Artikel 1. Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 wordt gewijzigd als volgt :
1° onder punt 2.4 vervallen de woorden " gewijzigd bij de decreten van de Waalse Gewestraad van 11 april 1984, 16 juli 1985, 7 oktober 1985, 7 september 1989, 21 april 1994, 6 april 1995, 22 januari 1998 en 6 december 2001, ";
2° onder punt 2.12 worden de woorden " 2, 25° " vervangen door de woorden " 2,24° ";
3° punt 2.13 wordt vervangen als volgt :
" 2.13) Gassen : alle gassen voortgebracht door de afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum gestort worden ";
4° volgende definities worden toegevoegd :
" 2.18) Aanvaardingscriteria : criteria waaraan de afvalstoffen moeten voldoen om aanvaard te kunnen worden in een technisch ingravingscentrum van de betrokken (sub)categorie;
2.19) Traceerparameters : parameters die ertoe strekken, snel elke significante verandering in de waterkwaliteit ter hoogte of in de omgeving van een technisch ingravingscentrum op te sporen;
2.20) Toezichtsparameters : parameters die erop kunnen wijzen dat grondwaterlagen door een technisch ingravingscentrum verontreinigd worden;
2.21) Waakzaamheidsdrempel : drempel die, indien overschreden, de noodzaak inhoudt om nazichtsonderzoeken te verrichten en/of voor de afwijkende parameters een verhoogd toezicht uit te oefenen;
2.22) persistente endogene vervuiling : blijvende aanwezigheid in het water van een vervuilende stof die te wijten is aan het ingraven van afvalstoffen met een hogere concentratie dan de waakzaamheidsdrempel, waardoor risico's kunnen ontstaan voor mens en/of milieu;
2.23) Actiedrempel : drempel die, indien overschreden, de verplichting inhoudt om bewarende maatregelen te treffen en/of rechstreeks een procedure in te schakelen om correctiemaatregelen voor het water te treffen;
2.24) Intern interventie- en beschermingsplan voor het grondwater : plan waarvan sprake in artikel 57 en vereist bij bijlage VI, punt 1.18, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 4 maart 2002 betreffende de milieuvergunning;
2.25) Interventieplan : plan waarvan sprake in artikel 1, 25°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
2.26) Ondergrondse opslag : permanente plaats voor de opslag van afvalstoffen zoals in een diepe geologische holte zoals een zout- of kaliummijn;
2.27) Eluaat : oplossing verkregen bij uitlogingsproeven, gesimuleerd in een laboratorium; ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
7 OKTOBER 2010. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving, het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten
Titre
7 OCTOBRE 2010. - Arrêté du Gouvernement wallon modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 27 février 2003 portant conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains déchets, l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (81)
Texte (81)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving
CHAPITRE Ier. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement wallon du 27 février 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique
Article 1er. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 27 février 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 2.4, les mots " modifiées par les décrets du Conseil régional wallon des 11 avril 1984, 16 juillet 1985, 7 octobre 1985, 7 septembre 1989, 21 avril 1994, 6 avril 1995, 22 janvier 1998 et 6 décembre 2001 " sont supprimés;
2° au point 2.12, les mots " 2, 25° " sont remplacés par les mots " 2, 24° ";
3° le point 2.13 est remplacé par ce qui suit :
" 2.13) Gaz : tous les gaz produits par les déchets mis en CET ";
4° les définitions suivantes sont ajoutées :
" 2.18) Critères d'admission : critères auxquels les déchets doivent satisfaire pour être admissibles en CET de catégorie ou sous-catégorie concernée;
2.19) Paramètres traceurs : paramètres ayant pour but de détecter rapidement tout changement significatif de la qualité des eaux au droit ou aux alentours d'un CET;
2.20) Paramètres de surveillance : paramètres pouvant indiquer une pollution des nappes par un CET;
2.21) Seuil de vigilance : seuil dont le dépassement entraîne la nécessité de réaliser des analyses de vérifications et/ou d'exercer une surveillance accrue pour le ou les paramètres incriminés;
2.22) contamination endogène persistante : présence durable, dans les eaux, d'un contaminant généré par l'activité d'enfouissement des déchets à une concentration supérieure au seuil de vigilance, et pouvant engendrer des risques pour l'homme et/ou l'environnement;
2.23) Seuil de déclenchement : seuil dont le dépassement entraîne l'obligation de prendre des mesures conservatoires et/ou d'enclencher directement une procédure d'actions correctives sur les eaux;
2.24) Plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines : plan visé à l'article 57 et requis par l'annexe VI, point 1.18 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.25) Plan d'intervention : plan visé à l'article 1er, 25°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.26) Stockage souterrain : site permanent de stockage des déchets dans une cavité géologique profonde telle qu'une mine de sel ou de potassium;
2.27) Eluat : solution obtenue lors de tests de lixiviation simulés en laboratoire; ".
1° au point 2.4, les mots " modifiées par les décrets du Conseil régional wallon des 11 avril 1984, 16 juillet 1985, 7 octobre 1985, 7 septembre 1989, 21 avril 1994, 6 avril 1995, 22 janvier 1998 et 6 décembre 2001 " sont supprimés;
2° au point 2.12, les mots " 2, 25° " sont remplacés par les mots " 2, 24° ";
3° le point 2.13 est remplacé par ce qui suit :
" 2.13) Gaz : tous les gaz produits par les déchets mis en CET ";
4° les définitions suivantes sont ajoutées :
" 2.18) Critères d'admission : critères auxquels les déchets doivent satisfaire pour être admissibles en CET de catégorie ou sous-catégorie concernée;
2.19) Paramètres traceurs : paramètres ayant pour but de détecter rapidement tout changement significatif de la qualité des eaux au droit ou aux alentours d'un CET;
2.20) Paramètres de surveillance : paramètres pouvant indiquer une pollution des nappes par un CET;
2.21) Seuil de vigilance : seuil dont le dépassement entraîne la nécessité de réaliser des analyses de vérifications et/ou d'exercer une surveillance accrue pour le ou les paramètres incriminés;
2.22) contamination endogène persistante : présence durable, dans les eaux, d'un contaminant généré par l'activité d'enfouissement des déchets à une concentration supérieure au seuil de vigilance, et pouvant engendrer des risques pour l'homme et/ou l'environnement;
2.23) Seuil de déclenchement : seuil dont le dépassement entraîne l'obligation de prendre des mesures conservatoires et/ou d'enclencher directement une procédure d'actions correctives sur les eaux;
2.24) Plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines : plan visé à l'article 57 et requis par l'annexe VI, point 1.18 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.25) Plan d'intervention : plan visé à l'article 1er, 25°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.26) Stockage souterrain : site permanent de stockage des déchets dans une cavité géologique profonde telle qu'une mine de sel ou de potassium;
2.27) Eluat : solution obtenue lors de tests de lixiviation simulés en laboratoire; ".
Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden " de centra " vervangen door de woorden " de centra en de cellen ";
2° het tweede item wordt vervangen als volgt :
" - klasse 2 : de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.2; ";
3° het vijfde item wordt vervangen als volgt :
" - de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.2 ".
1° in de inleidende zin worden de woorden " de centra " vervangen door de woorden " de centra en de cellen ";
2° het tweede item wordt vervangen als volgt :
" - klasse 2 : de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.2; ";
3° het vijfde item wordt vervangen als volgt :
" - de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.2 ".
Art. 2. A l'article 3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive, les mots " les CET " sont remplacés par les mots " les CET et cellules ";
2° le 2e item est remplacé par ce qui suit :
" - classe 2 : les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02 de l'arrêté nomenclature, soit :
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02.01 de l'arrêté nomenclature - classe 2.1.a ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02.02 de l'arrêté nomenclature - classe 2.1.b ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02.03 de l'arrêté nomenclature - classe 2.2; ";
3° le 5e item, 2e tiret est remplacé par ce qui suit :
" - les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02 de l'arrêté nomenclature, soit :
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02.01 de l'arrêté nomenclature - classe 5.2.1.a ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02.02 de l'arrêté nomenclature - classe 5.2.1.b ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02.03 de l'arrêté nomenclature - classe 5.2.2. "
1° dans la phrase introductive, les mots " les CET " sont remplacés par les mots " les CET et cellules ";
2° le 2e item est remplacé par ce qui suit :
" - classe 2 : les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02 de l'arrêté nomenclature, soit :
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02.01 de l'arrêté nomenclature - classe 2.1.a ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02.02 de l'arrêté nomenclature - classe 2.1.b ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.02.03 de l'arrêté nomenclature - classe 2.2; ";
3° le 5e item, 2e tiret est remplacé par ce qui suit :
" - les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02 de l'arrêté nomenclature, soit :
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02.01 de l'arrêté nomenclature - classe 5.2.1.a ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02.02 de l'arrêté nomenclature - classe 5.2.1.b ;
- les CET et cellules visés par la rubrique 90.25.05.02.03 de l'arrêté nomenclature - classe 5.2.2. "
Art. 3. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " als ze aan de criteria van dit besluit voldoen, " vervangen door de woorden " als ze aan de aanvaardingscriteria voldoen, omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra, onverminderd bijlage 3 van dit besluit wat betreft de vrijstelling van de proeven, ";
2° in § 3 worden de woorden " CET van klasse 2 " vervangen door de woorden " CET van klasse 2.1.a of 2.1.b ".
1° in § 1 worden de woorden " als ze aan de criteria van dit besluit voldoen, " vervangen door de woorden " als ze aan de aanvaardingscriteria voldoen, omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra, onverminderd bijlage 3 van dit besluit wat betreft de vrijstelling van de proeven, ";
2° in § 3 worden de woorden " CET van klasse 2 " vervangen door de woorden " CET van klasse 2.1.a of 2.1.b ".
Art. 3. A l'article 4 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, les mots " s'il répond aux critères du présent arrêté " sont remplacés par les mots " s'il répond aux critères d'admission définis à l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains déchets et fixant les critères d'admission des déchets en centre d'enfouissement technique, sans préjudice à l'annexe 3 du présent arrêté en ce qu'elle concerne la dispense des essais ";
2° au § 3, les mots " CET de classe 2 " sont remplacés par les mots " CET de classe 2.1.a ou 2.1.b. "
1° au § 1er, les mots " s'il répond aux critères du présent arrêté " sont remplacés par les mots " s'il répond aux critères d'admission définis à l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains déchets et fixant les critères d'admission des déchets en centre d'enfouissement technique, sans préjudice à l'annexe 3 du présent arrêté en ce qu'elle concerne la dispense des essais ";
2° au § 3, les mots " CET de classe 2 " sont remplacés par les mots " CET de classe 2.1.a ou 2.1.b. "
Art. 4. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 5. De bijzondere voorwaarden kunnen bepalen dat kleine hoeveelheden stabiele en niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, die bijvoorbeeld verhard of verglaasd zijn, met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van ongevaarlijke afvalstoffen en die voldoen aan de relevante ingravingscriteria, ingegraven mogen worden in een technisch ingravingscentrum of in een cel van klasse 2.1.b of 5.2.1.b.
Bij de aanvraag tot ingraving wordt een milieu-evaluatie gevoegd, uitgevoerd door een effectenonderzoeker erkend voor de categorie " afvalstoffenbeheer ", die aantoont :
1° dat er geen significante risico's zijn voor het leefmilieu;
2° dat de ingraving betrekking heeft op kleine hoeveelheden gevaarlijke industriële afvalstoffen en dat die samen ingegraven mogen worden met de andere afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum terechtkomen;
3° dat het buitengewone omstandigheden betreft.
De bijzondere voorwaarden bepalen de hoeveelheden die in het technisch ingravingscentrum aanvaardbaar zijn en de specifieke voorwaarden voor de ingraving van de gevaarlijke afvalstoffen waarvan sprake in lid 1. "
" Art. 5. De bijzondere voorwaarden kunnen bepalen dat kleine hoeveelheden stabiele en niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, die bijvoorbeeld verhard of verglaasd zijn, met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van ongevaarlijke afvalstoffen en die voldoen aan de relevante ingravingscriteria, ingegraven mogen worden in een technisch ingravingscentrum of in een cel van klasse 2.1.b of 5.2.1.b.
Bij de aanvraag tot ingraving wordt een milieu-evaluatie gevoegd, uitgevoerd door een effectenonderzoeker erkend voor de categorie " afvalstoffenbeheer ", die aantoont :
1° dat er geen significante risico's zijn voor het leefmilieu;
2° dat de ingraving betrekking heeft op kleine hoeveelheden gevaarlijke industriële afvalstoffen en dat die samen ingegraven mogen worden met de andere afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum terechtkomen;
3° dat het buitengewone omstandigheden betreft.
De bijzondere voorwaarden bepalen de hoeveelheden die in het technisch ingravingscentrum aanvaardbaar zijn en de specifieke voorwaarden voor de ingraving van de gevaarlijke afvalstoffen waarvan sprake in lid 1. "
Art. 4. L'article 5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. Les conditions particulières peuvent prévoir que de petites quantités de déchets dangereux stables et non réactifs, par exemple solidifiés ou vitrifiés, dont le comportement en matière de production de lixiviats est équivalent à celui des déchets non dangereux et qui satisfont aux critères d'admission pertinents, peuvent être enfouis dans un CET ou une cellule de classe 2.1.b ou 5.2.1.b.
La demande d'enfouissement est accompagnée d'une évaluation environnementale, réalisée par un auteur d'études d'incidences sur l'environnement agréé pour la catégorie " gestion des déchets ", démontrant :
1° l'absence de risques significatifs pour l'environnement;
2° le fait que l'enfouissement concerne de petites quantités de déchets industriels dangereux et que ceux-ci sont compatibles avec les déchets mis en CET;
3° le fait que les circonstances sont exceptionnelles.
Les conditions particulières déterminent les quantités admissibles dans le CET et les conditions spécifiques d'enfouissement des déchets dangereux visés à l'alinéa 1er. "
" Art. 5. Les conditions particulières peuvent prévoir que de petites quantités de déchets dangereux stables et non réactifs, par exemple solidifiés ou vitrifiés, dont le comportement en matière de production de lixiviats est équivalent à celui des déchets non dangereux et qui satisfont aux critères d'admission pertinents, peuvent être enfouis dans un CET ou une cellule de classe 2.1.b ou 5.2.1.b.
La demande d'enfouissement est accompagnée d'une évaluation environnementale, réalisée par un auteur d'études d'incidences sur l'environnement agréé pour la catégorie " gestion des déchets ", démontrant :
1° l'absence de risques significatifs pour l'environnement;
2° le fait que l'enfouissement concerne de petites quantités de déchets industriels dangereux et que ceux-ci sont compatibles avec les déchets mis en CET;
3° le fait que les circonstances sont exceptionnelles.
Les conditions particulières déterminent les quantités admissibles dans le CET et les conditions spécifiques d'enfouissement des déchets dangereux visés à l'alinéa 1er. "
Art. 5. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, lid 1, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ";
2° in § 2, lid 2, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ".
1° in § 2, lid 1, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ";
2° in § 2, lid 2, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ".
Art. 5. A l'article 9 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 2, alinéa 1er, les mots " l'arrêté du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prévention et de surveillance et à la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacés par les mots " les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau ";
2° au § 2, alinéa 2, les mots " à l'arrêté du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prévention et de surveillance et à la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacés par les mots " par les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau. "
1° au § 2, alinéa 1er, les mots " l'arrêté du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prévention et de surveillance et à la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacés par les mots " les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau ";
2° au § 2, alinéa 2, les mots " à l'arrêté du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prévention et de surveillance et à la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacés par les mots " par les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau. "
Art. 6. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 13. Als op grond van een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel gevaar oplevert voor bodem, grondwater of oppervlaktewater, mogen de bijzondere voorwaarden van de artikelen 10, 11 en 12 dienovereenkomstig aangepast worden. "
" Art. 13. Als op grond van een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel gevaar oplevert voor bodem, grondwater of oppervlaktewater, mogen de bijzondere voorwaarden van de artikelen 10, 11 en 12 dienovereenkomstig aangepast worden. "
Art. 6. L'article 13 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13. Si, sur la base d'une étude réalisée conformément aux articles R. 178 à R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, il est établi que le CET n'entraîne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface, les conditions particulières peuvent adapter en conséquence les exigences des articles 10, 11 et 12. "
" Art. 13. Si, sur la base d'une étude réalisée conformément aux articles R. 178 à R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, il est établi que le CET n'entraîne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface, les conditions particulières peuvent adapter en conséquence les exigences des articles 10, 11 et 12. "
Art. 7. Artikel 14, § 1, item 1, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de woorden " met in begrip van de systemen voor een afgedichte scheiding tussen biologisch afbreekbare afvalstoffen en biologisch niet-afbreekbare waterstoffen op het grensvlak tussen de cellen. "
Art. 7. L'article 14, § 1er, 1er item, du même arrêté est complété par les mots " en ce compris les dispositifs assurant la séparation étanche entre déchets organiques biodégradables et déchets non biodégradables à l'interface entre les cellules. ".
Art. 8. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 16. De exploitant is verplicht :
1° de hinder en de gevaren zoals geur- en stofhinder, zwerfvuil dat door de wind rondgeblazen wordt, geluidshinder en voertuigbewegingen, aërosolvorming en eventuele brand door de uitbating van de technische ingravingscentra te beperken;
2° te zorgen voor de optimale instandhouding en het optimale onderhoud van alle apparaten, installaties en inrichtingen;
3° de stabiliteit van de werken en installaties te vrijwaren;
4° de afzondering van het technisch ingravingscentrum te garanderen om hydraulische, esthetische en veiligheidsredenen;
5° onverminderd artikel 46, § 2, vlak na afloop van de lozingen in een sector of in geval van non-activiteit van een sector voor meer dan één jaar, de in bijlage 1, punt 3, bedoelde afdekking aan te brengen, behalve als op grond van een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de bijzondere voorwaarden nader bepalen dat het onnodig is het percolaat op te vangen en te behandelen of als is aangetoond dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel risico inhoudt voor de bodem, het grondwater of de oppervlaktewateren. Minstens houdt de afdekking van het technisch ingravingscentrum één laag afdekkende aarde in die 1 meter dik is of meer, waarop dan planten aangebracht worden;
6° vlak na afloop van de lozingen in één sector of bij non-activiteit van één sector voor meer dan één jaar, het topografisch toezicht vereist volgens de artikelen 38 en 39 in te voeren en te verrichten. Als op grond van een relevante risico-evaluatie door de uitbater aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum wegens de aard van de aanvaarde afvalstoffen niet (meer) aan de basis zou kunnen liggen van significante grondverzakkingen, kunnen de bijzondere voorwaarden de vereisten van de artikelen 38 en 39 dienovereenkomstig aanpassen. Minstens is de uitbater ertoe verplicht jaarlijks een verslag over te maken met zijn visuele waarnemingen tijdens de uitbatings- en de nabeheerperiode. Dat verslag wordt bewaard als bijlage bij het register waarvan sprake in artikel 25, lid 6. "
" Art. 16. De exploitant is verplicht :
1° de hinder en de gevaren zoals geur- en stofhinder, zwerfvuil dat door de wind rondgeblazen wordt, geluidshinder en voertuigbewegingen, aërosolvorming en eventuele brand door de uitbating van de technische ingravingscentra te beperken;
2° te zorgen voor de optimale instandhouding en het optimale onderhoud van alle apparaten, installaties en inrichtingen;
3° de stabiliteit van de werken en installaties te vrijwaren;
4° de afzondering van het technisch ingravingscentrum te garanderen om hydraulische, esthetische en veiligheidsredenen;
5° onverminderd artikel 46, § 2, vlak na afloop van de lozingen in een sector of in geval van non-activiteit van een sector voor meer dan één jaar, de in bijlage 1, punt 3, bedoelde afdekking aan te brengen, behalve als op grond van een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de bijzondere voorwaarden nader bepalen dat het onnodig is het percolaat op te vangen en te behandelen of als is aangetoond dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel risico inhoudt voor de bodem, het grondwater of de oppervlaktewateren. Minstens houdt de afdekking van het technisch ingravingscentrum één laag afdekkende aarde in die 1 meter dik is of meer, waarop dan planten aangebracht worden;
6° vlak na afloop van de lozingen in één sector of bij non-activiteit van één sector voor meer dan één jaar, het topografisch toezicht vereist volgens de artikelen 38 en 39 in te voeren en te verrichten. Als op grond van een relevante risico-evaluatie door de uitbater aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum wegens de aard van de aanvaarde afvalstoffen niet (meer) aan de basis zou kunnen liggen van significante grondverzakkingen, kunnen de bijzondere voorwaarden de vereisten van de artikelen 38 en 39 dienovereenkomstig aanpassen. Minstens is de uitbater ertoe verplicht jaarlijks een verslag over te maken met zijn visuele waarnemingen tijdens de uitbatings- en de nabeheerperiode. Dat verslag wordt bewaard als bijlage bij het register waarvan sprake in artikel 25, lid 6. "
Art. 8. L'article 16 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16. L'exploitant est tenu :
1° de réduire les nuisances et les dangers, tels que les émissions d'odeurs et de poussières, des matériaux emportés par le vent, le bruit et les mouvements des véhicules, la formation d'aérosols, les incendies pouvant résulter de l'exploitation du CET;
2° d'assurer la maintenance et l'entretien optimal de tous les appareillages, installations et aménagements;
3° de garantir la stabilité des ouvrages et des installations;
4° d'assurer l'isolement, notamment hydraulique, esthétique et sécuritaire du CET;
5° sans préjudice de l'article 46, § 2, dès l'achèvement des déversements dans un secteur ou en cas d'inactivité d'un secteur d'une durée supérieure à un an sur, de procéder à la mise en place de la couverture visée à l'annexe 1re, point 3, sauf si, sur la base d'une étude réalisée conformément aux articles R. 178 à R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, les conditions particulières précisent qu'il n'est pas nécessaire de recueillir et de traiter les lixiviats ou s'il a été établi que le CET n'entraîne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface. A tout le moins, la couverture du CET se limite à une couche de terre de revêtement d'épaisseur égale ou supérieure à 1m sur laquelle il est procédé au réaménagement végétal;
6° dès l'achèvement des déversements dans un secteur ou en cas d'inactivité d'un secteur d'une durée supérieure à un an sur, de mettre en place et d'exécuter la surveillance topographique requise en vertu des articles 38 et 39. Si, sur base d'une évaluation des risques pertinents produite par l'exploitant, il est établi que le CET n'est pas ou plus, par la nature des déchets admis, susceptible d'être le siège de tassements significatifs, les conditions particulières peuvent adapter en conséquence les exigences des articles 38 et 39. A tout le moins, l'exploitant est tenu de transmettre annuellement un rapport d'observations visuelles durant les périodes d'exploitation et de post-gestion. Ce rapport est conservé en annexe du registre visé à l'article 25, alinéa 6. "
" Art. 16. L'exploitant est tenu :
1° de réduire les nuisances et les dangers, tels que les émissions d'odeurs et de poussières, des matériaux emportés par le vent, le bruit et les mouvements des véhicules, la formation d'aérosols, les incendies pouvant résulter de l'exploitation du CET;
2° d'assurer la maintenance et l'entretien optimal de tous les appareillages, installations et aménagements;
3° de garantir la stabilité des ouvrages et des installations;
4° d'assurer l'isolement, notamment hydraulique, esthétique et sécuritaire du CET;
5° sans préjudice de l'article 46, § 2, dès l'achèvement des déversements dans un secteur ou en cas d'inactivité d'un secteur d'une durée supérieure à un an sur, de procéder à la mise en place de la couverture visée à l'annexe 1re, point 3, sauf si, sur la base d'une étude réalisée conformément aux articles R. 178 à R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, les conditions particulières précisent qu'il n'est pas nécessaire de recueillir et de traiter les lixiviats ou s'il a été établi que le CET n'entraîne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface. A tout le moins, la couverture du CET se limite à une couche de terre de revêtement d'épaisseur égale ou supérieure à 1m sur laquelle il est procédé au réaménagement végétal;
6° dès l'achèvement des déversements dans un secteur ou en cas d'inactivité d'un secteur d'une durée supérieure à un an sur, de mettre en place et d'exécuter la surveillance topographique requise en vertu des articles 38 et 39. Si, sur base d'une évaluation des risques pertinents produite par l'exploitant, il est établi que le CET n'est pas ou plus, par la nature des déchets admis, susceptible d'être le siège de tassements significatifs, les conditions particulières peuvent adapter en conséquence les exigences des articles 38 et 39. A tout le moins, l'exploitant est tenu de transmettre annuellement un rapport d'observations visuelles durant les périodes d'exploitation et de post-gestion. Ce rapport est conservé en annexe du registre visé à l'article 25, alinéa 6. "
Art. 9. In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in lid 1 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
2° in lid 2 worden de woorden " Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar legt de bevoegde overheid de verdelging van ongedierte op " vervangen door de woorden " De bijzondere voorwaarden kunnen de verdelging van ongedierte opleggen ".
1° in lid 1 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
2° in lid 2 worden de woorden " Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar legt de bevoegde overheid de verdelging van ongedierte op " vervangen door de woorden " De bijzondere voorwaarden kunnen de verdelging van ongedierte opleggen ".
Art. 9. A l'article 19 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
2° à l'alinéa 2, les mots " L'autorité compétente, à la demande du fonctionnaire chargé de la surveillance, impose " sont remplacés par les mots " Les conditions particulières peuvent imposer ".
1° au 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
2° à l'alinéa 2, les mots " L'autorité compétente, à la demande du fonctionnaire chargé de la surveillance, impose " sont remplacés par les mots " Les conditions particulières peuvent imposer ".
Art. 10. In artikel 22 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de streepjes 1 tot en met 7 vervangen door volgende punten " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7° ";
2° in § 1worden de woorden " van klasse 1, 2.1.a of 2.2 " toegevoegd aan de woorden " CET ";
3° in plaats van § 2, nietig verklaard bij arrest nr. 185.629 van de Raad van State, worden de paragrafen 2 tot en met 5 ingevoegd, luidend als volgt :
" § 2. Het technisch ingravingscentrum van klasse 3 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 3°, 4° en 7°, uitgerust is.
§ 3. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4A wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1° en 7°, uitgerust is.
§ 4. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4B wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 2° en 7°, uitgerust is.
§ 5. Het technisch ingravingscentrum van klasse 5 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie vastgesteld bij de bijzondere voorwaarden en waarvan de doeltreffendheid niet lager mag zijn dan die welke verkregen wordt door de invoering van de voorzieningen van § 1, 1°, 3° en 4°. ";
4° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
1° in § 1 worden de streepjes 1 tot en met 7 vervangen door volgende punten " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7° ";
2° in § 1worden de woorden " van klasse 1, 2.1.a of 2.2 " toegevoegd aan de woorden " CET ";
3° in plaats van § 2, nietig verklaard bij arrest nr. 185.629 van de Raad van State, worden de paragrafen 2 tot en met 5 ingevoegd, luidend als volgt :
" § 2. Het technisch ingravingscentrum van klasse 3 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 3°, 4° en 7°, uitgerust is.
§ 3. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4A wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1° en 7°, uitgerust is.
§ 4. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4B wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 2° en 7°, uitgerust is.
§ 5. Het technisch ingravingscentrum van klasse 5 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie vastgesteld bij de bijzondere voorwaarden en waarvan de doeltreffendheid niet lager mag zijn dan die welke verkregen wordt door de invoering van de voorzieningen van § 1, 1°, 3° en 4°. ";
4° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 10. A l'article 22 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, les tirets 1 à 7 sont remplacés par les points suivants " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7° ";
2° au § 1er, les mots " de classe 1, 2.1.a, 2.1.b ou 2.2 " sont ajoutés après le mot " CET ";
3° à la place du § 2 annulé par l'arrêt n° 185.629 du Conseil d'Etat, sont insérés les paragraphes 2 à 5 rédigés comme suit :
" § 2. Le CET de classe 3 est doté d'une installation de service et de contrôle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1°, 3°, 4° et 7°.
§ 3. Le CET de classe 4A est doté d'une installation de service et de contrôle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1° et 7°.
§ 4. Le CET de classe 4B est doté d'une installation de service et de contrôle comprenant au moins les dispositifs du § 1, 1°, 2° et 7°.
§ 5. Le CET de classe 5 est doté d'une installation de service et de contrôle fixée par les conditions particulières et dont l'efficacité ne peut être inférieure à celle obtenue par la mise en place des dispositifs du § 1er, 1°, 3° et 4°. ";
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
1° au § 1er, les tirets 1 à 7 sont remplacés par les points suivants " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7° ";
2° au § 1er, les mots " de classe 1, 2.1.a, 2.1.b ou 2.2 " sont ajoutés après le mot " CET ";
3° à la place du § 2 annulé par l'arrêt n° 185.629 du Conseil d'Etat, sont insérés les paragraphes 2 à 5 rédigés comme suit :
" § 2. Le CET de classe 3 est doté d'une installation de service et de contrôle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1°, 3°, 4° et 7°.
§ 3. Le CET de classe 4A est doté d'une installation de service et de contrôle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1° et 7°.
§ 4. Le CET de classe 4B est doté d'une installation de service et de contrôle comprenant au moins les dispositifs du § 1, 1°, 2° et 7°.
§ 5. Le CET de classe 5 est doté d'une installation de service et de contrôle fixée par les conditions particulières et dont l'efficacité ne peut être inférieure à celle obtenue par la mise en place des dispositifs du § 1er, 1°, 3° et 4°. ";
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
Art. 11. In artikel 23 van hetzelfde besluit wordt lid 1, gedeeltelijk nietig verklaard bij arrest van de Raad van State, vervangen door hetgeen volgt :
" De dagen en uren waarin afvalstoffen aanvaard mogen worden, worden in de bijzondere voorwaarden vastgelegd. ".
" De dagen en uren waarin afvalstoffen aanvaard mogen worden, worden in de bijzondere voorwaarden vastgelegd. ".
Art. 11. A l'article 23 du même arrêté, le 1er alinéa partiellement annulé par l'arrêt du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Les conditions particulières fixent les jours et plages horaires durant lesquels peut avoir lieu l'acceptation des déchets. "
" Les conditions particulières fixent les jours et plages horaires durant lesquels peut avoir lieu l'acceptation des déchets. "
Art. 12. In artikel 24 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
2° in § 1 worden in lid 1 de woorden " anders dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " CET ";
2° in § 2 worden de woorden " van een ander CET dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
2° in § 1 worden in lid 1 de woorden " anders dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " CET ";
2° in § 2 worden de woorden " van een ander CET dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
Art. 12. A l'article 24 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, 1er alinéa, les mots " autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés après le mot " CET ";
2° au § 2, les mots " d'un CET autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés après les mots " L'exploitant ".
1° au § 1er, 1er alinéa, les mots " autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés après le mot " CET ";
2° au § 2, les mots " d'un CET autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés après les mots " L'exploitant ".
Art. 13. In artikel 25 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in lid 3 worden de woorden " van een CET van klasse 1, 2 of 3 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
2° volgende leden worden toegevoegd :
" De exploitant van een CET' van klasse 4 of 5 tekent voor elke exploitatie in dat register op :
- het nemen van monsters en het in ontvangst nemen van protocollen betreffende de door de milieuvergunning opgelegde analyses;
- een beschrijvend verslag over elk voorval dat ongewoon is of dat de milieubescherming in gevaar zou kunnen brengen;
- een beschrijvend verslag over elk onderhoud, voorval, herstel i.v.m. het CET' en zijn bijgebouwen.
De informatie waaruit evenwel blijkt dat de fundamentele vereisten met het oog op een basisomschrijving van afvalstoffen ingevuld zijn, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage 3, evenals de uitslagen van proeven doorgevoerd voor het conformiteitsnazicht overeenkomstig punt 1.2 van bijlage 3 kunnen in een afzonderlijk register vermeld worden. Die informatie wordt door de exploitant bewaard tot na afloop van het nabeheer van het technisch ingravingscentrum en wordt tot dan op een in de bijzondere voorwaarden aangeduide vlot toegankelijke plaats ter beschikking gehouden van de ambtenaren belast met het nazicht. "
1° in lid 3 worden de woorden " van een CET van klasse 1, 2 of 3 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
2° volgende leden worden toegevoegd :
" De exploitant van een CET' van klasse 4 of 5 tekent voor elke exploitatie in dat register op :
- het nemen van monsters en het in ontvangst nemen van protocollen betreffende de door de milieuvergunning opgelegde analyses;
- een beschrijvend verslag over elk voorval dat ongewoon is of dat de milieubescherming in gevaar zou kunnen brengen;
- een beschrijvend verslag over elk onderhoud, voorval, herstel i.v.m. het CET' en zijn bijgebouwen.
De informatie waaruit evenwel blijkt dat de fundamentele vereisten met het oog op een basisomschrijving van afvalstoffen ingevuld zijn, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage 3, evenals de uitslagen van proeven doorgevoerd voor het conformiteitsnazicht overeenkomstig punt 1.2 van bijlage 3 kunnen in een afzonderlijk register vermeld worden. Die informatie wordt door de exploitant bewaard tot na afloop van het nabeheer van het technisch ingravingscentrum en wordt tot dan op een in de bijzondere voorwaarden aangeduide vlot toegankelijke plaats ter beschikking gehouden van de ambtenaren belast met het nazicht. "
Art. 13. A l'article 25 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 3, les mots " d'un CET de classes 1, 2, ou 3 " sont ajoutés après les mots " L'exploitant ";
2° les alinéas suivants sont ajoutés :
" L'exploitant d'un CET de classes 4 ou 5 consigne dans ce registre, pour chaque jour d'exploitation :
- la prise d'échantillons et la réception des protocoles relatifs aux analyses imposées par le permis d'environnement;
- un rapport descriptif de tout événement inhabituel et ou susceptible de mettre en cause la protection de l'environnement;
- un rapport descriptif de tous les entretiens, incidents, réparations, 1/4c en rapport avec le CET et ses dépendances.
Toutefois, les informations établissant que les exigences fondamentales en vue de la caractérisation de base d'un déchet sont remplies, conformément au point 1.1. de l'annexe 3 ainsi que les résultats des essais réalisés pour la vérification de la conformité conformément au point 1.2 de l'annexe 3 peuvent être repris dans un registre distinct. Ces informations sont conservées par l'exploitant jusqu'au terme de la post-gestion du CET et maintenues jusqu'à ce terme à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance en un endroit facilement accessible à ce dernier, désigné par les conditions particulières. "
1° à l'alinéa 3, les mots " d'un CET de classes 1, 2, ou 3 " sont ajoutés après les mots " L'exploitant ";
2° les alinéas suivants sont ajoutés :
" L'exploitant d'un CET de classes 4 ou 5 consigne dans ce registre, pour chaque jour d'exploitation :
- la prise d'échantillons et la réception des protocoles relatifs aux analyses imposées par le permis d'environnement;
- un rapport descriptif de tout événement inhabituel et ou susceptible de mettre en cause la protection de l'environnement;
- un rapport descriptif de tous les entretiens, incidents, réparations, 1/4c en rapport avec le CET et ses dépendances.
Toutefois, les informations établissant que les exigences fondamentales en vue de la caractérisation de base d'un déchet sont remplies, conformément au point 1.1. de l'annexe 3 ainsi que les résultats des essais réalisés pour la vérification de la conformité conformément au point 1.2 de l'annexe 3 peuvent être repris dans un registre distinct. Ces informations sont conservées par l'exploitant jusqu'au terme de la post-gestion du CET et maintenues jusqu'à ce terme à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance en un endroit facilement accessible à ce dernier, désigné par les conditions particulières. "
Art. 14. Artikel 26 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 26. Als de afvalstoffen geweigerd worden, met name door de toepassing van de procedure voor de aanvaarding van de afvalstoffen omschreven in bijlage 3 of ten opzichte van de voorwaarden voor de milieuvergunning :
- noteert de exploitant op het vervoerformulier waarvan sprake in artikel 24 van dit besluit het inschrijvingsnummer van het voertuig en diens aangekondigde bestemming;
- licht er onverwijld per fax de burgemeesters over in van de gemeenten waar het technisch ingravingscentrum gevestigd is, de Dienst en de ambtenaar belast met het toezicht. "
" Art. 26. Als de afvalstoffen geweigerd worden, met name door de toepassing van de procedure voor de aanvaarding van de afvalstoffen omschreven in bijlage 3 of ten opzichte van de voorwaarden voor de milieuvergunning :
- noteert de exploitant op het vervoerformulier waarvan sprake in artikel 24 van dit besluit het inschrijvingsnummer van het voertuig en diens aangekondigde bestemming;
- licht er onverwijld per fax de burgemeesters over in van de gemeenten waar het technisch ingravingscentrum gevestigd is, de Dienst en de ambtenaar belast met het toezicht. "
Art. 14. L'article 26 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 26. En cas de refus du déchet, notamment suite à l'application de la procédure d'admission des déchets décrite à l'annexe 3 ou au regard des conditions afférentes au permis d'environnement, l'exploitant :
- note sur le bordereau, visé à l'article 24 du présent arrêté, le numéro d'immatriculation du véhicule et sa destination annoncée;
- en informe sans délai par message télécopié les bourgmestres des communes d'implantation du CET, l'Office et le fonctionnaire chargé de la surveillance. "
" Art. 26. En cas de refus du déchet, notamment suite à l'application de la procédure d'admission des déchets décrite à l'annexe 3 ou au regard des conditions afférentes au permis d'environnement, l'exploitant :
- note sur le bordereau, visé à l'article 24 du présent arrêté, le numéro d'immatriculation du véhicule et sa destination annoncée;
- en informe sans délai par message télécopié les bourgmestres des communes d'implantation du CET, l'Office et le fonctionnaire chargé de la surveillance. "
Art. 15. Artikel 28 van hetzelfde besluit, gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Art. 28. Op grond van de gegevens verstrekt door de exploitant in zijn vergunningsaanvraag bepalen de bijzondere voorwaarden het materieel waarmee het technisch ingravingscentrum minstens uitgerust moet zijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het materieel dat permanent op de site aanwezig moet zijn en het materieel dat in een kort tijdsbestek beschikbaar gemaakt kan worden. "
" Art. 28. Op grond van de gegevens verstrekt door de exploitant in zijn vergunningsaanvraag bepalen de bijzondere voorwaarden het materieel waarmee het technisch ingravingscentrum minstens uitgerust moet zijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het materieel dat permanent op de site aanwezig moet zijn en het materieel dat in een kort tijdsbestek beschikbaar gemaakt kan worden. "
Art. 15. L'article 28 du même arrêté partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 28. Les conditions particulières, sur base des données fournies par l'exploitant dans sa demande de permis, déterminent le matériel dont le CET doit au moins être équipé en distinguant le matériel qui doit être présent en permanence sur le site et celui qui peut être mis à disposition dans un délai rapproché. "
" Art. 28. Les conditions particulières, sur base des données fournies par l'exploitant dans sa demande de permis, déterminent le matériel dont le CET doit au moins être équipé en distinguant le matériel qui doit être présent en permanence sur le site et celui qui peut être mis à disposition dans un délai rapproché. "
Art. 16. In artikel 31 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, lid 2, wordt de eerste volzin vervangen door de volgende :
" De exploitant deelt het omstandige opleidingsprogramma aan de technisch ambtenaar mee, evenals de lijst van de lesgevers en van het personeel dat de opleiding volgt ";
2° in § 3 worden de woorden " door de technische ambtenaar als gelijkwaardig beschouwd " vervangen door het woord " gelijkwaardig ".
1° in § 1, lid 2, wordt de eerste volzin vervangen door de volgende :
" De exploitant deelt het omstandige opleidingsprogramma aan de technisch ambtenaar mee, evenals de lijst van de lesgevers en van het personeel dat de opleiding volgt ";
2° in § 3 worden de woorden " door de technische ambtenaar als gelijkwaardig beschouwd " vervangen door het woord " gelijkwaardig ".
Art. 16. A l'article 31 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, alinéa 2, la 1re phrase est remplacée par la phrase suivante :
" L'exploitant communique le programme détaillé de la formation ainsi que la liste des enseignants et du personnel qui la suit, au fonctionnaire technique ";
2° au § 3, le mot " jugé " est supprimé.
1° au § 1er, alinéa 2, la 1re phrase est remplacée par la phrase suivante :
" L'exploitant communique le programme détaillé de la formation ainsi que la liste des enseignants et du personnel qui la suit, au fonctionnaire technique ";
2° au § 3, le mot " jugé " est supprimé.
Art. 17. In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in lid 1 worden de items 1 en 2 vervangen door hetgeen volgt :
- de opdeling en de organisatie van het technisch ingravingscentrum in cellen en de klasse waarin elke cel is ondergebracht volgens de klassificering vermeld in artikel 3 van dit besluit;
- de lijst - codes en verwoordingen volgens de nomenclatuur van de catalogus - van de afvalstoffen die in elke soort cel verwerkt werden;
- de onderverdeling van de cellen in sectoren;
- de lokalisering van sectoren waarin abesthoudende afvalstoffen opgeslagen worden; ";
2° lid 2 wordt vervangen als volgt :
" Het exploitatieplan wordt om de twee jaar bijgehouden volgens dezelfde vereisten. Gelet op het specifiek karakter van de inrichting kunnen de bijzondere voorwaarden de frequentie aanpassen waarmee het exploitatieplan wordt bijgewerkt, zonder evenwel langer te mogen duren dan vijf jaar. "
1° in lid 1 worden de items 1 en 2 vervangen door hetgeen volgt :
- de opdeling en de organisatie van het technisch ingravingscentrum in cellen en de klasse waarin elke cel is ondergebracht volgens de klassificering vermeld in artikel 3 van dit besluit;
- de lijst - codes en verwoordingen volgens de nomenclatuur van de catalogus - van de afvalstoffen die in elke soort cel verwerkt werden;
- de onderverdeling van de cellen in sectoren;
- de lokalisering van sectoren waarin abesthoudende afvalstoffen opgeslagen worden; ";
2° lid 2 wordt vervangen als volgt :
" Het exploitatieplan wordt om de twee jaar bijgehouden volgens dezelfde vereisten. Gelet op het specifiek karakter van de inrichting kunnen de bijzondere voorwaarden de frequentie aanpassen waarmee het exploitatieplan wordt bijgewerkt, zonder evenwel langer te mogen duren dan vijf jaar. "
Art. 17. A l'article 33 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 1er alinéa, les items 1 et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" - le découpage et l'organisation du CET en cellules et la classe de chacune d'elles selon la classification reprise à l'article 3 du présent arrêté;
- la liste - codes et libellés selon la nomenclature du catalogue - des déchets éliminés dans chaque type de cellules;
- le sous-découpage des cellules en secteurs;
- la localisation des secteurs destinés à accueillir les déchets contenant de l'amiante; ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le plan d'exploitation est actualisé selon les mêmes exigences tous les deux ans. Au vu de la spécificité de l'établissement, les conditions particulières peuvent adapter la fréquence d'actualisation du plan d'exploitation sans toutefois dépasser cinq ans. "
1° au 1er alinéa, les items 1 et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" - le découpage et l'organisation du CET en cellules et la classe de chacune d'elles selon la classification reprise à l'article 3 du présent arrêté;
- la liste - codes et libellés selon la nomenclature du catalogue - des déchets éliminés dans chaque type de cellules;
- le sous-découpage des cellules en secteurs;
- la localisation des secteurs destinés à accueillir les déchets contenant de l'amiante; ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le plan d'exploitation est actualisé selon les mêmes exigences tous les deux ans. Au vu de la spécificité de l'établissement, les conditions particulières peuvent adapter la fréquence d'actualisation du plan d'exploitation sans toutefois dépasser cinq ans. "
Art. 18. In artikel 35 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, lid 3, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar instemmen met " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden voorzien in ".
2° in § 3, lid 1, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de toezichthoudende ambtenaar " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden ";
3° in § 3 wordt lid 2 gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, vervangen door hetgeen volgt :
" In dezelfde omstandigheden kunnen de bijzondere voorwaarden de invoering opleggen van een regeling voor geurvermindering of -absorptie d.m.v. gepaste producten en technieken.
Ze kunnen van de exploitant onderzoek en informatie vereisen. "
1° in § 2, lid 3, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar instemmen met " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden voorzien in ".
2° in § 3, lid 1, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de toezichthoudende ambtenaar " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden ";
3° in § 3 wordt lid 2 gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, vervangen door hetgeen volgt :
" In dezelfde omstandigheden kunnen de bijzondere voorwaarden de invoering opleggen van een regeling voor geurvermindering of -absorptie d.m.v. gepaste producten en technieken.
Ze kunnen van de exploitant onderzoek en informatie vereisen. "
Art. 18. A l'article 35 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 2, alinéa 3, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique peut accepter " sont remplacés par les mots " les conditions particulières peuvent prévoir ";
2° au § 3, 1er alinéa, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire chargé de la surveillance peut " sont remplacés par les mots " les conditions particulières peuvent " et les mots " qu'il détermine " sont remplacés par les mots " qu'elles déterminent ";
3° au § 3, l'alinéa 2 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Dans les mêmes circonstances, les conditions particulières peuvent imposer la mise en place d'un dispositif d'abattement ou d'absorption des odeurs à l'aide de produits et de techniques appropriées.
Elles peuvent requérir toute étude et information de la part de l'exploitant. "
1° au § 2, alinéa 3, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique peut accepter " sont remplacés par les mots " les conditions particulières peuvent prévoir ";
2° au § 3, 1er alinéa, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire chargé de la surveillance peut " sont remplacés par les mots " les conditions particulières peuvent " et les mots " qu'il détermine " sont remplacés par les mots " qu'elles déterminent ";
3° au § 3, l'alinéa 2 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Dans les mêmes circonstances, les conditions particulières peuvent imposer la mise en place d'un dispositif d'abattement ou d'absorption des odeurs à l'aide de produits et de techniques appropriées.
Elles peuvent requérir toute étude et information de la part de l'exploitant. "
Art. 19. Artikel 36 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" In voorkomend geval bepalen de bijzondere voorwaarden de voorwaarden voor de interne of externe benutting van de ingegraven afvalstoffen voor zover het milieubelang van die benutting door de exploitant wordt aangetoond. "
" In voorkomend geval bepalen de bijzondere voorwaarden de voorwaarden voor de interne of externe benutting van de ingegraven afvalstoffen voor zover het milieubelang van die benutting door de exploitant wordt aangetoond. "
Art. 19. A l'article 36 du même arrêté, le 1er alinéa est complété comme suit :
" Le cas échéant, les conditions particulières fixent les conditions de valorisation interne ou externe des déchets enfouis pour autant que l'intérêt environnemental de la valorisation soit démontré par l'exploitant. "
" Le cas échéant, les conditions particulières fixent les conditions de valorisation interne ou externe des déchets enfouis pour autant que l'intérêt environnemental de la valorisation soit démontré par l'exploitant. "
Art. 20. Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk V van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Algemeen ".
Art. 20. L'intitulé de la section 1re du chapitre V du même arrêté est remplacé par ce qui suit : " Généralités ".
Art. 21. In artikel 44, lid 3, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 56 " vervangen door de woorden " artikel 53, § 3 ".
Art. 21. A l'article 44, alinéa 3, du même arrêté, les mots " article 56 " sont remplacés par les mots " article 53, § 3 ".
Art. 22. In artikel 45, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° volgend lid wordt ingevoegd na lid 3 :
" De bronnen die vanuit hyrdogeologisch standpunt stroomafwaarts gelegen zijn van het technisch ingravingscentrum en die aangetast zouden kunnen worden, worden opgenomen in de regeling voor het toezicht op de waterlagen. ";
2° in lid 4, dat lid 5 wordt, worden de woorden " beveelt de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar de installatie van bijkomende piëzometers " vervangen door de woorden " of op grond van een intern interventieplan en plan voor de bescherming van het grondwater omschreven in de artikelen 56 en 57 leggen de bijzondere voorwaarden de installatie van bijkomende piëzometers op " en worden de woorden " waarvan laatstgenoemde de kenmerken bepaalt " vervangen door de woorden " waarvan zij de kenmerken bepalen ";
3° de laatste volzin wordt opgeheven.
1° volgend lid wordt ingevoegd na lid 3 :
" De bronnen die vanuit hyrdogeologisch standpunt stroomafwaarts gelegen zijn van het technisch ingravingscentrum en die aangetast zouden kunnen worden, worden opgenomen in de regeling voor het toezicht op de waterlagen. ";
2° in lid 4, dat lid 5 wordt, worden de woorden " beveelt de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar de installatie van bijkomende piëzometers " vervangen door de woorden " of op grond van een intern interventieplan en plan voor de bescherming van het grondwater omschreven in de artikelen 56 en 57 leggen de bijzondere voorwaarden de installatie van bijkomende piëzometers op " en worden de woorden " waarvan laatstgenoemde de kenmerken bepaalt " vervangen door de woorden " waarvan zij de kenmerken bepalen ";
3° de laatste volzin wordt opgeheven.
Art. 22. A l'article 45, § 2, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa suivant est inséré après l'alinéa 3 :
" Les sources situées en aval hydrogéologique direct du CET et susceptibles d'être affectées sont intégrées au dispositif de surveillance des nappes. ";
2° à l'alinéa 4 qui devient l'alinéa 5, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique impose " sont remplacés par les mots " ou sur base du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines défini aux articles 56 et 57, les conditions particulières imposent " et les mots " il définit " sont remplacés par les mots " elles définissent ";
3° la dernière phrase est abrogée.
1° l'alinéa suivant est inséré après l'alinéa 3 :
" Les sources situées en aval hydrogéologique direct du CET et susceptibles d'être affectées sont intégrées au dispositif de surveillance des nappes. ";
2° à l'alinéa 4 qui devient l'alinéa 5, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique impose " sont remplacés par les mots " ou sur base du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines défini aux articles 56 et 57, les conditions particulières imposent " et les mots " il définit " sont remplacés par les mots " elles définissent ";
3° la dernière phrase est abrogée.
Art. 23. In artikel 46 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, lid 1, wordt vervangen als volgt :
" Het besmette water en de percolaten mogen niet als dusdanig buiten de site geloosd worden. Die vloeistoffen worden integraal opgevangen en zo spoedig mogelijk naar een behoorlijk vergund zuiveringsstation afgevoerd om er behandeld te worden. ";
2° in § 2 worden het tweede, derde en vierde lid opgeheven;
3° in § 2 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
4° in § 2 worden de woorden " door de bevoegde overheid " vervangen door de woorden " door de bijzondere voorwaarden ";
5° in § 2 worden de woorden " na advies van de technisch ambtenaar " opgeheven;
6° in § 2 worden de woorden " de toezichthoudende ambtenaar waterbesproeiing toelaat of oplegt " vervangen door de woorden " de bijzondere voorwaarden waterbesproeiing toelaten of opleggen ";
7° § 6, gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Alle kunstwerken uit cement, beton en gelijkgestelde stoffen die in contact kunnen komen met agressieve percolaten worden permanent afgedekt met een slijtvaste afdekking. ";
8° § 7, nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" § 7. Bovenvermelde bepalingen zijn niet van toepassing op de technische ingravingscentra en de cellen van klasse 3, 4A en 5.3. "
1° § 1, lid 1, wordt vervangen als volgt :
" Het besmette water en de percolaten mogen niet als dusdanig buiten de site geloosd worden. Die vloeistoffen worden integraal opgevangen en zo spoedig mogelijk naar een behoorlijk vergund zuiveringsstation afgevoerd om er behandeld te worden. ";
2° in § 2 worden het tweede, derde en vierde lid opgeheven;
3° in § 2 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
4° in § 2 worden de woorden " door de bevoegde overheid " vervangen door de woorden " door de bijzondere voorwaarden ";
5° in § 2 worden de woorden " na advies van de technisch ambtenaar " opgeheven;
6° in § 2 worden de woorden " de toezichthoudende ambtenaar waterbesproeiing toelaat of oplegt " vervangen door de woorden " de bijzondere voorwaarden waterbesproeiing toelaten of opleggen ";
7° § 6, gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Alle kunstwerken uit cement, beton en gelijkgestelde stoffen die in contact kunnen komen met agressieve percolaten worden permanent afgedekt met een slijtvaste afdekking. ";
8° § 7, nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" § 7. Bovenvermelde bepalingen zijn niet van toepassing op de technische ingravingscentra en de cellen van klasse 3, 4A en 5.3. "
Art. 23. A l'article 46 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er, 1er alinéa, est remplacé par ce qui suit :
" Les eaux contaminées et les lixiviats ne peuvent pas être rejetés tels quels hors du site. Ces liquides sont intégralement collectés et conduits, dans les meilleurs délais, vers une station d'épuration dûment autorisée pour y être traités. ";
2° au § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés;
3° au § 2, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
4° au § 2, les mots " l'autorité compétente autorise " sont remplacés par les mots " les conditions particulières autorisent ";
5° au § 2, les mots " après avoir recueilli l'avis du fonctionnaire technique " sont abrogés;
6° au § 2, les mots " le fonctionnaire chargé de la surveillance autorise ou impose " sont remplacés par les mots " les conditions particulières autorisent ou imposent ";
7° le § 6 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Tous les ouvrages en ciment, béton et matières assimilées susceptibles d'entrer en contact avec des lixiviats agressifs sont recouverts de manière continue par un revêtement inaltérable. ";
8° le § 7 annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Les dispositions ci-dessus ne s'appliquent pas aux CET et cellules de classe 3, 4A et 5.3. "
1° le § 1er, 1er alinéa, est remplacé par ce qui suit :
" Les eaux contaminées et les lixiviats ne peuvent pas être rejetés tels quels hors du site. Ces liquides sont intégralement collectés et conduits, dans les meilleurs délais, vers une station d'épuration dûment autorisée pour y être traités. ";
2° au § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés;
3° au § 2, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
4° au § 2, les mots " l'autorité compétente autorise " sont remplacés par les mots " les conditions particulières autorisent ";
5° au § 2, les mots " après avoir recueilli l'avis du fonctionnaire technique " sont abrogés;
6° au § 2, les mots " le fonctionnaire chargé de la surveillance autorise ou impose " sont remplacés par les mots " les conditions particulières autorisent ou imposent ";
7° le § 6 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Tous les ouvrages en ciment, béton et matières assimilées susceptibles d'entrer en contact avec des lixiviats agressifs sont recouverts de manière continue par un revêtement inaltérable. ";
8° le § 7 annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Les dispositions ci-dessus ne s'appliquent pas aux CET et cellules de classe 3, 4A et 5.3. "
Art. 24. De afdelingen 2, 3 en 4 van hoofdstuk V van hetzelfde besluit, waarvan de artikelen 57 en 58 gedeeltelijk nietig zijn verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, worden vervangen door hetgeen volgt :
" Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor het lozen in gewone oppervlaktewateren en kunstmatige afwateringskanalen
Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in kunstmatige afvloeiingswegen wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden : ",
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6,5;
2. de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;
3. de biochemische zuurstofvraag in vijf dagen op 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 90 mg zuurstof per liter;
4. de zuurstofbehoefte in het geloosde water is niet hoger dan 300 mg/l;
5. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 60 mg per liter;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen in het geloosde water bedraagt hoogstens 0.5 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40 in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg per liter;
8. het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 20 mg N/l tussen 1 mei en 31 oktober;
9. het gehalte aan ammoniumstikstof in het geloosde water is niet hoger dan 50 mg N/l tussen 1 november en 30 april;
10. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 15 mg per liter;
11. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0.5 mg CN per liter;
12. het gehalte aan sulfuren en mercaptans in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg S per liter;
13. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
14. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
15. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
16. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2mg Ni per liter;
17. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
18. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
19. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
20. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
21. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
22. het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
23. het geloosde water is vrij van de stoffen bedoeld in de artikelen R. 131 tot R. 141 en de bijlagen I en VII van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het lozen in openbare rioleringen
Art. 48. Industrieel afvalwater dat in openbare rioleringen geloosd wordt voldoet aan de volgende voorwaarden :
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6;
2. de temperatuur van het geloosde water bedraagt hoogstens 45 °C;
3. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 1 000 mg per liter;
4. vanwege hun structuur mogen de zwevende deeltjes de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;
5. de zwevende deeltjes mogen niet meer meten dan 10 mm;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 200 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg CN per liter;
8. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
9. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
10. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
11. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2 mg Ni per liter;
12. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
13. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
14. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
15. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
16. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
17. het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;
18. het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
19. het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;
20. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 2000 mg per liter;
21. het geloosde water is behoudens uitdrukkelijke machtiging vrij van de gevaarlijke stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en in de bijlagen I en VII bij Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Art. 49. § 1. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden afwijken van de chloridenormen (lozing in de rioleringen), afhankelijk van de buitengewone weersomstandigheden zoals vastgesteld door het Koninklijk Meteorolgisch Instituut van België.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden op grond van de voorgeschiedenis van de resultaten van de meetcampagnes en gelet op de specificiteit van de vaststelling op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het type behandeling van de percolaten of de geloosde watervolumes, de lijst wijzigen van de parameters bedoeld in de artikelen 47 en 48 als twee controles uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden lagere resultaten opleveren dan de relevantiedrempels omschreven in bijlage 4C.
Afdeling 3. - Controles, zelfcontrole en toezicht
Onderafdeling 1. - Monsternemings- en analysemethodes
Art. 50. De uitbater en de toezichthoudend ambtenaar gebruiken referentiemethodes voor de monsterneming en de analyse van alle parameters bedoeld in de artikelen 47 tot en met 49 zoals vastgesteld door de Minister.
Art. 51. De meting van een " totaal metaal ", bedoeld in de artikelen 47 en 48, wordt uitgevoerd op grond van een niet-gefiltreerde staal met een zuurtegraad van pH2.
De kwantificatielimieten die bij die analyses toegepast worden, worden nader omschreven in de tabellen opgenomen in de bijlagen 4B en 4C.
Onderafdeling 2. - Gerichte monsternemingen
Art. 52. § 1. De data en de uren van de monsternemingen, vereist krachtens de artikelen 53 en 56, worden door de uitbater minstens vijf dagen op voorhand per faxbericht medegedeeld aan :
- de technisch ambtenaar;
- de toezichthoudend ambtenaar.
§ 2. Voor de monsterneming voor grondwater wordt, voor zover de doorlaatbaarheid van de grondwaterlaag dat mogelijk maakt, tijdens minstens één uur en hoedanook tot aan de stabilisering van het piëzometrisch niveau en de gemeten geleidbaarheid, water uit de grondwaterlaag gepompt met een gepast debiet.
§ 3. Op elk document waarin melding wordt gemaakt van de monsterneming wordt gewag gemaakt van :
- de datum, het uur van de monsterneming, evenals van de naam van degene die de monsterneming verricht heeft;
- de referentie en de juiste coördinaten van het monsternemingspunt (X, Y in Lambertcoördinaten en Z nationale hoogtemeting);
- iedere eventuele bijzondere waarneming.
Voor de monsternemingen in grondwater worden volgende gegevens eveneens medegedeeld :
- het piëzometrisch niveau;
- de diepte waarin de monsterneming is verricht;
- de variaties van het relatieve niveau, van de pH, van de temperatuur en de geleidbaarheid tijdens het oppompen van water.
Onderafdeling 3. - Controle en autocontrole van industrieel afvalwater, oppervlaktewater en percolaten
Art. 53. § 1. Tijdens de exploitatiefase worden driemaandelijks en tijdens de nabeheerfase worden zesmaandelijks op last van de exploitant door een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verricht van de niet-behandelde percolaten in het inzamelbekken of onmiddellijk stroomopwaarts ervan.
De analyses hebben betrekking op de terreinparameters vermeld in bijlage 4B.
Om de twee jaar worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtparameters die overeenstemmen met de rubriek van het technisch ingravingscentrum vermeld in bijlage 4B. Er wordt eveneens een kwalitatieve evaluatie verricht van de aanwezige organische verbindingen met behulp van een chromatograaf in de gasfase, gekoppeld aan een massaspectrometer of een gelijkwaardig systeem, evenals een screening van de metalen per ICP.
§ 2. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- jaarlijkse bepaling van de toxiciteit na 48u van Pseudokirchneriella subcapitata volgens ISO-norm 8692 - Waterkwaliteit Fresh water algal growth inhibition test with Scenedesmus subspicatus and Selenastrum capricornutum;
- jaarlijks : bepaling van de toxiciteit op lange termijn ten opzichte van Daphnia magna, gebaseerd op ISO norm 10706 (effect op de reproductie en mortaliteit in 21 d. of vereenvoudigde methode in 14 d); of bepaling van de remming van de mobiliteit van Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - testmethode acute toxiciteit gegrond op ISO - norm 6341.
De bijzondere voorwaarden bepalen de nadere regels voor de tests die van toepassing zijn op de inrichting.
§ 3. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel oppervlaktewater stroomopwaarts en stroomafwaarts van de lozing van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- zesmaandelijks, namelijk in maart en september : IDL test of diatomisch gehalte LECLERQ.
§ 4. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten of wegens de specificiteit van de inrichting op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het soort behandeling van de percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, evenals de frequentie van de monsternemingen en de analyse bepaald in de §§ 1 tot en met 3.
Art. 54. § 1. Behalve de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3. voert de exploitant wekelijks monsternemingen en analyses uit om na te gaan of de voorwaarden voor de lozing van afvalwater zoals bedoeld in de artikelen 47 en 48 nageleefd worden en of de zuiveringsinstallaties correct functioneren. De analyses hebben betrekking op de parameters van de zuurstofbehoefte en de ammoniumstikstof.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, alsook de frequentie van de monsternemingen en analyses.
Art. 55. § 1. Het geloosde industrieel afvalwater wordt afgevoerd via een controlevoorziening die aan de volgende vereisten voldoet :
Voor de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3 :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
Voor de overige inrichtingen :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
5. de waarde van de afvoerstroom, uitgedrukt in l/sec en/of m3/u, van de pH, van de geleidbaarheid, van de temperatuur en van de zuurstofbehoefte onmiddellijk aangeven;
6. permanent de waarde van het dagvolume, uitgedrukt in m3/d, van de pH, van de temperatuur, van de zuurstofbehoefte en van de geleidbaarheid registreren, en dit in een minimumtijdsbestek van uur per uur;
7. het automatisch nemen van stalen die in verhouding zijn tot het gemeten debiet van het tijdens 24 uur geloosde water en de bewaring ervan gedurende 48 uur.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de controlevoorziening wijzigen.
Onderafdeling 4. - Controle van het grondwater
Art. 56. § 1. Het toezicht op het grondwater wordt gevoerd volgens de procedure omschreven in bijlage 4A.
De traceer- en toezichtparameters zijn vermeld in de tabel opgenomen in bijlage 4B.
Voor de technische ingravingscentra van klasse 5.1, 5.2 en 5.3 worden de te analyseren parameters door de bijzondere voorwaarden onder de parameters opgelijst voor de technische ingravinsgcentra van klasse 1 of 2 vastgesteld in functie van de specificiteit van het betrokken ingravingscentrum.
§ 2. Op de traceerparameters wordt een routinemonitoring uitgevoerd met een zesmaandelijkse frequentie tijdens de maanden maart en september voor het grondwater van de piëzometers en de bronnen.
Om de twee jaar en voor het eerst tijdens de eerste toezichtscampagne worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtsparameters om de eventuele evolutie van de kenmerken bij de emissie van het technisch ingravingscentrum op te sporen.
De stalen en de analyses worden door een erkend laboratorium uitgevoerd overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de specificiteit van bepaalde sites wat betreft de snelheid van de afvoer van het grondwater, de frequentie van de monsternemingen en de analyses wijzigen, met inachtneming evenwel van het minimum van één monsterneming en één analyse per jaar.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten en de kenmerken van de afvalstoffen, de lijst van de te analyseren parameters wijzigen met uitzondering van de traceerparameters en de terreinparameters. Van de meting van een bepaalde parameter kan evenwel enkel afgezien worden tijdens een periode van hoogstens zes jaar op voorwaarde dat twee controles, uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden, lagere resultaten opleveren dan de VR referentiewaarden voor het grondwater van bijlage 1 bij het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer of, bij ontstentenis van de referentiewaarden :
- voor de parameters mineraalvorming en zoutgehalte : dan P65 van de grondwaterlagen, vermeld in de tabel van bijlage 4B;
- voor de overige parameters : dan de kwantificatiegrens LOQ, vermeld in de tabel van bijlage 4B.
§ 3. Tijdens die monitoring wordt bij overschrijding van een waakzaamheidsdrempel zoals door het erkende laboratorium gemeten en, bij betwisting door de exploitant, bevestigd door een tegensprekelijke analyse uitgevoerd in twee andere erkende laboratoria, een verhoogde controle ingevoerd die het opgespoorde probleem beoogt als de verhouding tussen de concentraties stroomafwaarts en stroomopwaarts hoger is dan drie.
De nadere regels voor die controle (afnamepunten, duur, frequentie, parameters) worden in overleg vastgesteld met de toezichthoudend ambtenaar binnen de dertig dagen volgend op de bevestiging van die overschrijding.
§ 4. Als de verhoogde controle aantoont dat de opgespoorde overschrijding niet toe te schrijven is aan een persistente endogene besmetting en besluit dat het risico afwezig is, wordt weer overgeschakeld op de routinemonitoring zoals aangepast aan het opgespoorde probleem.
Als de verhoogde controle aantoont dat er een persistente endogene besmetting bestaat of als die controle onvoldoende is om tot het niet-bestaan van het risico te besluiten, wordt het interventieplan onmiddellijk in werking gesteld en de uitbater legt de bevoegde overheid een intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan voor binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de aanvraag uitgedrukt door de technisch ambtenaar.
Art. 57. § 1. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan bevat een onderzoek naar de kenmerken en de afbakening van de vervuilende laag, uitgevoerd door een erkend deskundige overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer. Het beoogt eveneens rekening te houden met de plaatselijke geochemische ondergrond en de eventuele exogene of historische besmettingen.
§ 2. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan beoordeelt de onderkende risico's voor de recipiënten en stelt, rekening houdend met alle specifieke plaatselijke, aldus omschreven kenmerken, uitbreidingen voor van het toezichtsnet, evenals met de bijzondere waarden voor het in actie treden van de parameters opgegeven in de tabel in bijlage 4B, rekening houdend met de specifieke hydrogeologische formaties op de site van het technisch ingravingscentrum. Het geeft ten slote de correctiemaatregelen aan die de uitbater beoogt te treffen bij overschrijding van die drempels.
§ 3. De bevoegde overheid beslist na advies van de technisch ambtenaar over de geledigheid van het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan uiterlijk zestig dagen na ontvangst van dat advies. Ze bekrachtigt de bijzondere waarden van de actiedrempels voor elke piëzometer van het toezichtsnetwerk en stelt het programma van correctiemaatregelen vast.
§ 4. Als de waarde van een actiedrempel overschreden wordt, voert de uitbater het programma van de correctiemaatregelen uit om de concentraties in het grondwater op duurzame wijze terug te brengen naar waarden onder de actiedrempels.
Onderafdeling 5. - Analyseverslagen
Art. 58. § 1. De resultaten van de controle- en zelfcontroleanalyses worden op papieren en elektronische informatiedragers opgeslaan en gedurende vijf jaar bewaard op de exploitatiezetel. De toezichthoudend ambtenaar krijgt ze binnen 24 uur nadat hij erom verzocht heeft, ter beschikking.
§ 2. De krachtens dit hoofdstuk vereiste analysecertificaten worden bij het register gevoegd bedoeld in artikel 25 van dit besluit. Ze worden door de verantwoordelijke van het erkende laboratorium ondertekend.
§ 3. Op elk analysecertificaat worden voor elke gemeten parameter vermeld :
- de waakzaamheids- en actiedrempels van de parameters vermeld in bijlage 4B voor wat betreft het grondwater;
- de parameters voor de lozingsvoorwaarden vastgesteld in de vergunning voor wat betreft het industrieel afvalwater;
- de milieukwaliteitsnormen voor wat betreft de oppervlaktewateren.
Art. 58bis. Jaarlijks wordt er door de uitbater een verslag overgemaakt aan de technisch ambtenaar, de toezichthoudend ambtenaar, de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water, evenals aan de burgemeesters van de gemeenten waar er technische ingravingscentra gevestigd zijn.
Dat verslag bevat minstens :
1. de analysecertificaten bedoeld in de artikelen 53 en 56 van dit besluit;
2. de resultaten van de analyses, die verzameld zijn in vorm van;
- een cijfertabel waarin de plaatsen en de data van de monsternemingen, de parameters en, in voorkomend geval, de codes van de parameters van bijlage 4B vermeld zijn, evenals de waakzaamheids- en de actiedrempels;
- grafieken waarin de tijdens de laatste vijf jaar waargenomen resultaten systematisch vermeld worden.
Om de zes maanden wordt de informaticaversie van die tabel eveneens elektronisch overgemaakt aan de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water;
3. de protocollen van de monsternemingen van grondwater, evenals de geregistreerde waarden voor de schommeling van de grondwaterlagen, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 45, § 1, van dit besluit;
4. de gegevens geregistreerd voor de werking van het zuiveringsstation, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 55 van dit besluit, met name de maandelijkse vastgestelde percolaatvolumes op grond van de voorzieningen die de uitbater opgesteld heeft. Die maandelijkse volumes worden cumulatief voorgesteld op grafieken op de gepaste schaal. ".
" Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor het lozen in gewone oppervlaktewateren en kunstmatige afwateringskanalen
Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in kunstmatige afvloeiingswegen wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden : ",
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6,5;
2. de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;
3. de biochemische zuurstofvraag in vijf dagen op 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 90 mg zuurstof per liter;
4. de zuurstofbehoefte in het geloosde water is niet hoger dan 300 mg/l;
5. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 60 mg per liter;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen in het geloosde water bedraagt hoogstens 0.5 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40 in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg per liter;
8. het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 20 mg N/l tussen 1 mei en 31 oktober;
9. het gehalte aan ammoniumstikstof in het geloosde water is niet hoger dan 50 mg N/l tussen 1 november en 30 april;
10. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 15 mg per liter;
11. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0.5 mg CN per liter;
12. het gehalte aan sulfuren en mercaptans in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg S per liter;
13. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
14. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
15. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
16. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2mg Ni per liter;
17. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
18. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
19. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
20. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
21. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
22. het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
23. het geloosde water is vrij van de stoffen bedoeld in de artikelen R. 131 tot R. 141 en de bijlagen I en VII van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het lozen in openbare rioleringen
Art. 48. Industrieel afvalwater dat in openbare rioleringen geloosd wordt voldoet aan de volgende voorwaarden :
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6;
2. de temperatuur van het geloosde water bedraagt hoogstens 45 °C;
3. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 1 000 mg per liter;
4. vanwege hun structuur mogen de zwevende deeltjes de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;
5. de zwevende deeltjes mogen niet meer meten dan 10 mm;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 200 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg CN per liter;
8. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
9. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
10. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
11. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2 mg Ni per liter;
12. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
13. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
14. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
15. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
16. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
17. het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;
18. het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
19. het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;
20. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 2000 mg per liter;
21. het geloosde water is behoudens uitdrukkelijke machtiging vrij van de gevaarlijke stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en in de bijlagen I en VII bij Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Art. 49. § 1. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden afwijken van de chloridenormen (lozing in de rioleringen), afhankelijk van de buitengewone weersomstandigheden zoals vastgesteld door het Koninklijk Meteorolgisch Instituut van België.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden op grond van de voorgeschiedenis van de resultaten van de meetcampagnes en gelet op de specificiteit van de vaststelling op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het type behandeling van de percolaten of de geloosde watervolumes, de lijst wijzigen van de parameters bedoeld in de artikelen 47 en 48 als twee controles uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden lagere resultaten opleveren dan de relevantiedrempels omschreven in bijlage 4C.
Afdeling 3. - Controles, zelfcontrole en toezicht
Onderafdeling 1. - Monsternemings- en analysemethodes
Art. 50. De uitbater en de toezichthoudend ambtenaar gebruiken referentiemethodes voor de monsterneming en de analyse van alle parameters bedoeld in de artikelen 47 tot en met 49 zoals vastgesteld door de Minister.
Art. 51. De meting van een " totaal metaal ", bedoeld in de artikelen 47 en 48, wordt uitgevoerd op grond van een niet-gefiltreerde staal met een zuurtegraad van pH2.
De kwantificatielimieten die bij die analyses toegepast worden, worden nader omschreven in de tabellen opgenomen in de bijlagen 4B en 4C.
Onderafdeling 2. - Gerichte monsternemingen
Art. 52. § 1. De data en de uren van de monsternemingen, vereist krachtens de artikelen 53 en 56, worden door de uitbater minstens vijf dagen op voorhand per faxbericht medegedeeld aan :
- de technisch ambtenaar;
- de toezichthoudend ambtenaar.
§ 2. Voor de monsterneming voor grondwater wordt, voor zover de doorlaatbaarheid van de grondwaterlaag dat mogelijk maakt, tijdens minstens één uur en hoedanook tot aan de stabilisering van het piëzometrisch niveau en de gemeten geleidbaarheid, water uit de grondwaterlaag gepompt met een gepast debiet.
§ 3. Op elk document waarin melding wordt gemaakt van de monsterneming wordt gewag gemaakt van :
- de datum, het uur van de monsterneming, evenals van de naam van degene die de monsterneming verricht heeft;
- de referentie en de juiste coördinaten van het monsternemingspunt (X, Y in Lambertcoördinaten en Z nationale hoogtemeting);
- iedere eventuele bijzondere waarneming.
Voor de monsternemingen in grondwater worden volgende gegevens eveneens medegedeeld :
- het piëzometrisch niveau;
- de diepte waarin de monsterneming is verricht;
- de variaties van het relatieve niveau, van de pH, van de temperatuur en de geleidbaarheid tijdens het oppompen van water.
Onderafdeling 3. - Controle en autocontrole van industrieel afvalwater, oppervlaktewater en percolaten
Art. 53. § 1. Tijdens de exploitatiefase worden driemaandelijks en tijdens de nabeheerfase worden zesmaandelijks op last van de exploitant door een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verricht van de niet-behandelde percolaten in het inzamelbekken of onmiddellijk stroomopwaarts ervan.
De analyses hebben betrekking op de terreinparameters vermeld in bijlage 4B.
Om de twee jaar worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtparameters die overeenstemmen met de rubriek van het technisch ingravingscentrum vermeld in bijlage 4B. Er wordt eveneens een kwalitatieve evaluatie verricht van de aanwezige organische verbindingen met behulp van een chromatograaf in de gasfase, gekoppeld aan een massaspectrometer of een gelijkwaardig systeem, evenals een screening van de metalen per ICP.
§ 2. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- jaarlijkse bepaling van de toxiciteit na 48u van Pseudokirchneriella subcapitata volgens ISO-norm 8692 - Waterkwaliteit Fresh water algal growth inhibition test with Scenedesmus subspicatus and Selenastrum capricornutum;
- jaarlijks : bepaling van de toxiciteit op lange termijn ten opzichte van Daphnia magna, gebaseerd op ISO norm 10706 (effect op de reproductie en mortaliteit in 21 d. of vereenvoudigde methode in 14 d); of bepaling van de remming van de mobiliteit van Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - testmethode acute toxiciteit gegrond op ISO - norm 6341.
De bijzondere voorwaarden bepalen de nadere regels voor de tests die van toepassing zijn op de inrichting.
§ 3. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel oppervlaktewater stroomopwaarts en stroomafwaarts van de lozing van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- zesmaandelijks, namelijk in maart en september : IDL test of diatomisch gehalte LECLERQ.
§ 4. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten of wegens de specificiteit van de inrichting op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het soort behandeling van de percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, evenals de frequentie van de monsternemingen en de analyse bepaald in de §§ 1 tot en met 3.
Art. 54. § 1. Behalve de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3. voert de exploitant wekelijks monsternemingen en analyses uit om na te gaan of de voorwaarden voor de lozing van afvalwater zoals bedoeld in de artikelen 47 en 48 nageleefd worden en of de zuiveringsinstallaties correct functioneren. De analyses hebben betrekking op de parameters van de zuurstofbehoefte en de ammoniumstikstof.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, alsook de frequentie van de monsternemingen en analyses.
Art. 55. § 1. Het geloosde industrieel afvalwater wordt afgevoerd via een controlevoorziening die aan de volgende vereisten voldoet :
Voor de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3 :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
Voor de overige inrichtingen :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
5. de waarde van de afvoerstroom, uitgedrukt in l/sec en/of m3/u, van de pH, van de geleidbaarheid, van de temperatuur en van de zuurstofbehoefte onmiddellijk aangeven;
6. permanent de waarde van het dagvolume, uitgedrukt in m3/d, van de pH, van de temperatuur, van de zuurstofbehoefte en van de geleidbaarheid registreren, en dit in een minimumtijdsbestek van uur per uur;
7. het automatisch nemen van stalen die in verhouding zijn tot het gemeten debiet van het tijdens 24 uur geloosde water en de bewaring ervan gedurende 48 uur.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de controlevoorziening wijzigen.
Onderafdeling 4. - Controle van het grondwater
Art. 56. § 1. Het toezicht op het grondwater wordt gevoerd volgens de procedure omschreven in bijlage 4A.
De traceer- en toezichtparameters zijn vermeld in de tabel opgenomen in bijlage 4B.
Voor de technische ingravingscentra van klasse 5.1, 5.2 en 5.3 worden de te analyseren parameters door de bijzondere voorwaarden onder de parameters opgelijst voor de technische ingravinsgcentra van klasse 1 of 2 vastgesteld in functie van de specificiteit van het betrokken ingravingscentrum.
§ 2. Op de traceerparameters wordt een routinemonitoring uitgevoerd met een zesmaandelijkse frequentie tijdens de maanden maart en september voor het grondwater van de piëzometers en de bronnen.
Om de twee jaar en voor het eerst tijdens de eerste toezichtscampagne worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtsparameters om de eventuele evolutie van de kenmerken bij de emissie van het technisch ingravingscentrum op te sporen.
De stalen en de analyses worden door een erkend laboratorium uitgevoerd overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de specificiteit van bepaalde sites wat betreft de snelheid van de afvoer van het grondwater, de frequentie van de monsternemingen en de analyses wijzigen, met inachtneming evenwel van het minimum van één monsterneming en één analyse per jaar.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten en de kenmerken van de afvalstoffen, de lijst van de te analyseren parameters wijzigen met uitzondering van de traceerparameters en de terreinparameters. Van de meting van een bepaalde parameter kan evenwel enkel afgezien worden tijdens een periode van hoogstens zes jaar op voorwaarde dat twee controles, uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden, lagere resultaten opleveren dan de VR referentiewaarden voor het grondwater van bijlage 1 bij het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer of, bij ontstentenis van de referentiewaarden :
- voor de parameters mineraalvorming en zoutgehalte : dan P65 van de grondwaterlagen, vermeld in de tabel van bijlage 4B;
- voor de overige parameters : dan de kwantificatiegrens LOQ, vermeld in de tabel van bijlage 4B.
§ 3. Tijdens die monitoring wordt bij overschrijding van een waakzaamheidsdrempel zoals door het erkende laboratorium gemeten en, bij betwisting door de exploitant, bevestigd door een tegensprekelijke analyse uitgevoerd in twee andere erkende laboratoria, een verhoogde controle ingevoerd die het opgespoorde probleem beoogt als de verhouding tussen de concentraties stroomafwaarts en stroomopwaarts hoger is dan drie.
De nadere regels voor die controle (afnamepunten, duur, frequentie, parameters) worden in overleg vastgesteld met de toezichthoudend ambtenaar binnen de dertig dagen volgend op de bevestiging van die overschrijding.
§ 4. Als de verhoogde controle aantoont dat de opgespoorde overschrijding niet toe te schrijven is aan een persistente endogene besmetting en besluit dat het risico afwezig is, wordt weer overgeschakeld op de routinemonitoring zoals aangepast aan het opgespoorde probleem.
Als de verhoogde controle aantoont dat er een persistente endogene besmetting bestaat of als die controle onvoldoende is om tot het niet-bestaan van het risico te besluiten, wordt het interventieplan onmiddellijk in werking gesteld en de uitbater legt de bevoegde overheid een intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan voor binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de aanvraag uitgedrukt door de technisch ambtenaar.
Art. 57. § 1. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan bevat een onderzoek naar de kenmerken en de afbakening van de vervuilende laag, uitgevoerd door een erkend deskundige overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer. Het beoogt eveneens rekening te houden met de plaatselijke geochemische ondergrond en de eventuele exogene of historische besmettingen.
§ 2. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan beoordeelt de onderkende risico's voor de recipiënten en stelt, rekening houdend met alle specifieke plaatselijke, aldus omschreven kenmerken, uitbreidingen voor van het toezichtsnet, evenals met de bijzondere waarden voor het in actie treden van de parameters opgegeven in de tabel in bijlage 4B, rekening houdend met de specifieke hydrogeologische formaties op de site van het technisch ingravingscentrum. Het geeft ten slote de correctiemaatregelen aan die de uitbater beoogt te treffen bij overschrijding van die drempels.
§ 3. De bevoegde overheid beslist na advies van de technisch ambtenaar over de geledigheid van het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan uiterlijk zestig dagen na ontvangst van dat advies. Ze bekrachtigt de bijzondere waarden van de actiedrempels voor elke piëzometer van het toezichtsnetwerk en stelt het programma van correctiemaatregelen vast.
§ 4. Als de waarde van een actiedrempel overschreden wordt, voert de uitbater het programma van de correctiemaatregelen uit om de concentraties in het grondwater op duurzame wijze terug te brengen naar waarden onder de actiedrempels.
Onderafdeling 5. - Analyseverslagen
Art. 58. § 1. De resultaten van de controle- en zelfcontroleanalyses worden op papieren en elektronische informatiedragers opgeslaan en gedurende vijf jaar bewaard op de exploitatiezetel. De toezichthoudend ambtenaar krijgt ze binnen 24 uur nadat hij erom verzocht heeft, ter beschikking.
§ 2. De krachtens dit hoofdstuk vereiste analysecertificaten worden bij het register gevoegd bedoeld in artikel 25 van dit besluit. Ze worden door de verantwoordelijke van het erkende laboratorium ondertekend.
§ 3. Op elk analysecertificaat worden voor elke gemeten parameter vermeld :
- de waakzaamheids- en actiedrempels van de parameters vermeld in bijlage 4B voor wat betreft het grondwater;
- de parameters voor de lozingsvoorwaarden vastgesteld in de vergunning voor wat betreft het industrieel afvalwater;
- de milieukwaliteitsnormen voor wat betreft de oppervlaktewateren.
Art. 58bis. Jaarlijks wordt er door de uitbater een verslag overgemaakt aan de technisch ambtenaar, de toezichthoudend ambtenaar, de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water, evenals aan de burgemeesters van de gemeenten waar er technische ingravingscentra gevestigd zijn.
Dat verslag bevat minstens :
1. de analysecertificaten bedoeld in de artikelen 53 en 56 van dit besluit;
2. de resultaten van de analyses, die verzameld zijn in vorm van;
- een cijfertabel waarin de plaatsen en de data van de monsternemingen, de parameters en, in voorkomend geval, de codes van de parameters van bijlage 4B vermeld zijn, evenals de waakzaamheids- en de actiedrempels;
- grafieken waarin de tijdens de laatste vijf jaar waargenomen resultaten systematisch vermeld worden.
Om de zes maanden wordt de informaticaversie van die tabel eveneens elektronisch overgemaakt aan de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water;
3. de protocollen van de monsternemingen van grondwater, evenals de geregistreerde waarden voor de schommeling van de grondwaterlagen, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 45, § 1, van dit besluit;
4. de gegevens geregistreerd voor de werking van het zuiveringsstation, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 55 van dit besluit, met name de maandelijkse vastgestelde percolaatvolumes op grond van de voorzieningen die de uitbater opgesteld heeft. Die maandelijkse volumes worden cumulatief voorgesteld op grafieken op de gepaste schaal. ".
Art. 24. Les sections 2, 3 et 4 du chapitre V du même arrêté, dont les articles 57 et 58 sont partiellement annulés par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, sont remplacées par ce qui suit :
" Section 2. - Conditions de déversement
Sous-section 1re. - Conditions de déversement en eaux de surface ordinaires et voies artificielles d'écoulement
Art. 47. Les eaux usées industrielles rejetées en eaux de surface ordinaires ou en voies artificielles d'écoulement respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux déversées ne peut être supérieur à 10,5 ou inférieur à 6,5;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 30 °C;
3. la demande biochimique en oxygène en 5 jours à 20 °C et en présence d'allyle thio-urée des eaux déversées ne peut dépasser 90 mg d'oxygène par litre;
4. la demande chimique en oxygène (DCO) des eaux déversées ne peut excéder 300 mg par litre;
5. la teneur en matières en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 60 mg par litre;
6. la teneur en matières sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en indice hydrocarbures C10-C40 des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg par litre;
8. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 20 mg N/l du 1er mai au 31 octobre;
9. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 50 mg N/l du 1er novembre au 30 avril;
10. la teneur en phénol des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg par litre;
11. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 mg CN par litre;
12. la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg S par litre;
13. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
14. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
15. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
16. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2mg Ni par litre;
17. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
18. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
19. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
20. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
21. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
22. les eaux déversées ne peuvent contenir des huiles, des graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque;
23. les eaux déversées ne peuvent contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes Ire et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Sous-section 2. - Conditions de déversement en égouts publics
Art. 48. Les eaux usées industrielles rejetées en égouts publics respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux déversées ne peut être supérieur à 10,5 ou inférieur à 6;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 45 °C;
3. la teneur en matières en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 1 000 mg par litre;
4. les matières en suspension déversées ne peuvent, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de relèvement du réseau de collecte;
5. la dimension des matières en suspension ne peut excéder 10 mm;
6. la teneur en matières sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 200 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg CN par litre;
8. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
9. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
10. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
11. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2 mg Ni par litre;
12. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
13. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
14. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
15. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
16. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
17. la teneur en matières extractibles à l'éther de pétrole des eaux déversées ne peut dépasser 500 mg par litre;
18. les eaux déversées ne peuvent contenir des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
19. il est interdit de jeter ou déverser des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières;
20. la teneur en chlorures des eaux déversées ne peut excéder 2 000 mg par litre;
21. les eaux déversées ne peuvent, sans autorisation expresse, contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes I et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Art. 49. § 1er. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent déroger à la norme sur les chlorures (rejet en égouts) en fonction de conditions météorologiques exceptionnelles établies par l'Institut royal météorologique de Belgique.
§ 2. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent, sur base de l'historique des résultats des campagnes de mesures et au vu de la spécificité de l'établissement sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux déversées, modifier la liste des paramètres visés aux articles 47 et 48 si deux contrôles effectués à six mois d'intervalle donnent des résultats inférieurs aux seuils de pertinence définis à l'annexe 4C.
Section 3. - Contrôles, autocontrôle et surveillance
Sous-section 1re. - Méthodes d'analyse et d'échantillonnage
Art. 50. L'exploitant et le fonctionnaire chargé de la surveillance utilisent les méthodes de référence pour l'échantillonnage et l'analyse de tous les paramètres visés aux articles 47 à 49 établies par le Ministre.
Art. 51. La mesure d'un " métal total ", visée aux articles 47 et 48, se fait sur échantillon non filtré, acidifié à pH 2.
Les limites de quantification applicables lors des analyses sont précisées dans les tableaux figurant en annexes 4B et 4C.
Sous-section 2. - Prélèvements ponctuels
Art. 52. § 1er. Les dates et heures des prélèvements, requis en vertu des articles 53 et 56, sont communiquées par l'exploitant au moins cinq jours ouvrables à l'avance par message télécopié au :
- fonctionnaire technique;
- fonctionnaire chargé de la surveillance.
§ 2. Préalablement à la prise d'un échantillon d'eau souterraine, il est procédé, pour autant que la perméabilité de l'aquifère le permette, pendant au moins une heure et en tout cas jusqu'à stabilisation du niveau piézométrique et de la conductivité mesurée, à un pompage de la nappe à un débit adéquat.
§ 3. Sont repris sur chaque document faisant mention du prélèvement :
- la date, l'heure du prélèvement ainsi que le nom du préleveur;
- la référence et les coordonnées précises du point de prélèvement (X, Y en Lambert et Z nivellement national);
- toute observation particulière éventuelle.
Pour les prélèvements d'eaux souterraines, les éléments suivants sont également fournis :
- le niveau piézométrique;
- la profondeur à laquelle le prélèvement a été effectué;
- les variations du niveau relatif, du pH, de la température et de la conductivité au cours du pompage.
Sous-section 3. - Contrôle et autocontrôle des eaux usées industrielles, des eaux de surface et des lixiviats
Art. 53. § 1er. L'exploitant fait réaliser trimestriellement en phase d'exploitation et tous les six mois en phase de post-gestion, par un laboratoire agréé, des prélèvements d'échantillons et des analyses sur les lixiviats non traités, dans le bassin de collecte ou en amont immédiat de celui-ci.
Les analyses portent sur les paramètres de terrain repris à l'annexe 4B.
Tous les deux ans, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramètres de surveillance correspondant à la rubrique du CET repris à l'annexe 4B. Il est également procédé à une évaluation qualitative des composés organiques présents à l'aide d'un chromatographe en phase gazeuse couplé à un spectromètre de masse ou d'un dispositif équivalent ainsi qu'un screening des métaux par ICP.
§ 2. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélèvements d'échantillons et des analyses des eaux usées industrielles sur les paramètres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramètres de la conductivité, des matières en suspension, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramètres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganèse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramètres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzène, du naphtalène et des AOX;
- annuellement détermination de la toxicité après 48 h sur Pseudokirchneriella subcapitata, suivant la norme ISO 8692 Qualité de l'eau - Essai d'inhibition de la croissance des algues d'eau douce avec des algues vertes unicellulaires;
- annuellement : détermination de la toxicité à long terme vis-à-vis de Daphnia magna, basée sur la norme ISO 10706 (effet sur la reproduction et la mortalité en 21 j. ou méthode simplifiée en 14 j); ou détermination de l'inhibition de la mobilité de Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - Essai de toxicité aiguë, basée sur la norme ISO 6341.
Les conditions particulières précisent les tests applicables à l'établissement.
§ 3. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélèvements d'échantillons et analyses des eaux de surface en amont et en aval du rejet des eaux usées industrielles sur les paramètres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramètres de la conductivité, des MES, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramètres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganèse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramètres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzène, du naphtalène et des AOX;
- semestriellement, au mois de mars et septembre : Test IDL ou Indice Diatomique LECLERCQ.
§ 4. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, au vu de l'historique des résultats ou en raison de la spécificité de l'établissement sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux déversées, les conditions particulières peuvent modifier la liste des paramètres à analyser et la fréquence des prélèvements et analyses prévues aux §§ 1er à 3.
Art. 54. § 1er. A l'exception des établissements de classe 3 et de classe 5.3, l'exploitant réalise hebdomadairement des prélèvements d'échantillons et des analyses afin de s'assurer du respect des conditions de déversement des eaux usées visées aux articles 47 et 48 et du fonctionnement correct des installations d'épuration. Les analyses portent sur les paramètres de la DCO et de l'azote ammoniacal.
§ 2. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent, en raison de la spécificité de l'établissement, sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux déversées, modifier la liste des paramètres à analyser et la fréquence des prélèvements et analyses.
Art. 55. § 1er. Les eaux usées industrielles déversées sont évacuées par un dispositif de contrôle répondant aux exigences suivantes :
Pour les établissements de classe 3 et de classe 5.3 :
1. permettre le prélèvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélèvement d'échantillons des eaux déversées;
3. être facilement accessible sans formalité préalable;
4. être placé à un endroit offrant toute garantie quant à la quantité et la qualité des eaux;
Pour les autres établissements :
1. permettre le prélèvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélèvement d'échantillons des eaux déversées;
3. être facilement accessible sans formalité préalable;
4. être placé à un endroit offrant toute garantie quant à la quantité et la qualité des eaux;
5. indiquer en lecture directe, lors du contrôle des eaux déversées, la valeur du débit instantané exprimé en l/sec et/ou m3/h, du pH, de la conductivité, de la Température et de la DCO;
6. enregistrer de façon permanente la valeur du volume journalier exprimée en m3/j, du pH, de la température, de la DCO et de la conductivité et ceci à un pas de temps minimum d'heure par heure;
7. assurer le prélèvement automatique d'échantillons proportionnels au débit mesuré des eaux déversées pendant 24 heures et la conservation de ceux-ci pendant 48 heures.
§ 2. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent en raison de la spécificité de l'établissement, sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux déversées, modifier le dispositif de contrôle.
Sous-section 4. - Contrôle des eaux souterraines
Art. 56. § 1er. La surveillance des eaux souterraines est menée selon la procédure définie en annexe 4A.
Les paramètres traceurs et de surveillance sont repris dans le tableau figurant en annexe 4B.
Pour les CET de classes 5.1, 5.2 et 5.3, les paramètres à analyser sont fixés, en fonction de la spécificité du CET concerné, par les conditions particulières parmi les paramètres listés pour les CET de classe 1 ou 2.
§ 2. Un monitoring de routine sur les paramètres traceurs est mis en oeuvre avec une fréquence semestrielle, durant les mois de mars et de septembre, pour les eaux souterraines des piézomètres et les sources.
Tous les deux ans et pour la première fois lors de la 1ère campagne de surveillance, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramètres de surveillance afin de détecter l'évolution éventuelle des caractéristiques à l'émission du CET.
Les prélèvements et analyses sont réalisés par un laboratoire agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols.
Les conditions particulières peuvent, au vu de la spécificité de certains sites quant à la vitesse d'écoulement des eaux souterraines, modifier la fréquence des prélèvements et analyses, en respectant toutefois le minimum d'un prélèvement et d'une analyse par an.
Les conditions particulières peuvent, au vu de l'historique des résultats et de la caractérisation des déchets, modifier la liste des paramètres à analyser à l'exception des paramètres traceurs et des paramètres de terrain. Toutefois, la mesure d'un paramètre donné ne peut être abandonnée pendant une période de maximum six ans qu'à la condition que deux contrôles effectués à 6 mois d'intervalle donnent des résultats inférieurs aux valeurs de référence VR pour les eaux souterraines de l'annexe 1re du décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols ou, à défaut de valeurs de référence, :
- pour les paramètres de minéralisation et salinité : au P95 des aquifères mentionné au tableau de l'annexe 4B ;
- pour les autres paramètres : à la limite de quantification LOQ mentionnée au tableau de l'annexe 4B.
§ 3. Au cours de ce monitoring le dépassement d'un seuil de vigilance, tel que mesuré par le laboratoire agréé et confirmé, en cas de contestation de l'exploitant, par une analyse contradictoire effectuée dans deux autres laboratoires agréés, déclenche le démarrage d'un contrôle accru ciblé sur le problème détecté si le rapport entre les concentrations en aval et en amont est supérieur à trois.
Les modalités de ce contrôle (points de prélèvement, durée, fréquence, paramètres) sont établies en concertation avec le fonctionnaire chargé de la surveillance dans les 30 jours qui suivent la confirmation du dépassement.
§ 4. Si le contrôle accru démontre que le dépassement détecté n'est pas dû à une contamination endogène persistante et conclut à l'absence de risque, le monitoring de routine reprend tel qu'adapté au problème détecté.
Si le contrôle accru démontre l'existence d'une contamination endogène persistante ou est insuffisant pour conclure à l'absence de risque, le plan d'intervention est mis en oeuvre immédiatement et l'exploitant soumet à l'autorité compétente un plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines, dans un délai de trois mois à dater de la demande formulée par le fonctionnaire technique.
Art. 57. § 1er. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines comprend une étude de caractérisation et de délimitation du panache de contamination réalisée par un expert agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols. Il vise également à tenir compte du fond géochimique local et des éventuelles contaminations exogènes ou historiques.
§ 2. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines évalue les risques identifiés pour les récepteurs et, tenant compte de l'ensemble des spécificités locales ainsi caractérisées, il propose des extensions du réseau de surveillance, ainsi que les valeurs particulières de déclenchement pour les paramètres indiqués au tableau de l'annexe 4B, en tenant compte des formations hydrogéologiques spécifiques sur le site du CET. Il indique enfin les mesures correctives envisagées par l'exploitant en cas de franchissement de ces seuils.
§ 3. L'autorité compétente, sur avis du fonctionnaire technique, statue sur la validité du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines au plus tard 60 jours après réception de cet avis. Elle entérine les valeurs particulières de déclenchement, pour chaque piézomètre du réseau de surveillance et fixe le programme de mesures correctives.
§ 4. Si la valeur d'un seuil de déclenchement est dépassée, le programme des mesures correctives visant à ramener durablement les concentrations dans les eaux souterraines à des valeurs inférieures aux seuils de déclenchement est exécuté par l'exploitant.
Sous-section 5. - Rapport d'analyses
Art. 58. § 1er. Les résultats des analyses de contrôles et d'autocontrôles sont enregistrés sur support papier et informatisé et conservés au siège d'exploitation pendant cinq ans. Le fonctionnaire chargé de la surveillance en dispose dans les 24 heures de sa demande.
§ 2. Les certificats d'analyses requis en vertu du présent chapitre sont annexés au registre visé à l'article 25 du présent arrêté. Ils sont signés par le responsable du laboratoire agréé.
§ 3. Sur chaque certificat d'analyses, sont repris, pour chaque paramètre mesuré :
- les seuils de vigilance et de déclenchement des paramètres mentionnés à l'annexe 4B en ce qui concerne les eaux souterraines;
- les paramètres relatifs aux conditions de déversement fixées dans le permis en ce qui concerne les eaux usées industrielles;
- les normes de qualité environnementales en ce qui concerne les eaux de surface.
Art. 58bis. Tous les ans, un rapport est transmis par l'exploitant au fonctionnaire technique, au fonctionnaire chargé de la surveillance, au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau ainsi qu'aux bourgmestres des communes d'implantation du CET.
Ce rapport comporte à tout le moins :
1. les certificats des analyses visées aux articles 53 et 56 du présent arrêté;
2. les résultats des analyses regroupés sous la forme :
- d'un tableau de chiffres, reprenant les lieux et dates de prélèvement, les paramètres et, le cas échéant, les codes des paramètres de l'annexe 4B ainsi que les seuils de vigilance et de déclenchement;
- de graphiques reprenant systématiquement les résultats observés au cours des cinq dernières années.
Tous les six mois, la version informatisée de ce tableau est également transmise par voie électronique au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau;
3. les protocoles de prélèvement d'eau souterraine ainsi que les données enregistrées relatives à la fluctuation de la (des) nappe(s) phréatique(s), recueillies en fonction des prescriptions de l'article 45, § 1er, du présent arrêté;
4. les données enregistrées relatives au fonctionnement de la station d'épuration recueillies en fonction des prescriptions de l'article 55 du présent arrêté, notamment les volumes mensuels de lixiviats recueillis, sur la base des dispositifs mis en place par l'exploitant. Ces volumes mensuels sont représentés de manière cumulative sur des graphiques à l'échelle adéquate. ".
" Section 2. - Conditions de déversement
Sous-section 1re. - Conditions de déversement en eaux de surface ordinaires et voies artificielles d'écoulement
Art. 47. Les eaux usées industrielles rejetées en eaux de surface ordinaires ou en voies artificielles d'écoulement respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux déversées ne peut être supérieur à 10,5 ou inférieur à 6,5;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 30 °C;
3. la demande biochimique en oxygène en 5 jours à 20 °C et en présence d'allyle thio-urée des eaux déversées ne peut dépasser 90 mg d'oxygène par litre;
4. la demande chimique en oxygène (DCO) des eaux déversées ne peut excéder 300 mg par litre;
5. la teneur en matières en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 60 mg par litre;
6. la teneur en matières sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en indice hydrocarbures C10-C40 des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg par litre;
8. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 20 mg N/l du 1er mai au 31 octobre;
9. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 50 mg N/l du 1er novembre au 30 avril;
10. la teneur en phénol des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg par litre;
11. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 mg CN par litre;
12. la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg S par litre;
13. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
14. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
15. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
16. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2mg Ni par litre;
17. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
18. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
19. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
20. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
21. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
22. les eaux déversées ne peuvent contenir des huiles, des graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque;
23. les eaux déversées ne peuvent contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes Ire et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Sous-section 2. - Conditions de déversement en égouts publics
Art. 48. Les eaux usées industrielles rejetées en égouts publics respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux déversées ne peut être supérieur à 10,5 ou inférieur à 6;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 45 °C;
3. la teneur en matières en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 1 000 mg par litre;
4. les matières en suspension déversées ne peuvent, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de relèvement du réseau de collecte;
5. la dimension des matières en suspension ne peut excéder 10 mm;
6. la teneur en matières sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 200 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg CN par litre;
8. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
9. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
10. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
11. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2 mg Ni par litre;
12. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
13. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
14. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
15. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
16. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
17. la teneur en matières extractibles à l'éther de pétrole des eaux déversées ne peut dépasser 500 mg par litre;
18. les eaux déversées ne peuvent contenir des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
19. il est interdit de jeter ou déverser des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières;
20. la teneur en chlorures des eaux déversées ne peut excéder 2 000 mg par litre;
21. les eaux déversées ne peuvent, sans autorisation expresse, contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes I et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Art. 49. § 1er. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent déroger à la norme sur les chlorures (rejet en égouts) en fonction de conditions météorologiques exceptionnelles établies par l'Institut royal météorologique de Belgique.
§ 2. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent, sur base de l'historique des résultats des campagnes de mesures et au vu de la spécificité de l'établissement sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux déversées, modifier la liste des paramètres visés aux articles 47 et 48 si deux contrôles effectués à six mois d'intervalle donnent des résultats inférieurs aux seuils de pertinence définis à l'annexe 4C.
Section 3. - Contrôles, autocontrôle et surveillance
Sous-section 1re. - Méthodes d'analyse et d'échantillonnage
Art. 50. L'exploitant et le fonctionnaire chargé de la surveillance utilisent les méthodes de référence pour l'échantillonnage et l'analyse de tous les paramètres visés aux articles 47 à 49 établies par le Ministre.
Art. 51. La mesure d'un " métal total ", visée aux articles 47 et 48, se fait sur échantillon non filtré, acidifié à pH 2.
Les limites de quantification applicables lors des analyses sont précisées dans les tableaux figurant en annexes 4B et 4C.
Sous-section 2. - Prélèvements ponctuels
Art. 52. § 1er. Les dates et heures des prélèvements, requis en vertu des articles 53 et 56, sont communiquées par l'exploitant au moins cinq jours ouvrables à l'avance par message télécopié au :
- fonctionnaire technique;
- fonctionnaire chargé de la surveillance.
§ 2. Préalablement à la prise d'un échantillon d'eau souterraine, il est procédé, pour autant que la perméabilité de l'aquifère le permette, pendant au moins une heure et en tout cas jusqu'à stabilisation du niveau piézométrique et de la conductivité mesurée, à un pompage de la nappe à un débit adéquat.
§ 3. Sont repris sur chaque document faisant mention du prélèvement :
- la date, l'heure du prélèvement ainsi que le nom du préleveur;
- la référence et les coordonnées précises du point de prélèvement (X, Y en Lambert et Z nivellement national);
- toute observation particulière éventuelle.
Pour les prélèvements d'eaux souterraines, les éléments suivants sont également fournis :
- le niveau piézométrique;
- la profondeur à laquelle le prélèvement a été effectué;
- les variations du niveau relatif, du pH, de la température et de la conductivité au cours du pompage.
Sous-section 3. - Contrôle et autocontrôle des eaux usées industrielles, des eaux de surface et des lixiviats
Art. 53. § 1er. L'exploitant fait réaliser trimestriellement en phase d'exploitation et tous les six mois en phase de post-gestion, par un laboratoire agréé, des prélèvements d'échantillons et des analyses sur les lixiviats non traités, dans le bassin de collecte ou en amont immédiat de celui-ci.
Les analyses portent sur les paramètres de terrain repris à l'annexe 4B.
Tous les deux ans, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramètres de surveillance correspondant à la rubrique du CET repris à l'annexe 4B. Il est également procédé à une évaluation qualitative des composés organiques présents à l'aide d'un chromatographe en phase gazeuse couplé à un spectromètre de masse ou d'un dispositif équivalent ainsi qu'un screening des métaux par ICP.
§ 2. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélèvements d'échantillons et des analyses des eaux usées industrielles sur les paramètres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramètres de la conductivité, des matières en suspension, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramètres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganèse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramètres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzène, du naphtalène et des AOX;
- annuellement détermination de la toxicité après 48 h sur Pseudokirchneriella subcapitata, suivant la norme ISO 8692 Qualité de l'eau - Essai d'inhibition de la croissance des algues d'eau douce avec des algues vertes unicellulaires;
- annuellement : détermination de la toxicité à long terme vis-à-vis de Daphnia magna, basée sur la norme ISO 10706 (effet sur la reproduction et la mortalité en 21 j. ou méthode simplifiée en 14 j); ou détermination de l'inhibition de la mobilité de Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - Essai de toxicité aiguë, basée sur la norme ISO 6341.
Les conditions particulières précisent les tests applicables à l'établissement.
§ 3. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélèvements d'échantillons et analyses des eaux de surface en amont et en aval du rejet des eaux usées industrielles sur les paramètres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramètres de la conductivité, des MES, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramètres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganèse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramètres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzène, du naphtalène et des AOX;
- semestriellement, au mois de mars et septembre : Test IDL ou Indice Diatomique LECLERCQ.
§ 4. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, au vu de l'historique des résultats ou en raison de la spécificité de l'établissement sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux déversées, les conditions particulières peuvent modifier la liste des paramètres à analyser et la fréquence des prélèvements et analyses prévues aux §§ 1er à 3.
Art. 54. § 1er. A l'exception des établissements de classe 3 et de classe 5.3, l'exploitant réalise hebdomadairement des prélèvements d'échantillons et des analyses afin de s'assurer du respect des conditions de déversement des eaux usées visées aux articles 47 et 48 et du fonctionnement correct des installations d'épuration. Les analyses portent sur les paramètres de la DCO et de l'azote ammoniacal.
§ 2. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent, en raison de la spécificité de l'établissement, sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux déversées, modifier la liste des paramètres à analyser et la fréquence des prélèvements et analyses.
Art. 55. § 1er. Les eaux usées industrielles déversées sont évacuées par un dispositif de contrôle répondant aux exigences suivantes :
Pour les établissements de classe 3 et de classe 5.3 :
1. permettre le prélèvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélèvement d'échantillons des eaux déversées;
3. être facilement accessible sans formalité préalable;
4. être placé à un endroit offrant toute garantie quant à la quantité et la qualité des eaux;
Pour les autres établissements :
1. permettre le prélèvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélèvement d'échantillons des eaux déversées;
3. être facilement accessible sans formalité préalable;
4. être placé à un endroit offrant toute garantie quant à la quantité et la qualité des eaux;
5. indiquer en lecture directe, lors du contrôle des eaux déversées, la valeur du débit instantané exprimé en l/sec et/ou m3/h, du pH, de la conductivité, de la Température et de la DCO;
6. enregistrer de façon permanente la valeur du volume journalier exprimée en m3/j, du pH, de la température, de la DCO et de la conductivité et ceci à un pas de temps minimum d'heure par heure;
7. assurer le prélèvement automatique d'échantillons proportionnels au débit mesuré des eaux déversées pendant 24 heures et la conservation de ceux-ci pendant 48 heures.
§ 2. Sans préjudice de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d'exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particulières peuvent en raison de la spécificité de l'établissement, sur base de critères tels que le milieu récepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux déversées, modifier le dispositif de contrôle.
Sous-section 4. - Contrôle des eaux souterraines
Art. 56. § 1er. La surveillance des eaux souterraines est menée selon la procédure définie en annexe 4A.
Les paramètres traceurs et de surveillance sont repris dans le tableau figurant en annexe 4B.
Pour les CET de classes 5.1, 5.2 et 5.3, les paramètres à analyser sont fixés, en fonction de la spécificité du CET concerné, par les conditions particulières parmi les paramètres listés pour les CET de classe 1 ou 2.
§ 2. Un monitoring de routine sur les paramètres traceurs est mis en oeuvre avec une fréquence semestrielle, durant les mois de mars et de septembre, pour les eaux souterraines des piézomètres et les sources.
Tous les deux ans et pour la première fois lors de la 1ère campagne de surveillance, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramètres de surveillance afin de détecter l'évolution éventuelle des caractéristiques à l'émission du CET.
Les prélèvements et analyses sont réalisés par un laboratoire agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols.
Les conditions particulières peuvent, au vu de la spécificité de certains sites quant à la vitesse d'écoulement des eaux souterraines, modifier la fréquence des prélèvements et analyses, en respectant toutefois le minimum d'un prélèvement et d'une analyse par an.
Les conditions particulières peuvent, au vu de l'historique des résultats et de la caractérisation des déchets, modifier la liste des paramètres à analyser à l'exception des paramètres traceurs et des paramètres de terrain. Toutefois, la mesure d'un paramètre donné ne peut être abandonnée pendant une période de maximum six ans qu'à la condition que deux contrôles effectués à 6 mois d'intervalle donnent des résultats inférieurs aux valeurs de référence VR pour les eaux souterraines de l'annexe 1re du décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols ou, à défaut de valeurs de référence, :
- pour les paramètres de minéralisation et salinité : au P95 des aquifères mentionné au tableau de l'annexe 4B ;
- pour les autres paramètres : à la limite de quantification LOQ mentionnée au tableau de l'annexe 4B.
§ 3. Au cours de ce monitoring le dépassement d'un seuil de vigilance, tel que mesuré par le laboratoire agréé et confirmé, en cas de contestation de l'exploitant, par une analyse contradictoire effectuée dans deux autres laboratoires agréés, déclenche le démarrage d'un contrôle accru ciblé sur le problème détecté si le rapport entre les concentrations en aval et en amont est supérieur à trois.
Les modalités de ce contrôle (points de prélèvement, durée, fréquence, paramètres) sont établies en concertation avec le fonctionnaire chargé de la surveillance dans les 30 jours qui suivent la confirmation du dépassement.
§ 4. Si le contrôle accru démontre que le dépassement détecté n'est pas dû à une contamination endogène persistante et conclut à l'absence de risque, le monitoring de routine reprend tel qu'adapté au problème détecté.
Si le contrôle accru démontre l'existence d'une contamination endogène persistante ou est insuffisant pour conclure à l'absence de risque, le plan d'intervention est mis en oeuvre immédiatement et l'exploitant soumet à l'autorité compétente un plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines, dans un délai de trois mois à dater de la demande formulée par le fonctionnaire technique.
Art. 57. § 1er. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines comprend une étude de caractérisation et de délimitation du panache de contamination réalisée par un expert agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols. Il vise également à tenir compte du fond géochimique local et des éventuelles contaminations exogènes ou historiques.
§ 2. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines évalue les risques identifiés pour les récepteurs et, tenant compte de l'ensemble des spécificités locales ainsi caractérisées, il propose des extensions du réseau de surveillance, ainsi que les valeurs particulières de déclenchement pour les paramètres indiqués au tableau de l'annexe 4B, en tenant compte des formations hydrogéologiques spécifiques sur le site du CET. Il indique enfin les mesures correctives envisagées par l'exploitant en cas de franchissement de ces seuils.
§ 3. L'autorité compétente, sur avis du fonctionnaire technique, statue sur la validité du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines au plus tard 60 jours après réception de cet avis. Elle entérine les valeurs particulières de déclenchement, pour chaque piézomètre du réseau de surveillance et fixe le programme de mesures correctives.
§ 4. Si la valeur d'un seuil de déclenchement est dépassée, le programme des mesures correctives visant à ramener durablement les concentrations dans les eaux souterraines à des valeurs inférieures aux seuils de déclenchement est exécuté par l'exploitant.
Sous-section 5. - Rapport d'analyses
Art. 58. § 1er. Les résultats des analyses de contrôles et d'autocontrôles sont enregistrés sur support papier et informatisé et conservés au siège d'exploitation pendant cinq ans. Le fonctionnaire chargé de la surveillance en dispose dans les 24 heures de sa demande.
§ 2. Les certificats d'analyses requis en vertu du présent chapitre sont annexés au registre visé à l'article 25 du présent arrêté. Ils sont signés par le responsable du laboratoire agréé.
§ 3. Sur chaque certificat d'analyses, sont repris, pour chaque paramètre mesuré :
- les seuils de vigilance et de déclenchement des paramètres mentionnés à l'annexe 4B en ce qui concerne les eaux souterraines;
- les paramètres relatifs aux conditions de déversement fixées dans le permis en ce qui concerne les eaux usées industrielles;
- les normes de qualité environnementales en ce qui concerne les eaux de surface.
Art. 58bis. Tous les ans, un rapport est transmis par l'exploitant au fonctionnaire technique, au fonctionnaire chargé de la surveillance, au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau ainsi qu'aux bourgmestres des communes d'implantation du CET.
Ce rapport comporte à tout le moins :
1. les certificats des analyses visées aux articles 53 et 56 du présent arrêté;
2. les résultats des analyses regroupés sous la forme :
- d'un tableau de chiffres, reprenant les lieux et dates de prélèvement, les paramètres et, le cas échéant, les codes des paramètres de l'annexe 4B ainsi que les seuils de vigilance et de déclenchement;
- de graphiques reprenant systématiquement les résultats observés au cours des cinq dernières années.
Tous les six mois, la version informatisée de ce tableau est également transmise par voie électronique au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau;
3. les protocoles de prélèvement d'eau souterraine ainsi que les données enregistrées relatives à la fluctuation de la (des) nappe(s) phréatique(s), recueillies en fonction des prescriptions de l'article 45, § 1er, du présent arrêté;
4. les données enregistrées relatives au fonctionnement de la station d'épuration recueillies en fonction des prescriptions de l'article 55 du présent arrêté, notamment les volumes mensuels de lixiviats recueillis, sur la base des dispositifs mis en place par l'exploitant. Ces volumes mensuels sont représentés de manière cumulative sur des graphiques à l'échelle adéquate. ".
Art. 25. Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Gasbeheersing ".
Art. 25. L'intitulé de la section 1re du chapitre VI du même arrêté est remplacé par ce qui suit : " Maîtrise des gaz ".
Art. 26. Het opschrift van onderafdeling 1 van afdeling 1 van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Gasopvang ".
Art. 26. L'intitulé de la sous-section 1re de la section 1re du chapitre VI du même arrêté est remplacé par ce qui suit : " Récolte des gaz ".
Art. 27. In artikel 59 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de eerste zin van het eerste lid van § 1wordt aangevuld met de woorden " en zorgt voor de behandeling ervan ";
2° in § 1, lid 1, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
3° in § 1, lid 2, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
4° in § 1, lid 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen " en wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
5° in § 2, leden 1, 2 en 3, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
6° in § 3, lid 1, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ".
1° de eerste zin van het eerste lid van § 1wordt aangevuld met de woorden " en zorgt voor de behandeling ervan ";
2° in § 1, lid 1, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
3° in § 1, lid 2, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
4° in § 1, lid 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen " en wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
5° in § 2, leden 1, 2 en 3, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
6° in § 3, lid 1, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ".
Art. 27. A l'article 59 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, 1er alinéa, la première phrase est complétée par les mots " et assure le traitement de ceux-ci ";
2° au § 1er, 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
3° au § 1er, alinéa 2, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
4° au § 1er, alinéa 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables " et le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
5° au § 2, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
6° au § 3, alinéa 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
1° au § 1er, 1er alinéa, la première phrase est complétée par les mots " et assure le traitement de ceux-ci ";
2° au § 1er, 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
3° au § 1er, alinéa 2, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
4° au § 1er, alinéa 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables " et le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
5° au § 2, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
6° au § 3, alinéa 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
Art. 28. Het opschrift van onderafdeling 2 van afdeling 1 van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Karakterisering en beheersing van de gassen ".
Art. 28. L'intitulé de la sous-section 2 de la section 1re du chapitre VI du même arrêté est remplacé par ce qui suit : " Caractérisation et gestion des gaz ".
Art. 29. In artikel 60 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " biogas " wordt vervangen door het woord " gas ";
2° in § 2, lid 3, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
3° in § 4 wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas " en wordt de laatste volzin opgeheven;
4° in § 5, leden 1, 2 en 3, wordt het woorddeel " biogas " vervangen door het woorddeel " gas ".
1° het woord " biogas " wordt vervangen door het woord " gas ";
2° in § 2, lid 3, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
3° in § 4 wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas " en wordt de laatste volzin opgeheven;
4° in § 5, leden 1, 2 en 3, wordt het woorddeel " biogas " vervangen door het woorddeel " gas ".
Art. 29. A l'article 60 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
2° au § 2, alinéa 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
3° au § 4, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz " et la dernière phrase est abrogée;
4° au § 5, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
1° au § 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
2° au § 2, alinéa 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
3° au § 4, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz " et la dernière phrase est abrogée;
4° au § 5, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
Art. 30. In artikel 61 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " van biogasopvang " vervangen door de woorden " voor de opvang en de behandeling van de gassen ";
2° in §§ 2 en 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
1° in § 1 worden de woorden " van biogasopvang " vervangen door de woorden " voor de opvang en de behandeling van de gassen ";
2° in §§ 2 en 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
Art. 30. A l'article 61 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, les mots " de collecte du biogaz " sont remplacés par les mots " de collecte et de traitement des gaz ";
2° aux §§ 2 et 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ".
1° au § 1er, les mots " de collecte du biogaz " sont remplacés par les mots " de collecte et de traitement des gaz ";
2° aux §§ 2 et 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ".
Art. 31. Artikel 68 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 31. L'article 68 du même arrêté est abrogé.
Art. 32. Het opschrift van hoofdstuk VII van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Zekerheden, verzekeringen en tariefregels ".
Art. 32. L'intitulé du chapitre VII du même arrêté est remplacé par ce qui suit : " Sûretés, assurances et règles tarifaires ".
Art. 33. In artikel 69 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt opgeheven;
2° in § 3, die § 2 wordt, worden de woorden " met name die bedoeld in § 4 " aangevuld met woorden " van artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning ";
3° volgende paragrafen worden toegevoegd :
" § 3. De berekeningswijze van de zekerheid wordt omstandig omschreven in de tabellen opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit.
In functie van de specifieke kenmerken van het overwogen technisch ingravingscentrum legt de exploitant zijn berekening voor aan de technisch ambtenaar in het kader van zijn aanvraag voor een milieuvergunning.
De exploitant mag voorstellen om af te wijken van het gebruik van de bedragen vermeld in de tabellen afgebeeld in bijlage 5 als hij de technisch ambtenaar een bestek voorlegt voor de werkzaamheden die in dat verband vereist zijn :
a) interventies bij ongevallen of verontreiniging;
b) herstel van de site in oorspronkelijke staat na uitbating ervan;
c) nabeheer.
Om dat bestek te bekomen wordt er een beroep gedaan op aannemers of maatschappijen die voldoende ervaring kunnen voorleggen in het overwogen activiteitsdomein. Daarvan worden bewijzen overgemaakt aan de technisch ambtenaar.
§ 4. De eenheidsprijs vermeld in de tabellen in bijlage 5 bij dit besluit zijn de prijzen voor het jaar 2007. Bijgevolg wordt het bedrag van de zekerheid (S) aangepast op de verjaardag (spildatum) van de milieuvergunning, met volgende formule :
1° § 2 wordt opgeheven;
2° in § 3, die § 2 wordt, worden de woorden " met name die bedoeld in § 4 " aangevuld met woorden " van artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning ";
3° volgende paragrafen worden toegevoegd :
" § 3. De berekeningswijze van de zekerheid wordt omstandig omschreven in de tabellen opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit.
In functie van de specifieke kenmerken van het overwogen technisch ingravingscentrum legt de exploitant zijn berekening voor aan de technisch ambtenaar in het kader van zijn aanvraag voor een milieuvergunning.
De exploitant mag voorstellen om af te wijken van het gebruik van de bedragen vermeld in de tabellen afgebeeld in bijlage 5 als hij de technisch ambtenaar een bestek voorlegt voor de werkzaamheden die in dat verband vereist zijn :
a) interventies bij ongevallen of verontreiniging;
b) herstel van de site in oorspronkelijke staat na uitbating ervan;
c) nabeheer.
Om dat bestek te bekomen wordt er een beroep gedaan op aannemers of maatschappijen die voldoende ervaring kunnen voorleggen in het overwogen activiteitsdomein. Daarvan worden bewijzen overgemaakt aan de technisch ambtenaar.
§ 4. De eenheidsprijs vermeld in de tabellen in bijlage 5 bij dit besluit zijn de prijzen voor het jaar 2007. Bijgevolg wordt het bedrag van de zekerheid (S) aangepast op de verjaardag (spildatum) van de milieuvergunning, met volgende formule :
Art. 33. A l'article 69 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2 est abrogé;
2° au § 3, qui devient le § 2, les mots " notamment ceux prévus au § 4 ", sont complétés par les mots " de l'article 55 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ";
3° les paragraphes suivants sont ajoutés :
" § 3. Le mode de calcul de la sûreté est détaillé dans les tableaux figurant en annexe 5 du présent arrêté.
En fonction des spécificités du CET considéré, l'exploitant soumet son calcul au fonctionnaire technique dans le cadre de sa demande de permis d'environnement.
L'exploitant peut proposer de déroger à l'utilisation des montants mentionnés dans les tableaux présentés en annexe 5 s'il fournit au fonctionnaire technique un devis des travaux requis dans le cadre :
a) des interventions en cas d'accident ou de pollution;
b) de la remise en état du site après exploitation;
c) de la post-gestion.
Pour obtenir ce devis, il fait appel à des entrepreneurs ou sociétés pouvant se prévaloir d'une expérience suffisante dans le domaine d'activités considéré. Il en fournit les preuves au fonctionnaire technique.
§ 4.Les prix unitaires repris dans les tableaux en annexe 5 du présent arrêté sont les prix de l'année 2007. Dès lors, le montant de la sûreté (S) est ajusté à la date anniversaire (date pivot) du permis d'environnement selon la formule suivante :
1° le § 2 est abrogé;
2° au § 3, qui devient le § 2, les mots " notamment ceux prévus au § 4 ", sont complétés par les mots " de l'article 55 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ";
3° les paragraphes suivants sont ajoutés :
" § 3. Le mode de calcul de la sûreté est détaillé dans les tableaux figurant en annexe 5 du présent arrêté.
En fonction des spécificités du CET considéré, l'exploitant soumet son calcul au fonctionnaire technique dans le cadre de sa demande de permis d'environnement.
L'exploitant peut proposer de déroger à l'utilisation des montants mentionnés dans les tableaux présentés en annexe 5 s'il fournit au fonctionnaire technique un devis des travaux requis dans le cadre :
a) des interventions en cas d'accident ou de pollution;
b) de la remise en état du site après exploitation;
c) de la post-gestion.
Pour obtenir ce devis, il fait appel à des entrepreneurs ou sociétés pouvant se prévaloir d'une expérience suffisante dans le domaine d'activités considéré. Il en fournit les preuves au fonctionnaire technique.
§ 4.Les prix unitaires repris dans les tableaux en annexe 5 du présent arrêté sont les prix de l'année 2007. Dès lors, le montant de la sûreté (S) est ajusté à la date anniversaire (date pivot) du permis d'environnement selon la formule suivante :
| Indice des prix à la consommation à la date pivot | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| S (aangepast) = S X | Modifications</td></tr><tr><td valign="top"> </td><td valign="top">Indice des prix à la consommation au 1er janvier 2007</td></tr></table>Indice des prix à la consommation à la date pivotS (aangepast) = S X-------------------------------------------------------------------------------------Indice des prix à la consommation au 1er janvier 2007
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||