Artikel 1. § 1. [1 Dit besluit is van toepassing op :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;]1
[2 5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]2
§ 2. Voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden gelden de bepalingen van dit besluit enkel voor de afwezigheid die ligt binnen de periode van hun aanstelling.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 JULI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het [geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder] voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding <BVR2011-09-30/07, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2011>(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-10-2009 en tekstbijwerking tot 27-09-2024)
Titre
3 JUILLET 2009. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif au congé de circonstance, au congé pour cas de force majeure, au congé parental non rémunéré et au [congé de naissance en cas de décès ou hospitalisation de la mère] pour certains membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites justifiés par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations réduites justifiées par des raisons personnelles, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves <AGF2011-09-30/07, art. 1, 002; En vigueur : 01-09-2011>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-10-2009 et mise à jour au 27-09-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
HOOFDSTUK II. - Omstandigheidsverlof en verlof ...
HOOFDSTUK II/1. [1 Hoofdstuk II/1. Omstandighe...
HOOFDSTUK III. - Onbezoldigd ouderschapsverlof
HOOFDSTUK IV. - [1 geboorteverlof in geval van ...
HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepaling
HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
CHAPITRE II. - Congé de circonstance et congé p...
CHAPITRE II/1. [1 Congé de circonstance à l'oc...
CHAPITRE III. - Congé parental non rémunéré
CHAPITRE IV. - [1 congé de naissance en cas de ...
CHAPITRE V. - Disposition modificative
CHAPITRE VI. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE VII. - Dispositions transitoires
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales
Tekst (28)
Texte (28)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
Article 1er. § 1er. [1 Le présent arrêté s'applique :
1° aux membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
2° les membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
3° aux membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
4° aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques;]1
[2 5° aux membres du personnel visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base.]2
§ 2. Pour les membres du personnel désignés à titre temporaire, les dispositions du présent arrêté ne sont applicables qu'à l'absence se situant dans la période de leur désignation.
1° aux membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
2° les membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
3° aux membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
4° aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques;]1
[2 5° aux membres du personnel visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base.]2
§ 2. Pour les membres du personnel désignés à titre temporaire, les dispositions du présent arrêté ne sont applicables qu'à l'absence se situant dans la période de leur désignation.
HOOFDSTUK II. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens overmacht
CHAPITRE II. - Congé de circonstance et congé pour cas de force majeure
Art. 2. [1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies § 6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en waarbij het kind als deel uitmakend van dat gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het gezin of de pleegouder zijn verblijfplaats heeft of de pleegouders hun verblijfplaats hebben, is ingeschreven;
2° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
3° pleegkind: het kind waarvoor het personeelslid of zijn echtgenote of samenwonende partner in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
4° pleegvader en - moeder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
[2 5° zwangerschapsverlies: alle vormen van zwangerschapsverlies zowel medisch als spontaan ingeleid, vanaf het ogenblik dat het verlies zich voordoet, vanaf het begin van de zwangerschap tot en met 180 kalenderdagen zwangerschap, zonder dat het personeelslid een attest hoeft voor te leggen.]2
§ 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, krijgen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
1° huwelijk van het personeelslid en het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid: twee werkdagen;
2° huwelijk of afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning van een kind van het personeelslid, van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner: twee werkdagen;
3° huwelijk van bloed- of aanverwant in de eerste graad, die geen kind is, of in de tweede graad, van het personeelslid, van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner: de dag van het huwelijk;
4° overlijden van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner, van een kind van het personeelslid of van zijn echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner of overlijden van een pleegkind in het kader van een langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: tien werkdagen waarbij drie dagen door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven dagen door het personeelslid te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
5° overlijden van de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, schoonzoon, schoondochter van het personeelslid of van zijn echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner: vier werkdagen, door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis. Er kan van de periode waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
6° overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van het personeelslid in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden: vier werkdagen, door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis. Er kan van de periode waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
7° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van het personeelslid of van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid: twee werkdagen, door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis. Er kan van de periode waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
8° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad van het personeelslid of van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner, die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid: één werkdag, door het personeelslid op te nemen op de dag van de begrafenis. Deze dag kan op een ander moment worden opgenomen op vraag van het personeelslid met een akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
9° overlijden van een pleegkind van het personeelslid of van zijn echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: één werkdag, door het personeelslid op te nemen op de dag van de begrafenis. Deze dag kan op een ander moment worden opgenomen op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
10° bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroepen door de vrederechter: één werkdag;
11° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege: de nodige tijd;
12° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een stemopnemingsbureau: de nodige tijd;
13° om deel uit te maken van de jury van het hof van assisen: de duur van de zitting;
[2 14° [3 zwangerschapsverlies van het personeelslid dat zwanger was: twee werkdagen, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid een verklaring op erewoord aflegt;]3]2
[3 15° zwangerschapsverlies van de echtgenote of samenwonende partner van het personeelslid: twee werkdagen, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid een verklaring op erewoord aflegt.]3
§ 3. In afwijking van § 2, 1°, krijgen de leden van het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en de vastbenoemde leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel voor hun huwelijk of voor het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning vier werkdagen.
§ 4. Het verlof moet met volledige dagen worden genomen.]1
1° langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies § 6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en waarbij het kind als deel uitmakend van dat gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het gezin of de pleegouder zijn verblijfplaats heeft of de pleegouders hun verblijfplaats hebben, is ingeschreven;
2° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
3° pleegkind: het kind waarvoor het personeelslid of zijn echtgenote of samenwonende partner in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
4° pleegvader en - moeder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
[2 5° zwangerschapsverlies: alle vormen van zwangerschapsverlies zowel medisch als spontaan ingeleid, vanaf het ogenblik dat het verlies zich voordoet, vanaf het begin van de zwangerschap tot en met 180 kalenderdagen zwangerschap, zonder dat het personeelslid een attest hoeft voor te leggen.]2
§ 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, krijgen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
1° huwelijk van het personeelslid en het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid: twee werkdagen;
2° huwelijk of afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning van een kind van het personeelslid, van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner: twee werkdagen;
3° huwelijk van bloed- of aanverwant in de eerste graad, die geen kind is, of in de tweede graad, van het personeelslid, van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner: de dag van het huwelijk;
4° overlijden van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner, van een kind van het personeelslid of van zijn echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner of overlijden van een pleegkind in het kader van een langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: tien werkdagen waarbij drie dagen door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven dagen door het personeelslid te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
5° overlijden van de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, schoonzoon, schoondochter van het personeelslid of van zijn echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner: vier werkdagen, door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis. Er kan van de periode waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
6° overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van het personeelslid in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden: vier werkdagen, door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis. Er kan van de periode waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
7° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van het personeelslid of van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid: twee werkdagen, door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis. Er kan van de periode waarin deze dagen opgenomen moeten worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
8° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad van het personeelslid of van de echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner, die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid: één werkdag, door het personeelslid op te nemen op de dag van de begrafenis. Deze dag kan op een ander moment worden opgenomen op vraag van het personeelslid met een akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
9° overlijden van een pleegkind van het personeelslid of van zijn echtgenoot of echtgenote of samenwonende partner in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: één werkdag, door het personeelslid op te nemen op de dag van de begrafenis. Deze dag kan op een ander moment worden opgenomen op vraag van het personeelslid met akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur;
10° bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroepen door de vrederechter: één werkdag;
11° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege: de nodige tijd;
12° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een stemopnemingsbureau: de nodige tijd;
13° om deel uit te maken van de jury van het hof van assisen: de duur van de zitting;
[2 14° [3 zwangerschapsverlies van het personeelslid dat zwanger was: twee werkdagen, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid een verklaring op erewoord aflegt;]3]2
[3 15° zwangerschapsverlies van de echtgenote of samenwonende partner van het personeelslid: twee werkdagen, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid een verklaring op erewoord aflegt.]3
§ 3. In afwijking van § 2, 1°, krijgen de leden van het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en de vastbenoemde leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel voor hun huwelijk of voor het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning vier werkdagen.
§ 4. Het verlof moet met volledige dagen worden genomen.]1
Art. 2. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° placement familial de longue durée : le placement familial tel que décrit à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, dans le cadre duquel l'enfant, en tant que membre de la famille, est inscrit au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où la famille ou le ou les parents d'accueil ont leur résidence ;
2° placement familial de courte durée : toutes les formes de placement familial ne remplissant pas les conditions du placement familial de longue durée ;
3° enfant placé : l'enfant pour lequel le membre du personnel ou son épouse ou partenaire cohabitant a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial reconnu par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ;
4° père et mère d'accueil : le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial reconnu par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
[2 5° perte de grossesse : toutes les formes de perte de grossesse, qu'elles soient d'origine médicale ou spontanée, à partir du moment où la perte se produit, depuis le début de la grossesse jusqu'à 180 jours civils de grossesse inclus, sans que le membre du personnel ne doive présenter un certificat.]2
§ 2. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, bénéficient d'un congé de circonstance à l'occasion des événements suivants :
1° mariage du membre du personnel et déclaration de cohabitation légale par le membre du personnel : deux jours ouvrables ;
2° mariage ou déclaration de cohabitation légale d'un enfant du membre du personnel, de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant : deux jours ouvrables ;
3° mariage d'un parent ou allié au premier degré, qui n'est pas un enfant, ou au deuxième degré, du membre du personnel, de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant : le jour du mariage ;
4° décès de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant, d'un enfant du membre du personnel ou de son époux ou épouse ou son partenaire cohabitant ou le décès d'un enfant placé dans le cadre d'un placement familial de longue durée au moment du décès ou dans le passé : dix jours ouvrables dont trois jours à choisir par le membre du personnel pendant la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles et sept jours à choisir par le membre du personnel dans un délai d'un an suivant le jour du décès. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé aux deux périodes pendant lesquelles ces jours doivent être pris;
5° décès du père, de la mère, du second mari de la mère, de la seconde femme du père, du beau-fils ou de la belle-fille du membre du personnel ou de son époux ou épouse ou de son partenaire cohabitant : quatre jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé à la période pendant laquelle ces jours doivent être pris ;
6° décès du père d'accueil ou de la mère d'accueil du membre du personnel dans le cadre du placement familial de longue durée au moment du décès : quatre jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé à la période pendant laquelle ces jours doivent être pris ;
7° décès d'un parent ou allié à quelque degré que ce soit du membre du personnel ou de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant habitant sous le même toit : deux jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé à la période pendant laquelle ces jours doivent être pris ;
8° décès d'un parent ou allié au deuxième degré du membre du personnel ou de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant n'habitant pas sous le même toit : un jour ouvrable à prendre par le membre du personnel le jour des funérailles. Ce jour peut être pris à un autre moment à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre ;
9° décès d'un enfant placé du membre du personnel ou de son époux ou épouse ou son partenaire cohabitant dans le cadre du placement familial de courte durée au moment du décès : un jour ouvrable à prendre par le membre du personnel le jour des funérailles. Ce jour peut être pris à un autre moment à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre ;
10° participation à une réunion du conseil de famille, convoquée par le juge de paix : un jour ouvrable ;
11° convocation comme témoin devant un collège juridictionnel ou comparution personnelle sur sommation d'un collège juridictionnel : le temps nécessaire ;
12° exercice des fonctions de président, d'assesseur ou de secrétaire d'un bureau de vote ou d'un bureau de dépouillement de votes : le temps nécessaire ;
13° participation à un jury de cour d'assises : la durée de la session;
[2 14° [3 perte de grossesse du membre du personnel qui était enceinte : deux jours ouvrables, à condition que le membre du personnel concerné fasse une déclaration sur l'honneur ;]3]2
[3 15° perte de grossesse de l'épouse ou du partenaire cohabitant du membre du personnel : deux jours ouvrables, à condition que le membre du personnel concerné fasse une déclaration sur l'honneur.]3
§ 3. Par dérogation au § 2, 1°, les membres du personnel administratif, le collaborateur administratif du personnel de gestion et d'appui, le collaborateur administratif du personnel d'appui et les membres nommés à titre définitif du personnel de maîtrise, gens de métier et de service obtiennent quatre jours ouvrables pour leur mariage ou pour la déclaration de cohabitation légale.
§ 4. Le congé ne peut être pris que par jour entier.]1
1° placement familial de longue durée : le placement familial tel que décrit à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, dans le cadre duquel l'enfant, en tant que membre de la famille, est inscrit au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où la famille ou le ou les parents d'accueil ont leur résidence ;
2° placement familial de courte durée : toutes les formes de placement familial ne remplissant pas les conditions du placement familial de longue durée ;
3° enfant placé : l'enfant pour lequel le membre du personnel ou son épouse ou partenaire cohabitant a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial reconnu par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ;
4° père et mère d'accueil : le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial reconnu par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
[2 5° perte de grossesse : toutes les formes de perte de grossesse, qu'elles soient d'origine médicale ou spontanée, à partir du moment où la perte se produit, depuis le début de la grossesse jusqu'à 180 jours civils de grossesse inclus, sans que le membre du personnel ne doive présenter un certificat.]2
§ 2. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, bénéficient d'un congé de circonstance à l'occasion des événements suivants :
1° mariage du membre du personnel et déclaration de cohabitation légale par le membre du personnel : deux jours ouvrables ;
2° mariage ou déclaration de cohabitation légale d'un enfant du membre du personnel, de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant : deux jours ouvrables ;
3° mariage d'un parent ou allié au premier degré, qui n'est pas un enfant, ou au deuxième degré, du membre du personnel, de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant : le jour du mariage ;
4° décès de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant, d'un enfant du membre du personnel ou de son époux ou épouse ou son partenaire cohabitant ou le décès d'un enfant placé dans le cadre d'un placement familial de longue durée au moment du décès ou dans le passé : dix jours ouvrables dont trois jours à choisir par le membre du personnel pendant la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles et sept jours à choisir par le membre du personnel dans un délai d'un an suivant le jour du décès. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé aux deux périodes pendant lesquelles ces jours doivent être pris;
5° décès du père, de la mère, du second mari de la mère, de la seconde femme du père, du beau-fils ou de la belle-fille du membre du personnel ou de son époux ou épouse ou de son partenaire cohabitant : quatre jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé à la période pendant laquelle ces jours doivent être pris ;
6° décès du père d'accueil ou de la mère d'accueil du membre du personnel dans le cadre du placement familial de longue durée au moment du décès : quatre jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé à la période pendant laquelle ces jours doivent être pris ;
7° décès d'un parent ou allié à quelque degré que ce soit du membre du personnel ou de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant habitant sous le même toit : deux jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans la période prenant cours le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles. A la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre, il peut être dérogé à la période pendant laquelle ces jours doivent être pris ;
8° décès d'un parent ou allié au deuxième degré du membre du personnel ou de l'époux ou épouse ou du partenaire cohabitant n'habitant pas sous le même toit : un jour ouvrable à prendre par le membre du personnel le jour des funérailles. Ce jour peut être pris à un autre moment à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre ;
9° décès d'un enfant placé du membre du personnel ou de son époux ou épouse ou son partenaire cohabitant dans le cadre du placement familial de courte durée au moment du décès : un jour ouvrable à prendre par le membre du personnel le jour des funérailles. Ce jour peut être pris à un autre moment à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de l'autorité du centre ;
10° participation à une réunion du conseil de famille, convoquée par le juge de paix : un jour ouvrable ;
11° convocation comme témoin devant un collège juridictionnel ou comparution personnelle sur sommation d'un collège juridictionnel : le temps nécessaire ;
12° exercice des fonctions de président, d'assesseur ou de secrétaire d'un bureau de vote ou d'un bureau de dépouillement de votes : le temps nécessaire ;
13° participation à un jury de cour d'assises : la durée de la session;
[2 14° [3 perte de grossesse du membre du personnel qui était enceinte : deux jours ouvrables, à condition que le membre du personnel concerné fasse une déclaration sur l'honneur ;]3]2
[3 15° perte de grossesse de l'épouse ou du partenaire cohabitant du membre du personnel : deux jours ouvrables, à condition que le membre du personnel concerné fasse une déclaration sur l'honneur.]3
§ 3. Par dérogation au § 2, 1°, les membres du personnel administratif, le collaborateur administratif du personnel de gestion et d'appui, le collaborateur administratif du personnel d'appui et les membres nommés à titre définitif du personnel de maîtrise, gens de métier et de service obtiennent quatre jours ouvrables pour leur mariage ou pour la déclaration de cohabitation légale.
§ 4. Le congé ne peut être pris que par jour entier.]1
Art. 3. § 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, met uitzondering van het vastbenoemd meester-, vak- en dienstpersoneel en van de vastbenoemde personeelsleden van de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige hoofdstedelijke gebied Brussel, vermeld in artikel X.22 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, krijgen eveneens verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval van één van de volgende personen [1 ...]1 : de echtgenoot, de samenwonende partner, een bloed- of aanverwant van het personeelslid of van de samenwonende partner, een persoon, opgenomen met het oog op zijn adoptie of de uitoefening van een pleegvoogdij.
Uit een medisch attest moet blijken dat de aanwezigheid van het personeelslid bij één of meer van de voornoemde personen vereist is.
§ 2. De duur van het verlof mag per burgerlijk jaar niet meer dan vier werkdagen bedragen. Het verlof moet met [1 een halve of een volledige dag]1 worden genomen.
Uit een medisch attest moet blijken dat de aanwezigheid van het personeelslid bij één of meer van de voornoemde personen vereist is.
§ 2. De duur van het verlof mag per burgerlijk jaar niet meer dan vier werkdagen bedragen. Het verlof moet met [1 een halve of een volledige dag]1 worden genomen.
Modifications
Art. 3. § 1er. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, à l'exception du personnel de maîtrise, gens de métier et de service nommé à titre définitif et des membres du personnel nommés à titre définitif des garderies de l'enseignement communautaire situées dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, visées à l'article X.22 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV, obtiennent également un congé pour cause de force majeure résultant de la maladie ou d'un accident survenu à une des personnes suivantes [1 ...]1 : le conjoint, le partenaire cohabitant, un parent ou allié du membre du personnel ou du partenaire cohabitant, une personne accueillie en vue de son adoption ou de l'exercice d'une tutelle officieuse.
La nécessité de la présence du membre du personnel auprès d'une ou plusieurs personnes précitées doit ressortir d'une attestation médicale.
§ 2. La durée du congé ne peut excéder quatre jours ouvrables par année civile. Le congé ne peut être pris que par [1 demi-jour ou jour entier]1.
La nécessité de la présence du membre du personnel auprès d'une ou plusieurs personnes précitées doit ressortir d'une attestation médicale.
§ 2. La durée du congé ne peut excéder quatre jours ouvrables par année civile. Le congé ne peut être pris que par [1 demi-jour ou jour entier]1.
Modifications
Art. 4. De verloven, vermeld in artikel 2 en 3, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens die verloven heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.
Art. 4. Les congés tels que fixés aux articles 2 et 3 sont assimilés à une période d'activité de service. Pendant ces congés, le membre du personnel a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement.
HOOFDSTUK II/1. [1 Hoofdstuk II/1. Omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling ]1
CHAPITRE II/1. [1 Congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement ]1
Art.4/1. [1 § 1. Een personeelslid heeft recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bij de geboorte van een kind waarvan de afstamming aan de kant van het personeelslid vaststaat.
Bij afwezigheid van een persoon die omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling opneemt op grond van de afstamming van het kind, heeft het personeelslid dat gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling.
Het recht op bevallingsverlof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012 betreffende het bevallingsverlof voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs, sluit voor dezelfde ouder het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling uit.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij.
§ 2. Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bedraagt tien werkdagen voor geboortes die plaatsvonden voor 1 januari 2021. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling vijftien werkdagen. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling twintig werkdagen.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling moet genomen worden binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling, waarbij minimaal vijf dagen aaneensluitend moeten worden genomen. Als de inrichtende macht akkoord gaat, mogen de voormelde vijf dagen ook niet aaneensluitend genomen worden. ]1
Bij afwezigheid van een persoon die omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling opneemt op grond van de afstamming van het kind, heeft het personeelslid dat gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling.
Het recht op bevallingsverlof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012 betreffende het bevallingsverlof voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs, sluit voor dezelfde ouder het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling uit.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij.
§ 2. Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bedraagt tien werkdagen voor geboortes die plaatsvonden voor 1 januari 2021. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling vijftien werkdagen. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling twintig werkdagen.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling moet genomen worden binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling, waarbij minimaal vijf dagen aaneensluitend moeten worden genomen. Als de inrichtende macht akkoord gaat, mogen de voormelde vijf dagen ook niet aaneensluitend genomen worden. ]1
Art.4/1. [1 § 1er. Un membre du personnel a droit à un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement à la naissance d'un enfant dont la filiation avec le membre du personnel est établie.
En l'absence d'une personne prenant un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement en vertu de la filiation de l'enfant, le membre du personnel qui est marié ou cohabite avec la mère de l'enfant a droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le droit au congé de maternité visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2012 relatif au congé de maternité de certains membres du personnel de l'enseignement exclut pour ce même parent le droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est déduit du droit au congé d'accueil visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de dix jours ouvrables pour les naissances ayant eu lieu avant le 1er janvier 2021. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2021, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de quinze jours ouvrables. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2023, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de vingt jours ouvrables.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement doit être pris dans un délai de quatre mois à compter de l'accouchement et comporter un minimum de cinq jours de congé consécutifs. Moyennant l'accord du pouvoir organisateur, les cinq jours de congé susmentionnés peuvent ne pas être consécutifs. ]1
En l'absence d'une personne prenant un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement en vertu de la filiation de l'enfant, le membre du personnel qui est marié ou cohabite avec la mère de l'enfant a droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le droit au congé de maternité visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2012 relatif au congé de maternité de certains membres du personnel de l'enseignement exclut pour ce même parent le droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est déduit du droit au congé d'accueil visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de dix jours ouvrables pour les naissances ayant eu lieu avant le 1er janvier 2021. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2021, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de quinze jours ouvrables. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2023, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de vingt jours ouvrables.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement doit être pris dans un délai de quatre mois à compter de l'accouchement et comporter un minimum de cinq jours de congé consécutifs. Moyennant l'accord du pouvoir organisateur, les cinq jours de congé susmentionnés peuvent ne pas être consécutifs. ]1
Modifications
Art.4/2. [1 Als een personeelslid in verschillende instellingen of centra werkt gedurende de dagen waarop het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling neemt, dan geldt dat verlof voor alle instellingen of centra, waarbij het in zijn totaliteit beperkt is tot het aantal werkdagen, vermeld in artikel 4/1.
Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben maar één keer recht op het aantal dagen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling, vermeld in artikel 4/1.]1
Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben maar één keer recht op het aantal dagen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling, vermeld in artikel 4/1.]1
Art.4/2.[1 Si le membre du personnel travaille dans plusieurs instituts ou centres durant les jours où il est en congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement, son congé vaut alors pour tous les instituts ou centres et sa durée totale est limitée au nombre de jours ouvrables visé à l'article 4/1.
Les membres du personnel qui travaillent à la fois dans le secteur privé et dans l'enseignement n'ont droit qu'une seule fois au nombre de jours de congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement visé à l'article 4/1. ]1
Les membres du personnel qui travaillent à la fois dans le secteur privé et dans l'enseignement n'ont droit qu'une seule fois au nombre de jours de congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement visé à l'article 4/1. ]1
Modifications
Art.4/3. [1 Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens de eerste tien werkdagen van het verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage. Vanaf de elfde werkdag ontvangt het personeelslid 82% van het brutosalaris. Voor de bepaling van dit salaris wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230 (100%). ]1
Art.4/3.[1 Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est assimilé à une période d'activité de service. Durant les dix premiers jours ouvrables du congé, le membre du personnel a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement. A partir du onzième jour, le membre du personnel perçoit 82 % du traitement brut. Dans le calcul de ce traitement, le traitement brut annuel est plafonné à 26.230 (100 %). ]1
Modifications
HOOFDSTUK III. - Onbezoldigd ouderschapsverlof
CHAPITRE III. - Congé parental non rémunéré
Art. 5. Het personeelslid, vermeld in artikel 1, dat in dienstactiviteit is, heeft bij de geboorte of adoptie van een kind recht op voltijds onbezoldigd ouderschapsverlof. Het personeelslid dat voor een gedeelte van zijn opdracht verlof wegens moederschapsbescherming tijdens de lactatie geniet, kan voor het resterend gedeelte van de opdracht onbezoldigd ouderschapsverlof nemen.
Het verlof bedraagt maximaal drie maanden. Het moet ononderbroken worden genomen en aanvangen binnen het jaar na de geboorte van het kind.
In geval van adoptie moet het onbezoldigde ouderschapsverlof aanvangen binnen het jaar na de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister in de gemeente waar zij hun verblijfplaats hebben.
Het verlof bedraagt maximaal drie maanden. Het moet ononderbroken worden genomen en aanvangen binnen het jaar na de geboorte van het kind.
In geval van adoptie moet het onbezoldigde ouderschapsverlof aanvangen binnen het jaar na de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister in de gemeente waar zij hun verblijfplaats hebben.
Art. 5. Le membre du personnel, visé à l'article 1er, qui est en activité de service, a droit à un congé parental non rémunéré à temps plein après la naissance ou l'adoption d'un enfant. Le membre du personnel qui bénéficie pour une partie de sa charge d'un congé de protection de la maternité pendant l'allaitement, peut prendre un congé parental non rémunéré pour le reste de la charge.
Le congé s'élève à trois mois au maximum. Ce congé se prend en une seule période et commence dans l'an après la naissance de l'enfant.
En cas d'adoption, le congé parental non rémunéré doit commencer dans l'an après l'inscription de l'enfant comme membre de la famille dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune où ils ont leur résidence.
Le congé s'élève à trois mois au maximum. Ce congé se prend en une seule période et commence dans l'an après la naissance de l'enfant.
En cas d'adoption, le congé parental non rémunéré doit commencer dans l'an après l'inscription de l'enfant comme membre de la famille dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune où ils ont leur résidence.
Art. 6. Het onbezoldigde ouderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 6. Le congé parental non rémunéré est assimilé à une période d'activité de service.
HOOFDSTUK IV. - [1 geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder]1
CHAPITRE IV. - [1 congé de naissance en cas de décès ou hospitalisation de la mère]1
Art. 7. Als de moeder van het kind opgenomen wordt in het ziekenhuis, krijgt de vader van het kind [1 of de partner van de biologische moeder]1 op zijn [1 of haar]1 verzoek [1 geboorteverlof]1 om in de opvang van het kind te voorzien, op voorwaarde dat :
1° het kind het ziekenhuis heeft verlaten;
2° de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven opeenvolgende kalenderdagen bedraagt.
Het vaderschapsverlof kan op zijn vroegst aanvangen vanaf de achtste dag, te rekenen vanaf de geboorte van het kind. Het verlof eindigt op het ogenblik dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het deel van het bevallingsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
1° het kind het ziekenhuis heeft verlaten;
2° de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven opeenvolgende kalenderdagen bedraagt.
Het vaderschapsverlof kan op zijn vroegst aanvangen vanaf de achtste dag, te rekenen vanaf de geboorte van het kind. Het verlof eindigt op het ogenblik dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het deel van het bevallingsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
Modifications
Art. 7. En cas d'hospitalisation de la mère de l'enfant, le père de l'enfant [1 ou le/la partenaire de la mère biologique]1 bénéficie, à sa demande, d'un [1 congé de naissance]1 en vue d'assurer l'accueil de l'enfant aux conditions suivantes :
1° l'enfant a quitté l'hôpital;
2° l'hospitalisation de la mère dure plus de sept jours calendaires consécutifs.
Le congé de paternité débute au plus tôt le huitième jour à compter de la naissance de l'enfant. Le congé expire au moment où l'hospitalisation de la mère prend fin et au plus tard au terme de la période correspondant à la partie du congé de maternité non encore épuisée par la mère au moment de son hospitalisation.
1° l'enfant a quitté l'hôpital;
2° l'hospitalisation de la mère dure plus de sept jours calendaires consécutifs.
Le congé de paternité débute au plus tôt le huitième jour à compter de la naissance de l'enfant. Le congé expire au moment où l'hospitalisation de la mère prend fin et au plus tard au terme de la période correspondant à la partie du congé de maternité non encore épuisée par la mère au moment de son hospitalisation.
Modifications
Art. 8. Als de moeder van het kind overlijdt, krijgt de vader van het kind [1 of de partner van de biologische moeder]1 op zijn [1 of haar]1 verzoek vaderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien. In dat geval is de duur van het [1 geboorteverlof]1 ten hoogst gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder bij haar overlijden nog niet had opgenomen.
Modifications
Art. 8. En cas de décès de la mère de l'enfant, le père de l'enfant [1 ou le/la partenaire de la mère biologique]1 bénéficie, à sa demande, d'un congé de paternité en vue d'assurer l'accueil de l'enfant. Dans ce cas, la durée du [1 congé de naissance]1 est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère au moment de son décès.
Modifications
Art. 9. § 1. Het [1 geboorteverlof]1 wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
§ 2. Tijdens het verlof heeft het personeelslid dat vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten is, recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of hogere salaristoelage.
De tijdelijke personeelsleden hebben tijdens het verlof geen recht op salaris of salaristoelage.
§ 2. Tijdens het verlof heeft het personeelslid dat vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten is, recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of hogere salaristoelage.
De tijdelijke personeelsleden hebben tijdens het verlof geen recht op salaris of salaristoelage.
Modifications
Art. 9. § 1er. Le [1 congé de naissance]1 est assimilé à une période d'activité de service.
§ 2. Pendant le congé, le membre du personnel nommé à titre définitif ou admis au stage a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement.
Les membres du personnel temporaires n'ont pas droit au traitement ou à la subvention-traitement pendant ce congé.
§ 2. Pendant le congé, le membre du personnel nommé à titre définitif ou admis au stage a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement.
Les membres du personnel temporaires n'ont pas droit au traitement ou à la subvention-traitement pendant ce congé.
Modifications
HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE V. - Disposition modificative
Art. 10. In artikel 6, § 1, 2°, en in artikel 13, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 1991, wordt het woord "borstvoedingsverlof" vervangen door de woorden "loopbaanonderbreking voor medische bijstand".
Art. 10. A l'article 6, § 1er, 2° et l'article 13, § 1er, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites justifiés par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations réduites justifiées par des raisons personnelles, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 novembre 1991, les mots "congé d'allaitement" sont remplacés par les mots "interruption de carrière pour assistance médicale";
HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE VI. - Dispositions abrogatoires
Art. 11. § 1. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;
2° artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen,gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;
3° het koninklijk besluit van 27 februari 1979 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en diensten voor studie- en beroepsoriëntering;
4° artikel 4, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2006, en artikel 5 van het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding.
§ 2. De volgende regelingen worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is :
1° artikel 4bis van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981;
2° artikel 5bis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977;
3° het koninklijk besluit van 28 november 1978 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van het gesubsidieerd personeel;
4° het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof, toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van rijksonderwijsinrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;
5° artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het bevallings- en borstvoedingsverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
6° artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof, toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.
1° artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;
2° artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen,gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;
3° het koninklijk besluit van 27 februari 1979 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en diensten voor studie- en beroepsoriëntering;
4° artikel 4, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2006, en artikel 5 van het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding.
§ 2. De volgende regelingen worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is :
1° artikel 4bis van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981;
2° artikel 5bis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977;
3° het koninklijk besluit van 28 november 1978 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van het gesubsidieerd personeel;
4° het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof, toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van rijksonderwijsinrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;
5° artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het bevallings- en borstvoedingsverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
6° artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof, toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 11. § 1er. Les règlements suivants sont abrogés :
1° l'article 4 de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier et 31 mars 2006;
2° l'article 5 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier et 31 mars 2006;
3° l'arrêté royal du 27 février 1979 relatif aux congés exceptionnels pour cas de force majeure des membres du personnel des centres psycho-médico-sociaux et offices d'orientation scolaire et professionnelle subventionnés;
4° l'article 4, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 2006, et l'article 5 de l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif au régime de vacances du personnel technique nommé à titre définitif des centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Les dispositions suivantes sont abrogées pour les établissements et personnels auxquels s'applique le présent arrêté :
1° l'article 4bis de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, inséré par l'arrêté royal du 20 décembre 1976 et modifié par l'arrêté royal du 16 décembre 1981;
2° l'article 5bis de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, inséré par l'arrêté royal du 15 avril 1977;
3° l'arrêté royal du 28 novembre 1978 relatif aux congés exceptionnels pour cas de force majeure des membres du personnel subsidiés;
4° l'arrêté royal du 14 janvier 1979 relatif aux congés de circonstances accordés à certains membres du personnel temporaire des établissements d'enseignement de l'Etat, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier et 31 mars 2006;
5° l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 relatif aux congés de maternité et d'allaitement accordés aux membres du personnel enseignant et des centres d'encadrement des élèves;
6° l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 relatif aux congés de maladie, de maternité et de l'allaitement accordés à des membres du personnel désignés à titre temporaire dans les établissements d'enseignement organisés ou subventionnés par la Communauté flamande.
1° l'article 4 de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier et 31 mars 2006;
2° l'article 5 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier et 31 mars 2006;
3° l'arrêté royal du 27 février 1979 relatif aux congés exceptionnels pour cas de force majeure des membres du personnel des centres psycho-médico-sociaux et offices d'orientation scolaire et professionnelle subventionnés;
4° l'article 4, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 2006, et l'article 5 de l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif au régime de vacances du personnel technique nommé à titre définitif des centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Les dispositions suivantes sont abrogées pour les établissements et personnels auxquels s'applique le présent arrêté :
1° l'article 4bis de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, inséré par l'arrêté royal du 20 décembre 1976 et modifié par l'arrêté royal du 16 décembre 1981;
2° l'article 5bis de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, inséré par l'arrêté royal du 15 avril 1977;
3° l'arrêté royal du 28 novembre 1978 relatif aux congés exceptionnels pour cas de force majeure des membres du personnel subsidiés;
4° l'arrêté royal du 14 janvier 1979 relatif aux congés de circonstances accordés à certains membres du personnel temporaire des établissements d'enseignement de l'Etat, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier et 31 mars 2006;
5° l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 relatif aux congés de maternité et d'allaitement accordés aux membres du personnel enseignant et des centres d'encadrement des élèves;
6° l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 relatif aux congés de maladie, de maternité et de l'allaitement accordés à des membres du personnel désignés à titre temporaire dans les établissements d'enseignement organisés ou subventionnés par la Communauté flamande.
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE VII. - Dispositions transitoires
Art. 12. Het borstvoedingsverlof dat aanvangt vóór 1 april 2009 en na deze datum eindigt, wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen die golden vóór die datum.
Art. 12. Le congé d'allaitement qui commence avant le 1er avril 2009 et prend fin après cette date, est traité conformément aux dispositions en vigueur avant cette date.
Art. 13. Personeelsleden die vóór 1 april 2009 borstvoedingsverlof hebben opgenomen voor hun kind, kunnen geen aanspraak maken op onbezoldigd ouderschapsverlof voor datzelfde kind.
Art. 13. Les membres du personnel qui ont pris un congé d'allaitement pour leur enfant avant le 1er avril 2009, ne peuvent prétendre à un congé parental non rémunéré pour le même enfant.
Art. 13/1. [1 De perioden van verlof die door de personeelsleden van de centra voor basiseducatie opgenomen zijn vóór 1 januari 2018 voor dezelfde gebeurtenis, worden in rekening gebracht bij de berekening van het contingent dat vastgelegd is voor dat verlof.]1
Art. 13/1. [1 Les périodes de congé prises par les membres du personnel des centres d'éducation de base avant le 1er janvier 2018 pour le même événement sont portés en compte lors du calcul du contingent qui est fixé pour ce congé.]1
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales
Art. 14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2009, met uitzondering van hoofdstuk II, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1999, behalve artikel 2, § 1, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2005.
Art. 14. Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 2009, à l'exception du Chapitre II, qui produit ses effets le 1er septembre 1999, à l'exception de l'article 2, § 1er, 2°, qui produit ses effets le 1er septembre 2005.
Art. 15. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le Ministre flamand ayant dans ses attributions l'enseignement est chargé de l'exécution du présent arrêté.