Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
4 SEPTEMBER 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende bepaalde aspecten van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde personeelsleden van het onderwijs die opnieuw in actieve dienst treden of prestaties leveren die als overwerk of bijbetrekking worden beschouwd. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2009 en tekstbijwerking tot 18-10-2023)
Titre
4 SEPTEMBRE 2009. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à certains aspects des statuts administratif et pécuniaire de certains membres du personnel de l'enseignement qui rentrent en service actif ou fournissent des prestations considérées comme travail supplémentaire ou fonction accessoire. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-10-2009 et mise à jour au 18-10-2023)
Informations sur le document
Numac: 2009036004
Datum: 2009-09-04
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2009036004
Date: 2009-09-04
Moniteur: Voir
Tekst (52)
Texte (52)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de volgende personeelsleden :
  1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.
  [1 Dit besluit is eveneens van toepassing op de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie voor wat de hoofdstukken IV en V betreft.]1
Article 1er. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel suivants :
  1° aux membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
  2° aux membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
  3° aux membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
  4° aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.
  [1 Le présent arrêté s'applique également aux membres du personnel visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base pour ce qui est des chapitres IV et V.]1
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° overwerk : de overuren, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
  2° hoofdambt en bijbetrekking : het ambt met al dan niet volledige prestaties als vermeld in :
  a) artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
  b) artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° travail supplémentaire : le surcroît de travail prévu à l'article 1er de l'arrêté royal du 15 avril 1958 accordant une allocation pour surcroît de travail à certains membres du personnel enseignant et assimilé du Ministère de l'Instruction publique;
  2° fonction principale et fonction accessoire : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes telle que visée à :
  a) l'article 5 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique;
  b) l'article 2 de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
HOOFDSTUK II. - Overwerk - Bijbetrekking
CHAPITRE II. - Travail supplémentaire - Fonction accessoire
Afdeling I. - Overwerk
Section Ire. - Travail supplémentaire
Onderafdeling I. - Aanstelling
Sous-section Ire. - Désignation
Art. 3. De inrichtende macht of directeur kan een personeelslid, op voorwaarde dat het daarmee instemt, belasten met overwerk.
  De bepalingen van artikel 10, § 6, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan gelden niet.
Art. 3. Le pouvoir organisateur ou le directeur peut charger un membre du personnel de travail supplémentaire si ce dernier y consent.
  Les dispositions de l'article 10, § 6, troisième alinéa, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit ne s'appliquent pas.
Onderafdeling II. - Betere bezoldiging
Sous-section II. - Meilleure rémunération
Art. 4. § 1. In afwijking van het koninklijk besluit van 15 april 1958, vermeld in artikel 2, 1°, is, in het onderwijs met volledig leerplan, voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, die bijkomend met een opdracht ter vervanging van een afwezige worden belast, het aantal voor een week in aanmerking te nemen overuren gelijk aan het aantal uren dat zij gedurende die week presteren boven het minimumaantal uren dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties, voor zover die overuren louter een gevolg zijn van de bijkomende vervangingsopdracht. Het personeelslid dat de vervangingsopdracht uitoefent, moet aan de vooravond van de vervanging aangesteld zijn.
  § 2. Het personeelslid dat belast wordt met overwerk als vermeld in artikel 3, of met overuren in het kader van een vervanging als vermeld in paragraaf 1, ontvangt daarvoor een toelage voor overwerk.
  In afwijking van de bestaande reglementaire bepalingen inzake bezoldiging wordt de toelage voor overwerk vastgesteld alsof de uren waarvoor het personeelslid is aangesteld, verstrekt zijn als hoofdambt.
  § 3. Voor de toekenning van de toelage voor overwerk gelden de beperkingen, vermeld in hoofdstuk VI.
  § 4. Het personeelslid krijgt de toelage voor overwerk vanaf de dag waarop het de opdracht die de toekenning van de toelage wettigt, uitoefent, voor alle dagen, met inbegrip van de wettelijke feestdagen, de weekends, de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie, als ze geheel of gedeeltelijk vallen binnen de periode waarin het personeelslid met de opdracht belast blijft.
  Bij een onderbreking van de uitoefening van de opdracht die aanleiding geeft tot de toekenning van de de toelage, is er geen recht op een toelage voor overwerk als de onderbreking langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.
  Het tweede lid is niet van toepassing op :
  1° de dagen of vakanties, vermeld in het eerste lid;
  2° een afwezigheid wegens ziekte;
  3° een afwezigheid naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk, een beroepsziekte, een bedreiging door een beroepsziekte of een verlof wegens moederschapsbescherming.
Art. 4. § 1. Par dérogation à l'arrêté royal du 15 avril 1958, visé à l'article 2, 1°, le nombre d'heures supplémentaires pouvant être comptabilisées par semaine est, dans l'enseignement de plein exercice, pour les personnels, visés à l'article 1er, qui sont investis d'une charge supplémentaire pour remplacer un membre du personnel absent, égal au nombre d'heures qu'ils accomplissent pendant cette semaine au-dessus du nombre minimum d'heures requis pour une fonction à prestations complètes, pour autant que ces heures supplémentaires soient uniquement la suite d'une mission de remplacement additionnelle. Le membre du personnel accomplissant une mission de remplacement doit être désigné à la veille du remplacement.
  § 2. Le membre du personnel chargé de travail supplémentaire tel que visé à l'article 3, ou d'heures supplémentaires dans le cadre d'un remplacement tel que visées au paragraphe 1er, perçoit à cet effet une allocation pour travail supplémentaire.
  Par dérogation aux dispositions réglementaires existantes relatives à la rémunération, l'allocation pour travail supplémentaire est fixée comme si les heures auxquelles est désigné le membre du personnel sont prestées en fonction principale.
  § 3. L'octroi de l'allocation pour travail supplémentaire est régi par les restrictions visées au chapitre VI.
  § 4. Le membre du personnel obtient l'allocation pour travail supplémentaire à compter du jour auquel le membre du personnel exerce effectivement la mission qui justifie l'octroi de l'allocation pour tous les jours, y compris les jours fériés légaux, les week-ends, les vacances d'automne, de Noël, de printemps et de Pâques, qui tombent en tout ou en partie dans la période dans laquelle le membre du personnel reste chargé de la mission.
  Au cas où l'exercice de la mission donnant lieu à l'octroi d'une allocation est interrompu, il n'y a pas droit à une allocation pour travail supplémentaire si l'interruption dure plus de quatorze jours calendaires consécutifs.
  Le deuxième alinéa n'est pas applicable :
  1° aux jours ou vacances, visés au premier alinéa;
  2° à une absence pour cause de maladie;
  3° à une absence pour cause d'accident du travail, d'accident survenu sur le chemin du travail, de maladie professionnelle, de risque de maladie professionnelle ou de congé de protection de la maternité.
Onderafdeling III. - Overwerk in het kader van tijdelijk en permanent onderwijs aan huis
Sous-section III. - Travail supplémentaire dans le cadre de l'enseignement temporaire et permanent en milieu familial
Art. 5. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder het personeelslid : het personeelslid dat in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt belast met de bijkomende, aanvullende of extra lestijden vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 betreffende het onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren die door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden.
  § 2. Het personeelslid dat in hoofdambt al prestaties uitoefent die ten minste gelijk zijn aan het minimaal vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties, ontvangt voor alle uren boven het voormelde minimaal vereiste aantal uren de toelage, vermeld in paragraaf 4 voor zover die overuren louter een gevolg zijn van het onderwijs aan huis.
  Het personeelslid dat in hoofdambt geen prestaties uitoefent die ten minste gelijk zijn aan het minimaal vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties, maar als gevolg van het presteren van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, het voormelde minimaal vereiste aantal uren overschrijdt, ontvangt voor alle uren boven dat minimum eveneens de toelage, vermeld in paragraaf 4 voor zover die overuren louter een gevolg zijn van het onderwijs aan huis.
  § 3. De bepalingen van artikel 10, § 6, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan gelden niet.
  § 4. Als de uren, vermeld in paragraaf 2 als overwerk moeten worden beschouwd, ontvangt het personeelslid voor al die uren een toelage voor overwerk, vastgesteld alsof de uren waarvoor het personeelslid is aangesteld, verstrekt zijn als hoofdambt.
  De toelage wordt toegekend volgens de bepalingen van artikel 4, § 4.
  § 5. Voor het toekennen van de toelage voor overwerk gelden de beperkingen, vermeld in hoofdstuk VI.
  § 6. De inrichtende macht of directeur van een instelling kan voor het onderwijs aan huis eveneens een beroep doen op een personeelslid als vermeld in de hoofdstuk IV en V.
Art. 5. § 1. Dans le présent article, on entend par membre du personnel : le membre du personnel qui, dans l'enseignement fondamental ordinaire ou spécial et dans l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial, est chargé de périodes de cours additionnelles, complémentaires ou supplémentaires, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand 13 juillet 2007 relatif à l'enseignement en milieu familial destiné aux enfants et jeunes malades, qui sont financées ou subventionnées par la Communauté flamande.
  § 2. Le membre du personnel qui rend déjà en fonction principale des services au moins égaux au nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes, reçoit pour toutes les heures au-dessus de ce nombre minimum d'heures requis l'allocation, visée au paragraphe 4, pour autant que ces heures supplémentaires résultent uniquement de l'enseignement en milieu familial.
  Le membre du personnel qui ne rend pas en fonction principale des services au moins égaux au nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes, mais suite à l'accomplissement des périodes de cours, visées au paragrapher 1er, dépasse le nombre minimum d'heures requis, perçoit également pour toutes ces heures au-dessus de ce minimum l'allocation, visée au paragraphe 4, pour autant que ces heures supplémentaires résultent uniquement de l'enseignement en milieu familial.
  § 3. Les dispositions de l'article 10, § 6, troisième alinéa, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit ne s'appliquent pas.
  § 4. Si les heures, visées au paragraphe 2, doivent être considérées comme travail supplémentaire, le membre du personnel perçoit pour toutes ces heures une allocation pour travail supplémentaire, fixée comme si les heures auxquelles le membre du personnel est désigné, sont prestées en fonction principale.
  L'allocation est attribuée suivant les dispositions de l'article 4, § 4.
  § 5. L'octroi de l'allocation pour travail supplémentaire est régi par les restrictions visées au chapitre VI.
  § 6. Pour l'enseignement en milieu familial, le pouvoir organisateur ou le directeur d'un établissement peut également faire appel à un membre du personnel tel que visé aux chapitres IV et V.
Afdeling II. - Bijbetrekking
Section II. - Fonction accessoire
Onderafdeling I. - Aanstelling
Sous-section Ire. - Désignation
Art. 6. De inrichtende macht of directeur kan een personeelslid, op voorwaarde dat het daarmee instemt, belasten met een bijbetrekking.
  De bepalingen van artikel 10, § 6, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan gelden niet.
Art. 6. Le pouvoir organisateur ou le directeur peut charger un membre du personnel, si ce dernier y consent, d'une fonction accessoire.
  Les dispositions de l'article 10, § 6, troisième alinéa de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit ne s'appliquent pas.
Onderafdeling II. - Betere bezoldiging
Sous-section II. - Meilleure rémunération
Art. 7. In afwijking van de bestaande reglementaire bepalingen betreffende bezoldiging, ontvangt het personeelslid op wie een beroep wordt gedaan om, met toepassing van artikel 6, een bijbetrekking uit te oefenen voor het aantal uren dat het presteert als bijbetrekking, een salaris of salaristoelage die wordt vastgesteld alsof de uren waarvoor het personeelslid is aangesteld, verstrekt zijn als hoofdambt.
  Voor de toekenning van het salaris of de salaristoelage gelden de beperkingen, vermeld in hoofdstuk VI.
Art. 7. Par dérogation aux dispositions réglementaires existantes relatives à la rémunération, le membre du personnel auquel il est fait appel pour exercer, par application de l'article 6, une fonction accessoire, perçoit un traitement ou une subvention-traitement pour le nombre d'heures qu'il accomplit en fonction accessoire comme si les heures auxquelles est désigné le membre du personnel sont prestées en fonction principale.
  Pour l'octroi du traitement ou de la subvention-traitement, les restrictions visées au chapitre VI sont d'application.
Onderafdeling III. - Bijbetrekking in het kader van tijdelijk en permanent onderwijs aan huis
Sous-section III Fonction accessoire dans le cadre de l'enseignement temporaire et permanent en milieu familial
Art. 8. § 1. In dit artikel wordt onder personeelslid verstaan : het personeelslid dat in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt belast met de bijkomende, aanvullende of extra lestijden vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 betreffende het onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren die door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden.
  § 2. Het personeelslid dat in hoofdambt al prestaties uitoefent die ten minste gelijk zijn aan het minimaal vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties, of dat door de uitoefening van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, dat minimum overschrijdt, ontvangt voor elke opdracht die als gevolg van de uitoefening van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, als bijbetrekking moet worden beschouwd, een salaris of een salaristoelage als vermeld in paragraaf 4.
  § 3. De bepalingen van artikel 10, § 6, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan gelden niet.
  § 4. Als de uren onderwijs aan huis als bijbetrekking moeten worden beschouwd, ontvangt het personeelslid voor al die uren een salaris of salaristoelage, vastgesteld alsof de uren waarvoor het personeelslid is aangesteld, verstrekt zijn als hoofdambt.
  § 5. Voor het toekennen van het salaris of de salaristoelage gelden de beperkingen vermeld in hoofdstuk VI.
  § 6. De inrichtende macht of directeur van een instelling kan voor het onderwijs aan huis eveneens een beroep doen op een personeelslid als vermeld in hoofdstuk IV en V.
Art. 8. § 1. Dans le présent article, on entend par membre du personnel : le membre du personnel qui, dans l'enseignement fondamental ordinaire ou spécial et dans l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial, est chargé de périodes de cours additionnelles, complémentaires ou supplémentaires, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand 13 juillet 2007 relatif à l'enseignement en milieu familial destiné aux enfants et jeunes malades, qui sont financées ou subventionnées par la Communauté flamande.
  § 2. Le membre du personnel rendant déjà en fonction principale des services au moins égaux au nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes, ou dépassant ce minimum, en assurant les périodes de cours, visées au paragraphe 1er, perçoit pour chaque mission qui, suite à l'accomplissement des périodes de cours, visées au paragraphe 1er, doivent être considérées comme fonction accessoire, un traitement ou une subvention-traitement au sens du paragraphe 4.
  § 3. Les dispositions de l'article 10, § 6, troisième alinéa de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit ne s'appliquent pas.
  § 4. Si les heures d'enseignement en milieu familial doivent être considérées comme fonction accessoire, le membre du personnel perçoit pour toutes ces heures un traitement ou une subvention-traitement, fixé comme si les heures auxquelles le membre du personnel est désigné sont prestées en fonction principale.
  § 5. Pour l'octroi du traitement ou de la subvention-traitement, les restrictions visées au chapitre VI sont d'application.
  § 6. Pour l'enseignement en milieu familial, le pouvoir organisateur ou le directeur d'un établissement peut également faire appel à un membre du personnel tel que visé aux chapitres IV et V.
HOOFDSTUK III. - Bezoldiging in het kader van een vervanging van sommige afwezigheden
CHAPITRE III. - Rémunération dans le cadre du remplacement de certaines absences
Art. 9. In dit hoofdstuk wordt onder een personeelslid verstaan :
  1° het personeelslid dat een opdracht uitoefent in het kader van een vervanging van een afwezigheid die minder dan tien werkdagen bedraagt of een vervanging van een afwezigheid als vermeld in artikel 4, § 1, die minder dan tien werkdagen bedraagt.
  2° het personeelslid dat aangesteld is op grond van vervangingseenheden voor korte afwezigheden;
  3° het personeelslid dat aangesteld is op grond van vervangingseenheden voor vervanging van personeelsleden die op bedrijfsstage zijn.
Art. 9. Dans le présent chapitre, on entend par membre du personnel :
  1° le membre du personnel qui exerce une mission dans le cadre d'un remplacement d'une absence de moins de dix jours ouvrables ou d'un remplacement d'une absence comme prévue à l'article 4, § 1er de moins de dix jours ouvrables.
  2° le membre du personnel qui est désigné sur la base d'unités de remplacement pour absences de courte durée;
  3° le membre du personnel qui est désigné sur la base d'unités de remplacement pour le remplacement de membres du personnel effectuant un stage d'entreprise.
Art. 10. § 1. In afwijking van de bepalingen van overwerk en bijbetrekking, vermeld in artikel 2 en in afwijking van de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling I en II, moeten de prestaties van een personeelslid altijd als hoofdambt worden bezoldigd. Die prestaties worden niet als overwerk of als bijbetrekking beschouwd.
  De andere opdrachten die het personeelslid uitoefent, worden in geen enkel onderwijsniveau beïnvloed door de prestaties, vermeld in het eerste lid, en worden in voorkomend geval als hoofdambt, bijbetrekking, plage of overwerk beschouwd.
  § 2. Voor de toekenning van de bezoldiging van de prestaties vermeld in paragraaf 1, eerste lid, gelden de beperkingen, vermeld in hoofdstuk VI, niet.
Art. 10. § 1. Par dérogation aux dispositions relatives au travail supplémentaire et à la fonction accessoire, visées à l'article 2 et par dérogation aux dispositions du chapitre II, sections Ire et II, les prestations d'un membre du personnel doivent toujours être rémunérées en fonction principale. Ces prestations ne sont pas prises en compte comme travail supplémentaire ou fonction accessoire.
  Les autres missions exercées par le membre du personnel ne sont influencées dans aucun niveau d'enseignement par les prestations, visées au premier alinéa, et sont considérées, le cas échéant, comme fonction principale, fonction accessoire, plage ou travail supplémentaire.
  § 2. Les restrictions visées au chapitre VI ne s'appliquent pas à l'octroi de la rémunération des prestations visées au paragraphe 1er, premier alinéa.
HOOFDSTUK IV. - Opnieuw in actieve dienst treden
CHAPITRE IV. - Rentrer en service actif
Afdeling I. - Aanstelling
Section Ire. - Désignation
Art. 11. § 1. Voor de toewijzing van een betrekking kan de inrichtende macht of directeur, in afwijking van de bestaande reglementaire bepalingen, tijdelijk en na toestemming van het personeelslid, een beroep doen op een personeelslid dat :
  1° [1 met verlof of afwezigheid is voor verminderde prestaties]1
  2° [2 ...]2
  3° deeltijds ter beschikking gesteld is wegens persoonlijke aangelegenheden, voorafgaand aan het rustpensioen;
  4° volledig ter beschikking gesteld is wegens persoonlijke aangelegenheden, voorafgaand aan het rustpensioen.
  § 2. De toewijzing, vermeld in paragraaf 1, gebeurt uiterlijk tot het einde van het lopende school- of dienstjaar op voorwaarde dat geen ander geschikt kandidaat kan worden gevonden die de betrokken prestaties kan uitoefenen.
  Een geschikt kandidaat is een persoon die voldoet aan de decretale of reglementaire aanstellingsvoorwaarden vastgelegd in de rechtspositieregeling.
  Verhaal tegen de toewijzing van een betrekking vermeld in paragraaf 1, wordt ingediend en behandeld op dezelfde wijze als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1993 tot uitvoering van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
  § 3. Het verlof of de afwezigheid voor verminderde prestaties, of de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden van het personeelslid dat zich in het geval, vermeld in paragraaf1, 1° of 2°, bevindt, wordt geheel of gedeeltelijk opgeschort zodra op het personeelslid een beroep wordt gedaan.
  Een personeelslid kan tijdens de opschorting van het verlof, de afwezigheid of de terbeschikkingstelling opnieuw geheel of gedeeltelijk de betrekking opnemen waarvan het titularis is, of een andere betrekking opnemen waarbij de opdracht van de vervanger tijdelijk wordt opgeschort.[3 De opschorting van een verlof voor verminderde prestaties om een andere betrekking op te nemen is beperkt tot maximaal drie opeenvolgende schooljaren.]3
  
Art. 11. § 1. Pour l'attribution d'un emploi, le pouvoir organisateur ou le directeur peut, par dérogation aux dispositions réglementaires existantes, faire un appel temporaire et avec le consentement du membre du personnel à un membre du personnel qui :
  1° [1 est en congé ou absent pour prestations réduites]1
  2° [2 ...]2
  3° est mis en disponibilité partielle pour convenances personnelles préalables à la pension de retraite;
  4° est mis en disponibilité complète pour convenances personnelles préalables à la pension de retraite.
  § 2. L'attribution, visée au paragraphe 1er, est opérée au plus tard à l'expiration de l'année scolaire ou l'exercice en cours à condition qu'aucun autre candidat apte ne puisse être trouvé pour exercer les prestations en question.
  Un candidat apte est une personne répondant aux conditions de désignation décrétales ou réglementaires fixées dans le statut.
  Un recours contre l'attribution d'une fonction visée au paragraphe 1er, est introduit et traîté de la même manière que prévue à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mars 1993 portant exécution de l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
  § 3. Le congé ou l'absence pour prestations réduites ou la mise en disponibilité pour convenances personnelles du membre du personnel qui se trouve dans le cas visé au paragraphe 1er, 1° ou 2°, est totalement ou partiellement suspendu lorsqu'il est fait appel au membre du personnel.
  En cas de suspension du congé, de l'absence ou de la mise en disponibilité, le membre du personnel peut reprendre totalement ou partiellement la fonction dont il est titulaire ou assumer une autre fonction, la mission du remplaçant étant suspendue temporairement.[3 La suspension d'un congé pour prestations réduites pour occuper un autre emploi est limitée à un maximum de trois années scolaires successives.]3
  
Afdeling II. - Bezoldiging
Section II. - Rémunération
Art. 12. § 1. Het personeelslid krijgt tijdens de opschorting van het verlof, de afwezigheid of de terbeschikkingstelling, vermeld in artikel 11, § 1, als tijdelijk personeelslid het salaris of de salaristoelage waarop het aanspraak kan maken overeenkomstig de toegewezen betrekking.
  Als het verlof of de afwezigheid voor verminderde prestaties overeenkomstig artikel 11, § 3, wordt opgeschort, zijn de bepalingen van artikel 3, 3° en 4°, en van artikel 9, eerste lid, 3°, en tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding niet van toepassing.
  § 2. In afwijking van de bepalingen van overwerk en bijbetrekking, vermeld in artikel 2 en in afwijking van de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling I en II, moeten de prestaties van een personeelslid dat opnieuw in actieve dienst treedt, altijd als hoofdambt worden bezoldigd. Die prestaties worden niet als overwerk of als bijbetrekking beschouwd.
  De andere opdrachten die het personeelslid uitoefent, worden in geen enkel onderwijsniveau beïnvloed door de prestaties, vermeld in het eerste lid, en worden in voorkomend geval als hoofdambt, bijbetrekking, plage of overwerk beschouwd.
  § 3. Voor de toekenning van de bezoldiging van de prestaties, vermeld in paragraaf 2 gelden de beperkingen, vermeld in hoofdstuk VI.
Art. 12. § 1er. Pendant la suspension du congé, de l'absence ou de la mise en disponibilité, le membre du personnel, visé à l'article 11, § 1er, perçoit comme membre temporaire le traitement ou la subvention-traitement auquel il peut prétendre du chef de la fonction attribuée.
  Si le congé ou l'absence pour prestations réduites est suspendu conformément à l'article 11, § 3, les dispositions de l'article 3, 3° et 4°, et de l'article 9, premier alinéa, 3° et deuxième alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites justifiées par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations réduites justifiées par des raisons personnelles, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, ne sont pas d'application.
  § 2. Par dérogation aux dispositions relatives au travail supplémentaire et à la fonction accessoire, visées à l'article 2 et par dérogation aux dispositions du chapitre II, sections Ire et II, les prestations d'un membre du personnel rentrant en service actif doivent toujours être rémunérées en fonction principale. Ces prestations ne sont pas prises en compte comme travail supplémentaire ou fonction accessoire.
  Les autres missions exercées par le membre du personnel ne sont influencées dans aucun niveau d'enseignement par les prestations, visées au premier alinéa, et sont considérées, le cas échéant, comme fonction principale, fonction accessoire, plage ou travail supplémentaire.
  § 3. Les restrictions visées au chapitre VI ne s'appliquent pas à l'octroi de la rémunération des prestations visées au paragraphe 2.
HOOFDSTUK V. - Een gepensioneerde die in het onderwijs in dienst treedt
CHAPITRE V. - Un retraité qui entre en service dans l'enseignement
Afdeling I. - Toepassingsgebied
Section Ire. - Champ d'application
Art. 13. In dit hoofdstuk wordt onder een gepensioneerde verstaan : de kandidaat die in het onderwijs in dienst wil treden en die, ongeacht de leeftijd, de redenen of de plaats van de oorspronkelijke tewerkstelling, definitief op rust is gesteld, met inbegrip van de kandidaat die wegens het bereiken van de leeftijdsgrens met pensioen is.
Art. 13. Dans le présent chapitre, on entend par retraité : le candidat désireux d'entrer en service dans l'enseignement qui, quels que soient l'âge, les raisons ou le lieu de l'emploi initial, est définitivement mis à la retraite, y compris le candidat qui est retraité pour atteinte de la limite d'âge.
Afdeling II. - Aanstelling
Section II. - Désignation
Art. 14. § 1. De toewijzing van een betrekking door de inrichtende macht of directeur in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt aan een gepensioneerde kan enkel op grond van de bepalingen van deze afdeling gebeuren.
  § 2. De toewijzing vermeld in paragraaf 1 gebeurt uiterlijk tot het einde van het lopende school- of dienstjaar op voorwaarde dat geen ander geschikt kandidaat kan worden gevonden die de betrokken prestaties kan uitoefenen.
  Een geschikt kandidaat is een persoon die voldoet aan de decretale of reglementaire aanstellingsvoorwaarden vastgelegd in de rechtspositieregeling.
  Verhaal tegen de toewijzing van een betrekking vermeld in paragraaf 1 wordt ingediend en behandeld op dezelfde wijze als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1993 tot uitvoering van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
Art. 14. § 1er. L'attribution d'un emploi par le pouvoir organisateur ou le directeur dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion à un retraité ne peut s'effectuer que sur la base des dispositions de la présente section.
  § 2. L'attribution visée au paragraphe 1er vaut au plus tard jusqu'à la fin de l'année scolaire ou l'exercice en cours à condition qu'aucun autre candidat apte à fournir les prestations concernées ne soit trouvé.
  Un candidat apte est une personne qui répond aux conditions de désignation décrétales ou réglementaires fixées dans le statut.
  Un recours contre l'attribution d'un emploi visé au paragraphe 1er est introduit et traité de la même façon que prévue à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mars 1993 portant exécution de l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
Afdeling III. - Bezoldiging
Section III. - Rémunération
Art. 15. De gepensioneerde krijgt het salaris of de salaristoelage waarop het aanspraak kan maken in overeenstemming met de toegewezen betrekking. Voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit komen de diensten die gepresteerd zijn vóór de pensionering, ook in aanmerking als ze aan de voorwaarden voldoen.
  Voor de toekenning van de bezoldiging gelden de beperkingen vermeld in hoofdstuk VI.
Art. 15. Le retraité perçoit le traitement ou la subvention-traitement auquel il peut prétendre du chef de l'emploi attribué. Pour la fixation de l'ancienneté pécuniaire, les services prestés avant la mise à la retraite, sont également comptabilisés s'ils remplissent les conditions.
  L'octroi de la rémunération est régi par les restrictions visées au chapitre VI.
HOOFDSTUK VI. - Maximale bezoldiging van prestaties in het onderwijs
CHAPITRE VI. - Rémunération maximale des prestations dans l'enseignement
Art. 17. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder onderwijs verstaan : de centra voor leerlingenbegeleiding, de permanente ondersteuningscel, het basis- en secundair onderwijs in welke vorm ook, [2 de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, het deeltijds kunstonderwijs in welke vorm ook, het secundair volwassenenonderwijs,]2 de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en het hoger beroepsonderwijs georganiseerd in een centrum voor volwassenenonderwijs of in een instelling voor secundair onderwijs.
  Met behoud van de toepassing van andere meer beperkende reglementaire bepalingen wordt, binnen het onderwijs, voor het personeelslid dat al een ambt met volledige prestaties uitoefent, noch salaris noch salaristoelage toegekend voor de gezamenlijke bijkomende prestaties die het levert in het door de Vlaamse Gemeenschap ingericht of gesubsidieerd onderwijs die meer dan 40 % bedragen van het minimum vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties in de uitgeoefende opdracht of de opdrachten die overeenkomen met deze prestaties.
  Als de prestaties betrekking hebben op verschillende opdrachten waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties verschillend zijn, wordt de ponderatieregel toegepast die geldt voor de berekening van het salaris.
  Voor de berekening van het toegestane maximum wordt enkel rekening gehouden met prestaties waarvoor een bezoldiging wordt toegekend. Het verkregen resultaat wordt altijd afgerond op de hogere eenheid.
  
Art. 17. Pour l'application du présent article, il faut entendre par enseignement : les centres d'encadrement des élèves, la cellule permanente d'appui, toute forme d'enseignement fondamental et secondaire,[2 les centres de soutien à l'apprentissage, les internats de l'enseignement, les semi-internats, toute forme d'enseignement artistique à temps partiel, l'enseignement secondaire des adultes, ]2, les services d'encadrement pédagogique, l'inspection et l'enseignement professionnel supérieur organisé dans un centre d'éducation des adultes ou dans un établissement d'enseignement secondaire.
  Sans préjudice de l'application d'autres dispositions réglementaires plus restrictives, il n'est attribué ni traitement ni subvention-traitement, dans l'enseignement, au membre du personnel exerçant déjà une fonction à prestations complètes, pour l'ensemble des prestations complémentaires qu'il fournit dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté flamande qui dépasse 40 % du nombre minimum d'heures requis pour une fonction à prestations complètes dans la chargé exercée ou les charges correspondant à ces prestations.
  Lorsque les prestations se rapportent à différentes charges pour lesquelles les minima requis pour un emploi à prestations complètes sont différents, la règle de la pondération valable pour le calcul du traitement sera appliquée.
  Pour le calcul du maximum autorisé, il est uniquement tenu compte des prestations pour lesquelles une rémunération est attribuée. Le résultat ainsi obtenu est toujours arrondi à l'unité supérieure.
  
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE VII. - Dispositions modificatives
Art. 18. In het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt, gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 2 tot en met 6, opgeheven.
Art. 18. Dans le décret du 8 juin 2000 portant des mesures urgentes relatives à la fonction d'enseignant, modifié par le décret du 4 juillet 2008, le chapitre II, comportant les articles 2 à 6, est abrogé.
Art. 19. In hetzelfde decreet wordt hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 7 tot en met 9, opgeheven.
Art. 19. Dans le même arrêté, le chapitre III, comprenant les articles 7 à 9, est abrogé.
Art. 20. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002, wordt punt 4° opgeheven.
Art. 20. Dans l'article 3 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 accordant une allocation pour surcroît de travail à certains membres du personnel enseignant et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 janvier 2002, le point 4° est abrogé.
Art. 21. In het koninklijk besluit van 7 december 1978, genomen ter uitvoering van artikel 77, § 2, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en houdende afwijking van sommige bepalingen van de koninklijke besluiten tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch en voor kunstonderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 augustus 1984, en de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990, wordt hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 5, opgeheven.
Art. 21. Dans l'arrêté royal du 7 décembre 1978 pris en exécution de l'article 77, § 2, de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 et portant dérogation à certaines dispositions des arrêtés royaux fixant les conditions requises pour la création d'emplois dans les établissements d'enseignement technique ou artistique de l'Etat de promotion sociale ou à horaire réduit, modifié par l'arrêté royal du 1er août 1984, et les arrêtés du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990, le chapitre Ier, comprenant les articles 1 à 5, est abrogé.
Art. 22. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 5. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° bijbetrekking : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat :
  a) al een ambt met volledige prestaties uitoefent in één of verscheidene andere bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen, met uitzondering van de hogescholen, vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  b) eveneens een ambt met volledige prestaties uitoefent in een instelling van het deeltijds kunstonderwijs en/of in een centrum voor volwassenenonderwijs;
  c) een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent, waarvoor het een volledige salaris geniet, waarvan het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn salarisschaal;
  2° hoofdambt : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat zich niet in een van de gevallen vermeld in punt 1°, a), b) of c) bevindt;
  3° niet-uitsluitend ambt : het ambt dat in één of verschillende scholen of inrichtingen voor kunstonderwijs van de staat uitgeoefend wordt door de leraar die belast is met de artistieke vakken, en door de begeleider. Bij overgangsmaatregel wordt het ambt van inspecteur artistieke vakken in het kunstonderwijs ook als niet-uitsluitend ambt beschouwd. "
Art. 22. L'article 5 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 5. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° fonction accessoire : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes, exercée dans une ou plusieurs écoles ou ou institutions régies par le présent statut pécuniaire par le membre du personnel qui :
  a) exerce déjà une fonction à prestations complètes dans une ou plusieurs écoles ou ou institutions régies par le présent statut pécuniaire, à l'exception des instituts supérieurs, visés à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  b) exerce également une fonction à prestations complètes dans un établissement d'enseignement artistique à temps partiel et/ou un centre d'éducation des adultes;
  c) exerce une fonction non exclusive dans l'enseignement de plein exercice pour laquelle il bénéficie d'un traitement complet dont le montant brut est égal ou supérieur au minimum de son échelle de traitement;
  2° fonction principale : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes, exercée dans une ou plusieurs écoles ou institutions régies par le présent statut pécuniaire par le membre du personnel qui ne se trouve pas dans un des cas visés au point 1°, a), b) ou c) ;
  3° fonction non exclusive : la fonction exercée par un enseignant chargé des cours artistiques et par l'accompagnateur dans une ou plusieurs écoles ou institutions d'enseignement artistique de l'état. Par mesure transitoire, la fonction d'inspecteur des cours artistiques dans l'enseignement artistique est également censée être une fonction non exclusive. "
Art. 23. Aan artikel 41, § 1, van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Voor de toepassing van het eerste lid wordt geen rekening gehouden met de prestaties in een hogeschool, vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. "
Art. 23. A l'article 41, § 1, du même arrêté, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Pour l'application du premier alinéa, il n'est pas tenu compte des prestations dans un institut supérieur, visé à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. "
Art. 24. Aan artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt de volgende zin toegevoegd : " Er wordt geen rekening gehouden met opdrachten gepresteerd in hogescholen vermeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap "
Art. 24. A l'article 1er, premier alinéa, de l'arrêté royal du 15 avril 1958 accordant une allocation pour surcroît de travail à certains membres du personnel enseignant et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, la phrase suivante est ajoutée : " Il n'est pas tenu compte des missions prestées dans des instituts supérieurs, visés à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. "
Art. 25. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 2. § 1. In afwijking van het koninklijk besluit van 10 maart 1965, vermeld in artikel 1, c), worden voor de bezoldiging van prestaties in het deeltijds kunstonderwijs of in het volwassenenonderwijs de begrippen hoofdambt en bijbetrekking toegepast.
  § 2. Onder bijbetrekking als vermeld in paragraaf 1, wordt in het deeltijds kunstonderwijs verstaan : het ambt met al dan niet volledige prestaties dat in het deeltijds kunstonderwijs wordt uitgeoefend door een personeelslid dat eveneens :
  1° een ambt met volledige prestaties uitoefent in het onderwijs met volledig leerplan, met uitzondering van het hoger onderwijs georganiseerd in een hogeschool vermeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent waarvoor het een volledig salaris geniet, waarvan het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn salarisschaal.
  Onder hoofdambt als vermeld in paragraaf 1, wordt verstaan : het ambt met al dan niet volledige prestaties dat niet als bijbetrekking wordt beschouwd overeenkomstig de voorgaande bepalingen.
  § 3. Onder bijbetrekking als vermeld in paragraaf 1, wordt in het volwassenenonderwijs verstaan : het ambt met al dan niet volledige prestaties dat aan één of meer centra voor volwassenenonderwijs wordt uitgeoefend door het personeelslid dat eveneens :
  1° een ambt met volledige prestaties uitoefent in het onderwijs met volledig leerplan, met uitzondering van het hoger onderwijs georganiseerd in een hogeschool vermeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° een ambt met volledige prestaties uitoefent in het volwassenenonderwijs aan hetzelfde centrum voor volwassenenonderwijs of aan één of meer andere centra voor volwassenenonderwijs, en/of in het deeltijds kunstonderwijs;
  3° een ambt met volledige prestaties uitoefent dat, overeenkomstig de ponderatieregel, toegepast zoals voor de berekening van het salaris, gevormd wordt door een ambt met onvolledige prestaties in het onderwijs met volledig leerplan, met uitzondering van het in 1° vermelde hoger onderwijs, en tevens door een ambt met onvolledige prestaties dat wordt uitgeoefend in het deeltijds kunstonderwijs en/of in het volwassenenonderwijs aan hetzelfde centrum voor volwassenenonderwijs of aan één of meer andere centra voor volwassenenonderwijs;
  4° een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent, waarvoor het een volledig salaris geniet, waarvan het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn salarisschaal.
  Onder hoofdambt als vermeld in paragraaf 1, wordt verstaan : het ambt met al dan niet volledige prestaties dat niet als bijbetrekking wordt beschouwd overeenkomstig de voorgaande bepalingen.
  § 4. Voor de ambten die overeenkomstig dit artikel als hoofdambt worden beschouwd, wordt de bezoldiging, naargelang van het geval, vastgesteld volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 vermeld in artikel 1, c), titel III, Ambten met volledige prestaties of titel IV, Ambten met onvolledige prestaties.
  § 5. Voor de ambten die overeenkomstig dit artikel als bijbetrekking worden beschouwd, zijn de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 vermeld in artikel 1, a), titel IIIbis Bijbetrekkingen van toepassing op de prestaties die verstrekt zijn in het deeltijds kunstonderwijs of in het volwassenenonderwijs.
  De toe te passen deler wordt als volgt vastgesteld :
Art. 25. L'article 2 de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 2. § 1er. Par dérogation à l'arrêté royal du 10 mars 1965, visé à l'article 1, c), les notions fonction principale et fonction accessoire sont appliquées à la rémunération de prestations dans l'enseignement artistique à temps partiel ou dans l'éducation des adultes.
  § 2. Par fonction accessoire, telle que visée au paragraphe 1er, on entend dans l'enseignement artistique à temps partiel : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes, exercée dans l'enseignement artistique à temps partiel par un membre du personnel qui exerce en outre :
  1° une fonction à prestations complètes dans l'enseignement de plein exercice, à l'exception de l'enseignement supérieur organisé dans un institut supérieur, visé à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  2° une fonction non exclusive dans l'enseignement de plein exercice pour laquelle il perçoit un traitement complet dont le montant brut est égal ou supérieur au minimum de son échelle de traitement.
  Par fonction principale comme visée au paragraphe 1er, on entend : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes qui n'est pas considérée comme fonction accessoire au sens des dispositions précédentes.
  § 3. Par fonction accessoire, telle que visée au paragraphe 1er, on entend dans l'éducation des adultes : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes, exercée dans un ou plusieurs centres d'éducation des adultes par un membre du personnel qui exerce en outre :
  1° une fonction à prestations complètes dans l'enseignement de plein exercice, à l'exception de l'enseignement supérieur organisé dans un institut supérieur, visé à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  2° une fonction à prestations complètes dans l'éducation des adultes au même centre d'éducation des adultes ou à un ou plusieurs centres d'éducation des adultes, et/ou dans l'enseignement artistique à temps partiel;
  3° une fonction à prestations complètes constituée, conformément à la règle de pondération, telle qu'appliquée pour le calcul du traitement, par une fonction à prestations incomplètes dans l'enseignement de plein exercice à l'exception de l'enseignement supérieur visé au 1°, ainsi que par une fonction à prestations incomplètes exercée dans l'enseignement artistique à temps partiel et/ou dans l'éducation des adultes au même centre d'éducation des adultes ou à un ou plusieurs centres d'éducation des adultes;
  4° une fonction non exclusive dans l'enseignement de plein exercice pour laquelle il perçoit un traitement complet dont le montant brut est égal ou supérieur au minimum de son échelle de traitement.
  Par fonction principale comme visée au paragraphe 1er, on entend : la fonction qu'elle soit ou non à prestations complètes qui n'est pas considérée comme fonction accessoire au sens des dispositions précédentes.
  § 4. Pour les fonctions considérées comme fonction principale conformément au présent article, la rémunération est fixée, selon le cas, suivant les dispositions de l'arrêté royal du 10 mars 1965 visé à l'article 1er, c), titre III, Des fonctions à prestations complètes ou titre IV, Des fonctions à prestations incomplètes.
  § 5. Pour les fonctions considérées comme fonction accessoire conformément au présent article, les dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 visé à l'article 1er, a), titre IIIbis, Des fonctions accessoires sont d'application aux prestations rendues dans l'enseignement artistique à temps partiel ou dans l'éducation des adultes.
  Le diviseur à appliquer est fixé comme suit :

  
  
Deler, vastgesteld voor de bezoldiging van het uur/jaar als hoofdambtDeler voor de bezoldiging als bijbetrekking
  
20, 2225
  
24, 2530
  
3237

  
  
Diviseur, fixé pour la rémunération de l'heure/année comme fonction principaleDiviseur pour la rémunération comme fonction accessoire
  
20, 2225
  
24, 2530
  
3237
Deler, vastgesteld voor de bezoldiging van het uur/jaar als hoofdambtDeler voor de bezoldiging als bijbetrekking
20, 2225
24, 2530
3237
Diviseur, fixé pour la rémunération de l'heure/année comme fonction principaleDiviseur pour la rémunération comme fonction accessoire
20, 2225
24, 2530
3237
  Als het ambt niet wordt bezoldigd op grond van die delers, wordt het salaris van deze bijbetrekking verminderd met 20 procent.
  § 6. De bezoldiging van de onvolledige prestaties, vermeld in § 3, 3°, die worden uitgeoefend in het volwassenenonderwijs, heeft geen invloed op de bezoldiging van de onvolledige prestaties die uitgeoefend worden in het onderwijs met volledig leerplan en/of in het deeltijds kunstonderwijs. "
  Si la fonction n'est pas rémunérée sur la base de ces diviseurs, le traitement de cette fonction accessoire est réduit de 20 pour cent.
  § 6. La rémunération des prestations incomplètes visées au § 3, 3°, qui sont rendues dans l'éducation des adultes n'a aucune influence sur la rémunération des prestations incomplètes rendues dans l'enseignement de plein exercice et/ou l'enseignement artistique à temps partiel.
Art. 26. In artikel 10 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005, de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 6 worden in het eerste lid de woorden " school-, academie- of dienstjaar wel een wedde, weddetoelage of toelage verleend worden binnen de perken van de bepalingen van de wet van 24 december 1976 " vervangen door de woorden " school-, of dienstjaar wel een salaris, salaristoelage of toelage verleend worden ";
  2° in dezelfde paragraaf wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Een geschikt kandidaat is een persoon die voldoet aan de decretale of reglementaire aanstellingsvoorwaarden vastgelegd in de rechtspositieregeling ";
  3° paragraaf 8 wordt opgeheven.
Art. 26. A l'article 10 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 6, premier alinéa, les mots " l'année scolaire, l'année académique ou l'exercice un traitement, une subvention-traitement, ou une allocation dans les limites des dispositions de la loi du 24 décembre 1976 " sont remplacés par les mots " l'année scolaire, l'année académique ou l'exercice un traitement, une subvention-traitement, ou une allocation ";
  2° au même paragraphe, le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Un candidat apte est une personne qui répond aux conditions de désignation décrétales ou réglementaires fixées dans le statut ";
  3° le paragraphe 8 est abrogé.
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales
Art. 27. De volgende regelgevende teksten worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 tot regeling van de cumulatie van een activiteit als zelfstandige met een ambt in het onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 maart 1995 en 14 december 2001;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 1993 tot regeling van de cumulatie van een andere bezigheid of een pensioen, met uitzondering van een overlevingspensioen, met een ambt in het onderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001.
Art. 27. Les règlements suivants sont abrogés :
  1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 portant réglementation du cumul d'une activité comme indépendant et d'une fonction dans l'enseignement, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 mars 1995 et 14 décembre 2001;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 1993 réglant le cumul d'une autre occupation ou d'une pension, à l'exception d'une pension de survie, avec une fonction dans l'enseignement, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001.
Art. 28. Dit artikel is van toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 december 1978, genomen ter uitvoering van artikel 77, § 2, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en houdende afwijking van sommige bepalingen van de koninklijke besluiten tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch en voor kunstonderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, op 31 augustus 2009 recht heeft op een salaris of een salaristoelage voor de bijkomende prestaties die niet méér bedragen dan het dubbel van het maximum vermeld in artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976.
  Het salaris of de salaristoelage, vermeld in het eerste lid, wordt op verzoek van het personeelslid en op persoonlijke titel vanaf 1 september 2009 verder toegekend op voorwaarde dat het personeelslid gedurende het schooljaar 2008-2009 geen bewijs hoefde te leveren van de uitzonderlijke toestand, vermeld in artikel 4 van besluit vermeld in het eerste lid.
  Dit artikel houdt op van toepassing te zijn zodra het betrokken personeelslid geen titularis meer is van het ambt of de ambten waarvoor het salaris of de salaristoelage wordt toegekend.
Art. 28. Le présent article est d'application au membre du personnel qui, sur la base de l'article 2 de l'arrêté royal du 7 décembre 1978 pris en exécution de l'article 77, § 2, de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 et portant dérogation à certaines dispositions des arrêtés royaux fixant les conditions requises pour la création d'emplois dans les établissements d'enseignement technique ou artistique de l'Etat de promotion sociale ou à horaire réduit, a droit au 31 août 2009 à un traitement ou une subvention-traitement pour des prestations complémentaires qui n'excèdent pas le double du maximum visé à l'article 77, § 1er, de la loi du 24 décembre 1976.
  Le traitement ou la subvention-traitement, visé au premier alinéa, continue à être attribué, à la demande du membre du personnel et à titre personnel, à compter du 1er septembre 2009 à condition que le membre du personnel n'ait pas dû fournir la preuve de la situation exceptionnelle, visée à l'article 4 de l'arrêté visé au premier alinéa, pendant l'année scolaire 2008-2009.
  Le présent article cesse d'être applicable dès que le membre du personnel concerné n'est plus titulaire de la fonction ou des fonctions pour lesquelles le traitement ou la subvention-traitement est attribué.
Art. 29. Artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt op 1 september 2009 opgeheven.
Art. 29. L'article 77 de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 est abrogé le 1er septembre 2009.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2009. [1 ...]1
  
Art. 30. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2009. [1 ...]1
  
Art. 31. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 31. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.