Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
18 MAART 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij DVR2011-06-17/04, art. 2)
Titre
18 MARS 2011. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire (NOTE : Confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur par DCFL2011-06-17/04, art. 2)
Informations sur le document
Numac: 2011035373
Datum: 2011-03-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2011035373
Date: 2011-03-18
Moniteur: Voir
Table des matières
Table des matières
Tekst (19)
Texte (19)
Artikel 1. De aanvraag tot afwijking van 11 januari 2010, ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen, Gitschotellei 188, 2140 Antwerpen, van bepaalde eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs die bij decreet zijn bekrachtigd, is ontvankelijk, en de voorgelegde vervangende eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden gelijkwaardig verklaard.
Article 1er. La demande de dérogation du 11 janvier 2010, introduite par la Federatie Steinerscholen Vlaanderen, Gitschotellei 188, 2140 Anvers, à certains objectifs finaux et objectifs de développement pour l'enseignement fondamental et secondaire sanctionnés par décret, est recevable, et les objectifs finaux et les objectifs de développement de remplacement présentés sont déclarés équivalents.
Art. 2. De vervangende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, vermeld in artikel 1, betreffen :
  1° in afwijking van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 1996 tot bepaling van de vakgebonden eindtermen en de vakgebonden ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 24 juli 1996, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, bekrachtigd bij het decreet van 30 april 2009 :
  a) de eindtermen natuurwetenschappen, eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
  b) de eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels), eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd;
  c) de eindtermen Nederlands, eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd;
  d) de eindtermen techniek, eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd;
  e) de ontwikkelingsdoelen moderne vreemde talen (Frans), eerste graad (B-stroom) secundair onderwijs, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° in afwijking van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 15 juli 1997, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, bekrachtigd bij het decreet van 30 april 2009 :
  a) de ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie natuur basisonderwijs, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;
  b) de ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie techniek basisonderwijs, vermeld in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;
  c) de eindtermen Nederlands basisonderwijs, vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd;
  d) de eindtermen moderne vreemde talen (Frans) basisonderwijs, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd;
  e) de eindtermen wereldoriëntatie natuur basisonderwijs, vermeld in bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd;
  f) de eindtermen wereldoriëntatie techniek basisonderwijs, vermeld in bijlage 11, die bij dit besluit is gevoegd;
  3° in afwijking van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009, bekrachtigd bij het decreet van 23 april 2010 :
  a) de eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels), tweede graad algemeen secundair onderwijs, vermeld in bijlage 12, die bij dit besluit is gevoegd;
  b) de eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels), derde graad algemeen secundair onderwijs, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 2. Les objectifs finaux et les objectifs de développement de remplacement mentionnés à l'article 1er concernent :
  1° en dérogation à l'Arrêté du Gouvernement flamand du 20 juin 1996 définissant les objectifs finaux liés aux différentes branches et les objectifs de développement liés aux différentes branches du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire, sanctionné par le décret du 24 juillet 1996, ce dernier modifié par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009, sanctionné par le décret du 30 avril 2009 :
  a) les objectifs finaux sciences naturelles, premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire, mentionnés à l'annexe 1 jointe au présent arrêté;
  b) les objectifs finaux langues étrangères modernes (français/anglais), premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire, mentionnés à l'annexe 2 jointe au présent arrêté;
  c) les objectifs finaux néerlandais, premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire, mentionnés à l'annexe 3 jointe au présent arrêté;
  d) les objectifs finaux technique, premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire, mentionnés à l'annexe 4 jointe au présent arrêté;
  e) les objectifs de développement langues étrangères modernes (français), premier degré (filière B) de l'enseignement secondaire, mentionnés à l'annexe 5 jointe au présent arrêté;
  2° en dérogation à l'Arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 1997 définissant les objectifs de développement et les objectifs finaux de l'enseignement fondamental ordinaire, sanctionné par le décret du 15 juillet 1997, ce dernier modifié par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009, sanctionné par le décret du 30 avril 2009 :
  a) les objectifs de développement ouverture sur le monde - nature de l'enseignement fondamental, mentionnés à l'annexe 6, jointe au présent arrêté;
  b) les objectifs de développement ouverture sur le monde - technique de l'enseignement fondamental, mentionnés à l'annexe 7, jointe au présent arrêté;
  c) les objectifs finaux néerlandais de l'enseignement fondamental, mentionnés à l'annexe 8 jointe au présent arrêté;
  d) les objectifs finaux langues étrangères modernes (français) de l'enseignement fondamental, mentionnés à l'annexe 9 jointe au présent arrêté;
  e) les objectives finales ouvertures sur le monde - nature de l'enseignement fondamental, mentionnés à l'annexe 10, jointe au présent arrêté;
  f) les objectifs finaux ouvertures sur le monde - technique de l'enseignement fondamental, mentionnés à l'annexe 11, jointe au présent arrêté;
  3° en dérogation à l'Arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 définissant les objectifs finaux du deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire, sanctionné par le décret du 18 janvier 2002, ce dernier modifié par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 16 octobre 2009, sanctionné par le décret du 23 avril 2010 :
  a) les objectifs finaux langues étrangères modernes (français/anglais), deuxième degré de l'enseignement secondaire général, mentionnés à l'annexe 12 jointe au présent arrêté;
  b) les objectifs finaux langues étrangères modernes (français/anglais), troisième degré de l'enseignement secondaire général, mentionnés à l'annexe 13 jointe au présent arrêté.
Art. 3. § 1. De gelijkwaardigheid van de volgende vervangende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 tot gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 12 mei 1998, wordt opgeheven :
  1° de ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie natuur basisonderwijs;
  2° de ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie technologie basisonderwijs;
  3° de eindtermen Nederlands basisonderwijs;
  4° de eindtermen moderne vreemde talen (Frans) basisonderwijs;
  5° de eindtermen wereldoriëntatie natuur basisonderwijs;
  6° de eindtermen wereldoriëntatie technologie basisonderwijs.
  § 2. De gelijkwaardigheid van de volgende vervangende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 1998 tot gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 12 mei 1998, wordt opgeheven :
  1° de eindtermen natuurwetenschappen, eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs;
  2° de eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels), eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs;
  3° de eindtermen Nederlands, eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs;
  4° de eindtermen technologische opvoeding, eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs;
  5° de ontwikkelingsdoelen moderne vreemde talen (Frans), eerste graad (B-stroom) secundair onderwijs.
  § 3. De gelijkwaardigheid van de volgende vervangende eindtermen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 6 december 2002, wordt opgeheven :
  1° de eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels), tweede graad algemeen secundair onderwijs;
  2° de eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels), derde graad algemeen secundair onderwijs.
Art. 3. § 1. L'équivalence des objectifs finaux et des objectifs de développement de remplacement suivants, mentionnée dans l'Arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1997 jugeant équivalente la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'enseignement fondamental ordinaire, sanctionné par le décret du 12 mai 1998, est abrogée :
  1° les objectifs de développement pour l'ouverture sur le monde - nature dans l'enseignement fondamental;
  2° les objectifs de développement pour l'ouverture sur le monde - technologie dans l'enseignement fondamental;
  3° les objectifs finaux néerlandais dans l'enseignement fondamental;
  4° les objectifs finaux langues étrangères modernes (français) dans l'enseignement fondamental;
  5° les objectifs finaux pour l'ouverture sur le monde - nature dans l'enseignement fondamental;
  6° les objectifs finaux pour l'ouverture sur le monde - technologie dans l'enseignement fondamental.
  § 2. L'équivalence des objectifs finaux et des objectifs de développement de remplacement suivants, mentionnée dans l'Arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 1998 jugeant équivalente une demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour le premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire, sanctionné par le décret du 12 mai 1998, est abrogée :
  1° les objectifs finaux sciences naturelles, premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire;
  2° les objectifs finaux langues étrangères modernes (français/anglais), premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire;
  3° les objectifs finaux néerlandais, premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire;
  4° les objectifs finaux éducations technologique, premier degré (filière A) de l'enseignement secondaire;
  5° les objectifs de développement langues étrangères modernes (français), premier degré (filière B) de l'enseignement secondaire.
  § 3. L'équivalence des objectifs finaux de remplacement suivants, mentionnée dans l'Arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2002 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation pour les objectifs finaux du second et troisième degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, sanctionné par le décret du 6 décembre 2002, est abrogée :
  1° les objectifs finaux langues étrangères modernes (français/anglais), deuxième degré de l'enseignement secondaire général;
  2° les objectifs finaux langues étrangères modernes (français/anglais), troisième degré de l'enseignement secondaire général.
Art. 4. In afwijking van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009, bekrachtigd bij het decreet van 23 april 2010, wordt de gelijkwaardigheid bevestigd van de volgende vervangende eindtermen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 6 december 2002 :
  1° de eindtermen Nederlands, tweede graad algemeen secundair onderwijs;
  2° de eindtermen Nederlands, derde graad algemeen secundair onderwijs.
Art. 4. En dérogation à l'Arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 fixant les objectifs finaux pour les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire, sanctionné par le décret du 18 janvier 2002, ce dernier étant modifié par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 16 octobre 2009, sanctionné par le décret du 23 avril 2010, l'équivalence est confirmée pour les objectifs finaux de remplacement suivants, mentionnés dans l'Arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2002 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux du second et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, sanctionné par le décret du 6 décembre 2002 :
  1° les objectifs finaux néerlandais, deuxième degré de l'enseignement secondaire général;
  2° les objectifs finaux néerlandais, troisième degré de l'enseignement secondaire général.
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée par DCFL 2011-06-17/04, art. 3)
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Eindtermen natuurwetenschappen eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs
  MOTIVERING
  Een belangrijk onderscheid tussen de door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen Natuurwetenschappen voor de eerste graad A en de vervangende eigen eindtermen van de Federatie Steinerscholen is de manier waarop met het gegeven van de wetenschappelijke methode omgegaan wordt binnen de steinerpedagogie.
  In de Memorie van Toelichting bij de nieuwe door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen staat :
  " Binnen de natuurwetenschappen onderscheidt men traditioneel de disciplines : aardwetenschappen, biologie, chemie, kosmologie en natuurkunde. Als empirische wetenschap maken de natuurwetenschappen gebruik van de proefondervindelijke methode om de (materiële) omgeving en de samenhangen in de materiële werkelijkheid te begrijpen. Deze methode doet een beroep op observaties en/of experimenten die de gevonden antwoorden op vragen moeten bevestigen of falsifiëren. "
  De Federatie Steinerscholen kan deze methodiek eveneens onderschrijven. Ze kan zich echter niet herkennen in een aantal theoretische onderzoeksvaardigheden die gekoppeld worden aan de door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen van de eerste graad :
  " Om natuurwetenschappelijke vraagstukken te benaderen doet men een beroep op de zogenaamde proefondervindelijke methode, waarbij een hypothese voor een mogelijke verklaring wordt opgesteld, de hypothese wordt getoetst (aan de hand van observaties en/of experimenteel onderzoek) waarna deze wordt bevestigd of eventueel bijgesteld. Men doet daarbij vaak een beroep op kennis van structuren en processen die niet direct observeerbaar zijn. " (Memorie van Toelichting bij de door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen.)
  De Memorie van Toelichting verwijst naar de Europese aanbevelingen i.v.m. wetenschappelijke geletterdheid als een kerncompetentie waarover iedere burger in een kenniseconomie en - maatschappij zou moeten beschikken. De aanbevelingen hebben het echter over de kerncompetenties die aan het eind van het initieel onderwijs en de initiële opleiding zouden moeten worden bereikt. Zoals eveneens in de motivatie bij de vervangende eindtermen wereldoriëntatie natuur van de basisschool aangehaald, situeert het verwerven van de kerncompetenties zich op volwassen leeftijd. In deze eindtermen voor de eerste graad worden de fundamenten gelegd om die competentie aan het einde van de schoolloopbaan te bereiken. Daarbij gebruikt de steinerpedagogie echter een andere opbouw dan degene die in de door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen wordt gehanteerd.
  Zoals reeds geargumenteerd in de motivering van de eigen alternatieve eindtermen van 1998, vertrekken de steinerscholen bij hun wetenschapsonderwijs in de eerste graad bij de verschijnselen zelf. Pas na de exacte waarneming en de beschrijving van de verschijnselen, volgt de mogelijke hypothese. Zoals we in de algemene inleiding tot de eigen alternatieve eindtermen van de steinerscholen beschreven, gebruikt de steinerpedagogie daarbij de fenomenologische beschouwingswijze. Deze werkwijze bevordert bij de leerlingen het inlevingsvermogen en het levendig denken. Ze schept de mogelijkheid om, naast parate kennis, de nodige eerbiedskrachten voor de fenomenen van de natuur en de wetenschappen op te wekken. Hierdoor werkt men op een indirecte manier ook aan vakoverschrijdende eindtermen uit de context Omgeving en Duurzame Ontwikkeling.
  We lezen verder in de Memorie van Toelichting :
  " Bij het formuleren van eindtermen en ontwikkelingsdoelen is het daarom van belang erover te waken dat de abstractiegraad van begrippen en de cognitieve operaties die nodig zijn om bepaalde vraagstukken te benaderen, afgestemd zijn op het cognitieve en morele ontwikkelingsstadium van de doelgroep. Een analyse van de resultaten van het peilingsonderzoek 'natuur' en 'biologie' leert dat leerlingen van het lager onderwijs en van de eerste graad secundair onderwijs abstracte begrippen slechts matig beheersen. "
  De Federatie van Steinerscholen huldigt een ontwikkelingsgerichte pedagogie, zoals reeds in de algemene inleiding staat beschreven bij de basisprincipes van de steinerpedagogie. In die optiek is het gemakkelijk te begrijpen dat leerlingen van de eerste graad secundair onderwijs abstracte begrippen slechts matig beheersen. Jongere kinderen hebben een benadering van de werkelijkheid nodig die aansluit bij hun wijze van begrijpen. Geleidelijk aan kunnen ze meer en meer abstracties aan. In de steinerpedagogie betekent dit dat men het niveau van abstractie aanpast aan de leeftijd. Dat heeft voor gevolg dat men in de steinerpedagogie verregaande abstracties pas aanreikt in de tweede en derde graad, als de leerlingen daar meer aan toe zijn. Ook in eerdere aanvragen kwam deze opvatting aan bod, bijvoorbeeld in de motivatie van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen van 1998 in haar vraag naar afwijking van de eindtermen in de eerste graad.
  De consecutieve leer- en ontwikkelingslijn in het geheel van de steinerpedagogie is in dit kader van essentieel belang. Zo loopt de inhoud van het vak biologie binnen de natuurwetenschappen in één stroom door van de basisschool tot in het secundair onderwijs. In de basisschool ligt in het vak wereldoriëntatie natuur de nadruk meer op plant en dier. In de eerste graad secundair onderwijs ligt de klemtoon meer op de mens. Vanaf de tweede graad komen alle natuurrijken opnieuw aan bod in de verschillende natuurwetenschappelijke vakken en dit met een hoger abstractieniveau.
  TOELICHTING
  Er werden een aantal wijzigingen doorgevoerd in de alternatieve eindtermen voor de A-stroom, doch de strekking van de eigen alternatieve eindtermen van 1998 werd behouden waardoor de motivering van de eerdere aanvraag nog steeds geldt. De Federatie Steinerscholen vraagt geen afwijking voor de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van de B-stroom.
  De door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen natuurwetenschappen van de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs van 1997 bevatten enkel eindtermen over de levende natuur (biologie). Voor de B-stroom waren er reeds ontwikkelingsdoelen over de niet-levende natuur geformuleerd. De overheid voert in de nieuwe door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen, die van kracht worden in september 2010, voor de niet-levende natuur een aantal eindtermen in. De in 1998 goedgekeurde eigen alternatieve eindtermen van de Federatie Steinerscholen in Vlaanderen bevatten reeds een aantal eindtermen over de niet-levende natuur. De Federatie handhaaft de inhoud die reeds in deze vervangende eindtermen aan bod kwam en houdt vast aan de verticale samenhang met de eigen eindtermen van de tweede en derde graad.
  Het aantal eindtermen is kleiner geworden. Deels kan de Federatie Steinerscholen een aantal eigen eindtermen natuurwetenschappen voor de A-stroom samenvoegen in één eindterm, zoals hij ook geformuleerd is door de overheid. Ditzelfde principe is ook toegepast bij andere eindtermen. Deels handhaaft de federatie een aantal van haar oorspronkelijke eindtermen. Verder worden een paar van de nieuwe door de Vlaamse regering bepaalde eindtermen overgenomen.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  De leerlingen kunnen
Art. N1. Annexe 1. - Objectifs finaux sciences naturelles premier degré (filière A) enseignement secondaire
  MOTIVATION
  Une distinction importante entre les objectifs finaux Sciences naturelles pour le premier degré A définis par le Gouvernement flamand et les objectifs finaux de remplacement propres de la Federatie Steinerscholen est la manière dont on traite la dispense de la méthode scientifique au sein de la pédagogie Steiner.
  L'exposé des motifs pour les nouveaux objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand stipule :

  
  
1bij een bloemplant de functies van de wortel, de stengel, het blad en de bloem aangeven;
  
2bij de mens de bouw, de werking en de onderlinge samenhang van het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het uitscheidingsstelsel beschrijven;
  
3het belang van stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam;
  
4bij de mens de delen van het voortplantingsstelsel benoemen, beschrijven hoe de voortplanting verloopt, manieren aangeven om de voortplanting te regelen en om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen;
  
5de opbouw van het skelet, de gewrichten, de spieren en de werking van het bewegingsapparaat beschrijven;
  
6de specificiteit van de verschillende voedingsstoffen beschrijven aan de hand van een experiment;
  
7uit waarnemingen afleiden dat in planten stoffen gevormd worden onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht;
  
8met concrete voorbeelden aangeven dat organismen op verschillende manieren aangepast zijn aan hun omgeving;
  
9in een concreet voorbeeld van een biotoop aantonen dat organismen een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties voorkomen;
  
10in concrete voorbeelden aantonen dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd;
  
11in een concreet voorbeeld aantonen dat de mens natuur en milieu beïnvloedt en dat hierdoor ecologische evenwichten kunnen gewijzigd worden.
  
12waarneembare stofomzettingen met concrete voorbeelden uit de niet-levende natuur illustreren;
  
13het onderscheid aangeven tussen zouten, zuren en basen;
  
14de belangrijkste eigenschappen van zouten, zuren en basen verwoorden;
  
15het belang van indicatoren verwoorden;
  
16de werking van enkele indicatorstoffen beschrijven;
  
17het exact waarnemen onderscheiden van alleen maar kijken;
  
18de zware gevolgen van een onoordeelkundig gebruik van stoffen (bij experimenten) inzien;
  
19de samenhang tussen de uiterlijk waarneembare eigenschappen van een stof en de werking ervan op het menselijk organisme aanvoelen; (*)
  
20uitgevoerde experimenten nauwkeurig in herinnering brengen met de bedoeling de juiste volgorde van de handelingen en waarnemingen weer te geven;
  
21een onderzoekende houding aannemen :
  
22door hun oordeel uit te stellen en zich in eerste instantie te laten leiden door de optredende fenomenen;(*)
  
23door om te gaan met wetenschappelijke hulpmiddelen, o.a. de microscoop;
  
24door waarnemingsgegevens te ordenen en onderling te vergelijken;
  
25door onder begeleiding van de leerkracht algemeen geldende wetmatigheden af te leiden uit de gedane waarnemingen;
  
26milieubewust omgaan met producten en materialen; (*)
  
27het belang van biodiversiteit, de schaarste aan grondstoffen en aan fossiele energiebronnen verbinden met een op duurzaamheid gerichte levensstijl.

  
  
 "Au sein des sciences naturelles, nous distinguons traditionnellement les disciplines : sciences de la terre, biologie, chimie, cosmologie et physique. Les sciences naturelles utilisent comme science empirique la méthode expérimentale pour comprendre l'environnement (matériel) et le rapport dans la réalité matérielle. Cette méthode fait appel aux observations et/ou aux expériences qui doivent confirmer ou falsifier les réponses trouvées aux questions".
1bij een bloemplant de functies van de wortel, de stengel, het blad en de bloem aangeven;
2bij de mens de bouw, de werking en de onderlinge samenhang van het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het uitscheidingsstelsel beschrijven;
3het belang van stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam;
4bij de mens de delen van het voortplantingsstelsel benoemen, beschrijven hoe de voortplanting verloopt, manieren aangeven om de voortplanting te regelen en om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen;
5de opbouw van het skelet, de gewrichten, de spieren en de werking van het bewegingsapparaat beschrijven;
6de specificiteit van de verschillende voedingsstoffen beschrijven aan de hand van een experiment;
7uit waarnemingen afleiden dat in planten stoffen gevormd worden onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht;
8met concrete voorbeelden aangeven dat organismen op verschillende manieren aangepast zijn aan hun omgeving;
9in een concreet voorbeeld van een biotoop aantonen dat organismen een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties voorkomen;
10in concrete voorbeelden aantonen dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd;
11in een concreet voorbeeld aantonen dat de mens natuur en milieu beïnvloedt en dat hierdoor ecologische evenwichten kunnen gewijzigd worden.
12waarneembare stofomzettingen met concrete voorbeelden uit de niet-levende natuur illustreren;
13het onderscheid aangeven tussen zouten, zuren en basen;
14de belangrijkste eigenschappen van zouten, zuren en basen verwoorden;
15het belang van indicatoren verwoorden;
16de werking van enkele indicatorstoffen beschrijven;
17het exact waarnemen onderscheiden van alleen maar kijken;
18de zware gevolgen van een onoordeelkundig gebruik van stoffen (bij experimenten) inzien;
19de samenhang tussen de uiterlijk waarneembare eigenschappen van een stof en de werking ervan op het menselijk organisme aanvoelen; (*)
20uitgevoerde experimenten nauwkeurig in herinnering brengen met de bedoeling de juiste volgorde van de handelingen en waarnemingen weer te geven;
21een onderzoekende houding aannemen :
22door hun oordeel uit te stellen en zich in eerste instantie te laten leiden door de optredende fenomenen;(*)
23door om te gaan met wetenschappelijke hulpmiddelen, o.a. de microscoop;
24door waarnemingsgegevens te ordenen en onderling te vergelijken;
25door onder begeleiding van de leerkracht algemeen geldende wetmatigheden af te leiden uit de gedane waarnemingen;
26milieubewust omgaan met producten en materialen; (*)
27het belang van biodiversiteit, de schaarste aan grondstoffen en aan fossiele energiebronnen verbinden met een op duurzaamheid gerichte levensstijl.
"Au sein des sciences naturelles, nous distinguons traditionnellement les disciplines : sciences de la terre, biologie, chimie, cosmologie et physique. Les sciences naturelles utilisent comme science empirique la méthode expérimentale pour comprendre l'environnement (matériel) et le rapport dans la réalité matérielle. Cette méthode fait appel aux observations et/ou aux expériences qui doivent confirmer ou falsifier les réponses trouvées aux questions".
  * de attitudes werden met een asterisk aangeduid. (*)
  La Federatie Steinerscholen peut aussi souscrire à cette méthode. Elle ne peut toutefois pas se reconnaître dans certaines compétences de recherche théoriques qui sont associées aux objectifs finaux du premier degré définis par le Gouvernement flamand :
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs.
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN

  
  
 "Pour aborder les questions de sciences naturelles, nous utilisons la méthode expérimentale, selon laquelle une hypothèse est émise pour une explication possible, l'hypothèse est testée (à l'aide d'observations et/ou de recherches expérimentales) et ensuite elle est confirmée ou éventuellement corrigée. Nous faisons pour cela souvent appel aux connaissances des structures et des processus qui ne sont pas directement observables". (Exposé des motifs pour les objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand).
-
"Pour aborder les questions de sciences naturelles, nous utilisons la méthode expérimentale, selon laquelle une hypothèse est émise pour une explication possible, l'hypothèse est testée (à l'aide d'observations et/ou de recherches expérimentales) et ensuite elle est confirmée ou éventuellement corrigée. Nous faisons pour cela souvent appel aux connaissances des structures et des processus qui ne sont pas directement observables". (Exposé des motifs pour les objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand).
-
  L'Exposé des motifs renvoie aux recommandations européennes relatives à littératie scientifique en tant que compétence clé dont chaque citoyen devrait disposer dans une société et une économie de connaissances. Les recommandations traitent cependant des compétences clés qui devraient être atteintes à la fin de l'enseignement initial et de la formation initiale. Comme repris dans la motivation pour les objectifs finaux de remplacement d'ouverture sur le monde - nature de l'enseignement fondamental, l'acquisition des compétences clés se situe à l'âge adulte. Dans ces objectifs finaux pour le premier degré, les fondements sont posés pour atteindre ces compétences à la fin du parcours scolaire. La pédagogie Steiner utilise toutefois à ce niveau une autre structure que celle qui est utilisée dans les termes finaux définis par le Gouvernement flamand.
  Comme argumenté dans la motivation des objectifs finaux alternatifs propres de 1998, les écoles Steiner partent pour leur enseignement scientifique au premier degré des phénomènes. Ce n'est qu'après l'observation exacte et la description des phénomènes que suit l'hypothèse possible. Comme nous l'avons décrit dans l'introduction générale aux objectifs finaux alternatifs propres des écoles Steiner, la pédagogie Steiner utilise le mode de considération phénoménologique. Cette méthode favorise l'empathie et la réflexion active parmi les étudiants. Elle permet, outre les connaissances disponibles, d'éveiller les capacités de respect nécessaires pour les phénomènes naturels et les sciences. On travaille donc de manière indirecte aussi sur les objectifs finaux interdisciplinaires du contexte de l'Environnement et du Développement durable.
  Nous pouvons lire plus loin dans l'Exposé des motifs :
-

  
  
 "Lors de la formulation des objectifs finaux et des objectifs de développement, il est donc important de veiller à ce que le degré d'abstraction des notions et les Opérations cognitives nécessaires pour aborder certaines questions concordent avec le stade de développement cognitif et moral du groupe cible. Une analyse des résultats de l'étude de sondage 'nature' et 'biologie' nous apprend que les élèves de l'enseignement primaire et du premier degré de l'enseignement secondaire ne maîtrisent que moyennement les notions abstraites."
-
"Lors de la formulation des objectifs finaux et des objectifs de développement, il est donc important de veiller à ce que le degré d'abstraction des notions et les Opérations cognitives nécessaires pour aborder certaines questions concordent avec le stade de développement cognitif et moral du groupe cible. Une analyse des résultats de l'étude de sondage 'nature' et 'biologie' nous apprend que les élèves de l'enseignement primaire et du premier degré de l'enseignement secondaire ne maîtrisent que moyennement les notions abstraites."
-
  La Federatie van Steinerscholen souscrit à une pédagogie axée sur le développement, comme décrit dans l'introduction générale aux principes de base de la pédagogie Steiner. Dans cette optique, on peut aisément comprendre que les élèves du premier degré de l'enseignement secondaire ne maîtrisent que moyennement les notions abstraites. Les jeunes enfants ont besoin d'une approche de la réalité qui adhère à leur mode de compréhension. Ils peuvent progressivement assimiler de plus en plus d'abstractions. Dans la pédagogie Steiner, cela signifie que l'on adapte le niveau d'abstraction à l'âge. Par conséquent, dans la pédagogie Steiner, les abstractions très poussées ne sont abordées qu'aux second et troisième degrés, lorsque les élèves y sont prêts. Cette conception avait déjà été abordée dans des demandes antérieures, par exemple dans la motivation de la Federatie Steinerscholen Vlaanderen de 1998 dans sa demande de dérogation des objectifs finaux du premier degré.
  La ligne de développement et d'apprentissage consécutive dans l'ensemble de la pédagogie Steiner revêt une importance essentielle dans ce cadre. Le contenu de la branche de la biologie dans les sciences naturelles se déroule ainsi dans une seule filière allant de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire. Dans l'enseignement fondamental, dans la branche de l'ouverture sur le monde - nature, l'accent est plus mis sur les plantes et les animaux. Au premier degré de l'enseignement secondaire, l'accent est plus mis sur l'homme. A partir du deuxième degré, toutes les richesses naturelles sont à nouveau abordées dans les différentes branches des sciences naturelles, et ce avec un niveau d'abstraction supérieur.
  COMMENTAIRE
  Plusieurs modifications ont été apportées dans les objectifs finaux alternatifs pour la filière A, bien que la portée des objectifs finaux alternatifs propres de 1998 ait été conservée, suite à quoi la motivation de la demande antérieure reste valable. La Federatie Steinerscholen ne demande pas de dérogation pour les objectifs finaux et les objectifs de développement de la filière B.
  Les objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand pour les sciences naturelles de la filière A du premier degré de l'enseignement secondaire en 1997 comprennent uniquement les objectifs finaux sur la nature vivante (biologie). Pour la filière B, des objectifs de développement sur la nature non vivante avaient déjà été formulés. Les pouvoirs publics introduisent plusieurs objectifs finaux dans les nouveaux objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand, en vigueur depuis septembre 2010, pour la nature non vivante. Les objectifs finaux alternatifs propres approuvés en 1998 de la Federatie Steinerscholen en Flandre comprennent déjà plusieurs objectifs finaux sur la nature non vivante. La Fédération conserve le contenu qui apparaissait déjà dans ces objectifs finaux de remplacement et maintient la cohésion verticale avec les objectifs finaux propres du second et du troisième degré.
  Le nombre d'objectifs finaux a été réduit. La Federatie Steinerscholen peut d'une part rassembler certains objectifs finaux propres pour les sciences naturelles de la filière A dans un seul objectif final, comme cela est formulé par les pouvoirs publics. Ce principe est également appliqué pour d'autres objectifs finaux. La fédération conserve d'autre part certains de ses objectifs finaux originaux. Certains des nouveaux objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand sont en outre repris.
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Les élèves peuvent :
-

  
  
1indiquer, chez une plante à fleur, les fonctions de la racine, la tige, la feuille et la fleur;
  
2décrire, chez l'homme, la morphologie du corps, le fonctionnement et les relations entre les systèmes digestif, respiratoire, le sang, l'appareil circulatoire et le système excrétoire;
  
3décrire l'importance du métabolisme pour le maintien du corps humain;
  
4nommer, chez l'homme, les parties du système de reproduction, décrire comment se fait la reproduction, indiquer les modes de régulation de la reproduction et de prévention des maladies sexuellement transmissibles;
  
5décrire la constitution du squelette, les articulations, les muscles et le fonctionnement de l'appareil locomoteur;
  
6décrire la spécificité des différentes substances nutritives à l'aide d'une expérience;
  
7déduire des observations que des matières sont formées dans des plantes sous l'influence de la lumière et avec des matières du sol et de l'air;
  
8indiquer, au moyen d'exemples concrets, que les organismes sont adaptés de diverses manières à leur environnement;
  
9démontrer à l'aide d'un exemple concret d'un biotope que les organismes forment une communauté de vie dans laquelle des relations alimentaires se présentent;
  
10démontrer à l'aide d'exemples concrets que l'environnement a une influence sur la présence d'êtres vivants et vice versa;
  
11démontrer à l'aide d'un exemple concret que l'homme influence la nature et l'environnement et que les équilibres écologiques peuvent, de ce fait, être modifiés;
  
12illustrer à l'aide d'exemples concrets des changements d'état perceptibles de matières de la nature non vivante;
  
13indiquer la différence entre les sels, les acides et les bases;
  
14exprimer les principales propriétés des sels, acides et bases;
  
15exprimer l'importance des indicateurs;
  
16décrire le fonctionnement de quelques substances d'indicateurs;
  
17distinguer la constatation exacte de la simple observation;
  
18comprendre les lourdes conséquences d'un usage peu judicieux des substances (lors des expérimentations);
  
19comprendre la cohérence entre les propriétés observables depuis l'extérieur d'une substance et son fonctionnement sur l'organisme humain; (*)
  
20se rappeler précisément les expériences réalisées afin de restituer le bon ordre des opérations et des observations;
  
21adopter une attitude investigatrice :
  
22en retardant son jugement et en se laissant d'abord guider par les phénomènes qui se produisent; (*)
  
23en travaillant avec des outils scientifiques, entre autres le microscope;
  
24en ordonnant et en comparant mutuellement les données d'observation;
  
25en déduisant, avec l'accompagnement du professeur, les récursivités généralement admises des observations réalisées;
  
26en agissant de manière écologique avec les produits et les matériaux; (*)
  
27établir le lien entre l'importance de la biodiversité, la pénurie de matières premières et de combustibles fossiles et un style de vie durable.
-
1indiquer, chez une plante à fleur, les fonctions de la racine, la tige, la feuille et la fleur;
2décrire, chez l'homme, la morphologie du corps, le fonctionnement et les relations entre les systèmes digestif, respiratoire, le sang, l'appareil circulatoire et le système excrétoire;
3décrire l'importance du métabolisme pour le maintien du corps humain;
4nommer, chez l'homme, les parties du système de reproduction, décrire comment se fait la reproduction, indiquer les modes de régulation de la reproduction et de prévention des maladies sexuellement transmissibles;
5décrire la constitution du squelette, les articulations, les muscles et le fonctionnement de l'appareil locomoteur;
6décrire la spécificité des différentes substances nutritives à l'aide d'une expérience;
7déduire des observations que des matières sont formées dans des plantes sous l'influence de la lumière et avec des matières du sol et de l'air;
8indiquer, au moyen d'exemples concrets, que les organismes sont adaptés de diverses manières à leur environnement;
9démontrer à l'aide d'un exemple concret d'un biotope que les organismes forment une communauté de vie dans laquelle des relations alimentaires se présentent;
10démontrer à l'aide d'exemples concrets que l'environnement a une influence sur la présence d'êtres vivants et vice versa;
11démontrer à l'aide d'un exemple concret que l'homme influence la nature et l'environnement et que les équilibres écologiques peuvent, de ce fait, être modifiés;
12illustrer à l'aide d'exemples concrets des changements d'état perceptibles de matières de la nature non vivante;
13indiquer la différence entre les sels, les acides et les bases;
14exprimer les principales propriétés des sels, acides et bases;
15exprimer l'importance des indicateurs;
16décrire le fonctionnement de quelques substances d'indicateurs;
17distinguer la constatation exacte de la simple observation;
18comprendre les lourdes conséquences d'un usage peu judicieux des substances (lors des expérimentations);
19comprendre la cohérence entre les propriétés observables depuis l'extérieur d'une substance et son fonctionnement sur l'organisme humain; (*)
20se rappeler précisément les expériences réalisées afin de restituer le bon ordre des opérations et des observations;
21adopter une attitude investigatrice :
22en retardant son jugement et en se laissant d'abord guider par les phénomènes qui se produisent; (*)
23en travaillant avec des outils scientifiques, entre autres le microscope;
24en ordonnant et en comparant mutuellement les données d'observation;
25en déduisant, avec l'accompagnement du professeur, les récursivités généralement admises des observations réalisées;
26en agissant de manière écologique avec les produits et les matériaux; (*)
27établir le lien entre l'importance de la biodiversité, la pénurie de matières premières et de combustibles fossiles et un style de vie durable.
-
  * Les attitudes ont été marquées d'un astérisque (*).
-
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N2. Bijlage 2. - Eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels) eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  De leeftijdsgerichte ontwikkeling :
  De steinerscholen hebben sinds het ontstaan van de steinerpedagogie in 1919 het vreemdetalenonderwijs hoog in hun vaandel geschreven en wereldwijd worden er in de steiner/Waldorfscholen in de mate van het mogelijke twee vreemde talen aangeleerd vanaf de leeftijd van 6 à 7 jaar. (1) De principes van het vreemdetalenonderwijs in de steinerscholen sluiten dus aan bij de aanbevelingen van de Europese Raad van Barcelona maart 2002, toen de staatshoofden en regeringsleiders (2) aandrongen op het onderwijzen van ten minste twee vreemde talen en dat vanaf zeer jonge leeftijd. Ook de langetermijndoelstelling van de Commissie die erin bestaat de individuele meertaligheid te bevorderen opdat alle burgers beschikken over praktische vaardigheden in ten minste twee vreemde talen wordt door de steinerscholen onderschreven (3). Ook in het onlangs gestarte beroepsonderwijs met steinerpedagogie zijn twee vreemde talen in het leerplan van het vak project algemene vakken opgenomen.
  Zoals reeds beschreven in de algemene motivering voor vervangende eindtermen voor de steinerscholen en zoals reeds gemotiveerd in de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs uit 1997 (4) gaat men bij het vreemdetalenonderwijs eveneens uit van de leeftijdsgerichte ontwikkeling.
  In de kleuterschool leggen de leerlingen de basis voor het mondelinge gebruik van hun moedertaal. In de eerste jaren van de lagere school leggen ze de basis voor het schriftelijk taalgebruik van de moedertaal. Vermits men dan nog kan profiteren van de gevoelige periode voor het verwerven van een vreemde taal, kan in die jaren de mondelinge basis gelegd worden. In de laatste jaren van de lagere school kan men starten met het schriftbeeld in de vreemde taal. Ook de eerste eenvoudige grammaticale elementen zijn hier op z'n plaats in aansluiting met het moedertaalonderwijs. Rond de leeftijd van 12 jaar komt de grammatica in de vreemde taal meer aan bod. Het verschaft de leerling in de prepuberteit wat houvast, structuur en objectiviteit. Er wordt daarbij voortgebouwd op de basis die in de lagere klassen werd gelegd. Verschillende grammaticale structuren en vaste zinsconstructie werden immers al veelvuldig geoefend d.m.v. recitatie, spelvormen en dialoog. Wat voorheen onbewust werd opgenomen wordt nu bewust gemaakt en verklaard.
  In de eerste graad en tweede graad secundair onderwijs ligt het accent sterk op de verwerving van de taal tot op een niveau dat de leerling er zich in thuis voelt. Dat vraagt, naast oefening in communicatie, om heel wat lexicale en grammaticale kennis. In de derde graad gaat het accent liggen op het werkelijk inzetten van de taal in een reële context van spreken en schrijven. Het literatuuronderwijs van de vreemde taal krijgt een daarbij een belangrijke plaats toebedeeld.
  TOELICHTING
  In de lijn van het Europese Referentiekader voor Talen wordt ook in de eigen eindtermen voor de steinerscholen de vaardigheid spreken opgesplitst in 'spreken' en 'mondelinge interactie' zodat er nu vijf vaardigheden zijn in plaats van vier. Uiteraard onderschrijven de steinerscholen eveneens dat veel communicatiesituaties alleen op een vrij kunstmatige wijze aan één van deze vaardigheidsdomeinen worden toegewezen.
  Voor de eindtermen van het secundair onderwijs is zowel de structurering als het gros van de door de overheid bepaalde eindtermen overgenomen. Er is wel een rubriek " beleving van taalrijkdom " aan toegevoegd.
  Toevoeging van de rubriek " beleving van taalrijkdom "
  Hoewel het strikt genomen geen vaardigheid genoemd kan worden, en het eerder over het ervaren van de eigenheid van de andere taal gaat, voegen de steinerscholen onder een nieuwe rubriek " beleving van taalrijkdom " een aantal eindtermen toe. Dit heeft enerzijds consequenties voor het soort teksten dat men gebruikt in het vreemdetalenonderwijs en anderzijds heeft het een band met (inter)culturele gerichtheid of de culturele component. De steinerscholen delen de bekommernis van de overheid zoals uitgedrukt in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen :
  " Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (5)
  De steinerpedagogie wil aan al het bovenstaande nog een dimensie toevoegen. In essentie communiceren niet de culturen met elkaar maar wel individuen met een verschillende culturele achtergrond. Leerlingen in contact brengen met een vreemde taal is de manier bij uitstek om openheid en interesse voor het 'andere dan ik zelf' te wekken en te ontwikkelen; een pedagogische opdracht die van het grootste belang is in onze tijd.
  Taal is sowieso meer dan louter een zakelijk communicatiemiddel en communicatie is meer dan taal. Dit gegeven heeft consequenties voor de visie op vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen. Naast communicatiemiddel is een taal dan ook een drager van het cultureel erfgoed van een volk. Taal, als organisch en levend cultuurgoed, mogen we gerust beschouwen als het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van de mens. Het weerspiegelt in zijn eigenheid de nuances van hoe de realiteit beleefd wordt door de mens die deze taal spreekt. Taal is a.h.w. een kunstig bouwsel van een diepliggende cultuur en geaardheid. Een vreemde taal leren, als een organisch en levend cultuurgoed, is dus een middel om die cultuur en geaardheid niet oordelend tegemoet te treden. De vreemde taal verbindt ons zo met houdingen, conventies, waarden, denken als uitdrukkingen van een specifieke cultuur.
  Meer dan de gewone informatieve, prescriptieve en narratieve teksten zijn artistiek-literaire teksten uitingen van de 'levende taal' en middel bij uitstek om zich diepgaand te verbinden met andere culturen. Deze artistiek-literaire teksten kunnen een uiteenlopende moeilijkheidsgraad hebben van eenvoudige kinderpoëzie en rijmpjes tot grote literaire romans en epische gedichten of theaterteksten. Als men de literaire tekst via dramatische werkvormen in de klas kan brengen, komt de vreemde taal op een unieke manier tot leven. Literatuur was in de eerste plaats een orale kunst. Via taalbeleving in een vreemde taal komt men tot het beleven van het eigene van de cultuur van de andere. Daarom kiezen de steinerscholen ervoor om ook een rubriek beleving van taalrijkdom aan de eindtermen toe te voegen. De teksten die men voor deze eindtermen gebruikt, beperken zich niet tot het niveau beschreven voor de teksten van de andere rubrieken.
  Taaltaak en tekst
  De steinerscholen volgen eveneens de betekenis van het woord " tekst " zoals in de definitie van de Raad van Europa het geval is, waarbij 'tekst' verwijst naar elke boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel mondeling als schriftelijk.
  Ook het hierna geciteerde uit de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen is van toepassing voor de steinerscholen :
  " Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (6)
  Tekstsoorten en tekstkenmerken
  Voor de tekstsoorten en tekstkenmerken hanteren de steinerscholen eigen criteria omdat de artistiek-literaire teksten zoals hierboven beschreven een grote rol spelen in het vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen.
  Enerzijds kunnen de steinerscholen eveneens de volgende omschrijvingen hanteren voor hun eindtermen :
  " Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :
Art. N2. Annexe 2. - Objectifs finaux langues étrangères modernes (Français/Anglais) premier degré (Filière A) enseignement secondaire
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Le développement axé sur l'âge :
  Depuis la création de la pédagogie Steiner en 1919, les écoles Steiner ont prôné l'enseignement des langues étrangères et dans le monde, les écoles Steiner/Waldorf enseignent dans la mesure du possible deux langues étrangères dès l'âge de 6 à 7 ans. (1) Les principes de l'enseignement des langues étrangères dans les écoles Steiner adhèrent donc aux recommandations du Conseil européen de Barcelone de mars 2002, lorsque les chefs d'Etat et de gouvernement (2) ont insisté sur l'enseignement d'au moins deux langues étrangères, dès le plus jeune âge. Les écoles Steiner souscrivent à l'objectif à long terme de la Commission visant à favoriser le plurilinguisme individuel pour que tous les citoyens disposent de compétences pratiques dans au moins deux langues étrangères (3) L'enseignement professionnel récemment lancé avec la pédagogie Steiner reprend lui aussi deux langues étrangères dans le plan d'apprentissage des branches générales.
  Tel que décrit dans la motivation générale pour les objectifs finaux de remplacement pour les écoles Steiner et comme motivé dans la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux dans l'enseignement fondamental ordinaire de 1997 (4), on part aussi pour l'enseignement des langues étrangères du développement axé sur l'âge.
  A l'école maternelle, les élèves jettent les bases pour l'usage oral de leur langue maternelle. Durant les premières années de l'école primaire, ils jettent les bases pour l'usage écrit de leur langue maternelle. Puisque l'on peut profiter de la période réceptive pour l'acquisition d'une langue étrangère, les bases orales peuvent être jetées durant ces années. Au cours des dernières années de l'école primaire, on peut commencer le graphisme dans la langue étrangère. Les premiers éléments grammaticaux simples sont aussi à leur place, parallèlement à l'enseignement de la langue maternelle. Vers l'âge de douze ans, la grammaire dans la langue étrangère est plus abordée. Elle offre à l'élève à la prépuberté une structure, un repère et de l'objectivité. On développe pour cela les bases acquises durant les classes de primaire. Plusieurs structures grammaticales et des constructions de phrase fixes ont en effet fait l'objet de divers exercices, notamment via des récitations, des dialogues ou encore des formes ludiques. Ce qui a auparavant été appris inconsciemment est expliqué et on en prend conscience.
  Durant le premier et le deuxième degré de l'enseignement secondaire, l'accent est fortement mis sur l'acquisition de la langue jusqu'à un niveau auquel l'élève se sente à l'aise. Cela demande, outre l'exercice dans la Communication, de nombreuses connaissances grammaticales et lexicales. Au troisième degré, l'accent est mis sur l'application effective de la langue dans un contexte réel de discussion et d'écriture. L'enseignement de la littérature de la langue étrangère y bénéficie d'une place importante.
  COMMENTAIRE
  Conformément au Cadre de référence européen pour les Langues, dans les objectifs finaux propres des écoles Steiner, la compétence de l'expression est subdivisée en "expression" et "interaction orale", de sorte qu'il existe à présent cinq et non plus quatre compétences. Les écoles Steiner souscrivent en effet à l'idée que de nombreuses situations de communication ne sont attribuées que de manière assez artificielle à l'un de ces domaines de compétence.
  En ce qui concerne les objectifs finaux de l'enseignement secondaire, tant la structuration que la coopération transfrontalière des objectifs finaux définis par les autorités sont reprises. Une rubrique "expérience de la richesse langagière" est ajoutée.
  Ajout de la rubrique "expérience de la richesse langagière"
  Bien que l'on ne puisse pas parler d'une compétence au sens strict et qu'il s'agisse plutôt de l'expérience du caractère propre de l'autre langue, les écoles Steiner ajoutent plusieurs objectifs finaux sous une nouvelle rubrique appelée "expérience de la richesse langagière". Cela a d'une part des conséquences pour le type de textes que l'on utilise dans l'enseignement des langues étrangères et d'autre part, cela a un lien avec l'orientation (inter)culturelle ou la composante culturelle. Les écoles Steiner partagent les inquiétudes des pouvoirs publics, comme exprimé dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics pour les langues étrangères :

  
  
obij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
  
obij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;
  
obij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;
  
obij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
  
obij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is. "

  
  
 "Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle". (5)
obij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
obij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;
obij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;
obij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
obij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is. "
"Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle". (5)
  Anderzijds wordt er met name door de rubriek " beleving van taalrijkdom " er aan toe te voegen een eigen accent gelegd.
  Ook voor de tekstkenmerken worden eigen keuzes gemaakt. Zo krijgen elementen die buiten de eigen leefwereld liggen een grotere aandacht. Het belangrijkste criterium voor een tekst op niveau van de leerlingen binnen de steinerpedagogie, is dat de leerlingen er zich innerlijk mee kunnen verbinden. Wat tot deze innerlijke verbinding leidt, kan soms ook buiten de leefwereld van de leerlingen in stricto senso behoren. Verder wordt er in de steinerscholen een grote waarde gehecht aan de ontwikkeling van het innerlijk van de leerlingen door aandacht te besteden aan de morele en beeldende waarde van de teksten.
  Voor de basisschool kiezen de steinerscholen ervoor om de tekstkenmerken niet apart uit te splitsen maar vanaf de eerste graad nemen de steinerscholen de structurering van de door de overheid bepaalde eindtermen over, inclusief het vooraf bepalen van de tekstsoorten. Een uitzondering moet gemaakt worden voor de rubriek " beleven van taalrijkdom " waar ook voor het secundair onderwijs wordt afgeweken van het bepalen van tekstsoort en tekstniveau.
  Verwerkingsniveaus
  De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveau's zoals beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel 'kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er vooral in de basisschool maar vaak ook in de secundaire scholen grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijnen nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden. Stijloefeningen zoals het nabootsen van de schrijfstijl van een bepaalde schrijver, vragen om een hoge beheersing van de taal. Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze verhoging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men gemakkelijker spontaan in de vreemde taal durft te spreken.
  Verder wordt in de steinerschool vaak kunstzinnige werkvormen als evenwaardige verwerkingsvormen gezien op een beschrijvend niveau. Dat wat door de leerling innerlijk werd opgenomen wordt in zekere zin beschrijvend weergegeven. Er heeft dan, in tegenstelling tot de omschrijving van het verwerkingsniveau 'beschrijven' in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen, wel al enige vorm van transformatie plaats gevonden.
  Gebruik van digitale media
  Het gebruik van digitale media wordt aangepast aan de eigen vakoverschrijdende eindtermen ICT.
  Het Europees referentiekader MVT
  De steinerscholen voeren ook de koppeling met het Europees Referentiekader door zoals weergegeven in de hierna volgende tabel :
  La pédagogie Steiner pédagogie veut ajouter encore une dimension à tous les éléments susmentionnés. Les cultures ne communiquent essentiellement pas entre elles, mais bien les individus avec un contexte culturel différent. Faire entrer les élèves en contact avec une langue étrangère est la manière par excellence de développer et susciter l'intérêt et l'ouverture pour "l'autre"; une mission pédagogique qui est de la plus haute importance à notre époque.
  La langue est bien plus qu'un simple moyen de communication professionnel et la communication ne se limite pas à la langue. Ces données ont des conséquences pour la vision sur l'enseignement de la langue étrangère des écoles Steiner. Outre le moyen de communication, la langue est aussi un support du patrimoine culturel d'un peuple. La langue, en tant que bien culturel vivant et organique, peut être considérée comme le principal moyen de communication de l'homme. Elle reflète dans son caractère propre les nuances de la manière dont la réalité est vécue par l'homme qui parle cette langue. La langue est pour ainsi dire une construction artificielle d'une nature et d'une culture profondes. Apprendre une langue étrangère, comme un bien culturel vivant et organique, est donc un moyen d'aller à la rencontre de cette culture et de cette nature sans aucun jugement. La langue étrangère nous engage avec des attitudes, des conventions, des valeurs, des réflexions comme des expressions d'une culture spécifique.
  Plus que les textes informatifs, prescriptifs et narratifs ordinaires, les textes artistiques et littéraires sont des expressions de la "langue vivante" et le moyen par excellence de rejoindre en profondeur d'autres cultures. Ces textes artistiques et littéraires peuvent présenter divers degrés de difficulté, de la simple poésie infantile et des couplets aux grands romans littéraires et aux poésies épiques ou aux textes théâtraux. Si l'on peut introduire le texte littéraire via des formes de travail dramatiques dans la classe, la langue étrangère prend vie de manière unique. La littérature était tout d'abord un art oral. Grâce à l'expérience linguistique dans une langue étrangère, on vit le caractère propre de la culture des autres. C'est pourquoi les écoles Steiner optent pour l'ajout d'une rubrique "expérience de la richesse langagière" dans les objectifs finaux. Les textes que l'on utilise pour ces objectifs finaux ne se limitent pas au niveau décrit pour les textes des autres rubriques.
  Tâche langagière et texte
  Les écoles Steiner suivent la signification du terme "texte" telle que définie par le Conseil de l'Europe, ou "texte" renvoie à tout message produit ou reçu par les élèves, qu'il soit oral ou écrit.
  Le paragraphe suivant, tiré des principes des objectifs finaux pour les langues étrangères fixés par les pouvoirs publics, est d'application pour les écoles Steiner :

  
  
 LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
  
baoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
  
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1

  
  
 "Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtriser les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant" (6).
LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
baoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
"Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtriser les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant" (6).
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten, tekstkenmerken en strategieën
  LUISTEREN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o zonder storende achtergrondgeluiden
  o met en zonder visuele ondersteuning
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen
  o elementaire tekststructuur
  o korte teksten
  o ook met redundante informatie
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o duidelijke, natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o langzaam tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o eenduidig in de context
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Types de textes et caractéristiques des textes
  En ce qui concerne les types de texte et les caractéristiques de texte, les écoles Steiner utilisent leurs propres critères car les textes artistiques et littéraires tels que décrits ci-dessus jouent un rôle important dans l'enseignement des langues étrangères des écoles Steiner.
  Les écoles Steiner peuvent d'une part utiliser les descriptions suivantes pour leurs objectifs finaux :
  "Ces types de texte sont décrits sur la base de ce que l'on considère comme étant la caractéristique la plus dominante du texte :
  o pour les textes informatifs, la transmission des informations;
  o pour les textes prescriptifs, la direction directe des actes du destinataire;
  o pour les textes narratifs, la restitution contée des faits et événements;
  o pour les textes argumentatifs, le développement d'un raisonnement;
  o pour les textes artistiques et littéraires, le fait que la composante esthétique soit explicitement présente".
  D'autre part, un accent propre est mis en ajoutant notamment la rubrique "expérience de la richesse langagière".
  Des choix propres sont aussi opérés pour les caractéristiques des textes. Les éléments qui s'inscrivent en dehors de l'environnement propre bénéficient d'une plus grande attention. Le principal critère pour un texte au niveau des élèves dans la pédagogie Steiner est que les élèves puissent intimement s'y associer. Ce qui amène cette liaison intrinsèque peut parfois ne pas faire partie de l'environnement des élèves au sens strict. Les écoles Steiner accordent beaucoup de valeur au développement de l'esprit des élèves en accordant de l'attention aux valeurs morales et imagées des textes.
  Pour l'école fondamentale, les écoles Steiner choisissent de ne pas scinder les caractéristiques des textes, mais à partir du premier degré, les écoles Steiner reprennent la structure des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, dont la définition préalable des types de texte. Une exception doit être faite pour la rubrique "expérience de la richesse langagière", ou l'on s'écarte également pour l'enseignement secondaire de la définition du type de texte et du niveau de texte.
  Niveaux d'assimilation
  Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente par rapport aux niveaux d'assimilation, tels que décrits dans les principes des pouvoirs publics. Bien que le "copiage" soit considéré dans ces principes comme étant le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur, surtout dans l'enseignement fondamental, mais aussi dans les écoles secondaires. Copier ou imiter est plus qu'une simple reproduction. En imitant, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Ils peuvent assimiler des nuances plus fines au niveau des sentiments, se représenter des images intérieures et un enregistrement certain est assuré dans la mémoire. S'il s'agit notamment de textes littéraires, cette imitation peut offrir une plus-value jusque dans les classes supérieures de l'enseignement secondaire. Les exercices de style comme l'imitation du style d'écriture d'un certain écrivain demandent une grande maîtrise de la langue. Apprendre par coeur les textes théâtraux dans le cadre d'une représentation peut, une fois la représentation terminée, entraîner une importante augmentation de la confiance en soi, de sorte que l'on osera plus facilement s'exprimer spontanément dans la langue étrangère.
  Dans les écoles Steiner, les formes de travail artistiques sont souvent considérées comme des formes d'assimilation équivalentes à un niveau descriptif. Ce que l'élève assimile intérieurement est restitué de manière descriptive. Contrairement à la définition du niveau d'assimilation de la "description" dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, une forme de transformation a eu lieu.
  Utilisation des médias numériques
  L'utilisation des médias numériques est adaptée aux objectifs finaux interdisciplinaires propres des TIC.
  Le cadre de référence européen MVT
  Les écoles Steiner réalisent aussi l'association avec le Cadre de Référence européen, comme indiqué dans le tableau suivant :

  
  
1het onderwerp bepalen in informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
  
2de hoofdgedachte achterhalen in informatieve en narratieve teksten;
  
3de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
4informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
5de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve en narratieve teksten.
  
6 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
 EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
  
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 ESGA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 ESPA 1A 1Pas d'ETA 1A 1A 1
  
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3 ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
1het onderwerp bepalen in informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
2de hoofdgedachte achterhalen in informatieve en narratieve teksten;
3de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
4informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
5de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve en narratieve teksten.
6 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 ESGA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 ESPA 1A 1Pas d'ETA 1A 1A 1
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3 ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
  O zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  O het luisterdoel bepalen;
  O gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief materiaal;
  O hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;
  O de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  O de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context.
  LEZEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o ook met socio-culturele aspecten van de Franstalige/Engelstalige wereld
  * Structuur/Samenhang/Lengte
  o enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen
  o elementaire tekststructuur
  o vrij korte teksten
  o ook met redundante informatie
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o eenduidig in de context
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Tâches langagières, niveaux d'assimilation, types de textes, caractéristiques de textes et stratégies
  ECOUTER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o sans bruits de fonds incommodants
  o avec ou sans support visuel
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples et simples phrases composées
  o structure textuelle élémentaire
  o textes courts
  o également pourvus d'informations redondantes
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation claire, naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o rythme lent
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o univoque dans le contexte
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
7het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
  
8de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek literaire teksten;
  
9de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
10informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
11de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve en narratieve teksten.
  
12Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
1déterminer le sujet dans des textes informatifs, narratifs et artistiques-littéraires;
  
2identifier l'idée principale dans des textes informatifs et narratifs;
  
3suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
4sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
5reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs.
  
6 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
7het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
8de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek literaire teksten;
9de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
10informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
11de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve en narratieve teksten.
12Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
1déterminer le sujet dans des textes informatifs, narratifs et artistiques-littéraires;
2identifier l'idée principale dans des textes informatifs et narratifs;
3suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
4sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
5reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs.
6 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  O zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  O herlezen wat onduidelijk is;
  O het leesdoel bepalen;
  O gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
  O een woordenlijst of een woordenboek raadplegen;
  O de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  O de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context.
  SPREKEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o Structuur/Samenhang/Lengte
  o eenvoudige zinnen
  o elementaire tekststructuur
  o korte teksten
  o Uitspraak, articulatie, intonatie
  o met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  o Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
  o langzaam tempo
  o Woordenschat en taalvariëteit
  o relevante woorden uit de woordvelden
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken kopiërend uitvoeren :
  O continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  O déterminer l'objectif de l'écoute;
  O utiliser des supports visuels et auditifs;
  O former des hypothèses sur le contenu du texte;
  O déduire le sens probable de mots transparents;
  O déduire du contexte le sens probable de mots inconnus.
  LIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  o également avec les aspects socioculturels du monde francophone/anglophone
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples et simples phrases composées
  o structure textuelle élémentaire
  o textes assez courts
  o également pourvus d'informations redondantes
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o univoque dans le contexte
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
13vooraf beluisterde en gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiekliteraire teksten luidop lezen;
  
14vooraf gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten luidop lezen.

  
  
7déterminer le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires;
13vooraf beluisterde en gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiekliteraire teksten luidop lezen;
14vooraf gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten luidop lezen.
7déterminer le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires;
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Texte :

  
  
15vooraf gekende informatie uit informatieve en narratieve teksten meedelen;
  
16uit informatieve en narratieve teksten een gebeurtenis, een verhaal navertellen met ondersteuning van sleutelwoorden of met visuele ondersteuning;
  
17een spontane mening geven;
  
18een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand beschrijven met ondersteuning van sleutelwoorden of met visuele ondersteuning;
  
19gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies

  
  
8identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; textes littéraires;
  
9suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
10sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
11reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs.
  
12Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
15vooraf gekende informatie uit informatieve en narratieve teksten meedelen;
16uit informatieve en narratieve teksten een gebeurtenis, een verhaal navertellen met ondersteuning van sleutelwoorden of met visuele ondersteuning;
17een spontane mening geven;
18een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand beschrijven met ondersteuning van sleutelwoorden of met visuele ondersteuning;
19gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies
8identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; textes littéraires;
9suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
10sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
11reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs.
12Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  o relire ce qui n'est pas clair;
  o définir l'objectif de lecture;
  o utiliser des supports visuels;
  o consulter un glossaire ou un dictionnaire;
  o déduire le sens probable de mots transparents;
  o déduire du contexte le sens probable de mots inconnus.
  PARLER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples
  o structure textuelle élémentaire
  o textes courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  o chercher à s'exprimer avec une prononciation claire, une articulation soigneuse et une intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions éventuelles et des interruptions plus longues
  o rythme lent
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots pertinents des champs lexicaux
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en reproduisant :

  
  
20aan de hand van sleutelwoorden een verwerkte tekst bondig weergeven;
  
21aan de hand van sleutelwoorden bondig verslag uitbrengen over een gebeurtenis;
  
22een voorbereide informatie presenteren aan de hand van een format.
  
23 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
13lire à haute voix des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires écoutés et lus au préalable;
  
 lire des textes littéraires;
  
14lire à haute voix des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires lus au préalable.
20aan de hand van sleutelwoorden een verwerkte tekst bondig weergeven;
21aan de hand van sleutelwoorden bondig verslag uitbrengen over een gebeurtenis;
22een voorbereide informatie presenteren aan de hand van een format.
23 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
13lire à haute voix des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires écoutés et lus au préalable;
lire des textes littéraires;
14lire à haute voix des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires lus au préalable.
  O zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  O het spreekdoel bepalen;
  O gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
  O gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
  O iets op een andere wijze zeggen;
  O de boodschap beperken tot of aanpassen aan wat zij echt kunnen uitdrukken.
  MONDELINGE INTERACTIE
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o eenvoudige zinnen
  o elementaire tekststructuur
  o korte teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
  o langzaam tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o relevante woorden uit de woordvelden
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
24 deelnemen aan een gesprek door :
  
 - vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen;
  
 - erop te reageren;
  
 - zelf vragen te stellen, antwoorden te geven en uitspraken te doen;
  
25 een eenvoudig gesprek beginnen, voeren en afsluiten;
  
26 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
  
27 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
15communiquer des informations connues des textes informatifs et narratifs;
  
16restituer une histoire, un événement, à partir de textes informatifs et narratifs, en se basant sur des mots clés ou avec un support visuel;
  
17donner son opinion spontanée;
  
18décrire un événement, une histoire, une chose ou une personne en s'aidant de mots-clés ou de supports visuels; le plus souvent avec un support visuel;
  
19respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
24 deelnemen aan een gesprek door :
- vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen;
- erop te reageren;
- zelf vragen te stellen, antwoorden te geven en uitspraken te doen;
25 een eenvoudig gesprek beginnen, voeren en afsluiten;
26 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
27 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
15communiquer des informations connues des textes informatifs et narratifs;
16restituer une histoire, un événement, à partir de textes informatifs et narratifs, en se basant sur des mots clés ou avec un support visuel;
17donner son opinion spontanée;
18décrire un événement, une histoire, une chose ou une personne en s'aidant de mots-clés ou de supports visuels; le plus souvent avec un support visuel;
19respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
  o het doel van de interactie bepalen;
  o gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
  o ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap overbrengen;
  o vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen, iets aan te wijzen;
  o iets op een andere wijze zeggen;
  o gedeeltelijk herhalen wat iemand zegt of iets aanwijzen om wederzijds begrip na te gaan.
  SCHRIJVEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  - Onderwerp
  concreet
  eigen leefwereld en dagelijks leven
  - Taalgebruiksituatie
  concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  - Structuur/Samenhang/Lengte
  eenvoudige zinnen
  eenvoudige en duidelijke tekststructuur
  korte teksten
  - Woordenschat en taalvariëteit
  relevante woorden uit de woordvelden
  standaardtaal
  informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
28 inlichtingen verstrekken op eenvoudige formulieren;
  
29 een tekst schrijven over een in de klas behandeld onderwerp met behulp van sleutelwoorden;
  
30 een bericht opstellen met behulp van een voorbeeld;
  
31 een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand beschrijven door middel van een opsomming in korte zinnen;
  
32 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.

  
  
20présenter un texte assimilé de façon concise et à l'aide de mots-clés;
  
21rapporter un événement de façon concise et à l'aide de mots-clés;
  
22présenter des informations préparées à l'aide d'un format.
  
23 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
28 inlichtingen verstrekken op eenvoudige formulieren;
29 een tekst schrijven over een in de klas behandeld onderwerp met behulp van sleutelwoorden;
30 een bericht opstellen met behulp van een voorbeeld;
31 een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand beschrijven door middel van een opsomming in korte zinnen;
32 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
20présenter un texte assimilé de façon concise et à l'aide de mots-clés;
21rapporter un événement de façon concise et à l'aide de mots-clés;
22présenter des informations préparées à l'aide d'un format.
23 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  O continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  O déterminer l'objectif de l'acte de parole;
  O utiliser le langage corporel pour supporter la communication;
  O utiliser des supports visuels;
  O dire quelque chose d'une autre façon;
  O limiter ou adapter le message à ce qu'ils peuvent réellement exprimer.
  INTERACTION ORALE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples
  o structure textuelle élémentaire
  o textes courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  o chercher à s'exprimer avec une prononciation claire, une articulation soigneuse et une intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions éventuelles et des interruptions plus longues
  o rythme lent
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots pertinents des champs lexicaux
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes :

  
  
33 persoonlijke, ook digitale correspondentie voeren met behulp van een voorbeeld.
  
34 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
  
 - zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  
 - het schrijfdoel bepalen;
  
 - gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
  
 - gebruik maken van een woordenlijst of een woordenboek;
  
 - principes van lay-out toepassen;
  
 - de eigen tekst nakijken.

  
  
24 participer à une conversation en :
  
 - comprenant des questions, réponses et énoncés;
  
 - en y réagissant;
  
 - en posant eux-mêmes des questions, en donnant des réponses et en avançant des propos;
  
25 engager, soutenir et terminer une simple conversation;
  
26 respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
  
27 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
33 persoonlijke, ook digitale correspondentie voeren met behulp van een voorbeeld.
34 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
- het schrijfdoel bepalen;
- gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
- gebruik maken van een woordenlijst of een woordenboek;
- principes van lay-out toepassen;
- de eigen tekst nakijken.
24 participer à une conversation en :
- comprenant des questions, réponses et énoncés;
- en y réagissant;
- en posant eux-mêmes des questions, en donnant des réponses et en avançant des propos;
25 engager, soutenir et terminer une simple conversation;
26 respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
27 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  Kennis, beleving van taalrijkdom en attitudes
  KENNIS
  O continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  pouvoir s'exprimer;
  O définir le but de l'interaction;
  O utiliser le langage corporel pour supporter la communication;
  O transmettre le message correcte par des descriptions en dépit des difficultés;
  transfert
  O demander de parler plus lentement, de répéter quelque chose, d'indiquer quelque chose;
  O dire quelque chose d'une autre façon;
  O de répéter en partie ce qu'une personne dit ou indiquer quelque chose pour vérifier si le message est compréhensible pour tous les deux;
  comprendre une notion.
  ECRIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  - Objet
  concret
  propre environnement de vie et vie quotidienne
  - Situation langagière
  situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  - Structure/Cohésion/Longueur
  phrases simples
  structure textuelle simple et claire
  textes courts
  - Vocabulaire et variété langagière
  mots pertinents des champs lexicaux
  langue standard
  informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
35 Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen de volgende lexicale en grammaticale elementen functioneel inzetten :

  
  
28 fournir des renseignements sur des formulaires simples;
  
29 rédiger un texte sur un sujet traité en classe à l'aide de mots-clés;
  
30 rédiger un message à l'aide d'un exemple;
  
31 décrire un fait, une histoire, quelque chose ou quelqu'un par la voie d'une énumération en phrases courtes;
  
32 respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
35 Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen de volgende lexicale en grammaticale elementen functioneel inzetten :
28 fournir des renseignements sur des formulaires simples;
29 rédiger un texte sur un sujet traité en classe à l'aide de mots-clés;
30 rédiger un message à l'aide d'un exemple;
31 décrire un fait, une histoire, quelque chose ou quelqu'un par la voie d'une énumération en phrases courtes;
32 respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
  Voor Engels :
  a) vorm, betekenis en reëel gebruik in context van woorden en woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de taalgebruiksituaties vereisen :
  o persoonlijke gegevens (zoals naam, leeftijd, adres, telefoon, dichte familie, kleding, lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren)
  o dagelijks leven (zoals huis, school, klas, schoolmateriaal, kleuren)
  o relatie tot de anderen (zoals zich voorstellen, iemand voorstellen, begroeten, bedanken, beleefdheidsrituelen bij ontmoetingen)
  o tijd, ruimte, natuur (zoals jaar, seizoenen, maanden, dagen, uuraanduidingen, tijdmarkeerders, feesten, dieren, planten, het weer.)
  o functiewoorden : voorzetsels en voegwoorden
  o hoeveelheidaanduidingen : hoofdtelwoorden en frequente rangtelwoorden.
  b) De grammaticale en complementaire lexicale kennis om
  O Personen, dieren en zaken te benoemen
  o te verwijzen naar personen, dieren en zaken : Wat ?/Wie ?
  Zelfstandige naamwoorden : getal
  Lidwoorden : bepaald en onbepaald
  Voornaamwoorden : persoonlijk en bezittelijk
  o Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven
  Bijvoeglijke naamwoorden
  O Uitspraken te doen
  o Te bevestigen, te vragen en te ontkennen
  Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord
  Vragende woorden
  o Te situeren in de tijd
  Werkwoordsvormen en hulpwerkwoorden voor de communicatie in de tegenwoordige tijd
  Voor Frans :
  a) vorm, betekenis en reëel gebruik in context van woorden en woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de taalgebruiksituaties vereisen :
  o persoonlijke gegevens : (zoals naam, leeftijd, adres, telefoon, dichte familie, kleding, lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren)
  o dagelijks leven : (zoals huis, vrijetijdsbesteding, huishoudelijke taken, boodschappen doen, school, klas, de klasafspraken en -instructies, schoolmateriaal, het schoolleven, verplaatsingen, vakantie, boodschappen doen)
  o relatie tot de anderen : (zoals zich voorstellen, iemand voorstellen, begroeten, bedanken, feliciteren, beleefdheidsrituelen, gevoelens uitdrukken, excuses)
  o eten en drinken : (zoals wat men wel of niet graag eet of drinkt, de maaltijden, prijzen, menu's, dranken, gerechten)
  o tijd, ruimte, natuur : (zoals jaar, seizoenen, het weer, maanden, dagen, uuraanduidingen, tijdsmarkeerders, frequentie, chronologie van gebeurtenissen, feesten, reizen en verplaatsingen, landen, regio's, vegetatie, dieren. lokaliseren in tijd en ruimten
  o diensten en beroepen : (zoals post, bank, politie, gemeentehuis, ziekenhuis)
  o functiewoorden : voorzetsels en voegwoorden
  o hoeveelheidaanduidingen : hoofdtelwoorden en frequente rangtelwoorden.
  b) grammaticale constructies :
  o morfologisch domein
  zelfstandige naamwoorden : genus, getal, overeenkomst
  lidwoorden
  bijvoeglijk gebruikte woordsoorten
  o bijvoeglijke naamwoorden
  o bezittelijke voornaamwoorden
  o aanwijzende voornaamwoorden
  o vragende voornaamwoorden
  infinitieven
  werkwoordsvormen en de tijdmarkeerders i.f.v. communicatie in de tegenwoordige, verleden en toekomende tijd
  zeer frequente vormen van de " passé composé "
  de imperatief enkel receptief
  hulpwerkwoorden
  o syntactisch domein
  eenvoudige samengestelde bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp
  persoonlijke voornaamwoorden als lijdend en meewerkend voorwerp
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
36 De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties om zo hun functionele en ondersteunende kennis uit te breiden.

  
  
33 entretenir une correspondance personnelle et également numérique à l'aide d'un exemple.
  
34 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
36 De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties om zo hun functionele en ondersteunende kennis uit te breiden.
33 entretenir une correspondance personnelle et également numérique à l'aide d'un exemple.
34 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  BELEVING VAN TAALRIJKDOM
  De leerlingen beleven
  - continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  - déterminer l'objectif d'écriture;
  - recourir à un modèle ou un texte traité en classe;
  - recourir à un lexique ou un dictionnaire;
  - appliquer les principes de la mise en pages;
  - réviser le propre texte.
  Connaissances, expérience de la richesse langagière et attitudes
  CONNAISSANCE

  
  
37 *de klankrijkdom, specifieke intonatie en uitdrukkingen van het Frans en het Engels onder meer in literaire teksten;
  
38 *aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
  
39 *aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur;
  
40 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot een taalgemeenschap.

  
  
35 Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves sont capables d'utiliser fonctionnellement les éléments grammaticaux et lexicaux suivants :
37 *de klankrijkdom, specifieke intonatie en uitdrukkingen van het Frans en het Engels onder meer in literaire teksten;
38 *aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
39 *aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur;
40 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot een taalgemeenschap.
35 Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves sont capables d'utiliser fonctionnellement les éléments grammaticaux et lexicaux suivants :
  ATTITUDES
  De leerlingen werken aan de volgende attitudes :
  Pour l'anglais :

  
  
41* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans en in het Engels;
  
42* tonen bereidheid tot taalverzorging;
  
43* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socioculturele wereld van de taalgebruikers;
  
44* stellen zich open voor de esthetische component van teksten.

  
  
 a) la forme, le sens et l'usage réel dans un contexte de mots et de combinaisons de mots fréquents des domaines suivants : les champs lexicaux que les tâches langagières et les situations d'usage de la langue exigent :
41* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans en in het Engels;
42* tonen bereidheid tot taalverzorging;
43* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socioculturele wereld van de taalgebruikers;
44* stellen zich open voor de esthetische component van teksten.
a) la forme, le sens et l'usage réel dans un contexte de mots et de combinaisons de mots fréquents des domaines suivants : les champs lexicaux que les tâches langagières et les situations d'usage de la langue exigent :
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  o données personnelles (telles que le nom, l'âge, l'adresse, le téléphone, la famille proche, l'habillement, la santé, les parties du corps, les caractéristiques externes, les animaux domestiques)
  o la vie quotidienne (comme la maison, l'école, la classe, le matériel scolaire, les couleurs)
  o la relation avec les autres (comme se présenter, présenter quelqu'un, saluer, remercier, féliciter, rituels de politesse, exprimer des sentiments)
  o temps, espace, nature (comme l'année, les saisons, les mois, les jours, l'heure, les marqueurs temporels, les fêtes, les animaux, les plantes, le temps)
  o mots de fonction : prépositions et conjonctions
  o indications de quantité : nombres cardinaux et nombres ordinaux.
-

  
  
 b) Les connaissances grammaticales et lexicales complémentaires pour
-
b) Les connaissances grammaticales et lexicales complémentaires pour
-
  O Dénommer des personnes, animaux et objets
  o identifier des personnes, animaux et objets : Quoi ? / Qui ?
  Substantifs : nombre
  Articles : défini et indéfini
  Pronoms : personnel et possessif
  o Déterminer et décrire des personnes, animaux et objets
  Adjectifs
  O Produire des énoncés
  o Confirmer, demander et nier
  Phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  Accord entre sujet et verbe
  Mots interrogatifs
  o Situer dans le temps
  Formes des verbes et des verbes auxiliaires pour la communication dans le présent
  Pour le français :
-

  
  
a) la forme, le sens et l'usage réel dans un contexte de mots et de combinaisons de mots fréquents des domaines suivants :
  
 les champs lexicaux que les tâches langagières et les situations d'usage de la langue exigent :
-
a) la forme, le sens et l'usage réel dans un contexte de mots et de combinaisons de mots fréquents des domaines suivants :
les champs lexicaux que les tâches langagières et les situations d'usage de la langue exigent :
-
  O données personnelles : (telles que le nom, l'âge, l'adresse, le téléphone, la famille proche,
  les vêtements, les parties du corps, les caractéristiques extérieures, les animaux)
  O vie quotidienne : (comme la maison, les loisirs, les tâches ménagères, faire des courses, école, classe, consignes de classe, matériel didactique, vie scolaire, déplacements, vacances)
  O relation avec les autres : (se présenter, présenter quelqu'un, saluer, remercier, féliciter, rituels de politesse, exprimer des sentiments, présenter des excuses)
  O boire et manger : (ce qu'on aime ou n'aime pas boire ou manger, les repas, prix, menus, boissons, plats)
  O temps, espace et nature : (année, saisons, mois, temps, jours, indications de l'heure, marqueurs du temps, fréquence, chronologie des événements, fêtes, voyages et déplacements, pays, régions, végétation, animaux, localisation dans le temps et l'espace)
  O services et professions : (poste, banque, police, maison communale, hôpital)
  O mots de fonction : prépositions et conjonctions
  O indications de quantité : nombres ordinaux et nombres cardinaux.
-

  
  
b) constructions grammaticales :
  
 - domaine morphologique
-
b) constructions grammaticales :
- domaine morphologique
-
  substantifs : genre, nombre, accord
  articles
  catégories grammaticales utilisées comme adjectif
  o adjectifs
  o pronoms possessifs
  o pronoms démonstratifs
  o pronoms interrogatifs
  infinitifs
  Formes des verbes et les marqueurs temporels en fonction de la communication dans le présent, le passé et l'avenir
  formes très fréquentes du "passé composé"
  l'impératif uniquement réceptif
  verbes auxiliaires
  - domaine syntactique
  simples phrases composées affirmatives, négatives et interrogatives
  pronoms personnels comme sujet
  pronoms personnels comme complément d'objet direct ou indirect
-

  
  
36 Les élèves peuvent réfléchir à la langue et à l'usage de la langue dans les situations d'usage de la langue mentionnées pour ainsi élargir leurs connaissances fonctionnelles et de support.
-
36 Les élèves peuvent réfléchir à la langue et à l'usage de la langue dans les situations d'usage de la langue mentionnées pour ainsi élargir leurs connaissances fonctionnelles et de support.
-
  EXPERIENCE DE LA RICHESSE LANGAGIERE
  Les élèves perçoivent
-

  
  
37 *la richesse des sons, l'intonation spécifique et les expressions du français et de l'anglais entre autres dans les textes littéraires;
  
38 *la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme des langues française et anglaise et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
  
39 *dans le contenu des textes littéraires français et anglais, les caractéristiques socioculturelles des langues et des cultures françaises et anglaises;
  
40 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à une communauté linguistique.
-
37 *la richesse des sons, l'intonation spécifique et les expressions du français et de l'anglais entre autres dans les textes littéraires;
38 *la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme des langues française et anglaise et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
39 *dans le contenu des textes littéraires français et anglais, les caractéristiques socioculturelles des langues et des cultures françaises et anglaises;
40 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à une communauté linguistique.
-
  ATTITUDES
  Les élèves développent les attitudes suivantes :
-

  
  
41* montrer de la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français et en anglais;
  
42* montrer la volonté d'utiliser un langage choisi;
  
43* montrer un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue;
  
44* s'ouvrir pour la composante esthétique des textes.
-
41* montrer de la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français et en anglais;
42* montrer la volonté d'utiliser un langage choisi;
43* montrer un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue;
44* s'ouvrir pour la composante esthétique des textes.
-
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N3. Bijlage 3. - Eindtermen nederlands eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs
  MOTIVERING
  Als motivering geldt nog steeds alles wat er in de vorige aanvraag, die in 1998 gelijkwaardig is verklaard, geschreven werd. (7) Hoewel net als in 1998 veel overgenomen is van de door de overheid bepaalde eindtermen Nederlands, zijn er toch opnieuw een paar aanpassingen. Er is bovendien een rubriek toegevoegd om genoeg ruimte te creëren om het eigen project waar te maken. Ook de uitgangspunten verschillen voor een groot stuk van die van de decretale eindtermen.
  TOELICHTING
  Taalgevoel
  Taalvaardigheid wordt bij de steinerscholen expliciet veel ruimer gezien dan communicatieve vermogens, zoals reeds in vorige aanvragen geargumenteerd is. Als nieuw domein bij taalbeschouwing werd daarom 'Taalgevoel' ingevoerd. Dit sluit aan bij de eigen herziene eindtermen van de basisschool, waar dit onderdeel naar voren komt onder de titel 'Beleving van taalrijkdom'. De beleving van taalrijkdom steunt op het vermogen om de dieperliggende dimensie van taal waar te nemen en te ervaren. Taal is immers drager van waarden en normen en weerspiegelt socio-culturele aspecten. Ook kan taal als een kunstzinnig fenomeen beleefd worden waar scheppend en creatief mee kan worden omgegaan. Het gevoel voor taal kan men aanscherpen via woordenschat, literatuur, poëzie, gevarieerde stijloefeningen, stelopdrachten, voordrachtbeurten en tonelen. De voortdurende ontmoeting met en toetsing aan werk van goede auteurs, versterken het vermogen van empathie en bewondering en ze spelen in op de behoefte aan goede, esthetisch verantwoorde voorbeelden. Taal wordt als een " levende kunst " ervaren. Er wordt getracht de leerlingen hiervoor gevoel bij te brengen, als opvoedend element, waardoor in de steinerscholen de literatuur een ruime plaats inneemt.
  Oordelen wordt reflecteren
  In de door de overheid herziene eindtermen wordt verwacht dat de jongeren kunnen oordelen op gebied van verschillende verwerkingsniveaus. Oordelen in de werkelijke zin van het woord is voor leerlingen in de leeftijd van 12-14 jaar te hoog gegrepen. De jongeren van die leeftijd zijn meestal nog niet in staat om boven het gebied van sympathie en antipathie uit te stijgen, waardoor hun beoordeling zwart/wit zou worden. Wel lukt het hen om zich te oefenen in het reflecteren, waarvoor hier dan ook gekozen is. Pas in de tweede graad wordt het bewust ontwikkelen van het oordeelsvermogen een hoofddoelstelling.
  Media-educatie
  De steinerscholen leggen de nadruk op een brede media-educatie. Naast dat wat reeds is opgenomen in de eigen eindtermen ICT, speelt het vak Nederlands daarbij een belangrijke rol. Het gaat bij media-educatie :
  -> enerzijds om media, dus om een middel, een vorm om te communiceren zowel via één- als tweewegcommunicatie,
  -> en anderzijds educatie, dus een leergebied waarbij kennis, vaardigheden en attitudes tot een competentie moeten worden.
  Dit vakgebied is in de laatste tijd met enorm veel communicatiemiddelen (media) uitgebreid en binnen het onderwijs (educatie) een hot item geworden. De steinerscholen willen daar heel bewust mee omgaan zodat de aandacht vooral naar de mens in samenhang met de medemens en daarna ook met de samenleving en de wereld gaat.
  Het gesproken woord is heel lang het voornaamste middel geweest, waarmee kennis werd doorgegeven van de ene generatie naar de andere. Melodie, ritme, rijm en beelden waren, en zijn, hierin belangrijke elementen. Door het schrift groeide de mogelijkheid om een kennisproces weer te geven. Een deel van het denkproces kon daardoor buiten de mens " opgeslagen " worden. Er kwamen denkkrachten vrij die niet langer voor het geheugen nodig waren en de ontwikkeling van het abstracte denken groeide. Door de boekdrukkunst werd een nieuwe belangrijke stap gezet : een grote verspreiding van kennis en communicatie werd mogelijk.
  Kinderen doorlopen ook dit hierboven beschreven ontwikkelingsproces. In het curriculum van de steinerscholen wordt hier expliciet van uit gegaan in het kader van de leeftijdsgerichte ontwikkeling. De leerlingen leren lezen en schrijven, krijgen spelling en grammatica. Naarmate ze ouder worden werken ze met ze alle vormen van schriftelijke uitingen, van brief, boek, encyclopedie, register, trefwoord, inleiding, bronvermelding enz. tot de verschillende stijlen in de literatuur toe. Opnieuw geldt hier hetzelfde leeftijdsgerichte principe : beginnend bij een orale cultuur bij de kleuters, via een geleidelijke introductie van het lezen en schrijven naar meer gesofisticeerde manieren van communiceren tot het schrijven van een groter eindwerk met bijbehorende presentatie voor publiek aan het einde van de schoolloopbaan toe.
  Door de technische evolutie van de laatste eeuw is er een grote nieuwe ontwikkeling van de communicatiemiddelen van de mens ontstaan. Telefoon, radio en televisie behoren in de westerse cultuur al meer dan een halve eeuw tot de dagelijkse gebruiksvoorwerpen. Het sterkst komt de recente ontwikkeling van de ICT tot uitdrukking in de mogelijkheden van de computer. Hierin kan oneindig veel buiten de mens "opgeslagen " worden en zelfs een aantal denkprocessen zoals rekenvaardigheden, lay-outtoepassingen e.d. kunnen overgenomen worden.
  Media-educatie is een breed veld en vraagt de nodige tijd en aandacht. Mediacompetentie en informatievaardigheid is een noodzakelijkheid in onze maatschappij. Dit betekent niet in de eerste plaats media technisch kunnen hanteren maar vooral in staat zijn om "voor een gegeven context het juiste en meest adequate medium te kiezen, bewust te zijn van de wijze waarop het gekozen medium ons denken en handelen mee kan beïnvloeden, ... " (8)
  Als gevolg van het bovenstaande wordt in de steinerscholen luisteren of kijken naar radio en tv-programma's niet systematisch geoefend in de klas omdat men genoeg tijd wil kunnen besteden aan luistervaardigheden in een reële context. Vandaar dat de eindterm die daarover gaat niet overgenomen werd. Uiteraard zal op de inbreng van de leerlingen worden ingegaan om te spreken over actuele gebeurtenissen die het nieuws hebben gehaald, reclameboodschappen of populaire programma's e.d. waar leerlingen veel opmerkingen over hebben. Ook de eindterm over de ondertiteling werd niet weerhouden omdat vooral het oefenen van lezen op zich voldoende tijd moet krijgen.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  LUISTEREN
  1 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten (verwerkingsniveau : structureren) :
  O een uiteenzetting door de leraar over een leerstofonderdeel in de klas;
  O een dialoog, polyloog met medeleerlingen met betrekking tot het school- en klasgebeuren;
  O instructies in verband met het uitvoeren van handelingen voor onbekende leeftijdgenoten;
  O een (telefoon)gesprek met een onbekende volwassene;
  O een verteld of voorgelezen verhaal.
  2 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten (verwerkingsniveau : reflecteren) :
  O uitspraken in een discussie;
  O oproepen en uitnodigingen tot een activiteit;
  O mondeling aangeboden ontspannende teksten;
  O oproepende en enthousiasmerende teksten, welke aanzetten tot een positieve handeling.
  3 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 18 opgesomd zijn.
  4* De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties een bereidheid om :
  O te luisteren;
  O een ander te laten uitspreken;
  O een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;
  O te reflecteren over hun eigen luisterhouding;
  O het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.
  SPREKEN
  5 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau : structureren) :
  O vragen en antwoorden met betrekking tot leerstofonderdelen in de klas;
  O instructies aan bekende leeftijdgenoten;
  O uitnodigingen aan een bekende volwassene tot deelname aan een activiteit;
  O (telefoon)gesprekken : een onbekende volwassene inlichtingen geven of erom vragen;
  O mededelingen : de informatie die ze met betrekking tot een bepaald onderwerp, thema of opdracht hebben verzameld aan de leraar en klasgenoten aanbieden;
  O mededelingen : gevoelens, gewaarwordingen, verwachtingen in verband met het klasgebeuren tegenover een bekende volwassene verwoorden.
  6 De leerlingen kunnen aan een gedachtewisseling in de klas deelnemen, daarin een standpunt onder woorden brengen en toelichten (verwerkingsniveau : reflecteren).
  7 Bij de planning van, uitvoering van en het reflecteren op hun spreektaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 19 opgesomd zijn.
  8* De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties (zie eindtermen 5 en 6) een bereidheid om :
  O te spreken;
  O Algemeen Nederlands te spreken;
  O te reflecteren over hun eigen communicatiegedrag.
  LEZEN
  9 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau : structureren) :
  O schema's en tabellen;
  O studieteksten;
  O fictionele teksten.
  10 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau : reflecteren) :
  O brieven;
  O schriftelijke oproepen of uitnodigingen tot actie;
  O instructies;
  O reclameteksten en advertenties;
  O informatieve teksten, inclusief informatiebronnen.
  11 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 18 opgesomd zijn.
  12* De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste situaties een bereidheid om :
  O te lezen;
  O te reflecteren over de inhoud van een tekst;
  O de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen;
  O zich in te leven in fictionele tekstsoorten;
  O hun persoonlijke waardering en voorkeur voor bepaalde teksten uit te spreken.
  SCHRIJVEN
  13 De leerlingen kunnen in een voorgestructureerd kader notities maken.
  14 De leerlingen kunnen voor hun leeftijd bestemde formulieren invullen.
  15 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau : structureren) :
  O een oproep, een uitnodiging aan bekende leeftijdgenoten;
  O een instructie aan bekende leeftijdgenoten;
  O een stuk met informatie over henzelf voor al of niet nader bekenden;
  O een informatief stuk voor bekende leeftijdgenoten;
  O antwoorden op vragen van bekende volwassenen over op school verwerkte inhouden;
  O een verslag aan bekende volwassenen over een gegeven schoolse opdracht.
  16 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 19 opgesomd zijn. Bij het schrijven houdt dat ook verzorging in van de geschreven tekst op het gebied van handschrift, spelling, indeling en lay-out.
  17* De leerlingen ontwikkelen binnen de gepaste situaties (zie eindterm 15) een bereidheid om :
  O te schrijven;
  O te reflecteren over hun eigen schrijven;
  O taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.
  STRATEGIEEN
  18 De leerlingen kunnen bij de eindtermen luisteren en lezen de volgende strategieën inzetten :
  O zich oriënteren op aspecten van de luister- of leestaak : doel, teksttype en eigen kennis;
  O hun manier van luisteren of lezen afstemmen op het luister- of leesdoel;
  O tijdens het luisteren of lezen hun aandacht behouden voor het bereiken van het doel;
  O het resultaat beoordelen in het licht van het luister- of leesdoel;
  O het resultaat bijstellen.
  19 De leerlingen kunnen bij de eindtermen spreken en schrijven de volgende strategieën inzetten :
  O zich oriënteren op aspecten van de spreek- of schrijftaak : doel, teksttype en eigen kennis, luisteraar of lezer, andere bronnen van kennis;
  O hun manier van spreken of schrijven afstemmen op het spreek- of schrijfdoel en de luisteraar of lezer;
  O tijdens het spreken of schrijven hun aandacht behouden voor het bereiken van het doel;
  O het resultaat beoordelen in het licht van het spreek- of schrijfdoel;
  O het resultaat bijstellen.
  TAALBESCHOUWING
  Overkoepelende attitudes
  20* De leerlingen zijn bereid om op hun niveau :
  O bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;
  O van de verworven inzichten gebruik te maken in hun talig handelen.
  21* Bij het reflecteren op taalgebruik en taalsysteem tonen de leerlingen interesse in en respect voor de persoon van de ander, en voor de eigen en andermans cultuur.
  TAALGEBRUIK
  22 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in een ruim gamma van voor hen relevante en concrete taalgebruiksituaties reflecteren op de belangrijkste factoren van een communicatiesituatie : zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, effect, situatie, kanaal.
  23 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruiksituaties reflecteren op :
  O Standaardnederlands en andere standaardtalen;
  O nationale, regionale, sociale en situationele taalvariëteiten;
  O in onze samenleving voorkomende talen;
  O normen, houdingen, vooroordelen en rolgedrag via taal;
  O hun taalhandelingen, zoals beweren, meedelen, beloven, om informatie vragen, verzoeken, dreigen, waarschuwen, groeten, bedanken;
  O taalgedragconventies;
  O de gevolgen van hun taalgedrag voor anderen en henzelf;
  O talige aspecten van cultuuruitingen in onze samenleving.
  TAALSYSTEEM
  24 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruiksituaties en op hun niveau reflecteren op een aantal structurele aspecten in de volgende domeinen :
  O klanken, woorden, zinnen, teksten;
  O spellingvormen;
  O betekenissen.
  Taalgevoel
  25 * De leerlingen verfijnen en scherpen hun taalgevoel aan door het omgaan met verschillende literaire taalgenres zoals poëzie, verhalen, sprookjes, fabels, jeugd- en volwassenenliteratuur en toneelstukken en het creatieve gebruik van literaire taal in stel- en stijloefeningen.
  26 * De leerlingen beleven kenmerken en kwaliteiten van tekstsoorten door onder andere recitatie, toneelspel en voordracht.
  27 * De kinderen beleven de structuur en de wetmatigheden van taal in samenhang met de betekenis aan de hand van woord- en zinsontleding.
  STRATEGIEEN
  28 De leerlingen kunnen op hun niveau reflecteren op de door hen gebruikte luister-, spreek-, lees- en schrijfstrategieën, en daarbij de voorgaande attitudes, kennis en vaardigheden inzetten.
  BEGRIPPEN EN TERMEN
  29 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl. :
Art. N3. Annexe 3. - Objectifs finaux néerlandais premier degré (Filière A) enseignement secondaire
  MOTIVATION
  Tout ce qui a été écrit dans la demande précédente, déclarée équivalente en 1998, est toujours valable comme motivation. (7) Bien que, tout comme en 1998, beaucoup d'éléments ont été repris des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics pour le néerlandais, quelques adaptations ont été réalisées. Une rubrique a été ajoutée pour créer assez d'espace pour concrétiser le projet propre. Les principes diffèrent aussi beaucoup de ceux des objectifs finaux décrétaux.
  COMMENTAIRE
  Sens de la langue
  Les écoles Steiner considèrent explicitement la maîtrise de la langue dans un sens beaucoup plus large que les compétences communicatives, comme cela a déjà été argumenté dans les demandes précédentes. Le "sens de la langue" a donc été ajouté en tant que nouveau domaine dans la réflexion sur le langage. Il adhère aux objectifs finaux propres révisés de l'école fondamentale, où cet élément se retrouve sous le titre "Expérience de la richesse langagière". L'expérience de la richesse langagière se base sur la capacité à expérimenter et observer la dimension profonde de la langue. La langue est en effet le support des valeurs et des normes et reflète les aspects socioculturels. La langue peut aussi être considérée comme un phénomène artistique que l'on peut aborder de manière créative. Le sens de la langue peut être amélioré via le vocabulaire, la littérature, la poésie, les exercices de style variés, les déclamations et le théâtre. La rencontre continue avec et la confrontation aux oeuvres de bons auteurs renforcent la capacité d'empathie et l'enthousiasme et elles répondent au besoin de bons exemples, justifiés d'un point de vue esthétique. La langue est considérée comme un "art vivant". On essaye d'enseigner ce sens aux élèves, en tant qu'élément pédagogique. C'est pourquoi les écoles Steiner accordent une place importante à la littérature.
  L'évaluation devient une réflexion
  Dans les objectifs finaux révisés par les pouvoirs publics, on attend des jeunes qu'ils puissent faire des évaluations dans les différents niveaux d'assimilation. Evaluer au sens propre du terme est trop demander pour les élèves de 12-14 ans. Les élèves de cet âge ne sont généralement pas encore capables de sortir du domaine de la sympathie et de l'antipathie, suite à quoi leur évaluation serait juste blanche/noire. Ils peuvent toutefois s'entraîner à la réflexion, ce pour quoi on a opté. Ce n'est qu'au deuxième degré que le développement conscient des capacités d'évaluation devient un objectif principal.
  Education aux médias
  Les écoles Steiner mettent l'accent sur une large éducation aux médias. Outre ce qui est déjà repris dans les objectifs finaux propres pour les TIC, la branche du néerlandais joue un rôle important. Il s'agit pour l'éducation aux médias :
  O d'une part des médias, donc d'un moyen, d'une forme de communication, tant unidirectionnelle que bidirectionnelle,
  O et d'autre part de l'éducation, donc d'un domaine d'apprentissage où les connaissances, les compétences et les attitudes doivent devenir une compétence.
  Cette branche s'est élargie ces derniers temps avec beaucoup de moyens de communication (médias) et est devenue un point chaud dans l'enseignement (éducation). Les écoles Steiner veulent la traiter volontairement pour que l'attention soit surtout accordée à l'homme en fonction de ses semblables, et ensuite par rapport à la société et au monde.
  Le mot parlé a très longtemps été le principal moyen de communication, grâce auquel les connaissances ont été transmises d'une génération à l'autre. La mélodie, le rythme, la rime et les images étaient, et sont, d'importants éléments à ce niveau. Grâce à l'écriture, la possibilité de restituer un processus de connaissances s'est développée. Une partie du processus de réflexion a pu être "stockée" en dehors de l'homme. Des puissances de réflexion qui n'avaient plus besoin de la mémoire sont apparues et le développement des pensées abstraites s'est accru. L'imprimerie marqua un nouveau tournant important : elle a permis une grande diffusion des connaissances et de la communication.
  Les enfants suivent aussi le processus de développement décrit ci-dessus. Le cursus des écoles Steiner part explicitement de ce principe dans le cadre du développement axé sur l'âge. Les élèves apprennent à lire et à écrire, acquièrent l'orthographe et la grammaire. En fonction de l'avancement de leur âge, ils travaillent avec toutes les formes d'expression écrite, de la lettre, du livre, de l'encyclopédie, du registre, du mot clé, de l'introduction, des références, etc. aux différents styles de la littérature. Le même principe d'attention axée sur l'âge est d'application : on commence avec une culture orale chez les petits, on passe à une introduction progressive de la lecture et de l'écriture vers des manières plus sophistiquées de communiquer jusqu'à l'écriture d'un plus grand travail final avec la présentation correspondante devant un public à la fin du parcours scolaire.
  Suite aux évolutions techniques du siècle dernier, nous avons vu apparaître un plus grand nombre de moyens de communication pour l'homme. Le téléphone, la radio et la télévision font partie depuis plus de cinquante ans des objets usuels quotidiens dans la culture occidentale. Le développement récent des TIC s'est le plus fortement exprimé dans les possibilités offertes par l'ordinateur. Ce dernier offre en effet un "stockage" illimité en dehors de l'homme et plusieurs processus de réflexion comme les capacités de calcul, les applications de mise en page, etc. peuvent être assurés.
  L'éducation aux médias est un large domaine qui demande le temps et l'attention nécessaires. Les compétences par rapport aux médias et aux informations sont une nécessité dans notre société. Cela ne signifie pas pouvoir tout d'abord maîtriser les médias d'un point de vue technique, mais surtout être capable "pour un certain contexte, de choisir le média le plus adéquat, d'être conscient de la manière dont le média choisi peut influencer nos réflexions et nos actes, etc. " (8).
  Suite à ce que l'on vient de dire, dans les écoles Steiner, écouter ou regarder des programmes radio ou télévisés ne fait pas partie des exercices systématiquement organisés en classe car on veut accorder assez de temps aux compétences d'écoute dans un contexte réel. L'objectif final traitant de ce point n'a donc pas été repris. On va bien entendu susciter la participation des élèves pour parler de sujets de l'actualité abordés dans les journaux, des messages publicitaires ou encore des programmes populaires, etc.; des sujets sur lesquels les élèves ont beaucoup à dire. L'objectif final sur le sous-titrage n'a pas été retenu non plus, car l'exercice de lecture, surtout, doit bénéficier d'assez de temps.
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Ecouter

  
  
Hoofdcategorie1e graad so A-stroom
1 fonologisch domein - klanken
  
KlankKlank
  
 Klinker
  
 Medeklinker
  
 Rijm
  
 Uitspraak
  
 Intonatie
2 orthografisch domein - spellingvormen
  
AlfabetAlfabet
  
 Letter
  
 Klinker
  
 Medeklinker
  
 Eindletter
  
 Hoofdletter
  
 Kleine letter
  
diakritische tekensKoppelteken
  
 Apostrof
  
 Trema
  
UitspraaktekensAccent
  
LeestekensLeesteken
  
 Punt
  
 Vraagteken
  
 Uitroepteken
  
 Komma
  
 dubbele punt
  
 Spatie
  
 Aanhalingsteken
  
AfkortingenAfkorting
3 morfologisch domein - woorden
  
WoordWoord
  
 Grondwoord
  
WoordvormingSamenstelling
  
 Afleiding
  
AffixVoorvoegsel
  
 Achtervoegsel
  
Woordsoort-
  
zelfstandig naamwoordzelfstandig naamwoord
  
 Eigennaam
  
 Verkleinwoord
  
GetalGetal
  
 Enkelvoud
  
 Meervoud
  
GenusMannelijk
  
 Vrouwelijk
  
 Onzijdig
  
LidwoordLidwoord
  
 bepaald lidwoord
  
 onbepaald lidwoord
  
bijvoeglijk naamwoordbijvoeglijk naamwoord
  
WerkwoordWerkwoord
  
WerkwoordvormenStam
  
 Uitgang
  
vervoegde vormenPersoonsvorm
  
 Persoon
  
 1e persoon (ik - wij)
  
 2e persoon (jij - jullie)
  
 3e persoon (hij, zij, het - zij)
  
 Enkelvoud
  
 Meervoud
  
niet-vervoegde vormenInfinitief
  
 voltooid deelwoord
  
TempusTijd
  
 tegenwoordige tijd
  
 verleden tijd
  
 toekomende tijd
  
 onvoltooide tijd
  
 voltooide tijd
  
WerkwoordsoortenHulpwerkwoord
  
VoornaamwoordVoornaamwoord
  
 persoonlijk voornaamwoord
  
 bezittelijk voornaamwoord
  
 aanwijzend voornaamwoord
  
 vragend voornaamwoord
  
VoorzetselVoorzetsel
  
TelwoordTelwoord
4 syntactisch domein - zinnen
  
ZinZin
  
ZinsdeelZinsdeel
  
 Onderwerp
  
 Persoonsvorm
  
 Lijdend voorwerp (enkel aan de hand van prototypische zinnen omwille van Frans)
  
 meewerkend voorwerp (enkel aan de hand van prototypische zinnen omwille van Frans)
  
WoordgroepWoordgroep
5 semantisch domein - betekenissen
  
BetekenisrelatiesSynoniem
  
 Homoniem
  
 Letterlijk
  
 Figuurlijk
  
metaforisch taalgebruikSpreekwoord
  
 Uitdrukking
6 tekstueel domein - teksten
  
TekstTekst
  
TekstsoortFictie
  
 non-fictie
  
 Context
  
TekstopbouwInleiding
  
 Midden
  
 Slot
  
 Hoofdstuk
  
 Alinea
  
 Regel
  
 Kopje
  
 Titel
  
 Bladzijde
  
StructuuraanduidersSignaalwoord
  
(materiële) vormgevinglay-out
  
 Cursief
  
 Vetjes
  
 Inhoud
  
status van uitsprakenFeit
  
 Mening
7 sociolinguïstisch en pragmatisch domein - taalgebruik
  
TaalNederlands
  
 Frans
  
 Duits
  
 Engels
  
TaalvariëteitenStandaardnederlands
  
 Standaardtaal
  
 Dialect
  
 Moedertaal
  
 vreemde taal
  
factoren in de communicatiesituatieZender
  
 Spreker
  
 Schrijver
  
 Ontvanger
  
 Luisteraar
  
 Lezer
  
 Boodschap
  
 Bedoeling
  
 Situatie
  
 Effect
  
 Kanaal

  
  
1Les élèves peuvent écouter les types de texte suivants (niveau d'assimilation : structurer) :
Hoofdcategorie1e graad so A-stroom1 fonologisch domein - klanken
KlankKlank
Klinker
Medeklinker
Rijm
Uitspraak
Intonatie2 orthografisch domein - spellingvormen
AlfabetAlfabet
Letter
Klinker
Medeklinker
Eindletter
Hoofdletter
Kleine letter
diakritische tekensKoppelteken
Apostrof
Trema
UitspraaktekensAccent
LeestekensLeesteken
Punt
Vraagteken
Uitroepteken
Komma
dubbele punt
Spatie
Aanhalingsteken
AfkortingenAfkorting3 morfologisch domein - woorden
WoordWoord
Grondwoord
WoordvormingSamenstelling
Afleiding
AffixVoorvoegsel
Achtervoegsel
Woordsoort-
zelfstandig naamwoordzelfstandig naamwoord
Eigennaam
Verkleinwoord
GetalGetal
Enkelvoud
Meervoud
GenusMannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
LidwoordLidwoord
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoordbijvoeglijk naamwoord
WerkwoordWerkwoord
WerkwoordvormenStam
Uitgang
vervoegde vormenPersoonsvorm
Persoon
1e persoon (ik - wij)
2e persoon (jij - jullie)
3e persoon (hij, zij, het - zij)
Enkelvoud
Meervoud
niet-vervoegde vormenInfinitief
voltooid deelwoord
TempusTijd
tegenwoordige tijd
verleden tijd
toekomende tijd
onvoltooide tijd
voltooide tijd
WerkwoordsoortenHulpwerkwoord
VoornaamwoordVoornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
VoorzetselVoorzetsel
TelwoordTelwoord4 syntactisch domein - zinnen
ZinZin
ZinsdeelZinsdeel
Onderwerp
Persoonsvorm
Lijdend voorwerp (enkel aan de hand van prototypische zinnen omwille van Frans)
meewerkend voorwerp (enkel aan de hand van prototypische zinnen omwille van Frans)
WoordgroepWoordgroep5 semantisch domein - betekenissen
BetekenisrelatiesSynoniem
Homoniem
Letterlijk
Figuurlijk
metaforisch taalgebruikSpreekwoord
Uitdrukking6 tekstueel domein - teksten
TekstTekst
TekstsoortFictie
non-fictie
Context
TekstopbouwInleiding
Midden
Slot
Hoofdstuk
Alinea
Regel
Kopje
Titel
Bladzijde
StructuuraanduidersSignaalwoord
(materiële) vormgevinglay-out
Cursief
Vetjes
Inhoud
status van uitsprakenFeit
Mening7 sociolinguïstisch en pragmatisch domein - taalgebruik
TaalNederlands
Frans
Duits
Engels
TaalvariëteitenStandaardnederlands
Standaardtaal
Dialect
Moedertaal
vreemde taal
factoren in de communicatiesituatieZender
Spreker
Schrijver
Ontvanger
Luisteraar
Lezer
Boodschap
Bedoeling
Situatie
Effect
Kanaal
1Les élèves peuvent écouter les types de texte suivants (niveau d'assimilation : structurer) :
  (Inter)culturele gerichtheid
  30* De leerlingen tonen bij de eindtermen Nederlands een (inter)culturele gerichtheid op het vlak van kennis en inzichten, vaardigheden en attitudes. Dat houdt in dat ze :
  o verschillende cultuuruitingen met een talige component in onze samenleving exploreren en er betekenis aan geven;
  o hun gedachten, belevingen en emoties bij ervaringen met de eigen culturele leefwereld in vergelijking met die van anderen verwoorden;
  o uitgaande van hun eigen referentiekader enige kennis over de diversiteit in het culturele erfgoed met een talige component verwerven en er waardering voor krijgen.
  * de attitudes werden met een asterisk aangeduid. (*)
  O un exposé par l'enseignant sur une matière du curriculum en classe;
  O un dialogue, un polylogue avec leurs camarades de classe relatif aux événements de l'école et de la classe;
  O des instructions relatives à l'exécution d'actes pour des compagnons d'âge inconnus;
  O un entretien téléphonique avec un adulte inconnu.
  O l'élève raconte une histoire.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN

  
  
2Les élèves sont capables d'écouter les types de textes suivants pour compagnons d'âge (niveau d'assimilation : réfléchir) :
-
2Les élèves sont capables d'écouter les types de textes suivants pour compagnons d'âge (niveau d'assimilation : réfléchir) :
-
  O des énoncés dans une discussion;
  O des appels et invitations à une activité;
  O des textes distrayants donnés oralement;
  O des textes enthousiasmants et interpellant, qui entraînent un traitement positif.
-

  
  
3Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs tâches d'écoute, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 18.
  
4*Les élèves développent une volonté dans des situations de communication appropriées :
-
3Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs tâches d'écoute, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 18.
4*Les élèves développent une volonté dans des situations de communication appropriées :
-
  O écouter;
  O permettre à l'autre de finir de parler;
  O adopter une attitude d'écoute sans préjugés;
  O réfléchir sur leur propre attitude d'écoute;
  O confronter ce qu'ils entendent à leurs propres connaissances et opinions.
  Parler
-

  
  
5Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants (niveau d'assimilation : structurer) :
-
5Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants (niveau d'assimilation : structurer) :
-
  O des questions et réponses relatives aux matières du curriculum en classe;
  O des instructions à des compagnons d'âge connus;
  O des invitations adressées à un adulte connu en vue de participer à une activité;
  O des entretiens (téléphoniques) : donner ou demander des informations à un adulte inconnu;
  O des communications : présenter à l'enseignant et aux condisciples les informations qu'ils ont rassemblées sur un certain sujet, thème ou tâche;
  O des communications : exprimer des sentiments, des perceptions, des attentes se rapportant aux événements de la classe à un adulte connu.
-

  
  
6Les élèves peuvent participer à un échange d'idées en classe, formuler et expliquer leur point de vue en la matière (niveau d'assimilation : Le
  
7Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs exposés, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 19.
  
8*Les élèves développent une volonté dans des situations de communication appropriées (voir objectifs finaux 5 et 6) :
-
6Les élèves peuvent participer à un échange d'idées en classe, formuler et expliquer leur point de vue en la matière (niveau d'assimilation : Le
7Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs exposés, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 19.
8*Les élèves développent une volonté dans des situations de communication appropriées (voir objectifs finaux 5 et 6) :
-
  O s'exprimer;
  O utiliser le néerlandais standard;
  O réfléchir sur leur propre attitude d'écoute;
  Lire
-

  
  
9Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants pour leurs condisciples (niveau d'assimilation : structurer) :
-
9Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants pour leurs condisciples (niveau d'assimilation : structurer) :
-
  O des schémas et tableaux;
  O des textes d'étude;
  O des textes de fiction.
-

  
  
10Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants pour leurs condisciples (niveau d'assimilation : réfléchir)
-
10Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants pour leurs condisciples (niveau d'assimilation : réfléchir)
-
  O des lettres;
  O des appels écrits ou invitations à l'action;
  O des instructions;
  O des textes publicitaires et annonces;
  O des textes informatifs, y compris sources d'information.
-

  
  
11Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs tâches d'écoute, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 18.
  
12*Les élèves développent une volonté dans les situations appropriées :
-
11Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs tâches d'écoute, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 18.
12*Les élèves développent une volonté dans les situations appropriées :
-
  O lire;
  O de réfléchir sur le contenu du texte;
  O de confronter les informations reçues à leur propre connaissance et à leur propre savoir;
  O de vivre des types de textes de fiction;
  O d'exprimer leur appréciation et leur préférence personnelles pour certains textes.
  Ecrire
-

  
  
13Les élèves sont capables de prendre des notes dans un cadre préstructuré.
  
14Les élèves sont en mesure de compléter des formulaires destinés à leur âge.
  
15Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants (niveau d'assimilation : structurer) :
-
13Les élèves sont capables de prendre des notes dans un cadre préstructuré.
14Les élèves sont en mesure de compléter des formulaires destinés à leur âge.
15Les élèves sont capables de produire les types de textes suivants (niveau d'assimilation : structurer) :
-
  O un appel, une invitation à leurs compagnons d'âge;
  O une instruction à des compagnons d'âge connus;
  O un texte avec des informations sur eux-mêmes pour des personnes connues ou non;
  O un texte informatif pour des compagnons d'âge connus;
  O des réponses sur des questions d'adultes connus sur des contenus traités à l'école;
  O un rapport à des adultes connus sur une tâche scolaire donnée.
-

  
  
16Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs tâches écrites, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 19. Lors du processus d'écriture, soigner l'écrit au niveau de l'écriture, l'épellation, la structure du texte et la mise en pages.
  
17*Les élèves développent une volonté dans les situations appropriées (voir objectif final 15) :
-
16Lors du planning, de l'exécution et de l'évaluation de leurs tâches écrites, les élèves sont capables d'utiliser les stratégies énumérées à l'objectif final 19. Lors du processus d'écriture, soigner l'écrit au niveau de l'écriture, l'épellation, la structure du texte et la mise en pages.
17*Les élèves développent une volonté dans les situations appropriées (voir objectif final 15) :
-
  O écrire;
  O réfléchir sur leur propre écrit;
  O soigner la langue, la structuration, l'épellation, l'écriture et la mise en pages.
  Stratégies
-

  
  
18Les élèves sont capables d'adopter les stratégies suivantes pour les objectifs finaux écouter, lire, parler et écrire :
-
18Les élèves sont capables d'adopter les stratégies suivantes pour les objectifs finaux écouter, lire, parler et écrire :
-
  O s'orienter sur des aspects des tâches d'écoute, de lecture, d'expression orale et d'écriture : objectif, type de texte et connaissances propres;
  O adapter leur manière d'écouter ou de lire à l'objectif d'écoute ou de lecture;
  O continuer à prêter une attention à l'objectif à poursuivre au cours de l'écoute, la lecture, la parole et l'écriture;
  O évaluer le résultat à la lumière de l'objectif de lecture;
  O ajuster le résultat.
-

  
  
19Les élèves sont capables d'adopter les stratégies suivantes pour les objectifs finaux écouter, lire, parler et écrire :
-
19Les élèves sont capables d'adopter les stratégies suivantes pour les objectifs finaux écouter, lire, parler et écrire :
-
  O s'orienter sur des aspects des tâches d'écoute, de lecture, d'expression orale et d'écriture : objectif, type de texte et connaissances propres, auditeur ou lecteur, autres sources de connaissances;
  O adapter leur manière de parler ou d'écrire à l'objectif de discours ou d'écriture ainsi qu'à l'auditeur ou au lecteur;
  O continuer à prêter une attention à l'objectif à poursuivre au cours de l'écoute, la lecture, la parole et l'écriture;
  O évaluer le résultat à la lumière de l'objectif de la prise de parole;
  O ajuster le résultat.
  Réflexions sur le langage
  Attitudes principales
-

  
  
20*Les élèves sont disposés à leur niveau :
-
20*Les élèves sont disposés à leur niveau :
-
  O à réfléchir consciemment sur le langage et le système linguistique;
  O à utiliser les connaissances acquises dans leurs actes au niveau langagier.
-

  
  
21*Dans leurs réflexions sur le langage et le système linguistique, les élèves montrent de l'intérêt et du respect pour l'autre et pour leur propre culture et celle d'autrui.
-
21*Dans leurs réflexions sur le langage et le système linguistique, les élèves montrent de l'intérêt et du respect pour l'autre et pour leur propre culture et celle d'autrui.
-
  Langage
-

  
  
22En vue d'une communication efficace, les élèves sont capables, dans des situations langagières pertinentes et concrètes pour eux, de réfléchir sur les principaux facteurs d'une situation de communication. Emetteur, récepteur, message, signification, effet, situation, canal.
  
23En vue d'une communication efficace, les élèves peuvent, dans des situations langagières pertinentes et concrètes pour eux, réfléchir :
-
22En vue d'une communication efficace, les élèves sont capables, dans des situations langagières pertinentes et concrètes pour eux, de réfléchir sur les principaux facteurs d'une situation de communication. Emetteur, récepteur, message, signification, effet, situation, canal.
23En vue d'une communication efficace, les élèves peuvent, dans des situations langagières pertinentes et concrètes pour eux, réfléchir :
-
  O le néerlandais standard et d'autres langues standard;
  O les variétés linguistiques nationales, régionales, sociales et situationnelles;
  O les langues qui existent dans notre société;
  O sur les normes, attitudes, préjugés et le comportement dicté par le rôle social par le biais du langage;
  O leurs actes de langage, comme affirmer, communiquer, promettre, demander de l'information, prier, menacer, avertir, saluer, remercier;
  O les conventions du comportement linguistique;
  O sur les conséquences de leur comportement linguistique pour eux-mêmes et pour autrui;
  O aspects linguistiques d'expressions culturelles dans notre société.
  Système langagier
-

  
  
24En vue d'une communication efficace, les élèves sont capables dans des situations langagières pertinentes et concrètes pour eux et à leur niveau, de réfléchir sur un nombre d'aspects structurels dans les domaines suivants :
-
24En vue d'une communication efficace, les élèves sont capables dans des situations langagières pertinentes et concrètes pour eux et à leur niveau, de réfléchir sur un nombre d'aspects structurels dans les domaines suivants :
-
  O des sons, mots, phrases, textes;
  O des formes orthographiques;
  O des significations.
  Sens de la langue
-

  
  
25 * Les élèves affinent et améliorent leur sens linguistique en traitant différents genres littéraires comme la poésie, les histoires, les contes, les fables, la littérature pour jeunes et pour adultes, les pièces de théâtre et en utilisant de manière créative la langue littéraire dans des exercices de style.
  
26 *Les élèves perçoivent les caractéristiques et les qualités des types de texte entre autres via la récitation, le théâtre et l'élocution.
  
27 *Les enfants perçoivent la structure et les règles linguistiques par rapport à la signification à l'aide d'une analyse grammaticale et logique.
Stratégies
  
28Les élèves peuvent, à leur niveau, réfléchir sur les stratégies d'écoute, de parole, de lecture et d'écriture qu'ils utilisent, et utiliser à cet effet les attitudes, connaissances et aptitudes des objectifs précités.
-
25 * Les élèves affinent et améliorent leur sens linguistique en traitant différents genres littéraires comme la poésie, les histoires, les contes, les fables, la littérature pour jeunes et pour adultes, les pièces de théâtre et en utilisant de manière créative la langue littéraire dans des exercices de style.
26 *Les élèves perçoivent les caractéristiques et les qualités des types de texte entre autres via la récitation, le théâtre et l'élocution.
27 *Les enfants perçoivent la structure et les règles linguistiques par rapport à la signification à l'aide d'une analyse grammaticale et logique.Stratégies
28Les élèves peuvent, à leur niveau, réfléchir sur les stratégies d'écoute, de parole, de lecture et d'écriture qu'ils utilisent, et utiliser à cet effet les attitudes, connaissances et aptitudes des objectifs précités.
-
  Définitions et termes
-

  
  
29Pour tous les objectifs finaux néerlandais, les élèves peuvent utiliser les définitions et termes de réflexion langagière y afférents repris dans la deuxième colonne, à savoir :
-
29Pour tous les objectifs finaux néerlandais, les élèves peuvent utiliser les définitions et termes de réflexion langagière y afférents repris dans la deuxième colonne, à savoir :
-

  
  
Catégorie principaleObjectifs finaux 1er degré ES filière A
  
1 domaine phonologique - sons
  
SonSon
  
 voyelle
  
 consonne
  
 rime
  
 prononciation
  
 intonation
  
2 domaine orthographique - formes orthographiques
  
alphabetalphabet
  
 lettre
  
 voyelle
  
 consonne
  
 lettre finale
  
 majuscule
  
 minuscule
  
signes diacritiquestrait d'union
  
 apostrophe
  
 tréma
  
signes de prononciationaccent
  
signe de ponctuationsigne de ponctuation
  
 point
  
 point d'interrogation
  
 point d'exclamation
  
 virgule
  
 deux-points
  
 espace
  
 guillemet
  
Abréviationsabréviation
  
3 domaine morphologique - mots
  
motmot
  
 mot primitif
  
morphologieComposition
  
 dérivation
  
Affixepréfixe
  
 suffixe
  
Catégorie gram.-
  
substantifsubstantif
  
 Nom propre
  
 diminutif
  
nombrenombre
  
 singulier
  
 pluriel
  
genremasculin
  
 féminin
  
 neutre
  
articlesarticles
  
 article défini
  
 article indéfini
  
adjectifadjectif
  
verbeverbe
  
formes verbalesradical
  
 terminaison
  
modes conjuguésforme conjuguée du verbe
  
 personne
  
 1re personne (je - nous)
  
 2e personne (tu - vous)
  
 3e personne (il, elle - ils, elles)
  
 singulier
  
 pluriel
  
modes non conjugués infinitif
  
 participe passé
  
temps du verbeTemps
  
 présent
  
 passé
  
 futur
  
 temps imperfectif
  
 temps composé
  
types de verbesverbe auxiliaire
  
pronompronom
  
 pronom personnel
  
 pronom possessif
  
 pronom démonstratif
  
 pronom interrogatif
  
prépositionpréposition
  
numéralnuméral
  
4 domaine syntaxique - phrases
  
PhrasePhrase
  
membre de phrasemembre de phrase
  
 Objet
  
 forme conjuguée du verbe
  
 complément d'objet direct (uniquement à l'aide de phrases prototypiques pour le français)
  
 complément d'objet indirect (uniquement à l'aide de phrases prototypiques pour le français)
  
syntagmesyntagme
  
5 domaine sémantique - significations
  
relations entre significations synonyme
  
 homonyme
  
 littéralement
  
 sens figuré
  
langage métaphoriqueproverbe
  
 expression
  
6 domaine textuel - textes
  
Texte :Texte :
  
type de textefiction
  
 non-fiction
  
 Contexte
  
structure textuelleIntroduction
  
 Milieu
  
 Fin
  
 chapitre
  
 alinéa
  
 Règle
  
 en-tête
  
 Titre
  
 page
  
marqueurs de structure;mot-signal
  
stylisme (matériel)mise en pages
  
 Cours
  
 en caractères gras
  
 Table des matières
  
état d'énoncésfait
  
 opinion
  
7 domaine pragmatique - langage
  
Languenéerlandais
  
 français
  
 allemand
  
 anglais
  
variétés linguistiquesle néerlandais standard
  
 langue standard
  
 Dialogue
  
 langue maternelle
  
 langue étrangère
  
facteurs dans la situation de communicationémetteur
  
 Conférencier
  
 auteur
  
 Destinataire
  
 auditeur
  
 lecteur
  
 message
  
 intention
  
 Situation
  
 effet
  
 canal
-
Catégorie principaleObjectifs finaux 1er degré ES filière A
1 domaine phonologique - sons
SonSon
voyelle
consonne
rime
prononciation
intonation
2 domaine orthographique - formes orthographiques
alphabetalphabet
lettre
voyelle
consonne
lettre finale
majuscule
minuscule
signes diacritiquestrait d'union
apostrophe
tréma
signes de prononciationaccent
signe de ponctuationsigne de ponctuation
point
point d'interrogation
point d'exclamation
virgule
deux-points
espace
guillemet
Abréviationsabréviation
3 domaine morphologique - mots
motmot
mot primitif
morphologieComposition
dérivation
Affixepréfixe
suffixe
Catégorie gram.-
substantifsubstantif
Nom propre
diminutif
nombrenombre
singulier
pluriel
genremasculin
féminin
neutre
articlesarticles
article défini
article indéfini
adjectifadjectif
verbeverbe
formes verbalesradical
terminaison
modes conjuguésforme conjuguée du verbe
personne
1re personne (je - nous)
2e personne (tu - vous)
3e personne (il, elle - ils, elles)
singulier
pluriel
modes non conjugués infinitif
participe passé
temps du verbeTemps
présent
passé
futur
temps imperfectif
temps composé
types de verbesverbe auxiliaire
pronompronom
pronom personnel
pronom possessif
pronom démonstratif
pronom interrogatif
prépositionpréposition
numéralnuméral
4 domaine syntaxique - phrases
PhrasePhrase
membre de phrasemembre de phrase
Objet
forme conjuguée du verbe
complément d'objet direct (uniquement à l'aide de phrases prototypiques pour le français)
complément d'objet indirect (uniquement à l'aide de phrases prototypiques pour le français)
syntagmesyntagme
5 domaine sémantique - significations
relations entre significations synonyme
homonyme
littéralement
sens figuré
langage métaphoriqueproverbe
expression
6 domaine textuel - textes
Texte :Texte :
type de textefiction
non-fiction
Contexte
structure textuelleIntroduction
Milieu
Fin
chapitre
alinéa
Règle
en-tête
Titre
page
marqueurs de structure;mot-signal
stylisme (matériel)mise en pages
Cours
en caractères gras
Table des matières
état d'énoncésfait
opinion
7 domaine pragmatique - langage
Languenéerlandais
français
allemand
anglais
variétés linguistiquesle néerlandais standard
langue standard
Dialogue
langue maternelle
langue étrangère
facteurs dans la situation de communicationémetteur
Conférencier
auteur
Destinataire
auditeur
lecteur
message
intention
Situation
effet
canal
-
  Orientation (inter)culturelle
-

  
  
30*Pour la réalisation des objectifs finaux néerlandais, les élèves font preuve d'une orientation (inter)culturelle au niveau des connaissances, notions, aptitudes et attitudes. Cela implique qu'ils :
-
30*Pour la réalisation des objectifs finaux néerlandais, les élèves font preuve d'une orientation (inter)culturelle au niveau des connaissances, notions, aptitudes et attitudes. Cela implique qu'ils :
-
  o explorent dans notre société différentes expressions culturelles ayant une composante linguistique et y donnent une signification;
  o expriment par des paroles leurs pensées, expériences et émotions devant les expériences qu'ils vivent dans le propre environnement de vie par rapport à celui d'autrui;
  o acquièrent, à partir de leur propre cadre de référence, quelques connaissances sur la diversité dans le patrimoine culturel ayant une composante langagière et commencent à l'apprécier.
  * Les attitudes ont été marquées d'un astérisque (*).
-
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N4. Bijlage 4. - Eindtermen techniek eerste graad (A-stroom) secundair onderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  Bij het bepalen van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen techniek verwijst de overheid in haar Uitgangspunten expliciet naar het project TOS21. (9) De basisprincipes van TOS21 kunnen we volkomen onderschrijven, met name dat :
  o techniek behoort tot de noodzakelijke vorming van iedereen (component van elke algemene vorming)
  o techniek bijdraagt tot de ontwikkeling van de persoonlijkheid
  o techniek het creatieve denken en handelen bevordert.
  Deze belangrijke argumenten lagen reeds ten grondslag aan de keuze van de steinerscholen om ook technische vakken op te nemen in hun ASO-curriculum. Dit was geen evidentie binnen de Vlaamse onderwijscontext. Het realiseren van technische competentie overstijgt aldus ook in de steinerscholen het nuttigheidsdenken.
  Het TOS21-project en de uitgangspunten bij de ontwikkelingsdoelen en eindtermen techniek wijzen op de nood aan actualisering van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen techniek in het kader van het sensibiliseren van de leerlingen voor techniek, technische studies en loopbaanontwikkeling. We onderschrijven het belang van dit sensibiliseren maar betwijfelen of ontwikkelingsdoelen en eindtermen hiertoe een geëigend middel zijn en laten deze doelstelling verder buiten beschouwing.
  Echter, de door de overheid bepaalde ontwikkelingsdoelen en eindtermen steunen op een dermate specifiek theoretisch model dat het onvoldoende ruimte laat voor andere pedagogische en onderwijskundige visies. Sterker : ze kunnen er zelfs onverzoenbaar mee zijn.
  In navolging van het TOS21-project wordt in de Uitgangspunten gekozen voor een benadering die vier kerncomponenten van techniek onderscheidt (technische systemen, processen, hulpmiddelen, keuzes). Het leren van techniek wordt op zijn beurt opgedeeld in drie dimensies : begrijpen, hanteren, duiden. Uit een combinatie van de vier gekozen kerncomponenten van techniek en de drie dimensies van techniek leren, wordt een set van 19 standaarden weerhouden. Het bereiken van deze 19 standaarden correspondeert met het realiseren van technische 'geletterdheid'. In TOS21 worden deze 19 standaarden verder geformuleerd naar vier leeftijdsniveaus, wat dan 65 referentiepunten oplevert. Deze verdere opdeling is in de Uitgangspunten niet opgenomen.
  Deze erg abstracte, formele en conceptuele benadering van techniek en techniek leren van het TOS21 - project, vormt geen geschikte basis voor een werkelijk leeftijdsgerelateerde integratie van techniek in een pedagogisch en onderwijskundig leertraject zoals dat in de steinerscholen wordt nagestreefd.
  Deze benadering vertrekt grotendeels van de veronderstelling dat de verschillen tussen de verschillende leeftijdsniveaus in essentie kwantitatief van aard zijn en dat de 19 standaarden in principe voor alle leeftijden even relevant en zinvol zijn.
  De overheid gaat uit van een algemeen leeftijdsonafhankelijk model over techniek en techniek leren (19 standaarden) om vervolgens deze standaarden naar de diverse leeftijden te formuleren. Men kon in het TOS21-project nochtans geen beroep doen op wetenschappelijk onderzoek om de standaarden met de leeftijdsniveaus te verbinden tot referentiepunten.
  Kortom : uit een algemeen en abstract concept worden leeftijdsaangepaste formuleringen van de standaarden afgeleid.
  De steinerscholen kunnen zich in deze enigszins abstracte en gekunstelde benaderingswijze niet vinden. In het steineronderwijs wordt immers steeds vertrokken van de leeftijdsafhankelijke, kwalitatieve karakteristieken waarop een kind de werkelijkheid begrijpt, ervaart, benadert, hanteert... Dit vraagt telkens een aangepaste benadering van techniek en van techniek leren.
  Het spreekt dan ook voor zich dat deze leeftijdsgerelateerde benadering andere en/of anders geformuleerde ontwikkelingsdoelen en eindtermen oplevert met name vooral in het basisonderwijs. Hoe ouder de leerlingen worden, hoe meer gelijke ijkpunten mogelijk en nodig zijn. De eindtermen van de steinerscholen voor de eerste graad SO sluiten dichter aan bij de door de overheid bepaalde eindtermen. Dit neemt niet weg dat ook hier de leeftijdsafhankelijke, kwalitatieve karakteristieken van belang blijven.
  Ten slotte gaan de steinerscholen wat betreft het arbeidsproces uit van een eigen variant. In plaats van de vijf stappen beschreven in het TOS 21-project, onderscheiden ze acht fases in het arbeidsproces.
  Leeftijdsgerichte aanpak
  Techniek wordt door de steinerscholen vanaf de eerste graad secundair onderwijs meer gericht aangeboden maar nog steeds in samenhang met het dagelijks leven.
  In de eerste graad is de rol van de leerkracht bij het opzetten van een technisch systeem van cruciaal belang. De leerling leert onder leiding van de leraar werken met de wetmatigheden van het te bewerken materiaal en de werktuigen. Vanuit het vertrouwen in het vakmanschap van de leraar komen de leerlingen zo tot een goede gewoontevorming. Bij die gewoontevorming hoort ook het doorvoeren van het hieronder beschreven arbeidsproces in acht fases. Vele vaardigheden kunnen zo geoefend worden. De leerling vertrekt vanuit het gevoel naar het exacte waarnemen en uitvoeren. Een goede afwerking voedt het schoonheidsgevoel.
  Samengevat kan men zeggen dat het aanbieden van techniek binnen de steinerpedagogie op de volgende manier met de leeftijd van de kinderen samenhangt :
  De kleuters kunnen de eenvoudige dagelijkse en transparante technieken uit hun nabije omgeving nabootsen en spelend uitvoeren.
  De kinderen van de lagere school passen eenvoudige en transparante technieken toe. Naarmate ze handiger worden kunnen ze ook zelf eenvoudige technieken ontwerpen en ontwikkelen.
  Als de kinderen de puberteit naderen komen er meer complexe technieken, duiding en natuurwetenschappen bij.
  Duiding
  Naarmate de leerlingen ouder worden, is er steeds meer aandacht voor duiding. In de steinerscholen gebeurt dit vaak vakoverschrijdend.
  In TOS 21 (10) vinden we p.24 wat men met duiden bedoelt :
  " techniek duiden : de werking, de ontwikkeling en het gebruik van techniek verbinden met een context buiten de techniek zelf. Dit betekent o.a. :
  - kennis hebben van de historische ontwikkelingen het wetenschappelijke en technische vlak door de eeuwen heen;
  - technische ontwikkelingen kunnen plaatsen in de maatschappelijke context waarin mensen leven;
  - technische ontwikkelingen objectief kunnen bekijken en evalueren "
  Onze maatschappij confronteert het kind op jonge leeftijd met hedendaagse technieken. Dit wil niet zeggen dat we alle moderne technieken moeten behandelen in de technische vakken. Het is wel belangrijk de leerlingen duiding te geven. De steinerscholen realiseren veel elementen van duiding in andere vakken die tot de basisvorming horen. In het vak geschiedenis van de eerste graad komt bijvoorbeeld de industriële revolutie aan bod. Naar aanleiding daarvan behandelt de leerkracht technische systemen en plaatst hij heel wat technische verworvenheden van onze huidige tijd in hun context. In het vak aardrijkskunde wordt bijvoorbeeld verkend hoe iedereen van iedereen afhankelijk is in onze technische en geglobaliseerde wereld.
  Het principe van de fenomenologie
  Verder wordt er ook een expliciete band gelegd tussen techniek en natuurwetenschappen. Dit betekent niet dat de steinerscholen techniek theoretisch willen benaderen. Natuurwetenschappen zijn in de eerste graad sowieso praktijkgericht, passend bij de leeftijd van de leerlingen.
  Het onderscheid dat de overheid nu maakt tussen techniek en natuurwetenschappen, in zijn zuivere vorm, is voor de steinerpedagogie moeilijk te handhaven omdat men vanuit de waarneming van de fenomenen naar de theorie gaat. Dat houdt in dat men vanaf het twaalfde levensjaar start met het doorgronden van technische realisaties om dan stap voor stap naar de natuurwetenschappelijke theorie te zoeken die erachter schuiltgaat. Dit spoort met wat we in TOS 21 lezen op p.11
  " Met het kader dat een heldere afbakening van het domein beoogt, wenst TOS21 deze eigenheid, waarmee techniek zich van natuurwetenschappen onderscheidt, expliciet in kaart te brengen. Het kader beschrijft a.h.w. wat aan natuurwetenschappen moet worden toegevoegd om tot techniek te komen. Het kader geeft aan wat in algemene zin voor alle realisaties van techniek geldt en vooronderstelt (of maakt abstractie van) de natuurwetenschappelijke principes, eigenschappen of wetmatigheden, die eraan ten grondslag liggen. Uiteraard moet voor het leren van techniek de band met natuurwetenschappen wel worden gelegd. Een zaklamp bestuderen of gebruiksklaar maken, is meer dan een elektrische stroomkring bestuderen of sluiten. De werking van een verbrandingsmotor bestuderen, houdt meer in dan enkel de algemene gaswet kunnen toepassen. "
  De steinerscholen willen voluit vanuit 'de waarneming van de fenomenen' en 'het handelen' vertrekken om daarna de link te leggen met de natuurwetenschappen. Dit sluit zeer sterk aan bij de leeftijdsgebonden benadering. Door techniek op fenomenologische wijze te benaderen en op maat van de leeftijd te behandelen kan het kind en de leerling geboeid blijven door technische processen. Deze fascinatie is de ingangspoort om leerlingen te sensibiliseren voor techniek. Niet om richting te geven aan hun schoolloopbaan maar om hun intrinsieke interesse te wekken waardoor ze zich met de fenomenen die ze waarnemen kunnen verbinden.
  Pas vanaf de tweede graad SO wordt, naast het opdoen van praktische ervaring, volop gewerkt aan de cognitieve aspecten van de techniek. Bepaalde wetenschappelijke wetmatigheden worden immers pas zichtbaar in hun technische toepassingen.
  Het technisch proces
  In TOS 21 lezen we p. 18 :
  Kenmerkend voor techniek is het technisch proces. Een technische realisatie komt tot stand na het doorlopen van het technisch proces, dat vertrekt vanuit een behoefte en verloopt volgens 5 stappen : 1. probleemstelling, 2. ontwerpen, 3. maken 4. in gebruik nemen en 5. evalueren.
  De steinerscholen hebben bij het ontwikkelen van de tweede graad BSO gekozen voor een variant op deze procesbeschrijving, die vanuit de benadering van het technisch proces ook toepasbaar is op techniek in andere richtingen. Daarbij gaat men uit van acht fases. Men verbindt deze fases ook aan een breed geheel van kennis, vaardigheden en attitudes. (11)
  1. Het ontdekken van de opgave en/of het waarnemen van een behoefte
  Dat wat TOS 21 voor de eerste stap als vanzelfsprekend vooropstelt, wordt als een aparte fase gezien. Daarbij kan het zowel om een opgave of een opdracht gaan als om een behoefte. Het waarnemingsvermogen speelt hierbij een grote rol. In deze fase spelen verder ook de volgende attitudes een rol : het vermogen jezelf deels buiten beschouwing te stellen, interesse krijgen en een engagement opnemen.
  2. Het plannen
  Wat TOS 21 als stap 1 en 2 beschrijft, is hier opgenomen in één fase. Bij het plannen gaat men uit van een vraag om denkend naar een oplossing te zoeken. Daarbij is het belangrijk om doelgericht en adequaat te kunnen denken en om zich in gedachten de hele procedure voor te kunnen voorstellen. Het vraagt ook om het onderscheiden van bijzaken en hoofdzaken.
  3. Besluiten om het plan uit te voeren
  Deze tussenstap tussen het plan en het uitvoeren is van cruciaal belang om niet vast te lopen in het denken en de fantasie. Hierbij moet men enige weerstand overwinnen en een overgang vinden van 'het denken' naar 'het handelen'. De keuze van materiaal, hulpmiddelen en gereedschappen zijn daarbij van groot belang. Zo bereidt men het werk ook praktisch voor en beperkt men zich niet tot het denken. De werkplek wordt ingericht zodat men kan starten met de uitvoering.
  4. Het uitvoeren
  Stap 3 in de beschrijving van het proces in TOS 21 wordt in drie delen gesplitst. Het eerste is het uitvoeren zelf. Dat vraagt om doelgerichtheid en doorzettingsvermogen. Men heeft er zowel wilskracht als zelfbeheersing voor nodig. Hoe ouder de leerling en hoe serieuzer het technisch project, hoe meer vakbekwaamheid wenselijk is. De geleidelijke ontwikkeling van die vakbekwaamheid vraagt om de volgende twee fases.
  5. Het controleren
  Tijdens het uitvoeren is het belangrijk te controleren of men goed bezig is. Dat vraagt om een goed waarnemingsvermogen en om oefening in zelfreflectie. Een gezond kritisch vermogen is hierbij onontbeerlijk.
  6. Het corrigeren
  Als tijdens de zelfcontrole in de vorige fase een gebrek is vastgesteld, is het vermogen om zichzelf te corrigeren uitermate belangrijk. Men oefent daarbij het oordeel en leert zichzelf bij te sturen vanuit dat oordeel. Zo kan men iets wat mis dreigt te lopen toch nog redden. Deze activiteit daagt uit om het technische vermogen te verdiepen en scherpt de wilskracht aan om tot een degelijk resultaat te komen.
  7. Het afsluiten van het proces
  Deze fase is een tussenstap tussen uitvoeren en evalueren. Op een bepaald moment moet men besluiten dat iets voltooid is. Het reële product kan immers ondertussen toch licht afwijken van wat men zich vooraf had voorgesteld. Dit vraagt om het vermogen afstand te kunnen nemen en op een bepaald moment te besluiten dat de tijd rijp is om het product in gebruik te nemen. Naarmate men meer in het reële arbeidsproces zit, zal men ook het vermogen ontwikkelen om het eindresultaat aan de klant te overhandigen en dus af te zien van het eigen gebruik.
  8. Het terugblikken op het gehele arbeidsproces en evalueren
  Ten slotte volgt het terugblikken op het hele proces en het evalueren van proces en resultaat. Leren uit de terugblik is een belangrijke stap is voor verdere ontwikkeling.
  Hoewel deze arbeidsfases natuurlijk pas tot hun volle recht kunnen komen voor grotere projecten in de latere jaren, vragen ze wel om een steeds weerkerende oefening. Deze kan op een aangepaste manier al aangezet worden van in de basisschool.
  TOELICHTING
  De alternatieve eindtermen techniek van de eerste graad zijn grotendeels dezelfde als de door de overheid bepaalde eindtermen. Een opvallend verschil heeft te maken met de procesanalyse. De eindtermen die hier voorgesteld worden zijn geschreven in de geest van de hierboven beschreven procesanalyse in acht arbeidsfases.
  Eindterm 9 is vervangen door een eigen eindterm. Eindterm 20 is geschrapt, en een gedeelte van de inhoud is aan eindterm 11 toegevoegd. Er is een eigen eindterm toegevoegd die het nummer 13 kreeg omwille van de logica in de volgorde van de activiteiten.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Kerncomponenten van techniek
  De leerlingen kunnen
Art. N4. Annexe 4. - Objectifs finaux technique premier degré (Filière A) enseignement secondaire
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Pour la définition des objectifs de développement et des objectifs finaux pour la technique, les pouvoirs publics renvoient explicitement dans leurs principes au projet TOS21 (9). Nous pouvons intégralement souscrire aux principes de base de TOS21, notamment :
  O la technique fait partie de la formation nécessaire de tous (composante de chaque formation générale)
  O la technique contribue au développement de la personnalité
  O la technique favorise la réflexion et le traitement créatifs
  Ces arguments importants étaient déjà à la base du choix des écoles Steiner visant à reprendre aussi des branches techniques dans leur cursus AES. Cela n'était pas une évidence dans le contexte éducatif flamand. La réalisation des compétences techniques dépasse aussi la réflexion de l'utilité dans les écoles Steiner.
  Le projet TOS21 et les principes des objectifs de développement et des objectifs finaux pour la technique pointent un besoin d'actualisation des objectifs finaux et des objectifs de développement pour la technique dans le cadre de la sensibilisation des élèves à la technique, aux études techniques et au développement de la carrière. Nous adhérons à l'importance de cette sensibilisation mais doutons que les objectifs finaux et les objectifs de développement soient un moyen approprié pour y arriver et ne prenons pas cet objectif en considération.
  Cependant, les objectifs finaux et les objectifs de développement définis par les pouvoirs publics s'appuient sur un tel modèle théorique spécifique qu'il n'y a pas assez d'espace pour d'autres visions pédagogiques et éducatives. Plus encore : ces points peuvent même être irréconciliables.
  Dans la lignée du projet TOS21, on a opté dans les principes pour une approche distinguant quatre composants centraux pour la technique (les systèmes techniques, les processus, les outils et les choix). L'apprentissage de la technique est à son tour subdivisée en trois dimensions : comprendre, manipuler et indiquer. Un ensemble de 19 normes a été retenu d'une combinaison des quatre composantes principales choisies pour la technique et des trois dimensions d'apprentissage technique. La réalisation de ces 19 normes correspond à la réalisation des "l'alphabétisation" technique. Dans le projet TOS21, ces 19 normes sont formulées en quatre niveaux d'âge, ce qui donne 65 points de référence. Cette subdivision n'est pas reprise dans les principes.
  Cette approche très abstraite, formelle et conceptuelle de la technique et de l'apprentissage technique du projet TOS21 n'est pas une base adéquate pour une intégration effective liée à l'âge de la technique dans un parcours d'apprentissage pédagogique et éducatif, tel que visé dans les écoles Steiner.
  Cette approche part largement de la supposition selon laquelle les différences entre les différents niveaux d'âge est essentiellement de nature quantitative et que les 19 normes sont en principe pertinentes et sensées pour tous les âges.
  Les pouvoirs publics partent d'un modèle général indépendant de l'âge pour la technique et l'apprentissage technique (19 normes) pour ensuite formuler ces normes en fonction des différents âges. Dans le cadre du projet TOS21, nous n'avons toutefois pas pu compter sur une étude scientifique pour associer les normes avec les niveaux d'âge pour arriver à des points de référence.
  Bref : des formulations des normes adaptées aux âges sont tirées d'un concept abstrait et général.
  Les écoles Steiner ne peuvent pas se retrouver dans cette approche abstraite et artificielle. Dans l'enseignement Steiner, on part toujours en effet de caractéristiques qualitatives dépendant de l'âge en fonction desquelles un enfant comprend, perçoit, aborde, traite, etc. la réalité. Cela demande à chaque fois une approche adaptée de la technique et de l'apprentissage de la technique.
  Il va de soi que cette approche liée à l'âge entraîne des objectifs finaux et des objectifs de développement différents et/ou formulés autrement, surtout dans l'enseignement fondamental. Plus les enfants vieillissent, plus les baromètres équivalents sont possibles et nécessaires. Les objectifs finaux des écoles Steiner pour le premier degré de l'ES adhèrent plus aux objectifs finaux définis par les pouvoirs publics. Cela n'empêche pas que les caractéristiques qualitatives, dépendant de l'âge restent importantes.
  Enfin, les écoles Steiner partent de leur propre variante en ce qui concerne le processus professionnel. Au lieu des cinq étapes décrites dans le projet TOS21, elles distinguent huit phases dans le processus professionnel.
  Approche axée sur l'âge
  Dès le premier degré de l'enseignement secondaire, les écoles Steiner proposent la technique de manière plus axée, mais toujours en cohérence avec la vie quotidienne.
  Dans le premier degré, le rôle de l'enseignant dans le développement d'un système technique est d'une importance cruciale. L'élève apprend sous la direction du professeur à travailler avec les récursivités des outils et du matériel à traiter. A partir de la confiance dans le savoir-faire du professeur, les élèves acquièrent de bonnes habitudes. L'acquisition de ces habitudes comprend aussi l'exécution du processus professionnel décrit ci-dessous, en huit phases. De nombreuses compétences peuvent ainsi être exercées. L'élève part du sens vers l'observation exacte et l'exécution. Une bonne finition alimente le sentiment de beauté.
  On peut dire en résumé que l'offre de la technique dans la pédagogie Steiner est liée à l'âge de l'enfant de la manière suivante :
  Les petits enfants peuvent imiter et exécuter de manière ludique les techniques transparentes et quotidiennes simples de leur environnement proche.
  Les enfants de l'école primaire appliquent les techniques transparentes et simples. En fonction de leur degré d'habilité, ils peuvent aussi concevoir et développer des techniques simples.
  Une fois que les enfants approchent de la puberté, des techniques plus complexes, les explications et les sciences naturelles viennent s'ajouter.
  Explications
  Plus les élèves vieillissent, plus l'attention accordée aux explications est grande. Dans les écoles Steiner, cela se fait souvent de manière interdisciplinaire.
  Dans le projet TOS 21 (10), nous retrouvons en p. 24 ce que l'on entend par explication :

  
  
1verschillende onderdelen en deelsystemen in een technisch systeem onderzoeken : de functies en de relaties ertussen toelichten en daarbij het zicht behouden op het geheel;
  
2bij werkende of falende technische systemen onderzoeken hoe verbeteringen mogelijk zijn;
  
3in concrete voorbeelden aangeven dat het bestuderen en aanpassen van een technisch systeem leidt tot optimalisering, innovatie en/of nieuwe uitvindingen;
  
4in concrete voorbeelden van technische systemen uitleggen welk onderhoud noodzakelijk is voor de goede en duurzame werking ervan;
  
5in concrete voorbeelden de stappen van het cyclisch technisch proces doorlopen : opgave ontdekken, plannen, tot het doen besluiten, het uitvoeren, het controleren, het corrigeren, afsluiten van het proces, terugblikken en evalueren;
  
6in concrete voorbeelden uit techniek het nut ervaren van de gebruikte hulpmiddelen zoals : gereedschappen, machines, grondstoffen, materialen, energie, informatie, menselijke inzet, geldmiddelen, tijd;
  
7in concrete voorbeelden van technische systemen uitleggen dat men voor de ontwikkeling en het gebruik keuzen maakt op basis van criteria;
  
8in concrete voorbeelden uit techniek illustreren dat energie een noodzakelijk hulpmiddel is en omgevormd kan worden;
  
9in concrete voorbeelden uit techniek het belang illustreren om aandacht te besteden aan de ethische en duurzame ontwikkeling van producten;
  
10bepaalde kerncomponenten van techniek herkennen in verschillende toepassingsgebieden uit de wereld van techniek waaronder energie, informatie en communicatie, constructie, transport en biochemie.

  
  
 "expliquer la technique : associer le fonctionnement, le développement et l'utilisation de la technique avec un contexte en dehors de la technique elle-même. Cela signifie entre autres :
  
 - avoir des connaissances des développements historiques du domaine scientifique et technique au fil des siècles;
  
 - pouvoir placer les développements techniques dans le contexte social dans lequel les hommes vivent;
  
 - pouvoir étudier et évaluer les développements techniques de manière objective".
1verschillende onderdelen en deelsystemen in een technisch systeem onderzoeken : de functies en de relaties ertussen toelichten en daarbij het zicht behouden op het geheel;
2bij werkende of falende technische systemen onderzoeken hoe verbeteringen mogelijk zijn;
3in concrete voorbeelden aangeven dat het bestuderen en aanpassen van een technisch systeem leidt tot optimalisering, innovatie en/of nieuwe uitvindingen;
4in concrete voorbeelden van technische systemen uitleggen welk onderhoud noodzakelijk is voor de goede en duurzame werking ervan;
5in concrete voorbeelden de stappen van het cyclisch technisch proces doorlopen : opgave ontdekken, plannen, tot het doen besluiten, het uitvoeren, het controleren, het corrigeren, afsluiten van het proces, terugblikken en evalueren;
6in concrete voorbeelden uit techniek het nut ervaren van de gebruikte hulpmiddelen zoals : gereedschappen, machines, grondstoffen, materialen, energie, informatie, menselijke inzet, geldmiddelen, tijd;
7in concrete voorbeelden van technische systemen uitleggen dat men voor de ontwikkeling en het gebruik keuzen maakt op basis van criteria;
8in concrete voorbeelden uit techniek illustreren dat energie een noodzakelijk hulpmiddel is en omgevormd kan worden;
9in concrete voorbeelden uit techniek het belang illustreren om aandacht te besteden aan de ethische en duurzame ontwikkeling van producten;
10bepaalde kerncomponenten van techniek herkennen in verschillende toepassingsgebieden uit de wereld van techniek waaronder energie, informatie en communicatie, constructie, transport en biochemie.
"expliquer la technique : associer le fonctionnement, le développement et l'utilisation de la technique avec un contexte en dehors de la technique elle-même. Cela signifie entre autres :
- avoir des connaissances des développements historiques du domaine scientifique et technique au fil des siècles;
- pouvoir placer les développements techniques dans le contexte social dans lequel les hommes vivent;
- pouvoir étudier et évaluer les développements techniques de manière objective".
  Techniek als menselijke activiteit
  De leerlingen kunnen
  Notre société confronte le jeune enfant aux techniques contemporaines. Cela ne veut pas dire que nous devions traiter toutes les techniques modernes dans les domaines techniques. Il est toutefois important de donner des explications aux élèves. Les écoles Steiner réalisent de nombreux éléments d'explication dans d'autres domaines qui font partie de la formation de base. La branche de l'histoire du premier degré traite par exemple de la révolution industrielle. Par conséquent, le professeur aborde les systèmes techniques et il place de nombreuses acquisitions techniques de notre époque contemporaine dans leur contexte. Dans le domaine de la géographie, on étudie par exemple comment tout le monde dépend de tout le monde dans notre monde technique et mondialisé.
  Le principe de la phénoménologie
  Un lien explicite est en outre établi entre la technique et les sciences. Cela ne signifie pas que les écoles Steiner veulent aborder la technique de manière théorique. Au premier degré, les sciences naturelles sont de toute façon axées sur la pratique et adaptées à l'âge des élèves.
  La distinction que les pouvoirs publics font à présent entre la technique et les sciences, dans leur forme pure, est difficile à maintenir pour la pédagogie Steiner car on part de l'observation de phénomènes vers la théorie. Cela implique que l'on commence à partir de la douzième année de vie à approfondir les réalisations techniques pour ensuite chercher étapes après étape la théorie scientifique qui se cache derrière. Cela suit ce que l'on peut lire dans le TOS 21 à la p.11

  
  
11vanuit een behoefte een technisch opgave vaststellen na onderzoek van de relevante vereisten in toepassingsgebieden zoals energie, informatie en communicatie, constructie, transport en biochemie;
  
12een eenvoudig technisch systeem ontwerpen uitgaande van een vastgestelde opgave en rekening houdend met vooropgestelde normen en criteria;
  
13bij het ontwerpen de voordelen bij het gebruik van composteerbare natuurlijke en/of recycleerbare materialen inschatten;
  
14een gegeven of eigen ontwerp planmatig uitvoeren met oog voor vereisten van kwaliteit, veiligheid, ergonomie en milieu;
  
15een technisch systeem in gebruik stellen;
  
16een technisch systeem evalueren op basis van vooraf bepaalde normen en criteria en hieruit conclusies trekken om het technisch proces te optimaliseren;
  
17de opeenvolgende stappen van het technisch proces doorlopen om een eenvoudig technisch systeem te realiseren;
  
18hulpmiddelen kiezen en inzetten in functie van het doel en het gebruik;
  
19technische systemen die ze gebruiken onderhouden volgens de onderhoudsvoorschriften;
  
20technische systemen zorgzaam, doelgericht, veilig en ergonomisch gebruiken.

  
  
 "Avec le cadre visant une délimitation plus claire du domaine, le TOS21 souhaite répertorier explicitement cette particularité, avec laquelle la technique se distingue des sciences. Le cadre décrit pour ainsi dire ce qu'il faut ajouter aux sciences naturelles pour arriver à la technique. Le cadre indique ce qui est valable en règle générale pour toutes les réalisations de la technique et suppose (ou fait abstraction des) les principes, propriétés ou récursivités scientifiques qui en sont à la base. Bien entendu, pour l'apprentissage de la technique, le lien avec les sciences naturelles doit être établi. Etudier ou fabriquer une lampe de poche ne se limite pas à étudier ou fermer un circuit électrique. Etudier le fonctionnement d'un moteur à combustion va plus loin que la simple application de la loi générale sur le gaz".
11vanuit een behoefte een technisch opgave vaststellen na onderzoek van de relevante vereisten in toepassingsgebieden zoals energie, informatie en communicatie, constructie, transport en biochemie;
12een eenvoudig technisch systeem ontwerpen uitgaande van een vastgestelde opgave en rekening houdend met vooropgestelde normen en criteria;
13bij het ontwerpen de voordelen bij het gebruik van composteerbare natuurlijke en/of recycleerbare materialen inschatten;
14een gegeven of eigen ontwerp planmatig uitvoeren met oog voor vereisten van kwaliteit, veiligheid, ergonomie en milieu;
15een technisch systeem in gebruik stellen;
16een technisch systeem evalueren op basis van vooraf bepaalde normen en criteria en hieruit conclusies trekken om het technisch proces te optimaliseren;
17de opeenvolgende stappen van het technisch proces doorlopen om een eenvoudig technisch systeem te realiseren;
18hulpmiddelen kiezen en inzetten in functie van het doel en het gebruik;
19technische systemen die ze gebruiken onderhouden volgens de onderhoudsvoorschriften;
20technische systemen zorgzaam, doelgericht, veilig en ergonomisch gebruiken.
"Avec le cadre visant une délimitation plus claire du domaine, le TOS21 souhaite répertorier explicitement cette particularité, avec laquelle la technique se distingue des sciences. Le cadre décrit pour ainsi dire ce qu'il faut ajouter aux sciences naturelles pour arriver à la technique. Le cadre indique ce qui est valable en règle générale pour toutes les réalisations de la technique et suppose (ou fait abstraction des) les principes, propriétés ou récursivités scientifiques qui en sont à la base. Bien entendu, pour l'apprentissage de la technique, le lien avec les sciences naturelles doit être établi. Etudier ou fabriquer une lampe de poche ne se limite pas à étudier ou fermer un circuit électrique. Etudier le fonctionnement d'un moteur à combustion va plus loin que la simple application de la loi générale sur le gaz".
  Techniek en samenleving
  De leerlingen kunnen
  Les écoles Steiner veulent partir de "l'observation des phénomènes" et du "traitement" pour ensuite établir le lien avec les sciences naturelles. Cela adhère très fortement à l'approche liée à l'âge. En abordant la technique de manière phénoménologique et en travaillant en fonction de l'âge, l'enfant et l'élève peuvent rester passionnés par les processus techniques. Cette fascination est la porte d'entrée pour sensibilité les élèves à la technique. Le but n'est pas d'orienter leur parcours scolaire, mais d'éveiller leur intérêt intrinsèque, afin qu'ils puissent s'associer aux phénomènes qu'ils observent.
  Ce n'est qu'à partir du deuxième degré de l'ES que, outre l'acquisition de l'expérience pratique, on travaille aussi sur les aspects cognitifs de la technique. Certaines récursivités scientifiques ne sont en effet visibles que dans leurs applications techniques.
  Le processus technique
  Dans TOS 21, nous lisons à la p. 18 :

  
  
21in concrete voorbeelden aantonen dat technische systemen ontworpen en gemaakt zijn om aan sociale en culturele behoeften te voldoen;
  
22in concrete voorbeelden aangeven wat de positieve en negatieve effecten van technische systemen zijn op het maatschappelijke leven en op de natuur;
  
23voorbeelden geven van maatschappelijke keuzen die bepalend zijn voor de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe technische systemen;
  
24in concrete voorbeelden aangeven dat wetenschappen de keuzen binnen het technisch proces beïnvloeden;
  
25in concrete voorbeelden aangeven dat technische systemen variëren in de tijd en ruimte;
  
26in concrete voorbeelden aangeven hoe men duurzaam kan handelen in de verschillende stappen van het technisch proces;
  
27in concrete voorbeelden aangeven welke rol bepaalde technische beroepen vervullen in de verschillende stappen van een technisch proces;
  
28*het belang erkennen van technische beroepen en van technische vaardigheden in de huidige samenleving, en daarbij geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen;
  
29de wederzijdse beïnvloeding van techniek en samenleving illustreren in verschillende toepassingsgebieden uit de wereld van techniek waaronder energie, informatie en communicatie, constructie, transport en biochemie.

  
  
 La technique est caractérisée par le processus technique. Le processus technique part d'un besoin et se déroule en 5 étapes : 1. étudier la situation-problème, 2. concevoir, 3. créer, 4. mettre en service, 5. évaluer.
21in concrete voorbeelden aantonen dat technische systemen ontworpen en gemaakt zijn om aan sociale en culturele behoeften te voldoen;
22in concrete voorbeelden aangeven wat de positieve en negatieve effecten van technische systemen zijn op het maatschappelijke leven en op de natuur;
23voorbeelden geven van maatschappelijke keuzen die bepalend zijn voor de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe technische systemen;
24in concrete voorbeelden aangeven dat wetenschappen de keuzen binnen het technisch proces beïnvloeden;
25in concrete voorbeelden aangeven dat technische systemen variëren in de tijd en ruimte;
26in concrete voorbeelden aangeven hoe men duurzaam kan handelen in de verschillende stappen van het technisch proces;
27in concrete voorbeelden aangeven welke rol bepaalde technische beroepen vervullen in de verschillende stappen van een technisch proces;
28*het belang erkennen van technische beroepen en van technische vaardigheden in de huidige samenleving, en daarbij geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen;
29de wederzijdse beïnvloeding van techniek en samenleving illustreren in verschillende toepassingsgebieden uit de wereld van techniek waaronder energie, informatie en communicatie, constructie, transport en biochemie.
La technique est caractérisée par le processus technique. Le processus technique part d'un besoin et se déroule en 5 étapes : 1. étudier la situation-problème, 2. concevoir, 3. créer, 4. mettre en service, 5. évaluer.
  * De attitudes werden met een asterisk (*) aangeduid.
  Les écoles Steiner ont opté lors du développement du deuxième degré de l'ESP pour une variante à cette description de processus, qui est aussi applicable à la technique dans d'autres orientations depuis l'approche du processus technique. On part de huit phases. On associe aussi ces phases à un large ensemble de connaissances, de compétences et d'attitudes (11).
  1. La découverte du problème et/ou l'observation d'un besoin
  Ce que le TOS 21 suppose comme allant de soi pour la première étape est considéré comme une phase séparée. Il peut s'agir aussi bien d'un problème que d'une mission ou d'un besoin. Les capacités d'observation jouent un rôle important à ce niveau. Dans cette phase, les attitudes suivantes jouent aussi un rôle : ne pas tenir compte soi-même partiellement des compétences, avoir de l'intérêt et prendre un engagement.
  2. La planification
  Ce que le TOS 21 décrit comme étant les étapes 1 et 2 est repris ici dans une seule phase. Lors de la planification, nous partons d'une question pour chercher une solution en réfléchissant. Il est important à ce niveau de pouvoir penser de manière orientée et adéquate et de pouvoir se représenter toute la procédure mentalement. Cela demande aussi une distinction entre les points principaux et secondaires.
  3. Décider d'exécuter le plan
  Cette étape comprise entre le plan et l'exécution est cruciale pour ne pas être coincé dans la réflexion et la fantaisie. Il faut passer outre toute résistance et trouver une transition de la "réflexion" vers le "traitement". Le choix du matériel, des accessoires et des outils est très important à ce niveau. On prépare ainsi le travail d'un point de vue pratique et on ne se limite pas à la réflexion. Le lieu de travail est aménagé de manière à ce que l'on puisse commencer l'exécution.
  4. L'exécution
  L'étape 3 dans la description du processus dans TOS 21 est scindée en trois parties. La première est l'exécution. Cela demande des capacités de persévérance et une adéquation. On a besoin à la fois de volonté et de maîtrise de soi. Plus l'élève est vieux et plus le projet technique est sérieux, plus les qualifications sont souhaitables. Le développement progressif de ce savoir-faire demande les deux phases suivantes.
  5. Le contrôle
  Pendant l'exécution, il est important de contrôler si l'on est bien occupé. Cela demande de bonnes capacités d'observation et un exercice d'autoréflexion. Une capacité critique saine est indispensable à ce niveau.
  6. La correction
  Si un défaut est constaté dans la maîtrise de soi à la phase précédente, la capacité à se corriger est extrêmement importante. On exerce l'évaluation et on apprend à se corriger à partir de celle-ci. On peut ainsi encore sauver les éléments qui menacent de mal tourner. Cette activité permet d'approfondir les capacités techniques et renforce la persévérance pour arriver à un bon résultat.
  7. La clôture du processus
  Cette phase est une étape intermédiaire entre l'exécution et l'évaluation. A un certain moment, il faut décider si un élément est terminé ou non. Le produit réel peut en effet encore légèrement s'écarter de ce que l'on avait prévu. Cela demande de pouvoir prendre des distances et de décider à un certain moment qu'il est temps de mettre le produit en service. Plus on se situe dans le processus de travail réel, plus on développera la capacité de remettre le résultat final au client et donc de renoncer à son propre usage.
  8. Le retour sur le processus de travail global et l'évaluation
  Vient enfin le retour sur le processus global et l'évaluation du processus ainsi que du résultat. Apprendre du rétrospectif est une étape importante pour la poursuite du développement.
  Bien ce que ces phases de travail ne puissent naturellement être pleinement utilisées que pour les plus grands projets les années suivantes, elles demandent toujours un exercice de rétrospection. Celui-ci peut être lancé de manière adaptée dès l'école fondamentale.
  COMMENTAIRE
  Les objectifs finaux alternatifs pour la technique au premier degré sont largement identiques aux objectifs finaux définis par les pouvoirs publics. Une différence marquante porte sur l'analyse du processus. Les objectifs finaux qui sont présentés ici sont écrits dans l'esprit de l'analyse de processus décrite ci-dessus en huit phases de travail.
  L'objectif final 9 est remplacé par un objectif final propre. L'objectif final 20 est supprimé et une partie du contenu est ajoutée à l'objectif final 11. Un objectif final propre est ajouté et reçoit le numéro 13 pour suivre la logique dans l'ordre des activités.
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Composantes clés de la technique
  Les élèves peuvent :
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs.
  Brussel, 18 maart 2011
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN

  
  
1examiner les différentes parties et sous-systèmes d'un système technique : commenter les fonctions et les relations entre elles tout en conservant une vue d'ensemble;
  
2examiner comment les systèmes techniques en service ou défaillants peuvent être améliorés;
  
3démontrer à l'aide d'exemples concrets que l'étude et l'adaptation d'un système technique mène à l'optimisation, l'innovation et/ou à de nouvelles inventions;
  
4expliqué à l'aide d'exemples concrets de systèmes techniques quel entretien est nécessaire afin d'assurer un bon fonctionnement durable de ces systèmes;
  
5indiquer à l'aide d'exemples concrets les étapes d'un processus technique de nature cyclique : découvrir le problème, planifier, décider, exécuter, contrôler, corriger, conclure le processus, revenir en arrière et évaluer;
  
6percevoir dans des exemples concrets de la technique l'utilité des accessoires utilisés, comme : les matériaux et les matières premières, l'énergie, les machines et les outils, les instruments de mesure, les ressources humaines, le capital, le temps;
  
7expliqué, à l'aide d'exemples concrets de systèmes techniques, qu'on fait des choix sur la base de critères pour le développement et l'utilisation de ces systèmes;
  
8illustrer, à l'aide d'exemples concrets de la technique, que l'énergie est un moyen indispensable et peut être transformée;
  
9illustrer l'importance dans des exemples concrets de la technique pour accorder de l'attention au développement durable et éthique des produits;
  
10illustrer l'influence mutuelle de la technique et de la société dans les différents champs d'application du monde de la technique parmi lesquels l'énergie, l'information et la communication, la construction, le transport et la biochimie.
-
1examiner les différentes parties et sous-systèmes d'un système technique : commenter les fonctions et les relations entre elles tout en conservant une vue d'ensemble;
2examiner comment les systèmes techniques en service ou défaillants peuvent être améliorés;
3démontrer à l'aide d'exemples concrets que l'étude et l'adaptation d'un système technique mène à l'optimisation, l'innovation et/ou à de nouvelles inventions;
4expliqué à l'aide d'exemples concrets de systèmes techniques quel entretien est nécessaire afin d'assurer un bon fonctionnement durable de ces systèmes;
5indiquer à l'aide d'exemples concrets les étapes d'un processus technique de nature cyclique : découvrir le problème, planifier, décider, exécuter, contrôler, corriger, conclure le processus, revenir en arrière et évaluer;
6percevoir dans des exemples concrets de la technique l'utilité des accessoires utilisés, comme : les matériaux et les matières premières, l'énergie, les machines et les outils, les instruments de mesure, les ressources humaines, le capital, le temps;
7expliqué, à l'aide d'exemples concrets de systèmes techniques, qu'on fait des choix sur la base de critères pour le développement et l'utilisation de ces systèmes;
8illustrer, à l'aide d'exemples concrets de la technique, que l'énergie est un moyen indispensable et peut être transformée;
9illustrer l'importance dans des exemples concrets de la technique pour accorder de l'attention au développement durable et éthique des produits;
10illustrer l'influence mutuelle de la technique et de la société dans les différents champs d'application du monde de la technique parmi lesquels l'énergie, l'information et la communication, la construction, le transport et la biochimie.
-
  La technique comme activité humaine
  Les élèves peuvent :
-

  
  
11illustrer l'influence mutuelle de la technique et de la société dans les différents champs d'application du monde de la technique parmi lesquels l'énergie, l'information et la communication, la construction, le transport et la biochimie;
  
12utiliser des modèles, tests et évaluations pour concevoir un système technique simple à partir d'un problème identifié et en tenant compte des normes et critères prévus;
  
13lors de la conception, évaluer les avantages lors de l'utilisation des matériaux naturels compostables et/ou recyclables;
  
14exécuter un projet donné ou un propre projet de manière planifiée en tenant compte des exigences de qualité, de sécurité, d'ergonomie et d'environnement;
  
15mettre en service un système technique;
  
16évaluer un système technique sur la base de normes et critères définis au préalable et en tirer des conclusions pour optimiser le processus technique;
  
17parcourir les étapes successives du processus technique pour réaliser un système technique simple;
  
18choisir et utiliser des ressources en fonction du but et de l'usage;
  
19entretenir les systèmes techniques qu'ils utilisent souvent suivant les instructions d'entretien;
  
20utiliser les systèmes techniques de façon soigneuse, efficace, ergonomique et en toute sécurité;
-
11illustrer l'influence mutuelle de la technique et de la société dans les différents champs d'application du monde de la technique parmi lesquels l'énergie, l'information et la communication, la construction, le transport et la biochimie;
12utiliser des modèles, tests et évaluations pour concevoir un système technique simple à partir d'un problème identifié et en tenant compte des normes et critères prévus;
13lors de la conception, évaluer les avantages lors de l'utilisation des matériaux naturels compostables et/ou recyclables;
14exécuter un projet donné ou un propre projet de manière planifiée en tenant compte des exigences de qualité, de sécurité, d'ergonomie et d'environnement;
15mettre en service un système technique;
16évaluer un système technique sur la base de normes et critères définis au préalable et en tirer des conclusions pour optimiser le processus technique;
17parcourir les étapes successives du processus technique pour réaliser un système technique simple;
18choisir et utiliser des ressources en fonction du but et de l'usage;
19entretenir les systèmes techniques qu'ils utilisent souvent suivant les instructions d'entretien;
20utiliser les systèmes techniques de façon soigneuse, efficace, ergonomique et en toute sécurité;
-
  Technique et société
  Les élèves peuvent :
-

  
  
21démontrer, à l'aide d'exemples concrets, que les systèmes techniques sont conçus et faits pour satisfaire à des besoins sociaux et culturels;
  
22démontrer, à l'aide d'exemples concrets, quels sont les effets positifs et négatifs des systèmes techniques sur la vie sociale et la nature;
  
23donner des exemples de choix sociaux qui sont décisifs pour le développement et l'usage de nouveaux systèmes techniques;
  
24démontrer, à l'aide d'exemples concrets, que les sciences influencent les choix du processus technique;
  
25démontrer, à l'aide d'exemples concrets, que les systèmes techniques varient dans le temps et l'espace;
  
26démontrer, à l'aide d'exemples concrets, comment on peut intervenir de façon durable dans les différents stades du processus technique;
  
27démontrer, à l'aide d'exemples concrets, quel est le rôle joué par certaines professions techniques dans les différents stades du processus technique;
  
28*reconnaître l'importance des professions techniques et des aptitudes techniques dans la société actuelle, sans faire une distinction entre les hommes et les femmes;
  
29illustrer l'influence mutuelle de la technique et de la société dans les différents champs d'application du monde de la technique parmi lesquels l'énergie, l'information et la communication, la construction, le transport et la biochimie.
-
21démontrer, à l'aide d'exemples concrets, que les systèmes techniques sont conçus et faits pour satisfaire à des besoins sociaux et culturels;
22démontrer, à l'aide d'exemples concrets, quels sont les effets positifs et négatifs des systèmes techniques sur la vie sociale et la nature;
23donner des exemples de choix sociaux qui sont décisifs pour le développement et l'usage de nouveaux systèmes techniques;
24démontrer, à l'aide d'exemples concrets, que les sciences influencent les choix du processus technique;
25démontrer, à l'aide d'exemples concrets, que les systèmes techniques varient dans le temps et l'espace;
26démontrer, à l'aide d'exemples concrets, comment on peut intervenir de façon durable dans les différents stades du processus technique;
27démontrer, à l'aide d'exemples concrets, quel est le rôle joué par certaines professions techniques dans les différents stades du processus technique;
28*reconnaître l'importance des professions techniques et des aptitudes techniques dans la société actuelle, sans faire une distinction entre les hommes et les femmes;
29illustrer l'influence mutuelle de la technique et de la société dans les différents champs d'application du monde de la technique parmi lesquels l'énergie, l'information et la communication, la construction, le transport et la biochimie.
-
  * Les attitudes ont été marquées d'un astérisque (*).
-
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N5. Bijlage 5. - Ontwikkelingsdoelen moderne vreemde talen (Frans) eerste graad (B-stroom) secundair onderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  De leeftijdsgerichte ontwikkeling :
  De steinerscholen hebben sinds het ontstaan van de steinerpedagogie in 1919 het vreemdetalenonderwijs hoog in hun vaandel geschreven en wereldwijd worden er in de steiner/Waldorfscholen in de mate van het mogelijke twee vreemde talen aangeleerd vanaf de leeftijd van 6 à 7 jaar. (12) De principes van het vreemdetalenonderwijs in de steinerscholen sluiten dus aan bij de aanbevelingen van de Europese Raad van Barcelona maart 2002, toen de staatshoofden en regeringsleiders (13) aandrongen op het onderwijzen van ten minste twee vreemde talen en dat vanaf zeer jonge leeftijd. Ook de langetermijndoelstelling van de Commissie die erin bestaat de individuele meertaligheid te bevorderen opdat alle burgers beschikken over praktische vaardigheden in ten minste twee vreemde talen wordt door de steinerscholen onderschreven (14). Ook in het onlangs gestarte beroepsonderwijs met steinerpedagogie zijn twee vreemde talen in het leerplan van het vak project algemene vakken opgenomen.
  Zoals reeds beschreven in de algemene motivering voor vervangende eindtermen voor de steinerscholen en zoals reeds gemotiveerd in de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs uit 1997 (15) gaat men bij het vreemdetalenonderwijs eveneens uit van de leeftijdsgerichte ontwikkeling.
  In de kleuterschool leggen de leerlingen de basis voor het mondelinge gebruik van hun moedertaal. In de eerste jaren van de lagere school leggen ze de basis voor het schriftelijk taalgebruik van de moedertaal. Vermits men dan nog kan profiteren van de gevoelige periode voor het verwerven van een vreemde taal, kan in die jaren de mondelinge basis gelegd worden. In de laatste jaren van de lagere school kan men starten met het schriftbeeld in de vreemde taal. Ook de eerste eenvoudige grammaticale elementen zijn hier op z'n plaats in aansluiting met het moedertaalonderwijs. Rond de leeftijd van 12 jaar komt de grammatica in de vreemde taal meer aan bod. Het verschaft de leerling in de prepuberteit wat houvast, structuur en objectiviteit. Er wordt daarbij voortgebouwd op de basis die in de lagere klassen werd gelegd. Verschillende grammaticale structuren en vaste zinsconstructie werden immers al veelvuldig geoefend d.m.v. recitatie, spelvormen en dialoog. Wat voorheen onbewust werd opgenomen wordt nu bewust gemaakt en verklaard.
  In de eerste graad en tweede graad secundair onderwijs ligt het accent sterk op de verwerving van de taal tot op een niveau dat de leerling er zich in thuis voelt. Dat vraagt, naast oefening in communicatie, om heel wat lexicale en grammaticale kennis. In de derde graad gaat het accent liggen op het werkelijk inzetten van de taal in een reële context van spreken en schrijven. Het literatuuronderwijs van de vreemde taal krijgt een daarbij een belangrijke plaats toebedeeld.
  TOELICHTING
  In de lijn van het Europese Referentiekader voor Talen wordt ook in de eigen eindtermen voor de steinerscholen de vaardigheid spreken opgesplitst in 'spreken' en 'mondelinge interactie' zodat er nu vijf vaardigheden zijn in plaats van vier. Uiteraard onderschrijven de steinerscholen eveneens dat veel communicatiesituaties alleen op een vrij kunstmatige wijze aan één van deze vaardigheidsdomeinen worden toegewezen.
  Voor de eindtermen van het secundair onderwijs is zowel de structurering als het gros van de door de overheid bepaalde eindtermen overgenomen. Er is wel een rubriek " beleving van taalrijkdom " aan toegevoegd.
  Toevoeging van de rubriek " beleving van taalrijkdom "
  Hoewel het strikt genomen geen vaardigheid genoemd kan worden, en het eerder over het ervaren van de eigenheid van de andere taal gaat, voegen de steinerscholen onder een nieuwe rubriek " beleving van taalrijkdom " een aantal eindtermen toe. Dit heeft enerzijds consequenties voor het soort teksten dat men gebruikt in het vreemdetalenonderwijs en anderzijds heeft het een band met (inter)culturele gerichtheid of de culturele component. De steinerscholen delen de bekommernis van de overheid zoals uitgedrukt in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen :
  " Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (16)
  De steinerpedagogie wil aan al het bovenstaande nog een dimensie toevoegen. In essentie communiceren niet de culturen met elkaar maar wel individuen met een verschillende culturele achtergrond. Leerlingen in contact brengen met een vreemde taal is de manier bij uitstek om openheid en interesse voor het 'andere dan ik zelf' te wekken en te ontwikkelen; een pedagogische opdracht die van het grootste belang is in onze tijd.
  Taal is sowieso meer dan louter een zakelijk communicatiemiddel en communicatie is meer dan taal. Dit gegeven heeft consequenties voor de visie op vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen. Naast communicatiemiddel is een taal dan ook een drager van het cultureel erfgoed van een volk. Taal, als organisch en levend cultuurgoed, mogen we gerust beschouwen als het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van de mens. Het weerspiegelt in zijn eigenheid de nuances van hoe de realiteit beleefd wordt door de mens die deze taal spreekt. Taal is a.h.w. een kunstig bouwsel van een diepliggende cultuur en geaardheid. Een vreemde taal leren, als een organisch en levend cultuurgoed, is dus een middel om die cultuur en geaardheid niet oordelend tegemoet te treden. De vreemde taal verbindt ons zo met houdingen, conventies, waarden, denken als uitdrukkingen van een specifieke cultuur.
  Meer dan de gewone informatieve, prescriptieve en narratieve teksten zijn artistiek-literaire teksten uitingen van de 'levende taal' en middel bij uitstek om zich diepgaand te verbinden met andere culturen. Deze artistiek-literaire teksten kunnen een uiteenlopende moeilijkheidsgraad hebben van eenvoudige kinderpoëzie en rijmpjes tot grote literaire romans en epische gedichten of theaterteksten. Als men de literaire tekst via dramatische werkvormen in de klas kan brengen, komt de vreemde taal op een unieke manier tot leven. Literatuur was in de eerste plaats een orale kunst. Via taalbeleving in een vreemde taal komt men tot het beleven van het eigene van de cultuur van de andere. Daarom kiezen de steinerscholen ervoor om ook een rubriek beleving van taalrijkdom aan de eindtermen toe te voegen. De teksten die men voor deze eindtermen gebruikt, beperken zich niet tot het niveau beschreven voor de teksten van de andere rubrieken.
  Taaltaak en tekst
  De steinerscholen volgen eveneens de betekenis van het woord " tekst " zoals in de definitie van de Raad van Europa het geval is, waarbij 'tekst' verwijst naar elke boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel mondeling als schriftelijk.
  Ook het hierna geciteerde uit de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen is van toepassing voor de steinerscholen :
  " Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (17)
  Tekstsoorten en tekstkenmerken
  Voor de tekstsoorten en tekstkenmerken hanteren de steinerscholen eigen criteria omdat de artistiek-literaire teksten zoals hierboven beschreven een grote rol spelen in het vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen.
  Enerzijds kunnen de steinerscholen eveneens de volgende omschrijvingen hanteren voor hun eindtermen :
  " Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :
  o bij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
  o bij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;
  o bij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;
  o bij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
  o bij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is. "
  Anderzijds wordt er met name door de rubriek " beleving van taalrijkdom " er aan toe te voegen een eigen accent gelegd.
  Ook voor de tekstkenmerken worden eigen keuzes gemaakt. Zo krijgen elementen die buiten de eigen leefwereld liggen een grotere aandacht. Het belangrijkste criterium voor een tekst op niveau van de leerlingen binnen de steinerpedagogie, is dat de leerlingen er zich innerlijk mee kunnen verbinden. Wat tot deze innerlijke verbinding leidt, kan soms ook buiten de leefwereld van de leerlingen in stricto senso behoren. Verder wordt er in de steinerscholen een grote waarde gehecht aan de ontwikkeling van het innerlijk van de leerlingen door aandacht te besteden aan de morele en beeldende waarde van de teksten.
  Voor de basisschool kiezen de steinerscholen ervoor om de tekstkenmerken niet apart uit te splitsen maar vanaf de eerste graad nemen de steinerscholen de structurering van de door de overheid bepaalde eindtermen over, inclusief het vooraf bepalen van de tekstsoorten. Een uitzondering moet gemaakt worden voor de rubriek " beleven van taalrijkdom " waar ook voor het secundair onderwijs wordt afgeweken van het bepalen van tekstsoort en tekstniveau.
  Verwerkingsniveaus
  De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel 'kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er vooral in de basisschool maar vaak ook in de secundaire scholen grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijnen nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden. Stijloefeningen zoals het nabootsen van de schrijfstijl van een bepaalde schrijver, vragen om een hoge beheersing van de taal. Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze verhoging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men gemakkelijker spontaan in de vreemde taal durft te spreken.
  Verder wordt in de steinerschool vaak kunstzinnige werkvormen als evenwaardige verwerkingsvormen gezien op een beschrijvend niveau. Dat wat door de leerling innerlijk werd opgenomen wordt in zekere zin beschrijvend weergegeven. Er heeft dan, in tegenstelling tot de omschrijving van het verwerkingsniveau 'beschrijven' in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen, wel al enige vorm van transformatie plaats gevonden.
  Gebruik van digitale media
  Het gebruik van digitale media wordt aangepast aan de eigen vakoverschrijdende eindtermen ICT.
  Het Europees referentiekader MVT
  De steinerscholen voeren ook de koppeling met het Europees Referentiekader door zoals weergegeven in de hierna volgende tabel.
Art. N5. Annexe 5. - Objectifs de développement langues étrangères modernes (Français) premier degré (Filière B) enseignement secondaire
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Le développement axé sur l'âge :
  Depuis la création de la pédagogie Steiner en 1919, les écoles Steiner ont prévu à l'enseignement des langues étrangères et dans le monde, les écoles Steiner/Waldorf enseignent dans la mesure du possible deux langues étrangères dès l'âge de 6 à 7 ans. (12) Les principes de l'enseignement des langues étrangères dans les écoles Steiner adhèrent donc aux recommandations du Conseil européen de Barcelone de mars 2002, lorsque les chefs d'Etat et de gouvernement (13) ont insisté sur l'enseignement d'au moins deux langues étrangères, dès le plus jeune âge. Les écoles Steiner souscrivent à l'objectif à long terme de la Commission visant à favoriser le plurilinguisme individuel pour que tous les citoyens disposent de compétences pratiques dans au moins deux langues étrangères (14). L'enseignement professionnel récemment lancé avec la pédagogie Steiner reprend lui aussi deux langues étrangères dans le plan d'apprentissage des branches générales.
  Tel que décrit dans la motivation générale pour les objectifs finaux de remplacement pour les écoles Steiner et comme motivé dans la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux dans l'enseignement fondamental ordinaire de 1997 (15), on part aussi pour l'enseignement des langues étrangères du développement axé sur l'âge.
  A l'école maternelle, les élèves jettent les bases pour l'usage oral de leur langue maternelle. Durant les premières années de l'école primaire, ils jettent les bases pour l'usage écrit de leur langue maternelle. Puisque l'on peut profiter de la période réceptive pour l'acquisition d'une langue étrangère, les bases orales peuvent être jetées durant ces années. Au cours des dernières années de l'école primaire, on peut commencer le graphisme dans la langue étrangère. Les premiers éléments grammaticaux simples sont aussi à leur place, parallèlement à l'enseignement de la langue maternelle. Vers l'âge de douze ans, la grammaire dans la langue étrangère est plus abordée. Elle offre à l'âge de la prépuberté une structure, un repère et de l'objectivité. On développe pour cela les bases acquises durant les classes de primaire. Plusieurs structures grammaticales et des constructions de phrase fixes ont en effet fait l'objet de divers exercices, notamment via des récitations, des dialogues ou encore des formes ludiques. Ce qui a auparavant été appris inconsciemment est expliqué et on en prend conscience.
  Durant le premier et le deuxième degré de l'enseignement secondaire, l'accent est fortement mis sur l'acquisition de la langue jusqu'à un niveau auquel l'élève se sente à l'aise. Cela demande, outre l'exercice dans la Communication, de nombreuses connaissances grammaticales et lexicales. Au troisième degré l'accent est mis sur l'application effective de la langue dans un contexte réel de discussion et d'écriture. L'enseignement de la littérature de la langue étrangère y bénéficie d'une place importante.
  COMMENTAIRE
  Conformément au Cadre de référence européen pour les Langues, dans les objectifs finaux propres des écoles Steiner, la compétence de l'expression est subdivisée en "expression" et "interaction orale", de sorte qu'il existe à présent cinq et non plus quatre compétences. Les écoles Steiner souscrivent en effet à l'idée que de nombreuses situations de communication ne sont attribuées que de manière assez artificielle à l'un de ces domaines de compétence.
  En ce qui concerne les objectifs finaux de l'enseignement secondaire, tant la structuration que la coopération transfrontalière des objectifs finaux définis par les autorités sont reprises. Une rubrique "expérience de la richesse langagière" est ajoutée.
  Ajout de la rubrique "expérience de la richesse langagière"
  Bien que l'on ne puisse pas parler d'une compétence au sens strict et qu'il s'agisse plutôt de l'expérience du caractère propre de l'autre langue, les écoles Steiner ajoutent plusieurs objectifs finaux sous une nouvelle rubrique appelée "expérience de la richesse langagière". Cela a d'une part des conséquences pour le type de textes que l'on utilise dans l'enseignement des langues étrangères et d'autre part, cela a un lien avec l'orientation (inter) culturelle ou la composante culturelle. Les écoles Steiner partagent les inquiétudes des pouvoirs publics, comme exprimé dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics pour les langues étrangères :
  Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle (16).
  La pédagogie Steiner pédagogie veut ajouter encore une dimension à tous les éléments susmentionnés. Les cultures ne communiquent essentiellement pas entre elles, mais bien les individus avec un contexte culturel différent. Faire entrer les élèves en contact avec une langue étrangère est la manière par excellence de développer et susciter l'intérêt et l'ouverture pour "l'autre"; une mission pédagogique qui est de la plus haute importance à notre époque.
  La langue est bien plus qu'un simple moyen de communication professionnel et la communication ne se limite pas à la langue. Ces données ont des conséquences pour la vision sur l'enseignement de la langue étrangère des écoles Steiner. Outre le moyen de communication, la langue est aussi un support du patrimoine culturel d'un peuple. La langue, en tant que bien culturel vivant et organique, peut être considérée comme le principal moyen de communication de l'homme. Elle reflète dans son caractère propre les nuances de la manière dont la réalité est vécue par l'homme qui parle cette langue. La langue est pour ainsi dire une construction artificielle d'une nature et d'une culture profondes. Apprendre une langue étrangère, comme un bien culturel vivant et organique, est donc un moyen d'aller à la rencontre de cette culture et de cette nature sans aucun jugement. La langue étrangère nous engage avec des attitudes, des conventions, des valeurs, des réflexions comme des expressions d'une culture spécifique.
  Plus que les textes informatifs, prescriptifs et narratifs ordinaires, les textes artistiques et littéraires sont des expressions de la "langue vivante" et le moyen par excellence de rejoindre en profondeur d'autres cultures. Ces textes artistiques et littéraires peuvent présenter divers degrés de difficulté de la simple poésie infantile et des couplets aux grands romans littéraires et aux poésies épiques ou aux textes théâtraux. Si l'on peut introduire le texte littéraire via des formes de travail dramatiques dans la classe, la langue étrangère prend vie de manière unique. La littérature était tout d'abord un art oral. Grâce à l'expérience linguistique dans une langue étrangère, on vit le caractère propre de la culture des autres. C'est pourquoi les écoles Steiner optent pour l'ajout d'une rubrique "expérience de la richesse langagière" dans les objectifs finaux. Les textes que l'on utilise pour ces objectifs finaux ne se limitent pas au niveau décrit pour les textes des autres rubriques.
  Tâche langagière et texte
  Les écoles Steiner suivent la signification du terme "texte" telle que définie par le Conseil de l'Europe, ou "texte" renvoie à tout message produit ou relu par les élèves, qu'il soit oral ou écrit.
  Le paragraphe suivant, tiré des principes des objectifs finaux pour les langues étrangères fixés par les pouvoirs publics, est d'application pour les écoles Steiner :

  
  
 LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
  
baoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
  
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1

  
  
 Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et enfin, tous les élèves ne devront pas maîtriser les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (17).
LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
baoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et enfin, tous les élèves ne devront pas maîtriser les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (17).
  VERVANGENDE ONTWIKKELINGSDOELEN
  Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten, tekstkenmerken en strategieën
  LUISTEREN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o functioneel
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o zonder storende achtergrondgeluiden
  o meestal met visuele ondersteuning
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o korte enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen, met de meest frequente verbindingswoorden
  o elementaire tekststructuur
  o zeer korte teksten
  o met expliciete informatie
  o ook met redundante informatie
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o duidelijke, natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o langzaam tempo met pauzes waar nodig
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
  o eenduidig in de context
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Types de textes et caractéristiques des textes
  En ce qui concerne les types de texte et les caractéristiques de texte, les écoles Steiner utilisent leurs propres critères car les textes artistiques et littéraires tels que décrits ci-dessus jouent un rôle important dans l'enseignement des langues étrangères des écoles Steiner.
  Les écoles Steiner peuvent d'une part utiliser les descriptions suivantes pour leurs objectifs finaux :
  "Ces types de texte sont décrits sur la base de ce que l'on considère comme étant la caractéristique la plus dominante du texte :
  O pour les textes informatifs, la transmission des informations;
  O pour les textes prescriptifs, la direction directe des actes du destinataire;
  O pour les textes narratifs, la restitution contée des faits et événements;
  O pour les textes argumentatifs, le développement d'un raisonnement;
  O pour les textes artistiques et littéraires, le fait que la composante esthétique soit explicitement présente".
  D'autre part, un accent propre est mis en ajoutant notamment la rubrique "expérience de la richesse langagière".
  Des choix propres sont aussi opérés pour les caractéristiques des textes. Les éléments qui s'inscrivent en dehors de l'environnement propre bénéficient d'une plus grande attention. Le principal critère pour un texte au niveau des élèves dans la pédagogie Steiner est que les élèves puissent intimement s'y associer. Ce qui amène cette liaison intrinsèque peut parfois ne pas faire partie de l'environnement des élèves au sens strict. Les écoles Steiner accordent beaucoup de valeur au développement de l'esprit des élèves en accordant de l'attention aux valeurs morales et imagées des textes.
  Pour l'école fondamentale, les écoles Steiner choisissent de ne pas scinder les caractéristiques des textes, mais à partir du premier degré les écoles Steiner reprennent la structure des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, dont la définition préalable des types de texte. Une exception doit être faite pour la rubrique "expérience de la richesse langagière", ou l'on s'écarte également pour l'enseignement secondaire de la définition du type de texte et du niveau de texte.
  Niveaux d'assimilation
  Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente par rapport aux niveaux d'assimilation, tels que décrits dans les principes des pouvoirs publics. Bien que le "copiage" soit considéré dans ces principes comme étant le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur, surtout dans l'enseignement fondamental, mais aussi dans les écoles secondaires. Copier ou imiter est plus qu'une simple reproduction. En imitant, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Ils peuvent assimiler des nuances plus fines au niveau des sentiments, se représenter des images intérieures et un enregistrement certain est assuré dans la mémoire. S'il s'agit notamment de textes littéraires, cette imitation peut offrir une plus-value jusque dans les classes supérieures de l'enseignement secondaire. Les exercices de style comme l'imitation du style d'écriture d'un certain écrivain demandent une grande maîtrise de la langue. Apprendre par coeur les textes théâtraux dans le cadre d'une représentation peut, une fois la représentation terminée, entraîner une importante augmentation de la confiance en soi, de sorte que l'on osera plus facilement s'exprimer spontanément dans la langue étrangère.
  Dans les écoles Steiner, les formes de travail artistiques sont souvent considérées comme des formes d'assimilation équivalentes à un niveau descriptif. Ce que l'élève assimile intérieurement est restitué de manière descriptive. Contrairement à la définition du niveau d'assimilation de la "description" dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, une forme de transformation a eu lieu.
  Utilisation des médias numériques
  L'utilisation des médias numériques est adaptée aux objectifs finaux interdisciplinaires propres des TIC.
  Le cadre de référence européen MVT
  Les écoles Steiner réalisent aussi l'association avec le Cadre de Référence européen, comme indiqué dans le tableau suivant :

  
  
1 het onderwerp bepalen in informatieve en narratieve teksten;
  
2 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve en narratieve teksten;
  
3 de inhoudslijn volgen van informatieve en narratieve teksten;
  
4 de inhoud opvolgen van prescriptieve teksten;
  
5 herkenbare informatie selecteren uit informatieve en narratieve teksten.
  
6 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
 EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
  
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 ESG A 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 ESPA 1A 1Pas d'ETA 1A 1A 1
  
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
1 het onderwerp bepalen in informatieve en narratieve teksten;
2 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve en narratieve teksten;
3 de inhoudslijn volgen van informatieve en narratieve teksten;
4 de inhoud opvolgen van prescriptieve teksten;
5 herkenbare informatie selecteren uit informatieve en narratieve teksten.
6 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 ESG A 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 ESPA 1A 1Pas d'ETA 1A 1A 1
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  o het luisterdoel bepalen;
  o gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief materiaal;
  o de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  o voorbijgaan aan een woord, fragment of klankstroom die zij niet begrijpen.
  LEZEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o functioneel
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o meestal met visuele ondersteuning
  O Structuur/ Samenhang/ Lengte
  o korte enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen, met de meest frequente verbindingswoorden
  o elementaire tekststructuur
  o korte teksten
  o met expliciete informatie
  o ook met redundante informatie
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o eenduidig in de context
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT DE REMPLACEMENT
  Tâches langagières, niveaux d'assimilation, types de textes, caractéristiques de textes et stratégies
  ECOUTER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o fonctionnel
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o sans bruits de fonds incommodants
  o le plus souvent avec un support visuel
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases courtes et simples et simples phrases composées en utilisant les mots connecteurs les plus fréquents
  o structure textuelle élémentaire
  o textes très courts
  o comportant des informations explicites
  o également pourvus d'informations redondantes
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation claire, naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o rythme lent avec des pauses au besoin
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots très fréquents de champs lexicaux, phrases toutes faites et expressions idiomatiques
  o univoque dans le contexte
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
7 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
8 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
9 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
  
10 informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten.
  
11 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
1 identifier le sujet dans des textes informatifs et narratifs;
  
2 identifier l'idée principale dans des textes informatifs et narratifs;
  
3 suivre les grandes lignes du contenu de textes informatifs et narratifs;
  
4 suivre le contenu de textes prescriptifs;
  
5 sélectionner des informations identifiables dans des textes informatifs et narratifs.
  
6 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
7 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
8 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
9 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;
10 informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten.
11 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
1 identifier le sujet dans des textes informatifs et narratifs;
2 identifier l'idée principale dans des textes informatifs et narratifs;
3 suivre les grandes lignes du contenu de textes informatifs et narratifs;
4 suivre le contenu de textes prescriptifs;
5 sélectionner des informations identifiables dans des textes informatifs et narratifs.
6 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  o het leesdoel bepalen;
  o gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
  o het onderwerp van de tekst voorspellen;
  o de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  o de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;
  o herlezen wat onduidelijk is;
  o een woordenlijst of een woordenboek raadplegen.
  SPREKEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o functioneel
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente verbindingswoorden
  o elementaire tekststructuur
  o zeer korte teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
  o langzaam tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken kopiërend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  o déterminer l'objectif de l'écoute;
  o utiliser des supports visuels et auditifs;
  o déduire le sens probable de mots transparents;
  o passer sur un mot, un fragment ou un flot de sons qu'ils ne comprennent pas.
  LIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o fonctionnel
  o Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o le plus souvent avec un support visuel
  o Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases courtes et simples et simples phrases composées en utilisant les mots connecteurs les plus fréquents
  o structure textuelle élémentaire
  o textes courts
  o comportant des informations explicites
  o également pourvus d'informations redondantes
  o Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o univoque dans le contexte
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
12 vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen;
  
13 een vooraf beluisterde en gelezen tekst luidop lezen;
  
14 een vooraf gelezen tekst luidop lezen.

  
  
7 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
8 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
9 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
  
10 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs.
  
11 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
12 vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen;
13 een vooraf beluisterde en gelezen tekst luidop lezen;
14 een vooraf gelezen tekst luidop lezen.
7 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
8 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
9 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs;
10 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs.
11 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  o définir l'objectif de lecture;
  o utiliser des supports visuels;
  o prévoir le sujet du texte;
  o déduire le sens probable de mots transparents;
  o déduire du contexte le sens probable de mots inconnus;
  o relire ce qui n'est pas clair;
  o consulter un lexique ou un dictionnaire.
  PARLER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o fonctionnel
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o courtes phrases simples et simples phrases composées avec les mots connecteurs les plus fréquents
  o structure textuelle élémentaire
  o textes très courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  o chercher à s'exprimer avec une prononciation claire, une articulation soigneuse et une intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions éventuelles et des interruptions plus longues
  o rythme lent
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots très fréquents de champs lexicaux, phrases toutes faites et expressions idiomatiques
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en reproduisant :

  
  
15 aan de hand van sleutelwoorden een verwerkte tekst bondig weergeven;
  
16 met een vorm van ondersteuning iets of iemand beschrijven;
  
17 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies
  
18 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
12 répéter des mots et des phrases écoutés au préalable;
  
13 lire à haute voix un texte écouté et lu au préalable;
  
14 lire à haute voix un texte lu au préalable.
15 aan de hand van sleutelwoorden een verwerkte tekst bondig weergeven;
16 met een vorm van ondersteuning iets of iemand beschrijven;
17 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies
18 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
12 répéter des mots et des phrases écoutés au préalable;
13 lire à haute voix un texte écouté et lu au préalable;
14 lire à haute voix un texte lu au préalable.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  o het spreekdoel bepalen;
  o gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
  o gebruik maken van ondersteunend materiaal.
  MONDELINGE INTERACTIE
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o functioneel
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente verbindingswoorden
  o elementaire tekststructuur
  o zeer korte teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
  o langzaam tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
19deelnemen aan een gesprek door :

  
  
15 présenter un texte assimilé de façon concise et à l'aide de mots-clés;
  
16 décrire une chose ou une personne en s'aidant de supports;
  
17 respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
  
18 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
19deelnemen aan een gesprek door :
15 présenter un texte assimilé de façon concise et à l'aide de mots-clés;
16 décrire une chose ou une personne en s'aidant de supports;
17 respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
18 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  o vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen;
  o erop te reageren;
  o zelf vragen te stellen, antwoorden te geven en uitspraken te doen;
  O continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  O déterminer l'objectif de l'acte de parole;
  O utiliser le langage corporel pour supporter la communication;
  O utiliser des supports.
  INTERACTION ORALE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o fonctionnel
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o courtes phrases simples et simples phrases composées avec les mots connecteurs les plus fréquents
  o structure textuelle élémentaire
  o textes très courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  o chercher à s'exprimer avec une prononciation claire, une articulation soigneuse et une intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions éventuelles et des interruptions plus longues
  o rythme lent
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots très fréquents de champs lexicaux, phrases toutes faites et expressions idiomatiques
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes :

  
  
20gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
  
21 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
19participer à une conversation en :
20gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
21 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
19participer à une conversation en :
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
  o gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
  o te kennen geven dat ze iets niet begrepen hebben,vragen om langzamer te spreken;
  o iets aanwijzen om wederzijds begrip na te gaan.
  SCHRIJVEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o functioneel
  O Taalgebruiksituatie
  o concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruiksituaties
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o korte eenvoudige zinnen
  o elementaire tekststructuur
  o zeer korte teksten
  o Uitspraak, articulatie, intonatie
  O Tempo en vlotheid
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
  o standaardtaal informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken kopiërend uitvoeren :
  o comprenant des questions, réponses et énoncés;
  o en y réagissant;
  o en posant eux-mêmes des questions, en donnant des réponses et en avançant des propos;

  
  
22 een tekst foutloos overschrijven;
  
23 inlichtingen verstrekken op eenvoudige formulieren.

  
  
20respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
  
21 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
22 een tekst foutloos overschrijven;
23 inlichtingen verstrekken op eenvoudige formulieren.
20respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
21 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  Kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  O continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout; pouvoir s'exprimer;
  O utiliser le langage corporel pour supporter la communication;
  O signaler qu'ils n'ont pas compris, demander de parler plus lentement;
  O indiquer quelque chose pour vérifier si le message est compréhensible pour tous les deux.
  ECRIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o fonctionnel
  O Situation langagière
  o situations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèves
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases courtes et simples
  o structure textuelle élémentaire
  o textes très courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  O Rythme et aisance
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots très fréquents de champs lexicaux, phrases toutes faites et expressions idiomatiques
  o langue standard
  informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en reproduisant :

  
  
24 aan de hand van aangereikte standaarduitdrukkingen en vaste frasen een tekstje samenstellen.

  
  
22 copier un texte sans fautes;
  
23 fournir des renseignements sur des formulaires simples;
24 aan de hand van aangereikte standaarduitdrukkingen en vaste frasen een tekstje samenstellen.
22 copier un texte sans fautes;
23 fournir des renseignements sur des formulaires simples;
  a) Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
  o zich blijven concentreren op de schrijftaak;
  o het schrijfdoel bepalen;
  o de eigen tekst nakijken;
  o principes van lay-out toepassen.
  Kennis, beleving van taalrijkdom en attitudes
  KENNIS
  b) Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen de volgende lexicale en grammaticale elementen functioneel inzetten, eventueel met ondersteuning van hulpmiddelen :
  c) vorm, betekenis en reëel gebruik in context van woorden en woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de taalgebruikssituaties vereisen :
  o persoonlijke gegevens : (zoals naam, leeftijd, adres, telefoon, dichte familie, kleding, gezondheid, lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren)
  o dagelijks leven : (zoals huis, vrijetijdsbesteding, school, klas, de klasafspraken en -instructies, schoolmateriaal, verplaatsingen, boodschappen doen)
  o relatie tot de anderen : (zoals zich voorstellen, iemand voorstellen, begroeten, bedanken, feliciteren, beleefdheidsrituelen, gevoelens uitdrukken) eten en drinken : (zoals wat men eet of drinkt, de maaltijden) tijd, ruimte, natuur (zoals het jaar, de seizoenen, het weer, maanden, dagen, uuraanduidingen, tijdsmarkeerders, feesten, dieren)
  o functiewoorden : voorzetsels en voegwoorden
  o hoeveelheidsaanduidingen : hoofdtelwoorden en frequente rangtelwoorden
  d) grammaticale constructies :
  o morfologisch domein
  zelfstandige naamwoorden : genus, getal, overeenkomst
  lidwoorden
  bijvoeglijk gebruikte woordsoorten
  o bijvoeglijke naamwoorden
  o bezittelijke voornaamwoorden
  o aanwijzende voornaamwoorden
  o vragende voornaamwoorden
  infinitieven
  werkwoordsvormen en de tijdsmarkeerders i.f.v. communicatie in de tegenwoordige tijd en de " futur proche "
  zeer frequente vormen van de " passé composé "
  o syntactisch domein
  eenvoudige bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp
  BELEVING VAN TAALRIJKDOM
  De leerlingen beleven
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
27 * de klankrijkdom, specifieke intonatie en uitdrukkingen van het Frans onder meer in literaire teksten;
  
28 * aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
  
29 * aan de inhoud van typische Franse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse taal en cultuur;
  
30 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot een taalgemeenschap.

  
  
24 composer un texte court à l'aide d'expressions idiomatiques et de phrases toutes faites mises à disposition.
27 * de klankrijkdom, specifieke intonatie en uitdrukkingen van het Frans onder meer in literaire teksten;
28 * aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
29 * aan de inhoud van typische Franse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse taal en cultuur;
30 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot een taalgemeenschap.
24 composer un texte court à l'aide d'expressions idiomatiques et de phrases toutes faites mises à disposition.
  ATTITUDES
  De leerlingen werken aan de volgende attitudes :
  a) Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  o continuer à se concentrer sur une tâche d'écriture;
  o déterminer l'objectif d'écriture;
  o réviser le propre texte;
  o appliquer les principes de la mise en pages.
  Connaissances, expérience de la richesse langagière et attitudes
  CONNAISSANCE
  b) Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves sont capables d'utiliser fonctionnellement les éléments lexicaux et grammaticaux suivants, éventuellement avec l'aide d'outils :
  c) la forme, le sens et l'usage réel dans un contexte de mots et de combinaisons de mots fréquents des domaines suivants :
  les champs lexicaux que les tâches langagières et les situations d'usage de la langue exigent :
  O données personnelles : nom, âge, adresse, téléphone, famille proche, habillement, santé, parties du corps, caractéristiques externes, animaux domestiques
  O vie quotidienne : maison, loisirs, école, classe, conventions et instructions de classe, matériel scolaire, déplacements, faire des courses
  O relation avec les autres : (comme se présenter, présenter quelqu'un, salué, remercier, féliciter, rituels de politesse, exprimer des sentiments)
  boire et manger : ce qu'on mange ou boit, les repas
  temps, espace, nature (l'année, les saisons, le temps, les mois, les jours, indications de l'heure, marqueurs du temps, fêtes, animaux)
  O mots de fonction : prépositions et conjonctions
  O indications de quantité : nombres cardinaux et nombres ordinaux
  d) constructions grammaticales :
  O domaine morphologique
  substantifs : genre, nombre, accord
  articles
  catégories grammaticales utilisées comme adjectif
  o adjectifs
  o pronoms possessifs
  o pronoms démonstratifs
  o pronoms interrogatifs
  infinitifs
  formes du verbe et marqueurs du temps en fonction de la communication au présent et au "futur proche"
  formes très fréquentes du "passé composé"
  O domaine syntactique
  simples phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  pronoms personnels comme sujet
  EXPERIENCE DE LA RICHESSE LANGAGIÔRE
  Les élèves perçoivent :

  
  
31* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans;
  
32* tonen bereidheid tot taalverzorging;
  
33* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers.

  
  
27 * la richesse des sons, l'intonation spécifique et les expressions du français, entre autres dans les textes littéraires;
  
28 * la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme de la langue française ainsi que les caractéristiques et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
  
29 * dans le contenu des textes littéraires français, les caractéristiques socioculturelles de la langue et de la culture française;
  
30 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à une communauté linguistique.
31* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans;
32* tonen bereidheid tot taalverzorging;
33* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers.
27 * la richesse des sons, l'intonation spécifique et les expressions du français, entre autres dans les textes littéraires;
28 * la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme de la langue française ainsi que les caractéristiques et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
29 * dans le contenu des textes littéraires français, les caractéristiques socioculturelles de la langue et de la culture française;
30 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à une communauté linguistique.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet, de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  ATTITUDES
  Les élèves développent les attitudes suivantes :
-

  
  
31* montrent la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français;
  
32* montrent la volonté d'utiliser un langage choisi;
  
33* montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue.
-
31* montrent la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français;
32* montrent la volonté d'utiliser un langage choisi;
33* montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue.
-
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N6. Bijlage 6. - Ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor het aanvragen van vervangende eindtermen ligt in het gegeven dat de steinerscholen uitgaan van een specifieke visie op de mens en de wereld, zoals reeds beschreven in de algemene motivering. Wat de vervangende eindtermen voor wereldoriëntatie natuur betreft, komen de fenomenologische benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak als grootste eigenheden naar voren.
  De steinerscholen kiezen voor een open benadering van de werkelijkheid waarbij wordt getracht een reductionistische beschouwingswijze te voorkomen. Zie meer details ook in onze " Algemene motivering ". Dit reductionisme heeft een inhoudelijk en een methodologisch aspect.
  Het inhoudelijke aspect bestaat uit de neiging de werkelijkheid te benaderen vanuit de a priori opvatting - voorafgaand aan waarneming en proefondervindelijkheid - dat de hele werkelijkheid, met daarin de niet-levende, levende, bewuste en zelfbewuste natuur, principieel verklaarbaar is vanuit de materiële samenhangen en wetmatigheden.
  Het methodologisch aspect ontstaat door die onderzoeksmethode, die erg succesvol is bij onderzoek van de niet-levende natuur, als blauwdruk te nemen voor alle onderzoek en derhalve ook voor de andere dimensies van de werkelijkheid.
  In de door de Vlaamse Regering gekozen " Uitgangspunten " (met de vier kernbegrippen materie, energie, interacties en systemen vanaf de eerste graad A-stroom) en de daaruit afgeleide eindtermen, is onze zorg voor een open wetenschapsbenadering onvoldoende geëxpliciteerd. Voor de steinerscholen is dit echter essentieel.
  In de " Uitgangspunten " wordt de definitie van natuurwetenschappelijke competentie weergegeven uit de " Aanbeveling inzake kerncompetenties voor levenslang leren " van het Europees Parlement. Het is duidelijk dat het realiseren van deze competentie zich op het niveau van de volwassene situeert.
  Gelet op wat hiervoor en in onze " Algemene motivering " gezegd is over de veranderende verhouding van het kind tot de werkelijkheid doorheen zijn ontwikkeling, kunnen de steinerscholen zich niet vinden in de gradueel opgebouwde aanpak. Het is volgens onze visie niet dienstig deze natuurwetenschappelijke competentie na te streven door een rechte lijn uit te tekenen van de kleutertijd tot de volwassenheid. Jonge kinderen vragen een andere benadering van de werkelijkheid, die in de eerste plaats aansluit bij de manier waarop zij de wereld willen begrijpen. Zie hiervoor ook " Algemene motivering, hoofdstuk 1 : Een ontwikkelingsgerichte pedagogie ".
  Om deze twee fundamentele redenen opteren de steinerscholen voor een andere aanpak bij het opbouwen van een natuurwetenschappelijke competentie en als gevolg daarvan voor andere ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het kleuter- en lager onderwijs.
  TOELICHTING
  Bij deze aanvraag voegen we een paar nieuwe vervangende eindtermen wereldoriëntatie natuur toe aan ons oorspronkelijke pakket eigen eindtermen voor het deelgebied wereldoriëntatie.
  De ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie natuur, bepaald bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, verschillen in hoofdzaak wat hun ordening betreft, van de oorspronkelijke ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie natuur. De beschreven inhouden voor de kleuters zijn in grote lijnen identiek gebleven. Aan de inhoud van de eindtermen wereldoriëntatie natuur zijn een beperkt aantal zaken gewijzigd die vervat werden in vier 'nieuwe' eindtermen.
  De wijzigingen aangebracht bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 aan de ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie natuur zijn, naar onze inschatting, van die aard dat de gelijkwaardigheid verleend bij besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 hierdoor niet in het gedrang hoeft te komen.
  De betrokkenheid op de natuur in zijn vele aspecten, is een essentieel onderdeel van de pedagogie. De pedagogische aanpak vertrekt vanuit een verbondenheid van het jonge kind met de wereld en met de natuur. De basishouding van aandacht, respect en begrip wordt gestimuleerd en legt een basis voor betrokkenheid. Een experimenterende, explorerende, onderzoekende aanpak wordt pas in een latere fase nagestreefd. Dat was ook op deze wijze verwoord in de gelijkwaardig verklaarde ontwikkelingsdoelen en eindtermen van december 1997.
  Voor de kleuterschool behouden we onze eigen vervangende ontwikkelingsdoelen, maar we stellen een nieuwe nummering voor.
  VERVANGENDE ONTWIKKELINGSDOELEN
  De kleuters
Art. N6. Annexe 6. - Objectifs de développement ouverture sur le monde - Nature enseignement fondamental
  MOTIVATION
  La base de la demande d'objectifs finaux de remplacement se situe dans le fait que les écoles Steiner partent d'une vision spécifique sur l'homme et le monde, comme décrit dans la motivation générale. En ce qui concerne les objectifs finaux de remplacement pour l'ouverture sur le monde - nature, l'approche phénoménologique et l'approche axée sur l'âge sont les principales caractéristiques avancées.
  Les écoles Steiner optent pour une approche ouverte de la réalité, où l'on essaye de prévenir une considération réductionniste. Plus de détails dans notre "Motivation générale". Ce réductionnisme comporte un aspect méthodologique et sur le plan du contenu.
  L'aspect portant sur le contenu comprend la tendance à aborder la réalité depuis la conception qu'a priori - préalablement à l'observation et à l'expérimentation - toute la réalité, comprenant la nature non vivante, vivante, consciente, peut en principe être expliquée à partir des récursivités et des associations matérielles.
  L'aspect méthodologique est créé en prenant cette méthode de recherche, qui est très fructueuse pour la recherche de la nature non vivante, en tant que projet pour toute la recherche et pour les autres dimensions de la réalité.
  Dans les "Principes" choisis par le Gouvernement flamand (avec les quatre notions clés que sont la matière, l'énergie, les interactions et les systèmes à partir du premier degré, filière A) et les objectifs finaux qui en découlent, notre souci d'une approche scientifique ouverte n'est pas assez explicité. Dans les écoles Steiner, ce point est cependant essentiel.
  Dans les "Principes", la définition de la compétence scientifique est tirée à partir de la "Recommandation en matière des compétences clés pour l'apprentissage tout au long de la vie" du Parlement européen. Il est clair que la réalisation de cette compétence se situe au niveau de l'adulte.
  Etant donné ce qui est dit par rapport à ce point et dans notre "Motivation générale" à propos du comportement changeant de l'enfant par rapport à la réalité au cours de son développement, les écoles Steiner ne peuvent pas se retrouver dans l'approche développée graduellement. D'après notre vision, il n'est pas utile de viser cette compétence scientifique en traçant une ligne droite de la petite enfance à l'âge adulte. Les jeunes enfants demandent une autre approche de la réalité, qui adhère tout d'abord à la manière dont ils veulent comprendre le monde. Cf. pour cela "Motivation générale, chapitre 1 : Une pédagogie axée sur le développement".
  C'est pour ces deux raisons fondamentales que les écoles Steiner optent pour une autre approche lors du développement de la compétence scientifique et par conséquent, pour d'autres objectifs de développement et objectifs finaux pour l'enseignement maternel et primaire.
  COMMENTAIRE
  Nous ajoutons à cette demande quelques nouveaux objectifs finaux de remplacement pour l'ouverture sur le monde - nature à notre ensemble original d'objectifs finaux propres pour le domaine de l'orientation sur le monde.
  Les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'ouverture sur le monde - nature, définis par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009, diffèrent principalement en ce qui concerne leur classement des objectifs finaux et des objectifs de développement originaux pour l'ouverture sur le monde - nature. Les contenus décrits pour les jeunes enfants sont restés identiques dans les grandes lignes. Par rapport au contenu des objectifs finaux pour l'ouverture sur le monde - nature, il n'y a eu de modification que d'un nombre limité d'éléments repris dans quatre "nouveaux" objectifs finaux.
  D'après nous, les modifications apportées par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009 aux objectifs de développement et aux objectives finales ouvertures sur le monde - nature, sont de nature telle que l'équivalence accordée par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1997 ne doit pas être menacée.
  L'implication sur la nature dans ses nombreux aspects est une partie essentielle de la pédagogie. L'approche pédagogique part d'une association du jeune enfant avec le monde et la nature. Le comportement de base pour l'attention, le respect et la compréhension est stimulé et jette les bases de l'implication. Une approche d'expérimentation, d'exploration et de recherche n'est visée que dans une phase ultérieure. Ce point était aussi exprimé de cette manière dans les objectifs de développement et les objectifs finaux déclarés équivalents de décembre 1997.
  Pour les écoles maternelles, nous conservons nos propres objectifs de développement de remplacement, mais nous proposons une nouvelle numérotation.
  OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT DE REMPLACEMENT
  Les jeunes enfants

  
  
WO 1.1kunnen hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten benoemen en er op een doelgerichte, aangepaste wijze mee omgaan.
  
WO 1.2tonen handelend dat zij hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
  
WO 1.3kunnen in verband met de ontwikkeling van mensen, dieren en planten, getuigen van het inzicht dat de fase van jong zijn, klein zijn en verzorging behoeven vooraf gaat aan de fase van volwassen zijn, groot zijn en zorg dragen.
  
WO 1.4kunnen bepaalde aspecten van weersomstandigheden gericht waarnemen, en benoemen :
  
 - zij tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij deze aspecten van de natuur in hun belevings- en voorstellingswereld kunnen integreren;
  
 - zij kunnen, wanneer de situatie zich voordoet, de gevolgen voor zichzelf aangeven.
  
WO 1.5kunnen hen vertrouwde stoffen benoemen en er doelgericht en op aangepaste wijze mee omgaan.
  
WO 1.6tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij hen vertrouwde stoffen op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
  
WO 1.7kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en tasten en kunnen deze vermogens op aangepaste wijze aanwenden.
  
WO 1.8tonen in hun houding tegenover de natuur, processen in de natuur en kosmische verschijnselen : vertrouwen, verwondering, nieuwsgierigheid en eerbied.
  
WO 1.9tonen in hun omgang met mens en natuur een houding van zorg en respect.

  
  
OM 1.1peuvent nommer les plantes, animaux et personnes connus et familiers et les traiter de manière adaptée et ciblée.
  
OM 1.2montrent qu'ils peuvent intégrer dans leur monde de perception et de représentation, de manière sensée et fantaisiste, les hommes, animaux et plantes connus et familiers.
  
OM 1.3peuvent démontrer, en association avec le développement des hommes, des plantes et des animaux, qu'ils comprennent que la phase consistant à être jeune, petit, à avoir besoin de soins précède la phase adulte, au cours de laquelle on est grand et on assure les soins.
  
OM 1.4L'élève peut observer, comparer et nommer différentes conditions atmosphériques d'une manière systématique.
  
 - ils démontrent dans un contexte ludique ou de mouvement qu'ils peuvent intégrer les aspects de la nature dans leur monde de perception et de représentation;
  
 - ils peuvent, lorsque la situation se présente, indiquer les conséquences pour eux.
  
OM 1.5ils peuvent nommer les substances qui leurs sont familières et les traiter de manière adaptée ou ciblée.
  
OM 1.6ils peuvent démontrer dans un contexte de jeu ou de mouvement qu'ils peuvent intégrer les substances familières de manière sensée et fantaisiste dans leur monde de perception et de représentation.
  
OM 1.7peuvent identifier chez eux-mêmes les parties du corps en rapport avec l'ouïe, la vue, l'odorat, le goût et le toucher;
  
OM 1.8montrent dans leur comportement vis-à-vis de la nature, processus dans la nature et phénomènes cosmiques : confiance, étonnement, curiosité et respect.
  
OM 1.9font preuve dans leurs rapports avec les hommes et la nature d'un comportement de souci et de respect.
WO 1.1kunnen hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten benoemen en er op een doelgerichte, aangepaste wijze mee omgaan.
WO 1.2tonen handelend dat zij hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
WO 1.3kunnen in verband met de ontwikkeling van mensen, dieren en planten, getuigen van het inzicht dat de fase van jong zijn, klein zijn en verzorging behoeven vooraf gaat aan de fase van volwassen zijn, groot zijn en zorg dragen.
WO 1.4kunnen bepaalde aspecten van weersomstandigheden gericht waarnemen, en benoemen :
- zij tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij deze aspecten van de natuur in hun belevings- en voorstellingswereld kunnen integreren;
- zij kunnen, wanneer de situatie zich voordoet, de gevolgen voor zichzelf aangeven.
WO 1.5kunnen hen vertrouwde stoffen benoemen en er doelgericht en op aangepaste wijze mee omgaan.
WO 1.6tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij hen vertrouwde stoffen op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
WO 1.7kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en tasten en kunnen deze vermogens op aangepaste wijze aanwenden.
WO 1.8tonen in hun houding tegenover de natuur, processen in de natuur en kosmische verschijnselen : vertrouwen, verwondering, nieuwsgierigheid en eerbied.
WO 1.9tonen in hun omgang met mens en natuur een houding van zorg en respect.
OM 1.1peuvent nommer les plantes, animaux et personnes connus et familiers et les traiter de manière adaptée et ciblée.
OM 1.2montrent qu'ils peuvent intégrer dans leur monde de perception et de représentation, de manière sensée et fantaisiste, les hommes, animaux et plantes connus et familiers.
OM 1.3peuvent démontrer, en association avec le développement des hommes, des plantes et des animaux, qu'ils comprennent que la phase consistant à être jeune, petit, à avoir besoin de soins précède la phase adulte, au cours de laquelle on est grand et on assure les soins.
OM 1.4L'élève peut observer, comparer et nommer différentes conditions atmosphériques d'une manière systématique.
- ils démontrent dans un contexte ludique ou de mouvement qu'ils peuvent intégrer les aspects de la nature dans leur monde de perception et de représentation;
- ils peuvent, lorsque la situation se présente, indiquer les conséquences pour eux.
OM 1.5ils peuvent nommer les substances qui leurs sont familières et les traiter de manière adaptée ou ciblée.
OM 1.6ils peuvent démontrer dans un contexte de jeu ou de mouvement qu'ils peuvent intégrer les substances familières de manière sensée et fantaisiste dans leur monde de perception et de représentation.
OM 1.7peuvent identifier chez eux-mêmes les parties du corps en rapport avec l'ouïe, la vue, l'odorat, le goût et le toucher;
OM 1.8montrent dans leur comportement vis-à-vis de la nature, processus dans la nature et phénomènes cosmiques : confiance, étonnement, curiosité et respect.
OM 1.9font preuve dans leurs rapports avec les hommes et la nature d'un comportement de souci et de respect.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet, de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N7. Bijlage 7. - Ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  Bij het bepalen van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen techniek verwijst de overheid in haar Uitgangspunten expliciet naar het project TOS21. (18) De basisprincipes van TOS21 kunnen we volkomen onderschrijven, met name dat :
  o techniek behoort tot de noodzakelijke vorming van iedereen (component van elke algemene vorming)
  o techniek bijdraagt tot de ontwikkeling van de persoonlijkheid
  o techniek het creatieve denken en handelen bevordert.
  Deze belangrijke argumenten lagen reeds ten grondslag aan de keuze van de steinerscholen om ook technische vakken op te nemen in hun ASO-curriculum. Dit was geen evidentie binnen de Vlaamse onderwijscontext. Het realiseren van technische competentie overstijgt aldus ook in de steinerscholen het nuttigheidsdenken.
  Het TOS21-project en de uitgangspunten bij de ontwikkelingsdoelen en eindtermen techniek wijzen op de nood aan actualisering van die eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het kader van het sensibiliseren van de leerlingen voor techniek, technische studies en loopbaanontwikkeling. We betwijfelen of ontwikkelingsdoelen en eindtermen hiertoe een geëigend middel zijn en laten deze doelstelling verder buiten beschouwing.
  Echter, de door de overheid bepaalde ontwikkelingsdoelen en eindtermen steunen op een dermate specifiek theoretisch model dat het onvoldoende ruimte laat voor andere pedagogische en onderwijskundige visies. Sterker : ze kunnen er zelfs onverzoenbaar mee zijn.
  In navolging van het TOS21-project wordt in de Uitgangspunten gekozen voor een benadering die vier kerncomponenten van techniek onderscheidt (technische systemen, processen, hulpmiddelen, keuzes). Het leren van techniek wordt op zijn beurt opgedeeld in drie dimensies : begrijpen, hanteren, duiden. Uit een combinatie van de vier gekozen kerncomponenten van techniek en de drie dimensies van techniek leren, wordt een set van 19 standaarden weerhouden. Het bereiken van deze 19 standaarden correspondeert met het realiseren van technische geletterdheid'. In TOS21 worden deze 19 standaarden verder geformuleerd naar vier leeftijdsniveaus, wat dan 65 referentiepunten oplevert. Deze verdere opdeling is in de Uitgangspunten niet opgenomen.
  Deze erg abstracte, formele en conceptuele benadering van techniek en techniek leren van het TOS21 - project, vormt geen geschikte basis voor een werkelijk leeftijdsgerelateerde integratie van techniek in een pedagogisch en onderwijskundig leertraject zoals dat in de steinerscholen wordt nagestreefd.
  Deze benadering vertrekt grotendeels van de veronderstelling dat de verschillen tussen de verschillende leeftijdsniveaus in essentie kwantitatief van aard zijn en dat de 19 standaarden in principe voor alle leeftijden even relevant en zinvol zijn.
  De overheid gaat uit van een algemeen leeftijdsonafhankelijk model over techniek en techniek leren (19 standaarden) om vervolgens deze standaarden naar de diverse leeftijden te formuleren. Men kon in het TOS21-project nochtans geen beroep doen op wetenschappelijk onderzoek om de standaarden met de leeftijdsniveaus te verbinden tot referentiepunten.
  Kortom : uit een algemeen en abstract concept worden leeftijdsaangepaste formuleringen van de standaarden afgeleid.
  De steinerscholen kunnen zich in deze enigszins abstracte en gekunstelde benaderingswijze niet vinden. In het steineronderwijs wordt immers steeds vertrokken van de leeftijdsafhankelijke, kwalitatieve karakteristieken waarop een kind de werkelijkheid begrijpt, ervaart, benadert, hanteert... Dit vraagt telkens een aangepaste benadering van techniek en van techniek leren.
  Het spreekt dan ook voor zich dat deze leeftijdsgerelateerde benadering andere en/of anders geformuleerde ontwikkelingsdoelen en eindtermen oplevert met name vooral in het basisonderwijs. Hoe ouder de leerlingen worden, hoe meer gelijke ijkpunten mogelijk en nodig zijn. De eindtermen van de steinerscholen voor de eerste graad SO sluiten dichter aan bij de door de overheid bepaalde eindtermen. Dit neemt niet weg dat ook hier de leeftijdsafhankelijke, kwalitatieve karakteristieken van belang blijven.
  Ten slotte gaan de steinerscholen wat betreft het arbeidsproces uit van een eigen variant. In plaats van de vijf stappen beschreven in het TOS 21-project, onderscheiden ze acht fases in het arbeidsproces.
  TOELICHTING
  In de kleuterklas :
  Het uitgangspunt voor technische activiteiten in de kleuterschool is de alledaagse leefwereld van het kind. Van belang voor deze leeftijdsfase is dat de technische vaardigheden niet als losstaande leeractiviteiten worden aangeboden, maar geïntegreerd in een voor de kinderen zinvolle activiteit. De volwassene initieert en voert de activiteit door en is voor de kinderen een levend voorbeeld voor de juiste toepassing van ritmisch terugkerende praktische technieken. Daarbij maken de kleuters het proces van begin tot einde mee. Zo wordt het proces voor de kinderen navolgbaar en kunnen ze zich er denkend mee verbinden, zonder dat dit verwoord hoeft te worden.
  Het ervaren van de natuurlijke samenhang tussen de mens en de natuur is in de kleuterleeftijd het uitgangspunt bij de keuzebepaling voor de materialen en technieken. Dit vormt de basis voor het ontwikkelen van het vertrouwen van de kleuter in de wereld om hem heen. Kleuters krijgen ruim de gelegenheid om te experimenteren en te exploreren met vertrouwde materialen (water, zand, hout,...) en alledaagse processen. Het vrije spelen met een ruim aanbod van natuurlijke materialen, schept de gelegenheid om te experimenteren met evenwicht, kracht, zwaartepunten enz. Ze ervaren ook de kenmerken van deze materialen. Op een spontane wijze worden technische systemen in hun spel geïntegreerd.
  VERVANGENDE ONTWIKKELINGSDOELEN
  De kleuters
Art. N7. Annexe 7. - Objectifs de développement ouverture sur le monde - Technique enseignement fondamental
  ANNEXE 7 : OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT OUVERTURE SUR LE MONDE - TECHNIQUE ENSEIGNEMENT FONDAMENTAL
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Pour la définition des objectifs de développement et des objectifs finaux pour la technique, les pouvoirs publics renvoient explicitement dans leurs principes au projet TOS21 (18). Nous pouvons intégralement souscrire aux principes de base de TOS21, notamment :
  o la technique fait partie de la formation nécessaire de tous (composante de chaque formation générale)
  o la technique contribue au développement de la personnalité
  o la technique favorise la réflexion et le traitement créatifs
  Ces arguments importants étaient d'être à la base du choix des écoles Steiner visant à reprendre aussi des branches techniques dans leur cursus AES. Cela n'était pas une évidence dans le contexte éducatif flamand. La réalisation des compétences techniques dépasse aussi la réflexion de l'utilité dans les écoles Steiner.
  Le projet TOS21 et les principes des objectifs de développement et des objectifs finaux pour la technique pointent un besoin d'actualisation des objectifs finaux et des objectifs de développement pour la technique dans le cadre de la sensibilisation des élèves à la technique, aux études techniques et au développement de la carrière. Nous doutons que les objectifs finaux et les objectifs de développement soient un moyen approprié pour y arriver et ne prenons pas cet objectif en considération.
  Cependant, les objectifs finaux et les objectifs de développement définis par les pouvoirs publics s'appuient sur un tel modèle théorique spécifique qu'il n'y a pas assez d'espace pour d'autres visions pédagogiques et éducatives. Plus fort encore : ces points peuvent même être irréconciliables.
  Dans la lignée du projet TOS21, on a opté dans les principes pour une approche distinguant quatre composants centraux pour la technique (les systèmes techniques, les processus, les outils et les choix). L'apprentissage de la technique est à son tour subdivisée en trois dimensions : comprendre, manipuler et indiquer. Un ensemble de 19 normes a été retenu d'une combinaison des quatre composantes principales choisies pour la technique et des trois dimensions d'apprentissage technique. La réalisation de ces 19 normes correspond à la réalisation des "l'alphabétisation" technique. Dans le projet TOS21, ces 19 normes sont formulées en quatre niveaux d'âge, ce qui donne 65 points de référence. Cette subdivision n'est pas reprise dans les principes.
  Cette approche très abstraite, formelle et conceptuelle de la technique et de l'apprentissage technique du projet TOS21 n'est pas une base adéquate pour une intégration effective liée à l'âge de la technique dans un parcours d'apprentissage pédagogique et éducatif, tel que vis dans les écoles Steiner.
  Cette approche part largement de la supposition selon laquelle les différences entre les différents niveaux d'âge est essentiellement de nature quantitative et que les 19 normes sont en principe pertinentes et sensées pour tous les âges.
  Les pouvoirs publics partent d'un modèle général indépendant de l'âge pour la technique et l'apprentissage technique (19 normes) pour ensuite formuler ces normes en fonction des différents âges. Dans le cadre du projet TOS21, nous n'avons toutefois pas pu compter sur une étude scientifique pour associer les normes avec les niveaux d'âge pour arriver à des points de référence.
  Bref : des formulations des normes adaptées aux âges sont tirées d'un concept abstrait et général.
  Les écoles Steiner ne peuvent pas se retrouver dans cette approche abstraite et artificielle. Dans l'enseignement Steiner, on part toujours en effet de caractéristiques qualitatives dépendant de l'âge en fonction desquelles un enfant comprend, perçoit, aborde, traite, etc. la réalité Cela demande à chaque fois une approche adaptée de la technique et de l'apprentissage de la technique.
  Il va de soi que cette approche liée à l'âge entraîne des objectifs finaux et des objectifs de développement différents et/ou formulés autrement, surtout dans l'enseignement fondamental. Plus les enfants vieillissent, plus les baromètres équivalents sont possibles et nécessaires. Les objectifs finaux des écoles Steiner pour le premier degré de l'ES adhèrent plus aux objectifs finaux définis par les pouvoirs publics. Cela n'empêche pas que les caractéristiques qualitatives, dépendant de l'âge restent importantes.
  Enfin, les écoles Steiner partent de leur propre variante en ce qui concerne le processus professionnel. Au lieu des cinq étapes décrites dans le projet TOS21, elles distinguent huit phases dans le processus professionnel.
  COMMENTAIRE
  A la maternelle :
  Le point de départ pour les activités techniques à l'école maternelle est l'environnement quotidien de l'enfant. A cet âge, il est important que les compétences techniques ne soient pas proposées comme des activités d'apprentissage indépendantes, mais intégrées dans une activité sensée pour les enfants. Les adultes lancent et mènent l'activité et sont pour les enfants un exemple vivant de la bonne application des techniques pratiques répétitives et rythmées. Les enfants participent ainsi au processus du début à la fin. Le processus pour les enfants est imitable et ils peuvent s'y associer en réfléchissant, sans que cela doive être exprimé.
  La perception de la cohésion naturelle entre les hommes et la nature est à la petite enfance le point de départ du choix des matériaux et des techniques. Cela forme la base pour le développement de la confiance de l'enfant dans le monde qui l'entoure. Les enfants ont largement l'occasion d'expérimenter et d'explorer les matériaux familiers (eau, sable, bois, etc.) ainsi que les processus quotidiens. La liberté de jeu avec une grande offre de matériaux naturels permet de faire des expériences avec l'équilibre, la force, les centres de gravité, etc. Ils perçoivent aussi les caractéristiques de ces matériaux. Les systèmes techniques sont intégrés de manière spontanée dans leur jeu.
  OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT DE REMPLACEMENT
  Les jeunes enfants peuvent

  
  
WO 2.1 kunnen van eenvoudige voorwerpen en technische systemen aangeven dat ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.
  
WO 2.2 kunnen bij eenvoudige en transparante technieken aangeven dat ze de samenhang beseffen met elementen uit de natuur.
  
WO 2.3 kunnen voorwerpen en technische systemen benoemen en aantonen dat verschillende onderdelen in relatie staan tot mekaar.
  
WO 2.4 tonen handelend in een vertrouwde context dat ze weten welk voorwerp of technisch systeem het best tegemoet komt aan een bepaalde behoefte.
  
WO 2.5 tonen handelend in spel en beweging dat ze op basis van bekende en vertrouwde voorwerpen en materialen eenvoudige technische systemen kunnen construeren en deze op fantasierijke en zinvolle wijze kunnen integreren in hun activiteiten.
  
WO 2.6 kunnen naar aanleiding van een probleem of uitdaging door middel van exploratie en experiment eenvoudige technische oplossingen bedenken.
  
WO 2.7 kunnen de juiste materialen en gereedschappen kiezen bij het maken van een eenvoudig technisch systeem.
  
WO 2.8 kunnen bij het maken van een eenvoudige technische constructie een zelf bedacht ontwerp volgens een stappenplan realiseren.
  
WO 2.9 kunnen nagaan of een zelf gemaakt technisch systeem beantwoordt aan (zelf) bepaalde vereisten en hoe het zo nodig verbeterd kan worden.
  
WO 2.10 zijn bereid om zorgzaam, veilig en hygiënisch om te gaan met voorwerpen, materialen en technische systemen en zien het belang daarvan in.

  
  
OM 2.1 dire des systèmes techniques qu'ils utilisent souvent eux-mêmes s'ils sont faits de métal, de pierre, de bois, de verre, de papier, de textile ou de plastique;
  
OM 2.2 ils peuvent, pour des techniques transparentes et simples, indiquer qu'ils comprennent la cohésion avec les éléments de la nature;
  
OM 2.3 ils peuvent nommer et désigner des systèmes techniques et des objets qui mettent différents éléments en relation les uns par rapport aux autres.
  
OM 2.4 ils démontrent dans un contexte familier qu'ils savent quel objet ou système technique répond le mieux à un certain besoin;
  
OM 2.5 ils montrent en jeu et en mouvement qu'ils peuvent construire, sur la base d'objets et de matériaux familiers et connus, des systèmes techniques simples et qu'ils peuvent les intégrer de manière sensée et fantaisiste dans leurs activités;
  
OM 2.6 ils peuvent, suite à un problème ou à un défi, et via l'exploration et l'expérience, élaborer des solutions techniques simples;
  
OM 2.7 ils peuvent choisir les bons matériaux et outils lors de la création d'uns système technique simple;
  
OM 2.8 ils peuvent, lors de la création d'une construction technique simple, réaliser un objet conçu eux-mêmes selon un plan par étapes;
  
OM 2.9 ils peuvent vérifier si un système technique qu'ils ont conçu eux-mêmes répond à certaines exigences et comment il peut être amélioré si nécessaire;
  
OM 2.10ils sont prêts à travailler prudemment, de manière hygiénique et consciencieusement avec des objets, des matériaux et des systèmes techniques et comprendre leur importance.
WO 2.1 kunnen van eenvoudige voorwerpen en technische systemen aangeven dat ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.
WO 2.2 kunnen bij eenvoudige en transparante technieken aangeven dat ze de samenhang beseffen met elementen uit de natuur.
WO 2.3 kunnen voorwerpen en technische systemen benoemen en aantonen dat verschillende onderdelen in relatie staan tot mekaar.
WO 2.4 tonen handelend in een vertrouwde context dat ze weten welk voorwerp of technisch systeem het best tegemoet komt aan een bepaalde behoefte.
WO 2.5 tonen handelend in spel en beweging dat ze op basis van bekende en vertrouwde voorwerpen en materialen eenvoudige technische systemen kunnen construeren en deze op fantasierijke en zinvolle wijze kunnen integreren in hun activiteiten.
WO 2.6 kunnen naar aanleiding van een probleem of uitdaging door middel van exploratie en experiment eenvoudige technische oplossingen bedenken.
WO 2.7 kunnen de juiste materialen en gereedschappen kiezen bij het maken van een eenvoudig technisch systeem.
WO 2.8 kunnen bij het maken van een eenvoudige technische constructie een zelf bedacht ontwerp volgens een stappenplan realiseren.
WO 2.9 kunnen nagaan of een zelf gemaakt technisch systeem beantwoordt aan (zelf) bepaalde vereisten en hoe het zo nodig verbeterd kan worden.
WO 2.10 zijn bereid om zorgzaam, veilig en hygiënisch om te gaan met voorwerpen, materialen en technische systemen en zien het belang daarvan in.
OM 2.1 dire des systèmes techniques qu'ils utilisent souvent eux-mêmes s'ils sont faits de métal, de pierre, de bois, de verre, de papier, de textile ou de plastique;
OM 2.2 ils peuvent, pour des techniques transparentes et simples, indiquer qu'ils comprennent la cohésion avec les éléments de la nature;
OM 2.3 ils peuvent nommer et désigner des systèmes techniques et des objets qui mettent différents éléments en relation les uns par rapport aux autres.
OM 2.4 ils démontrent dans un contexte familier qu'ils savent quel objet ou système technique répond le mieux à un certain besoin;
OM 2.5 ils montrent en jeu et en mouvement qu'ils peuvent construire, sur la base d'objets et de matériaux familiers et connus, des systèmes techniques simples et qu'ils peuvent les intégrer de manière sensée et fantaisiste dans leurs activités;
OM 2.6 ils peuvent, suite à un problème ou à un défi, et via l'exploration et l'expérience, élaborer des solutions techniques simples;
OM 2.7 ils peuvent choisir les bons matériaux et outils lors de la création d'uns système technique simple;
OM 2.8 ils peuvent, lors de la création d'une construction technique simple, réaliser un objet conçu eux-mêmes selon un plan par étapes;
OM 2.9 ils peuvent vérifier si un système technique qu'ils ont conçu eux-mêmes répond à certaines exigences et comment il peut être amélioré si nécessaire;
OM 2.10ils sont prêts à travailler prudemment, de manière hygiénique et consciencieusement avec des objets, des matériaux et des systèmes techniques et comprendre leur importance.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N8. Bijlage 8. - Eindtermen nederlands - Basisonderwijs
  MOTIVERING
  De overheid heeft in haar nieuwe eindtermen Nederlands slechts een beperkt aantal wijzigingen doorgevoerd. De domeinen Strategieën en Taalbeschouwing werden gewijzigd en het domein (Inter)-culturele gerichtheid werd toegevoegd.
  Aangezien de overige domeinen ongewijzigd bleven, blijft ook onze oorspronkelijke motivatie tot afwijking van 1997 van toepassing. De veranderingen die wij wensen door te voeren, betekenen geen afwijking van de toenmalige motivatie, zij vormen slechts een verbetering, een aanvulling of een verduidelijking en een erkenning van een aantal wijzigingen die de Vlaamse regering doorvoert.
  De Steinerscholen blijven taal zien als een middel tot ontwikkeling en vorming van het kind in brede zin : op vlak van de persoonlijkheid, op vlak van innerlijke structuren, op sociaal vlak, op cultureel vlak, op creatief vlak en op inhoudelijk vlak. Om deze doelstelling in voldoende mate te vrijwaren, blijft het noodzakelijk andere eindtermen te formuleren.
  TOELICHTING
  Algemene toelichting
  De wijzigingen aan de vervangende eindtermen Nederlands van de steinerscholen (19) werden enerzijds aangebracht in functie van het behoud van de gelijkwaardigheid met de (nieuwe) door de Vlaamse Regering bepaalde ontwikkelingsdoelen en eindtermen Nederlands (20). Anderzijds werden aanpassingen aangebracht op basis van een eigen evaluatie. De algemene doelstellingen zoals geformuleerd bij de oorspronkelijke vervangende eindtermen zijn onveranderd gebleven.
  Een aantal attitudes werd gebundeld in het domein 'Overkoepelende attitudes'.
  Attitudes die verband houden met taalverscheidenheid, taalvariatie, interesse en respect werden, omwille van hun relevantie in het huidige maatschappelijke kader, expliciet in deze rubriek opgenomen. De attitude met betrekking tot oordelen en oordeelsvorming werd vanuit de specifieke visie van de steinerpedagogie geformuleerd.
  De domeinen 'Strategieën' en 'Beleving van taalrijkdom' werden toegevoegd.
  De onderverdelingen van de domeinen Luisteren-Lezen en Spreken-Schrijven werden weggelaten. Omwille van de horizontale samenhang tussen de domeinen 'Luisteren - Lezen' en 'Spreken - Schrijven' werden in het domein 'Luisteren - Lezen' enkele eindtermen toegevoegd.
  Toelichting bij de aangepaste domeinen
  Beleving van taalrijkdom
  De beleving van taalrijkdom steunt op het vermogen de dieperliggende dimensie van taal waar te nemen en te ervaren. Taal is tevens drager van waarden en normen en weerspiegelt socio-culturele aspecten. Ook kan taal als een kunstzinnig fenomeen beleefd worden waar scheppend en creatief mee kan worden omgegaan.
  Kinderen in de lagere school zijn op bijzondere wijze gevoelig voor deze dimensie van de taal. In dit gevoel ligt het vermogen besloten deze dimensie waar te nemen. Dit vermogen kan door gerichte taalbeleving ontwikkeld en aangewend worden.
  Taalbeschouwing
  De Federatie Steinerscholen neemt de lijst met taalbeschouwelijke begrippen en termen in de door de Vlaamse Regering bepaalde eindtermen integraal over.
  Door de hiervoor vermelde herschikking van de eindtermen Nederlands, worden de doelstellingen voor het domein 'Taalbeschouwing' gebundeld in één eindterm.
  Deze omvat zowel de aspecten kennis, inzicht als toepassing.
  Met de bepaling 'in de schoolse leersituatie' wordt aangegeven dat kinderen de lescontext nodig hebben om in staat te zijn het merendeel van de taalbeschouwelijke begrippen en termen in te zetten.
  Strategieën
  Ook dit domein werd toegevoegd in navolging van de gewijzigde eindtermen van de Vlaamse Regering. Hiermee wordt het belang erkend van de vertrouwdheid met planmatige technieken, procedures en handelswijzen die elke taalgebruiker min of meer bewust hanteert. Het cognitieve aspect van het hanteren van strategieën zal op een eenvoudig niveau worden aangereikt. Strategieën voor receptieve en productieve vaardigheden worden niet onderscheiden. Dit wordt opgevangen door de toevoeging van 'de communicatieve situatie'. Dit houdt in dat het kind weet in welke communicatieve situatie het zich bevindt en wie dus zijn toehoorders of lezers zijn.
  (Inter)-culturele gerichtheid
  De (inter)-culturele gerichtheid werd niet als apart domein weerhouden. Dit betekent echter niet dat dit thema zelf niet ruim aan bod komt. In alle leergebieden is er aandacht voor attitudes inzake openheid, interesse en respect en is derhalve een leergebied-overstijgend element. In de steinerpedagogie worden de diverse cultuuruitingen (talige en niet-talige) gezien als pogingen om uitdrukking te geven aan het algemeen menselijke. De benadering is daardoor eerder transcultureel te noemen : kunnen we in en doorheen de verschillende cultuuruitingen het algemeen menselijke herkennen ? Vanuit dit gezichtspunt willen wij een basis leggen voor een houding van verdraagzaamheid en respect. Deze houding ontwikkelt zich vanuit de direct beleefde omgeving tot in de algemene en brede maatschappelijk context. Taal als cultuuruiting is drager van culturele kwaliteiten. Deze kunnen als 'taalrijkdom' beleefbaar worden.
  Dat deze benaderingswijze van de steinerpedagogie tot positieve resultaten leidt, kan geïllustreerd worden met de conclusie van een Zweeds onderzoek naar het tolerantiegehalte van kinderen uit het steineronderwijs : " Furthermore, the Waldorf pupils themselves had more open and tolerant attitudes towards " deviant " groups in society apart from criminals, Nazis and racists, from whom they on the contrary actively disassociated themselves. " (21) Hoewel een gedeelte van de verklaring van die houding terug te voeren was tot de houding van de ouders, werd wel degelijk ook aangetoond dat de aanpak van de steinerscholen ook een weliswaar kleine maar toch significante positieve invloed had.
  Hoewel de steinerscholen de (inter)-culturele gerichtheid niet op dezelfde wijze in de vervangende eindtermen als apart domein expliciteren, zijn aspecten ervan wel in andere eindtermen terug te vinden : N 4*, N6*, N13*, N22*, N26*, N30, N31, N 33
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Overkoepelende attitudes
  De kinderen
Art. N8. Annexe 8. - Objectifs finaux néerlandais - Enseignement fondamental
  MOTIVATION
  Les pouvoirs publics n'ont introduit qu'un nombre limité de modifications dans leurs nouveaux objectifs finaux pour le néerlandais. Les domaines Stratégies et Réflexion sur le langage ont été modifiés, tandis que le domaine Orientation (inter)-culturelle a été ajouté.
  Puisque les autres domaines sont restés inchangés, notre motivation originale pour la dérogation de 1997 reste d'application. Les changements que nous souhaitons introduire ne représentent pas une dérogation de la motivation de l'époque, il s'agit d'une amélioration, d'un complément ou d'un éclaircissement et d'une reconnaissance de certaines modifications menées par le Gouvernement flamand.
  Les écoles Steiner considèrent toujours la langue comme un outil de développement et de formation de l'enfant au sens large : au niveau de la personnalité, au niveau des structures internes, au niveau social, au niveau culturel, au niveau créatif et au niveau du contenu. Afin de garantir suffisamment ces objectifs, il est nécessaire de formuler d'autres objectifs finaux.
  COMMENTAIRE
  Développements généraux
  Les modifications apportées aux objectifs finaux de remplacement pour le néerlandais des écoles Steiner (19) ont d'une part été apportées en fonction du maintien de l'équivalence avec les (nouveaux) objectifs de développement et objectifs finaux pour le néerlandais définis par le Gouvernement flamand (20). D'autre part, des adaptations ont été réalisées sur la base d'une évaluation propre. Les objectifs généraux tels que formulés dans les objectifs finaux de remplacement originaux sont restés inchangés.
  Plusieurs attitudes ont été associées dans le domaine "Attitudes de coordination".
  Les attitudes associées à la diversité linguistique, à la variation linguistique, à l'intérêt et au respect ont été explicitement reprises dans cette rubrique pour leur pertinence dans le cadre social actuel. L'attitude relative à l'évaluation et à la formation d'un jugement a été formulée depuis la vision spécifique de la pédagogie Steiner.
  Les domaines "Stratégies" et "Expérience de la richesse langagière" ont été ajoutés.
  Les subdivisions des domaines Ecouter-Lire et Parler-Ecrire ont été supprimées. En raison de la cohésion horizontale entre les domaines "Ecouter-Lire" et "Parler-Ecrire", quelques objectifs finaux ont été ajoutés dans le domaine "Ecouter-Lire".
  Explication pour les domaines adaptés
  Expérience de la richesse langagière
  L'expérience de la richesse langagière se base sur la capacité à expérimenter et observer la dimension profonde de la langue. La langue est en effet le support des valeurs et des normes et reflète les aspects socioculturels. La langue peut aussi être considérée comme un phénomene artistique que l'on peut aborder de manière créative.
  Les enfants à l'école primaire sont particulièrement sensibles à cette dimension de la langue. Dans ce sens, il a été décidé d'observer cette dimension. Cette capacité peut être développée et utilisée dans une expérience langagière orientée.
  Réflexions sur le langage
  La Federatie Steinerscholen a intégralement repris la liste des notions et des objectifs relatifs aux réflexions sur le langage dans les objectifs finaux définis par le Gouvernement flamand.
  Suite à l'ajustement susmentionné des objectifs finaux pour le néerlandais, les objectifs pour le domaine de la "Réflexion sur le langage" sont rassemblés dans un seul objectif final.
  Il comprend à la fois les aspects relatifs aux connaissances, à la compréhension et à l'application.
  Avec la définition "dans la situation d'apprentissage scolaire", on indique que les enfants ont besoin du contexte de cours pour pouvoir comprendre la plupart des notions de réflexion sur le langage et atteindre les objectifs.
  Stratégies
  Ce domaine aussi a été ajouté suite aux objectifs finaux modifiés du Gouvernement flamand. On reconnaît ainsi l'importance de la familiarité avec les procédures, les procédés et les techniques méthodiques que chaque utilisateur de la langue utilise plus ou moins sciemment. L'aspect cognitif du traitement des stratégies sera atteint à un niveau simple. Les stratégies pour les compétences réceptives et productives ne sont pas distinguées. Cela est compensé par l'ajout de la "situation communicative". Cela implique que l'enfant sait dans quelle situation communicative il se trouve et qui sont ses lecteurs ou ses auditeurs.
  Orientation (inter)culturelle
  L'orientation (inter)culturelle n'a pas été retenue comme domaine séparé. Cela ne signifie toutefois pas que ce thème n'est pas largement abordé. Dans tous les domaines d'apprentissage, de l'attention est accordée aux attitudes en matière d'ouverture, d'intérêt et de respect. Le domaine d'apprentissage est donc un élément interdisciplinaire. Dans la pédagogie Steiner, les différentes expressions culturelles (langagières et non langagières) sont considérées comme des tentatives visant à exprimer les caractères humains en général. L'approche est donc plutôt transculturelle : pouvons-nous reconnaître les caractères humains généraux dans et à travers les différentes expressions culturelles. A partir de ce point de vue, nous voulons jeter une base pour un comportement de tolérance et de respect. Ce comportement se développe à partir d'un environnement directement vécu jusque dans le contexte social au sens large. La langue en tant qu'expression culturelle est un support des qualités culturelles. Elles peuvent être perçues comme une "richesse langagière".
  Le fait que cette approche de la pédagogie Steiner débouche sur des résultats positifs peut être illustré avec la conclusion d'une étude suédoise sur la tolérance des enfants de l'enseignement Steiner : " Furthermore, the Waldorf pupils themselves had more open and tolerant attitudes towards " deviant " groups in society apart from criminals, Nazis and racists, from whom they on the contrary actively disassociated themselves. (21) Bien qu'une partie de l'explication de ce comportement renvoyait au comportement des parents, il a aussi été démontré que l'approche des écoles Steiner avait aussi une influence, il est vrai minime, mais significativement positive.
  Bien que les écoles Steiner n'explicitent pas l'intention (inter)-culturelle de la même manière dans les objectifs finaux de remplacement que dans le domaine séparé, certains aspects se retrouvent bel et bien dans d'autres objectifs finaux : N 4*, N6*, N13*, N22*, N26*, N30, N31, N 33.
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Attitudes principales
  Les enfants peuvent :

  
  
N 1*tonen interesse en betrokkenheid en staan open voor de leerinhouden.
  
N 2*tonen luister-, spreek-, lees- en schrijfbereidheid en zijn bereid tot communicatieve interactie.
  
N 3*zijn bereid tot het naleven van luister-, lees-, spreek- en schrijfconventies.
  
N 4*zijn bereid om de onbevooroordeelde waarneming te oefenen, in het bijzonder in functie van de vorming van een breed beoordelingskader.
  
N 5*zijn bereid om te reflecteren op het eigen lees-, luister-, schrijf- en spreekgedrag in functie van het doel en op het eigen taalgebruik en zijn bereid om dat gedrag indien nodig aan te passen.
  
N 6*tonen interesse en respect voor de persoon van de ander, voor de eigen en andere cultuur en zijn bereid om daarop te reflecteren.

  
  
N 1*montrer de l'intérêt et de l'implication et être ouvert aux contenus de l'apprentissage;
  
N 2*ils se montrent disposés à écouter, à parler, à lire et à écrire pour assurer une interaction communicative;
  
N 3*ils sont disposés à respecter les conventions se rapportant à l'écoute, à la lecture, à l'usage de la langue parlée et écrite;
  
N 4*ils sont prêts à exercer l'observation qui n'a pas été évaluée, en particulier en fonction de la formation d'un large cadre d'évaluation;
  
N 5*ils sont prêts à réfléchir à leur propre comportement de lecture, d'écoute, d'écriture et de parole en fonction de l'objectif et sur l'usage propre de la langue et ils sont prêts à adapter ce comportement si nécessaire;
  
N 6*montrer de l'intérêt et du respect pour autrui, pour sa propre culture et celle des autres, et ils sont prêts à réfléchir sur ce sujet.
N 1*tonen interesse en betrokkenheid en staan open voor de leerinhouden.
N 2*tonen luister-, spreek-, lees- en schrijfbereidheid en zijn bereid tot communicatieve interactie.
N 3*zijn bereid tot het naleven van luister-, lees-, spreek- en schrijfconventies.
N 4*zijn bereid om de onbevooroordeelde waarneming te oefenen, in het bijzonder in functie van de vorming van een breed beoordelingskader.
N 5*zijn bereid om te reflecteren op het eigen lees-, luister-, schrijf- en spreekgedrag in functie van het doel en op het eigen taalgebruik en zijn bereid om dat gedrag indien nodig aan te passen.
N 6*tonen interesse en respect voor de persoon van de ander, voor de eigen en andere cultuur en zijn bereid om daarop te reflecteren.
N 1*montrer de l'intérêt et de l'implication et être ouvert aux contenus de l'apprentissage;
N 2*ils se montrent disposés à écouter, à parler, à lire et à écrire pour assurer une interaction communicative;
N 3*ils sont disposés à respecter les conventions se rapportant à l'écoute, à la lecture, à l'usage de la langue parlée et écrite;
N 4*ils sont prêts à exercer l'observation qui n'a pas été évaluée, en particulier en fonction de la formation d'un large cadre d'évaluation;
N 5*ils sont prêts à réfléchir à leur propre comportement de lecture, d'écoute, d'écriture et de parole en fonction de l'objectif et sur l'usage propre de la langue et ils sont prêts à adapter ce comportement si nécessaire;
N 6*montrer de l'intérêt et du respect pour autrui, pour sa propre culture et celle des autres, et ils sont prêts à réfléchir sur ce sujet.
  Luisteren en lezen
  De kinderen
  Ecouter et lire
  Les enfants :

  
  
N 7kunnen vlot en actief voor hen bestemde teksten opnemen en begrijpen.
  
N 8kunnen zich innerlijk voorstellingen maken van wat zij luisterend of lezend waarnemen en deze omzetten in gesproken of geschreven taal of creatief werk, zoals schilderen en tekenen.
  
N 9kunnen gericht op hun niveau informatie verzamelen rond een thema, door het raadplegen van volwassenen en door het opzoeken in voor hen toegankelijke literatuur en media.
  
N 10kunnen informatie op hun niveau op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen in functie van opdrachten, zoals chronologisch beschrijven, in gesprek treden, vragen beantwoorden en geheel of gedeeltelijk beschrijven.
  
N 11kunnen verschillende eenvoudige tekstgenres onderscheiden, zoals eenvoudige gedichten, verhalen, dialogen, verslagen van belevenissen of gebeurtenissen, aankondigingen, oproepen, uitnodigingen, instructies (recepten, wegbeschrijvingen, spelinstructies, ...), brieven van persoonlijke aard en eenvoudige brieven van meer zakelijke aard.
  
N 12kunnen een eenvoudige tekstopbouw (inleiding, midden, slot) herkennen in verhalende teksten.
  
N 13*zijn bereid om zich in te leven in een personage van een toneel, een verhaal of een boek en de gebeurtenissen vanuit dit standpunt te benaderen.

  
  
N 7peuvent assimiler et comprendre rapidement et activement les textes qui leur sont destinés;
  
N 8ils peuvent se faire des représentations internes de ce qu'ils entendent ou lisent et les transformer en langue parlée ou écrite ou en travail créatif, comme des dessins et des peintures;
  
N 9ils peuvent rassembler à leur niveau et de manière ciblée des informations sur un thème en consultant des adultes et en faisant des recherches dans la littérature et les médias accessibles;
  
N 10ils peuvent classer leurs informations à leur niveau, de manière personnelle et claire en fonction des missions, comme la description chronologique, participer à des conversations, répondre à des questions et faire des descriptions totales ou partielles;
  
N 11ils peuvent distinguer différents genres textuels simples, comme un poème simple, des histoires, un dialogue, des rapports, des annonces, des appels, des invitations, des instructions (recettes, itinéraires, instructions de jeu, etc.), des courriers de nature personnelle et des courriers simples de nature plus professionnelle;
  
N 12ils peuvent reconnaître une structure de texte simple (introduction, corps et conclusion) dans les textes narratifs;
  
N 13*ils sont prêts à endosser le rôle d'un personnage de théâtre et à aborder une histoire ou un livre et les événements depuis ce point de vue.
N 7kunnen vlot en actief voor hen bestemde teksten opnemen en begrijpen.
N 8kunnen zich innerlijk voorstellingen maken van wat zij luisterend of lezend waarnemen en deze omzetten in gesproken of geschreven taal of creatief werk, zoals schilderen en tekenen.
N 9kunnen gericht op hun niveau informatie verzamelen rond een thema, door het raadplegen van volwassenen en door het opzoeken in voor hen toegankelijke literatuur en media.
N 10kunnen informatie op hun niveau op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen in functie van opdrachten, zoals chronologisch beschrijven, in gesprek treden, vragen beantwoorden en geheel of gedeeltelijk beschrijven.
N 11kunnen verschillende eenvoudige tekstgenres onderscheiden, zoals eenvoudige gedichten, verhalen, dialogen, verslagen van belevenissen of gebeurtenissen, aankondigingen, oproepen, uitnodigingen, instructies (recepten, wegbeschrijvingen, spelinstructies, ...), brieven van persoonlijke aard en eenvoudige brieven van meer zakelijke aard.
N 12kunnen een eenvoudige tekstopbouw (inleiding, midden, slot) herkennen in verhalende teksten.
N 13*zijn bereid om zich in te leven in een personage van een toneel, een verhaal of een boek en de gebeurtenissen vanuit dit standpunt te benaderen.
N 7peuvent assimiler et comprendre rapidement et activement les textes qui leur sont destinés;
N 8ils peuvent se faire des représentations internes de ce qu'ils entendent ou lisent et les transformer en langue parlée ou écrite ou en travail créatif, comme des dessins et des peintures;
N 9ils peuvent rassembler à leur niveau et de manière ciblée des informations sur un thème en consultant des adultes et en faisant des recherches dans la littérature et les médias accessibles;
N 10ils peuvent classer leurs informations à leur niveau, de manière personnelle et claire en fonction des missions, comme la description chronologique, participer à des conversations, répondre à des questions et faire des descriptions totales ou partielles;
N 11ils peuvent distinguer différents genres textuels simples, comme un poème simple, des histoires, un dialogue, des rapports, des annonces, des appels, des invitations, des instructions (recettes, itinéraires, instructions de jeu, etc.), des courriers de nature personnelle et des courriers simples de nature plus professionnelle;
N 12ils peuvent reconnaître une structure de texte simple (introduction, corps et conclusion) dans les textes narratifs;
N 13*ils sont prêts à endosser le rôle d'un personnage de théâtre et à aborder une histoire ou un livre et les événements depuis ce point de vue.
  Spreken en schrijven
  De kinderen
  Parler et écrire
  Les enfants :

  
  
N 14kunnen zich ten overstaan van vertrouwde volwassenen en leeftijdsgenoten verstaanbaar, vlot en boeiend uitdrukken met aandacht voor :

  
  
N 14peuvent s'exprimer vis-à-vis d'adultes familiers et de compagnons de leur âge de manière compréhensible, fluide et passionnante, avec de l'attention pour :
  
 - la forme (structure de la phrase et intonation)
  
 - le style (registre, choix des mots)
  
 - expression et technique (articulation)
  
N 15ils peuvent, pour des tâches écrites :
  
 - soigner leur travail, en accordant de l'attention à l'orthographe, à la ponctuation, à l'écriture, à la structure de la phrase et aux illustrations.
  
 - appliquer les principales conventions orthographiques :
N 14kunnen zich ten overstaan van vertrouwde volwassenen en leeftijdsgenoten verstaanbaar, vlot en boeiend uitdrukken met aandacht voor :
N 14peuvent s'exprimer vis-à-vis d'adultes familiers et de compagnons de leur âge de manière compréhensible, fluide et passionnante, avec de l'attention pour :
- la forme (structure de la phrase et intonation)
- le style (registre, choix des mots)
- expression et technique (articulation)
N 15ils peuvent, pour des tâches écrites :
- soigner leur travail, en accordant de l'attention à l'orthographe, à la ponctuation, à l'écriture, à la structure de la phrase et aux illustrations.
- appliquer les principales conventions orthographiques :
  - vorm (zinsbouw en zinsintonatie)
  - stijl (stijlregister, woordkeuze)
  - expressie en techniek (articulatie)
  o écrire des mots à orthographe invariable
  o des mots consistants;
  o des mots non consistants fréquents;
  o des mots à orthographe variable (mots obéissant à des règles d'orthographe);
  o des formes verbales
  o des voyelles en syllabe ouverte/fermée;
  o le doublement de consonne
  o une lettre finale inconsistante;
  o les formes du pluriel
  o des capitales;
  o les signes de ponctuation (., ? ! :)

  
  
N 15kunnen bij schriftelijk opdrachten :

  
  
N 16ils peuvent exprimer les contenus adaptés à leur âge d'histoires, de livres ou de sujets traités, d'observations, d'expériences, de réflexions, d'avis, de sentiments et de questions dans un langage parlé et écrit, avec de l'attention pour une distinction entre les éléments principaux et accessoires;
  
N 17ils peuvent parler et répondre à des questions devant la classe sur des thèmes liés avec les contenus d'apprentissage traités, un livre ou une expérience propre;
  
N 18ils peuvent répondre par écrit aux questions simples sur des contenus traités;
  
N 19ils peuvent écrire dans différents genres textuels simples, comme un poème simple, des histoires, un dialogue, des rapports, des annonces, des appels, des invitations, des instructions (recettes, itinéraires, instructions de jeu, etc.), des courriers de nature personnelle, des courriers simples de nature plus professionnelle et des courriels;
  
N 20ils peuvent respecter une structure simple lors de la rédaction de textes (introduction, corps et conclusion);
  
N 21ils peuvent intégrer de nouveaux mots correctement dans leur propre usage de la langue;
  
N 22*ils sont prêts à s'exprimer dans une forme de travail dramatique.
N 15kunnen bij schriftelijk opdrachten :
N 16ils peuvent exprimer les contenus adaptés à leur âge d'histoires, de livres ou de sujets traités, d'observations, d'expériences, de réflexions, d'avis, de sentiments et de questions dans un langage parlé et écrit, avec de l'attention pour une distinction entre les éléments principaux et accessoires;
N 17ils peuvent parler et répondre à des questions devant la classe sur des thèmes liés avec les contenus d'apprentissage traités, un livre ou une expérience propre;
N 18ils peuvent répondre par écrit aux questions simples sur des contenus traités;
N 19ils peuvent écrire dans différents genres textuels simples, comme un poème simple, des histoires, un dialogue, des rapports, des annonces, des appels, des invitations, des instructions (recettes, itinéraires, instructions de jeu, etc.), des courriers de nature personnelle, des courriers simples de nature plus professionnelle et des courriels;
N 20ils peuvent respecter une structure simple lors de la rédaction de textes (introduction, corps et conclusion);
N 21ils peuvent intégrer de nouveaux mots correctement dans leur propre usage de la langue;
N 22*ils sont prêts à s'exprimer dans une forme de travail dramatique.
  - hun werk verzorgen, door aandacht te besteden aan spelling, interpunctie, handschrift, zinsbouw en passende illustraties
  - de belangrijkste spellingsafspraken toepassen :
  o schrijven van woorden met een vast woordbeeld
  o klankzuivere woorden
  o frequente niet-klankzuivere woorden (ei/ij, ou/au),
  o woorden met veranderlijk woordbeeld (regelwoorden)
  o werkwoordsvormen
  o de klinkers in open en gesloten lettergrepen
  o verdubbeling van de medeklinker
  o niet-klankzuivere eindletter
  o meervoudsvormen
  o hoofdletters
  o interpunctietekens (., ? ! :)
  La langue dans une situation communicative
  Les enfants :

  
  
N 16kunnen aan hun leeftijd aangepaste inhouden van verhalen, boeken of behandelde onderwerpen, waarnemingen, ervaringen, gedachten, meningen, gevoelens en vragen, verwoorden in gesproken en geschreven taal, met aandacht voor het onderscheid tussen hoofd- en bijzaken.
  
N 17kunnen voor de klas spreken en vragen beantwoorden over een thema dat in verband staat met de behandelde leerinhouden, over een boek of over een eigen ervaring.
  
N 18kunnen schriftelijk antwoorden op eenvoudige vragen over verwerkte inhouden.
  
N 19kunnen in verschillende eenvoudige tekstgenres schrijven, zoals eenvoudige gedichten, verhalen, dialogen, verslagen van belevenissen of gebeurtenissen, aankondigingen, oproepen, uitnodigingen, instructies (recepten, wegbeschrijvingen, spelinstructies, ...), brieven van persoonlijke aard, eenvoudige brieven van meer zakelijke aard en mails.
  
N 20kunnen bij het schrijven van teksten een eenvoudige opbouw respecteren (inleiding, midden, slot).
  
N 21kunnen nieuw aangeleerde woorden correct in het eigen taalgebruik integreren.
  
N 22*zijn bereid zich uit te drukken in een dramatische werkvorm.

  
  
N 23*sont prêts à participer activement et constructivement à un entretien avec des compagnons de leur âge et avec des adultes familiers, avec de l'attention pour :
  
 - la forme (structure de la phrase et intonation)
  
 - le style (registre, choix des mots, expression)
  
 - technique;
  
N 24développent la capacité à réagir avec l'autonomie adaptée à partir de l'évaluation d'une situation communicative;
  
N 25après une lecture, une histoire ou une explication, ils peuvent poser des questions pertinentes tant au professeur qu'aux autres élèves et écouter les réponses;
  
N 26*font preuve de volonté et d'intérêt pour, après une explication d'autrui accessible pour eux, comprendre le point de vue d'autrui.
N 16kunnen aan hun leeftijd aangepaste inhouden van verhalen, boeken of behandelde onderwerpen, waarnemingen, ervaringen, gedachten, meningen, gevoelens en vragen, verwoorden in gesproken en geschreven taal, met aandacht voor het onderscheid tussen hoofd- en bijzaken.
N 17kunnen voor de klas spreken en vragen beantwoorden over een thema dat in verband staat met de behandelde leerinhouden, over een boek of over een eigen ervaring.
N 18kunnen schriftelijk antwoorden op eenvoudige vragen over verwerkte inhouden.
N 19kunnen in verschillende eenvoudige tekstgenres schrijven, zoals eenvoudige gedichten, verhalen, dialogen, verslagen van belevenissen of gebeurtenissen, aankondigingen, oproepen, uitnodigingen, instructies (recepten, wegbeschrijvingen, spelinstructies, ...), brieven van persoonlijke aard, eenvoudige brieven van meer zakelijke aard en mails.
N 20kunnen bij het schrijven van teksten een eenvoudige opbouw respecteren (inleiding, midden, slot).
N 21kunnen nieuw aangeleerde woorden correct in het eigen taalgebruik integreren.
N 22*zijn bereid zich uit te drukken in een dramatische werkvorm.
N 23*sont prêts à participer activement et constructivement à un entretien avec des compagnons de leur âge et avec des adultes familiers, avec de l'attention pour :
- la forme (structure de la phrase et intonation)
- le style (registre, choix des mots, expression)
- technique;
N 24développent la capacité à réagir avec l'autonomie adaptée à partir de l'évaluation d'une situation communicative;
N 25après une lecture, une histoire ou une explication, ils peuvent poser des questions pertinentes tant au professeur qu'aux autres élèves et écouter les réponses;
N 26*font preuve de volonté et d'intérêt pour, après une explication d'autrui accessible pour eux, comprendre le point de vue d'autrui.
  Taal in een communicatieve situatie
  De kinderen
  Perception de la richesse langagière
  Les enfants peuvent :

  
  
N 23*zijn bereid om op actieve en opbouwende wijze deel te nemen aan een gesprek met leeftijdsgenoten en met vertrouwde volwassenen, met aandacht voor :

  
  
N 27*prendre du plaisir à manier les différents "genres" linguistiques comme la poésie, les histoires, les contes, les fables, les pièces de théâtre, les rapports, les courriers, et l'usage créatif de la langue dans les proverbes, les expressions, les rimes, le langage imagé;
  
N 28*percevoir les caractéristiques et les qualités des types de texte via, entre autres, la récitation, les pièces de théâtre et les exposés;
  
N 29*percevoir, à l'aide d'une analyse grammaticale et logique, la structure, la construction et les récursivités de la langue en cohésion avec la signification;
  
N 30*pouvoir percevoir les valeurs, les normes, les préjugés, le comportement dicté dans la langue, reconnaître leurs conséquences pour soi et les autres et y réfléchir;
  
N 31*se montrer ouvert aux normes et aux valeurs socioculturelles qui ressortent des différentes expressions culturelles dans la langue :
  
N 32*percevoir la différence entre la langue standard et les variétés linguistiques sociales et régionales et pouvoir y réfléchir;
  
N 33*percevoir comment la maîtrise de la langue permet de communiquer au sein d'une certaine communauté ou d'un contexte.
N 23*zijn bereid om op actieve en opbouwende wijze deel te nemen aan een gesprek met leeftijdsgenoten en met vertrouwde volwassenen, met aandacht voor :
N 27*prendre du plaisir à manier les différents "genres" linguistiques comme la poésie, les histoires, les contes, les fables, les pièces de théâtre, les rapports, les courriers, et l'usage créatif de la langue dans les proverbes, les expressions, les rimes, le langage imagé;
N 28*percevoir les caractéristiques et les qualités des types de texte via, entre autres, la récitation, les pièces de théâtre et les exposés;
N 29*percevoir, à l'aide d'une analyse grammaticale et logique, la structure, la construction et les récursivités de la langue en cohésion avec la signification;
N 30*pouvoir percevoir les valeurs, les normes, les préjugés, le comportement dicté dans la langue, reconnaître leurs conséquences pour soi et les autres et y réfléchir;
N 31*se montrer ouvert aux normes et aux valeurs socioculturelles qui ressortent des différentes expressions culturelles dans la langue :
N 32*percevoir la différence entre la langue standard et les variétés linguistiques sociales et régionales et pouvoir y réfléchir;
N 33*percevoir comment la maîtrise de la langue permet de communiquer au sein d'une certaine communauté ou d'un contexte.
  - vorm (zinsbouw en zinsintonatie)
  - stijl (stijlregister, woordkeuze, expressie)
  - techniek (articulatie)
  Réflexions sur le langage
  Les enfants :

  
  
N 24ontwikkelen het vermogen om vanuit de beoordeling van een communicatieve situatie met de gepaste mondigheid te reageren.
  
N 25kunnen na een les, een verhaal of een uiteenzetting, zowel aan de leraar als aan klasgenoten relevante vragen stellen en luisteren naar de antwoorden.
  
N 26*tonen de wil en de interesse om zich na een voor hen toegankelijke uiteenzetting van een ander, in te leven in het gezichtspunt van deze ander en er begrip voor op te brengen.

  
  
N 34peuvent, à leur niveau, reconnaître, comprendre et utiliser dans la situation d'apprentissage scolaire les notions et les termes de réflexion sur le langage suivants.
N 24ontwikkelen het vermogen om vanuit de beoordeling van een communicatieve situatie met de gepaste mondigheid te reageren.
N 25kunnen na een les, een verhaal of een uiteenzetting, zowel aan de leraar als aan klasgenoten relevante vragen stellen en luisteren naar de antwoorden.
N 26*tonen de wil en de interesse om zich na een voor hen toegankelijke uiteenzetting van een ander, in te leven in het gezichtspunt van deze ander en er begrip voor op te brengen.
N 34peuvent, à leur niveau, reconnaître, comprendre et utiliser dans la situation d'apprentissage scolaire les notions et les termes de réflexion sur le langage suivants.
  Beleving van taalrijkdom
  De kinderen
DEFINITIONS ET TERMES
  
Catégorie principaleObjectifs finaux enseignement primaire
1. domaine phonologique - sons
  
Sonson
  
 voyelle
  
 consonne
  
 rime
  
 prononciation
2. le domaine orthographique - formes orthographiques :
  
alphabetalphabet
  
 lettre
  
 voyelle
  
 consonne
  
 ° lettre finale
  
 majuscule
  
 minuscule
  
signes diacritiquestrait d'union
  
 apostrophe
  
 ° tréma
  
signes de prononciationaccent
  
signe de ponctuationsigne de ponctuation
  
 point
  
 point d'interrogation
  
 point d'exclamation
  
 virgule
  
 deux points
  
 espace
  
 guillemet
  
abréviationabréviation
3. Le domaine morphologique - mots
  
motmot
  
morphologiecomposition
  
 dérivation
  
Affixepréfixe
  
 suffixe
  
Catégorie gram.-
  
substantifsubstantif
  
 Nom propre
  
 diminutif
  
nombresingulier
  
 pluriel
  
genremasculin
  
 féminin
  
 neutre
  
articlesarticles
  
adjectifadjectif
  
verbeverbe
  
formes verbalesradical
  
 terminaison
  
modes conjuguésforme conjuguée du verbe
  
 ° personne
  
 1e personne (je-nous)
  
 2e personne (tu-vous)
  
 3ème personne (il, elle, ils, elles)
  
 singulier
  
 pluriel
  
modes non conjugués infinitif
  
temps du verbeTemps
  
 présent
  
 passé
  
types de verbes-
  
pronom-
  
préposition-
  
numéral-
4. Le domaine syntactique - phrase :
  
- Phrase- Phrase
  
° membre de phrase° membre de phrase
  
 Objet
  
 forme conjuguée du verbe
  
syntagmesyntagme
5. Le domaine sémantique - significations
  
relations entre significations;° synonyme
  
langage métaphoriqueexpression
6. Le domaine textuel - textes
  
Texte :Texte :
  
type de texte° fiction
  
 non-fiction
  
structure textuelleIntroduction
  
 Milieu
  
 Fin
  
 chapitre
  
 alinéa
  
 ligne
  
 en-tête
  
 Titre
  
 page
  
marqueurs de structure;-
  
stylisme (matériel)mise en pages
  
 Cours
  
 en caractères gras
  
état d'énoncésfait
  
 opinion
7. domaine pragmatique - langage
  
facteurs dans la situation de communicationémetteur
  
 Conférencier
  
 auteur
  
 Destinataire
  
 ECOUTER
  
 LIRE
  
 message
  
 intention
  
 Situation
8. domaine sociolinguistique - langage
  
Languenéerlandais
  
 français
  
 allemand
  
 anglais
  
variétés linguistiqueslangue standard
  
 Dialogue
  
 langue maternelle
  
 langue étrangère
DEFINITIONS ET TERMES
Catégorie principaleObjectifs finaux enseignement primaire1. domaine phonologique - sons
Sonson
voyelle
consonne
rime
prononciation2. le domaine orthographique - formes orthographiques :
alphabetalphabet
lettre
voyelle
consonne
° lettre finale
majuscule
minuscule
signes diacritiquestrait d'union
apostrophe
° tréma
signes de prononciationaccent
signe de ponctuationsigne de ponctuation
point
point d'interrogation
point d'exclamation
virgule
deux points
espace
guillemet
abréviationabréviation3. Le domaine morphologique - mots
motmot
morphologiecomposition
dérivation
Affixepréfixe
suffixe
Catégorie gram.-
substantifsubstantif
Nom propre
diminutif
nombresingulier
pluriel
genremasculin
féminin
neutre
articlesarticles
adjectifadjectif
verbeverbe
formes verbalesradical
terminaison
modes conjuguésforme conjuguée du verbe
° personne
1e personne (je-nous)
2e personne (tu-vous)
3ème personne (il, elle, ils, elles)
singulier
pluriel
modes non conjugués infinitif
temps du verbeTemps
présent
passé
types de verbes-
pronom-
préposition-
numéral-4. Le domaine syntactique - phrase :
- Phrase- Phrase
° membre de phrase° membre de phrase
Objet
forme conjuguée du verbe
syntagmesyntagme5. Le domaine sémantique - significations
relations entre significations;° synonyme
langage métaphoriqueexpression6. Le domaine textuel - textes
Texte :Texte :
type de texte° fiction
non-fiction
structure textuelleIntroduction
Milieu
Fin
chapitre
alinéa
ligne
en-tête
Titre
page
marqueurs de structure;-
stylisme (matériel)mise en pages
Cours
en caractères gras
état d'énoncésfait
opinion7. domaine pragmatique - langage
facteurs dans la situation de communicationémetteur
Conférencier
auteur
Destinataire
ECOUTER
LIRE
message
intention
Situation8. domaine sociolinguistique - langage
Languenéerlandais
français
allemand
anglais
variétés linguistiqueslangue standard
Dialogue
langue maternelle
langue étrangère

  
  
N 27*beleven plezier aan het omgaan met verschillende taal-'genres' zoals poëzie, verhalen, sprookjes, fabels, toneelstukken, verslagen, brieven, en aan het creatieve gebruik van taal in spreekwoorden, gezegdes, rijm en ritme, beeldspraak.
  
N 28*beleven kenmerken en kwaliteiten van tekstsoorten door onder andere recitatie, toneelspel en voordracht.
  
N 29*beleven, aan de hand van woord- en zinsontleding, structuur, opbouw en wetmatigheden van taal in samenhang met betekenis.
  
N 30*kunnen waarden, normen, vooroordelen en rolgedrag in taal beleven, de gevolgen daarvan voor zichzelf en anderen herkennen en erop reflecteren.
  
N 31*stellen zich open voor de socio-culturele waarden en normen die spreken uit verscheidene cultuuruitingen in taal.
  
N 32*beleven het onderscheid tussen standaardtaal en regionale en sociale taalvariëteiten en kunnen daarop reflecteren.
  
N 33*beseffen hoe taalbeheersing de mogelijkheid verschaft om te communiceren binnen een bepaalde gemeenschap en context.
  Stratégies
  Les enfants peuvent :
N 27*beleven plezier aan het omgaan met verschillende taal-'genres' zoals poëzie, verhalen, sprookjes, fabels, toneelstukken, verslagen, brieven, en aan het creatieve gebruik van taal in spreekwoorden, gezegdes, rijm en ritme, beeldspraak.
N 28*beleven kenmerken en kwaliteiten van tekstsoorten door onder andere recitatie, toneelspel en voordracht.
N 29*beleven, aan de hand van woord- en zinsontleding, structuur, opbouw en wetmatigheden van taal in samenhang met betekenis.
N 30*kunnen waarden, normen, vooroordelen en rolgedrag in taal beleven, de gevolgen daarvan voor zichzelf en anderen herkennen en erop reflecteren.
N 31*stellen zich open voor de socio-culturele waarden en normen die spreken uit verscheidene cultuuruitingen in taal.
N 32*beleven het onderscheid tussen standaardtaal en regionale en sociale taalvariëteiten en kunnen daarop reflecteren.
N 33*beseffen hoe taalbeheersing de mogelijkheid verschaft om te communiceren binnen een bepaalde gemeenschap en context.

  
  
N 35s'orienter sur la situation communicative, la mission ou l'objectif;
  
N 36conserver l'attention axée sur la situation communicative ou sur une tâche (pendant la durée de celle-ci) et sur l'objectif de la mission;
  
N 37adapter la manière de parler, d'écrire, d'écouter ou de lire à l'objectif d'une tâche ou à l'auditeur ou au lecteur;
  
N 38réfléchir à leur niveau sur les compétences à écouter, lire, parler et écrire en fonction d'une tâche ou d'un objectif et sur l'usage propre de la langue;
  
N 39réfléchir à leur niveau sur la stratégie utilisée.
  Taalbeschouwing
  De kinderen
N 35s'orienter sur la situation communicative, la mission ou l'objectif;
N 36conserver l'attention axée sur la situation communicative ou sur une tâche (pendant la durée de celle-ci) et sur l'objectif de la mission;
N 37adapter la manière de parler, d'écrire, d'écouter ou de lire à l'objectif d'une tâche ou à l'auditeur ou au lecteur;
N 38réfléchir à leur niveau sur les compétences à écouter, lire, parler et écrire en fonction d'une tâche ou d'un objectif et sur l'usage propre de la langue;
N 39réfléchir à leur niveau sur la stratégie utilisée.

  
  
N 34kunnen de onderstaande taalbeschouwelijke begrippen en termen op hun niveau herkennen, begrijpen en gebruiken in de schoolse leersituatie.
  * Les attitudes ont été marquées d'un astérisque (*).
N 34kunnen de onderstaande taalbeschouwelijke begrippen en termen op hun niveau herkennen, begrijpen en gebruiken in de schoolse leersituatie.
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Taalbeschouwelijke begrippen en termen
  
HoofdcategorieEindtermen lager onderwijs
1. Fonologisch domein - klanken
  
KlankKlank
  
 Klinker
  
 Medeklinker
  
 rijm
  
 Uitspraak
2. Orthografisch domein - spellingsvormen
  
AlfabetAlfabet
  
 Letter
  
 Klinker
  
 Medeklinker
  
 Eindletter
  
 Hoofdletter
  
 kleine letter
  
diakritische tekensKoppelteken
  
 Apostrof
  
 Trema
  
UitspraaktekensAccent
  
LeestekensLeesteken
  
 Punt
  
 Vraagteken
  
 Uitroepteken
  
 Komma
  
 dubbele punt
  
 Spatie
  
 Aanhalingteken
  
AfkortingAfkorting
3. Morfologisch domein - woorden
  
WoordWoord
  
WoordvormingSamenstelling
  
 Afleiding
  
AffixVoorvoegsel
  
 Achtervoegsel
  
Woordsoort-
  
zelfstandig naamwoordzelfstandig naamwoord
  
 Eigennaam
  
 Verkleinwoord
  
GetalEnkelvoud
  
 Meervoud
  
GenusMannelijk
  
 Vrouwelijk
  
 Onzijdig
  
LidwoordLidwoord
  
bijvoeglijk naamwoordbijvoeglijk naamwoord
  
WerkwoordWerkwoord
  
WerkwoordvormenStam
  
 Uitgang
  
vervoegde vormenPersoonsvorm
  
 Persoon
  
 1ste persoon (ik-wij)
  
 2de persoon (jij-jullie)
  
 3de persoon (hij, zij, het-zij)
  
 Enkelvoud
  
 Meervoud
  
niet-vervoegde vormen Infinitief
  
TempusTijd
  
 tegenwoordige tijd
  
 verleden tijd
  
Werkwoordsoorten-
  
Voornaamwoord-
  
Voorzetsel-
  
Telwoord-
4. Syntactisch domein - zinnen
  
ZinZin
  
ZinsdeelZinsdeel
  
 Onderwerp
  
 Persoonsvorm
  
WoordgroepWoordgroep
5. Semantisch domein - betekenissen
  
BetekenisrelatiesSynoniem
  
metaforisch taalgebruikUitdrukking
6. Tekstueel domein - teksten
  
TekstTekst
  
TekstsoortFictie
  
 non-fictie
  
TekstopbouwInleiding
  
 Midden
  
 Slot
  
 Hoofdstuk
  
 Alinea
  
 regel
  
 kopje
  
 Titel
  
 Bladzijde
  
Structuuraanduiders-
  
(materiële) vormgevinglay-out
  
 Cursief
  
 Vetjes
  
status van uitsprakenFeit
  
 Mening
7. Pragmatisch domein - taalgebruik
  
factoren in de communicatiesituatieZender
  
 Spreker
  
 Schrijver
  
 Ontvanger
  
 Luisteraar
  
 Lezer
  
 Boodschap
  
 Bedoeling
  
 Situatie
8. Sociolinguïstisch domein - taalgebruik
  
TaalNederlands
  
 Frans
  
 Duits
  
 Engels
  
TaalvariëteitenStandaardtaal
  
 Dialect
  
 Moedertaal
  
 vreemde taal
Taalbeschouwelijke begrippen en termen
HoofdcategorieEindtermen lager onderwijs1. Fonologisch domein - klanken
KlankKlank
Klinker
Medeklinker
rijm
Uitspraak2. Orthografisch domein - spellingsvormen
AlfabetAlfabet
Letter
Klinker
Medeklinker
Eindletter
Hoofdletter
kleine letter
diakritische tekensKoppelteken
Apostrof
Trema
UitspraaktekensAccent
LeestekensLeesteken
Punt
Vraagteken
Uitroepteken
Komma
dubbele punt
Spatie
Aanhalingteken
AfkortingAfkorting3. Morfologisch domein - woorden
WoordWoord
WoordvormingSamenstelling
Afleiding
AffixVoorvoegsel
Achtervoegsel
Woordsoort-
zelfstandig naamwoordzelfstandig naamwoord
Eigennaam
Verkleinwoord
GetalEnkelvoud
Meervoud
GenusMannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
LidwoordLidwoord
bijvoeglijk naamwoordbijvoeglijk naamwoord
WerkwoordWerkwoord
WerkwoordvormenStam
Uitgang
vervoegde vormenPersoonsvorm
Persoon
1ste persoon (ik-wij)
2de persoon (jij-jullie)
3de persoon (hij, zij, het-zij)
Enkelvoud
Meervoud
niet-vervoegde vormen Infinitief
TempusTijd
tegenwoordige tijd
verleden tijd
Werkwoordsoorten-
Voornaamwoord-
Voorzetsel-
Telwoord-4. Syntactisch domein - zinnen
ZinZin
ZinsdeelZinsdeel
Onderwerp
Persoonsvorm
WoordgroepWoordgroep5. Semantisch domein - betekenissen
BetekenisrelatiesSynoniem
metaforisch taalgebruikUitdrukking6. Tekstueel domein - teksten
TekstTekst
TekstsoortFictie
non-fictie
TekstopbouwInleiding
Midden
Slot
Hoofdstuk
Alinea
regel
kopje
Titel
Bladzijde
Structuuraanduiders-
(materiële) vormgevinglay-out
Cursief
Vetjes
status van uitsprakenFeit
Mening7. Pragmatisch domein - taalgebruik
factoren in de communicatiesituatieZender
Spreker
Schrijver
Ontvanger
Luisteraar
Lezer
Boodschap
Bedoeling
Situatie8. Sociolinguïstisch domein - taalgebruik
TaalNederlands
Frans
Duits
Engels
TaalvariëteitenStandaardtaal
Dialect
Moedertaal
vreemde taal
-
  Strategieën
  De kinderen
-

  
  
N 35kunnen zich oriënteren op de communicatieve situatie, de opdracht of het doel.
  
N 36kunnen de aandacht gericht houden op de communicatieve situatie of op een opdracht (gedurende de duur ervan) en op het doel van de opdracht.
  
N 37kunnen de manier van spreken, schrijven, luisteren of lezen afstemmen op het doel van een opdracht of op de luisteraar of de lezer.
  
N 38kunnen op hun niveau reflecteren op de luister-, lees-, spreek- en schrijfvaardigheid in het licht van een opdracht of doel en op het eigen taalgebruik.
  
N 39kunnen op hun niveau reflecteren op de aangewende strategie.
-
N 35kunnen zich oriënteren op de communicatieve situatie, de opdracht of het doel.
N 36kunnen de aandacht gericht houden op de communicatieve situatie of op een opdracht (gedurende de duur ervan) en op het doel van de opdracht.
N 37kunnen de manier van spreken, schrijven, luisteren of lezen afstemmen op het doel van een opdracht of op de luisteraar of de lezer.
N 38kunnen op hun niveau reflecteren op de luister-, lees-, spreek- en schrijfvaardigheid in het licht van een opdracht of doel en op het eigen taalgebruik.
N 39kunnen op hun niveau reflecteren op de aangewende strategie.
-
  * de attitudes werden met een asterisk aangeduid. (*)
-
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs.
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
-
Art. N9. Bijlage 9. - Eindtermen moderne vreemde talen (Frans) - basisonderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in de specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  De leeftijdsgerichte ontwikkeling :
  De steinerscholen hebben sinds het ontstaan van de steinerpedagogie in 1919 het vreemdetalenonderwijs hoog in hun vaandel geschreven en wereldwijd worden er in de steiner/Waldorfscholen in de mate van het mogelijke twee vreemde talen aangeleerd vanaf de leeftijd van 6 à 7 jaar. (22)
  Het onderscheid dat in het decreet basisonderwijs wordt gemaakt tussen talensensibilisering, taalinitiatie en formeel taalonderwijs, is slechts tot op zekere hoogte terug te vinden in de praktijk van de steinerscholen. De steinerpedagogie wil de kinderen de kans wil bieden om, vanuit het nabootsen en met volle ontplooiing van hun kinderlijk taalvermogen, de vreemde taal op een natuurlijke manier op te nemen. Dat gaat dus verder dan taalinitiatie. Formeel onderwijs leidt tot het behalen van eindtermen maar talensensibilisering behoort in se tot het levenslang leren. De steinerpedagogie gaat dan ook op een eigen manier om met deze indeling.
  Zoals reeds beschreven in de algemene motivering voor vervangende eindtermen voor de steinerscholen en zoals reeds gemotiveerd in de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs uit 1997 (23) gaat men bij het vreemdetalenonderwijs eveneens uit van de leeftijdsgerichte ontwikkeling.
  In de kleuterschool leggen de leerlingen de basis voor het mondelinge gebruik van hun moedertaal. In de eerste jaren van de lagere school leggen ze de basis voor het schriftelijk taalgebruik van de moedertaal. Vermits men dan nog kan profiteren van de gevoelige periode voor het verwerven van een vreemde taal, kan in die jaren de mondelinge basis gelegd worden. In de laatste jaren van de lagere school kan men starten met het schriftbeeld in de vreemde taal. Ook de eerste eenvoudige grammaticale elementen zijn hier op z'n plaats in aansluiting met het moedertaalonderwijs. Rond de leeftijd van 12 jaar de grammatica in de vreemde taal steeds meer aan bod. Het verschaft de leerling in de prepuberteit wat houvast, structuur en objectiviteit. Er wordt daarbij voortgebouwd op de basis die in de lagere klassen werd gelegd. Verschillende grammaticale structuren en vaste zinsconstructie werden immers al veelvuldig geoefend d.m.v. recitatie, spelvormen en dialoog. Wat voorheen onbewust werd opgenomen, wordt nu bewust gemaakt en verklaard.
  In de eerste en tweede graad secundair onderwijs ligt het accent sterk op de verwerving van de taal tot op een niveau dat de leerling er zich in thuis voelt. Dat vraagt, naast oefening in communicatie, heel wat lexicale en grammaticale kennis. In de derde graad gaat het accent liggen op het werkelijk inzetten van de taal in een reële context van spreken en schrijven. Het literatuuronderwijs van de vreemde taal krijgt daarbij een belangrijke plaats toebedeeld.
  TOELICHTING
  1. Structurering eindtermen
  In de lijn van het Europese Referentiekader voor Talen wordt ook in de eigen eindtermen voor de steinerscholen de vaardigheid spreken opgesplitst in 'spreken' en 'mondelinge interactie' zodat er nu vijf vaardigheden zijn in plaats van vier. Uiteraard onderschrijven de steinerscholen eveneens dat veel communicatiesituaties alleen op een vrij kunstmatige wijze aan één van deze vaardigheidsdomeinen kunnen worden toegewezen.
  Voor de eindtermen Frans van de basisscholen is er gekozen voor een structuur die beter aansluit bij de steinerpedagogie en ruimte laat voor een minder analytische aanpak. Er zijn ook wijzigingen t.o.v. de vorige aanvraag tot afwijking. Naast de indeling in vijf vaardigheden zijn er ook rubrieken aan toegevoegd : overkoepelende attitudes, beleving van taalrijkdom en strategieën.
  1.1 Overkoepelende attitudes
  De attitudes zijn voor de eindtermen van de basisscholen voorop geplaatst enerzijds omdat zij overkoepelend zijn en anderzijds omdat zij een beeld geven van een grondhouding die de basis vormt voor het zinvol leren van een vreemde taal.
  1.2. Overkoepelende strategieën
  De eindtermen rond strategieën zijn voor de eindtremen van de basisscholen niet bij de verschillende taaldomeinen geplaatst omdat ze in hoofdzaak voor de verschillende domeinen gemeenschappelijk zijn. Daar waar ze per domein specifiek worden, is dat aangegeven.
  2. Toevoeging van de rubriek " beleving van taalrijkdom "
  Hoewel het strikt genomen geen vaardigheid genoemd kan worden, en het eerder over het ervaren van de eigenheid van de andere taal gaat, voegen de steinerscholen onder een nieuwe rubriek " beleving van taalrijkdom " een aantal eindtermen toe. Dit heeft enerzijds consequenties voor het soort teksten dat men gebruikt in het vreemdetalenonderwijs en anderzijds heeft het een band met (inter)culturele gerichtheid of de culturele component. De steinerscholen delen de bekommernis van de overheid zoals uitgedrukt in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen :
  " Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (24)
  De steinerpedagogie wil aan het hierboven geciteerde nog een dimensie toevoegen. In essentie communiceren niet de culturen met elkaar maar wel individuen met een verschillende culturele achtergrond. Leerlingen in contact brengen met een vreemde taal is de manier bij uitstek om openheid en interesse voor het 'andere dan ik zelf' te wekken en te ontwikkelen; een pedagogische opdracht die van het grootste belang is in onze tijd.
  Taal is sowieso meer dan louter een zakelijk communicatiemiddel en communicatie is meer dan taal. Dit gegeven heeft consequenties voor de visie op vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen. Naast communicatiemiddel is een taal dan ook een drager van het cultureel erfgoed van een volk. Taal, als organisch en levend cultuurgoed, mogen we gerust beschouwen als het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van de mens. Het weerspiegelt in zijn eigenheid de nuances van hoe de realiteit beleefd wordt door de mens die deze taal spreekt. Taal is a.h.w. een kunstig bouwsel van een diepliggende cultuur en geaardheid. Een vreemde taal leren, als een organisch en levend cultuurgoed, is dus een middel om die cultuur en geaardheid niet oordelend tegemoet te treden. De vreemde taal verbindt ons zo met houdingen, conventies, waarden en denken als uitdrukkingen van een specifieke cultuur.
  Meer dan de gewone informatieve, prescriptieve en narratieve teksten zijn artistiek-literaire teksten uitingen van de 'levende taal' en middel bij uitstek om zich diepgaand te verbinden met andere culturen. Deze artistiek-literaire teksten kunnen een uiteenlopende moeilijkheidsgraad hebben van eenvoudige kinderpoëzie en rijmpjes tot grote literaire romans en epische gedichten of theaterteksten. Als men de literaire tekst via dramatische werkvormen in de klas kan brengen, komt de vreemde taal op een unieke manier tot leven. Literatuur was in de eerste plaats een orale kunst. Via taalbeleving in een vreemde taal komt men tot het beleven van het eigene van de cultuur van de andere. Daarom kiezen de steinerscholen ervoor om een rubriek beleving van taalrijkdom aan de eindtermen toe te voegen. De teksten die men voor deze eindtermen gebruikt, beperken zich niet tot het niveau beschreven voor de teksten van de andere rubrieken.
  3. Taaltaak en tekst
  De steinerscholen volgen eveneens de betekenis van het woord " tekst " zoals in de definitie van de Raad van Europa het geval is, waarbij 'tekst' verwijst naar elke boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel mondeling als schriftelijk.
  Ook het hierna geciteerde uit de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen is van toepassing voor de steinerscholen :
  " Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (25)
  4. Tekstsoorten en tekstkenmerken
  Voor de tekstsoorten en tekstkenmerken hanteren de steinerscholen eigen criteria omdat de artistiek-literaire teksten, zoals hierboven beschreven, een grote rol spelen in het vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen.
  Enerzijds kunnen de steinerscholen eveneens de volgende omschrijvingen hanteren voor hun eindtermen :
  " Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :
  O bij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
  O bij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;
  O bij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;
  O bij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
  O bij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is. "
  Anderzijds wordt er met name door de rubriek " beleving van taalrijkdom " er aan toe te voegen een eigen accent gelegd.
  Ook voor de tekstkenmerken worden er eigen keuzes gemaakt. Zo krijgen elementen die buiten de eigen leefwereld van de leerlingen liggen een grotere aandacht. Het belangrijkste criterium voor een tekst op niveau van de leerlingen binnen de steinerpedagogie, is dat de leerlingen er zich innerlijk mee kunnen verbinden. Wat tot deze innerlijke verbinding leidt, kan soms ook buiten de leefwereld van de leerlingen in stricto senso behoren. Verder wordt er in de steinerscholen een grote waarde gehecht aan de ontwikkeling van het innerlijk van de leerlingen door aandacht te besteden aan de morele en beeldende waarde van de teksten.
  Voor de basisschool kiezen de steinerscholen ervoor om de tekstkenmerken niet apart uit te splitsen maar neemt men ze in de formuleringen van de eindtermen zelf op.
  5. Verwerkingsniveaus
  De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel 'kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er grote waarde aan, vooral in de basisschool maar vaak ook in de secundaire scholen. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijnen nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen.
  Verder worden in de steinerschool kunstzinnige werkvormen als evenwaardige verwerkingsvormen gezien op een beschrijvend niveau. Dat wat door de leerling innerlijk werd opgenomen, wordt in zekere zin beschrijvend weergegeven. Men kan niet op kunstzinnige wijze weergeven waar men zich innerlijk niet mee verbonden heeft. Er heeft dus, in tegenstelling tot de omschrijving van het verwerkingsniveau 'beschrijven' in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen, wel al enige vorm van transformatie plaats gevonden.
  De verwerkingsniveaus 'structureren' en 'beoordelen' zijn in de basisschool nog niet aan de orde. Maar een zekere vorm van 'reflecteren' wel. Dat reflecteren heeft trouwens een belangrijke rol in de methode die de steinerscholen gebruiken voor hun grammatica onderwijs. Elementen van de grammatica van de vreemde taal die helemaal anders zijn dan de eigen taal worden vaak op een reflecterend niveau beschreven en besproken en in relatie gebracht met de grammatica van de eigen taal.
  6. Gebruik van digitale media
  Het gebruik van digitale media wordt aangepast aan de eigen vakoverschrijdende eindtermen ICT.
  7. Het Europees referentiekader MVT
  De steinerscholen voeren ook de koppeling met het Europees Referentiekader door zoals weergegeven in de hierna volgende tabel :
Art. N9. Annexe 9. - Objectifs finaux langues étrangères modernes (Français) enseignement fondamental
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Le développement axé sur l'âge :
  Depuis la création de la pédagogie Steiner en 1919, les écoles Steiner ont prévu à l'enseignement des langues étrangères et dans le monde, les écoles Steiner/Waldorf enseignent dans la mesure du possible deux langues étrangères dès l'âge de 6 à 7 ans (22).
  La distinction faite dans le décret sur l'enseignement fondamental entre la sensibilisation aux langues, l'initiation linguistique et l'enseignement officiel des langues ne se retrouve que d'une certaine manière dans la pratique des écoles Steiner. La pédagogie Steiner vise à offrir aux enfants la chance d'assimiler la langue étrangère de manière naturelle, à partir de l'imitation et avec un déploiement complet de leurs capacités linguistiques infantiles. Cela va donc plus loin que l'initiation linguistique. L'enseignement officiel mène à la réalisation des objectifs finaux, mais la sensibilisation linguistique fait partie en soi de l'apprentissage tout au long de la vie. La pédagogie Steiner traite donc cette répartition à sa façon.
  Tel que décrit dans la motivation générale pour les objectifs finaux de remplacement pour les écoles Steiner et comme motivé dans la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux dans l'enseignement fondamental ordinaire de 1997 (23), on part aussi pour l'enseignement des langues étrangères du développement axé sur l'âge.
  A l'école maternelle, les élèves jettent les bases pour l'usage oral de leur langue maternelle. Durant les premières années de l'école primaire, ils jettent les bases pour l'usage écrit de leur langue maternelle. Puisque l'on peut profiter de la période réceptive pour l'acquisition d'une langue étrangère, les bases orales peuvent être jetées durant ces années. Au cours des dernières années de l'école primaire, on peut commencer le graphisme dans la langue étrangère. Les premiers éléments grammaticaux simples sont aussi à leur place, parallèlement à l'enseignement de la langue maternelle. Vers l'âge de douze ans, la grammaire dans la langue étrangère est plus abordée. Elle offre à l'élève à la prépuberté une structure, un repère et de l'objectivité. On développe pour cela les bases acquises durant les classes de primaire. Plusieurs structures grammaticales et des constructions de phrase fixes ont en effet fait l'objet de divers exercices, notamment via des récitations, des dialogues ou encore des formes ludiques. Ce qui a auparavant été appris inconsciemment est expliqué et on en prend conscience.
  Durant le premier et le deuxième degré de l'enseignement secondaire, l'accent est fortement mis sur l'acquisition de la langue jusqu'à un niveau auquel l'élève se sente à l'aise. Cela demande, outre l'exercice dans la Communication, de nombreuses connaissances grammaticales et lexicales. Au troisième degré l'accent est mis sur l'application effective de la langue dans un contexte réel de discussion et d'écriture. L'enseignement de la littérature de la langue étrangère y bénéficie d'une place importante.
  COMMENTAIRE
  1. Structurer les objectifs finaux
  Conformément au Cadre de référence européen pour les Langues, dans les objectifs finaux propres des écoles Steiner, la compétence de l'expression est subdivisée en "expression" et "interaction orale", de sorte qu'il existe à présent cinq et non plus quatre compétences. Les écoles Steiner souscrivent en effet à l'idée que de nombreuses situations de communication ne sont attribuées que de manière assez artificielle à l'un de ces domaines de compétence.
  Pour les objectifs finaux pour le français des écoles fondamentales, on a opté pour une structure qui s'adapte mieux à la pédagogie Steiner et qui laisse de l'espace pour une approche moins analytique. Il existe aussi des modifications par rapport à la demande de dérogation précédente. Outre la répartition en cinq compétences, des rubriques ont été ajoutées : attitudes générales, perception de la richesse langagière et stratégies.
  Attitudes principales
  Les attitudes sont mises en avant pour les objectifs finaux des écoles fondamentales, d'une part car elles sont générales et d'autre part parce qu'elles donnent une image d'une position de départ qui est à la base de l'apprentissage sensé d'une langue étrangère.
  1.2 Stratégies générales
  Les objectifs finaux sur les stratégies ne se retrouvent pas au niveau des différents domaines linguistiques pour les objectifs finaux des écoles fondamentales car ils sont généralement communs pour les différents domaines. S'ils sont spécifiques par domaine, c'est indiqué.
  2. Ajout de la rubrique "expérience de la richesse langagière"
  Bien que l'on ne puisse pas parler d'une compétence au sens strict et qu'il s'agisse plutôt de l'expérience du caractère propre de l'autre langue, les écoles Steiner ajoutent plusieurs objectifs finaux sous une nouvelle rubrique appelée "expérience de la richesse langagière". Cela a d'une part des conséquences pour le type de textes que l'on utilise dans l'enseignement des langues étrangères et d'autre part, cela a un lien avec l'orientation (inter)culturelle ou la composante culturelle. Les écoles Steiner partagent les inquiétudes des pouvoirs publics, comme exprimé dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics pour les langues étrangères :

  
  
 LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
  
BaoA 1A 1A 1A 1A 1A 1

  
  
 Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle (24).
LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
BaoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle (24).
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Vaardigheden
  Luisteren 1
  De kinderen
  La pédagogie Steiner veut ajouter encore une dimension à tous les éléments susmentionnés. Les cultures ne communiquent essentiellement pas entre elles, mais bien les individus avec un contexte culturel différent. Faire entrer les élèves en contact avec une langue étrangère est la manière par excellence de développer et susciter l'intérêt et l'ouverture pour "l'autre"; une mission pédagogique qui est de la plus haute importance à notre époque.
  La langue est bien plus qu'un simple moyen de communication professionnel et la communication ne se limite pas à la langue. Ces données ont des conséquences pour la vision sur l'enseignement de la langue étrangère des écoles Steiner. Outre le moyen de communication, la langue est aussi un support du patrimoine culturel d'un peuple. La langue, en tant que bien culturel vivant et organique, peut être considérée comme le principal moyen de communication de l'homme. Elle reflète dans son caractère propre les nuances de la manière dont la réalité est vécue par l'homme qui parle cette langue. La langue est pour ainsi dire une construction artificielle d'une nature et d'une culture profondes. Apprendre une langue étrangère, comme un bien culturel vivant et organique, est donc un moyen d'aller à la rencontre de cette culture et de cette nature sans aucun jugement. La langue étrangère nous engage avec des attitudes, des conventions, des valeurs, des réflexions comme des expressions d'une culture spécifique.
  Plus que les textes informatifs, prescriptifs et narratifs ordinaires, les textes artistiques et littéraires sont des expressions de la "langue vivante" et le moyen par excellence de rejoindre en profondeur d'autres cultures. Ces textes artistiques et littéraires peuvent présenter divers degrés de difficulté de la simple poésie infantile et des couplets aux grands romans littéraires et aux poésies épiques ou aux textes théâtraux. Si l'on peut introduire le texte littéraire via des formes de travail dramatiques dans la classe, la langue étrangère prend vie de manière unique. La littérature était tout d'abord un art oral. Grâce à l'expérience linguistique dans une langue étrangère, on vit le caractère propre de la culture des autres. C'est pourquoi les écoles Steiner optent pour l'ajout d'une rubrique "expérience de la richesse langagière" dans les objectifs finaux. Les textes que l'on utilise pour ces objectifs finaux ne se limitent pas au niveau décrit pour les textes des autres rubriques.
  3. Tâche langagière et texte
  Les écoles Steiner suivent la signification du terme "texte" telle que définie par le Conseil de l'Europe, ou "texte" renvoie tout message produit ou reçu par les élèves, qu'il soit oral ou écrit.
  Le paragraphe suivant, tiré des principes des objectifs finaux pour les langues étrangères fixés par les pouvoirs publics, est d'application pour les écoles Steiner :

  
  
TF 1kunnen actief en aandachtig luisteren naar inhouden op hun niveau, zoals gedichten, verhalen, mededelingen en instructies.
  
TF 2kunnen de elementaire inhoudelijke lijn van eenvoudige beluisterde teksten zoals mededelingen, instructies, verhalen en gedichten op hun niveau volgen en beschrijvend weergeven.
  
TF 3kunnen mondeling de gevraagde informatie uit eenvoudige teksten, zoals mededelingen, instructies, verhalen en gedichten beschrijvend weergeven.

  
  
 Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtrise r les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (25).
TF 1kunnen actief en aandachtig luisteren naar inhouden op hun niveau, zoals gedichten, verhalen, mededelingen en instructies.
TF 2kunnen de elementaire inhoudelijke lijn van eenvoudige beluisterde teksten zoals mededelingen, instructies, verhalen en gedichten op hun niveau volgen en beschrijvend weergeven.
TF 3kunnen mondeling de gevraagde informatie uit eenvoudige teksten, zoals mededelingen, instructies, verhalen en gedichten beschrijvend weergeven.
Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtrise r les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (25).
  Lezen 1
  De kinderen
  4. Types de textes et caractéristiques des textes
  En ce qui concerne les types de texte et les caractéristiques de texte, les écoles Steiner utilisent leurs propres critères car les textes artistiques et littéraires tels que décrits ci-dessus jouent un rôle important dans l'enseignement des langues étrangères des écoles Steiner.
  Les écoles Steiner peuvent d'une part utiliser les descriptions suivantes pour leurs objectifs finaux :
  Ces types de texte sont décrits sur la base de ce que l'on considère comme étant la caractéristique la plus dominante du texte :
  O pour les textes informatifs, la transmission des informations;
  O pour les textes prescriptifs, la direction directe des actes du destinataire;
  O pour les textes narratifs, la restitution contée des faits et événements;
  O pour les textes argumentatifs, le développement d'un raisonnement;
  O pour les textes artistiques et littéraires, le fait que la composante esthétique soit explicitement présente".
  D'autre part, un accent propre est mis en ajoutant notamment la rubrique "expérience de la richesse langagière".
  Des choix propres sont aussi opérés pour les caractéristiques des textes. Les éléments qui s'inscrivent en dehors de l'environnement propre des élèves bénéficient d'une plus grande attention. Le principal critère pour un texte au niveau des élèves dans la pédagogie Steiner est que les élèves puissent intimement s'y associer. Ce qui amène cette liaison intrinsèque peut parfois ne pas faire partie de l'environnement des élèves au sens strict. Les écoles Steiner accordent beaucoup de valeur au développement de l'esprit des élèves en accordant de l'attention aux valeurs morales et imagées des textes.
  Pour l'école fondamentale, les écoles Steiner choisissent de ne pas scinder les caractéristiques textuelles, mais on les reprend dans les formulations des objectifs finaux.
  5. Niveaux d'assimilation
  Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente par rapport aux niveaux d'assimilation tels que décrits dans les principes des pouvoirs publics. Bien que le "copiage" soit considéré dans ces principes comme étant le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur, surtout dans l'enseignement fondamental, mais aussi dans les écoles secondaires. Copier ou imiter est plus qu'une simple reproduction. En imitant, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Ils peuvent assimiler des nuances plus fines au niveau des sentiments, se représenter des images intérieures et un enregistrement certain est assuré dans la mémoire.
  Dans les écoles Steiner, les formes de travail artistiques sont souvent considérées comme des formes d'assimilation équivalentes à un niveau descriptif. Ce que l'élève assimile intérieurement est restitué de manière descriptive. On ne peut pas restituer artistiquement ce à quoi on n'adhère pas intérieurement. Contrairement à la définition du niveau d'assimilation de la "description" dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, une forme de transformation a eu lieu.
  Les niveaux d'assimilation "structurer" et "évaluer" ne reviennent pas encore dans l'enseignement fondamental. On retrouve toutefois une certaine forme de "réflexion". La réflexion joue un rôle important dans la méthode que les écoles Steiner utilisent pour leur enseignement de la grammaire. Les éléments de la grammaire de la langue étrangère qui sont tout à fait différents de la langue maternelle sont souvent décrits et abordés à un niveau de réflexion et mis en rapport avec la grammaire de la langue maternelle.
  6. Utilisation des médias numériques
  L'utilisation des médias numériques est adaptée aux objectifs finaux interdisciplinaires propres des TIC.
  7. Le cadre de référence européen MVT
  Les écoles Steiner réalisent aussi l'association avec le Cadre de Référence européen, comme indiqué dans le tableau suivant :

  
  
TF 4kunnen een tekst op hun niveau, die door de leerkracht wordt voorgelezen, lezend volgen.
  
TF 5kunnen vooraf beluisterde en/of gelezen teksten, zoals verhalen, gedichten en dialogen luidop (na-)lezen.
  
TF 6kunnen de inhoudelijke lijn van eenvoudige gelezen teksten, zoals verhalen, gedichten en dialogen op hun niveau beschrijvend weergeven in het Nederlands.
  
TF 7kunnen op hun niveau mondeling de gevraagde informatie uit gekende teksten weergeven.

  
  
 EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
  
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
TF 4kunnen een tekst op hun niveau, die door de leerkracht wordt voorgelezen, lezend volgen.
TF 5kunnen vooraf beluisterde en/of gelezen teksten, zoals verhalen, gedichten en dialogen luidop (na-)lezen.
TF 6kunnen de inhoudelijke lijn van eenvoudige gelezen teksten, zoals verhalen, gedichten en dialogen op hun niveau beschrijvend weergeven in het Nederlands.
TF 7kunnen op hun niveau mondeling de gevraagde informatie uit gekende teksten weergeven.
EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
  Spreken 1
  De kinderen
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Aptitudes
  Ecouter 1
  Les enfants

  
  
TF 8kunnen woorden, zinnen en eenvoudige teksten, zoals beschrijvingen, gedichten, verhalen en dialogen juist nazeggen, met aandacht voor uitspraak, intonatie, klankkleur en ritme.
  
TF 9kunnen, met ondersteuning, eenvoudige teksten, zoals verhalen, gebeurtenissen of belevenissen beschrijvend navertellen, in de vorm van een eenvoudige opsomming.
  
TF 10kunnen, met ondersteuning, iets of iemand in eenvoudige bewoordingen beschrijven.

  
  
TF 1peuvent écouter activement et attentivement les contenus à leur niveau, comme les poèmes, les histoires, les communications et les instructions.
  
TF 2peuvent restituer à leur niveau et de manière descriptive la ligne élémentaire du contenu de textes simples écoutés, comme des communications, des instructions, des histoires et des poèmes.
  
TF 3peuvent restituer oralement et de manière descriptive les informations demandées de textes simples, comme des communications, des instructions, des histoires et des poèmes.
TF 8kunnen woorden, zinnen en eenvoudige teksten, zoals beschrijvingen, gedichten, verhalen en dialogen juist nazeggen, met aandacht voor uitspraak, intonatie, klankkleur en ritme.
TF 9kunnen, met ondersteuning, eenvoudige teksten, zoals verhalen, gebeurtenissen of belevenissen beschrijvend navertellen, in de vorm van een eenvoudige opsomming.
TF 10kunnen, met ondersteuning, iets of iemand in eenvoudige bewoordingen beschrijven.
TF 1peuvent écouter activement et attentivement les contenus à leur niveau, comme les poèmes, les histoires, les communications et les instructions.
TF 2peuvent restituer à leur niveau et de manière descriptive la ligne élémentaire du contenu de textes simples écoutés, comme des communications, des instructions, des histoires et des poèmes.
TF 3peuvent restituer oralement et de manière descriptive les informations demandées de textes simples, comme des communications, des instructions, des histoires et des poèmes.
  Mondelinge interactie 1
  De kinderen
  Lire 1
  Les enfants

  
  
TF 11kunnen deelnemen aan een eenvoudig gesprek door vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen en er op hun niveau gepast op te reageren.
  
TF 12kunnen zich op hun niveau bedienen van frequente woorden uit geleerde woordvelden, van vaste frasen en standaarduitdrukkingen.
  
TF 13kunnen gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.

  
  
TF 4peuvent suivre la lecture, à leur niveau, d'un texte qui est lu par le professeur.
  
TF 5peuvent (re)lire à voix haute des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires antérieurement écoutés et/ou lus;
  
TF 6peuvent restituer en néerlandais, à leur niveau et de manière descriptive la ligne du contenu de textes simples lus, comme des histoires, des poèmes et des dialogues.
  
TF 7peuvent, à leur niveau, restituer oralement les informations demandées à partir de textes connus.
TF 11kunnen deelnemen aan een eenvoudig gesprek door vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen en er op hun niveau gepast op te reageren.
TF 12kunnen zich op hun niveau bedienen van frequente woorden uit geleerde woordvelden, van vaste frasen en standaarduitdrukkingen.
TF 13kunnen gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
TF 4peuvent suivre la lecture, à leur niveau, d'un texte qui est lu par le professeur.
TF 5peuvent (re)lire à voix haute des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires antérieurement écoutés et/ou lus;
TF 6peuvent restituer en néerlandais, à leur niveau et de manière descriptive la ligne du contenu de textes simples lus, comme des histoires, des poèmes et des dialogues.
TF 7peuvent, à leur niveau, restituer oralement les informations demandées à partir de textes connus.
  Schrijven 1
  De kinderen
  Parler 1
  Les enfants

  
  
TF 14kunnen een tekst foutloos overschrijven en zorg dragen voor handschrift en vormgeving.
  
TF 15 kunnen op basis van aangereikte bouwstenen eenvoudige zinnen functioneel samenstellen.

  
  
TF 8peuvent répéter des mots, des phrases et des textes simples, comme des descriptions, des poèmes, des histoires et des dialogues, en accordant de l'attention à l'élocution, l'intonation, le timbre et le rythme.
  
TF 9peuvent répéter, de manière descriptive et appuyée d'une manière ou d'une autre, des textes simples, comme des histoires, un événement, une histoire sous forme d'une énumération simple.
  
TF 10ils peuvent, appuyés d'une manière ou d'une autre, décrire quelque chose ou quelqu'un avec des mots simples.
TF 14kunnen een tekst foutloos overschrijven en zorg dragen voor handschrift en vormgeving.
TF 15 kunnen op basis van aangereikte bouwstenen eenvoudige zinnen functioneel samenstellen.
TF 8peuvent répéter des mots, des phrases et des textes simples, comme des descriptions, des poèmes, des histoires et des dialogues, en accordant de l'attention à l'élocution, l'intonation, le timbre et le rythme.
TF 9peuvent répéter, de manière descriptive et appuyée d'une manière ou d'une autre, des textes simples, comme des histoires, un événement, une histoire sous forme d'une énumération simple.
TF 10ils peuvent, appuyés d'une manière ou d'une autre, décrire quelque chose ou quelqu'un avec des mots simples.
  1. Volgende tabel bevat de tekstkenmerken voor de verschillende vaardigheden :
  Interaction orale 1
  Les enfants
TekstkenmerkenVaardigheden
  
 LuisterenLezenSprekenMondelinge interactieSchrijven
Onderwerp
  
o concreetXXXXX
  
o eigen belevingswereld en dagelijks levenXXXXX
  
Taalgebruiksituatie    
  
o concrete en voor de leerlingen vertrouwde en relevante taalgebruiksituatiesXXXXX
  
o zonder storende achtergrondgeluidenX----
  
o meestal met visuele ondersteuningX----
  
o met of zonder visuele ondersteuning-XXX-
  
o tot hen of tot hun leeftijdsgroep gerichtXX---
  
Structuur/samenhang/lengte    
  
o korte enkelvoudige zinnen----X
  
o korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente voegwoordenX XXX-
  
o elementaire tekststructuurXXXXX
  
o zeer korte tekstenX X-XX
  
o met expliciete informatieX-X--
  
o ook met overbodige informatieXX---
  
Uitspraak, articulatie, intonatie    
  
o heldere uitspraakX----
  
o met een aanzet tot heldere uitspraak--XX-
  
o zorgvuldige articulatieX----
  
o met een aanzet tot zorgvuldige articulatie--XX-
  
o duidelijke, natuurlijke intonatieX----
  
o met een aanzet tot natuurlijke intonatie--XX-
  
o standaardtaalX-XX-
  
Tempo en vlotheid    
  
o met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen--XX-
  
o langzaam tempo--XX-
  
o langzaam tempo met pauzes waar nodigX----
  
Woordenschat en variëteit    
  
o zeer frequente woordenXX---
  
o zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen--XXX
  
o eenduidig in de contextXX---
  
o standaardtaalXXXXX
  
o informeel en formeelXXXXX
TekstkenmerkenVaardigheden
LuisterenLezenSprekenMondelinge interactieSchrijven Onderwerp
o concreetXXXXX
o eigen belevingswereld en dagelijks levenXXXXX
Taalgebruiksituatie
o concrete en voor de leerlingen vertrouwde en relevante taalgebruiksituatiesXXXXX
o zonder storende achtergrondgeluidenX

Modifications

o meestal met visuele ondersteuningX----
o met of zonder visuele ondersteuning-XXX-
o tot hen of tot hun leeftijdsgroep gerichtXX---
Structuur/samenhang/lengte
o korte enkelvoudige zinnen----X
o korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente voegwoordenX XXX-
o elementaire tekststructuurXXXXX
o zeer korte tekstenX X-XX
o met expliciete informatieX-X--
o ook met overbodige informatieXX---
Uitspraak, articulatie, intonatie
o heldere uitspraakX----
o met een aanzet tot heldere uitspraak--XX-
o zorgvuldige articulatieX----
o met een aanzet tot zorgvuldige articulatie--XX-
o duidelijke, natuurlijke intonatieX----
o met een aanzet tot natuurlijke intonatie--XX-
o standaardtaalX-XX-
Tempo en vlotheid
o met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen--XX-
o langzaam tempo--XX-
o langzaam tempo met pauzes waar nodigX----
Woordenschat en variëteit
o zeer frequente woordenXX---
o zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen--XXX
o eenduidig in de contextXX---
o standaardtaalXXXXX
o informeel en formeelXXXXX

  
  
TF 11peuvent participer à un entretien simple en comprenant des questions, des réponses et des énoncés et en réagissant de manière adaptée à leur niveau.
  
TF 12ils peuvent, à leur niveau, se servir de mots fréquents des champs sémantiques appris, emprunter des expressions standard et des phrases toutes faites.
  
TF 13respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.
  Kennis en attitudes
  Overkoepelende attitudes
  De kinderen
TF 11peuvent participer à un entretien simple en comprenant des questions, des réponses et des énoncés et en réagissant de manière adaptée à leur niveau.
TF 12ils peuvent, à leur niveau, se servir de mots fréquents des champs sémantiques appris, emprunter des expressions standard et des phrases toutes faites.
TF 13respecter les règles de courtoisie et les conventions de politesse élémentaires.

  
  
TF 16*tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school.
  
TF 17* tonen respect en belangstelling voor de anderstalige medemens en diens socio-culturele eigenheden.
  
TF 18* tonen geduld en respect voor de oefenweg van anderen.
  
TF 19* tonen bereidheid, interesse en durf om op hun niveau te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans.
  
TF 20*zijn bereid om kennis en vaardigheden toe te passen in communicatieve context en bij taaltaken in het Frans.
  
TF 21* zijn bereid om hun taalgebruik in het Frans te verzorgen.
  
TF 22* zijn bereid om te reflecteren op de resultaten van taaltaken en deze indien nodig aan te passen.
  Ecrire 1
  Les enfants
TF 16*tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school.
TF 17* tonen respect en belangstelling voor de anderstalige medemens en diens socio-culturele eigenheden.
TF 18* tonen geduld en respect voor de oefenweg van anderen.
TF 19* tonen bereidheid, interesse en durf om op hun niveau te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans.
TF 20*zijn bereid om kennis en vaardigheden toe te passen in communicatieve context en bij taaltaken in het Frans.
TF 21* zijn bereid om hun taalgebruik in het Frans te verzorgen.
TF 22* zijn bereid om te reflecteren op de resultaten van taaltaken en deze indien nodig aan te passen.

  
  
TF 14peuvent recopier un texte sans faute et veiller à leur écriture et à la forme.
  
TF 15ils peuvent, sur la base des fondements posés, composer fonctionnellement des phrases simples.
  Beleving van taalrijkdom
  De kinderen
TF 14peuvent recopier un texte sans faute et veiller à leur écriture et à la forme.
TF 15ils peuvent, sur la base des fondements posés, composer fonctionnellement des phrases simples.

  
  
TF 23*beleven plezier aan de klankrijkdom, specifieke intonatie en uitdrukkingen van het Frans en aan de omgang met eenvoudige literaire teksten.
  
TF 24*beleven aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse taal haar kenmerken en hoe deze zich onderscheiden van het Nederlands.
  
TF 25*beleven aan de inhoud van typisch Franse teksten, zoals gedichten, spelletjes en liedjes, de socio-culturele karakteristieken van de Franse taal en cultuur.
  
TF 26*beleven hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot een taalgemeenschap.
  1 Les tableaux suivants comprennent les caractéristiques des textes pour les différentes compétences :
TF 23*beleven plezier aan de klankrijkdom, specifieke intonatie en uitdrukkingen van het Frans en aan de omgang met eenvoudige literaire teksten.
TF 24*beleven aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse taal haar kenmerken en hoe deze zich onderscheiden van het Nederlands.
TF 25*beleven aan de inhoud van typisch Franse teksten, zoals gedichten, spelletjes en liedjes, de socio-culturele karakteristieken van de Franse taal en cultuur.
TF 26*beleven hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot een taalgemeenschap.
Caractéristiques des textesAptitudes
  
 EcouterLireParlerInteraction oraleEcrire
  
Objet    
  
OconcretXXXXX
  
Opropre environnement de vie et vie quotidienneXXXXX
  
Situation langagière    
  
Osituations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèvesXXXXX
  
Osans bruits de fond incommodantsX----
  
Ole plus souvent avec un support visuelX----
  
Oavec ou sans support visuel-XXX-
  
Oadressée à eux ou à leur groupe d'âgeXX---
  
Structure/cohésion/longueur    
  
Ocourtes phrases simples----X
  
Ocourtes phrases simples et simples phrases composées avec les mots connecteurs les plus fréquentsX XXX-
  
Ostructure textuelle élémentaireXXXXX
  
Otextes très courtsX X-XX
  
Ocomportant des informations explicitesX-X--
  
Oégalement pourvus d'informations redondantesXX---
  
Prononciation, articulation, intonation    
  
Oprononciation claireX----
  
Ochercher à s'exprimer avec une prononciation claire--XX-
  
Oarticulation soignéeX----
  
Ochercher à s'exprimer avec une articulation soignée--XX-
  
Ointonation claire, naturelleX----
  
Ochercher à s'exprimer avec une intonation naturelle--XX-
  
Olangue standardX-XX-
  
Rythme et aisance    
  
Oavec des répétitions éventuelles et des interruptions plus longues--XX-
  
Orythme lent--XX-
  
Orythme lent avec des pauses au besoinX----
  
Vocabulaire et variété langagière    
  
Omots très fréquentsXX---
  
Omots très fréquents de champs lexicaux, phrases toutes faites et expressions idiomatiques--XXX
  
Ounivoque dans le contexteXX---
  
Olangue standardXXXXX
  
Oinformel et formelXXXXX
Caractéristiques des textesAptitudes
EcouterLireParlerInteraction oraleEcrire
Objet
OconcretXXXXX
Opropre environnement de vie et vie quotidienneXXXXX
Situation langagière
Osituations langagières concrètes et pertinentes et familières pour les élèvesXXXXX
Osans bruits de fond incommodantsX

Modifications

Ole plus souvent avec un support visuelX----
Oavec ou sans support visuel-XXX-
Oadressée à eux ou à leur groupe d'âgeXX---
Structure/cohésion/longueur
Ocourtes phrases simples----X
Ocourtes phrases simples et simples phrases composées avec les mots connecteurs les plus fréquentsX XXX-
Ostructure textuelle élémentaireXXXXX
Otextes très courtsX X-XX
Ocomportant des informations explicitesX-X--
Oégalement pourvus d'informations redondantesXX---
Prononciation, articulation, intonation
Oprononciation claireX----
Ochercher à s'exprimer avec une prononciation claire--XX-
Oarticulation soignéeX----
Ochercher à s'exprimer avec une articulation soignée--XX-
Ointonation claire, naturelleX----
Ochercher à s'exprimer avec une intonation naturelle--XX-
Olangue standardX-XX-
Rythme et aisance
Oavec des répétitions éventuelles et des interruptions plus longues--XX-
Orythme lent--XX-
Orythme lent avec des pauses au besoinX----
Vocabulaire et variété langagière
Omots très fréquentsXX---
Omots très fréquents de champs lexicaux, phrases toutes faites et expressions idiomatiques--XXX
Ounivoque dans le contexteXX---
Olangue standardXXXXX
Oinformel et formelXXXXX
  Kennis en taalbeschouwing
  De kinderen
  Connaissances et attitudes
  Attitudes principales
  Les enfants

  
  
TF 27kunnen bij taaltaken en taalgebruiksituaties op hun niveau volgende lexicale elementen functioneel inzetten :

  
  
TF 16*montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école.
  
TF 17* font preuve de respect et d'intérêt pour les personnes parlant d'autres langues et provenant d'autres contextes socioculturels.
  
TF 18* font preuve de patience et de respect par rapport aux efforts d'autrui.
  
TF 19* montrent la volonté et le courage d'écouter, de lire, de parler, de mener des discussions et d'écrire en français;
  
TF 20*sont prêt à appliquer leurs compétences et connaissances dans un contexte communicatif et dans les tâches langagières en français.
  
TF 21* sont prêts à soigner leur usage de la langue en français.
  
TF 22* sont prêts à réfléchir sur les résultats des tâches langagières et à les adapter si nécessaire.
TF 27kunnen bij taaltaken en taalgebruiksituaties op hun niveau volgende lexicale elementen functioneel inzetten :
TF 16*montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école.
TF 17* font preuve de respect et d'intérêt pour les personnes parlant d'autres langues et provenant d'autres contextes socioculturels.
TF 18* font preuve de patience et de respect par rapport aux efforts d'autrui.
TF 19* montrent la volonté et le courage d'écouter, de lire, de parler, de mener des discussions et d'écrire en français;
TF 20*sont prêt à appliquer leurs compétences et connaissances dans un contexte communicatif et dans les tâches langagières en français.
TF 21* sont prêts à soigner leur usage de la langue en français.
TF 22* sont prêts à réfléchir sur les résultats des tâches langagières et à les adapter si nécessaire.
  O persoonlijke gegevens (zoals naam, leeftijd, adres, telefoon, dichte familie, kleding, lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren)
  O dagelijks leven (zoals huis, school, klas, schoolmateriaal, kleuren)
  O relatie tot anderen (zoals zich voorstellen, iemand voorstellen, begroeten, danken, telefoneren, beleefdheidsrituelen bij ontmoetingen, maaltijden, boodschappen doen)
  O tijd, ruimte, natuur (zoals jaar, seizoenen, maanden, dagen, uuraanduidingen, tijdsmarkeerders, feesten, dieren, het weer)
  O hoeveelheidaanduidingen : hoofdtelwoorden, frequente rangtelwoorden
  Perception de la richesse langagière
  Les enfants

  
  
TF 28kunnen bij taaltaken en taalgebruiksituaties op hun niveau volgende grammaticale elementen functioneel inzetten :

  
  
TF 23*perçoivent avec plaisir la richesse langagière, l'intonation spécifique et les expressions du français ainsi que la manipulation de textes littéraires simples.
  
TF 24*perçoivent la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme de la langue française, ses caractéristiques et comment elle se distingue du néerlandais.
  
TF 25*perçoivent le contenu de textes français typiques, comme les poèmes, les jeux de mots, les chansons, les caractéristiques socioculturelles de la culture et de la langue françaises.
  
TF 26*perçoivent comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à une communauté linguistique.
TF 28kunnen bij taaltaken en taalgebruiksituaties op hun niveau volgende grammaticale elementen functioneel inzetten :
TF 23*perçoivent avec plaisir la richesse langagière, l'intonation spécifique et les expressions du français ainsi que la manipulation de textes littéraires simples.
TF 24*perçoivent la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme de la langue française, ses caractéristiques et comment elle se distingue du néerlandais.
TF 25*perçoivent le contenu de textes français typiques, comme les poèmes, les jeux de mots, les chansons, les caractéristiques socioculturelles de la culture et de la langue françaises.
TF 26*perçoivent comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à une communauté linguistique.
  op morfologisch domein :
  o zelfstandige naamwoorden : genus, getal, overeenkomst
  o lidwoorden
  o bijvoeglijk gebruikte woordsoorten
  o bijvoeglijke naamwoorden
  o bezittelijke voornaamwoorden
  o aanwijzende voornaamwoorden
  o infinitieven
  o werkwoordsvormen en de tijdsmarkeerders in functie van communicatie in de tegenwoordige tijd en de 'futur proche'
  o zeer frequente vormen van de 'passé composé'
  o voorzetsels
  op syntactisch domein
  o eenvoudige bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  o persoonlijk voornaamwoord als onderwerp
  Strategieën
  De kinderen
  Connaissances et réflexions sur le langage
  Les enfants

  
  
TF 29passen bij taaltaken, indien nodig, volgende strategieën toe :
  
 Algemeen

  
  
TF 27ils peuvent utiliser de manière fonctionnelle, à leur niveau, dans des tâches langagières et des situations d'usage de la langue, les éléments lexicaux suivants :
TF 29passen bij taaltaken, indien nodig, volgende strategieën toe :
Algemeen
TF 27ils peuvent utiliser de manière fonctionnelle, à leur niveau, dans des tâches langagières et des situations d'usage de la langue, les éléments lexicaux suivants :
  O gericht blijven op het doel van de taaltaak, ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
  O een woordenlijst of woordenboek raadplegen;
  O op een aangepaste manier te kennen geven dat zij iets niet begrijpen;
  Luisteren-Lezen
  O hypotheses vormen over de inhoud van de tekst op basis van de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afgeleid uit de context en op basis van transparante woorden;
  O herlezen of laten herhalen wat onduidelijk is;
  Spreken, mondelinge interactie en schrijven
  O gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal, visuele verwijzingen of visueel materiaal;
  O vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen of om iets te verduidelijken;
  O op de eigen geproduceerde tekst (mondeling of schriftelijk) reflecteren en hem, waar nodig, verbeteren.
  O données personnelles telles que le nom, l'âge, l'adresse, le téléphone, la famille proche, l'habillement, la santé, les vêtements, les parties du corps, les caractéristiques extérieures, les animaux)
  O la vie quotidienne (comme la maison, l'école, la classe, le matériel scolaire, les couleurs)
  O relation avec les autres (comme se présenter, présenter quelqu'un, saluer, remercier, téléphoner, féliciter, rituels de politesse, repas, faire des messages)
  O le temps, l'espace, la nature (l'année, les saisons, mois, jours, indications de l'heure, marqueurs de temps, fêtes, animaux, le temps)
  O Indications de la quantité : nombres cardinaux et nombres ordinaux
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN

  
  
TF 28ils peuvent utiliser de manière fonctionnelle, à leur niveau, dans des tâches langagières et des situations d'usage de la langue, les éléments grammaticaux suivants :
-
TF 28ils peuvent utiliser de manière fonctionnelle, à leur niveau, dans des tâches langagières et des situations d'usage de la langue, les éléments grammaticaux suivants :
-
  O domaine morphologique
  o substantifs : genre, nombre, accord
  o articles
  o catégories grammaticales utilisées comme adjectif
  o adjectifs
  o pronoms possessifs
  o pronoms démonstratifs
  o infinitifs
  o formes du verbe et marqueurs du temps en fonction de la communication au présent et au "futur proche"
  o formes très fréquentes du "passé composé"
  o prépositions
  O domaine syntactique
  o simples phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  o pronoms personnels comme sujet
  Stratégies
  Les enfants
-

  
  
TF 29Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
-
TF 29Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
-
  Généralités
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout ou ne peuvent pas tout exprimer;
  o consulter un glossaire ou un dictionnaire;
  o manifester de manière adaptée qu'ils n'ont pas compris quelque chose;
  Ecouter - lire
  o formuler des hypothèses sur le contenu du texte sur la base de la signification présumée de mots inconnus tirés du contexte et sur la base de mots transparents;
  o relire ce qui n'est pas clair;
  Parler interaction orale et écrire
  o utiliser des supports visuels;
  o demander de parler plus lentement, de répéter quelque chose, d'indiquer quelque chose;
  o réfléchir sur un texte produit soi-même (oralement ou par écrit) et l'améliorer si nécessaire.
-
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet, le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N10. Bijlage 10. - Eindtermen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor het aanvragen van vervangende eindtermen ligt in het gegeven dat de steinerscholen uitgaan van een specifieke visie op de mens en de wereld, zoals reeds beschreven in de algemene motivering. Wat de vervangende eindtermen voor wereldoriëntatie natuur betreft, komen de fenomenologische benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak als grootste eigenheden naar voren.
  De steinerscholen kiezen voor een open benadering van de werkelijkheid waarbij wordt getracht een reductionistische beschouwingswijze te voorkomen. Zie meer details ook in onze " Algemene motivering ". Dit reductionisme heeft een inhoudelijk en een methodologisch aspect.
  Het inhoudelijke aspect bestaat uit de neiging de werkelijkheid te benaderen vanuit de a priori opvatting - voorafgaand aan waarneming en proefondervindelijkheid - dat de hele werkelijkheid, met daarin de niet-levende, levende, bewuste en zelfbewuste natuur, principieel verklaarbaar is vanuit de materiële samenhangen en wetmatigheden.
  Het methodologisch aspect ontstaat door die onderzoeksmethode, die erg succesvol is bij onderzoek van de niet-levende natuur, als blauwdruk te nemen voor alle onderzoek en derhalve ook voor de andere dimensies van de werkelijkheid.
  In de door de Vlaamse Regering gekozen " Uitgangspunten " (met de vier kernbegrippen materie, energie, interacties en systemen vanaf de eerste graad A-stroom) en de daaruit afgeleide eindtermen, is onze zorg voor een open wetenschapsbenadering onvoldoende geëxpliciteerd. Voor de steinerscholen is dit echter essentieel.
  In de " Uitgangspunten " wordt de definitie van natuurwetenschappelijke competentie weergegeven uit de " Aanbeveling inzake kerncompetenties voor levenslang leren " van het Europees Parlement. Het is duidelijk dat het realiseren van deze competentie zich op het niveau van de volwassene situeert.
  Gelet op wat hiervoor en in onze " Algemene motivering " gezegd is over de veranderende verhouding van het kind tot de werkelijkheid doorheen zijn ontwikkeling, kunnen de steinerscholen zich niet vinden in de gradueel opgebouwde aanpak. Het is volgens onze visie niet dienstig deze natuurwetenschappelijke competentie na te streven door een rechte lijn uit te tekenen van de kleutertijd tot de volwassenheid. Jonge kinderen vragen een andere benadering van de werkelijkheid, die in de eerste plaats aansluit bij de manier waarop zij de wereld willen begrijpen. Zie hiervoor ook " Algemene motivering, hoofdstuk 1 : Een ontwikkelingsgerichte pedagogie ".
  Om deze twee fundamentele redenen opteren de steinerscholen voor een andere aanpak bij het opbouwen van een natuurwetenschappelijke competentie en als gevolg daarvan voor andere ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het kleuter- en lager onderwijs.
  TOELICHTING
  Bij deze aanvraag voegen we een paar nieuwe vervangende eindtermen wereldoriëntatie natuur toe aan ons oorspronkelijke pakket eigen eindtermen voor het deelgebied wereldoriëntatie.
  De ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie natuur, bepaald bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, verschillen in hoofdzaak wat hun ordening betreft, van de oorspronkelijke ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie natuur. De beschreven inhouden voor de kleuters zijn in grote lijnen identiek gebleven. Aan de inhoud van de eindtermen wereldoriëntatie natuur zijn een beperkt aantal zaken gewijzigd die vervat werden in vier 'nieuwe' eindtermen.
  De wijzigingen aangebracht bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 aan de ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie natuur zijn, naar onze inschatting, van die aard dat de gelijkwaardigheid verleend bij besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 hierdoor niet in het gedrang hoeft te komen.
  De betrokkenheid op de natuur in zijn vele aspecten, is een essentieel onderdeel van de pedagogie. De pedagogische aanpak vertrekt vanuit een verbondenheid van het jonge kind met de wereld en met de natuur. De basishouding van aandacht, respect en begrip wordt gestimuleerd en legt een basis voor betrokkenheid. Een experimenterende, explorerende, onderzoekende aanpak wordt pas in een latere fase nagestreefd. Dat was ook op deze wijze verwoord in de gelijkwaardig verklaarde ontwikkelingsdoelen en eindtermen van december 1997.
  Voor de lagere school kiezen we er voor om het zorgzaam omgaan met aspecten en elementen uit de natuur, in aparte eindtermen te verwoorden. We menen dat dit een dimensie kan toevoegen aan de bestaande eigen eindtermen. Door op een expliciete wijze aandacht te vragen voor het ontwikkelen van de zorgkwaliteit van kinderen, gaan we een stap verder. Het respect wordt op deze manier minder vrijblijvend, maar integendeel geëngageerd tegenover het andere of de andere of het grote geheel. Deze eindtermen bouwen voort op de praktijk in de scholen die de zorg voor planten, dieren en milieu in het algemeen probeert te koesteren. En ze sluiten naadloos aan bij het belang dat steinerscholen in het opvoedingsproces hechten aan het opdoen van kwaliteitsvolle praktische ervaringen.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Mens
  De kinderen
Art. N10. Annexe 10. - Objectifs finaux ouverture sur le monde - Nature enseignement fondamental
  MOTIVATION
  La base de la demande d'objectifs finaux de remplacement se situe dans le fait que les écoles Steiner partent d'une vision spécifique sur l'homme et le monde, comme décrit dans la motivation générale. En ce qui concerne les objectifs finaux de remplacement pour l'ouverture sur le monde - nature, l'approche phénoménologique et l'approche axée sur l'âge sont les principales caractéristiques avancées.
  Les écoles Steiner optent pour une approche ouverte de la réalité ou l'on essaye de prévenir une considération réductionniste. Plus de détails dans notre "Motivation générale". Ce dossier d'action comprend un volet sur le contenu et un volet financier.
  L'aspect portant sur le contenu comprend la tendance à aborder la réalité depuis la conception qu'a priori - préalablement à l'observation et à l'expérimentation - toute la réalité comprenant la nature non vivante, vivante, consciente, peut en principe être expliquée à partir des récursivités et des associations matérielles.
  L'aspect méthodologique est créé en prenant cette méthode de recherche, qui est très fructueuse pour la recherche de la nature non vivante, en tant que projet pour toute la recherche et pour les autres dimensions de la réalité.
  Dans les "Principes" choisis par le Gouvernement flamand (avec les quatre notions clés que sont la matière, l'énergie, les interactions et les systèmes à partir du premier degré filière A) et les objectifs finaux qui en découlent, notre souci d'une approche scientifique ouverte n'est pas assez explicité Dans les écoles Steiner, ce point est cependant essentiel.
  Dans les "Principes", la définition de la compétence scientifique est tirée à partir de la "Recommandation en matière des compétences clés pour l'apprentissage tout au long de la vie" du Parlement européen. Il est clair que la réalisation de cette compétence se situe au niveau de l'adulte.
  Etant donné ce qui est dit par rapport à ce point et dans notre "Motivation générale" à propos du comportement changeant de l'enfant par rapport la réalité au cours de son développement, les écoles Steiner ne peuvent pas se retrouver dans l'approche développée graduellement. D'après notre vision, il n'est pas utile de viser cette compétence scientifique en traçant une ligne droite de la petite enfance à l'âge adulte. Les jeunes enfants demandent une autre approche de la réalité qui adhère tout d'abord à la manière dont ils veulent comprendre le monde. Cf. pour cela "Motivation générale, chapitre 1 : Une pédagogie axée sur le développement".
  C'est pour ces deux raisons fondamentales que les écoles Steiner optent pour une autre approche lors du développement de la compétence scientifique et par conséquent, pour d'autres objectifs de développement et objectifs finaux pour l'enseignement maternel et primaire.
  COMMENTAIRE
  Nous ajoutons à cette demande quelques nouveaux objectifs finaux de remplacement pour l'ouverture sur le monde - nature à notre ensemble original d'objectifs finaux propres pour le domaine de l'orientation sur le monde.
  Les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'ouverture sur le monde - nature, définis par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009, diffèrent principalement en ce qui concerne leur classement des objectifs finaux et des objectifs de développement originaux pour l'ouverture sur le monde - nature. Les contenus décrits pour les jeunes enfants sont restés identiques dans les grandes lignes. Par rapport au contenu des objectifs finaux pour l'ouverture sur le monde - nature, il n'y a eu de modification que d'un nombre limité d'éléments repris dans quatre "nouveaux" objectifs finaux.
  D'après nous, les modifications apportées par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009 aux objectifs de développement et aux objectives finales ouvertures sur le monde - nature, sont de nature telle que l'équivalence accordée par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1997 ne doit pas être menacée.
  L'implication sur la nature dans ses nombreux aspects est une partie essentielle de la pédagogie. L'approche pédagogique part d'une association du jeune enfant avec le monde et la nature. Le comportement de base pour l'attention, le respect et la compréhension est stimulé et jette les bases de l'implication. Une approche d'expérimentation, d'exploration et de recherche n'est visée que dans une phase ultérieure. Ce point était aussi exprimé de cette manière dans les objectifs de développement et les objectifs finaux déclarés équivalents de décembre 1997.
  Pour l'école primaire, nous choisissons de traiter avec prudence les aspects et les éléments de la nature, et de les exprimer dans des objectifs finaux séparés. Nous voulons que cela puisse ajouter une dimension aux objectifs finaux propres existants. En demandant de l'attention de manière explicite pour le développement de la qualité des soins des enfants, nous allons un pas plus loin. Le respect devient ainsi moins facultatif, mais il est par contre engagé vis-à-vis de l'autre ou des autres ou d'un ensemble plus grand. Ces objectifs finaux se développent sur la pratique dans les écoles, qui essayent d'entretenir le souci des plantes, des animaux et de l'environnement en général. Ils adhèrent à l'intérêt qu'accordent les écoles Steiner dans le processus éducatif à l'acquisition d'expériences pratiques de qualité.
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Homme
  Les enfants

  
  
WO 1.1kunnen de gestalte van de mens beschrijven.
  
WO 1.2kunnen de functie beschrijven
  
 - van het hoofd m.b.t. het zenuw-zintuigsysteem, in het bijzonder de functie van de zintuigen;
  
 - van de romp m.b.t. het ritmische systeem en de stofwisseling, waaronder bloedsomloop en ademhaling.
  
 - van de ledematen m.b.t. het bewegingssysteem.

  
  
OM 1.1peuvent décrire le corps de l'homme.
  
OM 1.2peuvent décrier la fonction
  
 - de la tête en ce qui concerne le système nerveux et les sens, en particulier la fonction des sens;
  
 - du tronc en ce concerne le système rythmique et le metabolisme, dont la respiration et la circulation sanguine.
  
 - des membres en ce qui concerne le système locomoteur.
WO 1.1kunnen de gestalte van de mens beschrijven.
WO 1.2kunnen de functie beschrijven
- van het hoofd m.b.t. het zenuw-zintuigsysteem, in het bijzonder de functie van de zintuigen;
- van de romp m.b.t. het ritmische systeem en de stofwisseling, waaronder bloedsomloop en ademhaling.
- van de ledematen m.b.t. het bewegingssysteem.
OM 1.1peuvent décrire le corps de l'homme.
OM 1.2peuvent décrier la fonction
- de la tête en ce qui concerne le système nerveux et les sens, en particulier la fonction des sens;
- du tronc en ce concerne le système rythmique et le metabolisme, dont la respiration et la circulation sanguine.
- des membres en ce qui concerne le système locomoteur.
  Dier
  De kinderen
  Animaux
  Les enfants :

  
  
WO 1.3kunnen van een aantal dieren uiterlijk, gedrag, leefwijze beschrijven.
  
WO 1.4kunnen eenvoudige verzorgende handelingen met betrekking tot dieren uit hun omgeving uitvoeren.
  
WO 1.5kunnen een beperkt aantal dieren in hun leefmilieu (land, water, lucht) situeren.
  
WO 1.6*beseffen dat er een verband bestaat tussen het uiterlijke van een dier en zijn levenswijze en omgeving.
  
WO 1.7*beseffen dat het dier afhankelijk is van zijn omgeving.

  
  
OM 1.3peuvent décrire le mode de vie, le comportement et l'aspect de certains animaux.
  
OM 1.4peuvent exécuter des traitements de soin simples relatifs aux animaux de leur environnement.
  
OM 1.5peuvent situer un nombre limité d'animaux dans leur environnement (terre, eau, air).
  
OM 1.6*réalisent qu'il existe un lien entre l'aspect d'un animal et son mode de vie ainsi que son environnement.
  
OM 1.7*réalisent que l'animal dépend de son environnement.
WO 1.3kunnen van een aantal dieren uiterlijk, gedrag, leefwijze beschrijven.
WO 1.4kunnen eenvoudige verzorgende handelingen met betrekking tot dieren uit hun omgeving uitvoeren.
WO 1.5kunnen een beperkt aantal dieren in hun leefmilieu (land, water, lucht) situeren.
WO 1.6*beseffen dat er een verband bestaat tussen het uiterlijke van een dier en zijn levenswijze en omgeving.
WO 1.7*beseffen dat het dier afhankelijk is van zijn omgeving.
OM 1.3peuvent décrire le mode de vie, le comportement et l'aspect de certains animaux.
OM 1.4peuvent exécuter des traitements de soin simples relatifs aux animaux de leur environnement.
OM 1.5peuvent situer un nombre limité d'animaux dans leur environnement (terre, eau, air).
OM 1.6*réalisent qu'il existe un lien entre l'aspect d'un animal et son mode de vie ainsi que son environnement.
OM 1.7*réalisent que l'animal dépend de son environnement.
  Plant
  De kinderen
  Plantes
  Les enfants :

  
  
WO 1.8kunnen van een beperkt aantal planten het uiterlijk beschrijven : zij kunnen wortel, stengel, blad, bloem, vrucht lokaliseren en benoemen.
  
WO 1.9kunnen eenvoudige verzorgende handelingen uitvoeren met betrekking tot de planten uit hun omgeving.
  
WO 1.10kunnen de functie beschrijven van wortel, stengel, blad, bloem, vrucht.
  
WO 1.11kunnen een beperkt aantal 'planten' benoemen volgens de ontwikkelingsgraad : wieren, paddenstoelen, mossen, varens; de hogere planten exemplarisch (bijv. naaldbomen - loofbomen, bijv. lelieachtigen - roosachtigen).
  
WO 1.12*beseffen dat de plant afhankelijk is van bodem, lucht, licht, warmte, water en klimaat.
  
WO 1.13*tonen respect en zorg voor mensen, dieren, planten en gesteenten vanuit het besef dat deze natuurrijken elkaar voor hun voortbestaan nodig hebben.

  
  
OM 1.8peuvent décrire l'aspect d'un nombre limité de plantes : ils peuvent nommer et localiser la racine, la tige, des feuilles, la fleur et le fruit.
  
OM 1.9peuvent exécuter des traitements de soin simples relatifs aux plantes de leur environnement.
  
OM 1.10ils peuvent décrire la fonction de la racine, la tige, les feuilles, la fleur et le fruit.
  
OM 1.11ils peuvent nommer un nombre limité de "plantes" selon le niveau de développement : algues, champignons, mousses, fougères; les plantes plus hautes de manière exemplaire (par exemple les conifères - les feuillus, les liliacées - les rosacés).
  
OM 1.12* ils comprennent que la plante dépend du sol, de l'air, de la lumière, de la chaleur, de l'eau et du climat.
  
OM 1.13* ils font preuve de respect et de soin vis-à-vis des hommes, des animaux, de la roche et des plantes car ils comprennent que ces richesses naturelles ont besoin les unes des autres pour survivre.
WO 1.8kunnen van een beperkt aantal planten het uiterlijk beschrijven : zij kunnen wortel, stengel, blad, bloem, vrucht lokaliseren en benoemen.
WO 1.9kunnen eenvoudige verzorgende handelingen uitvoeren met betrekking tot de planten uit hun omgeving.
WO 1.10kunnen de functie beschrijven van wortel, stengel, blad, bloem, vrucht.
WO 1.11kunnen een beperkt aantal 'planten' benoemen volgens de ontwikkelingsgraad : wieren, paddenstoelen, mossen, varens; de hogere planten exemplarisch (bijv. naaldbomen - loofbomen, bijv. lelieachtigen - roosachtigen).
WO 1.12*beseffen dat de plant afhankelijk is van bodem, lucht, licht, warmte, water en klimaat.
WO 1.13*tonen respect en zorg voor mensen, dieren, planten en gesteenten vanuit het besef dat deze natuurrijken elkaar voor hun voortbestaan nodig hebben.
OM 1.8peuvent décrire l'aspect d'un nombre limité de plantes : ils peuvent nommer et localiser la racine, la tige, des feuilles, la fleur et le fruit.
OM 1.9peuvent exécuter des traitements de soin simples relatifs aux plantes de leur environnement.
OM 1.10ils peuvent décrire la fonction de la racine, la tige, les feuilles, la fleur et le fruit.
OM 1.11ils peuvent nommer un nombre limité de "plantes" selon le niveau de développement : algues, champignons, mousses, fougères; les plantes plus hautes de manière exemplaire (par exemple les conifères - les feuillus, les liliacées - les rosacés).
OM 1.12* ils comprennent que la plante dépend du sol, de l'air, de la lumière, de la chaleur, de l'eau et du climat.
OM 1.13* ils font preuve de respect et de soin vis-à-vis des hommes, des animaux, de la roche et des plantes car ils comprennent que ces richesses naturelles ont besoin les unes des autres pour survivre.
  Gesteenten en landschappen
  De kinderen
  Monuments et Sites
  Les enfants :

  
  
WO 1.14kunnen uitgaande van het landschap de vorm van een granietgebergte, een kalkgebergte en de kenmerken die wijzen op een vulkanische oorsprong, beschrijven en herkennen.
  
WO 1.15kennen het onderscheid tussen graniet en kalk en vulkanisch gesteente.
  
WO 1.16kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van een landschap beïnvloed wordt door het aanwezige gesteente en de inwerking van water, wind, warmte en van de mens.
  
WO 1.17kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van landschap en de kwaliteit van het gesteente de levenswijze van de mens beïnvloedt.
  
WO 1.18kunnen een beperkt aantal fenomenen in verband met het landschap met al hun zintuigen gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen op systematische wijze weergeven.
  
WO 1.19* tonen belangstelling voor de verscheidenheid in landschappen die op aarde voorkomen en kunnen deze waarderen in hun specifieke schoonheid.

  
  
OM 1.14peuvent décrire et reconnaître, à partir du paysage, la forme d'une montagne de granit, d'un massif calcaire et les caractéristiques qui indiquent une origine volcanique.
  
OM 1.15connaissent la différence entre le granit et le calcaire et une pierre volcanique.
  
OM 1.16peuvent, à l'aide d'exemples simples, illustrer que la forme d'un paysage est influencée par la roche présente et l'action de l'eau, du vent, de la chaleur et de l'homme.
  
OM 1.17peuvent, à l'aide d'exemples simples, illustrer que la forme du paysage et la qualité de la roche influence le mode de vie de l'homme.
  
OM 1.18peuvent observer de manière ciblée et spontanée un nombre limité de phénomènes liés au paysage avec tous leurs sens et restituer leurs observations de manière systématique.
  
OM 1.19*montrer de l'intérêt pour la diversité des paysages présents sur Terre et les apprécier dans leur beauté spécifique.
WO 1.14kunnen uitgaande van het landschap de vorm van een granietgebergte, een kalkgebergte en de kenmerken die wijzen op een vulkanische oorsprong, beschrijven en herkennen.
WO 1.15kennen het onderscheid tussen graniet en kalk en vulkanisch gesteente.
WO 1.16kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van een landschap beïnvloed wordt door het aanwezige gesteente en de inwerking van water, wind, warmte en van de mens.
WO 1.17kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van landschap en de kwaliteit van het gesteente de levenswijze van de mens beïnvloedt.
WO 1.18kunnen een beperkt aantal fenomenen in verband met het landschap met al hun zintuigen gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen op systematische wijze weergeven.
WO 1.19* tonen belangstelling voor de verscheidenheid in landschappen die op aarde voorkomen en kunnen deze waarderen in hun specifieke schoonheid.
OM 1.14peuvent décrire et reconnaître, à partir du paysage, la forme d'une montagne de granit, d'un massif calcaire et les caractéristiques qui indiquent une origine volcanique.
OM 1.15connaissent la différence entre le granit et le calcaire et une pierre volcanique.
OM 1.16peuvent, à l'aide d'exemples simples, illustrer que la forme d'un paysage est influencée par la roche présente et l'action de l'eau, du vent, de la chaleur et de l'homme.
OM 1.17peuvent, à l'aide d'exemples simples, illustrer que la forme du paysage et la qualité de la roche influence le mode de vie de l'homme.
OM 1.18peuvent observer de manière ciblée et spontanée un nombre limité de phénomènes liés au paysage avec tous leurs sens et restituer leurs observations de manière systématique.
OM 1.19*montrer de l'intérêt pour la diversité des paysages présents sur Terre et les apprécier dans leur beauté spécifique.
  Weer en klimaat
  De kinderen
  Temps et climat
  Les enfants :

  
  
WO 1.20kunnen de volgende weersverschijnselen verwoorden en onderscheiden : neerslag, enkele eenvoudige wolkentypes, windsoorten in functie van de windstreken.
  
WO 1.21kunnen drie klimaatzones onderscheiden en situeren op de wereldkaart : warme, koude en gematigde zone.
  
WO 1.22kennen het verschil tussen weer en klimaat.
  
WO 1.23kunnen op eenvoudige wijze de kringloop van het water beschrijven.
  
WO 1.24kunnen een beperkt aantal weerkundige fenomenen op weerkundig gebied gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen weergeven. (zie ook Leren leren en Muzische vorming)

  
  
OM 1.20peuvent exprimer et distinguer les phénomènes météorologiques suivants : précipitations, quelques types de nuages simples, les types de vent en fonction des aires de vent.
  
OM 1.21peuvent distinguer trois zones climatiques et les situer sur une carte du monde : zone chaude, froide et tempérée.
  
OM 1.22ils connaissent la différence entre le temps et le climat.
  
OM 1.23ils peuvent facilement décrire le cycle de l'eau.
  
OM 1.24ils peuvent observer de manière ciblée et spontanée un nombre limité de phénomènes météorologiques dans le domaine météorologique et restituer leurs observations (cf. aussi Apprendre à lire et Formation musicale)
WO 1.20kunnen de volgende weersverschijnselen verwoorden en onderscheiden : neerslag, enkele eenvoudige wolkentypes, windsoorten in functie van de windstreken.
WO 1.21kunnen drie klimaatzones onderscheiden en situeren op de wereldkaart : warme, koude en gematigde zone.
WO 1.22kennen het verschil tussen weer en klimaat.
WO 1.23kunnen op eenvoudige wijze de kringloop van het water beschrijven.
WO 1.24kunnen een beperkt aantal weerkundige fenomenen op weerkundig gebied gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen weergeven. (zie ook Leren leren en Muzische vorming)
OM 1.20peuvent exprimer et distinguer les phénomènes météorologiques suivants : précipitations, quelques types de nuages simples, les types de vent en fonction des aires de vent.
OM 1.21peuvent distinguer trois zones climatiques et les situer sur une carte du monde : zone chaude, froide et tempérée.
OM 1.22ils connaissent la différence entre le temps et le climat.
OM 1.23ils peuvent facilement décrire le cycle de l'eau.
OM 1.24ils peuvent observer de manière ciblée et spontanée un nombre limité de phénomènes météorologiques dans le domaine météorologique et restituer leurs observations (cf. aussi Apprendre à lire et Formation musicale)
  Fysische verschijnselen
  De kinderen
  Phénomènes physiques
  Les enfants :

  
  
WO 1.25kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden beknopt enkele kenmerken beschrijven van de fenomenen geluid, licht, warmte, elektriciteit, magnetisme.
  
WO 1.26kunnen (exemplarisch) gericht en onbevangen natuurkundige fenomenen aan de hand van proeven waarnemen.(zie ook Leren leren)
  
WO 1.27kunnen hun waarnemingen op systematische wijze verwoorden en opschrijven.(zie ook Leren leren)
  
WO 1.28kunnen de fenomenen in hun causale samenhang beschrijven.

  
  
OM 1.25peuvent, à l'aide d'exemples simples, décrire brièvement quelques caractéristiques des phénomènes du son, de la lumière, de la chaleur, de l'électricité et du magnétisme.
  
OM 1.26peuvent observer (de manière exemplaire) de façon ciblée et spontanée, des phénomènes physiques à l'aide de tests (cf. aussi Apprendre à lire)
  
OM 1.27ils peuvent exprimer et noter leurs observations de manière systématique (cf. aussi Apprendre à lire)
  
OM 1.28ils peuvent décrire les phénomènes dans leur cohésion causale.
WO 1.25kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden beknopt enkele kenmerken beschrijven van de fenomenen geluid, licht, warmte, elektriciteit, magnetisme.
WO 1.26kunnen (exemplarisch) gericht en onbevangen natuurkundige fenomenen aan de hand van proeven waarnemen.(zie ook Leren leren)
WO 1.27kunnen hun waarnemingen op systematische wijze verwoorden en opschrijven.(zie ook Leren leren)
WO 1.28kunnen de fenomenen in hun causale samenhang beschrijven.
OM 1.25peuvent, à l'aide d'exemples simples, décrire brièvement quelques caractéristiques des phénomènes du son, de la lumière, de la chaleur, de l'électricité et du magnétisme.
OM 1.26peuvent observer (de manière exemplaire) de façon ciblée et spontanée, des phénomènes physiques à l'aide de tests (cf. aussi Apprendre à lire)
OM 1.27ils peuvent exprimer et noter leurs observations de manière systématique (cf. aussi Apprendre à lire)
OM 1.28ils peuvent décrire les phénomènes dans leur cohésion causale.
  Milieu
  De kinderen
  L'environnement
  Les enfants :

  
  
WO 1.29*tonen zich in hun gedrag bereid om zorgzaam om te gaan met mineraal, plant, dier en mens en het milieu in hun omgeving.
  
WO 1.30*tonen zich in hun gedrag bereid om zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water.

  
  
OM 1.29* se montrent prêts dans leur comportement à traiter avec soins les minéraux, les plantes, les animaux, les hommes et l'environnement dans leur entourage.
  
OM 1.30*se montrent, dans leur comportement, disposés à utiliser rationnellement les déchets, l'énergie, le papier, les aliments et l'eau.
WO 1.29*tonen zich in hun gedrag bereid om zorgzaam om te gaan met mineraal, plant, dier en mens en het milieu in hun omgeving.
WO 1.30*tonen zich in hun gedrag bereid om zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water.
OM 1.29* se montrent prêts dans leur comportement à traiter avec soins les minéraux, les plantes, les animaux, les hommes et l'environnement dans leur entourage.
OM 1.30*se montrent, dans leur comportement, disposés à utiliser rationnellement les déchets, l'énergie, le papier, les aliments et l'eau.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N11. Bijlage 11. - Eindtermen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  Bij het bepalen van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen techniek verwijst de overheid in haar Uitgangspunten expliciet naar het project TOS21. (26) De basisprincipes van TOS21 kunnen we volkomen onderschrijven, met name dat :
  O techniek behoort tot de noodzakelijke vorming van iedereen (component van elke algemene vorming)
  O techniek bijdraagt tot de ontwikkeling van de persoonlijkheid
  O techniek het creatieve denken en handelen bevordert.
  Deze belangrijke argumenten lagen reeds ten grondslag aan de keuze van de steinerscholen om ook technische vakken op te nemen in hun ASO-curriculum. Dit was geen evidentie binnen de Vlaamse onderwijscontext. Het realiseren van technische competentie overstijgt aldus ook in de steinerscholen het nuttigheidsdenken.
  Het TOS21-project en de uitgangspunten bij de ontwikkelingsdoelen en eindtermen techniek wijzen op de nood aan actualisering van die eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het kader van het sensibiliseren van de leerlingen voor techniek, technische studies en loopbaanontwikkeling. We betwijfelen of ontwikkelingsdoelen en eindtermen hiertoe een geëigend middel zijn en laten deze doelstelling verder buiten beschouwing.
  Echter, de door de overheid bepaalde ontwikkelingsdoelen en eindtermen steunen op een dermate specifiek theoretisch model dat het onvoldoende ruimte laat voor andere pedagogische en onderwijskundige visies. Sterker : ze kunnen er zelfs onverzoenbaar mee zijn.
  In navolging van het TOS21-project wordt in de Uitgangspunten gekozen voor een benadering die vier kerncomponenten van techniek onderscheidt (technische systemen, processen, hulpmiddelen, keuzes). Het leren van techniek wordt op zijn beurt opgedeeld in drie dimensies : begrijpen, hanteren, duiden. Uit een combinatie van de vier gekozen kerncomponenten van techniek en de drie dimensies van techniek leren, wordt een set van 19 standaarden weerhouden. Het bereiken van deze 19 standaarden correspondeert met het realiseren van technische 'geletterdheid'. In TOS21 worden deze 19 standaarden verder geformuleerd naar vier leeftijdsniveaus, wat dan 65 referentiepunten oplevert. Deze verdere opdeling is in de Uitgangspunten niet opgenomen.
  Deze erg abstracte, formele en conceptuele benadering van techniek en techniek leren van het TOS21 - project, vormt geen geschikte basis voor een werkelijk leeftijdsgerelateerde integratie van techniek in een pedagogisch en onderwijskundig leertraject zoals dat in de steinerscholen wordt nagestreefd.
  Deze benadering vertrekt grotendeels van de veronderstelling dat de verschillen tussen de verschillende leeftijdsniveaus in essentie kwantitatief van aard zijn en dat de 19 standaarden in principe voor alle leeftijden even relevant en zinvol zijn.
  De overheid gaat uit van een algemeen leeftijdsonafhankelijk model over techniek en techniek leren (19 standaarden) om vervolgens deze standaarden naar de diverse leeftijden te formuleren. Men kon in het TOS21-project nochtans geen beroep doen op wetenschappelijk onderzoek om de standaarden met de leeftijdsniveaus te verbinden tot referentiepunten.
  Kortom : uit een algemeen en abstract concept worden leeftijdsaangepaste formuleringen van de standaarden afgeleid.
  De steinerscholen kunnen zich in deze enigszins abstracte en gekunstelde benaderingswijze niet vinden. In het steineronderwijs wordt immers steeds vertrokken van de leeftijdsafhankelijke, kwalitatieve karakteristieken waarop een kind de werkelijkheid begrijpt, ervaart, benadert, hanteert... Dit vraagt telkens een aangepaste benadering van techniek en van techniek leren.
  Het spreekt dan ook voor zich dat deze leeftijdsgerelateerde benadering andere en/of anders geformuleerde ontwikkelingsdoelen en eindtermen oplevert met name vooral in het basisonderwijs. Hoe ouder de leerlingen worden, hoe meer gelijke ijkpunten mogelijk en nodig zijn. De eindtermen van de steinerscholen voor de eerste graad SO sluiten dichter aan bij de door de overheid bepaalde eindtermen. Dit neemt niet weg dat ook hier de leeftijdsafhankelijke, kwalitatieve karakteristieken van belang blijven.
  Ten slotte gaan de steinerscholen wat betreft het arbeidsproces uit van een eigen variant. In plaats van de vijf stappen beschreven in het TOS 21-project, onderscheiden ze acht fases in het arbeidsproces.
  TOELICHTING
  In de lagere school :
  In de lagere school is het aan de orde dat de leerlingen inzicht verwerven in eenvoudige en transparante technieken. Bij deze technieken is van belang dat de samenhang tussen grondstoffen, technische ingrepen en eindproduct nog beleefbaar en zichtbaar is voor het kind. Het is van belang dat te onderzoeken en/of aan te wenden technische processen en systemen in hun werking observeerbaar en naspeurbaar zijn. Deze mogelijkheid tot waarnemen en ervaren van de opeenvolgende stappen of fases in een technisch gebeuren, is voor het hele basisonderwijs een cruciaal criterium. Directe beleving en interesse voor wat de mens met herkenbaar materiaal technisch kan realiseren vormt de basis voor een meer abstracte benadering in een latere leeftijdsfase.
  De steinerscholen willen zich richten op het doen, op de inventiviteit en op de praktische ervaring. De kenmerken van materialen ervaren, gereedschappen hanteren, natuurkundige verschijnselen beleven e.d. dragen bij tot inzicht in techniek.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  De kinderen
Art. N11. Annexe 11. - Objectifs finaux ouverture sur le monde - Technique enseignement fondamental
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Pour la définition des objectifs de développement et des objectifs finaux pour la technique, les pouvoirs publics renvoient explicitement dans leurs principes au projet TOS21 (26). Nous pouvons intégralement souscrire aux principes de base de TOS21, notamment :
  O la technique fait partie de la formation nécessaire de tous (composante de chaque formation générale)
  O la technique contribue au développement de la personnalité
  O la technique favorise la réflexion et le traitement créatifs
  Ces arguments importants étaient d'être à la base du choix des écoles Steiner visant à reprendre aussi des branches techniques dans leur cursus AES. Cela n'était pas une évidence dans le contexte éducatif flamand. La réalisation des compétences techniques dépasse aussi la réflexion de l'utilité dans les écoles Steiner.
  Le projet TOS21 et les principes des objectifs de développement et des objectifs finaux pour la technique pointent un besoin d'actualisation des objectifs finaux et des objectifs de développement pour la technique dans le cadre de la sensibilisation des élèves à la technique, aux études techniques et au développement de la carrière. Nous doutons que les objectifs finaux et les objectifs de développement soient un moyen approprié pour y arriver et ne prenons pas cet objectif en considération.
  Cependant, les objectifs finaux et les objectifs de développement définis par les pouvoirs publics s'appuient sur un tel modèle théorique spécifique qu'il n'y a pas assez d'espace pour d'autres visions pédagogiques et éducatives. Plus fort encore : ces points peuvent même être irréconciliables.
  Dans la lignée du projet TOS21, on a opté dans les principes pour une approche distinguant quatre composants centraux pour la technique (les systèmes techniques, les processus, les outils et les choix). L'apprentissage de la technique est à son tour subdivisé en trois dimensions : comprendre, manipuler et indiquer. Un ensemble de 19 normes a été retenu d'une combinaison des quatre composantes principales choisies pour la technique et des trois dimensions d'apprentissage technique. La réalisation de ces 19 normes correspond à la réalisation des "l'alphabétisation" technique. Dans le projet TOS21, ces 19 normes sont formulées en quatre niveaux d'âge, ce qui donne 65 points de référence. Cette subdivision n'est pas reprise dans les principes.
  Cette approche très abstraite, formelle et conceptuelle de la technique et de l'apprentissage technique du projet TOS21 n'est pas une base adéquate pour une intégration effective liée à l'âge de la technique dans un parcours d'apprentissage pédagogique et éducatif, tel que visé dans les écoles Steiner.
  Cette approche part largement de la supposition selon laquelle les différences entre les différents niveaux d'âge est essentiellement de nature quantitative et que les 19 normes sont en principe pertinentes et sensées pour tous les âges.
  Les pouvoirs publics partent d'un modèle général indépendant de l'âge pour la technique et l'apprentissage technique (19 normes) pour ensuite formuler ces normes en fonction des différents âges. Dans le cadre du projet TOS21, nous n'avons toutefois pas pu compter sur une étude scientifique pour associer les normes avec les niveaux d'âge pour arriver à des points de référence.
  Bref : des formulations des normes adaptées aux âges sont tirées d'un concept abstrait et général.
  Les écoles Steiner ne peuvent pas se retrouver dans cette approche abstraite et artificielle. Dans l'enseignement Steiner, on part toujours en effet de caractéristiques qualitatives dépendant de l'âge en fonction desquelles un enfant comprend, perçoit, aborde, traite, etc. la réalité Cela demande à chaque fois une approche adaptée de la technique et de l'apprentissage de la technique.
  Il va de soi que cette approche liée à l'âge entraîne des objectifs finaux et des objectifs de développement différents et/ou formulés autrement, surtout dans l'enseignement fondamental. Plus les enfants vieillissent, plus les baromètres équivalents sont possibles et nécessaires. Les objectifs finaux des écoles Steiner pour le premier degré de l'ES adhèrent plus aux objectifs finaux définis par les pouvoirs publics. Cela n'empêche pas que les caractéristiques qualitatives, dépendant de l'âge restent importantes.
  Enfin, les écoles Steiner partent de leur propre variante en ce qui concerne le processus professionnel. Au lieu des cinq étapes décrites dans le projet TOS21, elles distinguent huit phases dans le processus professionnel.
  COMMENTAIRE
  A l'école primaire :
  A l'école primaire, les élèves doivent comprendre des techniques simples et transparentes. Dans ces techniques, il est important que la cohésion entre les matières premières, les interventions techniques et le produit fini soit encore visible et perceptible pour l'enfant. Il est important que les processus et systèmes techniques à étudier et/ou à utiliser soient observables et puissent faire l'objet de recherches dans leur fonctionnement. Cette possibilité d'observation et d'expérimentation des étapes ou des phases successives dans un événement technique est un critère crucial pour l'ensemble de l'enseignement fondamental. L'intérêt et l'expérimentation directe de ce que l'homme peut réaliser techniquement un matériau reconnaissable sont la base d'une approche plus abstraite à un âge ultérieur.
  Les écoles Steiner veulent cibler l'action, l'inventivité et l'expérience pratique. Expérimenter les caractéristiques des matériaux, utiliser les outils, percevoir les phénomènes physiques, etc. contribuent à la compréhension de la technique.
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Les enfants :

  
  
WO 2.1 kunnen beschrijven welke behoefte er aan de basis ligt van een eenvoudig en transparant technisch systeem.
  
WO 2.2 kunnen, uitgaand van een bepaalde behoefte, benoemen welke technische systemen hieraan beantwoorden of zelf technische oplossingen bedenken en de realiseerbaarheid ervan aftasten.
  
WO 2.3beseffen hoe de mens door innovatieve constructies en het gebruik van technische hulpmiddelen in staat is de investering in menselijke energie te verminderen.
  
WO 2.4 kunnen de werking en het ontwikkelingsproces van eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven.
  
WO 2.5kunnen bij eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven hoe de werking ervan samenhangt met de eigenschappen van de gebruikte natuurlijke grondstoffen en fenomenen.
  
WO 2.6 kennen en beheersen basistechnieken voor het hanteren, onderhouden en wegbergen van eenvoudige technische systemen.
  
WO 2.7*zijn bereid om zorgzaam, veilig, nauwkeurig en hygiënisch te werken.
  
WO 2.8 hebben inzicht in het technisch proces doordat zij

  
  
OM 2.1 peuvent décrire quels sont les besoins à la base d'un système technique simple et transparent.
  
OM 2.2 peuvent, à partir d'un certain besoin, nommer quels sont les systèmes techniques qui y répondent ou élaborer des solutions techniques et tester leur faisabilité.
  
OM 2.3 comprennent comment l'homme peut réduire l'investissement dans l'énergie humaine grâce aux constructions innovantes et à l'utilisation d'outils techniques.
  
OM 2.4peuvent décrire le fonctionnement et le processus de développement de systèmes techniques simples et transparents.
  
OM 2.5ils peuvent décrire pour des systèmes techniques simples et transparents comment leur fonctionnement est lié aux propriétés des phénomènes et des matières premières naturelles utilisées.
  
OM 2.6ils connaissent et maîtrisent les techniques de base pour l'utilisation, l'entretien et le classement de systèmes techniques simples.
  
0M 2.7*sont disposés à travailler de manière hygiénique, avec précision et en toute sécurité;
  
OM 2.8 ils comprennent le processus technique puisqu'ils
WO 2.1 kunnen beschrijven welke behoefte er aan de basis ligt van een eenvoudig en transparant technisch systeem.
WO 2.2 kunnen, uitgaand van een bepaalde behoefte, benoemen welke technische systemen hieraan beantwoorden of zelf technische oplossingen bedenken en de realiseerbaarheid ervan aftasten.
WO 2.3beseffen hoe de mens door innovatieve constructies en het gebruik van technische hulpmiddelen in staat is de investering in menselijke energie te verminderen.
WO 2.4 kunnen de werking en het ontwikkelingsproces van eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven.
WO 2.5kunnen bij eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven hoe de werking ervan samenhangt met de eigenschappen van de gebruikte natuurlijke grondstoffen en fenomenen.
WO 2.6 kennen en beheersen basistechnieken voor het hanteren, onderhouden en wegbergen van eenvoudige technische systemen.
WO 2.7*zijn bereid om zorgzaam, veilig, nauwkeurig en hygiënisch te werken.
WO 2.8 hebben inzicht in het technisch proces doordat zij
OM 2.1 peuvent décrire quels sont les besoins à la base d'un système technique simple et transparent.
OM 2.2 peuvent, à partir d'un certain besoin, nommer quels sont les systèmes techniques qui y répondent ou élaborer des solutions techniques et tester leur faisabilité.
OM 2.3 comprennent comment l'homme peut réduire l'investissement dans l'énergie humaine grâce aux constructions innovantes et à l'utilisation d'outils techniques.
OM 2.4peuvent décrire le fonctionnement et le processus de développement de systèmes techniques simples et transparents.
OM 2.5ils peuvent décrire pour des systèmes techniques simples et transparents comment leur fonctionnement est lié aux propriétés des phénomènes et des matières premières naturelles utilisées.
OM 2.6ils connaissent et maîtrisent les techniques de base pour l'utilisation, l'entretien et le classement de systèmes techniques simples.
0M 2.7*sont disposés à travailler de manière hygiénique, avec précision et en toute sécurité;
OM 2.8 ils comprennent le processus technique puisqu'ils
  O de probleemstelling begrijpen en een oplossing kunnen ontwikkelen;
  O weten aan welke eisen het werkstuk moet voldoen en welke materialen en hulpmiddelen zij nodig hebben;
  O een eenvoudig plan kunnen begrijpen of ontwerpen;
  O weten welke stappen er achtereenvolgens uitgevoerd moeten worden;
  O een eenvoudig ontwerp stap voor stap kunnen uitvoeren;
  O het technisch systeem in gebruik kunnen nemen;
  O de technische kwaliteiten en de werking van bepaalde technische systemen nauwgezet kunnen observeren en beschrijven;
  O bereid zijn om het technisch systeem te controleren en te verbeteren indien nodig.
  O comprennent le problème et peuvent développer une solution;
  O ils savent à quelles exigences le travail doit répondre et de quels matériaux et accessoires ils ont besoin;
  O ils peuvent comprendre ou concevoir un plan simple;
  O ils savent quelles étapes doivent être successivement exécutées;
  O exécuter pas à pas une épure ou une note explicative simple;
  O mettre en service un système technique;
  O ils peuvent observer et décrire précisément les qualités techniques et le fonctionnement de certains systèmes techniques;
  O ils sont prêts à contrôler et à améliorer si nécessaire le système technique.

  
  
WO 2.9*tonen respect voor materiaal, de technische vaardigheden en technische realisaties van zichzelf en van anderen en kunnen technische systemen ook vanuit een esthetisch oogpunt benaderen.

  
  
OM 2.9*ils font preuve de respect pour le matériau, les compétences techniques et les réalisations techniques d'eux-mêmes ou des autres et ils peuvent aborder les systèmes techniques aussi depuis un point de vue esthétique.
WO 2.9*tonen respect voor materiaal, de technische vaardigheden en technische realisaties van zichzelf en van anderen en kunnen technische systemen ook vanuit een esthetisch oogpunt benaderen.
OM 2.9*ils font preuve de respect pour le matériau, les compétences techniques et les réalisations techniques d'eux-mêmes ou des autres et ils peuvent aborder les systèmes techniques aussi depuis un point de vue esthétique.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs.
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
Art. N12. Bijlage 12. - Eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels) tweede graad algemeen secundair onderwijs
  MOTIVERING
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  De leeftijdsgerichte ontwikkeling :
  De steinerscholen hebben sinds het ontstaan van de steinerpedagogie in 1919 het vreemdetalenonderwijs hoog in hun vaandel geschreven en wereldwijd worden er in de steiner/Waldorfscholen in de mate van het mogelijke twee vreemde talen aangeleerd vanaf de leeftijd van 6 à 7 jaar. (27) De principes van het vreemdetalenonderwijs in de steinerscholen sluiten dus aan bij de aanbevelingen van de Europese Raad van Barcelona maart 2002, toen de staatshoofden en regeringsleiders (28) aandrongen op het onderwijzen van ten minste twee vreemde talen en dat vanaf zeer jonge leeftijd. Ook de langetermijndoelstelling van de Commissie die erin bestaat de individuele meertaligheid te bevorderen opdat alle burgers beschikken over praktische vaardigheden in ten minste twee vreemde talen wordt door de steinerscholen onderschreven (29). Ook in het onlangs gestarte beroepsonderwijs met steinerpedagogie zijn twee vreemde talen in het leerplan van het vak project algemene vakken opgenomen.
  Zoals reeds beschreven in de algemene motivering voor vervangende eindtermen voor de steinerscholen en zoals reeds gemotiveerd in de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs uit 1997 (30) gaat men bij het vreemdetalenonderwijs eveneens uit van de leeftijdsgerichte ontwikkeling.
  In de kleuterschool leggen de leerlingen de basis voor het mondelinge gebruik van hun moedertaal. In de eerste jaren van de lagere school leggen ze de basis voor het schriftelijk taalgebruik van de moedertaal. Vermits men dan nog kan profiteren van de gevoelige periode voor het verwerven van een vreemde taal, kan in die jaren de mondelinge basis gelegd worden. In de laatste jaren van de lagere school kan men starten met het schriftbeeld in de vreemde taal. Ook de eerste eenvoudige grammaticale elementen zijn hier op z'n plaats in aansluiting met het moedertaalonderwijs. Rond de leeftijd van 12 jaar komt de grammatica in de vreemde taal meer aan bod. Het verschaft de leerling in de prepuberteit wat houvast, structuur en objectiviteit. Er wordt daarbij voortgebouwd op de basis die in de lagere klassen werd gelegd. Verschillende grammaticale structuren en vaste zinsconstructie werden immers al veelvuldig geoefend d.m.v. recitatie, spelvormen en dialoog. Wat voorheen onbewust werd opgenomen wordt nu bewust gemaakt en verklaard.
  In de eerste graad en tweede graad secundair onderwijs ligt het accent sterk op de verwerving van de taal tot op een niveau dat de leerling er zich in thuis voelt. Dat vraagt, naast oefening in communicatie, om heel wat lexicale en grammaticale kennis. In de derde graad gaat het accent liggen op het werkelijk inzetten van de taal in een reële context van spreken en schrijven. Het literatuuronderwijs van de vreemde taal krijgt een daarbij een belangrijke plaats toebedeeld.
  TOELICHTING
  In de lijn van het Europese Referentiekader voor Talen wordt ook in de eigen eindtermen voor de steinerscholen de vaardigheid spreken opgesplitst in 'spreken' en 'mondelinge interactie' zodat er nu vijf vaardigheden zijn in plaats van vier. Uiteraard onderschrijven de steinerscholen eveneens dat veel communicatiesituaties alleen op een vrij kunstmatige wijze aan één van deze vaardigheidsdomeinen worden toegewezen.
  Voor de eindtermen van het secundair onderwijs is zowel de structurering als het gros van de door de overheid bepaalde eindtermen overgenomen. Er is wel een rubriek " beleving van taalrijkdom " aan toegevoegd.
  Toevoeging van de rubriek " beleving van taalrijkdom "
  Hoewel het strikt genomen geen vaardigheid genoemd kan worden, en het eerder over het ervaren van de eigenheid van de andere taal gaat, voegen de steinerscholen onder een nieuwe rubriek " beleving van taalrijkdom " een aantal eindtermen toe. Dit heeft enerzijds consequenties voor het soort teksten dat men gebruikt in het vreemdetalenonderwijs en anderzijds heeft het een band met (inter)culturele gerichtheid of de culturele component. De steinerscholen delen de bekommernis van de overheid zoals uitgedrukt in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen :
Art. N12. Annexe 12. - Objectifs finaux langues étrangères modernes (Français/Anglais) deuxième degré enseignement secondaire général
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Le développement axé sur l'âge :
  Depuis la création de la pédagogie Steiner en 1919, les écoles Steiner ont prêté beaucoup d'attention à l'enseignement des langues étrangères et dans le monde, les écoles Steiner/Waldorf enseignent dans la mesure du possible deux langues étrangères dès l'âge de 6 à 7 ans (27). Les principes de l'enseignement des langues étrangères dans les écoles Steiner adhèrent donc aux recommandations du Conseil européen de Barcelone de mars 2002, lorsque les chefs d'Etat et de gouvernement (28) ont insisté sur l'enseignement d'au moins deux langues étrangères, dès le plus jeune âge. Les écoles Steiner souscrivent à l'objectif à long terme de la Commission visant à favoriser le plurilinguisme individuel pour que tous les citoyens disposent de compétences pratiques dans au moins deux langues étrangères (29). L'enseignement professionnel récemment lancé avec la pédagogie Steiner reprend lui aussi deux langues étrangères dans le plan d'apprentissage des branches générales.
  Tel que décrit dans la motivation générale pour les objectifs finaux de remplacement pour les écoles Steiner et comme motivé dans la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux dans l'enseignement fondamental ordinaire de 1997 (30), on part aussi pour l'enseignement des langues étrangères du développement axé sur l'âge.
  A l'école maternelle, les élèves jettent les bases pour l'usage oral de leur langue maternelle. Durant les premières années de l'école primaire, ils jettent les bases pour l'usage écrit de leur langue maternelle. Puisque l'on peut profiter de la période réceptive pour l'acquisition d'une langue étrangère, les bases orales peuvent être jetées durant ces années. Au cours des dernières années de l'école primaire, on peut commencer le graphisme dans la langue étrangère. Les premiers éléments grammaticaux simples sont aussi à leur place, parallèlement à l'enseignement de la langue maternelle. Vers l'âge de douze ans, la grammaire dans la langue étrangère est plus abordée. Elle offre à l'élève à la prépuberté une structure, un repère et de l'objectivité. On développe pour cela les bases acquises durant les classes de primaire. Plusieurs structures grammaticales et des constructions de phrase fixes ont en effet fait l'objet de divers exercices, notamment via des récitations, des dialogues ou encore des formes ludiques. Ce qui a auparavant été appris inconsciemment est expliqué et on en prend conscience.
  Durant le premier et le deuxième degré de l'enseignement secondaire, l'accent est fortement mis sur l'acquisition de la langue jusqu'à un niveau auquel l'élève se sente à l'aise. Cela demande, outre l'exercice dans la Communication, de nombreuses connaissances grammaticales et lexicales. Au troisième degré l'accent est mis sur l'application effective de la langue dans un contexte réel de discussion et d'écriture. L'enseignement de la littérature de la langue étrangère y bénéficie d'une place importante.
  COMMENTAIRE
  Conformément au Cadre de référence européen pour les Langues, dans les objectifs finaux propres des écoles Steiner, la compétence de l'expression est subdivisée en "expression" et "interaction orale", de sorte qu'il existe à présent cinq et non plus quatre compétences. Les écoles Steiner souscrivent en effet à l'idée que de nombreuses situations de communication ne sont attribuées que de manière assez artificielle à l'un de ces domaines de compétence.
  En ce qui concerne les objectifs finaux de l'enseignement secondaire, tant la structuration que la coopération transfrontalière des objectifs finaux définis par les autorités sont reprises. Une rubrique "expérience de la richesse langagière" est ajoutée.
  Ajout de la rubrique "expérience de la richesse langagière"
  Bien que l'on ne puisse pas parler d'une compétence au sens strict et qu'il s'agisse plutôt de l'expérience du caractère propre de l'autre langue, les écoles Steiner ajoutent plusieurs objectifs finaux sous une nouvelle rubrique appelée "expérience de la richesse langagière". Cela a d'une part des conséquences pour le type de textes que l'on utilise dans l'enseignement des langues étrangères et d'autre part, cela a un lien avec l'orientation (inter)culturelle ou la composante culturelle. Les écoles Steiner partagent les inquiétudes des pouvoirs publics, comme exprimé dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics pour les langues étrangères :

  
  
 " Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (31)

  
  
 Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle (31)
" Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (31)
Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle (31)
  De steinerpedagogie wil aan al het bovenstaande nog een dimensie toevoegen. In essentie communiceren niet de culturen met elkaar maar wel individuen met een verschillende culturele achtergrond. Leerlingen in contact brengen met een vreemde taal is de manier bij uitstek om openheid en interesse voor het 'andere dan ik zelf' te wekken en te ontwikkelen; een pedagogische opdracht die van het grootste belang is in onze tijd.
  Taal is sowieso meer dan louter een zakelijk communicatiemiddel en communicatie is meer dan taal. Dit gegeven heeft consequenties voor de visie op vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen. Naast communicatiemiddel is een taal dan ook een drager van het cultureel erfgoed van een volk. Taal, als organisch en levend cultuurgoed, mogen we gerust beschouwen als het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van de mens. Het weerspiegelt in zijn eigenheid de nuances van hoe de realiteit beleefd wordt door de mens die deze taal spreekt. Taal is a.h.w. een kunstig bouwsel van een diepliggende cultuur en geaardheid. Een vreemde taal leren, als een organisch en levend cultuurgoed, is dus een middel om die cultuur en geaardheid niet oordelend tegemoet te treden. De vreemde taal verbindt ons zo met houdingen, conventies, waarden, denken als uitdrukkingen van een specifieke cultuur.
  Meer dan de gewone informatieve, prescriptieve en narratieve teksten zijn artistiek-literaire teksten uitingen van de 'levende taal' en middel bij uitstek om zich diepgaand te verbinden met andere culturen. Deze artistiek-literaire teksten kunnen een uiteenlopende moeilijkheidsgraad hebben van eenvoudige kinderpoëzie en rijmpjes tot grote literaire romans en epische gedichten of theaterteksten. Als men de literaire tekst via dramatische werkvormen in de klas kan brengen, komt de vreemde taal op een unieke manier tot leven. Literatuur was in de eerste plaats een orale kunst. Via taalbeleving in een vreemde taal komt men tot het beleven van het eigene van de cultuur van de andere. Daarom kiezen de steinerscholen ervoor om ook een rubriek beleving van taalrijkdom aan de eindtermen toe te voegen. De teksten die men voor deze eindtermen gebruikt, beperken zich niet tot het niveau beschreven voor de teksten van de andere rubrieken.
  Taaltaak en tekst
  De steinerscholen volgen eveneens de betekenis van het woord " tekst " zoals in de definitie van de Raad van Europa het geval is, waarbij 'tekst' verwijst naar elke boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel mondeling als schriftelijk.
  Ook het hierna geciteerde uit de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen is van toepassing voor de steinerscholen :
  La pédagogie Steiner pédagogie veut ajouter encore une dimension à tous les éléments susmentionnés. Les cultures ne communiquent essentiellement pas entre elles, mais bien les individus avec un contexte culturel différent. Faire entrer les élèves en contact avec une langue étrangère est la manière par excellence de développer et susciter l'intérêt et l'ouverture pour "l'autre"; une mission pédagogique qui est de la plus haute importance à notre époque.
  La langue est bien plus qu'un simple moyen de communication professionnel et la communication ne se limite pas à la langue. Ces données ont des conséquences pour la vision sur l'enseignement de la langue étrangère des écoles Steiner. Outre le moyen de communication, la langue est aussi un support du patrimoine culturel d'un peuple. La langue, en tant que bien culturel vivant et organique, peut être considérée comme le principal moyen de communication de l'homme. Elle reflète dans son caractère propre les nuances de la manière dont la réalité est vécue par l'homme qui parle cette langue. La langue est pour ainsi dire une construction artificielle d'une nature et d'une culture profondes. Apprendre une langue étrangère, comme un bien culturel vivant et organique, est donc un moyen d'aller à la rencontre de cette culture et de cette nature sans aucun jugement. La langue étrangère nous engage avec des attitudes, des conventions, des valeurs, des réflexions comme des expressions d'une culture spécifique.
  Plus que les textes informatifs, prescriptifs et narratifs ordinaires, les textes artistiques et littéraires sont des expressions de la "langue vivante" et le moyen par excellence de rejoindre en profondeur d'autres cultures. Ces textes artistiques et littéraires peuvent présenter divers degrés de difficulté de la simple poésie infantile et des couplets aux grands romans littéraires et aux poésies épiques ou aux textes théâtraux. Si l'on peut introduire le texte littéraire via des formes de travail dramatiques dans la classe, la langue étrangère prend vie de manière unique. La littérature était tout d'abord un art oral. Grâce à l'expérience linguistique dans une langue étrangère, on vit le caractère propre de la culture des autres. C'est pourquoi les écoles Steiner optent pour l'ajout d'une rubrique "expérience de la richesse langagière" dans les objectifs finaux. Les textes que l'on utilise pour ces objectifs finaux ne se limitent pas au niveau décrit pour les textes des autres rubriques.
  Tâche langagière et texte
  Les écoles Steiner suivent la signification du terme "texte" telle que définie par le Conseil de l'Europe, ou "texte" renvoie à tout message produit ou reçu par les élèves, qu'il soit oral ou écrit.
  Le paragraphe suivant, tiré des principes des objectifs finaux pour les langues étrangères fixés par les pouvoirs publics, est d'application pour les écoles Steiner :
  Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtrise r les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (32).
  Types de textes et caractéristiques des textes
  En ce qui concerne les types de texte et les caractéristiques de texte, les écoles Steiner utilisent leurs propres critères car les textes artistiques et littéraires tels que décrits ci-dessus jouent un rôle important dans l'enseignement des langues étrangères des écoles Steiner.
  Les écoles Steiner peuvent d'une part utiliser les descriptions suivantes pour leurs objectifs finaux :
  Ces types de texte sont décrits sur la base de ce que l'on considère comme étant la caractéristique la plus dominante du texte :
  O pour les textes informatifs, la transmission des informations;
  O pour les textes prescriptifs, la direction directe des actes du destinataire;
  O pour les textes narratifs, la restitution contée des faits et événements;
  O pour les textes argumentatifs, le développement d'un raisonnement;
  O pour les textes artistiques et littéraires, le fait que la composante esthétique soit explicitement présente".
  D'autre part, un accent propre est mis en ajoutant notamment la rubrique "expérience de la richesse langagière".
  Des choix propres sont aussi opérés pour les caractéristiques des textes. Les éléments qui s'inscrivent en dehors de l'environnement propre bénéficient d'une plus grande attention. Le principal critère pour un texte au niveau des élèves dans la pédagogie Steiner est que les élèves puissent intimement s'y associer. Ce qui amène cette liaison intrinsèque peut parfois ne pas faire partie de l'environnement des élèves au sens strict. Les écoles Steiner accordent beaucoup de valeur au développement de l'esprit des élèves en accordant de l'attention aux valeurs morales et imagées des textes.
  Pour l'école fondamentale, les écoles Steiner choisissent de ne pas scinder les caractéristiques des textes, mais à partir du premier degré les écoles Steiner reprennent la structure des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, dont la définition préalable des types de texte. Une exception doit être faite pour la rubrique "expérience de la richesse langagière", où l'on s'écarte également pour l'enseignement secondaire de la définition du type de texte et du niveau de texte.
  Niveaux d'assimilation
  Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente par rapport aux niveaux d'assimilation, tels que décrits dans les principes des pouvoirs publics. Bien que le "copiage" soit considéré dans ces principes comme étant le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur, surtout dans l'enseignement fondamental, mais aussi dans les écoles secondaires. Copier ou imiter est plus qu'une simple reproduction. En imitant, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Ils peuvent assimiler des nuances plus fines au niveau des sentiments, se représenter des images intérieures et un enregistrement certain est assuré dans la mémoire. S'il s'agit notamment de textes littéraires, cette imitation peut offrir une plus-value jusque dans les classes supérieures de l'enseignement secondaire. Les exercices de style comme l'imitation du style d'écriture d'un certain écrivain demandent une grande maîtrise de la langue. Apprendre par coeur les textes théâtraux dans le cadre d'une représentation peut, une fois la représentation terminée, entraîner une importante augmentation de la confiance en soi, de sorte que l'on osera plus facilement s'exprimer spontanément dans la langue étrangère.
  Dans les écoles Steiner, les formes de travail artistiques sont souvent considérées comme des formes d'assimilation équivalentes à un niveau descriptif. Ce que l'élève assimile intérieurement est restitué de manière descriptive. Contrairement à la définition du niveau d'assimilation de la "description" dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, une forme de transformation a eu lieu.
  Utilisation des médias numériques
  L'utilisation des médias numériques est adaptée aux objectifs finaux interdisciplinaires propres des TIC.
  Le cadre de référence européen MVT
  Les écoles Steiner réalisent aussi l'association avec le Cadre de Référence européen, comme indiqué dans le tableau suivant :

  
  
 " Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (32)

  
  
 EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
  
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 ESGA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 ESPA 1A 1Aucun ETA 1A 1A 1
  
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
" Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (32)
EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 ESGA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 ESPA 1A 1Aucun ETA 1A 1A 1
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
  Tekstsoorten en tekstkenmerken
  Voor de tekstsoorten en tekstkenmerken hanteren de steinerscholen eigen criteria omdat de artistiek-literaire teksten zoals hierboven beschreven een grote rol spelen in het vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen.
  Enerzijds kunnen de steinerscholen eveneens de volgende omschrijvingen hanteren voor hun eindtermen :
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Tâches langagières, niveaux d'assimilation, types de textes, caractéristiques de textes et stratégies
  ECOUTER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o relativement concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o également des sujets de nature plus générale, entre autres sur l'actualité
  O Situation langagière
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec et sans bruits de fond
  o avec ou sans support visuel
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o également des phrases composées d'une complexité restreinte
  o structure textuelle d'une complexité restreinte
  o de temps à autre des textes un peu plus longs
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation claire, naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o rythme normal
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o principalement univoque dans le contexte
  o également présentant des dérogations minimales à la langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
 " Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :

  
  
1 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; les textes littéraires et artistiques;
  
2 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et littéraires et artistiques;
  
3 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
  
4 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple
  
5 reconnaître des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
" Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :
1 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; les textes littéraires et artistiques;
2 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et littéraires et artistiques;
3 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
4 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple
5 reconnaître des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
  O bij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
  O bij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;
  O bij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;
  O bij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
  O bij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is. "
  Anderzijds wordt er met name door de rubriek " beleving van taalrijkdom " er aan toe te voegen een eigen accent gelegd.
  Ook voor de tekstkenmerken worden eigen keuzes gemaakt. Zo krijgen elementen die buiten de eigen leefwereld liggen een grotere aandacht. Het belangrijkste criterium voor een tekst op niveau van de leerlingen binnen de steinerpedagogie, is dat de leerlingen er zich innerlijk mee kunnen verbinden. Wat tot deze innerlijke verbinding leidt, kan soms ook buiten de leefwereld van de leerlingen in stricto senso behoren. Verder wordt er in de steinerscholen een grote waarde gehecht aan de ontwikkeling van het innerlijk van de leerlingen door aandacht te besteden aan de morele en beeldende waarde van de teksten.
  Voor de basisschool kiezen de steinerscholen ervoor om de tekstkenmerken niet apart uit te splitsen maar vanaf de eerste graad nemen de steinerscholen de structurering van de door de overheid bepaalde eindtermen over, inclusief het vooraf bepalen van de tekstsoorten. Een uitzondering moet gemaakt worden voor de rubriek " beleven van taalrijkdom " waar ook voor het secundair onderwijs wordt afgeweken van het bepalen van tekstsoort en tekstniveau.
  Verwerkingsniveaus
  De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveau's zoals beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel 'kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er vooral in de basisschool maar vaak ook in de secundaire scholen grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijnen nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden. Stijloefeningen zoals het nabootsen van de schrijfstijl van een bepaalde schrijver, vragen om een hoge beheersing van de taal. Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze verhoging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men gemakkelijker spontaan in de vreemde taal durft te spreken.
  Verder wordt in de steinerschool vaak kunstzinnige werkvormen als evenwaardige verwerkingsvormen gezien op een beschrijvend niveau. Dat wat door de leerling innerlijk werd opgenomen wordt in zekere zin beschrijvend weergegeven. Er heeft dan, in tegenstelling tot de omschrijving van het verwerkingsniveau 'beschrijven' in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen, wel al enige vorm van transformatie plaats gevonden.
  Gebruik van digitale media
  Het gebruik van digitale media wordt aangepast aan de eigen vakoverschrijdende eindtermen ICT.
  Het Europees referentiekader MVT
  De steinerscholen voeren ook de koppeling met het Europees Referentiekader door zoals weergegeven in de hierna volgende tabel :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
 LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
  
BaoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
  
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1

  
  
6 ordonner de façon cohérente les informations recueillies dans des textes informatifs et narratifs.
LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
BaoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
6 ordonner de façon cohérente les informations recueillies dans des textes informatifs et narratifs.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten, tekstkenmerken en strategieën
  LUISTEREN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o vrij concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o ook onderwerpen van meer algemene aard, onder meer met betrekking tot de actualiteit
  O Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder achtergrondgeluiden
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o met aandacht voor digitale media
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o ook samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o tekststructuur met een beperkte mate van complexiteit
  o af en toe iets langere teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o duidelijke, natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o normaal tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o overwegend eenduidig in de context
  o ook met minimale afwijking van de standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
1 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
2 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
3 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
4 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
5 cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

  
  
7 donner une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
  
8 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
1 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
2 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
3 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
4 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
5 cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
7 donner une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
8 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  o déterminer l'objectif d'écoute et y conformer leur comportement langagier;
  o signaler qu'ils n'ont pas compris une chose et demander le sens;
  o utiliser des données d'appui (langagières et non langagières) dans le texte et en dehors du texte;
  o demander de parler plus lentement, de répéter;
  o former des hypothèses sur le contenu du texte;
  o déduire le sens probable de mots transparents;
  o déduire du contexte le sens probable de mots inconnus;
  o noter toute information pertinente.
  LIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o relativement concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o également des sujets de nature plus générale, entre autres sur l'actualité
  O Situation langagière
  o situations langagières pertinentes pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  o différences socioculturelles entre le monde francophone/ anglophone et le propre monde
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o également des phrases composées d'une complexité restreinte
  o des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple
  o des textes informatifs et prescriptifs structurés de manière pas trop complexe
  o de temps à autre des textes un peu plus longs
  o également pourvus d'informations redondantes
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o principalement univoque dans le contexte
  o également présentant des dérogations minimales à la langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
6 de informatie van informatieve en narratieve teksten op overzichtelijke manier ordenen.

  
  
9 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
  
10 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
11 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
  
12 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
13 reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs. Des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple;
  
14 reconnaître des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
6 de informatie van informatieve en narratieve teksten op overzichtelijke manier ordenen.
9 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
10 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs argumentatifs et artistiques-littéraires;
11 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
12 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
13 reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs. Des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple;
14 reconnaître des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
7 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
  
8 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
15 ordonner de façon cohérente les informations recueillies dans des textes informatifs et narratifs.
7 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
8 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
15 ordonner de façon cohérente les informations recueillies dans des textes informatifs et narratifs.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  o het luisterdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;
  o gebruik maken van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst;
  o vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen;
  o hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;
  o de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  o de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;
  o relevante informatie noteren.
  LEZEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  o Onderwerp
  o vrij concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o ook onderwerpen van meer algemene aard, onder meer met betrekking tot de actualiteit
  o Taalgebruikssituatie
  o voor de leerlingen relevante taalgebruikssituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o socioculturele verschillen tussen de Franstalige/Engelstalige wereld en de eigen wereld
  o met aandacht voor digitale media
  o Structuur/Samenhang/Lengte
  o ook samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o eenvoudig gestructureerde narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten
  o niet al te complex gestructureerde informatieve en prescriptieve teksten
  o af en toe iets langere teksten
  o ook met redundante informatie
  o Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o overwegend eenduidig in de context
  o ook met minimale afwijking van de standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
9 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
10 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
11 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
12 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
13 de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
14 cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

  
  
16 donner une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
17au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
9 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
10 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
11 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
12 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
13 de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
14 cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
16 donner une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
17au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  o relire des passages qui ne sont pas clairs;
  o déterminer l'objectif de lecture et y conformer leur comportement langagier;
  o utiliser des données d'appui (langagières et non langagières) dans le texte et en dehors du texte;
  o consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux;
  o former des hypothèses sur le contenu et le sens du texte;
  o déduire le sens probable de mots transparents;
  o déduire du contexte le sens probable de mots inconnus;
  o noter les informations pertinentes.
  PARLER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o de temps à autre également des sujets de nature plus générale
  O Situation langagière
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec et sans bruits de fond
  o avec ou sans support visuel
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples et phrases composées
  o structure textuelle claire
  o des éléments courts et simples unis pour former un ensemble cohérent
  o textes assez courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions et interruptions éventuelles
  o rythme normal
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o suffisamment élaboré pour pouvoir parler du propre environnement de vie, éventuellement par le biais de descriptions
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
15 de informatie van informatieve en narratieve teksten op overzichtelijke wijze ordenen.

  
  
18communiqués des informations retrouvées dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires;
  
19 reproduire des textes informatifs et narratifs qu'ils ont écoutés et lus.
15 de informatie van informatieve en narratieve teksten op overzichtelijke wijze ordenen.
18communiqués des informations retrouvées dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs et artistiques-littéraires;
19 reproduire des textes informatifs et narratifs qu'ils ont écoutés et lus.
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
16 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
  
17 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
20 résumer des textes informatifs, narratifs et artistiques-littéraires qu'ils ont lus;
  
21 rapporter une expérience, une situation et un événement;
  
22 donner une présentation à l'aide d'un format.
16 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
17 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
20 résumer des textes informatifs, narratifs et artistiques-littéraires qu'ils ont lus;
21 rapporter une expérience, une situation et un événement;
22 donner une présentation à l'aide d'un format.
  O zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  O onduidelijke passages herlezen;
  O het leesdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  O gebruik maken van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst;
  O digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;
  O hypothesen vormen over de inhoud en de bedoeling van de tekst;
  O de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  O de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;
  O relevante informatie aanduiden.
  SPREKEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o af en toe ook onderwerpen van meer algemene aard
  O Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder achtergrondgeluiden
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o met aandacht voor digitale media
  O Structuur/ Samenhang/ Lengte
  o enkelvoudige en samengestelde zinnen
  o duidelijke tekststructuur
  o korte, eenvoudige elementen verbonden tot een samenhangend geheel
  o vrij korte teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en onderbrekingen
  o normaal tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o toereikend om, eventueel met behulp van omschrijvingen, over de eigen leefwereld te spreken
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
18 informatie uit informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten meedelen;
  
19 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten navertellen.

  
  
23 commenter brièvement une appréciation;
  
24 commenter des textes informatifs et narratifs.
  
25 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
18 informatie uit informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten meedelen;
19 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten navertellen.
23 commenter brièvement une appréciation;
24 commenter des textes informatifs et narratifs.
25 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  o déterminer l'objectif de l'acte de parole et y conformer leur comportement langagier;
  o rédiger un plan du discours;
  o adopter un comportement non verbal;
  o utiliser des supports visuels et auditifs;
  o transmettre le message correcte par des descriptions en dépit des difficultés;
  o consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux et tenir compte des conséquences;
  o se mettre d'accord sur des points linguistiques lors d'un exposé collectif, utiliser l'apport de chacun dans le texte, évaluer et corriger.
  INTERACTION ORALE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o de temps à autre également des sujets de nature plus générale
  O Situation langagière
  o en général, les interlocuteurs s'adressent directement les uns aux autres
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec et sans appui visuel, y compris des signaux non verbaux
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples et phrases composées
  o structure textuelle claire
  o des éléments courts et simples unis pour former un ensemble cohérent
  o textes assez courts
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions et interruptions éventuelles
  o rythme normal
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o suffisamment élaboré pour pouvoir parler du propre environnement de vie, éventuellement par le biais de descriptions
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes :

  
  
20 gelezen informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten samenvatten;
  
21 verslag uitbrengen over een ervaring, een situatie en een gebeurtenis;
  
22 een presentatie geven aan de hand van een format.

  
  
26 exécuter les tâches langagières classées sous "écouter" et "parler" dans une situation de conversation;
  
27 commencer, poursuivre et conclure une simple conversation
  
28 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
20 gelezen informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten samenvatten;
21 verslag uitbrengen over een ervaring, een situatie en een gebeurtenis;
22 een presentatie geven aan de hand van een format.
26 exécuter les tâches langagières classées sous "écouter" et "parler" dans une situation de conversation;
27 commencer, poursuivre et conclure une simple conversation
28 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  pouvoir s'exprimer;
  o déterminer l'objectif de l'interaction et y conformer leur comportement langagier;
  o adopter un comportement non verbal;
  o transmettre le message correcte par des descriptions en dépit des difficultés;
  transfert
  o demander de parler plus lentement, de répéter;
  o répéter eux-mêmes quelque chose ou indiquer quelque chose pour vérifier s'ils ont compris l'autre;
  o appliquer de simples techniques pour commencer, poursuivre et conclure une courte conversation;
  o tenir compte des principales conventions lors d'une interaction orale.
  ECRIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  O Situation langagière
  o situations langagières pertinentes et familières pour les élèves
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o phrases simples et simples phrases composées
  o structure textuelle simple et claire
  o textes assez courts
  O Vocabulaire et variété langagière
  o suffisamment élaboré pour pouvoir écrire sur le propre environnement de vie, éventuellement par le biais de descriptions
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
23 een waardering kort toelichten;
  
24 informatieve en narratieve teksten becommentariëren.
  
25 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
29 paraphraser d'une simple manière des textes lus;
  
30 écrire des communications;
  
31 décrire une situation, un événement, une expérience;
  
32 utiliser des règles de courtoisie et des conventions de politesse quotidiennes dans les contacts sociaux;
  
33 donner leur opinion spontanée sur des textes informatifs, prescriptifs et narratifs.
23 een waardering kort toelichten;
24 informatieve en narratieve teksten becommentariëren.
25 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
29 paraphraser d'une simple manière des textes lus;
30 écrire des communications;
31 décrire une situation, un événement, une expérience;
32 utiliser des règles de courtoisie et des conventions de politesse quotidiennes dans les contacts sociaux;
33 donner leur opinion spontanée sur des textes informatifs, prescriptifs et narratifs.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  o het spreekdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o een spreekplan opstellen;
  o gebruik maken van non-verbaal gedrag;
  o gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief materiaal;
  o ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap overbrengen;
  o digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de consequenties ervan;
  o bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken maken, elkaars inbreng in de tekst benutten, evalueren en corrigeren.
  MONDELINGE INTERACTIE
  In teksten met de volgende kenmerken
  o Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o af en toe ook onderwerpen van meer algemene aard
  o Taalgebruikssituatie
  o de gesprekspartners richten zich meestal direct tot elkaar
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning, met inbegrip van non-verbale signalen
  o met aandacht voor digitale media
  o Structuur/Samenhang/Lengte
  o enkelvoudige en samengestelde zinnen
  o duidelijke tekststructuur
  o korte, eenvoudige elementen verbonden tot een samenhangend geheel
  o vrij korte teksten
  o Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  o Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en onderbrekingen
  o normaal tempo
  o Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o toereikend om, eventueel met behulp van omschrijvingen, over de eigen leefwereld te spreken
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
26 de taaltaken gerangschikt onder " luisteren " en " spreken ", in een gesprekssituatie uitvoeren;
  
27 een eenvoudig gesprek beginnen, aan de gang houden en afsluiten.
  
28 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
34 résumer des textes informatifs et narratifs;
  
35 écrire un rapport à l'aide d'un format;
  
36 mener une correspondance simple, digitale également.
Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :
  
37 traduire un point de vue en un texte informatif.
  
38 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
26 de taaltaken gerangschikt onder " luisteren " en " spreken ", in een gesprekssituatie uitvoeren;
27 een eenvoudig gesprek beginnen, aan de gang houden en afsluiten.
28 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
34 résumer des textes informatifs et narratifs;
35 écrire un rapport à l'aide d'un format;
36 mener une correspondance simple, digitale également.Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :
37 traduire un point de vue en un texte informatif.
38 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
  o het doel van de interactie bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o gebruik maken van non-verbaal gedrag;
  o ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap overbrengen;
  o vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen;
  o zelf iets herhalen of iets aanwijzen om na te gaan of zij de andere gesprekspartner begrepen hebben;
  o eenvoudige technieken toepassen om een kort gesprek te beginnen, gaande te houden en af te sluiten;
  o rekening houden met de belangrijkste conventies bij mondelinge interactie.
  SCHRIJVEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  O Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante en vertrouwde taalgebruiksituaties
  o met aandacht voor de digitale media
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen
  o eenvoudige en duidelijke tekststructuur
  o vrij korte teksten
  o Woordenschat en taalvariëteit
  o toereikend om, eventueel met behulp van omschrijvingen, over de eigen leefwereld te schrijven
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  o déterminer l'objectif d'écriture et y conformer leur comportement langagier;
  o rédiger un plan d'écriture;
  o recourir à un modèle ou un texte traité en classe;
  o consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux et tenir compte des conséquences;
  o utiliser la mise en page appropriée;
  o réviser le propre texte;
  o se mettre d'accord sur des points linguistiques lors d'une tâche d'écriture collective, utiliser l'apport de chacun dans le texte, évaluer et corriger;
  o tenir compte des principales conventions de la langue écrite.
  Connaissances, expérience de la richesse langagière et attitudes
  CONNAISSANCE

  
  
29 gelezen teksten op eenvoudige wijze parafraseren;
  
30 mededelingen schrijven;
  
31 een situatie, een gebeurtenis, een ervaring beschrijven;
  
32 alledaagse omgangsvormen en beleefdheidsconventies voor sociale contacten gebruiken;
  
33 een spontane mening verwoorden over informatieve, prescriptieve en narratieve teksten.

  
  
39 Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves peuvent faire preuve d'une maîtrise fonctionnelle, à leur niveau, des éléments linguistiques suivants :
29 gelezen teksten op eenvoudige wijze parafraseren;
30 mededelingen schrijven;
31 een situatie, een gebeurtenis, een ervaring beschrijven;
32 alledaagse omgangsvormen en beleefdheidsconventies voor sociale contacten gebruiken;
33 een spontane mening verwoorden over informatieve, prescriptieve en narratieve teksten.
39 Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves peuvent faire preuve d'une maîtrise fonctionnelle, à leur niveau, des éléments linguistiques suivants :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  Pour l'anglais :
  Connaissances grammaticales et lexicales complémentaires pour...
  Dénommer des personnes, animaux et objets
  O Identifier des personnes, animaux et objets :
  o Quoi ?/Qui ?
  o Substantifs : nombre, fini et infini
  o Articles : défini et indéfini
  o Pronoms : personnels, possessifs et démonstratifs
  o Combien ? Le combien / combientième ?
  o Exprimer des quantités
  O Déterminer et décrire des personnes, animaux et objets
  o Adjectifs
  O Ressemblances et différences
  o Degrés de comparaison
  O Indiquer des relations
  o Proposition relative et pronoms relatifs
  o Formes du génitif
  Produire des énoncés
  O Confirmer, demander et nier
  o Phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  o Accord entre sujet et verbe
  o Mots interrogatifs
  o Utilisation de do' pour exprimer quelque chose
  O Situer dans l'espace
  o Exprimer l'espace, le mouvement, la direction, la distance, etc.
  O Situer dans le temps
  o Exprimer le temps, la durée, la fréquence, la répétition, etc.
  o Formation et utilisation des principaux temps des verbes en vue de la communication au présent, passé et futur
  O Argumenter et identifier des relations logiques
  o Exprimer une raison, une cause et une conséquence
  o Exprimer un objectif
  o Exprimer une possibilité et une probabilité
  o Exprimer une volonté et des sentiments
  O Indiquer la relation et la cohésion entre des parties de texte
  o Simples phrases composées avec coordination
  O Faire rapport
  o Discours indirect
  Pour le français :
  Connaissances grammaticales et lexicales complémentaires pour...
  Dénommer des personnes, animaux et objets
  O Identifier des personnes, animaux et objets :
  o Quoi ?/Qui ?
  o Substantifs : nombre, fini et infini, genre
  o Articles : nombre, fini et infini, genre, article zéro, article partitif
  o Pronoms : personnels, possessifs, démonstratifs, sujet, complément d'objet direct et indirect, et/y
  o Combien ? Le combien/combientième ?
  o Exprimer des quantités
  O Déterminer et décrire des personnes, animaux et objets
  o Adjectifs
  o Correspondance substantif - adjectif
  o Ressemblances et différences
  o Degrés de comparaison
  O Indiquer des relations
  o Propositions relatives
  Produire des énoncés
  Confirmer, demander et nier
  o Phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  o Accord entre sujet et verbe
  o Mots interrogatifs
  o Souligner quelque chose
  Situer dans l'espace
  o Exprimer l'espace, le mouvement, la direction, la distance, etc.
  Situer dans le temps
  o Exprimer le temps, la durée, la fréquence, la répétition, etc.
  o Formation, valeur et utilisation des temps de l'indicatif en vue de la communication au présent, passé et futur.
  o Formation, valeur et utilisation des autres modes pour la communication
  Argumenter et identifier des relations logiques
  o Exprimer une raison, une cause et une conséquence
  o Exprimer un objectif
  o Exprimer la certitude/l'incertitude et le doute
  o Exprimer une possibilité ou probabilité
  o Exprimer une opposition et une concession
  o Exprimer une volonté et des sentiments
  o Exprimer une hypothèse
  O Indiquer la relation et la cohésion entre des parties de texte
  o Simples phrases composées avec coordination
  O Faire rapport
  o Discours indirect

  
  
34 gelezen informatieve en narratieve teksten samenvatten;
  
35 een verslag schrijven aan de hand van een format;
  
36 eenvoudige, ook digitale correspondentie voeren.

  
  
40 Les élèves peuvent réfléchir à la langue et à l'usage de la langue dans les situations d'usage linguistique mentionnées et élargir leurs connaissances fonctionnelles pour soutenir leur maîtrise de la langue suite à des situations communicatives sensées et à des tâches langagières :
34 gelezen informatieve en narratieve teksten samenvatten;
35 een verslag schrijven aan de hand van een format;
36 eenvoudige, ook digitale correspondentie voeren.
40 Les élèves peuvent réfléchir à la langue et à l'usage de la langue dans les situations d'usage linguistique mentionnées et élargir leurs connaissances fonctionnelles pour soutenir leur maîtrise de la langue suite à des situations communicatives sensées et à des tâches langagières :
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  o reconnaître et analyser des formes et structures ayant déjà été traitées en classe;
  o découvrir et formuler, sous accompagnement, des règles, en observant comment fonctionnent des formes et des structures;
  o découvrir des ressemblances et des différences entre les langues et mettre en oeuvre leur connaissance d'autres langues.

  
  
37 een standpunt verwoorden in de vorm van een informatieve tekst.
  
38 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
41 Les élèves sont en mesure de distinguer des différences et ressemblances en mode de vie entre la propre culture et la culture d'une région où l'on parle la langue cible.
37 een standpunt verwoorden in de vorm van een informatieve tekst.
38 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
41 Les élèves sont en mesure de distinguer des différences et ressemblances en mode de vie entre la propre culture et la culture d'une région où l'on parle la langue cible.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  o het schrijfdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o een schrijfplan opstellen;
  o gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
  o digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de consequenties ervan;
  o de passende lay-out gebruiken;
  o de eigen tekst nakijken;
  o bij een gemeenschappelijke schrijftaak talige afspraken maken, elkaars inbreng in de tekst benutten, evalueren en corrigeren;
  o rekening houden met de belangrijkste conventies van geschreven taal.
  Kennis, beleving van taalrijkdom en attitudes
  KENNIS
  PERCEPTION DE LA RICHESSE LANGAGIÔRE
  Les élèves perçoivent :

  
  
39 Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen op hun niveau functionele beheersing van de volgende taalelementen inzetten :

  
  
42 *les modes d'expression spécifiques du français et de l'anglais dans les différents genres textuels littéraires en tant que patrimoine culturel organique et vivant;
  
43 * la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme des langues française et anglaise et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
  
44 *dans le contenu des textes littéraires français et anglais, les caractéristiques socioculturelles des langues et des cultures françaises et anglaises;
  
45 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à la mentalité et à la culture d'une communauté linguistique.
39 Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen op hun niveau functionele beheersing van de volgende taalelementen inzetten :
42 *les modes d'expression spécifiques du français et de l'anglais dans les différents genres textuels littéraires en tant que patrimoine culturel organique et vivant;
43 * la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme des langues française et anglaise et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
44 *dans le contenu des textes littéraires français et anglais, les caractéristiques socioculturelles des langues et des cultures françaises et anglaises;
45 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à la mentalité et à la culture d'une communauté linguistique.
  Voor Engels :
  De grammaticale en complementaire lexicale kennis om...
  Personen, dieren en zaken te benoemen
  O Te verwijzen naar personen, dieren en zaken
  o Wat ?/Wie ?
  o Zelfstandige naamwoorden : getal, telbaar en ontelbaar
  o Lidwoorden : bepaald en onbepaald
  o Voornaamwoorden : persoonlijk, bezittelijk en aanwijzend
  o Hoeveel ? De hoeveelste ?
  o Uitdrukken van hoeveelheden
  O Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven
  o Bijvoeglijke naamwoorden
  O Gelijkenissen en verschillen
  o Trappen van vergelijking
  O Relaties aan te duiden
  o Betrekkelijke bijzinnen en betrekkelijke voornaamwoorden
  o Genitiefvormen
  Uitspraken te doen
  O Te bevestigen, te vragen en te ontkennen
  o Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  o Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord
  o Vragende woorden
  o Gebruik van 'do' om iets te benadrukken
  O Te situeren in de ruimte
  o Uitdrukken van ruimte, beweging, richting, afstand ...
  O Te situeren in de tijd
  o Uitdrukken van tijd, duur, frequentie, herhaling...
  o Vorming en gebruik van de belangrijkste tijden van de werkwoorden voor de communicatie in de tegenwoordige, de verleden en de toekomende tijd
  O Te argumenteren en logische verbanden te leggen
  o Uitdrukken van reden, oorzaak en gevolg
  o Uitdrukken van doel
  o Uitdrukken van mogelijkheid en waarschijnlijkheid
  o Uitdrukken van wil en gevoelens
  O Relatie en samenhang tussen tekstgedeelten aan te duiden
  o Eenvoudige samengestelde zinnen met nevenschikking
  O Te rapporteren
  o Indirecte rede
  Voor Frans :
  De grammaticale en complementaire lexicale kennis om...
  Personen, dieren en zaken te benoemen
  O Te verwijzen naar personen, dieren en zaken
  o Wat? / Wie?
  o Zelfstandige naamwoorden : getal, telbaar en ontelbaar, genus
  o Lidwoorden : getal, bepaald en onbepaald, genus, article zéro, article partitif
  o Voornaamwoorden : persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend, onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp, en/y
  o Hoeveel? De hoeveelste?
  o Uitdrukken van hoeveelheden
  O Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven
  o Bijvoeglijke naamwoorden
  o Overeenkomst zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord
  o Gelijkenissen en verschillen
  o Trappen van vergelijking
  O Relaties aan te duiden
  o Betrekkelijke bijzinnen
  Uitspraken te doen
  O Te bevestigen, te vragen en te ontkennen
  o Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  o Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord
  o Vragende woorden
  o Iets benadrukken
  O Te situeren in de ruimte
  o Uitdrukken van ruimte, beweging, richting, afstand...
  O Te situeren in de tijd
  o Uitdrukken van tijd, duur, frequentie, herhaling...
  o Vorming, waarde en gebruik van de tijden van de 'indicatif' voor de communicatie in de tegenwoordige, de verleden en de toekomende tijd
  o Vorming, waarde en gebruik van de andere wijzen voor de communicatie
  O Te argumenteren en logische verbanden te leggen
  o Uitdrukken van reden, oorzaak en gevolg
  o Uitdrukken van doel
  o Uitdrukken van (on)zekerheid en twijfel
  o Uitdrukken van (on)mogelijkheid en waarschijnlijkheid
  o Uitdrukken van tegenstelling en toegeving
  o Uitdrukken van wil en gevoelens
  o Uitdrukken van hypothese
  O Relatie en samenhang tussen tekstgedeelten aan te duiden
  o Eenvoudige samengestelde zinnen met nevenschikking
  O Te rapporteren
  o Indirecte rede
  ATTITUDES
  Les élèves développent les attitudes suivantes :

  
  
40 De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door naar aanleiding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken :

  
  
46* montrent la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français/anglais;
  
47* ambitionnent l'utilisation d'un langage choisi;
  
48* montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue;
  
49* être ouvert aux différences et aux similitudes dans le mode de vie entre la culture propre et la culture d'une région où la langue cible est parlée;
  
50* s'ouvrent pour la composante esthétique des textes.
40 De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door naar aanleiding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken :
46* montrent la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français/anglais;
47* ambitionnent l'utilisation d'un langage choisi;
48* montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue;
49* être ouvert aux différences et aux similitudes dans le mode de vie entre la culture propre et la culture d'une région où la langue cible est parlée;
50* s'ouvrent pour la composante esthétique des textes.
  O reeds in de klas behandelde vormen en structuren te herkennen en ontleden;
  O door te observeren hoe vormen en structuren functioneren, onder begeleiding regels te ontdekken en formuleren;
  O gelijkenissen en verschillen tussen talen ontdekken en hun kennis van andere talen in te zetten.
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN

  
  
41 De leerlingen kunnen verschillen en gelijkenissen onderscheiden in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
-
41 De leerlingen kunnen verschillen en gelijkenissen onderscheiden in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
-
  BELEVING VAN TAALRIJKDOM
  De leerlingen beleven
-

  
  
42 *de specifieke uitdrukkingswijzen van het Frans en het Engels in verschillende literaire tekstgenres als een organisch en levend cultuurgoed;
  
43 * aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
  
44 *aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur;
  
45 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot het gedachteleven en de cultuur van een taalgemeenschap
-
42 *de specifieke uitdrukkingswijzen van het Frans en het Engels in verschillende literaire tekstgenres als een organisch en levend cultuurgoed;
43 * aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
44 *aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur;
45 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot het gedachteleven en de cultuur van een taalgemeenschap
-
  ATTITUDES
  De leerlingen werken aan de volgende attitudes :
-

  
  
46* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans / Engels;
  
47* streven naar taalverzorging;
  
48* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers;
  
49* staan open voor verschillen en gelijkenissen in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt;
  
50* stellen zich open voor de esthetische component van teksten.
-
46* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans / Engels;
47* streven naar taalverzorging;
48* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers;
49* staan open voor verschillen en gelijkenissen in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt;
50* stellen zich open voor de esthetische component van teksten.
-
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs.
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
-
Art. N13. Bijlage 13. - Eindtermen moderne vreemde talen (Frans/Engels) derde graad algemeen secundair onderwijs
  De grond voor de aanvraag van vervangende eindtermen ligt in specifieke pedagogische en onderwijskundige benaderingswijze en de leeftijdsgerichte aanpak die kenmerkend zijn voor het steineronderwijs.
  De leeftijdsgerichte ontwikkeling :
  De steinerscholen hebben sinds het ontstaan van de steinerpedagogie in 1919 het vreemdetalenonderwijs hoog in hun vaandel geschreven en wereldwijd worden er in de steiner/Waldorfscholen in de mate van het mogelijke twee vreemde talen aangeleerd vanaf de leeftijd van 6 à 7 jaar. (33) De principes van het vreemdetalenonderwijs in de steinerscholen sluiten dus aan bij de aanbevelingen van de Europese Raad van Barcelona maart 2002, toen de staatshoofden en regeringsleiders (34) aandrongen op het onderwijzen van ten minste twee vreemde talen en dat vanaf zeer jonge leeftijd. Ook de langetermijndoelstelling van de Commissie die erin bestaat de individuele meertaligheid te bevorderen opdat alle burgers beschikken over praktische vaardigheden in ten minste twee vreemde talen wordt door de steinerscholen onderschreven (35). Ook in het onlangs gestarte beroepsonderwijs met steinerpedagogie zijn twee vreemde talen in het leerplan van het vak project algemene vakken opgenomen.
  Zoals reeds beschreven in de algemene motivering voor vervangende eindtermen voor de steinerscholen en zoals reeds gemotiveerd in de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs uit 1997 (36) gaat men bij het vreemdetalenonderwijs eveneens uit van de leeftijdsgerichte ontwikkeling.
  In de kleuterschool leggen de leerlingen de basis voor het mondelinge gebruik van hun moedertaal. In de eerste jaren van de lagere school leggen ze de basis voor het schriftelijk taalgebruik van de moedertaal. Vermits men dan nog kan profiteren van de gevoelige periode voor het verwerven van een vreemde taal, kan in die jaren de mondelinge basis gelegd worden. In de laatste jaren van de lagere school kan men starten met het schriftbeeld in de vreemde taal. Ook de eerste eenvoudige grammaticale elementen zijn hier op z'n plaats in aansluiting met het moedertaalonderwijs. Rond de leeftijd van 12 jaar komt de grammatica in de vreemde taal meer aan bod. Het verschaft de leerling in de prepuberteit wat houvast, structuur en objectiviteit. Er wordt daarbij voortgebouwd op de basis die in de lagere klassen werd gelegd. Verschillende grammaticale structuren en vaste zinsconstructie werden immers al veelvuldig geoefend d.m.v. recitatie, spelvormen en dialoog. Wat voorheen onbewust werd opgenomen wordt nu bewust gemaakt en verklaard.
  In de eerste graad en tweede graad secundair onderwijs ligt het accent sterk op de verwerving van de taal tot op een niveau dat de leerling er zich in thuis voelt. Dat vraagt, naast oefening in communicatie, om heel wat lexicale en grammaticale kennis. In de derde graad gaat het accent liggen op het werkelijk inzetten van de taal in een reële context van spreken en schrijven. Het literatuuronderwijs van de vreemde taal krijgt een daarbij een belangrijke plaats toebedeeld.
  TOELICHTING
  In de lijn van het Europese Referentiekader voor Talen wordt ook in de eigen eindtermen voor de steinerscholen de vaardigheid spreken opgesplitst in 'spreken' en 'mondelinge interactie' zodat er nu vijf vaardigheden zijn in plaats van vier. Uiteraard onderschrijven de steinerscholen eveneens dat veel communicatiesituaties alleen op een vrij kunstmatige wijze aan één van deze vaardigheidsdomeinen worden toegewezen.
  Voor de eindtermen van het secundair onderwijs is zowel de structurering als het gros van de door de overheid bepaalde eindtermen overgenomen. Er is wel een rubriek " beleving van taalrijkdom " aan toegevoegd.
  Toevoeging van de rubriek " beleving van taalrijkdom "
  Hoewel het strikt genomen geen vaardigheid genoemd kan worden, en het eerder over het ervaren van de eigenheid van de andere taal gaat, voegen de steinerscholen onder een nieuwe rubriek " beleving van taalrijkdom " een aantal eindtermen toe. Dit heeft enerzijds consequenties voor het soort teksten dat men gebruikt in het vreemdetalenonderwijs en anderzijds heeft het een band met (inter)culturele gerichtheid of de culturele component. De steinerscholen delen de bekommernis van de overheid zoals uitgedrukt in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen :
Art. N13. Annexe 13. - Objectifs finaux langues étrangères modernes (Français/Anglais) troisième degré de l'enseignement secondaire général
  MOTIVATION
  La base de la demande relative aux objectifs finaux de remplacement se situe dans l'approche pédagogique et didactique spécifique et dans l'approche axée sur l'âge qui caractérise l'enseignement Steiner.
  Le développement axé sur l'âge :
  Depuis la création de la pédagogie Steiner en 1919, les écoles Steiner ont prévu à l'enseignement des langues étrangères et dans le monde, les écoles Steiner/Waldorf enseignent dans la mesure du possible deux langues étrangères dès l'âge de 6 à 7ans. (33) Les principes de l'enseignement des langues étrangères dans les écoles Steiner adhèrent donc aux recommandations du Conseil européen de Barcelone de mars 2002, lorsque les chefs d'Etat et de gouvernement (34) ont insisté sur l'enseignement d'au moins deux langues étrangères, dès le plus jeune âge. Les écoles Steiner souscrivent à l'objectif à long terme de la Commission visant à favoriser le plurilinguisme individuel pour que tous les citoyens disposent de compétences pratiques dans au moins deux langues étrangères (35). L'enseignement professionnel récemment lancé avec la pédagogie Steiner reprend lui aussi deux langues étrangères dans le plan d'apprentissage des branches générales.
  Tel que décrit dans la motivation générale pour les objectifs finaux de remplacement pour les écoles Steiner et comme motivé dans la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux dans l'enseignement fondamental ordinaire de 1997 (36), on part aussi pour l'enseignement des langues étrangères du développement axé sur l'âge.
  A l'école maternelle, les élèves jettent les bases pour l'usage oral de leur langue maternelle. Durant les premières années de l'école primaire, ils jettent les bases pour l'usage écrit de leur langue maternelle. Puisque l'on peut profiter de la période réceptive pour l'acquisition d'une langue étrangère, les bases orales peuvent être jetées durant ces années. Au cours des dernières années de l'école primaire, on peut commencer le graphisme dans la langue étrangère. Les premiers éléments grammaticaux simples sont aussi à leur place, parallèlement à l'enseignement de la langue maternelle. Vers l'âge de douze ans, la grammaire dans la langue étrangère est plus abordée. Elle offre à l'élève à la prépuberté une structure, un repère et de l'objectivité. On développe pour cela les bases acquises durant les classes de primaire. Plusieurs structures grammaticales et des constructions de phrase fixes ont en effet fait l'objet de divers exercices, notamment via des récitations, des dialogues ou encore des formes ludiques. Ce qui a auparavant été appris inconsciemment est expliqué et on en prend conscience.
  Durant le premier et le deuxième degré de l'enseignement secondaire, l'accent est fortement mis sur l'acquisition de la langue jusqu'à un niveau auquel l'élève se sente à l'aise. Cela demande, outre l'exercice dans la Communication, de nombreuses connaissances grammaticales et lexicales. Au troisième degré l'accent est mis sur l'application effective de la langue dans un contexte réel de discussion et d'écriture. L'enseignement de la littérature de la langue étrangère y bénéficie d'une place importante.
  COMMENTAIRE
  Conformément au Cadre de référence européen pour les Langues, dans les objectifs finaux propres des écoles Steiner, la compétence de l'expression est subdivisée en "expression" et "interaction orale", de sorte qu'il existe à présent cinq et non plus quatre compétences. Les écoles Steiner souscrivent en effet à l'idée que de nombreuses situations de communication ne sont attribuées que de manière assez artificielle à l'un de ces domaines de compétence.
  En ce qui concerne les objectifs finaux de l'enseignement secondaire, tant la structuration que la coopération transfrontalière des objectifs finaux définis par les autorités sont reprises. Une rubrique "expérience de la richesse langagière" est ajoutée.
  Ajout de la rubrique "expérience de la richesse langagière"
  Bien que l'on ne puisse pas parler d'une compétence au sens strict et qu'il s'agisse plutôt de l'expérience du caractère propre de l'autre langue, les écoles Steiner ajoutent plusieurs objectifs finaux sous une nouvelle rubrique appelée "expérience de la richesse langagière". Cela a d'une part des conséquences pour le type de textes que l'on utilise dans l'enseignement des langues étrangères et d'autre part, cela a un lien avec l'orientation (inter)culturelle ou la composante culturelle. Les écoles Steiner partagent les inquiétudes des pouvoirs publics, comme exprimé dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics pour les langues étrangères :
  Cette composante ne peut certainement pas être limitée au développement de plusieurs données géographiques, historiques ou littéraires qui sont considérées comme typiques pour cette culture. Il est plus important que les élèves comprennent le fonctionnement des autres cultures. Plus concrètement, il s'agit des valeurs et des attitudes en vigueur, tel qu'elles sont concrétisées dans la vie quotidienne, ainsi que des conventions sociales et rituelles. Il s'agit non seulement des arts et des lettres, mais aussi des modes de vie, des systèmes de valeur, des traditions et des convictions. La culture est considérée au sens le plus large du terme : des détails dans la sphère socioculturelle à la communication interculturelle entre les cultures. Bref : la culture comprend l'ensemble des différentes expressions spirituelles, matérielles, intellectuelles et émotionnelles qui caractérisent une communauté ou un groupe social. Il y aura de cette manière en principe une plus grande ouverture par rapport à la diversité culturelle (37).
  La pédagogie Steiner pédagogie veut ajouter encore une dimension à tous les éléments susmentionnés. Les cultures ne communiquent essentiellement pas entre elles, mais bien les individus avec un contexte culturel différent. Faire entrer les élèves en contact avec une langue étrangère est la manière par excellence de développer et susciter l'intérêt et l'ouverture pour "l'autre"; une mission pédagogique qui est de la plus haute importance à notre époque.
  La langue est bien plus qu'un simple moyen de communication professionnel et la communication ne se limite pas à la langue. Ces données ont des conséquences pour la vision sur l'enseignement de la langue étrangère des écoles Steiner. Outre le moyen de communication, la langue est aussi un support du patrimoine culturel d'un peuple. La langue, en tant que bien culturel vivant et organique, peut être considérée comme le principal moyen de communication de l'homme. Elle reflète dans son caractère propre les nuances de la manière dont la réalité est vécue par l'homme qui parle cette langue. La langue est pour ainsi dire une construction artificielle d'une nature et d'une culture profondes. Apprendre une langue étrangère, comme un bien culturel vivant et organique, est donc un moyen d'aller à la rencontre de cette culture et de cette nature sans aucun jugement. La langue étrangère nous engage avec des attitudes, des conventions, des valeurs, des réflexions comme des expressions d'une culture spécifique.
  Plus que les textes informatifs, prescriptifs et narratifs ordinaires, les textes artistiques et littéraires sont des expressions de la "langue vivante" et le moyen par excellence de rejoindre en profondeur d'autres cultures. Ces textes artistiques et littéraires peuvent présenter divers degrés de difficulté de la simple poésie infantile et des couplets aux grands romans littéraires et aux poésies épiques ou aux textes théâtraux. Si l'on peut introduire le texte littéraire via des formes de travail dramatiques dans la classe, la langue étrangère prend vie de manière unique. La littérature était tout d'abord un art oral. Grâce à l'expérience linguistique dans une langue étrangère, on vit le caractère propre de la culture des autres. C'est pourquoi les écoles Steiner optent pour l'ajout d'une rubrique "expérience de la richesse langagière" dans les objectifs finaux. Les textes que l'on utilise pour ces objectifs finaux ne se limitent pas au niveau décrit pour les textes des autres rubriques.
  Tâche langagière et texte
  Les écoles Steiner suivent la signification du terme "texte" telle que définie par le Conseil de l'Europe, ou "texte" renvoie tout message produit ou reçu par les élèves, qu'il soit oral ou écrit.
  Le paragraphe suivant, tiré des principes des objectifs finaux pour les langues étrangères fixés par les pouvoirs publics, est d'application pour les écoles Steiner :

  
  
 " Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (37)

  
  
 Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtrise r les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (38)
" Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd : van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom : cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. " (37)
Lors de la définition du niveau de difficulté des objectifs finaux, plusieurs facteurs doivent être pris en considération. Tout d'abord, et surtout, tous les groupes d'élèves ne pourront pas traiter des mêmes textes. De plus, le niveau de difficulté des textes ne doit pas être identique pour tous les élèves et, enfin, tous les élèves ne devront pas maîtrise r les textes de la même manière. C'est pourquoi l'on opte pour la différenciation sur la base des types de texte, des caractéristiques des textes et des niveaux de traitement. Bien qu'aucun de ces éléments ne puisse valoir comme critère absolu pour la désignation du niveau de difficulté de la tâche langagière, la conjonction de ces critères offre un espace de différenciation suffisant (38)
  De steinerpedagogie wil aan al het bovenstaande nog een dimensie toevoegen. In essentie communiceren niet de culturen met elkaar maar wel individuen met een verschillende culturele achtergrond. Leerlingen in contact brengen met een vreemde taal is de manier bij uitstek om openheid en interesse voor het andere dan ik zelf' te wekken en te ontwikkelen; een pedagogische opdracht die van het grootste belang is in onze tijd.
  Taal is sowieso meer dan louter een zakelijk communicatiemiddel en communicatie is meer dan taal. Dit gegeven heeft consequenties voor de visie op vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen. Naast communicatiemiddel is een taal dan ook een drager van het cultureel erfgoed van een volk. Taal, als organisch en levend cultuurgoed, mogen we gerust beschouwen als het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van de mens. Het weerspiegelt in zijn eigenheid de nuances van hoe de realiteit beleefd wordt door de mens die deze taal spreekt. Taal is a.h.w. een kunstig bouwsel van een diepliggende cultuur en geaardheid. Een vreemde taal leren, als een organisch en levend cultuurgoed, is dus een middel om die cultuur en geaardheid niet oordelend tegemoet te treden. De vreemde taal verbindt ons zo met houdingen, conventies, waarden, denken als uitdrukkingen van een specifieke cultuur.
  Meer dan de gewone informatieve, prescriptieve en narratieve teksten zijn artistiek-literaire teksten uitingen van de 'levende taal' en middel bij uitstek om zich diepgaand te verbinden met andere culturen. Deze artistiek-literaire teksten kunnen een uiteenlopende moeilijkheidsgraad hebben van eenvoudige kinderpoëzie en rijmpjes tot grote literaire romans en epische gedichten of theaterteksten. Als men de literaire tekst via dramatische werkvormen in de klas kan brengen, komt de vreemde taal op een unieke manier tot leven. Literatuur was in de eerste plaats een orale kunst. Via taalbeleving in een vreemde taal komt men tot het beleven van het eigene van de cultuur van de andere. Daarom kiezen de steinerscholen ervoor om ook een rubriek beleving van taalrijkdom aan de eindtermen toe te voegen. De teksten die men voor deze eindtermen gebruikt, beperken zich niet tot het niveau beschreven voor de teksten van de andere rubrieken.
  Taaltaak en tekst
  De steinerscholen volgen eveneens de betekenis van het woord " tekst " zoals in de definitie van de Raad van Europa het geval is, waarbij 'tekst' verwijst naar elke boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel mondeling als schriftelijk.
  Ook het hierna geciteerde uit de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen is van toepassing voor de steinerscholen :
  Types de textes et caractéristiques des textes
  En ce qui concerne les types de texte et les caractéristiques de texte, les écoles Steiner utilisent leurs propres critères car les textes artistiques et littéraires tels que décrits ci-dessus jouent un rôle important dans l'enseignement des langues étrangères des écoles Steiner.
  Les écoles Steiner peuvent d'une part utiliser les descriptions suivantes pour leurs objectifs finaux :
  Ces types de texte sont décrits sur la base de ce que l'on considère comme étant la caractéristique la plus dominante du texte :
  O pour les textes informatifs, la transmission des informations;
  O pour les textes prescriptifs, la direction directe des actes du destinataire;
  O pour les textes narratifs, la restitution contée des faits et événements;
  O pour les textes argumentatifs, le développement d'un raisonnement;
  O pour les textes artistiques et littéraires, le fait que la composante esthétique soit explicitement présente".
  D'autre part, un accent propre est mis en ajoutant notamment la rubrique "expérience de la richesse langagière".
  Des choix propres sont aussi opérés pour les caractéristiques des textes. Les éléments qui s'inscrivent en dehors de l'environnement propre bénéficient d'une plus grande attention. Le principal critère pour un texte au niveau des élèves dans la pédagogie Steiner est que les élèves puissent intimement s'y associer. Ce qui amène cette liaison intrinsèque peut parfois ne pas faire partie de l'environnement des élèves au sens strict. Les écoles Steiner accordent beaucoup de valeur au développement de l'esprit des élèves en accordant de l'attention aux valeurs morales et imagées des textes.
  Pour l'école fondamentale, les écoles Steiner choisissent de ne pas scinder les caractéristiques des textes, mais à partir du premier degré les écoles Steiner reprennent la structure des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, dont la définition préalable des types de texte. Une exception doit être faite pour la rubrique "expérience de la richesse langagière", ou l'on s'écarte également pour l'enseignement secondaire de la définition du type de texte et du niveau de texte.
  Niveaux d'assimilation
  Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente par rapport aux niveaux d'assimilation, tels que décrits dans les principes des pouvoirs publics. Bien que le "copiage" soit considéré dans ces principes comme étant le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur, surtout dans l'enseignement fondamental, mais aussi dans les écoles secondaires. Copier ou imiter est plus qu'une simple reproduction. En imitant, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Ils peuvent assimiler des nuances plus fines au niveau des sentiments, se représenter des images intérieures et un enregistrement certain est assuré dans la mémoire. S'il s'agit notamment de textes littéraires, cette imitation peut offrir une plus-value jusque dans les classes supérieures de l'enseignement secondaire. Les exercices de style comme l'imitation du style d'écriture d'un certain écrivain demandent une grande maîtrise de la langue. Apprendre par coeur les textes théâtraux dans le cadre d'une représentation peut, une fois la représentation terminée, entraîner une importante augmentation de la confiance en soi, de sorte que l'on osera plus facilement s'exprimer spontanément dans la langue étrangère.
  Dans les écoles Steiner, les formes de travail artistiques sont souvent considérées comme des formes d'assimilation équivalentes à un niveau descriptif. Ce que l'élève assimile intérieurement est restitué de manière descriptive. Contrairement à la définition du niveau d'assimilation de la "description" dans les principes des objectifs finaux définis par les pouvoirs publics, une forme de transformation a eu lieu.
  Utilisation des médias numériques
  L'utilisation des médias numériques est adaptée aux objectifs finaux interdisciplinaires propres des TIC.
  Le cadre de référence européen MVT
  Les écoles Steiner réalisent aussi l'association avec le Cadre de Référence européen, comme indiqué dans le tableau suivant :

  
  
 " Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (38)

  
  
 EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
  
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 ESGA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 ESPA 1A 1Aucun ETA 1A 1A 1
  
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
" Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte. " (38)
EcouterLireParler Interaction oraleEcrireGlobalement
Ens.fond.A 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 ESGA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 ESPA 1A 1Aucun ETA 1A 1A 1
2 ESA/ESTA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 ESGB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3ESP (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 ESP (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 ESA/ESTA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
  Tekstsoorten en tekstkenmerken
  Voor de tekstsoorten en tekstkenmerken hanteren de steinerscholen eigen criteria omdat de artistiek-literaire teksten zoals hierboven beschreven een grote rol spelen in het vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen.
  Enerzijds kunnen de steinerscholen eveneens de volgende omschrijvingen hanteren voor hun eindtermen :
  OBJECTIFS FINAUX DE REMPLACEMENT
  Tâches langagières, niveaux d'assimilation, types de textes, caractéristiques de textes et stratégies
  ECOUTER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o de temps à autre un peu d'abstraction
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o également des sujets de nature plus générale, entre autres sur l'actualité
  O Situation langagière
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec et sans bruits de fond
  o avec ou sans support visuel
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o également des phrases composées d'une complexité restreinte
  o structure textuelle avec une certaine mesure de complexité
  o de temps à autre des textes un peu plus longs
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation claire, naturelle
  o peu de dérogation à la langue standard
  O Rythme et aisance
  o rythme normal
  O Vocabulaire et variété langagière
  o principalement des mots fréquents
  o principalement univoque dans le contexte
  o également présentant des dérogations minimales à la langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
 " Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :

  
  
1 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; les textes littéraires et artistiques;
  
2 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
3 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
  
4 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
5 rechercher les expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
" Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :
1 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; les textes littéraires et artistiques;
2 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
3 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et littéraires et artistiques;
4 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
5 rechercher les expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
  O bij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
  O bij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;
  O bij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;
  O bij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
  O bij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is. "
  Anderzijds wordt er met name door de rubriek " beleving van taalrijkdom " er aan toe te voegen een eigen accent gelegd.
  Ook voor de tekstkenmerken worden eigen keuzes gemaakt. Zo krijgen elementen die buiten de eigen leefwereld liggen een grotere aandacht. Het belangrijkste criterium voor een tekst op niveau van de leerlingen binnen de steinerpedagogie, is dat de leerlingen er zich innerlijk mee kunnen verbinden. Wat tot deze innerlijke verbinding leidt, kan soms ook buiten de leefwereld van de leerlingen in stricto senso behoren. Verder wordt er in de steinerscholen een grote waarde gehecht aan de ontwikkeling van het innerlijk van de leerlingen door aandacht te besteden aan de morele en beeldende waarde van de teksten.
  Voor de basisschool kiezen de steinerscholen ervoor om de tekstkenmerken niet apart uit te splitsen maar vanaf de eerste graad nemen de steinerscholen de structurering van de door de overheid bepaalde eindtermen over, inclusief het vooraf bepalen van de tekstsoorten. Een uitzondering moet gemaakt worden voor de rubriek " beleven van taalrijkdom " waar ook voor het secundair onderwijs wordt afgeweken van het bepalen van tekstsoort en tekstniveau.
  Verwerkingsniveaus
  De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveau's zoals beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel 'kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er vooral in de basisschool maar vaak ook in de secundaire scholen grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijne nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden. Stijloefeningen zoals het nabootsen van de schrijfstijl van een bepaalde schrijver, vragen om een hoge beheersing van de taal. Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze verhoging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men gemakkelijker spontaan in de vreemde taal durft te spreken.
  Verder wordt in de steinerschool vaak kunstzinnige werkvormen als evenwaardige verwerkingsvormen gezien op een beschrijvend niveau. Dat wat door de leerling innerlijk werd opgenomen wordt in zekere zin beschrijvend weergegeven. Er heeft dan, in tegenstelling tot de omschrijving van het verwerkingsniveau 'beschrijven' in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen, wel al enige vorm van transformatie plaats gevonden.
  Gebruik van digitale media
  Het gebruik van digitale media wordt aangepast aan de eigen vakoverschrijdende eindtermen ICT.
  Het Europees referentiekader MVT
  De steinerscholen voeren ook de koppeling met het Europees Referentiekader door zoals weergegeven in de hierna volgende tabel :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
 LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
  
baoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
  
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
  
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
  
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
  
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
  
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
  
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
  
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
  
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1

  
  
6 classer de manière claire et personnelle les informations des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, artistiques-littéraires et argumentatifs.
LuisterenLezenSpreken Mondel. interactieSchrijvenGlobaal
baoA 1A 1A 1A 1A 1A 1
1 AA 1/A 2A 1/ A 2A 2A 2A 1/A 2A 2
1 BA 1A 1A 1A 1A 1A 1
2 asoA 2/B 1A 2/B 1B 1B 1B 1B 1
2 bsoA 1A 1Geen ETA 1A 1A 1
2 kso/tsoA 2A 2A 2A 2A 2A 2
3 asoB 1B 1B 1B 1B 1B 1
3 bso (1+2)A 1/A2A 1/A2A 1A1/A 2A 1A 1
3 bso (3)A 2A1/A 2A 1A 2A 1A 2
3 kso/tsoA 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2/B 1A 2A 2/B 1
6 classer de manière claire et personnelle les informations des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, artistiques-littéraires et argumentatifs.
  VERVANGENDE EINDTERMEN
  Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten, tekstkenmerken en strategieën
  LUISTEREN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o af en toe enige abstractie
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o ook onderwerpen van meer algemene aard, onder meer met betrekking tot de actualiteit
  Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder achtergrondgeluiden
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o met aandacht voor digitale media
  Structuur/Samenhang/Lengte
  o ook samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o tekststructuur met een zekere mate van complexiteit
  o af en toe iets langere teksten
  Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o duidelijke, natuurlijke intonatie
  o weinig afwijking van de standaardtaal
  Tempo en vlotheid
  o normaal tempo
  Woordenschat en taalvariëteit
  o overwegend frequente woorden
  o overwegend eenduidig in de context
  o ook met minimale afwijking van de standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
1 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
2 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
3 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
4 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
5 cultuuruitingen opzoeken die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

  
  
7 former une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
  
8 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
1 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
2 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
3 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
4 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
5 cultuuruitingen opzoeken die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
7 former une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
8 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  o déterminer l'objectif d'écoute et y conformer leur comportement langagier;
  o signaler qu'ils n'ont pas compris une chose et demander le sens;
  o utiliser des données d'appui (langagières et non langagières) dans le texte et en dehors du texte;
  o demander de parler plus lentement, de répéter;
  o former des hypothèses sur le contenu et le sens du texte;
  o déduire le sens probable de mots transparents;
  o déduire du contexte le sens probable de mots inconnus;
  o noter toute information importante en des mots clés.
  LIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o de temps à autre un peu d'abstraction
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o également des sujets de nature plus générale, entre autres sur l'actualité
  O Situation langagière
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec ou sans support visuel
  o différences socioculturelles entre le monde francophone/anglophone et le propre monde
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o également des phrases composées d'une complexité restreinte
  o des textes argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière pas trop complexe
  o des textes informatifs, prescriptifs et narratifs relativement complexes
  o de temps à autre des textes relativement longs
  o également pourvus d'informations redondantes
  O Vocabulaire et variété langagière
  o plus souvent de minimales dérogations à la langue standard
  o informel et formel
  o attention pour les variétés langagières
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
6 de informatie van informatieve, prescriptieve, narratieve, artistiek-literaire en argumentatieve teksten op overzichtelijke en persoonlijke manier ordenen.

  
  
9 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; les textes littéraires et artistiques;
  
10 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
11 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et artistiques-littéraires;
  
12 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
13 reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple;
  
14 reconnaître des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
6 de informatie van informatieve, prescriptieve, narratieve, artistiek-literaire en argumentatieve teksten op overzichtelijke en persoonlijke manier ordenen.
9 identifier le sujet dans des textes informatifs, prescriptifs et narratifs; les textes littéraires et artistiques;
10 identifier l'idée principale dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
11 suivre le raisonnement de textes informatifs, prescriptifs et narratifs; et artistiques-littéraires;
12 sélectionner l'information dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
13 reconnaître la structure et la cohérence textuelles des textes informatifs et narratifs des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple;
14 reconnaître des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
7 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
  
8 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
15 classer d'une manière précise l'information de textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
7 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
8 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
15 classer d'une manière précise l'information de textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  o het luisterdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;
  o gebruik maken van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst;
  o vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen;
  o hypothesen vormen over de inhoud en de bedoeling van de tekst;
  o de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  o de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;
  o relevante informatie in kernwoorden noteren.
  LEZEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o af en toe enige abstractie
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o ook onderwerpen van meer algemene aard, onder meer met betrekking tot de actualiteit
  O Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o socio-culturele verschillen tussen de Franstalige/Engelstalige wereld en de eigen wereld
  o met aandacht voor digitale media
  O Structuur/ Samenhang/ Lengte
  o ook samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o niet al te complex gestructureerde argumentatieve en artistiek-literaire teksten
  o relatief complex gestructureerde informatieve, prescriptieve en narratieve teksten
  o af en toe relatief lange teksten
  o ook met redundante informatie
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o vaker minimale afwijking van de standaardtaal
  o informeel en formeel
  o aandacht voor taalvariëteiten
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
9 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
10 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
11 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
12 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
13 de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
  
14 cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

  
  
16 donner une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
  
17 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  
 o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
  
 o relire des passages qui ne sont pas clairs;
  
 o déterminer l'objectif de lecture et y conformer leur comportement langagier;
  
 o utiliser des données d'appui (langagières et non langagières) dans le texte et en dehors du texte;
  
 o consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux;
  
 o former des hypothèses sur le contenu et le sens du texte;
  
 o déduire le sens probable de mots transparents;
  
 o déduire du contexte le sens probable de mots et d'expressions inconnus;
  
 o noter les informations pertinentes.
9 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
10 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
11 de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
12 relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
13 de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;
14 cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
16 donner une appréciation sur des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires.
17 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout;
o relire des passages qui ne sont pas clairs;
o déterminer l'objectif de lecture et y conformer leur comportement langagier;
o utiliser des données d'appui (langagières et non langagières) dans le texte et en dehors du texte;
o consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux;
o former des hypothèses sur le contenu et le sens du texte;
o déduire le sens probable de mots transparents;
o déduire du contexte le sens probable de mots et d'expressions inconnus;
o noter les informations pertinentes.
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  PARLER
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o relativement concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o des sujets de nature plus générale
  O Situation langagière
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec et sans bruits de fond
  o avec ou sans support visuel
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o des phrases simples et composées avec une certaine mesure de complexité
  o structure textuelle claire
  o des éléments plus complexes unis pour former un texte cohérent
  o des textes assez courts et de temps à autre plus longs
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions et interruptions éventuelles
  o rythme normal
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o suffisant pour donner de claires descriptions du propre environnement de vie et de sujets de nature plus générale et pour formuler des opinions en la matière
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
15 de informatie van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten op overzichtelijke wijze ordenen.

  
  
18 communiquer l'information recueillie dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
  
19 reproduire des textes informatifs et narratifs qu'ils ont écoutés et lus.
15 de informatie van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten op overzichtelijke wijze ordenen.
18 communiquer l'information recueillie dans des textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires;
19 reproduire des textes informatifs et narratifs qu'ils ont écoutés et lus.
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
16 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
  
17 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
20 résumer des textes informatifs, narratifs et artistiques-littéraires qu'ils ont lus et écoutés;
  
21 rapporter une expérience, une situation et un événement;
  
22 une présentation
  
23 rechercher et présenter des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
16 een oordeel vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
17 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
20 résumer des textes informatifs, narratifs et artistiques-littéraires qu'ils ont lus et écoutés;
21 rapporter une expérience, une situation et un événement;
22 une présentation
23 rechercher et présenter des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
  O zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  O onduidelijke passages herlezen;
  O het leesdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  O gebruik maken van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst;
  O digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;
  O hypothesen vormen over de inhoud en de bedoeling van de tekst;
  O de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  O de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen afleiden uit de context;
  O relevante informatie aanduiden.
  SPREKEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o vrij concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o onderwerpen van meer algemene aard
  O Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder achtergrondgeluiden
  o met en zonder visuele ondersteuning
  o met aandacht voor digitale media
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o enkelvoudige en samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o duidelijke tekststructuur
  o complexere elementen verbonden tot een coherente tekst
  o vrij korte en af en toe langere teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en onderbrekingen
  o normaal tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o toereikend om duidelijke beschrijvingen te geven van en meningen te formuleren over de eigen leefwereld en onderwerpen van meer algemene aard
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
18 informatie uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten meedelen;
  
19 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten navertellen.

  
  
24 commenter brièvement une appréciation;
  
25 avancer un point de vue fondé après l'écoute ou la lecture de textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires. Des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple.
  
25Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
18 informatie uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten meedelen;
19 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten navertellen.
24 commenter brièvement une appréciation;
25 avancer un point de vue fondé après l'écoute ou la lecture de textes informatifs, prescriptifs, narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires. Des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple.
25Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  o déterminer l'objectif de l'acte de parole et y conformer leur comportement langagier;
  o rédiger un plan du discours;
  o adopter un comportement non verbal;
  o utiliser des supports visuels et auditifs;
  o transmettre le message correcte par des descriptions en dépit des difficultés;
  o consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux et tenir compte des conséquences;
  o se mettre d'accord sur des points linguistiques lors d'un exposé collectif, utiliser l'apport de chacun dans le texte, évaluer, corriger et rédiger.
  INTERACTION ORALE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o relativement concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o des sujets de nature plus générale
  O Situation langagière
  o les interlocuteurs s'adressent les uns aux autres et d'adressent à autrui
  o situation langagière pertinente pour les élèves
  o avec et sans appui visuel, y compris des signaux non verbaux
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  O Structure/Cohésion/Longueur
  o des phrases simples et composées avec une certaine mesure de complexité
  o structure textuelle claire
  o des éléments plus complexes unis pour former un texte cohérent
  o des textes assez courts et de temps à autre plus longs
  O Prononciation, articulation, intonation
  o prononciation claire
  o articulation soignée
  o intonation naturelle
  o langue standard
  O Rythme et aisance
  o avec des répétitions et interruptions éventuelles
  o rythme normal
  O Vocabulaire et variété langagière
  o mots fréquents
  o suffisant pour donner de claires descriptions du propre environnement de vie et de sujets de nature plus générale et pour formuler des opinions en la matière
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes :

  
  
20 beluisterde en gelezen informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten samenvatten;
  
21 verslag uitbrengen over een ervaring, een situatie en een gebeurtenis;
  
22 een presentatie;
  
23 cultuuruitingen opzoeken en presenteren die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

  
  
26 exécuter les tâches langagières classées sous "écouter" et "parler" dans une situation de conversation;
  
27 commencer, poursuivre et conclure une conversation pas trop complexe.
  
28 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
20 beluisterde en gelezen informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten samenvatten;
21 verslag uitbrengen over een ervaring, een situatie en een gebeurtenis;
22 een presentatie;
23 cultuuruitingen opzoeken en presenteren die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
26 exécuter les tâches langagières classées sous "écouter" et "parler" dans une situation de conversation;
27 commencer, poursuivre et conclure une conversation pas trop complexe.
28 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  o continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne comprennent pas tout; pouvoir s'exprimer;
  o déterminer l'objectif de l'interaction et y conformer leur comportement langagier;
  o adopter un comportement non verbal;
  o transmettre le message correcte par des descriptions en dépit des difficultés;
  transfert
  o demander de parler plus lentement, de répéter;
  o reformuler quelque chose en un langage simple pour vérifier si le message est compréhensible;
  o appliquer de simples techniques pour commencer, poursuivre et conclure une courte conversation.
  ECRIRE
  Dans des textes aux caractéristiques suivantes :
  O Objet
  o concret
  o propre environnement de vie et vie quotidienne
  o de temps à autre également des sujets de nature plus générale
  O Situation langagière
  o situations langagières pertinentes et familières pour les élèves
  o avec une attention portée sur les médias digitaux
  o Structure/Cohésion/Longueur
  o des phrases simples et composées d'une complexité limitée
  o texte courant clair et compréhensible, pourvu d'alinéas et d'une mise en page standard
  o structure textuelle d'une complexité restreinte
  o des textes assez courts et de temps à autre plus longs
  O Vocabulaire et variété langagière
  o suffisant pour donner de claires descriptions du propre environnement de vie et de sujets de nature plus générale et pour formuler des opinions en la matière
  o langue standard
  o informel et formel
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes de manière descriptive :

  
  
24 een waardering kort toelichten;
  
25 een gefundeerd standpunt naar voor brengen bij beluisterde en gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
  
25Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
30 reproduire un texte lu de manière globale;
  
31 écrire des communications;
  
32 décrire une situation, un événement, une expérience;
  
33 utiliser des expressions quotidiennes et des routines élémentaires de la langue cible;
  
34 donner leur opinion spontanée sur des textes informatifs, prescriptifs et narratifs. Des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple.
24 een waardering kort toelichten;
25 een gefundeerd standpunt naar voor brengen bij beluisterde en gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
25Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
30 reproduire un texte lu de manière globale;
31 écrire des communications;
32 décrire une situation, un événement, une expérience;
33 utiliser des expressions quotidiennes et des routines élémentaires de la langue cible;
34 donner leur opinion spontanée sur des textes informatifs, prescriptifs et narratifs. Des textes narratifs, argumentatifs et artistiques-littéraires structurés de manière simple.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  o het spreekdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o een spreekplan opstellen;
  o gebruik maken van non-verbaal gedrag;
  o gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief materiaal;
  o ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap overbrengen;
  o digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de consequenties ervan;
  o bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken maken, elkaars inbreng in de tekst benutten, evalueren, corrigeren en redigeren.
  MONDELINGE INTERACTIE
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o vrij concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o onderwerpen van meer algemene aard
  O Taalgebruiksituatie
  o de gesprekspartners richten zich tot elkaar en tot anderen
  o voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties
  o met en zonder visuele ondersteuning, met inbegrip van non-verbale signalen
  o met aandacht voor digitale media
  O Structuur/Samenhang/Lengte
  o enkelvoudige en samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o duidelijke tekststructuur
  o complexere elementen verbonden tot een coherente tekst
  o vrij korte en af en toe langere teksten
  O Uitspraak, articulatie, intonatie
  o heldere uitspraak
  o zorgvuldige articulatie
  o natuurlijke intonatie
  o standaardtaal
  O Tempo en vlotheid
  o met eventuele herhalingen en onderbrekingen
  o normaal tempo
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o frequente woorden
  o toereikend om duidelijke beschrijvingen te geven van en meningen te formuleren over de eigen leefwereld en onderwerpen van meer algemene aard
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en structurant :

  
  
26 de taaltaken gerangschikt onder " luisteren " en " spreken ", in een gesprekssituatie uitvoeren;
  
27 een niet al te complex gesprek beginnen, aan de gang houden en afsluiten.
  
28 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
35 résumer des textes informatifs et narratifs qu'ils ont écoutés et lus;
  
36 résumer des textes argumentatifs qu'ils ont lus;
  
37 écrire un rapport;
  
38 mener une correspondance informelle et formelle, digitale également;
  
39 rechercher et présenter des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
26 de taaltaken gerangschikt onder " luisteren " en " spreken ", in een gesprekssituatie uitvoeren;
27 een niet al te complex gesprek beginnen, aan de gang houden en afsluiten.
28 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
35 résumer des textes informatifs et narratifs qu'ils ont écoutés et lus;
36 résumer des textes argumentatifs qu'ils ont lus;
37 écrire un rapport;
38 mener une correspondance informelle et formelle, digitale également;
39 rechercher et présenter des expressions culturelles qui sont spécifiques d'une région où la langue cible est parlée.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
  o het doel van de interactie bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o gebruik maken van non-verbaal gedrag;
  o ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap overbrengen;
  o vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen;
  o zelf iets in eenvoudige taal herformuleren om wederzijds begrip na te gaan;
  o eenvoudige technieken toepassen om een kort gesprek te beginnen, gaande te houden en af te sluiten.
  SCHRIJVEN
  In teksten met de volgende kenmerken
  O Onderwerp
  o concreet
  o eigen leefwereld en dagelijks leven
  o af en toe onderwerpen van meer algemene aard
  O Taalgebruiksituatie
  o voor de leerlingen relevante en vertrouwde taalgebruiksituaties
  o met aandacht voor de digitale media
  O Structuur/ Samenhang/ Lengte
  o enkelvoudige zinnen en samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit
  o duidelijke, begrijpelijke lopende tekst waarbij indeling in alinea's en standaard lay-out zijn toegepast
  o tekststructuur met een beperkte mate van complexiteit
  o vrij korte en af en toe langere teksten
  O Woordenschat en taalvariëteit
  o toereikend om duidelijke beschrijvingen te geven van en meningen te formuleren over de eigen leefwereld en onderwerpen van meer algemene aard
  o standaardtaal
  o informeel en formeel
  kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :
  Les élèves peuvent exécuter les tâches suivantes en évaluant :

  
  
30 gelezen teksten globaal weergeven;
  
31 mededelingen schrijven;
  
32 een situatie, een gebeurtenis, een ervaring beschrijven;
  
33 alledaagse uitdrukkingen en elementaire routines uit de doeltaal gebruiken
  
34 een spontane mening verwoorden over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.

  
  
40 traduire un point de vue en des textes informatifs et argumentatifs.
  
41 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
30 gelezen teksten globaal weergeven;
31 mededelingen schrijven;
32 een situatie, een gebeurtenis, een ervaring beschrijven;
33 alledaagse uitdrukkingen en elementaire routines uit de doeltaal gebruiken
34 een spontane mening verwoorden over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten.
40 traduire un point de vue en des textes informatifs et argumentatifs.
41 Au besoin, les élèves adoptent les stratégies suivantes :
  kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :
  O continuer à se concentrer malgré le fait qu'ils ne peuvent pas tout exprimer;
  O déterminer l'objectif d'écriture et y conformer leur comportement langagier;
  O rédiger un plan d'écriture;
  O utiliser un modèle;
  O consulter des ressources et fichiers digitaux et non digitaux et tenir compte des conséquences;
  O utiliser la mise en page appropriée;
  O réviser le propre texte;
  O se mettre d'accord sur des points linguistiques lors d'une tâche d'écriture collective, utiliser l'apport de chacun dans le texte, évaluer, corriger et rédiger;
  O tenir compte des principales conventions de la langue écrite.
  Connaissances, expérience de la richesse langagière et attitudes
  CONNAISSANCES

  
  
35 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten samenvatten;
  
36 gelezen argumentatieve teksten samenvatten;
  
37 een verslag schrijven;
  
38 informele en formele, ook digitale correspondentie voeren;
  
39 cultuuruitingen opzoeken en presenteren die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

  
  
42 Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves peuvent faire preuve d'une maîtrise fonctionnelle, à leur niveau, des éléments linguistiques suivants :
35 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten samenvatten;
36 gelezen argumentatieve teksten samenvatten;
37 een verslag schrijven;
38 informele en formele, ook digitale correspondentie voeren;
39 cultuuruitingen opzoeken en presenteren die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
42 Afin d'exécuter les tâches langagières susmentionnées, les élèves peuvent faire preuve d'une maîtrise fonctionnelle, à leur niveau, des éléments linguistiques suivants :
  kunnen de leerlingen volgende taken beoordelend uitvoeren :
  Pour l'anglais :
  Connaissances grammaticales et lexicales complémentaires pour...
  Dénommer des personnes, animaux et objets
  O Identifier des personnes, animaux et objets :
  O Quoi ? /Qui ?
  o Substantifs : nombre, fini et infini
  o Articles : défini et indéfini
  o Pronoms : personnels, possessifs et démonstratifs
  O Combien ? Le combien/combientième ?
  o Exprimer des quantités
  O Déterminer et décrire des personnes, animaux et objets
  o Adjectifs
  O Ressemblances et différences
  o Degrés de comparaison
  O Indiquer des relations
  o Proposition relative et pronoms relatifs
  o Formes du génitif
  Produire des énoncés
  O Confirmer, demander et nier
  o Phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  o Accord entre sujet et verbe
  o Mots interrogatifs
  o Utilisation de do' pour exprimer quelque chose
  O Situer dans l'espace
  o Exprimer l'espace, le mouvement, la direction, la distance, etc.
  O Situer dans le temps
  o Exprimer le temps, la durée, la fréquence, la répétition, etc.
  o Formation et utilisation des principaux temps des verbes en vue de la communication au présent, passé et futur
  O 'temporaire/souvent, toujours'
  o Continuous/non-continuous
  O 'achevé/non achevé'
  o Perfect/non-perfect
  O Argumenter et identifier des relations logiques
  o Exprimer une raison, une cause et une conséquence
  o Exprimer un objectif
  o Exprimer une opposition et une concession
  o Exprimer une possibilité et une probabilité
  o Exprimer une volonté et des sentiments
  o Exprimer (l'absence d') une autorisation et une obligation
  O Indiquer une perspective
  O Neutre/pas de personne agissante/accent sur la personne agissante
  o Actif versus passif : signification et formation du passif
  O Indiquer la relation et la cohésion entre des parties de texte
  o Phrases composées, également phrases subordonnées
  O Faire rapport
  o Discours indirect
  Pour le français :
  Connaissances grammaticales et lexicales complémentaires pour...
  Dénommer des personnes, animaux et objets
  O Identifier des personnes, animaux et objets :
  O Quoi ?/Qui ?
  o Substantifs : nombre, fini et infini, genre
  o Articles : nombre, fini et infini, genre, article zéro, article partitif
  o Pronoms : personnels, possessifs, démonstratifs, sujet, complément d'objet direct et indirect, et/y
  O Combien ? Le combien/combientième ?
  o Exprimer des quantités
  O Déterminer et décrire des personnes, animaux et objets
  o Adjectifs
  o Correspondance substantif - adjectif
  O Ressemblances et différences
  o Degrés de comparaison
  O Indiquer des relations
  o Propositions relatives et pronoms relatifs composés
  Produire des énoncés
  O Confirmer, demander et nier
  o Phrases affirmatives, négatives et interrogatives
  o Accord entre sujet et verbe
  o Mots interrogatifs
  o Souligner quelque chose
  O Situer dans l'espace
  o Exprimer l'espace, le mouvement, la direction, la distance, etc.
  O Situer dans le temps
  o Exprimer le temps, la durée, la fréquence, la répétition, etc.
  o Formation, valeur et utilisation des temps de l'indicatif en vue de la communication au présent, passé et futur
  o Formation, valeur et utilisation des autres modes pour la communication
  O Argumenter et identifier des relations logiques
  o Exprimer une raison, une cause et une conséquence
  o Exprimer un objectif
  o Exprimer la certitude/l'incertitude et le doute
  o Exprimer une possibilité ou probabilité
  o Exprimer une opposition et une concession
  o Exprimer une volonté et des sentiments
  o Exprimer une hypothèse
  o Exprimer une condition
  O Indiquer la relation et la cohésion entre des parties de texte
  o Phrases composées, également phrases subordonnées
  O Faire rapport
  o Discours indirect

  
  
40 een standpunt verwoorden in de vorm van informatieve en argumentatieve teksten.
  
41 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

  
  
43 Les élèves peuvent réfléchir à la langue et à l'usage de la langue dans les situations d'usage linguistique mentionnées et élargir leurs connaissances fonctionnelles pour soutenir leur maîtrise de la langue suite à des situations communicatives sensées et à des tâches langagières :
  
 o reconnaître et analyser des formes et structures ayant déjà été traitées en classe;
  
 o découvrir et formuler, sous accompagnement, des règles, en observant comment fonctionnent des formes et des structures;
  
 o découvrir des ressemblances et des différences entre les langues et mettre en oeuvre leur connaissance d'autres langues.
  
44 Les élèves sont en mesure de distinguer des différences et ressemblances en mode de vie entre la propre culture et la culture d'une région où l'on parle la langue cible.
40 een standpunt verwoorden in de vorm van informatieve en argumentatieve teksten.
41 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :
43 Les élèves peuvent réfléchir à la langue et à l'usage de la langue dans les situations d'usage linguistique mentionnées et élargir leurs connaissances fonctionnelles pour soutenir leur maîtrise de la langue suite à des situations communicatives sensées et à des tâches langagières :
o reconnaître et analyser des formes et structures ayant déjà été traitées en classe;
o découvrir et formuler, sous accompagnement, des règles, en observant comment fonctionnent des formes et des structures;
o découvrir des ressemblances et des différences entre les langues et mettre en oeuvre leur connaissance d'autres langues.
44 Les élèves sont en mesure de distinguer des différences et ressemblances en mode de vie entre la propre culture et la culture d'une région où l'on parle la langue cible.
  o zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  o het schrijfdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;
  o een schrijfplan opstellen;
  o van een model gebruik maken;
  o digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de consequenties ervan;
  o de passende lay-out gebruiken;
  o de eigen tekst nakijken;
  o bij een gemeenschappelijke schrijftaak talige afspraken maken, elkaars inbreng in de tekst benutten, evalueren, corrigeren en redigeren;
  o met de belangrijkste conventies van geschreven taal rekening houden.
  Kennis, beleving van taalrijkdom en attitudes
  KENNIS
  PERCEPTION DE LA RICHESSE LANGAGIÔRE
  Les élèves perçoivent :

  
  
42 Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen op hun niveau functionele beheersing van de volgende taalelementen inzetten :

  
  
45 *les modes d'expression spécifiques du français et de l'anglais dans les différents genres textuels littéraires en tant que patrimoine culturel organique et vivant;
  
46 *la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme des langues française et anglaise et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
  
47 *dans le contenu des textes littéraires français et anglais, les caractéristiques socioculturelles des langues et des cultures françaises et anglaises;
  
48 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à la mentalité et à la culture d'une communauté linguistique avec laquelle ils peuvent échanger.
42 Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen op hun niveau functionele beheersing van de volgende taalelementen inzetten :
45 *les modes d'expression spécifiques du français et de l'anglais dans les différents genres textuels littéraires en tant que patrimoine culturel organique et vivant;
46 *la syntaxe, la prononciation, le timbre et le rythme des langues française et anglaise et ils réfléchissent sur la différence avec la langue maternelle;
47 *dans le contenu des textes littéraires français et anglais, les caractéristiques socioculturelles des langues et des cultures françaises et anglaises;
48 *comment les connaissances de la langue étrangère offrent un accès à la mentalité et à la culture d'une communauté linguistique avec laquelle ils peuvent échanger.
  Voor Engels :
  De grammaticale en complementaire lexicale kennis om...
  Personen, dieren en zaken te benoemen
  O Te verwijzen naar personen, dieren en zaken
  o Wat ?/Wie ?
  o Zelfstandige naamwoorden : getal, telbaar en ontelbaar
  o Lidwoorden : bepaald en onbepaald
  o Voornaamwoorden : persoonlijk, bezittelijk en aanwijzend
  o Hoeveel ? De hoeveelste ?
  o Uitdrukken van hoeveelheden
  O Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven
  o Bijvoeglijke naamwoorden
  o Gelijkenissen en verschillen
  o Trappen van vergelijking
  O Relaties aan te duiden
  o Betrekkelijke bijzinnen en betrekkelijke voornaamwoorden
  o Genitiefvormen
  Uitspraken te doen
  O Te bevestigen, te vragen en te ontkennen
  o Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  o Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord
  o Vragende woorden
  o Gebruik van 'do' om iets te benadrukken
  O Te situeren in de ruimte
  o Uitdrukken van ruimte, beweging, richting, afstand...
  O Te situeren in de tijd
  o Uitdrukken van tijd, duur, frequentie, herhaling...
  o Vorming en gebruik van de belangrijkste tijden van de werkwoorden voor de communicatie in de tegenwoordige, de verleden en de toekomende tijd
  o 'tijdelijk/dikwijls, altijd'
  o Continuous/non-continuous
  o 'voltooid/niet voltooid'
  o Perfect/non-perfect
  O Te argumenteren en logische verbanden te leggen
  o Uitdrukken van reden, oorzaak en gevolg
  o Uitdrukken van doel
  o Uitdrukken van tegenstelling en toevoeging
  o Uitdrukken van mogelijkheid en waarschijnlijkheid
  o Uitdrukken van wil en gevoelens
  o Uitdrukken van (afwezigheid van) toelating en verplichting
  O Perspectief aan te duiden
  o Neutraal/geen handelende persoon/nadruk op handelende persoon
  o Actief versus passief : betekenis en passiefvorming
  O Relatie en samenhang tussen tekstgedeelten aan te duiden
  o Samengestelde zinnen ook met onderschikking
  O Te rapporteren
  o Indirecte rede
  Voor Frans :
  De grammaticale en complementaire lexicale kennis om...
  Personen, dieren en zaken te benoemen
  O Te verwijzen naar personen, dieren en zaken
  o Wat ?/Wie ?
  o Zelfstandige naamwoorden : getal, telbaar en ontelbaar, genus
  o Lidwoorden : getal, bepaald en onbepaald, genus, article zéro, article partitif
  o Voornaamwoorden : persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend, onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp, en/y
  o Hoeveel ? De hoeveelste ?
  o Uitdrukken van hoeveelheden
  O Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven
  o Bijvoeglijke naamwoorden
  o Overeenkomst zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord
  o Gelijkenissen en verschillen
  o Trappen van vergelijking
  O Relaties aan te duiden
  o Betrekkelijke bijzinnen en samengestelde betrekkelijke voornaamwoorden
  Uitspraken te doen
  O Te bevestigen, te vragen en te ontkennen
  o Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
  o Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord
  o Vragende woorden
  o Iets benadrukken
  O Te situeren in de ruimte
  o Uitdrukken van ruimte, beweging, richting, afstand ...
  O Te situeren in de tijd
  o Uitdrukken van tijd, duur, frequentie, herhaling...
  o Vorming, waarde en gebruik van de tijden van de 'indicatif' voor de communicatie in de tegenwoordige, de verleden en de toekomende tijd
  o Vorming, waarde en gebruik van de andere wijzen voor de communicatie
  O Te argumenteren en logische verbanden te leggen
  o Uitdrukken van reden, oorzaak en gevolg
  o Uitdrukken van doel
  o Uitdrukken van (on)zekerheid en twijfel
  o Uitdrukken van (on)mogelijkheid en waarschijnlijkheid
  o Uitdrukken van tegenstelling en toegeving
  o Uitdrukken van wil en gevoelens
  o Uitdrukken van hypothese
  o Uitdrukken van voorwaarde
  O Relatie en samenhang tussen tekstgedeelten aan te duiden
  o Samengestelde zinnen ook met onderschikking
  O Te rapporteren
  o Indirecte rede
  ATTITUDES
  Les élèves développent les attitudes suivantes :

  
  
43 De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door naar aanleiding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken :

  
  
49* montrent la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français/anglais;
  
50* ambitionnent l'utilisation d'un langage choisi;
  
51* montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue;
  
52* être ouvert aux différences et aux similitudes dans le mode de vie entre la culture propre et la culture d'une région ou la langue cible est parlée;
  
53* s'ouvrent pour la composante esthétique des textes.
43 De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door naar aanleiding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken :
49* montrent la volonté et l'audace d'écouter, de lire, de parler, de mener des conversations et d'écrire en français/anglais;
50* ambitionnent l'utilisation d'un langage choisi;
51* montrent un intérêt pour la présence de langues étrangères dans leur environnement de vie, également en dehors de l'école, et pour le monde socioculturel des utilisateurs de la langue;
52* être ouvert aux différences et aux similitudes dans le mode de vie entre la culture propre et la culture d'une région ou la langue cible est parlée;
53* s'ouvrent pour la composante esthétique des textes.
  o reeds in de klas behandelde vormen en structuren te herkennen en ontleden;
  o door te observeren hoe vormen en structuren functioneren, onder begeleiding regels te ontdekken en formuleren;
  o gelijkenissen en verschillen tussen talen ontdekken en hun kennis van andere talen in te zetten.
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 jugeant recevable et équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et des objectifs de développement décrétaux pour l'enseignement fondamental et secondaire.
  Bruxelles, le 18 mars 2011.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Pour le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des chances et des Affaires bruxelloises, Pascal Smet,
  le Ministre flamand de l'Innovation, des Investissements publics, des Médias et de la Lutte contre la Pauvreté,
  Mme I. LIETEN
  

Modifications

[1]Bien que d'un point de vue historique, des pédagogues tels que Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) et Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) fussent déjà des précurseurs d'un apprentissage anticipé des langues étrangères, dans la pratique, ce n'est qu'à partir des années soixante du siècle dernier que cet enseignement a été lancé dans de nombreux pays. Les écoles Steiner le faisaient déjà au début du siècle dernier. Elles peuvent donc être qualifiées de pionnières de l'enseignement des langues étrangères pour les jeunes enfants, ce qui a depuis lors prouvé leur valeur. Cf. entre autres Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[2]Conseil européen de Barcelone, 15 et 16 mars 2002, Conclusions de la présidence, partie I, 43.1.
[3]COM (2003) 449 : Favoriser l'apprentissage des langues et la diversité linguistique : plan d'action 2004 - 2006; COM (1995) 590 : Livre blanc Apprentissage et Enseignement.
[4]17 DECEMBRE 1997. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant équivalente la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'enseignement fondamental ordinaire, publié dans le Moniteur belge le 27.06.1998. Cf. p. 21250 à 21251.
[5]Cf. point 4.8 aux p.43-44 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[6]Cf. point 4.2 à la p.39 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[7]17 FEVRIER 1998. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant équivalente une demande de dérogation aux objectifs finaux et aux objectifs de développement pour le premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire
[8]Cf. la motivation de l'Arrêté du Gouvernement flamand jugeant recevable et équivalente la demande de dérogation aux objectifs finaux et objectifs de développement décrétaux " technologie d'information et de communication " dans l'enseignement fondamental et secondaire du 22 février 2008, publié au MB du 14 février 2008.
[9]TOS21, TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN, Standaarden & referentiepunten, Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw (ALPHABETISATION TECHNIQUE POUR TOUS, Normes & références, Rapport final de la Technique à l'école pour le 21ème siècle
Un projet des pouvoirs publics flamands, août 2008
[10]Normes & points de référence ALPHABETISATION TECHNIQUE POUR TOUS,
Rapport final de la Technique à l'école pour le 21ème siècle
Un projet des pouvoirs publics flamands, août 2008
[11]Cette division en phases de travail est aussi utilisée pour les plans d'apprentissage Habitat durable, un ESP avec la pédagogie Steiner et inspirée par Berufsbildung und Persönlichkeitsentwicklung M. Brater, U. Büchele E. Fucke et G. Herz., Verlag Freies Geistesleben 1988 et d'autres travaux des collaborateurs de GAB München www.gab-muenchen.de
[12])Bien que d'un point de vue historique, des pédagogues tels que Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) et Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) fussent d'être des précurseurs d'un apprentissage anticipé des langues étrangères, dans la pratique, ce n'est qu'à partir des années soixante du siècle dernier que cet enseignement a été lancé dans de nombreux pays. Les écoles Steiner le faisaient déjà au début du siècle dernier. Elles peuvent donc ce qualifiées de pionnières de l'enseignement des langues étrangères pour les jeunes enfants, ce qui a depuis lors prouvé leur valeur. Cf. entre autres Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine Begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[13]Conseil européen de Barcelone, 15 et 16 mars 2002, Conclusions de la présidence, partie I, 43.1.
[14]COM (2003) 449 : Favoriser l'apprentissage des langues et la diversité linguistique : plan d'action 2004 - 2006; COM (1995) 590 : Livre blanc Apprentissage et Enseignement
[15]17 DECEMBRE 1997. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant équivalente la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'enseignement fondamental ordinaire, publié dans le Moniteur belge le 27.06.1998. Cf. p. 21250 à 21251
[16]Cf. point 4.8 aux p.43-44 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[17]Cf. point 4.2 à la p.39 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[18]TOS21, TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN, Standaarden & referentiepunten, Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw (ALPHABETISATION TECHNIQUE POUR TOUS, Normes & références, Rapport final de la Technique à l'école pour le 21ème siècle.
Un projet des pouvoirs publics flamands, août 2008
[19]Arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1997 (MB 27/06/1998)
[20]Défini par l'Arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009
[21]De: The Waldorf school - cultivating humanity? A report from an evaluation of Waldorfd schools in Sweden. Bo Dahlin Karlstad University Studies 2007 P 31 http://www.steinerwaldorfeurope.org/wren/html/-private/Waldorf-School-Evaluation.pdf
[22]Bien que d'un point de vue historique, des pédagogues tels que Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) et Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) fussent d'être des précurseurs d'un apprentissage anticipé des langues étrangères, dans la pratique, ce n'est qu'à partir des années soixante du siècle dernier que cet enseignement a été lancé dans de nombreux pays. Les écoles Steiner le faisaient déjà au début du siècle dernier. Elles peuvent donc être qualifiées de pionnières de l'enseignement des langues étrangères pour les jeunes enfants, ce qui a depuis lors prouvé leur valeur. Cf. entre autres Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine Begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[23]17 DECEMBRE 1997. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant équivalente la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'enseignement fondamental ordinaire, publié dans le Moniteur belge le 27.06.1998. Cf. p. 21250 à 21251.
[24]Cf. point 4.8 aux p.43-44 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[25]Cf. point 4.2 à la p.39 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[26]TOS21, TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN, Standaarden & referentiepunten, Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw (ALPHABETISATION TECHNIQUE POUR TOUS, Normes & références, Rapport final de la Technique à l'école pour le 21ème siècle
Un projet des pouvoirs publics flamands, août 2008
[27]Bien que d'un point de vue historique, des pédagogues tels que Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) et Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) fussent d'être des précurseurs d'un apprentissage anticipé des langues étrangères, dans la pratique, ce n'est qu'à partir des années soixante du siècle dernier que cet enseignement a été lancé dans de nombreux pays. Les écoles Steiner le faisaient déjà au début du siècle dernier. Elles peuvent donc être qualifiées de pionnières de l'enseignement des langues étrangères pour les jeunes enfants, ce qui a depuis lors prouvé leur valeur. Cf. entre autres Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine Begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[29]Conseil européen de Barcelone, 15 et 16 mars 2002, Conclusions de la présidence, partie I, 43.1.
[28]COM (2003) 449 : Favoriser l'apprentissage des langues et la diversité linguistique : plan d'action 2004 - 2006; COM (1995) 590 : Livre blanc Apprentissage et Enseignement.
[30]17 DECEMBRE 1997. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant équivalente la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'enseignement fondamental ordinaire, publié dans le Moniteur belge le 27.06.1998. Cf. p. 21250 à 21251
[31]Cf. point 4.8 aux p.43-44 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[32]Cf. point 4.2 à la p.39 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[33]Bien que d'un point de vue historique, des pédagogues tels que Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) et Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) fussent déjà des précurseurs d'un apprentissage anticipé des langues étrangères, dans la pratique, ce n'est qu'à partir des années soixante du siècle dernier que cet enseignement a été lancé dans de nombreux pays. Les écoles Steiner le faisaient déjà au début du siècle dernier. Elles peuvent donc être qualifiées de pionnières de l'enseignement des langues étrangères pour les jeunes enfants, ce qui a depuis lors prouvé leur valeur. Cf. entre autres Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine Begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[34]Conseil européen de Barcelone, 15 et 16 mars 2002, Conclusions de la présidence, partie I, 43.1.
[35]COM (2003) 449 : Favoriser l'apprentissage des langues et la diversité linguistique : plan d'action 2004 - 2006; COM (1995) 590 : Livre blanc Apprentissage et Enseignement.
[36]17 DECEMBRE 1997. - Arrêté du Gouvernement flamand jugeant équivalente la demande de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux pour l'enseignement fondamental ordinaire, publié dans le Moniteur belge le 27.06.1998. Cf. p. 21250 à 21251.
[37]Cf. point 4.8 aux p.43-44 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.
[38]Cf. point 4.2 à la p.39 des annexes à exposé des motifs au décret sanctionnant l'Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux objectifs finaux et aux objectifs de développement dans l'enseignement fondamental et secondaire du 13/02/2009.

  
  
44 De leerlingen kunnen verschillen en gelijkenissen onderscheiden in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
-
44 De leerlingen kunnen verschillen en gelijkenissen onderscheiden in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt.
-
  BELEVING VAN TAALRIJKDOM
  De leerlingen beleven
-

  
  
45 *de specifieke uitdrukkingswijzen van het Frans en het Engels in verschillende literaire tekstgenres als een organisch en levend cultuurgoed;
  
46 *aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
  
47 *aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur;
  
48 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot het gedachteleven en de cultuur van een taalgemeenschap waar ze mee in uitwisseling kunnen gaan.
-
45 *de specifieke uitdrukkingswijzen van het Frans en het Engels in verschillende literaire tekstgenres als een organisch en levend cultuurgoed;
46 *aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal;
47 *aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur;
48 *hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot het gedachteleven en de cultuur van een taalgemeenschap waar ze mee in uitwisseling kunnen gaan.
-
  ATTITUDES
  De leerlingen werken aan de volgende attitudes :
-

  
  
49* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans / Engels;
  
50* streven naar taalverzorging;
  
51* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers;
  
52* staan open voor verschillen en gelijkenissen in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt;
  
53* stellen zich open voor de esthetische component van teksten.
-
49* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans / Engels;
50* streven naar taalverzorging;
51* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers;
52* staan open voor verschillen en gelijkenissen in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt;
53* stellen zich open voor de esthetische component van teksten.
-
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het basis- en secundair onderwijs.
  Brussel, 18 maart 2011.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  Voor de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, Pascal Smet,
  de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
  Mevr. I. LIETEN
  

Modifications

[1]Hoewel historisch gezien pedagogen zoals Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) en Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) reeds voorstander waren van een vroege start van het vreemdetalenonderwijs is men er in de praktijk pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw in vele landen mee gestart. De steinerscholen doen dit reeds van in het begin van de vorige eeuw. Zij kunnen als dusdanig worden gerekend bij de pioniers van het vreemde talen onderwijs voor jonge kinderen, wat sindsdien haar waarde heeft bewezen. Zie o.m. Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[2]Europese Raad van Barcelona, 15 en 16 maart 2002, Conclusies van het voorzitterschap, deel I, 43.1.
[3]COM(2003) 449: Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen: actieplan 2004 - 2006; COM(1995) 590: Witboek Onderwijzen en leren
[4]17 DECEMBER 1997. - Besluit van de Vlaamse regering tot gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs, gepubliceerd in het staatsblad op 27.06.1998. Zie p. 21250 t.e.m. 21251
[5]Zie punt 4.8 op p.43-44 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009.
[6]Zie punt 4.2 op p. 39 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009
[7]17 FEBRUARI 1998. - Besluit van de Vlaamse regering tot gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs
[8]Zie motivatie in het Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van aanvragen tot afwijking van de decretaal bekrachtigde eindtermen en ontwikkelingsdoelen "informatie- en communicatietechnologie" in het basis- en secundair onderwijs van 22 02 2008, gepubliceerd in het BS 14 02 2008
[9]TOS21, TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN, Standaarden & referentiepunten, Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw
Een project van de Vlaamse overheid, augustus 2008
[10]Standaarden & referentiepunten TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN,
Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw
Een project van de Vlaamse overheid, augustus 2008
[11]Deze indeling in arbeidsfases is ook gebruikt voor de leerplannen Duurzaam Wonen, een BSO met steinerpedagogie en in geïnspireerd door Berufsbildung und Persönlichkeitsentwicklung M. Brater, U. Büchele, E. Fucke en G. Herz., Verlag Freies Geistesleben 1988 en andere werken van de medewerkers van GAB München www.gab-muenchen.de
[12]Hoewel historisch gezien pedagogen zoals Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) en Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) reeds voorstander waren van een vroege start van het vreemdetalenonderwijs is men er in de praktijk pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw in vele landen mee gestart. De steinerscholen doen dit reeds van in het begin van de vorige eeuw. Zij kunnen als dusdanig worden gerekend bij de pioniers van het vreemde talen onderwijs voor jonge kinderen, wat sindsdien haar waarde heeft bewezen. Zie o.m. Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[13]Europese Raad van Barcelona, 15 en 16 maart 2002, Conclusies van het voorzitterschap, deel I, 43.1.
[14]COM(2003) 449: Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen: actieplan 2004 - 2006; COM(1995) 590: Witboek Onderwijzen en leren
[15]17 DECEMBER 1997. - Besluit van de Vlaamse regering tot gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs, gepubliceerd in het staatsblad op 27.06.1998. Zie p. 21250 t.e.m. 21251
[16]Zie punt 4.8 op p.43-44 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009.
[17]Zie punt 4.2 op p. 39 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009
[18]TOS21, TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN, Standaarden & referentiepunten, Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw
Een project van de Vlaamse overheid, augustus 2008
[19]Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 (BS 27/06/1998)
[20]Bepaald bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009
[21]Uit: The Waldorf school - cultivating humanity? A report from an evaluation of Waldorfd schools in Sweden. Bo Dahlin Karlstad University Studies 2007 P 31 http://www.steinerwaldorfeurope.org/wren/html/-private/Waldorf-School-Evaluation.pdf
[22]Hoewel historisch gezien pedagogen zoals Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) en Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) reeds voorstander waren van een vroege start van het vreemdetalenonderwijs is men er in de praktijk pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw in vele landen mee gestart. De steinerscholen doen dit reeds van in het begin van de vorige eeuw. Zij kunnen als dusdanig worden gerekend bij de pioniers van het vreemde talen onderwijs voor jonge kinderen, wat sindsdien haar waarde heeft bewezen. Zie o.m. Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[23]17 DECEMBER 1997. - Besluit van de Vlaamse regering tot gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs, gepubliceerd in het staatsblad op 27.06.1998. Zie p. 21250 t.e.m. 21251
[24]Zie punt 4.8 op p.43-44 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009.
[25]Zie punt 4.2 op p. 39 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009
[26]TOS21, TECHNISCHE GELETTERDHEID VOOR IEDEREEN, Standaarden & referentiepunten, Eindrapport van Techniek op school voor de 21ste eeuw
Een project van de Vlaamse overheid, augustus 2008
[27]Hoewel historisch gezien pedagogen zoals Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) en Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) reeds voorstander waren van een vroege start van het vreemdetalenonderwijs is men er in de praktijk pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw in vele landen mee gestart. De steinerscholen doen dit reeds van in het begin van de vorige eeuw. Zij kunnen als dusdanig worden gerekend bij de pioniers van het vreemde talen onderwijs voor jonge kinderen, wat sindsdien haar waarde heeft bewezen. Zie o.m. Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[28]Europese Raad van Barcelona, 15 en 16 maart 2002, Conclusies van het voorzitterschap, deel I, 43.1.
[29]COM(2003) 449: Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen: actieplan 2004 - 2006; COM(1995) 590: Witboek Onderwijzen en leren
[30]17 DECEMBER 1997. - Besluit van de Vlaamse regering tot gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs, gepubliceerd in het staatsblad op 27.06.1998. Zie p. 21250 t.e.m. 21251
[31]Zie punt 4.8 op p.43-44 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009.
[32]Zie punt 4.2 op p. 39 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009
[33]Hoewel historisch gezien pedagogen zoals Johann Amos Comenius (1592 - 1670), John Locke (1632-1704) en Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) reeds voorstander waren van een vroege start van het vreemdetalenonderwijs is men er in de praktijk pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw in vele landen mee gestart. De steinerscholen doen dit reeds van in het begin van de vorige eeuw. Zij kunnen als dusdanig worden gerekend bij de pioniers van het vreemde talen onderwijs voor jonge kinderen, wat sindsdien haar waarde heeft bewezen. Zie o.m. Fremdsprachenunterricht auf der Primarstufe. Seine begründung und Praxis in der Waldorfspädagogik. Christoph Jaffke, 1996. Deutscher Studien Verlag, Weinheim.
[34]Europese Raad van Barcelona, 15 en 16 maart 2002, Conclusies van het voorzitterschap, deel I, 43.1.
[35]COM(2003) 449: Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen: actieplan 2004 - 2006; COM(1995) 590: Witboek Onderwijzen en leren
[36]17 DECEMBER 1997. - Besluit van de Vlaamse regering tot gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs, gepubliceerd in het staatsblad op 27.06.1998. Zie p. 21250 t.e.m. 21251
[37]Zie punt 4.8 op p.43-44 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009.
[38]Zie punt 4.2 op p. 39 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009
-