1°nadat ze kennis heeft gekregen van de aanvang of beëindiging van schorsing van het ruimtelijk uitvoeringsplan [1 ...]1, in de zin van artikel 2.6.7, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° na het besluit van de bevoegde overheid van de intentie of het besluit tot herroeping van die intentie, in de zin van artikel 2.6.7, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
3° nadat de vaststelling is gebeurd, op welke manier dan ook, aangaande de aanvang of het einde van de onmogelijkheid tot bebouwing, in de zin van artikel 2.6.7, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
4° nadat de vaststelling is gebeurd, op welke manier dan ook, aangaande de aanvang of het einde van de erfdienstbaarheid, in de zin van artikel 2.6.7, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën, [1 kan een model voor de mededelingen, vermeld in het eerste lid, vaststellen,]1 evenals de wijze van indiening.