Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
2 APRIL 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, ter vereenvoudiging van de werkkaarten
Titre
2 AVRIL 2010. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, relatif à la simplification des cartes de travail
Informations sur le document
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. In Artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 februari 2010, wordt in 4°, e), het woord "alfa" tweemaal vervangen door het symbool;".
Article 1er. A l'article 2 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 février 2010, le mot "alfa" dans 4°, e), est deux fois remplacé par le symbole;".
Art. 2. In artikel 18 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 maart 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de bepalingen onder 2°, 3° en 4° vervangen als volgt :
"2° voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de zeven daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999.
3° voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vijftien daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een erg laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 2°, van de wet van 24 december 1999.
4° voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vijftien daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laaggeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999, die bovendien beantwoordt aan de definitie van artikel 23, § 1bis, eerste of tweede lid, van de wet van 24 december 1999.";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, en het tweede en derde lid, wordt als kwartaal van indienstneming beschouwd het kwartaal waarin een jongere voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.";
3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, wordt beschouwd als dag van indienstneming, 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, indien hij reeds vóór deze datum in dienst was bij dezelfde werkgever.
De periode waarin de doelgroepvermindering bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° wordt toegekend, eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de jongere zesentwintig wordt.".
1° in het eerste lid, worden de bepalingen onder 2°, 3° en 4° vervangen als volgt :
"2° voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de zeven daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999.
3° voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vijftien daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een erg laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 2°, van de wet van 24 december 1999.
4° voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vijftien daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laaggeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999, die bovendien beantwoordt aan de definitie van artikel 23, § 1bis, eerste of tweede lid, van de wet van 24 december 1999.";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, en het tweede en derde lid, wordt als kwartaal van indienstneming beschouwd het kwartaal waarin een jongere voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.";
3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, wordt beschouwd als dag van indienstneming, 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, indien hij reeds vóór deze datum in dienst was bij dezelfde werkgever.
De periode waarin de doelgroepvermindering bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° wordt toegekend, eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de jongere zesentwintig wordt.".
Art. 2. Dans l'article 18 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 29 mars 2006 et modifié par l'arrêté royal du 3 février 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les 2°, 3° et 4° sont remplacées par ce qui suit :
" 2° pour la mise au travail d'un jeune un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune peu qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999.
3° pour la mise au travail d'un jeune un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les quinze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune très peu qualifié tel que visé à l'article 24, 2°, de la loi du 24 décembre 1999.
4° pour la mise au travail d'un jeune un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les quinze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune moins qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999 et qu'il réponde également à la définition de l'article 23, § 1erbis, alinéa 1er ou 2, de la loi du 24 décembre 1999." ";
2° l'alinéa 4 est remplacé comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, et des alinéas 2 et 3, est considéré comme trimestre de l'engagement, le trimestre au cours duquel un jeune est occupé pour la première fois auprès de l'employeur concerné.";
3° l'article est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, est considérée comme date d'engagement, le 1er janvier de l'année au cours de laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans, s'il était déjà avant cette date en service chez le même employeur.
La période durant laquelle la réduction groupe cible visée à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° est octroyée, prend fin le dernier jour du trimestre dans lequel le jeune atteint l'âge de vingt-six ans.".
1° dans l'alinéa 1er, les 2°, 3° et 4° sont remplacées par ce qui suit :
" 2° pour la mise au travail d'un jeune un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune peu qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999.
3° pour la mise au travail d'un jeune un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les quinze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune très peu qualifié tel que visé à l'article 24, 2°, de la loi du 24 décembre 1999.
4° pour la mise au travail d'un jeune un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les quinze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune moins qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999 et qu'il réponde également à la définition de l'article 23, § 1erbis, alinéa 1er ou 2, de la loi du 24 décembre 1999." ";
2° l'alinéa 4 est remplacé comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, et des alinéas 2 et 3, est considéré comme trimestre de l'engagement, le trimestre au cours duquel un jeune est occupé pour la première fois auprès de l'employeur concerné.";
3° l'article est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, est considérée comme date d'engagement, le 1er janvier de l'année au cours de laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans, s'il était déjà avant cette date en service chez le même employeur.
La période durant laquelle la réduction groupe cible visée à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° est octroyée, prend fin le dernier jour du trimestre dans lequel le jeune atteint l'âge de vingt-six ans.".
Art. 3. In artikel 20 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 maart 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden het tweede, derde en vierde lid vervangen als volgt :
"De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 2°, op de dag van indienstneming.
De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°, op de dag van indienstneming.
De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 4°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 4°, op de dag van indienstneming.";
2° het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 3 en 4, luidende :
"§ 3. Onverminderd de bepalingen van § 1, kan een werkgever genieten van de voordelen voorzien in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4° indien hij een jongere in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
De aanvraag van de werkkaart die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1, wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt of op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.
Wanneer de tewerkstelling van de jongere aanving vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt en vanaf deze datum wordt verder gezet, kan in afwijking van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 enkel de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer een werkkaart vragen die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
De in het vorig lid bedoelde aanvraag van werkkaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt bij het bevoegd werkloosheidsbureau ingediend worden.
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 of in het vierde lid, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° of 4°, de periode gedurende dewelke de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
§ 4. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, wordt de jongere die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, gelijkgesteld aan een jongere die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indienstneming."
1° in paragraaf 1 worden het tweede, derde en vierde lid vervangen als volgt :
"De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 2°, op de dag van indienstneming.
De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°, op de dag van indienstneming.
De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 4°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 4°, op de dag van indienstneming.";
2° het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 3 en 4, luidende :
"§ 3. Onverminderd de bepalingen van § 1, kan een werkgever genieten van de voordelen voorzien in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4° indien hij een jongere in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
De aanvraag van de werkkaart die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1, wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt of op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.
Wanneer de tewerkstelling van de jongere aanving vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt en vanaf deze datum wordt verder gezet, kan in afwijking van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 enkel de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer een werkkaart vragen die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
De in het vorig lid bedoelde aanvraag van werkkaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt bij het bevoegd werkloosheidsbureau ingediend worden.
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 of in het vierde lid, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° of 4°, de periode gedurende dewelke de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
§ 4. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, wordt de jongere die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, gelijkgesteld aan een jongere die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indienstneming."
Art. 3. Dans l'article 20 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 21 janvier 2004 et modifié par l'arrêté royal du 29 mars 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les alinéas 2, 3 et 4, sont remplacés par ce qui suit :
"La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 2°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 2°, à la date d'engagement.
La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 3°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 3°, à la date d'engagement.
La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 4°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 4°, à la date d'engagement."
2° l'article est complété par les paragraphes 3 et 4 rédigés comme suit :
"§ 3. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, un employeur peut bénéficier des avantages prévus à l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4° lorsqu'il engage un jeune pendant la durée de validité de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001.
La demande de la carte de travail qui se rapporte à l'attestation visée au paragraphe 1er, est déclarée irrecevable quand la demande se situe avant le 1er janvier de l'année dans laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans ou à un moment où le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour.
Lorsque l'occupation du jeune employeur a débuté avant le 1er janvier de l'année dans laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans et qu'elle se prolonge au-delà de cette date, la carte de travail portant sur l'attestation visée au paragraphe 1er, ne peut, par dérogation à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, être demandée que par l'employeur du nouveau travailleur concerné. Cette demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement, qu'elle mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification à la sécurité sociale, ainsi que la date de l'engagement.
La demande de carte de travail visée à l'alinéa précédent doit être introduite auprès du bureau de chômage compétent au plus tard au 31 janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'âge de dix-neuf ans.
Lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du délai prévu à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 1999 ou dans l'alinéa 4, la période pendant laquelle les réductions groupe-cible visée l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, peut être accordée, est diminuée, par dérogation aux dispositions de l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
§ 4. Pour l'application de l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, le jeune qui satisfait aux conditions dudit article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, au moment de la demande de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est assimilé à un jeune qui satisfait à ces conditions au moment de l'engagement."
1° dans le paragraphe 1er, les alinéas 2, 3 et 4, sont remplacés par ce qui suit :
"La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 2°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 2°, à la date d'engagement.
La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 3°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 3°, à la date d'engagement.
La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 4°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 4°, à la date d'engagement."
2° l'article est complété par les paragraphes 3 et 4 rédigés comme suit :
"§ 3. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, un employeur peut bénéficier des avantages prévus à l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4° lorsqu'il engage un jeune pendant la durée de validité de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001.
La demande de la carte de travail qui se rapporte à l'attestation visée au paragraphe 1er, est déclarée irrecevable quand la demande se situe avant le 1er janvier de l'année dans laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans ou à un moment où le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour.
Lorsque l'occupation du jeune employeur a débuté avant le 1er janvier de l'année dans laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans et qu'elle se prolonge au-delà de cette date, la carte de travail portant sur l'attestation visée au paragraphe 1er, ne peut, par dérogation à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, être demandée que par l'employeur du nouveau travailleur concerné. Cette demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement, qu'elle mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification à la sécurité sociale, ainsi que la date de l'engagement.
La demande de carte de travail visée à l'alinéa précédent doit être introduite auprès du bureau de chômage compétent au plus tard au 31 janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'âge de dix-neuf ans.
Lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du délai prévu à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 1999 ou dans l'alinéa 4, la période pendant laquelle les réductions groupe-cible visée l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, peut être accordée, est diminuée, par dérogation aux dispositions de l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
§ 4. Pour l'application de l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, le jeune qui satisfait aux conditions dudit article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, au moment de la demande de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est assimilé à un jeune qui satisfait à ces conditions au moment de l'engagement."
Art. 4. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2010.
In afwijking van het eerste lid heeft artikel 1 uitwerking met ingang van 1 april 2007.
In afwijking van het eerste lid heeft artikel 1 uitwerking met ingang van 1 april 2007.
Art. 4. Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 2010.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 1er produit ses effets le 1er avril 2007.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 1er produit ses effets le 1er avril 2007.
Art. 5. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 20 april 2010.
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Mevr. L. ONKELINX
De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen,
Mevr. J. MILQUET
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 20 april 2010.
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Mevr. L. ONKELINX
De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen,
Mevr. J. MILQUET
Art. 5. La Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et la Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions sont chargées, chacune en ce qui la concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 2 avril 2010.
Par le Roi :
La Vice-Première Ministre et Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
Mme L. ONKELINX
La Vice-Première Ministre et Ministre de l'Emploi et de l'Egalité des chances,
Mme J. MILQUET
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 2 avril 2010.
Par le Roi :
La Vice-Première Ministre et Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
Mme L. ONKELINX
La Vice-Première Ministre et Ministre de l'Emploi et de l'Egalité des chances,
Mme J. MILQUET