Toute personne qui est témoin d'un accès non autorisé aux matières nucléaires ou à une installation nucléaire ou d'une action portant atteinte aux matières nucléaires ou à l'installation nucléaire doit en avertir immédiatement les services de police et ensuite l'Exploitant ou le délégué à la protection physique, lequel en informe sans délai l'Agence.
Art. 14bis. [1 In geval van agressie, deelt de Exploitant aan de politiediensten alle informatie met betrekking tot het incident mee die de efficiëntie en de snelheid van hun interventie zou kunnen verbeteren, of hij staat toe dat deze wordt meegedeeld. ]1
Art. 14bis. [1 En cas d'occurrence d'une agression, l'Exploitant communique ou permet la communication aux services de police de toutes les informations relatives à l'incident qui seraient de nature à améliorer l'efficacité et la rapidité de leur intervention. ]1
HOOFDSTUK IX. - Algemene en slotbepalingen
CHAPITRE IX. - Dispositions générales et finales
Art. 15. Onder voorbehoud van de uitzonderingen voorzien door of uit hoofde van artikel 8bis van de wet van 11 december 1998, is het niemand toegestaan om toegang te hebben tot kernmateriaal of tot veiligheidszones die gecategoriseerd zijn als "ZEER GEHEIM - NUC", "GEHEIM - NUC", "VERTROUWELIJK - NUC" indien hij geen houder is van een veiligheidsmachtiging van het overeenstemmende niveau, respectievelijk "ZEER GEHEIM", "GEHEIM" en "VERTROUWELIJK" en indien hij de toegang niet nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie of zijn opdracht.
Art. 15. Sous réserve des exceptions prévues par ou en vertu de l'article 8bis de la loi du 11 décembre 1998, nul n'est admis à avoir accès aux matières nucléaires ou aux zones de sécurité catégorisées " TRES SECRET - NUC ", " SECRET - NUC ", " CONFIDENTIEL - NUC " s'il n'est pas titulaire d'une habilitation de sécurité du niveau correspondant, respectivement " TRES SECRET ", " SECRET " et " CONFIDENTIEL ", et s'il n'a pas besoin d'y avoir accès pour l'exercice de sa fonction ou de sa mission.
Art. 16. Uitzonderingsbepaling
Dit besluit is niet van toepassing op de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties van de Krijgsmacht.
Art. 16. Exception
Le présent arrêté n'est pas applicable à la protection physique des matières nucléaires et des installations nucléaires des Forces Armées.
Art. 17. Op de eerste dag van de zesde maand die volgt op deze waarin dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt of ten laatste op 1ste oktober 2012, treden in werking :
1°) de artikelen 6, 8 en 12 tot en met 17 van de wet van 30 maart 2011 tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
2°) het artikel 12 van de wet van 2 april 2003 tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie, voor wat betreft artikel 17bis, eerste streepje, van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
3°) dit besluit.
Art. 17. Entrent en vigueur le premier jour du sixième mois qui suit celui de la publication du présent arrêté au Moniteur belge, ou au plus tard le 1er octobre 2012 :
1°) les articles 6, 8 et 12 à 17 de la loi du 30 mars 2011 modifiant la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire et modifiant la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité;
2°) l'article 12 de la loi du 2 avril 2003modifiant la loi du 15 avril 1994, relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire, et réglant le transfert de certains agents du Service de la Sûreté de l'Etat dans le domaine de l'énergie nucléaire, pour ce qui concerne l'article 17bis, premier tiret, de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire;
3°) le présent arrêté.
Art. 18. Onze Minister die bevoegd is voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Notre Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.