Artikel 1. § 1. [1 Dit besluit voorziet in de omzetting van richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren, en in de omzetting van richtlijn 2008/53/EG van de Commissie van 30 april 2008 tot wijziging van bijlage IV bij richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft voorjaarsviremie van de karper (SVC), alsook in de omzetting van het uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van richtlijn 2006/88/EG wat betreft voorschriften voor bewaking en diagnosemethoden.]1
§ 2. Dit besluit bepaalt :
1° de veterinairrechtelijke vereisten voor het in de handel brengen en voor de in- en doorvoer van aquacultuurdieren en van de producten die eruit zijn verkregen;
2° de preventieve maatregelen bedoeld om het sensibiliserings- en het paraatheidsniveau van de verantwoordelijken van aquacultuurproducties en andere actoren van de sector te verhogen ten aanzien van ziekten bij aquacultuurdieren;
3° minimale bestrijdingsmaatregelen die bij een verdenking of uitbraak van bepaalde ziekten bij waterdieren worden toegepast.
[2 4° de toe te passen bewaking, bufferzones, bemonsterings- en diagnosemethoden in verband met de ziektestatus van gebieden of compartimenten binnen het nationaal grondgebied daarvan ten aanzien van de niet-exotische ziekten bij waterdieren;
5° de te gebruiken diagnosemethoden voor laboratoriumonderzoeken in het geval van verdenking of bevestiging van de aanwezigheid van niet-exotische ziekten bij waterdieren;
6° de minimale bestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in geval van verdenking of bevestiging van niet-exotische ziekten bij waterdieren in gebieden of compartimenten binnen het nationaal grondgebied die niet vrij verklaard zijn van niet-exotische ziekten bij waterdieren.]2
§ 3. Dit besluit is niet van toepassing op :
1° in niet-commerciële aquaria gekweekte waterdieren voor sierdoeleinden;
2° verzamelde of gevangen in het wild levende waterdieren die rechtstreeks voor de voedselketen bestemd zijn;
3° voor de productie van vismeel, visvoer, visolie en soortgelijke producten gevangen waterdieren.
§ 4. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, afdelingen 1 tot en met 4 en hoofdstuk 7 zijn niet van toepassing op waterdieren die voor sierdoeleinden worden gehouden in gesloten voorzieningen.
§ 5. Dit besluit geldt onverminderd de bepalingen inzake de instandhouding van de soorten of het introduceren van niet-inheemse soorten.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
9 NOVEMBER 2009. - Koninklijk besluit betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-11-2009 en tekstbijwerking tot 23-09-2016)
Titre
9 NOVEMBRE 2009. - Arrêté royal relatif aux conditions de police sanitaire applicables aux animaux et aux produits d'aquaculture, et relatif à la prévention de certaines maladies chez les animaux aquatiques et aux mesures de lutte contre ces maladies(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-11-2009 et mise à jour au 23-09-2016)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities
Toepassingsgebied
Definities
HOOFDSTUK 2. - Toegelaten of erkende aquacultuu...
Voorwaarden voor de afgifte van toelatingen en ...
Registratie en traceerbaarheid
Goede hygiënische methoden
Programma voor de bewaking van de dierengezondheid
HOOFDSTUK 3. - Veterinairrechtelijke voorwaarde...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen, vervoer, die...
Werkingssfeer
Algemene voorschriften inzake het in de handel ...
Voorschriften inzake ziektepreventie in verband...
Dierengezondheidcertificiëring
Afdeling 2. - Aquacultuurdieren bestemd voor de...
Algemene voorschriften inzake het in de handel ...
Het binnenbrengen van tot gevoelige soorten beh...
Het binnenbrengen van tot vectorsoorten behoren...
Afdeling 3. - Voor menselijke consumptie bestem...
Aquacultuurdieren en producten daarvan die in d...
Aquacultuurdieren en producten daarvan die zond...
Afdeling 4. - Wilde waterdieren
Uitzetten van wilde waterdieren in ziektevrij v...
Afdeling 5. - Waterdieren voor sierdoeleinden
Het in de handel brengen van waterdieren voor s...
HOOFDSTUK 4. - Binnenbrengen in het Rijk van aq...
Algemene voorschriften inzake het binnenbrengen...
HOOFDSTUK 5. - Regels voor de melding van ziekt...
Afdeling 1. - Melding van ziekten
Melding bij het Voedselagentschap
Afdeling 2. - Verdenking van een op de lijst vo...
Eerste bestrijdingsmaatregelen
Epidemiologisch onderzoek
Opheffing van de beperkende maatregelen
Afdeling 3. - Bestrijdingsmaatregelen bij beves...
Algemene maatregelen
Verzamelen en verdere verwerking
Verwijdering en vernietiging
Sanitaire leegstand
Bescherming van waterdieren
Opheffing van de maatregelen
Afdeling 4. - Bestrijdingsmaatregelen bij beves...
Algemene bepalingen
Inperkingsmaatregelen
[1Opheffing van de maatregelen]1
Afdeling 5. - Bestrijdingsmaatregelen bij opdui...
HOOFDSTUK 6. - Bestrijdingsprogramma's en vacci...
Afdeling 1. - Bewakings- en uitroeiingsprogramma's
Opstelling en goedkeuring van bewakings- en uit...
Inhoud van de programma's
Afdeling 2. - Rampenplan voor opduikende en exo...
[1 Rampenplan voor opduikende en exotische ziek...
Afdeling 3. - Vaccinatie
Vaccinatie
HOOFDSTUK 7. - Ziektevrije status
Ziektevrij gebied of compartiment
Lijst van ziektevrije verklaarde gebieden of co...
Handhaving van de ziektevrije status
HOOFDSTUK 8. - [1 Laboratoria en diagnosemethod...
Nationale referentielaboratoria
[1Diagnosemethoden]1
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Sancties
Bijlagen
Opheffingen
Overgangsbepalingen
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Champ d'application et définitions
Champ d'application
Définitions
CHAPITRE 2. - Exploitations aquacoles autorisée...
Conditions pour la délivrance des autorisations...
Archivage et traçabilité
Bonnes pratiques en matière d'hygiène
Programme de surveillance zoosanitaire
CHAPITRE 3. - Conditions de police sanitaire ré...
Section 1re. - Dispositions générales, transpor...
Champ d'application
Conditions générales régissant la mise sur le m...
Exigences de prévention zoosanitaire applicable...
Certification zoosanitaire
Section 2. - Animaux d'aquaculture destinés à l...
Conditions générales régissant la mise sur le m...
Introduction d'animaux d'aquaculture appartenan...
Introduction d'animaux d'aquaculture vivants ap...
Section 3. - Animaux d'aquaculture et produits ...
Animaux d'aquaculture et produits issus de ces ...
Animaux d'aquaculture et produits issus de ces ...
Section 4. - Animaux aquatiques sauvages
Lâchers d'animaux aquatiques sauvages dans des ...
Section 5. - Animaux aquatiques ornementaux
Mise sur le marché d'animaux aquatiques ornemen...
CHAPITRE 4. - Introduction dans le Royaume d'an...
Conditions générales régissant l'introduction d...
CHAPITRE 5. - Règles de notification des maladi...
Section 1re. - Notification des maladies
Notification à l'Agence alimentaire
Section 2. - Présence suspectée d'une maladie r...
Premières mesures de lutte
Enquête épidémiologique
Levée des restrictions
Section 3. - Mesures de lutte en cas de confirm...
Mesures d'ordre général
Ramassage et transformation ultérieure
Enlèvement et élimination
Vide sanitaire
Protection des animaux aquatiques
Levée des mesures
Section 4. - Mesures de lutte en cas de confirm...
Dispositions générales
Mesures de confinement
[1 Levée des mesures]1
Section 5. - Mesures de lutte contre les maladi...
CHAPITRE 6. - Programmes de lutte et vaccination
Section 1re. - Programmes de surveillance et d'...
Elaboration et approbation des programmes de su...
Contenu des programmes
Section 2. - Plan d'intervention pour les malad...
Plan d'intervention pour les maladies émergente...
Section 3. - Vaccination
Vaccination
CHAPITRE 7. - Statut de zone indemne
Zone ou compartiment indemne de la maladie
Listes des zones ou compartiments indemnes de l...
Maintien du statut indemne de la maladie
CHAPITRE 8. - [1 Laboratoires et méthodes de di...
Laboratoires nationaux de référence
[1 Méthodes de diagnostic]1
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Sanctions
Annexes
Abrogations
Dispositions transitoires
ANNEXES.
Tekst (126)
Texte (126)
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities
CHAPITRE 1er. - Champ d'application et définitions
Toepassingsgebied
Champ d'application
Article 1er. § 1er. [1 Le présent arrêté transpose la directive 2006/88/CE du Conseil du 24 octobre 2006 relative aux conditions de police sanitaire applicables aux animaux et aux produits d'aquaculture, et relative à la prévention de certaines maladies chez les animaux aquatiques et aux mesures de lutte contre ces maladies, et la directive 2008/53/CE de la Commission du 30 avril 2008 modifiant l'annexe IV de la directive 2006/88/CE du Conseil en ce qui concerne la virémie printanière de la carpe (VPC), ainsi que la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 portant modalités d'application de la directive 2006/88/CE en ce qui concerne les exigences relatives à la surveillance et aux méthodes de diagnostic.]1
§ 2. Le présent arrêté établit :
1° les exigences de police sanitaire applicables à la mise sur le marché, à l'importation et au transit des animaux d'aquaculture et des produits qui en sont issus;
2° les mesures préventives visant à accroître le niveau de sensibilisation et de préparation des responsables d'exploitations aquacoles et des autres opérateurs du secteur vis-à-vis des maladies des animaux d'aquaculture;
3° les mesures de lutte minimales à mettre en oeuvre en cas de présence suspectée ou avérée d'un foyer de certaines maladies des animaux aquatiques.
[2 4° la surveillance, les zones tampons, les méthodes d'échantillonnage et de diagnostic à utiliser en rapport avec leur statut sanitaire ou celui de zones ou compartiments de territoire nationale en ce qui concerne les maladies non exotiques des animaux aquatiques;
5° les méthodes de diagnostic à utiliser pour les examens de laboratoire en cas de suspicion ou de confirmation de la présence de maladies répertoriées;
6° les mesures minimales de lutte à mettre en oeuvre en cas de présence suspectée ou confirmée d'une maladie répertoriée dans le territoire national, une zone ou un compartiment non déclaré indemne de cette maladie.]2
§ 3. Le présent arrêté ne s'applique pas :
1° aux animaux aquatiques ornementaux élevés dans des aquariums de type non commercial;
2° aux animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés en vue de leur introduction immédiate dans la chaîne alimentaire;
3° aux animaux aquatiques capturés en vue de la production de farines de poisson, d'aliments pour poisson, d'huiles de poisson et de produits similaires.
§ 4. Le chapitre 2, le chapitre 3, sections 1re à 4 et le chapitre 7 ne s'appliquent pas dans le cas d'animaux aquatiques ornementaux détenus dans des installations fermées.
§ 5. Le présent arrêté s'applique sans préjudice des dispositions relatives à la conservation des espèces ou à l'introduction d'espèces non indigènes.
§ 2. Le présent arrêté établit :
1° les exigences de police sanitaire applicables à la mise sur le marché, à l'importation et au transit des animaux d'aquaculture et des produits qui en sont issus;
2° les mesures préventives visant à accroître le niveau de sensibilisation et de préparation des responsables d'exploitations aquacoles et des autres opérateurs du secteur vis-à-vis des maladies des animaux d'aquaculture;
3° les mesures de lutte minimales à mettre en oeuvre en cas de présence suspectée ou avérée d'un foyer de certaines maladies des animaux aquatiques.
[2 4° la surveillance, les zones tampons, les méthodes d'échantillonnage et de diagnostic à utiliser en rapport avec leur statut sanitaire ou celui de zones ou compartiments de territoire nationale en ce qui concerne les maladies non exotiques des animaux aquatiques;
5° les méthodes de diagnostic à utiliser pour les examens de laboratoire en cas de suspicion ou de confirmation de la présence de maladies répertoriées;
6° les mesures minimales de lutte à mettre en oeuvre en cas de présence suspectée ou confirmée d'une maladie répertoriée dans le territoire national, une zone ou un compartiment non déclaré indemne de cette maladie.]2
§ 3. Le présent arrêté ne s'applique pas :
1° aux animaux aquatiques ornementaux élevés dans des aquariums de type non commercial;
2° aux animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés en vue de leur introduction immédiate dans la chaîne alimentaire;
3° aux animaux aquatiques capturés en vue de la production de farines de poisson, d'aliments pour poisson, d'huiles de poisson et de produits similaires.
§ 4. Le chapitre 2, le chapitre 3, sections 1re à 4 et le chapitre 7 ne s'appliquent pas dans le cas d'animaux aquatiques ornementaux détenus dans des installations fermées.
§ 5. Le présent arrêté s'applique sans préjudice des dispositions relatives à la conservation des espèces ou à l'introduction d'espèces non indigènes.
Definities
Définitions
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van dit besluit dient verstaan te worden onder :
1° aquacultuur : de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu en in een kader waarin deze organismen eigendom blijven van één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen gedurende de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst;
2° aquacultuurdier : elk waterdier, in al zijn ontwikkelingsfasen, inclusief eieren, sperma en gameten, dat is gekweekt in een kwekerij of kweekgebied van weekdieren, of dat uit het wilde milieu wordt gehaald teneinde in een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren te worden binnengebracht;
3° aquacultuurproductiebedrijf : onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk met het kweken, de exploitatie of de teelt van aquacultuurdieren samenhangende activiteiten uitvoert;
4° verantwoordelijke van een aquacultuurproductiebedrijf : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in dit besluit vastgestelde voorschriften in het onder zijn leiding staande aquacultuurproductiebedrijf;
5° waterdier :
a) vis die behoort tot de superklasse Agnatha en de klassen Chondrichthyes en Osteichtyes;
b) weekdieren die behoren tot het phylum Mollusca;
c) schaaldieren die behoren tot het subphylum Crustacea.
6° erkend verwerkingsbedrijf : een levensmiddelenbedrijf dat overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong erkend is om aquacultuurdieren voor voedingsdoeleinden te verwerken, en waaraan in overeenstemming met artikel 3 van dit besluit een erkenning is verleend;
7° verantwoordelijke van een erkend verwerkingsbedrijf : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van dit besluit in het onder zijn leiding staand erkend verwerkingsbedrijf;
8° kwekerij : gebouwen, gesloten ruimte of installaties van een aquacultuurproductiebedrijf waar aquacultuurdieren worden gekweekt om in de handel te worden gebracht, met uitzondering van bedrijven waar wilde waterdieren die voor menselijke consumptie verzameld of gevangen worden, in afwachting van de slacht tijdelijk worden gehouden zonder te worden gevoederd;
9° kweken : het kweken van aquacultuurdieren in een kwekerij of in een kweekgebied van weekdieren;
10° kweekgebied van weekdieren : een productiegebied of heruitzettingsgebied waarbinnen alle aquacultuurproductiebedrijven hun activiteiten uitvoeren in het kader van een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem;
11° waterdier voor sierdoeleinden : een waterdier dat uitsluitend voor sierdoeleinden wordt gekweekt of in de handel wordt gebracht;
12° in de handel brengen : het verhandelen van aquacultuurdieren, met inbegrip van het te koop aanbieden of enige andere vorm van al dan niet kosteloze overdracht, alsmede iedere vorm van verplaatsing ervan;
13° productiegebied : een gebied in zoet water, in zee, in een estuarium, op het land of in een lagune waarin zich hetzij natuurlijke gronden voor weekdieren, hetzij gebieden gebruikt voor de kweek van weekdieren bevinden en waar weekdieren worden verzameld;
14° put en take-visbedrijven : vijvers of andere installaties waarin de populatie enkel wordt gehandhaafd met het oog op recreationeel vissen, en waar de herpopulatie gebeurt met aquacultuurdieren;
15° heruitzettingsgebied : een gebied in zoet water, in zee, in een lagune of in een estuarium dat duidelijk met boeien, palen of andere verankerde materialen is afgebakend en dat uitsluitend bestemd is voor de natuurlijke zuivering van levende weekdieren;
16° wild waterdier : waterdier dat geen aquacultuurdier is;
17° Minister : naargelang het geval de Minister tot wiens bevoegdheid de Veiligheid van de Voedselketen behoort of de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort;
18° Voedselagentschap : Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
19° officiële dierenarts : de dierenarts van het Voedselagentschap;
20° erkende dierenarts : de erkende dierenarts bedoeld in artikel 3, § 4, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende organiek reglement van de Veterinaire Diensten;
21° Commissie : de Commissie van de Europese Unie;
22° lidstaat : staat die lid is van de Europese Unie;
23° verwijderen : het verzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken of vernietigen van dierlijke bijproducten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, of door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen;
24° erkend laboratorium : laboratorium erkend door het Voedselagentschap voor de diagnose van ziekten van waterdieren opgenomen in bijlage 4, deel B;
25° quarantainevoorziening : een voorziening :
a) waarin de quarantaine van aquacultuurdieren wordt uitgevoerd,
b) die een of meer quarantaine-eenheden bevat; en
c) die door het Voedselagentschap is erkend en geregistreerd als een quarantainevoorziening en die voldoet aan de minimumvoorwaarden voor quarantainevoorzieningen vastgesteld in bijlage I van beschikking 2008/946/EG van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van de Raad wat betreft de quarantainevoorschriften voor aquacultuurdieren.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit gelden eveneens volgende definities :
1° de technische definities in bijlage 1;
2° in voorkomend geval, de definities uit respectievelijk :
a) de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden;
b) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne;
c) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong;
d) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;
e) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1251/2008 van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft de voorwaarden en certificeringsvoorschriften voor het in de handel brengen en de invoer in de Gemeenschap van aquacultuurdieren en producten daarvan en tot vaststelling van een lijst van vectorsoorten.
1° aquacultuur : de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu en in een kader waarin deze organismen eigendom blijven van één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen gedurende de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst;
2° aquacultuurdier : elk waterdier, in al zijn ontwikkelingsfasen, inclusief eieren, sperma en gameten, dat is gekweekt in een kwekerij of kweekgebied van weekdieren, of dat uit het wilde milieu wordt gehaald teneinde in een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren te worden binnengebracht;
3° aquacultuurproductiebedrijf : onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk met het kweken, de exploitatie of de teelt van aquacultuurdieren samenhangende activiteiten uitvoert;
4° verantwoordelijke van een aquacultuurproductiebedrijf : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in dit besluit vastgestelde voorschriften in het onder zijn leiding staande aquacultuurproductiebedrijf;
5° waterdier :
a) vis die behoort tot de superklasse Agnatha en de klassen Chondrichthyes en Osteichtyes;
b) weekdieren die behoren tot het phylum Mollusca;
c) schaaldieren die behoren tot het subphylum Crustacea.
6° erkend verwerkingsbedrijf : een levensmiddelenbedrijf dat overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong erkend is om aquacultuurdieren voor voedingsdoeleinden te verwerken, en waaraan in overeenstemming met artikel 3 van dit besluit een erkenning is verleend;
7° verantwoordelijke van een erkend verwerkingsbedrijf : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van dit besluit in het onder zijn leiding staand erkend verwerkingsbedrijf;
8° kwekerij : gebouwen, gesloten ruimte of installaties van een aquacultuurproductiebedrijf waar aquacultuurdieren worden gekweekt om in de handel te worden gebracht, met uitzondering van bedrijven waar wilde waterdieren die voor menselijke consumptie verzameld of gevangen worden, in afwachting van de slacht tijdelijk worden gehouden zonder te worden gevoederd;
9° kweken : het kweken van aquacultuurdieren in een kwekerij of in een kweekgebied van weekdieren;
10° kweekgebied van weekdieren : een productiegebied of heruitzettingsgebied waarbinnen alle aquacultuurproductiebedrijven hun activiteiten uitvoeren in het kader van een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem;
11° waterdier voor sierdoeleinden : een waterdier dat uitsluitend voor sierdoeleinden wordt gekweekt of in de handel wordt gebracht;
12° in de handel brengen : het verhandelen van aquacultuurdieren, met inbegrip van het te koop aanbieden of enige andere vorm van al dan niet kosteloze overdracht, alsmede iedere vorm van verplaatsing ervan;
13° productiegebied : een gebied in zoet water, in zee, in een estuarium, op het land of in een lagune waarin zich hetzij natuurlijke gronden voor weekdieren, hetzij gebieden gebruikt voor de kweek van weekdieren bevinden en waar weekdieren worden verzameld;
14° put en take-visbedrijven : vijvers of andere installaties waarin de populatie enkel wordt gehandhaafd met het oog op recreationeel vissen, en waar de herpopulatie gebeurt met aquacultuurdieren;
15° heruitzettingsgebied : een gebied in zoet water, in zee, in een lagune of in een estuarium dat duidelijk met boeien, palen of andere verankerde materialen is afgebakend en dat uitsluitend bestemd is voor de natuurlijke zuivering van levende weekdieren;
16° wild waterdier : waterdier dat geen aquacultuurdier is;
17° Minister : naargelang het geval de Minister tot wiens bevoegdheid de Veiligheid van de Voedselketen behoort of de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort;
18° Voedselagentschap : Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
19° officiële dierenarts : de dierenarts van het Voedselagentschap;
20° erkende dierenarts : de erkende dierenarts bedoeld in artikel 3, § 4, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende organiek reglement van de Veterinaire Diensten;
21° Commissie : de Commissie van de Europese Unie;
22° lidstaat : staat die lid is van de Europese Unie;
23° verwijderen : het verzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken of vernietigen van dierlijke bijproducten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, of door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen;
24° erkend laboratorium : laboratorium erkend door het Voedselagentschap voor de diagnose van ziekten van waterdieren opgenomen in bijlage 4, deel B;
25° quarantainevoorziening : een voorziening :
a) waarin de quarantaine van aquacultuurdieren wordt uitgevoerd,
b) die een of meer quarantaine-eenheden bevat; en
c) die door het Voedselagentschap is erkend en geregistreerd als een quarantainevoorziening en die voldoet aan de minimumvoorwaarden voor quarantainevoorzieningen vastgesteld in bijlage I van beschikking 2008/946/EG van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van de Raad wat betreft de quarantainevoorschriften voor aquacultuurdieren.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit gelden eveneens volgende definities :
1° de technische definities in bijlage 1;
2° in voorkomend geval, de definities uit respectievelijk :
a) de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden;
b) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne;
c) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong;
d) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;
e) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1251/2008 van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft de voorwaarden en certificeringsvoorschriften voor het in de handel brengen en de invoer in de Gemeenschap van aquacultuurdieren en producten daarvan en tot vaststelling van een lijst van vectorsoorten.
Art. 2. § 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° aquaculture : l'élevage ou la culture d'organismes aquatiques au moyen de techniques conçues pour porter la production de ces organismes au-delà des capacités naturelles de l'environnement et dans un cadre où lesdits organismes demeurent la propriété d'une ou plusieurs personnes physiques ou morales tout au long de leur phase d'élevage et de culture, et ce jusqu'au terme de la récolte;
2° animal d'aquaculture : tout animal aquatique, à tous ses stades de développement, y compris les oeufs, le sperme, les gamètes, qui est élevé dans une ferme aquacole ou dans un parc à mollusques, ou qui est extrait du milieu sauvage afin d'être introduit dans une ferme aquacole ou un parc à mollusques;
3° exploitation aquacole : toute entreprise publique ou privée assurant, dans un but lucratif ou non, toute activité liée à l'élevage, l'exploitation ou la culture d'animaux d'aquaculture;
4° responsable d'exploitation aquacole : toute personne physique ou morale chargée de garantir le respect des prescriptions du présent arrêté dans l'exploitation aquacole placée sous son contrôle;
5° animal aquatique :
a) tout poisson de la super-classe des Agnatha et des classes des Chondrichthyes et des Osteichthyes;
b) tout mollusque du phylum des Mollusca;
c) tout crustacé du subphylum des Crustacea.
6° établissement de transformation agréé : toute entreprise de production alimentaire agréée conformément à l'article 4 du Règlement (CE) n° 853/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 fixant des règles spécifiques d'hygiène applicables aux denrées alimentaires d'origine animale, pour la transformation d'animaux d'aquaculture aux fins de la production de denrées alimentaires et titulaire d'un agrément délivré conformément à l'article 3 du présent arrêté;
7° responsable d'établissement de transformation agréé : toute personne physique ou morale chargée de garantir le respect des prescriptions du présent arrêté dans l'établissement de transformation agréé placé sous son contrôle;
8° ferme aquacole : tout local, toute zone clôturée ou toute installation utilisés par une exploitation aquacole pour y élever des animaux d'aquaculture en attente de leur mise sur le marché, à l'exception des sites utilisés pour héberger temporairement avant leur abattage, sans les nourrir, des animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés pour la consommation humaine;
9° élevage : le fait d'élever des animaux d'aquaculture dans une ferme aquacole ou un parc à mollusques;
10° parc à mollusques : une zone de production ou de reparcage dans laquelle toutes les exploitations aquacoles exercent leurs activités dans le cadre d'un système de biosécurité commun;
11° animal aquatique ornemental : un animal aquatique détenu, élevé ou mis sur le marché à des fins exclusivement décoratives;
12° mise sur le marché : le fait de commercialiser des animaux d'aquaculture, de les offrir à la vente ou à tout autre type de transfert, à titre gratuit ou non, ou de les soumettre à tout type de déplacement;
13° zone de production : toute zone d'eau douce, maritime, estuarienne, continentale ou lagunaire qui abrite des gisements naturels de mollusques ou des sites d'élevage de mollusques et d'où sont extraits des mollusques;
14° pêcheries récréatives avec repeuplement : des étangs ou d'autres installations dans lesquels la population est maintenue aux seules fins de la pêche de loisir, le repeuplement étant effectué avec des animaux d'aquaculture;
15° zone de reparcage : toute zone d'eau douce, maritime, estuarienne ou lagunaire bornée, clairement délimitée et signalisée par des bouées, des piquets ou tout autre dispositif fixe et consacrée exclusivement à la purification naturelle des mollusques vivants;
16° animal aquatique sauvage : un animal aquatique qui n'est pas un animal d'aquaculture;
17° Ministre : selon le cas, le Ministre qui a la Sécurité de la Chaîne alimentaire dans ses attributions ou le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
18° Agence alimentaire : l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;
19° vétérinaire officiel : le vétérinaire de l'Agence alimentaire;
20° vétérinaire agréé : le vétérinaire agréé visé à l'article 3, § 4, de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant le règlement organique des Services vétérinaires;
21° Commission : la Commission de l'Union européenne;
22° Etat membre : Etat membre de l'Union européenne;
23° élimination : le fait de collecter, de transporter, d'entreposer, de manipuler, de traiter et d'utiliser ou de détruire des sous-produits animaux conformément au Règlement (CE) n° 1774/2002 du 3 octobre 2002 établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux non destinés à la consommation humaine, ou par des dispositions d'exécution fixées par la Commission;
24° laboratoire agréé : le laboratoire agréé par l'Agence alimentaire pour le diagnostic des maladies des animaux aquatiques répertoriées à l'annexe 4, partie B;
25° installation de quarantaine : une installation :
a) dans laquelle se déroule la quarantaine des animaux d'aquaculture,
b) qui se compose d'une ou de plusieurs unité(s) de quarantaine, et
c) qui est agréée et enregistrée par l'Agence alimentaire, en tant qu'installation de quarantaine, et qui satisfait aux conditions minimales définies à l'annexe Ire de la décision 2008/946/CE de la Commission du 12 décembre 2008 portant application de la Directive 2006/88/CE du Conseil en ce qui concerne les exigences liées à la mise en quarantaine des animaux d'aquaculture.
§ 2. Aux fins du présent arrêté, les définitions ci-après s'appliquent également :
1° les définitions techniques figurant à l'annexe 1re;
2° le cas échéant, les définitions figurant respectivement :
a) aux articles 2 et 3 du Règlement (CE) n° 178/2002 du Parlement européen et du Conseil du 28 janvier 2002 établissant les principes généraux et les prescriptions générales de la législation alimentaire, instituant l'Autorité européenne de sécurité des aliments et fixant des procédures relatives à la sécurité des denrées alimentaires;
b) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 852/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif à l'hygiène des denrées alimentaires;
c) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 853/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 fixant des règles spécifiques d'hygiène applicables aux denrées alimentaires d'origine animale;
d) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 882/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif aux contrôles officiels effectués pour s'assurer de la conformité avec la législation sur les aliments pour animaux et les denrées alimentaires et avec les dispositions relatives à la santé animale et au bien-être des animaux;
e) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 1251/2008 de la Commission du 12 décembre 2008 portant application de la Directive 2006/88/CE du Conseil en ce qui concerne les conditions et les exigences de certification applicables à la mise sur le marché et à l'importation dans la Communauté d'animaux d'aquaculture et de produits issus de ces animaux et établissant une liste des espèces vectrices.
1° aquaculture : l'élevage ou la culture d'organismes aquatiques au moyen de techniques conçues pour porter la production de ces organismes au-delà des capacités naturelles de l'environnement et dans un cadre où lesdits organismes demeurent la propriété d'une ou plusieurs personnes physiques ou morales tout au long de leur phase d'élevage et de culture, et ce jusqu'au terme de la récolte;
2° animal d'aquaculture : tout animal aquatique, à tous ses stades de développement, y compris les oeufs, le sperme, les gamètes, qui est élevé dans une ferme aquacole ou dans un parc à mollusques, ou qui est extrait du milieu sauvage afin d'être introduit dans une ferme aquacole ou un parc à mollusques;
3° exploitation aquacole : toute entreprise publique ou privée assurant, dans un but lucratif ou non, toute activité liée à l'élevage, l'exploitation ou la culture d'animaux d'aquaculture;
4° responsable d'exploitation aquacole : toute personne physique ou morale chargée de garantir le respect des prescriptions du présent arrêté dans l'exploitation aquacole placée sous son contrôle;
5° animal aquatique :
a) tout poisson de la super-classe des Agnatha et des classes des Chondrichthyes et des Osteichthyes;
b) tout mollusque du phylum des Mollusca;
c) tout crustacé du subphylum des Crustacea.
6° établissement de transformation agréé : toute entreprise de production alimentaire agréée conformément à l'article 4 du Règlement (CE) n° 853/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 fixant des règles spécifiques d'hygiène applicables aux denrées alimentaires d'origine animale, pour la transformation d'animaux d'aquaculture aux fins de la production de denrées alimentaires et titulaire d'un agrément délivré conformément à l'article 3 du présent arrêté;
7° responsable d'établissement de transformation agréé : toute personne physique ou morale chargée de garantir le respect des prescriptions du présent arrêté dans l'établissement de transformation agréé placé sous son contrôle;
8° ferme aquacole : tout local, toute zone clôturée ou toute installation utilisés par une exploitation aquacole pour y élever des animaux d'aquaculture en attente de leur mise sur le marché, à l'exception des sites utilisés pour héberger temporairement avant leur abattage, sans les nourrir, des animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés pour la consommation humaine;
9° élevage : le fait d'élever des animaux d'aquaculture dans une ferme aquacole ou un parc à mollusques;
10° parc à mollusques : une zone de production ou de reparcage dans laquelle toutes les exploitations aquacoles exercent leurs activités dans le cadre d'un système de biosécurité commun;
11° animal aquatique ornemental : un animal aquatique détenu, élevé ou mis sur le marché à des fins exclusivement décoratives;
12° mise sur le marché : le fait de commercialiser des animaux d'aquaculture, de les offrir à la vente ou à tout autre type de transfert, à titre gratuit ou non, ou de les soumettre à tout type de déplacement;
13° zone de production : toute zone d'eau douce, maritime, estuarienne, continentale ou lagunaire qui abrite des gisements naturels de mollusques ou des sites d'élevage de mollusques et d'où sont extraits des mollusques;
14° pêcheries récréatives avec repeuplement : des étangs ou d'autres installations dans lesquels la population est maintenue aux seules fins de la pêche de loisir, le repeuplement étant effectué avec des animaux d'aquaculture;
15° zone de reparcage : toute zone d'eau douce, maritime, estuarienne ou lagunaire bornée, clairement délimitée et signalisée par des bouées, des piquets ou tout autre dispositif fixe et consacrée exclusivement à la purification naturelle des mollusques vivants;
16° animal aquatique sauvage : un animal aquatique qui n'est pas un animal d'aquaculture;
17° Ministre : selon le cas, le Ministre qui a la Sécurité de la Chaîne alimentaire dans ses attributions ou le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
18° Agence alimentaire : l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;
19° vétérinaire officiel : le vétérinaire de l'Agence alimentaire;
20° vétérinaire agréé : le vétérinaire agréé visé à l'article 3, § 4, de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant le règlement organique des Services vétérinaires;
21° Commission : la Commission de l'Union européenne;
22° Etat membre : Etat membre de l'Union européenne;
23° élimination : le fait de collecter, de transporter, d'entreposer, de manipuler, de traiter et d'utiliser ou de détruire des sous-produits animaux conformément au Règlement (CE) n° 1774/2002 du 3 octobre 2002 établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux non destinés à la consommation humaine, ou par des dispositions d'exécution fixées par la Commission;
24° laboratoire agréé : le laboratoire agréé par l'Agence alimentaire pour le diagnostic des maladies des animaux aquatiques répertoriées à l'annexe 4, partie B;
25° installation de quarantaine : une installation :
a) dans laquelle se déroule la quarantaine des animaux d'aquaculture,
b) qui se compose d'une ou de plusieurs unité(s) de quarantaine, et
c) qui est agréée et enregistrée par l'Agence alimentaire, en tant qu'installation de quarantaine, et qui satisfait aux conditions minimales définies à l'annexe Ire de la décision 2008/946/CE de la Commission du 12 décembre 2008 portant application de la Directive 2006/88/CE du Conseil en ce qui concerne les exigences liées à la mise en quarantaine des animaux d'aquaculture.
§ 2. Aux fins du présent arrêté, les définitions ci-après s'appliquent également :
1° les définitions techniques figurant à l'annexe 1re;
2° le cas échéant, les définitions figurant respectivement :
a) aux articles 2 et 3 du Règlement (CE) n° 178/2002 du Parlement européen et du Conseil du 28 janvier 2002 établissant les principes généraux et les prescriptions générales de la législation alimentaire, instituant l'Autorité européenne de sécurité des aliments et fixant des procédures relatives à la sécurité des denrées alimentaires;
b) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 852/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif à l'hygiène des denrées alimentaires;
c) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 853/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 fixant des règles spécifiques d'hygiène applicables aux denrées alimentaires d'origine animale;
d) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 882/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif aux contrôles officiels effectués pour s'assurer de la conformité avec la législation sur les aliments pour animaux et les denrées alimentaires et avec les dispositions relatives à la santé animale et au bien-être des animaux;
e) à l'article 2 du Règlement (CE) n° 1251/2008 de la Commission du 12 décembre 2008 portant application de la Directive 2006/88/CE du Conseil en ce qui concerne les conditions et les exigences de certification applicables à la mise sur le marché et à l'importation dans la Communauté d'animaux d'aquaculture et de produits issus de ces animaux et établissant une liste des espèces vectrices.
HOOFDSTUK 2. - Toegelaten of erkende aquacultuurproductiebedrijven en erkende verwerkingsbedrijven
CHAPITRE 2. - Exploitations aquacoles autorisées ou agréées et établissements de transformation agréés
Voorwaarden voor de afgifte van toelatingen en erkenningen
Conditions pour la délivrance des autorisations et agréments
Art. 3. § 1. De toelatingen en erkenningen worden verleend op basis van een door het Voedselagentschap uitgevoerde risicoanalyse en onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in de artikelen 4, 5 en 6 en worden niet verleend indien de betreffende activiteit een onaanvaardbaar risico betekent voor de verspreiding van ziekten.
Voordat een toelating of erkenning geweigerd wordt, moeten er risicobeperkende maatregelen, waaronder een alternatieve locatie voor de desbetreffende bedrijfsactiviteit, worden overwogen.
§ 2. Bij het indienen van de aanvraag om toelating en/of erkenning verstrekken de verantwoordelijken aan het Voedselagentschap de informatie die vereist is volgens bijlage 2.
Voordat een toelating of erkenning geweigerd wordt, moeten er risicobeperkende maatregelen, waaronder een alternatieve locatie voor de desbetreffende bedrijfsactiviteit, worden overwogen.
§ 2. Bij het indienen van de aanvraag om toelating en/of erkenning verstrekken de verantwoordelijken aan het Voedselagentschap de informatie die vereist is volgens bijlage 2.
Art. 3. § 1er. Les autorisations et agréments sont accordés sur base d'une analyse de risques réalisée par l'Agence alimentaire et aux conditions fixées dans les articles 4, 5 et 6 et ne sont pas accordés si l'activité concernée présente un risque inacceptable de propagation de maladies.
Avant tout refus d'autorisation ou d'agrément, il est cependant tenu compte des mesures d'atténuation des risques, et notamment de la possibilité éventuelle de déplacer l'activité concernée.
§ 2. Lors de l'introduction de la demande d'autorisation et/ou d'agrément, les responsables fournissent à l'Agence alimentaire les informations requises à l'annexe 2.
Avant tout refus d'autorisation ou d'agrément, il est cependant tenu compte des mesures d'atténuation des risques, et notamment de la possibilité éventuelle de déplacer l'activité concernée.
§ 2. Lors de l'introduction de la demande d'autorisation et/ou d'agrément, les responsables fournissent à l'Agence alimentaire les informations requises à l'annexe 2.
Registratie en traceerbaarheid
Archivage et traçabilité
Art. 4. § 1. De verantwoordelijken van aquacultuurproductie-bedrijven houden een register bij waarin alle binnenkomende en uitgaande bewegingen van aquacultuurdieren en van producten daarvan chronologisch worden genoteerd, met de betrokken kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren, met onder andere :
1° de identificatie van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren van herkomst en de identificatie van de kwekerij, het kweekgebied van weekdieren of het verwerkingsbedrijf van bestemming;
2° de datum;
3° de soort;
4° het ontwikkelingsstadium van de soort;
5° de hoeveelheid in kg of aantal dieren;
6° het toelatingsnummer van de vervoerder.
In het register bedoeld in het eerste lid worden bovendien volgende gegevens bijgehouden :
1° de mortaliteit vastgesteld in elke epidemiologische eenheid, naargelang het productietype;
2° de data van de bezoeken van de erkende dierenarts in het kader van het in artikel 6 bedoelde programma voor de bewaking van de dierengezondheid;
3° de resultaten van het bewakingsprogramma van de dierengezondheid.
§ 2. De verantwoordelijken van erkende verwerkingsbedrijven in de aquacultuur houden een register bij waarin alle binnenkomende en uitgaande bewegingen van aquacultuurdieren en van producten daarvan chronologisch worden genoteerd, namelijk :
1° de identificatie van de kwekerij van vertrek en de identificatie van het bedrijf van bestemming;
2° de datum;
3° de soort of de benaming van het product;
4° de hoeveelheid product.
§ 3. [1 Voor elk vervoer van aquacultuurdieren houdt de vervoerder een register bij waarin in chronologische volgorde zijn genoteerd :
1° a) de identificatie van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren van herkomst en van bestemming, of de identificatie van het verwerkingsbedrijf van bestemming;
b) de datum;
c) de vervoerde hoeveelheid;
d) de vervoerde soort;
e) het ontwikkelingsstadium van de vervoerde soort;
f) de sterfte vastgesteld tijdens het vervoer;
g) de plaatsen waar het vervoerwater werd gehaald of geloosd.
2° Tijdens het vervoer zijn de gegevens bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het betrokken vervoer beschikbaar.]1
§ 4. De in paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde registers mogen op papier of op gecomputeriseerde wijze worden bijgehouden. De registers worden gedurende een periode van ten minste vijf jaar bewaard op de bedrijfssite van het bedrijf en kunnen worden voorgelegd telkens wanneer het Voedselagentschap daarom verzoekt.
1° de identificatie van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren van herkomst en de identificatie van de kwekerij, het kweekgebied van weekdieren of het verwerkingsbedrijf van bestemming;
2° de datum;
3° de soort;
4° het ontwikkelingsstadium van de soort;
5° de hoeveelheid in kg of aantal dieren;
6° het toelatingsnummer van de vervoerder.
In het register bedoeld in het eerste lid worden bovendien volgende gegevens bijgehouden :
1° de mortaliteit vastgesteld in elke epidemiologische eenheid, naargelang het productietype;
2° de data van de bezoeken van de erkende dierenarts in het kader van het in artikel 6 bedoelde programma voor de bewaking van de dierengezondheid;
3° de resultaten van het bewakingsprogramma van de dierengezondheid.
§ 2. De verantwoordelijken van erkende verwerkingsbedrijven in de aquacultuur houden een register bij waarin alle binnenkomende en uitgaande bewegingen van aquacultuurdieren en van producten daarvan chronologisch worden genoteerd, namelijk :
1° de identificatie van de kwekerij van vertrek en de identificatie van het bedrijf van bestemming;
2° de datum;
3° de soort of de benaming van het product;
4° de hoeveelheid product.
§ 3. [1 Voor elk vervoer van aquacultuurdieren houdt de vervoerder een register bij waarin in chronologische volgorde zijn genoteerd :
1° a) de identificatie van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren van herkomst en van bestemming, of de identificatie van het verwerkingsbedrijf van bestemming;
b) de datum;
c) de vervoerde hoeveelheid;
d) de vervoerde soort;
e) het ontwikkelingsstadium van de vervoerde soort;
f) de sterfte vastgesteld tijdens het vervoer;
g) de plaatsen waar het vervoerwater werd gehaald of geloosd.
2° Tijdens het vervoer zijn de gegevens bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het betrokken vervoer beschikbaar.]1
§ 4. De in paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde registers mogen op papier of op gecomputeriseerde wijze worden bijgehouden. De registers worden gedurende een periode van ten minste vijf jaar bewaard op de bedrijfssite van het bedrijf en kunnen worden voorgelegd telkens wanneer het Voedselagentschap daarom verzoekt.
Modifications
Art. 4. § 1er. Les responsables d'exploitations aquacoles tiennent un registre indiquant par ordre chronologique tous les mouvements d'entrée et de sortie d'animaux d'aquaculture et de produits qui en sont issus, des fermes aquacoles ou des parcs à mollusques concernés, notamment :
1° l'identification de la ferme aquacole ou parc à mollusques de départ et l'identification de la ferme aquacole, du parc à mollusques ou de l'établissement de transformation de destination;
2° la date;
3° l'espèce;
4° le stade de développement de l'espèce;
5° la quantité en kg ou nombre d'animaux;
6° le numéro d'autorisation du transporteur.
Le registre visé à l'alinéa 1er indique en outre les données suivantes :
1° la mortalité constatée dans chaque segment épidémiologique en rapport avec le type de production;
2° les dates des visites du vétérinaire agréé dans le cadre du programme de surveillance zoosanitaire visé à l'article 6;
3° les résultats du programme de surveillance zoosanitaire.
§ 2. Les responsables d'établissements de transformation agréés tiennent un registre indiquant par ordre chronologique tous les mouvements d'entrée et de sortie d'animaux d'aquaculture et produits qui sont issus de ces établissements, notamment :
1° l'identification de la ferme [1 aquacole]1 de départ et l'identification de l'établissement de destination;
2° la date;
3° l'espèce ou la dénomination du produit;
4° la quantité de produit.
§ 3. [1 Pour tout transport d'animaux d'aquaculture, les transporteurs tiennent un registre dans lequel sont notés par ordre chronologique :
1° a) l'identification de la ferme aquacole ou parc à mollusques de départ et de destination, ou l'identification de l'établissement de transformation de destination;
b) la date;
c) la quantité transportée;
d) l'espèce transportée;
e) le stade de développement de l'espèce transportée;
f) la mortalité constatée en cours de transport;
g) les sites de prélèvement et de déversement des eaux de transport.
2° Pendant le transport, les données visées au premier alinéa relatives au transport en cours doivent être disponibles.]1
§ 4. Les registres visés aux paragraphes 1er, 2 et 3 peuvent être tenus sur papier ou sous une forme informatisée. Les registres sont conservés pendant une durée de cinq ans minimum au siège d'activité de l'exploitation et peuvent être présentés à chaque requête de l'Agence alimentaire.
1° l'identification de la ferme aquacole ou parc à mollusques de départ et l'identification de la ferme aquacole, du parc à mollusques ou de l'établissement de transformation de destination;
2° la date;
3° l'espèce;
4° le stade de développement de l'espèce;
5° la quantité en kg ou nombre d'animaux;
6° le numéro d'autorisation du transporteur.
Le registre visé à l'alinéa 1er indique en outre les données suivantes :
1° la mortalité constatée dans chaque segment épidémiologique en rapport avec le type de production;
2° les dates des visites du vétérinaire agréé dans le cadre du programme de surveillance zoosanitaire visé à l'article 6;
3° les résultats du programme de surveillance zoosanitaire.
§ 2. Les responsables d'établissements de transformation agréés tiennent un registre indiquant par ordre chronologique tous les mouvements d'entrée et de sortie d'animaux d'aquaculture et produits qui sont issus de ces établissements, notamment :
1° l'identification de la ferme [1 aquacole]1 de départ et l'identification de l'établissement de destination;
2° la date;
3° l'espèce ou la dénomination du produit;
4° la quantité de produit.
§ 3. [1 Pour tout transport d'animaux d'aquaculture, les transporteurs tiennent un registre dans lequel sont notés par ordre chronologique :
1° a) l'identification de la ferme aquacole ou parc à mollusques de départ et de destination, ou l'identification de l'établissement de transformation de destination;
b) la date;
c) la quantité transportée;
d) l'espèce transportée;
e) le stade de développement de l'espèce transportée;
f) la mortalité constatée en cours de transport;
g) les sites de prélèvement et de déversement des eaux de transport.
2° Pendant le transport, les données visées au premier alinéa relatives au transport en cours doivent être disponibles.]1
§ 4. Les registres visés aux paragraphes 1er, 2 et 3 peuvent être tenus sur papier ou sous une forme informatisée. Les registres sont conservés pendant une durée de cinq ans minimum au siège d'activité de l'exploitation et peuvent être présentés à chaque requête de l'Agence alimentaire.
Modifications
Goede hygiënische methoden
Bonnes pratiques en matière d'hygiène
Art. 5. De verantwoordelijken van aquacultuurproductiebedrijven en van erkende verwerkingsbedrijven passen de goede hygiënepraktijken toe afgestemd op de betreffende activiteit overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen.
Art. 5. Les responsables d'exploitations aquacoles et des établissements de transformation agréés mettent en oeuvre les bonnes pratiques d'hygiène adaptées à l'activité concernée conformément à l'arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l'autocontrôle, à la notification obligatoire et à la traçabilité dans la chaîne alimentaire.
Programma voor de bewaking van de dierengezondheid
Programme de surveillance zoosanitaire
Art. 6. § 1. De verantwoordelijken van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren passen volgens het betreffende productietype een risicogebaseerd bewakingsprogramma toe.
§ 2. Het risicogebaseerd bewakingsprogramma voor diergezondheid bedoeld in paragraaf 1 beoogt de detectie van :
1° [1 een eventuele toegenomen sterfte naargelang het productietype, en]1
2° de aanwezigheid van de in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten in kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar voor deze ziekten gevoelige soorten aanwezig zijn.
§ 3. [1 Het in paragraaf 2 bedoelde programma voldoet ten minste aan de criteria die zijn vastgelegd in bijlage 3, deel B, en in voorkomend geval, aan de specifieke voorschriften die het Voedselagentschap oplegt. Deze bewaking geschiedt onverminderd de bemonstering en bewaking uit hoofde van hoofdstukken 5 en 7.]1
§ 4. De verantwoordelijke van een aquacultuurproductiebedrijf doet een beroep op een erkende dierenarts voor het opstellen en opvolgen van het bewakingsprogramma voor diergezondheid bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
§ 2. Het risicogebaseerd bewakingsprogramma voor diergezondheid bedoeld in paragraaf 1 beoogt de detectie van :
1° [1 een eventuele toegenomen sterfte naargelang het productietype, en]1
2° de aanwezigheid van de in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten in kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar voor deze ziekten gevoelige soorten aanwezig zijn.
§ 3. [1 Het in paragraaf 2 bedoelde programma voldoet ten minste aan de criteria die zijn vastgelegd in bijlage 3, deel B, en in voorkomend geval, aan de specifieke voorschriften die het Voedselagentschap oplegt. Deze bewaking geschiedt onverminderd de bemonstering en bewaking uit hoofde van hoofdstukken 5 en 7.]1
§ 4. De verantwoordelijke van een aquacultuurproductiebedrijf doet een beroep op een erkende dierenarts voor het opstellen en opvolgen van het bewakingsprogramma voor diergezondheid bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
Modifications
Art. 6. § 1er. Les responsables des fermes aquacoles et des parcs à mollusques mettent en place un programme de surveillance zoosanitaire fondé sur une analyse des risques et adapté au type de production concerné.
§ 2. Le programme de surveillance zoosanitaire fondé sur une analyse des risques visé au paragraphe 1er a pour objet de détecter :
1° [1 toute hausse de la mortalité en fonction du type de production, et]1
2° la présence de toute maladie figurant dans l'annexe 4, partie B, dans des fermes aquacoles ou parcs à mollusques détenant des espèces sensibles à ces maladies.
§ 3. [1 Le programme visé au paragraphe 2 respecte au minimum les critères fixés à l'annexe 3, partie B, et le cas échéant, respecte les prescriptions spécifiques fixées par l'Agence alimentaire. Cette surveillance s'applique sans préjudice de l'échantillonnage et de la surveillance effectués conformément aux chapitres 5 et 7.]1
§ 4. Le responsable d'exploitation aquacole fait appel à un vétérinaire agréé pour l'établissement et le suivi du programme zoosanitaire visé dans les paragraphes 1er et 2.
§ 2. Le programme de surveillance zoosanitaire fondé sur une analyse des risques visé au paragraphe 1er a pour objet de détecter :
1° [1 toute hausse de la mortalité en fonction du type de production, et]1
2° la présence de toute maladie figurant dans l'annexe 4, partie B, dans des fermes aquacoles ou parcs à mollusques détenant des espèces sensibles à ces maladies.
§ 3. [1 Le programme visé au paragraphe 2 respecte au minimum les critères fixés à l'annexe 3, partie B, et le cas échéant, respecte les prescriptions spécifiques fixées par l'Agence alimentaire. Cette surveillance s'applique sans préjudice de l'échantillonnage et de la surveillance effectués conformément aux chapitres 5 et 7.]1
§ 4. Le responsable d'exploitation aquacole fait appel à un vétérinaire agréé pour l'établissement et le suivi du programme zoosanitaire visé dans les paragraphes 1er et 2.
Modifications
HOOFDSTUK 3. - Veterinairrechtelijke voorwaarden voor het in de handel brengen van aquacultuurdieren en de producten daarvan
CHAPITRE 3. - Conditions de police sanitaire régissant la mise sur le marché des animaux d'aquaculture et des produits qui en sont issus
Afdeling 1. - Algemene bepalingen, vervoer, diergezondheidscertificaten
Section 1re. - Dispositions générales, transport, certificats sanitaires
Werkingssfeer
Champ d'application
Art. 7. § 1. Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op de in bijlage 4, deel B vermelde ziekten en op de daarvoor gevoelige soorten.
§ 2. De Minister kan toestaan dat aquacultuurdieren die niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van dit hoofdstuk in de handel worden gebracht voor wetenschappelijke doeleinden en kan de maatregelen van toezicht bepalen om te garanderen dat de gezondheidsstatus van waterdieren op de plaats van bestemming of op de doorvoerplaatsen met betrekking tot de in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten, geen gevaar loopt.
Dergelijke verplaatsingen tussen lidstaten mogen slechts plaatsvinden indien het Voedselagentschap en/of de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat, hiervan vooraf in kennis zijn gesteld.
§ 2. De Minister kan toestaan dat aquacultuurdieren die niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van dit hoofdstuk in de handel worden gebracht voor wetenschappelijke doeleinden en kan de maatregelen van toezicht bepalen om te garanderen dat de gezondheidsstatus van waterdieren op de plaats van bestemming of op de doorvoerplaatsen met betrekking tot de in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten, geen gevaar loopt.
Dergelijke verplaatsingen tussen lidstaten mogen slechts plaatsvinden indien het Voedselagentschap en/of de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat, hiervan vooraf in kennis zijn gesteld.
Art. 7. § 1er. Le présent chapitre s'applique exclusivement aux maladies énumérées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 2. Le Ministre peut autoriser la mise sur le marché, à des fins scientifiques d'animaux d'aquaculture qui ne satisfont pas aux exigences du présent chapitre et peut fixer les modalités de supervision assurant que ces opérations ne mettent pas en péril le statut sanitaire des animaux aquatiques présents aux sites de destination et de transit vis-à-vis des maladies répertoriées à l'annexe 4, partie B.
Tout mouvement intervenant dans ce cadre entre Etats membres ne peut avoir lieu qu'après notification préalable de l'Agence alimentaire et/ou des autorités compétentes de l'autre Etat membre concerné.
§ 2. Le Ministre peut autoriser la mise sur le marché, à des fins scientifiques d'animaux d'aquaculture qui ne satisfont pas aux exigences du présent chapitre et peut fixer les modalités de supervision assurant que ces opérations ne mettent pas en péril le statut sanitaire des animaux aquatiques présents aux sites de destination et de transit vis-à-vis des maladies répertoriées à l'annexe 4, partie B.
Tout mouvement intervenant dans ce cadre entre Etats membres ne peut avoir lieu qu'après notification préalable de l'Agence alimentaire et/ou des autorités compétentes de l'autre Etat membre concerné.
Algemene voorschriften inzake het in de handel brengen van aquacultuurdieren
Conditions générales régissant la mise sur le marché des animaux d'aquaculture
Art. 8. § 1. De verantwoordelijken van aquacultuurproductiebedrijven nemen de nodige maatregelen om te voorkomen dat de gezondheidsstatus van de aquacultuurdieren en van de producten daarvan wanneer ze in de handel worden gebracht, op de plaats van bestemming met betrekking tot de in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten niet in gevaar zou worden gebracht.
§ 2. Dit hoofdstuk bevat gedetailleerde regels betreffende de verplaatsing van aquacultuurdieren, in het bijzonder verplaatsingen tussen lidstaten, gebieden of compartimenten met een verschillende gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage 3, deel A.
§ 2. Dit hoofdstuk bevat gedetailleerde regels betreffende de verplaatsing van aquacultuurdieren, in het bijzonder verplaatsingen tussen lidstaten, gebieden of compartimenten met een verschillende gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage 3, deel A.
Art. 8. § 1er. Les responsables d'exploitations aquacoles prennent les dispositions nécessaires afin que la mise sur le marché des animaux d'aquaculture et des produits qui en sont issus ne mette pas en péril le statut sanitaire des animaux aquatiques présents aux sites de destination vis-à-vis des maladies répertoriées à l'annexe 4, partie B.
§ 2. Des modalités d'application relatives aux mouvements d'animaux d'aquaculture sont établies dans le présent chapitre, en particulier pour ce qui est des mouvements entre les Etats membres, zones ou compartiments qui ont des statuts sanitaires différents, comme indiqué à l'annexe 3, partie A.
§ 2. Des modalités d'application relatives aux mouvements d'animaux d'aquaculture sont établies dans le présent chapitre, en particulier pour ce qui est des mouvements entre les Etats membres, zones ou compartiments qui ont des statuts sanitaires différents, comme indiqué à l'annexe 3, partie A.
Voorschriften inzake ziektepreventie in verband met vervoer
Exigences de prévention zoosanitaire applicables au transport
Art. 9. § 1. De noodzakelijke ziektepreventiemaatregelen worden toegepast bij het vervoer van aquacultuurdieren, zodat de gezondheidsstatus van deze dieren gedurende het vervoer niet wordt gewijzigd en het risico van verspreiding van ziekten wordt teruggedrongen.
§ 2. De aquacultuurdieren worden vervoerd in voorwaarden die hun gezondheidsstatus niet schaden en die van de plaats van bestemming en - indien van toepassing - van doorvoerplaatsen niet in gevaar brengen.
De paragrafen 1 et 2 zijn ook van toepassing op niet in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.
§ 3. De Minister kan de in paragrafen 1 en 2 bedoelde maatregelen en voorwaarden vaststellen.
§ 4. De Minister kan bepalen op welke plaatsen water voor het vervoer wordt genomen of geloosd, alsook de modaliteiten bepalen voor het behandelen van overtollig water of spoelwater zodat het verversen van water gebeurt onder omstandigheden die geen risico opleveren voor de gezondheidsstatus van :
1° de vervoerde aquacultuurdieren;
2° de waterdieren die aanwezig zijn op de plaats waar het water wordt ververst;
3° de waterdieren die aanwezig zijn op de plaats van bestemming.
§ 2. De aquacultuurdieren worden vervoerd in voorwaarden die hun gezondheidsstatus niet schaden en die van de plaats van bestemming en - indien van toepassing - van doorvoerplaatsen niet in gevaar brengen.
De paragrafen 1 et 2 zijn ook van toepassing op niet in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.
§ 3. De Minister kan de in paragrafen 1 en 2 bedoelde maatregelen en voorwaarden vaststellen.
§ 4. De Minister kan bepalen op welke plaatsen water voor het vervoer wordt genomen of geloosd, alsook de modaliteiten bepalen voor het behandelen van overtollig water of spoelwater zodat het verversen van water gebeurt onder omstandigheden die geen risico opleveren voor de gezondheidsstatus van :
1° de vervoerde aquacultuurdieren;
2° de waterdieren die aanwezig zijn op de plaats waar het water wordt ververst;
3° de waterdieren die aanwezig zijn op de plaats van bestemming.
Art. 9. § 1er. Les mesures de prévention zoosanitaire nécessaires sont appliquées au transport des animaux d'aquaculture afin de ne pas nuire au statut des animaux transportés et réduire le risque de propagation des maladies.
§ 2. Les animaux d'aquaculture sont transportés dans des conditions qui ne nuisent pas à leur statut sanitaire et ne mettent pas non plus en péril celui du lieu de destination et, le cas échéant, des lieux de transit.
Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent également aux maladies non mentionnées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 3. Le Ministre peut fixer les mesures et les conditions visées aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. Le Ministre peut déterminer les sites de prélèvement et de déversement des eaux de transport ainsi que les modalités de traitement des eaux de rejet et de rinçage afin que tout changement d'eau au cours du transport s'effectue dans des conditions qui ne mettent pas en péril le statut sanitaire :
1° ni des animaux d'aquaculture transportés;
2° ni des animaux aquatiques présents aux endroits où sont effectués les changements d'eau;
3° ni des animaux aquatiques présents au lieu de destination.
§ 2. Les animaux d'aquaculture sont transportés dans des conditions qui ne nuisent pas à leur statut sanitaire et ne mettent pas non plus en péril celui du lieu de destination et, le cas échéant, des lieux de transit.
Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent également aux maladies non mentionnées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 3. Le Ministre peut fixer les mesures et les conditions visées aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. Le Ministre peut déterminer les sites de prélèvement et de déversement des eaux de transport ainsi que les modalités de traitement des eaux de rejet et de rinçage afin que tout changement d'eau au cours du transport s'effectue dans des conditions qui ne mettent pas en péril le statut sanitaire :
1° ni des animaux d'aquaculture transportés;
2° ni des animaux aquatiques présents aux endroits où sont effectués les changements d'eau;
3° ni des animaux aquatiques présents au lieu de destination.
Dierengezondheidcertificiëring
Certification zoosanitaire
Art. 10. § 1. Een dierengezondheidscertificaat is vereist wanneer de aquacultuurdieren worden binnengebracht in een gebied of compartiment dat ziektevrij is verklaard overeenkomstig artikel 37 of waarvoor een bewakings- of uitroeiingsprogramma geldt, voor :
1° de kweek of het in het wild uitzetten, of
2° een bijkomende behandeling voorafgaand aan menselijke consumptie, behalve indien :
a) in het geval van vis : deze vóór verzending wordt geslacht en gestript;
b) in het geval van weekdieren en schaaldieren : zij in de vorm van niet-verwerkte of van verwerkte producten worden verzonden.
§ 2. Een dierengezondheidscertificaat is vereist wanneer deze dieren de toelating krijgen om een gebied te verlaten waarvoor de bepalingen inzake bestrijding voorzien in hoofdstuk 5, afdelingen 3, 4 en 5 gelden.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op niet in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten en de daarvoor gevoelige soorten.
§ 3. Voor de onderstaande verplaatsingen geldt een kennisgevingsverplichting via het geïnformatiseerde systeem overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zoötechnische controles die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en produkten :
a) verplaatsingen van aquacultuurdieren tussen lidstaten waar een diergezondheidscertificaat overeenkomstig de paragrafen 1 of 2 vereist is, en
b) alle andere verplaatsingen van levende aquacultuurdieren voor de kweek of voor uiteenzetting in het wild tussen lidstaten waar uit hoofde van dit besluit geen dierengezondheidscertificaat is vereist.
1° de kweek of het in het wild uitzetten, of
2° een bijkomende behandeling voorafgaand aan menselijke consumptie, behalve indien :
a) in het geval van vis : deze vóór verzending wordt geslacht en gestript;
b) in het geval van weekdieren en schaaldieren : zij in de vorm van niet-verwerkte of van verwerkte producten worden verzonden.
§ 2. Een dierengezondheidscertificaat is vereist wanneer deze dieren de toelating krijgen om een gebied te verlaten waarvoor de bepalingen inzake bestrijding voorzien in hoofdstuk 5, afdelingen 3, 4 en 5 gelden.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op niet in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten en de daarvoor gevoelige soorten.
§ 3. Voor de onderstaande verplaatsingen geldt een kennisgevingsverplichting via het geïnformatiseerde systeem overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zoötechnische controles die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en produkten :
a) verplaatsingen van aquacultuurdieren tussen lidstaten waar een diergezondheidscertificaat overeenkomstig de paragrafen 1 of 2 vereist is, en
b) alle andere verplaatsingen van levende aquacultuurdieren voor de kweek of voor uiteenzetting in het wild tussen lidstaten waar uit hoofde van dit besluit geen dierengezondheidscertificaat is vereist.
Art. 10. § 1er. Une certification zoosanitaire est requise lorsque les animaux d'aquaculture sont introduits dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de maladies conformément à l'article 37 ou font l'objet d'un programme de surveillance ou d'éradication, aux fins :
1° d'élevage ou de repeuplement, ou
2° d'un traitement supplémentaire avant la consommation humaine, sauf si :
a) dans le cas des poissons, ils sont mis à mort et éviscérés avant l'expédition;
b) dans le cas des mollusques et des crustacés, ils sont expédiés sous la forme de produits non transformés ou transformés.
§ 2. Une certification zoosanitaire est requise lorsque lesdits animaux sont autorisés à quitter une zone faisant l'objet des mesures de lutte prévues au chapitre 5, sections 3, 4 et 5.
Le présent paragraphe s'applique également aux maladies non mentionnées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 3. Les mouvements ci-après font l'objet d'une notification via le système informatisé conformément à l'article 5 de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits :
a) les mouvements d'animaux d'aquaculture entre les Etats membres dans lesquels une certification zoosanitaire est exigée en vertu du paragraphe 1er ou 2, et
b) tous les autres mouvements d'animaux d'aquaculture vivants, à des fins d'élevage ou de repeuplement entre des Etats membres dans lesquels il n'est pas exigé de certification zoosanitaire en vertu du présent arrêté.
1° d'élevage ou de repeuplement, ou
2° d'un traitement supplémentaire avant la consommation humaine, sauf si :
a) dans le cas des poissons, ils sont mis à mort et éviscérés avant l'expédition;
b) dans le cas des mollusques et des crustacés, ils sont expédiés sous la forme de produits non transformés ou transformés.
§ 2. Une certification zoosanitaire est requise lorsque lesdits animaux sont autorisés à quitter une zone faisant l'objet des mesures de lutte prévues au chapitre 5, sections 3, 4 et 5.
Le présent paragraphe s'applique également aux maladies non mentionnées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 3. Les mouvements ci-après font l'objet d'une notification via le système informatisé conformément à l'article 5 de l'arrêté royal du 31 décembre 1992 relatif aux contrôles vétérinaires et zootechniques applicables aux échanges intracommunautaires de certains animaux vivants et produits :
a) les mouvements d'animaux d'aquaculture entre les Etats membres dans lesquels une certification zoosanitaire est exigée en vertu du paragraphe 1er ou 2, et
b) tous les autres mouvements d'animaux d'aquaculture vivants, à des fins d'élevage ou de repeuplement entre des Etats membres dans lesquels il n'est pas exigé de certification zoosanitaire en vertu du présent arrêté.
Afdeling 2. - Aquacultuurdieren bestemd voor de kweek en om in het wild uit te zetten
Section 2. - Animaux d'aquaculture destinés à l'élevage et au repeuplement
Algemene voorschriften inzake het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestemd voor de kweek of om in het wild uit te zetten
Conditions générales régissant la mise sur le marché des animaux d'aquaculture destinés à l'élevage et au repeuplement
Art. 11. § 1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 5, moeten aquacultuurdieren die met het oog op de kweek in de handel gebracht worden :
1° in goede klinische gezondheid verkeren, en
2° niet afkomstig zijn van een kwekerij of kweekgebied van weekdieren waar zich een onopgeloste verhoogde sterfte heeft voorgedaan.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op niet in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 2°, kan het Voedselagentschap het in de handel brengen van aquacultuurdieren toelaten op basis van een risicoanalyse, voor zover de dieren afkomstig zijn van een gedeelte van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren dat onafhankelijk is van de epidemiologische eenheid waar de verhoogde sterfte zich heeft voorgedaan.
§ 3. Het is verboden om aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden vernietigd of te worden geslacht in het kader van bestrijding van ziekten bedoeld in hoofdstuk 5, in de handel te brengen voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet.
§ 4. Aquacultuurdieren mogen enkel in het wild en in put en take-visbedrijven worden uitgezet indien zij :
1° voldoen aan de voorschriften van paragraaf 1,
en
2° afkomstig zijn van een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage 3, deel A, die ten minste gelijk is aan die van de wateren waarin zij worden uitgezet.
§ 5. De Minister kan de minimumvoorwaarden opleggen voor de sanitaire status van aquacultuurdieren die op het nationaal grondgebied worden uitgezet met het oog op de kweek of om in het wild te worden uitgezet.
1° in goede klinische gezondheid verkeren, en
2° niet afkomstig zijn van een kwekerij of kweekgebied van weekdieren waar zich een onopgeloste verhoogde sterfte heeft voorgedaan.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op niet in bijlage 4, deel B, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 2°, kan het Voedselagentschap het in de handel brengen van aquacultuurdieren toelaten op basis van een risicoanalyse, voor zover de dieren afkomstig zijn van een gedeelte van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren dat onafhankelijk is van de epidemiologische eenheid waar de verhoogde sterfte zich heeft voorgedaan.
§ 3. Het is verboden om aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden vernietigd of te worden geslacht in het kader van bestrijding van ziekten bedoeld in hoofdstuk 5, in de handel te brengen voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet.
§ 4. Aquacultuurdieren mogen enkel in het wild en in put en take-visbedrijven worden uitgezet indien zij :
1° voldoen aan de voorschriften van paragraaf 1,
en
2° afkomstig zijn van een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage 3, deel A, die ten minste gelijk is aan die van de wateren waarin zij worden uitgezet.
§ 5. De Minister kan de minimumvoorwaarden opleggen voor de sanitaire status van aquacultuurdieren die op het nationaal grondgebied worden uitgezet met het oog op de kweek of om in het wild te worden uitgezet.
Art. 11. § 1er. Sans préjudice des dispositions du chapitre 5, les animaux d'aquaculture placés sur le marché à des fins d'élevage :
1° doivent être en bonne santé clinique, et
2° ne peuvent pas provenir d'une ferme aquacole ou d'un parc à mollusques ayant connu une hausse non résolue de la mortalité.
Le présent paragraphe s'applique également aux maladies non mentionnées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, l'Agence alimentaire peut autoriser les mises sur le marché d'animaux d'aquaculture, sur la base d'une analyse des risques, pour autant que les animaux proviennent d'un secteur de ladite ferme aquacole ou dudit parc indépendant de l'unité épidémiologique où a eu lieu la hausse de la mortalité.
§ 3. Il est interdit de mettre sur le marché à des fins d'élevage ou de repeuplement les animaux d'aquaculture destinés à être détruits ou mis à mort dans le cadre des mesures de lutte contre les maladies prévues au chapitre 5.
§ 4. Les animaux d'aquaculture ne peuvent être lâchés dans la nature à des fins de repeuplement ou introduits dans des pêcheries récréatives avec repeuplement que s'ils :
1° satisfont aux exigences du paragraphe 1er,
et
2° proviennent d'une ferme aquacole ou d'un parc à mollusques dont le statut sanitaire visé à l'annexe 3, partie A, est au moins équivalent à celui des eaux dans lesquelles il est prévu de les introduire.
§ 5. Le Ministre peut fixer les exigences minimales de statut sanitaire des animaux d'aquaculture déversés à des fins d'élevage et de repeuplement sur le territoire nationale.
1° doivent être en bonne santé clinique, et
2° ne peuvent pas provenir d'une ferme aquacole ou d'un parc à mollusques ayant connu une hausse non résolue de la mortalité.
Le présent paragraphe s'applique également aux maladies non mentionnées à l'annexe 4, partie B, et aux espèces qui y sont sensibles.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, l'Agence alimentaire peut autoriser les mises sur le marché d'animaux d'aquaculture, sur la base d'une analyse des risques, pour autant que les animaux proviennent d'un secteur de ladite ferme aquacole ou dudit parc indépendant de l'unité épidémiologique où a eu lieu la hausse de la mortalité.
§ 3. Il est interdit de mettre sur le marché à des fins d'élevage ou de repeuplement les animaux d'aquaculture destinés à être détruits ou mis à mort dans le cadre des mesures de lutte contre les maladies prévues au chapitre 5.
§ 4. Les animaux d'aquaculture ne peuvent être lâchés dans la nature à des fins de repeuplement ou introduits dans des pêcheries récréatives avec repeuplement que s'ils :
1° satisfont aux exigences du paragraphe 1er,
et
2° proviennent d'une ferme aquacole ou d'un parc à mollusques dont le statut sanitaire visé à l'annexe 3, partie A, est au moins équivalent à celui des eaux dans lesquelles il est prévu de les introduire.
§ 5. Le Ministre peut fixer les exigences minimales de statut sanitaire des animaux d'aquaculture déversés à des fins d'élevage et de repeuplement sur le territoire nationale.
Het binnenbrengen van tot gevoelige soorten behorende aquacultuurdieren in ziektevrije gebieden
Introduction d'animaux d'aquaculture appartenant à des espèces sensibles à une maladie donnée dans des zones indemnes de ladite maladie
Art. 12. § 1. Om in een gebied of compartiment dat overeenkomstig artikel 37 ziektevrij verklaard is te mogen worden binnengebracht voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet, zijn aquacultuurdieren die behoren tot gevoelige soorten afkomstig uit een lidstaat, een zone of een compartiment die ook vrij van de betreffende ziekte is verklaard.
§ 2. De Minister kan afwijken van paragraaf 1 als op wetenschappelijke gronden kan worden aangenomen dat de tot gevoelige soorten behorende aquacultuurdieren in bepaalde levensstadia de ziekte in kwestie niet overdragen.
§ 2. De Minister kan afwijken van paragraaf 1 als op wetenschappelijke gronden kan worden aangenomen dat de tot gevoelige soorten behorende aquacultuurdieren in bepaalde levensstadia de ziekte in kwestie niet overdragen.
Art. 12. § 1er. Les animaux d'aquaculture appartenant à des espèces sensibles proviennent, pour pouvoir être introduits à des fins d'élevage ou de repeuplement, dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes d'une maladie donnée conformément à l'article 37, d'un autre Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui soient également déclarés indemnes de la maladie concernée.
§ 2. Le Ministre peut déroger au paragraphe 1er lorsqu'il peut être scientifiquement établi que lesdites espèces sensibles à une maladie donnée n'ont pas la possibilité de transmettre ladite maladie lorsqu'elles se trouvent à certains stades de développement.
§ 2. Le Ministre peut déroger au paragraphe 1er lorsqu'il peut être scientifiquement établi que lesdites espèces sensibles à une maladie donnée n'ont pas la possibilité de transmettre ladite maladie lorsqu'elles se trouvent à certains stades de développement.
Het binnenbrengen van tot vectorsoorten behorende levende aquacultuurdieren in ziektevrije gebieden
Introduction d'animaux d'aquaculture vivants appartenant à des espèces vectrices dans des zones indemnes de maladie
Art. 13. § 1. De Minister kan een lijst opstellen van de andere soorten dan die bedoeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 en die de rol van vectorsoort kunnen spelen en zo een ziekte kunnen overdragen.
§ 2. Wanneer vectorsoorten worden binnengebracht voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet in een zone of een compartiment die overeenkomstig artikel 37 ziektevrij zijn verklaard, moeten ze :
1° afkomstig zijn uit een lidstaat, een zone of een compartiment die voor de betreffende ziekte ziektevrij zijn verklaard, of
2° gedurende een passende tijd in quarantainevoorzieningen worden gehouden in water dat vrij is van het desbetreffende pathogeen, indien uit de beschikbare wetenschappelijke gegevens of praktische ervaring is gebleken dat dit volstaat om het risico van overdracht van de specifieke ziekte tot een voor het voorkomen van de overdracht van de betrokken ziekte aanvaardbaar niveau terug te brengen.
§ 2. Wanneer vectorsoorten worden binnengebracht voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet in een zone of een compartiment die overeenkomstig artikel 37 ziektevrij zijn verklaard, moeten ze :
1° afkomstig zijn uit een lidstaat, een zone of een compartiment die voor de betreffende ziekte ziektevrij zijn verklaard, of
2° gedurende een passende tijd in quarantainevoorzieningen worden gehouden in water dat vrij is van het desbetreffende pathogeen, indien uit de beschikbare wetenschappelijke gegevens of praktische ervaring is gebleken dat dit volstaat om het risico van overdracht van de specifieke ziekte tot een voor het voorkomen van de overdracht van de betrokken ziekte aanvaardbaar niveau terug te brengen.
Art. 13. § 1er. Le Ministre peut établir une liste d'espèces qui peuvent transmettre une maladie donnée en jouant le rôle d'espèces vectrices, autres que celles qui sont visées à l'annexe Ire du Règlement (CE) no 1251/2008.
§ 2. Les espèces vectrices, lorsqu'elles sont introduites à des fins d'élevage ou de repeuplement, dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de cette maladie conformément à l'article 37, doivent :
1° provenir d'un Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui sont déclarés indemnes de la maladie en cause, ou
2° être maintenues en quarantaine dans des installations dont les eaux sont indemnes de l'agent pathogène concerné pendant une période appropriée, lorsque, sur la base de données scientifiques ou de l'expérience pratique, cela s'avère suffisant pour limiter le risque de transmission de la maladie à un niveau acceptable pour ce qui est d'empêcher la transmission de la maladie en cause.
§ 2. Les espèces vectrices, lorsqu'elles sont introduites à des fins d'élevage ou de repeuplement, dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de cette maladie conformément à l'article 37, doivent :
1° provenir d'un Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui sont déclarés indemnes de la maladie en cause, ou
2° être maintenues en quarantaine dans des installations dont les eaux sont indemnes de l'agent pathogène concerné pendant une période appropriée, lorsque, sur la base de données scientifiques ou de l'expérience pratique, cela s'avère suffisant pour limiter le risque de transmission de la maladie à un niveau acceptable pour ce qui est d'empêcher la transmission de la maladie en cause.
Afdeling 3. - Voor menselijke consumptie bestemde aquacultuurdieren en producten daarvan
Section 3. - Animaux d'aquaculture et produits issus de ces animaux destinés à la consommation humaine
Aquacultuurdieren en producten daarvan die in de handel worden gebracht voor verdere verwerking met het oog op menselijke consumptie
Animaux d'aquaculture et produits issus de ces animaux mis sur le marché aux fins de transformation ultérieure avant consommation humaine
Art. 14. § 1. De aquacultuurdieren en de producten daarvan, van soorten die voor één of meer van de in bijlage 4, deel B, genoemde niet-exotische ziekten gevoelig zijn, mogen alleen voor verdere verwerking in de handel worden gebracht in een gebied of een compartiment die overeenkomstig artikel 37 van die ziekten vrij verklaard zijn op voorwaarde dat :
1° zij afkomstig zijn uit lidstaten, gebieden en compartimenten, die ook vrij van die betreffende ziekte zijn verklaard;
2° zij zijn verwerkt in een erkend verwerkingsbedrijf onder omstandigheden die de verspreiding van ziekten voorkomen;
3° indien het gaat over vissen : deze vóór verzending zijn geslacht en gestript, of
4° indien het gaat over weekdieren en schaaldieren : zij worden verzonden in de vorm van niet-verwerkte of van verwerkte producten.
§ 2. De levende aquacultuurdieren die behoren tot soorten die voor één of meerdere niet-exotische ziekten bedoeld in bijlage 4, deel B, gevoelig zijn en die in de handel worden gebracht om later te worden verwerkt in een gebied of een compartiment dat voor betreffende ziekten ziektevrij is verklaard overeenkomstig artikel 37, kunnen enkel het voorwerp zijn van een tijdelijke opslag op de verwerkingsplaats, indien zij :
1° afkomstig zijn uit lidstaten, gebieden of compartimenten, die ook vrij van die specifieke ziekte zijn verklaard, of
2° tijdelijk in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven worden gehouden die over systemen voor de behandeling van effluenten beschikken waarmee de desbetreffende pathogenen worden geïnactiveerd of waar de effluenten andere behandelingen ondergaan, waardoor het risico van verspreiding van de ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.
1° zij afkomstig zijn uit lidstaten, gebieden en compartimenten, die ook vrij van die betreffende ziekte zijn verklaard;
2° zij zijn verwerkt in een erkend verwerkingsbedrijf onder omstandigheden die de verspreiding van ziekten voorkomen;
3° indien het gaat over vissen : deze vóór verzending zijn geslacht en gestript, of
4° indien het gaat over weekdieren en schaaldieren : zij worden verzonden in de vorm van niet-verwerkte of van verwerkte producten.
§ 2. De levende aquacultuurdieren die behoren tot soorten die voor één of meerdere niet-exotische ziekten bedoeld in bijlage 4, deel B, gevoelig zijn en die in de handel worden gebracht om later te worden verwerkt in een gebied of een compartiment dat voor betreffende ziekten ziektevrij is verklaard overeenkomstig artikel 37, kunnen enkel het voorwerp zijn van een tijdelijke opslag op de verwerkingsplaats, indien zij :
1° afkomstig zijn uit lidstaten, gebieden of compartimenten, die ook vrij van die specifieke ziekte zijn verklaard, of
2° tijdelijk in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven worden gehouden die over systemen voor de behandeling van effluenten beschikken waarmee de desbetreffende pathogenen worden geïnactiveerd of waar de effluenten andere behandelingen ondergaan, waardoor het risico van verspreiding van de ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.
Art. 14. § 1er. Les animaux d'aquaculture appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies non exotiques énumérées à l'annexe 4, partie B, ainsi que les produits qui en sont issus ne peuvent être mis sur le marché aux fins de transformation ultérieure dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de ces maladies conformément à l'article 37 qu'à la condition :
1° qu'ils proviennent d'un autre Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui soient également déclarés indemnes de la maladie en cause;
2° qu'ils soient transformés dans un établissement de transformation agréé et dans des conditions permettant d'éviter toute propagation des maladies;
3° dans le cas des poissons, qu'ils soient mis à mort et éviscérés avant l'expédition, ou
4° dans le cas des mollusques et des crustacés, qu'ils soient expédiés sous la forme de produits non transformés ou transformés.
§ 2. Les animaux d'aquaculture vivants appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies non exotiques énumérées à l'annexe 4, partie B, et qui sont mis sur le marché aux fins de transformation ultérieure dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de ces maladies conformément à l'article 37, ne peuvent faire l'objet d'un stockage temporaire sur le site de transformation que s'ils :
1° proviennent d'un autre Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui soient également déclarés indemnes de la maladie en cause, ou
2° sont temporairement détenus dans des centres d'expédition, des centres de purification ou des entreprises de même catégorie équipés d'un dispositif de traitement des effluents qui inactive les agents pathogènes en cause ou dans lesquels les effluents font l'objet d'autres types de traitement permettant de réduire à un niveau acceptable le risque de propagation de maladies au système hydrographique naturel.
1° qu'ils proviennent d'un autre Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui soient également déclarés indemnes de la maladie en cause;
2° qu'ils soient transformés dans un établissement de transformation agréé et dans des conditions permettant d'éviter toute propagation des maladies;
3° dans le cas des poissons, qu'ils soient mis à mort et éviscérés avant l'expédition, ou
4° dans le cas des mollusques et des crustacés, qu'ils soient expédiés sous la forme de produits non transformés ou transformés.
§ 2. Les animaux d'aquaculture vivants appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies non exotiques énumérées à l'annexe 4, partie B, et qui sont mis sur le marché aux fins de transformation ultérieure dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de ces maladies conformément à l'article 37, ne peuvent faire l'objet d'un stockage temporaire sur le site de transformation que s'ils :
1° proviennent d'un autre Etat membre, d'une zone ou d'un compartiment qui soient également déclarés indemnes de la maladie en cause, ou
2° sont temporairement détenus dans des centres d'expédition, des centres de purification ou des entreprises de même catégorie équipés d'un dispositif de traitement des effluents qui inactive les agents pathogènes en cause ou dans lesquels les effluents font l'objet d'autres types de traitement permettant de réduire à un niveau acceptable le risque de propagation de maladies au système hydrographique naturel.
Aquacultuurdieren en producten daarvan die zonder verdere verwerking voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht
Animaux d'aquaculture et produits issus de ces animaux mis sur le marché, sans transformation ultérieure, en vue de la consommation humaine
Art. 15. § 1. Deze afdeling is niet van toepassing op aquacultuurdieren die behoren tot soorten die gevoelig zijn voor één of meerdere ziekten opgesomd in bijlage 4, deel B, noch op de producten daarvan, indien zij zonder verdere verwerking voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht, op voorwaarde dat zij worden aangeboden in detailverpakkingen die aan de bepalingen inzake verpakking en etikettering van Verordening (EG) nr. 853/2004 voldoen.
§ 2. Indien levende weekdieren en schaaldieren van voor één of meer in bijlage 4, deel B genoemde ziekten gevoelige soorten tijdelijk in communautaire wateren worden uitgezet of indien zij in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven worden binnengebracht, dan voldoen zij aan artikel 14, § 2.
§ 2. Indien levende weekdieren en schaaldieren van voor één of meer in bijlage 4, deel B genoemde ziekten gevoelige soorten tijdelijk in communautaire wateren worden uitgezet of indien zij in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven worden binnengebracht, dan voldoen zij aan artikel 14, § 2.
Art. 15. § 1er. La présente section ne s'applique pas aux animaux d'aquaculture appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies énumérées à l'annexe 4, partie B, ni aux produits issus de ces animaux, lorsqu'ils sont mis sur le marché sans transformation ultérieure en vue de la consommation humaine, à la condition qu'ils soient présentés dans des emballages de vente au détail conformes aux prescriptions du Règlement (CE) n° 853/2004 en matière d'emballage et d'étiquetage.
§ 2. Les mollusques et crustacés appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies énumérées à l'annexe 4, partie B, satisfont aux exigences de l'article 14, § 2, lorsqu'ils font l'objet d'un reparcage temporaire dans des eaux communautaires ou qu'ils sont introduits dans des centres d'expédition, des centres de purification ou des entreprises similaires.
§ 2. Les mollusques et crustacés appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies énumérées à l'annexe 4, partie B, satisfont aux exigences de l'article 14, § 2, lorsqu'ils font l'objet d'un reparcage temporaire dans des eaux communautaires ou qu'ils sont introduits dans des centres d'expédition, des centres de purification ou des entreprises similaires.
Afdeling 4. - Wilde waterdieren
Section 4. - Animaux aquatiques sauvages
Uitzetten van wilde waterdieren in ziektevrij verklaarde gebieden of compartimenten
Lâchers d'animaux aquatiques sauvages dans des zones ou des compartiments déclarés indemnes de maladies
Art. 16. Wilde waterdieren van voor één of meer in bijlage 4, deel B, genoemde ziekten gevoelige soorten, die in niet ziektevrij verklaarde gebieden of compartimenten gevangen zijn, worden onder toezicht van het Voedselagentschap gedurende een periode die lang genoeg is om het risico van overdracht van de ziekte tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, in daartoe geschikte voorzieningen in quarantaine geplaatst, voordat zij in een kwekerij of kweekgebied van weekdieren kunnen worden uitgezet die in een gebied of compartiment is gelegen dat overeenkomstig artikel 37 vrij verklaard is van de desbetreffende ziekte.
Art. 16. Les animaux aquatiques sauvages appartenant à des espèces sensibles à une ou plusieurs des maladies énumérées à l'annexe 4, partie B, et qui ont été capturés dans une zone ou un compartiment n'ayant pas été déclarés indemnes de maladies sont placés en quarantaine, sous la supervision de l'Agence alimentaire et dans des installations appropriées. Avant que ces animaux puissent être introduits dans une ferme aquacole ou un parc à mollusques situé dans une zone ou un compartiment déclarés indemnes de la maladie concernée conformément à l'article 37, il leur est appliqué une période de quarantaine d'une durée suffisante pour réduire à un niveau acceptable le risque de transmission de la maladie.
Afdeling 5. - Waterdieren voor sierdoeleinden
Section 5. - Animaux aquatiques ornementaux
Het in de handel brengen van waterdieren voor sierdoeleinden
Mise sur le marché d'animaux aquatiques ornementaux
Art. 17. § 1. Het in de handel brengen van waterdieren voor sierdoeleinden mag de gezondheidsstatus van de waterdieren ten aanzien van de in bijlage 4, deel B, opgesomde ziekten niet in gevaar brengen.
§ 2. De Minister kan de voorwaarden en nadere regels vastleggen voor het in de handel brengen van waterdieren voor sierdoeleinden in gesloten voorzieningen.
§ 3. Dit artikel is ook van toepassing voor niet in de lijst van bijlage 4, deel B, vermelde ziekten.
§ 2. De Minister kan de voorwaarden en nadere regels vastleggen voor het in de handel brengen van waterdieren voor sierdoeleinden in gesloten voorzieningen.
§ 3. Dit artikel is ook van toepassing voor niet in de lijst van bijlage 4, deel B, vermelde ziekten.
Art. 17. § 1er. La mise sur le marché des animaux aquatiques ornementaux ne peut pas mettre en péril le statut sanitaire des animaux aquatiques en ce qui concerne les maladies énumérées à l'annexe 4, partie B.
§ 2. Le Ministre peut fixer les conditions et les modalités de la mise sur le marché des animaux aquatiques ornementaux détenus dans des installations fermées.
§ 3. Le présent article s'applique également en ce qui concerne les maladies qui ne figurent pas dans la liste de l'annexe 4, partie B.
§ 2. Le Ministre peut fixer les conditions et les modalités de la mise sur le marché des animaux aquatiques ornementaux détenus dans des installations fermées.
§ 3. Le présent article s'applique également en ce qui concerne les maladies qui ne figurent pas dans la liste de l'annexe 4, partie B.
HOOFDSTUK 4. - Binnenbrengen in het Rijk van aquacultuurdieren en producten daarvan, afkomstig uit derde landen
CHAPITRE 4. - Introduction dans le Royaume d'animaux d'aquaculture et de produits issus de ces animaux en provenance des pays tiers
Algemene voorschriften inzake het binnenbrengen van aquacultuurdieren en de producten daarvan uit derde landen
Conditions générales régissant l'introduction d'animaux d'aquaculture et de produits issus de ces animaux en provenance de pays tiers
Art. 18. § 1. De invoer van aquacultuurdieren en producten daarvan, ook die welke niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, is enkel toegelaten vanuit derde landen of delen van derde landen die voorkomen op een lijst die wordt opgesteld of gewijzigd door de Commissie.
§ 2. Een veterinair certificaat dat beantwoordt aan de communautaire regelgeving ter zake wordt bij het binnenkomen in het Rijk voorgelegd bij elke verzending van aquacultuurdieren of van producten daarvan.
§ 2. Een veterinair certificaat dat beantwoordt aan de communautaire regelgeving ter zake wordt bij het binnenkomen in het Rijk voorgelegd bij elke verzending van aquacultuurdieren of van producten daarvan.
Art. 18. § 1er. L'importation d'animaux d'aquaculture et de produits dérivés, y compris les produits destinés à la consommation humaine, n'est autorisée qu'en provenance de pays tiers ou de parties de pays tiers figurant sur une liste établie ou modifiée par la Commission.
§ 2. Un certificat vétérinaire répondant à la réglementation communautaire pertinente est présenté à chaque envoi d'animaux d'aquaculture ou de produits issus de ces animaux, à son arrivée dans le Royaume.
§ 2. Un certificat vétérinaire répondant à la réglementation communautaire pertinente est présenté à chaque envoi d'animaux d'aquaculture ou de produits issus de ces animaux, à son arrivée dans le Royaume.
HOOFDSTUK 5. - Regels voor de melding van ziekten en minimummaatregelen betreffende de bestrijding ervan bij waterdieren
CHAPITRE 5. - Règles de notification des maladies et mesures minimales de lutte applicables aux maladies des animaux aquatiques
Afdeling 1. - Melding van ziekten
Section 1re. - Notification des maladies
Melding bij het Voedselagentschap
Notification à l'Agence alimentaire
Art. 19. De eigenaar of de verantwoordelijke van een aquacultuurproductiebedrijf en eenieder die zich bezighoudt met waterdieren, er toezicht op uitoefent of ze tijdens het transport vergezelt, zijn ertoe gehouden om aan het Voedselagentschap of aan de erkende dierenarts, volgens de modaliteiten bepaald door de Minister, de aanwezigheid of vermoedelijke [1 aanwezigheid]1 te melden van ziekten die voorkomen in de lijst uit bijlage 4, deel B, alsook van elke verhoogde sterfte onder de aquacultuurdieren.
Modifications
Art. 19. Le propriétaire ou le responsable d'exploitation aquacole et toute personne s'occupant ou surveillant des animaux aquatiques ou les accompagnant en cours de transport sont tenus de notifier selon les modalités fixées par le Ministre, à l'Agence alimentaire ou au vétérinaire agréé, la présence, avérée ou suspectée d'une maladie des animaux aquatiques figurant dans la liste de l'annexe 4, partie B., ainsi que toute hausse de la mortalité chez des animaux d'aquaculture.
Afdeling 2. - Verdenking van een op de lijst voorkomende ziekte Epidemiologische onderzoeken
Section 2. - Présence suspectée d'une maladie répertoriée Enquêtes épidémiologiques
Eerste bestrijdingsmaatregelen
Premières mesures de lutte
Art. 20. § 1. Van zodra het Voedselagentschap in kennis wordt gesteld van de verdenking van een in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekte, of van een in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekte in een gebied of compartiment dat met betrekking tot de betreffende ziekte wordt gekenmerkt door een gezondheidsstatus van categorie I of III, zoals bedoeld in bijlage 3, deel A, bezoekt de officiële dierenarts onverwijld het verdachte bedrijf en plaatst het onder officiële verdenking.
§ 2. De officiële dierenarts doet geschikte monsters nemen die worden onderzocht in een erkend laboratorium of door het nationale referentielaboratorium.
§ 3. In afwachting van de uitslag van de onderzoeken :
a) plaatst de officiële dierenarts de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren waar de verdenking van ziekte bestaat, onder officiële bewaking en worden de passende bestrijdingsmaatregelen genomen om te voorkomen dat de ziekte op andere waterdieren wordt overgedragen;
b) mogen geen aquacultuurdieren de getroffen kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren waar de verdenking van ziekte bestaat, binnenkomen of deze verlaten, behalve mits toelating verleend door het Voedselagentschap;
c) wordt het epidemiologisch onderzoek bedoeld in artikel 21 opgestart.
§ 2. De officiële dierenarts doet geschikte monsters nemen die worden onderzocht in een erkend laboratorium of door het nationale referentielaboratorium.
§ 3. In afwachting van de uitslag van de onderzoeken :
a) plaatst de officiële dierenarts de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren waar de verdenking van ziekte bestaat, onder officiële bewaking en worden de passende bestrijdingsmaatregelen genomen om te voorkomen dat de ziekte op andere waterdieren wordt overgedragen;
b) mogen geen aquacultuurdieren de getroffen kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren waar de verdenking van ziekte bestaat, binnenkomen of deze verlaten, behalve mits toelating verleend door het Voedselagentschap;
c) wordt het epidemiologisch onderzoek bedoeld in artikel 21 opgestart.
Art. 20. § 1er. Dès que l'Agence alimentaire a été informée de la suspicion, portant sur la présence d'une maladie exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, ou d'une maladie non exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, dans une zone ou un compartiment qui se caractérise par le statut sanitaire de la catégorie I ou III, indiqué à l'annexe 3, partie A, en ce qui concerne ladite maladie, le vétérinaire officiel visite sans retard l'exploitation suspecte et la met sous surveillance officielle.
§ 2. Le vétérinaire officiel fait prélever des échantillons appropriés qui sont examinés dans un laboratoire agréé ou par le laboratoire national de référence.
§ 3. Dans l'attente des résultats des examens :
a) le vétérinaire officiel place la ferme aquacole ou le parc à mollusques dans lesquels la présence de la maladie est suspectée sous surveillance officielle et met en place des mesures de lutte appropriées de manière à éviter la propagation de la maladie à d'autres animaux aquatiques;
b) aucun mouvement d'animaux d'aquaculture n'est autorisé au départ ou à l'entrée de la ferme aquacole ou du parc à mollusques affectés, dans lesquels la présence de la maladie est suspectée, sauf sous autorisation de l'Agence alimentaire;
c) l'enquête épidémiologique prévue à l'article 21 est lancée.
§ 2. Le vétérinaire officiel fait prélever des échantillons appropriés qui sont examinés dans un laboratoire agréé ou par le laboratoire national de référence.
§ 3. Dans l'attente des résultats des examens :
a) le vétérinaire officiel place la ferme aquacole ou le parc à mollusques dans lesquels la présence de la maladie est suspectée sous surveillance officielle et met en place des mesures de lutte appropriées de manière à éviter la propagation de la maladie à d'autres animaux aquatiques;
b) aucun mouvement d'animaux d'aquaculture n'est autorisé au départ ou à l'entrée de la ferme aquacole ou du parc à mollusques affectés, dans lesquels la présence de la maladie est suspectée, sauf sous autorisation de l'Agence alimentaire;
c) l'enquête épidémiologique prévue à l'article 21 est lancée.
Epidemiologisch onderzoek
Enquête épidémiologique
Art. 21. § 1. De officiële dierenarts voert een epidemiologisch onderzoek uit, opgestart overeenkomstig artikel 20, § 3, c) indien de onderzoeken bedoeld in artikel 20, § 2 de aanwezigheid aantonen van :
1° een in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekte, of
2° een in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekte in een gebied of compartiment dat voor de ziekte in kwestie wordt gekenmerkt door een gezondheidsstatus van categorie I of III, zoals bedoeld in bijlage 3, deel A.
§ 2. Het epidemiologisch onderzoek bedoeld in paragraaf 1, heeft tot doel :
1° de plaats van oorsprong te bepalen, alsook de mogelijke besmettingswijzen;
2° na te gaan of aquacultuurdieren de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren hebben verlaten gedurende de periode voorafgaande aan de kennisgeving van de verdenking, die moet worden in acht genomen zoals bedoeld in artikel 19;
3° te bepalen of andere kwekerijen besmet zijn.
§ 3. Indien uit het epidemiologisch onderzoek overeenkomstig paragraaf 1 blijkt dat de ziekte zich wellicht in een of meer kwekerijen, kweekgebieden van weekdieren of open wateren heeft verspreid, ziet het Voedselagentschap erop toe dat de in artikel 20 vermelde maatregelen daar worden toegepast.
De Minister kan, in het geval van uitgestrekte stroom- of kustgebieden, besluiten om artikel 20 toe te passen op een minder uitgebreid gebied in de omgeving van de kwekerijen of de kweekgebieden van weekdieren die van besmetting verdacht worden, indien hij van oordeel is dat een dergelijk minder uitgebreid gebied voldoende groot is om te waarborgen dat de ziekte zich niet verder verspreidt.
1° een in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekte, of
2° een in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekte in een gebied of compartiment dat voor de ziekte in kwestie wordt gekenmerkt door een gezondheidsstatus van categorie I of III, zoals bedoeld in bijlage 3, deel A.
§ 2. Het epidemiologisch onderzoek bedoeld in paragraaf 1, heeft tot doel :
1° de plaats van oorsprong te bepalen, alsook de mogelijke besmettingswijzen;
2° na te gaan of aquacultuurdieren de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren hebben verlaten gedurende de periode voorafgaande aan de kennisgeving van de verdenking, die moet worden in acht genomen zoals bedoeld in artikel 19;
3° te bepalen of andere kwekerijen besmet zijn.
§ 3. Indien uit het epidemiologisch onderzoek overeenkomstig paragraaf 1 blijkt dat de ziekte zich wellicht in een of meer kwekerijen, kweekgebieden van weekdieren of open wateren heeft verspreid, ziet het Voedselagentschap erop toe dat de in artikel 20 vermelde maatregelen daar worden toegepast.
De Minister kan, in het geval van uitgestrekte stroom- of kustgebieden, besluiten om artikel 20 toe te passen op een minder uitgebreid gebied in de omgeving van de kwekerijen of de kweekgebieden van weekdieren die van besmetting verdacht worden, indien hij van oordeel is dat een dergelijk minder uitgebreid gebied voldoende groot is om te waarborgen dat de ziekte zich niet verder verspreidt.
Art. 21. § 1er. Le vétérinaire officiel effectue une enquête épidémiologique lancée conformément à l'article 20, § 3, c) lorsque les examens prévus à l'article 20, § 2 révèlent la présence :
1° d'une maladie exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, ou
2° d'une maladie non exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, dans une zone ou un compartiment qui se caractérise, pour la maladie en question, par le statut sanitaire de la catégorie I ou III, indiqué à l'annexe 3, partie A.
§ 2. L'enquête épidémiologique visée au paragraphe 1er vise à :
1° déterminer le lieu d'origine et les modes de contamination possibles;
2° établir si des animaux d'aquaculture ont quitté la ferme aquacole ou le parc à mollusques au cours de la période qu'il convient de prendre en compte avant la date de la notification de la suspicion de maladie visée à l'article 19;
3° déterminer si d'autres fermes aquacoles ont été infectées.
§ 3. Lorsque l'enquête épidémiologique prévue au paragraphe 1er révèle qu'il est possible que la maladie ait été introduite dans, au moins, une ferme aquacole, un parc à mollusques ou une étendue d'eau non bornée, l'Agence alimentaire met en oeuvre les mesures prévues à l'article 20.
Si les eaux en cause sont de vastes bassins hydrographiques ou des zones littorales, le Ministre peut décider de limiter l'application de l'article 20 à un secteur plus restreint, autour de la ferme aquacole ou du parc à mollusques suspectés d'être infectés, qu'il estime suffisamment étendu pour que tout risque de propagation de la maladie puisse être écarté.
1° d'une maladie exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, ou
2° d'une maladie non exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, dans une zone ou un compartiment qui se caractérise, pour la maladie en question, par le statut sanitaire de la catégorie I ou III, indiqué à l'annexe 3, partie A.
§ 2. L'enquête épidémiologique visée au paragraphe 1er vise à :
1° déterminer le lieu d'origine et les modes de contamination possibles;
2° établir si des animaux d'aquaculture ont quitté la ferme aquacole ou le parc à mollusques au cours de la période qu'il convient de prendre en compte avant la date de la notification de la suspicion de maladie visée à l'article 19;
3° déterminer si d'autres fermes aquacoles ont été infectées.
§ 3. Lorsque l'enquête épidémiologique prévue au paragraphe 1er révèle qu'il est possible que la maladie ait été introduite dans, au moins, une ferme aquacole, un parc à mollusques ou une étendue d'eau non bornée, l'Agence alimentaire met en oeuvre les mesures prévues à l'article 20.
Si les eaux en cause sont de vastes bassins hydrographiques ou des zones littorales, le Ministre peut décider de limiter l'application de l'article 20 à un secteur plus restreint, autour de la ferme aquacole ou du parc à mollusques suspectés d'être infectés, qu'il estime suffisamment étendu pour que tout risque de propagation de la maladie puisse être écarté.
Opheffing van de beperkende maatregelen
Levée des restrictions
Art. 22. Indien uit de onderzoeken bedoeld in artikel 20, § 2, niet de aanwezigheid van de ziekte blijkt, dan heft het Voedselagentschap de beperkende maatregelen op die waren genomen overeenkomstig artikel 20, § 3.
Art. 22. Si les examens prévus à l'article 20, § 2, ne permettent pas de démontrer la présence de la maladie, l'Agence alimentaire lève les restrictions prévues à l'article 20, § 3.
Afdeling 3. - Bestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van exotische ziekten bij aquacultuurdieren
Section 3. - Mesures de lutte en cas de confirmation d'une maladie exotique chez des animaux d'aquaculture
Algemene maatregelen
Mesures d'ordre général
Art. 23. § 1. In geval van bevestigde aanwezigheid van een in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekte bij aquacultuurdieren, ziet de officiële dierenarts erop toe dat :
1° de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren officieel besmet wordt verklaard;
2° er rondom de besmet verklaarde kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren en overeenkomstig de voorgeschriften een voor de desbetreffende ziekte adequaat beperkingsgebied wordt ingesteld, dat een bestrijdings- en een toezichtsgebied omvat;
3° er geen dieren worden uitgezet en er geen aquacultuurdieren het beperkingsgebied binnenkomen of het verlaten, of binnen dat gebied worden verplaatst, zonder zijn toestemming.
§ 2. Het Voedselagentschap informeert de burgemeester van de gemeente waar de besmet verklaarde kwekerij of kweekgebied voor weekdieren gelegen is.
§ 3. De Minister kan alle noodzakelijke maatregelen voorschrijven om de verspreiding van de ziekte te voorkomen.
1° de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren officieel besmet wordt verklaard;
2° er rondom de besmet verklaarde kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren en overeenkomstig de voorgeschriften een voor de desbetreffende ziekte adequaat beperkingsgebied wordt ingesteld, dat een bestrijdings- en een toezichtsgebied omvat;
3° er geen dieren worden uitgezet en er geen aquacultuurdieren het beperkingsgebied binnenkomen of het verlaten, of binnen dat gebied worden verplaatst, zonder zijn toestemming.
§ 2. Het Voedselagentschap informeert de burgemeester van de gemeente waar de besmet verklaarde kwekerij of kweekgebied voor weekdieren gelegen is.
§ 3. De Minister kan alle noodzakelijke maatregelen voorschrijven om de verspreiding van de ziekte te voorkomen.
Art. 23. § 1er. En cas de présence confirmée, chez des animaux d'aquaculture, d'une maladie exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, le vétérinaire officiel :
1° déclare la ferme aquacole ou le parc à mollusques en cause officiellement infecté;
2° détermine les limites d'une zone de confinement appropriée pour la maladie concernée, assortie d'un périmètre de protection et d'un périmètre de surveillance, autour de la ferme aquacole ou du parc à mollusques déclarés infectés;
3° aucune opération de repeuplement, ni aucun mouvement d'animaux d'aquaculture au départ, à l'intérieur ou à l'entrée de la zone de confinement n'ait lieu sans son aval.
§ 2. L'Agence alimentaire informe le bourgmestre de la commune où se trouve la ferme aquacole ou le parc à mollusques déclarés infectés.
§ 3. Le Ministre peut prescrire toutes les mesures nécessaires pour prévenir la propagation de la maladie.
1° déclare la ferme aquacole ou le parc à mollusques en cause officiellement infecté;
2° détermine les limites d'une zone de confinement appropriée pour la maladie concernée, assortie d'un périmètre de protection et d'un périmètre de surveillance, autour de la ferme aquacole ou du parc à mollusques déclarés infectés;
3° aucune opération de repeuplement, ni aucun mouvement d'animaux d'aquaculture au départ, à l'intérieur ou à l'entrée de la zone de confinement n'ait lieu sans son aval.
§ 2. L'Agence alimentaire informe le bourgmestre de la commune où se trouve la ferme aquacole ou le parc à mollusques déclarés infectés.
§ 3. Le Ministre peut prescrire toutes les mesures nécessaires pour prévenir la propagation de la maladie.
Verzamelen en verdere verwerking
Ramassage et transformation ultérieure
Art. 24. § 1. Aquacultuurdieren die een voor de handel geschikte maat hebben bereikt en geen klinische ziektesymptomen vertonen, mogen onder toezicht van het Voedselagentschap voor menselijke consumptie of voor verdere verwerking worden gevangen of verzameld.
§ 2. Het Voedselagentschap neemt de nodige maatregelen opdat het verzamelen, het binnenbrengen in verzendings- of zuiveringscentra, de verdere verwerking of andere met de voorbereiding van aquacultuurdieren voor de voedselketen verband houdende werkzaamheden, worden uitgevoerd onder omstandigheden die de verspreiding van het ziekteverwekkende pathogeen voorkomen.
§ 3. Verzendingscentra, zuiveringscentra en soortgelijke bedrijven beschikken over systemen voor de behandeling van effluenten waarmee het pathogeen dat verantwoordelijk is voor de ziekte geïnactiveerd kan worden, of het effluent ondergaat andere behandelingen, waardoor het risico van verspreiding van de ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.
§ 4. Verdere verwerking vindt plaats in erkende verwerkingsbedrijven.
§ 2. Het Voedselagentschap neemt de nodige maatregelen opdat het verzamelen, het binnenbrengen in verzendings- of zuiveringscentra, de verdere verwerking of andere met de voorbereiding van aquacultuurdieren voor de voedselketen verband houdende werkzaamheden, worden uitgevoerd onder omstandigheden die de verspreiding van het ziekteverwekkende pathogeen voorkomen.
§ 3. Verzendingscentra, zuiveringscentra en soortgelijke bedrijven beschikken over systemen voor de behandeling van effluenten waarmee het pathogeen dat verantwoordelijk is voor de ziekte geïnactiveerd kan worden, of het effluent ondergaat andere behandelingen, waardoor het risico van verspreiding van de ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.
§ 4. Verdere verwerking vindt plaats in erkende verwerkingsbedrijven.
Art. 24. § 1er. Les animaux d'aquaculture qui ont atteint leur taille commerciale et ne présentent aucun symptôme clinique de maladie peuvent être capturés ou ramassés sous la supervision de l'Agence alimentaire en vue de la consommation humaine ou aux fins de transformation ultérieure.
§ 2. L'Agence alimentaire prend des mesures afin que la capture, le ramassage, l'introduction dans des centres d'expédition ou de purification, la transformation ultérieure et toute autre opération connexe liée à la préparation des animaux d'aquaculture avant leur introduction dans la chaîne alimentaire, soient menés dans des conditions permettant d'éviter toute propagation de l'agent pathogène responsable de la maladie.
§ 3. Les centres d'expédition et les centres de purification ou toute entreprise de la même catégorie sont équipés d'un dispositif de traitement des effluents qui inactive l'agent pathogène responsable de la maladie ou mettent en oeuvre d'autres types de traitement des effluents permettant de réduire à un niveau acceptable le risque de propagation de maladies au système hydrographique naturel.
§ 4. La transformation ultérieure est effectuée dans des établissements de transformation agréés.
§ 2. L'Agence alimentaire prend des mesures afin que la capture, le ramassage, l'introduction dans des centres d'expédition ou de purification, la transformation ultérieure et toute autre opération connexe liée à la préparation des animaux d'aquaculture avant leur introduction dans la chaîne alimentaire, soient menés dans des conditions permettant d'éviter toute propagation de l'agent pathogène responsable de la maladie.
§ 3. Les centres d'expédition et les centres de purification ou toute entreprise de la même catégorie sont équipés d'un dispositif de traitement des effluents qui inactive l'agent pathogène responsable de la maladie ou mettent en oeuvre d'autres types de traitement des effluents permettant de réduire à un niveau acceptable le risque de propagation de maladies au système hydrographique naturel.
§ 4. La transformation ultérieure est effectuée dans des établissements de transformation agréés.
Verwijdering en vernietiging
Enlèvement et élimination
Art. 25. § 1. Dode vissen en dode schaaldieren evenals levende vissen en levende schaaldieren die klinische ziektesymptomen vertonen worden op bevel van het Voedselagentschap gedood en bestemd voor vernietiging onder officieel toezicht.
Het bevel om de dieren te doden wordt aan de verantwoordelijke betekend en een kopie ervan wordt aan de burgemeester toegezonden.
§ 2. Aquacultuurdieren die nog niet de voor de handel geschikte maat hebben bereikt en die geen klinische ziektesymptomen vertonen worden op bevel van het Voedselagentschap gedood en bestemd voor vernietiging onder officieel toezicht.
Het bevel om de dieren te doden wordt aan de verantwoordelijke betekend en een kopie ervan wordt aan de burgemeester toegezonden.
§ 2. Aquacultuurdieren die nog niet de voor de handel geschikte maat hebben bereikt en die geen klinische ziektesymptomen vertonen worden op bevel van het Voedselagentschap gedood en bestemd voor vernietiging onder officieel toezicht.
Art. 25. § 1er. Les poissons et crustacés morts, ainsi que les poissons et crustacés vivants qui présentent des symptômes cliniques de maladie sont mis à mort par ordre de l'Agence alimentaire et sont destinés à la destruction sous contrôle officiel.
L'ordre de mise à mort est signifié au responsable et une copie est adressée au bourgmestre.
§ 2. Les animaux d'aquaculture qui n'ont pas atteint leur taille commerciale et qui ne présentent aucun symptôme de maladie sont mis à mort par ordre de l'Agence alimentaire et sont destinés à la destruction sous contrôle officiel.
L'ordre de mise à mort est signifié au responsable et une copie est adressée au bourgmestre.
§ 2. Les animaux d'aquaculture qui n'ont pas atteint leur taille commerciale et qui ne présentent aucun symptôme de maladie sont mis à mort par ordre de l'Agence alimentaire et sont destinés à la destruction sous contrôle officiel.
Sanitaire leegstand
Vide sanitaire
Art. 26. Besmette kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren ondergaan gedurende een voldoende lange periode nadat de dieren eruit zijn verwijderd, een sanitaire leegstand en, waar nodig, worden gereinigd en ontsmet volgens de voorschriften van het Voedselagentschap.
In kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar aquacultuurdieren worden gekweekt die niet gevoelig zijn voor de desbetreffende ziekte, zijn de beslissingen van het Voedselagentschap met betrekking tot sanitaire leegstand ervan, gebaseerd op een risicoanalyse.
In kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar aquacultuurdieren worden gekweekt die niet gevoelig zijn voor de desbetreffende ziekte, zijn de beslissingen van het Voedselagentschap met betrekking tot sanitaire leegstand ervan, gebaseerd op een risicoanalyse.
Art. 26. Les fermes aquacoles ou les parcs à mollusques infectés subissent une période de vide sanitaire appropriée après avoir été vidés et, le cas échéant, nettoyés et désinfectés selon les directives de l'Agence alimentaire.
Dans le cas des fermes aquacoles et parcs à mollusques pratiquant l'élevage d'espèces non sensibles à la maladie en cause, les décisions de l'Agence alimentaire en matière de vide sanitaire sont prises sur la base d'une évaluation des risques.
Dans le cas des fermes aquacoles et parcs à mollusques pratiquant l'élevage d'espèces non sensibles à la maladie en cause, les décisions de l'Agence alimentaire en matière de vide sanitaire sont prises sur la base d'une évaluation des risques.
Bescherming van waterdieren
Protection des animaux aquatiques
Art. 27. De Minister kan alle maatregelen voorschrijven die nodig zijn om te voorkomen dat de ziekte op andere waterdieren wordt overgedragen.
Art. 27. Le Ministre peut prescrire toutes les mesures nécessaires pour éviter la propagation de maladies à d'autres animaux aquatiques.
Opheffing van de maatregelen
Levée des mesures
Art. 28. De officiële dierenarts heft de maatregelen bedoeld in deze afdeling op wanneer :
1° de in deze afdeling vastgestelde uitroeiingmaatregelen uitgevoerd zijn;
2° in het beperkingsgebied voor de desbetreffende ziekte en voor de types getroffen aquacultuurproductie-bedrijven adequate bemonstering en bewaking met negatief resultaat zijn uitgevoerd.
1° de in deze afdeling vastgestelde uitroeiingmaatregelen uitgevoerd zijn;
2° in het beperkingsgebied voor de desbetreffende ziekte en voor de types getroffen aquacultuurproductie-bedrijven adequate bemonstering en bewaking met negatief resultaat zijn uitgevoerd.
Art. 28. Le vétérinaire officiel lève les mesures prévues dans cette section quand :
1° les mesures d'éradication prévues dans la présente section ont été menées à leur terme;
2° les opérations d'échantillonnage et de surveillance adaptées à la maladie en cause et au type des exploitations aquacoles touchées qui sont menées dans la zone de confinement produisent des résultats négatifs.
1° les mesures d'éradication prévues dans la présente section ont été menées à leur terme;
2° les opérations d'échantillonnage et de surveillance adaptées à la maladie en cause et au type des exploitations aquacoles touchées qui sont menées dans la zone de confinement produisent des résultats négatifs.
Afdeling 4. - Bestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van niet-exotische ziekten bij aquacultuurdieren
Section 4. - Mesures de lutte en cas de confirmation d'une maladie non exotique chez des animaux d'aquaculture
Algemene bepalingen
Dispositions générales
Art. 29. § 1. Bij bevestiging van een in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekte in een gebied of een compartiment die vrij verklaard zijn van die ziekte, beslist de Minister :
1° [1 de in afdeling 3 voorziene maatregelen te nemen om de "ziektevrije" status terug te krijgen of, in het geval van één enkele kwekerij waarvan de gezondheidsstatus niet afhangt van de omringende natuurlijke wateren, de voorziene maatregelen te nemen voor het opnieuw verkrijgen van de "ziektevrije" status in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015 bijlage I, of]1
2° een uitroeiingsprogramma als bedoeld in artikel 33, § 2, uit te voeren volgens de modaliteiten die hij bepaalt.
§ 2. In afwijking van artikel 25, § 2, kan het Voedselagentschap toelaten dat dieren die in goede klinische gezondheid verkeren worden gekweekt tot ze de verhandelbare maat hebben bereikt vooraleer ze worden geslacht met het oog op menselijke consumptie, of dat ze worden verplaatst naar een ander gebied of naar een ander besmet compartiment. In dat geval neemt het Voedselagentschap maatregelen om de verspreiding van de ziekte te beperken of in de mate van het mogelijke te voorkomen.
§ 3. In geval de Minister beslist de maatregelen voorzien in paragraaf 1 niet toe te passen, is artikel 30 van toepassing.
1° [1 de in afdeling 3 voorziene maatregelen te nemen om de "ziektevrije" status terug te krijgen of, in het geval van één enkele kwekerij waarvan de gezondheidsstatus niet afhangt van de omringende natuurlijke wateren, de voorziene maatregelen te nemen voor het opnieuw verkrijgen van de "ziektevrije" status in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015 bijlage I, of]1
2° een uitroeiingsprogramma als bedoeld in artikel 33, § 2, uit te voeren volgens de modaliteiten die hij bepaalt.
§ 2. In afwijking van artikel 25, § 2, kan het Voedselagentschap toelaten dat dieren die in goede klinische gezondheid verkeren worden gekweekt tot ze de verhandelbare maat hebben bereikt vooraleer ze worden geslacht met het oog op menselijke consumptie, of dat ze worden verplaatst naar een ander gebied of naar een ander besmet compartiment. In dat geval neemt het Voedselagentschap maatregelen om de verspreiding van de ziekte te beperken of in de mate van het mogelijke te voorkomen.
§ 3. In geval de Minister beslist de maatregelen voorzien in paragraaf 1 niet toe te passen, is artikel 30 van toepassing.
Modifications
Art. 29. § 1er. Si la présence d'une maladie non exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, est confirmée dans, une zone ou un compartiment déclarés indemnes de cette maladie, le Ministre décide :
1° [1 d'appliquer les mesures prévues à la section 3 afin de retrouver le statut "indemne de la maladie" ou, dans le cas d'une ferme individuelle dont le statut sanitaire est indépendant des eaux naturelles avoisinantes, d'appliquer les mesures prévues pour retrouver le statut "indemne de la maladie" en conformité avec les dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 annexe I, ou]1
2° d'exécuter un programme d'éradication, tel que visé à l'article 33, § 2, selon les règles qu'il fixe.
§ 2. Par dérogation à l'article 25, § 2, l'Agence alimentaire peut, autoriser que les animaux en bonne santé clinique soient élevés jusqu'à ce qu'ils aient atteint la taille de commercialisation avant leur abattage aux fins de la consommation humaine ou qu'ils soient déplacés vers une autre zone ou un autre compartiment infecté. En pareil cas, l'Agence alimentaire prend des mesures pour réduire ou, dans la mesure du possible, empêcher la propagation de la maladie.
§ 3. Dans le cas où le Ministre décide de ne pas appliquer les mesures prévues au paragraphe 1er, l'article 30 s'applique.
1° [1 d'appliquer les mesures prévues à la section 3 afin de retrouver le statut "indemne de la maladie" ou, dans le cas d'une ferme individuelle dont le statut sanitaire est indépendant des eaux naturelles avoisinantes, d'appliquer les mesures prévues pour retrouver le statut "indemne de la maladie" en conformité avec les dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 annexe I, ou]1
2° d'exécuter un programme d'éradication, tel que visé à l'article 33, § 2, selon les règles qu'il fixe.
§ 2. Par dérogation à l'article 25, § 2, l'Agence alimentaire peut, autoriser que les animaux en bonne santé clinique soient élevés jusqu'à ce qu'ils aient atteint la taille de commercialisation avant leur abattage aux fins de la consommation humaine ou qu'ils soient déplacés vers une autre zone ou un autre compartiment infecté. En pareil cas, l'Agence alimentaire prend des mesures pour réduire ou, dans la mesure du possible, empêcher la propagation de la maladie.
§ 3. Dans le cas où le Ministre décide de ne pas appliquer les mesures prévues au paragraphe 1er, l'article 30 s'applique.
Modifications
Inperkingsmaatregelen
Mesures de confinement
Art. 30. § 1. Bij bevestiging van een in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekte in een gebied of compartiment die niet vrij verklaard is van die ziekte, neemt het Voedselagentschap maatregelen om de verspreiding van de ziekte te voorkomen. Deze maatregelen omvatten :
1° de betreffende kwekerij of het betreffende kweekgebied van weekdieren wordt besmet verklaard;
2° [2 rondom de besmet verklaarde kwekerij of kweekgebieden voor weekdieren wordt een voor de desbetreffende ziekte adequaat beperkingsgebied ingesteld, dat een beschermings- en toezichtsgebied omvat. Deze respectievelijke beschermings- en toezichtsgebieden zijn in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]2
3° de verplaatsing van aquacultuurdieren uit het beperkingsgebied wordt zodanig beperkt, dat deze dieren slechts :
a) in kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren, worden binnengebracht onder de voorwaarden bedoeld in artikel 8, § 2, of
b) worden gevangen of verzameld en geslacht met het oog op menselijke consumptie onder de voorwaarden bedoeld in artikel 24, § 1;
4° het bestemmen voor ophaling en verwijdering van dode vis en dode schaaldieren.
§ 2. Het Voedselagentschap informeert de burgemeester van de gemeente waar de besmet verklaarde kwekerij of kweekgebied voor weekdieren gelegen is.
[1 § 3. Het Voedselagentschap kan, op basis van een risicoanalyse, de nodige maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van de ziekte nemen.
[2 Het Agentschap kan om de gezondheidsstatus categorie III te verkrijgen met name de voorziene maatregelen instellen zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]2]1
1° de betreffende kwekerij of het betreffende kweekgebied van weekdieren wordt besmet verklaard;
2° [2 rondom de besmet verklaarde kwekerij of kweekgebieden voor weekdieren wordt een voor de desbetreffende ziekte adequaat beperkingsgebied ingesteld, dat een beschermings- en toezichtsgebied omvat. Deze respectievelijke beschermings- en toezichtsgebieden zijn in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]2
3° de verplaatsing van aquacultuurdieren uit het beperkingsgebied wordt zodanig beperkt, dat deze dieren slechts :
a) in kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren, worden binnengebracht onder de voorwaarden bedoeld in artikel 8, § 2, of
b) worden gevangen of verzameld en geslacht met het oog op menselijke consumptie onder de voorwaarden bedoeld in artikel 24, § 1;
4° het bestemmen voor ophaling en verwijdering van dode vis en dode schaaldieren.
§ 2. Het Voedselagentschap informeert de burgemeester van de gemeente waar de besmet verklaarde kwekerij of kweekgebied voor weekdieren gelegen is.
[1 § 3. Het Voedselagentschap kan, op basis van een risicoanalyse, de nodige maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van de ziekte nemen.
[2 Het Agentschap kan om de gezondheidsstatus categorie III te verkrijgen met name de voorziene maatregelen instellen zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]2]1
Art. 30. § 1er. Si la présence d'une maladie non exotique répertoriée à l'annexe 4, partie B, est confirmée dans une zone ou un compartiment non déclaré indemne de cette maladie, l'Agence alimentaire prend des mesures afin d'empêcher la propagation de la maladie. Ces mesures consistent à :
1° déclarer la ferme aquacole ou le parc à mollusques en cause officiellement infecté;
2° [2 déterminer les limites d'une zone de confinement appropriée pour la maladie concernée, assortie d'un périmètre de protection et d'un périmètre de surveillance, autour de la ferme aquacole ou du parc à mollusques déclaré infecté. Ces zones de protection et de surveillance respectives sont conformes aux dispositions telles que déterminés dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 annexe I;]2
3° restreindre les mouvements des animaux d'aquaculture en provenance de la zone de confinement de manière que ces animaux puissent exclusivement :
a) être introduits dans des fermes [1 aquacole]1 ou des parcs à mollusques dans les conditions prévues à l'article 8, § 2, ou
b) être capturés ou ramassés puis mis à mort en vue de la consommation humaine dans les conditions prévues à l'article 24, § 1er;
4° destiner à l'enlèvement et l'élimination les poissons et crustacés morts.
§ 2. L'Agence alimentaire informe le bourgmestre de la commune où se trouve la ferme aquacole ou le parc à mollusques déclarés infectés.
[1 § 3. L'Agence alimentaire peut, sur base d'une analyse de risques, prendre les mesures nécessaires pour prévenir la propagation de la maladie.
[2 L'Agence alimentaire peut notamment appliquer les mesures prévues dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe I, afin d'obtenir le statut sanitaire de catégorie III.]2]1
1° déclarer la ferme aquacole ou le parc à mollusques en cause officiellement infecté;
2° [2 déterminer les limites d'une zone de confinement appropriée pour la maladie concernée, assortie d'un périmètre de protection et d'un périmètre de surveillance, autour de la ferme aquacole ou du parc à mollusques déclaré infecté. Ces zones de protection et de surveillance respectives sont conformes aux dispositions telles que déterminés dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 annexe I;]2
3° restreindre les mouvements des animaux d'aquaculture en provenance de la zone de confinement de manière que ces animaux puissent exclusivement :
a) être introduits dans des fermes [1 aquacole]1 ou des parcs à mollusques dans les conditions prévues à l'article 8, § 2, ou
b) être capturés ou ramassés puis mis à mort en vue de la consommation humaine dans les conditions prévues à l'article 24, § 1er;
4° destiner à l'enlèvement et l'élimination les poissons et crustacés morts.
§ 2. L'Agence alimentaire informe le bourgmestre de la commune où se trouve la ferme aquacole ou le parc à mollusques déclarés infectés.
[1 § 3. L'Agence alimentaire peut, sur base d'une analyse de risques, prendre les mesures nécessaires pour prévenir la propagation de la maladie.
[2 L'Agence alimentaire peut notamment appliquer les mesures prévues dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe I, afin d'obtenir le statut sanitaire de catégorie III.]2]1
[1Opheffing van de maatregelen]1
[1 Levée des mesures]1
Art. 30/1. [1 De officiële dierenarts heft de maatregelen op indien de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I worden nageleefd.]1
Art. 30/1. [1 Le vétérinaire officiel lève les mesures si les dispositions déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 annexe I sont respectées.]1
Modifications
Afdeling 5. - Bestrijdingsmaatregelen bij opduikende ziekten
Section 5. - Mesures de lutte contre les maladies émergentes
Art. 31. De Minister kan passende maatregelen treffen om een opduikende ziekte te bestrijden en om de verspreiding van die ziekte te voorkomen, indien zij de dierengezondheidstoestand van waterdieren in gevaar zou kunnen brengen.
Art. 31. Le Ministre peut fixer des mesures pour lutter contre tout foyer de maladie émergente et empêcher la propagation de cette maladie lorsqu'elle est susceptible de mettre en péril la situation zoosanitaire des animaux aquatiques.
Art. 32. § 1. De Minister kan maatregelen nemen om het binnenbrengen van ziekten die niet in bijlage 4, deel B, zijn vermeld, te voorkomen, of om deze te bestrijden.
§ 2. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1 gaan niet verder dan hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de preventie van het binnenbrengen of de bestrijding van de ziekte.
§ 2. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1 gaan niet verder dan hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de preventie van het binnenbrengen of de bestrijding van de ziekte.
Art. 32. § 1er. Le Ministre peut prendre des mesures pour prévenir l'introduction de maladies non répertoriées à l'annexe 4, partie B ou pour lutter contre celles-ci.
§ 2. Les mesures visées au paragraphe 1er ne vont pas au-delà des actions nécessaires et appropriées pour prévenir l'introduction de la maladie ou pour lutter contre celle-ci.
§ 2. Les mesures visées au paragraphe 1er ne vont pas au-delà des actions nécessaires et appropriées pour prévenir l'introduction de la maladie ou pour lutter contre celle-ci.
HOOFDSTUK 6. - Bestrijdingsprogramma's en vaccinatie
CHAPITRE 6. - Programmes de lutte et vaccination
Afdeling 1. - Bewakings- en uitroeiingsprogramma's
Section 1re. - Programmes de surveillance et d'éradication
Opstelling en goedkeuring van bewakings- en uitroeiingsprogramma's
Elaboration et approbation des programmes de surveillance et d'éradication
Art. 33. [1 § 1. Indien het nationale grondgebied, voor zover bekend, niet besmet is, maar ook niet vrij verklaard is, met name voor gezondheidsstatus categorie III van bijlage 3, deel A, van één of meer van de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten, kan de Minister de modaliteiten vaststellen om een bewakingsprogramma op te stellen om de ziektevrije status voor één of meer van deze ziekten te verkrijgen. Dit programma is in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.
§ 2. Indien het nationale grondgebied besmet is, met name voor gezondheidsstatus categorie V van bijlage 3, deel A, met één of meer van de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten, kan de Minister de modaliteiten vaststellen om een uitroeiingsprogramma op te stellen om de ziektevrije status voor één of meer van deze ziekten te verkrijgen. Dit programma is in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]1
§ 2. Indien het nationale grondgebied besmet is, met name voor gezondheidsstatus categorie V van bijlage 3, deel A, met één of meer van de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten, kan de Minister de modaliteiten vaststellen om een uitroeiingsprogramma op te stellen om de ziektevrije status voor één of meer van deze ziekten te verkrijgen. Dit programma is in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]1
Modifications
Art. 33. [1 § 1er. Lorsque le territoire national est connu comme étant non infecté mais n'est pas déclaré indemne, notamment pour le statut sanitaire catégorie III de l'annexe 3, partie A, d'une ou plusieurs maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, le Ministre peut fixer les modalités d'un programme de surveillance afin de recevoir le statut indemne pour une ou plusieurs de ces maladies. Ce programme est conforme aux dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015 annexe I.
§ 2. Lorsque le territoire national est connu comme étant infecté, notamment pour le statut sanitaire catégorie V de l'annexe 3, partie A, pour une ou plusieurs maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, le Ministre peut fixer les modalités d'un programme d'éradication afin de recevoir le statut indemne pour une ou plusieurs de ces maladies. Ce programme est conforme aux dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe I.]1
§ 2. Lorsque le territoire national est connu comme étant infecté, notamment pour le statut sanitaire catégorie V de l'annexe 3, partie A, pour une ou plusieurs maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, le Ministre peut fixer les modalités d'un programme d'éradication afin de recevoir le statut indemne pour une ou plusieurs de ces maladies. Ce programme est conforme aux dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe I.]1
Modifications
Inhoud van de programma's
Contenu des programmes
Art. 34. De programma's bevatten ten minste het volgende :
1° een beschrijving van de epidemiologische situatie van de ziekte vóór de begindatum van het programma;
2° een kosten-batenanalyse van het programma;
3° de vermoedelijke duur van het programma en de op de einddatum van het programma te verwezenlijken doelstelling, en
4° een beschrijving en afbakening van het geografische en bestuurlijke gebied waar het programma wordt uitgevoerd.
1° een beschrijving van de epidemiologische situatie van de ziekte vóór de begindatum van het programma;
2° een kosten-batenanalyse van het programma;
3° de vermoedelijke duur van het programma en de op de einddatum van het programma te verwezenlijken doelstelling, en
4° een beschrijving en afbakening van het geografische en bestuurlijke gebied waar het programma wordt uitgevoerd.
Art. 34. Les programmes contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de la situation épidémiologique de la maladie avant la date du début du programme;
2° une analyse des coûts prévisionnels et des bénéfices escomptés du programme;
3° la durée prévue du programme ainsi que le but à atteindre à son échéance, et
4° la description et la délimitation de la zone géographique et administrative dans laquelle le programme va être appliqué.
1° une description de la situation épidémiologique de la maladie avant la date du début du programme;
2° une analyse des coûts prévisionnels et des bénéfices escomptés du programme;
3° la durée prévue du programme ainsi que le but à atteindre à son échéance, et
4° la description et la délimitation de la zone géographique et administrative dans laquelle le programme va être appliqué.
Afdeling 2. - Rampenplan voor opduikende en exotische ziekten
Section 2. - Plan d'intervention pour les maladies émergentes et exotiques
[1 Rampenplan voor opduikende en exotische ziekten]1
Plan d'intervention pour les maladies émergentes et exotiques
Art. 35. § 1. Het Voedselagentschap stelt in overeenstemming met bijlage 8 een rampenplan op met de nationale maatregelen die moeten worden genomen om uiterste waakzaamheid en een hoge staat van paraatheid voor de ziekte te handhaven.
Het Voedselagentschap legt het rampenplan aan de Commissie ter goedkeuring voor.
§ 2. Het rampenplan maakt de toegang mogelijk tot alle voorzieningen, materieel, personeel en alle andere materialen, die nodig zijn voor een snelle en efficiënte uitroeiing van een uitgebroken ziekte.
Het rampenplan garandeert de samenwerking, de coördinatie en overeenstemming met de buurlanden.
§ 3. Het rampenplan bevat, voor zover van toepassing, nauwkeurige gegevens betreffende de hoeveelheden vaccin en de vaccinatievoorschriften die in het geval van noodvaccinatie noodzakelijk worden geacht.
§ 4. Het Voedselagentschap past ten minste om de vijf jaar het rampenplan aan en legt het aan de Commissie ter goedkeuring voor.
§ 5. Het rampenplan wordt bij het uitbreken van een opduikende ziekte en van een in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekte uitgevoerd.
Het Voedselagentschap legt het rampenplan aan de Commissie ter goedkeuring voor.
§ 2. Het rampenplan maakt de toegang mogelijk tot alle voorzieningen, materieel, personeel en alle andere materialen, die nodig zijn voor een snelle en efficiënte uitroeiing van een uitgebroken ziekte.
Het rampenplan garandeert de samenwerking, de coördinatie en overeenstemming met de buurlanden.
§ 3. Het rampenplan bevat, voor zover van toepassing, nauwkeurige gegevens betreffende de hoeveelheden vaccin en de vaccinatievoorschriften die in het geval van noodvaccinatie noodzakelijk worden geacht.
§ 4. Het Voedselagentschap past ten minste om de vijf jaar het rampenplan aan en legt het aan de Commissie ter goedkeuring voor.
§ 5. Het rampenplan wordt bij het uitbreken van een opduikende ziekte en van een in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekte uitgevoerd.
Art. 35. § 1er. L'Agence alimentaire élabore, conformément à l'annexe 8, un plan d'intervention spécifiant les mesures nationales à mettre en oeuvre pour maintenir un niveau élevé de sensibilisation et de préparation à la maladie.
L'Agence alimentaire soumet le plan d'intervention à la Commission pour approbation.
§ 2. Le plan d'intervention permet la mobilisation des installations, des équipements, du personnel et de tout autre matériel nécessaire à l'éradication rapide et efficace d'un foyer.
Le plan d'intervention assure la coopération, la coordination et la compatibilité avec les pays voisins.
§ 3. Le plan d'intervention donne, le cas échéant, une indication précise des besoins en vaccin et des conditions de vaccination jugées nécessaires en cas de vaccination d'urgence.
§ 4. L'Agence alimentaire actualise le plan d'intervention au moins une fois tous les cinq ans et le soumet à l'approbation de la Commission.
§ 5. Le plan d'intervention est mis en oeuvre en cas d'apparition d'un foyer de maladies émergentes ou de maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B.
L'Agence alimentaire soumet le plan d'intervention à la Commission pour approbation.
§ 2. Le plan d'intervention permet la mobilisation des installations, des équipements, du personnel et de tout autre matériel nécessaire à l'éradication rapide et efficace d'un foyer.
Le plan d'intervention assure la coopération, la coordination et la compatibilité avec les pays voisins.
§ 3. Le plan d'intervention donne, le cas échéant, une indication précise des besoins en vaccin et des conditions de vaccination jugées nécessaires en cas de vaccination d'urgence.
§ 4. L'Agence alimentaire actualise le plan d'intervention au moins une fois tous les cinq ans et le soumet à l'approbation de la Commission.
§ 5. Le plan d'intervention est mis en oeuvre en cas d'apparition d'un foyer de maladies émergentes ou de maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B.
Afdeling 3. - Vaccinatie
Section 3. - Vaccination
Vaccinatie
Vaccination
Art. 36. § 1. De vaccinatie tegen de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten is verboden op geheel het nationale grondgebied, tenzij de vaccinatie in overeenstemming met de artikelen 31 of 32 werd toegestaan.
§ 2. De vaccinatie tegen de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten is verboden in alle delen van het nationale grondgebied die vrij verklaard zijn van deze ziekten overeenkomstig artikel 37, of wanneer een bewakingsprogramma werd goedgekeurd door de Commissie.
§ 3. De Minister kan de vaccinatie toestaan in delen van het grondgebied die niet vrij verklaard zijn van de desbetreffende ziekten of waar de vaccinatie deel uitmaakt van een door de Commissie goedgekeurd uitroeiingsprogramma.
§ 4. Overeenkomstig de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau, mogen enkel de op grond van die wet of die Verordening toegelaten vaccins worden gebruikt.
§ 5. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op wetenschappelijke studies ten behoeve van de ontwikkeling en het testen van vaccins onder gecontroleerde omstandigheden. Tijdens deze studies worden adequate maatregelen genomen ter bescherming van andere waterdieren tegen de schadelijke gevolgen van de in het kader van de studies uitgevoerde vaccinaties.
§ 2. De vaccinatie tegen de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten is verboden in alle delen van het nationale grondgebied die vrij verklaard zijn van deze ziekten overeenkomstig artikel 37, of wanneer een bewakingsprogramma werd goedgekeurd door de Commissie.
§ 3. De Minister kan de vaccinatie toestaan in delen van het grondgebied die niet vrij verklaard zijn van de desbetreffende ziekten of waar de vaccinatie deel uitmaakt van een door de Commissie goedgekeurd uitroeiingsprogramma.
§ 4. Overeenkomstig de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau, mogen enkel de op grond van die wet of die Verordening toegelaten vaccins worden gebruikt.
§ 5. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op wetenschappelijke studies ten behoeve van de ontwikkeling en het testen van vaccins onder gecontroleerde omstandigheden. Tijdens deze studies worden adequate maatregelen genomen ter bescherming van andere waterdieren tegen de schadelijke gevolgen van de in het kader van de studies uitgevoerde vaccinaties.
Art. 36. § 1er. La vaccination contre les maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, est interdite sur l'ensemble du territoire national, sauf si cette vaccination est approuvée en vertu des articles 31 ou 32.
§ 2. La vaccination contre les maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, est interdite sur l'ensemble du territoire national déclaré indemne des maladies en question conformément à l'article 37, ou couvert par un programme de surveillance approuvé par la Commission.
§ 3. Le Ministre peut autoriser cette vaccination dans certaines parties du territoire national non déclarées indemnes des maladies en question, ou dans lesquelles la vaccination fait partie d'un programme d'éradication approuvé par la Commission.
§ 4. Conformément à la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et le Règlement (CE) n° 726/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 établissant des procédures communautaires pour l'autorisation et la surveillance en ce qui concerne les médicaments à usage humain et à usage vétérinaire, et instituant une Agence européenne des médicaments, seuls les vaccins autorisés sur base de cette loi ou de ce règlement peuvent être utilisés.
§ 5. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas aux études scientifiques destinées à élaborer et à tester des vaccins sous contrôle. Au cours de ces études les mesures appropriées sont prises afin de protéger les autres animaux d'aquaculture de tout effet indésirable de la vaccination effectuée dans le cadre de ces études.
§ 2. La vaccination contre les maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, est interdite sur l'ensemble du territoire national déclaré indemne des maladies en question conformément à l'article 37, ou couvert par un programme de surveillance approuvé par la Commission.
§ 3. Le Ministre peut autoriser cette vaccination dans certaines parties du territoire national non déclarées indemnes des maladies en question, ou dans lesquelles la vaccination fait partie d'un programme d'éradication approuvé par la Commission.
§ 4. Conformément à la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et le Règlement (CE) n° 726/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 établissant des procédures communautaires pour l'autorisation et la surveillance en ce qui concerne les médicaments à usage humain et à usage vétérinaire, et instituant une Agence européenne des médicaments, seuls les vaccins autorisés sur base de cette loi ou de ce règlement peuvent être utilisés.
§ 5. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas aux études scientifiques destinées à élaborer et à tester des vaccins sous contrôle. Au cours de ces études les mesures appropriées sont prises afin de protéger les autres animaux d'aquaculture de tout effet indésirable de la vaccination effectuée dans le cadre de ces études.
HOOFDSTUK 7. - Ziektevrije status
CHAPITRE 7. - Statut de zone indemne
Ziektevrij gebied of compartiment
Zone ou compartiment indemne de la maladie
Art. 37. § 1. Het Voedselagentschap kan een gebied of een compartiment binnen het nationaal grondgebied vrij verklaren van één of meer van de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten indien :
1° geen van de ziektegevoelige soorten in het gebied of compartiment en - voor zover van toepassing - in de bron van zijn water aanwezig is, of
2° het pathogeen, voor zover bekend, niet in het gebied of compartiment en - voor zover van toepassing - in de bron van zijn water kan overleven, of
3° het gebied of compartiment voldoet aan de in bijlage 5 vastgestelde voorwaarden.
§ 2. Het Voedselagentschap legt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring voor aan de Commissie voor goedkeuring.
1° geen van de ziektegevoelige soorten in het gebied of compartiment en - voor zover van toepassing - in de bron van zijn water aanwezig is, of
2° het pathogeen, voor zover bekend, niet in het gebied of compartiment en - voor zover van toepassing - in de bron van zijn water kan overleven, of
3° het gebied of compartiment voldoet aan de in bijlage 5 vastgestelde voorwaarden.
§ 2. Het Voedselagentschap legt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring voor aan de Commissie voor goedkeuring.
Art. 37. § 1er. L'Agence alimentaire peut déclarer, une zone ou un compartiment à l'intérieur du territoire national indemne, en ce qui concerne une ou plusieurs maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, lorsque :
1° aucune des espèces sensibles à la maladie en question n'est présente dans la zone ou le compartiment ni, le cas échéant, dans ses sources d'eau, ou
2° l'agent pathogène est connu comme ne pouvant pas survivre dans la zone ou le compartiment ni, le cas échéant, dans ses sources d'eau, ou
3° la zone ou le compartiment remplit les conditions établies à l'annexe 5.
§ 2. L'Agence alimentaire soumet la déclaration visée au paragraphe 1er à la Commission européenne pour approbation
1° aucune des espèces sensibles à la maladie en question n'est présente dans la zone ou le compartiment ni, le cas échéant, dans ses sources d'eau, ou
2° l'agent pathogène est connu comme ne pouvant pas survivre dans la zone ou le compartiment ni, le cas échéant, dans ses sources d'eau, ou
3° la zone ou le compartiment remplit les conditions établies à l'annexe 5.
§ 2. L'Agence alimentaire soumet la déclaration visée au paragraphe 1er à la Commission européenne pour approbation
Lijst van ziektevrije verklaarde gebieden of compartimenten
Listes des zones ou compartiments indemnes de la maladie.
Art. 38. Het Voedselagentschap stelt een lijst op van overeenkomstig artikel 37 ziektevrij verklaarde gebieden en compartimenten en werkt deze geregeld bij. Deze lijsten worden voor het publiek toegankelijk gemaakt.
Art. 38. L'Agence alimentaire établit et tient à jour une liste des zones et compartiments déclarés indemnes de la maladie conformément à l'article 37. Ces listes sont rendues publiques.
Handhaving van de ziektevrije status
Maintien du statut indemne de la maladie
Art. 39. § 1. Wanneer het nationaal grondgebied door de Commissie vrij werd verklaard van één of meer van de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten, kan het Voedselagentschap de gerichte bewaking staken. De "ziektevrije status" kan worden behouden, mits de omstandigheden waardoor de desbetreffende ziekte klinisch tot uiting kan komen, aanwezig zijn en de relevante bepalingen van dit besluit worden toegepast.
§ 2. [1 Evenwel, voor de ziektevrije gebieden of compartimenten op het nationale grondgebied die niet vrij verklaard zijn van de ziekte, en in alle gevallen waar de omstandigheden ongunstig zijn voor het klinisch tot uiting komen van de betrokken ziekte, is de gerichte bewaking in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]1
§ 2. [1 Evenwel, voor de ziektevrije gebieden of compartimenten op het nationale grondgebied die niet vrij verklaard zijn van de ziekte, en in alle gevallen waar de omstandigheden ongunstig zijn voor het klinisch tot uiting komen van de betrokken ziekte, is de gerichte bewaking in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage I.]1
Modifications
Art. 39. § 1er. Lorsque le territoire national est déclaré par la Commission indemne d'une ou de plusieurs maladies non exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, l'Agence alimentaire peut interrompre la surveillance ciblée. Le statut "indemne de la maladie" est conservé pour autant que les conditions propices aux manifestations cliniques de la maladie en question existent et que les dispositions pertinentes au présent arrêté soient mises en oeuvre.
§ 2. [1 Toutefois, pour les zones ou les compartiments indemnes de la maladie dans le territoire national non déclaré indemne de la maladie, et dans tous les cas où les conditions ne sont pas propices aux manifestations cliniques de la maladie en question, la surveillance ciblée est conforme aux dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe I.]1
§ 2. [1 Toutefois, pour les zones ou les compartiments indemnes de la maladie dans le territoire national non déclaré indemne de la maladie, et dans tous les cas où les conditions ne sont pas propices aux manifestations cliniques de la maladie en question, la surveillance ciblée est conforme aux dispositions telles que déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe I.]1
Modifications
HOOFDSTUK 8. - [1 Laboratoria en diagnosemethoden]1
CHAPITRE 8. - [1 Laboratoires et méthodes de diagnostic]1
Nationale referentielaboratoria
Laboratoires nationaux de référence
Art. 40. § 1. De nationale referentielaboratoria voor ziekten van waterdieren worden aangeduid in toepassing van het koninklijk besluit van 15 april 2005 betreffende de aanduiding van de officiële laboratoria, tot bepaling van de procedure en de erkenningsvoorwaarden van laboratoria die analyses uitvoeren in het kader van de controleopdracht van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot uitvoering van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking.
§ 2. De nationale referentielaboratoria bedoeld in paragraaf 1 oefenen bevoegdheden en taken uit voor de coördinatie van de normen en diagnosemethoden op het nationaal grondgebied en voor het onderhouden van de contacten met het communautaire referentielaboratorium.
De nationale referentielaboratoria kunnen als nationaal referentielaboratorium fungeren voor een of meer andere lidstaten. De lidstaten die geen nationaal referentielaboratorium hebben op het eigen grondgebied, mogen gebruik maken van hun diensten.
§ 2. De nationale referentielaboratoria bedoeld in paragraaf 1 oefenen bevoegdheden en taken uit voor de coördinatie van de normen en diagnosemethoden op het nationaal grondgebied en voor het onderhouden van de contacten met het communautaire referentielaboratorium.
De nationale referentielaboratoria kunnen als nationaal referentielaboratorium fungeren voor een of meer andere lidstaten. De lidstaten die geen nationaal referentielaboratorium hebben op het eigen grondgebied, mogen gebruik maken van hun diensten.
Art. 40. § 1er. Les laboratoires nationaux de référence pour les maladies des animaux aquatiques sont désignés en application de l'arrêté royal du 15 avril 2005 relatif à la désignation des laboratoires officiels, fixant la procédure et les conditions d'agrément des laboratoires qui effectuent des analyses dans le cadre des missions de contrôle de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et portant exécution de la loi du 15 juillet 1985 relative à l'utilisation de substances à effet hormonal, à effet anti-hormonal, à effet bêta-adrénergique ou à effet stimulateur de production chez les animaux.
§ 2. Les laboratoires nationaux visés au paragraphe 1er assument leurs fonctions et missions afin de coordonner les normes et méthodes de diagnostic utilisées sur le territoire national en liaison avec le laboratoire communautaire de référence.
Les laboratoires nationaux de référence peuvent jouer le rôle de laboratoire de référence pour un ou plusieurs autres Etats membres. Les Etats membres n'ayant pas un laboratoire national de référence sur leur territoire peuvent recourir à leurs services.
§ 2. Les laboratoires nationaux visés au paragraphe 1er assument leurs fonctions et missions afin de coordonner les normes et méthodes de diagnostic utilisées sur le territoire national en liaison avec le laboratoire communautaire de référence.
Les laboratoires nationaux de référence peuvent jouer le rôle de laboratoire de référence pour un ou plusieurs autres Etats membres. Les Etats membres n'ayant pas un laboratoire national de référence sur leur territoire peuvent recourir à leurs services.
[1Diagnosemethoden]1
[1 Méthodes de diagnostic]1
Art. 40/1. [1 Voor de in bijlage 4, deel B, vermelde niet-exotische ziekten zijn de diagnosemethoden in overeenstemming met de voorschriften zoals bepaald in uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015, bijlage II.]1
Art. 40/1. [1 Pour les maladies non exotiques de l'annexe 4, partie B, les méthodes de diagnostic sont conformes aux dispositions déterminées dans la décision d'exécution (UE) 2015/1554 de la Commission du 11 septembre 2015, annexe II.]1
Modifications
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Sancties
Sanctions
Art. 41. § 1. De overtredingen op dit besluit worden opgespoord en vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Voedselagentschap en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.
§ 2. Overtredingen op dit besluit worden bestraft overeenkomstig de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
§ 2. Overtredingen op dit besluit worden bestraft overeenkomstig de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art. 41. § 1er. Les infractions au présent arrêté sont recherchées et constatées conformément à l'arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l'Agence alimentaire et modifiant diverses dispositions légales.
§ 2. Les infractions au présent arrêté sont punies conformément à la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux.
§ 2. Les infractions au présent arrêté sont punies conformément à la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux.
Bijlagen
Annexes
Art. 42. De Minister kan de bijlagen bij dit besluit wijzingen om ze in overeenstemming te brengen met wijzigingen aan de bijlagen van Richtlijn 2006/88/EG.
Art. 42. Le Ministre peut modifier les annexes du présent arrêté en vue de les mettre en concordance avec les modifications des annexes de la Directive 2006/88/EG.
Art. 43. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° onder rubriek 11° "bij de vissen" wordt toegevoegd : "Epizoötische Hematopoietische Necrose; Epizoötisch Ulceratief Syndroom; Koikarper herpesvirus.";
2° onder rubriek 12° "bij de weekdieren" wordt toegevoegd :
"Besmetting met Bonamia exitiosa; besmetting met perkinsus marinus; besmetting met microcytos mackini;";
3° onder rubriek 12° "bij de weekdieren" worden de woorden "Bonamiosis (Bonamia Ostrea)" en "Marteiliosis (Marteilla refringens)" respectievelijk vervangen door de woorden : "Besmetting met Bonamia ostreae" en "Besmetting met Marteilia refringens;";
4° Er wordt een rubriek toegevoegd luidend : "14° Bij schaaldieren : Taura syndroom, Yellowhead disease, Besmetting met het wittevlekkenvirus.".
1° onder rubriek 11° "bij de vissen" wordt toegevoegd : "Epizoötische Hematopoietische Necrose; Epizoötisch Ulceratief Syndroom; Koikarper herpesvirus.";
2° onder rubriek 12° "bij de weekdieren" wordt toegevoegd :
"Besmetting met Bonamia exitiosa; besmetting met perkinsus marinus; besmetting met microcytos mackini;";
3° onder rubriek 12° "bij de weekdieren" worden de woorden "Bonamiosis (Bonamia Ostrea)" en "Marteiliosis (Marteilla refringens)" respectievelijk vervangen door de woorden : "Besmetting met Bonamia ostreae" en "Besmetting met Marteilia refringens;";
4° Er wordt een rubriek toegevoegd luidend : "14° Bij schaaldieren : Taura syndroom, Yellowhead disease, Besmetting met het wittevlekkenvirus.".
Art. 43. A l'article 1er de l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, sont apportées les modifications suivantes :
1° sous la rubrique 11° "chez les poissons", il est ajouté : "Nécrose hématopoïétique épizootique; Syndrome ulcéreux épizootique; Herpès virose de la carpe koï.";
2° sous la rubrique 12° "chez les mollusques", il est ajouté :
"Infection à Bonamia exitiosa; Infection à perkinsus marinus; Infection à microcytos mackini;";
3° sous la rubrique 12°" chez les mollusques" les mots "Bonamiosis (Bonamia Ostrea)" et "Marteiliosis (Marteilla refringens)" sont remplacés respectivement par les mots : "Infection à Bonamia ostreae"; "Infection à Marteilia refringens;";
4° Il est ajouté une rubrique "14° Chez les crustacés : Syndrôme de Taura, Maladie de la tête jaune, Maladie des points blancs.".
1° sous la rubrique 11° "chez les poissons", il est ajouté : "Nécrose hématopoïétique épizootique; Syndrome ulcéreux épizootique; Herpès virose de la carpe koï.";
2° sous la rubrique 12° "chez les mollusques", il est ajouté :
"Infection à Bonamia exitiosa; Infection à perkinsus marinus; Infection à microcytos mackini;";
3° sous la rubrique 12°" chez les mollusques" les mots "Bonamiosis (Bonamia Ostrea)" et "Marteiliosis (Marteilla refringens)" sont remplacés respectivement par les mots : "Infection à Bonamia ostreae"; "Infection à Marteilia refringens;";
4° Il est ajouté une rubrique "14° Chez les crustacés : Syndrôme de Taura, Maladie de la tête jaune, Maladie des points blancs.".
Art. 44. Artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, wordt aangevuld met de bepalingen onder 8° en 9°, luidende :
"8° gesloten siervisvoorzieningen;
9° niet-commerciële aquaria die waterdieren voor sierdoeleinden kweken."
"8° gesloten siervisvoorzieningen;
9° niet-commerciële aquaria die waterdieren voor sierdoeleinden kweken."
Art. 44. L'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 16 janvier 2006 fixant les modalités des agréments, des autorisations et des enregistrements préalables délivrés par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, est complété par les dispostions sous 8° et 9°, rédigé comme suit :
"8° aux installations fermées détenant des animaux aquatiques ornementaux;
9° aux aquariums de type non commercial élevant des animaux aquatiques ornementaux."
"8° aux installations fermées détenant des animaux aquatiques ornementaux;
9° aux aquariums de type non commercial élevant des animaux aquatiques ornementaux."
Art. 45. Artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° en 7°, luidende :
"6° voorzieningen waar waterdieren worden gehouden zonder de bedoeling ze in de handel te brengen;
7° put en take-visbedrijven."
"6° voorzieningen waar waterdieren worden gehouden zonder de bedoeling ze in de handel te brengen;
7° put en take-visbedrijven."
Art. 45. L'article 3, § 3, de l'arrêté royal du 16 janvier 2006 fixant les modalités des agréments, des autorisations et des enregistrements préalables délivrés par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, est complété par les dispostions sous 6° et 7°, rédigé comme suit :
"6° aux installations détenant des animaux aquatiques sans intention de les mettre sur le marché;
7° aux pêcheries récréatives avec repeuplement."
"6° aux installations détenant des animaux aquatiques sans intention de les mettre sur le marché;
7° aux pêcheries récréatives avec repeuplement."
Art. 46. De bijlagen van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, worden gewijzigd als volgt :
1° In bijlage I van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2008, wordt een punt 10 toegevoegd dat luidt als volgt :
1° In bijlage I van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2008, wordt een punt 10 toegevoegd dat luidt als volgt :
Art. 46. Les annexes de l'arrêté royal du 16 janvier 2006 fixant les modalités des agréments, des autorisations et des enregistrements préalables délivrés par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, sont modifiées comme suit :
1° A l'annexe Ire du même arrêté, modifiée par l'arrêté royal du 30 juillet 2008, un point 10 est ajouté, rédigé comme suit :
1° A l'annexe Ire du même arrêté, modifiée par l'arrêté royal du 30 juillet 2008, un point 10 est ajouté, rédigé comme suit :
| "10 | La détention, permanente ou temporaire, ou le commerce d'animaux aquatiques ornementaux." | "10 | Het houden, permanent of tijdelijk, of het verhandelen van waterdieren voor sierdoeleinden." |
| "10 | La détention, permanente ou temporaire, ou le commerce d'animaux aquatiques ornementaux." | "10 | Het houden, permanent of tijdelijk, of het verhandelen van waterdieren voor sierdoeleinden." |
"10La détention, permanente ou temporaire, ou le commerce d'animaux aquatiques ornementaux.""10Het houden, permanent of tijdelijk, of het verhandelen van waterdieren voor sierdoeleinden."
"10La détention, permanente ou temporaire, ou le commerce d'animaux aquatiques ornementaux.""10Het houden, permanent of tijdelijk, of het verhandelen van waterdieren voor sierdoeleinden."
2° In bijlage II van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 oktober 2006 en 30 juli 2008, wordt punt 2 vervangen door bijlage 6 bij dit besluit.
3° In bijlage II van hetzelfde besluit wordt in punt 3, punt 3.8 toegevoegd, dat luidt als volgt :
3° In bijlage II van hetzelfde besluit wordt in punt 3, punt 3.8 toegevoegd, dat luidt als volgt :
2° A l'annexe II du même arrêté, modifiée par les arrêtés royaux des 6 octobre 2006 et 30 juillet 2008, le point 2 est remplacé par l'annexe 6 du présent arrêté.
3° A l'annexe II du même arrêté au point 3, un point 3.8. est ajouté, rédigé comme suit :
3° A l'annexe II du même arrêté au point 3, un point 3.8. est ajouté, rédigé comme suit :
| "3.8. | Etablissement pour la préparation et/ou la transformation de produits de la pêche | L'abattage d'animaux d'aquaculture au fin de lutte contre les maladies et la fabrication, le conditionnement ou le reconditionnement de produits préparés ou transformés." | "3.8. | Inrichting voor het bereiden en/of het verwerken van visserijproducten | Slachten van aquacultuurdieren om ziekten te bestrijden en de vervaardiging, verpakking of herverpakking van bereide of verwerkte producten." |
| "3.8. | Etablissement pour la préparation et/ou la transformation de produits de la pêche | L'abattage d'animaux d'aquaculture au fin de lutte contre les maladies et la fabrication, le conditionnement ou le reconditionnement de produits préparés ou transformés." | "3.8. | Inrichting voor het bereiden en/of het verwerken van visserijproducten | Slachten van aquacultuurdieren om ziekten te bestrijden en de vervaardiging, verpakking of herverpakking van bereide of verwerkte producten." |
"3.8.Etablissement pour la préparation et/ou la transformation de produits de la pêcheL'abattage d'animaux d'aquaculture au fin de lutte contre les maladies et la fabrication, le conditionnement ou le reconditionnement de produits préparés ou transformés.""3.8.Inrichting voor het bereiden en/of het verwerken van visserijproductenSlachten van aquacultuurdieren om ziekten te bestrijden en de vervaardiging, verpakking of herverpakking van bereide of verwerkte producten."
"3.8.Etablissement pour la préparation et/ou la transformation de produits de la pêcheL'abattage d'animaux d'aquaculture au fin de lutte contre les maladies et la fabrication, le conditionnement ou le reconditionnement de produits préparés ou transformés.""3.8.Inrichting voor het bereiden en/of het verwerken van visserijproductenSlachten van aquacultuurdieren om ziekten te bestrijden en de vervaardiging, verpakking of herverpakking van bereide of verwerkte producten."
4° In bijlage II van hetzelfde besluit wordt in punt 11, punt 11.6. toegevoegd, dat luidt als volgt :
4° A l'annexe II du même arrêté au point 11, le point 11.6. est ajouté, rédigé comme suit :
| "11.6. | Installations de quarantaine | La mise en quarantaine d'animaux d'aquaculture." | "11.6. | Quarantainefaciliteiten | Het in quarantaine plaatsen van aquacultuurdieren." |
| "11.6. | Installations de quarantaine | La mise en quarantaine d'animaux d'aquaculture." | "11.6. | Quarantainefaciliteiten | Het in quarantaine plaatsen van aquacultuurdieren." |
"11.6.Installations de quarantaineLa mise en quarantaine d'animaux d'aquaculture.""11.6.QuarantainefaciliteitenHet in quarantaine plaatsen van aquacultuurdieren."
"11.6.Installations de quarantaineLa mise en quarantaine d'animaux d'aquaculture.""11.6.QuarantainefaciliteitenHet in quarantaine plaatsen van aquacultuurdieren."
5° In bijlage III van hetzelfde besluit wordt de in bijlage 7 bij dit besluit weergegeven tabel toegevoegd.
5° A l'annexe III du même arrêté, la disposition présentée à l'annexe 7 du présent arrêté est ajoutée.
Opheffingen
Abrogations
Art. 47. § 1. Het ministerieel besluit van 7 september 1995 tot vaststelling van maatregelen voor de bestrijding van bepaalde visziekten, wordt opgegeven, met uitzondering van het artikel 10, in zoverre het betrekking heeft op wilde vissen die niet tot een bedrijf behoren, alsook de vissen van meren, vijvers en andere inrichtingen bestemd voor het recreatievissen, dat van toepassing blijft tot het wordt opgeheven en vervangen door de Gewesten.
§ 2. Opgeheven worden :
1° het koninklijk besluit van 9 november 1992 houdende maatregelen om het voorkomen te bepalen van de infectieuze hematopoïetische necrose (I.H.N.) en de virale hemorragische septicemie (V.H.S.) bij zalmachtigen;
2° het ministerieel besluit van 14 december 1992 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het in de handel brengen van aquicultuurdieren en aquicultuurproducten;
3° het ministerieel besluit van 29 september 1998 tot vaststelling van minimale maatregelen ter bestrijding van bepaalde ziekten van tweekleppige weekdieren; en
4° het ministerieel besluit van 6 juni 2000 tot vaststelling van de modellen van certificaten waarvan levende gekweekte vissen, hun eieren en gameten vergezeld moeten gaan bij het intracommunautaire handelsverkeer tussen niet-erkende zones of tussen besmette bedrijven met betrekking tot infectieuze hematopoïetische necrose en virale hemorragische septikemie.
§ 2. Opgeheven worden :
1° het koninklijk besluit van 9 november 1992 houdende maatregelen om het voorkomen te bepalen van de infectieuze hematopoïetische necrose (I.H.N.) en de virale hemorragische septicemie (V.H.S.) bij zalmachtigen;
2° het ministerieel besluit van 14 december 1992 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het in de handel brengen van aquicultuurdieren en aquicultuurproducten;
3° het ministerieel besluit van 29 september 1998 tot vaststelling van minimale maatregelen ter bestrijding van bepaalde ziekten van tweekleppige weekdieren; en
4° het ministerieel besluit van 6 juni 2000 tot vaststelling van de modellen van certificaten waarvan levende gekweekte vissen, hun eieren en gameten vergezeld moeten gaan bij het intracommunautaire handelsverkeer tussen niet-erkende zones of tussen besmette bedrijven met betrekking tot infectieuze hematopoïetische necrose en virale hemorragische septikemie.
Art. 47. § 1er. L'arrêté ministériel du 7 septembre 1995 établissant des mesures de lutte contre certaines maladies des poissons, est abrogé, à l'exception de l'article 10, dans la mesure où il concerne les poissons sauvages qui n'appartiennent pas à une exploitation, ainsi que les poissons de lacs, étangs ou autres installations destinées à la pratique de la pêche d'agrément, qui restera d'application jusqu'à son abrogation et remplacement par les Régions.
§ 2. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 9 novembre 1992 portant des mesures visant à déterminer l'incidence de la nécrose hématopoïétique infectieuse (N.H.I.) de la septicémie hémorragique virale (S.H.V.) des salmonidés;
2° l'arrêté ministériel du 14 décembre 1992 relatif aux conditions de police sanitaire régissant la mise sur le marché d'animaux et de produits d'aquaculture;
3° l'arrêté ministériel du 29 septembre 1998 établissant des mesures minimales de contrôle de certaines maladies des mollusques bivalves; et
4° l'arrêté ministériel du 6 juin 2000 établissant les modèles de certificats qui doivent accompagner les poissons d'élevage vivants, leurs oeufs et gamètes lors des échanges intracommunautaires entre zones non agréées ou entre exploitations infectées en ce qui concerne la nécrose hématopoïétique infectieuse et la septicémie hémorragique virale.
§ 2. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 9 novembre 1992 portant des mesures visant à déterminer l'incidence de la nécrose hématopoïétique infectieuse (N.H.I.) de la septicémie hémorragique virale (S.H.V.) des salmonidés;
2° l'arrêté ministériel du 14 décembre 1992 relatif aux conditions de police sanitaire régissant la mise sur le marché d'animaux et de produits d'aquaculture;
3° l'arrêté ministériel du 29 septembre 1998 établissant des mesures minimales de contrôle de certaines maladies des mollusques bivalves; et
4° l'arrêté ministériel du 6 juin 2000 établissant les modèles de certificats qui doivent accompagner les poissons d'élevage vivants, leurs oeufs et gamètes lors des échanges intracommunautaires entre zones non agréées ou entre exploitations infectées en ce qui concerne la nécrose hématopoïétique infectieuse et la septicémie hémorragique virale.
Overgangsbepalingen
Dispositions transitoires
Art. 48. § 1. De operator die aquacultuurdieren houdt of kweekt die op datum van inwerkingtreding van dit besluit, over een registratie, toelating of erkenning beschikt, kan deze activiteit verder blijven uitoefenen op voorwaarde dat hij beantwoordt aan de voorwaarden vastgesteld in dit besluit en dat hij binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit de minimale informatie voorschreven in bijlage 2 meldt.
§ 2. De operator die aquacultuurdieren houdt of kweekt die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, nog niet geregistreerd is bij het Voedselagentschap, moet binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit een melding indienen met het oog op registratie van deze activiteit.
§ 3. De operator die aquacultuurdieren houdt of kweekt die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, nog geen erkenning of toelating bezit, moet binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag indienen voor erkenning of toelating.
§ 2. De operator die aquacultuurdieren houdt of kweekt die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, nog niet geregistreerd is bij het Voedselagentschap, moet binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit een melding indienen met het oog op registratie van deze activiteit.
§ 3. De operator die aquacultuurdieren houdt of kweekt die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, nog geen erkenning of toelating bezit, moet binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag indienen voor erkenning of toelating.
Art. 48. § 1er. L'opérateur détenant ou élevant des animaux d'aquaculture qui à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté dispose d'un enregistrement, d'une autorisation ou d'un agrément peut continuer à exercer cette activité à condition qu'il satisfasse aux conditions fixées dans cet arrêté et qu'il communique dans les trois mois qui suivent l'entrée en vigueur de l'arrêté les informations minimales prévues à l'annexe 2.
§ 2. L'opérateur détenant ou élevant des animaux d'aquaculture qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté n'est pas enregistré auprès de l'Agence alimentaire, doit introduire dans les trois mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent arrêté, une notification d'enregistrement de cette activité.
§ 3. L'opérateur détenant ou élevant des animaux d'aquaculture qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, ne dispose pas d'un agrément ou d'une autorisation, doit introduire dans les trois mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent arrêté, une demande d'agrément ou d'autorisation.
§ 2. L'opérateur détenant ou élevant des animaux d'aquaculture qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté n'est pas enregistré auprès de l'Agence alimentaire, doit introduire dans les trois mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent arrêté, une notification d'enregistrement de cette activité.
§ 3. L'opérateur détenant ou élevant des animaux d'aquaculture qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, ne dispose pas d'un agrément ou d'une autorisation, doit introduire dans les trois mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent arrêté, une demande d'agrément ou d'autorisation.
Art. 49. De Minister bevoegd voor Volksgezondheid en de Minister bevoegd voor de Veiligheid van de Voedselketen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 49. La Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions et la Ministre qui a la Sécurité de la Chaîne alimentaire dans ses attributions sont chargées, chacune en ce qui la concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Definities
Behalve de definities in artikel 2 zijn de volgende technische definities van toepassing :
a) compartiment : één of meer kwekerijen waarvoor een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt en waar een populatie waterdieren met een duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus ten aanzien van een specifieke ziekte wordt gehouden;
b) gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem : de toepassing van dezelfde maatregelen inzake gezondheidsbewaking, ziektepreventie en ziektebestrijding voor waterdieren;
c) beperkingsgebied : een gebied rondom een besmette kwekerij of een besmet kweekgebied van weekdieren waar ziektebestrijdingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van de ziekte van toepassing zijn;
d) ziekte : een klinische of niet-klinische besmetting met één of meer etiologische agentia bij waterdieren;
e) ziektevrij verklaarde gebieden of compartimenten : gebieden of compartimenten die overeenkomstig artikel 37 ziektevrij verklaard zijn;
f) [1 ...]1 opduikende ziekte : een pas ontdekte ernstige ziekte, waarvan de oorzaak al dan (nog) niet bekend is, die zich binnen en tussen populaties kan verspreiden, bijvoorbeeld door de handel in waterdieren en/of producten van waterdieren. Ook wordt er een op de lijst vermelde ziekte die wordt ontdekt bij een nieuwe gastheersoort die nog niet in bijlage 4, deel B, als gevoelige soort is opgenomen, onder verstaan;
g) [2 epidemiologische eenheid]2 : een groep waterdieren die binnen een afgebakende ruimte ongeveer hetzelfde risico van blootstelling aan een ziekteverwekker lopen. Het risico kan zich voordoen omdat zij in hetzelfde aquatische milieu leven, of omdat de dieren op een zodanige wijze gehouden worden dat een ziekteverwekker in één groep dieren zich snel naar een andere groep kan verspreiden;
h) sanitaire leegstand : procedure waarbij ten behoeve van de aanpak van de ziekte de aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor de ziekte in kwestie of waarvan bekend is dat zij de ziekteverwekker kunnen overdragen, en - voor zover mogelijk - het besmette water, uit de kwekerij verwijderd worden;
i) verdere verwerking : verwerking van aquacultuurdieren vóór menselijke consumptie door middelen en technieken die de anatomische toestand wijzigen, zoals uitbloeden, strippen, ontkoppen, in moten verdelen en fileren, die afval- of bijproducten opleveren en een risico voor de verspreiding van ziekten kunnen betekenen;
j) verhoogde sterfte : een onverklaard aantal sterftegevallen dat aanzienlijk boven het onder de gegeven omstandigheden voor de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren in kwestie normaal geachte niveau ligt; door de verantwoordelijke en het Voedselagentschap moet in overleg worden besloten wat als verhoogde sterfte wordt beschouwd;
k) besmetting : de aanwezigheid van een zich vermenigvuldigende of zich anderszins ontwikkelende dan wel latente ziekteverwekker in of op een gastheer;
l) besmette gebieden of compartimenten : gebieden of compartimenten waarvan bekend is dat de ziekte zich er voordoet;
m) quarantaine : isolering van een groep waterdieren ter voorkoming van direct of indirect contact met andere waterdieren, zodat zij voor een bepaalde tijdsduur kunnen worden geobserveerd en er - zo nodig - tests en behandelingen kunnen worden uitgevoerd, waaronder een adequate behandeling van de effluenten;
n) gevoelige soort : soort waarbij besmetting met een ziekteverwekker is aangetoond met natuurlijke gevallen of met een experimentele besmetting waarbij de natuurlijke wijzen worden nagebootst;
o) vector : een soort die niet gevoelig is voor een ziekte, maar de besmetting verspreidt door pathogenen van de ene gastheer op de andere over te brengen;
p) gebied : een duidelijk begrensd geografisch gebied met een homogeen hydrologisch systeem dat bestaat uit een deel van het stroomgebied van de bron(nen) tot aan een natuurlijke of kunstmatige barrière die waterdieren belet om van lager gelegen gedeelten van het stroomgebied stroomopwaarts te migreren, uit een volledig stroomgebied van de bron(nen) ervan tot het estuarium, of uit meer dan een stroomgebied, met inbegrip van de estuaria ervan, als gevolg van de verbinding die er in epidemiologisch opzicht via de estuaria tussen de stroomgebieden bestaat.
[3 q)"virale hemorragische septikemie" (VHS) : een ziekte die wordt veroorzaakt door het virale-hemorragische-septikemievirus (VHSV), ook bekend als het Egtved-virus, een virus van het geslacht Novirhabdovirus uit de familie Rhabdoviridae;
r) "infectieuze hematopoëtische necrose" (IHN) : een ziekte die wordt veroorzaakt door het infectieuze-hematopoëtische- necrosevirus (IHNV), een virus van het geslacht Novirhabdovirus uit de familie Rhabdoviridae;
s) "koiherpesvirusziekte" (KHVD) : een ziekte die wordt veroorzaakt door het koiherpesvirus (KHV) uit de familie Alloherpesviridae. De wetenschappelijke benaming is cyprinide herpesvirus 3 (CyHV-3);
t) "infectieuze zalmanemie" (ISA) : een ziekte die wordt veroorzaakt door besmetting met zalmanemievirus (ISAV) met HPR-deletie (deletie in de hypervariabele regio), een virus van het geslacht Isavirus uit de familie Orthomyxoviridae;
u) "besmetting met Marteilia refringens" : een ziekte die wordt veroorzaakt door een besmetting met Marteilia refringens, een protozo van het taxon Paramyxida;
v) "besmetting met Bonamia ostreae" een ziekte die wordt veroorzaakt door een besmetting met Bonamia ostreae, een protozo van het taxon Haplosporea;
w) "wittevlekkenziekte" (WSD) : een ziekte (white spot disease) die wordt veroorzaakt door het wittevlekkensyndroomvirus (white spot syndrome virus, WSSV), een dubbelstrengs DNA-virus van het geslacht Whispovirus uit de familie Nimaviridae.]3
Behalve de definities in artikel 2 zijn de volgende technische definities van toepassing :
a) compartiment : één of meer kwekerijen waarvoor een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt en waar een populatie waterdieren met een duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus ten aanzien van een specifieke ziekte wordt gehouden;
b) gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem : de toepassing van dezelfde maatregelen inzake gezondheidsbewaking, ziektepreventie en ziektebestrijding voor waterdieren;
c) beperkingsgebied : een gebied rondom een besmette kwekerij of een besmet kweekgebied van weekdieren waar ziektebestrijdingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van de ziekte van toepassing zijn;
d) ziekte : een klinische of niet-klinische besmetting met één of meer etiologische agentia bij waterdieren;
e) ziektevrij verklaarde gebieden of compartimenten : gebieden of compartimenten die overeenkomstig artikel 37 ziektevrij verklaard zijn;
f) [1 ...]1 opduikende ziekte : een pas ontdekte ernstige ziekte, waarvan de oorzaak al dan (nog) niet bekend is, die zich binnen en tussen populaties kan verspreiden, bijvoorbeeld door de handel in waterdieren en/of producten van waterdieren. Ook wordt er een op de lijst vermelde ziekte die wordt ontdekt bij een nieuwe gastheersoort die nog niet in bijlage 4, deel B, als gevoelige soort is opgenomen, onder verstaan;
g) [2 epidemiologische eenheid]2 : een groep waterdieren die binnen een afgebakende ruimte ongeveer hetzelfde risico van blootstelling aan een ziekteverwekker lopen. Het risico kan zich voordoen omdat zij in hetzelfde aquatische milieu leven, of omdat de dieren op een zodanige wijze gehouden worden dat een ziekteverwekker in één groep dieren zich snel naar een andere groep kan verspreiden;
h) sanitaire leegstand : procedure waarbij ten behoeve van de aanpak van de ziekte de aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor de ziekte in kwestie of waarvan bekend is dat zij de ziekteverwekker kunnen overdragen, en - voor zover mogelijk - het besmette water, uit de kwekerij verwijderd worden;
i) verdere verwerking : verwerking van aquacultuurdieren vóór menselijke consumptie door middelen en technieken die de anatomische toestand wijzigen, zoals uitbloeden, strippen, ontkoppen, in moten verdelen en fileren, die afval- of bijproducten opleveren en een risico voor de verspreiding van ziekten kunnen betekenen;
j) verhoogde sterfte : een onverklaard aantal sterftegevallen dat aanzienlijk boven het onder de gegeven omstandigheden voor de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren in kwestie normaal geachte niveau ligt; door de verantwoordelijke en het Voedselagentschap moet in overleg worden besloten wat als verhoogde sterfte wordt beschouwd;
k) besmetting : de aanwezigheid van een zich vermenigvuldigende of zich anderszins ontwikkelende dan wel latente ziekteverwekker in of op een gastheer;
l) besmette gebieden of compartimenten : gebieden of compartimenten waarvan bekend is dat de ziekte zich er voordoet;
m) quarantaine : isolering van een groep waterdieren ter voorkoming van direct of indirect contact met andere waterdieren, zodat zij voor een bepaalde tijdsduur kunnen worden geobserveerd en er - zo nodig - tests en behandelingen kunnen worden uitgevoerd, waaronder een adequate behandeling van de effluenten;
n) gevoelige soort : soort waarbij besmetting met een ziekteverwekker is aangetoond met natuurlijke gevallen of met een experimentele besmetting waarbij de natuurlijke wijzen worden nagebootst;
o) vector : een soort die niet gevoelig is voor een ziekte, maar de besmetting verspreidt door pathogenen van de ene gastheer op de andere over te brengen;
p) gebied : een duidelijk begrensd geografisch gebied met een homogeen hydrologisch systeem dat bestaat uit een deel van het stroomgebied van de bron(nen) tot aan een natuurlijke of kunstmatige barrière die waterdieren belet om van lager gelegen gedeelten van het stroomgebied stroomopwaarts te migreren, uit een volledig stroomgebied van de bron(nen) ervan tot het estuarium, of uit meer dan een stroomgebied, met inbegrip van de estuaria ervan, als gevolg van de verbinding die er in epidemiologisch opzicht via de estuaria tussen de stroomgebieden bestaat.
[3 q)"virale hemorragische septikemie" (VHS) : een ziekte die wordt veroorzaakt door het virale-hemorragische-septikemievirus (VHSV), ook bekend als het Egtved-virus, een virus van het geslacht Novirhabdovirus uit de familie Rhabdoviridae;
r) "infectieuze hematopoëtische necrose" (IHN) : een ziekte die wordt veroorzaakt door het infectieuze-hematopoëtische- necrosevirus (IHNV), een virus van het geslacht Novirhabdovirus uit de familie Rhabdoviridae;
s) "koiherpesvirusziekte" (KHVD) : een ziekte die wordt veroorzaakt door het koiherpesvirus (KHV) uit de familie Alloherpesviridae. De wetenschappelijke benaming is cyprinide herpesvirus 3 (CyHV-3);
t) "infectieuze zalmanemie" (ISA) : een ziekte die wordt veroorzaakt door besmetting met zalmanemievirus (ISAV) met HPR-deletie (deletie in de hypervariabele regio), een virus van het geslacht Isavirus uit de familie Orthomyxoviridae;
u) "besmetting met Marteilia refringens" : een ziekte die wordt veroorzaakt door een besmetting met Marteilia refringens, een protozo van het taxon Paramyxida;
v) "besmetting met Bonamia ostreae" een ziekte die wordt veroorzaakt door een besmetting met Bonamia ostreae, een protozo van het taxon Haplosporea;
w) "wittevlekkenziekte" (WSD) : een ziekte (white spot disease) die wordt veroorzaakt door het wittevlekkensyndroomvirus (white spot syndrome virus, WSSV), een dubbelstrengs DNA-virus van het geslacht Whispovirus uit de familie Nimaviridae.]3
Art. N1. Annexe 1re. - Définitions
Outre les définitions figurant à l'article 2, les définitions techniques suivantes s'appliquent :
a) compartiment : une ou plusieurs [2 fermes aquacoles]2 relevant d'un dispositif commun de biosécurité et abritant une population d'animaux aquatiques dotée d'un statut sanitaire qui lui est propre au regard d'une maladie particulière;
b) dispositif commun de biosécurité : dispositif consistant à appliquer à des animaux aquatiques les mêmes mesures de surveillance, de prévention des maladies et de lutte contre les maladies;
c) zone de confinement : zone située autour d'une ferme aquacole ou d'un parc à mollusques infectés, dans laquelle des mesures de lutte sont mises en place afin d'éviter la propagation de la maladie;
d) maladie : infection, clinique ou non, des animaux aquatiques, liée à la présence d'un ou plusieurs agents étiologiques;
e) zones ou compartiments indemnes de maladies : zones ou compartiments déclarés indemnes de maladies conformément à l'article 37;
f) maladie émergente : maladie grave nouvellement détectée, dont la cause peut ou non avoir été établie et qui est susceptible de se propager aussi bien au sein d'une population que d'une population à une autre, à la faveur, par exemple, d'échanges d'animaux aquatiques et/ou de produits issus d'animaux aquatiques. Ce terme désigne également une maladie déjà répertoriée qui est détectée chez une nouvelle espèce hôte non inscrite encore en tant qu'espèce sensible à l'annexe 4, partie B;
g) segment épidémiologique : groupe d'animaux aquatiques partageant à peu près les mêmes risques d'exposition à un agent pathogène dans un secteur donné. Ce risque peut être lié au fait que les animaux concernés partagent un même environnement aquatique ou que les pratiques de gestion appliquées favorisent la propagation rapide d'un agent pathogène d'un groupe d'animaux à un autre;
h) vide sanitaire : opération de lutte contre les maladies consistant à vider une ferme aquacole des animaux d'aquaculture sensibles à la maladie en cause ou qui constituent des vecteurs connus de l'agent pathogène, et également, dans la mesure du possible, des eaux dans lesquelles ils évoluent;
i) transformation ultérieure : opérations de transformation d'animaux aquatiques préalables à la consommation humaine, qui font appel à toute méthode ou technique affectant l'intégrité anatomique de ces animaux, comme le fait de les saigner, de les vider ou de les éviscérer, de les étêter, de les trancher ou de les fileter, et qui produisent des déchets ou des sous-produits susceptibles d'engendrer un risque de propagation de maladies;
j) hausse de la mortalité : accroissement inexpliqué et significatif de la mortalité au-delà du niveau considéré comme normal pour [1 la ferme aquacole]1 ou le parc à mollusques concernés dans les conditions habituelles. Le niveau d'accroissement à désigner comme une hausse de la mortalité doit être convenu par le responsable et l'Agence alimentaire;
k) infection : présence sur ou chez un hôte d'un agent pathogène en phase de multiplication ou d'évolution, ou à l'état latent;
l) zones ou compartiments infectés : zones ou compartiments où la présence de l'infection est confirmée;
m) quarantaine : fait de maintenir un groupe d'animaux aquatiques dans un milieu isolé, sans contact, direct ou indirect, avec d'autres animaux aquatiques, dans le but de les observer pendant un certain temps et, le cas échéant, de leur faire subir des tests et des traitements, sans omettre de traiter aussi les eaux usées selon des procédures appropriées;
n) espèce sensible : toute espèce chez laquelle une infection par un agent pathogène a été établie au moyen de cas spontanés ou d'une infection expérimentale imitant les voies naturelles;
o) espèce vectrice : espèce qui n'est pas sensible à une maladie mais qui pourrait propager l'infection en transmettant des agents pathogènes d'une espèce hôte à une autre;
p) zone : secteur géographique précis caractérisé par un système hydrographique homogène comprenant une partie de bassin hydrographique (depuis la ou les sources jusqu'à une barrière naturelle ou artificielle empêchant toute migration d'animaux aquatiques au départ des parties du bassin situées en aval), un bassin hydrographique entier (depuis la ou les sources jusqu'à l'estuaire) ou encore plusieurs bassins hydrographiques, estuaires compris, en raison du lien épidémiologique qui existe entre les bassins hydrographiques au travers de l'estuaire.
[3 q)"septicémie hémorragique virale (SHV) ", une maladie causée par le virus de la septicémie hémorragique virale (VSHV), également dénommé virus d'Egtved, qui appartient au genre Novirhabdovirus et à la famille des Rhabdoviridae;
r) "nécrose hématopoïétique infectieuse" (NHI), une maladie causée par le virus de la nécrose hématopoïétique infectieuse (VNHI), qui appartient au genre Novirhabdovirus et à la famille des Rhabdoviridae;
s) "herpèsvirose de la carpe koï (HVCK)", une maladie causée par l'herpèsvirus koï (HVK), qui appartient à la famille des Alloherpesviridae et dont le nom scientifique est "herpèsvirus cyprin 3" (CyHV-3);
t) "anémie infectieuse du saumon (AIS)", une maladie causée par une infection par des variants délétés dans la région hautement polymorphe (RHP) du virus de l'AIS (VAIS), qui appartient au genre Isavirus et à la famille des Orthomyxoviridae;
u) "infection à Marteilia refringens", une infection causée par le protozoaire Marteilia refringens, qui appartient au phylum des Paramyxea;
v) "infection à Bonamia ostreae", une infection causée par le protozoaire Bonamia ostreae, qui appartient au phylum des Haplosporidia;
w) "maladie des points blancs (MPB) ", une maladie causée par le virus du syndrome des points blancs (VSPB), qui est un virus à ADN double brin qui appartient au genre Whispovirus et à la famille des Nimaviridae.]3
Outre les définitions figurant à l'article 2, les définitions techniques suivantes s'appliquent :
a) compartiment : une ou plusieurs [2 fermes aquacoles]2 relevant d'un dispositif commun de biosécurité et abritant une population d'animaux aquatiques dotée d'un statut sanitaire qui lui est propre au regard d'une maladie particulière;
b) dispositif commun de biosécurité : dispositif consistant à appliquer à des animaux aquatiques les mêmes mesures de surveillance, de prévention des maladies et de lutte contre les maladies;
c) zone de confinement : zone située autour d'une ferme aquacole ou d'un parc à mollusques infectés, dans laquelle des mesures de lutte sont mises en place afin d'éviter la propagation de la maladie;
d) maladie : infection, clinique ou non, des animaux aquatiques, liée à la présence d'un ou plusieurs agents étiologiques;
e) zones ou compartiments indemnes de maladies : zones ou compartiments déclarés indemnes de maladies conformément à l'article 37;
f) maladie émergente : maladie grave nouvellement détectée, dont la cause peut ou non avoir été établie et qui est susceptible de se propager aussi bien au sein d'une population que d'une population à une autre, à la faveur, par exemple, d'échanges d'animaux aquatiques et/ou de produits issus d'animaux aquatiques. Ce terme désigne également une maladie déjà répertoriée qui est détectée chez une nouvelle espèce hôte non inscrite encore en tant qu'espèce sensible à l'annexe 4, partie B;
g) segment épidémiologique : groupe d'animaux aquatiques partageant à peu près les mêmes risques d'exposition à un agent pathogène dans un secteur donné. Ce risque peut être lié au fait que les animaux concernés partagent un même environnement aquatique ou que les pratiques de gestion appliquées favorisent la propagation rapide d'un agent pathogène d'un groupe d'animaux à un autre;
h) vide sanitaire : opération de lutte contre les maladies consistant à vider une ferme aquacole des animaux d'aquaculture sensibles à la maladie en cause ou qui constituent des vecteurs connus de l'agent pathogène, et également, dans la mesure du possible, des eaux dans lesquelles ils évoluent;
i) transformation ultérieure : opérations de transformation d'animaux aquatiques préalables à la consommation humaine, qui font appel à toute méthode ou technique affectant l'intégrité anatomique de ces animaux, comme le fait de les saigner, de les vider ou de les éviscérer, de les étêter, de les trancher ou de les fileter, et qui produisent des déchets ou des sous-produits susceptibles d'engendrer un risque de propagation de maladies;
j) hausse de la mortalité : accroissement inexpliqué et significatif de la mortalité au-delà du niveau considéré comme normal pour [1 la ferme aquacole]1 ou le parc à mollusques concernés dans les conditions habituelles. Le niveau d'accroissement à désigner comme une hausse de la mortalité doit être convenu par le responsable et l'Agence alimentaire;
k) infection : présence sur ou chez un hôte d'un agent pathogène en phase de multiplication ou d'évolution, ou à l'état latent;
l) zones ou compartiments infectés : zones ou compartiments où la présence de l'infection est confirmée;
m) quarantaine : fait de maintenir un groupe d'animaux aquatiques dans un milieu isolé, sans contact, direct ou indirect, avec d'autres animaux aquatiques, dans le but de les observer pendant un certain temps et, le cas échéant, de leur faire subir des tests et des traitements, sans omettre de traiter aussi les eaux usées selon des procédures appropriées;
n) espèce sensible : toute espèce chez laquelle une infection par un agent pathogène a été établie au moyen de cas spontanés ou d'une infection expérimentale imitant les voies naturelles;
o) espèce vectrice : espèce qui n'est pas sensible à une maladie mais qui pourrait propager l'infection en transmettant des agents pathogènes d'une espèce hôte à une autre;
p) zone : secteur géographique précis caractérisé par un système hydrographique homogène comprenant une partie de bassin hydrographique (depuis la ou les sources jusqu'à une barrière naturelle ou artificielle empêchant toute migration d'animaux aquatiques au départ des parties du bassin situées en aval), un bassin hydrographique entier (depuis la ou les sources jusqu'à l'estuaire) ou encore plusieurs bassins hydrographiques, estuaires compris, en raison du lien épidémiologique qui existe entre les bassins hydrographiques au travers de l'estuaire.
[3 q)"septicémie hémorragique virale (SHV) ", une maladie causée par le virus de la septicémie hémorragique virale (VSHV), également dénommé virus d'Egtved, qui appartient au genre Novirhabdovirus et à la famille des Rhabdoviridae;
r) "nécrose hématopoïétique infectieuse" (NHI), une maladie causée par le virus de la nécrose hématopoïétique infectieuse (VNHI), qui appartient au genre Novirhabdovirus et à la famille des Rhabdoviridae;
s) "herpèsvirose de la carpe koï (HVCK)", une maladie causée par l'herpèsvirus koï (HVK), qui appartient à la famille des Alloherpesviridae et dont le nom scientifique est "herpèsvirus cyprin 3" (CyHV-3);
t) "anémie infectieuse du saumon (AIS)", une maladie causée par une infection par des variants délétés dans la région hautement polymorphe (RHP) du virus de l'AIS (VAIS), qui appartient au genre Isavirus et à la famille des Orthomyxoviridae;
u) "infection à Marteilia refringens", une infection causée par le protozoaire Marteilia refringens, qui appartient au phylum des Paramyxea;
v) "infection à Bonamia ostreae", une infection causée par le protozoaire Bonamia ostreae, qui appartient au phylum des Haplosporidia;
w) "maladie des points blancs (MPB) ", une maladie causée par le virus du syndrome des points blancs (VSPB), qui est un virus à ADN double brin qui appartient au genre Whispovirus et à la famille des Nimaviridae.]3
Art. N2. Bijlage 2. - Bij indiening van een aanvraag om toelating of erkenning door de verantwoordelijke te verstrekken informatie
Deel A
Aquacultuurproductiebedrijven
1. Ten minste de volgende informatie moet aan het Voedselagentschap worden meegedeeld :
a) naam en adressen van het aquacultuurproductiebedrijf en contactgegevens (telefoon, fax, e-mail);
b) naam en adressen van elk van de plaatsen met inbegrip van de door een geschikt systeem van coördinaten bepaalde geografische ligging van alle vestigingsplaatsen (GIS-coördinaten indien mogelijk);
c) een plan van elke plaats met aanduiding van de watervang- en afvoerplaatsen; als geen effluenten in een waterloop worden geloosd, de afvoerplaats vermelden (riool en/of weiland en/of akkerland,...)
d) het productiedoel, het productietype en het maximale productievolume, als dat werd vastgesteld;
e) het type kwekerij (voor elke plaats) :
a. voor vissen : zoutwaterkooien/-bassins, zoutwatervijver, zoutwatertanks, gesloten systeem met zout water, zoetwaterkooien/-bassins, zoetwatertanks, gesloten systeem met zoet water, onderzoeksfaciliteit, quarantainefaciliteit, andere (+ beschrijving);
b. voor weekdieren : kwekerij van weekdieren, gesloten - kwekerij van weekdieren, open -, verzendingscentrum, zuiveringscentrum, kweekgebied van weekdieren, onderzoeksfaciliteit, quarantainefaciliteit, andere (+ beschrijving);
c. voor schaaldieren : lagune/omheind gebied, vijvers, bekkens, installaties voor onderzoek, quarantaine-installaties, andere (+ beschrijving);
f) het type productie (voor elke plaats) :
a. voor vissen : broedhuis, kweekkamer, broedstock, opkweek voor menselijke consumptie, "put-and-take-visbedrijven", groothandelaars in siervissen, andere (+ beschrijving);
b. voor weekdieren : broedhuis, kweekkamer, opkweek, andere (+ beschrijving);
c. voor schaaldieren : broedhuis, kweekkamer, opkweek, andere (+ beschrijving);
g) de gekweekte soorten aquacultuurdieren (voor elke plaats);
h) beschikbare informatie over de gezondheidsstatus;
i) eventueel, een beschrijving van het type behandeling van het aangevoerde en/of afgevoerde water;
j) een raming van het type en het aantal leveranciers van aquacultuurdieren;
k) een raming van het type en het aantal klanten voor aquacultuurdieren;
l) een raming van de frequentie van de verplaatsingen van aquacultuurdieren;
m) de oorsprong van de eieren/jonge dieren (eigen productie of van leverancier);
n) naam en ordenummer van de erkende dierenarts belast met het programma voor de bewaking van de dierengezondheid.
2. Indien overeenkomstig artikel 3 een toelating aan een kweekgebied van weekdieren wordt verleend, worden de in punt 1 a), van dit deel genoemde gegevens geregistreerd voor alle aquacultuurproductiebedrijven die in het betreffende kweekgebied actief zijn. De in punt 1, b) tot en met g), van dit deel gevraagde gegevens worden voor het gehele kweekgebied van weekdieren geregistreerd.
Deel B
Erkende verwerkingsbedrijven
Ten minste de volgende informatie wordt aan het Voedselagentschap meegedeeld :
a) naam en adressen of vestigingsplaats van het erkende verwerkingsbedrijf en contactgegevens (telefoon, fax, e-mail adres);
b) de door een geschikt systeem van coördinaten van alle verwerkingsbedrijven (GIS-coördinaten indien mogelijk) bepaalde geografische ligging van het verwerkingsbedrijf;
c) een plan van de plaats;
d) bij aanwezigheid van systemen voor de behandeling van effluenten, een gedetailleerde beschrijving van het systeem;
e) de plaats waar de effluenten worden geloosd : riool en/of waterloop, en/of weiland of akkerland, andere (+ beschrijving);
[1 f) de soort aquacultuurdieren dat in het erkend verwerkingsbedrijf verwerkt wordt.]1
Deel A
Aquacultuurproductiebedrijven
1. Ten minste de volgende informatie moet aan het Voedselagentschap worden meegedeeld :
a) naam en adressen van het aquacultuurproductiebedrijf en contactgegevens (telefoon, fax, e-mail);
b) naam en adressen van elk van de plaatsen met inbegrip van de door een geschikt systeem van coördinaten bepaalde geografische ligging van alle vestigingsplaatsen (GIS-coördinaten indien mogelijk);
c) een plan van elke plaats met aanduiding van de watervang- en afvoerplaatsen; als geen effluenten in een waterloop worden geloosd, de afvoerplaats vermelden (riool en/of weiland en/of akkerland,...)
d) het productiedoel, het productietype en het maximale productievolume, als dat werd vastgesteld;
e) het type kwekerij (voor elke plaats) :
a. voor vissen : zoutwaterkooien/-bassins, zoutwatervijver, zoutwatertanks, gesloten systeem met zout water, zoetwaterkooien/-bassins, zoetwatertanks, gesloten systeem met zoet water, onderzoeksfaciliteit, quarantainefaciliteit, andere (+ beschrijving);
b. voor weekdieren : kwekerij van weekdieren, gesloten - kwekerij van weekdieren, open -, verzendingscentrum, zuiveringscentrum, kweekgebied van weekdieren, onderzoeksfaciliteit, quarantainefaciliteit, andere (+ beschrijving);
c. voor schaaldieren : lagune/omheind gebied, vijvers, bekkens, installaties voor onderzoek, quarantaine-installaties, andere (+ beschrijving);
f) het type productie (voor elke plaats) :
a. voor vissen : broedhuis, kweekkamer, broedstock, opkweek voor menselijke consumptie, "put-and-take-visbedrijven", groothandelaars in siervissen, andere (+ beschrijving);
b. voor weekdieren : broedhuis, kweekkamer, opkweek, andere (+ beschrijving);
c. voor schaaldieren : broedhuis, kweekkamer, opkweek, andere (+ beschrijving);
g) de gekweekte soorten aquacultuurdieren (voor elke plaats);
h) beschikbare informatie over de gezondheidsstatus;
i) eventueel, een beschrijving van het type behandeling van het aangevoerde en/of afgevoerde water;
j) een raming van het type en het aantal leveranciers van aquacultuurdieren;
k) een raming van het type en het aantal klanten voor aquacultuurdieren;
l) een raming van de frequentie van de verplaatsingen van aquacultuurdieren;
m) de oorsprong van de eieren/jonge dieren (eigen productie of van leverancier);
n) naam en ordenummer van de erkende dierenarts belast met het programma voor de bewaking van de dierengezondheid.
2. Indien overeenkomstig artikel 3 een toelating aan een kweekgebied van weekdieren wordt verleend, worden de in punt 1 a), van dit deel genoemde gegevens geregistreerd voor alle aquacultuurproductiebedrijven die in het betreffende kweekgebied actief zijn. De in punt 1, b) tot en met g), van dit deel gevraagde gegevens worden voor het gehele kweekgebied van weekdieren geregistreerd.
Deel B
Erkende verwerkingsbedrijven
Ten minste de volgende informatie wordt aan het Voedselagentschap meegedeeld :
a) naam en adressen of vestigingsplaats van het erkende verwerkingsbedrijf en contactgegevens (telefoon, fax, e-mail adres);
b) de door een geschikt systeem van coördinaten van alle verwerkingsbedrijven (GIS-coördinaten indien mogelijk) bepaalde geografische ligging van het verwerkingsbedrijf;
c) een plan van de plaats;
d) bij aanwezigheid van systemen voor de behandeling van effluenten, een gedetailleerde beschrijving van het systeem;
e) de plaats waar de effluenten worden geloosd : riool en/of waterloop, en/of weiland of akkerland, andere (+ beschrijving);
[1 f) de soort aquacultuurdieren dat in het erkend verwerkingsbedrijf verwerkt wordt.]1
Modifications
Art. N2. Annexe 2. - Informations à fournir par le responsable lors de l'introduction d'une demande d'autorisation ou d'agrément
Partie A
Exploitations aquacoles
1. Les informations minimales suivantes doivent être transmises à l'Agence alimentaire :
a) les nom et adresses de l'exploitation aquacole ainsi que ses coordonnées (numéros de téléphone et de télécopieur, adresse électronique);
b) les noms et adresses de chacun des sites y compris la position géographique définie par un système adéquat de coordonnées de tous les sites d'exploitation (si possible, coordonnées SIG);
c) un plan de chaque site où est identifiée la position des points de capture et de rejet des eaux; si les effluents ne sont pas rejetés dans un cours d'eau, préciser le lieu du rejet (égouts et/ou prairie et/ ou champ,...);
d) les objectifs, le type et le volume maximal de la production, lorsque celui-ci a été fixé;
e) le type d'élevage (pour chaque site) :
a. pour les poissons : cage/enclos en eau salée, étangs d'eau salée, bassins d'eau salée, système fermé-eau salée, cages/enclos en eau douce, étangs d'eau douce, système fermé -eau douce, installations de recherche, installations de quarantaine, autres (+ description);
b. pour les mollusques : élevage de mollusques en circuit fermé, élevage de mollusques en circuit ouvert, centre d'expédition, centre de purification, zone d'élevage de mollusques, installations de recherche, installations de quarantaine, autres (+ description);
c. pour les crustacés : lagune/enclos, étangs, bassins, installations de recherche, installations de quarantaine, autres (+ description);
f) le type de production (pour chaque site) :
a. pour les poissons : écloserie, nurserie, stock de géniteurs, grossissement pour la consommation humaine, pêcherie récréative avec repeuplement, grossistes de poissons d'ornement, autres (+ description);
b. pour les mollusques : écloserie, nurserie, grossissement, autres (+ description);
c. pour les crustacés : écloserie, nurserie, grossissement, autres (+ description);
g) les espèces d'animaux d'aquaculture élevés (pour chaque site);
h) les informations disponibles sur le statut sanitaire;
i ) le cas échéant, une description du type de traitement des eaux d'approvisionnement et/ou des effluents;
j) une estimation du type et du nombre de fournisseurs d'animaux d'aquaculture;
k) une estimation du type et du nombre de clients d'animaux d'aquaculture;
l) une estimation de la fréquence des mouvements d'animaux d'aquaculture;
m) l'origine des oeufs/juvéniles (production propre ou fournisseur);
n) nom et numéro d'ordre du vétérinaire agréé chargé de la surveillance zoosanitaire.
2. Lorsqu'une autorisation est accordée à un parc à mollusques conformément à l'article 3 les informations requises au point 1 a) de la présente partie sont enregistrées pour l'ensemble des exploitations aquacoles opérant dans le parc concerné. Les informations demandées aux points 1 b) à g) de la présente partie sont enregistrées au niveau du parc à mollusques.
Partie B
Etablissements de transformation agréés
Les informations minimales suivantes sont transmises à l'Agence alimentaire :
a) les nom et adresses ou lieu d'implantation de l'établissement de transformation agréé ainsi que ses coordonnées (numéros de téléphone et de télécopieur, adresse électronique);
b) la situation géographique de l'établissement de transformation définie par un système adéquat de coordonnées de tous les sites d'exploitation (si possible coordonnées SIG);
c) un plan du site;
d) en cas de présence de systèmes de traitement des effluents, une description détaillée du système;
e) le lieu du rejet des effluents : égouts et/ou cours d'eau et/ou prairie ou champ, autre (+ description).
[1 f) les espèces d'animaux d'aquaculture transformés par l'établissement agréé.]1
Partie A
Exploitations aquacoles
1. Les informations minimales suivantes doivent être transmises à l'Agence alimentaire :
a) les nom et adresses de l'exploitation aquacole ainsi que ses coordonnées (numéros de téléphone et de télécopieur, adresse électronique);
b) les noms et adresses de chacun des sites y compris la position géographique définie par un système adéquat de coordonnées de tous les sites d'exploitation (si possible, coordonnées SIG);
c) un plan de chaque site où est identifiée la position des points de capture et de rejet des eaux; si les effluents ne sont pas rejetés dans un cours d'eau, préciser le lieu du rejet (égouts et/ou prairie et/ ou champ,...);
d) les objectifs, le type et le volume maximal de la production, lorsque celui-ci a été fixé;
e) le type d'élevage (pour chaque site) :
a. pour les poissons : cage/enclos en eau salée, étangs d'eau salée, bassins d'eau salée, système fermé-eau salée, cages/enclos en eau douce, étangs d'eau douce, système fermé -eau douce, installations de recherche, installations de quarantaine, autres (+ description);
b. pour les mollusques : élevage de mollusques en circuit fermé, élevage de mollusques en circuit ouvert, centre d'expédition, centre de purification, zone d'élevage de mollusques, installations de recherche, installations de quarantaine, autres (+ description);
c. pour les crustacés : lagune/enclos, étangs, bassins, installations de recherche, installations de quarantaine, autres (+ description);
f) le type de production (pour chaque site) :
a. pour les poissons : écloserie, nurserie, stock de géniteurs, grossissement pour la consommation humaine, pêcherie récréative avec repeuplement, grossistes de poissons d'ornement, autres (+ description);
b. pour les mollusques : écloserie, nurserie, grossissement, autres (+ description);
c. pour les crustacés : écloserie, nurserie, grossissement, autres (+ description);
g) les espèces d'animaux d'aquaculture élevés (pour chaque site);
h) les informations disponibles sur le statut sanitaire;
i ) le cas échéant, une description du type de traitement des eaux d'approvisionnement et/ou des effluents;
j) une estimation du type et du nombre de fournisseurs d'animaux d'aquaculture;
k) une estimation du type et du nombre de clients d'animaux d'aquaculture;
l) une estimation de la fréquence des mouvements d'animaux d'aquaculture;
m) l'origine des oeufs/juvéniles (production propre ou fournisseur);
n) nom et numéro d'ordre du vétérinaire agréé chargé de la surveillance zoosanitaire.
2. Lorsqu'une autorisation est accordée à un parc à mollusques conformément à l'article 3 les informations requises au point 1 a) de la présente partie sont enregistrées pour l'ensemble des exploitations aquacoles opérant dans le parc concerné. Les informations demandées aux points 1 b) à g) de la présente partie sont enregistrées au niveau du parc à mollusques.
Partie B
Etablissements de transformation agréés
Les informations minimales suivantes sont transmises à l'Agence alimentaire :
a) les nom et adresses ou lieu d'implantation de l'établissement de transformation agréé ainsi que ses coordonnées (numéros de téléphone et de télécopieur, adresse électronique);
b) la situation géographique de l'établissement de transformation définie par un système adéquat de coordonnées de tous les sites d'exploitation (si possible coordonnées SIG);
c) un plan du site;
d) en cas de présence de systèmes de traitement des effluents, une description détaillée du système;
e) le lieu du rejet des effluents : égouts et/ou cours d'eau et/ou prairie ou champ, autre (+ description).
[1 f) les espèces d'animaux d'aquaculture transformés par l'établissement agréé.]1
Modifications
Art. N3. Bijlage 3.
Deel A
Voor de toepassing van artikel 8 in aanmerking te nemen gezondheidsstatus van het aquacultuurgebied of -compartiment
Aquacultuurdieren voor de kweek en voor uitzetting in het wild
Deel A
Voor de toepassing van artikel 8 in aanmerking te nemen gezondheidsstatus van het aquacultuurgebied of -compartiment
Aquacultuurdieren voor de kweek en voor uitzetting in het wild
Art. N3. Annexe 3.
Partie A
Statut sanitaire de la zone ou du compartiment d'aquaculture à considérer pour l'application de l'article 8
Animaux d'aquaculture destinés à l'élevage et au repeuplement
Partie A
Statut sanitaire de la zone ou du compartiment d'aquaculture à considérer pour l'application de l'article 8
Animaux d'aquaculture destinés à l'élevage et au repeuplement
| Categorie | Gezondheidsstatus | Mag dieren binnenbrengen uit | Gezondheidscertificering | Mag dieren verzenden naar | |
| Binnen- brengen | Verzenden | ||||
| I | Ziektevrij (artikel 37) | alleen categorie I | JA | NEEN als verzending naar categorie III of V JA als verzending naar categorie I, II of IV | Alle categorieën |
| II | Bewakingsprogramma (artikel 33, paragraaf 1) | alleen categorie I | JA | NEEN | Categorieën III en V |
| III | Onbepaald (voor zover bekend niet besmet; maar niet onderworpen aan een programma om de ziektevrije status te bereiken) | categorie I, II of III | NEEN | NEEN | Categorieën III en V |
| IV | Uitroeiingsprogramma (artikel 33, paragraaf 2) | alleen categorie I | JA | JA | Alleen categorie V |
| V | Besmet (artikel 30) | alle categorieën | NEEN | JA | Alleen categorie V |
Binnen-
brengenVerzenden
IZiektevrij
(artikel 37)alleen categorie IJANEEN als verzending naar categorie III of V
JA als verzending naar categorie I, II of IVAlle categorieën
IIBewakingsprogramma (artikel 33, paragraaf 1)alleen categorie IJANEENCategorieën III en V
IIIOnbepaald (voor zover bekend niet besmet; maar niet onderworpen aan een programma om de ziektevrije status te bereiken)categorie I, II of IIINEENNEENCategorieën III en V
IVUitroeiingsprogramma (artikel 33, paragraaf 2)alleen categorie IJAJAAlleen categorie V
VBesmet
(artikel 30)alle categorieënNEENJAAlleen categorie V
| Catégorie | Statut sanitaire | Est autorisé à introduire des animaux provenant de | Certification zoosanitaire | Est autorisé à expédier des animaux à destination de | |
| Introduction | Expédition | ||||
| I | Indemne de la maladie (article 37) | Catégorie I uniquement | OUI | NON en cas d'expédition vers la catégorie III ou V OUI en cas d'expédition vers les catégories I, II ou IV | Toutes les catégories |
| II | Programme de surveillance (article 33, paragraphe 1er) | Catégorie I uniquement | OUI | NON | Catégories III et V |
| III | Indéterminé (n'est pas connu comme étant infecté mais ne relève pas d'un programme permettant d'être déclaré "indemne de la maladie") | Catégorie I, II ou III | NON | NON | Catégories III et V |
| IV | Programme d'éradication (article 33, paragraphe 2) | Catégorie I uniquement | OUI | OUI | Catégorie V uniquement |
| V | Infecté (article 30) | Toutes les catégories | NON | OUI | Catégorie V uniquement |
IntroductionExpédition
IIndemne de la maladie
(article 37)Catégorie I uniquementOUINON en cas d'expédition vers la catégorie III ou V
OUI en cas d'expédition vers les catégories I, II ou IVToutes les catégories
IIProgramme de surveillance (article 33, paragraphe 1er)Catégorie I uniquementOUINONCatégories III et V
IIIIndéterminé (n'est pas connu comme étant infecté mais ne relève pas d'un programme permettant d'être déclaré "indemne de la maladie")Catégorie I, II ou IIINONNONCatégories III et V
IVProgramme d'éradication (article 33, paragraphe 2)Catégorie I uniquementOUIOUICatégorie V uniquement
VInfecté
(article 30)Toutes les catégoriesNONOUICatégorie V uniquement
Deel B
I. Aanbevolen bewaking en inspecties in kwekerijen en in kweekgebieden van weekdieren
I. Aanbevolen bewaking en inspecties in kwekerijen en in kweekgebieden van weekdieren
Partie B
I. Surveillance et inspections recommandées dans les fermes aquacoles et les parcs à mollusques
I. Surveillance et inspections recommandées dans les fermes aquacoles et les parcs à mollusques
| Aanwezige soorten | Gezondheidsstatus zoals vermeld in deel A | Risiconiveau | Bewaking | Frequentie van de inspecties door de erkende dierenarts belast met het opvolgen van het bewakingsprogramma voor dierengezondheid (artikel 6) |
| 1. Geen voor de in bijlage 4 vermelde ziekten gevoelige soorten | Categorie I Ziektevrij verklaard | Laag | Passief | Om de vier jaar |
| 2. Voor één of meer van de in bijlage 4 vermelde ziekten gevoelige soorten | Categorie I Ziektevrij verklaard | Hoog | Actief, gericht of passief | 1 keer per jaar |
| Middelhoog | Om de twee jaar | |||
| Laag | Om de twee jaar | |||
| Categorie II Niet ziektevrij verklaard maar onderworpen aan een door de Commissie goedgekeurd bewakingsprogramma | Hoog | Gericht | Eén keer per jaar | |
| Middelhoog | Om de twee jaar | |||
| Laag | Om de twee jaar | |||
| Categorie III Voor zover bekend niet besmet maar niet onderworpen aan een bewakingsprogramma om de ziektevrije status te bereiken. | Hoog | Actief | Drie keer per jaar | |
| Middelhoog | Twee keer per jaar | |||
| Laag | Eén keer per jaar | |||
| Categorie IV Voor zover bekend niet besmet maar onderworpen aan een door de Commissie goedgekeurd uitroeiingsprogramma | Hoog | Gericht | Eén keer per jaar | |
| Middelhoog | Om de twee jaar | |||
| Laag | Om de twee jaar | |||
| Categorie V Besmet. Onderworpen aan de minimale bestrijdingsmaatregelen van hoofdstuk 5. | Hoog | Passief | Eén keer per jaar | |
| Middelhoog | Om de twee jaar | |||
| Laag | Om de vier jaar |
1. Geen voor de in bijlage 4 vermelde ziekten gevoelige soortenCategorie I
Ziektevrij verklaard LaagPassiefOm de vier jaar
2. Voor één of meer van de in bijlage 4 vermelde ziekten gevoelige soortenCategorie I Ziektevrij verklaard HoogActief, gericht of passief1 keer per jaar
MiddelhoogOm de twee jaar
LaagOm de twee jaar
Categorie II Niet ziektevrij verklaard maar onderworpen aan een door de Commissie goedgekeurd bewakingsprogrammaHoogGerichtEén keer per jaar
MiddelhoogOm de twee jaar
LaagOm de twee jaar
Categorie III Voor zover bekend niet besmet maar niet onderworpen aan een bewakingsprogramma om de ziektevrije status te bereiken.HoogActief Drie keer per jaar
MiddelhoogTwee keer per jaar
LaagEén keer per jaar
Categorie IV Voor zover bekend niet besmet maar onderworpen aan een door de Commissie goedgekeurd uitroeiingsprogrammaHoogGerichtEén keer per jaar
MiddelhoogOm de twee jaar
LaagOm de twee jaar
Categorie V
Besmet. Onderworpen aan de minimale bestrijdingsmaatregelen van hoofdstuk 5.HoogPassiefEén keer per jaar
MiddelhoogOm de twee jaar
LaagOm de vier jaar
| Espèces présentes | Statut sanitaire selon la partie A | Niveau de risque | Surveillance | Fréquence des inspections par le vétérinaire agréé chargé du suivi du programme zoosanitaire (article 6) |
| 1. Aucune espèce sensible aux maladies répertoriées à l'annexe 4 | Catégorie I Déclaré "indemne de la maladie" | Faible | Passive | Une tous les quatre ans |
| 2. Espèces sensibles à une ou plusieurs maladies répertoriées à l'annexe 4 | Catégorie I Déclaré "indemne de la maladie" | Elevé | Active, ciblée ou passive | Une par an |
| Moyen | Une tous les deux ans | |||
| Faible | Une tous les deux ans | |||
| Catégorie II N'est pas déclaré "indemne de la maladie" mais relève d'un programme de surveillance approuvé par la Commission | Elevé | Ciblée | Une par an | |
| Moyen | Une tous les deux ans | |||
| Faible | Une tous les deux ans | |||
| Catégorie III N'est pas connu comme étant infecté, mais ne relève pas d'un programme de surveillance permettant d'obtenir le statut "indemne de maladie". | Elevé | Active | Trois par an | |
| Moyen | Deux par an | |||
| Faible | Une par an | |||
| Catégorie IV N'est pas connu comme étant infecté, mais relève d'un programme d'éradication approuvé par la Commission | Elevé | Ciblée | Une par an | |
| Moyen | Une tous les deux ans | |||
| Faible | Une tous les deux ans | |||
| Catégorie V Connu comme étant infecté. Relevant des mesures minimales de lutte contre la maladie prévues au chapitre 5. | Elevé | Passive | Une par an | |
| Moyen | Une tous les deux ans | |||
| Faible | Une tous les quatre ans |
1. Aucune espèce sensible aux maladies répertoriées à l'annexe 4Catégorie I
Déclaré "indemne de la maladie" FaiblePassiveUne tous les quatre ans
2. Espèces sensibles à une ou plusieurs maladies répertoriées à l'annexe 4Catégorie I Déclaré "indemne de la maladie" ElevéActive, ciblée ou passiveUne par an
MoyenUne tous les deux ans
FaibleUne tous les deux ans
Catégorie II N'est pas déclaré "indemne de la maladie" mais relève d'un programme de surveillance approuvé par la CommissionElevéCibléeUne par an
MoyenUne tous les deux ans
FaibleUne tous les deux ans
Catégorie III N'est pas connu comme étant infecté, mais ne relève pas d'un programme de surveillance permettant d'obtenir le statut "indemne de maladie".ElevéActiveTrois par an
MoyenDeux par an
FaibleUne par an
Catégorie IV N'est pas connu comme étant infecté, mais relève d'un programme d'éradication approuvé par la Commission ElevéCibléeUne par an
MoyenUne tous les deux ans
FaibleUne tous les deux ans
Catégorie V Connu comme étant infecté. Relevant des mesures minimales de lutte contre la maladie prévues au chapitre 5.ElevéPassiveUne par an
MoyenUne tous les deux ans
FaibleUne tous les quatre ans
II. Risiconiveaus
1. Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een hoog risico is een kwekerij of kweekgebied :
a) waar een hoog risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;
b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat een groter risico van het uitbreken van ziekten zou kunnen ontstaan (veel biomassa, slechte waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;
c) waar levende waterdieren verkocht worden om verder te worden gekweekt of te worden uitgezet.
2. Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een middelhoog risico is een kwekerij of kweekgebied :
a) waar een middelhoog risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;
b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat niet noodzakelijkerwijs een groter risico van het uitbreken van ziekten zou ontstaan (middelhoge biomassa, middelhoge waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;
c) waar levende waterdieren voornamelijk voor menselijke consumptie verkocht worden.
3. Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een laag risico is een kwekerij of kweekgebied :
a) waar een laag risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;
b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat geen groter risico van het uitbreken van ziekten zou ontstaan (weinig biomassa, goede waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;
c) waar levende waterdieren uitsluitend voor menselijke consumptie verkocht worden.
III. Soorten gezondheidsbewaking
1. Bij passieve bewaking bestaat de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden. Een onderzoek uit hoofde van hoofdstuk 5, afdeling 2, is vereist.
2. Actieve bewaking omvat :
a) routine-inspectie door het Voedselagentschap, door erkende dierenartsen of door het Voedselagentschap aangewezen gezondheidsdiensten;
b) onderzoek van de populatie van de aquacultuurdieren in de kwekerij of in het kweekgebied van weekdieren op klinische ziektesymptomen;
c) diagnosemonsters die moeten worden verzameld bij verdenking van een op de lijst opgenomen ziekte en in geval van tijdens de inspectie waargenomen verhoogde sterfte;
d) de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden.
3. Gerichte bewaking omvat :
a) routine-inspectie door de Voedselagentschap, door erkende dierenartsen of door het Voedselagentschap aangewezen gezondheidsdiensten;
b) het nemen van de voorgeschreven monsters van aquacultuurdieren en deze met specifieke methoden op specifieke pathogenen te onderzoeken;
c) de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden.
1. Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een hoog risico is een kwekerij of kweekgebied :
a) waar een hoog risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;
b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat een groter risico van het uitbreken van ziekten zou kunnen ontstaan (veel biomassa, slechte waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;
c) waar levende waterdieren verkocht worden om verder te worden gekweekt of te worden uitgezet.
2. Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een middelhoog risico is een kwekerij of kweekgebied :
a) waar een middelhoog risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;
b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat niet noodzakelijkerwijs een groter risico van het uitbreken van ziekten zou ontstaan (middelhoge biomassa, middelhoge waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;
c) waar levende waterdieren voornamelijk voor menselijke consumptie verkocht worden.
3. Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een laag risico is een kwekerij of kweekgebied :
a) waar een laag risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;
b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat geen groter risico van het uitbreken van ziekten zou ontstaan (weinig biomassa, goede waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;
c) waar levende waterdieren uitsluitend voor menselijke consumptie verkocht worden.
III. Soorten gezondheidsbewaking
1. Bij passieve bewaking bestaat de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden. Een onderzoek uit hoofde van hoofdstuk 5, afdeling 2, is vereist.
2. Actieve bewaking omvat :
a) routine-inspectie door het Voedselagentschap, door erkende dierenartsen of door het Voedselagentschap aangewezen gezondheidsdiensten;
b) onderzoek van de populatie van de aquacultuurdieren in de kwekerij of in het kweekgebied van weekdieren op klinische ziektesymptomen;
c) diagnosemonsters die moeten worden verzameld bij verdenking van een op de lijst opgenomen ziekte en in geval van tijdens de inspectie waargenomen verhoogde sterfte;
d) de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden.
3. Gerichte bewaking omvat :
a) routine-inspectie door de Voedselagentschap, door erkende dierenartsen of door het Voedselagentschap aangewezen gezondheidsdiensten;
b) het nemen van de voorgeschreven monsters van aquacultuurdieren en deze met specifieke methoden op specifieke pathogenen te onderzoeken;
c) de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden.
II. Niveaux de risque
1. Une ferme aquacole ou un parc à mollusques à haut risque est une ferme aquacole ou un parc à mollusques qui :
a) présente un risque élevé de propagation ou de contamination de maladies à ou en provenance d'autres fermes aquacoles ou espèces sauvages;
b) fonctionne dans des conditions d'élevage qui pourraient augmenter le risque d'épidémies (biomasse élevée, faible qualité de l'eau), en tenant compte des espèces présentes;
c) vend des animaux aquatiques vivants à des fins d'élevage ou de repeuplement.
2. Une ferme aquacole ou un parc à mollusques à risque moyen est une ferme aquacole ou un parc à mollusques qui :
a) présente un risque moyen de propagation ou de contamination de maladies à ou en provenance d'autres fermes aquacoles ou espèces sauvages;
b) fonctionne dans des conditions d'élevage qui n'augmentent pas nécessairement le risque d'épidémies (biomasse moyenne et qualité moyenne de l'eau), en tenant compte des espèces présentes;
c) vend des animaux aquatiques vivants principalement pour la consommation humaine.
3. Une ferme aquacole ou un parc à mollusques à risque faible est une ferme aquacole ou un parc à mollusques qui :
a) présente un faible risque de propagation ou de contamination de maladies à ou en provenance d'autres fermes aquacoles ou espèces sauvages;
b) fonctionne dans des conditions d'élevage qui n'augmentent pas le risque d'épidémies (biomasse faible, bonne qualité de l'eau), en tenant compte des espèces présentes;
c) vend des animaux aquatiques vivants uniquement pour la consommation humaine.
III. Types de surveillance sanitaire
1. La surveillance passive comprend la notification immédiate obligatoire de l'apparition ou de la suspicion de maladies données ou de toute augmentation de la mortalité. Dans de tels cas, l'enquête visée à la section 2 du chapitre 5 est nécessaire.
2. La surveillance active comprend :
a) l'inspection de routine par l'Agence alimentaire, par des vétérinaires agréés ou par tout autre service sanitaire désigné par l'Agence alimentaire;
b) l'examen de la population des animaux d'aquaculture dans la ferme aquacole ou le parc à mollusques pour détecter une maladie clinique;
c) des échantillons diagnostiques à collecter sur la suspicion d'une maladie répertoriée ou d'une augmentation de la mortalité observée pendant l'inspection;
d) la notification immédiate obligatoire de l'apparition ou de la suspicion de maladies données ou de toute augmentation de la mortalité.
3. La surveillance ciblée comprend :
a) l'inspection de routine par l'Agence alimentaire, par des vétérinaires agréés ou par tout autre service sanitaire désigné par l'Agence alimentaire;
b) l'obligation de prélever les échantillons prescrits d'animaux d'aquaculture et de les analyser pour détecter un (des) agent(s) pathogène(s) spécifique(s) par des méthodes prescrites;
c) la notification immédiate obligatoire de l'apparition ou de la suspicion de maladies données ou de toute augmentation de la mortalité.
1. Une ferme aquacole ou un parc à mollusques à haut risque est une ferme aquacole ou un parc à mollusques qui :
a) présente un risque élevé de propagation ou de contamination de maladies à ou en provenance d'autres fermes aquacoles ou espèces sauvages;
b) fonctionne dans des conditions d'élevage qui pourraient augmenter le risque d'épidémies (biomasse élevée, faible qualité de l'eau), en tenant compte des espèces présentes;
c) vend des animaux aquatiques vivants à des fins d'élevage ou de repeuplement.
2. Une ferme aquacole ou un parc à mollusques à risque moyen est une ferme aquacole ou un parc à mollusques qui :
a) présente un risque moyen de propagation ou de contamination de maladies à ou en provenance d'autres fermes aquacoles ou espèces sauvages;
b) fonctionne dans des conditions d'élevage qui n'augmentent pas nécessairement le risque d'épidémies (biomasse moyenne et qualité moyenne de l'eau), en tenant compte des espèces présentes;
c) vend des animaux aquatiques vivants principalement pour la consommation humaine.
3. Une ferme aquacole ou un parc à mollusques à risque faible est une ferme aquacole ou un parc à mollusques qui :
a) présente un faible risque de propagation ou de contamination de maladies à ou en provenance d'autres fermes aquacoles ou espèces sauvages;
b) fonctionne dans des conditions d'élevage qui n'augmentent pas le risque d'épidémies (biomasse faible, bonne qualité de l'eau), en tenant compte des espèces présentes;
c) vend des animaux aquatiques vivants uniquement pour la consommation humaine.
III. Types de surveillance sanitaire
1. La surveillance passive comprend la notification immédiate obligatoire de l'apparition ou de la suspicion de maladies données ou de toute augmentation de la mortalité. Dans de tels cas, l'enquête visée à la section 2 du chapitre 5 est nécessaire.
2. La surveillance active comprend :
a) l'inspection de routine par l'Agence alimentaire, par des vétérinaires agréés ou par tout autre service sanitaire désigné par l'Agence alimentaire;
b) l'examen de la population des animaux d'aquaculture dans la ferme aquacole ou le parc à mollusques pour détecter une maladie clinique;
c) des échantillons diagnostiques à collecter sur la suspicion d'une maladie répertoriée ou d'une augmentation de la mortalité observée pendant l'inspection;
d) la notification immédiate obligatoire de l'apparition ou de la suspicion de maladies données ou de toute augmentation de la mortalité.
3. La surveillance ciblée comprend :
a) l'inspection de routine par l'Agence alimentaire, par des vétérinaires agréés ou par tout autre service sanitaire désigné par l'Agence alimentaire;
b) l'obligation de prélever les échantillons prescrits d'animaux d'aquaculture et de les analyser pour détecter un (des) agent(s) pathogène(s) spécifique(s) par des méthodes prescrites;
c) la notification immédiate obligatoire de l'apparition ou de la suspicion de maladies données ou de toute augmentation de la mortalité.
Art. N4. Bijlage 4. - Opnemen van ziekten in de lijst
Deel A
Criteria voor het opnemen van ziekten in de lijst
I. Exotische ziekten voldoen aan de volgende criteria van punt 1 en van hetzij punt 2 hetzij punt 3.
1. De ziekte is exotisch voor de Gemeenschap, d.w.z. dat de ziekte geen vaste voet aan de grond heeft gekregen in de communautaire aquacultuur en het pathogeen, voor zover bekend, niet in de communautaire wateren voorkomt.
2. De ziekte kan bij insleep in de Gemeenschap aanzienlijke economische consequenties hebben, hetzij door productieverliezen in de communautaire aquacultuur, hetzij doordat de mogelijkheden voor de handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan erdoor beperkt worden.
3. De ziekte kan bij insleep in de Gemeenschap schadelijke milieu-effecten hebben voor in het wild levende populaties van waterdieren van soorten die op grond van communautair recht of internationale bepalingen als waardevol beschermd moeten worden.
II. Niet-exotische ziekten voldoen aan de volgende criteria van de punten 1, 4, 5, 6 en 7 en van punt 2 of 3.
1. Verscheidene lidstaten of regio's in verscheidene lidstaten zijn vrij van de specifieke ziekte.
2. De ziekte kan bij insleep in een lidstaat die er vrij van is, aanzienlijke economische consequenties hebben, hetzij in de vorm van productieverliezen en van met de ziekte en de bestrijding verband houdende jaarlijkse uitgaven die meer dan 5 % van de productiewaarde van de gevoelige soort aquacultuurdieren bedragen, hetzij doordat de internationale handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan erdoor beperkt wordt.
3. Gebleken is dat de ziekte bij insleep in een ziektevrije lidstaat schadelijke milieu-effecten heeft voor in het wild levende populaties van waterdieren van soorten die op grond van communautair recht of internationale bepalingen als waardevol beschermd moeten worden.
4. Zonder stringente bestrijdingsmaatregelen en handelsbeperkingen kan de ziekte op het niveau van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren slechts met moeite bestreden en onder controle gekregen worden.
5. De ziekte kan op het niveau van de lidstaat worden bestreden, aangezien de ondervinding heeft geleerd dat er ziektevrije gebieden of compartimenten kunnen worden ingesteld en gehandhaafd en dat de handhaving kosteneffectief is.
6. Tijdens het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestaat het risico dat de ziekte in een tot dusverre onbesmet gebied vaste voet aan de grond krijgt.
7. Er bestaan betrouwbare en eenvoudige tests voor besmette waterdieren. De tests moeten specifiek en gevoelig zijn en de testmethoden moeten op communautair niveau geharmoniseerd zijn.
Deel B
[1 Lijst van ziekten
Deel A
Criteria voor het opnemen van ziekten in de lijst
I. Exotische ziekten voldoen aan de volgende criteria van punt 1 en van hetzij punt 2 hetzij punt 3.
1. De ziekte is exotisch voor de Gemeenschap, d.w.z. dat de ziekte geen vaste voet aan de grond heeft gekregen in de communautaire aquacultuur en het pathogeen, voor zover bekend, niet in de communautaire wateren voorkomt.
2. De ziekte kan bij insleep in de Gemeenschap aanzienlijke economische consequenties hebben, hetzij door productieverliezen in de communautaire aquacultuur, hetzij doordat de mogelijkheden voor de handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan erdoor beperkt worden.
3. De ziekte kan bij insleep in de Gemeenschap schadelijke milieu-effecten hebben voor in het wild levende populaties van waterdieren van soorten die op grond van communautair recht of internationale bepalingen als waardevol beschermd moeten worden.
II. Niet-exotische ziekten voldoen aan de volgende criteria van de punten 1, 4, 5, 6 en 7 en van punt 2 of 3.
1. Verscheidene lidstaten of regio's in verscheidene lidstaten zijn vrij van de specifieke ziekte.
2. De ziekte kan bij insleep in een lidstaat die er vrij van is, aanzienlijke economische consequenties hebben, hetzij in de vorm van productieverliezen en van met de ziekte en de bestrijding verband houdende jaarlijkse uitgaven die meer dan 5 % van de productiewaarde van de gevoelige soort aquacultuurdieren bedragen, hetzij doordat de internationale handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan erdoor beperkt wordt.
3. Gebleken is dat de ziekte bij insleep in een ziektevrije lidstaat schadelijke milieu-effecten heeft voor in het wild levende populaties van waterdieren van soorten die op grond van communautair recht of internationale bepalingen als waardevol beschermd moeten worden.
4. Zonder stringente bestrijdingsmaatregelen en handelsbeperkingen kan de ziekte op het niveau van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren slechts met moeite bestreden en onder controle gekregen worden.
5. De ziekte kan op het niveau van de lidstaat worden bestreden, aangezien de ondervinding heeft geleerd dat er ziektevrije gebieden of compartimenten kunnen worden ingesteld en gehandhaafd en dat de handhaving kosteneffectief is.
6. Tijdens het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestaat het risico dat de ziekte in een tot dusverre onbesmet gebied vaste voet aan de grond krijgt.
7. Er bestaan betrouwbare en eenvoudige tests voor besmette waterdieren. De tests moeten specifiek en gevoelig zijn en de testmethoden moeten op communautair niveau geharmoniseerd zijn.
Deel B
[1 Lijst van ziekten
Art. N4. Annexe 4. - Etablissement de la liste des maladies
Partie A
Critères pour l'établissement de la liste des maladies
I. Les maladies remplissent les critères suivants établis au point 1er et au point 2 ou 3.
1. La maladie est exotique à la Communauté, c'est-à-dire qu'elle n'est pas établie dans l'aquaculture communautaire et que la présence de l'agent pathogène n'est pas connue dans les eaux communautaires.
2. Si elle est introduite dans la Communauté, elle peut avoir des répercussions économiques importantes, sous forme soit de pertes de production dans l'aquaculture communautaire, soit de restrictions du potentiel des échanges d'animaux et de produits d'aquaculture.
3. Si elle est introduite dans la Communauté, elle peut avoir un effet préjudiciable sur l'environnement pour les populations d'animaux aquatiques sauvages d'espèces qui constituent un atout digne d'être protégé par le droit communautaire ou des dispositions internationales.
II. Les maladies non exotiques remplissent les critères suivants établis aux points 1er, 4, 5, 6, 7 et 2 ou 3.
1. Plusieurs Etats membres, ou régions de plusieurs Etats membres, sont indemnes de la maladie en question.
2. Si elle est introduite dans un Etat membre indemne de la maladie, elle peut avoir des répercussions économiques importantes soit sous la forme de pertes de production et de coûts annuels liés à la maladie et à la lutte contre la maladie dépassant 5 % de la valeur de la production des espèces sensibles des animaux d'aquaculture dans la région, soit sous la forme de restrictions des possibilités d'échanges internationaux pour les animaux et les produits d'aquaculture.
3. Si elle est introduite dans un Etat membre indemne de la maladie, il a été montré que la maladie, lorsqu'elle apparaît, a un effet préjudiciable sur l'environnement pour les populations d'animaux aquatiques sauvages d'espèces qui constituent un atout digne d'être protégé par des dispositions communautaires ou internationales.
4. Il est difficile de lutter contre la maladie et d'empêcher sa propagation au niveau de la ferme aquacole ou du parc à mollusques sans mesures de lutte très strictes et sans restrictions commerciales.
5. Il est possible de lutter contre la maladie au niveau de l'Etat membre, l'expérience ayant montré que des zones ou des compartiments indemnes de la maladie peuvent être établis et maintenus et que ce maintien réduit les coûts.
6. Au cours de la mise sur le marché d'animaux d'aquaculture, il existe un risque que la maladie s'établisse dans une région antérieurement non contaminée.
7. Il existe des tests fiables et simples pour les animaux aquatiques infectés. Les tests doivent être spécifiques et sensibles et la méthode de test doit être harmonisée au niveau communautaire.
Partie B
[1 Liste des maladies
Partie A
Critères pour l'établissement de la liste des maladies
I. Les maladies remplissent les critères suivants établis au point 1er et au point 2 ou 3.
1. La maladie est exotique à la Communauté, c'est-à-dire qu'elle n'est pas établie dans l'aquaculture communautaire et que la présence de l'agent pathogène n'est pas connue dans les eaux communautaires.
2. Si elle est introduite dans la Communauté, elle peut avoir des répercussions économiques importantes, sous forme soit de pertes de production dans l'aquaculture communautaire, soit de restrictions du potentiel des échanges d'animaux et de produits d'aquaculture.
3. Si elle est introduite dans la Communauté, elle peut avoir un effet préjudiciable sur l'environnement pour les populations d'animaux aquatiques sauvages d'espèces qui constituent un atout digne d'être protégé par le droit communautaire ou des dispositions internationales.
II. Les maladies non exotiques remplissent les critères suivants établis aux points 1er, 4, 5, 6, 7 et 2 ou 3.
1. Plusieurs Etats membres, ou régions de plusieurs Etats membres, sont indemnes de la maladie en question.
2. Si elle est introduite dans un Etat membre indemne de la maladie, elle peut avoir des répercussions économiques importantes soit sous la forme de pertes de production et de coûts annuels liés à la maladie et à la lutte contre la maladie dépassant 5 % de la valeur de la production des espèces sensibles des animaux d'aquaculture dans la région, soit sous la forme de restrictions des possibilités d'échanges internationaux pour les animaux et les produits d'aquaculture.
3. Si elle est introduite dans un Etat membre indemne de la maladie, il a été montré que la maladie, lorsqu'elle apparaît, a un effet préjudiciable sur l'environnement pour les populations d'animaux aquatiques sauvages d'espèces qui constituent un atout digne d'être protégé par des dispositions communautaires ou internationales.
4. Il est difficile de lutter contre la maladie et d'empêcher sa propagation au niveau de la ferme aquacole ou du parc à mollusques sans mesures de lutte très strictes et sans restrictions commerciales.
5. Il est possible de lutter contre la maladie au niveau de l'Etat membre, l'expérience ayant montré que des zones ou des compartiments indemnes de la maladie peuvent être établis et maintenus et que ce maintien réduit les coûts.
6. Au cours de la mise sur le marché d'animaux d'aquaculture, il existe un risque que la maladie s'établisse dans une région antérieurement non contaminée.
7. Il existe des tests fiables et simples pour les animaux aquatiques infectés. Les tests doivent être spécifiques et sensibles et la méthode de test doit être harmonisée au niveau communautaire.
Partie B
[1 Liste des maladies
| 1. EXOTISCHE ZIEKTEN | ||
| ZIEKTE | GEVOELIGE SOORTEN | |
| 1.1. VISSEN | Epizoötische hematopoïetische necrose | Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss) en baars (Perca fluviatilis) |
| 1.2. WEEKDIEREN | Besmetting met Bonamia exitiosa | Australische platte oester (Ostrea angasi) en Chileense oester (Ostrea chilensis) |
| Besmetting met Perkinsus marinus | Japanse oester (Crassostrea gigas) en Noord-Amerikaanse oester (C. virginica) | |
| Besmetting met Microcytos mackini | Japanse oester (Crassostrea gigas), Noord-Amerikaanse oester (C. virginica), Olympia platte oester (Ostrea conchaphila) en Europese platte oester (O. edulis) | |
| 1.3. SCHAALDIEREN | Besmetting met het taura-syndroom-virus (TSV) | Noordelijke witte garnaal (Penaeus setiferus), Pacifische blauwe garnaal (Penaeus stylirostris) en Pacifische witte garnaal (Penaeus vannamei) |
| Besmetting met het yellow-head-virus (YHV) | Azteken-garnaal (Penaeus aztecus), noordelijke roze garnaal (P. duorarum), kurumagarnaal (P. japonicus), grote tijgergarnaal(P. monodon), noordelijke witte garnaal (P. setiferus), Pacifische blauwe garnaal (P. stylirostris) en Pacifische witte garnaal (P. vannamei) | |
| 1. MALADIES EXOTIQUES | ||
| MALADIE | ESPECES SENSIBLES | |
| 1.1. POISSONS | Nécrose hématopoïétique épizootique | Truite arc-en-ciel (Oncorhynchus mykiss) et perche commune (Perca fluviatilis) |
| 1.2. MOLLUSQUES | Infection à Bonamia exitiosa | Huître plate australienne (Ostrea angasi) et huître plate du Chili (O. chilensis) |
| Infection à Perkinsus marinus | Huître japonaise (Crassostrea gigas) et huître de l'Atlantique (C. virginica) | |
| Infection à Microcytos mackini | Huître japonaise (Crassostrea gigas), huître de l'Atlantique (C. virginica), huître plate du Pacifique (Ostrea conchaphila) et huître plate européenne (O. edulis) | |
| 1.3. CRUSTACES | Syndrome de Taura | Crevette ligubam du Nord (Penaeus setiferus), crevette bleue (P. stylirostris) et crevette à pattes blanches du Pacifique (P. vannamei) |
| Maladie de la tête jaune | Crevette brune (Penaeus aztecus), crevette rose (P. duorarum), crevette kuruma (P. japonicus), crevette tigrée brune (P. monodon), crevette ligubam du Nord (P. setiferus), crevette bleue (P. stylirostris), crevette à pattes blanches du Pacifique (P. vannamei) | |
| 2. NIET-EXOTISCHE ZIEKTEN | ||
| ZIEKTE | GEVOELIGE SOORTEN | |
| 2.1. VISSEN | Virale hemorragische septikemie (VHS) | Haring (Clupea spp.), houting (Coregonus sp.), snoek (Esox lucius), schelvis (Gadus aeglefinus), Pacifische kabeljauw (Gadus macrocephalus), Atlantische kabeljauw (Gadus morhua); Pacifische zalmsoorten (Oncorhynchus spp.), regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), meun (Onos mustelus), beekforel (Salmo trutta), tarbot (Scophthalmus maximus), sprot (Sprattus sprattus), vlagzalm (Thymallus thymallus) en olijfgroene bastaardheilbot (Paralichthys olivaceus) |
| Infectieuze hematopoïetische necrose (IHN) | Ketazalm (Oncorhynchus keta), cohozalm (O. kisutch), masouzalm (O. masou), regenboogforel (O. mykiss), rode zalm (O. nerka), Amagozalm (O. rhodurus), chinook zalm (O. tshawytscha) en Atlantische zalm (Salmo salar) | |
| Koiherpesvirus (KHV) | Gewone karper en koikarper (Cyprinus carpio) | |
| Infectieuze zalmanemie (ISA) : infectie met genotype HPR-negatief van het geslacht Isavirus (ISAV) | Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), Atlantische zalm (Salmo salar) en beek- en zeeforel (S. trutta) | |
| 2.2. WEEKDIEREN | Besmetting met Marteilia refringens | Australische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (O. chilensis), Europese platte oester (O. edulis) en Argentijnse platte oester (Ostrea puelchana), mossel (Mytilus edulis) en Middellandse Zeemossel (M. galloprovincialis) |
| Besmetting met Bonamia ostreae | Australische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (O. chilensis), Olympia platte oester (O. conchaphila), Aziatische oester (Ostea denselammellosa), Europese platte oester (Ostrea edulis), Argentijnse platte oester (Ostrea puelchana) | |
| 2.3. SCHAALDIEREN | Wittevlekkensyndroom | Alle tienpotige kreeftachtigen (orde Decapoda) |
infectie met genotype HPR-negatief van het geslacht Isavirus (ISAV)Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), Atlantische zalm (Salmo salar) en beek- en zeeforel (S. trutta)2.2. WEEKDIERENBesmetting met Marteilia refringensAustralische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (O. chilensis), Europese platte oester (O. edulis) en Argentijnse platte oester (Ostrea puelchana), mossel (Mytilus edulis) en Middellandse Zeemossel (M. galloprovincialis)Besmetting met Bonamia ostreaeAustralische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (O. chilensis), Olympia platte oester (O. conchaphila), Aziatische oester (Ostea denselammellosa), Europese platte oester (Ostrea edulis), Argentijnse platte oester (Ostrea puelchana)2.3. SCHAALDIERENWittevlekkensyndroomAlle tienpotige kreeftachtigen (orde Decapoda)
]1
Modifications
| 2. MALADIES NON EXOTIQUES | ||
| MALADIE | ESPECES SENSIBLES | |
| 2.1. POISSONS | Septicémie hémorragique virale (SHV) | Hareng (Clupea spp.), corégones (Coregonus sp.), brochet du Nord (Esox lucius), aiglefin (Gadus aeglefinus), morue du Pacifique (G. macrocephalus), morue de l'Atlantique (G. morhua), saumon du Pacifique (Oncorhynchus spp.), truite arc-en-ciel (O. mykiss), motelle (Onos mustelus), truite brune (Salmo truta), turbot (Scophthalmus maximus), sprat (Sprattus sprattus), ombre commun (Thymallus thymallus) et cardeau hirame (Paralichthys olivaceus) |
| Nécrose hématopoïétique infectieuse (NHI) | Saumon keta (Oncorhynchus keta), saumon argenté (O. kisutch), saumon japonais (O. masou), truite arc-en-ciel (O. mykiss), saumon sockeye (O. nerka), truite biwamasou (O. rhodurus), saumon chinook (O. tshawytscha) et saumon de l'Atlantique (Salmo salar) | |
| Herpèsvirose de la carpe koï | Carpe commune (Cyprinus carpio) | |
| Anémie infectieuse du saumon (AIS) : infection par le génotype délété dans la RHP du virus du genre Isavirus (ISAV) | Truite arc-en-ciel (Oncorhynchus mykiss), saumon de l'Atlantique (Salmo salar) et truite brune (S. trutta) | |
| 2.2. MOLLUSQUES | Infection à Marteilia refringens | Huître plate australienne (Ostrea angasi), huître plate du Chili (O. chilensis), huître plate européenne (O. edulis), huître plate d'Argentine (O. puelchana), moule commune (Mytilus edulis) et moule méditerranéenne (M. galloprovincialis) |
| Infection à Bonamia ostreae | Huître plate australienne (Ostrea angasi), huître plate du Chili (O. chilensis), huître plate du Pacifique (O. conchaphila), huître asiatique (O. denselammellosa), huître plate européenne (O. edulis) et huître plate d'Argentine (O. puelchana) | |
| 2.3. CRUSTACES | Maladie des points blancs | Tous les crustacés décapodes (ordre des Decapoda) |
]1
Modifications
Art. N5. Bijlage 5. - Voorschriften inzake het ziektevrij verklaren van een gebied of compartiment
1. Gebieden
1.1. Een gebied kan bestaan uit :
a) een volledig stroomgebied van de bron tot het estuarium ervan,
of
b) een deel van een stroomgebied van de bron(nen) tot aan een natuurlijke of kunstmatige barrière die waterdieren belet om van lager gelegen gedeelten van het stroomgebied stroomopwaarts te migreren,
of
c) meer dan een stroomgebied, met inbegrip van de estuaria ervan, als gevolg van de verbinding die er in [2 epidemiologisch opzicht]2 via de estuaria tussen de stroomgebieden bestaat.
De geografische begrenzing van het gebied wordt duidelijk op een kaart aangegeven.
1.2. Indien een gebied zich over meer dan één lidstaat uitstrekt, kan het alleen ziektevrij verklaard worden, indien de in de punten 1.3 en 1.4 genoemde voorwaarden op alle delen van dat gebied van toepassing zijn. In dat geval vragen betrokken lidstaten goedkeuring aan voor het op hun grondgebied gelegen gedeelte van het gebied.
1.3. Een gebied waarin het laatst bekende klinische geval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus van voor de gerichte bewaking niet bekend is, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden beschouwd op voorwaarde dat er sedert ten minste twee jaar een gerichte bewaking is en er voor de ziekten waarvoor meldingsplicht geldt er een systeem van vroegtijdige opsporing wordt toegepast zonder dat er in de kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren waar een van de gevoelige soorten wordt gekweekt, een ziekteverwekker is ontdekt.
1.4. Zo nodig moet een bufferzone worden ingesteld, waarbinnen een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd. De bufferzones worden zodanig afgebakend dat hierdoor de ziektevrije zone tegen passieve insleep van de ziekte wordt beschermd.
2. Uit één of meer kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren bestaande compartimenten, waarvan de gezondheidsstatus wat een specifieke ziekte betreft afhangt van die van de omringende natuurlijke wateren
2.1. Een compartiment kan uit één of meer kwekerijen, een groep of cluster kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren bestaan die op grond van de geografische ligging ervan en de afstand ten opzichte van andere groepen of clusters kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren als één [1 epidemiologische eenheid]1 kunnen worden beschouwd, mits voor alle kwekerijen van het compartiment een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt. De geografische begrenzing van het compartiment wordt duidelijk op een kaart aangegeven.
2.2. Een compartiment waarin het laatst bekende klinische geval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus of die in de wateren die het compartiment omringen, niet bekend was voordat er gerichte bewaking plaatsvond, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden beschouwd indien het mutatis mutandis voldoet aan de voorwaarde dat er sedert ten minste twee jaar een gerichte bewaking is en er voor de ziekten waarvoor meldingsplicht geldt er een systeem van vroegtijdige opsporing wordt toegepast zonder dat er in de kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren waar een van de gevoelige soorten wordt gekweekt, een ziekteverwekker is ontdekt.
2.3. Voor alle kwekerijen en kweekgebieden binnen een compartiment gelden aanvullende maatregelen, die worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, indien zij dit noodzakelijk acht ter voorkoming van de insleep van ziekten. Dergelijke maatregelen kunnen het instellen van een buffergebied rond het compartiment waar een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd, en het vaststellen van aanvullende beschermingsmaatregelen tegen de insleep van mogelijke ziekteverwekkers omvatten.
3. Uit één of meer afzonderlijke kwekerijen bestaande compartimenten, waarvan de gezondheidsstatus wat een specifieke ziekte betreft niet van die van de omringende natuurlijke wateren afhangt
3.1. Een compartiment kan bestaan uit :
a) een afzonderlijke kwekerij, die als één [1 epidemiologische eenheid]1 kan worden beschouwd, aangezien zij niet door de gezondheidsstatus van de in de aangrenzende wateren levende dieren beïnvloed wordt,
of
b) meer kwekerijen, waarbij iedere kwekerij binnen het compartiment aan de in punt 3.1, onder a), en de punten 3.2 tot en met 3.6 bedoelde criteria voldoet, maar het compartiment, als gevolg van het intensieve vervoer van dieren tussen de kwekerijen, als één [1 epidemiologische eenheid]1 beschouwd moet worden en waar voor alle kwekerijen een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt.
3.2. Een compartiment moet van water worden voorzien :
a) via een waterzuiveringsinstallatie waarin het desbetreffende pathogeen geïnactiveerd wordt, om het risico op de insleep van ziekten tot een aanvaardbaar niveau te beperken,
of
b) rechtstreeks uit een put, een boorgat of een bron. Wanneer de bron van de watervoorziening op enige afstand van de kwekerij gelegen is, moet het water rechtstreeks via buizen ernaartoe geleid worden.
3.3. Er moeten natuurlijke of kunstmatige barrières zijn die waterdieren beletten om vanuit de aangrenzende waterlopen in de kwekerijen van een compartiment binnen te komen.
3.4. Het compartiment moet zo nodig tegen overstromingen en het binnendringen van water uit de aangrenzende waterlopen beschermd worden.
3.5. Het compartiment moet mutatis mutandis aan de voorwaarden punt 2.2, voldoen.
3.6. Voor een compartiment gelden aanvullende maatregelen, die worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, indien zij dit noodzakelijk acht ter voorkoming van de insleep van ziekten. Deze maatregelen kunnen het vaststellen van aanvullende beschermingsmaatregelen tegen de insleep van mogelijke ziekteverwekkers omvatten.
3.7. De uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot punt 3.2, onder a), worden vastgesteld in het Permanent Comité voor de Voedselketen en de Dierengezondheid.
4. Bijzondere bepalingen voor afzonderlijke kwekerijen die hun activiteiten aanvangen of hervatten
4.1. Een nieuwe kwekerij die aan de voorwaarden van punt 3.1, onder a), en van de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoet, maar die haar activiteiten met aquacultuurdieren uit een ziektevrij verklaard compartiment aanvangt, kan zonder de voor de vergunningverlening vereiste bemonstering als ziektevrij worden beschouwd.
4.2. Een kwekerij die na een onderbreking haar activiteiten hervat met aquacultuurdieren uit een als ziektevrij beschouwd compartiment en aan de voorwaarden van punt 3.1, onder a), en van de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoet, kan zonder de voor de vergunningverlening vereiste bemonstering ziektevrij worden verklaard, mits :
a) de gezondheidssituatie op het bedrijf tijdens de laatste vier jaren waarin het bedrijf actief was, bij de bevoegde autoriteit bekend is; wanneer de desbetreffende kwekerij echter minder dan vier jaar haar activiteiten uitvoert, wordt uitgegaan van de periode waarin de kwekerij werkelijk actief was;
b) ten aanzien van dit bedrijf geen veterinairrechtelijke maatregelen zijn genomen met betrekking tot de in bijlage 4, deel B, genoemde ziekten en deze ziekten daar niet eerder zijn voorgekomen;
c) voordat de aquacultuurdieren, eieren of gameten worden binnengebracht, de kwekerij gereinigd en ontsmet en zo nodig gedurende een bepaalde termijn stilgelegd wordt.
Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 9 november 2009 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren.
1. Gebieden
1.1. Een gebied kan bestaan uit :
a) een volledig stroomgebied van de bron tot het estuarium ervan,
of
b) een deel van een stroomgebied van de bron(nen) tot aan een natuurlijke of kunstmatige barrière die waterdieren belet om van lager gelegen gedeelten van het stroomgebied stroomopwaarts te migreren,
of
c) meer dan een stroomgebied, met inbegrip van de estuaria ervan, als gevolg van de verbinding die er in [2 epidemiologisch opzicht]2 via de estuaria tussen de stroomgebieden bestaat.
De geografische begrenzing van het gebied wordt duidelijk op een kaart aangegeven.
1.2. Indien een gebied zich over meer dan één lidstaat uitstrekt, kan het alleen ziektevrij verklaard worden, indien de in de punten 1.3 en 1.4 genoemde voorwaarden op alle delen van dat gebied van toepassing zijn. In dat geval vragen betrokken lidstaten goedkeuring aan voor het op hun grondgebied gelegen gedeelte van het gebied.
1.3. Een gebied waarin het laatst bekende klinische geval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus van voor de gerichte bewaking niet bekend is, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden beschouwd op voorwaarde dat er sedert ten minste twee jaar een gerichte bewaking is en er voor de ziekten waarvoor meldingsplicht geldt er een systeem van vroegtijdige opsporing wordt toegepast zonder dat er in de kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren waar een van de gevoelige soorten wordt gekweekt, een ziekteverwekker is ontdekt.
1.4. Zo nodig moet een bufferzone worden ingesteld, waarbinnen een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd. De bufferzones worden zodanig afgebakend dat hierdoor de ziektevrije zone tegen passieve insleep van de ziekte wordt beschermd.
2. Uit één of meer kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren bestaande compartimenten, waarvan de gezondheidsstatus wat een specifieke ziekte betreft afhangt van die van de omringende natuurlijke wateren
2.1. Een compartiment kan uit één of meer kwekerijen, een groep of cluster kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren bestaan die op grond van de geografische ligging ervan en de afstand ten opzichte van andere groepen of clusters kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren als één [1 epidemiologische eenheid]1 kunnen worden beschouwd, mits voor alle kwekerijen van het compartiment een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt. De geografische begrenzing van het compartiment wordt duidelijk op een kaart aangegeven.
2.2. Een compartiment waarin het laatst bekende klinische geval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus of die in de wateren die het compartiment omringen, niet bekend was voordat er gerichte bewaking plaatsvond, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden beschouwd indien het mutatis mutandis voldoet aan de voorwaarde dat er sedert ten minste twee jaar een gerichte bewaking is en er voor de ziekten waarvoor meldingsplicht geldt er een systeem van vroegtijdige opsporing wordt toegepast zonder dat er in de kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren waar een van de gevoelige soorten wordt gekweekt, een ziekteverwekker is ontdekt.
2.3. Voor alle kwekerijen en kweekgebieden binnen een compartiment gelden aanvullende maatregelen, die worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, indien zij dit noodzakelijk acht ter voorkoming van de insleep van ziekten. Dergelijke maatregelen kunnen het instellen van een buffergebied rond het compartiment waar een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd, en het vaststellen van aanvullende beschermingsmaatregelen tegen de insleep van mogelijke ziekteverwekkers omvatten.
3. Uit één of meer afzonderlijke kwekerijen bestaande compartimenten, waarvan de gezondheidsstatus wat een specifieke ziekte betreft niet van die van de omringende natuurlijke wateren afhangt
3.1. Een compartiment kan bestaan uit :
a) een afzonderlijke kwekerij, die als één [1 epidemiologische eenheid]1 kan worden beschouwd, aangezien zij niet door de gezondheidsstatus van de in de aangrenzende wateren levende dieren beïnvloed wordt,
of
b) meer kwekerijen, waarbij iedere kwekerij binnen het compartiment aan de in punt 3.1, onder a), en de punten 3.2 tot en met 3.6 bedoelde criteria voldoet, maar het compartiment, als gevolg van het intensieve vervoer van dieren tussen de kwekerijen, als één [1 epidemiologische eenheid]1 beschouwd moet worden en waar voor alle kwekerijen een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt.
3.2. Een compartiment moet van water worden voorzien :
a) via een waterzuiveringsinstallatie waarin het desbetreffende pathogeen geïnactiveerd wordt, om het risico op de insleep van ziekten tot een aanvaardbaar niveau te beperken,
of
b) rechtstreeks uit een put, een boorgat of een bron. Wanneer de bron van de watervoorziening op enige afstand van de kwekerij gelegen is, moet het water rechtstreeks via buizen ernaartoe geleid worden.
3.3. Er moeten natuurlijke of kunstmatige barrières zijn die waterdieren beletten om vanuit de aangrenzende waterlopen in de kwekerijen van een compartiment binnen te komen.
3.4. Het compartiment moet zo nodig tegen overstromingen en het binnendringen van water uit de aangrenzende waterlopen beschermd worden.
3.5. Het compartiment moet mutatis mutandis aan de voorwaarden punt 2.2, voldoen.
3.6. Voor een compartiment gelden aanvullende maatregelen, die worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, indien zij dit noodzakelijk acht ter voorkoming van de insleep van ziekten. Deze maatregelen kunnen het vaststellen van aanvullende beschermingsmaatregelen tegen de insleep van mogelijke ziekteverwekkers omvatten.
3.7. De uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot punt 3.2, onder a), worden vastgesteld in het Permanent Comité voor de Voedselketen en de Dierengezondheid.
4. Bijzondere bepalingen voor afzonderlijke kwekerijen die hun activiteiten aanvangen of hervatten
4.1. Een nieuwe kwekerij die aan de voorwaarden van punt 3.1, onder a), en van de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoet, maar die haar activiteiten met aquacultuurdieren uit een ziektevrij verklaard compartiment aanvangt, kan zonder de voor de vergunningverlening vereiste bemonstering als ziektevrij worden beschouwd.
4.2. Een kwekerij die na een onderbreking haar activiteiten hervat met aquacultuurdieren uit een als ziektevrij beschouwd compartiment en aan de voorwaarden van punt 3.1, onder a), en van de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoet, kan zonder de voor de vergunningverlening vereiste bemonstering ziektevrij worden verklaard, mits :
a) de gezondheidssituatie op het bedrijf tijdens de laatste vier jaren waarin het bedrijf actief was, bij de bevoegde autoriteit bekend is; wanneer de desbetreffende kwekerij echter minder dan vier jaar haar activiteiten uitvoert, wordt uitgegaan van de periode waarin de kwekerij werkelijk actief was;
b) ten aanzien van dit bedrijf geen veterinairrechtelijke maatregelen zijn genomen met betrekking tot de in bijlage 4, deel B, genoemde ziekten en deze ziekten daar niet eerder zijn voorgekomen;
c) voordat de aquacultuurdieren, eieren of gameten worden binnengebracht, de kwekerij gereinigd en ontsmet en zo nodig gedurende een bepaalde termijn stilgelegd wordt.
Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 9 november 2009 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren.
Art. N5. Annexe 5. - Exigences pour déclarer une zone ou un compartiment indemne de maladies
1. Zones
1.1. Une zone peut comprendre :
a) un bassin hydrographique entier, de la source à l'estuaire,
ou
b) une partie d'un bassin hydrographique de la (des) source(s) à une barrière naturelle ou artificielle empêchant la migration vers l'amont d'animaux aquatiques provenant de sections plus en aval du cours d'eau,
ou
c) plus d'un bassin hydrographique, y compris les estuaires, en raison du lien épidémiologique entre les bassins hydrographiques le long de l'estuaire.
La démarcation géographique de la zone est clairement délimitée sur une carte.
1.2. Si elle s'étend sur plusieurs Etats membres, une zone ne peut être déclarée "indemne de la maladie" que si les conditions énoncées aux points 1.3 et 1.4 s'appliquent à toutes les parties de cette zone. Dans ce cas, l'ensemble des Etats membres concernés demandent l'agrément de la zone située sur leur territoire.
1.3. Une zone dans laquelle la dernière manifestation clinique connue a été enregistrée au cours des dix années précédant l'application du statut "indemne de la maladie" ou dans laquelle le statut infectieux n'était pas connu avant la mise en oeuvre de la surveillance ciblée, par exemple en raison de l'absence de conditions propices à une manifestation clinique, peut être considérée "indemne de la maladie" à condition qu'un système de surveillance ciblée soit mis en place depuis au moins deux ans et qu'un système de détection précoce est d'application pour les maladies à déclaration obligatoire sans que l'agent pathogène ait été détecté dans les fermes aquacoles ou les parcs à mollusques qui détiennent ou qui élèvent une des espèces sensibles.
1.4. Le cas échéant, une zone tampon dans laquelle un programme de surveillance est mis en oeuvre est établie. La démarcation des zones tampons est établie de manière à protéger la zone indemne de l'introduction passive de la maladie.
2. Compartiments comprenant une ou plusieurs fermes aquacoles ou parcs à mollusques où le statut sanitaire concernant une maladie en question dépend du statut sanitaire des eaux naturelles avoisinantes concernant cette maladie.
2.1. Un compartiment peut comprendre une ou plusieurs fermes aquacoles, un groupe ou un ensemble de fermes aquacoles ou un parc à mollusques pouvant être considéré comme une unité épidémiologique en raison de sa situation géographique et de sa distance par rapport aux autres groupes ou ensembles de fermes aquacoles ou parcs à mollusques, pour autant que toutes les fermes aquacoles constituant le compartiment relèvent d'un système commun de biosécurité. La démarcation géographique d'un compartiment est clairement délimitée sur une carte.
2.2. Un compartiment dans lequel la dernière manifestation clinique connue a été enregistrée au cours des dix années précédant l'application du statut "indemne de la maladie" ou dans lequel le statut infectieux n'était pas connu, ni dans le compartiment même, ni dans les eaux l'avoisinant, avant la mise en oeuvre de la surveillance ciblée, en raison de l'absence de conditions propices à une manifestation clinique, peut être considéré "indemne de la maladie" à condition qu'un système de surveillance ciblée soit mis en place depuis au moins deux ans et qu'un système de détection précoce est d'application pour les maladies à déclaration obligatoire sans que l'agent pathogène ait été détecté dans les fermes aquacoles ou les parcs à mollusques qui détiennent ou qui élèvent une des espèces sensibles.
2.3. Chaque ferme aquacole ou parc à mollusques est soumis à des mesures supplémentaires imposées par
l'autorité compétente lorsque cela est jugé nécessaire pour empêcher l'introduction de maladies. Ces mesures peuvent comprendre la mise en place autour du compartiment d'une zone tampon dans laquelle un programme de surveillance est mis en oeuvre et la mise en place d'une protection supplémentaire contre l'intrusion d'éventuels porteurs ou vecteurs d'agents pathogènes.
3. Compartiments comprenant une ou plusieurs fermes aquacoles individuelles où le statut sanitaire concernant une maladie en question est indépendant du statut sanitaire des eaux naturelles avoisinantes concernant cette maladie.
3.1. Un compartiment peut comprendre :
a) une [2 ferme aquacole]2 individuelle qui peut être considérée comme une unité épidémiologique unique, étant donné qu'elle n'est pas influencée par le statut sanitaire des eaux avoisinantes,
ou
b) plusieurs fermes aquacoles dont chacune répond aux critères fixés au point 3.1 a) et aux points 3.2 à 3.6 mais qui, en raison des importants mouvements d'animaux [1 entre les fermes aquacoles]1, sont considérées comme une unité épidémiologique unique et qui relèvent toutes d'un système commun de biosécurité.
3.2. Un compartiment doit être approvisionné en eau :
a) par une station d'épuration neutralisant les pathogènes concernés aux fins de réduire le risque d'introduction de la maladie à un niveau acceptable,
ou
b) directement à partir d'un puits, d'un forage ou d'une source. Lorsqu'un tel approvisionnement en eau est situé en dehors des locaux de la ferme aquacole, l'eau doit être fournie directement à la [2 ferme aquacole]2 et acheminée au moyen d'une canalisation.
3.3. Il doit y avoir des barrières naturelles ou artificielles empêchant les animaux aquatiques provenant des cours d'eau environnants d'entrer dans [2 la ferme aquacole]2.
3.4. Le compartiment doit, le cas échéant, être protégé des inondations et des infiltrations d'eau en provenance des cours d'eau avoisinants.
3.5. Le compartiment doit répondre mutatis mutandis aux exigences énoncées au point 2.2.
3.6. Un compartiment est soumis à des mesures supplémentaires imposées par l'autorité compétente lorsque cela est jugé nécessaire pour empêcher l'introduction de maladies. Ces mesures peuvent comprendre la mise en place d'une protection supplémentaire contre l'intrusion d'éventuels porteurs ou vecteurs d'agents pathogènes.
3.7. Les mesures d'application relatives au point 3.2 a) sont établies par le Comité Permanent de la Chaîne Alimentaire et de la Santé Animale.
4. Dispositions particulières pour [1 les fermes aquacoles]1 individuelles qui commencent ou reprennent leurs activités
4.1. Une nouvelle [2 ferme aquacole]2 qui se conforme aux exigences énoncées au point 3.1 a) et aux points 3.2 à 3.6, mais qui commence ses activités avec des animaux d'aquaculture provenant d'un compartiment considéré "indemne de la maladie", peut être déclarée "indemne de la maladie" sans procéder au prélèvement d'échantillons requis pour l'octroi de l'agrément.
4.2. Une [2 ferme aquacole]2 qui, après une interruption, relance ses activités avec des animaux d'aquaculture provenant d'un compartiment déclaré "indemne de la maladie" et se conforme aux exigences énoncées au point 3.1 a) et aux points 3.2 à 3.6 de la présente partie peut être considérée "indemne de la maladie" sans procéder au prélèvement d'échantillons requis pour autant que :
a) l'historique sanitaire de la ferme aquacole soit connu de l'autorité compétente au cours des quatre dernières années d'activité de [2 la ferme aquacole]2; toutefois, lorsque la période d'activité de la [2 ferme aquacole]2 concernée est inférieure à quatre années, il est tenu compte de la période d'activité effective de [2 la ferme aquacole]2;
b) cette [2 ferme aquacole]2 n'ait pas fait l'objet, en ce qui concerne les maladies visées à l'annexe 4, partie B, de mesures de police sanitaire et que, dans cette exploitation, il n'y ait pas eu d'antécédents desdites maladies;
c) avant l'introduction des animaux d'aquaculture, des oeufs ou des gamètes, la [2 ferme aquacole]2 ait fait l'objet d'un nettoyage et d'une désinfection suivie, si nécessaire, d'une période appropriée de vide sanitaire.
1. Zones
1.1. Une zone peut comprendre :
a) un bassin hydrographique entier, de la source à l'estuaire,
ou
b) une partie d'un bassin hydrographique de la (des) source(s) à une barrière naturelle ou artificielle empêchant la migration vers l'amont d'animaux aquatiques provenant de sections plus en aval du cours d'eau,
ou
c) plus d'un bassin hydrographique, y compris les estuaires, en raison du lien épidémiologique entre les bassins hydrographiques le long de l'estuaire.
La démarcation géographique de la zone est clairement délimitée sur une carte.
1.2. Si elle s'étend sur plusieurs Etats membres, une zone ne peut être déclarée "indemne de la maladie" que si les conditions énoncées aux points 1.3 et 1.4 s'appliquent à toutes les parties de cette zone. Dans ce cas, l'ensemble des Etats membres concernés demandent l'agrément de la zone située sur leur territoire.
1.3. Une zone dans laquelle la dernière manifestation clinique connue a été enregistrée au cours des dix années précédant l'application du statut "indemne de la maladie" ou dans laquelle le statut infectieux n'était pas connu avant la mise en oeuvre de la surveillance ciblée, par exemple en raison de l'absence de conditions propices à une manifestation clinique, peut être considérée "indemne de la maladie" à condition qu'un système de surveillance ciblée soit mis en place depuis au moins deux ans et qu'un système de détection précoce est d'application pour les maladies à déclaration obligatoire sans que l'agent pathogène ait été détecté dans les fermes aquacoles ou les parcs à mollusques qui détiennent ou qui élèvent une des espèces sensibles.
1.4. Le cas échéant, une zone tampon dans laquelle un programme de surveillance est mis en oeuvre est établie. La démarcation des zones tampons est établie de manière à protéger la zone indemne de l'introduction passive de la maladie.
2. Compartiments comprenant une ou plusieurs fermes aquacoles ou parcs à mollusques où le statut sanitaire concernant une maladie en question dépend du statut sanitaire des eaux naturelles avoisinantes concernant cette maladie.
2.1. Un compartiment peut comprendre une ou plusieurs fermes aquacoles, un groupe ou un ensemble de fermes aquacoles ou un parc à mollusques pouvant être considéré comme une unité épidémiologique en raison de sa situation géographique et de sa distance par rapport aux autres groupes ou ensembles de fermes aquacoles ou parcs à mollusques, pour autant que toutes les fermes aquacoles constituant le compartiment relèvent d'un système commun de biosécurité. La démarcation géographique d'un compartiment est clairement délimitée sur une carte.
2.2. Un compartiment dans lequel la dernière manifestation clinique connue a été enregistrée au cours des dix années précédant l'application du statut "indemne de la maladie" ou dans lequel le statut infectieux n'était pas connu, ni dans le compartiment même, ni dans les eaux l'avoisinant, avant la mise en oeuvre de la surveillance ciblée, en raison de l'absence de conditions propices à une manifestation clinique, peut être considéré "indemne de la maladie" à condition qu'un système de surveillance ciblée soit mis en place depuis au moins deux ans et qu'un système de détection précoce est d'application pour les maladies à déclaration obligatoire sans que l'agent pathogène ait été détecté dans les fermes aquacoles ou les parcs à mollusques qui détiennent ou qui élèvent une des espèces sensibles.
2.3. Chaque ferme aquacole ou parc à mollusques est soumis à des mesures supplémentaires imposées par
l'autorité compétente lorsque cela est jugé nécessaire pour empêcher l'introduction de maladies. Ces mesures peuvent comprendre la mise en place autour du compartiment d'une zone tampon dans laquelle un programme de surveillance est mis en oeuvre et la mise en place d'une protection supplémentaire contre l'intrusion d'éventuels porteurs ou vecteurs d'agents pathogènes.
3. Compartiments comprenant une ou plusieurs fermes aquacoles individuelles où le statut sanitaire concernant une maladie en question est indépendant du statut sanitaire des eaux naturelles avoisinantes concernant cette maladie.
3.1. Un compartiment peut comprendre :
a) une [2 ferme aquacole]2 individuelle qui peut être considérée comme une unité épidémiologique unique, étant donné qu'elle n'est pas influencée par le statut sanitaire des eaux avoisinantes,
ou
b) plusieurs fermes aquacoles dont chacune répond aux critères fixés au point 3.1 a) et aux points 3.2 à 3.6 mais qui, en raison des importants mouvements d'animaux [1 entre les fermes aquacoles]1, sont considérées comme une unité épidémiologique unique et qui relèvent toutes d'un système commun de biosécurité.
3.2. Un compartiment doit être approvisionné en eau :
a) par une station d'épuration neutralisant les pathogènes concernés aux fins de réduire le risque d'introduction de la maladie à un niveau acceptable,
ou
b) directement à partir d'un puits, d'un forage ou d'une source. Lorsqu'un tel approvisionnement en eau est situé en dehors des locaux de la ferme aquacole, l'eau doit être fournie directement à la [2 ferme aquacole]2 et acheminée au moyen d'une canalisation.
3.3. Il doit y avoir des barrières naturelles ou artificielles empêchant les animaux aquatiques provenant des cours d'eau environnants d'entrer dans [2 la ferme aquacole]2.
3.4. Le compartiment doit, le cas échéant, être protégé des inondations et des infiltrations d'eau en provenance des cours d'eau avoisinants.
3.5. Le compartiment doit répondre mutatis mutandis aux exigences énoncées au point 2.2.
3.6. Un compartiment est soumis à des mesures supplémentaires imposées par l'autorité compétente lorsque cela est jugé nécessaire pour empêcher l'introduction de maladies. Ces mesures peuvent comprendre la mise en place d'une protection supplémentaire contre l'intrusion d'éventuels porteurs ou vecteurs d'agents pathogènes.
3.7. Les mesures d'application relatives au point 3.2 a) sont établies par le Comité Permanent de la Chaîne Alimentaire et de la Santé Animale.
4. Dispositions particulières pour [1 les fermes aquacoles]1 individuelles qui commencent ou reprennent leurs activités
4.1. Une nouvelle [2 ferme aquacole]2 qui se conforme aux exigences énoncées au point 3.1 a) et aux points 3.2 à 3.6, mais qui commence ses activités avec des animaux d'aquaculture provenant d'un compartiment considéré "indemne de la maladie", peut être déclarée "indemne de la maladie" sans procéder au prélèvement d'échantillons requis pour l'octroi de l'agrément.
4.2. Une [2 ferme aquacole]2 qui, après une interruption, relance ses activités avec des animaux d'aquaculture provenant d'un compartiment déclaré "indemne de la maladie" et se conforme aux exigences énoncées au point 3.1 a) et aux points 3.2 à 3.6 de la présente partie peut être considérée "indemne de la maladie" sans procéder au prélèvement d'échantillons requis pour autant que :
a) l'historique sanitaire de la ferme aquacole soit connu de l'autorité compétente au cours des quatre dernières années d'activité de [2 la ferme aquacole]2; toutefois, lorsque la période d'activité de la [2 ferme aquacole]2 concernée est inférieure à quatre années, il est tenu compte de la période d'activité effective de [2 la ferme aquacole]2;
b) cette [2 ferme aquacole]2 n'ait pas fait l'objet, en ce qui concerne les maladies visées à l'annexe 4, partie B, de mesures de police sanitaire et que, dans cette exploitation, il n'y ait pas eu d'antécédents desdites maladies;
c) avant l'introduction des animaux d'aquaculture, des oeufs ou des gamètes, la [2 ferme aquacole]2 ait fait l'objet d'un nettoyage et d'une désinfection suivie, si nécessaire, d'une période appropriée de vide sanitaire.
Art. N6. Bijlage 6. - Bijlage II, punt 2 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
INRICHTINGEN WAARVAN DE ACTIVITEITEN ONDERWORPEN ZIJN AAN ERKENNING DOOR HET AGENTSCHAP
2. Aquacultuurdieren
a. Weekdieren
INRICHTINGEN WAARVAN DE ACTIVITEITEN ONDERWORPEN ZIJN AAN ERKENNING DOOR HET AGENTSCHAP
2. Aquacultuurdieren
a. Weekdieren
Art. N6. Annexe 6. - Annexe II, point 2 de l'arrêté royal du 16 janvier 2006 fixant les modalités des agréments, des autorisations et des enregistrements préalables délivrés par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire
ETABLISSEMENTS DONT LES ACTIVITES SONT SOUMISES A L'AGREMENT DE L'AGENCE
2. Animaux d'aquaculture
a. Mollusques
ETABLISSEMENTS DONT LES ACTIVITES SONT SOUMISES A L'AGREMENT DE L'AGENCE
2. Animaux d'aquaculture
a. Mollusques
| Code | Inrichting | Activiteiten |
| 2.a.1. | Verzendingscentra | Hanteren van voor menselijke consumptie geschikte levende tweekleppige weekdieren door ontvangst, verwatering, wassen, schoonmaken, naar grootte sorteren, voorzien van onmiddellijke verpakking en verpakken |
| 2.a.2. | Zuiveringscentra | Zuivering van levende tweekleppige weekdieren om ze geschikt te maken voor menselijke consumptie |
| 2.a.3. | Heruitzettingsgebieden | Heruitzetten van levende tweekleppige weekdieren om ze geschikt te maken voor menselijke consumptie |
| 2.a.4. | Productiegebieden | Het kweken of verzamelen van aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten - weekdieren - sierweekdieren |
| Code | Etablissement | Activités |
| 2.a.1. | Centres d'expédition | La manipulation de mollusques bivalves vivants propres à la consommation humaine par la réception, la finition, le lavage, le nettoyage, le calibrage, le conditionnement et l'emballage |
| 2.a.2. | Centres de purification | La purification de mollusques bivalves vivants afin de les rendre propres à la consommation humaine |
| 2.a.3. | Zones de reparcage | Le reparcage de mollusques bivalves vivants afin de les rendre propres à la consommation humaine |
| 2.a.4. | Zones de production | L'élevage ou l'extraction de mollusques destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie. - mollusques - mollusques ornementaux |
CodeInrichtingActiviteiten
2.a.1.VerzendingscentraHanteren van voor menselijke consumptie geschikte levende tweekleppige weekdieren door ontvangst, verwatering, wassen, schoonmaken, naar grootte sorteren, voorzien van onmiddellijke verpakking en verpakken
2.a.2.ZuiveringscentraZuivering van levende tweekleppige weekdieren om ze geschikt te maken voor menselijke consumptie
2.a.3.HeruitzettingsgebiedenHeruitzetten van levende tweekleppige weekdieren om ze geschikt te maken voor menselijke consumptie
2.a.4.ProductiegebiedenHet kweken of verzamelen van aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten - weekdieren
- sierweekdieren
2.a.1.VerzendingscentraHanteren van voor menselijke consumptie geschikte levende tweekleppige weekdieren door ontvangst, verwatering, wassen, schoonmaken, naar grootte sorteren, voorzien van onmiddellijke verpakking en verpakken
2.a.2.ZuiveringscentraZuivering van levende tweekleppige weekdieren om ze geschikt te maken voor menselijke consumptie
2.a.3.HeruitzettingsgebiedenHeruitzetten van levende tweekleppige weekdieren om ze geschikt te maken voor menselijke consumptie
2.a.4.ProductiegebiedenHet kweken of verzamelen van aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten - weekdieren
- sierweekdieren
CodeEtablissementActivités
2.a.1.Centres d'expéditionLa manipulation de mollusques bivalves vivants propres à la consommation humaine par la réception, la finition, le lavage, le nettoyage, le calibrage, le conditionnement et l'emballage
2.a.2.Centres de purificationLa purification de mollusques bivalves vivants afin de les rendre propres à la consommation humaine
2.a.3.Zones de reparcageLe reparcage de mollusques bivalves vivants afin de les rendre propres à la consommation humaine
2.a.4.Zones de productionL'élevage ou l'extraction de mollusques destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie.
- mollusques
- mollusques ornementaux
2.a.1.Centres d'expéditionLa manipulation de mollusques bivalves vivants propres à la consommation humaine par la réception, la finition, le lavage, le nettoyage, le calibrage, le conditionnement et l'emballage
2.a.2.Centres de purificationLa purification de mollusques bivalves vivants afin de les rendre propres à la consommation humaine
2.a.3.Zones de reparcageLe reparcage de mollusques bivalves vivants afin de les rendre propres à la consommation humaine
2.a.4.Zones de productionL'élevage ou l'extraction de mollusques destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie.
- mollusques
- mollusques ornementaux
b. Weekdieren, Vis, Schaaldieren
b. Mollusques, Poissons, Crustacés
| Code | Inrichting | Activiteiten |
| 2.b.1. | Kwekerij | Het kweken van aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten - vissen - siervissen - schaaldieren - sierschaaldieren |
| 2.b.2. | Open voorzieningen voor sierwaterdieren | Het houden van waterdieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten - sierweekdieren - siervissen - sierschaaldieren |
| Code | Etablissement | Activités |
| 2.b.1. | Fermes aquacoles | L'élevage d'animaux d'aquaculture destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie. - poissons - poissons ornementaux - crustacés - crustacés ornementaux |
| 2.b.2. | Installations ouvertes pour animaux aquatiques ornementaux | La détention d'animaux aquatiques ornementaux destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie. - mollusques ornementaux - poissons ornementaux - crustacés ornementaux |
CodeInrichtingActiviteiten
2.b.1.KwekerijHet kweken van aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten
- vissen
- siervissen
- schaaldieren
- sierschaaldieren
2.b.2.Open voorzieningen voor sierwaterdierenHet houden van waterdieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten
- sierweekdieren
- siervissen
- sierschaaldieren
2.b.1.KwekerijHet kweken van aquacultuurdieren die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten
- vissen
- siervissen
- schaaldieren
- sierschaaldieren
2.b.2.Open voorzieningen voor sierwaterdierenHet houden van waterdieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn om te worden binnengebracht in een lidstaat, een gebied of een compartiment die/dat vrij is van ziekten
- sierweekdieren
- siervissen
- sierschaaldieren
CodeEtablissementActivités
2.b.1.Fermes aquacolesL'élevage d'animaux d'aquaculture destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie.
- poissons
- poissons ornementaux
- crustacés
- crustacés ornementaux
2.b.2.Installations ouvertes pour animaux aquatiques ornementauxLa détention d'animaux aquatiques ornementaux destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie.
- mollusques ornementaux
- poissons ornementaux
- crustacés ornementaux
2.b.1.Fermes aquacolesL'élevage d'animaux d'aquaculture destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie.
- poissons
- poissons ornementaux
- crustacés
- crustacés ornementaux
2.b.2.Installations ouvertes pour animaux aquatiques ornementauxLa détention d'animaux aquatiques ornementaux destinés à être introduits dans un Etat membre, une zone ou un compartiment indemne de maladie.
- mollusques ornementaux
- poissons ornementaux
- crustacés ornementaux
Art. N7. Bijlage 7. - Tabel ter aanvulling van bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
INRICHTINGEN WAARVAN DE ACTIVITEITEN ONDERWORPEN ZIJN AAN DE TOELATING VAN HET AGENTSCHAP
18. Aquacultuurdieren
a. Weekdieren
INRICHTINGEN WAARVAN DE ACTIVITEITEN ONDERWORPEN ZIJN AAN DE TOELATING VAN HET AGENTSCHAP
18. Aquacultuurdieren
a. Weekdieren
Art. N7. Annexe 7. - Tableau ajouté à l'annexe III de l'arrêté royal du 16 janvier 2006 fixant les modalités des agréments, des autorisations et des enregistrements préalables délivrés par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire
ETABLISSEMENTS DONT LES ACTIVITES SONT SOUMISES A L'AUTORISATION DE L'AGENCE
18. Animaux d'aquaculture
a. Mollusques
ETABLISSEMENTS DONT LES ACTIVITES SONT SOUMISES A L'AUTORISATION DE L'AGENCE
18. Animaux d'aquaculture
a. Mollusques
| Code | Inrichting | Activiteiten |
| 18.a.1. | Productiezones | Het kweken of verzamelen van weekdieren. |
| Code | Etablissement | Activités |
| 18.a.1. | Zones de production | L'élevage ou l'extraction de mollusques. |
CodeInrichtingActiviteiten
18.a.1.ProductiezonesHet kweken of verzamelen van weekdieren.
18.a.1.ProductiezonesHet kweken of verzamelen van weekdieren.
CodeEtablissementActivités
18.a.1.Zones de productionL'élevage ou l'extraction de mollusques.
18.a.1.Zones de productionL'élevage ou l'extraction de mollusques.
b. Weekdieren, Vissen, Schaaldieren
b. Mollusques, Poissons, Crustacés
| Code | Inrichting | Activiteiten |
| 18.b.1. | Kwekerij | Het kweken van aquacultuurdieren tot ze in de handel worden gebracht. - vissen - siervissen - schaaldieren - sierschaaldieren |
| 18.b.2. | Open voorzieningen voor sierwaterdieren | Het houden van waterdieren voor sierdoeleinden. - sierweekdieren - siervissen - sierschaaldieren |
| 18.b.3. | Plaatsen voor het tijdelijk onderbrengen van in het wild gevangen waterdieren | Het tijdelijk onderbrengen vóór het slachten, zonder voeren, van in het wilde verzamelde of gevangen waterdieren met het oog op menselijke consumptie. - vissen - schaaldieren |
| Code | Etablissement | Activités |
| 18.b.1. | Fermes aquacoles | L'élevage d'animaux d'aquaculture en attente de leur mise sur le marché. - poissons - poissons ornementaux - crustacés - crustacés ornementaux |
| 18.b.2. | Installations ouvertes détenant des animaux aquatiques ornementaux | La détention d'animaux aquatiques ornementaux. - mollusques ornementaux - poissons ornementaux - crustacés ornementaux |
| 18.b.3. | Sites d'hébergement temporaire d'animaux aquatiques sauvages | L'hébergement temporairement avant leur abattage, sans les nourrir, d'animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés pour la consommation humaine. - poissons - crustacés |
CodeInrichtingActiviteiten
18.b.1.KwekerijHet kweken van aquacultuurdieren tot ze in de handel worden gebracht.
- vissen
- siervissen
- schaaldieren
- sierschaaldieren
18.b.2.Open voorzieningen voor sierwaterdierenHet houden van waterdieren voor sierdoeleinden.
- sierweekdieren
- siervissen
- sierschaaldieren
18.b.3.Plaatsen voor het tijdelijk onderbrengen van in het wild gevangen waterdierenHet tijdelijk onderbrengen vóór het slachten, zonder voeren, van in het wilde verzamelde of gevangen waterdieren met het oog op menselijke consumptie.
- vissen
- schaaldieren
18.b.1.KwekerijHet kweken van aquacultuurdieren tot ze in de handel worden gebracht.
- vissen
- siervissen
- schaaldieren
- sierschaaldieren
18.b.2.Open voorzieningen voor sierwaterdierenHet houden van waterdieren voor sierdoeleinden.
- sierweekdieren
- siervissen
- sierschaaldieren
18.b.3.Plaatsen voor het tijdelijk onderbrengen van in het wild gevangen waterdierenHet tijdelijk onderbrengen vóór het slachten, zonder voeren, van in het wilde verzamelde of gevangen waterdieren met het oog op menselijke consumptie.
- vissen
- schaaldieren
CodeEtablissementActivités
18.b.1.Fermes aquacolesL'élevage d'animaux d'aquaculture en attente de leur mise sur le marché.
- poissons - poissons ornementaux
- crustacés
- crustacés ornementaux
18.b.2.Installations ouvertes détenant des animaux aquatiques ornementauxLa détention d'animaux aquatiques ornementaux.
- mollusques ornementaux
- poissons ornementaux
- crustacés ornementaux
18.b.3.Sites d'hébergement temporaire d'animaux aquatiques sauvagesL'hébergement temporairement avant leur abattage, sans les nourrir, d'animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés pour la consommation humaine.
- poissons
- crustacés
18.b.1.Fermes aquacolesL'élevage d'animaux d'aquaculture en attente de leur mise sur le marché.
- poissons - poissons ornementaux
- crustacés
- crustacés ornementaux
18.b.2.Installations ouvertes détenant des animaux aquatiques ornementauxLa détention d'animaux aquatiques ornementaux.
- mollusques ornementaux
- poissons ornementaux
- crustacés ornementaux
18.b.3.Sites d'hébergement temporaire d'animaux aquatiques sauvagesL'hébergement temporairement avant leur abattage, sans les nourrir, d'animaux aquatiques sauvages ramassés ou capturés pour la consommation humaine.
- poissons
- crustacés
Art. N8. Bijlage 8.- Criteria en voorschriften voor rampenplannen
De rampenplannen voldoen ten minste aan de onderstaande voorschriften :
1. De voor de uitvoering van de rampenplannen benodigde wettelijke bevoegdheden moeten vastgelegd zijn zodat een snelle en efficiënte uitroeiingscampagne mogelijk gemaakt wordt.
2. Zij bevatten een regeling die waarborgt dat noodfondsen en budgettaire en financiële middelen worden vrijgemaakt om alle aspecten van de bestrijding van de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten te dekken.
3. Zij bevatten een hiërarchisch gestructureerde taakverdeling die een snelle en efficiënte besluitvorming bij de bestrijding van de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten of van opduikende ziekten garandeert. De algemene leiding van de bestrijdingsstrategieën is in handen van de crisiscel van het Voedselagentschap.
4. Er zijn gedetailleerde plannen beschikbaar op grond waarvan het Voedselagentschap bij het uitbreken van in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten of van opduikende ziekten onmiddellijk lokale ziektebestrijdingscentra kan opzetten, teneinde de ziektebestrijdingsmaatregelen op lokaal niveau uit te voeren.
5. De samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten met het oog op een afdoende coördinatie van de te nemen maatregelen.
6. De nodige hulpmiddelen, waaronder personeel, apparatuur en laboratoriumcapaciteit, worden in paraatheid gehouden om een snelle en efficiënte uitroeiingscampagne te kunnen garanderen.
7. Er wordt een draaiboek ter beschikking gesteld, dat voortdurend wordt bijgehouden en waarin alle stappen, procedures, instructies en bestrijdingsmaatregelen voor de aanpak van de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten of van opduikende ziekten nauwkeurig, uitvoerig en in praktische vorm worden beschreven.
8. Voor eventuele noodvaccinaties zijn gedetailleerde plannen beschikbaar.
9. Het personeel ontvangt regelmatig scholing in het herkennen van klinische symptomen, [1 epidemiologisch onderzoek]1 en de bestrijding van epizoötische ziekten en neemt deel aan realtimealarmoefeningen; voorts volgt het cursussen voor communicatievaardigheden, zodat het permanente bewustmakingscampagnes betreffende een ziekte kan opzetten ten behoeve van autoriteiten, exploitanten en dierenartsen.
10. Bij de opstelling van de rampenplannen wordt ook rekening gehouden met de middelen die vereist zijn voor de bestrijding van een groot aantal uitbraken die zich in korte tijd voordoen.
De rampenplannen voldoen ten minste aan de onderstaande voorschriften :
1. De voor de uitvoering van de rampenplannen benodigde wettelijke bevoegdheden moeten vastgelegd zijn zodat een snelle en efficiënte uitroeiingscampagne mogelijk gemaakt wordt.
2. Zij bevatten een regeling die waarborgt dat noodfondsen en budgettaire en financiële middelen worden vrijgemaakt om alle aspecten van de bestrijding van de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten te dekken.
3. Zij bevatten een hiërarchisch gestructureerde taakverdeling die een snelle en efficiënte besluitvorming bij de bestrijding van de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten of van opduikende ziekten garandeert. De algemene leiding van de bestrijdingsstrategieën is in handen van de crisiscel van het Voedselagentschap.
4. Er zijn gedetailleerde plannen beschikbaar op grond waarvan het Voedselagentschap bij het uitbreken van in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten of van opduikende ziekten onmiddellijk lokale ziektebestrijdingscentra kan opzetten, teneinde de ziektebestrijdingsmaatregelen op lokaal niveau uit te voeren.
5. De samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten met het oog op een afdoende coördinatie van de te nemen maatregelen.
6. De nodige hulpmiddelen, waaronder personeel, apparatuur en laboratoriumcapaciteit, worden in paraatheid gehouden om een snelle en efficiënte uitroeiingscampagne te kunnen garanderen.
7. Er wordt een draaiboek ter beschikking gesteld, dat voortdurend wordt bijgehouden en waarin alle stappen, procedures, instructies en bestrijdingsmaatregelen voor de aanpak van de in bijlage 4, deel B, vermelde exotische ziekten of van opduikende ziekten nauwkeurig, uitvoerig en in praktische vorm worden beschreven.
8. Voor eventuele noodvaccinaties zijn gedetailleerde plannen beschikbaar.
9. Het personeel ontvangt regelmatig scholing in het herkennen van klinische symptomen, [1 epidemiologisch onderzoek]1 en de bestrijding van epizoötische ziekten en neemt deel aan realtimealarmoefeningen; voorts volgt het cursussen voor communicatievaardigheden, zodat het permanente bewustmakingscampagnes betreffende een ziekte kan opzetten ten behoeve van autoriteiten, exploitanten en dierenartsen.
10. Bij de opstelling van de rampenplannen wordt ook rekening gehouden met de middelen die vereist zijn voor de bestrijding van een groot aantal uitbraken die zich in korte tijd voordoen.
Modifications
Art. N8. Annexe 8. - Critères et exigences concernant les plans d'intervention
Les plans d'intervention répondent au moins aux exigences ci-après.
1. Des dispositions réglementaires nécessaires doivent être prévues pour la mise en oeuvre des plans d'intervention et d'une campagne d'éradication rapide et efficace.
2. L'accès à des fonds d'urgence, à des moyens budgétaires et à des ressources financières doit être prévu afin de couvrir tous les aspects de la lutte contre les maladies exotiques, répertoriées à l'annexe 4, partie B.
3. Une chaîne de commandement doit être mise sur pied en vue de garantir un processus de prise de décision rapide et efficace pour faire face aux maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, ou aux maladies émergentes. La cellule de crise de l'Agence alimentaire est chargée de diriger l'ensemble des stratégies de lutte.
4. Des programmes détaillés doivent être disponibles pour que, en cas d'apparition de maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, ou de maladies émergentes, l'Agence alimentaire soit prête à mettre en place immédiatement des centres locaux d'urgence, afin d'appliquer les mesures de lutte à l'échelon local.
5. La coopération entre les autorités compétentes doit être assurée afin que les actions soient dûment coordonnées.
6. Il convient de prévoir des ressources appropriées, notamment le personnel, les équipements et la capacité en matière de laboratoires, pour garantir une campagne d'éradication rapide et efficace.
7. Un manuel d'instruction à jour doit être disponible et comporter une description détaillée, complète et pratique de toutes les actions, procédures, instructions et mesures de lutte permettant de lutter contre les maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, ou les maladies émergentes.
8. Des programmes détaillés de vaccination d'urgence doivent être disponibles, le cas échéant.
9. Le personnel doit participer régulièrement à une formation portant sur les signes cliniques, l'enquête épidémiologique et la lutte contre les épizooties, à des exercices d'alerte en temps réel et à une formation en techniques de communication afin d'organiser, à l'intention des autorités, des exploitants et des vétérinaires, des campagnes de sensibilisation sur l'épizootie en cours.
10. Les plans d'intervention doivent prendre en compte les ressources nécessaires pour lutter contre un grand nombre de foyers qui apparaîtraient en peu de temps.
Les plans d'intervention répondent au moins aux exigences ci-après.
1. Des dispositions réglementaires nécessaires doivent être prévues pour la mise en oeuvre des plans d'intervention et d'une campagne d'éradication rapide et efficace.
2. L'accès à des fonds d'urgence, à des moyens budgétaires et à des ressources financières doit être prévu afin de couvrir tous les aspects de la lutte contre les maladies exotiques, répertoriées à l'annexe 4, partie B.
3. Une chaîne de commandement doit être mise sur pied en vue de garantir un processus de prise de décision rapide et efficace pour faire face aux maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, ou aux maladies émergentes. La cellule de crise de l'Agence alimentaire est chargée de diriger l'ensemble des stratégies de lutte.
4. Des programmes détaillés doivent être disponibles pour que, en cas d'apparition de maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, ou de maladies émergentes, l'Agence alimentaire soit prête à mettre en place immédiatement des centres locaux d'urgence, afin d'appliquer les mesures de lutte à l'échelon local.
5. La coopération entre les autorités compétentes doit être assurée afin que les actions soient dûment coordonnées.
6. Il convient de prévoir des ressources appropriées, notamment le personnel, les équipements et la capacité en matière de laboratoires, pour garantir une campagne d'éradication rapide et efficace.
7. Un manuel d'instruction à jour doit être disponible et comporter une description détaillée, complète et pratique de toutes les actions, procédures, instructions et mesures de lutte permettant de lutter contre les maladies exotiques répertoriées à l'annexe 4, partie B, ou les maladies émergentes.
8. Des programmes détaillés de vaccination d'urgence doivent être disponibles, le cas échéant.
9. Le personnel doit participer régulièrement à une formation portant sur les signes cliniques, l'enquête épidémiologique et la lutte contre les épizooties, à des exercices d'alerte en temps réel et à une formation en techniques de communication afin d'organiser, à l'intention des autorités, des exploitants et des vétérinaires, des campagnes de sensibilisation sur l'épizootie en cours.
10. Les plans d'intervention doivent prendre en compte les ressources nécessaires pour lutter contre un grand nombre de foyers qui apparaîtraient en peu de temps.