Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
12 FEBRUARI 2009. - Ordonnantie betreffende de erkenning en de subsidiëring van de bedrijvencentra en de lokale economieloketten.
Titre
12 FEVRIER 2009. - Ordonnance relative à la reconnaissance et à la subsidiation des centres d'entreprises et des guichets d'économie locale.
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Erkenning van de bedrijvencentra.
HOOFDSTUK III. - Erkenning van de lokale-econom...
HOOFDSTUK IV. - Intrekking of weigering van erk...
HOOFDSTUK V. - De toekenning of de teruggave va...
HOOFDSTUK VI. - Organiseren van een netwerk van...
HOOFDSTUK VII. - Slotbepaling.
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - De l'agrément des centres d'entr...
CHAPITRE III. - De l'agrément des guichets d'éc...
CHAPITRE IV. - Retrait ou refus de l'agrément d...
CHAPITRE V. - De l'octroi ou de la restitution ...
CHAPITRE VI. - Mise en réseau des centres et de...
CHAPITRE VII. - Disposition finale.
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 2. Voor de toepassing van deze ordonnantie dient te worden verstaan onder :
1° prioritaire-interventiezone : de zone in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vastgelegd in het kader van het operationeel programma van de doelstelling " regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid " van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor de periode 2007-2013, in uitvoering van Verordening 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds;
2° ondernemer : iedere persoon die geregeld en zelfstandig, in hoofdberoep, op het grondgebied van de prioritaire-interventiezone een activiteit van economische aard uitoefent;
3° kandidaat-ondernemer : iedere natuurlijke persoon die het voornemen heeft op het grondgebied van de prioritaire-interventiezone een economische activiteit te starten of over te nemen;
4° bedrijvencentrum : de rechtspersoon die, op het grondgebied van de prioritaire-interventiezone, tegen betaling lokalen ter beschikking stelt van ondernemingen en deze begeleidt;
5° lokale-economieloket : de rechtspersoon die in de prioritaire-interventiezone kandidaat-ondernemers en ondernemingen die al dan niet ondergebracht zijn in een bedrijvencentrum, adviseert en oriënteert teneinde hen te helpen bij de oprichting of uitbouw van hun onderneming;
6° onderneming : iedere natuurlijke of rechtspersoon die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een economische activiteit uitoefent en beschikt over personele middelen en goederen die er specifiek voor bestemd zijn;
7° micro-onderneming : de natuurlijke of rechtspersoon zoals omschreven door verordening 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;
8° vereniging zonder winstoogmerk op overheidsinitiatief : vereniging zonder winstoogmerk waarvan de meerderheid van de leden van de algemene vergadering sedert de oprichting ervan vertegenwoordigers zijn van overheidsinstellingen van openbaar nut;
9° Regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
10° Minister : de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met stadsvernieuwing.
1° prioritaire-interventiezone : de zone in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vastgelegd in het kader van het operationeel programma van de doelstelling " regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid " van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor de periode 2007-2013, in uitvoering van Verordening 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds;
2° ondernemer : iedere persoon die geregeld en zelfstandig, in hoofdberoep, op het grondgebied van de prioritaire-interventiezone een activiteit van economische aard uitoefent;
3° kandidaat-ondernemer : iedere natuurlijke persoon die het voornemen heeft op het grondgebied van de prioritaire-interventiezone een economische activiteit te starten of over te nemen;
4° bedrijvencentrum : de rechtspersoon die, op het grondgebied van de prioritaire-interventiezone, tegen betaling lokalen ter beschikking stelt van ondernemingen en deze begeleidt;
5° lokale-economieloket : de rechtspersoon die in de prioritaire-interventiezone kandidaat-ondernemers en ondernemingen die al dan niet ondergebracht zijn in een bedrijvencentrum, adviseert en oriënteert teneinde hen te helpen bij de oprichting of uitbouw van hun onderneming;
6° onderneming : iedere natuurlijke of rechtspersoon die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een economische activiteit uitoefent en beschikt over personele middelen en goederen die er specifiek voor bestemd zijn;
7° micro-onderneming : de natuurlijke of rechtspersoon zoals omschreven door verordening 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;
8° vereniging zonder winstoogmerk op overheidsinitiatief : vereniging zonder winstoogmerk waarvan de meerderheid van de leden van de algemene vergadering sedert de oprichting ervan vertegenwoordigers zijn van overheidsinstellingen van openbaar nut;
9° Regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
10° Minister : de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met stadsvernieuwing.
Art. 2. Pour l'application de la présente ordonnance, il faut entendre par :
1° zone d'intervention prioritaire : la zone de la Région de Bruxelles-Capitale déterminée dans le cadre du programme opérationnel de l'objectif " compétitivité régionale et emploi " du Fonds Européen de Développement Régional pour la période 2007-2013, en exécution du Règlement n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de cohésion;
2° entrepreneur : toute personne qui exerce de manière habituelle et indépendante, à titre principal, une activité à caractère économique sur le territoire de la zone d'intervention prioritaire;
3° candidat entrepreneur : toute personne physique qui projette de créer ou de reprendre une activité économique sur le territoire de la zone d'intervention prioritaire;
4° centre d'entreprises : la personne morale exerçant, sur le territoire de la zone d'intervention prioritaire, des activités de mise à disposition à titre onéreux de locaux et d'accompagnement à des entreprises;
5° guichet d'économie locale : la personne morale exerçant dans la zone d'intervention prioritaire, des activités de conseil et d'orientation destinées aux candidats entrepreneurs et aux entreprises afin de les aider dans le cadre de la création ou du développement de leur entreprise;
6° entreprise : toute personne physique ou morale exerçant une activité économique sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et disposant de moyens humains et de biens qui lui sont spécifiquement affectés;
7° micro-entreprise : la personne physique ou morale telle que définie par le règlement 2003/361/CE de la Commission européenne du 6 mai 2003 concernant la définition des micro, petites et grandes entreprises;
8° association sans but lucratif d'initiative publique : association sans but lucratif dont la majorité des membres de l'assemblée générale sont des représentants d'organismes de droit public depuis sa création;
9° Gouvernement : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
10° Ministre : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale en charge de la rénovation urbaine.
1° zone d'intervention prioritaire : la zone de la Région de Bruxelles-Capitale déterminée dans le cadre du programme opérationnel de l'objectif " compétitivité régionale et emploi " du Fonds Européen de Développement Régional pour la période 2007-2013, en exécution du Règlement n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de cohésion;
2° entrepreneur : toute personne qui exerce de manière habituelle et indépendante, à titre principal, une activité à caractère économique sur le territoire de la zone d'intervention prioritaire;
3° candidat entrepreneur : toute personne physique qui projette de créer ou de reprendre une activité économique sur le territoire de la zone d'intervention prioritaire;
4° centre d'entreprises : la personne morale exerçant, sur le territoire de la zone d'intervention prioritaire, des activités de mise à disposition à titre onéreux de locaux et d'accompagnement à des entreprises;
5° guichet d'économie locale : la personne morale exerçant dans la zone d'intervention prioritaire, des activités de conseil et d'orientation destinées aux candidats entrepreneurs et aux entreprises afin de les aider dans le cadre de la création ou du développement de leur entreprise;
6° entreprise : toute personne physique ou morale exerçant une activité économique sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et disposant de moyens humains et de biens qui lui sont spécifiquement affectés;
7° micro-entreprise : la personne physique ou morale telle que définie par le règlement 2003/361/CE de la Commission européenne du 6 mai 2003 concernant la définition des micro, petites et grandes entreprises;
8° association sans but lucratif d'initiative publique : association sans but lucratif dont la majorité des membres de l'assemblée générale sont des représentants d'organismes de droit public depuis sa création;
9° Gouvernement : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
10° Ministre : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale en charge de la rénovation urbaine.
HOOFDSTUK II. - Erkenning van de bedrijvencentra.
CHAPITRE II. - De l'agrément des centres d'entreprises.
Art. 3. § 1. De Regering kan de bedrijvencentra erkennen die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° opgericht zijn in de vorm van een handelsvennootschap waarvan het maatschappelijk doel erop gericht is steun te verlenen voor de uitbouw van jonge ondernemingen door lokalen ter beschikking te stellen, een professionele dienstverlening aan te bieden en te voorzien in passende begeleiding;
2° de meerderheid van het kapitaal ervan moet in handen zijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van gemeenten of van openbare centra voor maatschappelijk welzijn gelegen op het grondgebied van het Gewest of van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel;
3° hun zetel hebben in de prioritaire-interventiezone en daar ook hun activiteiten uitoefenen;
4° tegen betaling, lokalen en de door de Regering vastgelegde diensten ter beschikking stellen van de ondernemingen, volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt;
5° samenwerken met het lokale-economieloket dat gelegen is op het grondgebied van de gemeente waar het centrum gevestigd is of, indien er geen is, met het dichtstbijgelegen loket om de in artikel 5, § 2 beschreven diensten gratis te verstrekken;
6° ter beschikking stellen van privatieve oppervlakten, waarvan de totale omvang in vierkante meter meer bedraagt dan het door de Regering bepaalde minimum;
7° de hoofdactiviteit moet bestaan in het verstrekken van de in 4° bedoelde diensten en dan voornamelijk ten gunste van micro-ondernemingen en van kleine ondernemingen;
8° op minstens 50 % van de ter beschikking gestelde privatieve oppervlakten, ondernemingen onderbrengen die minder dan vijf jaar geleden met hun activiteiten begonnen zijn of overgenomen werden, blijkens de gegevens van de Kruispuntbank van de Ondernemingen of enig ander nuttig bewijskrachtig middel; deze ondernemingen mogen niet in moeilijkheden verkeren in de zin van de communautaire richtlijnen inzake de staatssteun voor redding en herstructurering;
9° met de Regering de in § 2 van dit artikel bedoelde overeenkomst gesloten hebben;
10° jaarlijks aan de Regering een activiteitenverslag meedelen dat een overzicht bevat van de maatregelen die getroffen werden met naleving van de in het 9° bedoelde overeenkomst en waarin meer bepaald beschreven staat welke doelstellingen er verwezenlijkt werden inzake jobcreatie en oprichting van ondernemingen, hoeveel de lasten en uitgaven bedragen, hoe de subsidie werd aangewend, met als bijlage de balans en de resultatenrekening;
11° deelnemen aan het netwerk van bedrijvencentra en lokale-economieloketten dat opgezet werd door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO), volgens de in artikel 11 omschreven modaliteiten.
§ 2. - Het bedrijvencentrum sluit met de Regering een overeenkomst die onder andere betrekking heeft op de modaliteiten van de dienstverlening door de centra, meer bepaald op het vlak van oppervlaktebezetting, financieel evenwicht, toezicht op de aanwending van de subsidie. De Regering bepaalt het model van de overeenkomst.
Verder maakt de overeenkomst het mogelijk :
1° te garanderen dat het centrum de met toepassing van artikel 8 berekende vaste subsidie integraal aanwendt voor het huisvesten en begeleiden van de ondernemingen die er gevestigd zijn. Tevens bepaalt zij de regels inzake het plafond dat vastgelegd is in verordening (EG) 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimissteun of ieder ander plafond dat later door de Europese Commissie vastgelegd zou worden ter vervanging van deze verordening;
2° te garanderen dat het centrum het met toepassing van artikel 8 berekende variabele gedeelte van de subsidie integraal ten goede laat komen van de ondernemingen die er gehuisvest zijn. In de overeenkomst wordt de prijs van de in § 1, 4° bedoelde diensten zo bepaald dat het centrum op grond van de toegekende subsidie enkel een prijs kan voorstellen die lager ligt dan het normale markttarief;
3° de regels vast te leggen volgens welke alle ondernemingen een beroep kunnen doen op de dienstverlening van het centrum, zodanig dat de aldus toegekende steun niet hoger ligt dan het plafond dat bepaald is in verordening (EG) 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimissteun of ieder ander plafond dat later door de Europese Commissie vastgelegd zou worden ter vervanging van deze verordening;
4° de modaliteiten te bepalen voor de berekening van de steun die de ondernemingen genieten;
5° de boekhoudkundige modaliteiten voor het centrum te bepalen om ervoor te zorgen dat de activiteiten ervan gescheiden blijven en dat de kosten niet overgecompenseerd worden.
Voordat de overeenkomst gesloten wordt, verstrekt het centrum de Regering alle financiële en boekhoudkundige gegevens met het oog op de verwezenlijking van de in deze paragraaf beschreven doelstellingen.
1° opgericht zijn in de vorm van een handelsvennootschap waarvan het maatschappelijk doel erop gericht is steun te verlenen voor de uitbouw van jonge ondernemingen door lokalen ter beschikking te stellen, een professionele dienstverlening aan te bieden en te voorzien in passende begeleiding;
2° de meerderheid van het kapitaal ervan moet in handen zijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van gemeenten of van openbare centra voor maatschappelijk welzijn gelegen op het grondgebied van het Gewest of van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel;
3° hun zetel hebben in de prioritaire-interventiezone en daar ook hun activiteiten uitoefenen;
4° tegen betaling, lokalen en de door de Regering vastgelegde diensten ter beschikking stellen van de ondernemingen, volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt;
5° samenwerken met het lokale-economieloket dat gelegen is op het grondgebied van de gemeente waar het centrum gevestigd is of, indien er geen is, met het dichtstbijgelegen loket om de in artikel 5, § 2 beschreven diensten gratis te verstrekken;
6° ter beschikking stellen van privatieve oppervlakten, waarvan de totale omvang in vierkante meter meer bedraagt dan het door de Regering bepaalde minimum;
7° de hoofdactiviteit moet bestaan in het verstrekken van de in 4° bedoelde diensten en dan voornamelijk ten gunste van micro-ondernemingen en van kleine ondernemingen;
8° op minstens 50 % van de ter beschikking gestelde privatieve oppervlakten, ondernemingen onderbrengen die minder dan vijf jaar geleden met hun activiteiten begonnen zijn of overgenomen werden, blijkens de gegevens van de Kruispuntbank van de Ondernemingen of enig ander nuttig bewijskrachtig middel; deze ondernemingen mogen niet in moeilijkheden verkeren in de zin van de communautaire richtlijnen inzake de staatssteun voor redding en herstructurering;
9° met de Regering de in § 2 van dit artikel bedoelde overeenkomst gesloten hebben;
10° jaarlijks aan de Regering een activiteitenverslag meedelen dat een overzicht bevat van de maatregelen die getroffen werden met naleving van de in het 9° bedoelde overeenkomst en waarin meer bepaald beschreven staat welke doelstellingen er verwezenlijkt werden inzake jobcreatie en oprichting van ondernemingen, hoeveel de lasten en uitgaven bedragen, hoe de subsidie werd aangewend, met als bijlage de balans en de resultatenrekening;
11° deelnemen aan het netwerk van bedrijvencentra en lokale-economieloketten dat opgezet werd door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO), volgens de in artikel 11 omschreven modaliteiten.
§ 2. - Het bedrijvencentrum sluit met de Regering een overeenkomst die onder andere betrekking heeft op de modaliteiten van de dienstverlening door de centra, meer bepaald op het vlak van oppervlaktebezetting, financieel evenwicht, toezicht op de aanwending van de subsidie. De Regering bepaalt het model van de overeenkomst.
Verder maakt de overeenkomst het mogelijk :
1° te garanderen dat het centrum de met toepassing van artikel 8 berekende vaste subsidie integraal aanwendt voor het huisvesten en begeleiden van de ondernemingen die er gevestigd zijn. Tevens bepaalt zij de regels inzake het plafond dat vastgelegd is in verordening (EG) 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimissteun of ieder ander plafond dat later door de Europese Commissie vastgelegd zou worden ter vervanging van deze verordening;
2° te garanderen dat het centrum het met toepassing van artikel 8 berekende variabele gedeelte van de subsidie integraal ten goede laat komen van de ondernemingen die er gehuisvest zijn. In de overeenkomst wordt de prijs van de in § 1, 4° bedoelde diensten zo bepaald dat het centrum op grond van de toegekende subsidie enkel een prijs kan voorstellen die lager ligt dan het normale markttarief;
3° de regels vast te leggen volgens welke alle ondernemingen een beroep kunnen doen op de dienstverlening van het centrum, zodanig dat de aldus toegekende steun niet hoger ligt dan het plafond dat bepaald is in verordening (EG) 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimissteun of ieder ander plafond dat later door de Europese Commissie vastgelegd zou worden ter vervanging van deze verordening;
4° de modaliteiten te bepalen voor de berekening van de steun die de ondernemingen genieten;
5° de boekhoudkundige modaliteiten voor het centrum te bepalen om ervoor te zorgen dat de activiteiten ervan gescheiden blijven en dat de kosten niet overgecompenseerd worden.
Voordat de overeenkomst gesloten wordt, verstrekt het centrum de Regering alle financiële en boekhoudkundige gegevens met het oog op de verwezenlijking van de in deze paragraaf beschreven doelstellingen.
Art. 3. § 1er. Le Gouvernement peut agréer le centre d'entreprises qui répond aux conditions suivantes :
1° être constitué sous la forme d'une société commerciale dont l'objet social est le soutien au développement de jeunes entreprises par la mise à disposition de locaux, de services professionnels et d'un accompagnement approprié;
2° avoir la majorité de son capital détenu par la Région de Bruxelles-Capitale ou par des communes ou centres publics d'action sociale situés sur son territoire ou par la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale ou la Société Régionale d'Investissement de Bruxelles;
3° avoir son siège et exercer ses activités au sein de la zone d'intervention prioritaire;
4° mettre à disposition des entreprises à titre onéreux des locaux et des services déterminés par le Gouvernement, selon les modalités qu'il fixe;
5° s'associer avec le guichet d'économie locale situé sur le territoire communal dans lequel il est installé ou à défaut le plus proche, afin de fournir gratuitement les services décrits à l'article 5, § 2;
6° mettre à disposition des surfaces privatives dont la taille totale en mètres carrés dépasse la taille minimum déterminée par le Gouvernement;
7° avoir pour activité principale la fourniture des services visés au 4° au profit principalement des micro-entreprises et des petites entreprises;
8° héberger, sur au moins 50 % des surfaces privatives mises à disposition, des entreprises ayant débuté leur activité ou ayant été reprises depuis moins de cinq ans, selon les données reprises par la Banque-Carrefour des Entreprises ou tout autre moyen probant utile; ces entreprises ne peuvent pas être en difficulté au sens des lignes directrices communautaires concernant les aides d'Etat de sauvetage et à la restructuration;
9° avoir conclu avec le Gouvernement la convention visée au § 2 du présent article;
10° communiquer annuellement au Gouvernement un rapport d'activité décrivant les mesures mises en oeuvre pour se conformer à la convention visée au 9° et notamment les objectifs réalisés en termes de création d'emplois et d'entreprises, les charges et dépenses, l'utilisation du subside et comportant en annexe le bilan et le compte de résultats;
11° participer au réseau des centres d'entreprises et des guichets d'économie locale mis en place par la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE), selon les modalités définies par l'article 11.
§ 2. - Le centre d'entreprises conclut avec le Gouvernement une convention qui porte, entre autres, sur les modalités de la prestation de services fournis par les centres, notamment en termes d'occupation des surfaces, d'équilibre financier, de contrôle de l'utilisation du subside. Le Gouvernement fixe le modèle de la convention.
En outre, la convention permettra de :
1° garantir que le centre affecte intégralement le subside fixe, calculé en application de l'article 8, à l'accueil et à l'accompagnement des entreprises qui y sont installées. Elle rappelle également les règles de plafond fixé par le règlement (CE) n° 1998/2006 de la Commission du 15 décembre 2006 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides de minimis ou tout autre plafond qui serait ultérieurement fixé par la Commission européenne en remplacement de ce règlement;
2° garantir que le centre affecte intégralement la partie variable du subside calculé, en application de l'article 8, au profit des entreprises qui y sont installées. La convention détermine le prix visé au § 1er, 4° de telle manière que le subside alloué au centre ne puisse permettre à ce dernier que de proposer un prix inférieur au taux normal du marché;
3° fixer les règles selon lesquelles toutes les entreprises bénéficient des services du centre, afin que l'aide qui leur est ainsi accordée n'excède pas le plafond fixé par le règlement (CE) n° 1998/2006 de la Commission du 15 décembre 2006 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides de minimis ou tout autre plafond qui serait ultérieurement fixé par la Commission européenne en remplacement de ce règlement;
4° déterminer les modalités de calcul de l'aide dont bénéficient les entreprises;
5° déterminer les modalités de comptabilité du centre afin d'assurer la séparation entre ses activités et la non-surcompensation des coûts.
Préalablement à la conclusion de la convention, le centre fournit au Gouvernement tous les éléments d'information financiers et comptables permettant de rencontrer les objectifs décrits au présent paragraphe.
1° être constitué sous la forme d'une société commerciale dont l'objet social est le soutien au développement de jeunes entreprises par la mise à disposition de locaux, de services professionnels et d'un accompagnement approprié;
2° avoir la majorité de son capital détenu par la Région de Bruxelles-Capitale ou par des communes ou centres publics d'action sociale situés sur son territoire ou par la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale ou la Société Régionale d'Investissement de Bruxelles;
3° avoir son siège et exercer ses activités au sein de la zone d'intervention prioritaire;
4° mettre à disposition des entreprises à titre onéreux des locaux et des services déterminés par le Gouvernement, selon les modalités qu'il fixe;
5° s'associer avec le guichet d'économie locale situé sur le territoire communal dans lequel il est installé ou à défaut le plus proche, afin de fournir gratuitement les services décrits à l'article 5, § 2;
6° mettre à disposition des surfaces privatives dont la taille totale en mètres carrés dépasse la taille minimum déterminée par le Gouvernement;
7° avoir pour activité principale la fourniture des services visés au 4° au profit principalement des micro-entreprises et des petites entreprises;
8° héberger, sur au moins 50 % des surfaces privatives mises à disposition, des entreprises ayant débuté leur activité ou ayant été reprises depuis moins de cinq ans, selon les données reprises par la Banque-Carrefour des Entreprises ou tout autre moyen probant utile; ces entreprises ne peuvent pas être en difficulté au sens des lignes directrices communautaires concernant les aides d'Etat de sauvetage et à la restructuration;
9° avoir conclu avec le Gouvernement la convention visée au § 2 du présent article;
10° communiquer annuellement au Gouvernement un rapport d'activité décrivant les mesures mises en oeuvre pour se conformer à la convention visée au 9° et notamment les objectifs réalisés en termes de création d'emplois et d'entreprises, les charges et dépenses, l'utilisation du subside et comportant en annexe le bilan et le compte de résultats;
11° participer au réseau des centres d'entreprises et des guichets d'économie locale mis en place par la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE), selon les modalités définies par l'article 11.
§ 2. - Le centre d'entreprises conclut avec le Gouvernement une convention qui porte, entre autres, sur les modalités de la prestation de services fournis par les centres, notamment en termes d'occupation des surfaces, d'équilibre financier, de contrôle de l'utilisation du subside. Le Gouvernement fixe le modèle de la convention.
En outre, la convention permettra de :
1° garantir que le centre affecte intégralement le subside fixe, calculé en application de l'article 8, à l'accueil et à l'accompagnement des entreprises qui y sont installées. Elle rappelle également les règles de plafond fixé par le règlement (CE) n° 1998/2006 de la Commission du 15 décembre 2006 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides de minimis ou tout autre plafond qui serait ultérieurement fixé par la Commission européenne en remplacement de ce règlement;
2° garantir que le centre affecte intégralement la partie variable du subside calculé, en application de l'article 8, au profit des entreprises qui y sont installées. La convention détermine le prix visé au § 1er, 4° de telle manière que le subside alloué au centre ne puisse permettre à ce dernier que de proposer un prix inférieur au taux normal du marché;
3° fixer les règles selon lesquelles toutes les entreprises bénéficient des services du centre, afin que l'aide qui leur est ainsi accordée n'excède pas le plafond fixé par le règlement (CE) n° 1998/2006 de la Commission du 15 décembre 2006 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides de minimis ou tout autre plafond qui serait ultérieurement fixé par la Commission européenne en remplacement de ce règlement;
4° déterminer les modalités de calcul de l'aide dont bénéficient les entreprises;
5° déterminer les modalités de comptabilité du centre afin d'assurer la séparation entre ses activités et la non-surcompensation des coûts.
Préalablement à la conclusion de la convention, le centre fournit au Gouvernement tous les éléments d'information financiers et comptables permettant de rencontrer les objectifs décrits au présent paragraphe.
Art. 4. § 1. Wanneer de Regering, op verzoek van een bedrijvencentrum, vaststelt dat dit laatste voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 en dat de economische en sociale toestand in de wijk waarin het gelegen is, de erkenning van het centrum of een verlenging ervan rechtvaardigt, kan zij deze erkenning of verlenging toekennen.
Deze erkenning heeft een duur van vijf jaar en kan op verzoek van het bedrijvencentrum verlengd worden, telkens voor een periode van vijf jaar.
§ 2. - De erkende bedrijvencentra genieten een jaarlijkse subsidie volgens de in artikel 8 bepaalde modaliteiten.
Deze erkenning heeft een duur van vijf jaar en kan op verzoek van het bedrijvencentrum verlengd worden, telkens voor een periode van vijf jaar.
§ 2. - De erkende bedrijvencentra genieten een jaarlijkse subsidie volgens de in artikel 8 bepaalde modaliteiten.
Art. 4. § 1er. Lorsque le Gouvernement constate, à la demande d'un centre d'entreprises, que ce dernier remplit les conditions de l'article 3 et que la situation économique et sociale du quartier dans lequel il se trouve justifie l'agrément du centre ou son renouvellement, il peut lui délivrer un agrément ou le renouveler.
Cet agrément a une durée de cinq ans, renouvelable à la demande du centre d'entreprises, chaque fois pour une période de cinq ans.
§ 2. - Les centres d'entreprises agréés bénéficient d'un subside annuel selon les modalités définies à l'article 8.
Cet agrément a une durée de cinq ans, renouvelable à la demande du centre d'entreprises, chaque fois pour une période de cinq ans.
§ 2. - Les centres d'entreprises agréés bénéficient d'un subside annuel selon les modalités définies à l'article 8.
HOOFDSTUK III. - Erkenning van de lokale-economieloketten.
CHAPITRE III. - De l'agrément des guichets d'économie locale.
Art. 5. § 1. De Regering kan de lokale-economieloketten erkennen die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° op initiatief van de overheid opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, met als opdracht het verstrekken van advies bij de oprichting van ondernemingen. Het initiatief tot de oprichting van deze vereniging zonder winstoogmerk moet van de overheid komen;
2° hun zetel hebben in de prioritaire-interventiezone en daar ook hun activiteit uitoefenen;
3° de al dan niet in een bedrijvencentrum gehuisveste ondernemers en kandidaat-ondernemers gratis de in § 2 van dit artikel bedoelde advies- en oriënteringsdiensten aanbieden;
4° samenwerken met het bedrijvencentrum of de bedrijvencentra gelegen op het grondgebied van de gemeente waar het loket gevestigd is of, indien er geen is, met het dichtstbijgelegen bedrijvencentrum om de in het 3° van dit artikel bedoelde diensten gratis te verstrekken;
5° de in het 3° van dit artikel bedoelde diensten verstrekken voornamelijk ten gunste van kandidaat-ondernemers, ondernemers en micro-ondernemingen en, occasioneel, van kleine en middelgrote ondernemingen;
6° met de Regering een overeenkomst sluiten die opgesteld is op grond van een door de Regering goedgekeurd model en waarin bepaald wordt welke doelstellingen en verplichtingen inzake de dienstverlening op het vlak van de aanwending van de subsidie en de controle hierop het loket in acht moet nemen;
7° jaarlijks aan de Regering een activiteitenverslag meedelen dat een overzicht bevat van de maatregelen die getroffen werden met naleving van de in het 6° bedoelde overeenkomst en waarin meer bepaald beschreven staat welke doelstellingen verwezenlijkt werden inzake jobcreatie en oprichting van ondernemingen, adviesverstrekking aan ondernemers en kandidaat-ondernemers, hoeveel de lasten en uitgaven bedragen, hoe de subsidie werd aangewend, met als bijlage de balans en de resultatenrekening;
8° deelnemen aan het netwerk van bedrijvencentra en lokale-economieloketten dat opgezet werd door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB) en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO), volgens de in artikel 11 bepaalde modaliteiten.
§ 2. - De Regering bepaalt de lijst met de in § 1, 3° bedoelde diensten alsook de wekelijkse minimumduur van de diensten die de lokale-economieloketten moeten verstrekken.
1° op initiatief van de overheid opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, met als opdracht het verstrekken van advies bij de oprichting van ondernemingen. Het initiatief tot de oprichting van deze vereniging zonder winstoogmerk moet van de overheid komen;
2° hun zetel hebben in de prioritaire-interventiezone en daar ook hun activiteit uitoefenen;
3° de al dan niet in een bedrijvencentrum gehuisveste ondernemers en kandidaat-ondernemers gratis de in § 2 van dit artikel bedoelde advies- en oriënteringsdiensten aanbieden;
4° samenwerken met het bedrijvencentrum of de bedrijvencentra gelegen op het grondgebied van de gemeente waar het loket gevestigd is of, indien er geen is, met het dichtstbijgelegen bedrijvencentrum om de in het 3° van dit artikel bedoelde diensten gratis te verstrekken;
5° de in het 3° van dit artikel bedoelde diensten verstrekken voornamelijk ten gunste van kandidaat-ondernemers, ondernemers en micro-ondernemingen en, occasioneel, van kleine en middelgrote ondernemingen;
6° met de Regering een overeenkomst sluiten die opgesteld is op grond van een door de Regering goedgekeurd model en waarin bepaald wordt welke doelstellingen en verplichtingen inzake de dienstverlening op het vlak van de aanwending van de subsidie en de controle hierop het loket in acht moet nemen;
7° jaarlijks aan de Regering een activiteitenverslag meedelen dat een overzicht bevat van de maatregelen die getroffen werden met naleving van de in het 6° bedoelde overeenkomst en waarin meer bepaald beschreven staat welke doelstellingen verwezenlijkt werden inzake jobcreatie en oprichting van ondernemingen, adviesverstrekking aan ondernemers en kandidaat-ondernemers, hoeveel de lasten en uitgaven bedragen, hoe de subsidie werd aangewend, met als bijlage de balans en de resultatenrekening;
8° deelnemen aan het netwerk van bedrijvencentra en lokale-economieloketten dat opgezet werd door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB) en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO), volgens de in artikel 11 bepaalde modaliteiten.
§ 2. - De Regering bepaalt de lijst met de in § 1, 3° bedoelde diensten alsook de wekelijkse minimumduur van de diensten die de lokale-economieloketten moeten verstrekken.
Art. 5. § 1er. Le Gouvernement peut agréer le guichet d'économie locale qui répond aux conditions suivantes :
1° être constitué sous la forme d'une association sans but lucratif d'initiative publique dont la mission est le conseil à la création d'entreprises. La création de cette association sans but lucratif doit être d'initiative publique;
2° avoir son siège et exercer son activité au sein de la zone d'intervention prioritaire;
3° offrir à titre gratuit les services de conseil et d'orientation visés au § 2 du présent article aux entrepreneurs et candidats entrepreneurs hébergés ou non dans un centre d'entreprises;
4° s'associer avec le ou les centres d'entreprises situé sur le territoire communal dans lequel il est installé ou, à défaut, avec le centre d'entreprises le plus proche, afin de fournir gratuitement les services visés au point 3° du présent article;
5° prester les services visés au point 3° du présent article au profit essentiellement des candidats entrepreneurs, des entrepreneurs et de micro-entreprises et occasionnellement de petites et moyennes entreprises;
6° conclure avec le Gouvernement une convention basée sur un modèle arrêté par le Gouvernement et déterminant les objectifs et obligations auxquelles le guichet doit se conformer en termes de prestations de leurs services d'utilisation du subside et le contrôle de celui-ci;
7° communiquer annuellement au Gouvernement un rapport d'activité décrivant les mesures mises en oeuvre pour se conformer à la convention visée au point 6° et notamment les objectifs réalisés en termes de création d'emplois et d'entreprises, de consultations données aux entrepreneurs et candidats entrepreneurs, les charges et dépenses, l'utilisation du subside et comportant en annexe le bilan et le compte de résultats;
8° participer au réseau des centres d'entreprises et des guichets d'économie locale mis en place par la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB) et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE), selon les modalités définies par l'article 11.
§ 2. - Le Gouvernement arrête la liste des services visés au § 1er, 3°, et la durée minimum hebdomadaire des services que les guichets d'économie locale doivent fournir.
1° être constitué sous la forme d'une association sans but lucratif d'initiative publique dont la mission est le conseil à la création d'entreprises. La création de cette association sans but lucratif doit être d'initiative publique;
2° avoir son siège et exercer son activité au sein de la zone d'intervention prioritaire;
3° offrir à titre gratuit les services de conseil et d'orientation visés au § 2 du présent article aux entrepreneurs et candidats entrepreneurs hébergés ou non dans un centre d'entreprises;
4° s'associer avec le ou les centres d'entreprises situé sur le territoire communal dans lequel il est installé ou, à défaut, avec le centre d'entreprises le plus proche, afin de fournir gratuitement les services visés au point 3° du présent article;
5° prester les services visés au point 3° du présent article au profit essentiellement des candidats entrepreneurs, des entrepreneurs et de micro-entreprises et occasionnellement de petites et moyennes entreprises;
6° conclure avec le Gouvernement une convention basée sur un modèle arrêté par le Gouvernement et déterminant les objectifs et obligations auxquelles le guichet doit se conformer en termes de prestations de leurs services d'utilisation du subside et le contrôle de celui-ci;
7° communiquer annuellement au Gouvernement un rapport d'activité décrivant les mesures mises en oeuvre pour se conformer à la convention visée au point 6° et notamment les objectifs réalisés en termes de création d'emplois et d'entreprises, de consultations données aux entrepreneurs et candidats entrepreneurs, les charges et dépenses, l'utilisation du subside et comportant en annexe le bilan et le compte de résultats;
8° participer au réseau des centres d'entreprises et des guichets d'économie locale mis en place par la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB) et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE), selon les modalités définies par l'article 11.
§ 2. - Le Gouvernement arrête la liste des services visés au § 1er, 3°, et la durée minimum hebdomadaire des services que les guichets d'économie locale doivent fournir.
Art. 6. Wanneer de Regering, op verzoek van een loket, vaststelt dat dit laatste voldoet aan de in artikel 5 bepaalde voorwaarden en dat de economische en sociale toestand in de wijk waarin het gelegen is, de erkenning van het loket of een verlenging ervan rechtvaardigt, kan zij deze erkenning toekennen of deze verlengen.
Deze erkenning heeft een duur van vijf jaar en kan op verzoek van het lokale-economieloket verlengd worden, telkens voor een periode van vijf jaar.
De erkende loketten genieten een jaarlijkse subsidie volgens de in artikel 9 bepaalde modaliteiten.
Deze erkenning heeft een duur van vijf jaar en kan op verzoek van het lokale-economieloket verlengd worden, telkens voor een periode van vijf jaar.
De erkende loketten genieten een jaarlijkse subsidie volgens de in artikel 9 bepaalde modaliteiten.
Art. 6. Lorsque le Gouvernement constate, à la demande d'un guichet, que ce dernier remplit les conditions définies par l'article 5 et que la situation économique et sociale du quartier dans lequel il se trouve justifie l'agrément du guichet ou son renouvellement, il peut lui délivrer un agrément ou le renouveler.
Cet agrément a une durée de cinq ans, renouvelable à la demande du guichet d'économie locale, chaque fois pour une période de cinq ans.
Les guichets agréés bénéficient d'un subside annuel selon les modalités définies à l'article 9.
Cet agrément a une durée de cinq ans, renouvelable à la demande du guichet d'économie locale, chaque fois pour une période de cinq ans.
Les guichets agréés bénéficient d'un subside annuel selon les modalités définies à l'article 9.
HOOFDSTUK IV. - Intrekking of weigering van erkenning van een bedrijvencentrum of een lokale-economieloket.
CHAPITRE IV. - Retrait ou refus de l'agrément d'un centre d'entreprises et d'un guichet d'économie locale.
Art. 7. § 1. Onverminderd de verplichting van het bedrijvencentrum of het lokale-economieloket tot teruggave van de voor de betreffende periode toegekende subsidies, kan de Regering de erkenning intrekken of weigeren als zij vaststelt dat het bedrijvencentrum of het lokale-economieloket :
1° niet langer de in de artikelen 3 en 5 bepaalde voorwaarden vervult;
2° zich niet houdt aan de bepalingen van de met de Regering gesloten overeenkomst.
§ 2. - Wanneer de Regering, op grond van het jaarverslag van het centrum of van het loket of op enigerlei andere wijze, van oordeel is dat van de in § 1 bedoelde gevallen er zich één of meerdere voordoen, stelt zij het bedrijvencentrum of het loket in kwestie daarvan op de hoogte bij een ter post aangetekende brief.
Het bedrijvencentrum of het loket kan zijn opmerkingen meedelen via een aangetekend schrijven, binnen de maand nadat de in het voorgaande lid bedoelde brief is verstuurd.
1° niet langer de in de artikelen 3 en 5 bepaalde voorwaarden vervult;
2° zich niet houdt aan de bepalingen van de met de Regering gesloten overeenkomst.
§ 2. - Wanneer de Regering, op grond van het jaarverslag van het centrum of van het loket of op enigerlei andere wijze, van oordeel is dat van de in § 1 bedoelde gevallen er zich één of meerdere voordoen, stelt zij het bedrijvencentrum of het loket in kwestie daarvan op de hoogte bij een ter post aangetekende brief.
Het bedrijvencentrum of het loket kan zijn opmerkingen meedelen via een aangetekend schrijven, binnen de maand nadat de in het voorgaande lid bedoelde brief is verstuurd.
Art. 7. § 1er. Sans préjudice de l'obligation pour le centre d'entreprises ou le guichet d'économie locale de restituer les subsides octroyés pour la période concernée, le Gouvernement peut retirer ou refuser l'agrément s'il constate que le centre d'entreprises ou le guichet d'économie locale :
1° ne remplit plus les conditions définies aux articles 3 et 5;
2° ne respecte pas les termes de la convention conclue avec le Gouvernement;
§ 2. - Lorsque le Gouvernement estime, sur la base du rapport annuel du centre ou du guichet ou de toute autre manière, qu'une ou plusieurs des hypothèses visées au § 1er sont rencontrées, il en avise le centre d'entreprises ou le guichet concerné par lettre recommandée à la poste.
Le centre d'entreprises ou le guichet peut faire valoir ses observations par courrier recommandé, dans le mois de l'envoi de la lettre visée à l'alinéa précédent.
1° ne remplit plus les conditions définies aux articles 3 et 5;
2° ne respecte pas les termes de la convention conclue avec le Gouvernement;
§ 2. - Lorsque le Gouvernement estime, sur la base du rapport annuel du centre ou du guichet ou de toute autre manière, qu'une ou plusieurs des hypothèses visées au § 1er sont rencontrées, il en avise le centre d'entreprises ou le guichet concerné par lettre recommandée à la poste.
Le centre d'entreprises ou le guichet peut faire valoir ses observations par courrier recommandé, dans le mois de l'envoi de la lettre visée à l'alinéa précédent.
HOOFDSTUK V. - De toekenning of de teruggave van de subsidie.
CHAPITRE V. - De l'octroi ou de la restitution du subside.
Art. 8. § 1. De erkende bedrijvencentra genieten jaarlijks een vaste subsidie en een variabele subsidie die recht evenredig is met hun bezettingsgraad. Beide worden vastgelegd door de Regering.
§ 2. - De vaste subsidie stelt het bedrijvencentrum in staat zijn beheer en de begeleiding van de bedrijven die er gevestigd zijn, te financieren
Dat bedrag wordt vermeerderd wanneer de bruto-oppervlakte van het centrum meer dan 5.000 m2 bedraagt. De bruto-oppervlakte wordt berekend zonder rekening te houden met de zalen en andere ruimten in het centrum die verhuurd kunnen worden voor evenementen of projecten die losstaan van het centrum. Deze vermeerdering wordt vastgelegd door de Regering.
§ 3. - De bezettingsgraad van het centrum die gebruikt wordt voor de variabele subsidie, wordt uitgedrukt in percentage verhuurde vierkante meter en heeft enkel betrekking op de privatieve oppervlakten, met uitsluiting van de lokalen en oppervlakten voor gemeenschappelijk gebruik.
Deze bezettingsgraad stemt overeen met de oppervlakten die benut worden door ondernemingen die minder dan vijf jaar geleden met hun activiteiten begonnen zijn of overgenomen werden, blijkens de gegevens van de Kruispuntbank van de Ondernemingen. Deze ondernemingen mogen niet in moeilijkheden verkeren in de zin van de communautaire richtlijnen inzake de staatssteun voor redding en herstructurering.
Bij de erkennings- of verlengingsaanvraag, verantwoordt het centrum de bezettingsgraad op de datum van de aanvraag.
Indien het centrum nog maar recent opgericht werd en om die reden deze graad niet kan verantwoorden, bezorgt het de Regering een raming van deze graad voor de drie jaren die volgen op het jaar van de aanvraag. De subsidie wordt dan voorlopig berekend op grond van deze graden gedurende deze periode.
Ieder jaar deelt het centrum uiterlijk tegen 31 oktober de bezettingsgraad mee.
Het erkende centrum krijgt jaarlijks een subsidie die gekoppeld is aan de bezettingsgraad en overeenstemt met een forfaitair bedrag per vierkante meter. De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per vierkante meter.
Indien het centrum bij de erkenningsaanvraag geen bezettingsgraad kon meedelen en het derde lid van deze paragraaf werd toegepast, wordt ieder jaar overgegaan tot de retroactieve herziening van de reeds betaalde subsidie en dat voor de drie jaren waarvoor het centrum een raming heeft opgemaakt. Wanneer de op 31 oktober meegedeelde graad hoger is dan de raming van het centrum, kent de Regering een aanvullende subsidie toe. Wanneer deze graad lager is dan de raming, dient het centrum het verschil terug te betalen binnen de drie maanden nadat de Regering daartoe een verzoek heeft gericht tot het centrum.
§ 4. - Wanneer de erkenning van kracht wordt in de loop van een kalenderjaar, worden de subsidies voor het betreffende kalenderjaar toegekend prorata temporis. Hetzelfde geldt voor het kalenderjaar in de loop waarvan de erkenning verloopt.
§ 5. - De volledige subsidie moet het bedrijvencentrum in staat stellen om werkingskosten en kleine investeringen te dekken, zodanig dat het kan voldoen aan de voorwaarden waaronder het erkend werd.
§ 2. - De vaste subsidie stelt het bedrijvencentrum in staat zijn beheer en de begeleiding van de bedrijven die er gevestigd zijn, te financieren
Dat bedrag wordt vermeerderd wanneer de bruto-oppervlakte van het centrum meer dan 5.000 m2 bedraagt. De bruto-oppervlakte wordt berekend zonder rekening te houden met de zalen en andere ruimten in het centrum die verhuurd kunnen worden voor evenementen of projecten die losstaan van het centrum. Deze vermeerdering wordt vastgelegd door de Regering.
§ 3. - De bezettingsgraad van het centrum die gebruikt wordt voor de variabele subsidie, wordt uitgedrukt in percentage verhuurde vierkante meter en heeft enkel betrekking op de privatieve oppervlakten, met uitsluiting van de lokalen en oppervlakten voor gemeenschappelijk gebruik.
Deze bezettingsgraad stemt overeen met de oppervlakten die benut worden door ondernemingen die minder dan vijf jaar geleden met hun activiteiten begonnen zijn of overgenomen werden, blijkens de gegevens van de Kruispuntbank van de Ondernemingen. Deze ondernemingen mogen niet in moeilijkheden verkeren in de zin van de communautaire richtlijnen inzake de staatssteun voor redding en herstructurering.
Bij de erkennings- of verlengingsaanvraag, verantwoordt het centrum de bezettingsgraad op de datum van de aanvraag.
Indien het centrum nog maar recent opgericht werd en om die reden deze graad niet kan verantwoorden, bezorgt het de Regering een raming van deze graad voor de drie jaren die volgen op het jaar van de aanvraag. De subsidie wordt dan voorlopig berekend op grond van deze graden gedurende deze periode.
Ieder jaar deelt het centrum uiterlijk tegen 31 oktober de bezettingsgraad mee.
Het erkende centrum krijgt jaarlijks een subsidie die gekoppeld is aan de bezettingsgraad en overeenstemt met een forfaitair bedrag per vierkante meter. De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per vierkante meter.
Indien het centrum bij de erkenningsaanvraag geen bezettingsgraad kon meedelen en het derde lid van deze paragraaf werd toegepast, wordt ieder jaar overgegaan tot de retroactieve herziening van de reeds betaalde subsidie en dat voor de drie jaren waarvoor het centrum een raming heeft opgemaakt. Wanneer de op 31 oktober meegedeelde graad hoger is dan de raming van het centrum, kent de Regering een aanvullende subsidie toe. Wanneer deze graad lager is dan de raming, dient het centrum het verschil terug te betalen binnen de drie maanden nadat de Regering daartoe een verzoek heeft gericht tot het centrum.
§ 4. - Wanneer de erkenning van kracht wordt in de loop van een kalenderjaar, worden de subsidies voor het betreffende kalenderjaar toegekend prorata temporis. Hetzelfde geldt voor het kalenderjaar in de loop waarvan de erkenning verloopt.
§ 5. - De volledige subsidie moet het bedrijvencentrum in staat stellen om werkingskosten en kleine investeringen te dekken, zodanig dat het kan voldoen aan de voorwaarden waaronder het erkend werd.
Art. 8. § 1er. Les centres d'entreprises agréés bénéficient annuellement d'un subside fixe et d'un subside variable proportionnel à leur taux d'occupation, déterminés par le Gouvernement.
§ 2. - Le subside fixe permet de financer la gestion du centre et l'accompagnement par le centre des entreprises qui sont installées dans le centre.
Ce montant est majoré lorsque la superficie brute du centre est supérieure à 5.000 m2. La superficie brute est calculée sans prendre en compte les salles et autres lieux du centre susceptibles d'être loués pour des événements ou des projets indépendants du centre. Cette majoration est fixée par le Gouvernement.
§ 3. - Le taux d'occupation du centre utilisé pour le subside variable est exprimé en pourcentage de mètres carrés loués et ne porte que sur les surfaces privatives, à l'exclusion des locaux et surfaces à usage commun.
Ce taux correspond aux surfaces occupées par des entreprises qui existent ou qui ont été reprises depuis moins de cinq années selon les données reprises par la Banque-Carrefour des Entreprises. Ces entreprises ne peuvent pas être en difficulté au sens des lignes directrices communautaires concernant les aides d'Etat de sauvetage et à la restructuration.
Lors de sa demande d'agrément ou de renouvellement, le centre justifie son taux d'occupation à la date de la demande.
Si le centre ne peut, en raison de sa création récente, justifier ce taux, il communique au Gouvernement une estimation de ce taux sur les trois années suivant celle de sa demande. Le subside est alors provisoirement calculé sur la base de ces taux pendant cette période.
Chaque année, pour le 31 octobre au plus tard, le centre communique son taux d'occupation.
Le centre agréé perçoit annuellement un subside lié à son taux d'occupation et correspondant à un montant forfaitaire par mètre carré. Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par mètre carré.
Si le centre n'a pu communiquer de taux d'occupation lors de sa demande d'agrément et qu'il a été fait application de l'alinéa 3 du présent paragraphe, il est procédé chaque année à la révision rétroactive du subside déjà payé et ce pour les trois années pour lesquelles le centre a réalisé une estimation. Si le taux communiqué au 31 octobre est supérieur à l'estimation réalisée par le centre, le Gouvernement alloue un complément de subside. Si ce taux est inférieur à l'estimation, le centre est tenu de rembourser la différence dans les trois mois de l'invitation qui lui est adressée par le Gouvernement.
§ 4. - Lorsque l'agrément prend effet au cours d'une année civile, les subsides sont accordés prorata temporis pour l'année civile en question. Il en va de même pour l'année civile au cours de laquelle l'agrément expire.
§ 5. - L'entièreté du subside fixe doit permettre de couvrir des frais de fonctionnement et de petits investissements permettant au centre d'entreprises de remplir les conditions pour lesquelles il a été agréé.
§ 2. - Le subside fixe permet de financer la gestion du centre et l'accompagnement par le centre des entreprises qui sont installées dans le centre.
Ce montant est majoré lorsque la superficie brute du centre est supérieure à 5.000 m2. La superficie brute est calculée sans prendre en compte les salles et autres lieux du centre susceptibles d'être loués pour des événements ou des projets indépendants du centre. Cette majoration est fixée par le Gouvernement.
§ 3. - Le taux d'occupation du centre utilisé pour le subside variable est exprimé en pourcentage de mètres carrés loués et ne porte que sur les surfaces privatives, à l'exclusion des locaux et surfaces à usage commun.
Ce taux correspond aux surfaces occupées par des entreprises qui existent ou qui ont été reprises depuis moins de cinq années selon les données reprises par la Banque-Carrefour des Entreprises. Ces entreprises ne peuvent pas être en difficulté au sens des lignes directrices communautaires concernant les aides d'Etat de sauvetage et à la restructuration.
Lors de sa demande d'agrément ou de renouvellement, le centre justifie son taux d'occupation à la date de la demande.
Si le centre ne peut, en raison de sa création récente, justifier ce taux, il communique au Gouvernement une estimation de ce taux sur les trois années suivant celle de sa demande. Le subside est alors provisoirement calculé sur la base de ces taux pendant cette période.
Chaque année, pour le 31 octobre au plus tard, le centre communique son taux d'occupation.
Le centre agréé perçoit annuellement un subside lié à son taux d'occupation et correspondant à un montant forfaitaire par mètre carré. Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par mètre carré.
Si le centre n'a pu communiquer de taux d'occupation lors de sa demande d'agrément et qu'il a été fait application de l'alinéa 3 du présent paragraphe, il est procédé chaque année à la révision rétroactive du subside déjà payé et ce pour les trois années pour lesquelles le centre a réalisé une estimation. Si le taux communiqué au 31 octobre est supérieur à l'estimation réalisée par le centre, le Gouvernement alloue un complément de subside. Si ce taux est inférieur à l'estimation, le centre est tenu de rembourser la différence dans les trois mois de l'invitation qui lui est adressée par le Gouvernement.
§ 4. - Lorsque l'agrément prend effet au cours d'une année civile, les subsides sont accordés prorata temporis pour l'année civile en question. Il en va de même pour l'année civile au cours de laquelle l'agrément expire.
§ 5. - L'entièreté du subside fixe doit permettre de couvrir des frais de fonctionnement et de petits investissements permettant au centre d'entreprises de remplir les conditions pour lesquelles il a été agréé.
Art. 9. § 1. De erkende lokale-economieloketten genieten jaarlijks een vaste subsidie en een subsidie die recht evenredig is met het aantal inwoners in het gedeelte van de prioritaire-interventiezone van de gemeente waar het lokale-economieloket gevestigd is, met het aantal samengestelde dossiers en met het aantal ondernemingen die in de prioritaire-interventiezone opgericht konden worden dankzij het loket.
§ 2. - Het aantal inwoners dat voor de volledige duur van de erkenning in rekening wordt gebracht, is het aantal in het derde jaar dat voorafgaat aan de erkenning van het lokale-economieloket of anders het aantal volgens de laatste beschikbare gegevens.
Indien een gemeente die deel uitmaakt van de prioritaire-interventiezone, op haar grondgebied niet beschikt over een lokale-economieloket, kan het dichtstbijgelegen lokale-economieloket zijn opdrachten uitbreiden naar dat grondgebied en de in § 1 bedoelde proportionele subsidie krijgen.
Twee loketten kunnen niet tweemaal dezelfde gedeelten van de prioritaire-interventiezone bedienen. In geval van onenigheid bepaalt de Regering het grondgebied waarvoor ieder loket bevoegd is.
Het erkende lokale-economieloket krijgt jaarlijks een subsidie die gekoppeld is aan het aantal inwoners in het gedeelte van de prioritaire-interventiezone van de gemeente waar het lokale-economieloket gevestigd is en die overeenstemt met een forfaitair bedrag per inwoner.
De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per inwoner.
§ 3. - Het in rekening gebrachte aantal dossiers is het aantal in het jaar dat voorafgaat aan de toekenning van de subsidie. Het aantal dossiers wordt geteld op grond van een methodologie die gelijk is voor alle erkende loketten en die bepaald wordt door de Minister.
De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per dossier.
De berekening van deze variabele subsidie wordt enkel toegepast in het jaar dat volgt op de vankrachtwording van de methodologie voor de telling van de dossiers.
§ 4. - Het aantal in rekening gebrachte ondernemingen die in de prioritaire-interventiezone werden opgericht, is het aantal in het jaar dat voorafgaat aan de toekenning van de subsidie. Het aantal ondernemingen wordt geboekt op grond van een methodologie die gelijk is voor alle erkende loketten en die bepaald wordt door de Minister.
De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per opgerichte onderneming.
De berekening van deze variabele subsidie wordt enkel toegepast in het jaar na de vankrachtwording van de methodologie voor de telling van de opgerichte ondernemingen.
§ 5. - Wanneer de erkenning van kracht wordt in de loop van een kalenderjaar, worden de subsidies voor het betreffende jaar toegekend prorata temporis. Hetzelfde geldt voor het jaar in de loop waarvan de erkenning verloopt.
§ 6. - De volledige subsidie moet het lokale-economieloket in staat stellen om werkingskosten en kleine investeringen te dekken, zodanig dat het kan voldoen aan de voorwaarden waarvoor het erkend werd.
§ 2. - Het aantal inwoners dat voor de volledige duur van de erkenning in rekening wordt gebracht, is het aantal in het derde jaar dat voorafgaat aan de erkenning van het lokale-economieloket of anders het aantal volgens de laatste beschikbare gegevens.
Indien een gemeente die deel uitmaakt van de prioritaire-interventiezone, op haar grondgebied niet beschikt over een lokale-economieloket, kan het dichtstbijgelegen lokale-economieloket zijn opdrachten uitbreiden naar dat grondgebied en de in § 1 bedoelde proportionele subsidie krijgen.
Twee loketten kunnen niet tweemaal dezelfde gedeelten van de prioritaire-interventiezone bedienen. In geval van onenigheid bepaalt de Regering het grondgebied waarvoor ieder loket bevoegd is.
Het erkende lokale-economieloket krijgt jaarlijks een subsidie die gekoppeld is aan het aantal inwoners in het gedeelte van de prioritaire-interventiezone van de gemeente waar het lokale-economieloket gevestigd is en die overeenstemt met een forfaitair bedrag per inwoner.
De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per inwoner.
§ 3. - Het in rekening gebrachte aantal dossiers is het aantal in het jaar dat voorafgaat aan de toekenning van de subsidie. Het aantal dossiers wordt geteld op grond van een methodologie die gelijk is voor alle erkende loketten en die bepaald wordt door de Minister.
De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per dossier.
De berekening van deze variabele subsidie wordt enkel toegepast in het jaar dat volgt op de vankrachtwording van de methodologie voor de telling van de dossiers.
§ 4. - Het aantal in rekening gebrachte ondernemingen die in de prioritaire-interventiezone werden opgericht, is het aantal in het jaar dat voorafgaat aan de toekenning van de subsidie. Het aantal ondernemingen wordt geboekt op grond van een methodologie die gelijk is voor alle erkende loketten en die bepaald wordt door de Minister.
De Regering bepaalt het forfaitaire bedrag dat toegekend wordt per opgerichte onderneming.
De berekening van deze variabele subsidie wordt enkel toegepast in het jaar na de vankrachtwording van de methodologie voor de telling van de opgerichte ondernemingen.
§ 5. - Wanneer de erkenning van kracht wordt in de loop van een kalenderjaar, worden de subsidies voor het betreffende jaar toegekend prorata temporis. Hetzelfde geldt voor het jaar in de loop waarvan de erkenning verloopt.
§ 6. - De volledige subsidie moet het lokale-economieloket in staat stellen om werkingskosten en kleine investeringen te dekken, zodanig dat het kan voldoen aan de voorwaarden waarvoor het erkend werd.
Art. 9. § 1er. Les guichets d'économie locale agréés bénéficient annuellement d'un subside fixe et d'un subside proportionnel au nombre d'habitants résidant dans la partie de la zone d'intervention prioritaire de la commune dans laquelle le guichet d'économie locale est installé, au nombre de dossiers constitués et au nombre d'entreprises effectivement créées dans la zone d'intervention prioritaire grâce au guichet.
§ 2. - Le nombre d'habitants pris en compte pour toute la durée de l'agrément est celui de la troisième année qui précède l'agrément du guichet d'économie locale ou, à défaut, celui issu des dernières données disponibles.
Si une commune faisant partie de la zone d'intervention prioritaire ne dispose pas d'un guichet d'économie locale sur son territoire, le guichet d'économie locale le plus proche peut étendre ses missions sur ce territoire et percevoir le subside proportionnel visé au § 1er.
Deux guichets ne peuvent couvrir deux fois les mêmes parties de zone d'intervention prioritaire. En cas de désaccord, le Gouvernement détermine les territoires dont chaque guichet a la charge.
Le guichet d'économie locale agréé perçoit annuellement un subside lié au nombre d'habitants résidant dans la partie de la zone d'intervention prioritaire de la commune dans laquelle le guichet d'économie locale est installé et correspondant à un montant forfaitaire par habitant.
Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par habitant.
§ 3. - Le nombre de dossiers pris en compte est celui de l'année qui précède l'octroi du subside. Le nombre de dossiers est comptabilisé sur la base d'une méthodologie commune à tous les guichets agréés, qui est déterminée par le Ministre.
Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par dossier.
Le calcul de ce subside variable n'est d'application que l'année qui suit la mise en application de la méthodologie de comptabilisation des dossiers.
§ 4. - Le nombre d'entreprises créées dans la zone d'intervention prioritaire qui seront prises en compte est celui de l'année qui précède l'octroi du subside. Le nombre d'entreprises est comptabilisé sur la base d'une méthodologie commune à tous les guichets agréés, qui est déterminée par le Ministre.
Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par entreprise créée.
Le calcul de ce subside variable n'est d'application que l'année qui suit la mise en application de la méthodologie de comptabilisation des entreprises créées.
§ 5. - Lorsque l'agrément prend effet au cours d'une année civile, les subsides sont accordés prorata temporis pour l'année en question. Il en va de même pour l'année au cours de laquelle l'agrément expire.
§ 6. - L'entièreté du subside doit permettre de couvrir des frais de fonctionnement et de petits investissements permettant au guichet d'économie locale de remplir les conditions pour lesquelles il a été agréé.
§ 2. - Le nombre d'habitants pris en compte pour toute la durée de l'agrément est celui de la troisième année qui précède l'agrément du guichet d'économie locale ou, à défaut, celui issu des dernières données disponibles.
Si une commune faisant partie de la zone d'intervention prioritaire ne dispose pas d'un guichet d'économie locale sur son territoire, le guichet d'économie locale le plus proche peut étendre ses missions sur ce territoire et percevoir le subside proportionnel visé au § 1er.
Deux guichets ne peuvent couvrir deux fois les mêmes parties de zone d'intervention prioritaire. En cas de désaccord, le Gouvernement détermine les territoires dont chaque guichet a la charge.
Le guichet d'économie locale agréé perçoit annuellement un subside lié au nombre d'habitants résidant dans la partie de la zone d'intervention prioritaire de la commune dans laquelle le guichet d'économie locale est installé et correspondant à un montant forfaitaire par habitant.
Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par habitant.
§ 3. - Le nombre de dossiers pris en compte est celui de l'année qui précède l'octroi du subside. Le nombre de dossiers est comptabilisé sur la base d'une méthodologie commune à tous les guichets agréés, qui est déterminée par le Ministre.
Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par dossier.
Le calcul de ce subside variable n'est d'application que l'année qui suit la mise en application de la méthodologie de comptabilisation des dossiers.
§ 4. - Le nombre d'entreprises créées dans la zone d'intervention prioritaire qui seront prises en compte est celui de l'année qui précède l'octroi du subside. Le nombre d'entreprises est comptabilisé sur la base d'une méthodologie commune à tous les guichets agréés, qui est déterminée par le Ministre.
Le Gouvernement arrête le montant forfaitaire alloué par entreprise créée.
Le calcul de ce subside variable n'est d'application que l'année qui suit la mise en application de la méthodologie de comptabilisation des entreprises créées.
§ 5. - Lorsque l'agrément prend effet au cours d'une année civile, les subsides sont accordés prorata temporis pour l'année en question. Il en va de même pour l'année au cours de laquelle l'agrément expire.
§ 6. - L'entièreté du subside doit permettre de couvrir des frais de fonctionnement et de petits investissements permettant au guichet d'économie locale de remplir les conditions pour lesquelles il a été agréé.
Art. 10. § 1. Onverminderd de algemene bepalingen inzake het toezicht op de toekenning en de aanwending van de subsidies, wordt de in de artikelen 8 en 9 bedoelde subsidie, na goedkeuring door de Minister, terugbetaald :
1° in geval van niet-naleving van de bepalingen voorgeschreven door of krachtens deze ordonnantie, inzonderheid van de artikelen 3 en 5;
2° in geval van niet-naleving van de met de Regering gesloten overeenkomst, met toepassing van artikel 3, § 1, 9° en van artikel 5, § 1, 6°;
3° in geval van faillissement, van ontbinding of van vrijwillige of gerechtelijke vereffening van het bedrijvencentrum en van het lokale-economieloket;
4° in geval van opzettelijke mededeling van onjuiste of onvolledige gegevens, teneinde het verkrijgen of verlengen van de erkenning of van de subsidie te bevorderen.
§ 2. - De Directie Financiële Coördinatie van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt belast met de invordering van de subsidies in de in § 1 bedoelde gevallen.
§ 3. - Op de terug te betalen subsidies zijn intresten verschuldigd, die berekend worden tegen de door de Regering vastgestelde rentevoet vanaf de datum van ingebrekestelling.
1° in geval van niet-naleving van de bepalingen voorgeschreven door of krachtens deze ordonnantie, inzonderheid van de artikelen 3 en 5;
2° in geval van niet-naleving van de met de Regering gesloten overeenkomst, met toepassing van artikel 3, § 1, 9° en van artikel 5, § 1, 6°;
3° in geval van faillissement, van ontbinding of van vrijwillige of gerechtelijke vereffening van het bedrijvencentrum en van het lokale-economieloket;
4° in geval van opzettelijke mededeling van onjuiste of onvolledige gegevens, teneinde het verkrijgen of verlengen van de erkenning of van de subsidie te bevorderen.
§ 2. - De Directie Financiële Coördinatie van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt belast met de invordering van de subsidies in de in § 1 bedoelde gevallen.
§ 3. - Op de terug te betalen subsidies zijn intresten verschuldigd, die berekend worden tegen de door de Regering vastgestelde rentevoet vanaf de datum van ingebrekestelling.
Art. 10. § 1er. Sans préjudice des dispositions générales en matière de contrôle de l'octroi et de l'emploi des subventions, le subside visé aux articles 8 et 9 est remboursé après approbation du Gouvernement :
1° en cas de non-respect des dispositions édictées par ou en vertu de la présente ordonnance, notamment ses articles 3 et 5;
2° en cas de non-respect de la convention conclue avec le Gouvernement, en application de l'article 3, § 1er, 9° et de l'article 5, § 1er, 6°;
3° en cas de faillite, de dissolution ou de mise en liquidation volontaire ou judiciaire du centre d'entreprises et du guichet d'économie locale;
4° en cas de communication volontaire de renseignements inexacts ou incomplets, dans le but de favoriser l'obtention ou le renouvellement de l'agrément ou du subside.
§ 2. - La Direction de la coordination financière du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale est chargée du recouvrement des subsides dans les hypothèses visées au § 1er.
§ 3. - Des intérêts sont dus sur le montant des subsides à restituer, calculés au taux fixé par le Gouvernement à partir de la date de la mise en demeure.
1° en cas de non-respect des dispositions édictées par ou en vertu de la présente ordonnance, notamment ses articles 3 et 5;
2° en cas de non-respect de la convention conclue avec le Gouvernement, en application de l'article 3, § 1er, 9° et de l'article 5, § 1er, 6°;
3° en cas de faillite, de dissolution ou de mise en liquidation volontaire ou judiciaire du centre d'entreprises et du guichet d'économie locale;
4° en cas de communication volontaire de renseignements inexacts ou incomplets, dans le but de favoriser l'obtention ou le renouvellement de l'agrément ou du subside.
§ 2. - La Direction de la coordination financière du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale est chargée du recouvrement des subsides dans les hypothèses visées au § 1er.
§ 3. - Des intérêts sont dus sur le montant des subsides à restituer, calculés au taux fixé par le Gouvernement à partir de la date de la mise en demeure.
HOOFDSTUK VI. - Organiseren van een netwerk van centra en loketten.
CHAPITRE VI. - Mise en réseau des centres et des guichets.
Art. 11. § 1. De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) coördineren het netwerk van de bedrijvencentra en lokale-economieloketten.
De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beheert het secretariaat van het netwerk.
§ 2. - De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdt een gegevensbank bij met een overzicht van de verschillende centra die in uitvoering van deze ordonnantie erkend werden en van de beschikbare ruimten in elkeen ervan.
§ 3. - De Regering stelt de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in kennis van iedere toekenning, verlenging of intrekking van een erkenning.
De erkende bedrijvencentra bezorgen de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij, om de drie maanden, een overzicht van de beschikbare oppervlakten.
§ 4. - Wanneer een bedrijvencentrum geen plaats heeft voor een onderneming die daarom verzoekt, doet het onmiddellijk navraag bij de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over de plaatsen die beschikbaar zijn bij de andere erkende centra. Vervolgens bezorgt het de lijst met deze plaatsen, alsook de contactgegevens van de centra, aan de onderneming in kwestie.
§ 5. - De vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) houdt een gegevensbank bij met een overzicht van de verschillende loketten die in uitvoering van deze ordonnantie erkend werden.
§ 6. - De Regering stelt de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) in kennis van iedere toekenning, verlenging of intrekking van een erkenning.
§ 7. - De vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) en de lokale-economieloketten werken in het kader van het netwerk aan een gemeenschappelijke en geïnformatiseerde methodologie voor het beheer van de dossiers van de geadviseerde ondernemers en kandidaatondernemers en de ondernemingen die mede dankzij hun advies opgericht konden worden.
§ 8. - De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB) en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) werken samen om te kunnen voorzien in de nodige dienstverlening aan de ondernemingen die in de bedrijvencentra gevestigd zijn en de kandidaat-ondernemers door te verwijzen naar alle andere erkende bedrijvencentra.
De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beheert het secretariaat van het netwerk.
§ 2. - De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdt een gegevensbank bij met een overzicht van de verschillende centra die in uitvoering van deze ordonnantie erkend werden en van de beschikbare ruimten in elkeen ervan.
§ 3. - De Regering stelt de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in kennis van iedere toekenning, verlenging of intrekking van een erkenning.
De erkende bedrijvencentra bezorgen de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij, om de drie maanden, een overzicht van de beschikbare oppervlakten.
§ 4. - Wanneer een bedrijvencentrum geen plaats heeft voor een onderneming die daarom verzoekt, doet het onmiddellijk navraag bij de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over de plaatsen die beschikbaar zijn bij de andere erkende centra. Vervolgens bezorgt het de lijst met deze plaatsen, alsook de contactgegevens van de centra, aan de onderneming in kwestie.
§ 5. - De vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) houdt een gegevensbank bij met een overzicht van de verschillende loketten die in uitvoering van deze ordonnantie erkend werden.
§ 6. - De Regering stelt de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) in kennis van iedere toekenning, verlenging of intrekking van een erkenning.
§ 7. - De vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) en de lokale-economieloketten werken in het kader van het netwerk aan een gemeenschappelijke en geïnformatiseerde methodologie voor het beheer van de dossiers van de geadviseerde ondernemers en kandidaatondernemers en de ondernemingen die mede dankzij hun advies opgericht konden worden.
§ 8. - De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB) en de vzw Brussels Agentschap voor de Onderneming (BAO) werken samen om te kunnen voorzien in de nodige dienstverlening aan de ondernemingen die in de bedrijvencentra gevestigd zijn en de kandidaat-ondernemers door te verwijzen naar alle andere erkende bedrijvencentra.
Art. 11. § 1er. La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) coordonnent le réseau des centres d'entreprises et des guichets d'économie locale.
La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale gère le secrétariat du réseau.
§ 2. - La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale tient une base de données regroupant les différents centres agréés en exécution de la présente ordonnance et des espaces disponibles dans chacun d'eux.
§ 3. - Le Gouvernement informe la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale de tout octroi, renouvellement ou retrait d'agrément.
Les centres d'entreprises agréés communiquent à la Société, tous les trois mois, un relevé des surfaces disponibles.
§ 4. - Lorsqu'un centre d'entreprises ne dispose pas de place pour une entreprise qui en fait la demande, il interroge immédiatement la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale quant aux places disponibles dans les autres centres agréés. Il transmet ensuite à l'entreprise intéressée la liste de ces places ainsi que les coordonnées des centres.
§ 5. - L'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) tient une base de données regroupant les différents guichets agréés en exécution de la présente ordonnance.
§ 6. - Le Gouvernement informe l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) de tout octroi, renouvellement ou retrait d'agrément.
§ 7. - L'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) et les guichets d'économie locale développent, dans le cadre du réseau, une méthodologie commune et informatisée de la gestion des dossiers des entrepreneurs, des candidats entrepreneurs conseillés ainsi que des entreprises créées grâce à leurs conseils.
§ 8. - La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB) et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) se coordonnent pour établir les services nécessaires aux entreprises installées dans les centres d'entreprises et orienter les candidats entrepreneurs vers tous les centres d'entreprises agréés.
La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale gère le secrétariat du réseau.
§ 2. - La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale tient une base de données regroupant les différents centres agréés en exécution de la présente ordonnance et des espaces disponibles dans chacun d'eux.
§ 3. - Le Gouvernement informe la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale de tout octroi, renouvellement ou retrait d'agrément.
Les centres d'entreprises agréés communiquent à la Société, tous les trois mois, un relevé des surfaces disponibles.
§ 4. - Lorsqu'un centre d'entreprises ne dispose pas de place pour une entreprise qui en fait la demande, il interroge immédiatement la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale quant aux places disponibles dans les autres centres agréés. Il transmet ensuite à l'entreprise intéressée la liste de ces places ainsi que les coordonnées des centres.
§ 5. - L'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) tient une base de données regroupant les différents guichets agréés en exécution de la présente ordonnance.
§ 6. - Le Gouvernement informe l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) de tout octroi, renouvellement ou retrait d'agrément.
§ 7. - L'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) et les guichets d'économie locale développent, dans le cadre du réseau, une méthodologie commune et informatisée de la gestion des dossiers des entrepreneurs, des candidats entrepreneurs conseillés ainsi que des entreprises créées grâce à leurs conseils.
§ 8. - La Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB) et l'Agence bruxelloise pour l'Entreprise ASBL (ABE) se coordonnent pour établir les services nécessaires aux entreprises installées dans les centres d'entreprises et orienter les candidats entrepreneurs vers tous les centres d'entreprises agréés.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepaling.
CHAPITRE VII. - Disposition finale.
Art. 12. Deze ordonnantie treedt in werking op de eerste dag van het jaar dat volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 3, § 1, 8° en artikel 8, § 3, tweede lid treden in werking drie jaar na de bekendmaking van deze ordonnantie{/art}.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 12 februari 2009.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
C. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting,
Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK.
Artikel 3, § 1, 8° en artikel 8, § 3, tweede lid treden in werking drie jaar na de bekendmaking van deze ordonnantie{/art}.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 12 februari 2009.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
C. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting,
Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK.
Art. 12. La présente ordonnance entre en vigueur le premier jour de l'année qui suit sa publication au Moniteur belge.
L'article 3, § 1er, 8° et l'article 8, § 3, deuxième alinéa, entrent en vigueur trois ans après la publication de la présente ordonnance.
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge.
Bruxelles, le 12 février 2009.
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au Développement,
C. PICQUE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget, de la Fonction publique et des Relations extérieures,
G. VANHENGEL
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de l'Emploi, de l'Economie, de la Recherche scientifique et de la Lutte contre l'Incendie et l'Aide médicale urgente,
B. CEREXHE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité et des Travaux publics,
P. SMET
La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargée de l'Environnement, de l'Energie et de la Politique de l'Eau,
Mme E. HUYTEBROECK.
L'article 3, § 1er, 8° et l'article 8, § 3, deuxième alinéa, entrent en vigueur trois ans après la publication de la présente ordonnance.
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge.
Bruxelles, le 12 février 2009.
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au Développement,
C. PICQUE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget, de la Fonction publique et des Relations extérieures,
G. VANHENGEL
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de l'Emploi, de l'Economie, de la Recherche scientifique et de la Lutte contre l'Incendie et l'Aide médicale urgente,
B. CEREXHE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité et des Travaux publics,
P. SMET
La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargée de l'Environnement, de l'Energie et de la Politique de l'Eau,
Mme E. HUYTEBROECK.