Artikel 1. § 1. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 1.113,80 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen, zoals bepaald in de ministeriële besluiten die de erkenningscriteria vastleggen van de kwalificaties, vermeld in het koninklijk besluit van 27 september 2006 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden voor de beoefenaars van de verpleegkunde.
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel, zoals bepaald in de ministeriële besluiten die de erkenningcriteria vastleggen van de titels, vermeld in het bovenvermeld koninklijk besluit van 27 september 2006.
§ 3. Om van de premies, bepaald in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige effectief in het ziekenhuis tewerkgesteld zijn in een erkende dienst, in een erkende functie of in een erkend zorgprogramma die deze specialisatie voorziet of in een rustoord voor bejaarden of in een rust- en verzorgingstehuis.
[1 § 4. In afwijking van § 3, hebben de verpleegkundigen die werken in een ziekenhuis vallend onder het toepassingsgebied van het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330, die vanaf 1 september 2018 erkend worden door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of een bekwaamheid, geen recht op de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
Bovendien behoudt de verpleegkundige, die voor 1 september 2018 begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2 en die van functie verandert in hetzelfde ziekenhuis of die wisselt van ziekenhuis vallend onder het voornoemde paritair comité 330, het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen.
§ 4bis. De verpleegkundige die werkt in een ziekenhuis niet vallend onder het voornoemde paritair comité 330, die begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2, en die wisselt van werkgever en die gaat werken voor een ziekenhuis vallend onder het voornoemde paritair comité 330, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen.]1
[2 § 5. In afwijking van § 3, hebben de verpleegkundigen die werken in een ziekenhuis niet vallend onder het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330, die vanaf 1 september 2022 erkend worden door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of een bekwaamheid, geen recht op de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
De verpleegkundige, die voor 1 september 2022 begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2 en die van functie verandert in hetzelfde ziekenhuis of die wisselt van ziekenhuis, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen en niet overstapt naar het IFIC-barema.
§ 6. De premie is niet cumuleerbaar met het specialisatiecomplement zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juli 2022 tot invoering van een specialisatiecomplement en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties en het koninklijk besluit van 25 september 2014 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in de thuisverpleging, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden.
In afwijking van het principe in voorgaand lid, kan de verpleegkundige die tijdens een zelfde referentieperiode zowel rechtgevende prestaties als loontrekkende als rechtgevende prestaties als zelfstandige uitvoert, pro rata de rechtgevende prestaties in de respectievelijke regimes zijn recht uitoefenen op een specialisatiecomplement en op een premie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 25 september 2014 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in de thuisverpleging, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden, voor zover de betreffende toekenningsvoorwaarden zijn gerespecteerd.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
28 DECEMBER 2011. - Koninklijk besluit betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2011 en tekstbijwerking tot 10-06-2024)
Titre
28 DECEMBRE 2011. - Arrêté royal relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2011 et mise à jour au 10-06-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (51)
Texte (51)
HOOFDSTUK I. - Premies met betrekking tot de titels en bekwaamheden
CHAPITRE Ier. - Primes relatives aux titres et qualifications
Article 1er. § 1er. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 1.113,80 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière, telle que définie dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément des qualifications, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 établissant la liste des titres professionnels particuliers et des qualifications professionnelles particulières pour les praticiens de l'art infirmier.
§ 2. A partir de 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier tel que défini dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément de ces titres, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 susmentionné.
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit effectivement travailler, à l'hôpital, dans un service agréé, dans une fonction agréée ou dans un programme de soins agréé qui prévoit cette spécialisation ou dans une maison de repos pour personnes âgées ou une maison de repos et de soins.
[1 § 4. En dérogation au § 3, les infirmiers qui travaillent dans un hôpital relevant du champ d'application de la commission paritaire des établissements et des services de santé 330, qui sont agréés à partir du 1er septembre 2018 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnés, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
De plus, l'infirmier bénéficiaire, avant le 1er septembre 2018, de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change de fonction dans le même hôpital ou change d'hôpital relevant de la commission paritaire 330 précitée, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier.
§ 4bis. L'infirmier travaillant dans un hôpital ne relevant pas de la commission paritaire 330 précitée, bénéficiaire avant le 1er septembre 2018 de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change d'employeur et va travailler dans un hôpital relevant de la commission paritaire 330 précitée, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier.]1
[2 § 5. En dérogation au § 3, les infirmiers qui travaillent dans un hôpital ne relevant pas de la commission paritaire des établissements et des services de santé 330, qui sont agréés à partir du 1er septembre 2022 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnés, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
L'infirmier bénéficiaire, avant le 1er septembre 2022, de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change de fonction dans le même hôpital ou change d'hôpital, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IFIC.
§ 6. La prime n'est pas cumulable avec le complément de spécialisation visé à l'arrêté royal du 17 juillet 2022 instaurant un complément de spécialisation et modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables et l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans les soins infirmières à domicile, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers.
Par dérogation au principe de l'alinéa précédent, l'infirmier qui, au cours d'une même période de référence, exerce à la fois des prestations qualifiantes en tant que salarié et en tant qu'indépendant, peut dans les régimes respectifs au prorata des prestations qualifiantes exercer son droit à un complément de spécialisation et à une prime prévue dans l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à la mise en oeuvre du plan d'attractivité de la profession infirmière, en soins à domicile, en ce qui concerne les primes aux titres et aux compétences professionnelles particulières, dans la mesure où les conditions d'attribution concernées sont respectées.]2
§ 2. A partir de 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier tel que défini dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément de ces titres, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 susmentionné.
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit effectivement travailler, à l'hôpital, dans un service agréé, dans une fonction agréée ou dans un programme de soins agréé qui prévoit cette spécialisation ou dans une maison de repos pour personnes âgées ou une maison de repos et de soins.
[1 § 4. En dérogation au § 3, les infirmiers qui travaillent dans un hôpital relevant du champ d'application de la commission paritaire des établissements et des services de santé 330, qui sont agréés à partir du 1er septembre 2018 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnés, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
De plus, l'infirmier bénéficiaire, avant le 1er septembre 2018, de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change de fonction dans le même hôpital ou change d'hôpital relevant de la commission paritaire 330 précitée, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier.
§ 4bis. L'infirmier travaillant dans un hôpital ne relevant pas de la commission paritaire 330 précitée, bénéficiaire avant le 1er septembre 2018 de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change d'employeur et va travailler dans un hôpital relevant de la commission paritaire 330 précitée, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier.]1
[2 § 5. En dérogation au § 3, les infirmiers qui travaillent dans un hôpital ne relevant pas de la commission paritaire des établissements et des services de santé 330, qui sont agréés à partir du 1er septembre 2022 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnés, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
L'infirmier bénéficiaire, avant le 1er septembre 2022, de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change de fonction dans le même hôpital ou change d'hôpital, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IFIC.
§ 6. La prime n'est pas cumulable avec le complément de spécialisation visé à l'arrêté royal du 17 juillet 2022 instaurant un complément de spécialisation et modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables et l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans les soins infirmières à domicile, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers.
Par dérogation au principe de l'alinéa précédent, l'infirmier qui, au cours d'une même période de référence, exerce à la fois des prestations qualifiantes en tant que salarié et en tant qu'indépendant, peut dans les régimes respectifs au prorata des prestations qualifiantes exercer son droit à un complément de spécialisation et à une prime prévue dans l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à la mise en oeuvre du plan d'attractivité de la profession infirmière, en soins à domicile, en ce qui concerne les primes aux titres et aux compétences professionnelles particulières, dans la mesure où les conditions d'attribution concernées sont respectées.]2
Art.1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 1.113,80 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie, en aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg, zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie en het ministerieel besluit van 8 juli 2013 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de verpleegkundigen gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg.
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie, zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie.
§ 3. Om de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige voldoen aan de onderstaande cumulatieve voorwaarden:
1° daadwerkelijk in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis werken;
2° niet bezoldigd worden volgens het IFIC-barema;
3° behalve voor verpleegkundigen die in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis van de openbare sector werken, vóór 1 juli 2024 erkend zijn geweest door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of bekwaamheid.
De verpleegkundige die voor 1 juli 2024 begunstigde was van de premie bedoeld in paragraaf 1 of 2 en die van functie verandert in dezelfde inrichting of die wisselt van inrichting, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen en niet overstapt naar het IFIC-barema.
Onder 'IFIC-barema' verstaan we, voor de toepassing van deze paragraaf, het nieuwe loonmodel zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juli 2022 betreffende de invoering van een nieuw loonmodel voor de gezondheidsdiensten en -inrichtingen die worden erkend en/of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
§ 4. De premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn niet cumuleerbaar met het specialisatiecomplement zoals bedoeld in artikel 1/1.]1
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie, zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie.
§ 3. Om de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige voldoen aan de onderstaande cumulatieve voorwaarden:
1° daadwerkelijk in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis werken;
2° niet bezoldigd worden volgens het IFIC-barema;
3° behalve voor verpleegkundigen die in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis van de openbare sector werken, vóór 1 juli 2024 erkend zijn geweest door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of bekwaamheid.
De verpleegkundige die voor 1 juli 2024 begunstigde was van de premie bedoeld in paragraaf 1 of 2 en die van functie verandert in dezelfde inrichting of die wisselt van inrichting, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen en niet overstapt naar het IFIC-barema.
Onder 'IFIC-barema' verstaan we, voor de toepassing van deze paragraaf, het nieuwe loonmodel zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juli 2022 betreffende de invoering van een nieuw loonmodel voor de gezondheidsdiensten en -inrichtingen die worden erkend en/of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
§ 4. De premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn niet cumuleerbaar met het specialisatiecomplement zoals bedoeld in artikel 1/1.]1
Modifications
Art.1_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 § 1er. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 1.113,80 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie, et aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs, telles que définies dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie et dans l'arrêté ministériel du 8 juillet 2013 fixant les critères d'agrément autorisant les infirmiers à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs.
§ 2. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie..
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit remplir les conditions cumulatives suivantes :
1° travailler effectivement dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins ;
2° ne pas être rémunéré selon le barème IF-IC ;
3° sauf pour les infirmiers qui travaillent dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins du secteur public, avoir été agréé avant le 1er juillet 2024 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionné.
L'infirmier bénéficiaire, avant le 1er juillet 2024, de la prime visée aux paragraphes 1er ou 2, qui change de fonction dans le même établissement ou change d'établissement garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IF-IC.
" Par " barème IF-IC ", on entend, pour l'application du présent paragraphe, le nouveau modèle salarial, tel que visé dans la convention collective de travail du 11 juillet 2022 relative à l'introduction d'un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés et/ou subventionnés par la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune.
§ 4. Les primes visées aux §§ 1er et 2 ne sont pas cumulables avec le complément de spécialisation visé à l'article 1er/1.]1
§ 2. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie..
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit remplir les conditions cumulatives suivantes :
1° travailler effectivement dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins ;
2° ne pas être rémunéré selon le barème IF-IC ;
3° sauf pour les infirmiers qui travaillent dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins du secteur public, avoir été agréé avant le 1er juillet 2024 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionné.
L'infirmier bénéficiaire, avant le 1er juillet 2024, de la prime visée aux paragraphes 1er ou 2, qui change de fonction dans le même établissement ou change d'établissement garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IF-IC.
" Par " barème IF-IC ", on entend, pour l'application du présent paragraphe, le nouveau modèle salarial, tel que visé dans la convention collective de travail du 11 juillet 2022 relative à l'introduction d'un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés et/ou subventionnés par la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune.
§ 4. Les primes visées aux §§ 1er et 2 ne sont pas cumulables avec le complément de spécialisation visé à l'article 1er/1.]1
Modifications
Art. 1_WAALS_GEWEST. § 1. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 1.113,80 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen, [3 in de geriatrie, of aan erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn om zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie, in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie en in het ministerieel besluit van 8 juli 2013 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de verpleegkundigen gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg.]3
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel, [3 van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie.]3
§ 3. Om van de premies, bepaald in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige effectief [3 in een inrichting voor bejaarden tewerkgesteld zijn, namelijk een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis, of in een dagzorgcentrum, en niet worden bezoldigd volgens de IF-IC-schaal]3
[3 Onder "IF-IC-schaal" wordt verstaan voor de toepassing van dit hoofdstuk het nieuwe loonmodel, zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 januari 2023 tot invoering van een nieuw loonmodel voor gezondheidsinstellingen en -diensten die erkend en/of gesubsidieerd worden door het Waals Gewest enerzijds, en tot wijziging anderzijds van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11/10/2021 (registratienummer 174488/CO/330) betreffende de procedures met betrekking tot de invoering van een nieuwe sectorale indeling van de functies en de rapportering aan de VZW IFIC zoals gewijzigd door de CAO van 12/12/2022 (registratienummer 177775/CO/330) om een aanpassing van het tijdschema van de hervorming en in het in comité C goedgekeurde akkoordprotocol van 10 februari 2023 mogelijk te maken. ]3
[1 § 4. [3 In afwijking van lid 3 hebben verpleegkundigen die werkzaam zijn in een instelling voor ouderenzorg, namelijk een rust- of verzorgingstehuis, of in een dagzorgcentrum, en die vanaf de datum van inwerkingtreding van dit lid door de bevoegde autoriteit zijn erkend voor een titel of kwalificatie als hierboven bedoeld, geen recht op de in de leden 1 en 2 bedoelde premies
Een verpleegkundige die recht heeft op de in lid 1 of lid 2 bedoelde premie en die binnen hetzelfde bejaardentehuis van functie verandert of naar een ander tehuis overstapt, behoudt zijn recht op de premie op voorwaarde dat hij als verpleegkundige werkzaam blijft en niet overstapt naar de IF-IC-schaal.]3
§ 4bis. [3 ...]3.]1
[2 § 5. [3 De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde jaarlijkse premie kan niet worden gecumuleerd met het in artikel 1 bis bedoelde specialisatiecomplement.]3
§ 6. [3 ...]3.
[3 ...]3.
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel, [3 van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie.]3
§ 3. Om van de premies, bepaald in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige effectief [3 in een inrichting voor bejaarden tewerkgesteld zijn, namelijk een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis, of in een dagzorgcentrum, en niet worden bezoldigd volgens de IF-IC-schaal]3
[3 Onder "IF-IC-schaal" wordt verstaan voor de toepassing van dit hoofdstuk het nieuwe loonmodel, zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 januari 2023 tot invoering van een nieuw loonmodel voor gezondheidsinstellingen en -diensten die erkend en/of gesubsidieerd worden door het Waals Gewest enerzijds, en tot wijziging anderzijds van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11/10/2021 (registratienummer 174488/CO/330) betreffende de procedures met betrekking tot de invoering van een nieuwe sectorale indeling van de functies en de rapportering aan de VZW IFIC zoals gewijzigd door de CAO van 12/12/2022 (registratienummer 177775/CO/330) om een aanpassing van het tijdschema van de hervorming en in het in comité C goedgekeurde akkoordprotocol van 10 februari 2023 mogelijk te maken. ]3
[1 § 4. [3 In afwijking van lid 3 hebben verpleegkundigen die werkzaam zijn in een instelling voor ouderenzorg, namelijk een rust- of verzorgingstehuis, of in een dagzorgcentrum, en die vanaf de datum van inwerkingtreding van dit lid door de bevoegde autoriteit zijn erkend voor een titel of kwalificatie als hierboven bedoeld, geen recht op de in de leden 1 en 2 bedoelde premies
Een verpleegkundige die recht heeft op de in lid 1 of lid 2 bedoelde premie en die binnen hetzelfde bejaardentehuis van functie verandert of naar een ander tehuis overstapt, behoudt zijn recht op de premie op voorwaarde dat hij als verpleegkundige werkzaam blijft en niet overstapt naar de IF-IC-schaal.]3
§ 4bis. [3 ...]3.]1
[2 § 5. [3 De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde jaarlijkse premie kan niet worden gecumuleerd met het in artikel 1 bis bedoelde specialisatiecomplement.]3
§ 6. [3 ...]3.
[3 ...]3.
Art. 1 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 1.113,80 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière [3 en gériatrie, ou aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs telle que définie dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie, dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie et dans l'arrêté ministériel du 8 juillet 2013 fixant les critères d'agrément autorisant les infirmiers à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs.]3
§ 2. A partir de 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier [3 d'infirmier spécialisé en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie. ]3
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit effectivement travailler, [3 dans un établissement pour aînés, à savoir une maison de repos ou une maison de repos et de soins, ou dans un centre de soins de jour et ne pas être rémunéré selon le barème IF-IC.]3
[3 Par " barème IF-IC ", on entend, pour l'application du présent chapitre, le nouveau modèle salarial, tel que visé dans la convention collective du travail du 31 janvier 2023 introduisant un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés et/ou subventionnés par la Région wallonne d'une part, et modifiant d'autre part la convention collective de travail du 11/10/2021 (numéro d'enregistrement 174488/CO/330) concernant les procédures relatives à l'introduction d'une nouvelle classification sectorielle de fonctions et au rapportage à l'asbl IFIC modifiée par la CCT du 12/12/2022 (numéro d'enregistrement 177775/CO/330) en vue de permettre une adaptation du calendrier de la réforme et dans le protocole d'accord du 10 février 2023 approuvé en Comité C. ]3
[1 § 4. [3 Par dérogation au paragraphe 3, les infirmiers qui travaillent dans un établissement pour aînés, à savoir une maison de repos ou une maison de repos et de soins, ou dans un centre de soins de jour, qui sont agréés, à partir de la date d'entrée en vigueur du présent paragraphe, par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnée, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
L'infirmier bénéficiaire de la prime visée aux paragraphes 1er ou 2, qui change de fonction dans le même établissement d'accueil et d'hébergement pour personnes âgées ou change d'établissement garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IF-IC. ]3
§ 4bis. [3 ...]3.
[2 § 5. [3 La prime annuelle visée aux paragraphes 1er et 2 n'est pas cumulable avec le complément de spécialisation visé à l'article 1erbis.]3
§ 6. [3 ...]3.
[3 ...]3.
§ 1er. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 1.113,80 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière [3 en gériatrie, ou aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs telle que définie dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie, dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie et dans l'arrêté ministériel du 8 juillet 2013 fixant les critères d'agrément autorisant les infirmiers à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs.]3
§ 2. A partir de 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier [3 d'infirmier spécialisé en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie. ]3
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit effectivement travailler, [3 dans un établissement pour aînés, à savoir une maison de repos ou une maison de repos et de soins, ou dans un centre de soins de jour et ne pas être rémunéré selon le barème IF-IC.]3
[3 Par " barème IF-IC ", on entend, pour l'application du présent chapitre, le nouveau modèle salarial, tel que visé dans la convention collective du travail du 31 janvier 2023 introduisant un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés et/ou subventionnés par la Région wallonne d'une part, et modifiant d'autre part la convention collective de travail du 11/10/2021 (numéro d'enregistrement 174488/CO/330) concernant les procédures relatives à l'introduction d'une nouvelle classification sectorielle de fonctions et au rapportage à l'asbl IFIC modifiée par la CCT du 12/12/2022 (numéro d'enregistrement 177775/CO/330) en vue de permettre une adaptation du calendrier de la réforme et dans le protocole d'accord du 10 février 2023 approuvé en Comité C. ]3
[1 § 4. [3 Par dérogation au paragraphe 3, les infirmiers qui travaillent dans un établissement pour aînés, à savoir une maison de repos ou une maison de repos et de soins, ou dans un centre de soins de jour, qui sont agréés, à partir de la date d'entrée en vigueur du présent paragraphe, par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnée, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
L'infirmier bénéficiaire de la prime visée aux paragraphes 1er ou 2, qui change de fonction dans le même établissement d'accueil et d'hébergement pour personnes âgées ou change d'établissement garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IF-IC. ]3
§ 4bis. [3 ...]3.
[2 § 5. [3 La prime annuelle visée aux paragraphes 1er et 2 n'est pas cumulable avec le complément de spécialisation visé à l'article 1erbis.]3
§ 6. [3 ...]3.
[3 ...]3.
Art. 1bis_WAALS_GEWEST. [1 § 1. Vanaf 1 september 2023 wordt een jaarlijkse specialisatiecomplement van 833 euro toegekend aan verpleegkundigen die erkend zijn om een bijzondere beroepskwalificatie van verpleegkundige met bijzondere deskundigheid in de geriatrie te gebruiken, of aan verpleegkundigen die erkend zijn als bevoegd tot het voeren van een bijzondere beroepskwalificatie van verpleegkundige met bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg zoals gedefinieerd in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie en in het ministerieel besluit van 8 juli 2013 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de verpleegkundigen gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg.
§ 2. Vanaf 1 september 2023 wordt een jaarlijkse specialisatiecomplement van 2.500 euro toegekend aan verpleegkundigen die erkend zijn om een specifieke beroepstitel in de geriatrie te voeren zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie
§ 3. Om in aanmerking te komen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde complementen moet de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde erkende verpleegkundige daadwerkelijk werken in een instelling voor ouderen, d.w.z. een rust- of verzorgingstehuis of een dagzorgcentrum, en bezoldigd worden volgens de IF-IC-schaal.
§ 4. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 heeft de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ingeschreven verpleegkundige die naar de IFIC-schaal overschakelt, recht op betaling van de op hem toepasselijke premie bedoeld in artikel 1, naar evenredigheid van het aantal gewerkte of daarmee gelijkgestelde maanden waarin hij van 1 september van het voorgaande jaar tot 31 augustus van het lopende jaar nog niet effectief volgens de IFIC-schaal werd bezoldigd.
Vervolgens wordt een pro rata per hele maand toegepast voor de betaling van het specialisatiecomplement waarop de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ingeschreven verpleegkundige die naar de IFIC-schaal overschakelt, recht heeft voor de gewerkte of gelijkgestelde maanden waarin hij tijdens de referentieperiode volgens de IFIC-schaal wordt bezoldigd.]1
§ 2. Vanaf 1 september 2023 wordt een jaarlijkse specialisatiecomplement van 2.500 euro toegekend aan verpleegkundigen die erkend zijn om een specifieke beroepstitel in de geriatrie te voeren zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie
§ 3. Om in aanmerking te komen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde complementen moet de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde erkende verpleegkundige daadwerkelijk werken in een instelling voor ouderen, d.w.z. een rust- of verzorgingstehuis of een dagzorgcentrum, en bezoldigd worden volgens de IF-IC-schaal.
§ 4. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 heeft de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ingeschreven verpleegkundige die naar de IFIC-schaal overschakelt, recht op betaling van de op hem toepasselijke premie bedoeld in artikel 1, naar evenredigheid van het aantal gewerkte of daarmee gelijkgestelde maanden waarin hij van 1 september van het voorgaande jaar tot 31 augustus van het lopende jaar nog niet effectief volgens de IFIC-schaal werd bezoldigd.
Vervolgens wordt een pro rata per hele maand toegepast voor de betaling van het specialisatiecomplement waarop de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ingeschreven verpleegkundige die naar de IFIC-schaal overschakelt, recht heeft voor de gewerkte of gelijkgestelde maanden waarin hij tijdens de referentieperiode volgens de IFIC-schaal wordt bezoldigd.]1
Art. 1bis _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. A partir du 1er septembre 2023 un complément de spécialisation annuel de 833 euros est accordé aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie, ou aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs telle que définie dans l'arrêtés ministériel des 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie et dans l'arrêté ministériel du 8 juillet 2013 fixant les critères d'agrément autorisant les infirmiers à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs.
§ 2. A partir du 1er septembre 2023, un complément de spécialisation annuel de 2.500 euros est accordé aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie.
§ 3. Pour bénéficier des compléments visés aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 doit effectivement travailler, dans un établissement pour aînés, à savoir une maison de repos ou une maison de repos et de soins, ou dans un centre de soins de jour et être rémunéré selon le barème IF-IC.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 qui passe au barème IFIC, a droit au paiement de la prime qui lui est applicable telle que visée à l'article 1er, au prorata du nombre de mois travaillés ou assimilés durant lesquels il n'a pas encore été effectivement rémunéré selon le barème IFIC du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours.
Une proratisation par mois entier est ensuite appliquée pour le paiement du complément de spécialisation auquel l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 qui passe au barème IFIC a droit pour les mois travaillés ou assimilés durant lesquels il est rémunéré selon le barème IFIC durant la période de référence. ]1
§ 2. A partir du 1er septembre 2023, un complément de spécialisation annuel de 2.500 euros est accordé aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie.
§ 3. Pour bénéficier des compléments visés aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 doit effectivement travailler, dans un établissement pour aînés, à savoir une maison de repos ou une maison de repos et de soins, ou dans un centre de soins de jour et être rémunéré selon le barème IF-IC.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 qui passe au barème IFIC, a droit au paiement de la prime qui lui est applicable telle que visée à l'article 1er, au prorata du nombre de mois travaillés ou assimilés durant lesquels il n'a pas encore été effectivement rémunéré selon le barème IFIC du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours.
Une proratisation par mois entier est ensuite appliquée pour le paiement du complément de spécialisation auquel l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 qui passe au barème IFIC a droit pour les mois travaillés ou assimilés durant lesquels il est rémunéré selon le barème IFIC durant la période de référence. ]1
Modifications
Art. 1_VLAAMS_GEWEST. § 1. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 1.113,80 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen, zoals bepaald in de ministeriële besluiten die de erkenningscriteria vastleggen van de kwalificaties, vermeld in het koninklijk besluit van 27 september 2006 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden voor de beoefenaars van de verpleegkunde.
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel, zoals bepaald in de ministeriële besluiten die de erkenningcriteria vastleggen van de titels, vermeld in het bovenvermeld koninklijk besluit van 27 september 2006.
§ 3. Om van de premies, bepaald in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige effectief in het ziekenhuis tewerkgesteld zijn in een erkende dienst, in een erkende functie of in een erkend zorgprogramma die deze specialisatie voorziet [1 ...]1.
[1 § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de geïsoleerde geriatriediensten, vermeld in artikel 5, § 1, I, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en de geïsoleerde diensten voor behandeling en revalidatie, vermeld in artikel 5, § 1, I, 4°, van de voormelde bijzondere wet.]1
[2 § 5. In afwijking van § 3, hebben de verpleegkundigen die werken in een ziekenhuis niet vallend onder het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330, die vanaf 1 september 2022 erkend worden door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of een bekwaamheid, geen recht op de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
De verpleegkundige, die voor 1 september 2022 begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2 en die van functie verandert in hetzelfde ziekenhuis of die wisselt van ziekenhuis, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen en niet overstapt naar het IFIC-barema.
§ 6. De premie is niet cumuleerbaar met het specialisatiecomplement zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juli 2022 tot invoering van een specialisatiecomplement en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties en het koninklijk besluit van 25 september 2014 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in de thuisverpleging, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden.
In afwijking van het principe in voorgaand lid, kan de verpleegkundige die tijdens een zelfde referentieperiode zowel rechtgevende prestaties als loontrekkende als rechtgevende prestaties als zelfstandige uitvoert, pro rata de rechtgevende prestaties in de respectievelijke regimes zijn recht uitoefenen op een specialisatiecomplement en op een premie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 25 september 2014 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in de thuisverpleging, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden, voor zover de betreffende toekenningsvoorwaarden zijn gerespecteerd.]2
§ 2. Vanaf 2010 wordt een jaarlijkse bijkomende premie van 3.341,50 euro, toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel, zoals bepaald in de ministeriële besluiten die de erkenningcriteria vastleggen van de titels, vermeld in het bovenvermeld koninklijk besluit van 27 september 2006.
§ 3. Om van de premies, bepaald in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de verpleegkundige effectief in het ziekenhuis tewerkgesteld zijn in een erkende dienst, in een erkende functie of in een erkend zorgprogramma die deze specialisatie voorziet [1 ...]1.
[1 § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de geïsoleerde geriatriediensten, vermeld in artikel 5, § 1, I, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en de geïsoleerde diensten voor behandeling en revalidatie, vermeld in artikel 5, § 1, I, 4°, van de voormelde bijzondere wet.]1
[2 § 5. In afwijking van § 3, hebben de verpleegkundigen die werken in een ziekenhuis niet vallend onder het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330, die vanaf 1 september 2022 erkend worden door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of een bekwaamheid, geen recht op de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
De verpleegkundige, die voor 1 september 2022 begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2 en die van functie verandert in hetzelfde ziekenhuis of die wisselt van ziekenhuis, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen en niet overstapt naar het IFIC-barema.
§ 6. De premie is niet cumuleerbaar met het specialisatiecomplement zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juli 2022 tot invoering van een specialisatiecomplement en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties en het koninklijk besluit van 25 september 2014 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in de thuisverpleging, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden.
In afwijking van het principe in voorgaand lid, kan de verpleegkundige die tijdens een zelfde referentieperiode zowel rechtgevende prestaties als loontrekkende als rechtgevende prestaties als zelfstandige uitvoert, pro rata de rechtgevende prestaties in de respectievelijke regimes zijn recht uitoefenen op een specialisatiecomplement en op een premie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 25 september 2014 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in de thuisverpleging, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden, voor zover de betreffende toekenningsvoorwaarden zijn gerespecteerd.]2
Art. 1 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 1.113,80 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière, telle que définie dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément des qualifications, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 établissant la liste des titres professionnels particuliers et des qualifications professionnelles particulières pour les praticiens de l'art infirmier.
§ 2. A partir de 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier tel que défini dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément de ces titres, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 susmentionné.
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit effectivement travailler, à l'hôpital, dans un service agréé, dans une fonction agréée ou dans un programme de soins agréé qui prévoit cette spécialisation [1 ...]1.
[1 § 4. Le présent article ne s'applique ni aux services gériatriques isolés, visés à l'article 5, § 1er, I, 3° de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, ni aux services isolés de traitement et de réadaptation, visés à l'article 5, § 1er, I, 4°, de ladite loi spéciale.]1
[2 § 5. En dérogation au § 3, les infirmiers qui travaillent dans un hôpital ne relevant pas de la commission paritaire des établissements et des services de santé 330, qui sont agréés à partir du 1er septembre 2022 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnés, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
L'infirmier bénéficiaire, avant le 1er septembre 2022, de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change de fonction dans le même hôpital ou change d'hôpital, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IFIC.
§ 6. La prime n'est pas cumulable avec le complément de spécialisation visé à l'arrêté royal du 17 juillet 2022 instaurant un complément de spécialisation et modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables et l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans les soins infirmières à domicile, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers.
Par dérogation au principe de l'alinéa précédent, l'infirmier qui, au cours d'une même période de référence, exerce à la fois des prestations qualifiantes en tant que salarié et en tant qu'indépendant, peut dans les régimes respectifs au prorata des prestations qualifiantes exercer son droit à un complément de spécialisation et à une prime prévue dans l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à la mise en oeuvre du plan d'attractivité de la profession infirmière, en soins à domicile, en ce qui concerne les primes aux titres et aux compétences professionnelles particulières, dans la mesure où les conditions d'attribution concernées sont respectées.]2
§ 1er. A partir de l'année 2010, une prime annuelle supplémentaire de 1.113,80 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière, telle que définie dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément des qualifications, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 établissant la liste des titres professionnels particuliers et des qualifications professionnelles particulières pour les praticiens de l'art infirmier.
§ 2. A partir de 2010, une prime annuelle supplémentaire de 3.341,50 euros est accordée aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier tel que défini dans les arrêtés ministériels fixant les critères d'agrément de ces titres, énumérés dans l'arrêté royal du 27 septembre 2006 susmentionné.
§ 3. Pour bénéficier des primes visées aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier doit effectivement travailler, à l'hôpital, dans un service agréé, dans une fonction agréée ou dans un programme de soins agréé qui prévoit cette spécialisation [1 ...]1.
[1 § 4. Le présent article ne s'applique ni aux services gériatriques isolés, visés à l'article 5, § 1er, I, 3° de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, ni aux services isolés de traitement et de réadaptation, visés à l'article 5, § 1er, I, 4°, de ladite loi spéciale.]1
[2 § 5. En dérogation au § 3, les infirmiers qui travaillent dans un hôpital ne relevant pas de la commission paritaire des établissements et des services de santé 330, qui sont agréés à partir du 1er septembre 2022 par l'autorité compétente pour un titre ou une qualification susmentionnés, n'ont pas droit aux primes visées aux paragraphes 1er et 2.
L'infirmier bénéficiaire, avant le 1er septembre 2022, de la prime visée aux paragraphes 1er et/ou 2, qui change de fonction dans le même hôpital ou change d'hôpital, garde son droit à la prime pour autant qu'il continue d'exercer une fonction d'infirmier et ne passe pas au barème IFIC.
§ 6. La prime n'est pas cumulable avec le complément de spécialisation visé à l'arrêté royal du 17 juillet 2022 instaurant un complément de spécialisation et modifiant l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables et l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans les soins infirmières à domicile, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers.
Par dérogation au principe de l'alinéa précédent, l'infirmier qui, au cours d'une même période de référence, exerce à la fois des prestations qualifiantes en tant que salarié et en tant qu'indépendant, peut dans les régimes respectifs au prorata des prestations qualifiantes exercer son droit à un complément de spécialisation et à une prime prévue dans l'arrêté royal du 25 septembre 2014 relatif à la mise en oeuvre du plan d'attractivité de la profession infirmière, en soins à domicile, en ce qui concerne les primes aux titres et aux compétences professionnelles particulières, dans la mesure où les conditions d'attribution concernées sont respectées.]2
Art.1/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Vanaf 1 juli 2023 wordt er een jaarlijks specialisatiecomplement van 833 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie, en aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg, zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie en het ministerieel besluit van 8 juli 2013 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de verpleegkundigen gemachtigd worden zich te beroepen op de bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg.
§ 2. Vanaf 1 juli 2023 wordt er een jaarlijks specialisatiecomplement van 2.500 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel in de geriatrie zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie.
§ 3. Om de complementen zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de erkende verpleegkundige zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 daadwerkelijk in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis werken en bezoldigd worden volgens het IFIC-barema.
§ 4. In afwijking van artikel 1, § 3, en van § 3 van dit artikel, heeft de erkende verpleegkundige zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2, die tijdens een referentieperiode overstapt naar het IFIC-barema, recht op de betaling van de premie zoals bedoeld in artikel 1 die op hem toepasbaar is, naar rato van het aantal gewerkte dagen of daaraan gelijkgestelde dagen tijdens welke hij nog niet daadwerkelijk bezoldigd werd volgens het IFIC-barema van 1 juli van het voorgaande jaar tot en met 30 juni van het lopende jaar.
Vervolgens wordt een proratisering in kalenderdagen toegepast voor de betaling van het specialisatiecomplement waarop de erkende verpleegkundige zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2, die overstapt naar het IFIC-barema, recht heeft voor de gewerkte dagen of daaraan gelijkgestelde dagen tijdens welke hij bezoldigd werd volgens het IFIC-barema gedurende de referentieperiode.
§ 5. Het specialisatiecomplement zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 is niet cumuleerbaar met de premies zoals bedoeld in artikel 1.
§ 6. Onder 'IFIC-barema' verstaan we, voor de toepassing van deze paragraaf, het nieuwe loonmodel zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juli 2022 betreffende de invoering van een nieuw loonmodel voor de gezondheidsdiensten en -inrichtingen die worden erkend en/of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.]1
§ 2. Vanaf 1 juli 2023 wordt er een jaarlijks specialisatiecomplement van 2.500 euro toegekend aan de erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel in de geriatrie zoals bepaald in het ministerieel besluit van 19 april 2007 tot vaststelling van de criteria voor erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden de bijzondere beroepstitel te dragen van verpleegkundige gespecialiseerd in geriatrie.
§ 3. Om de complementen zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 te genieten, moet de erkende verpleegkundige zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 daadwerkelijk in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis werken en bezoldigd worden volgens het IFIC-barema.
§ 4. In afwijking van artikel 1, § 3, en van § 3 van dit artikel, heeft de erkende verpleegkundige zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2, die tijdens een referentieperiode overstapt naar het IFIC-barema, recht op de betaling van de premie zoals bedoeld in artikel 1 die op hem toepasbaar is, naar rato van het aantal gewerkte dagen of daaraan gelijkgestelde dagen tijdens welke hij nog niet daadwerkelijk bezoldigd werd volgens het IFIC-barema van 1 juli van het voorgaande jaar tot en met 30 juni van het lopende jaar.
Vervolgens wordt een proratisering in kalenderdagen toegepast voor de betaling van het specialisatiecomplement waarop de erkende verpleegkundige zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2, die overstapt naar het IFIC-barema, recht heeft voor de gewerkte dagen of daaraan gelijkgestelde dagen tijdens welke hij bezoldigd werd volgens het IFIC-barema gedurende de referentieperiode.
§ 5. Het specialisatiecomplement zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 is niet cumuleerbaar met de premies zoals bedoeld in artikel 1.
§ 6. Onder 'IFIC-barema' verstaan we, voor de toepassing van deze paragraaf, het nieuwe loonmodel zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juli 2022 betreffende de invoering van een nieuw loonmodel voor de gezondheidsdiensten en -inrichtingen die worden erkend en/of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.]1
Art.1er/1_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 § 1er. A partir du 1er juillet 2023, un complément de spécialisation annuel de 833 euros est accordé aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie, et aux infirmiers agréés comme étant autorisés à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs, telles que définies dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie et dans l'arrêté ministériel du 8 juillet 2013 fixant les critères d'agrément autorisant les infirmiers à se prévaloir de la qualification professionnelle particulière d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs.
§ 2. A partir du 1er juillet 2023, un complément de spécialisation annuel de 2.500 euros est accordé aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie.
§ 3. Pour bénéficier des compléments visés aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 doit effectivement travailler, dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins, et être rémunéré selon le barème IF-IC.
§ 4. Par dérogation à l'article 1er, § 3, et au § 3 du présent article, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 qui passe au barème IF-IC au cours d'une période de référence, a droit au paiement de la prime qui lui est applicable telle que visée à l'article 1er, au prorata du nombre de jours travaillés ou assimilés durant lesquels il n'a pas encore été effectivement rémunéré selon le barème IFIC du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours.
Une proratisation par jours calendriers est ensuite appliquée pour le paiement du complément de spécialisation auquel l'infirmier agréé visé aux paragraphes1er et 2 qui passe au barème IF-IC a droit pour les jours travaillés ou assimilés durant lesquels il est rémunéré selon le barème IF-IC durant la période de référence.
§ 5. Le complément de spécialisation visé aux paragraphes 1er et 2 n'est pas cumulable avec les primes visées à l'article 1er.
§ 6. " Par " barème IF-IC ", on entend, pour l'application du présent article, le nouveau modèle salarial, tel que visé dans la convention collective de travail du 11 juillet 2022 relative à l'introduction d'un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés et/ou subventionnés par la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune.]1
§ 2. A partir du 1er juillet 2023, un complément de spécialisation annuel de 2.500 euros est accordé aux infirmiers agréés comme étant autorisés à porter un titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie tel que défini dans l'arrêté ministériel du 19 avril 2007 fixant les critères d'agrément autorisant les praticiens de l'art infirmier à porter le titre professionnel particulier d'infirmier spécialisé en gériatrie.
§ 3. Pour bénéficier des compléments visés aux paragraphes 1er et 2, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 doit effectivement travailler, dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins, et être rémunéré selon le barème IF-IC.
§ 4. Par dérogation à l'article 1er, § 3, et au § 3 du présent article, l'infirmier agréé visé aux paragraphes 1er et 2 qui passe au barème IF-IC au cours d'une période de référence, a droit au paiement de la prime qui lui est applicable telle que visée à l'article 1er, au prorata du nombre de jours travaillés ou assimilés durant lesquels il n'a pas encore été effectivement rémunéré selon le barème IFIC du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours.
Une proratisation par jours calendriers est ensuite appliquée pour le paiement du complément de spécialisation auquel l'infirmier agréé visé aux paragraphes1er et 2 qui passe au barème IF-IC a droit pour les jours travaillés ou assimilés durant lesquels il est rémunéré selon le barème IF-IC durant la période de référence.
§ 5. Le complément de spécialisation visé aux paragraphes 1er et 2 n'est pas cumulable avec les primes visées à l'article 1er.
§ 6. " Par " barème IF-IC ", on entend, pour l'application du présent article, le nouveau modèle salarial, tel que visé dans la convention collective de travail du 11 juillet 2022 relative à l'introduction d'un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés et/ou subventionnés par la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune.]1
Modifications
Art. 2. De premie wordt jaarlijks in de maand september betaald door de werkgever aan de verpleegkundigen. De premie wordt betaald a prorata van hun arbeidsduurregeling en het aantal gewerkte maanden van 1 september van het voorgaande jaar tot 31 augustus van het lopend jaar.
Art. 2. La prime est versée annuellement en septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime est versée au prorata de leur temps de travail et du nombre de mois travaillés du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours.
Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Tot 2023 wordt de premie zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2, jaarlijks in de maand september door de werkgever betaald aan de verpleegkundigen. De premie zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2, wordt betaald naar rato van hun arbeidsduurregeling en het aantal gewerkte dagen van 1 september van het voorgaande jaar tot en met 31 augustus van het lopende jaar, en rekening houdend met de geldigheidsdatum van de beroepstitel, de beroepsbekwaamheid of de kopie van de erkenning, afgeleverd door de toezichthoudende overheid.
Vanaf 2024 wordt de premie zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2, of het specialisatiecomplement zoals bedoeld in artikel 1/1, §§ 1 en 2, jaarlijks in de maand september door de werkgever betaald aan de verpleegkundigen. De premie zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2, of het specialisatiecomplement zoals bedoeld in artikel 1/1, §§ 1 en 2, wordt betaald naar rato van hun arbeidsduurregeling en het aantal gewerkte dagen van 1 september van het voorgaande jaar tot en met 31 augustus van het lopende jaar, en rekening houdend met de geldigheidsdatum van de beroepstitel, de beroepsbekwaamheid of de kopie van de erkenning, afgeleverd door de toezichthoudende overheid.]1
Vanaf 2024 wordt de premie zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2, of het specialisatiecomplement zoals bedoeld in artikel 1/1, §§ 1 en 2, jaarlijks in de maand september door de werkgever betaald aan de verpleegkundigen. De premie zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2, of het specialisatiecomplement zoals bedoeld in artikel 1/1, §§ 1 en 2, wordt betaald naar rato van hun arbeidsduurregeling en het aantal gewerkte dagen van 1 september van het voorgaande jaar tot en met 31 augustus van het lopende jaar, en rekening houdend met de geldigheidsdatum van de beroepstitel, de beroepsbekwaamheid of de kopie van de erkenning, afgeleverd door de toezichthoudende overheid.]1
Modifications
Art. 2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 Jusqu'à l'année 2023, la prime visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 est versée annuellement en septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 est versée au prorata de leur temps de travail et du nombre de jours travaillés du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours, et compte tenu de la date de validité du titre professionnel, de la qualification professionnelle ou de la copie de l'agrément qui a été délivré par l'autorité de tutelle compétente.
A partir de l'année 2024, la prime visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 ou le complément de spécialisation visé à l'article 1er/1, §§ 1er et 2 est versé annuellement entre le 1er juillet et le 30 septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 ou le complément de spécialisation visé à l'article 1er/1, §§ 1er et 2 est versé au prorata de leur temps de travail et du nombre de jours travaillés du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours, et compte tenu de la date de validité du titre professionnel, de la qualification professionnelle ou de la copie de l'agrément qui a été délivré par l'autorité de tutelle compétente.]1
A partir de l'année 2024, la prime visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 ou le complément de spécialisation visé à l'article 1er/1, §§ 1er et 2 est versé annuellement entre le 1er juillet et le 30 septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 ou le complément de spécialisation visé à l'article 1er/1, §§ 1er et 2 est versé au prorata de leur temps de travail et du nombre de jours travaillés du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours, et compte tenu de la date de validité du titre professionnel, de la qualification professionnelle ou de la copie de l'agrément qui a été délivré par l'autorité de tutelle compétente.]1
Modifications
Art. 2_WAALS_GEWEST. Tot en met het jaar 2023 wordt de premie [2 bedoeld in artikel 1, §§ 1 en 2 of het specialisatiecomplement bedoeld in artikel 1 bis, §§ 1 en 2, jaarlijks in september betaald door de werkgever aan de verpleegkundigen.]2 De premie [2 of het specialisatiecomplement]2 wordt betaald naar ratis van hun arbeidstijd en het aantal maanden dat zij van 1 september van het voorgaande jaar tot 31 augustus van het lopende jaar gewerkt hebben.
Vanaf 2024 wordt de premie jaarlijks, tussen 1 juli en 30 september, door de werkgever aan de verpleegkundigen betaald. De premie wordt betaald naar ratio van hun arbeidstijd en het aantal maanden dat zij van 1 juli van het voorgaande jaar tot en met 30 juni van het lopende jaar gewerkt hebben.]1
Vanaf 2024 wordt de premie jaarlijks, tussen 1 juli en 30 september, door de werkgever aan de verpleegkundigen betaald. De premie wordt betaald naar ratio van hun arbeidstijd en het aantal maanden dat zij van 1 juli van het voorgaande jaar tot en met 30 juni van het lopende jaar gewerkt hebben.]1
Art. 2 _REGION_WALLONNE.
[1 Jusqu'à l'année 2023 incluse, la prime [2 visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 ou le complément de spécialisation visé à l'article 1erbis, §§ 1er et 2, est versé]2 annuellement en septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime [2 ou le complément de spécialisation]2 est versée au prorata de leur temps de travail et du nombre de mois travaillés du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours.
A partir de l'année 2024, la prime est versée annuellement entre le 1er juillet et le 30 septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime est versée au prorata de leur temps de travail et du nombre de mois travaillés du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours.]1
[1 Jusqu'à l'année 2023 incluse, la prime [2 visée à l'article 1er, §§ 1er et 2 ou le complément de spécialisation visé à l'article 1erbis, §§ 1er et 2, est versé]2 annuellement en septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime [2 ou le complément de spécialisation]2 est versée au prorata de leur temps de travail et du nombre de mois travaillés du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours.
A partir de l'année 2024, la prime est versée annuellement entre le 1er juillet et le 30 septembre par l'employeur aux infirmiers. La prime est versée au prorata de leur temps de travail et du nombre de mois travaillés du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours.]1
Art. 3. De bedragen in dit hoofdstuk worden geïndexeerd voor de private sector overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De basisindex is 110,56.
De bedragen in dit hoofdstuk worden geïndexeerd voor de publieke sector overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is 138,01.
De bedragen in dit hoofdstuk worden geïndexeerd voor de publieke sector overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is 138,01.
Art. 3. Les primes reprises dans ce chapitre sont indexées pour le secteur privé conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. L'index de base est de 110,56.
Les primes reprises dans ce chapitre sont indexées pour le secteur public conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'index de base est de 138,01.
Les primes reprises dans ce chapitre sont indexées pour le secteur public conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'index de base est de 138,01.
Art.3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
De [1 premies zoals bedoeld in artikel 1]1 [2 worden voor de privésector geïndexeerd]2 overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De basisindex is 110,56.
De [1 premies zoals bedoeld in artikel 1]1 [2 worden voor de overheidssector geïndexeerd]2 overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is 138,01.
De [1 premies zoals bedoeld in artikel 1]1 [2 worden voor de privésector geïndexeerd]2 overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De basisindex is 110,56.
De [1 premies zoals bedoeld in artikel 1]1 [2 worden voor de overheidssector geïndexeerd]2 overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is 138,01.
Art.3_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Les primes [1 visées à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur privé conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. L'index de base est de 110,56.
Les primes [1 visées à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur public conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'index de base est de 138,01.
Les primes [1 visées à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur privé conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. L'index de base est de 110,56.
Les primes [1 visées à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur public conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'index de base est de 138,01.
Modifications
Art. 3_WAALS_GEWEST. De bedragen [1 in artikel 1]1 worden geïndexeerd voor de private sector overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De basisindex is 110,56.
De bedragen [1 in artikel 1]1 worden geïndexeerd voor de publieke sector overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is 138,01.
De bedragen [1 in artikel 1]1 worden geïndexeerd voor de publieke sector overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is 138,01.
Modifications
Art. 3 _REGION_WALLONNE.
Les primes [1 reprises à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur privé conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. L'index de base est de 110,56.
Les primes [1 reprises à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur public conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'index de base est de 138,01.
Les primes [1 reprises à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur privé conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. L'index de base est de 110,56.
Les primes [1 reprises à l'article 1er]1 sont indexées pour le secteur public conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'index de base est de 138,01.
Modifications
Art. 3bis_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De in artikel 1bis vermelde bedragen worden, voor de privésector, geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld en worden op 1 januari 2022 gekoppeld aan de spilindex.
§ 2. De bijdragen in artikel 1bis worden geïndexeerd, voor de privésector, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende de inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Ze worden op 1 januari 2022 gekoppeld aan de spilindex.]1
§ 2. De bijdragen in artikel 1bis worden geïndexeerd, voor de privésector, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende de inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Ze worden op 1 januari 2022 gekoppeld aan de spilindex.]1
Art. 3bis _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. Les montants repris dans l'article 1bis sont indexés, pour le secteur privé, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants et sont liés à l'indice pivot, au 1er janvier 2022.
§ 2. Les montants repris à l'article 1bis sont indexés, pour le secteur public, conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public et sont liés à l'indice pivot, au 1er janvier 2022. ]1
§ 2. Les montants repris à l'article 1bis sont indexés, pour le secteur public, conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public et sont liés à l'indice pivot, au 1er janvier 2022. ]1
Modifications
Art.3/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De bedragen in artikel 1/1 worden voor de privésector geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen en worden gekoppeld aan de spilindex op 1 januari 2022 (111,53).
§ 2. De bedragen in artikel 1/1 worden voor de overheidssector geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld en worden gekoppeld aan de spilindex op 1 januari 2022 (111,53).]1
§ 2. De bedragen in artikel 1/1 worden voor de overheidssector geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld en worden gekoppeld aan de spilindex op 1 januari 2022 (111,53).]1
Art.3/1_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 § 1er. Les montants repris dans l'article 1er/1 sont indexés, pour le secteur privé, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. et sont liés à l'indice pivot, au 1er janvier 2022 (111,53).
§ 2. Les montants repris à l'article 1er/1 sont indexés, pour le secteur public, conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public et sont liés à l'indice pivot, au 1er janvier 2022 (111,53).]1
§ 2. Les montants repris à l'article 1er/1 sont indexés, pour le secteur public, conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public et sont liés à l'indice pivot, au 1er janvier 2022 (111,53).]1
Modifications
Art.3/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen waarvan het personeel beoefenaars van de verpleegkunde omvat zoals bedoeld in artikel 1, §§ 1 of 2, die voldoen aan de voorwaarden in artikel 1, § 3, kunnen, volgens de voorwaarden bepaald in een door de beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen van Iriscare goedgekeurde omzendbrief, een tegemoetkoming van Iriscare krijgen die als volgt wordt bepaald:
1° 4.500 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepstitel van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
2° 1.500 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
3° 1.500 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten.
Die bedragen zijn bestemd voor de betaling van de in artikel 1 bedoelde premies aan de betrokken verpleegkundigen.
Tot en met 2023 worden die bedragen berekend rekening houdend met de aanvangsdatum van de beroepstitel of -bekwaamheid en in evenredigheid met het voltijdsequivalent van de beoefenaar van de verpleegkunde gedurende één jaar tussen 1 september en 31 augustus.
Vanaf 2024 wordt de premie berekend rekening houdend met de aanvangsdatum van de beroepstitel of -bekwaamheid en in evenredigheid met het voltijdsequivalent van de beoefenaar van de verpleegkunde tussen 1 juli van het vorige jaar en 30 juni van het lopende jaar.
De in het eerste lid, 1° tot en met 3°, vermelde bedragen zijn alleen cumuleerbaar voor eenzelfde beoefenaar van de verpleegkunde die houder is van meerdere titels of bekwaamheden, indien die titels en bekwaamheden betrekking hebben op verschillende specialisaties.
De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 110,51 met basis 2004 = 100. Die bedragen worden aangepast aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari van het jaar waarin de premie wordt betaald, overeenkomstig de bepalingen in artikel 6, 1°, van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1
1° 4.500 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepstitel van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
2° 1.500 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
3° 1.500 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten.
Die bedragen zijn bestemd voor de betaling van de in artikel 1 bedoelde premies aan de betrokken verpleegkundigen.
Tot en met 2023 worden die bedragen berekend rekening houdend met de aanvangsdatum van de beroepstitel of -bekwaamheid en in evenredigheid met het voltijdsequivalent van de beoefenaar van de verpleegkunde gedurende één jaar tussen 1 september en 31 augustus.
Vanaf 2024 wordt de premie berekend rekening houdend met de aanvangsdatum van de beroepstitel of -bekwaamheid en in evenredigheid met het voltijdsequivalent van de beoefenaar van de verpleegkunde tussen 1 juli van het vorige jaar en 30 juni van het lopende jaar.
De in het eerste lid, 1° tot en met 3°, vermelde bedragen zijn alleen cumuleerbaar voor eenzelfde beoefenaar van de verpleegkunde die houder is van meerdere titels of bekwaamheden, indien die titels en bekwaamheden betrekking hebben op verschillende specialisaties.
De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 110,51 met basis 2004 = 100. Die bedragen worden aangepast aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari van het jaar waarin de premie wordt betaald, overeenkomstig de bepalingen in artikel 6, 1°, van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1
Art.3/2_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 Les maisons de repos et les maisons de repos et de soins qui comptent dans leur personnel des praticiens de l'art infirmier visés à l'article 1er, §§ 1er ou 2, qui répondent aux conditions de l'article 1er, § 3, peuvent bénéficier, selon les modalités prévues par une circulaire approuvée par le Conseil de gestion de la Santé et de l'Aide aux personnes d'Iriscare, d'une intervention d'Iriscare fixée comme suit :
1° 4.500 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'un titre professionnel d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
2° 1.500 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
3° 1.500 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier.
Ces montants sont destinés à couvrir le paiement des primes visées à l'article 1er aux infirmiers concernés.
Jusqu'à l'année 2023 incluse, ces montants sont calculés en tenant compte de la date de prise d'effet du titre ou de la qualification et au prorata de l'équivalent temps plein du praticien de l'art infirmier au cours d'une période d'un an comprise entre le 1er septembre et le 31 août.
A partir de l'année 2024, la prime est calculée en tenant compte de la date de prise d'effet du titre ou de la qualification et au prorata de l'équivalent temps plein du praticien de l'art infirmier entre le 1er juillet de l'année précédente et le 30 juin de l'année en cours.
Les montants visés à l'alinéa 1er, 1° à 3°, sont cumulables pour un même praticien de l'art infirmier disposant de plusieurs titres ou qualifications uniquement si ces titres et qualifications portent sur des spécialités distinctes.
Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot 110,51 dans la base 2004 = 100. Ils sont adaptés à l'indice pivot applicable au 1er janvier de l'année où la prime est versée, et cela conformément aux dispositions de l'article 6, 1° de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1
1° 4.500 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'un titre professionnel d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
2° 1.500 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
3° 1.500 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier.
Ces montants sont destinés à couvrir le paiement des primes visées à l'article 1er aux infirmiers concernés.
Jusqu'à l'année 2023 incluse, ces montants sont calculés en tenant compte de la date de prise d'effet du titre ou de la qualification et au prorata de l'équivalent temps plein du praticien de l'art infirmier au cours d'une période d'un an comprise entre le 1er septembre et le 31 août.
A partir de l'année 2024, la prime est calculée en tenant compte de la date de prise d'effet du titre ou de la qualification et au prorata de l'équivalent temps plein du praticien de l'art infirmier entre le 1er juillet de l'année précédente et le 30 juin de l'année en cours.
Les montants visés à l'alinéa 1er, 1° à 3°, sont cumulables pour un même praticien de l'art infirmier disposant de plusieurs titres ou qualifications uniquement si ces titres et qualifications portent sur des spécialités distinctes.
Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot 110,51 dans la base 2004 = 100. Ils sont adaptés à l'indice pivot applicable au 1er janvier de l'année où la prime est versée, et cela conformément aux dispositions de l'article 6, 1° de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1
Modifications
Art.3/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen waarvan het personeel beoefenaars van de verpleegkunde omvat zoals bedoeld in artikel 1/1, die voldoen aan de voorwaarden in artikel 1/1, § 3, kunnen, volgens de voorwaarden bepaald in een door de beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen van Iriscare goedgekeurde omzendbrief, een tegemoetkoming van Iriscare krijgen die als volgt wordt bepaald:
1° 3.366,75 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepstitel van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
2° 1.121,80 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
3° 1.121,80 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten.
Die bedragen zijn bestemd voor de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde specialisatiecomplementen aan de betrokken verpleegkundigen.
Vanaf 2024 wordt de premie berekend rekening houdend met de aanvangsdatum van de beroepstitel of -bekwaamheid en in evenredigheid met het voltijdsequivalent van de beoefenaar van de verpleegkunde en het aantal gepresteerde maanden tussen 1 juli van het vorige jaar en 30 juni van het lopende jaar.
De in het eerste lid, 1° tot en met 3°, vermelde bedragen zijn alleen cumuleerbaar voor eenzelfde beoefenaar van de verpleegkunde die houder is van meerdere titels of bekwaamheden, indien die titels en bekwaamheden betrekking hebben op verschillende specialisaties.
De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 111,53 met basis 2013 = 100. Die bedragen worden aangepast aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari van het jaar waarin de premie wordt betaald, overeenkomstig de bepalingen in artikel 6, 1°, van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1
1° 3.366,75 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepstitel van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
2° 1.121,80 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de geriatrie in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten;
3° 1.121,80 euro x het aantal voltijdsequivalenten verpleegkundigen die houder zijn van een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg in het rustoord voor bejaarden of het rust- en verzorgingstehuis, en die verpleegkundige prestaties verrichten.
Die bedragen zijn bestemd voor de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde specialisatiecomplementen aan de betrokken verpleegkundigen.
Vanaf 2024 wordt de premie berekend rekening houdend met de aanvangsdatum van de beroepstitel of -bekwaamheid en in evenredigheid met het voltijdsequivalent van de beoefenaar van de verpleegkunde en het aantal gepresteerde maanden tussen 1 juli van het vorige jaar en 30 juni van het lopende jaar.
De in het eerste lid, 1° tot en met 3°, vermelde bedragen zijn alleen cumuleerbaar voor eenzelfde beoefenaar van de verpleegkunde die houder is van meerdere titels of bekwaamheden, indien die titels en bekwaamheden betrekking hebben op verschillende specialisaties.
De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 111,53 met basis 2013 = 100. Die bedragen worden aangepast aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari van het jaar waarin de premie wordt betaald, overeenkomstig de bepalingen in artikel 6, 1°, van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1
Art.3/3_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 Les maisons de repos et les maisons de repos et de soins qui comptent dans leur personnel des praticiens de l'art infirmier visés à l'article 1er/1, qui répondent aux conditions de l'article 1er/1 § 3, peuvent bénéficier, selon les modalités prévues par une circulaire approuvée par le Conseil de gestion de la Santé et de l'Aide aux personnes d'Iriscare, d'une intervention d'Iriscare fixée comme suit :
1° 3366,75 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'un titre professionnel d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
2° 1121,80 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
3° 1121,80 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier.
Ces montants sont destinés à couvrir le paiement des compléments de spécialisation visés à l'article 1er/1 aux infirmiers concernés.
A partir de l'année 2024, la prime est calculée en tenant compte de la date de prise d'effet du titre ou de la qualification et au prorata de l'équivalent temps plein du praticien de l'art infirmier et du nombre de mois travaillés entre le 1er juillet de l'année précédente et le 30 juin de l'année en cours.
Les montants visés à l'alinéa 1er, 1° à 3°, sont cumulables pour un même praticien de l'art infirmier disposant de plusieurs titres ou qualifications uniquement si ces titres et qualifications portent sur des spécialités distinctes.
Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot 111,53 dans la base 2013 = 100. Ils sont adaptés à l'indice pivot applicable au 1er janvier de l'année où la prime est versée, et cela conformément aux dispositions de l'article 6, 1° de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1
1° 3366,75 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'un titre professionnel d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
2° 1121,80 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en gériatrie dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier ;
3° 1121,80 euros x le nombre d'équivalents temps plein d'infirmiers disposant d'une qualification professionnelle d'infirmier ayant une expertise particulière en soins palliatifs dans la maison de repos pour personnes âgées ou la maison de repos et de soins, et exerçant des prestations d'infirmier.
Ces montants sont destinés à couvrir le paiement des compléments de spécialisation visés à l'article 1er/1 aux infirmiers concernés.
A partir de l'année 2024, la prime est calculée en tenant compte de la date de prise d'effet du titre ou de la qualification et au prorata de l'équivalent temps plein du praticien de l'art infirmier et du nombre de mois travaillés entre le 1er juillet de l'année précédente et le 30 juin de l'année en cours.
Les montants visés à l'alinéa 1er, 1° à 3°, sont cumulables pour un même praticien de l'art infirmier disposant de plusieurs titres ou qualifications uniquement si ces titres et qualifications portent sur des spécialités distinctes.
Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot 111,53 dans la base 2013 = 100. Ils sont adaptés à l'indice pivot applicable au 1er janvier de l'année où la prime est versée, et cela conformément aux dispositions de l'article 6, 1° de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1
Modifications
Art.3/4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Iriscare betaalt de in de artikelen 3/2 en 3/3 bedoelde tegemoetkomingen aan de rustoorden voor bejaarden en rust- en verzorgingstehuizen uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar, op voorwaarde dat de volgende gegevens vóór 31 oktober van elk jaar aan de dienst Financiën van Iriscare worden bezorgd, volgens de voorwaarden bepaald door een door de beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen van Iriscare goedgekeurde omzendbrief:
1° de namen en voornamen van de betrokken beoefenaars van de verpleegkunde;
2° hun rijksregisternummers;
3° een kopie van hun titels of bekwaamheden en, als een verpleegkundige voor het eerst een premie of specialisatiecomplement ontvangt, een getuigschrift afgeleverd door de Franse of Vlaamse Gemeenschap;
4° tot en met 2023: een kopie van hun arbeidsovereenkomst, de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling en, voor ieder van hen, het aantal dagen of uren dat ze van 1 september van het vorige jaar tot 31 augustus van het lopende jaar (met eventueel de datum van indiensttreding en uitdiensttreding) als beoefenaar van de verpleegkunde hebben gepresteerd (of het daaraan gelijkgestelde aantal dagen of uren);
5° vanaf 2024: een kopie van hun arbeidsovereenkomst, de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling en, voor ieder van hen, het aantal dagen of uren dat ze van 1 juli van het vorige jaar tot 30 juni van het lopende jaar (met eventueel de datum van indiensttreding en uitdiensttreding) als beoefenaar van de verpleegkunde hebben gepresteerd (of het daaraan gelijkgestelde aantal dagen of uren).]1
1° de namen en voornamen van de betrokken beoefenaars van de verpleegkunde;
2° hun rijksregisternummers;
3° een kopie van hun titels of bekwaamheden en, als een verpleegkundige voor het eerst een premie of specialisatiecomplement ontvangt, een getuigschrift afgeleverd door de Franse of Vlaamse Gemeenschap;
4° tot en met 2023: een kopie van hun arbeidsovereenkomst, de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling en, voor ieder van hen, het aantal dagen of uren dat ze van 1 september van het vorige jaar tot 31 augustus van het lopende jaar (met eventueel de datum van indiensttreding en uitdiensttreding) als beoefenaar van de verpleegkunde hebben gepresteerd (of het daaraan gelijkgestelde aantal dagen of uren);
5° vanaf 2024: een kopie van hun arbeidsovereenkomst, de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling en, voor ieder van hen, het aantal dagen of uren dat ze van 1 juli van het vorige jaar tot 30 juni van het lopende jaar (met eventueel de datum van indiensttreding en uitdiensttreding) als beoefenaar van de verpleegkunde hebben gepresteerd (of het daaraan gelijkgestelde aantal dagen of uren).]1
Art.3/4_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 Iriscare verse les interventions visées aux articles 3/2 et 3/3 aux maisons de repos pour personnes âgées et maisons de repos et de soins au plus tard le 31 décembre de l'année concernée, sous réserve de la transmission au Service Finances d'Iriscare, avant le 31 octobre de chaque année et selon les modalités prévues par une circulaire approuvée par le Conseil de gestion de la Santé et de l'Aide aux personnes d'Iriscare, des données suivantes:
1° noms et prénoms des praticiens de l'art infirmier concernés ;
2° leurs numéros de registre national ;
3° copie de leurs titres ou qualifications, ainsi que, si un infirmier bénéficie d'une prime ou d'un complément de spécialisation pour la première fois, un certificat délivré par la Communauté française ou flamande ;
4° jusqu'à l'année 2023 incluse : copie de leurs contrats de travail ou de la décision de leur nomination ou désignation et, pour chacun d'eux, le nombre de jours ou d'heures prestés (ou assimilés) en tant que praticiens de l'art infirmier du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours (avec les dates d'entrée et de sortie éventuelles) ;
5° à partir de l'année 2024 : copie de leurs contrats de travail ou de la décision de leur nomination ou désignation et, pour chacun d'eux, le nombre de jours ou d'heures prestés (ou assimilés) en tant que praticiens de l'art infirmier du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours (avec les dates d'entrée et de sortie éventuelles).]1
1° noms et prénoms des praticiens de l'art infirmier concernés ;
2° leurs numéros de registre national ;
3° copie de leurs titres ou qualifications, ainsi que, si un infirmier bénéficie d'une prime ou d'un complément de spécialisation pour la première fois, un certificat délivré par la Communauté française ou flamande ;
4° jusqu'à l'année 2023 incluse : copie de leurs contrats de travail ou de la décision de leur nomination ou désignation et, pour chacun d'eux, le nombre de jours ou d'heures prestés (ou assimilés) en tant que praticiens de l'art infirmier du 1er septembre de l'année précédente au 31 août de l'année en cours (avec les dates d'entrée et de sortie éventuelles) ;
5° à partir de l'année 2024 : copie de leurs contrats de travail ou de la décision de leur nomination ou désignation et, pour chacun d'eux, le nombre de jours ou d'heures prestés (ou assimilés) en tant que praticiens de l'art infirmier du 1er juillet de l'année précédente au 30 juin de l'année en cours (avec les dates d'entrée et de sortie éventuelles).]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - Uurroostertoeslagen
CHAPITRE II. - Suppléments horaires
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1re. - Champ d'application
Art. 4. Dit hoofdstuk is van toepassing op het personeel aan het bed van de patiënt zoals gedefinieerd in artikel 5, en tewerkgesteld in :
- alle vormen van daghospitalisatie en ziekenhuisdiensten bedoeld in artikel 8, a) en b) van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen;
- de rustoorden voor bejaarden en de rust- en verzorgingstehuizen;
- de psychiatrische verzorgingstehuizen;
- de diensten thuisverpleging;
- de wijkgezondheidscentra;
- de initiatieven van beschut wonen.
- alle vormen van daghospitalisatie en ziekenhuisdiensten bedoeld in artikel 8, a) en b) van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen;
- de rustoorden voor bejaarden en de rust- en verzorgingstehuizen;
- de psychiatrische verzorgingstehuizen;
- de diensten thuisverpleging;
- de wijkgezondheidscentra;
- de initiatieven van beschut wonen.
Art. 4. Le présent chapitre s'applique au personnel au chevet du patient, tel que défini à l'article 5, travaillant dans :
- tous types d'hospitalisation de jour et services hospitaliers, visés à l'article 8, a) et b), de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux;
- les maisons de repos pour personnes âgées et les maisons de repos et de soins;
- les maisons de soins psychiatriques;
- les services de soins infirmiers à domicile;
- les maisons médicales;
- les initiatives d'habitations protégées.
- tous types d'hospitalisation de jour et services hospitaliers, visés à l'article 8, a) et b), de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux;
- les maisons de repos pour personnes âgées et les maisons de repos et de soins;
- les maisons de soins psychiatriques;
- les services de soins infirmiers à domicile;
- les maisons médicales;
- les initiatives d'habitations protégées.
Art. 4_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 4 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 5. Onder personeel aan het bed van de patiënt wordt verstaan :
- de verpleegkundigen;
- de zorgkundigen;
- de personen die de functie uitoefenen van opvoeder in de psychiatrische diensten van de instellingen bepaald in artikel 4.
- de verpleegkundigen;
- de zorgkundigen;
- de personen die de functie uitoefenen van opvoeder in de psychiatrische diensten van de instellingen bepaald in artikel 4.
Art. 5. Par personnel au chevet du patient, on entend :
- les infirmiers;
- les aides-soignants;
- les personnes qui exercent la fonction d'éducateur dans les services psychiatriques des institutions visées à l'article 4.
- les infirmiers;
- les aides-soignants;
- les personnes qui exercent la fonction d'éducateur dans les services psychiatriques des institutions visées à l'article 4.
Art. 5_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 5 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Afdeling 2. - De uurperiodes
Section 2. - Les plages horaires
Art. 6. De 24 uren van een dag worden verdeeld in 4 uurperiodes :
Dag : van 8 uur tot 18 uur.
Avond : van 18 uur tot 20 uur.
Nacht : van 20 uur tot 6 uur.
Ochtend : van 6 uur tot 8 uur.
De huidige regels die voortvloeien uit protocollen getekend in het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke overheidsdiensten (Comité C) voor wat betreft de publieke sector, uit collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in een paritair comité voor wat betreft de private sector of bij gebrek aan, uit een lokaal akkoord, blijven onveranderd voor wat betreft de uren gepresteerd tijdens de uurperiode van de dag (van 8 uur tot 18 uur) en van de ochtend (van 6 uur tot 8 uur) van maandag tot vrijdag, op zaterdag, zon- en feestdagen.
Dag : van 8 uur tot 18 uur.
Avond : van 18 uur tot 20 uur.
Nacht : van 20 uur tot 6 uur.
Ochtend : van 6 uur tot 8 uur.
De huidige regels die voortvloeien uit protocollen getekend in het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke overheidsdiensten (Comité C) voor wat betreft de publieke sector, uit collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in een paritair comité voor wat betreft de private sector of bij gebrek aan, uit een lokaal akkoord, blijven onveranderd voor wat betreft de uren gepresteerd tijdens de uurperiode van de dag (van 8 uur tot 18 uur) en van de ochtend (van 6 uur tot 8 uur) van maandag tot vrijdag, op zaterdag, zon- en feestdagen.
Art. 6. Les 24 heures d'une journée sont divisées en 4 plages horaires :
Le jour : de 8 heures à 18 heures.
Le soir : de 18 heures à 20 heures.
La nuit : de 20 heures à 6 heures.
Le matin : de 6 heures à 8 heures.
Les règles actuelles découlant de protocoles signés en comité pour les services publics provinciaux et locaux (comité C) pour le secteur public, d'une convention collective conclue en commission paritaire pour le secteur privé ou, à défaut, d'un accord local, restent inchangées en ce qui concerne les heures prestées pendant la plage horaire du jour (de 8 heures à 18 heures) et du matin (de 6 heures à 8 heures), du lundi au vendredi, le samedi, le dimanche et les jours fériés.
Le jour : de 8 heures à 18 heures.
Le soir : de 18 heures à 20 heures.
La nuit : de 20 heures à 6 heures.
Le matin : de 6 heures à 8 heures.
Les règles actuelles découlant de protocoles signés en comité pour les services publics provinciaux et locaux (comité C) pour le secteur public, d'une convention collective conclue en commission paritaire pour le secteur privé ou, à défaut, d'un accord local, restent inchangées en ce qui concerne les heures prestées pendant la plage horaire du jour (de 8 heures à 18 heures) et du matin (de 6 heures à 8 heures), du lundi au vendredi, le samedi, le dimanche et les jours fériés.
Art. 6_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 6 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Afdeling 3. - Avondprestaties
Section 3. - Prestations du soir
Art. 7. Een toeslag voor avondprestaties, wordt toegekend voor de uurschijf van 19 tot 20 uur aan het personeel aan het bed van de patiënt zoals gedefinieerd in artikel 5, tewerkgesteld in de instellingen bedoeld in artikel 4, en dit a prorata van de effectief uitgevoerde prestaties in deze uurschijf.
Art. 7. Un sursalaire pour prestations du soir est octroyé, pour la tranche horaire 19 heures - 20 heures, au personnel au chevet du patient, tel que défini à l'article 5, travaillant dans des institutions définies à l'article 4, et ce au prorata de la prestation effectivement prestée dans cette tranche horaire.
Art. 7_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 7 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 8. Deze toeslag wordt als volgt berekend en toegekend :
- voor het personeel dat betaald wordt volgens het zogenaamde regime " per prestatie " : 20 % van het barema-uurloon ongeacht de dag van de week waarbij de toeslag op zaterdag, zon- en feestdagen van toepassing is indien deze voordeliger is dan die 20 %;
- voor het personeel dat via het forfait van 11 % betaald wordt : de toeslag voor het nachtuurloon toegevoegd aan het basisbarema van 111 %, ongeacht de dag van de week, inclusief zaterdag en zon- en feestdagen.
- voor het personeel dat betaald wordt volgens het zogenaamde regime " per prestatie " : 20 % van het barema-uurloon ongeacht de dag van de week waarbij de toeslag op zaterdag, zon- en feestdagen van toepassing is indien deze voordeliger is dan die 20 %;
- voor het personeel dat via het forfait van 11 % betaald wordt : de toeslag voor het nachtuurloon toegevoegd aan het basisbarema van 111 %, ongeacht de dag van de week, inclusief zaterdag en zon- en feestdagen.
Art. 8. Ce sursalaire est calculé et octroyé comme suit :
- pour le personnel rémunéré selon le régime dit " à la prestation " : 20 % du salaire barémique horaire quel que soit le jour de la semaine; le sursalaire des samedis, dimanches et jours fériés est d'application s'il est supérieur à ces 20 %;
- pour le personnel payé au forfait de 11 % : le complément horaire de nuit actuellement octroyé pour les prestations de nuit, ajouté au barème de base de 111 %, quel que soit le jour de la semaine, y compris les samedis, dimanches et les jours fériés.
- pour le personnel rémunéré selon le régime dit " à la prestation " : 20 % du salaire barémique horaire quel que soit le jour de la semaine; le sursalaire des samedis, dimanches et jours fériés est d'application s'il est supérieur à ces 20 %;
- pour le personnel payé au forfait de 11 % : le complément horaire de nuit actuellement octroyé pour les prestations de nuit, ajouté au barème de base de 111 %, quel que soit le jour de la semaine, y compris les samedis, dimanches et les jours fériés.
Art. 8_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 8 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 9. De akkoorden of gebruiken, vooruitvloeiend uit sectoriële onderhandelingen, die betere arbeidsvoorwaarden bepalen, blijven van toepassing voor de andere personeelscategorieën en in de andere sectoren.
Art. 9. Les accords ou usages, découlant de négociations sectorielles, qui déterminent de meilleures conditions de travail, restent d'application pour les autres catégories de personnel et dans les autres secteurs.
Art. 9_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 9 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Afdeling 4. - Nachtprestaties
Section 4. - Prestations de nuit
Art. 10. Alle uren gepresteerd tussen 20 uur en 6 uur worden beschouwd als nachturen zowel van maandag tot vrijdag als op de zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Een toeslag voor nachtprestaties wordt toegekend voor de uurschijf van 20 uur tot 6 uur, volgens regels geldende op 31 december 2009, aan het personeel aan het bed van de patiënt zoals gedefinieerd in artikel 5, tewerkgesteld in de instellingen bedoeld in artikel 4, en dit a prorata van de effectief uitgevoerde prestaties in deze uurschijf.
Een toeslag voor nachtprestaties wordt toegekend voor de uurschijf van 20 uur tot 6 uur, volgens regels geldende op 31 december 2009, aan het personeel aan het bed van de patiënt zoals gedefinieerd in artikel 5, tewerkgesteld in de instellingen bedoeld in artikel 4, en dit a prorata van de effectief uitgevoerde prestaties in deze uurschijf.
Art. 10. Toutes les heures prestées entre 20 heures et 6 heures sont considérées comme des heures de nuit, tant du lundi au vendredi que pour les samedis, les dimanches et les jours fériés.
Un sursalaire pour les prestations du nuit est octroyé pour la tranche horaire de 20 heures à 6 heures, en vertu des règles en vigueur au 31 décembre 2009, au personnel au chevet du patient, tel que défini à l'article 5, travaillant dans des institutions définies à l'article 4, et ce au prorata de la prestation effectivement prestée dans cette tranche horaire.
Un sursalaire pour les prestations du nuit est octroyé pour la tranche horaire de 20 heures à 6 heures, en vertu des règles en vigueur au 31 décembre 2009, au personnel au chevet du patient, tel que défini à l'article 5, travaillant dans des institutions définies à l'article 4, et ce au prorata de la prestation effectivement prestée dans cette tranche horaire.
Art. 10_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 10 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 11. Bovendien worden alle uren of delen van een uur van een prestatie die middernacht overschrijdt, beschouwd en betaald als nachturen zelfs indien de prestatie start vóór 20 uur of eindigt na 6uur.
Art. 11. En outre, toutes les heures ou fractions d'heures d'une prestation qui dépasse minuit sont considérées comme des heures de nuit et rémunérées comme telles même si la prestation commence avant 20 heures ou se termine après 6 heures.
Art. 11_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 11 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 12. Deze toeslag voor de nacht wordt als volgt berekend en toegekend :
- aan het personeel dat betaald wordt volgens het zogenaamde regime " per prestatie " : de nachtuurtoeslag van toepassing op 31 december 2009 ongeacht de dag van de week; de toeslag op zaterdag, zon- en feestdagen is van toepassing indien voordeliger dan deze uurtoeslag;
- aan het personeel dat momenteel via het forfait van 11 % betaald wordt : de toeslag voor het nachtuurloon toegevoegd aan het basisbarema van 111 %, ongeacht de dag van de week, inclusief zaterdag en zon- en feestdagen.
- aan het personeel dat betaald wordt volgens het zogenaamde regime " per prestatie " : de nachtuurtoeslag van toepassing op 31 december 2009 ongeacht de dag van de week; de toeslag op zaterdag, zon- en feestdagen is van toepassing indien voordeliger dan deze uurtoeslag;
- aan het personeel dat momenteel via het forfait van 11 % betaald wordt : de toeslag voor het nachtuurloon toegevoegd aan het basisbarema van 111 %, ongeacht de dag van de week, inclusief zaterdag en zon- en feestdagen.
Art. 12. Ce sursalaire de nuit est calculé et octroyé comme suit :
- pour le personnel payé selon le régime dit " à la prestation " : le sursalaire horaire de nuit d'application au 31 décembre 2009, quel que soit le jour de la semaine; le sursalaire des samedis, dimanches et jours fériés étant d'application s'il est supérieur à ce sursalaire;
- pour le personnel actuellement payé au forfait de 11 % : le complément horaire de nuit actuellement octroyé pour les prestations de nuit, ajouté au barème de base de 111 %, quel que soit le jour de la semaine, y compris les samedis, dimanches et les jours fériés.
- pour le personnel payé selon le régime dit " à la prestation " : le sursalaire horaire de nuit d'application au 31 décembre 2009, quel que soit le jour de la semaine; le sursalaire des samedis, dimanches et jours fériés étant d'application s'il est supérieur à ce sursalaire;
- pour le personnel actuellement payé au forfait de 11 % : le complément horaire de nuit actuellement octroyé pour les prestations de nuit, ajouté au barème de base de 111 %, quel que soit le jour de la semaine, y compris les samedis, dimanches et les jours fériés.
Art. 12_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 12 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 13. De akkoorden of gebruiken, vooruitvloeiend uit sectoriële onderhandelingen, die betere arbeidsvoorwaarden bepalen, blijven van toepassing voor de andere personeelscategorieën en in de andere sectoren.
Art. 13. Les accords ou usages, découlant de négociations sectorielles, qui déterminent de meilleures conditions de travail, restent d'application pour les autres catégories de personnel et dans les autres secteurs.
Art. 13_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 13 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 14. Indien voor een deel van een prestatie twee verschillende premies bestaan, wordt de hoogste premie toegekend.
Art. 14. Si pour une partie de prestation, il existe deux primes différentes, la prime la plus élevée est octroyée.
Art. 14_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 14 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 15. Het koninklijk besluit van 22 juni 2010 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en onregelmatige prestaties wordt ingetrokken.
Art. 15. L'arrêté royal du 22 juin 2010 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables est retiré.
Art. 15_VLAAMS_GEWEST. (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Opgeheven art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Art. 15 _REGION_FLAMANDE.
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
(NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)">Abrogé art. 582 van 30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding
CHAPITRE III. - Entrée en vigueur
Art. 16. De bepalingen vermeld in de hoofdstukken I en II zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2010. De betaling van de afgesproken toeslagen gebeurt door de werkgever vanaf 1 juli 2010 en wordt geïntegreerd in het loon van de werknemer. De toeslagen die verdiend werden in de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2010 worden ten laatste op 1 juli 2010 als eenmalig inhaalbedrag uitbetaald.
Art. 16. Les dispositions mentionnées dans les chapitres Ier et II sont d'application à partir du 1er janvier 2010. Le paiement des sursalaires convenus est fait par l'employeur dès le 1er juillet 2010 et est intégré dans la rémunération du travailleur. Les sursalaires pro-mérités pour la période du 1er janvier au 30 juin 2010 sont payés au plus tard le 1er juillet 2010 comme prime de rattrapage unique.
Art. 17. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2010.
Art. 17. Le présent arrêté produits ses effets le 1er juillet 2010.
Art. 18. De Minister bevoegd voor Sociale zaken en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder voor wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.