Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de wet : de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
2° de Controledienst : de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, zoals bedoeld in artikel 49 van de wet;
3° de Minister : de Minister bevoegd voor Sociale Zaken.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
12 OKTOBER 2010. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 68, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-11-2010 en tekstbijwerking tot 23-04-2024)
Titre
12 OCTOBRE 2010. - Arrêté royal portant exécution de l'article 68, alinéa 2, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-11-2010 et mise à jour au 23-04-2024)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° la loi : la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
2° l'Office de contrôle : l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, tel que visé à l'article 49 de la loi;
3° le Ministre : le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions.
1° la loi : la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
2° l'Office de contrôle : l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, tel que visé à l'article 49 de la loi;
3° le Ministre : le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions.
Art. 2. § 1. Het beroep bedoeld in artikel 68 van de wet dient, op straffe van verval, ingediend te worden onder een ter post aangetekende omslag [1 of elektronisch]1 binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van de betwiste beslissing.
Dit beroep kan pas 15 dagen nadat de verzoeker de Raad van de Controledienst tevergeefs heeft verzocht, met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, om de betwiste beslissing in te trekken of te wijzigen, worden ingesteld.
De verzoeker is er echter niet toe gehouden de indiening van zijn beroep uit te stellen indien de Controledienst te kennen heeft gegeven dat hij zijn beslissing wenst uit te voeren niettegenstaande enig verzoek tot intrekking of wijziging ervan.
De termijn voor het instellen van beroep als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd met dertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aangetekende brief waarin om de intrekking of de wijziging van de betwiste beslissing wordt verzocht, voor zover die brief verzonden is vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Wanneer een beroep bedoeld in artikel 68 van de wet ingediend wordt tegen de Controledienst omdat deze geen uitspraak heeft gedaan binnen de door of krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen vastgestelde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, ingediend worden onder een ter post aangetekende omslag [1 of elektronisch]1 binnen de vijftien dagen na afloop van die termijn. Zo :
moet het beroep, wanneer door de Controledienst, naar aanleiding van een vraag tot erkenning, geen beslissing is genomen binnen de vier maanden nadat hij alle vereiste informatie en documenten tot staving van een dergelijke vraag heeft ontvangen, hetgeen in toepassing van artikel 4 van de voornoemde wet van 9 juli 1975, gelijkgesteld wordt met een beslissing tot weigering van erkenning bedoeld in artikel 3 van deze wet en artikel 68, eerste lid, 2°, a), van de wet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de vijftien dagen na afloop van voornoemde termijn;
moet het beroep, bedoeld in artikel 68, eerste lid, 2°, f), van de wet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de vijftien dagen na afloop van de termijn van zes weken bedoeld in artikel 51 van de voornoemde wet van 9 juli 1975.
§ 3. De zaak wordt bij de Raad van State aanhangig gemaakt door een verzoekschrift getekend door de verzoekende partij of, indien de verzoekende partij een rechtspersoon is, door de persoon of personen die wettelijk of statutair gemachtigd zijn om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen, of door een op de tabel van de Orde der advocaten of op de lijst van de stagiairs ingeschreven advocaat, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door een onderdaan van een lid-Staat van de Europese Unie die gerechtigd is het beroep van advocaat uit te oefenen. Het verzoekschrift wordt onder een ter post aangetekende omslag gericht aan de Raad van State samen met vier gewaarmerkte afschriften [1 , tenzij gebruik wordt gemaakt van de elektronische procedure,]1 en met een afschrift van de beslissing, waartegen beroep aangetekend wordt. Bij het verzoekschrift wordt een lijst van de stavingsstukken gevoegd samen met vier gewaarmerkte afschriften [1 , tenzij gebruik wordt gemaakt van de elektronische procedure]1.
Dit beroep kan pas 15 dagen nadat de verzoeker de Raad van de Controledienst tevergeefs heeft verzocht, met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, om de betwiste beslissing in te trekken of te wijzigen, worden ingesteld.
De verzoeker is er echter niet toe gehouden de indiening van zijn beroep uit te stellen indien de Controledienst te kennen heeft gegeven dat hij zijn beslissing wenst uit te voeren niettegenstaande enig verzoek tot intrekking of wijziging ervan.
De termijn voor het instellen van beroep als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd met dertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aangetekende brief waarin om de intrekking of de wijziging van de betwiste beslissing wordt verzocht, voor zover die brief verzonden is vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Wanneer een beroep bedoeld in artikel 68 van de wet ingediend wordt tegen de Controledienst omdat deze geen uitspraak heeft gedaan binnen de door of krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen vastgestelde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, ingediend worden onder een ter post aangetekende omslag [1 of elektronisch]1 binnen de vijftien dagen na afloop van die termijn. Zo :
moet het beroep, wanneer door de Controledienst, naar aanleiding van een vraag tot erkenning, geen beslissing is genomen binnen de vier maanden nadat hij alle vereiste informatie en documenten tot staving van een dergelijke vraag heeft ontvangen, hetgeen in toepassing van artikel 4 van de voornoemde wet van 9 juli 1975, gelijkgesteld wordt met een beslissing tot weigering van erkenning bedoeld in artikel 3 van deze wet en artikel 68, eerste lid, 2°, a), van de wet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de vijftien dagen na afloop van voornoemde termijn;
moet het beroep, bedoeld in artikel 68, eerste lid, 2°, f), van de wet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de vijftien dagen na afloop van de termijn van zes weken bedoeld in artikel 51 van de voornoemde wet van 9 juli 1975.
§ 3. De zaak wordt bij de Raad van State aanhangig gemaakt door een verzoekschrift getekend door de verzoekende partij of, indien de verzoekende partij een rechtspersoon is, door de persoon of personen die wettelijk of statutair gemachtigd zijn om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen, of door een op de tabel van de Orde der advocaten of op de lijst van de stagiairs ingeschreven advocaat, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door een onderdaan van een lid-Staat van de Europese Unie die gerechtigd is het beroep van advocaat uit te oefenen. Het verzoekschrift wordt onder een ter post aangetekende omslag gericht aan de Raad van State samen met vier gewaarmerkte afschriften [1 , tenzij gebruik wordt gemaakt van de elektronische procedure,]1 en met een afschrift van de beslissing, waartegen beroep aangetekend wordt. Bij het verzoekschrift wordt een lijst van de stavingsstukken gevoegd samen met vier gewaarmerkte afschriften [1 , tenzij gebruik wordt gemaakt van de elektronische procedure]1.
Modifications
Art. 2. § 1er. Le recours visé à l'article 68 de la loi doit, à peine de déchéance, être introduit sous pli recommandé à la poste [1 ou par voie électronique]1 dans les quinze jours de la notification de la décision incriminée.
Ce recours ne peut toutefois être introduit que 15 jours après que le demandeur a sollicité du Conseil de l'Office de contrôle, par lettre recommandée avec accusé de réception, le retrait ou la modification de la décision incriminée, sans qu'il soit satisfait à sa demande.
Le demandeur n'est toutefois pas tenu de retarder l'introduction de son recours si l'Office de contrôle a fait savoir qu'il entendait procéder à l'exécution de sa décision nonobstant une quelconque sollicitation de son retrait ou de sa modification.
Le délai de recours visé à l'alinéa 1er est prolongé de trente jours à compter de la date d'envoi de la lettre recommandée sollicitant le retrait ou la modification de la décision incriminée, pour autant que cette lettre soit adressée avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er.
§ 2. Lorsqu'un recours visé à l'article 68 de la loi est introduit à l'encontre de l'Office de contrôle car celui-ci n'a pas statué dans le délai fixé par ou en vertu de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, le recours doit, à peine de déchéance, être introduit sous pli recommandé à la poste [1 ou par voie électronique]1 dans les quinze jours de l'échéance du délai en question. Ainsi :
lorsqu'il n'a pas été statué, à propos d'une demande d'agrément, dans les quatre mois de la réception, par l'Office de contrôle, de tous les renseignements et documents requis à l'appui d'une telle demande, ce qui, en application de l'article 4 de la loi du 9 juillet 1975 précitée, équivaut à une décision de refus d'agrément visée à l'article 3 de ladite loi et à l'article 68 alinéa 1er, 2°, a), de la loi, le recours doit, à peine de déchéance, être introduit dans les quinze jours de l'échéance du délai précité;
le recours prévu à l'article 68, alinéa 1er, 2°, f), de la loi, doit, à peine de déchéance, être introduit dans les quinze jours de l'échéance du délai de six semaines prévu à l'article 51 de la loi du 9 juillet 1975 précitée.
§ 3. Le Conseil d'Etat est saisi par une requête signée par le requérant ou, si le requérant est une personne morale, par la ou les personnes habilitées légalement ou statutairement à la représenter en justice ou par un avocat inscrit au tableau de l'Ordre des avocats ou sur la liste des stagiaires, ainsi que, selon les dispositions du Code judiciaire, par un ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne qui est habilité à exercer la profession d'avocat. La requête est adressée au Conseil d'Etat sous pli recommandé à la poste, accompagnée de quatre copies certifiées conformes [1 , sauf en cas de recours à la procédure électronique,]1 et d'une copie de la décision contre laquelle il est fait recours. A la requête est joint un inventaire des pièces à l'appui, accompagné de quatre copies certifiées conformes [1 , sauf en cas de recours à la procédure électronique]1.
Ce recours ne peut toutefois être introduit que 15 jours après que le demandeur a sollicité du Conseil de l'Office de contrôle, par lettre recommandée avec accusé de réception, le retrait ou la modification de la décision incriminée, sans qu'il soit satisfait à sa demande.
Le demandeur n'est toutefois pas tenu de retarder l'introduction de son recours si l'Office de contrôle a fait savoir qu'il entendait procéder à l'exécution de sa décision nonobstant une quelconque sollicitation de son retrait ou de sa modification.
Le délai de recours visé à l'alinéa 1er est prolongé de trente jours à compter de la date d'envoi de la lettre recommandée sollicitant le retrait ou la modification de la décision incriminée, pour autant que cette lettre soit adressée avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er.
§ 2. Lorsqu'un recours visé à l'article 68 de la loi est introduit à l'encontre de l'Office de contrôle car celui-ci n'a pas statué dans le délai fixé par ou en vertu de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, le recours doit, à peine de déchéance, être introduit sous pli recommandé à la poste [1 ou par voie électronique]1 dans les quinze jours de l'échéance du délai en question. Ainsi :
lorsqu'il n'a pas été statué, à propos d'une demande d'agrément, dans les quatre mois de la réception, par l'Office de contrôle, de tous les renseignements et documents requis à l'appui d'une telle demande, ce qui, en application de l'article 4 de la loi du 9 juillet 1975 précitée, équivaut à une décision de refus d'agrément visée à l'article 3 de ladite loi et à l'article 68 alinéa 1er, 2°, a), de la loi, le recours doit, à peine de déchéance, être introduit dans les quinze jours de l'échéance du délai précité;
le recours prévu à l'article 68, alinéa 1er, 2°, f), de la loi, doit, à peine de déchéance, être introduit dans les quinze jours de l'échéance du délai de six semaines prévu à l'article 51 de la loi du 9 juillet 1975 précitée.
§ 3. Le Conseil d'Etat est saisi par une requête signée par le requérant ou, si le requérant est une personne morale, par la ou les personnes habilitées légalement ou statutairement à la représenter en justice ou par un avocat inscrit au tableau de l'Ordre des avocats ou sur la liste des stagiaires, ainsi que, selon les dispositions du Code judiciaire, par un ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne qui est habilité à exercer la profession d'avocat. La requête est adressée au Conseil d'Etat sous pli recommandé à la poste, accompagnée de quatre copies certifiées conformes [1 , sauf en cas de recours à la procédure électronique,]1 et d'une copie de la décision contre laquelle il est fait recours. A la requête est joint un inventaire des pièces à l'appui, accompagné de quatre copies certifiées conformes [1 , sauf en cas de recours à la procédure électronique]1.
Modifications
Art. 3. § 1. Binnen de drie dagen na de ontvangst van het verzoekschrift maakt de griffier [3 ...]3 aan de Minister en de Controledienst, een afschrift over van elk verzoekschrift dat overeenkomstig artikel 2 wordt ingediend.
§ 2. Binnen de dertig dagen na de ontvangst van dit afschrift maakt de Minister of de Controledienst een memorie van antwoord en het administratief dossier over aan de griffie van de Raad van State.
§ 3. Binnen de drie maanden na de ontvangst van de memorie overgemaakt door de Minister of de Controledienst maakt het lid van het auditoraat zijn verslag op.
§ 4. Indien de kamer, binnen de zes maanden na het indienen van het verzoekschrift en na inzage van het verslag over de stand van de zaak, oordeelt dat de zaak in staat van wijzen is, bepaalt de voorzitter de datum waarop ze zal opgeroepen worden. Indien de kamer van oordeel is dat nieuwe opdrachten moeten bevolen worden, wijst ze hiervoor een Staatsraad of een lid van het auditoraat aan, die binnen een maand na zijn aanwijzing een aanvullend verslag opmaakt. Dit verslag wordt gedagtekend, ondertekend en aan de griffie bezorgd.
De beschikking waarbij de zaak wordt vastgesteld of voor nader onderzoek verwezen, wordt binnen een maand na de neerlegging van het verslag gegeven.
De beschikking waarbij de zaak wordt vastgesteld, wordt, samen met de verslagen, aan de Minister, aan de Controledienst en aan de verzoeker ter kennis gebracht. De beschikking stelt de zaak binnen de maand vast.
§ 5. Het arrest moet binnen de drie maanden na de sluiting van de debatten worden gewezen. Deze termijn kan bij beschikking van de kamer worden verlengd, na advies van de auditeur-generaal, zonder dat de totale duur der verlengingen meer dan één maand mag bedragen.
§ 6. Het arrest wordt aan de Minister, aan de Controledienst en aan de verzoeker ter kennis gebracht.
§ 7. Op de door dit besluit geregelde rechtspleging zijn van toepassing de artikelen 2, § 1, 1° tot 3°, 3, 3bis, 5, 12, 16, 17, 20 tot 25, 27, 29, 34 tot 37, 40 tot 53, 55 tot 60, [1 62 à 77]1, 84 [2 , 84/1]2, [3 85bis,]3 86 tot 88, 91 en 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
§ 2. Binnen de dertig dagen na de ontvangst van dit afschrift maakt de Minister of de Controledienst een memorie van antwoord en het administratief dossier over aan de griffie van de Raad van State.
§ 3. Binnen de drie maanden na de ontvangst van de memorie overgemaakt door de Minister of de Controledienst maakt het lid van het auditoraat zijn verslag op.
§ 4. Indien de kamer, binnen de zes maanden na het indienen van het verzoekschrift en na inzage van het verslag over de stand van de zaak, oordeelt dat de zaak in staat van wijzen is, bepaalt de voorzitter de datum waarop ze zal opgeroepen worden. Indien de kamer van oordeel is dat nieuwe opdrachten moeten bevolen worden, wijst ze hiervoor een Staatsraad of een lid van het auditoraat aan, die binnen een maand na zijn aanwijzing een aanvullend verslag opmaakt. Dit verslag wordt gedagtekend, ondertekend en aan de griffie bezorgd.
De beschikking waarbij de zaak wordt vastgesteld of voor nader onderzoek verwezen, wordt binnen een maand na de neerlegging van het verslag gegeven.
De beschikking waarbij de zaak wordt vastgesteld, wordt, samen met de verslagen, aan de Minister, aan de Controledienst en aan de verzoeker ter kennis gebracht. De beschikking stelt de zaak binnen de maand vast.
§ 5. Het arrest moet binnen de drie maanden na de sluiting van de debatten worden gewezen. Deze termijn kan bij beschikking van de kamer worden verlengd, na advies van de auditeur-generaal, zonder dat de totale duur der verlengingen meer dan één maand mag bedragen.
§ 6. Het arrest wordt aan de Minister, aan de Controledienst en aan de verzoeker ter kennis gebracht.
§ 7. Op de door dit besluit geregelde rechtspleging zijn van toepassing de artikelen 2, § 1, 1° tot 3°, 3, 3bis, 5, 12, 16, 17, 20 tot 25, 27, 29, 34 tot 37, 40 tot 53, 55 tot 60, [1 62 à 77]1, 84 [2 , 84/1]2, [3 85bis,]3 86 tot 88, 91 en 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Art. 3. § 1er. Dans les trois jours de la réception de la requête, le greffier transmet au Ministre et à l'Office de contrôle [3 ...]3 une copie de toute requête introduite conformément à l'article 2.
§ 2. Dans les trente jours de la réception de cette copie, le Ministre ou l'Office de contrôle transmet au greffe du Conseil d'Etat un mémoire en réponse ainsi que le dossier administratif.
§ 3. Le membre de l'auditorat établit son rapport dans les trois mois de la réception du mémoire transmis par le Ministre ou l'Office de contrôle.
§ 4. Si, dans les six mois de l'introduction de la requête, la chambre, au vu du rapport sur l'état de l'affaire, estime que l'affaire est en état, le président fixe la date à laquelle elle est appelée. Si la chambre estime qu'il y a lieu d'ordonner des devoirs nouveaux, elle désigne pour y procéder un conseiller d'Etat ou un membre de l'auditorat qui rédige, dans le mois de sa désignation, un rapport complémentaire. Ce rapport est daté, signé et transmis au greffe.
L'ordonnance fixant l'affaire ou la renvoyant à l'instruction intervient dans le mois du dépôt du rapport.
L'ordonnance fixant l'affaire, accompagnée des rapports, est notifiée au Ministre, à l'Office de contrôle et au requérant. Elle contient fixation de l'affaire dans le mois.
§ 5. L'arrêt doit intervenir dans les trois mois de la clôture des débats. Ce délai peut être prorogé par ordonnance de la chambre, après avis de l'auditeur général, sans que la durée totale des prorogations puisse excéder un mois.
§ 6. L'arrêt est notifié au Ministre, à l'Office de contrôle et au requérant.
§ 7. Sont applicables à la procédure réglée par le présent arrêté, les articles 2, § 1er, 1° à 3°, 3, 3bis, 5, 12, 16, 17, 20 à 25, 27, 29, 34 à 37, 40 à 53, 55 à 60, [1 62 à 77]1, 84 [2 , 84/1]2, [3 85bis,]3 86 à 88, 91 et 93 de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat.
§ 2. Dans les trente jours de la réception de cette copie, le Ministre ou l'Office de contrôle transmet au greffe du Conseil d'Etat un mémoire en réponse ainsi que le dossier administratif.
§ 3. Le membre de l'auditorat établit son rapport dans les trois mois de la réception du mémoire transmis par le Ministre ou l'Office de contrôle.
§ 4. Si, dans les six mois de l'introduction de la requête, la chambre, au vu du rapport sur l'état de l'affaire, estime que l'affaire est en état, le président fixe la date à laquelle elle est appelée. Si la chambre estime qu'il y a lieu d'ordonner des devoirs nouveaux, elle désigne pour y procéder un conseiller d'Etat ou un membre de l'auditorat qui rédige, dans le mois de sa désignation, un rapport complémentaire. Ce rapport est daté, signé et transmis au greffe.
L'ordonnance fixant l'affaire ou la renvoyant à l'instruction intervient dans le mois du dépôt du rapport.
L'ordonnance fixant l'affaire, accompagnée des rapports, est notifiée au Ministre, à l'Office de contrôle et au requérant. Elle contient fixation de l'affaire dans le mois.
§ 5. L'arrêt doit intervenir dans les trois mois de la clôture des débats. Ce délai peut être prorogé par ordonnance de la chambre, après avis de l'auditeur général, sans que la durée totale des prorogations puisse excéder un mois.
§ 6. L'arrêt est notifié au Ministre, à l'Office de contrôle et au requérant.
§ 7. Sont applicables à la procédure réglée par le présent arrêté, les articles 2, § 1er, 1° à 3°, 3, 3bis, 5, 12, 16, 17, 20 à 25, 27, 29, 34 à 37, 40 à 53, 55 à 60, [1 62 à 77]1, 84 [2 , 84/1]2, [3 85bis,]3 86 à 88, 91 et 93 de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat.
Art. 4. Het koninklijk besluit van 30 september 1992 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 68 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen wordt opgeheven.
Art. 4. L'arrêté royal du 30 septembre 1992 déterminant la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat, en cas de recours prévu par l'article 68 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités est abrogé.
Art. 5. Dit besluit is van toepassing op de beroepen ingediend vanaf zijn inwerkingtreding.
Art. 5. Le présent arrêté s'applique aux recours introduits à dater de son entrée en vigueur.
Art. 6. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 6. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 7. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui les concerne, de l'exécution du présent arrêté.