Artikel 1. - Terminologie Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder :
a) " opbrengst " enig economisch voordeel dat rechtstreeks of onrechtstreeks is verkregen uit het plegen van een strafbaar feit, dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks is verkregen tijdens het plegen ervan. Dit voordeel kan bestaan uit enig voorwerp zoals omschreven in lid b van dit artikel;
b) " voorwerp " enig voorwerp ongeacht de aard ervan, lichamelijk of niet-lichamelijk, roerend of onroerend, alsmede de wettelijke stukken of instrumenten waaruit een titel of een recht op het voorwerp blijkt;
c) " hulpmiddelen " alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om een of meer strafbare feiten te plegen;
d) " confiscatie " een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met een of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over het voorwerp;
e) " basisdelict " enig strafbaar feit waaruit opbrengsten zijn voortgekomen die het onderwerp kunnen worden van een strafbaar feit zoals omschreven in artikel 9 van deze Overeenkomst;
f) " cel financiële inlichtingen " een centrale nationale eenheid belast met het ontvangen (en voor zover hij daartoe het recht heeft, het vragen), het analyseren en het doorsturen van de aangiften van financiële inlichtingen aan de bevoegde autoriteiten :
i) betreffende vermogens waarvan wordt aangenomen dat zij opbrengsten of voorwerpen zijn die dienen voor de financiering van het terrorisme,
ii) vereist krachtens de nationale wetgeving of regelgeving,
teneinde het witwassen en de financiering van het terrorisme te bestrijden;
g) " bevriezing " of " inbeslagneming " het tijdelijk verbod van de overdracht, vernietiging, omzetting, vervreemding of verplaatsing van voorwerpen of het tijdelijk in bewaring nemen of onder toezicht plaatsen van voorwerpen op grond van een beslissing van een rechter of van een andere bevoegde autoriteit;
h) " financiering van het terrorisme " de handelingen omschreven in artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 MEI 2005. - Overeenkomst van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van het terrorisme
Titre
16 MAI 2005. - Convention du Conseil de l'Europe relative au blanchiment, au dépistage, à la saisie et à la confiscation des produits du crime et au financement du terrorisme,
Informations sur le document
Numac: 2009A15119
Datum: 2005-05-16
Info du document
Numac: 2009A15119
Date: 2005-05-16
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Terminologie
HOOFDSTUK II. - Financiering van het terrorisme
HOOFDSTUK III. - Op nationaal niveau te nemen m...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2 - Cel financiële inlichtingen en pre...
HOOFDSTUK IV. - Internationale samenwerking
Afdeling 1. - Beginselen inzake internationale ...
Afdeling 2. - Rechtshulp ten behoeve van onderz...
Afdeling 3. - Voorlopige maatregelen
Afdeling 4. - Confiscatie
Afdeling 5. - Weigering en uitstel van de samen...
Afdeling 6. - Betekening en bescherming van rec...
Afdeling 7 - Procedureregels en andere algemene...
HOOFDSTUK V. - Samenwerking tussen de cellen fi...
HOOFDSTUK VI. - Voortgangscontrole op de uitvoe...
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Terminologie
CHAPITRE II. - Financement du terrorisme
CHAPITRE III. - Mesures à prendre au niveau nat...
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Cellule de renseignement financier...
CHAPITRE IV. - Coopération internationale
Section 1re. - Principes de coopération interna...
Section 2. - Entraide aux fins d'investigations
Section 3. - Mesures provisoires
Section 4. - Confiscation
Section 5. - Refus et ajournement de la coopéra...
Section 6. - Notification et protection des dro...
Section 7. - Procédure et autres règles générales
CHAPITRE V. - Coopération entre les cellules de...
CHAPITRE VI. - Suivi de la mise en oeuvre et rè...
CHAPITRE VII. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (75)
Texte (75)
HOOFDSTUK I. - Terminologie
CHAPITRE Ier. - Terminologie
Article 1er. - Terminologie Aux fins de la présente Convention, l'expression :
a) " produit " désigne tout avantage économique provenant directement ou indirectement de la commission d'une infraction pénale ou obtenu directement ou indirectement en la commettant. Cet avantage peut consister en tout bien tel que défini à l'alinéa b du présent article;
b) " bien " comprend un bien de toute nature, qu'il soit corporel ou incorporel, meuble ou immeuble, ainsi que les actes juridiques ou documents attestant d'un titre ou d'un droit sur le bien;
c) " instruments " désigne tous biens employés ou destinés à être employés de quelque façon que ce soit, en tout ou en partie, pour commettre une ou des infractions pénales;
d) " confiscation " désigne une peine ou une mesure ordonnée par un tribunal à la suite d'une procédure portant sur une ou des infractions pénales, peine ou mesure aboutissant à la privation permanente du bien;
e) " infraction principale " désigne toute infraction pénale à la suite de laquelle des produits sont générés et susceptibles de devenir l'objet d'une infraction selon l'article 9 de la présente Convention;
f) " cellule de renseignement financier " désigne une unité nationale centrale chargée de recevoir (et, dans la mesure où elle en a le droit, de demander), d'analyser et de transmettre aux autorités compétentes les déclarations d'informations financières :
i) concernant des avoirs suspectés d'être des produits ou des biens servant au financement du terrorisme, ou
ii) requises par la législation ou par la réglementation nationale,
afin de lutter contre le blanchiment et le financement du terrorisme;
g) " gel " ou " saisie " désigne l'interdiction temporaire du transfert, de la destruction, de la conversion, de la disposition ou du mouvement de biens ou le fait d'assumer temporairement la garde ou le contrôle de biens, sur décision d'un tribunal ou d'une autre autorité compétente;
h) " financement du terrorisme " désigne les agissements définis à l'article 2 de la Convention internationale pour la répression du financement du terrorisme susmentionnée.
a) " produit " désigne tout avantage économique provenant directement ou indirectement de la commission d'une infraction pénale ou obtenu directement ou indirectement en la commettant. Cet avantage peut consister en tout bien tel que défini à l'alinéa b du présent article;
b) " bien " comprend un bien de toute nature, qu'il soit corporel ou incorporel, meuble ou immeuble, ainsi que les actes juridiques ou documents attestant d'un titre ou d'un droit sur le bien;
c) " instruments " désigne tous biens employés ou destinés à être employés de quelque façon que ce soit, en tout ou en partie, pour commettre une ou des infractions pénales;
d) " confiscation " désigne une peine ou une mesure ordonnée par un tribunal à la suite d'une procédure portant sur une ou des infractions pénales, peine ou mesure aboutissant à la privation permanente du bien;
e) " infraction principale " désigne toute infraction pénale à la suite de laquelle des produits sont générés et susceptibles de devenir l'objet d'une infraction selon l'article 9 de la présente Convention;
f) " cellule de renseignement financier " désigne une unité nationale centrale chargée de recevoir (et, dans la mesure où elle en a le droit, de demander), d'analyser et de transmettre aux autorités compétentes les déclarations d'informations financières :
i) concernant des avoirs suspectés d'être des produits ou des biens servant au financement du terrorisme, ou
ii) requises par la législation ou par la réglementation nationale,
afin de lutter contre le blanchiment et le financement du terrorisme;
g) " gel " ou " saisie " désigne l'interdiction temporaire du transfert, de la destruction, de la conversion, de la disposition ou du mouvement de biens ou le fait d'assumer temporairement la garde ou le contrôle de biens, sur décision d'un tribunal ou d'une autre autorité compétente;
h) " financement du terrorisme " désigne les agissements définis à l'article 2 de la Convention internationale pour la répression du financement du terrorisme susmentionnée.
HOOFDSTUK II. - Financiering van het terrorisme
CHAPITRE II. - Financement du terrorisme
Art. 2. - Toepassing van het Verdrag inzake de financiering van terrorisme
1. Enige Partij neemt de maatregen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V van deze Overeenkomst toe te passen op de financiering van het terrorisme.
2. In het bijzonder waarborgt enige Partij de mogelijkheid om de voorwerpen, van wettige of onwettige oorsprong, die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt voor de financiering van het terrorisme, of de opbrengsten van dergelijke strafbare feiten, op te sporen, te zoeken, te identificeren, te bevriezen, in beslag te nemen of te confisqueren, en daartoe op de ruimst mogelijke wijze samen te werken.
1. Enige Partij neemt de maatregen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V van deze Overeenkomst toe te passen op de financiering van het terrorisme.
2. In het bijzonder waarborgt enige Partij de mogelijkheid om de voorwerpen, van wettige of onwettige oorsprong, die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt voor de financiering van het terrorisme, of de opbrengsten van dergelijke strafbare feiten, op te sporen, te zoeken, te identificeren, te bevriezen, in beslag te nemen of te confisqueren, en daartoe op de ruimst mogelijke wijze samen te werken.
Art. 2. - Application de la Convention au financement du terrorisme
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre d'appliquer les dispositions contenues aux chapitres III, IV et V de la présente Convention au financement du terrorisme.
2. En particulier, chaque Partie veille à être en mesure de dépister, de rechercher, d'identifier, de geler, de saisir et de confisquer les biens, d'origine licite ou illicite, utilisés ou destinés à être utilisés de quelque façon que ce soit, en tout ou en partie, pour le financement du terrorisme, ou les produits de cette infraction, et pour coopérer à ces fins de la manière la plus large possible.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre d'appliquer les dispositions contenues aux chapitres III, IV et V de la présente Convention au financement du terrorisme.
2. En particulier, chaque Partie veille à être en mesure de dépister, de rechercher, d'identifier, de geler, de saisir et de confisquer les biens, d'origine licite ou illicite, utilisés ou destinés à être utilisés de quelque façon que ce soit, en tout ou en partie, pour le financement du terrorisme, ou les produits de cette infraction, et pour coopérer à ces fins de la manière la plus large possible.
HOOFDSTUK III. - Op nationaal niveau te nemen maatregelen
CHAPITRE III. - Mesures à prendre au niveau national
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 3. - Maatregelen tot confiscatie
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden hulpmiddelen, witgewassen voorwerpen en opbrengsten of voorwerpen waarvan de waarde overeenstemt met die opbrengsten, te confisqueren.
2. Onder voorbehoud dat het eerste lid van dit artikel van toepassing is op witwassen en op de categorieën van strafbare feiten bedoeld in de Overeenkomst, kan een Partij, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat zij het eerste lid van dit artikel enkel zal toepassen op :
a) de strafbare feiten die met een maximale vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel van meer dan een jaar worden gestraft. De Partijen kunnen inzake deze bepaling evenwel een verklaring formuleren met betrekking tot de confiscatie van de opbrengsten van fiscale delicten, die alleen beoogt hen de mogelijkheid te bieden dergelijke opbrengsten te confisqueren, zowel op nationaal vlak als in het kader van internationale samenwerking, op grond van nationale en internationale rechtsinstrumenten inzake de invordering van fiscale schulden; en/of
b) een lijst van specifieke strafbare feiten.
3. Enige Partij kan voorzien in een verplichte confiscatie voor bepaalde strafbare feiten die voor confiscatie in aanmerking komen. Enige Partij kan inzonderheid witwassen, handel in verdovende middelen, mensenhandel en andere ernstige strafbare feiten opnemen bij deze strafbare feiten.
4. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om in geval van een of meer in haar nationaal recht omschreven ernstige strafbare feiten te eisen dat de dader de oorsprong bewijst van zijn voorwerpen, waarvan wordt aangenomen dat zij opbrengsten zijn, of van andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie, voor zover een dergelijke vereiste verenigbaar is met de beginselen van haar nationaal recht.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden hulpmiddelen, witgewassen voorwerpen en opbrengsten of voorwerpen waarvan de waarde overeenstemt met die opbrengsten, te confisqueren.
2. Onder voorbehoud dat het eerste lid van dit artikel van toepassing is op witwassen en op de categorieën van strafbare feiten bedoeld in de Overeenkomst, kan een Partij, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat zij het eerste lid van dit artikel enkel zal toepassen op :
a) de strafbare feiten die met een maximale vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel van meer dan een jaar worden gestraft. De Partijen kunnen inzake deze bepaling evenwel een verklaring formuleren met betrekking tot de confiscatie van de opbrengsten van fiscale delicten, die alleen beoogt hen de mogelijkheid te bieden dergelijke opbrengsten te confisqueren, zowel op nationaal vlak als in het kader van internationale samenwerking, op grond van nationale en internationale rechtsinstrumenten inzake de invordering van fiscale schulden; en/of
b) een lijst van specifieke strafbare feiten.
3. Enige Partij kan voorzien in een verplichte confiscatie voor bepaalde strafbare feiten die voor confiscatie in aanmerking komen. Enige Partij kan inzonderheid witwassen, handel in verdovende middelen, mensenhandel en andere ernstige strafbare feiten opnemen bij deze strafbare feiten.
4. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om in geval van een of meer in haar nationaal recht omschreven ernstige strafbare feiten te eisen dat de dader de oorsprong bewijst van zijn voorwerpen, waarvan wordt aangenomen dat zij opbrengsten zijn, of van andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie, voor zover een dergelijke vereiste verenigbaar is met de beginselen van haar nationaal recht.
Art. 3. - Mesures de confiscation
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre de confisquer des instruments, des biens blanchis et des produits ou des biens dont la valeur correspond à ces produits.
2. Sous réserve que le paragraphe 1er de cet article s'applique au blanchiment et aux catégories d'infractions visées à l'annexe de la Convention, chaque Partie peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer qu'elle n'appliquera le paragraphe 1er du présent article :
a) qu'aux infractions punies d'une peine privative de liberté ou d'une mesure de sûreté d'une durée maximale supérieure à un an. Cependant, les Parties peuvent formuler une déclaration concernant cette disposition pour ce qui concerne la confiscation des produits d'infraction fiscales, à la seule fin de leur permettre de procéder à la confiscation de tels produits sur le plan tant national que dans le cadre de la coopération internationale, sur la base d'instruments de droit national et international en matière de recouvrement de créances fiscales; et/ou
b) qu'à une liste d'infractions spécifiques.
3. Chaque Partie peut prévoir une confiscation obligatoire pour certaines infractions pouvant faire l'objet d'une confiscation. Chaque Partie peut notamment inclure dans ces infractions le blanchiment, le trafic de produits stupéfiants, la traite des êtres humains et d'autres infractions graves.
4. Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour exiger, en cas d'une ou plusieurs infractions graves telles que définies par son droit interne, que l'auteur établisse l'origine de ses biens, suspectés d'être des produits ou d'autres biens susceptibles de faire l'objet d'une confiscation, dans la mesure où une telle exigence est compatible avec les principes de son droit interne.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre de confisquer des instruments, des biens blanchis et des produits ou des biens dont la valeur correspond à ces produits.
2. Sous réserve que le paragraphe 1er de cet article s'applique au blanchiment et aux catégories d'infractions visées à l'annexe de la Convention, chaque Partie peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer qu'elle n'appliquera le paragraphe 1er du présent article :
a) qu'aux infractions punies d'une peine privative de liberté ou d'une mesure de sûreté d'une durée maximale supérieure à un an. Cependant, les Parties peuvent formuler une déclaration concernant cette disposition pour ce qui concerne la confiscation des produits d'infraction fiscales, à la seule fin de leur permettre de procéder à la confiscation de tels produits sur le plan tant national que dans le cadre de la coopération internationale, sur la base d'instruments de droit national et international en matière de recouvrement de créances fiscales; et/ou
b) qu'à une liste d'infractions spécifiques.
3. Chaque Partie peut prévoir une confiscation obligatoire pour certaines infractions pouvant faire l'objet d'une confiscation. Chaque Partie peut notamment inclure dans ces infractions le blanchiment, le trafic de produits stupéfiants, la traite des êtres humains et d'autres infractions graves.
4. Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour exiger, en cas d'une ou plusieurs infractions graves telles que définies par son droit interne, que l'auteur établisse l'origine de ses biens, suspectés d'être des produits ou d'autres biens susceptibles de faire l'objet d'une confiscation, dans la mesure où une telle exigence est compatible avec les principes de son droit interne.
Art. 4. - Maatregelen tot opsporing en voorlopige maatregelen
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden de voorwerpen die voor confiscatie in aanmerking komen overeenkomstig artikel 3 spoedig te identificeren, op te sporen, te bevriezen of in beslag te nemen, teneinde inzonderheid de uitvoering van latere maatregelen tot confiscatie te vergemakkelijken.
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden de voorwerpen die voor confiscatie in aanmerking komen overeenkomstig artikel 3 spoedig te identificeren, op te sporen, te bevriezen of in beslag te nemen, teneinde inzonderheid de uitvoering van latere maatregelen tot confiscatie te vergemakkelijken.
Art. 4. - Mesures d'investigation et mesures provisoires
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre d'identifier, de rechercher, de geler ou de saisir rapidement les biens susceptibles de donner lieu à confiscation en application de l'article 3, afin notamment de faciliter l'exécution des mesures de confiscation ultérieures.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre d'identifier, de rechercher, de geler ou de saisir rapidement les biens susceptibles de donner lieu à confiscation en application de l'article 3, afin notamment de faciliter l'exécution des mesures de confiscation ultérieures.
Art. 5. - Bevriezing, inbeslagneming en confiscatie
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de maatregelen tot bevriezing, inbeslagneming en confiscatie eveneens betrekking hebben op :
a) de voorwerpen waarin de opbrengsten geheel of gedeeltelijk zijn omgezet;
b) de op wettige wijze verworven voorwerpen, ingeval de opbrengsten geheel of gedeeltelijk met dergelijke voorwerpen zijn vermengd, ten belope van de geraamde waarde van de opbrengst die erin is vermengd;
c) de inkomsten of de andere voordelen verworven uit opbrengsten, uit voorwerpen waarin de opbrengsten zijn geheel of gedeeltelijk omgezet of uit voorwerpen waarmee de opbrengsten zijn vermengd, ten belope van de geraamde waarde van de opbrengst die erin is vermengd, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de opbrengsten.
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de maatregelen tot bevriezing, inbeslagneming en confiscatie eveneens betrekking hebben op :
a) de voorwerpen waarin de opbrengsten geheel of gedeeltelijk zijn omgezet;
b) de op wettige wijze verworven voorwerpen, ingeval de opbrengsten geheel of gedeeltelijk met dergelijke voorwerpen zijn vermengd, ten belope van de geraamde waarde van de opbrengst die erin is vermengd;
c) de inkomsten of de andere voordelen verworven uit opbrengsten, uit voorwerpen waarin de opbrengsten zijn geheel of gedeeltelijk omgezet of uit voorwerpen waarmee de opbrengsten zijn vermengd, ten belope van de geraamde waarde van de opbrengst die erin is vermengd, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de opbrengsten.
Art. 5. - Gel, saisie et confiscation
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les mesures de gel, de saisie et de confiscation portent également :
a) sur les biens en lesquels les produits ont été transformés ou convertis;
b) sur les biens acquis légitimement, si les produits ont été mêlés, entièrement ou partiellement, à de tels biens, à concurrence de la valeur estimée du produit qui y a été mêlé;
c) sur les revenus ou autres avantages tirés des produits, des biens en lesquels les produits ont été transformés ou convertis ou des biens auxquels ils ont été mêlés, à concurrence de la valeur estimée des produits qui y ont été mêlés, de la même manière et dans la même mesure que les produits.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les mesures de gel, de saisie et de confiscation portent également :
a) sur les biens en lesquels les produits ont été transformés ou convertis;
b) sur les biens acquis légitimement, si les produits ont été mêlés, entièrement ou partiellement, à de tels biens, à concurrence de la valeur estimée du produit qui y a été mêlé;
c) sur les revenus ou autres avantages tirés des produits, des biens en lesquels les produits ont été transformés ou convertis ou des biens auxquels ils ont été mêlés, à concurrence de la valeur estimée des produits qui y ont été mêlés, de la même manière et dans la même mesure que les produits.
Art. 6. - Beheer van bevroren of in beslag genomen voorwerpen
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een adequaat beheer te waarborgen van de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van deze Overeenkomst bevroren of in beslag genomen voorwerpen te waarborgen.
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een adequaat beheer te waarborgen van de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van deze Overeenkomst bevroren of in beslag genomen voorwerpen te waarborgen.
Art. 6. - Gestion des biens gelés ou saisis
Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour assurer une gestion adéquate des biens gelés ou saisis en application des articles 4 et 5 de cette Convention.
Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour assurer une gestion adéquate des biens gelés ou saisis en application des articles 4 et 5 de cette Convention.
Art. 7. - Opsporingsbevoegdheden en -technieken
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar rechters of andere bevoegde autoriteiten de bevoegdheid toe te kennen te bevelen dat bankdossiers, financiële of commerciële dossiers ter beschikking worden gesteld of in beslag worden genomen teneinde de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde maatregelen te kunnen uitvoeren. Een Partij kan het bankgeheim niet aanvoeren als grond om te weigeren te handelen volgens de bepalingen van dit artikel.
2. Onverminderd het eerste lid neemt enige Partij de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden :
a) te bepalen of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een of meer rekeningen, ongeacht de aard ervan, heeft of controleert bij enige bank op haar grondgebied en, indien zulks het geval is, alle inlichtingen te verkrijgen betreffende de geïnventariseerde rekeningen;
b) de inlichtingen te verkrijgen betreffende bepaalde bankrekeningen en de bankverrichtingen die in een bepaald periode zijn uitgevoerd met betrekking tot een of meer nader omschreven rekeningen, daaronder begrepen de inlichtingen betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
c) in een bepaalde periode de verrichtingen op een of meer geïdentificeerde rekeningen te volgen; en
d) ervoor te zorgen dat de banken aan de betrokken cliënt of aan andere derden niet onthullen dat inlichtingen werden gevraagd of verkregen overeenkomstig a, b, of c, of dat een onderzoek aan de gang is.
De Partijen onderzoeken de mogelijkheid deze bepaling uit te breiden tot de rekeningen bij niet-bancaire financiële instellingen.
3. Enige Partij overweegt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden bijzondere opsporingstechnieken te gebruiken die het identificeren van en zoeken naar opbrengsten en het vergaren van desbetreffend bewijsmateriaal vergemakkelijken, zoals observatie, aftappen van telecommunicatiemiddelen, toegang tot computersystemen en bevelen tot het overleggen van bepaalde documenten.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar rechters of andere bevoegde autoriteiten de bevoegdheid toe te kennen te bevelen dat bankdossiers, financiële of commerciële dossiers ter beschikking worden gesteld of in beslag worden genomen teneinde de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde maatregelen te kunnen uitvoeren. Een Partij kan het bankgeheim niet aanvoeren als grond om te weigeren te handelen volgens de bepalingen van dit artikel.
2. Onverminderd het eerste lid neemt enige Partij de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden :
a) te bepalen of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een of meer rekeningen, ongeacht de aard ervan, heeft of controleert bij enige bank op haar grondgebied en, indien zulks het geval is, alle inlichtingen te verkrijgen betreffende de geïnventariseerde rekeningen;
b) de inlichtingen te verkrijgen betreffende bepaalde bankrekeningen en de bankverrichtingen die in een bepaald periode zijn uitgevoerd met betrekking tot een of meer nader omschreven rekeningen, daaronder begrepen de inlichtingen betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
c) in een bepaalde periode de verrichtingen op een of meer geïdentificeerde rekeningen te volgen; en
d) ervoor te zorgen dat de banken aan de betrokken cliënt of aan andere derden niet onthullen dat inlichtingen werden gevraagd of verkregen overeenkomstig a, b, of c, of dat een onderzoek aan de gang is.
De Partijen onderzoeken de mogelijkheid deze bepaling uit te breiden tot de rekeningen bij niet-bancaire financiële instellingen.
3. Enige Partij overweegt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden bijzondere opsporingstechnieken te gebruiken die het identificeren van en zoeken naar opbrengsten en het vergaren van desbetreffend bewijsmateriaal vergemakkelijken, zoals observatie, aftappen van telecommunicatiemiddelen, toegang tot computersystemen en bevelen tot het overleggen van bepaalde documenten.
Art. 7. - Pouvoirs et techniques d'investigation
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour habiliter ses tribunaux ou ses autres autorités compétents à ordonner la communication ou la saisie de dossiers bancaires, financiers ou commerciaux afin de mettre en oeuvre les mesures visées aux articles 3, 4 et 5. Une Partie ne saurait invoquer le secret bancaire pour refuser de donner effet aux dispositions du présent article.
2. Sans préjudice du paragraphe 1er, chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre :
a) de déterminer si une personne physique ou morale détient ou contrôle un ou plusieurs comptes, de quelque nature que ce soit, dans une quelconque banque située sur son territoire et, si tel est le cas, d'obtenir tous les renseignements concernant les comptes répertoriés;
b) d'obtenir les renseignements concernant des comptes bancaires déterminés et des opérations bancaires qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs comptes spécifiés, y compris les renseignements concernant tout compte émetteur ou récepteur;
c) de suivre, pendant une période déterminée, les opérations bancaires réalisées sur un ou plusieurs comptes identifiés; et
d) de faire en sorte que les banques ne révèlent pas au client concerné ni à d'autres tiers que des informations ont été recherchées ou obtenues conformément aux alinéas a, b, ou c, ou qu'une enquête est en cours.
Les Parties examinent la possibilité d'étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires.
3. Chaque Partie envisage d'adopter les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre d'employer des techniques spéciales d'investigation facilitant l'identification et la recherche du produit ainsi que le recueil de preuves y afférentes, telles que l'observation, l'interception de télécommunications, l'accès à des systèmes informatiques et les ordonnances de production de documents déterminés.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour habiliter ses tribunaux ou ses autres autorités compétents à ordonner la communication ou la saisie de dossiers bancaires, financiers ou commerciaux afin de mettre en oeuvre les mesures visées aux articles 3, 4 et 5. Une Partie ne saurait invoquer le secret bancaire pour refuser de donner effet aux dispositions du présent article.
2. Sans préjudice du paragraphe 1er, chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre :
a) de déterminer si une personne physique ou morale détient ou contrôle un ou plusieurs comptes, de quelque nature que ce soit, dans une quelconque banque située sur son territoire et, si tel est le cas, d'obtenir tous les renseignements concernant les comptes répertoriés;
b) d'obtenir les renseignements concernant des comptes bancaires déterminés et des opérations bancaires qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs comptes spécifiés, y compris les renseignements concernant tout compte émetteur ou récepteur;
c) de suivre, pendant une période déterminée, les opérations bancaires réalisées sur un ou plusieurs comptes identifiés; et
d) de faire en sorte que les banques ne révèlent pas au client concerné ni à d'autres tiers que des informations ont été recherchées ou obtenues conformément aux alinéas a, b, ou c, ou qu'une enquête est en cours.
Les Parties examinent la possibilité d'étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires.
3. Chaque Partie envisage d'adopter les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour lui permettre d'employer des techniques spéciales d'investigation facilitant l'identification et la recherche du produit ainsi que le recueil de preuves y afférentes, telles que l'observation, l'interception de télécommunications, l'accès à des systèmes informatiques et les ordonnances de production de documents déterminés.
Art. 8. - Rechtsmiddelen Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de personen die worden getroffen door maatregelen bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5, en in enige andere relevante bepaling van deze afdeling, beschikken over doeltreffende rechtsmiddelen om hun rechten te beschermen.
Art. 8. - Recours juridiques
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour faire en sorte que les personnes affectées par les mesures prévues aux articles 3, 4 et 5 et par celles prévues par toute autre disposition pertinente de la présente section, disposent de recours juridiques effectifs pour préserver leurs droits.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour faire en sorte que les personnes affectées par les mesures prévues aux articles 3, 4 et 5 et par celles prévues par toute autre disposition pertinente de la présente section, disposent de recours juridiques effectifs pour préserver leurs droits.
Art. 9. - Strafbaarstelling van het witwassen
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende feiten, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving :
a) de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen opbrengsten zijn, met het oogmerk de illegale herkomst van de voorwerpen te verhelen of te verhullen of een persoon die bij het plegen van het basisdelict is betrokken, te helpen te ontkomen aan de wettelijke gevolgen van zijn daden;
b) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen opbrengsten zijn;
en, met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel :
c) de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van bezit, verkrijging of gebruik, dat deze voorwerpen opbrengsten zijn;
d) de deelname aan een van de krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten of enige vorm van betrokkenheid bij, samenspanning tot, poging tot of medeplichtigheid aan het plegen van die feiten door bijstand, hulp of raadgevingen te verstrekken.
2. Voor de uitvoering of toepassing van het eerste lid van dit artikel :
a) doet niet ter zake of het basisdelict al dan niet onder de strafrechtelijke rechtsmacht van de Partij valt;
b) kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde strafbare feiten niet van toepassing zijn op de personen die het basisdelict hebben gepleegd;
c) kan medeweten, oogmerk of opzet, vereist als bestanddeel van een in dat lid omschreven strafbaar feit, worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
3. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om sommige of alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde handelingen strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving in een en/of ander van de volgende gevallen :
a) indien de dader vermoed heeft dat het voorwerp opbrengstenwaren;
b) indien de dader had behoren te beseffen dat het voorwerp opbrengsten waren.
4. Onder voorbehoud dat het eerste lid van dit artikel van toepassing is op de categorieën van basisdelicten bedoeld in de bijlage bij de Overeenkomst, kan enige Partij, of de Europese Gemeenschap, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat zij het eerste lid van dit artikel enkel zal toepassen op :
a) de basisdelicten die met een maximale vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel van meer dan een jaar worden gestraft, of voor de Partijen waarvan het rechtsstelsel voor de strafbare feiten in een minimumdrempel voorziet, de strafbare feiten die met een minimale vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel van meer dan zes maanden worden gestraft; en/of
b) een lijst van specifieke basisdelicten; en/of
c) een categorie ernstige strafbare feiten bedoeld in het nationaal recht van de Partij.
5. Enige Partij waarborgt dat een veroordeling wegens witwassen mogelijk is bij gebreke van een voorafgaande of samenvallende veroordeling op grond van het basisdelict.
6. Enige Partij waarborgt dat een veroordeling wegens witwassen in de zin van dit artikel mogelijk is zodra bewezen is dat de voorwerpen die het onderwerp zijn van een van de handelingen opgesomd in het eerste lid, a of b, van dit artikel afkomstig zijn van een basisdelict, zonder dat moet worden bewezen om welk specifiek strafbaar feit het gaat.
7. Enige Partij waarborgt dat de basisdelicten van het witwassen de handelingen omvatten die zijn gepleegd in een andere Staat en aldaar een strafbaar feit opleveren, en die een basisdelict zouden hebben opgeleverd indien zij zouden zijn gepleegd op het nationale grondgebied. Enige Partij kan bepalen dat de enige vereiste voorwaarde is dat de handelingen zouden zijn omschreven als basisdelicten indien zij zouden zijn gepleegd op het nationale grondgebied.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende feiten, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving :
a) de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen opbrengsten zijn, met het oogmerk de illegale herkomst van de voorwerpen te verhelen of te verhullen of een persoon die bij het plegen van het basisdelict is betrokken, te helpen te ontkomen aan de wettelijke gevolgen van zijn daden;
b) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen opbrengsten zijn;
en, met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel :
c) de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van bezit, verkrijging of gebruik, dat deze voorwerpen opbrengsten zijn;
d) de deelname aan een van de krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten of enige vorm van betrokkenheid bij, samenspanning tot, poging tot of medeplichtigheid aan het plegen van die feiten door bijstand, hulp of raadgevingen te verstrekken.
2. Voor de uitvoering of toepassing van het eerste lid van dit artikel :
a) doet niet ter zake of het basisdelict al dan niet onder de strafrechtelijke rechtsmacht van de Partij valt;
b) kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde strafbare feiten niet van toepassing zijn op de personen die het basisdelict hebben gepleegd;
c) kan medeweten, oogmerk of opzet, vereist als bestanddeel van een in dat lid omschreven strafbaar feit, worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
3. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om sommige of alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde handelingen strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving in een en/of ander van de volgende gevallen :
a) indien de dader vermoed heeft dat het voorwerp opbrengstenwaren;
b) indien de dader had behoren te beseffen dat het voorwerp opbrengsten waren.
4. Onder voorbehoud dat het eerste lid van dit artikel van toepassing is op de categorieën van basisdelicten bedoeld in de bijlage bij de Overeenkomst, kan enige Partij, of de Europese Gemeenschap, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat zij het eerste lid van dit artikel enkel zal toepassen op :
a) de basisdelicten die met een maximale vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel van meer dan een jaar worden gestraft, of voor de Partijen waarvan het rechtsstelsel voor de strafbare feiten in een minimumdrempel voorziet, de strafbare feiten die met een minimale vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel van meer dan zes maanden worden gestraft; en/of
b) een lijst van specifieke basisdelicten; en/of
c) een categorie ernstige strafbare feiten bedoeld in het nationaal recht van de Partij.
5. Enige Partij waarborgt dat een veroordeling wegens witwassen mogelijk is bij gebreke van een voorafgaande of samenvallende veroordeling op grond van het basisdelict.
6. Enige Partij waarborgt dat een veroordeling wegens witwassen in de zin van dit artikel mogelijk is zodra bewezen is dat de voorwerpen die het onderwerp zijn van een van de handelingen opgesomd in het eerste lid, a of b, van dit artikel afkomstig zijn van een basisdelict, zonder dat moet worden bewezen om welk specifiek strafbaar feit het gaat.
7. Enige Partij waarborgt dat de basisdelicten van het witwassen de handelingen omvatten die zijn gepleegd in een andere Staat en aldaar een strafbaar feit opleveren, en die een basisdelict zouden hebben opgeleverd indien zij zouden zijn gepleegd op het nationale grondgebied. Enige Partij kan bepalen dat de enige vereiste voorwaarde is dat de handelingen zouden zijn omschreven als basisdelicten indien zij zouden zijn gepleegd op het nationale grondgebied.
Art. 9. - Infractions de blanchiment
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour conférer le caractère d'infraction pénale conformément à son droit interne lorsque l'acte a été commis intentionnellement à :
a) la conversion ou au transfert de biens dont celui qui s'y livre sait que ces biens constituent des produits, dans le but de dissimuler ou de déguiser l'origine illicite desdits biens ou d'aider toute personne qui est impliquée dans la commission de l'infraction principale à échapper aux conséquences juridiques de ses actes;
b) la dissimulation ou le déguisement de la nature, de l'origine, de l'emplacement, de la disposition, du mouvement ou de la propriété réels de biens ou de droits y relatifs, dont l'auteur sait que ces biens constituent des produits;
et, sous réserve de ses principes constitutionnels et des concepts fondamentaux de son système juridique :
c) l'acquisition, la détention ou l'utilisation de biens, dont celui qui les acquiert, les détient ou les utilise sait, au moment où il les reçoit, qu'ils constituent des produits;
d) la participation à l'une des infractions établies conformément au présent article ou à toute association, entente, tentative ou complicité par fourniture d'une assistance, d'une aide ou de conseils en vue de sa commission.
2. Aux fins de la mise en oeuvre ou de l'application du paragraphe 1er du présent article :
a) le fait que l'infraction principale soit ou non de la compétence des juridictions pénales de la Partie n'entre pas en ligne de compte;
b) il peut être prévu que les infractions énoncées par ce paragraphe ne s'appliquent pas aux auteurs de l'infraction principale;
c) la connaissance, l'intention ou la motivation nécessaires en tant qu'élément d'une des infractions énoncées par ce paragraphe peut être déduite de circonstances factuelles objectives.
3. Chaque Partie peut adopter les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour conférer le caractère d'infraction pénale, conformément à son droit interne, à certains ou à l'ensemble des actes évoqués au paragraphe 1 du présent article, dans l'un et/ou l'autre des cas suivants :
a) lorsque l'auteur a soupçonné que le bien constituait un produit,
b) lorsque l'auteur aurait dû être conscient que le bien constituait un produit.
4. Sous réserve que le paragraphe 1er de cet article s'applique aux catégories d'infractions principales visées à l'annexe de la Convention, chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer qu'elle n'appliquera le paragraphe 1 du présent article :
a) qu'aux infractions principales punies d'une peine privative de liberté ou d'une mesure de sûreté d'une durée maximale supérieure à un an, ou pour les Parties dont le système juridique prévoit pour les infractions un seuil minimal, les infractions punies d'une peine privative de liberté ou d'une mesure de sûreté d'une durée minimale supérieure à six mois; et/ou
b) qu'à une liste d'infractions principales spécifiques; et/ou
c) qu'à une catégorie d'infractions graves prévues par le droit interne de la Partie.
5. Chaque Partie s'assure qu'une condamnation pour blanchiment est possible en l'absence de condamnation préalable ou concomitante au titre de l'infraction principale.
6. Chaque Partie s'assure qu'une condamnation pour blanchiment au sens du présent article est possible dès lors qu'il est prouvé que les biens objet de l'un des actes énumérés au paragraphe 1er, a ou b de cet article, proviennent d'une infraction principale, sans qu'il soit nécessaire de prouver de quelle infraction précise il s'agit.
7. Chaque Partie s'assure que les infractions principales du blanchiment couvrent les actes commis dans un autre Etat, qui constituent une infraction dans cet Etat, et qui auraient constitué une infraction principale s'ils avaient été commis sur le territoire national. Chaque Partie peut prévoir que la seule condition requise est que les actes auraient été qualifiés d'infractions principales s'ils avaient été commis sur le territoire national.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour conférer le caractère d'infraction pénale conformément à son droit interne lorsque l'acte a été commis intentionnellement à :
a) la conversion ou au transfert de biens dont celui qui s'y livre sait que ces biens constituent des produits, dans le but de dissimuler ou de déguiser l'origine illicite desdits biens ou d'aider toute personne qui est impliquée dans la commission de l'infraction principale à échapper aux conséquences juridiques de ses actes;
b) la dissimulation ou le déguisement de la nature, de l'origine, de l'emplacement, de la disposition, du mouvement ou de la propriété réels de biens ou de droits y relatifs, dont l'auteur sait que ces biens constituent des produits;
et, sous réserve de ses principes constitutionnels et des concepts fondamentaux de son système juridique :
c) l'acquisition, la détention ou l'utilisation de biens, dont celui qui les acquiert, les détient ou les utilise sait, au moment où il les reçoit, qu'ils constituent des produits;
d) la participation à l'une des infractions établies conformément au présent article ou à toute association, entente, tentative ou complicité par fourniture d'une assistance, d'une aide ou de conseils en vue de sa commission.
2. Aux fins de la mise en oeuvre ou de l'application du paragraphe 1er du présent article :
a) le fait que l'infraction principale soit ou non de la compétence des juridictions pénales de la Partie n'entre pas en ligne de compte;
b) il peut être prévu que les infractions énoncées par ce paragraphe ne s'appliquent pas aux auteurs de l'infraction principale;
c) la connaissance, l'intention ou la motivation nécessaires en tant qu'élément d'une des infractions énoncées par ce paragraphe peut être déduite de circonstances factuelles objectives.
3. Chaque Partie peut adopter les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour conférer le caractère d'infraction pénale, conformément à son droit interne, à certains ou à l'ensemble des actes évoqués au paragraphe 1 du présent article, dans l'un et/ou l'autre des cas suivants :
a) lorsque l'auteur a soupçonné que le bien constituait un produit,
b) lorsque l'auteur aurait dû être conscient que le bien constituait un produit.
4. Sous réserve que le paragraphe 1er de cet article s'applique aux catégories d'infractions principales visées à l'annexe de la Convention, chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer qu'elle n'appliquera le paragraphe 1 du présent article :
a) qu'aux infractions principales punies d'une peine privative de liberté ou d'une mesure de sûreté d'une durée maximale supérieure à un an, ou pour les Parties dont le système juridique prévoit pour les infractions un seuil minimal, les infractions punies d'une peine privative de liberté ou d'une mesure de sûreté d'une durée minimale supérieure à six mois; et/ou
b) qu'à une liste d'infractions principales spécifiques; et/ou
c) qu'à une catégorie d'infractions graves prévues par le droit interne de la Partie.
5. Chaque Partie s'assure qu'une condamnation pour blanchiment est possible en l'absence de condamnation préalable ou concomitante au titre de l'infraction principale.
6. Chaque Partie s'assure qu'une condamnation pour blanchiment au sens du présent article est possible dès lors qu'il est prouvé que les biens objet de l'un des actes énumérés au paragraphe 1er, a ou b de cet article, proviennent d'une infraction principale, sans qu'il soit nécessaire de prouver de quelle infraction précise il s'agit.
7. Chaque Partie s'assure que les infractions principales du blanchiment couvrent les actes commis dans un autre Etat, qui constituent une infraction dans cet Etat, et qui auraient constitué une infraction principale s'ils avaient été commis sur le territoire national. Chaque Partie peut prévoir que la seule condition requise est que les actes auraient été qualifiés d'infractions principales s'ils avaient été commis sur le territoire national.
Art. 10. - Aansprakelijkheid van rechtspersonen
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de krachtens het Verdrag strafbaar gestelde feiten van witwassen, wanneer deze te hunner voordele zijn gepleegd door enige natuurlijke persoon, handelend hetzij als individu, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon, die binnen de rechtspersoon een leidinggevende positie inneemt :
a) wegens de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen; of
b) wegens de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen; of
c) wegens de bevoegdheid om in de rechtspersoon controle uit te oefenen;
alsmede wegens de deelname van een dergelijk natuurlijk persoon als medeplichtige aan of als uitlokker van het plegen van de bovenvermelde strafbare feiten.
2. Afgezien van de reeds in het eerste lid bedoelde gevallen, neemt enige Partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer het gebrek aan toezicht of controle door een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid het plegen van de in het eerste lid vermelde strafbare feiten ten voordele van de genoemde rechtspersoon door een aan zijn gezag onderworpen natuurlijk persoon mogelijk heeft gemaakt.
3. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon krachtens dit artikel sluit strafrechtelijke vervolging van de natuurlijke personen, daders, uitlokkers of medeplichtigen van of aan de in het eerste lid vermelde strafbare feiten, niet uit.
4. Enige Partij waarborgt dat een krachtens dit artikel aansprakelijk rechtspersoon onderworpen wordt aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties, daaronder begrepen geldstraffen.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de krachtens het Verdrag strafbaar gestelde feiten van witwassen, wanneer deze te hunner voordele zijn gepleegd door enige natuurlijke persoon, handelend hetzij als individu, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon, die binnen de rechtspersoon een leidinggevende positie inneemt :
a) wegens de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen; of
b) wegens de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen; of
c) wegens de bevoegdheid om in de rechtspersoon controle uit te oefenen;
alsmede wegens de deelname van een dergelijk natuurlijk persoon als medeplichtige aan of als uitlokker van het plegen van de bovenvermelde strafbare feiten.
2. Afgezien van de reeds in het eerste lid bedoelde gevallen, neemt enige Partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer het gebrek aan toezicht of controle door een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid het plegen van de in het eerste lid vermelde strafbare feiten ten voordele van de genoemde rechtspersoon door een aan zijn gezag onderworpen natuurlijk persoon mogelijk heeft gemaakt.
3. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon krachtens dit artikel sluit strafrechtelijke vervolging van de natuurlijke personen, daders, uitlokkers of medeplichtigen van of aan de in het eerste lid vermelde strafbare feiten, niet uit.
4. Enige Partij waarborgt dat een krachtens dit artikel aansprakelijk rechtspersoon onderworpen wordt aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties, daaronder begrepen geldstraffen.
Art. 10. - Responsabilité des personnes morales
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les personnes morales puissent être tenues responsables des infractions de blanchiment établies en vertu de la Convention, lorsqu'elles sont commises pour leur compte par toute personne physique, agissant soit individuellement, soit en tant que membre d'un organe de la personne morale, qui exerce un pouvoir de direction en son sein :
a) du fait d'un pouvoir de représentation de la personne morale; ou
b) du fait de l'autorité pour prendre des décisions au nom de la personne morale; ou
c) du fait de l'autorité pour exercer un contrôle au sein de la personne morale,
ainsi que du fait de la participation d'une telle personne physique en qualité de complice ou d'instigatrice à la commission des infractions mentionnées ci-dessus.
2. Abstraction faite des cas déjà prévus au paragraphe 1er, chaque Partie prend les mesures nécessaires pour s'assurer qu'une personne morale puisse être tenue responsable lorsque l'absence de surveillance ou de contrôle par une personne physique visée au paragraphe 1er a rendu possible la commission des infractions mentionnées au paragraphe 1er pour le compte de ladite personne morale par une personne physique soumise à son autorité.
3. La responsabilité de la personne morale en vertu de cet article n'exclut pas les poursuites pénales contre les personnes physiques auteurs, instigatrices ou complices des infractions mentionnées au paragraphe 1er.
4. Chaque Partie s'assure qu'une personne morale responsable en vertu de cet article, soit soumise à des sanctions effectives, proportionnées et dissuasives, de nature pénale ou non, y compris des sanctions pécuniaires.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour s'assurer que les personnes morales puissent être tenues responsables des infractions de blanchiment établies en vertu de la Convention, lorsqu'elles sont commises pour leur compte par toute personne physique, agissant soit individuellement, soit en tant que membre d'un organe de la personne morale, qui exerce un pouvoir de direction en son sein :
a) du fait d'un pouvoir de représentation de la personne morale; ou
b) du fait de l'autorité pour prendre des décisions au nom de la personne morale; ou
c) du fait de l'autorité pour exercer un contrôle au sein de la personne morale,
ainsi que du fait de la participation d'une telle personne physique en qualité de complice ou d'instigatrice à la commission des infractions mentionnées ci-dessus.
2. Abstraction faite des cas déjà prévus au paragraphe 1er, chaque Partie prend les mesures nécessaires pour s'assurer qu'une personne morale puisse être tenue responsable lorsque l'absence de surveillance ou de contrôle par une personne physique visée au paragraphe 1er a rendu possible la commission des infractions mentionnées au paragraphe 1er pour le compte de ladite personne morale par une personne physique soumise à son autorité.
3. La responsabilité de la personne morale en vertu de cet article n'exclut pas les poursuites pénales contre les personnes physiques auteurs, instigatrices ou complices des infractions mentionnées au paragraphe 1er.
4. Chaque Partie s'assure qu'une personne morale responsable en vertu de cet article, soit soumise à des sanctions effectives, proportionnées et dissuasives, de nature pénale ou non, y compris des sanctions pécuniaires.
Art. 11. - Eerdere beslissingen
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te voorzien in de mogelijkheid bij de bepaling van de straf rekening te houden met de beslissingen genomen ten aanzien van de natuurlijk persoon of rechtspersoon door een andere Partij met betrekking tot krachtens deze Overeenkomst strafbaar gestelde feiten.
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te voorzien in de mogelijkheid bij de bepaling van de straf rekening te houden met de beslissingen genomen ten aanzien van de natuurlijk persoon of rechtspersoon door een andere Partij met betrekking tot krachtens deze Overeenkomst strafbaar gestelde feiten.
Art. 11. - Décisions antérieures
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui s'avèrent nécessaires pour prévoir la possibilité de prendre en compte, dans le cadre de l'appréciation de la peine, les décisions prises à l'encontre d'une personne physique ou morale par une autre Partie portant sur les infractions établies conformément à la présente Convention.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui s'avèrent nécessaires pour prévoir la possibilité de prendre en compte, dans le cadre de l'appréciation de la peine, les décisions prises à l'encontre d'une personne physique ou morale par une autre Partie portant sur les infractions établies conformément à la présente Convention.
Afdeling 2 - Cel financiële inlichtingen en preventie
Section 2. - Cellule de renseignement financier et prévention
Art. 12. - Cel financiële inlichtingen
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een cel financiële inlichtingen, zoals bepaald in deze Overeenkomst, op te richten.
2. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de cel financiële inlichtingen, rechtstreeks of onrechtstreeks, en te gepasten tijde toegang te waarborgen tot de financiële, administratieve en van de met strafrechtelijke vervolging belaste autoriteiten afkomstige informatie om haar opdrachten correct uit te voeren en inzonderheid de aangiften van verdachte verrichtingen te analyseren.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een cel financiële inlichtingen, zoals bepaald in deze Overeenkomst, op te richten.
2. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de cel financiële inlichtingen, rechtstreeks of onrechtstreeks, en te gepasten tijde toegang te waarborgen tot de financiële, administratieve en van de met strafrechtelijke vervolging belaste autoriteiten afkomstige informatie om haar opdrachten correct uit te voeren en inzonderheid de aangiften van verdachte verrichtingen te analyseren.
Art. 12. - Cellule de renseignement financier
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour mettre en place une cellule de renseignement financier, telle que définie par cette Convention.
2. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour assurer à la cellule de renseignement financier un accès, direct ou indirect et en temps voulu, aux informations financières, administratives et en provenance des autorités de poursuite pénale pour exercer correctement ses fonctions et notamment analyser les déclarations d'opérations suspectes.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour mettre en place une cellule de renseignement financier, telle que définie par cette Convention.
2. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour assurer à la cellule de renseignement financier un accès, direct ou indirect et en temps voulu, aux informations financières, administratives et en provenance des autorités de poursuite pénale pour exercer correctement ses fonctions et notamment analyser les déclarations d'opérations suspectes.
Art. 13. - Maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een volledig nationaal stelsel voor regelgeving, follow-up en controle op te richten ter voorkoming van het witwassen. Enige Partij moet in het bijzonder rekening houden met de internationale normen die van toepassing zijn op dit gebied, daaronder begrepen de aanbevelingen aangenomen door de financiële task force tegen het witwassen van geld (GAFI).
2. Hierbij neemt enige Partij inzonderheid de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om :
a) enige natuurlijke persoon of rechtspersoon die activiteiten uitoefent die zich inzonderheid kunnen lenen tot het witwassen in het kader van deze activiteiten te onderwerpen aan de verplichting :
i) de identiteit van hun cliënten en desgevallend die van hun daadwerkelijke begunstigden te identificeren en te controleren en de zakenrelatie te onderwerpen aan voortdurende waakzaamheid op grond van een aan het risico aangepaste benadering;
ii) aangifte te doen van hun verdenkingen van witwassen, onder voorbehoud van waarborgen;
iii) begeleidende maatregelen te nemen, zoals het bewaren van gegevens met betrekking tot de identificatie van de cliënten en de transacties, de opleiding van het personeel en de invoering van interne regels en procedures die indien nodig aangepast zijn aan de omvang en de aard van de activiteiten;
b) zo nodig de in a vermelde personen het verbod op te leggen te onthullen dat een aangifte van verdachte verrichting of informatie die ermee verband houden, werden doorgegeven, of nog dat een onderzoek inzake witwassen werd of zou kunnen worden geopend;
c) te waarborgen of de in a vermelde personen onderworpen zijn aan daadwerkelijke regels betreffende follow-up en, indien nodig, controle teneinde ervoor te zorgen dat hun verplichtingen inzake de bestrijding van witwassen worden nageleefd. In voorkomend geval kunnen deze regels worden aangepast naar gelang van het risico.
3. Hierbij neemt enige Partij de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de belangrijke grensoverschrijdende transporten van contanten en instrumenten aan toonder op te sporen.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een volledig nationaal stelsel voor regelgeving, follow-up en controle op te richten ter voorkoming van het witwassen. Enige Partij moet in het bijzonder rekening houden met de internationale normen die van toepassing zijn op dit gebied, daaronder begrepen de aanbevelingen aangenomen door de financiële task force tegen het witwassen van geld (GAFI).
2. Hierbij neemt enige Partij inzonderheid de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om :
a) enige natuurlijke persoon of rechtspersoon die activiteiten uitoefent die zich inzonderheid kunnen lenen tot het witwassen in het kader van deze activiteiten te onderwerpen aan de verplichting :
i) de identiteit van hun cliënten en desgevallend die van hun daadwerkelijke begunstigden te identificeren en te controleren en de zakenrelatie te onderwerpen aan voortdurende waakzaamheid op grond van een aan het risico aangepaste benadering;
ii) aangifte te doen van hun verdenkingen van witwassen, onder voorbehoud van waarborgen;
iii) begeleidende maatregelen te nemen, zoals het bewaren van gegevens met betrekking tot de identificatie van de cliënten en de transacties, de opleiding van het personeel en de invoering van interne regels en procedures die indien nodig aangepast zijn aan de omvang en de aard van de activiteiten;
b) zo nodig de in a vermelde personen het verbod op te leggen te onthullen dat een aangifte van verdachte verrichting of informatie die ermee verband houden, werden doorgegeven, of nog dat een onderzoek inzake witwassen werd of zou kunnen worden geopend;
c) te waarborgen of de in a vermelde personen onderworpen zijn aan daadwerkelijke regels betreffende follow-up en, indien nodig, controle teneinde ervoor te zorgen dat hun verplichtingen inzake de bestrijding van witwassen worden nageleefd. In voorkomend geval kunnen deze regels worden aangepast naar gelang van het risico.
3. Hierbij neemt enige Partij de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de belangrijke grensoverschrijdende transporten van contanten en instrumenten aan toonder op te sporen.
Art. 13. - Mesures visant à prévenir le blanchiment d'argent
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour mettre en place un régime interne complet de réglementation et de suivi ou de contrôle pour prévenir le blanchiment. Chaque Partie doit tenir compte tout particulièrement des normes internationales applicables dans ce domaine, y compris plus particulièrement les recommandations adoptées par le Groupe d'action financière sur le blanchiment des capitaux (GAFI).
2. A cet égard, chaque Partie adopte, en particulier, les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires :
a) pour soumettre toute personne morale ou physique qui exerce des activités pouvant se prêter tout particulièrement au blanchiment, dans le cadre de ces activités, à l'obligation :
i) d'identifier et de vérifier l'identité de leurs clients et, le cas échéant, de leurs bénéficiaires effectifs, ainsi que de soumettre la relation d'affaires à une vigilance constante sur la base d'une approche adaptée au risque;
ii) de déclarer leurs soupçons de blanchiment, sous réserve de garanties;
iii) de prendre des mesures d'accompagnement, telles que la conservation des données relatives à l'identification des clients et aux transactions, la formation du personnel et la mise en place de règles et procédures internes adaptées, le cas échéant, à la taille et à la nature des activités;
b) pour interdire, dans les cas appropriés, aux personnes mentionnées à l'alinéa a de divulguer le fait qu'une déclaration d'opération suspecte, ou des informations qui y sont liées, ont été transmises, ou encore qu'une enquête pour blanchiment a été ou pourrait être ouverte;
c) pour s'assurer que les personnes mentionnées à l'alinéa a sont soumises à des dispositifs effectifs de suivi et, dans les cas appropriés, de contrôle afin de s'assurer du respect de leurs obligations en matière de lutte contre le blanchiment. Le cas échéant, ces dispositifs peuvent être adaptés en fonction du risque.
3. A cet égard, chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour détecter les transports transfrontaliers significatifs d'espèces et d'instruments au porteur appropriés.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour mettre en place un régime interne complet de réglementation et de suivi ou de contrôle pour prévenir le blanchiment. Chaque Partie doit tenir compte tout particulièrement des normes internationales applicables dans ce domaine, y compris plus particulièrement les recommandations adoptées par le Groupe d'action financière sur le blanchiment des capitaux (GAFI).
2. A cet égard, chaque Partie adopte, en particulier, les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires :
a) pour soumettre toute personne morale ou physique qui exerce des activités pouvant se prêter tout particulièrement au blanchiment, dans le cadre de ces activités, à l'obligation :
i) d'identifier et de vérifier l'identité de leurs clients et, le cas échéant, de leurs bénéficiaires effectifs, ainsi que de soumettre la relation d'affaires à une vigilance constante sur la base d'une approche adaptée au risque;
ii) de déclarer leurs soupçons de blanchiment, sous réserve de garanties;
iii) de prendre des mesures d'accompagnement, telles que la conservation des données relatives à l'identification des clients et aux transactions, la formation du personnel et la mise en place de règles et procédures internes adaptées, le cas échéant, à la taille et à la nature des activités;
b) pour interdire, dans les cas appropriés, aux personnes mentionnées à l'alinéa a de divulguer le fait qu'une déclaration d'opération suspecte, ou des informations qui y sont liées, ont été transmises, ou encore qu'une enquête pour blanchiment a été ou pourrait être ouverte;
c) pour s'assurer que les personnes mentionnées à l'alinéa a sont soumises à des dispositifs effectifs de suivi et, dans les cas appropriés, de contrôle afin de s'assurer du respect de leurs obligations en matière de lutte contre le blanchiment. Le cas échéant, ces dispositifs peuvent être adaptés en fonction du risque.
3. A cet égard, chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour détecter les transports transfrontaliers significatifs d'espèces et d'instruments au porteur appropriés.
Art. 14. - Uitstel van verdachte transacties
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een cel financiële inlichtingen of, naargelang het geval, enige andere bevoegde autoriteit of enig ander bevoegd orgaan, ingeval de verdenking bestaat dat de transactie verband houdt met een witwasoperatie, de mogelijkheid te bieden dringend op te treden om het sluiten van een lopende transactie op te schorten of uit te stellen, zodat de transactie kan worden onderzocht en de verdenkingen bevestigd. Enige Partij kan de toepassing van een dergelijke maatregel beperken tot de gevallen waarin vooraf aangifte van verdachte verrichting is gedaan. De maximale duur voor enige opschorting of enig uitstel van het sluiten van een transactie is bepaald in de nationale wetgeving.
Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om een cel financiële inlichtingen of, naargelang het geval, enige andere bevoegde autoriteit of enig ander bevoegd orgaan, ingeval de verdenking bestaat dat de transactie verband houdt met een witwasoperatie, de mogelijkheid te bieden dringend op te treden om het sluiten van een lopende transactie op te schorten of uit te stellen, zodat de transactie kan worden onderzocht en de verdenkingen bevestigd. Enige Partij kan de toepassing van een dergelijke maatregel beperken tot de gevallen waarin vooraf aangifte van verdachte verrichting is gedaan. De maximale duur voor enige opschorting of enig uitstel van het sluiten van een transactie is bepaald in de nationale wetgeving.
Art. 14. - Report de transactions suspectes
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour permettre à une cellule de renseignement financier ou, selon le cas, à toute autre autorité compétente ou organe, lorsqu'il existe un soupçon que la transaction est liée à une opération de blanchiment, d'agir en urgence pour suspendre ou reporter la conclusion d'une transaction en cours, afin de lui permettre d'analyser la transaction et de confirmer les soupçons. Chaque Partie peut limiter l'application d'une telle mesure aux cas dans lesquels une déclaration d'opération suspecte a été préalablement communiquée. La durée maximale pour toute suspension ou report de la conclusion d'une transaction est prévue par la législation nationale.
Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révèlent nécessaires pour permettre à une cellule de renseignement financier ou, selon le cas, à toute autre autorité compétente ou organe, lorsqu'il existe un soupçon que la transaction est liée à une opération de blanchiment, d'agir en urgence pour suspendre ou reporter la conclusion d'une transaction en cours, afin de lui permettre d'analyser la transaction et de confirmer les soupçons. Chaque Partie peut limiter l'application d'une telle mesure aux cas dans lesquels une déclaration d'opération suspecte a été préalablement communiquée. La durée maximale pour toute suspension ou report de la conclusion d'une transaction est prévue par la législation nationale.
HOOFDSTUK IV. - Internationale samenwerking
CHAPITRE IV. - Coopération internationale
Afdeling 1. - Beginselen inzake internationale samenwerking
Section 1re. - Principes de coopération internationale
Art. 15. - Algemene beginselen en maatregelen inzake internationale samenwerking
1. De Partijen werken in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van onderzoeken en procedures gericht op de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten.
2. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden, onder de in dit hoofdstuk bedoelde voorwaarden, te voldoen aan verzoeken om :
a) confiscatie van bepaalde voorwerpen die opbrengsten of hulpmiddelen zijn, alsmede om confiscatie van opbrengsten bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenstemt met de waarde van de opbrengsten;
b) bijstand ten behoeve van onderzoeken en voorlopige maatregelen met het oog op één van de vormen van confiscatie bedoeld onder a) hierboven.
3. De rechtshulp en voorlopige maatregelen bedoeld in het tweede lid, b, worden uitgevoerd in overeenstemming met en krachtens het nationale recht van de aangezochte Partij. Ingeval het verzoek met betrekking tot een van deze maatregelen een formaliteit of een bepaalde procedure opgelegd door de wetgeving van de aanzoekende Partij voorschrijft, zelfs ingeval de aangezochte Partij niet vertrouwd is met de formaliteit of de gevraagde procedure, voldoet deze Partij aan het verzoek voor zover zulks niet in strijd is met de grondbeginselen van haar nationaal recht.
4. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn opdat aan de verzoeken uitgaande van andere Partijen met het oog op identificatie, opsporing, bevriezing of inbeslagneming van opbrengsten en hulpmiddelen dezelfde prioriteit wordt verleend als in het kader van nationale procedures.
1. De Partijen werken in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van onderzoeken en procedures gericht op de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten.
2. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar de mogelijkheid te bieden, onder de in dit hoofdstuk bedoelde voorwaarden, te voldoen aan verzoeken om :
a) confiscatie van bepaalde voorwerpen die opbrengsten of hulpmiddelen zijn, alsmede om confiscatie van opbrengsten bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenstemt met de waarde van de opbrengsten;
b) bijstand ten behoeve van onderzoeken en voorlopige maatregelen met het oog op één van de vormen van confiscatie bedoeld onder a) hierboven.
3. De rechtshulp en voorlopige maatregelen bedoeld in het tweede lid, b, worden uitgevoerd in overeenstemming met en krachtens het nationale recht van de aangezochte Partij. Ingeval het verzoek met betrekking tot een van deze maatregelen een formaliteit of een bepaalde procedure opgelegd door de wetgeving van de aanzoekende Partij voorschrijft, zelfs ingeval de aangezochte Partij niet vertrouwd is met de formaliteit of de gevraagde procedure, voldoet deze Partij aan het verzoek voor zover zulks niet in strijd is met de grondbeginselen van haar nationaal recht.
4. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn opdat aan de verzoeken uitgaande van andere Partijen met het oog op identificatie, opsporing, bevriezing of inbeslagneming van opbrengsten en hulpmiddelen dezelfde prioriteit wordt verleend als in het kader van nationale procedures.
Art. 15. - Principes généraux et mesures de coopération internationale
1. Les Parties coopèrent mutuellement dans la mesure la plus large possible les unes avec les autres aux fins d'investigations et de procédures visant à la confiscation des instruments et des produits.
2. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révéleront nécessaires pour lui permettre de répondre, aux conditions prévues dans ce chapitre, aux demandes :
a) de confiscation de biens particuliers consistant en des produits ou instruments, ainsi que de confiscation des produits consistant en l'obligation de payer une somme d'argent correspondant à la valeur du produit;
b) d'entraide aux fins d'investigations et de mesures provisoires ayant pour but l'une des formes de confiscation mentionnées au point a ci-dessus.
3. L'entraide et les mesures provisoires prévues au paragraphe 2, b sont exécutées conformément au droit interne de la Partie requise et en vertu de celui-ci. Lorsque la demande portant sur une de ces mesures prescrit une formalité ou une procédure donnée imposée par la législation de la Partie requérante, même si la formalité ou la procédure demandée n'est pas familière à la Partie requise, cette Partie donne satisfaction à la demande dans la mesure où cela n'est pas contraire aux principes fondamentaux de son droit interne.
4. Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour que les demandes émanant d'autres Parties aux fins d'identification, de dépistage, de gel ou de saisie des produits et des instruments, se voient accorder la même priorité que dans le cadre de procédures internes.
1. Les Parties coopèrent mutuellement dans la mesure la plus large possible les unes avec les autres aux fins d'investigations et de procédures visant à la confiscation des instruments et des produits.
2. Chaque Partie adopte les mesures législatives et autres qui se révéleront nécessaires pour lui permettre de répondre, aux conditions prévues dans ce chapitre, aux demandes :
a) de confiscation de biens particuliers consistant en des produits ou instruments, ainsi que de confiscation des produits consistant en l'obligation de payer une somme d'argent correspondant à la valeur du produit;
b) d'entraide aux fins d'investigations et de mesures provisoires ayant pour but l'une des formes de confiscation mentionnées au point a ci-dessus.
3. L'entraide et les mesures provisoires prévues au paragraphe 2, b sont exécutées conformément au droit interne de la Partie requise et en vertu de celui-ci. Lorsque la demande portant sur une de ces mesures prescrit une formalité ou une procédure donnée imposée par la législation de la Partie requérante, même si la formalité ou la procédure demandée n'est pas familière à la Partie requise, cette Partie donne satisfaction à la demande dans la mesure où cela n'est pas contraire aux principes fondamentaux de son droit interne.
4. Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour que les demandes émanant d'autres Parties aux fins d'identification, de dépistage, de gel ou de saisie des produits et des instruments, se voient accorder la même priorité que dans le cadre de procédures internes.
Afdeling 2. - Rechtshulp ten behoeve van onderzoeken
Section 2. - Entraide aux fins d'investigations
Art. 16. - Verplichting tot verlening van rechtshulp
De Partijen verlenen elkaar de ruimst mogelijke mate van rechtshulp bij het identificeren en opsporen van hulpmiddelen, opbrengsten en andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie. Deze rechtshulp omvat onder meer enige maatregel betreffende het verstrekken en veilig stellen van bewijs met betrekking tot het bestaan, de vindplaats of verplaatsing, de aard, de juridische status of de waarde van de bovengenoemde voorwerpen.
De Partijen verlenen elkaar de ruimst mogelijke mate van rechtshulp bij het identificeren en opsporen van hulpmiddelen, opbrengsten en andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie. Deze rechtshulp omvat onder meer enige maatregel betreffende het verstrekken en veilig stellen van bewijs met betrekking tot het bestaan, de vindplaats of verplaatsing, de aard, de juridische status of de waarde van de bovengenoemde voorwerpen.
Art. 16. - Obligation d'entraide
Les Parties s'accordent, sur demande, l'entraide la plus large possible pour identifier et dépister les instruments, les produits et les autres biens susceptibles de confiscation. Cette entraide consiste notamment en toute mesure relative à l'apport et à la mise en sûreté des éléments de preuve concernant l'existence des biens susmentionnés, leur emplacement ou leurs mouvements, leur nature, leur statut juridique ou leur valeur.
Les Parties s'accordent, sur demande, l'entraide la plus large possible pour identifier et dépister les instruments, les produits et les autres biens susceptibles de confiscation. Cette entraide consiste notamment en toute mesure relative à l'apport et à la mise en sûreté des éléments de preuve concernant l'existence des biens susmentionnés, leur emplacement ou leurs mouvements, leur nature, leur statut juridique ou leur valeur.
Art. 17. - Verzoek om gegevens over bankrekeningen
1. Enige Partij neemt onder de in dit artikel bedoelde voorwaarden de maatregelen die noodzakelijk zijn om, in antwoord op een verzoek van een andere Partij, te bepalen of een natuurlijk persoon of een rechtspersoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt een of meer rekeningen, ongeacht de aard ervan, heeft of controleert in enige bank op zijn grondgebied en verstrekt, indien zulks het geval is, bijzonderheden betreffende de geïnventariseerde rekeningen.
2. De in dit artikel bedoelde verplichting is enkel van toepassing voor zover de bank die de rekening beheert deze informatie bezit.
3. Ter aanvulling van de aanwijzingen in artikel 37 vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek :
a) de redenen waarom zij van oordeel is dat de gevraagde informatie van wezenlijk belang kunnen zijn voor het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbaar feit;
b) de nauwkeurige redenen die haar ertoe aanzetten te vermoeden dat in de aangezochte Partij gevestigde banken de betrokken rekeningen houden, alsmede een zo ruim mogelijke opgave van de mogelijk daarbij betrokken banken en/of rekeningen; en
c) alle bijkomende informatie die de uitvoering van het verzoek kunnen vergemakkelijken.
4. De aangezochte Partij kan de uitvoering van een dergelijk verzoek onderwerpen aan dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de verzoeken met het oog op huiszoekingen en inbeslagnemingen.
5. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat dit artikel uitsluitend van toepassing is op de in de bijlage bij de Overeenkomst bedoelde strafbare feiten of categorieën strafbare feiten.
6. De Partijen kunnen deze bepaling uitbreiden tot de rekeningen gehouden door niet-bancaire financiële instellingen. De uitvoering van een dergelijke uitbreiding kan worden onderworpen aan het beginsel van wederkerigheid.
1. Enige Partij neemt onder de in dit artikel bedoelde voorwaarden de maatregelen die noodzakelijk zijn om, in antwoord op een verzoek van een andere Partij, te bepalen of een natuurlijk persoon of een rechtspersoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt een of meer rekeningen, ongeacht de aard ervan, heeft of controleert in enige bank op zijn grondgebied en verstrekt, indien zulks het geval is, bijzonderheden betreffende de geïnventariseerde rekeningen.
2. De in dit artikel bedoelde verplichting is enkel van toepassing voor zover de bank die de rekening beheert deze informatie bezit.
3. Ter aanvulling van de aanwijzingen in artikel 37 vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek :
a) de redenen waarom zij van oordeel is dat de gevraagde informatie van wezenlijk belang kunnen zijn voor het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbaar feit;
b) de nauwkeurige redenen die haar ertoe aanzetten te vermoeden dat in de aangezochte Partij gevestigde banken de betrokken rekeningen houden, alsmede een zo ruim mogelijke opgave van de mogelijk daarbij betrokken banken en/of rekeningen; en
c) alle bijkomende informatie die de uitvoering van het verzoek kunnen vergemakkelijken.
4. De aangezochte Partij kan de uitvoering van een dergelijk verzoek onderwerpen aan dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de verzoeken met het oog op huiszoekingen en inbeslagnemingen.
5. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat dit artikel uitsluitend van toepassing is op de in de bijlage bij de Overeenkomst bedoelde strafbare feiten of categorieën strafbare feiten.
6. De Partijen kunnen deze bepaling uitbreiden tot de rekeningen gehouden door niet-bancaire financiële instellingen. De uitvoering van een dergelijke uitbreiding kan worden onderworpen aan het beginsel van wederkerigheid.
Art. 17. - Demandes d'information sur les comptes bancaires
1. Chaque Partie prend, dans les conditions prévues au présent article, les mesures nécessaires pour déterminer, en réponse à une demande envoyée par une autre Partie, si une personne physique ou morale faisant l'objet d'une enquête pénale détient ou contrôle un ou plusieurs comptes, de quelque nature que ce soit, dans une quelconque banque située sur son territoire et, si tel est le cas, elle fournit les détails concernant les comptes répertoriés.
2. L'obligation prévue au présent article ne s'applique que dans la mesure où la banque qui gère le compte possède ces renseignements.
3. En complément des indications contenues à l'article 37, la Partie requérante, dans sa requête :
a) indique les raisons pour lesquelles elle considère que les informations demandées sont susceptibles d'être fondamentales pour l'enquête pénale portant sur l'infraction;
b) précise les raisons qui l'amènent à supposer que des banques situées dans la Partie requise détiennent les comptes en question et indique, de la manière la plus large possible, les banques et/ou comptes qui pourraient être concernés; et
c) communique toute information additionnelle susceptible de faciliter l'exécution de la demande.
4. La Partie requise peut subordonner l'exécution d'une telle demande aux mêmes conditions que celles qu'elle applique pour les demandes aux fins de perquisition et de saisie.
5. Chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou lors du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer que cet article s'applique uniquement aux catégories d'infractions visées à l'annexe de la Convention.
6. Les Parties peuvent étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires. La mise en oeuvre d'une telle extension peut être soumise au principe de réciprocité.
1. Chaque Partie prend, dans les conditions prévues au présent article, les mesures nécessaires pour déterminer, en réponse à une demande envoyée par une autre Partie, si une personne physique ou morale faisant l'objet d'une enquête pénale détient ou contrôle un ou plusieurs comptes, de quelque nature que ce soit, dans une quelconque banque située sur son territoire et, si tel est le cas, elle fournit les détails concernant les comptes répertoriés.
2. L'obligation prévue au présent article ne s'applique que dans la mesure où la banque qui gère le compte possède ces renseignements.
3. En complément des indications contenues à l'article 37, la Partie requérante, dans sa requête :
a) indique les raisons pour lesquelles elle considère que les informations demandées sont susceptibles d'être fondamentales pour l'enquête pénale portant sur l'infraction;
b) précise les raisons qui l'amènent à supposer que des banques situées dans la Partie requise détiennent les comptes en question et indique, de la manière la plus large possible, les banques et/ou comptes qui pourraient être concernés; et
c) communique toute information additionnelle susceptible de faciliter l'exécution de la demande.
4. La Partie requise peut subordonner l'exécution d'une telle demande aux mêmes conditions que celles qu'elle applique pour les demandes aux fins de perquisition et de saisie.
5. Chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou lors du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer que cet article s'applique uniquement aux catégories d'infractions visées à l'annexe de la Convention.
6. Les Parties peuvent étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires. La mise en oeuvre d'une telle extension peut être soumise au principe de réciprocité.
Art. 18. - Verzoek om gegevens over bankverrichtingen
1. De aangezochte Partij verstrekt op verzoek van een andere Partij de informatie betreffende de omschreven bankrekeningen en de bankverrichtingen die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd met betrekking tot een of meer van in het verzoek vermelde bankrekeningen, daaronder begrepen de informatie betreffende de rekening van herkomst of bestemming.
2. De in dit artikel bedoelde verplichting is enkel van toepassing voor zover de bank die de rekening beheert deze informatie bezit.
3. Ter aanvulling van de aanwijzingen in artikel 37, vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek de redenen waarom zijn van oordeel is dat de gevraagde informatie relevant is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbaar feit.
4. De aangezochte Partij kan de uitvoering van een dergelijk verzoek onderwerpen aan dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de verzoeken met het oog op huiszoekingen en inbeslagnemingen.
5. De Partijen kunnen deze bepaling uitbreiden tot de rekeningen gehouden door niet-bancaire financiële instellingen. De uitvoering van een dergelijke uitbreiding kan worden onderworpen aan het beginsel van wederkerigheid.
1. De aangezochte Partij verstrekt op verzoek van een andere Partij de informatie betreffende de omschreven bankrekeningen en de bankverrichtingen die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd met betrekking tot een of meer van in het verzoek vermelde bankrekeningen, daaronder begrepen de informatie betreffende de rekening van herkomst of bestemming.
2. De in dit artikel bedoelde verplichting is enkel van toepassing voor zover de bank die de rekening beheert deze informatie bezit.
3. Ter aanvulling van de aanwijzingen in artikel 37, vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek de redenen waarom zijn van oordeel is dat de gevraagde informatie relevant is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbaar feit.
4. De aangezochte Partij kan de uitvoering van een dergelijk verzoek onderwerpen aan dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de verzoeken met het oog op huiszoekingen en inbeslagnemingen.
5. De Partijen kunnen deze bepaling uitbreiden tot de rekeningen gehouden door niet-bancaire financiële instellingen. De uitvoering van een dergelijke uitbreiding kan worden onderworpen aan het beginsel van wederkerigheid.
Art. 18. - Demandes d'informations sur les opérations bancaires
1. A la demande d'une autre Partie, la Partie requise fournit les renseignements concernant des comptes bancaires déterminés et des opérations bancaires qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs comptes spécifiés dans la demande, y compris les renseignements concernant tout compte émetteur ou récepteur.
2. L'obligation prévue au présent article ne s'applique que dans la mesure où la banque qui gère le compte possède ces renseignements.
3. En complément des indications contenues à l'article 37, la Partie requérante indique dans sa demande les raisons pour lesquelles elle considère que les informations demandées sont pertinentes aux fins de l'enquête pénale portant sur l'infraction.
4. La Partie requise peut subordonner l'exécution d'une telle demande aux mêmes conditions que celles qu'elle applique pour les demandes aux fins de perquisition et de saisie.
5. Les Parties peuvent étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires. La mise en oeuvre d'une telle extension peut être soumise au principe de réciprocité.
1. A la demande d'une autre Partie, la Partie requise fournit les renseignements concernant des comptes bancaires déterminés et des opérations bancaires qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs comptes spécifiés dans la demande, y compris les renseignements concernant tout compte émetteur ou récepteur.
2. L'obligation prévue au présent article ne s'applique que dans la mesure où la banque qui gère le compte possède ces renseignements.
3. En complément des indications contenues à l'article 37, la Partie requérante indique dans sa demande les raisons pour lesquelles elle considère que les informations demandées sont pertinentes aux fins de l'enquête pénale portant sur l'infraction.
4. La Partie requise peut subordonner l'exécution d'une telle demande aux mêmes conditions que celles qu'elle applique pour les demandes aux fins de perquisition et de saisie.
5. Les Parties peuvent étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires. La mise en oeuvre d'une telle extension peut être soumise au principe de réciprocité.
Art. 19. - Verzoek om follow-up van de bankverrichtingen
1. Enige Partij ziet erop toe de mogelijkheid te hebben om, op verzoek van een andere Partij, tijdens een bepaalde periode, de bankverrichtingen uitgevoerd met betrekking tot een of meer van in het verzoek vermelde bankrekeningen te volgen en het resultaat aan de verzoekende Partij mee te delen.
2. Ter aanvulling van de aanwijzingen in artikel 37, vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek de redenen waarom zij van oordeel is dat de gevraagde informatie relevant is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbaar feit.
3. De beslissing inzake de follow-up van de transacties wordt in ieder geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij, met inachtneming van de nationale wetgeving van die Partij.
4. De praktische regels inzake de follow-up worden geregeld in een akkoord tussen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en van de aangezochte Partij.
5. De Partijen kunnen deze bepaling uitbreiden tot de rekeningen gehouden door niet-bancaire financiële instellingen.
1. Enige Partij ziet erop toe de mogelijkheid te hebben om, op verzoek van een andere Partij, tijdens een bepaalde periode, de bankverrichtingen uitgevoerd met betrekking tot een of meer van in het verzoek vermelde bankrekeningen te volgen en het resultaat aan de verzoekende Partij mee te delen.
2. Ter aanvulling van de aanwijzingen in artikel 37, vermeldt de verzoekende Partij in haar verzoek de redenen waarom zij van oordeel is dat de gevraagde informatie relevant is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbaar feit.
3. De beslissing inzake de follow-up van de transacties wordt in ieder geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij, met inachtneming van de nationale wetgeving van die Partij.
4. De praktische regels inzake de follow-up worden geregeld in een akkoord tussen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en van de aangezochte Partij.
5. De Partijen kunnen deze bepaling uitbreiden tot de rekeningen gehouden door niet-bancaire financiële instellingen.
Art. 19. - Demande de suivi des opérations bancaires
1. Chaque Partie veille à être en mesure, à la demande d'une autre Partie, de suivre, pendant une période déterminée, les opérations bancaires réalisées sur un ou plusieurs comptes spécifiés dans la demande et d'en communiquer le résultat à la Partie requérante.
2. En complément des indications contenues à l'article 37, la Partie requérante indique dans sa demande les raisons pour lesquelles elle considère que les informations demandées sont pertinentes aux fins de l'enquête pénale portant sur l'infraction.
3. La décision relative au suivi des transactions est prise dans chaque cas individuel par les autorités compétentes de la Partie requise, dans le respect de la législation nationale de cette Partie.
4. Les modalités pratiques du suivi font l'objet d'un accord entre les autorités compétentes des Parties requérante et requise.
5. Les Parties peuvent étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires.
1. Chaque Partie veille à être en mesure, à la demande d'une autre Partie, de suivre, pendant une période déterminée, les opérations bancaires réalisées sur un ou plusieurs comptes spécifiés dans la demande et d'en communiquer le résultat à la Partie requérante.
2. En complément des indications contenues à l'article 37, la Partie requérante indique dans sa demande les raisons pour lesquelles elle considère que les informations demandées sont pertinentes aux fins de l'enquête pénale portant sur l'infraction.
3. La décision relative au suivi des transactions est prise dans chaque cas individuel par les autorités compétentes de la Partie requise, dans le respect de la législation nationale de cette Partie.
4. Les modalités pratiques du suivi font l'objet d'un accord entre les autorités compétentes des Parties requérante et requise.
5. Les Parties peuvent étendre cette disposition aux comptes détenus par des institutions financières non bancaires.
Art. 20. - Uit eigen beweging verstrekte gegevens
Een Partij kan, zonder afbreuk te doen aan haar eigen onderzoeken of procedures, zonder voorafgaand verzoek, aan een andere Partij informatie verstrekken omtrent de hulpmiddelen en de opbrengsten wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van die informatie de ontvangende Partij van nut kan zijn voor het instellen of tot een goed einde brengen van de onderzoeken of de procedures, dan wel, dat die informatie zou kunnen leiden tot een verzoek van die Partij krachtens dit hoofdstuk.
Een Partij kan, zonder afbreuk te doen aan haar eigen onderzoeken of procedures, zonder voorafgaand verzoek, aan een andere Partij informatie verstrekken omtrent de hulpmiddelen en de opbrengsten wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van die informatie de ontvangende Partij van nut kan zijn voor het instellen of tot een goed einde brengen van de onderzoeken of de procedures, dan wel, dat die informatie zou kunnen leiden tot een verzoek van die Partij krachtens dit hoofdstuk.
Art. 20. - Transmission spontanée d'informations
Sans préjudice de ses propres investigations ou procédures, une Partie peut, sans demande préalable, transmettre à une autre Partie des informations sur les instruments et les produits lorsqu'elle estime que la communication de ces informations pourrait aider la Partie destinataire à engager ou mener à bien des investigations ou des procédures, ou lorsque ces informations pourraient aboutir à une demande formulée par cette Partie en vertu du présent chapitre.
Sans préjudice de ses propres investigations ou procédures, une Partie peut, sans demande préalable, transmettre à une autre Partie des informations sur les instruments et les produits lorsqu'elle estime que la communication de ces informations pourrait aider la Partie destinataire à engager ou mener à bien des investigations ou des procédures, ou lorsque ces informations pourraient aboutir à une demande formulée par cette Partie en vertu du présent chapitre.
Afdeling 3. - Voorlopige maatregelen
Section 3. - Mesures provisoires
Art. 21. - Verplichting voorlopige maatregelen te nemen
1. Een Partij neemt op verzoek van een andere Partij die een strafrechtelijke procedure of een procedure tot confiscatie heeft ingesteld, de noodzakelijke voorlopige maatregelen, zoals bevriezing of inbeslagneming, ter voorkoming van de verhandeling, overdracht of vervreemding van voorwerpen die in een later stadium het onderwerp zouden kunnen vormen van een verzoek om confiscatie, of die van dien aard zijn dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan dat verzoek.
2. Een Partij die een verzoek om confiscatie heeft ontvangen overeenkomstig artikel 23 neemt, indien daarom wordt verzocht, de in het eerste lid van dit artikel genoemde maatregelen met betrekking tot enig voorwerp dat het onderwerp vormt van het verzoek, of van dien aard is dat daarmee gevolg zou kunnen worden gegeven aan het verzoek.
1. Een Partij neemt op verzoek van een andere Partij die een strafrechtelijke procedure of een procedure tot confiscatie heeft ingesteld, de noodzakelijke voorlopige maatregelen, zoals bevriezing of inbeslagneming, ter voorkoming van de verhandeling, overdracht of vervreemding van voorwerpen die in een later stadium het onderwerp zouden kunnen vormen van een verzoek om confiscatie, of die van dien aard zijn dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan dat verzoek.
2. Een Partij die een verzoek om confiscatie heeft ontvangen overeenkomstig artikel 23 neemt, indien daarom wordt verzocht, de in het eerste lid van dit artikel genoemde maatregelen met betrekking tot enig voorwerp dat het onderwerp vormt van het verzoek, of van dien aard is dat daarmee gevolg zou kunnen worden gegeven aan het verzoek.
Art. 21. - Obligation d'ordonner des mesures provisoires
1. Une Partie prend, à la demande d'une autre Partie qui a engagé une procédure pénale ou une action en confiscation, les mesures provisoires qui s'imposent, telles que le gel ou la saisie, pour prévenir toute opération, tout transfert ou toute aliénation relativement à tout bien qui, par la suite, pourrait faire l'objet d'une demande de confiscation ou qui pourrait permettre de faire droit à une telle demande.
2. Une Partie qui a reçu une demande de confiscation conformément à l'article 23 prend, si la demande en est faite, les mesures mentionnées au paragraphe 1er du présent article, relativement à tout bien qui fait l'objet de la demande ou qui pourrait permettre de faire droit à une telle demande.
1. Une Partie prend, à la demande d'une autre Partie qui a engagé une procédure pénale ou une action en confiscation, les mesures provisoires qui s'imposent, telles que le gel ou la saisie, pour prévenir toute opération, tout transfert ou toute aliénation relativement à tout bien qui, par la suite, pourrait faire l'objet d'une demande de confiscation ou qui pourrait permettre de faire droit à une telle demande.
2. Une Partie qui a reçu une demande de confiscation conformément à l'article 23 prend, si la demande en est faite, les mesures mentionnées au paragraphe 1er du présent article, relativement à tout bien qui fait l'objet de la demande ou qui pourrait permettre de faire droit à une telle demande.
Art. 22. - Uitvoering van voorlopige maatregelen
1. Nadat de overeenkomstig het eerste lid van artikel 21 gevraagde voorlopige maatregelen zijn uitgevoerd, verstrekt de verzoekende Partij de aangezochte Partij, op eigen initiatief en zo spoedig mogelijk, alle informatie die het onderwerp of de omvang van deze maatregelen ter discussie kunnen stellen of wijzigen. De verzoekende Partij verstrekt eveneens onverwijld alle bijkomende informatie waarom de aangezochte Partij heeft verzocht en die noodzakelijk is voor de uitvoering en de follow-up van de voorlopige maatregelen.
2. Alvorens een uit hoofde van dit artikel genomen voorlopige maatregel op te heffen, stelt de aangezochte Partij, indien mogelijk, de verzoekende Partij in de gelegenheid redenen op te geven om de maatregel te handhaven.
1. Nadat de overeenkomstig het eerste lid van artikel 21 gevraagde voorlopige maatregelen zijn uitgevoerd, verstrekt de verzoekende Partij de aangezochte Partij, op eigen initiatief en zo spoedig mogelijk, alle informatie die het onderwerp of de omvang van deze maatregelen ter discussie kunnen stellen of wijzigen. De verzoekende Partij verstrekt eveneens onverwijld alle bijkomende informatie waarom de aangezochte Partij heeft verzocht en die noodzakelijk is voor de uitvoering en de follow-up van de voorlopige maatregelen.
2. Alvorens een uit hoofde van dit artikel genomen voorlopige maatregel op te heffen, stelt de aangezochte Partij, indien mogelijk, de verzoekende Partij in de gelegenheid redenen op te geven om de maatregel te handhaven.
Art. 22. - Exécution des mesures provisoires
1. Après l'exécution des mesures provisoires demandées en application du paragraphe 1er de l'article 21, la Partie requérante fournit spontanément et dès que possible à la Partie requise toute information susceptible de remettre en cause ou de modifier l'objet ou l'étendue de ces mesures. La Partie requérante fournit également et sans délai toute information complémentaire demandée par la Partie requise et qui est nécessaire pour la mise en oeuvre et le suivi des mesures provisoires.
2. Avant de lever toute mesure provisoire prise conformément au présent article, la Partie requise donne, si possible, à la Partie requérante la faculté d'exprimer ses raisons en faveur du maintien de la mesure.
1. Après l'exécution des mesures provisoires demandées en application du paragraphe 1er de l'article 21, la Partie requérante fournit spontanément et dès que possible à la Partie requise toute information susceptible de remettre en cause ou de modifier l'objet ou l'étendue de ces mesures. La Partie requérante fournit également et sans délai toute information complémentaire demandée par la Partie requise et qui est nécessaire pour la mise en oeuvre et le suivi des mesures provisoires.
2. Avant de lever toute mesure provisoire prise conformément au présent article, la Partie requise donne, si possible, à la Partie requérante la faculté d'exprimer ses raisons en faveur du maintien de la mesure.
Afdeling 4. - Confiscatie
Section 4. - Confiscation
Art. 23. - Verplichting tot confiscatie
1. Een Partij die van een andere Partij een verzoek om confiscatie heeft ontvangen betreffende voorwerpen of opbrengsten die zich op haar grondgebied bevinden, moet :
a) de door een rechter van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie uitvoeren met betrekking tot die voorwerpen of opbrengsten; of
b) het verzoek voorleggen aan haar bevoegde autoriteiten, ten einde een beslissing tot confiscatie te verkrijgen, en de beslissing uit te voeren, indien zij wordt gegeven.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, b, van dit artikel is enige Partij, indien noodzakelijk, bevoegd een procedure tot confiscatie in te stellen krachtens haar eigen wetgeving.
3. De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op de confiscatie bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenstemt met de waarde van de opbrengsten, indien zich op het grondgebied van de aangezochte Partij voorwerpen bevinden waarop de confiscatie uitvoer kan worden uitgevoerd. In dat geval ziet de aangezochte Partij, wanneer zij overgaat tot de uitvoering van de confiscatie overeenkomstig het eerste lid, erop toe dat de vordering, indien geen betaling wordt verkregen, wordt verhaald op enig voorwerp dat voor dat doel beschikbaar is.
4. Indien een verzoek om confiscatie betrekking heeft op een bepaald voorwerp, kunnen de Partijen overeenkomen dat de aangezochte Partij kan overgaan tot confiscatie in de vorm van een verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenstemt met de waarde van het voorwerp.
5. De Partijen werken in zo ruim mogelijke mate en overeenkomstig hun nationaal recht samen met de Partijen die verzoeken om de uitvoering van maatregelen die overeenstemmen met confiscatie en leiden tot een verlies van eigendom, die geen strafrechtelijke sancties vormen, aangezien dergelijke maatregelen werden bevolen door een rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij wegens een strafbaar feit en voor zover vaststaat dat de voorwerpen opbrengsten of voorwerpen vormen bedoeld in artikel 5 van deze Overeenkomst.
1. Een Partij die van een andere Partij een verzoek om confiscatie heeft ontvangen betreffende voorwerpen of opbrengsten die zich op haar grondgebied bevinden, moet :
a) de door een rechter van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie uitvoeren met betrekking tot die voorwerpen of opbrengsten; of
b) het verzoek voorleggen aan haar bevoegde autoriteiten, ten einde een beslissing tot confiscatie te verkrijgen, en de beslissing uit te voeren, indien zij wordt gegeven.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, b, van dit artikel is enige Partij, indien noodzakelijk, bevoegd een procedure tot confiscatie in te stellen krachtens haar eigen wetgeving.
3. De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op de confiscatie bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenstemt met de waarde van de opbrengsten, indien zich op het grondgebied van de aangezochte Partij voorwerpen bevinden waarop de confiscatie uitvoer kan worden uitgevoerd. In dat geval ziet de aangezochte Partij, wanneer zij overgaat tot de uitvoering van de confiscatie overeenkomstig het eerste lid, erop toe dat de vordering, indien geen betaling wordt verkregen, wordt verhaald op enig voorwerp dat voor dat doel beschikbaar is.
4. Indien een verzoek om confiscatie betrekking heeft op een bepaald voorwerp, kunnen de Partijen overeenkomen dat de aangezochte Partij kan overgaan tot confiscatie in de vorm van een verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenstemt met de waarde van het voorwerp.
5. De Partijen werken in zo ruim mogelijke mate en overeenkomstig hun nationaal recht samen met de Partijen die verzoeken om de uitvoering van maatregelen die overeenstemmen met confiscatie en leiden tot een verlies van eigendom, die geen strafrechtelijke sancties vormen, aangezien dergelijke maatregelen werden bevolen door een rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij wegens een strafbaar feit en voor zover vaststaat dat de voorwerpen opbrengsten of voorwerpen vormen bedoeld in artikel 5 van deze Overeenkomst.
Art. 23. - Obligation de confiscation
1. Une Partie qui a reçu d'une autre Partie une demande de confiscation concernant des instruments ou des produits, situés sur son territoire, doit :
a) exécuter une décision de confiscation émanant d'un tribunal de la Partie requérante en ce qui concerne ces instruments ou ces produits; ou
b) présenter cette demande à ses autorités compétentes pour obtenir une décision de confiscation et, si celle-ci est accordée, l'exécuter.
2. Aux fins de l'application du paragraphe 1er, b du présent article, toute Partie a, si besoin est, compétence pour engager une procédure de confiscation en vertu de son droit interne.
3. Les dispositions du paragraphe 1er du présent article s'appliquent également à la confiscation consistant en l'obligation de payer une somme d'argent correspondant à la valeur du produit, si des biens sur lesquels peut porter la confiscation se trouvent sur le territoire de la Partie requise. En pareil cas, en procédant à la confiscation conformément au paragraphe 1er, la Partie requise, à défaut de paiement, fait recouvrer sa créance sur tout bien disponible à cette fin.
4. Si une demande de confiscation vise un bien déterminé, les Parties peuvent convenir que la Partie requise peut procéder à la confiscation sous forme d'une obligation de payer une somme d'argent correspondant à la valeur du bien.
5. Les Parties coopèrent dans la mesure la plus large possible en conformité avec leur droit interne avec les Parties qui sollicitent l'exécution de mesures équivalentes à la confiscation et conduisant à une privation de propriété, qui ne constituent pas des sanctions pénales, dès lors que de telles mesures ont été ordonnées par une autorité judiciaire de la Partie requérante sur la base d'une infraction pénale et dans la mesure où il est établi que les biens constituent des produits ou des biens visés à l'article 5 de cette Convention.
1. Une Partie qui a reçu d'une autre Partie une demande de confiscation concernant des instruments ou des produits, situés sur son territoire, doit :
a) exécuter une décision de confiscation émanant d'un tribunal de la Partie requérante en ce qui concerne ces instruments ou ces produits; ou
b) présenter cette demande à ses autorités compétentes pour obtenir une décision de confiscation et, si celle-ci est accordée, l'exécuter.
2. Aux fins de l'application du paragraphe 1er, b du présent article, toute Partie a, si besoin est, compétence pour engager une procédure de confiscation en vertu de son droit interne.
3. Les dispositions du paragraphe 1er du présent article s'appliquent également à la confiscation consistant en l'obligation de payer une somme d'argent correspondant à la valeur du produit, si des biens sur lesquels peut porter la confiscation se trouvent sur le territoire de la Partie requise. En pareil cas, en procédant à la confiscation conformément au paragraphe 1er, la Partie requise, à défaut de paiement, fait recouvrer sa créance sur tout bien disponible à cette fin.
4. Si une demande de confiscation vise un bien déterminé, les Parties peuvent convenir que la Partie requise peut procéder à la confiscation sous forme d'une obligation de payer une somme d'argent correspondant à la valeur du bien.
5. Les Parties coopèrent dans la mesure la plus large possible en conformité avec leur droit interne avec les Parties qui sollicitent l'exécution de mesures équivalentes à la confiscation et conduisant à une privation de propriété, qui ne constituent pas des sanctions pénales, dès lors que de telles mesures ont été ordonnées par une autorité judiciaire de la Partie requérante sur la base d'une infraction pénale et dans la mesure où il est établi que les biens constituent des produits ou des biens visés à l'article 5 de cette Convention.
Art. 24. - Uitvoering van de confiscatie
1. De procedures tot verkrijging en uitvoering van de confiscatie krachtens artikel 23 worden beheerst door de wetgeving van de aangezochte Partij.
2. De aangezochte Partij is gebonden door de vaststelling van de feiten, voor zover deze zijn uiteengezet in een veroordeling of rechterlijke uitspraak van de verzoekende Partij of voor zover deze veroordeling of rechterlijke uitspraak uitdrukkelijk daarop is gegrond.
3. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het tweede lid van dit artikel slechts van toepassing is met inachtneming van zijn of haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van zijn of haar rechtsstelsel.
4. Indien de confiscatie bestaat in de verplichting een geldbedrag te betalen, zet de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij dit bedrag om in de munteenheid van die Partij tegen de wisselkoers die geldt op het tijdstip waarop de beslissing om tot confiscatie over te gaan wordt genomen.
5. In het geval bedoeld in artikel 23, eerste lid, a, heeft alleen de verzoekende Partij het recht uitspraak te doen over een verzoek om herziening van de beslissing tot confiscatie.
1. De procedures tot verkrijging en uitvoering van de confiscatie krachtens artikel 23 worden beheerst door de wetgeving van de aangezochte Partij.
2. De aangezochte Partij is gebonden door de vaststelling van de feiten, voor zover deze zijn uiteengezet in een veroordeling of rechterlijke uitspraak van de verzoekende Partij of voor zover deze veroordeling of rechterlijke uitspraak uitdrukkelijk daarop is gegrond.
3. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het tweede lid van dit artikel slechts van toepassing is met inachtneming van zijn of haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van zijn of haar rechtsstelsel.
4. Indien de confiscatie bestaat in de verplichting een geldbedrag te betalen, zet de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij dit bedrag om in de munteenheid van die Partij tegen de wisselkoers die geldt op het tijdstip waarop de beslissing om tot confiscatie over te gaan wordt genomen.
5. In het geval bedoeld in artikel 23, eerste lid, a, heeft alleen de verzoekende Partij het recht uitspraak te doen over een verzoek om herziening van de beslissing tot confiscatie.
Art. 24. - Exécution de la confiscation
1. Les procédures permettant d'obtenir et d'exécuter la confiscation en vertu de l'article 23 sont régies par la loi de la Partie requise.
2. La Partie requise est liée par la constatation des faits dans la mesure où ceux-ci sont exposés dans une condamnation ou une décision judiciaire de la Partie requérante, ou dans la mesure où celle-ci se fonde implicitement sur eux.
3. Chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer que le paragraphe 2 du présent article ne s'applique que sous réserve de ses principes constitutionnels et des concepts fondamentaux de son système juridique.
4. Si la confiscation consiste en l'obligation de payer une somme d'argent, l'autorité compétente de la Partie requise en convertit le montant en devises de son pays au taux de change en vigueur au moment où est prise la décision d'exécuter la confiscation.
5. Dans le cas visé à l'article 23, paragraphe 1er, a, la Partie requérante a seule le droit de statuer relativement à toute demande de révision de la décision de confiscation.
1. Les procédures permettant d'obtenir et d'exécuter la confiscation en vertu de l'article 23 sont régies par la loi de la Partie requise.
2. La Partie requise est liée par la constatation des faits dans la mesure où ceux-ci sont exposés dans une condamnation ou une décision judiciaire de la Partie requérante, ou dans la mesure où celle-ci se fonde implicitement sur eux.
3. Chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer que le paragraphe 2 du présent article ne s'applique que sous réserve de ses principes constitutionnels et des concepts fondamentaux de son système juridique.
4. Si la confiscation consiste en l'obligation de payer une somme d'argent, l'autorité compétente de la Partie requise en convertit le montant en devises de son pays au taux de change en vigueur au moment où est prise la décision d'exécuter la confiscation.
5. Dans le cas visé à l'article 23, paragraphe 1er, a, la Partie requérante a seule le droit de statuer relativement à toute demande de révision de la décision de confiscation.
Art. 25. - Geconfisqueerde voorwerpen
1. Een Partij die krachtens de artikelen 23 en 24 van de Overeenkomst voorwerpen confisqueert, beschikt erover overeenkomstig haar nationaal recht en haar bestuurlijke procedures.
2. Wanneer een Partij overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van deze Overeenkomst handelt op verzoek van een andere Partij, moet zij, voor zover haar nationaal recht die mogelijkheid biedt en haar het verzoek wordt gedaan, bij voorrang ernaar streven de geconfisqueerde voorwerpen aan de verzoekende Partij terug te geven zodat deze laatste de slachtoffers van het strafbaar feit kan vergoeden, dan wel die voorwerpen aan hun wettige eigenaar kan teruggeven.
3. Wanneer een Partij overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van deze Overeenkomst handelt op verzoek van een andere Partij, kan zij inzonderheid akkoorden sluiten of regelingen treffen die erin voorzien deze voorwerpen stelselmatig of naar gelang van het geval met andere Partijen te delen, zulks overeenkomstig haar nationaal recht of haar bestuurlijke procedures.
1. Een Partij die krachtens de artikelen 23 en 24 van de Overeenkomst voorwerpen confisqueert, beschikt erover overeenkomstig haar nationaal recht en haar bestuurlijke procedures.
2. Wanneer een Partij overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van deze Overeenkomst handelt op verzoek van een andere Partij, moet zij, voor zover haar nationaal recht die mogelijkheid biedt en haar het verzoek wordt gedaan, bij voorrang ernaar streven de geconfisqueerde voorwerpen aan de verzoekende Partij terug te geven zodat deze laatste de slachtoffers van het strafbaar feit kan vergoeden, dan wel die voorwerpen aan hun wettige eigenaar kan teruggeven.
3. Wanneer een Partij overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van deze Overeenkomst handelt op verzoek van een andere Partij, kan zij inzonderheid akkoorden sluiten of regelingen treffen die erin voorzien deze voorwerpen stelselmatig of naar gelang van het geval met andere Partijen te delen, zulks overeenkomstig haar nationaal recht of haar bestuurlijke procedures.
Art. 25. - Biens confisqués
1. Une Partie qui confisque des biens en application des articles 23 et 24 de la Convention, en dispose conformément à son droit interne et à ses procédures administratives.
2. Lorsqu'une Partie agit à la demande d'une autre Partie en application des articles 23 et 24 de cette Convention, elle doit, dans la mesure où son droit interne le lui permet et si la demande lui en est faite, envisager à titre prioritaire de restituer les biens confisqués à la Partie requérante, afin que cette dernière puisse indemniser les victimes de l'infraction ou restituer ces biens à leur propriétaire légitime.
3. Lorsqu'une Partie agit à la demande d'une autre Partie en application des articles 23 et 24 de cette Convention, elle peut envisager spécialement de conclure des accords ou arrangements prévoyant de partager ces biens avec d'autres Parties, systématiquement ou au cas par cas, conformément à son droit interne ou à ses procédures administratives.
1. Une Partie qui confisque des biens en application des articles 23 et 24 de la Convention, en dispose conformément à son droit interne et à ses procédures administratives.
2. Lorsqu'une Partie agit à la demande d'une autre Partie en application des articles 23 et 24 de cette Convention, elle doit, dans la mesure où son droit interne le lui permet et si la demande lui en est faite, envisager à titre prioritaire de restituer les biens confisqués à la Partie requérante, afin que cette dernière puisse indemniser les victimes de l'infraction ou restituer ces biens à leur propriétaire légitime.
3. Lorsqu'une Partie agit à la demande d'une autre Partie en application des articles 23 et 24 de cette Convention, elle peut envisager spécialement de conclure des accords ou arrangements prévoyant de partager ces biens avec d'autres Parties, systématiquement ou au cas par cas, conformément à son droit interne ou à ses procédures administratives.
Art. 26. - Recht op uitvoering en maximum bedrag van de confiscatie
1. Een verzoek om confiscatie uit hoofde van de artikelen 23 en 24 laat het recht van de verzoekende Partij om de beslissing tot confiscatie zelf uit te voeren onverlet.
2. Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor de totale waarde van de geconfisqueerde voorwerpen hoger zou zijn dan het in de beslissing tot confiscatie genoemde bedrag. Indien een Partij vaststelt dat dit zich zou kunnen voordoen, plegen de betrokken Partijen overleg ten einde bedoeld gevolg te voorkomen.
1. Een verzoek om confiscatie uit hoofde van de artikelen 23 en 24 laat het recht van de verzoekende Partij om de beslissing tot confiscatie zelf uit te voeren onverlet.
2. Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor de totale waarde van de geconfisqueerde voorwerpen hoger zou zijn dan het in de beslissing tot confiscatie genoemde bedrag. Indien een Partij vaststelt dat dit zich zou kunnen voordoen, plegen de betrokken Partijen overleg ten einde bedoeld gevolg te voorkomen.
Art. 26. - Droit d'exécution et montant maximal de la confiscation
1. Une demande de confiscation faite conformément aux articles 23 et 24 ne porte pas atteinte au droit de la Partie requérante d'exécuter elle-même la décision de confiscation.
2. Rien dans la présente Convention ne saurait être interprété comme permettant que la valeur totale des biens confisqués soit supérieure à la somme fixée par la décision de confiscation. Si une Partie constate que cela pourrait se produire, les Parties concernées procèdent à des consultations pour éviter une telle conséquence.
1. Une demande de confiscation faite conformément aux articles 23 et 24 ne porte pas atteinte au droit de la Partie requérante d'exécuter elle-même la décision de confiscation.
2. Rien dans la présente Convention ne saurait être interprété comme permettant que la valeur totale des biens confisqués soit supérieure à la somme fixée par la décision de confiscation. Si une Partie constate que cela pourrait se produire, les Parties concernées procèdent à des consultations pour éviter une telle conséquence.
Art. 27. - Lijfsdwang De aangezochte Partij mag geen lijfsdwang of enige andere vrijheidsberovende maatregel opleggen naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van artikel 23, indien de verzoekende Partij zulks in het verzoek heeft aangegeven.
Art. 27. - Contrainte par corps
La Partie requise ne peut pas prononcer la contrainte par corps ni prendre aucune autre mesure restrictive de liberté à la suite d'une demande présentée en vertu de l'article 23 si la Partie requérante l'a précisé dans la demande.
La Partie requise ne peut pas prononcer la contrainte par corps ni prendre aucune autre mesure restrictive de liberté à la suite d'une demande présentée en vertu de l'article 23 si la Partie requérante l'a précisé dans la demande.
Afdeling 5. - Weigering en uitstel van de samenwerking
Section 5. - Refus et ajournement de la coopération
Art. 28. - Gronden voor weigering
1. Samenwerking ingevolge dit hoofdstuk kan worden geweigerd indien :
a) de maatregel waarom wordt verzocht in strijd is met de grondbeginselen van het rechtsstelsel van de aangezochte Partij; of
b) de uitvoering van het verzoek de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen van de aangezochte partij zou kunnen schaden; of
c) naar het oordeel van de aangezochte Partij het belang van de zaak waarop het verzoek betrekking heeft het nemen van de maatregel waarom is verzocht niet verantwoordt; of
d) het strafbare feit waarop het verzoek betrekking heeft een fiscaal delict is, behalve indien het gaat om financiering van het terrorisme is; of
e) het feit waarop het verzoek betrekking heeft een politiek delict is, behalve indien het gaat om financiering van het terrorisme; of
f) de aangezochte Partij van oordeel is dat de uitvoering van verlangde maatregel in strijd zou zijn met het beginsel ne bis in idem; of
g) het feit waarop het verzoek betrekking heeft niet strafbaar is krachtens de wetgeving van de aangezochte Partij indien het zou zijn gepleegd op een grondgebied dat onder haar rechtsmacht valt. Deze weigeringsgrond geldt echter slechts voor de samenwerking uit hoofde van afdeling 2 voor zover de rechtshulp waarom is verzocht de toepassing van dwangmiddelen inhoudt. Wanneer de dubbele strafbaarstelling vereist is voor de samenwerking krachtens dit hoofdstuk wordt deze verplichting geacht vervuld te zijn zodra beide Partijen de handeling die ten grondslag ligt van het delict strafbaar stellen, ongeacht het gegeven of beide Partijen het strafbaar feit al dan niet in dezelfde categorie strafbaar feit onderbrengen of met dezelfde terminologie omschrijven.
2. Samenwerking uit hoofde van afdeling 2, voor zover de rechtshulp waarom is verzocht de toepassing van dwangmiddelen inhoudt, en uit hoofde van afdeling 3 van dit hoofdstuk kan ook worden geweigerd indien de verlangde maatregelen krachtens de nationale wetgeving van de aangezochte Partij niet zouden kunnen worden genomen voor opsporings- of vervolgingsdoeleinden, indien het om een soortgelijke binnenlandse zaak zou gaan.
3. Wanneer de wetgeving van de aangezochte Partij zulks vereist, kan samenwerking uit hoofde van afdeling 2, voor zover de rechtshulp waarom is verzocht de toepassing van dwangmiddelen inhoudt, en uit hoofde van afdeling 3 van dit hoofdstuk ook worden geweigerd indien de verlangde maatregelen, of andere maatregelen van soortgelijke strekking niet zijn toegestaan krachtens de wetgeving van de verzoekende Partij of, wat de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij betreft, indien voor het verzoek geen machtiging is verleend door een rechter of een andere rechterlijke autoriteit, daaronder begrepen het openbaar ministerie, met dien verstande dat deze autoriteiten handelen in het kader van strafzaken.
4. Samenwerking uit hoofde van afdeling 4 van dit hoofdstuk kan ook worden geweigerd indien :
a) de wetgeving van de aangezochte Partij niet voorziet in confiscatie inzake het soort strafbaar feit waarop het verzoek betrekking heeft; of
b) onverminderd de verplichting uit hoofde van artikel 23, derde lid, de samenwerking in strijd zou zijn met de beginselen van de nationale wetgeving van de aangezochte Partij betreffende de mogelijkheden tot confiscatie, gelet op het verband tussen een strafbaar feit en :
i) een economisch voordeel dat zou kunnen worden aangemerkt als de opbrengst ervan; of
ii) voorwerpen die zouden kunnen worden aangemerkt als de hulpmiddelen; of
c) de confiscatie, krachtens de wetgeving van de aangezochte Partij, niet langer kan worden uitgesproken of ten uitvoer gelegd wegens verjaring; of
d) onverminderd artikel 23, vijfde lid, het verzoek geen betrekking heeft op een eerdere veroordeling, noch op een rechterlijke uitspraak of een verklaring in een dergelijke uitspraak dat een of meer strafbare feiten zijn gepleegd, waarop de beslissing tot of het verzoek om confiscatie is gegrond; of
e) de confiscatie niet voor uitvoering vatbaar is in de verzoekende Partij, of indien daartegen nog gewone rechtsmiddelen openstaan; of
f) het verzoek betrekking heeft op een beslissing tot confiscatie gegeven in afwezigheid van de persoon tegen wie de beslissing is gericht en de door de verzoekende Partij ingestelde procedure die tot deze beslissing heeft geleid, naar het oordeel van de aangezochte Partij, niet in voldoende mate de erkende minimale rechten van de verdediging heeft geëerbiedigd welke aan eenieder die wordt verdacht van een strafbaar feit geacht worden toe te komen.
5. Voor de toepassing van het vierde lid, f, van dit artikel wordt een beslissing niet geacht bij afwezigheid te zijn gegeven indien :
a) zij is bevestigd of uitgesproken na verzet door de betrokkene; of
b) zij is gegeven in hoger beroep, op voorwaarde dat het beroep is ingesteld door de betrokkene.
6. Bij de beoordeling, ten behoeve van het vierde lid, f, van dit artikel, of de minimale rechten van de verdediging in voldoende mate zijn geëerbiedigd, houdt de aangezochte Partij rekening met het gegeven dat de betrokkene bewust heeft getracht zich aan de justitie te onttrekken, dan wel dat de betrokkene, indien hij de mogelijkheid heeft gehad een rechtsmiddel in te stellen tegen een bij afwezigheid gegeven beslissing, heeft verkozen zulks niet te doen. Hetzelfde geldt wanneer de betrokkene, nadat hij naar behoren is gedagvaard om te verschijnen, heeft verkozen niet te verschijnen of geen uitstel te vragen.
7. Een Partij kan het bankgeheim niet aanvoeren als grond om enige samenwerking waarin is voorzien in dit hoofdstuk te weigeren. Wanneer haar nationale wetgeving zulks vereist, kan een Partij eisen dat voor een verzoek om samenwerking dat opheffing van het bankgeheim inhoudt, machtiging wordt verleend door een rechter of een andere rechterlijke autoriteit, daaronder begrepen het openbaar ministerie, met dien verstande dat deze autoriteiten handelen in het kader van strafzaken.
8. Zonder afbreuk te doen aan de weigeringsgrond bedoeld in het eerste lid, a, van dit artikel :
a) kan het gegeven dat de persoon tegen wie een onderzoek of een door de autoriteiten van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie is gericht, een rechtspersoon is, niet door de aangezochte Partij worden aangevoerd als beletsel om samen te werken ingevolge dit hoofdstuk;
b) kan het gegeven dat de natuurlijke persoon tegen wie een beslissing tot confiscatie van opbrengsten is gegeven, is overleden, dan wel het gegeven dat een rechtspersoon waartegen een beslissing tot confiscatie van opbrengsten is gegeven, later is ontbonden, niet worden aangevoerd als beletsel om rechtshulp te verlenen in overeenstemming met artikel 23, eerste lid, a ;
c) kan het gegeven dat de persoon tegen wie een onderzoek of een door de autoriteiten van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie is gericht, in het verzoek zowel wordt vermeld als dader van het basisdelict en van het strafbaar feit van witwassen krachtens artikel 9, tweede lid, b, van deze Overeenkomst, niet door de aangezochte Partij worden aangevoerd als beletsel om samen te werken ingevolge dit hoofdstuk.
1. Samenwerking ingevolge dit hoofdstuk kan worden geweigerd indien :
a) de maatregel waarom wordt verzocht in strijd is met de grondbeginselen van het rechtsstelsel van de aangezochte Partij; of
b) de uitvoering van het verzoek de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen van de aangezochte partij zou kunnen schaden; of
c) naar het oordeel van de aangezochte Partij het belang van de zaak waarop het verzoek betrekking heeft het nemen van de maatregel waarom is verzocht niet verantwoordt; of
d) het strafbare feit waarop het verzoek betrekking heeft een fiscaal delict is, behalve indien het gaat om financiering van het terrorisme is; of
e) het feit waarop het verzoek betrekking heeft een politiek delict is, behalve indien het gaat om financiering van het terrorisme; of
f) de aangezochte Partij van oordeel is dat de uitvoering van verlangde maatregel in strijd zou zijn met het beginsel ne bis in idem; of
g) het feit waarop het verzoek betrekking heeft niet strafbaar is krachtens de wetgeving van de aangezochte Partij indien het zou zijn gepleegd op een grondgebied dat onder haar rechtsmacht valt. Deze weigeringsgrond geldt echter slechts voor de samenwerking uit hoofde van afdeling 2 voor zover de rechtshulp waarom is verzocht de toepassing van dwangmiddelen inhoudt. Wanneer de dubbele strafbaarstelling vereist is voor de samenwerking krachtens dit hoofdstuk wordt deze verplichting geacht vervuld te zijn zodra beide Partijen de handeling die ten grondslag ligt van het delict strafbaar stellen, ongeacht het gegeven of beide Partijen het strafbaar feit al dan niet in dezelfde categorie strafbaar feit onderbrengen of met dezelfde terminologie omschrijven.
2. Samenwerking uit hoofde van afdeling 2, voor zover de rechtshulp waarom is verzocht de toepassing van dwangmiddelen inhoudt, en uit hoofde van afdeling 3 van dit hoofdstuk kan ook worden geweigerd indien de verlangde maatregelen krachtens de nationale wetgeving van de aangezochte Partij niet zouden kunnen worden genomen voor opsporings- of vervolgingsdoeleinden, indien het om een soortgelijke binnenlandse zaak zou gaan.
3. Wanneer de wetgeving van de aangezochte Partij zulks vereist, kan samenwerking uit hoofde van afdeling 2, voor zover de rechtshulp waarom is verzocht de toepassing van dwangmiddelen inhoudt, en uit hoofde van afdeling 3 van dit hoofdstuk ook worden geweigerd indien de verlangde maatregelen, of andere maatregelen van soortgelijke strekking niet zijn toegestaan krachtens de wetgeving van de verzoekende Partij of, wat de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij betreft, indien voor het verzoek geen machtiging is verleend door een rechter of een andere rechterlijke autoriteit, daaronder begrepen het openbaar ministerie, met dien verstande dat deze autoriteiten handelen in het kader van strafzaken.
4. Samenwerking uit hoofde van afdeling 4 van dit hoofdstuk kan ook worden geweigerd indien :
a) de wetgeving van de aangezochte Partij niet voorziet in confiscatie inzake het soort strafbaar feit waarop het verzoek betrekking heeft; of
b) onverminderd de verplichting uit hoofde van artikel 23, derde lid, de samenwerking in strijd zou zijn met de beginselen van de nationale wetgeving van de aangezochte Partij betreffende de mogelijkheden tot confiscatie, gelet op het verband tussen een strafbaar feit en :
i) een economisch voordeel dat zou kunnen worden aangemerkt als de opbrengst ervan; of
ii) voorwerpen die zouden kunnen worden aangemerkt als de hulpmiddelen; of
c) de confiscatie, krachtens de wetgeving van de aangezochte Partij, niet langer kan worden uitgesproken of ten uitvoer gelegd wegens verjaring; of
d) onverminderd artikel 23, vijfde lid, het verzoek geen betrekking heeft op een eerdere veroordeling, noch op een rechterlijke uitspraak of een verklaring in een dergelijke uitspraak dat een of meer strafbare feiten zijn gepleegd, waarop de beslissing tot of het verzoek om confiscatie is gegrond; of
e) de confiscatie niet voor uitvoering vatbaar is in de verzoekende Partij, of indien daartegen nog gewone rechtsmiddelen openstaan; of
f) het verzoek betrekking heeft op een beslissing tot confiscatie gegeven in afwezigheid van de persoon tegen wie de beslissing is gericht en de door de verzoekende Partij ingestelde procedure die tot deze beslissing heeft geleid, naar het oordeel van de aangezochte Partij, niet in voldoende mate de erkende minimale rechten van de verdediging heeft geëerbiedigd welke aan eenieder die wordt verdacht van een strafbaar feit geacht worden toe te komen.
5. Voor de toepassing van het vierde lid, f, van dit artikel wordt een beslissing niet geacht bij afwezigheid te zijn gegeven indien :
a) zij is bevestigd of uitgesproken na verzet door de betrokkene; of
b) zij is gegeven in hoger beroep, op voorwaarde dat het beroep is ingesteld door de betrokkene.
6. Bij de beoordeling, ten behoeve van het vierde lid, f, van dit artikel, of de minimale rechten van de verdediging in voldoende mate zijn geëerbiedigd, houdt de aangezochte Partij rekening met het gegeven dat de betrokkene bewust heeft getracht zich aan de justitie te onttrekken, dan wel dat de betrokkene, indien hij de mogelijkheid heeft gehad een rechtsmiddel in te stellen tegen een bij afwezigheid gegeven beslissing, heeft verkozen zulks niet te doen. Hetzelfde geldt wanneer de betrokkene, nadat hij naar behoren is gedagvaard om te verschijnen, heeft verkozen niet te verschijnen of geen uitstel te vragen.
7. Een Partij kan het bankgeheim niet aanvoeren als grond om enige samenwerking waarin is voorzien in dit hoofdstuk te weigeren. Wanneer haar nationale wetgeving zulks vereist, kan een Partij eisen dat voor een verzoek om samenwerking dat opheffing van het bankgeheim inhoudt, machtiging wordt verleend door een rechter of een andere rechterlijke autoriteit, daaronder begrepen het openbaar ministerie, met dien verstande dat deze autoriteiten handelen in het kader van strafzaken.
8. Zonder afbreuk te doen aan de weigeringsgrond bedoeld in het eerste lid, a, van dit artikel :
a) kan het gegeven dat de persoon tegen wie een onderzoek of een door de autoriteiten van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie is gericht, een rechtspersoon is, niet door de aangezochte Partij worden aangevoerd als beletsel om samen te werken ingevolge dit hoofdstuk;
b) kan het gegeven dat de natuurlijke persoon tegen wie een beslissing tot confiscatie van opbrengsten is gegeven, is overleden, dan wel het gegeven dat een rechtspersoon waartegen een beslissing tot confiscatie van opbrengsten is gegeven, later is ontbonden, niet worden aangevoerd als beletsel om rechtshulp te verlenen in overeenstemming met artikel 23, eerste lid, a ;
c) kan het gegeven dat de persoon tegen wie een onderzoek of een door de autoriteiten van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie is gericht, in het verzoek zowel wordt vermeld als dader van het basisdelict en van het strafbaar feit van witwassen krachtens artikel 9, tweede lid, b, van deze Overeenkomst, niet door de aangezochte Partij worden aangevoerd als beletsel om samen te werken ingevolge dit hoofdstuk.
Art. 28. - Motifs de refus
1. La coopération en vertu présent chapitre peut être refusée dans le cas où :
a) la mesure sollicitée serait contraire aux principes fondamentaux de l'ordre juridique de la Partie requise; ou
b) l'exécution de la demande risque de porter atteinte à la souveraineté, à la sécurité, à l'ordre public ou à d'autres intérêts essentiels de la Partie requise; ou
c) la Partie requise estime que l'importance de l'affaire sur laquelle porte la demande ne justifie pas que soit prise la mesure sollicitée; ou
d) l'infraction sur laquelle porte la demande est une infraction fiscale, sauf si l'infraction visée est le financement du terrorisme; ou
e) l'infraction sur laquelle porte la demande est une infraction politique, sauf si l'infraction visée est le financement du terrorisme; ou
f) la Partie requise considère que la mesure sollicitée irait à l'encontre du principe " ne bis in idem "; ou
g) l'infraction à laquelle se rapporte la demande ne serait pas une infraction au regard du droit de la Partie requise si elle était commise sur le territoire relevant de sa juridiction. Toutefois, ce motif de refus ne s'applique à la coopération prévue par la section 2 que dans la mesure où l'entraide sollicitée implique des mesures coercitives. Lorsque la double incrimination est exigée pour la coopération en vertu du présent chapitre, cette obligation est considérée comme remplie, que les deux Parties classent ou non l'infraction dans la même catégorie d'infraction ou qu'elles utilisent ou non la même terminologie pour la désigner, dès lors que les deux Parties incriminent l'acte qui est à la base de l'infraction.
2. La coopération prévue par la section 2, dans la mesure où l'entraide sollicitée implique des mesures coercitives, et celle prévue par la section 3 du présent chapitre peuvent également être refusées dans les cas où les mesures sollicitées ne pourraient pas être prises en vertu du droit interne de la Partie requise à des fins d'investigations ou de procédures, s'il s'agissait d'une affaire interne analogue.
3. Lorsque la législation de la Partie requise l'exige, la coopération prévue par la section 2, dans la mesure où l'entraide sollicitée implique des mesures coercitives, et celle prévue par la section 3 du présent chapitre peuvent aussi être refusées dans le cas où les mesures sollicitées ou toutes autres mesures ayant des effets analogues ne seraient pas autorisées par la législation de la Partie requérante, ou, en ce qui concerne les autorités compétentes de la Partie requérante, si la demande n'est autorisée ni par un juge ni par une autre autorité judiciaire, y compris le ministère public, ces autorités agissant en matière d'infractions pénales.
4. La coopération prévue par la section 4 du présent chapitre peut aussi être refusée si :
a) la législation de la Partie requise ne prévoit pas la confiscation pour le type d'infraction sur lequel porte la demande; ou
b) sans préjudice de l'obligation relevant de l'article 23, paragraphe 3, elle irait à l'encontre des principes du droit interne de la Partie requise en ce qui concerne les possibilités de confiscation relativement aux liens entre une infraction et :
i) un avantage économique qui pourrait être assimilé à son produit; ou
ii) des biens qui pourraient être assimilés à ses instruments; ou
c) en vertu de la législation de la Partie requise, la décision de confiscation ne peut plus être prononcée ou exécutée pour cause de prescription; ou
d) sans préjudice de l'article 23, paragraphe 5, la demande ne porte pas sur une condamnation antérieure, ni sur une décision de caractère judiciaire, ni sur une déclaration figurant dans une telle décision, déclaration selon laquelle une ou plusieurs infractions ont été commises, et qui est à l'origine de la décision ou de la demande de confiscation; ou
e) soit la confiscation n'est pas exécutoire dans la Partie requérante, soit elle est encore susceptible de voies de recours ordinaires; ou
f) la demande se rapporte à une décision de confiscation rendue en l'absence de la personne visée par la décision et si, selon la Partie requise, la procédure engagée par la Partie requérante et qui a conduit à cette décision n'a pas satisfait aux droits minima de la défense reconnus à toute personne accusée d'une infraction.
5. Aux fins du paragraphe 4, f, du présent article, une décision n'est pas réputée avoir été rendue en l'absence de l'accusé :
a) si elle a été confirmée ou prononcée après opposition par l'intéressé; ou
b) si elle a été rendue en appel, à condition que l'appel ait été interjeté par l'intéressé.
6. En examinant, pour les besoins du paragraphe 4, f du présent article, si les droits minima de la défense ont été respectés, la Partie requise tiendra compte du fait que l'intéressé a délibérément cherché à se soustraire à la justice ou que cette personne, après avoir eu la possibilité d'introduire un recours contre la décision rendue en son absence, a choisi de ne pas introduire un tel recours. Il en ira de même lorsque l'intéressé, après avoir été dûment cité à comparaître, aura choisi de ne pas comparaître ou de ne pas demander l'ajournement de l'affaire.
7. Une Partie ne saurait invoquer le secret bancaire pour justifier son refus de toute coopération prévue au présent chapitre. Lorsque son droit interne l'exige, une Partie peut exiger qu'une demande de coopération qui impliquerait la levée du secret bancaire soit autorisée, soit par un juge, soit par une autre autorité judiciaire, y compris le ministère public, ces autorités agissant en matière d'infractions pénales.
8. Sans préjudice du motif de refus prévu au paragraphe 1er, a du présent article :
a) le fait que la personne qui fait l'objet d'une investigation menée ou d'une décision de confiscation prise par les autorités de la Partie requérante soit une personne morale ne saurait être invoqué par la Partie requise comme un obstacle à toute coopération en vertu du présent chapitre;
b) le fait que la personne physique contre laquelle a été rendue une décision de confiscation de produits soit décédée ainsi que le fait qu'une personne morale contre laquelle a été rendue une décision de confiscation de produits ait été dissoute par la suite ne sauraient être invoqués comme des obstacles à l'entraide prévue par l'article 23, paragraphe 1er, a ;
c) le fait que la personne faisant l'objet d'une enquête ou d'une décision de confiscation prise par les autorités de la Partie requérante soit mentionnée dans la requête à la fois comme l'auteur de l'infraction principale et de l'infraction de blanchiment en application de l'article 9, 2, b de cette Convention, ne saurait être invoqué par la Partie requise comme un obstacle à toute coopération en vertu du présent chapitre.
1. La coopération en vertu présent chapitre peut être refusée dans le cas où :
a) la mesure sollicitée serait contraire aux principes fondamentaux de l'ordre juridique de la Partie requise; ou
b) l'exécution de la demande risque de porter atteinte à la souveraineté, à la sécurité, à l'ordre public ou à d'autres intérêts essentiels de la Partie requise; ou
c) la Partie requise estime que l'importance de l'affaire sur laquelle porte la demande ne justifie pas que soit prise la mesure sollicitée; ou
d) l'infraction sur laquelle porte la demande est une infraction fiscale, sauf si l'infraction visée est le financement du terrorisme; ou
e) l'infraction sur laquelle porte la demande est une infraction politique, sauf si l'infraction visée est le financement du terrorisme; ou
f) la Partie requise considère que la mesure sollicitée irait à l'encontre du principe " ne bis in idem "; ou
g) l'infraction à laquelle se rapporte la demande ne serait pas une infraction au regard du droit de la Partie requise si elle était commise sur le territoire relevant de sa juridiction. Toutefois, ce motif de refus ne s'applique à la coopération prévue par la section 2 que dans la mesure où l'entraide sollicitée implique des mesures coercitives. Lorsque la double incrimination est exigée pour la coopération en vertu du présent chapitre, cette obligation est considérée comme remplie, que les deux Parties classent ou non l'infraction dans la même catégorie d'infraction ou qu'elles utilisent ou non la même terminologie pour la désigner, dès lors que les deux Parties incriminent l'acte qui est à la base de l'infraction.
2. La coopération prévue par la section 2, dans la mesure où l'entraide sollicitée implique des mesures coercitives, et celle prévue par la section 3 du présent chapitre peuvent également être refusées dans les cas où les mesures sollicitées ne pourraient pas être prises en vertu du droit interne de la Partie requise à des fins d'investigations ou de procédures, s'il s'agissait d'une affaire interne analogue.
3. Lorsque la législation de la Partie requise l'exige, la coopération prévue par la section 2, dans la mesure où l'entraide sollicitée implique des mesures coercitives, et celle prévue par la section 3 du présent chapitre peuvent aussi être refusées dans le cas où les mesures sollicitées ou toutes autres mesures ayant des effets analogues ne seraient pas autorisées par la législation de la Partie requérante, ou, en ce qui concerne les autorités compétentes de la Partie requérante, si la demande n'est autorisée ni par un juge ni par une autre autorité judiciaire, y compris le ministère public, ces autorités agissant en matière d'infractions pénales.
4. La coopération prévue par la section 4 du présent chapitre peut aussi être refusée si :
a) la législation de la Partie requise ne prévoit pas la confiscation pour le type d'infraction sur lequel porte la demande; ou
b) sans préjudice de l'obligation relevant de l'article 23, paragraphe 3, elle irait à l'encontre des principes du droit interne de la Partie requise en ce qui concerne les possibilités de confiscation relativement aux liens entre une infraction et :
i) un avantage économique qui pourrait être assimilé à son produit; ou
ii) des biens qui pourraient être assimilés à ses instruments; ou
c) en vertu de la législation de la Partie requise, la décision de confiscation ne peut plus être prononcée ou exécutée pour cause de prescription; ou
d) sans préjudice de l'article 23, paragraphe 5, la demande ne porte pas sur une condamnation antérieure, ni sur une décision de caractère judiciaire, ni sur une déclaration figurant dans une telle décision, déclaration selon laquelle une ou plusieurs infractions ont été commises, et qui est à l'origine de la décision ou de la demande de confiscation; ou
e) soit la confiscation n'est pas exécutoire dans la Partie requérante, soit elle est encore susceptible de voies de recours ordinaires; ou
f) la demande se rapporte à une décision de confiscation rendue en l'absence de la personne visée par la décision et si, selon la Partie requise, la procédure engagée par la Partie requérante et qui a conduit à cette décision n'a pas satisfait aux droits minima de la défense reconnus à toute personne accusée d'une infraction.
5. Aux fins du paragraphe 4, f, du présent article, une décision n'est pas réputée avoir été rendue en l'absence de l'accusé :
a) si elle a été confirmée ou prononcée après opposition par l'intéressé; ou
b) si elle a été rendue en appel, à condition que l'appel ait été interjeté par l'intéressé.
6. En examinant, pour les besoins du paragraphe 4, f du présent article, si les droits minima de la défense ont été respectés, la Partie requise tiendra compte du fait que l'intéressé a délibérément cherché à se soustraire à la justice ou que cette personne, après avoir eu la possibilité d'introduire un recours contre la décision rendue en son absence, a choisi de ne pas introduire un tel recours. Il en ira de même lorsque l'intéressé, après avoir été dûment cité à comparaître, aura choisi de ne pas comparaître ou de ne pas demander l'ajournement de l'affaire.
7. Une Partie ne saurait invoquer le secret bancaire pour justifier son refus de toute coopération prévue au présent chapitre. Lorsque son droit interne l'exige, une Partie peut exiger qu'une demande de coopération qui impliquerait la levée du secret bancaire soit autorisée, soit par un juge, soit par une autre autorité judiciaire, y compris le ministère public, ces autorités agissant en matière d'infractions pénales.
8. Sans préjudice du motif de refus prévu au paragraphe 1er, a du présent article :
a) le fait que la personne qui fait l'objet d'une investigation menée ou d'une décision de confiscation prise par les autorités de la Partie requérante soit une personne morale ne saurait être invoqué par la Partie requise comme un obstacle à toute coopération en vertu du présent chapitre;
b) le fait que la personne physique contre laquelle a été rendue une décision de confiscation de produits soit décédée ainsi que le fait qu'une personne morale contre laquelle a été rendue une décision de confiscation de produits ait été dissoute par la suite ne sauraient être invoqués comme des obstacles à l'entraide prévue par l'article 23, paragraphe 1er, a ;
c) le fait que la personne faisant l'objet d'une enquête ou d'une décision de confiscation prise par les autorités de la Partie requérante soit mentionnée dans la requête à la fois comme l'auteur de l'infraction principale et de l'infraction de blanchiment en application de l'article 9, 2, b de cette Convention, ne saurait être invoqué par la Partie requise comme un obstacle à toute coopération en vertu du présent chapitre.
Art. 29. - Uitstel De aangezochte Partij mag de uitvoering van de in een verzoek bedoelde maatregelen uitstellen, indien deze onderzoeken of procedures ingesteld door haar autoriteiten zouden kunnen schaden.
Art. 29. - Ajournement La Partie requise peut surseoir à l'exécution des mesures visées par une demande si elles risquent de porter préjudice à des investigations ou des procédures menées par ses autorités.
Art. 30. - Gedeeltelijke of voorwaardelijke inwilliging van een verzoek
Alvorens samenwerking ingevolge dit hoofdstuk te weigeren of uit te stellen, overweegt de aangezochte Partij, in voorkomend geval na overleg met de verzoekende Partij, of het verzoek gedeeltelijk kan worden ingewilligd, dan wel onder de voorwaarden die zij noodzakelijk acht.
Alvorens samenwerking ingevolge dit hoofdstuk te weigeren of uit te stellen, overweegt de aangezochte Partij, in voorkomend geval na overleg met de verzoekende Partij, of het verzoek gedeeltelijk kan worden ingewilligd, dan wel onder de voorwaarden die zij noodzakelijk acht.
Art. 30. - Acceptation partielle ou sous condition d'une demande
Avant de refuser ou de différer sa coopération en vertu du présent chapitre, la Partie requise examine, le cas échéant après avoir consulté la Partie requérante, s'il peut y être fait droit partiellement ou sous réserve des conditions qu'elle juge nécessaires.
Avant de refuser ou de différer sa coopération en vertu du présent chapitre, la Partie requise examine, le cas échéant après avoir consulté la Partie requérante, s'il peut y être fait droit partiellement ou sous réserve des conditions qu'elle juge nécessaires.
Afdeling 6. - Betekening en bescherming van rechten van derden
Section 6. - Notification et protection des droits des tiers
Art. 31. - Betekening van stukken
1. De Partijen verlenen elkaar de ruimste mate van wederzijdse rechtshulp bij de betekening van gerechtelijke documenten aan personen betrokken bij voorlopige maatregelen en confiscatie.
2. Geen enkele bepaling van dit artikel staat de mogelijkheid in de weg :
a) dat gerechtelijke documenten rechtstreeks over de post worden toegezonden aan personen in het buitenland;
b) dat deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de Partij van herkomst rechtstreeks door de consulaire autoriteiten van die Partij of door de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de Partij van bestemming, betekening of kennisgeving van gerechtelijke documenten doen verrichten,
tenzij de Partij van bestemming op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een andersluidende verklaring richt aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
3. Bij de betekening van gerechtelijke documenten in het buitenland aan personen betrokken bij voorlopige maatregelen of beslissingen tot confiscatie die zijn genomen in de Partij van herkomst die personen in kennis van de rechtsmiddelen die krachtens haar wetgeving openstaan.
1. De Partijen verlenen elkaar de ruimste mate van wederzijdse rechtshulp bij de betekening van gerechtelijke documenten aan personen betrokken bij voorlopige maatregelen en confiscatie.
2. Geen enkele bepaling van dit artikel staat de mogelijkheid in de weg :
a) dat gerechtelijke documenten rechtstreeks over de post worden toegezonden aan personen in het buitenland;
b) dat deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de Partij van herkomst rechtstreeks door de consulaire autoriteiten van die Partij of door de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de Partij van bestemming, betekening of kennisgeving van gerechtelijke documenten doen verrichten,
tenzij de Partij van bestemming op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een andersluidende verklaring richt aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
3. Bij de betekening van gerechtelijke documenten in het buitenland aan personen betrokken bij voorlopige maatregelen of beslissingen tot confiscatie die zijn genomen in de Partij van herkomst die personen in kennis van de rechtsmiddelen die krachtens haar wetgeving openstaan.
Art. 31. - Notification de documents
1. Les Parties s'accordent mutuellement l'entraide la plus large possible pour la notification des actes judiciaires aux personnes concernées par des mesures provisoires et de confiscation.
2. Rien dans le présent article ne vise à faire obstacle :
a) à la faculté d'adresser des actes judiciaires par voie postale directement à des personnes se trouvant à l'étranger;
b) à la faculté pour les officiers ministériels, fonctionnaires ou autres personnes compétentes de la Partie d'origine de faire procéder à des significations ou notifications d'actes judiciaires directement par les autorités consulaires de cette Partie ou par les soins d'officiers ministériels, fonctionnaires ou autres personnes compétentes de la Partie de destination,
sauf si la Partie de destination fait une déclaration contraire au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
3. Lors de la notification d'actes judiciaires à l'étranger à des personnes concernées par des mesures provisoires ou des décisions de confiscation ordonnées dans la Partie d'origine, ladite Partie informe ces personnes des recours en justice offerts par sa législation.
1. Les Parties s'accordent mutuellement l'entraide la plus large possible pour la notification des actes judiciaires aux personnes concernées par des mesures provisoires et de confiscation.
2. Rien dans le présent article ne vise à faire obstacle :
a) à la faculté d'adresser des actes judiciaires par voie postale directement à des personnes se trouvant à l'étranger;
b) à la faculté pour les officiers ministériels, fonctionnaires ou autres personnes compétentes de la Partie d'origine de faire procéder à des significations ou notifications d'actes judiciaires directement par les autorités consulaires de cette Partie ou par les soins d'officiers ministériels, fonctionnaires ou autres personnes compétentes de la Partie de destination,
sauf si la Partie de destination fait une déclaration contraire au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
3. Lors de la notification d'actes judiciaires à l'étranger à des personnes concernées par des mesures provisoires ou des décisions de confiscation ordonnées dans la Partie d'origine, ladite Partie informe ces personnes des recours en justice offerts par sa législation.
Art. 32. - Erkenning van buitenlandse beslissingen
1. Bij de behandeling van een verzoek om samenwerking uit hoofde van de afdelingen 3 en 4 erkent de aangezochte Partij alle rechterlijke beslissingen die in de verzoekende Partij zijn gegeven met betrekking tot de rechten waarop derden aanspraak maken of hebben gemaakt.
2. Erkenning kan worden geweigerd indien :
a) derden onvoldoende gelegenheid hebben gehad hun rechten te doen gelden;
b) de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die reeds in de aangezochte Partij is gegeven met betrekking tot dezelfde aangelegenheid; of
c) zij onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte Partij; of
d) de beslissing is gegeven in strijd met de bepalingen inzake de exclusieve rechtsmacht waarin de wetgeving van de aangezochte Partij voorziet.
1. Bij de behandeling van een verzoek om samenwerking uit hoofde van de afdelingen 3 en 4 erkent de aangezochte Partij alle rechterlijke beslissingen die in de verzoekende Partij zijn gegeven met betrekking tot de rechten waarop derden aanspraak maken of hebben gemaakt.
2. Erkenning kan worden geweigerd indien :
a) derden onvoldoende gelegenheid hebben gehad hun rechten te doen gelden;
b) de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die reeds in de aangezochte Partij is gegeven met betrekking tot dezelfde aangelegenheid; of
c) zij onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte Partij; of
d) de beslissing is gegeven in strijd met de bepalingen inzake de exclusieve rechtsmacht waarin de wetgeving van de aangezochte Partij voorziet.
Art. 32. - Reconnaissance de décisions étrangères
1. Saisie d'une demande de coopération au titre des sections 3 et 4, la Partie requise reconnaît toute décision judiciaire rendue dans la Partie requérante en ce qui concerne les droits revendiqués par des tiers.
2. La reconnaissance peut être refusée :
a) si des tiers n'ont pas eu une possibilité suffisante de faire valoir leurs droits; ou
b) si la décision est incompatible avec une décision déjà rendue dans la Partie requise sur la même question; ou
c) si elle est incompatible avec l'ordre public de la Partie requise; ou
d) si la décision a été rendue contrairement aux dispositions en matière de compétence exclusive prévues par le droit de la Partie requise.
1. Saisie d'une demande de coopération au titre des sections 3 et 4, la Partie requise reconnaît toute décision judiciaire rendue dans la Partie requérante en ce qui concerne les droits revendiqués par des tiers.
2. La reconnaissance peut être refusée :
a) si des tiers n'ont pas eu une possibilité suffisante de faire valoir leurs droits; ou
b) si la décision est incompatible avec une décision déjà rendue dans la Partie requise sur la même question; ou
c) si elle est incompatible avec l'ordre public de la Partie requise; ou
d) si la décision a été rendue contrairement aux dispositions en matière de compétence exclusive prévues par le droit de la Partie requise.
Afdeling 7 - Procedureregels en andere algemene regels
Section 7. - Procédure et autres règles générales
Art. 33. - Centrale autoriteit
1. De Partijen wijzen een centrale autoriteit of, indien noodzakelijk, diverse autoriteiten aan, belast met de verzending en de beantwoording van de verzoeken ingevolge dit hoofdstuk, de uitvoering ervan, dan wel de doorzending ervan aan de autoriteiten die bevoegd zijn deze uit te voeren.
2. Enige Partij deelt, op het tijdstip van de ondertekening of van de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, de Secretaris-generaal van de Raad van Europa de naam en het adres van de ingevolge het eerste lid aangewezen autoriteiten mee.
1. De Partijen wijzen een centrale autoriteit of, indien noodzakelijk, diverse autoriteiten aan, belast met de verzending en de beantwoording van de verzoeken ingevolge dit hoofdstuk, de uitvoering ervan, dan wel de doorzending ervan aan de autoriteiten die bevoegd zijn deze uit te voeren.
2. Enige Partij deelt, op het tijdstip van de ondertekening of van de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, de Secretaris-generaal van de Raad van Europa de naam en het adres van de ingevolge het eerste lid aangewezen autoriteiten mee.
Art. 33. - Autorité centrale
1. Les Parties désignent une autorité centrale ou, au besoin, plusieurs autorités chargées d'envoyer les demandes formulées en vertu du présent chapitre, d'y répondre, de les exécuter ou de les transmettre aux autorités qui ont compétence pour les exécuter.
2. Chaque Partie communique au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la dénomination et l'adresse des autorités désignées en application du paragraphe 1er du présent article.
1. Les Parties désignent une autorité centrale ou, au besoin, plusieurs autorités chargées d'envoyer les demandes formulées en vertu du présent chapitre, d'y répondre, de les exécuter ou de les transmettre aux autorités qui ont compétence pour les exécuter.
2. Chaque Partie communique au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la dénomination et l'adresse des autorités désignées en application du paragraphe 1er du présent article.
Art. 34. - Rechtstreeks contact
1. De centrale autoriteiten onderhouden rechtstreeks contact met elkaar.
2. In geval van dringende noodzakelijkheid kunnen de verzoeken of mededelingen ingevolge dit hoofdstuk rechtstreeks worden toegezonden door de rechterlijke autoriteiten, daaronder begrepen het openbaar ministerie, van de verzoekende Partij aan die autoriteiten van de aangezochte Partij. In dergelijke gevallen moet tegelijkertijd een afschrift worden toegezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij via de centrale autoriteit van de verzoekende Partij.
3. Enig verzoek of enige mededeling ingevolge het eerste en het tweede lid van dit artikel kan worden gedaan via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).
4. Wanneer een verzoek overeenkomstig het tweede lid van dit artikel is gedaan en de benaderde autoriteit niet bevoegd is om daaraan gevolg te geven, zendt deze het verzoek door naar de bevoegde autoriteit en stelt de verzoekende Partij rechtstreeks ervan op de hoogte.
5. De verzoeken of mededelingen ingevolge afdeling 2 van dit hoofdstuk die geen toepassing van dwangmiddelen inhouden, kunnen door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij rechtstreeks worden toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij.
6. Ontwerpen van verzoeken of mededelingen ingevolge dit hoofdstuk kunnen, rechtstreeks en voor enig formeel verzoek, door de rechterlijke autoriteiten aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij worden gericht, teneinde te waarborgen dat zij doeltreffend worden behandeld zodra zij worden ontvangen en dat zij de nodige informatie en documentatie bevatten om de vereisten bedoeld in de wetgeving van de aangezochte Partij na te leven.
1. De centrale autoriteiten onderhouden rechtstreeks contact met elkaar.
2. In geval van dringende noodzakelijkheid kunnen de verzoeken of mededelingen ingevolge dit hoofdstuk rechtstreeks worden toegezonden door de rechterlijke autoriteiten, daaronder begrepen het openbaar ministerie, van de verzoekende Partij aan die autoriteiten van de aangezochte Partij. In dergelijke gevallen moet tegelijkertijd een afschrift worden toegezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij via de centrale autoriteit van de verzoekende Partij.
3. Enig verzoek of enige mededeling ingevolge het eerste en het tweede lid van dit artikel kan worden gedaan via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).
4. Wanneer een verzoek overeenkomstig het tweede lid van dit artikel is gedaan en de benaderde autoriteit niet bevoegd is om daaraan gevolg te geven, zendt deze het verzoek door naar de bevoegde autoriteit en stelt de verzoekende Partij rechtstreeks ervan op de hoogte.
5. De verzoeken of mededelingen ingevolge afdeling 2 van dit hoofdstuk die geen toepassing van dwangmiddelen inhouden, kunnen door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij rechtstreeks worden toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij.
6. Ontwerpen van verzoeken of mededelingen ingevolge dit hoofdstuk kunnen, rechtstreeks en voor enig formeel verzoek, door de rechterlijke autoriteiten aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij worden gericht, teneinde te waarborgen dat zij doeltreffend worden behandeld zodra zij worden ontvangen en dat zij de nodige informatie en documentatie bevatten om de vereisten bedoeld in de wetgeving van de aangezochte Partij na te leven.
Art. 34. - Correspondance directe
1. Les autorités centrales communiquent directement entre elles.
2. En cas d'urgence, les demandes et communications prévues par le présent chapitre peuvent être envoyées directement par les autorités judiciaires, y compris le ministère public, de la Partie requérante à de telles autorités. En pareil cas, une copie doit être envoyée simultanément à l'autorité centrale de la Partie requise par l'intermédiaire de l'autorité centrale de la Partie requérante.
3. Toute demande ou communication formulée en application des paragraphes 1er et 2 du présent article peut être présentée par l'intermédiaire de l'Organisation internationale de Police criminelle (Interpol).
4. Si une demande est présentée en vertu du paragraphe 2 du présent article et si l'autorité saisie n'est pas compétente pour y donner suite, elle la transmet à l'autorité compétente de son pays et en informe directement la Partie requérante.
5. Les demandes ou communications, présentées en vertu de la section 2 du présent chapitre, qui n'impliquent pas de mesures coercitives, peuvent être transmises directement par l'autorité compétente de la Partie requérante à l'autorité compétente de la Partie requise.
6. Les projets de demandes ou communications en vertu de ce chapitre peuvent être adressées directement et avant toute requête formelle par les autorités judiciaires aux autorités judiciaires de la Partie requise, afin de s'assurer que celles-ci seront traitées efficacement dès leur réception et qu'elles comprendront les informations et la documentation nécessaires pour se conformer aux exigences à la législation de la Partie requise.
1. Les autorités centrales communiquent directement entre elles.
2. En cas d'urgence, les demandes et communications prévues par le présent chapitre peuvent être envoyées directement par les autorités judiciaires, y compris le ministère public, de la Partie requérante à de telles autorités. En pareil cas, une copie doit être envoyée simultanément à l'autorité centrale de la Partie requise par l'intermédiaire de l'autorité centrale de la Partie requérante.
3. Toute demande ou communication formulée en application des paragraphes 1er et 2 du présent article peut être présentée par l'intermédiaire de l'Organisation internationale de Police criminelle (Interpol).
4. Si une demande est présentée en vertu du paragraphe 2 du présent article et si l'autorité saisie n'est pas compétente pour y donner suite, elle la transmet à l'autorité compétente de son pays et en informe directement la Partie requérante.
5. Les demandes ou communications, présentées en vertu de la section 2 du présent chapitre, qui n'impliquent pas de mesures coercitives, peuvent être transmises directement par l'autorité compétente de la Partie requérante à l'autorité compétente de la Partie requise.
6. Les projets de demandes ou communications en vertu de ce chapitre peuvent être adressées directement et avant toute requête formelle par les autorités judiciaires aux autorités judiciaires de la Partie requise, afin de s'assurer que celles-ci seront traitées efficacement dès leur réception et qu'elles comprendront les informations et la documentation nécessaires pour se conformer aux exigences à la législation de la Partie requise.
Art. 35. - Vorm van de verzoeken en talen
1. Enig verzoek ingevolge dit hoofdstuk worden schriftelijk gedaan. Het kan worden gedaan door middel van elektronische communicatiemiddelen of door middel van enig ander telecommunicatiemiddel, op voorwaarde dat de verzoekende Partij bereid is op enig tijdstip, op verzoek, een schriftelijk bewijs van de toezending, alsook het origineel voor te leggen. Niettemin kan enige Partij te allen tijde, door een verklaring aan de Secretaris-generaal de voorwaarden aangeven waaronder zij bereid is per e-mail of enig ander telecommunicatiemiddel ontvangen verzoeken te aanvaarden en ten uitvoer te leggen.
2. Behoudens de bepalingen van het derde lid van dit artikel kan geen vertaling van de verzoeken of de tot staving dienende documenten worden geëist.
3. Op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan enige Staat of de Europese Gemeenschap, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, zich het recht voorbehouden te eisen dat verzoeken en tot staving dienende documenten vergezeld gaan van een vertaling in zijn of haar eigen taal of in één van de officiële talen van de Raad van Europa, dan wel in één van deze als door hem of haar aangegeven talen. Enige Partij kan bij die gelegenheid verklaren dat zij bereid is vertalingen te aanvaarden in een andere door haar aan te geven taal. De andere Partijen mogen de wederkerigheidsregel toepassen.
1. Enig verzoek ingevolge dit hoofdstuk worden schriftelijk gedaan. Het kan worden gedaan door middel van elektronische communicatiemiddelen of door middel van enig ander telecommunicatiemiddel, op voorwaarde dat de verzoekende Partij bereid is op enig tijdstip, op verzoek, een schriftelijk bewijs van de toezending, alsook het origineel voor te leggen. Niettemin kan enige Partij te allen tijde, door een verklaring aan de Secretaris-generaal de voorwaarden aangeven waaronder zij bereid is per e-mail of enig ander telecommunicatiemiddel ontvangen verzoeken te aanvaarden en ten uitvoer te leggen.
2. Behoudens de bepalingen van het derde lid van dit artikel kan geen vertaling van de verzoeken of de tot staving dienende documenten worden geëist.
3. Op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan enige Staat of de Europese Gemeenschap, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, zich het recht voorbehouden te eisen dat verzoeken en tot staving dienende documenten vergezeld gaan van een vertaling in zijn of haar eigen taal of in één van de officiële talen van de Raad van Europa, dan wel in één van deze als door hem of haar aangegeven talen. Enige Partij kan bij die gelegenheid verklaren dat zij bereid is vertalingen te aanvaarden in een andere door haar aan te geven taal. De andere Partijen mogen de wederkerigheidsregel toepassen.
Art. 35. - Forme des demandes et langues
1. Toutes les demandes prévues par le présent chapitre sont faites par écrit. Elles peuvent être transmises par des moyens de communication électroniques, ou par tout autre moyen de télécommunication, à condition que la Partie requérante soit prête à produire à tout moment, sur demande, une trace écrite de l'expédition ainsi que l'original. Cependant toute Partie peut, à tout moment, par déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, indiquer les conditions dans lesquelles elle est prête à accepter et à exécuter des demandes reçues par voie électronique ou tout autre moyen de télécommunication.
2. Sous réserve des dispositions du paragraphe 3 du présent article, la traduction des demandes ou des pièces annexes ne sera pas exigée.
3. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, se réserver la faculté d'exiger que les demandes et pièces annexes soient accompagnées d'une traduction dans sa propre langue ou dans l'une des langues officielles du Conseil de l'Europe ou dans celle de ces langues qu'elle indiquera. Toute Partie peut, à cette occasion, déclarer qu'elle est disposée à accepter des traductions dans toute autre langue qu'elle indiquera. Les autres Parties peuvent appliquer la règle de la réciprocité.
1. Toutes les demandes prévues par le présent chapitre sont faites par écrit. Elles peuvent être transmises par des moyens de communication électroniques, ou par tout autre moyen de télécommunication, à condition que la Partie requérante soit prête à produire à tout moment, sur demande, une trace écrite de l'expédition ainsi que l'original. Cependant toute Partie peut, à tout moment, par déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, indiquer les conditions dans lesquelles elle est prête à accepter et à exécuter des demandes reçues par voie électronique ou tout autre moyen de télécommunication.
2. Sous réserve des dispositions du paragraphe 3 du présent article, la traduction des demandes ou des pièces annexes ne sera pas exigée.
3. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, se réserver la faculté d'exiger que les demandes et pièces annexes soient accompagnées d'une traduction dans sa propre langue ou dans l'une des langues officielles du Conseil de l'Europe ou dans celle de ces langues qu'elle indiquera. Toute Partie peut, à cette occasion, déclarer qu'elle est disposée à accepter des traductions dans toute autre langue qu'elle indiquera. Les autres Parties peuvent appliquer la règle de la réciprocité.
Art. 36. - Legalisering De documenten die ingevolge dit hoofdstuk worden toegezonden, zijn vrijgesteld van alle legaliseringsformaliteiten.
Art. 36. - Légalisation Les documents transmis en application du présent chapitre sont dispensés de toute formalité de légalisation.
Art. 37. - Inhoud van een verzoek
1. In enig verzoek om samenwerking ingevolge dit hoofdstuk dient te worden vermeld :
a) de autoriteit die het verzoek doet en de autoriteit die met de uitvoering van de onderzoeken of procedures is belast;
b) het doel en de reden van het verzoek;
c) de zaak, daaronder begrepen de relevante feiten (zoals datum, plaats en omstandigheden van het delict), waarop de onderzoeken of de procedures betrekking hebben, behalve in het geval van een verzoek om betekening;
d) voor zover de samenwerking de toepassing van dwangmiddelen inhoudt;
i) de tekst van de wettelijke bepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, de strekking van het relevante toepasselijke recht; en
ii) een omschrijving van de verlangde maatregelen of van andere maatregelen van soortgelijke strekking die zouden kunnen worden genomen op het grondgebied van de verzoekende Partij op grond van haar eigen wetgeving;
e) indien noodzakelijk en voor zover mogelijk,
i) bijzonderheden betreffende de betrokken persoon of personen, daaronder begrepen de naam, geboortedatum en -plaats, nationaliteit en verblijfplaats en, in het geval van een rechtspersoon, de zetel; en
ii) de voorwerpen ten aanzien waarvan samenwerking wordt verlangd, de vindplaats, de relatie tot de betrokken persoon of personen, het verband met het strafbare feit, alsmede enige beschikbare informatie over de rechten van anderen op de voorwerpen; en
f) een bepaalde procedure die de verzoekende Partij gevolgd wenst te zien.
2. Wanneer een verzoek om voorlopige maatregelen uit hoofde van afdeling 3 de inbeslagneming betreft van een voorwerp dat in aanmerking zou kunnen komen voor een beslissing tot confiscatie bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen, dient in het verzoek ook het maximumbedrag te worden vermeld waarvoor op dat voorwerp verhaal wordt gezocht.
3. Naast de in het eerste lid genoemde aanwijzingen, dient een verzoek uit hoofde van afdeling 4 te omvatten :
a) in geval van artikel 23, eerste lid, a ) :
i) een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie gegeven door een rechter van de verzoekende Partij en een uiteenzetting van de gronden waarop de beslissing is gegeven, indien deze niet in de beslissing zelf zijn aangegeven;
ii) een verklaring van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij dat de beslissing tot confiscatie voor uitvoering vatbaar is en dat daartegen geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan;
iii) informatie met betrekking tot de mate waarin de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd; en
iv) informatie met betrekking tot de noodzaak voorlopige maatregelen te nemen;
b) in geval van artikel 23, eerste lid, b), een uiteenzetting van de feiten die de verzoekende Partij aanvoert, die toereikend is om de aangezochte Partij de mogelijkheid te bieden een beslissing te verkrijgen krachtens haar nationale wetgeving;
c) wanneer derden mogelijkheden hebben gehad aanspraak te maken op rechten, documenten waaruit blijkt dat zij deze mogelijkheid hebben gehad.
1. In enig verzoek om samenwerking ingevolge dit hoofdstuk dient te worden vermeld :
a) de autoriteit die het verzoek doet en de autoriteit die met de uitvoering van de onderzoeken of procedures is belast;
b) het doel en de reden van het verzoek;
c) de zaak, daaronder begrepen de relevante feiten (zoals datum, plaats en omstandigheden van het delict), waarop de onderzoeken of de procedures betrekking hebben, behalve in het geval van een verzoek om betekening;
d) voor zover de samenwerking de toepassing van dwangmiddelen inhoudt;
i) de tekst van de wettelijke bepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, de strekking van het relevante toepasselijke recht; en
ii) een omschrijving van de verlangde maatregelen of van andere maatregelen van soortgelijke strekking die zouden kunnen worden genomen op het grondgebied van de verzoekende Partij op grond van haar eigen wetgeving;
e) indien noodzakelijk en voor zover mogelijk,
i) bijzonderheden betreffende de betrokken persoon of personen, daaronder begrepen de naam, geboortedatum en -plaats, nationaliteit en verblijfplaats en, in het geval van een rechtspersoon, de zetel; en
ii) de voorwerpen ten aanzien waarvan samenwerking wordt verlangd, de vindplaats, de relatie tot de betrokken persoon of personen, het verband met het strafbare feit, alsmede enige beschikbare informatie over de rechten van anderen op de voorwerpen; en
f) een bepaalde procedure die de verzoekende Partij gevolgd wenst te zien.
2. Wanneer een verzoek om voorlopige maatregelen uit hoofde van afdeling 3 de inbeslagneming betreft van een voorwerp dat in aanmerking zou kunnen komen voor een beslissing tot confiscatie bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen, dient in het verzoek ook het maximumbedrag te worden vermeld waarvoor op dat voorwerp verhaal wordt gezocht.
3. Naast de in het eerste lid genoemde aanwijzingen, dient een verzoek uit hoofde van afdeling 4 te omvatten :
a) in geval van artikel 23, eerste lid, a ) :
i) een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie gegeven door een rechter van de verzoekende Partij en een uiteenzetting van de gronden waarop de beslissing is gegeven, indien deze niet in de beslissing zelf zijn aangegeven;
ii) een verklaring van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij dat de beslissing tot confiscatie voor uitvoering vatbaar is en dat daartegen geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan;
iii) informatie met betrekking tot de mate waarin de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd; en
iv) informatie met betrekking tot de noodzaak voorlopige maatregelen te nemen;
b) in geval van artikel 23, eerste lid, b), een uiteenzetting van de feiten die de verzoekende Partij aanvoert, die toereikend is om de aangezochte Partij de mogelijkheid te bieden een beslissing te verkrijgen krachtens haar nationale wetgeving;
c) wanneer derden mogelijkheden hebben gehad aanspraak te maken op rechten, documenten waaruit blijkt dat zij deze mogelijkheid hebben gehad.
Art. 37. - Contenu de la demande
1. Toute demande de coopération prévue par le présent chapitre doit préciser :
a) l'autorité dont elle émane et l'autorité chargée de mettre en oeuvre les investigations ou les procédures;
b) l'objet et le motif de la demande;
c) l'affaire, y compris les faits pertinents (tels que la date, le lieu et les circonstances de l'infraction), sur laquelle portent les investigations ou les procédures, sauf en cas de demande de notification;
d) dans la mesure où la coopération implique des mesures coercitives :
i) le texte des dispositions légales ou, lorsque cela n'est pas possible, la teneur de la loi pertinente applicable; et
ii) une indication selon laquelle la mesure sollicitée ou toute autre mesure ayant des effets analogues pourrait être prise sur le territoire de la Partie requérante en vertu de sa propre législation;
e) si nécessaire, et dans la mesure du possible :
i) des détails relativement à la (ou les) personne(s) concernée(s), y compris le nom, la date et le lieu de naissance, la nationalité et l'endroit où elle(s) se trouve(nt), et, lorsqu'il s'agit d'une personne morale, son siège; et
ii) les biens en relation desquels la coopération est sollicitée, leur emplacement, leurs liens avec la ou les personne(s) en question, tout lien avec l'infraction ainsi que toute information dont on dispose concernant les intérêts d'autrui afférents à ces biens; et
f) toute procédure particulière souhaitée par la Partie requérante.
2. Lorsqu'une demande de mesures provisoires présentée en vertu de la section 3 vise la saisie d'un bien qui pourrait faire l'objet d'une décision de confiscation consistant en l'obligation de payer une somme d'argent, cette demande doit aussi indiquer la somme maximale que l'on cherche à récupérer sur ce bien.
3. En plus des indications mentionnées au paragraphe 1er, toute demande formulée en application de la section 4 doit contenir :
a) dans le cas de l'article 23, paragraphe 1er, a) :
i) une copie certifiée conforme de la décision de confiscation rendue par le tribunal de la Partie requérante et l'exposé des motifs à l'origine de la décision, s'ils ne sont pas indiqués dans la décision elle-même;
ii) une attestation de l'autorité compétente de la Partie requérante selon laquelle la décision de confiscation est exécutoire et n'est pas susceptible de voies de recours ordinaires;
iii) des informations concernant la mesure dans laquelle la décision devrait être exécutée; et
iv) des informations concernant la nécessité de prendre des mesures provisoires;
b) dans le cas de l'article 23, paragraphe 1er, b), un exposé des faits invoqués par la Partie requérante qui soit suffisant pour permettre à la Partie requise d'obtenir une décision en vertu de son droit interne;
c) lorsque des tiers ont eu la possibilité de revendiquer des droits, des documents révélant qu'ils ont eu cette possibilité.
1. Toute demande de coopération prévue par le présent chapitre doit préciser :
a) l'autorité dont elle émane et l'autorité chargée de mettre en oeuvre les investigations ou les procédures;
b) l'objet et le motif de la demande;
c) l'affaire, y compris les faits pertinents (tels que la date, le lieu et les circonstances de l'infraction), sur laquelle portent les investigations ou les procédures, sauf en cas de demande de notification;
d) dans la mesure où la coopération implique des mesures coercitives :
i) le texte des dispositions légales ou, lorsque cela n'est pas possible, la teneur de la loi pertinente applicable; et
ii) une indication selon laquelle la mesure sollicitée ou toute autre mesure ayant des effets analogues pourrait être prise sur le territoire de la Partie requérante en vertu de sa propre législation;
e) si nécessaire, et dans la mesure du possible :
i) des détails relativement à la (ou les) personne(s) concernée(s), y compris le nom, la date et le lieu de naissance, la nationalité et l'endroit où elle(s) se trouve(nt), et, lorsqu'il s'agit d'une personne morale, son siège; et
ii) les biens en relation desquels la coopération est sollicitée, leur emplacement, leurs liens avec la ou les personne(s) en question, tout lien avec l'infraction ainsi que toute information dont on dispose concernant les intérêts d'autrui afférents à ces biens; et
f) toute procédure particulière souhaitée par la Partie requérante.
2. Lorsqu'une demande de mesures provisoires présentée en vertu de la section 3 vise la saisie d'un bien qui pourrait faire l'objet d'une décision de confiscation consistant en l'obligation de payer une somme d'argent, cette demande doit aussi indiquer la somme maximale que l'on cherche à récupérer sur ce bien.
3. En plus des indications mentionnées au paragraphe 1er, toute demande formulée en application de la section 4 doit contenir :
a) dans le cas de l'article 23, paragraphe 1er, a) :
i) une copie certifiée conforme de la décision de confiscation rendue par le tribunal de la Partie requérante et l'exposé des motifs à l'origine de la décision, s'ils ne sont pas indiqués dans la décision elle-même;
ii) une attestation de l'autorité compétente de la Partie requérante selon laquelle la décision de confiscation est exécutoire et n'est pas susceptible de voies de recours ordinaires;
iii) des informations concernant la mesure dans laquelle la décision devrait être exécutée; et
iv) des informations concernant la nécessité de prendre des mesures provisoires;
b) dans le cas de l'article 23, paragraphe 1er, b), un exposé des faits invoqués par la Partie requérante qui soit suffisant pour permettre à la Partie requise d'obtenir une décision en vertu de son droit interne;
c) lorsque des tiers ont eu la possibilité de revendiquer des droits, des documents révélant qu'ils ont eu cette possibilité.
Art. 38. - Onvolledige verzoeken
1. Indien een verzoek niet beantwoordt aan de bepalingen van dit hoofdstuk of indien de verstrekte informatie niet voldoende is om de aangezochte Partij de mogelijkheid te bieden het verzoek in behandeling te nemen, kan die Partij de verzoekende Partij vragen het verzoek te wijzigen of aan te vullen met bijkomende informatie.
2. De aangezochte Partij kan een termijn vaststellen voor de ontvangst van bedoelde wijzigingen of informatie.
3. In afwachting van de ontvangst van de gevraagde wijzigingen of informatie met betrekking tot een verzoek uit hoofde van afdeling 4 van dit hoofdstuk kan de aangezochte Partij de in de afdeling 2 of 3 van dit hoofdstuk bedoelde maatregelen nemen.
1. Indien een verzoek niet beantwoordt aan de bepalingen van dit hoofdstuk of indien de verstrekte informatie niet voldoende is om de aangezochte Partij de mogelijkheid te bieden het verzoek in behandeling te nemen, kan die Partij de verzoekende Partij vragen het verzoek te wijzigen of aan te vullen met bijkomende informatie.
2. De aangezochte Partij kan een termijn vaststellen voor de ontvangst van bedoelde wijzigingen of informatie.
3. In afwachting van de ontvangst van de gevraagde wijzigingen of informatie met betrekking tot een verzoek uit hoofde van afdeling 4 van dit hoofdstuk kan de aangezochte Partij de in de afdeling 2 of 3 van dit hoofdstuk bedoelde maatregelen nemen.
Art. 38. - Vices des demandes
1. Si la demande n'est pas conforme aux dispositions du présent chapitre, ou si les informations fournies ne sont pas suffisantes pour permettre à la Partie requise de prendre une décision sur la demande, cette Partie peut demander à la Partie requérante de modifier la demande ou de la compléter par des informations supplémentaires.
2. La Partie requise peut fixer un délai pour l'obtention de ces modifications ou informations.
3. En attendant d'obtenir les modifications ou informations demandées relativement à une demande présentée en application de la section 4 du présent chapitre, la Partie requise peut ordonner toutes mesures visées aux sections 2 et 3 du présent chapitre.
1. Si la demande n'est pas conforme aux dispositions du présent chapitre, ou si les informations fournies ne sont pas suffisantes pour permettre à la Partie requise de prendre une décision sur la demande, cette Partie peut demander à la Partie requérante de modifier la demande ou de la compléter par des informations supplémentaires.
2. La Partie requise peut fixer un délai pour l'obtention de ces modifications ou informations.
3. En attendant d'obtenir les modifications ou informations demandées relativement à une demande présentée en application de la section 4 du présent chapitre, la Partie requise peut ordonner toutes mesures visées aux sections 2 et 3 du présent chapitre.
Art. 39. - Samenloop van verzoeken
1. Wanneer de aangezochte Partij meer dan één verzoek uit hoofde van afdeling 3 of 4 van dit hoofdstuk ontvangt met betrekking tot dezelfde persoon of voorwerpen, belet de samenloop van verzoeken de aangezochte Partij niet verzoeken te behandelen die het nemen van voorlopige maatregelen inhouden.
2. In geval van samenloop van verzoeken uit hoofde van afdeling 4 van dit hoofdstuk, overweegt de aangezochte Partij de verzoekende Partijen te raadplegen.
1. Wanneer de aangezochte Partij meer dan één verzoek uit hoofde van afdeling 3 of 4 van dit hoofdstuk ontvangt met betrekking tot dezelfde persoon of voorwerpen, belet de samenloop van verzoeken de aangezochte Partij niet verzoeken te behandelen die het nemen van voorlopige maatregelen inhouden.
2. In geval van samenloop van verzoeken uit hoofde van afdeling 4 van dit hoofdstuk, overweegt de aangezochte Partij de verzoekende Partijen te raadplegen.
Art. 39. - Concours de demandes
1. Lorsqu'une Partie requise reçoit plus d'une demande présentée en vertu des sections 3 et 4 du présent chapitre relativement à la même personne ou aux mêmes biens, le concours de demandes n'empêche pas la Partie requise de traiter les demandes qui impliquent que soient prises des mesures provisoires.
2. Dans le cas d'un concours de demandes présentées en vertu de la section 4 du présent chapitre, la Partie requise envisagera de consulter les Parties requérantes.
1. Lorsqu'une Partie requise reçoit plus d'une demande présentée en vertu des sections 3 et 4 du présent chapitre relativement à la même personne ou aux mêmes biens, le concours de demandes n'empêche pas la Partie requise de traiter les demandes qui impliquent que soient prises des mesures provisoires.
2. Dans le cas d'un concours de demandes présentées en vertu de la section 4 du présent chapitre, la Partie requise envisagera de consulter les Parties requérantes.
Art. 40. - Verplichte motivering
De aangezochte Partij dient enige beslissing waarbij zij samenwerking ingevolge dit hoofdstuk weigert of uitstelt, dan wel daaraan voorwaarden verbindt, met redenen te omkleden.
De aangezochte Partij dient enige beslissing waarbij zij samenwerking ingevolge dit hoofdstuk weigert of uitstelt, dan wel daaraan voorwaarden verbindt, met redenen te omkleden.
Art. 40. - Obligation de motivation
La Partie requise doit motiver toute décision refusant, ajournant ou soumettant à des conditions toute coopération sollicitée en vertu du présent chapitre.
La Partie requise doit motiver toute décision refusant, ajournant ou soumettant à des conditions toute coopération sollicitée en vertu du présent chapitre.
Art. 41. - Informatie 1. De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij onverwijld in over :
a) de maatregelen die zij heeft genomen naar aanleiding van een verzoek ingevolge dit hoofdstuk;
b) het eindresultaat van de naar aanleiding van het verzoek genomen maatregelen;
c) een beslissing waarbij zij samenwerking ingevolge dit hoofdstuk, geheel of ten dele, weigert of uitstelt, dan wel daaraan voorwaarden verbindt;
d) omstandigheden die de uitvoering van de verlangde maatregelen onmogelijk maken of deze aanzienlijk dreigen te vertragen; en
e) in geval van voorlopige maatregelen naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van afdeling 2 of 3 van dit hoofdstuk, de bepalingen in de nationale wetgeving die automatisch leiden tot opheffing van de voorlopige maatregel.
2. De verzoekende Partij licht de aangezochte Partij onverwijld in over :
a) enige herziening of beslissing of enig ander feit op grond waarvan de beslissing tot confiscatie, geheel of ten dele, haar uitvoerbaarheid verliest; en
b) enige wijziging, ten aanzien van de feiten of ten aanzien van het recht, op grond waarvan de maatregelen ingevolge dit hoofdstuk niet langer verantwoord zijn.
3. Wanneer een Partij op grond van dezelfde beslissing tot confiscatie verzoekt om confiscatie van voorwerpen in meer dan één Partij, stelt zij alle betrokken Partijen hiervan in kennis.
a) de maatregelen die zij heeft genomen naar aanleiding van een verzoek ingevolge dit hoofdstuk;
b) het eindresultaat van de naar aanleiding van het verzoek genomen maatregelen;
c) een beslissing waarbij zij samenwerking ingevolge dit hoofdstuk, geheel of ten dele, weigert of uitstelt, dan wel daaraan voorwaarden verbindt;
d) omstandigheden die de uitvoering van de verlangde maatregelen onmogelijk maken of deze aanzienlijk dreigen te vertragen; en
e) in geval van voorlopige maatregelen naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van afdeling 2 of 3 van dit hoofdstuk, de bepalingen in de nationale wetgeving die automatisch leiden tot opheffing van de voorlopige maatregel.
2. De verzoekende Partij licht de aangezochte Partij onverwijld in over :
a) enige herziening of beslissing of enig ander feit op grond waarvan de beslissing tot confiscatie, geheel of ten dele, haar uitvoerbaarheid verliest; en
b) enige wijziging, ten aanzien van de feiten of ten aanzien van het recht, op grond waarvan de maatregelen ingevolge dit hoofdstuk niet langer verantwoord zijn.
3. Wanneer een Partij op grond van dezelfde beslissing tot confiscatie verzoekt om confiscatie van voorwerpen in meer dan één Partij, stelt zij alle betrokken Partijen hiervan in kennis.
Art. 41. - Information 1. La Partie requise informe sans délai la Partie requérante :
a) de la suite donnée aussitôt à une demande formulée en vertu du présent chapitre;
b) du résultat définitif de la suite donnée à la demande;
c) d'une décision refusant, ajournant ou soumettant à des conditions, totalement ou partiellement, toute coopération prévue par le présent chapitre;
d) de toutes circonstances rendant impossible l'exécution des mesures sollicitées ou risquant de la retarder considérablement; et
e) en cas de mesures provisoires adoptées conformément à une demande formulée en application de la section 2 ou 3 du présent chapitre, des dispositions de son droit interne qui entraîneraient automatiquement la levée de la mesure.
2. La Partie requérante informe sans délai la Partie requise :
a) de toute révision, décision ou autre fait enlevant totalement ou partiellement à la décision de confiscation son caractère exécutoire; et
b) de tout changement, en fait ou en droit, rendant désormais injustifiée toute action entreprise en vertu du présent chapitre.
3. Lorsqu'une Partie demande la confiscation de biens dans plusieurs Parties, sur le fondement d'une même décision de confiscation, elle en informe toutes les Parties concernées par l'exécution de la décision.
a) de la suite donnée aussitôt à une demande formulée en vertu du présent chapitre;
b) du résultat définitif de la suite donnée à la demande;
c) d'une décision refusant, ajournant ou soumettant à des conditions, totalement ou partiellement, toute coopération prévue par le présent chapitre;
d) de toutes circonstances rendant impossible l'exécution des mesures sollicitées ou risquant de la retarder considérablement; et
e) en cas de mesures provisoires adoptées conformément à une demande formulée en application de la section 2 ou 3 du présent chapitre, des dispositions de son droit interne qui entraîneraient automatiquement la levée de la mesure.
2. La Partie requérante informe sans délai la Partie requise :
a) de toute révision, décision ou autre fait enlevant totalement ou partiellement à la décision de confiscation son caractère exécutoire; et
b) de tout changement, en fait ou en droit, rendant désormais injustifiée toute action entreprise en vertu du présent chapitre.
3. Lorsqu'une Partie demande la confiscation de biens dans plusieurs Parties, sur le fondement d'une même décision de confiscation, elle en informe toutes les Parties concernées par l'exécution de la décision.
Art. 42. - Beperkingen 1. De aangezochte Partij kan de uitvoering van het verzoek afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verkregen informatie of het verkregen bewijs niet zonder haar voorafgaande toestemming zal worden gebruikt of doorgezonden door de autoriteiten van de verzoekende Partij ten behoeve van andere onderzoeken of procedures dan de in het verzoek genoemde.
2. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat informatie of bewijs, door haar verstrekt ingevolge dit hoofdstuk, niet zonder haar voorafgaande toestemming mag worden gebruikt of doorgezonden door de autoriteiten van de verzoekende Partij ten behoeve van andere onderzoeken of procedures dan de in het verzoek genoemde.
2. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat informatie of bewijs, door haar verstrekt ingevolge dit hoofdstuk, niet zonder haar voorafgaande toestemming mag worden gebruikt of doorgezonden door de autoriteiten van de verzoekende Partij ten behoeve van andere onderzoeken of procedures dan de in het verzoek genoemde.
Art. 42. - Utilisation restreinte
1. La Partie requise peut subordonner l'exécution d'une demande à la condition que les informations ou éléments de preuve obtenus ne soient pas, sans son consentement préalable, utilisés ou transmis par les autorités de la Partie requérante à des fins d'investigations ou de procédures autres que celles précisées dans la demande.
2. Chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, déclarer que les informations ou éléments de preuve fournis par elle en vertu du présent chapitre ne pourront, sans son consentement préalable, être utilisés ou transmis par les autorités de la Partie requérante à des fins d'investigations ou de procédures autres que celles précisées dans la demande.
1. La Partie requise peut subordonner l'exécution d'une demande à la condition que les informations ou éléments de preuve obtenus ne soient pas, sans son consentement préalable, utilisés ou transmis par les autorités de la Partie requérante à des fins d'investigations ou de procédures autres que celles précisées dans la demande.
2. Chaque Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par déclaration adressée au Secrétaire général du Conseil de l'Europe, déclarer que les informations ou éléments de preuve fournis par elle en vertu du présent chapitre ne pourront, sans son consentement préalable, être utilisés ou transmis par les autorités de la Partie requérante à des fins d'investigations ou de procédures autres que celles précisées dans la demande.
Art. 43. - Vertrouwelijkheid
1. De verzoekende Partij kan eisen dat de aangezochte Partij het feit dat het verzoek is gedaan en de strekking van het verzoek vertrouwelijk behandelt, behalve voor zover daarvan moet worden afgeweken ten einde het verzoek uit te voeren. Indien de aangezochte Partij niet kan voldoen aan het vereiste van vertrouwelijkheid, stelt zij de verzoekende Partij hiervan onmiddellijk in kennis.
2. Indien daarom wordt verzocht en indien zulks niet in strijd is met de grondbeginselen van haar nationale wetgeving, behandelt de verzoekende Partij het bewijs en de informatie, verstrekt door de aangezochte Partij vertrouwelijk, behalve voor zover het tegendeel noodzakelijk is ten behoeve van de in het verzoek omschreven onderzoeken of procedures.
3. Behoudens de bepalingen van haar nationale wetgeving, voldoet een Partij die op grond van artikel 20 uit eigen beweging verstrekte informatie heeft ontvangen, aan elk vereiste van vertrouwelijkheid waarom wordt verzocht door de Partij die de informatie verstrekt. Indien de andere Partij niet aan dit vereiste kan voldoen, stelt zij de Partij die de informatie heeft toegezonden, hiervan onmiddellijk in kennis.
1. De verzoekende Partij kan eisen dat de aangezochte Partij het feit dat het verzoek is gedaan en de strekking van het verzoek vertrouwelijk behandelt, behalve voor zover daarvan moet worden afgeweken ten einde het verzoek uit te voeren. Indien de aangezochte Partij niet kan voldoen aan het vereiste van vertrouwelijkheid, stelt zij de verzoekende Partij hiervan onmiddellijk in kennis.
2. Indien daarom wordt verzocht en indien zulks niet in strijd is met de grondbeginselen van haar nationale wetgeving, behandelt de verzoekende Partij het bewijs en de informatie, verstrekt door de aangezochte Partij vertrouwelijk, behalve voor zover het tegendeel noodzakelijk is ten behoeve van de in het verzoek omschreven onderzoeken of procedures.
3. Behoudens de bepalingen van haar nationale wetgeving, voldoet een Partij die op grond van artikel 20 uit eigen beweging verstrekte informatie heeft ontvangen, aan elk vereiste van vertrouwelijkheid waarom wordt verzocht door de Partij die de informatie verstrekt. Indien de andere Partij niet aan dit vereiste kan voldoen, stelt zij de Partij die de informatie heeft toegezonden, hiervan onmiddellijk in kennis.
Art. 43. - Confidentialité
1. La Partie requérante peut exiger de la Partie requise qu'elle garde confidentielles la demande et sa teneur, sauf dans la mesure nécessaire pour y faire droit. Si la Partie requise ne peut pas se conformer à cette condition de confidentialité, elle doit en informer la Partie requérante dans les plus brefs délais.
2. La Partie requérante doit, si la demande lui en est faite, et à condition que cela ne soit pas contraire aux principes fondamentaux de son droit interne, garder confidentiels tous moyens de preuve et informations communiqués par la Partie requise, sauf dans la mesure nécessaire aux investigations ou à la procédure décrites dans la demande.
3. Sous réserve des dispositions de son droit interne, une Partie qui a reçu une transmission spontanée d'informations en vertu de l'article 20 doit se conformer à toute condition de confidentialité demandée par la Partie qui transmet l'information. Si l'autre Partie ne peut pas se conformer à une telle condition, elle doit en informer la Partie qui transmet l'information dans les plus brefs délais.
1. La Partie requérante peut exiger de la Partie requise qu'elle garde confidentielles la demande et sa teneur, sauf dans la mesure nécessaire pour y faire droit. Si la Partie requise ne peut pas se conformer à cette condition de confidentialité, elle doit en informer la Partie requérante dans les plus brefs délais.
2. La Partie requérante doit, si la demande lui en est faite, et à condition que cela ne soit pas contraire aux principes fondamentaux de son droit interne, garder confidentiels tous moyens de preuve et informations communiqués par la Partie requise, sauf dans la mesure nécessaire aux investigations ou à la procédure décrites dans la demande.
3. Sous réserve des dispositions de son droit interne, une Partie qui a reçu une transmission spontanée d'informations en vertu de l'article 20 doit se conformer à toute condition de confidentialité demandée par la Partie qui transmet l'information. Si l'autre Partie ne peut pas se conformer à une telle condition, elle doit en informer la Partie qui transmet l'information dans les plus brefs délais.
Art. 44. - Kosten De gewone kosten gemaakt ter uitvoering van een verzoek worden gedragen door de aangezochte Partij. Wanneer aanzienlijke of buitengewone kosten moeten worden gemaakt om aan het verzoek te voldoen, plegen de Partijen overleg om de voorwaarden te bepalen waaronder het verzoek wordt uitgevoerd alsmede de wijze waarop de kosten worden gedragen.
Art. 44. - Frais Les frais ordinaires encourus pour exécuter une demande sont à la charge de la Partie requise. Lorsque des frais importants ou extraordinaires s'avèrent nécessaires pour donner suite à la demande, les Parties se concertent pour fixer les conditions dans lesquelles celle-ci sera exécutée ainsi que la manière dont les frais seront assumés.
Art. 45. - Schadevergoeding
1. Wanneer door een persoon een rechtsvordering is ingesteld betreffende de aansprakelijkheid voor schade volgend uit enig handelen of nalaten in verband met de samenwerking ingevolge dit hoofdstuk, overwegen de betrokken Partijen, in daartoe in aanmerking komende gevallen, met elkaar overleg te plegen om te bepalen hoe zij enig eventueel verschuldigd bedrag aan schadevergoeding onderling zullen verdelen.
2. Een Partij tegen wie een actie tot schadevergoeding is ingesteld tracht de andere Partij daarvan onmiddellijk in kennis te stellen indien die Partij belang bij die zaak zou kunnen hebben.
1. Wanneer door een persoon een rechtsvordering is ingesteld betreffende de aansprakelijkheid voor schade volgend uit enig handelen of nalaten in verband met de samenwerking ingevolge dit hoofdstuk, overwegen de betrokken Partijen, in daartoe in aanmerking komende gevallen, met elkaar overleg te plegen om te bepalen hoe zij enig eventueel verschuldigd bedrag aan schadevergoeding onderling zullen verdelen.
2. Een Partij tegen wie een actie tot schadevergoeding is ingesteld tracht de andere Partij daarvan onmiddellijk in kennis te stellen indien die Partij belang bij die zaak zou kunnen hebben.
Art. 45. - Dommages et intérêts
1. Lorsqu'une action en responsabilité en raison de dommages résultant d'un acte ou d'une omission relevant de la coopération prévue par ce chapitre a été engagée par une personne, les Parties concernées envisagent de se consulter, le cas échéant, sur la répartition éventuelle des indemnités dues.
2. Une Partie qui fait l'objet d'une demande de dommages et intérêts s'efforce d'en informer sans délai l'autre Partie si celle-ci peut avoir un intérêt dans l'affaire.
1. Lorsqu'une action en responsabilité en raison de dommages résultant d'un acte ou d'une omission relevant de la coopération prévue par ce chapitre a été engagée par une personne, les Parties concernées envisagent de se consulter, le cas échéant, sur la répartition éventuelle des indemnités dues.
2. Une Partie qui fait l'objet d'une demande de dommages et intérêts s'efforce d'en informer sans délai l'autre Partie si celle-ci peut avoir un intérêt dans l'affaire.
HOOFDSTUK V. - Samenwerking tussen de cellen financiële inlichtingen
CHAPITRE V. - Coopération entre les cellules de renseignement financier
Art. 46. - Samenwerking tussen de cellen financiële inlichtingen
1. De Partijen waarborgen dat de cellen financiële inlichtingen, zoals omschreven in deze Overeenkomst, samenwerken ter bestrijding van witwassen, overeenkomstig hun nationale bevoegdheden, teneinde relevante gegevens over enig feit dat een aanwijzing van witwassen kan zijn te verzamelen en te analyseren en, indien nodig ter zake een onderzoek in te stellen bij de cellen financiële inlichtingen.
2. Met het oog op het eerste lid waarborgt enige Partij dat de cellen financiële inlichtingen, hetzij op eigen initiatief dan wel op verzoek, hetzij overeenkomstig deze Overeenkomst dan wel overeenkomstig de bestaande of toekomstige protocolakkoorden die verenigbaar zijn met deze Overeenkomst, enig toegankelijk gegeven uitwisselen dat hen van nut kan zijn voor de behandeling of de analyse van gegevens of, indien nodig, voor onderzoeken met betrekking tot financiële transacties in verband met witwassen en de daarbij betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.
3. Enige Partij waarborgt dat het nationale statuut van de cellen financiële inlichtingen, ongeacht of het gaat om bestuurlijke, repressieve of rechterlijke autoriteiten, geen invloed heeft op de uitvoering van de taken die hen uit hoofde van dit artikel zijn opgelegd.
4. Enig verzoek krachtens dit artikel gaat vergezeld van een korte uiteenzetting van de relevante feiten die de verzoekende cel financiële inlichtingen kent. De cel financiële inlichtingen verduidelijkt in haar verzoek de wijze waarop de gevraagde gegevens zullen worden gebruikt.
5. Wanneer een verzoek overeenkomstig dit artikel wordt gedaan, verstrekt de cel financiële inlichtingen alle relevante gegevens, daaronder begrepen de toegankelijke financiële gegevens en de gegevens gevraagd van de strafvervolginginstanties, zonder dat het nodig is een formeel verzoek in te dienen krachtens de tussen de Partijen van toepassing zijnde overeenkomsten of akkoorden.
6. Een cel financiële inlichtingen kan weigeren gegevens te onthullen die een gerechtelijk onderzoek in de aangezochte Partij kunnen hinderen of, in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onthullen van de gegevens gevolgen zou hebben die duidelijk onevenredig zijn ten aanzien van de rechtmatige belangen van een natuurlijk persoon of rechtspersoon of van de betrokken Partij of de grondbeginselen van het nationaal recht van de aangezochte Partij niet in acht zou nemen. Enige weigering van die aard wordt omstandig uitgelegd aan de cel financiële inlichtingen die om de gegevens verzoekt.
7. De overeenkomstig dit artikel verkregen gegevens en documenten zijn enkel bestemd om gebruikt te worden voor de in het eerste lid bedoelde doeleinden. De gegevens verstrekt door een cel financiële inlichtingen mogen niet worden onthuld aan derden en evenmin worden gebruikt door de ontvangende cel financiële inlichtingen voor andere doeleinden dan analyse, zonder de voorafgaande toestemming van de cel financiële inlichtingen die de gegevens heeft verstrekt.
8. Wanneer de cel financiële inlichtingen, informatie of documenten overzendt krachtens dit artikel kan de cel financiële inlichtingen die de overzending verricht beperkingen en voorwaarden opleggen met betrekking tot het gebruik van de gegevens voor andere dan de in het zevende lid bedoelde doeleinden. De cel financiële inlichtingen waarvoor de gegevens bestemd zijn, neemt deze beperkingen en voorwaarden in acht.
9. Wanneer een Partij de inlichtingen of documenten overgezonden voor onderzoeken of gerechtelijke vervolgingen wenst aan te wenden ten behoeve van de in het zevende lid bedoelde doeleinden, kan de cel financiële inlichtingen die de overzending verricht haar instemming met een dergelijk gebruik niet weigeren, tenzij zulks mogelijk is op grond van beperkingen bepaald in haar nationaal recht of krachtens de in het zesde lid bedoelde voorwaarden. Elke weigering zijn instemming te verlenen wordt omstandig uitgelegd.
10. De cellen financiële inlichting nemen alle nodige maatregelen, daaronder begrepen inzake veiligheid, teneinde te waarborgen dat geen enkele andere autoriteit, orgaan of dienst toegang heeft tot de overeenkomstig dit artikel overgezonden gegevens.
11. De verstrekte gegevens zijn beschermd krachtens het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 inzake de bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) en gelet op aanbeveling nr. R (87) 15 van 17 september 1987 van het Comité van ministers van de Raad van Europa met het oog op de reglementering van het gebruik van persoonlijke gegevens in de politiesector, ten minste door dezelfde regels inzake de vertrouwelijkheid en de bescherming van persoonsgegevens als die welke van toepassing zijn krachtens de op de verzoekende cel financiële inlichtingen toepasselijke nationale wetgeving.
12. De cel financiële inlichtingen die de overzending verricht kan redelijke verzoeken overzenden over het gebruik van de overgezonden informatie en de ontvangende cel financiële inlichtingen moet, voor zover zulks haalbaar is, terzake informatie verstrekken.
13. De Partijen geven de eenheid aan die fungeert als cel financiële inlichtingen in de zin van dit artikel.
1. De Partijen waarborgen dat de cellen financiële inlichtingen, zoals omschreven in deze Overeenkomst, samenwerken ter bestrijding van witwassen, overeenkomstig hun nationale bevoegdheden, teneinde relevante gegevens over enig feit dat een aanwijzing van witwassen kan zijn te verzamelen en te analyseren en, indien nodig ter zake een onderzoek in te stellen bij de cellen financiële inlichtingen.
2. Met het oog op het eerste lid waarborgt enige Partij dat de cellen financiële inlichtingen, hetzij op eigen initiatief dan wel op verzoek, hetzij overeenkomstig deze Overeenkomst dan wel overeenkomstig de bestaande of toekomstige protocolakkoorden die verenigbaar zijn met deze Overeenkomst, enig toegankelijk gegeven uitwisselen dat hen van nut kan zijn voor de behandeling of de analyse van gegevens of, indien nodig, voor onderzoeken met betrekking tot financiële transacties in verband met witwassen en de daarbij betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.
3. Enige Partij waarborgt dat het nationale statuut van de cellen financiële inlichtingen, ongeacht of het gaat om bestuurlijke, repressieve of rechterlijke autoriteiten, geen invloed heeft op de uitvoering van de taken die hen uit hoofde van dit artikel zijn opgelegd.
4. Enig verzoek krachtens dit artikel gaat vergezeld van een korte uiteenzetting van de relevante feiten die de verzoekende cel financiële inlichtingen kent. De cel financiële inlichtingen verduidelijkt in haar verzoek de wijze waarop de gevraagde gegevens zullen worden gebruikt.
5. Wanneer een verzoek overeenkomstig dit artikel wordt gedaan, verstrekt de cel financiële inlichtingen alle relevante gegevens, daaronder begrepen de toegankelijke financiële gegevens en de gegevens gevraagd van de strafvervolginginstanties, zonder dat het nodig is een formeel verzoek in te dienen krachtens de tussen de Partijen van toepassing zijnde overeenkomsten of akkoorden.
6. Een cel financiële inlichtingen kan weigeren gegevens te onthullen die een gerechtelijk onderzoek in de aangezochte Partij kunnen hinderen of, in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onthullen van de gegevens gevolgen zou hebben die duidelijk onevenredig zijn ten aanzien van de rechtmatige belangen van een natuurlijk persoon of rechtspersoon of van de betrokken Partij of de grondbeginselen van het nationaal recht van de aangezochte Partij niet in acht zou nemen. Enige weigering van die aard wordt omstandig uitgelegd aan de cel financiële inlichtingen die om de gegevens verzoekt.
7. De overeenkomstig dit artikel verkregen gegevens en documenten zijn enkel bestemd om gebruikt te worden voor de in het eerste lid bedoelde doeleinden. De gegevens verstrekt door een cel financiële inlichtingen mogen niet worden onthuld aan derden en evenmin worden gebruikt door de ontvangende cel financiële inlichtingen voor andere doeleinden dan analyse, zonder de voorafgaande toestemming van de cel financiële inlichtingen die de gegevens heeft verstrekt.
8. Wanneer de cel financiële inlichtingen, informatie of documenten overzendt krachtens dit artikel kan de cel financiële inlichtingen die de overzending verricht beperkingen en voorwaarden opleggen met betrekking tot het gebruik van de gegevens voor andere dan de in het zevende lid bedoelde doeleinden. De cel financiële inlichtingen waarvoor de gegevens bestemd zijn, neemt deze beperkingen en voorwaarden in acht.
9. Wanneer een Partij de inlichtingen of documenten overgezonden voor onderzoeken of gerechtelijke vervolgingen wenst aan te wenden ten behoeve van de in het zevende lid bedoelde doeleinden, kan de cel financiële inlichtingen die de overzending verricht haar instemming met een dergelijk gebruik niet weigeren, tenzij zulks mogelijk is op grond van beperkingen bepaald in haar nationaal recht of krachtens de in het zesde lid bedoelde voorwaarden. Elke weigering zijn instemming te verlenen wordt omstandig uitgelegd.
10. De cellen financiële inlichting nemen alle nodige maatregelen, daaronder begrepen inzake veiligheid, teneinde te waarborgen dat geen enkele andere autoriteit, orgaan of dienst toegang heeft tot de overeenkomstig dit artikel overgezonden gegevens.
11. De verstrekte gegevens zijn beschermd krachtens het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 inzake de bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) en gelet op aanbeveling nr. R (87) 15 van 17 september 1987 van het Comité van ministers van de Raad van Europa met het oog op de reglementering van het gebruik van persoonlijke gegevens in de politiesector, ten minste door dezelfde regels inzake de vertrouwelijkheid en de bescherming van persoonsgegevens als die welke van toepassing zijn krachtens de op de verzoekende cel financiële inlichtingen toepasselijke nationale wetgeving.
12. De cel financiële inlichtingen die de overzending verricht kan redelijke verzoeken overzenden over het gebruik van de overgezonden informatie en de ontvangende cel financiële inlichtingen moet, voor zover zulks haalbaar is, terzake informatie verstrekken.
13. De Partijen geven de eenheid aan die fungeert als cel financiële inlichtingen in de zin van dit artikel.
Art. 46. - Coopération entre les cellules de renseignement financier
1. Les Parties veillent à ce que les cellules de renseignement financier, telles que définies par cette Convention, coopèrent aux fins de la lutte contre le blanchiment, conformément à leurs compétences nationales, afin de réunir et d'analyser les informations pertinentes sur tout fait qui pourrait être l'indice d'un blanchiment et, le cas échéant, d'enquêter au sein des cellules de renseignement financier à ce sujet.
2. Aux fins du paragraphe 1er, chaque Partie veille à ce que les cellules de renseignement financier échangent, de leur propre chef ou sur demande, soit conformément à la présente Convention, soit conformément aux protocoles d'accord existants ou futurs compatibles avec cette Convention, toute information accessible pouvant leur être utile pour procéder au traitement ou à l'analyse d'informations ou, le cas échéant, à des enquêtes relatives à des transactions financières liées au blanchiment et aux personnes physiques ou morales impliquées.
3. Chaque Partie veille à ce que le statut interne des cellules de renseignement financier, qu'il s'agisse d'autorités administratives, répressives ou judiciaires, n'affecte pas l'exécution des tâches qui leur incombent en vertu du présent article.
4. Chaque demande faite au titre du présent article est accompagnée d'un bref exposé des faits pertinents connus de la cellule de renseignement financier requérante. La cellule de renseignement financier précise, dans la demande, la manière dont les informations demandées seront utilisées.
5. Lorsqu'une demande est présentée conformément à cet article, la cellule de renseignement financier requise fournit toutes les informations pertinentes, y compris les informations financières accessibles et les données des services répressifs demandées, sans qu'il soit nécessaire de présenter une demande formelle au titre des conventions ou accords applicables entre les Parties.
6. Une cellule de renseignement financier peut refuser de divulguer des informations qui pourraient entraver une enquête judiciaire menée dans la Partie requise ou, dans des circonstances exceptionnelles, lorsque la divulgation des informations entraînerait des effets clairement disproportionnés au regard des intérêts légitimes d'une personne physique ou morale ou de la Partie concernée ou lorsqu'elle ne respecterait pas les principes fondamentaux du droit national de la Partie requise. Tout refus d'une telle divulgation est dûment expliqué à la cellule de renseignement financier demandant les informations.
7. Les informations ou documents obtenus conformément à cet article sont destinés seulement à être utilisés aux fins visées au paragraphe 1er. Les informations fournies par une cellule de renseignement financier ne peuvent être divulguées aux tiers ni être utilisées par la cellule de renseignement financier réceptrice à des fins autres que l'analyse, sans le consentement préalable de la cellule de renseignement financier ayant fourni les informations.
8. Lorsqu'elle transmet des informations ou des documents en application du présent article, la cellule de renseignement financier effectuant la transmission peut imposer des restrictions et des conditions quant à l'utilisation des informations à des fins autres que celles qui sont prévues au paragraphe 7. La cellule de renseignement financier destinataire se conforme à ces restrictions et conditions.
9. Lorsqu'une Partie souhaite utiliser des informations ou des documents transmis pour des enquêtes ou poursuites judiciaires aux fins visées au paragraphe 7, la cellule de renseignement financier effectuant la transmission ne peut refuser son accord pour une telle utilisation, à moins qu'elle ne puisse le faire sur la base de restrictions prévues par son droit national ou au titre des conditions visées au paragraphe 6. Tout refus de donner son accord est dûment expliqué.
10. Les cellules de renseignement financier prennent toutes les mesures nécessaires, y compris en matière de sécurité, pour garantir qu'aucune autre autorité, organisme ou service n'ait accès aux informations transmises conformément au présent article.
11. Les informations fournies sont protégées, conformément à la Convention du Conseil de l'Europe du 28 janvier 1981 pour la protection des personnes à l'égard du traitement automatisé des données à caractère personnel (STE n° 108) et compte tenu de la recommandation n° R (87) 15 du 15 septembre 1987 du Comité des ministres du Conseil de l'Europe visant à réglementer l'utilisation de données à caractère personnel dans le secteur de la police, au moins par les mêmes règles en matière de confidentialité et de protection des données à caractère personnel que celles qui s'appliquent en vertu de la législation nationale applicable à la cellule de renseignement financier requérante.
12. La cellule de renseignement financier effectuant la transmission peut adresser des requêtes raisonnables sur l'emploi qui a été fait des informations transmises et la cellule de renseignements financiers réceptrice doit fournir, lorsque cela est faisable, des informations en retour sur ce point.
13. Les Parties indiquent l'unité qui fait office de cellule de renseignement financier au sens du présent article.
1. Les Parties veillent à ce que les cellules de renseignement financier, telles que définies par cette Convention, coopèrent aux fins de la lutte contre le blanchiment, conformément à leurs compétences nationales, afin de réunir et d'analyser les informations pertinentes sur tout fait qui pourrait être l'indice d'un blanchiment et, le cas échéant, d'enquêter au sein des cellules de renseignement financier à ce sujet.
2. Aux fins du paragraphe 1er, chaque Partie veille à ce que les cellules de renseignement financier échangent, de leur propre chef ou sur demande, soit conformément à la présente Convention, soit conformément aux protocoles d'accord existants ou futurs compatibles avec cette Convention, toute information accessible pouvant leur être utile pour procéder au traitement ou à l'analyse d'informations ou, le cas échéant, à des enquêtes relatives à des transactions financières liées au blanchiment et aux personnes physiques ou morales impliquées.
3. Chaque Partie veille à ce que le statut interne des cellules de renseignement financier, qu'il s'agisse d'autorités administratives, répressives ou judiciaires, n'affecte pas l'exécution des tâches qui leur incombent en vertu du présent article.
4. Chaque demande faite au titre du présent article est accompagnée d'un bref exposé des faits pertinents connus de la cellule de renseignement financier requérante. La cellule de renseignement financier précise, dans la demande, la manière dont les informations demandées seront utilisées.
5. Lorsqu'une demande est présentée conformément à cet article, la cellule de renseignement financier requise fournit toutes les informations pertinentes, y compris les informations financières accessibles et les données des services répressifs demandées, sans qu'il soit nécessaire de présenter une demande formelle au titre des conventions ou accords applicables entre les Parties.
6. Une cellule de renseignement financier peut refuser de divulguer des informations qui pourraient entraver une enquête judiciaire menée dans la Partie requise ou, dans des circonstances exceptionnelles, lorsque la divulgation des informations entraînerait des effets clairement disproportionnés au regard des intérêts légitimes d'une personne physique ou morale ou de la Partie concernée ou lorsqu'elle ne respecterait pas les principes fondamentaux du droit national de la Partie requise. Tout refus d'une telle divulgation est dûment expliqué à la cellule de renseignement financier demandant les informations.
7. Les informations ou documents obtenus conformément à cet article sont destinés seulement à être utilisés aux fins visées au paragraphe 1er. Les informations fournies par une cellule de renseignement financier ne peuvent être divulguées aux tiers ni être utilisées par la cellule de renseignement financier réceptrice à des fins autres que l'analyse, sans le consentement préalable de la cellule de renseignement financier ayant fourni les informations.
8. Lorsqu'elle transmet des informations ou des documents en application du présent article, la cellule de renseignement financier effectuant la transmission peut imposer des restrictions et des conditions quant à l'utilisation des informations à des fins autres que celles qui sont prévues au paragraphe 7. La cellule de renseignement financier destinataire se conforme à ces restrictions et conditions.
9. Lorsqu'une Partie souhaite utiliser des informations ou des documents transmis pour des enquêtes ou poursuites judiciaires aux fins visées au paragraphe 7, la cellule de renseignement financier effectuant la transmission ne peut refuser son accord pour une telle utilisation, à moins qu'elle ne puisse le faire sur la base de restrictions prévues par son droit national ou au titre des conditions visées au paragraphe 6. Tout refus de donner son accord est dûment expliqué.
10. Les cellules de renseignement financier prennent toutes les mesures nécessaires, y compris en matière de sécurité, pour garantir qu'aucune autre autorité, organisme ou service n'ait accès aux informations transmises conformément au présent article.
11. Les informations fournies sont protégées, conformément à la Convention du Conseil de l'Europe du 28 janvier 1981 pour la protection des personnes à l'égard du traitement automatisé des données à caractère personnel (STE n° 108) et compte tenu de la recommandation n° R (87) 15 du 15 septembre 1987 du Comité des ministres du Conseil de l'Europe visant à réglementer l'utilisation de données à caractère personnel dans le secteur de la police, au moins par les mêmes règles en matière de confidentialité et de protection des données à caractère personnel que celles qui s'appliquent en vertu de la législation nationale applicable à la cellule de renseignement financier requérante.
12. La cellule de renseignement financier effectuant la transmission peut adresser des requêtes raisonnables sur l'emploi qui a été fait des informations transmises et la cellule de renseignements financiers réceptrice doit fournir, lorsque cela est faisable, des informations en retour sur ce point.
13. Les Parties indiquent l'unité qui fait office de cellule de renseignement financier au sens du présent article.
Art. 47. - Internationale samenwerking voor het uitstel van verdachte transacties
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar cel financiële inlichtingen de mogelijkheid te bieden, op verzoek van een buitenlandse cel financiële inlichtingen, een dringende maatregel te nemen houdende opschorting of uitstel van het sluiten van een lopende transactie. De voorwaarden en de duur van een dergelijke maatregel stemmen overeen met die welke zijn bepaald in het nationaal recht van de cel financiële inlichtingen die wordt aangezocht met betrekking tot het uitstel van de transacties.
2. De aangezochte cel financiële inlichtingen neemt de in het eerste lid bepaalde maatregelen wanneer zij, op grond van de gegevens meegedeeld door de verzoekende cel financiële inlichtingen, van oordeel is dat :
a) de transactie verband houdt met een witwasoperatie; en
b) de transactie zou zijn opgeschort of het sluiten ervan zou zijn uitgesteld ingeval ter zake op nationaal niveau een aangifte van verdachte verrichting zou zijn gedaan.
1. Enige Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar cel financiële inlichtingen de mogelijkheid te bieden, op verzoek van een buitenlandse cel financiële inlichtingen, een dringende maatregel te nemen houdende opschorting of uitstel van het sluiten van een lopende transactie. De voorwaarden en de duur van een dergelijke maatregel stemmen overeen met die welke zijn bepaald in het nationaal recht van de cel financiële inlichtingen die wordt aangezocht met betrekking tot het uitstel van de transacties.
2. De aangezochte cel financiële inlichtingen neemt de in het eerste lid bepaalde maatregelen wanneer zij, op grond van de gegevens meegedeeld door de verzoekende cel financiële inlichtingen, van oordeel is dat :
a) de transactie verband houdt met een witwasoperatie; en
b) de transactie zou zijn opgeschort of het sluiten ervan zou zijn uitgesteld ingeval ter zake op nationaal niveau een aangifte van verdachte verrichting zou zijn gedaan.
Art. 47. - Coopération internationale pour le report de transactions suspectes
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour permettre à sa cellule de renseignement financier d'initier en urgence, à la demande d'une cellule de renseignement financier étrangère, une mesure de suspension ou de report de la conclusion d'une transaction en cours. Les conditions et la durée d'une telle mesure sont identiques à celles prévues par le droit interne de la cellule de renseignement financier requise pour le report des transactions.
2. La cellule de renseignement financier requise prend les mesures prévues au paragraphe 1 lorsqu'elle estime, sur la base des éléments développés communiqués par la cellule de renseignement financier requérante, que :
a) la transaction est liée à une opération de blanchiment et que
b) la transaction aurait été suspendue, ou la conclusion de celle-ci reportée si elle avait fait l'objet d'une déclaration d'opération suspecte au niveau national.
1. Chaque Partie adopte les mesures législatives ou autres qui se révèlent nécessaires pour permettre à sa cellule de renseignement financier d'initier en urgence, à la demande d'une cellule de renseignement financier étrangère, une mesure de suspension ou de report de la conclusion d'une transaction en cours. Les conditions et la durée d'une telle mesure sont identiques à celles prévues par le droit interne de la cellule de renseignement financier requise pour le report des transactions.
2. La cellule de renseignement financier requise prend les mesures prévues au paragraphe 1 lorsqu'elle estime, sur la base des éléments développés communiqués par la cellule de renseignement financier requérante, que :
a) la transaction est liée à une opération de blanchiment et que
b) la transaction aurait été suspendue, ou la conclusion de celle-ci reportée si elle avait fait l'objet d'une déclaration d'opération suspecte au niveau national.
HOOFDSTUK VI. - Voortgangscontrole op de uitvoering en regeling van geschillen
CHAPITRE VI. - Suivi de la mise en oeuvre et règlement des différends
Art. 48. - Voortgangscontrole op de uitvoering en regeling van geschillen
1. De Conferentie van Partijen is verantwoordelijk voor de voortgangscontrole op de uitvoering van deze Overeenkomst. De Conferentie van de Partijen :
a) controleert de passende uitvoering van deze Overeenkomst door de Partijen;
b) kan, op verzoek van een Partij, advies verstrekken over enige vraag betreffende de uitlegging en de toepassing van de Overeenkomst.
2. De Conferentie van de Partijen oefent de in het eerste lid, a, bepaalde opdrachten uit door gebruik te maken van de beschikbare openbare samenvattingen van het Beperkt Comité van deskundigen inzake de evaluatie van antiwitwasmaatregelen (Moneyval) (voor de lidstaten van Moneyval) en van GAFI (voor de lidstaten van GAFI), zo nodig aangevuld met periodieke vragenlijsten voor zelfevaluatie. De evaluatieprocedure heeft enkel betrekking op de toepassingsgebieden van deze Overeenkomst waarop geen andere internationale normen van toepassing zijn, waarvoor wederzijdse evaluaties worden verricht door GAFI en Moneyval.
3. Ingeval de Conferentie van Partijen van oordeel is dat bijkomende gegevens noodzakelijk zijn om haar opdrachten tot een goed einde te brengen, raadpleegt zij de betrokken Partij, indien zij daartoe besluit, op grond van de instrumenten en procedures van Moneyval. Vervolgens deelt de betrokken Partij de elementen van antwoord mee aan de Conferentie van de Partijen. Op grond van deze elementen bepaalt de Conferentie van de Partijen of de toestand van de betrokken Partij grondiger moet worden geëvalueerd. Zulks kan, maar moet niet noodzakelijkerwijze bezoeken ter plaatse door een evaluatieteam onderstellen.
4. In geval van een geschil tussen de Partijen over de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst stellen zij alles in het werk om het geschil te regelen door middel van onderhandelingen of enig ander vreedzaam middel naar keuze, daaronder begrepen het voorleggen van het geschil aan de Conferentie van de Partijen, aan een scheidsgerecht dat beslissingen neemt waardoor de partijen bij het geschil zijn gebonden, of aan het Internationaal Gerechtshof, zulks in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken Partijen.
5. De Conferentie van de Partijen neemt haar eigen procedureregels aan.
6. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa roept de Conferentie van Partijen bijeen uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Vervolgens worden periodieke vergaderingen gehouden overeenkomstig de procedureregels aangenomen door de Conferentie van de Partijen.
1. De Conferentie van Partijen is verantwoordelijk voor de voortgangscontrole op de uitvoering van deze Overeenkomst. De Conferentie van de Partijen :
a) controleert de passende uitvoering van deze Overeenkomst door de Partijen;
b) kan, op verzoek van een Partij, advies verstrekken over enige vraag betreffende de uitlegging en de toepassing van de Overeenkomst.
2. De Conferentie van de Partijen oefent de in het eerste lid, a, bepaalde opdrachten uit door gebruik te maken van de beschikbare openbare samenvattingen van het Beperkt Comité van deskundigen inzake de evaluatie van antiwitwasmaatregelen (Moneyval) (voor de lidstaten van Moneyval) en van GAFI (voor de lidstaten van GAFI), zo nodig aangevuld met periodieke vragenlijsten voor zelfevaluatie. De evaluatieprocedure heeft enkel betrekking op de toepassingsgebieden van deze Overeenkomst waarop geen andere internationale normen van toepassing zijn, waarvoor wederzijdse evaluaties worden verricht door GAFI en Moneyval.
3. Ingeval de Conferentie van Partijen van oordeel is dat bijkomende gegevens noodzakelijk zijn om haar opdrachten tot een goed einde te brengen, raadpleegt zij de betrokken Partij, indien zij daartoe besluit, op grond van de instrumenten en procedures van Moneyval. Vervolgens deelt de betrokken Partij de elementen van antwoord mee aan de Conferentie van de Partijen. Op grond van deze elementen bepaalt de Conferentie van de Partijen of de toestand van de betrokken Partij grondiger moet worden geëvalueerd. Zulks kan, maar moet niet noodzakelijkerwijze bezoeken ter plaatse door een evaluatieteam onderstellen.
4. In geval van een geschil tussen de Partijen over de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst stellen zij alles in het werk om het geschil te regelen door middel van onderhandelingen of enig ander vreedzaam middel naar keuze, daaronder begrepen het voorleggen van het geschil aan de Conferentie van de Partijen, aan een scheidsgerecht dat beslissingen neemt waardoor de partijen bij het geschil zijn gebonden, of aan het Internationaal Gerechtshof, zulks in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken Partijen.
5. De Conferentie van de Partijen neemt haar eigen procedureregels aan.
6. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa roept de Conferentie van Partijen bijeen uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Vervolgens worden periodieke vergaderingen gehouden overeenkomstig de procedureregels aangenomen door de Conferentie van de Partijen.
Art. 48. - Suivi de la mise en oeuvre et règlement des différends
1. La Conférence des Parties est responsable du suivi de la mise en oeuvre de cette Convention. La Conférence des Parties :
a) contrôle la mise en oeuvre appropriée de cette Convention par les Parties;
b) peut, à la demande d'une Partie, donner un avis sur toute question concernant l'interprétation et l'application de la Convention.
2. La Conférence des Parties exerce les missions prévues au paragraphe 1er, a en utilisant les résumés publics disponibles du Comité d'experts restreint sur l'évaluation des mesures anti-blanchiment (Moneyval) (pour les Etats membres de Moneyval) et ceux du GAFI (pour les Etats membres du GAFI), complétés, le cas échéant, par des questionnaires d'auto évaluation périodiques. La procédure d'évaluation portera uniquement sur des domaines couverts par cette Convention qui ne sont pas déjà couverts par d'autres normes internationales, pour lesquelles des évaluations mutuelles sont réalisées par le GAFI et Moneyval.
3. Si la Conférence des Parties estime qu'elle a besoin d'informations complémentaires pour mener à bien ses missions, elle consulte la Partie concernée en s'appuyant, si elle en décide ainsi, sur les mécanismes et les procédures de Moneyval. La Partie concernée communique ensuite ses éléments de réponse à la Conférence des Parties. Sur la base de ces éléments, la Conférence des Parties détermine s'il convient de réaliser une évaluation plus approfondie de la situation de la Partie concernée. Ceci peut, mais ne doit pas nécessairement inclure des visites sur place par une équipe d'évaluation.
4. En cas de différend entre les Parties sur l'interprétation ou l'application de la Convention, les Parties s'efforceront de parvenir à un règlement du différend par la négociation ou tout autre moyen pacifique de leur choix, y compris la soumission du différend à la Conférence des Parties, à un tribunal arbitral qui prendra des décisions qui lieront les Parties au différend, ou à la Cour internationale de justice, selon un accord commun par les Parties concernées.
5. La Conférence des Parties adopte ses propres règles de procédure
6. Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe convoque la Conférence des Parties au plus tard un an après l'entrée en vigueur de la Convention. Des réunions périodiques sont ensuite tenues conformément aux règles de procédure adoptées par la Conférence des Parties.
1. La Conférence des Parties est responsable du suivi de la mise en oeuvre de cette Convention. La Conférence des Parties :
a) contrôle la mise en oeuvre appropriée de cette Convention par les Parties;
b) peut, à la demande d'une Partie, donner un avis sur toute question concernant l'interprétation et l'application de la Convention.
2. La Conférence des Parties exerce les missions prévues au paragraphe 1er, a en utilisant les résumés publics disponibles du Comité d'experts restreint sur l'évaluation des mesures anti-blanchiment (Moneyval) (pour les Etats membres de Moneyval) et ceux du GAFI (pour les Etats membres du GAFI), complétés, le cas échéant, par des questionnaires d'auto évaluation périodiques. La procédure d'évaluation portera uniquement sur des domaines couverts par cette Convention qui ne sont pas déjà couverts par d'autres normes internationales, pour lesquelles des évaluations mutuelles sont réalisées par le GAFI et Moneyval.
3. Si la Conférence des Parties estime qu'elle a besoin d'informations complémentaires pour mener à bien ses missions, elle consulte la Partie concernée en s'appuyant, si elle en décide ainsi, sur les mécanismes et les procédures de Moneyval. La Partie concernée communique ensuite ses éléments de réponse à la Conférence des Parties. Sur la base de ces éléments, la Conférence des Parties détermine s'il convient de réaliser une évaluation plus approfondie de la situation de la Partie concernée. Ceci peut, mais ne doit pas nécessairement inclure des visites sur place par une équipe d'évaluation.
4. En cas de différend entre les Parties sur l'interprétation ou l'application de la Convention, les Parties s'efforceront de parvenir à un règlement du différend par la négociation ou tout autre moyen pacifique de leur choix, y compris la soumission du différend à la Conférence des Parties, à un tribunal arbitral qui prendra des décisions qui lieront les Parties au différend, ou à la Cour internationale de justice, selon un accord commun par les Parties concernées.
5. La Conférence des Parties adopte ses propres règles de procédure
6. Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe convoque la Conférence des Parties au plus tard un an après l'entrée en vigueur de la Convention. Des réunions périodiques sont ensuite tenues conformément aux règles de procédure adoptées par la Conférence des Parties.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
CHAPITRE VII. - Dispositions finales
Art. 49. - Ondertekening en inwerkingtreding
1. De Overeenkomst staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap en de niet-lidstaten die aan de opstelling ervan hebben deelgenomen. Deze Staten of de Europese Gemeenschap kunnen hun instemming door de Overeenkomst te worden gebonden, tot uitdrukking brengen door :
a) ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
b) ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
2. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
3. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop zes ondertekenaars, waaronder ten minste vier lidstaten van de Raad van Europa, hun instemming door dit verdrag gebonden te worden in overeenstemming met de bepalingen van het eerste lid tot uitdrukking hebben gebracht.
4. Ten aanzien van een ondertekenaar die later zijn instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht, treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop hij zijn instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.
5. Geen enkele Partij bij de Overeenkomst van 1990 kan deze Overeenkomst bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren zonder zich ten minste gebonden te achten door de bepalingen die overeenstemmen met de bepalingen van de Overeenkomst van 1990, waardoor zij gebonden is.
6. Vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst moeten de Partijen bij deze Overeenkomst die eveneens Partij zijn bij de Overeenkomst van 1990 :
a) de bepalingen van deze Overeenkomst toepassen op hun wederzijdse betrekkingen;
b) de bepalingen van de Overeenkomst van 1990 blijven toepassen op hun betrekkingen met de andere Partijen bij voornoemde Overeenkomst die geen partij zijn bij deze Overeenkomst.
1. De Overeenkomst staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap en de niet-lidstaten die aan de opstelling ervan hebben deelgenomen. Deze Staten of de Europese Gemeenschap kunnen hun instemming door de Overeenkomst te worden gebonden, tot uitdrukking brengen door :
a) ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
b) ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
2. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
3. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop zes ondertekenaars, waaronder ten minste vier lidstaten van de Raad van Europa, hun instemming door dit verdrag gebonden te worden in overeenstemming met de bepalingen van het eerste lid tot uitdrukking hebben gebracht.
4. Ten aanzien van een ondertekenaar die later zijn instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht, treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop hij zijn instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.
5. Geen enkele Partij bij de Overeenkomst van 1990 kan deze Overeenkomst bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren zonder zich ten minste gebonden te achten door de bepalingen die overeenstemmen met de bepalingen van de Overeenkomst van 1990, waardoor zij gebonden is.
6. Vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst moeten de Partijen bij deze Overeenkomst die eveneens Partij zijn bij de Overeenkomst van 1990 :
a) de bepalingen van deze Overeenkomst toepassen op hun wederzijdse betrekkingen;
b) de bepalingen van de Overeenkomst van 1990 blijven toepassen op hun betrekkingen met de andere Partijen bij voornoemde Overeenkomst die geen partij zijn bij deze Overeenkomst.
Art. 49. - Signature et entrée en vigueur
1. La Convention est ouverte à la signature des Etats membres du Conseil de l'Europe, de la Communauté européenne et des Etats non membres qui ont participé à son élaboration. Ces Etats ou la Communauté européenne peuvent exprimer leur consentement à être liés par :
a) signature sans réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation; ou
b) signature, sous réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation, suivie de ratification, d'acceptation ou d'approbation.
2. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation seront déposés près le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
3. La présente Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date à laquelle six signataires, dont au moins quatre Etats membres du Conseil de l'Europe, auront exprimé leur consentement à être liés par la Convention, conformément aux dispositions du paragraphe 1.
4. Pour tout Signataire qui exprimera ultérieurement son consentement à être lié par la Convention, celle-ci entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de l'expression de son consentement à être lié par la Convention conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
5. Aucune Partie à la Convention de 1990 ne peut ratifier, accepter ou approuver la présente Convention sans se considérer liée au moins par les dispositions correspondant aux dispositions de la Convention de 1990, auxquelles elle est liée.
6. Dès l'entrée en vigueur de la Convention, les Parties à cette Convention, qui sont également Parties à la Convention de 1990 :
a) appliqueront les dispositions de cette Convention dans leurs relations mutuelles;
b) continueront à appliquer les dispositions de la Convention de 1990 dans leurs relations avec d'autres Parties à ladite Convention, qui ne sont pas Parties à cette Convention.
1. La Convention est ouverte à la signature des Etats membres du Conseil de l'Europe, de la Communauté européenne et des Etats non membres qui ont participé à son élaboration. Ces Etats ou la Communauté européenne peuvent exprimer leur consentement à être liés par :
a) signature sans réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation; ou
b) signature, sous réserve de ratification, d'acceptation ou d'approbation, suivie de ratification, d'acceptation ou d'approbation.
2. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation seront déposés près le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
3. La présente Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date à laquelle six signataires, dont au moins quatre Etats membres du Conseil de l'Europe, auront exprimé leur consentement à être liés par la Convention, conformément aux dispositions du paragraphe 1.
4. Pour tout Signataire qui exprimera ultérieurement son consentement à être lié par la Convention, celle-ci entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de l'expression de son consentement à être lié par la Convention conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
5. Aucune Partie à la Convention de 1990 ne peut ratifier, accepter ou approuver la présente Convention sans se considérer liée au moins par les dispositions correspondant aux dispositions de la Convention de 1990, auxquelles elle est liée.
6. Dès l'entrée en vigueur de la Convention, les Parties à cette Convention, qui sont également Parties à la Convention de 1990 :
a) appliqueront les dispositions de cette Convention dans leurs relations mutuelles;
b) continueront à appliquer les dispositions de la Convention de 1990 dans leurs relations avec d'autres Parties à ladite Convention, qui ne sont pas Parties à cette Convention.
Art. 50. - Toetreding tot de Overeenkomst
1. Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de Partijen bij de Overeenkomst, iedere Staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet aan de opstelling van deze Overeenkomst heeft deelgenomen, uitnodigen hiertoe toe te treden, zulks bij een besluit genomen met de meerderheid bepaald in artikel 20, d van het Statuut van de Raad van Europa en met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Partijen die het recht hebben in het Comité van ministers zitting te hebben.
2. Voor enige toetredende Staat treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de akte van toetreding bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa wordt neergelegd.
1. Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de Partijen bij de Overeenkomst, iedere Staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet aan de opstelling van deze Overeenkomst heeft deelgenomen, uitnodigen hiertoe toe te treden, zulks bij een besluit genomen met de meerderheid bepaald in artikel 20, d van het Statuut van de Raad van Europa en met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Partijen die het recht hebben in het Comité van ministers zitting te hebben.
2. Voor enige toetredende Staat treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de akte van toetreding bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa wordt neergelegd.
Art. 50. - Adhésion à la Convention
1. Après l'entrée en vigueur de cette Convention, le Comité des ministres du Conseil de l'Europe pourra, après avoir consulté les Parties à la Convention, inviter tout Etat non membre du Conseil à adhérer à la présente Convention par une décision prise à la majorité prévue à l'article 20, d du Statut du Conseil de l'Europe et à l'unanimité des représentants des Parties ayant le droit de siéger au Comité.
2. Pour tout Etat adhérent, la Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de dépôt de l'instrument d'adhésion près le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
1. Après l'entrée en vigueur de cette Convention, le Comité des ministres du Conseil de l'Europe pourra, après avoir consulté les Parties à la Convention, inviter tout Etat non membre du Conseil à adhérer à la présente Convention par une décision prise à la majorité prévue à l'article 20, d du Statut du Conseil de l'Europe et à l'unanimité des représentants des Parties ayant le droit de siéger au Comité.
2. Pour tout Etat adhérent, la Convention entrera en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de dépôt de l'instrument d'adhésion près le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
Art. 51. - Territoriale toepasselijkheid
1. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop de Overeenkomst van toepassing is.
2. Enige Partij kan te allen tijde daarna, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, de toepasselijkheid van deze overeenkomst uitbreiden tot enig ander in de verklaring aangewezen grondgebied. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de Secretaris-generaal de verklaring heeft ontvangen.
3. Enige krachtens de voorgaande leden afgelegde verklaring kan ten aanzien van enig in die verklaring aangewezen grondgebied worden ingetrokken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-generaal.
1. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop de Overeenkomst van toepassing is.
2. Enige Partij kan te allen tijde daarna, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, de toepasselijkheid van deze overeenkomst uitbreiden tot enig ander in de verklaring aangewezen grondgebied. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de Secretaris-generaal de verklaring heeft ontvangen.
3. Enige krachtens de voorgaande leden afgelegde verklaring kan ten aanzien van enig in die verklaring aangewezen grondgebied worden ingetrokken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-generaal.
Art. 51. - Application territoriale
1. Tout Etat ou la Communauté européenne pourra, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, désigner le ou les territoires auxquels s'appliquera la Convention.
2. Toute Partie pourra, à tout autre moment par la suite, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, étendre l'application de cette Convention à tout autre territoire désigné dans la déclaration. La Convention entrera en vigueur à l'égard de ce territoire le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la déclaration par le Secrétaire général.
3. Toute déclaration faite en vertu des deux paragraphes précédents pourra être retirée, en ce qui concerne tout territoire désigné dans cette déclaration, par notification adressée au Secrétaire général. Le retrait prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
1. Tout Etat ou la Communauté européenne pourra, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, désigner le ou les territoires auxquels s'appliquera la Convention.
2. Toute Partie pourra, à tout autre moment par la suite, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, étendre l'application de cette Convention à tout autre territoire désigné dans la déclaration. La Convention entrera en vigueur à l'égard de ce territoire le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la déclaration par le Secrétaire général.
3. Toute déclaration faite en vertu des deux paragraphes précédents pourra être retirée, en ce qui concerne tout territoire désigné dans cette déclaration, par notification adressée au Secrétaire général. Le retrait prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
Art. 52. - Verhouding tot andere verdragen en akkoorden
1. Deze Overeenkomst laat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit internationale multilaterale verdragen betreffende bijzondere aangelegenheden onverlet.
2. De Partijen bij deze Overeenkomst kunnen onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake aangelegenheden die bij deze Overeenkomst worden geregeld, teneinde de bepalingen ervan aan te vullen of te versterken of de toepassing van de daarin neergelegde beginselen te vergemakkelijken.
3. Ingeval twee of meer Partijen reeds een akkoord of een verdrag hebben gesloten met betrekking tot een aangelegenheid waarop deze Overeenkomst betrekking heeft of hun betrekkingen in verband met die aangelegenheid anderszins hebben vastgesteld, hebben zij de mogelijkheid voornoemd akkoord, verdrag of regeling toe te passen in de plaats van deze Overeenkomst indien zulks de internationale samenwerking vergemakkelijkt.
4. De Partijen die lid zijn van de Europese Unie passen in hun onderlinge betrekkingen de regels van de Gemeenschap en van de Europese Unie toe, voorzover regels van de Gemeenschap of van de Europese Unie het betrokken specifieke onderwerp beheersen en van toepassing zijn op het specifieke geval, onverminderd het onderwerp en het doel van deze Overeenkomst en onverminderd de volle toepassing ervan ten aanzien van de andere Partijen.
1. Deze Overeenkomst laat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit internationale multilaterale verdragen betreffende bijzondere aangelegenheden onverlet.
2. De Partijen bij deze Overeenkomst kunnen onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake aangelegenheden die bij deze Overeenkomst worden geregeld, teneinde de bepalingen ervan aan te vullen of te versterken of de toepassing van de daarin neergelegde beginselen te vergemakkelijken.
3. Ingeval twee of meer Partijen reeds een akkoord of een verdrag hebben gesloten met betrekking tot een aangelegenheid waarop deze Overeenkomst betrekking heeft of hun betrekkingen in verband met die aangelegenheid anderszins hebben vastgesteld, hebben zij de mogelijkheid voornoemd akkoord, verdrag of regeling toe te passen in de plaats van deze Overeenkomst indien zulks de internationale samenwerking vergemakkelijkt.
4. De Partijen die lid zijn van de Europese Unie passen in hun onderlinge betrekkingen de regels van de Gemeenschap en van de Europese Unie toe, voorzover regels van de Gemeenschap of van de Europese Unie het betrokken specifieke onderwerp beheersen en van toepassing zijn op het specifieke geval, onverminderd het onderwerp en het doel van deze Overeenkomst en onverminderd de volle toepassing ervan ten aanzien van de andere Partijen.
Art. 52. - Relations avec d'autres conventions et accords
1. Cette Convention ne porte pas atteinte aux droits et obligations des Parties découlant d'instruments internationaux multilatéraux concernant des questions particulières.
2. Les Parties à la présente Convention pourront conclure entre elles des accords bilatéraux ou multilatéraux relatifs aux questions réglées par la présente Convention, aux fins de compléter ou de renforcer les dispositions de celle-ci ou pour faciliter l'application des principes qu'elle consacre.
3. Lorsque deux Parties ou plus ont déjà conclu un accord ou un traité sur un sujet couvert par la présente Convention, ou lorsqu'elles ont établi d'une autre manière leurs relations sur ce sujet, elles auront la faculté d'appliquer ledit accord, traité ou arrangement au lieu de la Convention, si cela facilite la coopération internationale.
4. Les Parties qui sont membres de l'Union européenne appliquent, dans leurs relations mutuelles, les règles de la Communauté et de l'Union européenne dans la mesure où il existe des règles de la Communauté ou de l'Union européenne régissant le sujet particulier concerné et applicables au cas d'espèce, sans préjudice de l'objet et du but de la présente Convention et sans préjudice de son entière application à l'égard des autres Parties.
1. Cette Convention ne porte pas atteinte aux droits et obligations des Parties découlant d'instruments internationaux multilatéraux concernant des questions particulières.
2. Les Parties à la présente Convention pourront conclure entre elles des accords bilatéraux ou multilatéraux relatifs aux questions réglées par la présente Convention, aux fins de compléter ou de renforcer les dispositions de celle-ci ou pour faciliter l'application des principes qu'elle consacre.
3. Lorsque deux Parties ou plus ont déjà conclu un accord ou un traité sur un sujet couvert par la présente Convention, ou lorsqu'elles ont établi d'une autre manière leurs relations sur ce sujet, elles auront la faculté d'appliquer ledit accord, traité ou arrangement au lieu de la Convention, si cela facilite la coopération internationale.
4. Les Parties qui sont membres de l'Union européenne appliquent, dans leurs relations mutuelles, les règles de la Communauté et de l'Union européenne dans la mesure où il existe des règles de la Communauté ou de l'Union européenne régissant le sujet particulier concerné et applicables au cas d'espèce, sans préjudice de l'objet et du but de la présente Convention et sans préjudice de son entière application à l'égard des autres Parties.
Art. 53. - Verklaring en voorbehouden
1. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een of meer verklaringen formuleren als bedoeld in artikel 3, tweede lid, artikel 9, vierde lid, artikel 17, vijfde lid, artikel 24, derde lid, artikel 31, tweede lid, artikel 35, eerste en derde lid, en artikel 42, tweede lid.
2. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan eveneens op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren artikel 7, tweede lid, punt c, artikel 9, zesde lid, artikel 46, vijfde lid, en artikel 47 niet of gedeeltelijk te zullen toepassen.
3. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding de wijze aangeven waarop hij of zij de artikelen 17 en 19 van deze Overeenkomst zal toepassen, met name gelet op de internationale instrumenten die van toepassing zijn inzake internationale samenwerking in strafzaken. Hij of zij stelt de Secretaris-generaal van de Raad van Europa in kennis van enige wijziging.
4. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren :
a) dat hij of zij artikel 3, vierde lid, niet zal toepassen; of
b) dat hij of zij artikel 3, vierde lid, slechts gedeeltelijk zal toepassen; of
c) de wijze omschrijven waarop hij of zij artikel 3, vierde lid, zal toepassen.
Hij of zij stelt de Secretaris-generaal van de Raad van Europa in kennis van enige wijziging.
5. Geen enkel ander voorbehoud is toegestaan.
6. Enige Partij die een voorbehoud heeft gemaakt krachtens dit artikel, kan het geheel of ten dele intrekken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa. De intrekking wordt van kracht op de datum waarop de Secretaris-generaal de kennisgeving ontvangt.
7. De Partij die een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een bepaling van deze Overeenkomst kan geen aanspraak maken op de toepassing van deze bepaling door een andere Partij. Zij kan evenwel in geval van een gedeeltelijk of voorwaardelijk voorbehoud aanspraak maken op de toepassing van deze bepaling voor zover zij deze heeft aanvaard.
1. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een of meer verklaringen formuleren als bedoeld in artikel 3, tweede lid, artikel 9, vierde lid, artikel 17, vijfde lid, artikel 24, derde lid, artikel 31, tweede lid, artikel 35, eerste en derde lid, en artikel 42, tweede lid.
2. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan eveneens op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren artikel 7, tweede lid, punt c, artikel 9, zesde lid, artikel 46, vijfde lid, en artikel 47 niet of gedeeltelijk te zullen toepassen.
3. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding de wijze aangeven waarop hij of zij de artikelen 17 en 19 van deze Overeenkomst zal toepassen, met name gelet op de internationale instrumenten die van toepassing zijn inzake internationale samenwerking in strafzaken. Hij of zij stelt de Secretaris-generaal van de Raad van Europa in kennis van enige wijziging.
4. Enige Staat of de Europese Gemeenschap kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren :
a) dat hij of zij artikel 3, vierde lid, niet zal toepassen; of
b) dat hij of zij artikel 3, vierde lid, slechts gedeeltelijk zal toepassen; of
c) de wijze omschrijven waarop hij of zij artikel 3, vierde lid, zal toepassen.
Hij of zij stelt de Secretaris-generaal van de Raad van Europa in kennis van enige wijziging.
5. Geen enkel ander voorbehoud is toegestaan.
6. Enige Partij die een voorbehoud heeft gemaakt krachtens dit artikel, kan het geheel of ten dele intrekken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa. De intrekking wordt van kracht op de datum waarop de Secretaris-generaal de kennisgeving ontvangt.
7. De Partij die een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een bepaling van deze Overeenkomst kan geen aanspraak maken op de toepassing van deze bepaling door een andere Partij. Zij kan evenwel in geval van een gedeeltelijk of voorwaardelijk voorbehoud aanspraak maken op de toepassing van deze bepaling voor zover zij deze heeft aanvaard.
Art. 53. - Déclaration et réserves
1. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, formuler une ou plusieurs des déclarations prévues aux articles 3, paragraphe 2; 9, paragraphe 4; 17, paragraphe 5; 24, paragraphe 3; 31, paragraphe 2; 35, paragraphes 1er et 3; et 42, paragraphe 2.
2. Tout Etat ou la Communauté européenne peut également, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer qu'il n'appliquera pas, en tout ou en partie, les dispositions des articles 7, paragraphe 2, alinéa c ; 9, paragraphe 6; 46, paragraphe 5; et 47.
3. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer la manière dont il ou elle appliquera les articles 17 et 19 de cette Convention, eu égard notamment aux accords internationaux applicables dans le domaine de la coopération internationale en matière pénale. Il ou elle notifiera tout changement de cette information au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
4. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer :
a) qu'il ou elle n'appliquera pas l'article 3, paragraphe 4; ou
b) qu'il ou elle appliquera l'article 3, paragraphe 4 seulement en partie; ou
c) la manière dont il ou elle appliquera l'article 3, paragraphe 4.
Il ou elle notifiera tout changement de cette information au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
5. Aucune autre réserve n'est admise.
6. Toute Partie qui a formulé une réserve en vertu de cet article peut la retirer en tout ou en Partie, en adressant une notification au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe. Le retrait prendra effet à la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
7. La Partie qui a formulé une réserve au sujet d'une disposition de la Convention ne peut prétendre à l'application de cette disposition par une autre Partie; elle peut, si la réserve est Partielle ou conditionnelle, prétendre à l'application de cette disposition dans la mesure où elle l'a acceptée.
1. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, formuler une ou plusieurs des déclarations prévues aux articles 3, paragraphe 2; 9, paragraphe 4; 17, paragraphe 5; 24, paragraphe 3; 31, paragraphe 2; 35, paragraphes 1er et 3; et 42, paragraphe 2.
2. Tout Etat ou la Communauté européenne peut également, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, par une déclaration adressée au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe, déclarer qu'il n'appliquera pas, en tout ou en partie, les dispositions des articles 7, paragraphe 2, alinéa c ; 9, paragraphe 6; 46, paragraphe 5; et 47.
3. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer la manière dont il ou elle appliquera les articles 17 et 19 de cette Convention, eu égard notamment aux accords internationaux applicables dans le domaine de la coopération internationale en matière pénale. Il ou elle notifiera tout changement de cette information au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
4. Tout Etat ou la Communauté européenne peut, au moment de la signature ou au moment du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, déclarer :
a) qu'il ou elle n'appliquera pas l'article 3, paragraphe 4; ou
b) qu'il ou elle appliquera l'article 3, paragraphe 4 seulement en partie; ou
c) la manière dont il ou elle appliquera l'article 3, paragraphe 4.
Il ou elle notifiera tout changement de cette information au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
5. Aucune autre réserve n'est admise.
6. Toute Partie qui a formulé une réserve en vertu de cet article peut la retirer en tout ou en Partie, en adressant une notification au Secrétaire Général du Conseil de l'Europe. Le retrait prendra effet à la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
7. La Partie qui a formulé une réserve au sujet d'une disposition de la Convention ne peut prétendre à l'application de cette disposition par une autre Partie; elle peut, si la réserve est Partielle ou conditionnelle, prétendre à l'application de cette disposition dans la mesure où elle l'a acceptée.
Art. 54. - Wijzigingen 1. Wijzigingen in deze Overeenkomst kunnen worden voorgesteld door iedere Partij en worden door de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meegedeeld aan de lidstaten van de Raad van Europa, aan de Europese Gemeenschap en aan enige niet-lidstaat die tot deze Overeenkomst is toegetreden of uitgenodigd is toe te treden overeenkomstig de bepalingen van artikel 50.
2. Enige door een Partij voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan het Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC,) die haar advies over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van ministers.
3. Het Comité van ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het door de Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken voorgelegde advies en kan de wijziging aannemen met de in artikel 20, d, van het Statuut van de Raad van Europa bepaalde meerderheid.
4. De tekst van een door het Comité van ministers in overeenstemming met het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging wordt aan de Partijen ter aanvaarding toegezonden.
5. Een in overeenstemming met het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging wordt van kracht op de dertigste dag nadat alle Partijen de Secretaris-generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij de wijziging aanvaarden.
6. Met het oog op de bijwerking van de in de bijlage vermelde categorieën strafbare feiten, alsook met het oog op de wijziging van artikel 13, kan enige Partij of het Comité van ministers wijzigingen voorstellen. Zij worden door de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meegedeeld aan de Partijen.
7. Na raadpleging van de Partijen die geen lid zijn van de Raad van Europa en, indien noodzakelijk, van het Comité voor strafrechtelijke vraagstukken, kan het Comité van ministers een voorgestelde wijziging aannemen overeenkomstig het zesde lid, met de in artikel 20. d, van het Statuut van de Raad van Europa bepaalde meerderheid. De wijziging treedt in werking na het verstrijken van een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop deze aan de Partijen is overgezonden. Gedurende deze periode kan enige Partij de Secretaris-generaal in kennis stellen van enig bezwaar tegen de inwerkingtreding van de wijziging te haar aanzien.
8. Indien een derde van de Partijen de Secretaris-generaal in kennis stelt van een bezwaar tegen de inwerkingtreding van de wijziging, treedt de wijziging niet in werking.
9. Indien minder dan een derde van de partijen zulks doet, treedt de wijziging in werking voor de Partijen die geen bezwaar hebben gemaakt.
10. Wanneer een wijziging overeenkomstig het zesde tot het negende lid van dit artikel in werking is getreden en een Partij bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging, treedt deze ten aanzien van de desbetreffende Partij in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop deze Partij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa in kennis heeft gesteld van haar aanvaarding ervan. Enige Partij die bezwaar heeft gemaakt, kan het te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
11. Indien een wijziging werd aangenomen door het Comité van ministers, kan een Staat of de Europese Gemeenschap zijn of haar instemming door de Overeenkomst te zijn gebonden niet tot uiting brengen zonder tegelijkertijd de wijzigingen te hebben aanvaard.
2. Enige door een Partij voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan het Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC,) die haar advies over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van ministers.
3. Het Comité van ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het door de Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken voorgelegde advies en kan de wijziging aannemen met de in artikel 20, d, van het Statuut van de Raad van Europa bepaalde meerderheid.
4. De tekst van een door het Comité van ministers in overeenstemming met het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging wordt aan de Partijen ter aanvaarding toegezonden.
5. Een in overeenstemming met het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging wordt van kracht op de dertigste dag nadat alle Partijen de Secretaris-generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij de wijziging aanvaarden.
6. Met het oog op de bijwerking van de in de bijlage vermelde categorieën strafbare feiten, alsook met het oog op de wijziging van artikel 13, kan enige Partij of het Comité van ministers wijzigingen voorstellen. Zij worden door de Secretaris-generaal van de Raad van Europa meegedeeld aan de Partijen.
7. Na raadpleging van de Partijen die geen lid zijn van de Raad van Europa en, indien noodzakelijk, van het Comité voor strafrechtelijke vraagstukken, kan het Comité van ministers een voorgestelde wijziging aannemen overeenkomstig het zesde lid, met de in artikel 20. d, van het Statuut van de Raad van Europa bepaalde meerderheid. De wijziging treedt in werking na het verstrijken van een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop deze aan de Partijen is overgezonden. Gedurende deze periode kan enige Partij de Secretaris-generaal in kennis stellen van enig bezwaar tegen de inwerkingtreding van de wijziging te haar aanzien.
8. Indien een derde van de Partijen de Secretaris-generaal in kennis stelt van een bezwaar tegen de inwerkingtreding van de wijziging, treedt de wijziging niet in werking.
9. Indien minder dan een derde van de partijen zulks doet, treedt de wijziging in werking voor de Partijen die geen bezwaar hebben gemaakt.
10. Wanneer een wijziging overeenkomstig het zesde tot het negende lid van dit artikel in werking is getreden en een Partij bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging, treedt deze ten aanzien van de desbetreffende Partij in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop deze Partij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa in kennis heeft gesteld van haar aanvaarding ervan. Enige Partij die bezwaar heeft gemaakt, kan het te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
11. Indien een wijziging werd aangenomen door het Comité van ministers, kan een Staat of de Europese Gemeenschap zijn of haar instemming door de Overeenkomst te zijn gebonden niet tot uiting brengen zonder tegelijkertijd de wijzigingen te hebben aanvaard.
Art. 54. - Amendements 1. Des amendements à la Convention peuvent être proposés par chaque Partie et toute proposition sera communiquée par le Secrétaire général du Conseil de l'Europe aux Etats membres du Conseil de l'Europe, à la Communauté européenne et à chaque Etat non membre qui a adhéré ou a été invité à adhérer à la présente Convention conformément aux dispositions de l'article 50.
2. Tout amendement proposé par une Partie est communiqué au Comité européen pour les problèmes criminels (CDPC) qui soumet au Comité des ministres son avis sur l'amendement proposé.
3. Le Comité des ministres examine l'amendement proposé et l'avis soumis par le CDPC, et peut adopter l'amendement à la majorité prévue à l'article 20, d du Statut du Conseil de l'Europe.
4. Le texte de tout amendement adopté par le Comité des ministres conformément au paragraphe 3 du présent article est transmis aux Parties pour acceptation.
5. Tout amendement adopté conformément au paragraphe 3 du présent article entrera en vigueur le trentième jour après que toutes les Parties auront informé le Secrétaire général qu'elles l'ont accepté.
6. Afin d'actualiser les catégories infractions mentionnés à l'annexe, ainsi que d'amender l'article 13, des amendements peuvent être proposés par toute Partie ou par le Comité des ministres. Ils sont communiqués par le Secrétaire général du Conseil de l'Europe aux Parties.
7. Après avoir consulté les Parties qui ne sont pas membres du Conseil de l'Europe et si nécessaire le CDPC, le Comité des ministres peut adopter un amendement proposé en conformité avec le paragraphe 6 à la majorité prévue à l'article 20, d du Statut du Conseil de l'Europe. Cet amendement entrera en vigueur à l'expiration d'une période d'un an à compter de la date à laquelle il aura été transmis aux Parties. Pendant ce délai, toute Partie pourra notifier au Secrétaire Général une objection à l'entrée en vigueur de l'amendement à son égard.
8. Si un tiers des Parties a notifié au Secrétaire général du Conseil de l'Europe une objection à l'entrée en vigueur de l'amendement, celui-ci n'entre pas en vigueur.
9. Si moins d'un tiers des Parties a notifié une objection, l'amendement entre en vigueur pour les Etats contractants qui n'ont pas formulé d'objection.
10. Lorsqu'un amendement est entré en vigueur conformément aux paragraphes 6 à 9 du présent article et qu'une Partie a formulé une objection à cet amendement, celui-ci entrera en vigueur à l'égard de cette Partie le premier jour du mois suivant la date à laquelle elle aura notifié son acceptation au Secrétaire général du Conseil de l'Europe. Toute Partie qui a formulé une objection peut la retirer à tout moment en adressant une notification au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
11. Si un amendement a été adopté par le Comité des ministres, un Etat ou la Communauté européenne ne peut pas exprimer son consentement à être lié par la Convention sans avoir accepté, en même temps, les amendements.
2. Tout amendement proposé par une Partie est communiqué au Comité européen pour les problèmes criminels (CDPC) qui soumet au Comité des ministres son avis sur l'amendement proposé.
3. Le Comité des ministres examine l'amendement proposé et l'avis soumis par le CDPC, et peut adopter l'amendement à la majorité prévue à l'article 20, d du Statut du Conseil de l'Europe.
4. Le texte de tout amendement adopté par le Comité des ministres conformément au paragraphe 3 du présent article est transmis aux Parties pour acceptation.
5. Tout amendement adopté conformément au paragraphe 3 du présent article entrera en vigueur le trentième jour après que toutes les Parties auront informé le Secrétaire général qu'elles l'ont accepté.
6. Afin d'actualiser les catégories infractions mentionnés à l'annexe, ainsi que d'amender l'article 13, des amendements peuvent être proposés par toute Partie ou par le Comité des ministres. Ils sont communiqués par le Secrétaire général du Conseil de l'Europe aux Parties.
7. Après avoir consulté les Parties qui ne sont pas membres du Conseil de l'Europe et si nécessaire le CDPC, le Comité des ministres peut adopter un amendement proposé en conformité avec le paragraphe 6 à la majorité prévue à l'article 20, d du Statut du Conseil de l'Europe. Cet amendement entrera en vigueur à l'expiration d'une période d'un an à compter de la date à laquelle il aura été transmis aux Parties. Pendant ce délai, toute Partie pourra notifier au Secrétaire Général une objection à l'entrée en vigueur de l'amendement à son égard.
8. Si un tiers des Parties a notifié au Secrétaire général du Conseil de l'Europe une objection à l'entrée en vigueur de l'amendement, celui-ci n'entre pas en vigueur.
9. Si moins d'un tiers des Parties a notifié une objection, l'amendement entre en vigueur pour les Etats contractants qui n'ont pas formulé d'objection.
10. Lorsqu'un amendement est entré en vigueur conformément aux paragraphes 6 à 9 du présent article et qu'une Partie a formulé une objection à cet amendement, celui-ci entrera en vigueur à l'égard de cette Partie le premier jour du mois suivant la date à laquelle elle aura notifié son acceptation au Secrétaire général du Conseil de l'Europe. Toute Partie qui a formulé une objection peut la retirer à tout moment en adressant une notification au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
11. Si un amendement a été adopté par le Comité des ministres, un Etat ou la Communauté européenne ne peut pas exprimer son consentement à être lié par la Convention sans avoir accepté, en même temps, les amendements.
Art. 55. - Opzegging 1. Enige Partij kan deze Overeenkomst te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de Secretaris-generaal de kennisgeving heeft ontvangen.
3. De Overeenkomst blijft evenwel van toepassing op de uitvoering, overeenkomstig artikel 23, van een confiscatie waarom overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst is verzocht vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de Secretaris-generaal de kennisgeving heeft ontvangen.
3. De Overeenkomst blijft evenwel van toepassing op de uitvoering, overeenkomstig artikel 23, van een confiscatie waarom overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst is verzocht vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
Art. 55. - Dénonciation 1. Toute Partie peut, à tout moment, dénoncer la présente Convention en adressant une notification au Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
2. La dénonciation prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
3. Toutefois, la Convention continue de s'appliquer à l'exécution, en vertu de l'article 23, d'une confiscation demandée conformément à ses dispositions avant que la dénonciation ne prenne effet.
2. La dénonciation prendra effet le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de trois mois après la date de réception de la notification par le Secrétaire général.
3. Toutefois, la Convention continue de s'appliquer à l'exécution, en vertu de l'article 23, d'une confiscation demandée conformément à ses dispositions avant que la dénonciation ne prenne effet.
Art. 56. - Kennisgevingen
De Secretaris-generaal van de Raad van Europa geeft de lidstaten van de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap, de niet-lidstaten die aan de opstelling van dit verdrag hebben deelgenomen en enige Staat die is verzocht tot de Overeenkomst toe te treden, kennis van :
a) enige ondertekening;
b) de neerlegging van enige akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
c) enige datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst overeenkomstig de artikelen 49 en 50 ervan;
d) enige verklaring of enig voorbehoud krachtens artikel 53;
e) enige andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot deze Overeenkomst.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
Gedaan te Warschau op 16 mei 2005 in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat wordt neergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa doet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa, aan de Europese Gemeenschap, aan de niet-lidstaten die aan de opstelling van deze Overeenkomst hebben deelgenomen en aan enige Staat die is verzocht tot het verdrag toe te treden.
De Secretaris-generaal van de Raad van Europa geeft de lidstaten van de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap, de niet-lidstaten die aan de opstelling van dit verdrag hebben deelgenomen en enige Staat die is verzocht tot de Overeenkomst toe te treden, kennis van :
a) enige ondertekening;
b) de neerlegging van enige akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
c) enige datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst overeenkomstig de artikelen 49 en 50 ervan;
d) enige verklaring of enig voorbehoud krachtens artikel 53;
e) enige andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot deze Overeenkomst.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
Gedaan te Warschau op 16 mei 2005 in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat wordt neergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa doet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa, aan de Europese Gemeenschap, aan de niet-lidstaten die aan de opstelling van deze Overeenkomst hebben deelgenomen en aan enige Staat die is verzocht tot het verdrag toe te treden.
Art. 56. - Notifications Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe notifiera aux Etats membres du Conseil de l'Europe, à la Communauté européenne, aux Etats non membres qui ont participé à l'élaboration de cette Convention, à tout Etat invité à adhérer à celle-ci et à toute Partie à la Convention :
a) toute signature;
b) le dépôt de tout instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion;
c) toute date d'entrée en vigueur de la Convention conformément à ses articles 49 et 50;
d) toute déclaration ou réserve en vertu de l'article 53;
e) tout autre acte, notification ou communication ayant trait à la Convention.
En foi de quoi, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.
Fait à Varsovie, le 16 mai 2005, en français et en anglais, les deux textes faisant également foi, en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Conseil de l'Europe. Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe en communiquera copie certifiée conforme à chacun des Etats membres du Conseil de l'Europe, à la Communauté européenne, aux Etats non membres qui ont participé à l'élaboration de cette Convention et à tout Etat invité à adhérer à celle-ci.
a) toute signature;
b) le dépôt de tout instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion;
c) toute date d'entrée en vigueur de la Convention conformément à ses articles 49 et 50;
d) toute déclaration ou réserve en vertu de l'article 53;
e) tout autre acte, notification ou communication ayant trait à la Convention.
En foi de quoi, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.
Fait à Varsovie, le 16 mai 2005, en français et en anglais, les deux textes faisant également foi, en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Conseil de l'Europe. Le Secrétaire général du Conseil de l'Europe en communiquera copie certifiée conforme à chacun des Etats membres du Conseil de l'Europe, à la Communauté européenne, aux Etats non membres qui ont participé à l'élaboration de cette Convention et à tout Etat invité à adhérer à celle-ci.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. a) deelneming aan een georganiseerde criminele groep;
b) terrorisme, daaronder begrepen de financiering van het terrorisme;
c) mensenhandel en smokkel van migranten;
d) seksuele uitbuiting, daaronder begrepen de seksuele uitbuiting van kinderen;
e) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
f) wapenhandel;
g) illegale handel in gestolen voorwerpen en andere voorwerpen;
h) corruptie;
i) fraude en oplichting;
j) namaak van munten;
k) namaak en ongeoorloofde productie van voorwerpen;
l) misdaden en strafbare feiten tegen het milieu;
m ) doodslag en ernstige lichamelijke verwondingen;
n) ontvoering, opsluiting en gijzelneming;
o) diefstal;
p) smokkel;
q) afpersing;
r) valsheid;
s) piraterij;
t) handel met voorkennis en manipulatie van effectenbeurzen.
VERKLARINGEN
België verklaart dat de centrale autoriteit, aangeduid in toepassing van artikel 33, paragraaf 2, van de Overeenkomst, de Federale Overheidsdienst Justitie, Directie-generaal Wetgeving, Vrijheden en Fundamentele rechten, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Waterloolaan 115, B-1000 Brussel is.
België verklaart dat de eenheid die fungeert als cel financiële inlichtingen, aangeduid in toepassing van artikel 46, paragraaf 13 van de Overeenkomst de Cel voor financiële informatieverwerking (Belgian Financial Intelligence Unit), Gulden Vlieslaan 55 (bus 1), B-1060 Brussel, is.
b) terrorisme, daaronder begrepen de financiering van het terrorisme;
c) mensenhandel en smokkel van migranten;
d) seksuele uitbuiting, daaronder begrepen de seksuele uitbuiting van kinderen;
e) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
f) wapenhandel;
g) illegale handel in gestolen voorwerpen en andere voorwerpen;
h) corruptie;
i) fraude en oplichting;
j) namaak van munten;
k) namaak en ongeoorloofde productie van voorwerpen;
l) misdaden en strafbare feiten tegen het milieu;
m ) doodslag en ernstige lichamelijke verwondingen;
n) ontvoering, opsluiting en gijzelneming;
o) diefstal;
p) smokkel;
q) afpersing;
r) valsheid;
s) piraterij;
t) handel met voorkennis en manipulatie van effectenbeurzen.
VERKLARINGEN
België verklaart dat de centrale autoriteit, aangeduid in toepassing van artikel 33, paragraaf 2, van de Overeenkomst, de Federale Overheidsdienst Justitie, Directie-generaal Wetgeving, Vrijheden en Fundamentele rechten, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Waterloolaan 115, B-1000 Brussel is.
België verklaart dat de eenheid die fungeert als cel financiële inlichtingen, aangeduid in toepassing van artikel 46, paragraaf 13 van de Overeenkomst de Cel voor financiële informatieverwerking (Belgian Financial Intelligence Unit), Gulden Vlieslaan 55 (bus 1), B-1060 Brussel, is.
Art. N1. Annexe 1.
a) la participation à un groupe criminel organisé;
b) le terrorisme, y compris le financement du terrorisme;
c) la traite d'êtres humains et le trafic illicite de migrants;
d) l'exploitation sexuelle, y compris celle des enfants;
e) le trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes;
f) le trafic d'armes;
g) le trafic illicite de biens volés et autres biens;
h) la corruption;
i) la fraude et l'escroquerie;
j) la contrefaçon de monnaie;
k) la contrefaçon et le piratage de produits;
l) les crimes et les délits contre l'environnement;
m) les meurtres et les blessures corporelles graves;
n) l'enlèvement, la séquestration et la prise d'otages;
o) le vol;
p) la contrebande;
q) l'extorsion;
r) le faux;
s) la piraterie;
t) les délits d'initiés et la manipulation de marchés boursiers.
DECLARATIONS
" La Belgique déclare que l'autorité centrale, désignée en application de l'article 33, paragraphe 2, de la Convention, est le Service public fédéral Justice, Direction générale Législation, Libertés et Droits fondamentaux, Service de coopération internationale pénale, boulevard de Waterloo 115, B-1000 Bruxelles. "
" La Belgique déclare que l'unité qui fait office de cellule de renseignement financier, désignée en application de l'article 46, paragraphe 13, de la Convention, est la Cellule de traitement des informations financières (Belgian Financial Intelligence Unit), avenue de la Toison d'Or 55 (boîte 1), B-1060 Bruxelles. " .
a) la participation à un groupe criminel organisé;
b) le terrorisme, y compris le financement du terrorisme;
c) la traite d'êtres humains et le trafic illicite de migrants;
d) l'exploitation sexuelle, y compris celle des enfants;
e) le trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes;
f) le trafic d'armes;
g) le trafic illicite de biens volés et autres biens;
h) la corruption;
i) la fraude et l'escroquerie;
j) la contrefaçon de monnaie;
k) la contrefaçon et le piratage de produits;
l) les crimes et les délits contre l'environnement;
m) les meurtres et les blessures corporelles graves;
n) l'enlèvement, la séquestration et la prise d'otages;
o) le vol;
p) la contrebande;
q) l'extorsion;
r) le faux;
s) la piraterie;
t) les délits d'initiés et la manipulation de marchés boursiers.
DECLARATIONS
" La Belgique déclare que l'autorité centrale, désignée en application de l'article 33, paragraphe 2, de la Convention, est le Service public fédéral Justice, Direction générale Législation, Libertés et Droits fondamentaux, Service de coopération internationale pénale, boulevard de Waterloo 115, B-1000 Bruxelles. "
" La Belgique déclare que l'unité qui fait office de cellule de renseignement financier, désignée en application de l'article 46, paragraphe 13, de la Convention, est la Cellule de traitement des informations financières (Belgian Financial Intelligence Unit), avenue de la Toison d'Or 55 (boîte 1), B-1060 Bruxelles. " .
Art. N2. Bijlage 2. - Lijst der Lidstaten
Art. N2. Annexe 2. - Liste des Etats
| Staten/Organisatie | Datum authentificatie | Type instemming | Datum instemming | Datum interne inwerkingtreding |
| ALBANIE | 22/12/2005 | Bekrachtiging | 06/02/2007 | 01/05/2008 |
| ANDORRA | Onbepaald | |||
| ARMENIE | 17/11/2005 | Bekrachtiging | 02/06/2008 | 01/10/2008 |
| AZERBEIDZJAN | Onbepaald | |||
| BOSNIE EN HERZEGOVINA | 19/01/2006 | Bekrachtiging | 11/01/2008 | 01/05/2008 |
| BULGARIJE | 22/11/2006 | Onbepaald | ||
| België | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 17/09/2009 | 01/01/2010 |
| CYPRUS | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 27/03/2009 | 01/07/2009 |
| DENEMARKEN | Onbepaald | |||
| DUITSLAND | Onbepaald | |||
| ESTLAND | Onbepaald | |||
| Europese Gemeenschap | 02/04/2009 | Onbepaald | ||
| FINLAND | 16/12/2005 | Onbepaald | ||
| FRANKRIJK | Onbepaald | |||
| GEORGIE | Onbepaald | |||
| GRIEKENLAND | 12/10/2006 | Onbepaald | ||
| HONGARIJE | 14/04/2009 | Bekrachtiging | 14/04/2009 | 01/08/2009 |
| IERLAND | Onbepaald | |||
| IJSLAND | 16/05/2005 | Onbepaald | ||
| ITALIE | 08/06/2005 | Onbepaald | ||
| KROATIE | 29/04/2008 | Bekrachtiging | 10/10/2008 | 01/02/2009 |
| LETLAND | 19/05/2006 | Onbepaald | ||
| LIECHTENSTEIN | Onbepaald | |||
| LITOUWEN | Onbepaald | |||
| LUXEMBURG | 16/05/2005 | Onbepaald | ||
| MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.) | 17/11/2005 | Bekrachtiging | 27/05/2009 | 01/09/2009 |
| MALTA | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 30/01/2008 | 01/05/2008 |
| MOLDAVIE | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 18/09/2007 | 01/05/2008 |
| MONACO | Onbepaald | |||
| MONTENEGRO | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 20/10/2008 | 01/02/2009 |
| NEDERLAND | 17/11/2005 | Aanvaarding | 13/08/2008 | 01/12/2008 |
| NOORWEGEN | Onbepaald | |||
| OEKRAINE | 29/11/2005 | Onbepaald | ||
| OOSTENRIJK | 16/05/2005 | Onbepaald | ||
| POLEN | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 08/08/2007 | 01/05/2008 |
| PORTUGAL | 16/05/2005 | Onbepaald | ||
| ROEMENIE | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 21/02/2007 | 01/05/2008 |
| RUSLAND | 28/01/2009 | Onbepaald | ||
| SAN MARINO | 14/11/2006 | Onbepaald | ||
| SERVIE | 16/05/2005 | Bekrachtiging | 14/04/2009 | 01/08/2009 |
| SLOVAKIJE | 12/11/2007 | Bekrachtiging | 16/09/2008 | 01/01/2009 |
| SLOVENIE | 28/03/2007 | Onbepaald | ||
| SPANJE | 20/02/2009 | Onbepaald | ||
| TSJECHISCHE REP. | Onbepaald | |||
| TURKIJE | 28/03/2007 | Onbepaald | ||
| VERENIGD KONINKRIJK | Onbepaald | |||
| ZWEDEN | 16/05/2005 | Onbepaald | ||
| ZWITSERLAND | Onbepaald |
| Etats/ Organisation | Date authentification | Type de consentement | Date de consentement | Entrée en vigueur locale |
| ALBANIE | 22/12/2005 | Ratification | 06/02/2007 | 01/05/2008 |
| ALLEMAGNE | Indéterminé | |||
| ANDORRE | Indéterminé | |||
| ARMENIE | 17/11/2005 | Ratification | 02/06/2008 | 01/10/2008 |
| AUTRICHE | 16/05/2005 | Indéterminé | ||
| AZERBAIDJAN | Indéterminé | |||
| BOSNIE-HERZEGOVINE | 19/01/2006 | Ratification | 11/01/2008 | 01/05/2008 |
| BULGARIE | 22/11/2006 | Indéterminé | ||
| Belgique | 16/05/2005 | Ratification | 17/09/2009 | 01/01/2010 |
| CHYPRE | 16/05/2005 | Ratification | 27/03/2009 | 01/07/2009 |
| CROATIE | 29/04/2008 | Ratification | 10/10/2008 | 01/02/2009 |
| Communauté européenne | 02/04/2009 | Indéterminé | ||
| DANEMARK | Indéterminé | |||
| ESPAGNE | 20/02/2009 | Indéterminé | ||
| ESTONIE | Indéterminé | |||
| FINLANDE | 16/12/2005 | Indéterminé | ||
| FRANCE | Indéterminé | |||
| GEORGIE | Indéterminé | |||
| GRECE | 12/10/2006 | Indéterminé | ||
| HONGRIE | 14/04/2009 | Ratification | 14/04/2009 | 01/08/2009 |
| IRLANDE | Indéterminé | |||
| ISLANDE | 16/05/2005 | Indéterminé | ||
| ITALIE | 08/06/2005 | Indéterminé | ||
| LETTONIE | 19/05/2006 | Indéterminé | ||
| LIECHTENSTEIN | Indéterminé | |||
| LITUANIE | Indéterminé | |||
| LUXEMBOURG | 16/05/2005 | Indéterminé | ||
| MACEDOINE (EX-REP. YOUGOSLAVE DE) | 17/11/2005 | Ratification | 27/05/2009 | 01/09/2009 |
| MALTE | 16/05/2005 | Ratification | 30/01/2008 | 01/05/2008 |
| MOLDAVIE | 16/05/2005 | Ratification | 18/09/2007 | 01/05/2008 |
| MONACO | Indéterminé | |||
| MONTENEGRO | 16/05/2005 | Ratification | 20/10/2008 | 01/02/2009 |
| NORVEGE | Indéterminé | |||
| PAYS-BAS | 17/11/2005 | Acceptation | 13/08/2008 | 01/12/2008 |
| POLOGNE | 16/05/2005 | Ratification | 08/08/2007 | 01/05/2008 |
| PORTUGAL | 16/05/2005 | Indéterminé | ||
| ROUMANIE | 16/05/2005 | Ratification | 21/02/2007 | 01/05/2008 |
| ROYAUME-UNI | Indéterminé | |||
| RUSSIE | 28/01/2009 | Indéterminé | ||
| SAINT MARIN | 14/11/2006 | Indéterminé | ||
| SERBIE | 16/05/2005 | Ratification | 14/04/2009 | 01/08/2009 |
| SLOVAQUIE | 12/11/2007 | Ratification | 16/09/2008 | 01/01/2009 |
| SLOVENIE | 28/03/2007 | Indéterminé | ||
| SUEDE | 16/05/2005 | Indéterminé | ||
| SUISSE | Indéterminé | |||
| TCHEQUE REP. | Indéterminé | |||
| TURQUIE | 28/03/2007 | Indéterminé | ||
| UKRAINE | 29/11/2005 | Indéterminé |
Staten/OrganisatieDatum authentificatieType instemmingDatum instemmingDatum interne
inwerkingtreding
ALBANIE22/12/2005Bekrachtiging06/02/200701/05/2008
ANDORRAOnbepaald
ARMENIE17/11/2005Bekrachtiging02/06/200801/10/2008
AZERBEIDZJANOnbepaald
BOSNIE EN HERZEGOVINA19/01/2006Bekrachtiging11/01/200801/05/2008
BULGARIJE22/11/2006Onbepaald
België16/05/2005Bekrachtiging17/09/200901/01/2010
CYPRUS16/05/2005Bekrachtiging27/03/200901/07/2009
DENEMARKENOnbepaald
DUITSLANDOnbepaald
ESTLANDOnbepaald
Europese Gemeenschap02/04/2009Onbepaald
FINLAND16/12/2005Onbepaald
FRANKRIJKOnbepaald
GEORGIEOnbepaald
GRIEKENLAND12/10/2006Onbepaald
HONGARIJE14/04/2009Bekrachtiging14/04/200901/08/2009
IERLANDOnbepaald
IJSLAND16/05/2005Onbepaald
ITALIE08/06/2005Onbepaald
KROATIE29/04/2008Bekrachtiging10/10/200801/02/2009
LETLAND19/05/2006Onbepaald
LIECHTENSTEINOnbepaald
LITOUWENOnbepaald
LUXEMBURG16/05/2005Onbepaald
MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.)17/11/2005Bekrachtiging27/05/200901/09/2009
MALTA16/05/2005Bekrachtiging30/01/200801/05/2008
MOLDAVIE16/05/2005Bekrachtiging18/09/200701/05/2008
MONACOOnbepaald
MONTENEGRO16/05/2005Bekrachtiging20/10/200801/02/2009
NEDERLAND17/11/2005Aanvaarding13/08/200801/12/2008
NOORWEGENOnbepaald
OEKRAINE29/11/2005Onbepaald
OOSTENRIJK16/05/2005Onbepaald
POLEN16/05/2005Bekrachtiging08/08/200701/05/2008
PORTUGAL16/05/2005Onbepaald
ROEMENIE16/05/2005Bekrachtiging21/02/200701/05/2008
RUSLAND28/01/2009Onbepaald
SAN MARINO14/11/2006Onbepaald
SERVIE16/05/2005Bekrachtiging14/04/200901/08/2009
SLOVAKIJE12/11/2007Bekrachtiging16/09/200801/01/2009
SLOVENIE28/03/2007Onbepaald
SPANJE20/02/2009Onbepaald
TSJECHISCHE REP.Onbepaald
TURKIJE28/03/2007Onbepaald
VERENIGD KONINKRIJKOnbepaald
ZWEDEN16/05/2005Onbepaald
ZWITSERLANDOnbepaald
inwerkingtreding
ALBANIE22/12/2005Bekrachtiging06/02/200701/05/2008
ANDORRAOnbepaald
ARMENIE17/11/2005Bekrachtiging02/06/200801/10/2008
AZERBEIDZJANOnbepaald
BOSNIE EN HERZEGOVINA19/01/2006Bekrachtiging11/01/200801/05/2008
BULGARIJE22/11/2006Onbepaald
België16/05/2005Bekrachtiging17/09/200901/01/2010
CYPRUS16/05/2005Bekrachtiging27/03/200901/07/2009
DENEMARKENOnbepaald
DUITSLANDOnbepaald
ESTLANDOnbepaald
Europese Gemeenschap02/04/2009Onbepaald
FINLAND16/12/2005Onbepaald
FRANKRIJKOnbepaald
GEORGIEOnbepaald
GRIEKENLAND12/10/2006Onbepaald
HONGARIJE14/04/2009Bekrachtiging14/04/200901/08/2009
IERLANDOnbepaald
IJSLAND16/05/2005Onbepaald
ITALIE08/06/2005Onbepaald
KROATIE29/04/2008Bekrachtiging10/10/200801/02/2009
LETLAND19/05/2006Onbepaald
LIECHTENSTEINOnbepaald
LITOUWENOnbepaald
LUXEMBURG16/05/2005Onbepaald
MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.)17/11/2005Bekrachtiging27/05/200901/09/2009
MALTA16/05/2005Bekrachtiging30/01/200801/05/2008
MOLDAVIE16/05/2005Bekrachtiging18/09/200701/05/2008
MONACOOnbepaald
MONTENEGRO16/05/2005Bekrachtiging20/10/200801/02/2009
NEDERLAND17/11/2005Aanvaarding13/08/200801/12/2008
NOORWEGENOnbepaald
OEKRAINE29/11/2005Onbepaald
OOSTENRIJK16/05/2005Onbepaald
POLEN16/05/2005Bekrachtiging08/08/200701/05/2008
PORTUGAL16/05/2005Onbepaald
ROEMENIE16/05/2005Bekrachtiging21/02/200701/05/2008
RUSLAND28/01/2009Onbepaald
SAN MARINO14/11/2006Onbepaald
SERVIE16/05/2005Bekrachtiging14/04/200901/08/2009
SLOVAKIJE12/11/2007Bekrachtiging16/09/200801/01/2009
SLOVENIE28/03/2007Onbepaald
SPANJE20/02/2009Onbepaald
TSJECHISCHE REP.Onbepaald
TURKIJE28/03/2007Onbepaald
VERENIGD KONINKRIJKOnbepaald
ZWEDEN16/05/2005Onbepaald
ZWITSERLANDOnbepaald
Etats/ OrganisationDate
authentificationType
de consentementDate
de consentementEntrée en vigueur locale
ALBANIE22/12/2005Ratification06/02/200701/05/2008
ALLEMAGNEIndéterminé
ANDORREIndéterminé
ARMENIE17/11/2005Ratification02/06/200801/10/2008
AUTRICHE16/05/2005Indéterminé
AZERBAIDJANIndéterminé
BOSNIE-HERZEGOVINE19/01/2006Ratification11/01/200801/05/2008
BULGARIE22/11/2006Indéterminé
Belgique16/05/2005Ratification17/09/200901/01/2010
CHYPRE16/05/2005Ratification27/03/200901/07/2009
CROATIE29/04/2008Ratification10/10/200801/02/2009
Communauté européenne02/04/2009Indéterminé
DANEMARKIndéterminé
ESPAGNE20/02/2009Indéterminé
ESTONIEIndéterminé
FINLANDE16/12/2005Indéterminé
FRANCEIndéterminé
GEORGIEIndéterminé
GRECE12/10/2006Indéterminé
HONGRIE14/04/2009Ratification14/04/200901/08/2009
IRLANDEIndéterminé
ISLANDE16/05/2005Indéterminé
ITALIE08/06/2005Indéterminé
LETTONIE19/05/2006Indéterminé
LIECHTENSTEINIndéterminé
LITUANIEIndéterminé
LUXEMBOURG16/05/2005Indéterminé
MACEDOINE (EX-REP. YOUGOSLAVE DE)17/11/2005Ratification27/05/200901/09/2009
MALTE16/05/2005Ratification30/01/200801/05/2008
MOLDAVIE16/05/2005Ratification18/09/200701/05/2008
MONACOIndéterminé
MONTENEGRO16/05/2005Ratification20/10/200801/02/2009
NORVEGEIndéterminé
PAYS-BAS17/11/2005Acceptation13/08/200801/12/2008
POLOGNE16/05/2005Ratification08/08/200701/05/2008
PORTUGAL16/05/2005Indéterminé
ROUMANIE16/05/2005Ratification21/02/200701/05/2008
ROYAUME-UNIIndéterminé
RUSSIE28/01/2009Indéterminé
SAINT MARIN14/11/2006Indéterminé
SERBIE16/05/2005Ratification14/04/200901/08/2009
SLOVAQUIE12/11/2007Ratification16/09/200801/01/2009
SLOVENIE28/03/2007Indéterminé
SUEDE16/05/2005Indéterminé
SUISSEIndéterminé
TCHEQUE REP.Indéterminé
TURQUIE28/03/2007Indéterminé
UKRAINE29/11/2005Indéterminé
authentificationType
de consentementDate
de consentementEntrée en vigueur locale
ALBANIE22/12/2005Ratification06/02/200701/05/2008
ALLEMAGNEIndéterminé
ANDORREIndéterminé
ARMENIE17/11/2005Ratification02/06/200801/10/2008
AUTRICHE16/05/2005Indéterminé
AZERBAIDJANIndéterminé
BOSNIE-HERZEGOVINE19/01/2006Ratification11/01/200801/05/2008
BULGARIE22/11/2006Indéterminé
Belgique16/05/2005Ratification17/09/200901/01/2010
CHYPRE16/05/2005Ratification27/03/200901/07/2009
CROATIE29/04/2008Ratification10/10/200801/02/2009
Communauté européenne02/04/2009Indéterminé
DANEMARKIndéterminé
ESPAGNE20/02/2009Indéterminé
ESTONIEIndéterminé
FINLANDE16/12/2005Indéterminé
FRANCEIndéterminé
GEORGIEIndéterminé
GRECE12/10/2006Indéterminé
HONGRIE14/04/2009Ratification14/04/200901/08/2009
IRLANDEIndéterminé
ISLANDE16/05/2005Indéterminé
ITALIE08/06/2005Indéterminé
LETTONIE19/05/2006Indéterminé
LIECHTENSTEINIndéterminé
LITUANIEIndéterminé
LUXEMBOURG16/05/2005Indéterminé
MACEDOINE (EX-REP. YOUGOSLAVE DE)17/11/2005Ratification27/05/200901/09/2009
MALTE16/05/2005Ratification30/01/200801/05/2008
MOLDAVIE16/05/2005Ratification18/09/200701/05/2008
MONACOIndéterminé
MONTENEGRO16/05/2005Ratification20/10/200801/02/2009
NORVEGEIndéterminé
PAYS-BAS17/11/2005Acceptation13/08/200801/12/2008
POLOGNE16/05/2005Ratification08/08/200701/05/2008
PORTUGAL16/05/2005Indéterminé
ROUMANIE16/05/2005Ratification21/02/200701/05/2008
ROYAUME-UNIIndéterminé
RUSSIE28/01/2009Indéterminé
SAINT MARIN14/11/2006Indéterminé
SERBIE16/05/2005Ratification14/04/200901/08/2009
SLOVAQUIE12/11/2007Ratification16/09/200801/01/2009
SLOVENIE28/03/2007Indéterminé
SUEDE16/05/2005Indéterminé
SUISSEIndéterminé
TCHEQUE REP.Indéterminé
TURQUIE28/03/2007Indéterminé
UKRAINE29/11/2005Indéterminé