Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 JULI 2008. - Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-10-2008 en tekstbijwerking tot 11-08-2025)
Titre
10 JUILLET 2008. - Décret relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-10-2008 et mise à jour au 11-08-2025)
Informations sur le document
Numac: 2008203342
Datum: 2008-07-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2008203342
Date: 2008-07-10
Moniteur: Voir
Tekst (206)
Texte (206)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions introductives.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art. 2. Dit decreet is van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, [1 ...]1 en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en op [2 de VDAB]2.
  
Art. 2. Le présent décret s'applique aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, [1 ...]1 et aux centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises subventionnés, financés et agréés par la Communauté flamande ainsi qu'[2 au VDAB]2.
  
Art. 3. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
  [8 1° aanloopcomponent: de invulling van de component werkplekleren die samen met de component leren zorgt voor het voltijds engagement voor arbeidsbereide leerlingen waarvan de arbeidsgerichte, loopbaangerichte of vaktechnische competenties verder dienen te worden versterkt;]8
  [8 1°bis]8 anderstalige nieuwkomer : een jongere die aan alle volgende voorwaarden voldoet :
  a) een nieuwkomer zijn, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;
  b) het Nederlands niet als moedertaal of thuistaal hebben;
  c) maximaal negen maanden ingeschreven zijn, de maanden juli en augustus niet inbegrepen, in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;
  d) het Nederlands onvoldoende beheersen om deeltijds beroepssecundair onderwijs met goed gevolg te doorlopen;
  e) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt;
  2° arbeidsdeelname : de volwaardige arbeidsparticipatie van jongeren in het reguliere economische circuit of de daaraan gelijkwaardige activiteiten als vermeld in dit decreet;
  3° betrokken personen : de ouders of de personen die de minderjarige jongere in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel de meerderjarige jongere zelf;
  4° [8 ...]8
  5° centrumbestuur : het orgaan dat voor het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;
  [3 5° bis compenserende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het leerprogramma of de doelen die na dispensatie voor de jongere bepaald zijn, bereikt kunnen worden;]3
  [3 5° ter differentiërende maatregelen: maatregelen, waarbij het centrum binnen het leerprogramma, van een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele jongeren of groepen van jongeren;]3
  [3 5° quater dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum doelen aan het leerprogramma toevoegt of de jongere vrijstelt van doelen van het leerprogramma en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende onderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;]3
  6° eindtermen : minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde jongerenpopulatie in het gewoon secundair onderwijs. Met minimumdoelen wordt bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die jongerenpopulatie;
  [6 6° bis [10 individueel aangepast curriculum: het individueel aangepast curriculum, vermeld in artikel 122/1/0 van de Codex Secundair Onderwijs;]10]6
  7° inschrijving : de opname in het leerlingenbestand van een door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, dan wel de heropname na uitschrijving;
  [3 7° bis jongere met specifieke onderwijsbehoeften: jongere met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
   a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
   b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
   c) persoonlijke en externe factoren;]3

  8° [9 leertijd: de opleiding, vermeld in artikel 2, 15°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";]9
  9° lokaal comité : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;
  10° module : het kleinste te certificeren deel van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud;
  [8 10° bis NAFT: NAFT zoals bepaald in de vigerende decreet- en regelgeving op de bijzondere jeugdbijstand en de integrale jeugdhulp;]8
  [1 [8 10°ter]8 [9 ...]9]1
  11° onthaalonderwijs : een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers voorbereidt op betere doorstroming naar arbeidsdeelname. Dit onderwijsaanbod is gericht op taalvaardigheid, inburgering en zelfredzaamheid. [4 De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria `leeftijd', `taalkennis Nederlands' en `duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied' van de anderstalige nieuwkomers]4;
  12° [8 ...]8
  13° [5 ...]5
  [3 13° bis remediërende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het leerprogramma;]3
  14° scholengemeenschap : één instelling of een groep van instellingen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;
  [2 14° /1 leerlingenstage : een vorm van opleiding binnen de component leren :
   a) buiten een vestigingsplaats van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;
   c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;
   d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht die aansluit bij de gevolgde opleiding;
   e) met de bedoeling beroepservaring op te doen.]2

  15° [9 ...]9
  16° [7 trajectbegeleider: het aangewezen personeelslid dat in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs belast is met trajectbegeleiding; de gemandateerde persoon die in het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen belast is met trajectbegeleiding;]7
  17° [7 ...]7
  18° trajectbegeleiding : een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van jongeren tijdens de component leren en de component werkplekleren en dit in overleg met de betrokken actoren met als ultiem doel de toeleiding naar de arbeidsmarkt;
  19° uur : hetzij een periode van 50 minuten hetzij, maar uitsluitend in het geval van een [8 ...]8 [8 aanloopcomponent]8 of arbeidsdeelname, een periode van 60 minuten; om te komen tot het minimaal aantal uren voltijds engagement wordt een uur omgerekend naar een periode van 50 minuten;
  20° VDAB : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding : de dienst die voor het Vlaamse Gewest bevoegd is voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding en die voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevoegd is voor beroepsopleiding;
  21° [8 ...]8
  
Art. 3. Pour l'application du présent décret, on entend par :
  [8 1° composante de démarrage : la concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail qui, ensemble avec la composante apprentissage, assure l'engagement à temps plein pour les élèves disposés au travail dont les compétences axées sur l'emploi, axées sur la carrière ou spécialisées doivent être davantage renforcées ;]8
  [8 1°bis]8 primo-arrivant allophone : un jeune qui répond à toutes les conditions suivantes :
  a) être primo-arrivant, c.-à-d. résider de manière ininterrompue en Belgique depuis un an au maximum;
  b) ne pas avoir le néerlandais comme langue maternelle ou comme langue familiale;
  c) être inscrit depuis neuf mois au maximum, à l'exclusion des mois de juillet et d'août, dans un établissement d'enseignement ayant le néerlandais comme langue d'enseignement;
  d) ne pas suffisamment maîtriser le néerlandais pour suivre avec fruit l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  e) ne pas avoir atteint l'âge de 18 ans le 31 décembre suivant le début de l'année scolaire;
  2° participation au marché de l'emploi : la participation à part entière au marché de l'emploi de jeunes dans le circuit économique régulier ou à des activités équivalentes telles que visées dans le présent décret;
  3° personnes concernées : les parents ou les personnes ayant le mineur d'âge de droit ou de fait sous leur garde, soit le jeune adulte lui-même;
  4° [8 ...]8
  5° direction du centre : l'organe qui effectue les opérations de gestion pour le compte du centre, conformément aux compétences attribuées par la loi, le décret, le décret spécial ou les statuts;
  [3 5° bis mesures compensatoires : mesures par lesquelles le centre offre des moyens orthopédagogiques ou orthodidactiques, dont des moyens techniques, permettant d'atteindre les objectifs du programme d'études ou les objectifs étant déterminés pour le jeune après dispense ;]3
  [3 5° ter mesures différenciantes : mesures par lesquelles le centre apporte, au sein du programme d'études, une variation restreinte dans le processus d'apprentissage, afin de mieux répondre aux besoins de jeunes individuels ou de groupes de jeunes ;]3
  [3 5° quater mesures dispensatoires : mesures par lesquelles le centre ajoute des objectifs au programme d'études ou dispense le jeune de certains objectifs du programme d'études et les remplace, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité de la subdivision concernée, soit les objectifs de transition à l'enseignement complémentaire envisagé ou au marché de l'emploi puissent encore être atteints dans une mesure suffisante ;]3
  6° objectifs finaux : les objectifs minimums jugés nécessaires et accessibles par l'autorité pour une population déterminée de jeunes dans l'enseignement secondaire ordinaire. Il convient d'entendre par objectifs minimum : un minimum de connaissance, de compréhension, d'aptitudes et d'attitudes, destinées à cette population de jeunes;
  [6 6° bis [10 programme adapté individuellement : le programme adapté individuellement, visé à l'article 122/1/0 du Code de l'enseignement secondaire ;]10]6
  7° inscription : l'enregistrement dans le fichier d'élèves d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, soit la réinsertion après désinscription;
  [3 7° bis jeune à besoins éducatifs spécifiques : élève posant des problèmes de participation importants et de longue durée dus à l'interférence entre :
   a) une ou plusieurs limitations de fonctionnement de nature mentale, psychique, physique ou sensorielle et ;
   b) des limitations dans l'exécution d'activités et ;
   c) des facteurs personnels et externes ;]3

  8° [9 apprentissage : la formation visée à l'article 2, 15°, du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle;]9
  9° comité local : l'organe local de concertation ou de négociation compétent en matière de conditions de travail et de ressources humaines;
  10° module : la plus petite unité à certifier à certifier d'une formation dans l'enseignement secondaire professionnel correspondant à un contenu déterminé;
  [8 10° bis NAFT : NAFT (Naadloos flexibel traject - Parcours fluide et flexible), tel que fixé aux décrets et réglementations en vigueur relatifs à l'assistance spéciale à la jeunesse et à l'aide intégrale à la jeunesse ;]8
  [1 [8 10° ter]8 [9 ...]9]1
  11° enseignement d'accueil : une offre d'enseignement spécifique et temporaire qui prépare les primo-arrivants allophones à une meilleure transition vers la participation au marché de l'emploi. Cette offre d'enseignement vise les aptitudes linguistiques, l'intégration civique et l'autonomie. [4 Le Gouvernement flamand délimite le groupe cible, au moins en tenant compte des critères " âge ", " connaissance du néerlandais " et " temps de présence sur le territoire belge " des primo-arrivants allophones"]4 ;
  12° [8 ...]8
  13° [5 ...]5
  [3 13° bis mesures correctrices : des mesures par lesquelles le centre fournit des formes effectives d'aide adaptée à l'apprentissage au sein du programme d'études ;]3
  14° centre d'enseignement : un établissement ou un groupe d'établissements qui assure l'organisation de l'enseignement au sein d'une certaine circonscription géographique;
  [2 14° /1 stage d'élève : une forme de formation de la composante apprentissage :
   a) en dehors d'une implantation du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
   b) dans un environnement professionnel réel auprès d'un employeur;
   c) dans des conditions similaires à celles des travailleurs réguliers de cet employeur;
   d) où un travail effectif est effectué qui s'aligne sur la formation suivie;
   e) dans le but d'acquérir une expérience professionnelle.]2

  15° [9 ...]9;
  16° [7 accompagnateur de parcours : le membre du personnel désigné qui est chargé de l'accompagnement de parcours dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ; la personne mandatée qui est chargée de l'accompagnement de parcours dans le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;]7
  17° [7 ...]7
  18° accompagnement de parcours : un processus continu d'accompagnement et de suivi du développement personnel et de la formation des jeunes dans le cadre de la composante apprentissage et de la composante apprentissage sur le lieu du travail et ce, en concertation avec les intéressés, le but ultime étant de les orienter vers le marché de l'emploi;
  19° heure : soit une période de 50 minutes, soit, mais exclusivement dans le cas [8 ...]8 [8 d'une composante de démarrage]8 ou d'une participation au marché de l'emploi, une période de 60 minutes; pour arriver au nombre minimum d'engagements à temps plein, une heure est convertie en période de 50 minutes;
  20° VDAB : le Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding tel que visé dans le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding" (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle : le service qui est compétent en Région flamande pour les activités de placement et la formation professionnelle et qui est compétent en Région de Bruxelles-Capitale pour la formation professionnelle;
  21° [8 ...]8
  
HOOFDSTUK II. - Voltijds engagement.
CHAPITRE II. - Engagement à temps plein.
Art. 4. Het stelsel van leren en werken combineert, voor elke individuele jongere, een component leren en een component werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uren per week, wat een voltijds engagement van de jongere inhoudt, en voldoet voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht waaraan de jongere eventueel is onderworpen.
Art. 4. Le système d'apprentissage et de travail combine, pour chaque jeune individuel, une composante apprentissage et une composante apprentissage sur le lieu du travail. Cette combinaison couvre au minimum 28 heures par semaine, ce qui implique un engagement à temps plein du jeune, et répond à l'obligation scolaire à temps partiel à laquelle le jeune est, le cas échéant, soumis.
Art. 5. De component leren kan als volgt worden ingevuld :
  1° via het deeltijds beroepssecundair onderwijs, georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
  2° via de theoretische vorming binnen de leertijd.
Art. 5. La composante apprentissage peut se concrétiser comme suit :
  1° par le biais de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, organisé conformément aux dispositions du présent décret;
  2° par le biais de la formation théorique pendant l'apprentissage.
Art. 6. § 1. De invulling van de component werkplekleren is afhankelijk van de invulling van de component leren, zoals hierna bepaald.
  In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld :
  1° via arbeidsdeelname;
  2° [3 via een aanloopcomponent;]3
  3° [3 ...]3
  In de leertijd kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld :
  1° via de praktijkopleiding binnen de leertijd, die gelijkstaat met arbeidsdeelname;
  2° [3 ...]3
  [3 3° via een [5 aanloopcomponent]5.]3
  § 2. Voor arbeidsdeelname als vermeld in § 1, tweede lid, 1°, komen in aanmerking :
  1° [4 de reguliere tewerkstelling op basis van een overeenkomst vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;]4
  2° het volgen van een sportgerelateerde opleiding binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarbij de opleiding enerzijds een duidelijke beroepskwalificatie moet hebben die op zijn minst minimale aansluiting vindt bij de beoefende sport en anderzijds georganiseerd wordt in overleg met en na formele instemming van een erkende sportfederatie;
  3° het vrijwilligerswerk, zoals bij wet bepaald;
  4° het tijdelijk volgen van een bijkomende opleiding of cursus die specifiek gericht is op het verhogen van de tewerkstellingsperspectieven of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;
  5° het verrichten van culturele, sociale of sportactiviteiten georganiseerd door een instantie van de overheid of erkend door of namens een overheid.
  De invulling van de component werkplekleren door middel van een van voormelde alternatieven kan geenszins afbreuk doen aan artikel 4 dat bepaalt dat de combinatie van de component leren en de component werkplekleren minimaal 28 uren per week omvat.
  § 3. In afwijking van artikel 4 en onverminderd het in § 4 gestelde, is het toegelaten in volgende gevallen de component werkplekleren tijdelijk niet in te vullen :
  1° tijdens de periode tussen het sluiten van een overeenkomst en de inwerkingtreding van die overeenkomst;
  2° tijdens een periode waarin de jongere actief solliciteert met het oog op invulling van de component werkplekleren;
  3° tijdens de periode tussen de inschrijving en de screening als vermeld in artikel 62.
  Het niet invullen van de component werkplekleren kan, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, maximum 30 dagen per jongere per schooljaar bedragen. Voor de toepassing van deze bepaling worden uitsluitend de gevallen onder 1° en 2° in aanmerking genomen en wordt onder dagen verstaan : alle weekdagen van het schooljaar, met uitzondering van de niet-facultatieve vakantieperiodes zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.
  § 4. In overeenstemming met [1 artikel 112, vierde lid, van de Codex Secundair Onderwijs]1, is het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bevoegd om een bepaalde concrete invulling van arbeidsdeelname aan de jongere op te leggen of te ontzeggen. Het centrum zal bij die beslissing alleszins het profiel van de jongere, de meerwaarde voor de component leren en de tijdsduur van de arbeidsdeelname in overweging nemen.
  Indien zich meerdere concrete alternatieven voordoen, dan beslist het centrum na overleg met de betrokken personen. In elk geval moet steeds maximaal worden gestreefd naar een invulling van de component werkplekleren door middel van het in § 2, 1°, gestelde, waarbij er een inhoudelijke aansluiting is op de component leren.
  
Art. 6. § 1er. La concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail est fonction de la concrétisation de la composante apprentissage, conformément aux dispositions définies ci-après.
  Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, la composante apprentissage sur le lieu du travail peut se concrétiser comme suit :
  1° par la participation au marché de l'emploi;
  2° [3 par le biais d'une composante de démarrage]3;
  3° [3 ...]3
  Durant l'apprentissage, la composante apprentissage sur le lieu du travail peut se concrétiser comme suit :
  1° par le biais de la formation pratique pendant l'apprentissage, qui est assimilée à la participation au marché de l'emploi;
  2° [3 ...]3
  [3 3° par le biais [5 d'une composante de démarrage]5.]3
  § 2. Entrent en ligne de compte pour la participation au marché de l'emploi visée au § 1er, alinéa deux, 1° :
  1° [4 l'emploi régulier sur la base d'un contrat, visé à l'article 3 du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;]4
  2° le fait de suivre une formation sportive dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, la formation devant conduire d'une part vers une qualification professionnelle claire qui se greffe au moins sur le sport exercé et qui est d'autre part organisée en concertation avec et après accord formel d'une fédération sportive agréée;
  3° le volontariat, tel que défini par la loi;
  4° le fait de suivre temporairement une formation ou un cours complémentaire qui est axé spécifiquement sur l'amélioration des perspectives d'emploi ou l'employabilité sur le marché de l'emploi;
  5° le fait d'exercer des activités sportives, culturelles ou sociales organisées par une instance publique ou agréées par ou au nom des autorités.
  La concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail par le biais de l'une des alternatives précitées ne peut aucunement porter préjudice à l'article 4 qui stipule que la combinaison de la composante apprentissage et la composante apprentissage sur le lieu du travail couvre au moins 28 heures par semaine.
  § 3. Par dérogation à l'article 4 et sans préjudice des dispositions du § 4, il est admis dans les cas suivants de ne pas concrétiser temporairement la composante apprentissage sur le lieu du travail :
  1° pendant la période entre la conclusion d'un contrat et l'entrée en vigueur de celui-ci;
  2° pendant la période durant laquelle le jeune postule activement en vue de la concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail;
  3° pendant la période entre l'inscription et le screening tel que visé à l'article 62.
  La non concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail peut, de manière distincte pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et pour l'apprentissage, s'élever à un maximum de 30 jours par jeune par année scolaire. Pour l'application de cette disposition, seuls les cas visés aux 1° et 2° sont pris en compte et il convient d'entendre par jours : tous les jours de semaine de l'année scolaire, à l'exception des périodes de vacances non facultatives telle que définies dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 portant organisation de l'année scolaire dans l'enseignement secondaire.
  § 4. Conformément aux dispositions de [1 l'article 112, quatrième alinéa, du Code de l'Enseignement secondaire]1, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est habilité à imposer une certaine concrétisation de la participation au marché de l'emploi au jeune ou de l'en priver. Lors de cette décision, le centre tiendra de toute manière compte du profil du jeune, de la valeur ajoutée pour la composante apprentissage et de la durée de la participation au marché de l'emploi.
  S'il existe plusieurs alternatives concrètes, le centre statuera après concertation avec les intéressés. Quoi qu'il en soit, il faut toujours aspirer à une concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail par le biais des dispositions visées au § 2, 1°, permettant de réaliser un lien de fond avec la composante apprentissage.
  
Art.6 TOEKOMSTIG RECHT.
   § 1. De invulling van de component werkplekleren is afhankelijk van de invulling van de component leren, zoals hierna bepaald.
  In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld :
  1° via arbeidsdeelname;
  2° [3 via een aanloopcomponent;]3
  3° [3 ...]3
  In de leertijd kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld :
  1° via de praktijkopleiding binnen de leertijd, die gelijkstaat met arbeidsdeelname;
  2° [3 ...]3
  [3 3° via een [5 aanloopcomponent]5.]3
  § 2. Voor arbeidsdeelname als vermeld in § 1, tweede lid, 1°, komen in aanmerking :
  1° [4 de reguliere tewerkstelling op basis van een overeenkomst vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;]4
  2° het volgen van een sportgerelateerde opleiding binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarbij de opleiding enerzijds een duidelijke beroepskwalificatie moet hebben die op zijn minst minimale aansluiting vindt bij de beoefende sport en anderzijds georganiseerd wordt in overleg met en na formele instemming van een erkende sportfederatie;
  3° het vrijwilligerswerk, zoals bij wet bepaald;
  4° het tijdelijk volgen van een bijkomende opleiding of cursus die specifiek gericht is op het verhogen van de tewerkstellingsperspectieven of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;
  5° het verrichten van culturele, sociale of sportactiviteiten georganiseerd door een instantie van de overheid of erkend door of namens een overheid.
  De invulling van de component werkplekleren door middel van een van voormelde alternatieven kan geenszins afbreuk doen aan artikel 4 dat bepaalt dat de combinatie van de component leren en de component werkplekleren minimaal 28 uren per week omvat.
  § 3. In afwijking van artikel 4 en onverminderd het in § 4 gestelde, is het toegelaten in volgende gevallen de component werkplekleren tijdelijk niet in te vullen :
  1° tijdens de periode tussen het sluiten van een overeenkomst en de inwerkingtreding van die overeenkomst;
  2° tijdens een periode waarin de jongere actief solliciteert met het oog op invulling van de component werkplekleren;
  3° tijdens de periode tussen de inschrijving en de screening als vermeld in artikel 62.
  Het niet invullen van de component werkplekleren kan, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, maximum 30 dagen per jongere per schooljaar bedragen. Voor de toepassing van deze bepaling worden uitsluitend de gevallen onder 1° en 2° in aanmerking genomen en wordt onder dagen verstaan : alle weekdagen van het schooljaar, met uitzondering van de niet-facultatieve vakantieperiodes zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.
  § 4. In overeenstemming met [1 artikel 112, vierde lid, van de Codex Secundair Onderwijs]1, is het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bevoegd om een bepaalde concrete invulling van arbeidsdeelname aan de jongere op te leggen of te ontzeggen. Het centrum zal bij die beslissing alleszins het profiel van de jongere, de meerwaarde voor de component leren en de tijdsduur van de arbeidsdeelname in overweging nemen.
  Indien zich meerdere concrete alternatieven voordoen, dan beslist het centrum na overleg met de betrokken personen. In elk geval moet steeds maximaal worden gestreefd naar een invulling van de component werkplekleren door middel van het in § 2, 1°, gestelde, waarbij er een inhoudelijke aansluiting is op de component leren.
  [6 § 5. Als de component werkplekleren niet wordt ingevuld conform paragraaf 1 tot en met 3, of met een NAFT, wordt de opleiding altijd volledig georganiseerd via onderwijs bij het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen waar de leerling is ingeschreven.]6
Art.6 DROIT FUTUR.
   § 1er. La concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail est fonction de la concrétisation de la composante apprentissage, conformément aux dispositions définies ci-après.
  Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, la composante apprentissage sur le lieu du travail peut se concrétiser comme suit :
  1° par la participation au marché de l'emploi;
  2° [3 par le biais d'une composante de démarrage]3;
  3° [3 ...]3
  Durant l'apprentissage, la composante apprentissage sur le lieu du travail peut se concrétiser comme suit :
  1° par le biais de la formation pratique pendant l'apprentissage, qui est assimilée à la participation au marché de l'emploi;
  2° [3 ...]3
  [3 3° par le biais [5 d'une composante de démarrage]5.]3
  § 2. Entrent en ligne de compte pour la participation au marché de l'emploi visée au § 1er, alinéa deux, 1° :
  1° [4 l'emploi régulier sur la base d'un contrat, visé à l'article 3 du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;]4
  2° le fait de suivre une formation sportive dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, la formation devant conduire d'une part vers une qualification professionnelle claire qui se greffe au moins sur le sport exercé et qui est d'autre part organisée en concertation avec et après accord formel d'une fédération sportive agréée;
  3° le volontariat, tel que défini par la loi;
  4° le fait de suivre temporairement une formation ou un cours complémentaire qui est axé spécifiquement sur l'amélioration des perspectives d'emploi ou l'employabilité sur le marché de l'emploi;
  5° le fait d'exercer des activités sportives, culturelles ou sociales organisées par une instance publique ou agréées par ou au nom des autorités.
  La concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail par le biais de l'une des alternatives précitées ne peut aucunement porter préjudice à l'article 4 qui stipule que la combinaison de la composante apprentissage et la composante apprentissage sur le lieu du travail couvre au moins 28 heures par semaine.
  § 3. Par dérogation à l'article 4 et sans préjudice des dispositions du § 4, il est admis dans les cas suivants de ne pas concrétiser temporairement la composante apprentissage sur le lieu du travail :
  1° pendant la période entre la conclusion d'un contrat et l'entrée en vigueur de celui-ci;
  2° pendant la période durant laquelle le jeune postule activement en vue de la concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail;
  3° pendant la période entre l'inscription et le screening tel que visé à l'article 62.
  La non concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail peut, de manière distincte pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et pour l'apprentissage, s'élever à un maximum de 30 jours par jeune par année scolaire. Pour l'application de cette disposition, seuls les cas visés aux 1° et 2° sont pris en compte et il convient d'entendre par jours : tous les jours de semaine de l'année scolaire, à l'exception des périodes de vacances non facultatives telle que définies dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 portant organisation de l'année scolaire dans l'enseignement secondaire.
  § 4. Conformément aux dispositions de [1 l'article 112, quatrième alinéa, du Code de l'Enseignement secondaire]1, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est habilité à imposer une certaine concrétisation de la participation au marché de l'emploi au jeune ou de l'en priver. Lors de cette décision, le centre tiendra de toute manière compte du profil du jeune, de la valeur ajoutée pour la composante apprentissage et de la durée de la participation au marché de l'emploi.
  S'il existe plusieurs alternatives concrètes, le centre statuera après concertation avec les intéressés. Quoi qu'il en soit, il faut toujours aspirer à une concrétisation de la composante apprentissage sur le lieu du travail par le biais des dispositions visées au § 2, 1°, permettant de réaliser un lien de fond avec la composante apprentissage.
  [6 § 5. Si la composante apprentissage sur le lieu du travail n'est pas concrétisée conformément aux paragraphes 1er à 3, ou par un NAFT, la formation est toujours organisée entièrement par le biais d'enseignement auprès du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises où l'élève est inscrit.]6
Art. 7. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan, in afwijking van artikelen 5 en 6, § 1, voor een jongere die is ingeschreven in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de component leren of de component werkplekleren worden vervangen door een [1 NAFT]1.
  [1 ...]1
  
Art. 7. Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, par dérogation aux articles 5 et 6, § 1er, la composante apprentissage ou la composante apprentissage sur le lieu du travail peut être remplacée par un [1 NAFT]1 pour un jeune qui est inscrit dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
  [1 ...]1
  
HOOFDSTUK III. - De component leren.
CHAPITRE III. - La composante apprentissage.
Afdeling I. - De opleidingscentra.
Section Ire. - Les centres de formation.
Onderafdeling I. - Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.
Sous-section Ire. - Centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
Art. 8. § 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in maximaal 48 centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verdeeld als volgt : 16 in het Gemeenschapsonderwijs, 8 in het gesubsidieerd officieel onderwijs, 24 in het gesubsidieerd vrij onderwijs.
  Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is hetzij verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, hetzij autonoom, naar keuze van het centrumbestuur en met behoud van de toepassing van de programmatie- en rationalisatienormen. Voor de toepassing van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs wordt een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs beschouwd als een school. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, dan wordt onder centrumbestuur de inrichtende macht van die instelling verstaan.
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing als het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitsluitend wordt georganiseerd in de vorm van zeevisserijonderwijs.
  In voorkomend geval kan het deeltijds beroepssecundair onderwijs door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in maximaal drie centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verdeeld als volgt : één in het Gemeenschapsonderwijs, één in het gesubsidieerd officieel onderwijs, één in het gesubsidieerd vrij onderwijs.
  Een dergelijk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is steeds verbonden aan een instelling met voltijds gewoon secundair onderwijs die het studiegebied maritieme opleidingen organiseert.
  [1 § 3. [2 Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 1 en § 2, wordt de oprichting van een erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs door splitsing van een bestaand centrum, door het centrumbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar. [3 Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en 2 zijn voor de oprichting van een centrum die niet het gevolg is van splitsing van een bestaand centrum, artikel 14, § 2, of artikel 15, § 2, naargelang van het geval, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 van toepassing.]3.]2 ]1
  
Art. 8. § 1er. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut être agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande dans un maximum de 48 centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, répartis comme suit : 16 dans l'enseignement communautaire, 8 dans l'enseignement officiel subventionné, 24 dans l'enseignement libre subventionné.
  Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est soit rattaché à un établissement d'enseignement secondaire professionnel ou technique ordinaire à temps plein, soit autonome, au choix de la direction du centre et moyennant maintien de l'application des normes de programmation et de rationalisation. Pour l'application du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'Enseignement communautaire, un centre autonome pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est assimilé à une école. Lorsqu'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein, il convient d'entendre par direction du centre, le pouvoir organisateur de cet établissement.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne sont pas d'application lorsque l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est exclusivement organisé sous forme d'enseignement de la pêche maritime.
  Le cas échéant, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut être agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande dans un maximum de trois centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, répartis comme suit : un dans l'enseignement communautaire, un dans l'enseignement officiel subventionné, un dans l'enseignement libre subventionné.
  Un pareil centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est toujours rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein qui organise la discipline 'maritieme opleidingen' (formations maritimes).
  [1 § 3. [2 Sans préjudice des dispositions de l'article 8, §§ 1er et 2, la création d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel agréé, financé ou subventionné suite à la scission d'un centre existant, est communiquée par écrit par l'autorité du centre au service compétent de la Communauté flamande, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. [3 Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er et 2, l'article 14, § 2 ou, le cas échéant, l'article 15, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 s'applique à la création d'un centre qui ne résulte pas de la scission d'un centre existant]3.]2 ]1
  
Art. 9. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat is verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap is toegetreden, behoort van rechtswege tot diezelfde scholengemeenschap.
  Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat niet langer verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap is toegetreden en dat autonoom wordt, blijft van rechtswege tot die scholengemeenschap behoren voor de resterende duur van de vorming van desbetreffende scholengemeenschap. In de andere gevallen beslist het centrumbestuur van een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs over eventuele toetreding tot een scholengemeenschap.
  De criteria voor vorming van scholengemeenschappen secundair onderwijs, evenals de bevoegdheden van en de voordelen voor die scholengemeenschappen, zijn bepaald in [1 de codificatie betreffende het secundair onderwijs]1.
  
Art. 9. Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire professionnel ou technique ordinaire à temps plein qui a adhéré à un centre d'enseignement, relève de plein droit de ce même centre d'enseignement.
  Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui n'est plus rattaché à un établissement d'enseignement secondaire professionnel ou technique ordinaire à plein temps qui a adhéré à un centre d'enseignement et qui devient autonome, continue à relever de plein droit de ce centre d'enseignement pour la durée restante de la formation du centre d'enseignement en question. Dans les autres cas, la direction d'un centre autonome pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel statue sur l'adhésion éventuelle à un centre d'enseignement.
  Les critères pour la formation de centres d'enseignement dans l'enseignement secondaire, ainsi que les compétences des et les avantages pour ces centres d'enseignement sont définis [1 à la codification relative à l'enseignement secondaire]1.
  
Art. 10. § 1. [8 Met de voorlopige erkenning of erkenning van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs krijgt het centrumbestuur de bevoegdheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen]8.
  [4 Een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt erkend als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op de opleiding in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van het centrum dat het organiseert, samen is voldaan]4 :
  1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;
  2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;
  3° de controle door de onderwijsinspectie mogelijk maken;
  4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;
  5° [2 de bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;]2
  6° een structuur aannemen en inhoudelijk georganiseerd worden als vermeld in dit decreet;
  7° de reglementering betreffende vakantieregeling en aanwending van de onderwijstijd in acht nemen;
  8° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
  9° [9 samenwerkingsafspraken maakt met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voeren;]9
  10° [10 ...]10
  11° [11 ...]11
  12° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;
  13° voor het officieel onderwijs :
  a) een open karakter hebben door open te staan voor alle jongeren, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de jongere;
  b) de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, of eigen leerplannen volgen die ermee verenigbaar zijn vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;
  c) een werkplan, centrumreglement en boeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter als vermeld in punt a);
  d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.
  [2 14° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het centrum- of arbeidsreglement.]2
  [3 15° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.]3
  § 2. [5 ...]5
  § 3. [4 De in de erkenning opgenomen opleidingen worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken centrumbestuur. Enkel in het geval het centrum niet meer erkend is om bepaalde eindstudiebewijzen uit te reiken identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, wordt dit in de dienstbrief vermeld.]4 [8 De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de opleidingen die in de erkenning zijn opgenomen, kunnen worden georganiseerd.]8
  § 4. [1 [4 [8 De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats door een centrum wordt gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. In de melding wordt verklaard dat :
   1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
   2° het centrum op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als het een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien gevestigd was. Het centrum vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.
   De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de melding, vermeld in het eerste lid, vast.
   Deze paragraaf geldt niet voor een centrum dat, al dan niet als gevolg van een splitsing van bestaande centra, wordt opgericht.]8
]4
]1

  [7 ...]7
  [4 § 5. [8 ...]8.]4
  
Art. 10. § 1er. [8 Grâce à l'agrément ou l'agrément provisoire d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, l'autorité du centre se voit attribuer la compétence de délivrer aux jeunes des titres valables de plein droit]8.
  [4 Une formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est agréée lorsqu'il est satisfait à l'ensemble des conditions ci-dessous portant soit sur la formation en question, soit sur l'implantation du centre qui l'organise]4 :
  1° être organisé sous la responsabilité d'une direction du centre;
  2° être établi dans les immeubles et les locaux répondant aux exigences en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité;
  3° rendre possible le contrôle par l'inspection de l'enseignement;
  4° disposer de suffisamment de matériel didactique et d'un équipement scolaire adapté;
  5° [2 respecter les dispositions concernant la langue d'enseignement et la connaissance linguistique du personnel;]2
  6° adopter une structure et présenter une organisation de fond conformes aux dispositions du présent décret;
  7° respecter la réglementation relative au régime des vacances et à l'affectation du temps d'enseignement;
  8° répondre aux dispositions réglementaires et décrétales relatives aux objectifs finaux et programmes d'études pour autant que l'on vise la délivrance de certificats de fin d'étude qui sont identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
  9° [9 avoir conclu des arrangements de coopération avec un centre d'encadrement des élèves et mener une politique d'encadrement des élèves ;]9
  10° [10 ...]10
  11° [11 ...]11
  12° respecter les principes de droit international et les principes constitutionnels en matière de droits de l'homme et de droits de l'enfant en particulier;
  13° pour l'enseignement officiel :
  a) présenter un caractère ouvert en accueillant tous les jeunes, quelles que soient les convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses des parents et du jeune;
  b) suivre les programmes d'études de l'Enseignement communautaire, du Secrétariat d'enseignement des Villes et Communes de la Communauté flamande ou de l'Enseignement provincial Flandre, ou suivre ses propres programmes d'études qui sont compatibles avec les premiers à partir d'une date à déterminer par le Gouvernement flamand;
  c) utiliser un plan de travail, un règlement du centre et des livres correspondant au caractère ouvert visé au point a);
  d) être accompagné par le service d'encadrement de l'Enseignement communautaire, du Secrétariat d'enseignement des Villes et Communes de la Communauté flamande ou de l'Enseignement provincial Flandre à partir d'une date à déterminer par le Gouvernement flamand.
  [2 14° mener une politique efficace afin de propager et de sauvegarder l'interdiction de fumer, visée par le décret du 6 juin 2008 instituant une interdiction de fumer dans les établissements d'enseignement et les centres d'encadrement des élèves, assurer le contrôle du respect de l'interdiction et infliger des sanctions aux contrevenants, conformément à la propre politique de sanctionnement telle que mentionnée dans le règlement de centre ou de travail.]2
  [3 15° répondre aux dispositions décrétales et réglementaires relatives à l'organisation de l'enseignement.]3
  § 2. [5 ...]5
  § 3. [4 Chaque année scolaire, les formations reprises dans l'agrément sont confirmées et communiquées à l'autorité du centre intéressée, par le biais d'une dépêche de l''Agentschap voor Onderwijsdiensten'. Seulement lorsque le centre n'est plus agréé à délivrer certains certificats de fin d'études identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, ceci est mentionné dans la dépêche.]4 [8 La dépêche contient les implantations où peuvent être organisées les formations reprises dans l'agrément.]8
  § 4. [1 [4 [8 La mise en service d'une nouvelle implantation par un centre est notifiée à l'" Agentschap voor Onderwijsdiensten " au plus tard au moment de la mise en service. Dans la notification, il est déclaré que :
   1° l'implantation répond aux conditions en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité ;
   2° le centre est au courant des recommandations ou manques formulés par l'inspection de l'enseignement dans son dernier rapport d'audit en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité des bâtiments en question, lorsqu'il met en service une implantation où un autre établissement d'enseignement est situé ou était situé auparavant. Dans ce cas, le centre mentionne également l'avis de l'inspection de l'enseignement sur l'habitabilité, la sécurité et l'hygiène de la nouvelle implantation.
   Le Gouvernement flamand établit le modèle du formulaire de la notification, visée à l'alinéa 1er.
   Ce paragraphe ne vaut pas pour un centre qui est créé à la suite ou non d'une scission de centres déjà existants.]8
]4
]1

  [7 ...]7
  [4 § 5. [8 ...]8.]4
  
Art. 11. § 1. [1 Een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op de opleiding in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van het centrum dat het organiseert, samen is voldaan]1 :
  1° beantwoorden aan alle erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 10, § 1;
  2° voldoen aan de programmatie- en rationalisatienormen als vermeld in artikel 12;
  3° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijkeonderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de gegevens als vermeld in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, leveren, en de afspraken, gemaakt in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet, naleven;
  4° [6 deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer overlegfora als vermeld in artikel 357/32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;]6
  5° voor het Gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren als vermeld in artikelen 10 tot en met 12 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs;
  6° voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures als vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Die voorwaarde houdt tevens in dat de directeur voor de aan hem door het centrumbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;
  7° maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [1 De in de financiering of subsidiëring opgenomen opleidingen worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken centrumbestuur.]1 [5 De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de opleidingen die zijn opgenomen in de financiering of subsidiëring, kunnen worden georganiseerd.]5
  § 4. [1 [5 [7 Voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats dient met ingang van het schooljaar 2021-2022 het centrumbestuur een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, met toevoeging van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als het centrum tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
   In de aanvraag, waarvan het modelformulier door de Vlaamse Regering wordt vastgelegd, wordt verklaard dat:
   1° de vestigingsplaats bij ingebruikname beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
   2° het centrumbestuur op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als een vestigingsplaats in gebruik wordt genomen waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien was. Het centrumbestuur vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.
   De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk drie maanden na indiening van de aanvraag en na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Bij overschrijding van die termijn is de aanvraag van rechtswege goedgekeurd.
   Deze paragraaf geldt niet voor een centrum dat, al dan niet als gevolg van een splitsing van bestaande centra, wordt opgericht.]7
]5
]1

  [4 ...]4
  [1 § 5. [5 ...]5.]1
  
Art. 11. § 1er. [1 Une formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est financée ou subventionnée lorsqu'il est satisfait à l'ensemble des conditions ci-dessous portant soit sur la formation en question, soit sur l'implantation du centre qui l'organise]1 :
  1° répondre à toutes les conditions d'agrément telles que visées à l'article 10, § 1er;
  2° répondre aux normes de programmation et de rationalisation visées à l'article 12;
  3° participer à et collaborer au sein d'une plateforme locale de concertation, créée conformément à l'article IV.2, § 2, premier alinéa, du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Il convient d'entendre par collaborer, fournir les données visées à l'article IV.4, premier alinéa, 1°, du même décret, et respecter les accords intervenus dans le cadre de l'article IV.4, premier alinéa, du même décret;
  4° [6 participer à et collaborer au sein d'un ou de plusieurs forums de concertation telles que visées à l'article 357/32 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010;]6
  5° pour l'enseignement communautaire : respecter les compétences du conseil scolaire telles que visées aux articles 10 jusqu'à 12 inclus du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire;
  6° pour ce qui est de l'enseignement officiel subventionné et de l'enseignement libre subventionné : ne pas porter préjudice aux procédures décisionnelles telles que visées aux articles 19 à 22 inclus du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au 'Vlaamse Onderwijsraad'. Cette condition implique en outre que le directeur soit suffisamment mandaté pour les compétences qui lui ont été déléguées par la direction du centre qui font l'objet d'avis ou de concertation, afin de pouvoir agir de manière autonome par rapport au conseil scolaire;
  7° fournir des efforts maximums pour réaliser l'engagement à temps plein de chaque jeune.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [1 Chaque année scolaire, les formations reprises dans le financement ou le subventionnement sont confirmées et communiquées à l'autorité du centre intéressée, par le biais d'une dépêche de l''Agentschap voor Onderwijsdiensten'.]1 [5 La dépêche contient les implantations où peuvent être organisées les formations admises au financement ou au subventionnement.]5
  § 4. [1 [5 [7 Pour la mise en service d'une nouvelle implantation, à partir de l'année scolaire 2021-2022, l'autorité du centre introduit une demande motivée auprès des services compétents de la Communauté flamande, en ajoutant le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent et, si le centre fait partie d'une communauté scolaire, un extrait du procès-verbal démontrant que la demande est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire.
   Dans la demande, dont le formulaire type est arrêté par le Gouvernement flamand, il est attesté que :
   1° lors de la mise en service, l'implantation répond aux conditions en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité ;
   2° l'autorité du centre est au courant des recommandations ou manques formulés par l'inspection de l'enseignement dans son dernier rapport d'audit en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité des bâtiments en question, lorsqu'elle met en service une implantation où un autre établissement d'enseignement est situé ou était situé auparavant. Dans ce cas, l'autorité du centre mentionne également l'avis de l'inspection de l'enseignement sur l'habitabilité, la sécurité et l'hygiène de la nouvelle implantation.
   Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard trois mois après l'introduction de la demande et après l'avis des services compétents de la Communauté flamande. Passé ce délai, la demande est approuvée de plein droit.
   Ce paragraphe ne vaut pas pour un centre qui est créé à la suite ou non d'une scission de centres déjà existants.]7
.]5
]1

  [4 ...]4
  [1 § 5. [5 ...]5.]1
  
Art. 12. § 1. Voor een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs, bedraagt de programmatienorm 25 jongeren en de rationalisatienorm 40 jongeren.
  Voor een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de programmatienorm 260 jongeren en de rationalisatienorm 240 jongeren.
  [1 ...]1
  De desbetreffende norm moet op een van de volgende data worden bereikt :
  1° op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt : voor de programmatienorm als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs overgaat van niet-autonoom naar autonoom, evenals voor de rationalisatienorm;
  2° op 1 oktober van het schooljaar in kwestie of op de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt : voor de programmatienorm in andere gevallen dan het geval als vermeld in 1°.
  Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat de rationalisatienorm niet meer bereikt [1 op voormelde datum van de twee voorafgaande schooljaren]1, moet per 1 september daaropvolgend aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
  1° overgaan tot geleidelijke afbouw;
  2° fuseren met een ander al dan niet autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  3° overgaan van autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs naar centrum, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan nog geen centrum is verbonden, mits de op dat moment geldende rationalisatienorm wordt bereikt.
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing als het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitsluitend wordt georganiseerd in de vorm van zeevisserijonderwijs. In voorkomend geval geldt voor het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geen norm voor de eerste vestigingsplaats en, vanaf de eventueel tweede vestigingsplaats, dat ten minste vijf jongeren ingeschreven moeten zijn in elke vestigingsplaats bij de aanvang van de opleiding.
  
Art. 12. § 1er. Pour un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, la norme de programmation est de 25 jeunes et la norme de rationalisation est de 40 jeunes.
  Pour un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, la norme de programmation est de 260 jeunes et la norme de rationalisation est de 240 jeunes.
  [1 ...]1
  La norme en question doit être atteinte à l'une des dates suivantes :
  1° le 1er février de l'année scolaire précédente ou le premier jour d'enseignement suivant si la date précitée tombe un jour libre : pour la norme de programmation; comme lorsqu'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel passe du statut non autonome vers autonome, de même que pour la norme de rationalisation;
  2° le 1er octobre de l'année scolaire en question ou le premier jour d'enseignement qui suit lorsque la date précitée tombe un jour libre : pour la norme de programmation dans les autres cas que celui visé au 1°.
  Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui cesse d'atteindre la norme de rationalisation [1 à la date précitée des deux années scolaires précédentes]1 doit satisfaire, le 1er septembre suivant, à l'une des conditions suivantes :
  1° procéder à une réduction progressive;
  2° fusionner avec un autre centre, autonome ou non, d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  3° passer de centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel au statut de centre rattaché à un établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein auquel aucun autre centre n'est rattaché, à condition que la norme de rationalisation en vigueur soit atteinte.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas lorsque l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est exclusivement organisé sous forme d'enseignement de la pêche maritime. Le cas échéant, aucune norme ne s'applique pour le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel pour ce qui concerne le premier lieu d'établissement et à partir de l'éventuel deuxième lieu d'établissement, la norme est que cinq jeunes au moins doivent être inscrits dans chaque lieu d'établissement au début de la formation.
  
Art. 13. § 1. In elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt een centrumraad opgericht. Deze heeft tot taak aan het centrumbestuur maatregelen voor te stellen die tot de goede werking van het centrum kunnen bijdragen.
  § 2. Aan het advies van de centrumraad worden vooraf onderworpen :
  1° het centrumreglement als vermeld in [1 artikel 111, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs]1;
  2° de organisatorische en materiële uitbouw van het centrum, met inbegrip van de criteria voor de aanwending van het pakket uren-leraar als vermeld in artikel 90;
  3° de pedagogische aanpak van het leerprogramma;
  4° de aanwending van de beschikbare middelen;
  5° de aansluitingsproblematiek van het deeltijds beroepssecundair onderwijs op de arbeidsmarkt in het algemeen en de aansluitingsproblematiek van de component leren op de component werkplekleren in het bijzonder.
  § 3. [2 De centrumraad telt ten minste zes leden en wordt paritair samengesteld uit afgevaardigden van het onderwijs, aangewezen door het centrumbestuur, en afgevaardigden van socio-economische organisaties. Een afgevaardigde van het centrum voor leerlingenbegeleiding maakt raadgevend deel uit van de centrumraad.]2
  
Art. 13. § 1er. Dans chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un conseil du centre est créé. Celui-ci a pour mission de proposer à la direction du centre des mesures susceptibles de contribuer au bon fonctionnement.
  § 2. Sont soumis à l'avis préalable du conseil du centre :
  1° le règlement du centre tel que visé à [1 l'article 111, § 1er, deuxième alinéa, du Code de l'Enseignement secondaire]1;
  2° l'équipement organisationnel et matériel du centre, en ce compris les critères pour l'affectation du capital périodes-professeurs telles que visées à l'article 90;
  3° la démarche pédagogique du programme d'apprentissage;
  4° l'affectation des moyens disponibles;
  5° la problématique d'adéquation entre l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et le marché du travail en général et la problématique de l'adéquation entre la composante apprentissage et la composante apprentissage sur le lieu du travail en particulier.
  § 3. [2 Le conseil du centre compte au moins six membres et doit être paritairement constitué de représentants de l'enseignement, désignés par l'autorité du centre, et de représentants d'organisations socio-économiques. Un représentant du centre d'encadrement des élèves a un rôle consultatif au sein du conseil du centre.]2
  
Art. 13bis. [1 Een fusie van centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt door het centrumbestuur of de centrumbesturen in kwestie uiterlijk op 1 mei van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
   Een afbouw van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt door het centrumbestuur in kwestie uiterlijk op 1 mei van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1

  
Art. 13bis. [1 Une fusion de centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est notifiée par l'autorité du centre ou les autorités des centres en question à l''Agentschap voor Onderwijsdiensten', au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente.
   Une suppression progressive d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est notifiée par l'autorité du centre en question à l''Agentschap voor Onderwijsdiensten', au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente.]1

  
Art.13ter. [1 Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan voltijds gewoon secundair onderwijs organiseren als het gaat om structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal". In voorkomend geval zijn de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en de uitvoeringsbesluiten ervan over de programmatie en organisatie van die structuuronderdelen, van toepassing.]1
  
Art.13ter. [1 Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut organiser un enseignement secondaire ordinaire à temps plein lorsqu'il s'agit de subdivisions structurelles utilisant le mot " dual " dans leur dénomination. Le cas échéant, le Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 et ses arrêtés d'exécution relatifs à la programmation et l'organisation de ces subdivisions structurelles sont d'application.]1
  
Onderafdeling II. - Centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
Sous-section II. - Centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.
Art. 14. De theoretische vorming binnen de leertijd wordt door de Vlaamse Gemeenschap erkend en gesubsidieerd in door de Vlaamse Regering erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
Art. 14. La formation théorique pendant l'apprentissage est agréée et subventionnée par la Communauté flamande dans les centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises agréés par le Gouvernement flamand.
Art. 15. [1 Voor de erkenning, binnen de leertijd, van een opleiding van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten alle voorwaarden [2 als vermeld in artikel 26/2, § 5, van het decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid]2, zijn vervuld.
   Als aan die voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van een college dat voor de helft is samengesteld uit leden van de onderwijsinspectie en voor de helft uit personeelsleden van [2 het Departement Werk en Sociale Economie]2, de erkenning binnen de leertijd van een centrum of een opleiding ervan al dan niet geleidelijk opheffen. Zij kan evenwel de opheffing van de erkenning ook beperken tot de al dan niet geleidelijke opheffing van de bevoegdheid om eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.]1

  [2 In het tweede lid wordt verstaan onder het Departement Werk en Sociale Economie: het departement, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.]2
  De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure.
  
Art. 15. [1 Pour l'agrément, pendant l'apprentissage, d'une formation d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, toutes les conditions [2 visées à l'article 26/2, § 5, du décret du 16 mars 2012 relatif à la politique d'aide économique]2, doivent être remplies.
   Si ces conditions ne sont plus remplies, le Gouvernement flamand peut, sur la proposition d'un collège composé pour la moitié de membres de l'inspection de l'enseignement et pour la moitié de membres du personnel [2 du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2, suspendre progressivement ou non l'agrément pendant l'apprentissage d'un centre ou d'une formation du centre. Il peut cependant limiter la suppression de l'agrément à la suppression progressive ou non de la compétence de délivrer des certificats de fin d'études identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.]1

  [2 A l'alinéa 2, on entend par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale : le département visé à l'article 25, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.]2
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités complémentaires relatives au fonctionnement et à l'organisation de ce collège, en désigne les membres et règle la procédure de recours.
  
Art. 16. [1 Voor de subsidiëring, binnen de leertijd, van een opleiding van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten alle voorwaarden [2 als vermeld in artikel 22/22 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding"]2, zijn vervuld.
   Met behoud van de erkenning wordt de subsidiëring, binnen de leertijd, van een centrum dat niet meer voldoet aan alle subsidiëringsvoorwaarden of een opleiding ervan die niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door [2 de VDAB]2 geheel of gedeeltelijk ingehouden.]1

  
Art. 16. [1 Pour le subventionnement, pendant l'apprentissage, d'une formation d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, toutes les conditions [2 visées à l'article 22/22 du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle]2, doivent être remplies.
   Tout en conservant l'agrément, le subventionnement, pendant l'apprentissage, d'un centre qui ne remplit plus toutes les conditions de subventionnement ou d'une formation de ce centre qui ne remplit plus toutes ces conditions, est retenu en tout ou en partie par [2 le VDAB]2.]1

  
Art.16bis. [1 Een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen kan voltijds gewoon secundair onderwijs organiseren als het gaat om structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal". In voorkomend geval zijn de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en de uitvoeringsbesluiten ervan over de programmatie en organisatie van die structuuronderdelen, van toepassing.]1
  
Art.16bis. [1 Un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises peut organiser un enseignement secondaire ordinaire à temps plein lorsqu'il s'agit de subdivisions structurelles utilisant le mot " dual " dans leur dénomination. Le cas échéant, le Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 et ses arrêtés d'exécution relatifs à la programmation et l'organisation de ces subdivisions structurelles sont d'application.]1
  
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV. - Programmatie van het aanbod.
Sous-section IV. - Programmation de l'offre.
Art. 21. [1 Elk [2 ...]2 centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is vrij in de ingebruikname van vestigingsplaatsen.]1
  Voor de toepassing van dit decreet kan een locatie alleen de vestigingsplaats van een centrum zijn als er een deel of het geheel van het opleidings- of vormingsaanbod met eigen personeel wordt georganiseerd.
  Elk centrum wijst een administratieve zetel aan. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, is de hoofdvestigingsplaats van die instelling van rechtswege de administratieve zetel van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.
  
Art. 21. [1 Chaque [2 ...]2 centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises a le libre choix quant à la mise en service d'implantations.]1
  Pour l'application du présent décret, un site ne peut servir de lieu d'implantation d'un centre que lorsqu'une partie ou l'ensemble de l'offre de formation y est organisée avec du personnel propre au centre.
  Chaque centre désigne un siège administratif. Lorsqu'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire professionnel ou d'enseignement technique ordinaire à temps plein, l'implantation principale de cette institution tient de plein droit office de siège administratif du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
  
Afdeling II. - Aanbod en organisatie.
Section II. - Offre et organisation.
Onderafdeling I. - Opleidingsaanbod deeltijds beroepssecundair onderwijs en leertijd.
Sous-section Ire. - Offre de formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et apprentissage.
Art. 22. De Vlaamse Regering legt, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, de lijst van opleidingen vast die kunnen worden georganiseerd.
Art. 22. Le Gouvernement flamand fixe, séparément pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et pour l'apprentissage, la liste des formations pouvant être organisées.
Art. 23. § 1. [2 Om de lijsten van opleidingen vast te stellen, worden alle bestaande opleidingen gescreend op basis van beroepskwalificaties. De screening strekt ertoe een rationeel en transparant opleidingsaanbod tot stand te brengen door middel van, eventueel, omzetting, samenvoeging of schrapping van opleidingen.]2
  § 2. De screening van de bestaande opleidingen wordt uitgevoerd door een commissie, die bestaat uit :
  1° afgevaardigden van [1 de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap]1, de onderwijsinspectie, het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
  2° deskundigen in de beroepswereld, intern of extern aan de opleidingensector.
  [1 De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap]1 stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar.
  De conclusies van de commissie worden voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad en voor de leertijd aan de raad van bestuur van [3 de VDAB]3.
  Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van [3 de VDAB]3, neemt de Vlaamse Regering een beslissing.
  § 3. [2 ...]2
  
Art. 23. § 1er. [2 Pour fixer les listes des formations, toutes les formations existantes font l'objet d'un screening sur la base de qualifications professionnelles. Ce screening vise à mettre en place une offre de formations rationnelle et transparente par le biais, le cas échéant, de la conversion, la fusion ou la suppression de formations.]2
  § 2. Le screening des formations existantes est réalisé par une commission qui se compose :
  1° de représentants [1 du service compétent de la Communauté flamande]1, de l'inspection de l'enseignement, de l'Agentschap voor Onderwijsdiensten;
  2° d'experts du monde professionnel, internes ou externes au secteur des formations.
  Le [1 service compétent de la Communauté flamande]1 compose la commission et en assure la présidence.
  Les conclusions de la commission sont soumises pour avis au Vlaamse Onderwijsraad pour ce qui concerne l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et au conseil d'administration [3 du VDAB]3 pour ce qui concerne l'apprentissage.
  Sur la base des conclusions de la commission et de l'avis du Vlaamse Onderwijsraad, respectivement du conseil d'administration [3 du VDAB]3, le Gouvernement flamand prendra une décision.
  § 3. [2 ...]2
  
Art. 24. § 1. [1 De Vlaamse Regering kan op basis van beroepskwalificaties nieuwe opleidingen vastleggen.]1
  De Vlaamse Regering kan daartoe, al dan niet in het kader van de screening als vermeld in artikel 23, § 1, zelf het initiatief nemen of ze kan onderbouwde voorstellen in overweging nemen die door opleidingsverstrekkers of derden worden ingediend.
  § 2. Een initiatief tot of een voorstel van nieuwe opleiding wordt voorgelegd aan de commissie als vermeld in artikel 23, § 2. De commissie onderzoekt het voorstel ten minste op volledigheid, correctheid en actualiteitswaarde, en formuleert conclusies.
  Het oorspronkelijke initiatief of voorstel en de conclusies van de commissie worden ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad, aan de raad van bestuur van [2 de VDAB]2 of aan beide, afhankelijk van waar de opleiding wordt ondergebracht.
  Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van [2 de VDAB]2 of beide, neemt de Vlaamse Regering een beslissing.
  De Vlaamse Regering legt de termijnen vast met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure.
  
Art. 24. § 1er. [1 Le Gouvernement flamand peut définir de nouvelles formations sur la base de qualifications professionnelles.]1
  A cette fin, le Gouvernement flamand peut, le cas échéant dans le cadre du screening visé à l'article 23, § 1er, prendre lui-même l'initiative ou prendre en considération des propositions étayées qui sont introduites par les organisateurs de formations ou par des tiers.
  § 2. Une initiative ou une proposition de nouvelle formation est présentée à la commission visée à l'article 23, § 2. La commission examine la proposition au moins quant à son exhaustivité, son exactitude et sa valeur d'actualité, et formule des conclusions.
  L'initiative ou proposition initiale et les conclusions de la commission sont soumises pour avis au Vlaamse Onderwijsraad, au conseil d'administration [2 du VDAB]2 ou aux deux, en fonction de l'endroit où la formation est organisée.
  Sur la base des conclusions de la commission et de l'avis du Vlaamse Onderwijsraad, respectivement du conseil d'administration [2 du VDAB]2 ou des deux, le Gouvernement flamand prend une décision.
  Le Gouvernement flamand fixe les délais de la procédure de dépôt et d'avis.
  
Art. 25. Bij de uitvoering van de opdrachten als vermeld in artikelen 23 en 24, past de commissie al de volgende criteria toe :
  1° de opleiding is, in voorkomend geval, in overeenstemming met :
  a) maatschappelijke ontwikkelingen;
  b) economische ontwikkelingen, waaronder potentiële tewerkstelling;
  c) culturele ontwikkelingen;
  d) technologische ontwikkelingen;
  e) Europese, federale of Vlaamse regelgeving vanuit de beleidsdomeinen en beleidsniveaus;
  2° de invulling van de opleiding wordt bepaald vanuit [1 een beroepskwalificatie]1;
  3° de onderwijskundige en opvoedkundige context :
  a) de opleiding is afgestemd op het ontwikkelingsniveau en de talenten van de doelgroep;
  b) de opleiding past in het concept van leren en werken;
  c) de opleiding stimuleert de motivatie tot leren en werkplekleren bij jongeren;
  4° de optimalisering en vrijwaring van de continuïteit in de (studie)loopbaan :
  a) de inpassing in het bestaande opleidingsaanbod;
  b) het, waar mogelijk, parallellisme tussen het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd, inzonderheid bij opleidingen die tot dezelfde kwalificatie leiden;
  c) de waarborgen voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden.
  
Art. 25. Lors de l'exécution des missions visées aux articles 23 et 24, la commission applique tous les critères suivants :
  1° la formation est, le cas échéant, conforme :
  a) aux développements sociétaux;
  b) aux évolutions économiques, parmi lesquelles l'emploi potentiel;
  c) aux développements culturels;
  d) aux évolutions technologiques;
  e) à la réglementation européenne, fédérale ou flamande en fonction des domaines politiques et des niveaux de gestion;
  2° la concrétisation de la formation est déterminée à partir [1 d'une qualification professionnelle]1;
  3° le contexte éducatif et éducationnel :
  a) la formation s'aligne sur le niveau de développement et sur les talents du groupe cible;
  b) la formation s'inscrit dans le concept d'apprentissage et de travail;
  c) la formation encourage la motivation à apprendre et à apprendre sur le lieu du travail auprès des jeunes;
  4° l'optimalisation et la sauvegarde de la continuité dans la carrière (scolaire) :
  a) l'intégration dans l'offre de formations existante;
  b) là où c'est possible, le parallélisme entre l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'apprentissage, en particulier pour les formations qui aboutissent à la même qualification;
  c) les garanties en matière de compatibilité avec des formations de suivi ou les possibilités d'emploi.
  
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III. - Organisatie deeltijds beroepssecundair onderwijs.
Sous-section III. - Organisation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
Art. 27. § 1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt verstrekt [4 naar rata van 15 of 16 wekelijkse uren]4 vanaf 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar, met uitzondering van de vakantieperiodes zoals vastgelegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.
  In afwijking hiervan :
  1° [2 kan het centrumbestuur het deeltijds beroepssecundair onderwijs in een ander week- of jaarritme organiseren op voorwaarde enerzijds dat geen afbreuk wordt gedaan aan het aantal uren op jaarbasis, en anderzijds dat een gemotiveerd dossier in het centrum ter beschikking wordt gehouden voor het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de onderwijsinspectie;]2
  2° kan het centrumbestuur het aantal wekelijkse uren verhogen voor jongeren die de component werkplekleren tijdelijk niet invullen. Het centrumbestuur bepaalt of die bijkomende uren aan algemene vorming of aan beroepsgerichte vorming worden besteed;
  3° [3 ...]3
  § 2. Deeltijds beroepssecundair onderwijs, verstrekt door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, bestaat uit algemene vorming en beroepsgerichte vorming.
  In afwijking hiervan :
  1° kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs enkel de beroepsgerichte vorming verstrekken en de algemene vorming laten verstrekken door een [5 organisatie die in het schooljaar 2018-2019 is erkend als een centrum voor deeltijdse vorming]5;
  2° kan de klassenraad, vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt, de jongere vrijstellen van de algemene vorming. Als van die mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, [4 worden de 15 of 16 wekelijkse uren, vermeld in paragraaf 1,]4 volledig aan beroepsgerichte vorming besteed.
  § 3. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs moet altijd gedurende ten minste 9 halve lesdagen per week opengesteld zijn.
  § 4. [1 Voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming en van activiteiten ter ondersteuning van de beroepsgerichte vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerken met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, met andere centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, met centra voor volwassenenonderwijs of met centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. Voor de organisatie van de algemene vorming en van activiteiten ter ondersteuning van de algemene vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerken met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
   In voorkomend geval wordt er tussen het centrum en de instelling in kwestie of tussen de twee centra in kwestie een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin alle noodzakelijk geachte afspraken en voorwaarden zijn opgenomen.]1

  
Art. 27. § 1er. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est dispensé [4 au prorata de 15 ou 16 heures hebdomadaires]4 à partir du 1er septembre jusqu'au 31 août inclus de l'année calendaire suivante, à l'exception des périodes de vacances telles que fixées par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 portant organisation de l'année scolaire dans l'enseignement secondaire.
  Par dérogation à cette règle :
  1° [2 la direction du centre peut organiser l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel à un autre rythme hebdomadaire ou annuel à condition qu'il ne soit pas porté préjudice au nombre total d'heures sur base annuelle d'une part, et qu'un dossier motivé soit tenu à la disposition de l''Agentschap voor Onderwijsdiensten' et de l'Inspection de l'Enseignement dans le centre;]2
  2° la direction du centre peut augmenter le nombre d'heures hebdomadaires pour les jeunes qui, temporairement, ne suivent pas la composante apprentissage sur le lieu du travail. La direction du centre détermine si ces heures complémentaires sont affectées à une formation générale ou à une formation à vocation professionnelle;
  3° [3 ...]3
  § 2. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, dispensé par un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, se compose d'une formation générale et une formation à vocation professionnelle.
  Par dérogation à cette règle :
  1° [5 une organisation qui est agréée comme centre de formation à temps partiel en l'année scolaire 2018-2019]5 peut uniquement fournir la formation à vocation professionnelle et faire dispenser la formation générale par un centre de formation à temps partiel;
  2° le conseil de classe peut, à partir de l'année scolaire qui débute durant l'année calendaire du 18ème anniversaire du jeune, exempter le jeune de la formation générale. S'il est fait usage de cette possibilité, [4 les 15 ou 16 heures hebdomadaires, visées au paragraphe 1er,]4 sont affectées à la formation à vocation professionnelle.
  § 3. Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel doit toujours être ouvert pendant au moins 9 demi-journées de cours par semaine.
  § 4. [1 Pour l'organisation de la formation à vocation professionnelle et d'activités à l'appui de la formation à vocation professionnelle, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut coopérer avec des établissements d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein, avec d'autres centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, avec des cantres d'éducation des adultes ou avec des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises. Pour l'organisation de la formation générale et d'activités à l'appui de la formation générale, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps plein peut coopérer avec des établissements d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein.
   Le cas échéant, un accord de coopération est conclu entre le centre et l'établissement en question ou entre les deux centres concernés, définissant les modalités et conditions jugées nécessaires.]1

  
Art. 27/1. [1 In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de wekelijkse lessentabel, de vakken moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20 % worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits.
   Het aanbod, vermeld in het eerste lid, kan worden georganiseerd op voorwaarde dat :
   1° de jongere de mogelijkheid heeft om alle niet-taalvakken in het Nederlands in het centrum te volgen;
   2° een jongere slechts CLIL kan volgen, indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en na positief advies van de klassenraad dat ten minste is gebaseerd op voldoende kennis en beheersing door de jongere van de onderwijstaal;
   3° het aanbod voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde kwaliteitsstandaard [2 die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014]2 . De kwaliteitsstandaard omvat enkel voorwaarden op het vlak van :
   a) de competenties van het personeel dat deze lessen zal geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot het vak zelf;
   b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;
   c) communicatie met ouders en jongeren; met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;
   d) de inpassing van dit aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;
   e) monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in het vak/onderwerp, in de doeltaal en in het Standaardnederlands;
   f) de te volgen stappen die een school moet ondernemen die een CLIL-project wil organiseren (beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren);
   4° het centrum kan het aanbod slechts effectief organiseren, als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van 3°, a) en b). Daarbij moet ze rekening houden met de rechten van de personeelsleden die vast benoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren mag het centrum een personeelslid dat vast benoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking. Het centrum mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dit laatste geldt niet als het tijdelijk personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden van 3°, a) en b), maar het aanbod weigert om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven;
   5° het centrum ervoor zorgt dat de kennis van de onderwijstaal bij de jongeren prioritair blijft en dat het Nederlandstalig karakter van het centrum behouden blijft;
   6° voorafgaand een plan wordt opgemaakt dat door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is goedgekeurd.]1

  
Art. 27/1. [1 Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, 20 % au maximum de la grille horaire hebdomadaire, les cours de langues étrangères modernes non compris, peut être offert en langue française, anglaise ou allemande.
   L'offre visée à l'alinéa premier, peut être organisée à condition :
   1° que les élèves aient la possibilité de suivre tous les cours non linguistiques en néerlandais auprès du centre;
   2° qu'un jeune ne puisse suivre EMILE (Enseignement d'une Matière par l'Intégration d'une Langue Etrangère), que si les personnes concernées décident, par écrit et explicitement, de suivre le parcours EMILE pendant toute l'année scolaire, et ce après un avis positif du conseil de classe basé au moins sur une connaissance et une maîtrise suffisantes de la langue d'enseignement de la part du jeune;
   3° que l'offre réponde à la norme de qualité définie par le Gouvernement flamand [2 qui est fixée au plus tard le 15 février 2014]2 . La norme de qualité comprend uniquement des conditions au niveau :
   a) des compétences du personnel qui dispensera ces cours pour ce qui est de la méthodique EMILE par rapport à la branche même;
   b) de la connaissance exigée de la langue cible des membres du personnel;
   c) d'une communication ponctuelle avec les parents et les jeunes, tout en proposant le choix explicite entre EMILE ou non-EMILE;
   d) de l'intégration de cette offre dans une politique linguistique cohérente tant pour la langue d'enseignement que pour les langues étrangères, avec une formulation d'objectifs stratégiques explicites;
   e) du monitoring des résultats et des gains d'apprentissage des élèves dans la matière/le sujet, dans la langue cible et en néerlandais standard;
   f) des démarches à suivre par une école désirant organiser un projet EMILE (analyse de la situation initiale, communication, formuler des objectifs, dresser un plan d'action et l'opérationnaliser);
   4° le centre ne peut effectivement organiser l'offre que s'il dispose de membres du personnel qui remplissent les conditions du point 3°, a) et b) au moment de l'organisation. Il devra tenir compte des droits des membres du personnel nommés à titre définitif ou désignés temporairement à durée indéterminée dans la branche qu'il entend offrir en langue française, anglaise ou allemande. Pour organiser l'offre, le centre ne peut pas mettre un membre du personnel nommé à titre définitif pour la branche qu'il entend offrir en français, en anglais ou en allemand, en disponibilité par défaut d'emploI. Le centre ne peut pas non plus réduire la charge d'un membre du personnel étant désigné temporairement à durée indéterminée dans la branche que l'école entend offrir en français, en anglais ou en allemand ou y mettre fin afin d'organiser l'offre. Cette règle ne s'applique pas si le membre du personnel remplit les conditions du point 3°, a) et b), mais refuse néanmoins l'offre d'enseigner la branche en langue française, anglaise ou allemande;
   5° que le centre veille à ce que la connaissance de la langue d'enseignement continue à avoir la priorité chez les jeunes et que le caractère néerlandophone du centre soit maintenu;
   6° qu'un plan soit élaboré au préalable et que celui-ci soit approuvé par le service compétent de la Communauté flamande.]1

  
Art. 28. § 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt modulair georganiseerd, waarbij de opleiding wordt aangeboden in modules.
  Elke opleiding bestaat uit een of meer modules. Dezelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.
  De Vlaamse Regering ontwikkelt, tezamen met het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, de opleidingenstructuur. Voorafgaand aan een definitieve beslissing, legt ze het resultaat ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :
  1° de modules per opleiding;
  2° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden.
  [2 Een opleiding kan starten]2 op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een aantal dagen of weken.
  [4 ...]4
  § 2. [5 In het deeltijds beroepssecundair onderwijs schakelt een opleiding om, na screening, van een niet-modulaire naar een modulaire organisatie.]5
  § 3. In afwijking van § 1 en in afwachting van het tijdstip als vermeld in § 2, wordt in de overgangsperiode het deeltijds beroepssecundair onderwijs niet-modulair georganiseerd.
  De opleiding wordt er aangeboden door middel van algemene, technische en praktische vakken en, eventueel, seminaries. [4 ...]4. De vakbenamingen worden door de Vlaamse Regering vastgelegd en zijn dezelfde als die voor het voltijds gewoon secundair onderwijs.
  Een opleiding start bij het begin van het schooljaar en wordt gespreid over een of meer schooljaren.
  § 4. In afwachting van het tijdstip als vermeld in § 2, blijven de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de opleidingen die ze, op experimentele wijze, reeds modulair organiseerden tot aan de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, op dezelfde wijze verder modulair organiseren.
  [3 § 5. De Vlaamse Regering kan voor een opleiding en voor de aansluitende component werkplekleren bijzondere organisatievoorwaarden opleggen.]3
  
Art. 28. § 1er. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est organisé sur une base modulaire, la formation étant proposée par modules.
  Chaque formation se compose d'un ou de plusieurs modules. Le même module peut se retrouver dans différentes formations.
  Le Gouvernement flamand développe, conjointement avec l'Enseignement communautaire et les associations représentatives de pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné, la structure des formations. Préalablement à une décision définitive, il soumet le résultat pour avis au Vlaamse Onderwijsraad. Par structure des formations, on entend :
  1° les modules par formation;
  2° l'indication que les modules doivent s'organiser de manière consécutive ou sont indépendants les uns des autres.
  [2 Une formation peut débuter]2 à tout moment de l'année scolaire et se répartir sur une ou plusieurs années scolaires. Un module peut débuter à tout moment de l'année scolaire et se répartir sur un certain nombre de jours ou de semaines.
  [4 ...]4
  § 2. [5 Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, une formation passe, après avoir subi un screening, d'une organisation non modulaire vers une organisation modulaire.]5
  § 3. Par dérogation au § 1er et dans l'attente de la date visée au § 2, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est organisé de manière non modulaire pendant la période transitoire.
  La formation y est proposée par le biais de cours généraux, techniques et pratiques, et, le cas échéant, des séminaires. [4 ...]4. Les dénominations des branches sont définies par le Gouvernement flamand et sont les mêmes que pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
  Une formation commence au début de l'année scolaire et se répartit sur une ou plusieurs années scolaires.
  § 4. Dans l'attente de la date visée au § 2, les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel continuent à organiser de manière modulaire les formations qu'ils organisaient déjà de façon modulaire à titre expérimental, jusqu'à l'entrée en vigueur du présent décret conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 relatif à l'enseignement secondaire expérimental suivant un régime modulaire.
  [3 § 5. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions d'organisation particulières pour une formation et pour la composante apprentissage sur le lieu du travail y attachée.]3
  
Art. 28bis. [1 In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kunnen stages worden georganiseerd.
   Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstage-overeenkomst gesloten tussen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de stagegever en de betrokken personen.
   Het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs draagt de eindverantwoordelijkheid voor :
   1° de keuze van de stagegever;
   2° de vaststelling van de stage-activiteiten;
   3° [2 de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ermee rekening houdend dat de jongere tijdens de stage wordt begeleid door een personeelslid van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een personeelslid van een andere school of centrum waar het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs op basis van een overeenkomst mee samenwerkt voor de organisatie van de vorming; dat personeelslid is continu op de stageplaats aanwezig.]2
   Elke leerlingenstage is onbezoldigd.
   De Vlaamse Regering kan de organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen.]1

  
Art. 28bis. [1 Des stages peuvent être organisés dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   Un stage d'élève est basé sur un contrat de stage d'élève conclu entre le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le donneur de stage et les personnes concernées.
   Le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel assume la responsabilité finale :
   1° du choix du sonneur de stage;
   2° de la fixation des activités de stage;
   3° [2 de l'accompagnement et de l'évaluation de l'élève-stagiaire, tout en tenant compte du fait que, pendant le stage, le jeune est accompagné par un membre du personnel du centre d'enseignement secondaire professionnel ou d'un membre du personnel d'une autre école ou d'un autre centre avec laquelle/lequel le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel a conclu un accord de coopération pour l'organisation de la formation ; ce membre du personnel se trouve en permanence sur le lieu de stage.]2
   Tout stage d'élève est non rémunéré.
   Le Gouvernement flamand peut préciser l'organisation et les caractéristiques de qualité minimales des stages d'élève.]1

  
Art. 29. [1 Als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs studiebewijzen worden uitgereikt die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, dan zijn voor de algemene vorming de bepalingen over eindtermen en leerplannen van toepassing zoals opgenomen in de Codex Secundair Onderwijs, deel IV, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3. Naargelang van het leerjaarniveau van het studiebewijs in kwestie betreft het de eindtermen en de leerplannen voor de tweede graad, voor het eerste en tweede leerjaar van de derde graad dan wel voor het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs.
   In afwijking van het eerste lid en met in acht name van de door de Vlaamse Regering bepaalde omzettingskalender van het deeltijds beroepssecundair onderwijs naar het duaal leren, zijn evenwel volgende eindtermen niet van toepassing:
   1° de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
   2° de volgende eindtermen, vermeld in het decreet van 12 februari 2021:
   a) de eindtermen 1.9, 1.10, 1.11 en 1.12 van de basisvorming van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/gezondheid"; en
   b) de eindtermen 1.8, 1.9, 1.10 en 1.11 van de basisvorming van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/gezondheid".]1

  
Art. 29. [1 Si, dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, des certificats d'étude identiques à ceux de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein sont délivrés, les dispositions relatives aux objectifs finaux et aux programmes d'études tels que repris dans le Code de l'Enseignement secondaire, partie IV, titre 1er, chapitre 1er, section 3, s'appliquent à la formation générale. Selon le niveau de l'année d'étude du titre en question, il s'agit des objectifs finaux à atteindre et des programmes d'études pour le deuxième degré, pour la première et la deuxième année d'études du troisième degré ou pour la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein.
   Toutefois, par dérogation à l'alinéa premier et dans le respect du calendrier de conversion déterminé par le Gouvernement flamand pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel en enseignement dual, les objectifs finaux suivants ne sont pas d'application :
   1° les objectifs finaux éducation physique de l'enseignement secondaire professionnel, tels que visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000, ratifié par le décret du 18 janvier 2002, et l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002, ratifié par le décret du 20 décembre 2002 ;
   2° les objectifs finaux suivants, tels que visés dans le décret du 12 février 2021 :
   a) les objectifs finaux 1.9, 1.10, 1.11 et 1.12 de la formation de base du deuxième degré à finalité insertion sur le marché du travail dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle " ; et
   b) les objectifs finaux 1.8, 1.9, 1.10 et 1.11 de la formation de base du troisième degré finalité du marché du travail dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle ".]1

  
Art. 30. § 1. [3 De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Vlaamse Onderwijsraad, welke door de Vlaamse Regering vóór 1 januari 2014 vastgelegde referentiekaders worden opgeheven en door welke beroepskwalificaties ze worden vervangen. Van deze beroepskwalificaties worden, onverkort, de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs afgeleid.]3
  [3 ...]3
  De beroepsgerichte vorming kan enkel gerealiseerd worden door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren en de component werkplekleren.
  Voor een opleiding die zowel in het deeltijds beroepssecundair onderwijs als in de leertijd voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar.
  § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs die door de centra niet-modulair worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, goedgekeurde opleidingskaarten als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.
Art. 30. § 1er. [3 Le Gouvernement flamand détermine en étroite concertation avec les secteurs professionnels, le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ", et le " Vlaamse Onderwijsraad ", les cadres de référence fixés par le Gouvernement flamand avant le 1er janvier 2014 qui sont abrogés et les qualifications professionnelles qui les remplacent. De ces qualifications professionnelles sont intégralement dérivés les objectifs pour la formation a vocation professionnelle des formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.]3
  [3 ...]3
  La formation à vocation professionnelle ne peut se réaliser que par le suivi intégré de la composante apprentissage et de la composante apprentissage sur le lieu du travail.
  Pour une formation qui se retrouve dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ainsi que dans l'apprentissage, le même cadre de référence est d'application. Si l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'apprentissage appliquent le même cadre de référence, celui-ci est d'application à partir de la même année scolaire.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas aux formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui sont organisées de manière non modulaire par les centres dans l'attente de l'offre de formations qui se réalise après le screening visé à l'article 23, § 1er. Le cas échéant, les cartes de formation approuvées par le Gouvernement flamand, après avis du Vlaamse Onderwijsraad, sont utilisées comme cadre de référence définissant les objectifs pédagogiques et contenus didactiques minimums de la formation en question.
  TOEKOMSTIG RECHT (nooit in werking getreden)
  DROIT FUTUR (jamais entrer en vigueur)
Art. 30. § 1. [2 De beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs bevatten de erkende beroepskwalificaties vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Tot zolang er geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van de descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.
   De VLOR en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.]2

  De doelen waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.
  De beroepsgerichte vorming kan enkel gerealiseerd worden door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren en de component werkplekleren.
  Voor een opleiding die zowel in het deeltijds beroepssecundair onderwijs als in de leertijd voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar.
  § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs die door de centra niet-modulair worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, goedgekeurde opleidingskaarten als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.
  
§ 1er. [2 La formation à vocation professionnelle des formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel comprend les qualifications professionnelles reconnues tels que visées au décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. Tant qu'il n'existe pas de qualification professionnelle reconnue, le Gouvernement flamand détermine les cadres de référence dont sont dérivées les compétences pour la formation à vocation professionnelle des formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. Les compétences sont, tout comme les qualifications professionnelles reconnues, déterminées en recourant aux éléments de descripteur du cadre des certifications et garantissent l'application d'une éventuelle réglementation européenne, fédérale ou flamande concernant l'exercice de la profession.
   Le VLOR et le SERV seront invités à donner leur avis sur l'arrêté fixant les cadres de référence, le processus et les acteurs pour atteindre ces compétences.]2

  Les objectifs garantissent l'application d'une éventuelle réglementation européenne, fédérale ou flamande concernant l'exercice de la profession.
  La formation à vocation professionnelle ne peut se réaliser que par le suivi intégré de la composante apprentissage et de la composante apprentissage sur le lieu du travail.
  Pour une formation qui se retrouve dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ainsi que dans l'apprentissage, le même cadre de référence est d'application. Si l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'apprentissage appliquent le même cadre de référence, celui-ci est d'application à partir de la même année scolaire.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas aux formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui sont organisées de manière non modulaire par les centres dans l'attente de l'offre de formations qui se réalise après le screening visé à l'article 23, § 1er. Le cas échéant, les cartes de formation approuvées par le Gouvernement flamand, après avis du Vlaamse Onderwijsraad, sont utilisées comme cadre de référence définissant les objectifs pédagogiques et contenus didactiques minimums de la formation en question.
  
Art. 30/1. [1 Bij de organisatie van het leerprogramma werkt de klassenraad op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de betrokken personen en doet in het bijzonder voor jongeren met specifieke onderwijsbehoeften gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differen- tiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de jongere. De specifieke onderwijsbehoeften van jongeren en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]1
  
Art. 30/1. [1 Pour l'organisation du programme d'études, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les personnes concernées et opère, notamment pour les jeunes à besoins éducatifs spécifiques, des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins du jeune. Les besoins éducatifs spécifiques des jeunes et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central.]1
  
Onderafdeling IV. - Organisatie leertijd.
Sous-section IV. - Organisation de l'apprentissage.
Art. 31. [3 § 1.]3 De leertijd bestaat uit een praktijkopleiding in een onderneming, aangevuld met een theoretische vorming in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. Praktijkopleiding en aanvullende theoretische vorming zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De praktijkopleiding staat gelijk met de component werkplekleren en de theoretische vorming staat gelijk met de component leren.
  [4 Voor de praktijkopleiding in de leertijd wordt een overeenkomst vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen gesloten.]4
  De theoretische vorming in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen wordt verstrekt gedurende ten minste 30 weken per schooljaar naar rata van minimaal 8 wekelijkse uren, waaronder minimaal 4 uren algemene vorming en minimaal 4 uren beroepsgerichte vorming. De raad van bestuur van [5 de VDAB]5 kan voor bijzondere gevallen beslissen om een opleiding in een ander week- of jaarritme te organiseren op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het totale aantal uren op jaarbasis.
  Vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt, kan [5 de VDAB]5 de jongere vrijstellen van de algemene vorming.
  [1 Bij de organisatie van de leertijd werkt een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de betrokken personen en doet in het bijzonder voor jongeren met specifieke onderwijsbehoeften gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de jongere. De specifieke onderwijsbehoeften van jongeren en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]1
  [3 § 2. Voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming en de algemene vorming en van activiteiten ter ondersteuning van de beroepsgerichte vorming en de algemene vorming kan een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen samenwerken met andere centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, met centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, met centra voor volwassenenonderwijs of met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
   In voorkomend geval wordt er tussen het centrum en de instelling in kwestie of tussen de twee centra in kwestie een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin alle noodzakelijk geachte afspraken en voorwaarden zijn opgenomen.]3

  
Art. 31. [3 § 1er.]3 L'apprentissage se compose d'une formation pratique au sein d'une entreprise, complétée par une formation théorique dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises. Formation pratique et formation théorique complémentaire sont indissociablement liées. La formation pratique est assimilée à la composante apprentissage sur le lieu du travail et la formation théorique est assimilée à la composante apprentissage.
  [4 Pour la formation pratique durant l'apprentissage, un contrat est conclu, tel que visé à l'article 3 du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance.]4
  La formation théorique dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises est délivrée durant au moins 30 semaines par année scolaire, selon un régime d'au moins 8 heures hebdomadaires comportant au moins 4 heures de formation générale et au moins 4 heures de formation à vocation professionnelle. [5 L'administration du centre]5 peut, dans des cas particuliers, décider d'organiser une formation selon un rythme hebdomadaire ou annuel différent, à condition de ne pas porter préjudice au nombre total d'heures sur une base annuelle.
  A partir de l'année scolaire qui commence durant l'année calendaire au cours de laquelle le jeune atteint l'âge de 18 ans, [5 le conseil de classe]5 peut dispenser le jeune de suivre la formation générale.
  [1 Pour l'organisation de l'apprentissage, un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les personnes concernées et opère, notamment pour les jeunes à besoins éducatifs spécifiques, des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins du jeune. Les besoins éducatifs spécifiques des jeunes et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central.]1
  [3 § 2. Pour l'organisation de la formation à caractère professionnel et la formation générale et des activités à l'appui de la formation à caractère professionnel et la formation générale, un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises peut coopérer avec d'autres centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, des centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, des centres d'éducation des adultes ou avec des établissements d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein.
   Le cas échéant, un accord de coopération est conclu entre le centre et l'établissement en question ou entre les deux centres concernés, définissant les modalités et conditions jugées nécessaires.]3

  
Art. 31/1. [1 In de leertijd kan de wekelijkse lessentabel, de vakken moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20 % worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits.
   Het aanbod, vermeld in het eerste lid, kan worden georganiseerd op voorwaarde dat :
   1° de jongere de mogelijkheid heeft om alle niet-taalvakken in het Nederlands in het centrum te volgen;
   2° een jongere slechts CLIL kan volgen, indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgenen na positief advies van het ter zake bevoegd orgaan dat ten minste is gebaseerd op voldoende kennis en beheersing door de jongere van de onderwijstaal;
   3° het aanbod voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde kwaliteitsstandaard [2 die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014]2 . De kwaliteitsstandaard omvat enkel voorwaarden op het vlak van :
   a) de competenties van het personeel dat deze lessen zal geven op het vlak de CLIL-methodiek in relatie tot het vak zelf;
   b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;
   c) communicatie met ouders en jongeren; met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;
   d) de inpassing van dit aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;
   e) monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in het vak/onderwerp, in de doeltaal en in het Standaardnederlands;
   f) de te volgen stappen die een school moet ondernemen die een CLIL-project wil organiseren (beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren);
   4° het centrum er voor zorgt dat de kennis van de onderwijstaal bij de jongeren prioritair blijft en dat het Nederlandstalig karakter van het centrum behouden blijft;
   5° voorafgaand een plan wordt opgemaakt dat door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is goedgekeurd.]1

  
Art. 31/1. [1 Pendant l'apprentissage, 20 % au maximum de la grille horaire hebdomadaire, les cours de langues étrangères modernes non compris, peut être offert en langue française, anglaise ou allemande.
   L'offre visée à l'alinéa premier, peut être organisée à condition :
   1° que le jeune ait la possibilité de suivre tous les cours non linguistiques en néerlandais auprès du centre;
   2° qu'un jeune ne puisse suivre EMILE (Enseignement d'une Matière par l'Intégration d'une Langue Etrangère), que si les personnes concernées décident, par écrit et explicitement, de suivre le parcours EMILE pendant toute l'année scolaire, et ce après un avis positif d'un organe compétent en la matière, basé au moins sur une connaissance et une maîtrise suffisantes de la langue d'enseignement de la part du jeune;
   3° que l'offre réponde à la norme de qualité définie par le Gouvernement flamand [2 qui est fixée au plus tard le 15 février 2014]2 . La norme de qualité comprend uniquement des conditions au niveau :
   a) des compétences du personnel qui dispensera ces cours pour ce qui est de la méthodique EMILE par rapport à la branche même;
   b) de la connaissance exigée de la langue cible des membres du personnel;
   c) d'une communication ponctuelle avec les parents et les jeunes, tout en proposant le choix explicite entre EMILE ou non-EMILE;
   d) de l'intégration de cette offre dans une politique linguistique cohérente tant pour la langue d'enseignement que pour les langues étrangères, avec une formulation d'objectifs stratégiques explicites;
   e) du monitoring des résultats et des gains d'apprentissage des élèves dans la matière/le sujet, dans la langue cible et en néerlandais standard;
   f) des démarches à suivre par une école désirant organiser un projet EMILE (analyse de la situation initiale, communication, formuler des objectifs, dresser un plan d'action et l'opérationnaliser);
   4° que le centre veille à ce que la connaissance de la langue d'enseignement continue à avoir la priorité chez les jeunes et que le caractère néerlandophone du centre soit maintenu;
   5° qu'un plan soit élaboré au préalable et que celui-ci soit approuvé par le service compétent de la Communauté flamande.]1

  
Art. 32. § 1. [4 De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de raad van bestuur van [5 de VDAB]5, welke door de Vlaamse Regering vóór 1 januari 2014 vastgelegde referentiekaders worden opgeheven en door welke beroepskwalificaties ze worden vervangen. Van deze beroepskwalificaties worden, onverkort, de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen de leertijd afgeleid.]4
  [4 ...]4
  Voor een opleiding die zowel in de leertijd als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als de leertijd en het deeltijds beroepssecundair onderwijs hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar.
  § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen de leertijd die door de centra worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de raad van bestuur van [5 de VDAB]5 goedgekeurde programma's als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en -inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.
Art. 32. § 1er. [4 Le Gouvernement flamand détermine en étroite concertation avec les secteurs professionnels, le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ", et le conseil d'administration [5 du VDAB]5, les cadres de référence fixés par le Gouvernement flamand avant le 1er janvier 2014 qui sont abrogés et les qualifications professionnelles qui les remplacent. De ces qualifications professionnelles sont intégralement dérivés les objectifs pour la formation a vocation professionnelle des formations dans le cadre de l'apprentissage.]4
  [4 ...]4
  Pour une formation dispensée aussi bien dans l'apprentissage que dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le même cadre de référence s'applique. Si l'apprentissage et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel utilisent le même cadre de référence, ceci s'applique à partir de la même année scolaire.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne sont pas applicables aux formations durant l'apprentissage qui sont organisées par les centres dans l'attente de l'offre de formation établie après un screening, tel que visé à l'article 23, § 1er. Le cas échéant, les programmes approuvés par le conseil d'administration [5 du VDAB]5 sont utilisés comme cadre de référence, où sont décrits les objectifs pédagogiques et les contenus didactiques minimums de la formation en question.
  TOEKOMSTIG RECHT (nooit in werking getreden)
  DROIT FUTUR (jamais entrer en vigueur)
  {ial}Art. 32. § 1. [2 De beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen de leertijd bevatten de erkende beroepskwalificaties vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Tot zolang er geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen de leertijd worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van de descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.
   [3 De raad van bestuur van Syntra Vlaanderen]3 en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.]2

  De doelen waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.
  Voor een opleiding die zowel in de leertijd als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als de leertijd en het deeltijds beroepssecundair onderwijs hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar.
  § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen de leertijd die door de centra worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen goedgekeurde programma's als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en -inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.
  
Art. 32. § 1er. [2 La formation à vocation professionnelle des formations dans le cadre de l'apprentissage comprend les qualifications professionnelles reconnues tels que visées au décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. Tant qu'il n'existe pas de qualification professionnelle reconnue, le Gouvernement flamand détermine les cadres de référence dont sont dérivées les compétences pour la formation à vocation professionnelle des formations dans le cadre de l'apprentissage. Les compétences sont, tout comme les qualifications professionnelles reconnues, déterminées en recourant aux éléments de descripteur du cadre des certifications et garantissent l'application d'une éventuelle réglementation européenne, fédérale ou flamande concernant l'exercice de la profession.
   Le SERV et [3 le conseil d'administration de Syntra Vlaanderen]3 seront invités à donner leur avis sur l'arrêté fixant les cadres de référence, le processus et les acteurs pour atteindre ces compétences.]2

  Les objectifs garantissent l'application d'une éventuelle réglementation européenne, fédérale ou flamande concernant l'exercice de la profession.
  Pour une formation dispensée aussi bien dans l'apprentissage que dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le même cadre de référence s'applique. Si l'apprentissage et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel utilisent le même cadre de référence, ceci s'applique à partir de la même année scolaire.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne sont pas applicables aux formations durant l'apprentissage qui sont organisées par les centres dans l'attente de l'offre de formation établie après un screening, tel que visé à l'article 23, § 1er. Le cas échéant, les programmes approuvés par le conseil d'administration de Syntra Vlaanderen sont utilisés comme cadre de référence, où sont décrits les objectifs pédagogiques et les contenus didactiques minimums de la formation en question.
  
Art. 33. [1 Voor de toekenning van graad of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, zijn op de algemene vorming van de leertijd de bepalingen over eindtermen en op die eind termen gebaseerde leerplannen als vermeld in deel IV, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 van toepassing, met uitzondering van de eindtermen en leerplannen die zijn gekoppeld aan het vak lichamelijke opvoeding.]1
  
Art. 33. [1 Pour l'octroi de titres de fin d'études liés au degré ou à l'année d'études, identiques à ceux de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein, les dispositions concernant les objectifs finaux et les programmes d'études, basés sur ces objectifs sont d'application à la formation générale de l'apprentissage, telle que visée à la partie IV, titre 1er, chapitre 1er, section 3, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, à l'exception des objectifs finaux et des programme d'études liés au cours d'éducation physique.]1
  
Onderafdeling V. - Organisatie deeltijdse vorming.
Sous-section V. - Organisation de la formation à temps partiel.
Afdeling III. - Doelgroep.
Section III. - Groupe cible.
Onderafdeling I. - Toelating.
Sous-section Ire. - Autorisation.
Art. 37. [1 Voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs moeten de bepalingen van deze onderafdeling samengelezen worden met deel III, titel 2, hoofdstuk 1/1, van de Codex Secundair Onderwijs en met het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I.]1
  
Art. 37. [1 Pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, les dispositions de la présente sous-section doivent être lues conjointement aux dispositions de la partie III, titre 2, chapitre 1/1, du Codes de l'Enseignement secondaire et aux dispositions du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I.]1
  
Art. 38. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs en in de leertijd, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, kunnen geen directe of indirecte inschrijvingsgelden worden gevraagd.
  Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het schooljaar door het centrumbestuur, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering vormen om zich in te schrijven.
  Het centrumbestuur bepaalt de lijst van financiële bijdragen die aan de betrokken personen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen van die bijdrageregeling die kunnen worden toegekend, in voorkomend geval rekening houdend met de decreet- of regelgeving op het vlak van inspraak en participatie.
Art. 38. Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et durant l'apprentissage, financé ou subventionné par la Communauté flamande, aucun droit d'inscription direct ou indirect ne peut être demandé.
  Par droits d'inscription indirects, on entend les frais demandés par la direction du centre, au début ou au cours de l'année scolaire, dont le montant est à ce point élevé qu'il constitue une entrave réelle à l'inscription.
  La direction du centre arrête la liste des contributions financières qui peuvent être demandées aux personnes concernées, ainsi que les dérogations par rapport au régime de contribution qui peuvent être autorisées, le cas échéant en tenant compte de la législation ou de la réglementation en matière de droit de parole et de participation.
Art. 39. § 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd zijn toegankelijk voor jongeren die enerzijds aan de voltijdse leerplicht hebben voldaan en anderzijds de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Ze kunnen worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin jongeren de leeftijd van 25 jaar bereiken.
  In afwijking van het voorgaande kan een jongere evenwel bijzondere toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. [3 Die toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of door de directie van het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in kwestie op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de instelling voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt]3.
  § 2. [1 [2 ...]2]1
  
Art. 39. § 1er. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'apprentissage sont accessibles aux jeunes qui, d'une part, ont satisfait aux conditions de l'obligation scolaire à temps plein et qui, d'autre part, n'ont pas encore atteint l'age de 25 ans. Les jeunes peuvent être suivis au plus tard jusqu'à la fin de l'année scolaire au cours de laquelle ils atteignent l'âge de 25 ans.
  Par dérogation à ce qui précède, un jeune peut obtenir l'autorisation exceptionnelle de suivre, à partir du début de l'année scolaire durant laquelle il est soumis à l'obligation scolaire à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage. [3 Cette autorisation est accordée par la direction du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par la direction du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises en question sur avis du centre d'encadrement des élèves avec lequel collabore l'établissement d'enseignement à temps plein où le jeune suit les cours]3.
  § 2. [1 [2 ...]2.]1
  
Art. 40. [1 Een jongere kan niet tot een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd worden toegelaten als hij al in het bezit is van een eindstudiebewijs van dezelfde opleiding, behaald in het secundair onderwijs, in het volwassenenonderwijs, in de leertijd of in [2 het ondernemerschapstraject]2.]1
  [3 In het eerste lid wordt verstaan onder het ondernemerschapstraject: een traject als vermeld in artikel 26/2, § 1, 2°, van het decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid.]3
  Een jongere kan niet tot een module van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden toegelaten als hij die module al met vrucht heeft gevolgd in het secundair onderwijs of in het volwassenenonderwijs.
  
Art. 40. [1 Un jeune ne peut pas être admis dans une formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou en apprentissage s'il est déjà en possession d'un certificat de fin d'études de la même formation, obtenu dans l'enseignement secondaire, dans l'éducation des adultes, en apprentissage ou dans [3 le parcours d'entrepreneuriat]3.]1
  [4 Au 1er alinéa, on entend par parcours d'entrepreneuriat : un parcours tel que visé à l'article 26/2, § 1er, 2°, du décret du 16 mars 2012 relatif à la politique d'aide économique.]4
  Un jeune ne peut pas être admis dans un module de formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel s'il a déjà suivi avec succès ce module dans l'enseignement secondaire ou dans l'éducation des adultes.
  
Art. 41. Voor de toelating tot een bepaalde module van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs gelden de door de Vlaamse Regering bepaalde instapvereisten. Deze instapvereisten kunnen slechts betrekking hebben op vooropleiding of medische geschiktheid. Voor zover een opleiding niet-modulair wordt georganiseerd kunnen eveneens instapvereisten worden gesteld die betrekking hebben op medische geschiktheid.
  Van instapvereisten die betrekking hebben op vooropleiding kan evenwel per individueel geval, ingevolge een gemotiveerde beslissing van de klassenraad, worden afgeweken. Die beslissing houdt in dat de klassenraad oordeelt dat de algemene en de beroepsgerichte vorming van een of meer nietgevolgde voorafgaande modules binnen de opleiding al eerder zijn behaald. In voorkomend geval levert het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een attest van vrijstelling af.
  Bij verandering van centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs blijft een attest van vrijstelling gelden, tenzij kennelijk blijkt dat het attest werd verkregen zonder dat de jongere het oogmerk had om in het centrum van uitreiking daadwerkelijk en regelmatig een opleiding te volgen.
Art. 41. Pour l'admission dans un certain module de formation de l'enseignement professionnel secondaire à temps partiel, des conditions d'accès sont arrêtées par le Gouvernement flamand. Ces conditions d'accès peuvent uniquement se rapporter à une formation préalable ou à une aptitude médicale. Pour autant qu'une formation soit organisée de manière non modulaire, des conditions d'accès peuvent également être fixées, se rapportant à une aptitude médicale.
  Au niveau individuel, il peut toutefois être dérogé aux conditions d'accès relatives à une formation préalable, consécutivement à une décision motivée du conseil de classe. Cette décision signifie que le conseil de classe estime que la formation générale et à vocation professionnelle d'un ou de plusieurs modules préalables non suivis au sein de la formation a déjà été acquise précédemment. Le cas échéant, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel délivré une attestation d'exemption.
  En cas de changement de centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, une attestation d'exemption reste valable, sauf s'il apparaît clairement que l'attestation a été obtenue sans que le jeune ait eu l'intention de suivre réellement et régulièrement une formation dans le centre de délivrance de l'attestation.
Art. 42bis. [1 Voor leerlingen die [3 overstappen van een school of centrum met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die of centrum dat is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België]3 en die :
   a) zich ofwel binnen de deeltijdse leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983;
   b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van deeltijds beroepssecundair onderwijs, geldt,
   behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toeltingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde een gunstige beslissing van de klassenraad van een door de betrokken personen gekozen centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. [2 Bij de beslissing houdt de klassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.]2
   Voor de leerlingen in kwestie kan de Vlaamse Regering nooit toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de vooropleiding bepalen.]1

  
Art. 42bis. [1 A l'égard des élèves [3 qui passent d'une école ou d'un centre ayant un système d'enseignement étranger ou d'une école ou d'un centre agréé par la Communauté française ou germanophone de Belgique]3 qui :
   a) soit sont en âge de scolarité partielle tel que défini par la loi du 29 juin 1983;
   b) soit optent explicitement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel,
   une décision favorable du conseil de classe d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel choisi par les personnes intéressées vaut comme condition d'admission, sous réserve d'autres conditions d'admission éventuellement imposées par le Gouvernement flamand. [2 Pour sa décision, le conseil de classe tient compte de l'avis du conseil de classe de l'année d'accueil lorsqu'il s'agit d'un passage de l'année d'accueil à un enseignement complémentaire, visé à l'article 146, § 4, du Code de l'Enseignement secondaire. Toute décision déviant de l'avis est suffisamment motivée.]2
   Pour les élèves en question, le Gouvernement flamand ne peut jamais définir des conditions d'admission pour ce qui est de la formation préalable.]1

  
Art. 43. In de leertijd kan [1 de raad van bestuur van [2 de VDAB]2]1 voor bepaalde opleidingen bijzondere instapvoorwaarden inzake leeftijd of vooropleiding vastleggen.
  [1 ...]1
  
Art. 43. Durant l'apprentissage, [1 le conseil d'administration [2 du VDAB]2]1 peut fixer, pour certaines formations, des conditions d'accès particulières relatives à l'âge ou à une formation préalable.
  [1 ...]1
  
Art. 44. Rechtstreekse inschrijving in een centrum om aan de component leren te voldoen, is enkel mogelijk in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, via de trajectbegeleider [2 ...]2, in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
  [1 ...]1
  
Art. 44. Une inscription directe dans un centre pour satisfaire à la composante apprentissage est uniquement possible dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou, via l'accompagnateur de parcours [2 ...]2, dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.
  [1 ...]1
  
Art. 45. [1 § 1. Voorafgaand aan een inschrijving en bij elke wijziging moet een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een [2 centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]2, naargelang van het geval, de betrokken personen op de hoogte brengen van het centrumreglement. Daarbij moeten de volgende principes in acht worden genomen :
   1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;
   2° bij elke wijziging van het centrumreglement worden de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager geïnformeerd over die wijziging en geven ze opnieuw schriftelijk akkoord. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van de jongere een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar;
   3° het centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papieren versie van het centrumreglement wensen te ontvangen;
   4° een wijziging van het centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.
   § 2. Voor materies waarbij de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het centrumreglement geregeld worden.]1

  
Art. 45. [1 § 1er. Préalablement à une inscription et à chaque modification, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un [2 centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]2 doit, selon le cas, informer les personnes intéressées du règlement du centre, tout en tenant compte des principes suivants :
   1° préalablement à une inscription, le règlement de centre est offert de manière écrite ou sur support électronique et les personnes intéressées y conviennent par écrit;
   2° à chaque modification du règlement de centre, les personnes intéressées en sont informées par écrit ou par support électronique, et elles renouvellent leur accord par écrit. Si les personnes intéressées déclarent ne pas être d'accord avec la modification, il est mis fin à l'inscription de l'élève le 31 août de l'année scolaire en cours;
   3° la direction du centre demande aux personnes intéressées si elles désirent recevoir une version papier du règlement de centre;
   4° une modification du règlement de centre peut au plus tôt prendre effet l'année scolaire suivante, sauf si cette modification est la conséquence directe d'une nouvelle réglementation.
   § 2. Pour les matières faisant l'objet d'un choix individuel de la part des personnes intéressées garanti par une réglementation, ce choix individuel ne peut pas être réglé par le biais du règlement de centre.]1

  
Art. 46. Na inschrijving in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd wordt de jongere als deeltijds lerende ingeschreven bij de VDAB.
Art. 46. Après inscription dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou à l'apprentissage, le jeune est inscrit au VDAB en tant qu'apprenant à temps partiel.
Art. 47. De inschrijving in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is slechts mogelijk onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :
  1° de jongere voldoet uiterlijk op de eerste lesdag aan de toelatingsvoorwaarden;
  2° de betrokken personen stemmen in met het pedagogische project en met het centrumreglement;
  3° de jongere is bereid zich te onderwerpen aan een screening en trajectbegeleiding als vermeld in artikelen 62 en 63.
Art. 47. L'inscription dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises est uniquement possible sur la base de l'ensemble des conditions suivantes :
  1° le jeune répond au plus tard le premier jour de cours aux conditions d'admission;
  2° les personnes concernées approuvent le projet pédagogique et le règlement du centre;
  3° le jeune est prêt à se soumettre à un screening et à un accompagnement de parcours tels que visés aux articles 62 et 63.
Art. 49. [1 Voor een jongere die zich pas inschrijft in het deeltijds beroepssecundair onderwijs na zijn leerplicht wordt de inschrijving in het centrum onmiddellijk beëindigd als uit de screening, vermeld in artikel 62, blijkt dat hij niet in arbeidsdeelname of in [2 aanloopcomponent]2 wordt ingeschaald.]1
  Voor een jongere wordt de inschrijving in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen onmiddellijk beëindigd als uit de screening als vermeld in artikel 62, volgt dat hij niet in de arbeidsdeelname [2 of aanloopcomponent]2 wordt ingeschaald.
  
Art. 49. [1 Il est immédiatement mis fin à l'inscription dans le centre d'un jeune qui ne s'inscrit qu'après la fin de son obligation scolaire dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, lorsqu'il ressort du screening visé à l'article 62 qu'il n'est pas inséré dans le marché du travail ou [2 une composante de démarrage]2.]1
  Pour un jeune, l'inscription dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises prend fin immédiatement s'il découle du screening visé à l'article 62 qu'il n'est pas intégré dans la participation au marché de l'emploi [2 ou dans la composante de démarrage]2.
  
Art. 49bis. [1 Voor leerlingen die [3 overstappen van een school of centrum met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die of centrum dat is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België]3 en die :
   a) zich ofwel binnen de deeltijdse leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983;
   b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van leertijd;
   geldt, behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toelatingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde [3 een gunstige beslissing van de klassenraad van een door de betrokken personen gekozen centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]3.]1
[2 [3 Bij de beslissing houdt de klassenraad rekening met]3 het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.]2
  
Art. 49bis. [1 A l'égard des élèves [3 qui passent d'une école ou d'un centre ayant un système d'enseignement étranger ou d'une école ou d'un centre agréé par la Communauté française ou germanophone de Belgique]3 qui :
   a) soit sont en âge de scolarité partielle tel que défini par la loi du 29 juin 1983;
   b) soit optent explicitement pour l'apprentissage;
   [3 une décision favorable du conseil de classe d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises choisi par les personnes concernées]3 vaut comme condition d'admission, sous réserve d'autres conditions d'admission éventuellement imposées par le Gouvernement flamand.]1
[2 [3 Pour sa décision, le conseil de classe tient compte de]3 l'avis du conseil de classe de l'année d'accueil lorsqu'il s'agit d'un passage de l'année d'accueil à un enseignement complémentaire, visé à l'article 146, § 4, du Code de l'Enseignement secondaire. Toute décision déviant de l'avis est suffisamment motivée.]2
  
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III. - Verplichte aanwezigheid.
Sous-section III. - Présence obligatoire.
Art. 57. De bepalingen van deze onderafdeling moeten samen gelezen worden met de bepalingen van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, voor zover er niet van wordt afgeweken.
Art. 57. Les dispositions de cette sous-section doivent être lues conjointement aux dispositions de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire, dans la mesure où il n'y est pas dérogé.
Art. 58. [1 Van zodra hij met de effectieve lesbijwoning start, moet de jongere een opleiding of vorming in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]1 [2 In afwijking hierop moet de jongere in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, met een [3 IAC-verslag, vermeld in artikel 294, § 2, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs]3 van zodra hij met de effectieve lesbijwoning start, het individueel aangepast curriculum dat is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]2 [3 In afwijking van de eerste zin moet de jongere in het deeltijds beroepssecundair onderwijs met een OV4-verslag, vermeld in artikel 294, § 2, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs, zodra die met de effectieve lesbijwoning start, het gemeenschappelijke curriculum werkelijk en regelmatig volgen, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en rekening houdende met de bepalingen van artikel 122/1/1 van de Codex Secundair Onderwijs.]3
  De Vlaamse Regering bepaalt welke afwezigheden van rechtswege gewettigd zijn en welke afwezigheden door het centrum kunnen worden gewettigd. De Vlaamse Regering bepaalt ook welke maatregelen in geval van problematische afwezigheden worden genomen. Voor de uitvoering van deze bepaling hanteert de Vlaamse Regering objectieve criteria waaronder alleszins de duur en de aard van de afwezigheid.
  
Art. 58. [1 Dès que le jeune commence effectivement à fréquenter les cours, il doit suivre de manière assidue une formation ou une instruction, sauf en cas d'absence justifiée, auprès d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou auprès d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.]1 [2 Par dérogation à la disposition précédente, le jeune dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel [3 , qui dispose d'un rapport IAC visé à l'article 294, § 2, 1°, du Code de l'enseignement secondaire,]3 doit, dès qu'il commence effectivement à fréquenter les cours, suivre effectivement et régulièrement le programme adapté individuellement établi par le conseil de classe, sauf en cas d'absence justifiée.]2 [3 Par dérogation à la première phrase, le jeune de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, qui dispose d'un rapport OV4 visé à l'article 294, § 2, 2°, du Code de l'enseignement secondaire, doit, dès qu'il commence effectivement à fréquenter les cours, suivre effectivement et régulièrement le programme d'études commun, sauf en cas d'absence justifiée, et compte tenu des dispositions de l'article 122/1/1 du Code de l'enseignement secondaire.]3
  Le Gouvernement flamand arrête les absences qui sont légalement autorisées et les absences qui peuvent être autorisées par le centre. Le Gouvernement flamand arrête également les mesures qui sont prises en cas d'absences problématiques. En vue de l'exécution de cette disposition, le Gouvernement flamand applique des critères objectifs, dont notamment la durée et la nature de l'absence.
  
Art.58/1. [1 Het centrumbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een jongere of jongerengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in de eerste zin van het eerste lid van artikel 58, en onder de volgende modaliteiten :
   1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de opleiding gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van de opleiding niet aantasten, mits de klassenraad van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het begeleidingsteam van het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een jongere die onderwijsbehoeften heeft omwille van :
   a) hetzij hoogbegaafdheid, zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding;
   b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor bepaalde onderdelen van de opleiding, die niet vallen onder de toepassing van artikel 30/1 of artikel 31;
   2° in voorkomend geval :
   a) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van de algemene vorming of het geheel van de beroepsgerichte vorming;
   b) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
   c) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging.]1

  
Art.58/1. [1 En prenant appui sur des arguments pédagogiques spécifiques et en vue de proposer plus de parcours d'apprentissage individuels, l'autorité du centre peut décider de déroger, pour un jeune ou groupe de jeunes, à la condition visée à la première phrase de de l'alinéa 1er de l'article 58, selon les modalités suivantes :
   1° l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de la formation pendant une partie de l'année scolaire ou l'année scolaire complète et le remplacement par d'autres subdivisions qui ne portent pas atteinte à la finalité de la subdivision structurelle, à condition que le conseil de classe du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou de l'équipe d'accompagnement du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, suivant le cas, prenne une décision favorable après l'accord des personnes concernées, pour un jeune à besoins éducatifs spécifiques en raison :
   a) soit de sa nature surdouée, constatée sur la base d'une évaluation diagnostique actionnelle effectuée par le centre d'encadrement des élèves ;
   b) soit de difficultés d'apprentissage temporaires ou de retards scolaires pour certaines subdivisions de la formation, ne relevant pas de l'application de l'article 30/1 ou de l'article 31 ;
   2° le cas échéant :
   a) des exemptions individuelles ne peuvent jamais être accordées pour l'ensemble de la formation générale ou l'ensemble de la formation à caractère professionnel ;
   b) des exemptions individuelles et des remplacements sont fixés par écrit et motivés ;
   c) des exemptions individuelles et des remplacements ne portent pas préjudice à la validation des études.]1

  
Art. 59. Gedurende de periode dat een jongere een opleiding of vorming volgt, moet hij volledig en daadwerkelijk invulling geven aan de component werkplekleren, behoudens in geval van afwezigheid die bij wet, decreet of besluit als gewettigd wordt of kan worden beschouwd of behoudens in de gevallen als vermeld in artikel 6, § 3.
  De Vlaamse Regering bepaalt welke maatregelen in geval van problematische afwezigheden bij het werkplekleren worden genomen. Voor de uitvoering van deze bepaling hanteert de Vlaamse Regering objectieve criteria waaronder alleszins de duur en de aard van de afwezigheid. Als maatregel zijn onder meer sancties mogelijk in de vorm van inhoudingen op financiële vergoedingen of stimuli voor de leerling die aan bepaalde vormen van werkplekleren zijn verbonden.
Art. 59. Durant la période où un jeune suit une formation ou une instruction, il doit suivre la composante apprentissage sur le lieu du travail de manière assidue, sauf en cas d'absence justifiée ou considérée comme telle par la loi, le décret ou l'arrêté, ou dans les cas visés à l'article 6, § 3.
  Le Gouvernement flamand arrête les mesures qui sont prises en cas d'absences problématiques au cours de l'apprentissage sur le lieu du travail. En vue de l'exécution de cette disposition, le Gouvernement flamand applique des critères objectifs, dont notamment la durée et la nature de l'absence. Comme mesure, des sanctions sont notamment possibles sous forme de retenues sur des allocations financières ou des incitants pour l'élève, associés à différentes formes d'apprentissage sur le lieu du travail.
Art. 60. Een jongere die voor het einde van zijn leerplicht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs werd ingeschreven en die binnen een schooljaar gedurende 30 dagen problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan een [2 ...]2 [2 aanloopcomponent]2 of arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in het geval hij niet meer leerplichtig is.
  Een jongere die na het einde van zijn leerplicht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs werd ingeschreven en die binnen een schooljaar gedurende 30 dagen problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan de arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.
  Een jongere die binnen een schooljaar gedurende 30 dagen problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan een [2 aanloopcomponent]2 of arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven door het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
  [1 In elk van die gevallen kan het centrum dat uitschrijft, weigeren om de betrokken jongere tijdens hetzelfde schooljaar herin te schrijven.]1
  
Art. 60. Un jeune qui a été inscrit avant la fin de son obligation scolaire dans un enseignement secondaire professionnel à temps partiel et qui a été absent sans motif légitime durant 30 jours au cours d'une année scolaire là où il était sensé compléter [2 ...]2, [2 une composante de démarrage]2 ou une participation au marché de l'emploi, est, ces 30 jours écoulés, dés inscrit par le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel dans le cas où il n'est plus soumis à l'obligation scolaire.
  Un jeune qui a été inscrit après la fin de son obligation scolaire dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et qui a été absent sans motif légitime durant 30 jours au cours d'une année scolaire là où il était sensé concrétiser une participation au marché de l'emploi, est, ces 30 jours écoulés, dés inscrit par le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
  Un jeune qui a été absent sans motif légitime durant 30 jours au cours d'une année scolaire là où il était sensé compléter [2 une composante de démarrage]2 ou une participation au marché de l'emploi, est, ces 30 jours écoulés, dés inscrit par le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.
  [1 Dans chacun de ces cas, le centre qui désinscrit peut refuser de réinscrire le jeune concerné pendant la même année scolaire.]1
  
Art. 61. Tijdens de periodes dat de jongere de component werkplekleren effectief invult, moet een vertegenwoordiger van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de jongere is ingeschreven of een trajectbegeleider [1 in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]1 bereikbaar zijn. Deze verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden. Als de uitvoering van deze bepaling voor personeelsleden verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet zouden geweest zijn, moet het centrumbestuur in een passende compensatieregeling voorzien. Deze regeling vergt het uitdrukkelijk, schriftelijk en voorafgaand akkoord van het betrokken personeelslid en wordt desgevallend onderhandeld in het bevoegde lokaal comité.
  
Art. 61. Durant les périodes où le jeune complète effectivement la composante apprentissage sur le lieu du travail, un représentant du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où le jeune est inscrit ou un accompagnateur de parcours [1 dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises]1 est disponible. Cette obligation ne peut toutefois pas porter préjudice aux droits statutaires des membres du personnel individuellement. Si l'exécution de cette disposition entraîne pour les membres du personnel des obligations qui n'auraient pas existe autrement, la direction du centre doit prévoir un régime de compensation adapté. Ce régime requiert l'accord exprès, écrit et préalable du membre du personnel concerné et est, le cas échéant, négocié au comité local compétent.
  
Onderafdeling IV. - Screening en trajectbegeleiding.
Sous-section IV. - Screening et accompagnement de parcours.
Art. 62. Elke jongere die zich inschrijft in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs [3 of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]3 wordt door dat centrum gescreend.
  [3 ...]3
  [2 ...]2
  [1 Bij inschrijving is de screening evenwel niet verplicht indien het een jongere betreft die al gescreend werd in het kader van een eerdere inschrijving in een ander centrum of in hetzelfde centrum. In het geval het centrum [3 ...]3 afziet van een nieuwe screening, dan blijft het resultaat van de vorige screening gelden.]1
  De screening heeft betrekking op arbeidsrijpheid, interesses, motivatie en eerder verworven competenties.
  De middelen of methodieken voor de screening moeten, voor wat betreft de component werkplekleren, door de [2 de Vlaamse Regering]2 worden gevalideerd met het oog op kwaliteitsborging.
  Het resultaat van de screening is een inschaling van de jongere in hetzij de arbeidsdeelname, [2 hetzij de aanloopcomponent]2, [2 ...]2 [2 hetzij een NAFT]2. [2 Voor NAFT is een advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding vereist. Als een jongere op een door de Vlaamse Regering nader te bepalen datum in een voortraject is ingeschreven, doorloopt die jongere opnieuw een screening met het oog op een inschaling in een NAFT, aanloopcomponent of arbeidsdeelname.]2
  Het resultaat van de screening bepaalt of de inschrijving in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen al dan niet wordt beëindigd als vermeld in artikel 49.
  Het resultaat van de screening wordt opgenomen in een trajectvolgsysteem van de VDAB.
  
Art. 62. Chaque jeune qui s'inscrit dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel [3 ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]3 est soumis à un screening par ce centre.
  [3 ...]3
  [2 ...]2
  [1 Lors de l'inscription, le screening n'est cependant pas obligatoire s'il s'agit d'un jeune ayant déjà été fait l'objet d'un screening dans le cadre d'une inscription antérieure auprès dans un autre centre ou dans le même centre. Si le centre, [3 ...]3 renonce à un nouveau screening, le résultat du screening précédent reste valable.]1
  Le screening concerne la maturité au travail, les centres d'intérêt, la motivation et les compétences acquises précédemment.
  Les moyens ou méthodes du screening doivent, pour ce qui concerne la composante apprentissage sur le lieu du travail, être validés par le [2 Gouvernement flamand]2 en vue d'en garantir la qualité.
  Le résultat du screening est une intégration du jeune, soit dans la participation au marché de l'emploi, [2 soit dans la composante de démarrage]2 [2 ...]2, [2 soit dans un NAFT]2. [2 Pour un NAFT, un avis du centre d'encadrement des élèves est requis. Si un jeune est inscrit, à une date à fixer par le Gouvernement flamand, à un parcours préalable, ce jeune parcourt à nouveau un screening en vue d'une intégration dans un NAFT, une composante de démarrage ou une participation au marché de l'emploi.]2.
  Le résultat du screening détermine si l'inscription dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises prend fin ou non, tel que visé à l'article 49.
   Le résultat du screening est intégré dans un système de suivi de parcours du VDAB.
  
Art.62 TOEKOMSTIG RECHT.
   Elke jongere die zich inschrijft in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs [3 of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]3 wordt door dat centrum gescreend.
  [3 ...]3
  [2 ...]2
  [1 Bij inschrijving is de screening evenwel niet verplicht indien het een jongere betreft die al gescreend werd in het kader van een eerdere inschrijving in een ander centrum of in hetzelfde centrum. In het geval het centrum [3 ...]3 afziet van een nieuwe screening, dan blijft het resultaat van de vorige screening gelden.]1
  De screening heeft betrekking op arbeidsrijpheid, interesses, motivatie en eerder verworven competenties.
  De middelen of methodieken voor de screening moeten, voor wat betreft de component werkplekleren, door de [2 de Vlaamse Regering]2 worden gevalideerd met het oog op kwaliteitsborging.
  [4 Het resultaat van de screening is een inschaling van de jongere in de arbeidsdeelname of de aanloopcomponent.]4
  Het resultaat van de screening bepaalt of de inschrijving in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen al dan niet wordt beëindigd als vermeld in artikel 49.
  Het resultaat van de screening wordt opgenomen in een trajectvolgsysteem van de VDAB.
Art.62 DROIT FUTUR.
   Chaque jeune qui s'inscrit dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel [3 ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]3 est soumis à un screening par ce centre.
  [3 ...]3
  [2 ...]2
  [1 Lors de l'inscription, le screening n'est cependant pas obligatoire s'il s'agit d'un jeune ayant déjà été fait l'objet d'un screening dans le cadre d'une inscription antérieure auprès dans un autre centre ou dans le même centre. Si le centre, [3 ...]3 renonce à un nouveau screening, le résultat du screening précédent reste valable.]1
  Le screening concerne la maturité au travail, les centres d'intérêt, la motivation et les compétences acquises précédemment.
  Les moyens ou méthodes du screening doivent, pour ce qui concerne la composante apprentissage sur le lieu du travail, être validés par le [2 Gouvernement flamand]2 en vue d'en garantir la qualité.
  [4 Le résultat du screening est une intégration du jeune dans la participation au marché de l'emploi ou dans la composante de démarrage.]4
  Le résultat du screening détermine si l'inscription dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises prend fin ou non, tel que visé à l'article 49.
   Le résultat du screening est intégré dans un système de suivi de parcours du VDAB.
Art. 63. [1 Trajectbegeleiding heeft als ultiem doel de jongere in een aangepast tempo naar de arbeidsdeelname te loodsen.
   Bij inschaling in hetzij de arbeidsdeelname, hetzij de aanloopcomponent, wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld door de trajectbegeleider van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of de trajectbegeleider van het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, in overleg met de actoren die betrokken zijn bij de invulling van de component leren en de component werkplekleren.
   Om de twee maanden is er een overleg tussen de trajectbegeleider van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of de trajectbegeleider van het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, het centrum voor leerlingenbegeleiding, en zo nodig de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, ter eventuele bijsturing van het trajectbegeleidingsplan.
   De opeenvolgende fasen die de jongere in zijn traject doorloopt, worden geregistreerd in het trajectvolgsysteem van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.
   In het vierde lid wordt verstaan onder fasen: de aanloopcomponent en de arbeidsdeelname.
   Bij trajectbegeleiding kan er een beroep worden gedaan op tweedelijnsondersteuning door een bemiddelaar van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.]1

  
Art. 63. [1 L'accompagnement de parcours a comme objectif ultime de guider le jeune à un rythme adapté vers la participation au marché de l'emploi.
   Lors de l'intégration, soit dans la participation au marché de l'emploi, soit dans la composante de démarrage, un plan d'accompagnement de parcours est établi par l'accompagnateur de parcours du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par l'accompagnateur de parcours du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en concertation avec les acteurs associés à la concrétisation de la composante apprentissage et la composante apprentissage sur le lieu du travail.
   Tous les deux mois, une concertation a lieu entre l'accompagnateur de parcours du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'accompagnateur de parcours du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, le centre d'encadrement des élèves, et si nécessaire l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle, en vue d'une correction éventuelle du plan d'accompagnement de parcours.
   Les phases successives que le jeune accomplit durant son parcours sont enregistrées dans le système de suivi de parcours de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle.
   Dans l'alinéa 4, on entend par phases : la composante de démarrage et la participation au marché de l'emploi.
   En cas d'accompagnement de parcours, on peut faire appel à l'appui secondaire par un médiateur de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle.]1

  
Art. 64. De screening als vermeld in artikel 62, vindt zo spoedig mogelijk plaats en uiterlijk op 14 september van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft dan wel, in geval van laattijdige inschrijving, binnen 14 dagen na die inschrijving. Afhankelijk van het resultaat van de screening wordt de jongere onmiddellijk in de arbeidsdeelname [1 de aanloopcomponent]1, [1 ...]1 of [1 NAFT]1 ingeschakeld.
  Het opstellen van het trajectbegeleidingsplan als vermeld in artikel 63 vindt zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na de screening plaats.
  
Art. 64. Le screening visé à l'article 62 est réalisé le plus rapidement possible et au plus tard le 14 septembre de l'année scolaire à laquelle se rapporte l'inscription ou, en cas d'inscription tardive, dans les 14 jours suivant cette inscription. En fonction du résultat du screening, le jeune est immédiatement intégré dans la participation au marché de l'emploi, [1 la composante de démarrage]1 [1 ...]1 ou [1 le NAFT]1
  La mise sur pied du programme d'accompagnement de parcours tel que visé à l'article 63 est réalisée le plus rapidement possible et au plus tard un mois après le screening.
  
Art.64 TOEKOMSTIG RECHT.
   De screening als vermeld in artikel 62, vindt zo spoedig mogelijk plaats en uiterlijk op 14 september van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft dan wel, in geval van laattijdige inschrijving, binnen 14 dagen na die inschrijving. [2 Afhankelijk van het resultaat van de screening wordt de jongere onmiddellijk in de arbeidsdeelname of de aanloopcomponent ingeschakeld]2.
  Het opstellen van het trajectbegeleidingsplan als vermeld in artikel 63 vindt zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na de screening plaats.
Art.64 DROIT FUTUR.
   Le screening visé à l'article 62 est réalisé le plus rapidement possible et au plus tard le 14 septembre de l'année scolaire à laquelle se rapporte l'inscription ou, en cas d'inscription tardive, dans les 14 jours suivant cette inscription. [2 En fonction du résultat du screening, le jeune est immédiatement intégré dans la participation au marché de l'emploi ou dans la composante de démarrage.]2
  La mise sur pied du programme d'accompagnement de parcours tel que visé à l'article 63 est réalisée le plus rapidement possible et au plus tard un mois après le screening.
Afdeling IV. - Evaluatie en studiebekrachtiging.
Section IV. - Evaluation et validation des études.
Onderafdeling I. - Deeltijds beroepssecundair onderwijs.
Sous-section Ire. - Enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
Art. 66. De klassenraad heeft als orgaan, ingesteld door het centrumbestuur, de exclusieve bevoegdheid om te beslissen of een jongere voor een opleiding of voor een module is geslaagd.
  De klassenraad bepaalt de vorm waarin de jongere individueel wordt geëvalueerd en gaat daarbij na of hij in voldoende mate de module- of opleidingsdoelstellingen, naargelang van het geval, heeft bereikt om een door de Vlaamse Gemeenschap erkend studiebewijs te verwerven. Bij het nemen van evaluatiebeslissingen wordt er rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere tijdens het schooljaar.
  De klassenraad beslist op gemotiveerde wijze en deelt die beslissing schriftelijk en gemotiveerd mee aan de betrokken personen. Van de beslissingen van de klassenraad wordt een procesverbaal opgemaakt en worden er notulen gemaakt. Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet-geslaagde jongeren. De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming. De processenverbaal en de notulen moeten gedurende 30 jaar bewaard worden.
Art. 66. Le conseil de classe dispose en tant qu'organe, institué par la direction du centre, de la compétence exclusive de décider si un jeune a réussi une formation ou un module.
  Le conseil de classe détermine sous quelle forme le jeune est individuellement évalué et vérifie dans ce contexte s'il a atteint de manière suffisante les objectifs du module ou de la formation, selon le cas, pour acquérir un titre reconnu par la Communauté flamande. Lors de la prise des décisions d'évaluation, il est tenu compte des données concrètes du dossier du jeune, en particulier des résultats découlant de l'évaluation du jeune durant l'année scolaire.
  Le conseil de classe prend une décision de manière motivée et la communique par écrit et de manière motivée aux personnes concernées. Les décisions du conseil de classe sont consignées dans un procès-verbal et un compte-rendu est rédigé. Le procès-verbal comporte la liste des jeunes qui ont réussi et des jeunes qui n'ont pas réussi. Le compte-rendu comporte une synthèse des éléments qui ont conduit à la décision, dont notamment le résultat d'un vote éventuel. Les procès-verbaux et les comptes-rendus doivent être conservés durant 30 ans.
Art. 67. De klassenraad bestaat uit :
  1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken : enerzijds de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de klassenraad voorzit, en anderzijds alle leden van het onderwijzend personeel die aan de jongere onderricht hebben verstrekt of in trajectbegeleiding hebben voorzien;
  2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter : enerzijds andere personeelsleden van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of externen aan het centrum, als die betrokken zijn bij de psychosociale of pedagogische begeleiding van de jongere, en anderzijds deskundigen in de te beoordelen opleiding of module.
  De Vlaamse Regering kan aanvullende bepalingen vastleggen met betrekking tot de organisatie en werking van de klassenraad.
Art. 67. Le conseil de classe se compose de :
  1° membres ayant d'office voix délibérative, qui disposent chacun d'une voix : d'une part le directeur ou un représentant du directeur, qui préside le conseil de classe, et d'autre part tous les membres du personnel enseignant qui ont délivré un cours ou assuré l'accompagnement de parcours au jeune.
  2° éventuellement des membres ayant d'office voix consultative, désignés par le président : d'une part d'autres membres du personnel du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou des personnes externes au centre, s'ils sont impliqués dans l'accompagnement psychosocial ou pédagogique du jeune, et d'autre part des experts de la formation ou du module à évaluer.
  Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités concernant l'organisation et le fonctionnement du conseil de classe.
Art. 69. De studiebekrachtiging in de vorm van toekenning van studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling, kan op elk tijdstip van het schooljaar plaatsvinden.
Art. 69. La validation des études sous forme de la délivrance de titres, tels que visés dans la présente sous-section, peut avoir lieu à tout moment de l'année scolaire.
Art. 69bis. [1 De centra zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houders van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.
   Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de centra waar ze een studiebewijs hebben behaald of bij de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.
   Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen.]1

  
Art. 69/1. [1 Les centres sont autorisés à conférer, aux porteurs du titre, une attestation en remplacement d'un titre perdu. L'attestation mentionne la date de délivrance du titre.
   Les personnes ayant obtenu, par application de la législation relative aux noms et prénoms, une modification de leur nom ou prénom, peuvent introduire, auprès des centres où ils ont obtenu un titre ou auprès de la Communauté flamande, une demande pour faire remplacer le titre par un titre portant leur nouveau nom.
   La demande doit être assortie du titre original obtenu et des pièces prouvant le changement du nom.]1

  
Art. 70. Aan een jongere die een module van een opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, met vrucht heeft gevolgd, wordt een deelcertificaat uitgereikt.
  Aan een jongere die een module van een opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, niet met vrucht heeft gevolgd, wordt een attest van verworven competenties uitgereikt. [1 Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een [2 IAC-verslag, vermeld in artikel 294, § 2, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs]2 die een individueel aangepast curriculum volgen.]1
  
Art. 70. Un jeune qui a suivi avec succès un module de formation dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, à la suite d'une décision du conseil de classe, reçoit un certificat partiel.
  Un jeune qui n'a pas suivi avec succès un module de formation dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, à la suite d'une décision du conseil de classe, reçoit une attestation de compétences acquises. [1 Une attestation de compétences acquises est également délivrée à des jeunes [2 en possession d'un rapport IAC visé à l'article 294, § 2, 1°, du Code de l'enseignement secondaire,]2 qui suivent un programme adapté individuellement.]1
  
Art. 71. Aan een jongere die een opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, met vrucht heeft gevolgd, wordt een certificaat uitgereikt.
  Met het oog op de toepassing van die bepaling wordt een attest van vrijstelling voor een of meer modules van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs gelijkwaardig beschouwd aan de deelcertificaten voor de desbetreffende modules.
  Aan een jongere die een niet modulair georganiseerde opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, niet met vrucht heeft gevolgd, wordt een attest van verworven competenties uitgereikt. [1 Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een [2 IAC-verslag, vermeld in artikel 294, § 2, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs]2 die een individueel aangepast curriculum volgen.]1
  
Art. 71. Le jeune qui a suivi avec succès une formation dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, à la suite d'une décision du conseil de classe, reçoit un certificat.
  En vue de l'application de cette disposition, une attestation d'exemption pour un ou plusieurs modules d'une formation dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut être assimilée aux certificats partiels pour les modules correspondants.
  Le jeune qui n'a pas suivi avec succès une formation organisée de manière non modulaire dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, à la suite d'une décision du conseil de classe, reçoit une attestation de compétences acquises. [1 Une attestation de compétences acquises est également délivrée à des jeunes [2 en possession d'un rapport IAC visé à l'article 294, § 2, 1°, du Code de l'enseignement secondaire,]2 qui suivent un programme adapté individuellement.]1
  
Art. 72. [1 § 1. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs uitgereikt :
   1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht. [2 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]2
   2° ten minste één certificaat behaald hebben;
   3° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.
   § 2. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs uitgereikt :
   1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht. [2 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]2
   2° ten minste één certificaat behaald hebben;
   3° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.
   § 3. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een diploma van secundair onderwijs uitgereikt :
   1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht. [2 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]2
   2° in het bezit zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   3° ten minste één certificaat behaald hebben;
   4° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.]1

  
Art. 72. [1 § 1er. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire :
   1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 2 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [2 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]2
   2° avoir obtenu au moins 1 certificat;
   3° avoir atteint, suite à une décision du conseil de classe, dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et avoir ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.
   § 2. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire :
   1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 4 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [2 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]2
   2° avoir obtenu au moins 1 certificat;
   3° avoir atteint, suite à une décision du conseil de classe, dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et avoir ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.
   § 3. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un diplôme de l'enseignement secondaire :
   1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 5 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [2 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]2
   2° être en possession d'un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
   3° avoir obtenu au moins 1 certificat;
   4° avoir atteint, suite à une décision du conseil de classe, dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et avoir ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.]1

  
Art. 73. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer uitgereikt :
  1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht. [1 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]1
  2° de voorwaarden van de basiskennis van het bedrijfsbeheer als vermeld in de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en in het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.
  
Art. 73. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un certificat de connaissance de base de la gestion d'entreprise :
  1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 4 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [1 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]1
  2° les conditions de connaissance de base de la gestion d'entreprise, telles que visées dans la loi-programme du 10 février 1998 pour la promotion de l'entreprise indépendante et l'arrêté royal du 21 octobre 1998 portant exécution du chapitre Ier du titre II de la loi-programme du 10 février 1998 pour la promotion de l'entreprise indépendante.
  
Art.73bis.[1 In uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad aan een jongere die een individueel aangepast curriculum volgt, de gewone studiebekrachtiging, in plaats van een attest van verworven competenties, toekennen, op voorwaarde dat er gelijkwaardigheid is van de doelen van het individueel aangepast curriculum met de doelen, vastgelegd door of krachtens decreetof regelgeving, die toepasbaar zijn in het structuuronderdeel dat de leerling volgt.
   De onderwijsinspectie houdt kwaliteitstoezicht op deze bevoegdheid van de klassenraad tijdens de schooldoorlichting.]1

  
Art.73bis.[1 Dans des cas exceptionnels, le conseil de classe peut accorder à un jeune qui suit un programme adapté individuellement la validation d'études ordinaire au lieu d'une attestation de compétences acquises, à condition qu'il y ait équivalence entre les objectifs du programme d'études adapté individuellement et les objectifs, fixés par ou en vertu d'un décret ou d'une réglementation, qui sont applicables dans la subdivision structurelle que suit l'élève.
   L'Inspection de l'Enseignement assure le contrôle de qualité de cette compétence du conseil de classe durant l'audit de l'école.]1

  
Art. 74. De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen vast van de studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling.
Art. 74. Le Gouvernement flamand arrête les modèles et les instructions pour remplir les titres tels que visés dans la présente sous-section.
Art. 74bis. [1 De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt door centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :
   1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   2° het diploma van het secundair onderwijs;
   3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
   4° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;
   5° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs.
   Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :
   1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet-of regelgeving zijn bepaald;
   2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1

  
Art. 74bis. [1 Le Gouvernement flamand peut établir l'équivalence générale de titres étrangers avec les titres suivants, délivrés par des écoles d'enseignement secondaire agréées, financées ou subventionnées par la Communauté flamande :
   1° le certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
   2° le diplôme d'enseignement secondaire;
   3° le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire;
   4° le certificat de connaissance de base de la gestion d'entreprise;
   5° le certificat d'une formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   Lors de l'établissement de l'équivalence générale, le Gouvernement flamand tient compte :
   1° des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. A défaut des qualifications d'enseignement, le Gouvernement flamand utilise comme cadre de référence, le cas échéant, les objectifs finaux, les objectifs de développement ou les contenus didactiques minimums définis par des lois, décrets ou réglementations fédéraux ou flamands;
   2° ou des niveaux et descripteurs de niveau tels que visés par le décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1

  
Art. 74ter. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 74bis zijn opgenomen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt door centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :
   1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   2° het diploma van het secundair onderwijs;
   3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
   4° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;
   5° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs.
   De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :
   1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt;
   2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1

  [2 De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs met een aanduiding van een structuuronderdeel, bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]2
  
Art. 74ter. [1 Le Gouvernement flamand fixe les conditions et la procédure, y compris une procédure de recours, de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers n'étant pas repris dans un arrêté tel que visé à l'article 74bis avec les titres suivants délivrés par des centres d'enseignement secondaire agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande :
   1° le certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
   2° le diplôme d'enseignement secondaire;
   3° le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire;
   4° le certificat de connaissance de base de la gestion d'entreprise;
   5° le certificat d'une formation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   Le Gouvernement flamand garantit qu'il est tenu compte dans cette procédure :
   1° des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. A défaut des qualifications d'enseignement, les objectifs finaux, les objectifs de développement, les objectifs finaux spécifiques, les objectifs, les profils de formation ou les contenus didactiques minimums définis par des lois, décrets ou réglementations fédéraux ou flamands, sont utilisés, le cas échéant, comme cadre de référence;
   2° ou des niveaux et descripteurs de niveau tels que visés par le décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1

  [2 La contribution financière que le titulaire d'un titre étranger doit payer à l'autorité de reconnaissance pour un examen relatif à la reconnaissance de l'équivalence du titre étranger s'élève à 90 euros par demande et par titre. Lorsqu'il est demandé un examen de l'équivalence du titre étranger avec indication d'une subdivision structurelle, la contribution financière s'élève à 180 euros par demande et par titre. Ce montant est annuellement adapté à l'évolution de l'indice santé. La date de référence pour l'ajustement annuel est le 1er septembre 2013. Les montants sont arrondis à l'unité la plus proche. Le Gouvernement flamand peut réduire le montant pour des groupes cibles spécifiques. Pour les demandeurs d'asile, les réfugiés et les bénéficiaires de la protection subsidiaire, la demande de reconnaissance est gratuite. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions d'une procédure accélérée de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers. Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant jusqu'à 500 euros au maximum, si le titulaire du titre étranger opte pour cette procédure accélérée.]2
  
Onderafdeling II. - Leertijd.
Sous-section II. - Apprentissage.
Art. 75. [1 Een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen richt voor elke vestigingsplaats waar de leertijd wordt aangeboden, een [2 klassenraad]2 op.]1
  [1 [2 De klassenraad]2 bestaat uit de volgende stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken : de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde die [2 de klassenraad]2 voorzit, en, afhankelijk van de jongere, de trajectbegeleider, de lesgevers algemene en beroepsgerichte vorming en een afgevaardigde van het CLB.]1
  [2 De klassenraad]2 mag zich steeds laten bijstaan door andere personen die nuttige beoordelingselementen kunnen aanbrengen voor de begeleiding of de evaluatie van een of meer jongeren.
  
Art. 75. [1 Un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises crée [2 un conseil de classe]2 pour chaque implantation proposant l'apprentissage.]1
  [1 [2 Le conseil de classe]2 se compose des membres suivants qui disposent chacun d'une seule voix délibérative : le directeur du centre ou son délégué qui préside [2 le conseil de classe]2, et, en fonction du jeune, l'accompagnateur de parcours, les enseignants de la formation générale et à vocation professionnelle et un délégué du centre d'encadrement des élèves.]1
  [2 Le conseil de classe]2 peut à tout moment se faire aider par d'autres personnes qui peuvent apporter des éléments d'évaluation utiles pour l'accompagnement ou l'évaluation d'un ou plusieurs jeunes.
  
Art. 76. [1 De klassenraad]1 volgt de vorderingen en de houding van de jongeren tijdens de component leren en de component werkplekleren. [1 De klassenraad]1 kan daartoe op elk ogenblik overleg plegen, maar in ieder geval op het einde van het eerste semester, voor 15 januari, van elk schooljaar en op het einde van elk schooljaar. Op het einde van elk schooljaar beraadslaagt [1 de klassenraad]1 in het bijzonder over het verdere verloop van de leertijd van de jongeren.
  
Art. 76. [1 Le conseil de classe]1 suit les progrès et le comportement des jeunes durant la composante apprentissage et la composante apprentissage sur le lieu du travail. [1 Le conseil de classe]1 peut prévoir à cet effet une concertation à tout moment, mais dans tous les cas a la fin du premier semestre de chaque année scolaire, avant le 15 janvier, et à la fin de chaque année scolaire. A la fin de chaque année scolaire, [1 le conseil de classe]1 délibère plus particulièrement sur la suite de l'apprentissage des jeunes.
  
Art. 77. [1 [3 [4 De klassenraad]4 beslist over het verdere verloop van de leertijd van een jongere en of een jongere is geslaagd voor een opleiding.]3]2.
   Daarbij wordt rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere. De evaluatie slaat op de theoretische vorming en de praktijkopleiding in de onderneming en gebeurt permanent om enerzijds de jongere te ondersteunen in zijn leerproces en anderzijds te beslissen of hij in voldoende mate de opleidingsdoelstellingen heeft bereikt. [4 De klassenraad]4 bepaalt de vorm waarin de jongere wordt geëvalueerd.]1

  
Art. 77. [1 [3 [4 Le conseil de classe]4 décide sur le déroulement ultérieur de l'apprentissage d'un jeune et si un jeune a réussi sa formation.]3
   Dans ce contexte, il est tenu compte des données concrètes du dossier du jeune, en particulier des résultats découlant de l'évaluation du jeune. L'évaluation concerne la formation théorique et la formation pratique en entreprise et se fait en permanence, d'une part, pour soutenir le jeune dans son processus d'apprentissage et, d'autre part, pour décider s'il a atteint de manière suffisante les objectifs de la formation. [4 Le conseil de classe]4 détermine le mode d'évaluation de la progression du jeune.]1

  
Art. 78. [1 [2 De klassenraad]2 beslist op gemotiveerde wijze en deelt die beslissing schriftelijk en gemotiveerd mee aan de betrokken personen. Van de beslissingen van [2 de klassenraad]2 wordt een proces-verbaal opgemaakt en worden er notulen gemaakt. Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet-geslaagde jongeren. De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming. De processen-verbaal en de notulen moeten gedurende 30 jaar bewaard worden.]1
  
Art. 78. [1 [2 Le conseil de classe]2 se prononce par une décision motivée et notifie par écrit cette décision motivée aux personnes concernées. Les décisions de [2 le conseil de classe]2 sont consignées dans un procès-verbal et un compte-rendu en est rédigé. Le procès-verbal comporte la liste des jeunes qui ont réussi et ceux qui n'ont pas réussi. Le compte-rendu comporte une synthèse des éléments qui ont conduit aux décisions, y compris notamment le résultat d'un vote éventuel. Les procès-verbaux et les comptes rendus doivent être conservés durant 30 ans.]1
  
Art. 80. De studiebekrachtiging in de vorm van toekenning van studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling, kan op elk tijdstip van het schooljaar plaatsvinden.
Art. 80. La validation des études sous forme de la délivrance de titres, tels que visés dans la présente sous-section, peut avoir lieu à tout moment de l'année scolaire.
Art. 80/1. [1 [2 De centra zijn]2 ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houders van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.
   Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij [2 de centra waar ze een studiebewijs hebben behaald of bij de Vlaamse Gemeenschap]2 een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.
   Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen.]1

  
Art. 80/1. [1 [2 Les centres sont autorisés]2 à conférer, aux porteurs du titre, une attestation en remplacement d'un titre perdu. L'attestation mentionne la date de délivrance du titre.
   Les personnes ayant obtenu, par application de la législation relative aux noms et prénoms, une modification de leur nom ou prénom, peuvent introduire [2 auprès des centres où ils ont obtenu un certificat ou auprès de la Communauté flamande]2 une demande pour faire remplacer le titre par un titre portant leur nouveau nom.
   La demande doit être assortie du titre obtenu à l'origine et des pièces prouvant le changement de nom.]1

  
Art. 81. Aan een jongere die een opleiding in de leertijd met vrucht heeft gevolgd, wordt een certificaat uitgereikt.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt welk certificaat of welke combinatie van certificaten aanleiding geeft tot uitreiking van een getuigschrift leertijd.]1
  
Art. 81. Un jeune qui a suivi avec succès une formation en apprentissage reçoit un certificat.
  [1 Le Gouvernement flamand arrête quel certificat ou quelle combinaison de certificats donne lieu à la délivrance d'un certificat d'apprentissage.]1
  
Art. 82. [1 § 1. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs uitgereikt :
   1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht.[4 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]4
   2° ten minste één certificaat behaald hebben;
   3° ingevolge een beslissing van [2 [3 de klassenraad]3]2, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.
   § 2. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs uitgereikt :
   1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht. [4 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]4
   2° ten minste één certificaat behaald hebben;
   3° ingevolge een beslissing van [2 [3 de klassenraad]3]2, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.
   § 3. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een diploma van secundair onderwijs uitgereikt :
   1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht. [4 Op elk tijdstip kan de klassenraad van de door de leerling te volgen of gevolgde opleiding beslissen om de voormelde minimale studieduur in te korten als die leerling cognitief sterk functionerend is;]4
   2° in het bezit zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   3° ten minste één certificaat behaald hebben;
   4° ingevolge een beslissing van [2 [3 de klassenraad]3]2, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.]1

  
Art. 82. [1 § 1er. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire :
   1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 2 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [4 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]4
   2° avoir obtenu au moins 1 certificat;
   3° avoir atteint, suite à une décision [2 [3 du conseil de classe]3]2, dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et avoir ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.
   § 2. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire :
   1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 4 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [4 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]4
   2° avoir obtenu au moins 1 certificat;
   3° avoir atteint, suite à une décision [2 [3 du conseil de classe]3]2, dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et avoir ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.
   § 3. Un jeune qui répond aux conditions ci-dessous reçoit un diplôme de l'enseignement secondaire :
   1° à l'exception du premier degré, avoir passé au moins 5 années scolaires dans l'enseignement secondaire ou en apprentissage. [4 A tout moment, le conseil de classe de la formation à suivre ou suivie par l'élève peut décider de réduire la durée minimale des études susvisée si cet élève présente un niveau de fonctionnement cognitif élevé ;]4
   2° être en possession d'un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
   3° avoir obtenu au moins 1 certificat;
   4° avoir atteint, suite à une décision [2 [3 du conseil de classe]3]2, dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et avoir ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.]1

  
Art. 84. De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen vast van de studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling.
Art. 84. Le Gouvernement flamand arrête les modèles et les instructions pour remplir les titres tels que visés dans la présente sous-section.
Art. 84bis. [1 De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt in de leertijd :
   1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   2° het diploma van het secundair onderwijs;
   3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
   4° [2 ...]2
   5° het certificaat van een opleiding leertijd.
   Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :
   1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet-of regelgeving zijn bepaald;
   2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1

  
Art. 84bis. [1 Le Gouvernement flamand peut établir l'équivalence générale de titres étrangers avec les titres suivants, délivrés dans l'apprentissage :
   1° le certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
   2° le diplôme d'enseignement secondaire;
   3° le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire;
   4° [2 ...]2
   5° le certificat d'une formation en apprentissage.
   Lors de l'établissement de l'équivalence générale, le Gouvernement flamand tient compte :
   1° des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. A défaut des qualifications d'enseignement, le Gouvernement flamand utilise comme cadre de référence, le cas échéant, les objectifs finaux, les objectifs de développement ou les contenus didactiques minimums définis par des lois, décrets ou réglementations fédéraux ou flamands;
   2° ou des niveaux et descripteurs de niveau tels que visés par le décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1

  
Art. 84ter. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit, vermeld in artikel 84bis zijn opgenomen met de volgende studiebewijzen uitgereikt, in leertijd :
   1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   2° het diploma van het secundair onderwijs;
   3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
   4° [3 ...]3
   5° het certificaat van een opleiding leertijd.
   De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :
   1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet-of regelgeving zijn bepaald;
   2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1

  [2 De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid van een buitenlands studiebewijs met een aanduiding van een structuuronderdeel, bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]2
  
Art. 84ter. [1 Le Gouvernement flamand fixe les conditions et la procédure, y compris une procédure de recours, de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers n'étant pas repris dans un arrêté tel que visé à l'article 84bis avec les titres suivants, délivrés dans l'apprentissage :
   1° le certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
   2° le diplôme d'enseignement secondaire;
   3° le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire;
   4° [3 ...]3
   5° le certificat d'une formation en apprentissage.
   Le Gouvernement flamand garantit qu'il est tenu compte dans cette procédure :
   1° des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. A défaut des qualifications d'enseignement, le Gouvernement flamand utilise comme cadre de référence, le cas échéant, les objectifs finaux, les objectifs de développement ou les contenus didactiques minimums définis par des lois, décrets ou réglementations fédéraux ou flamands;
   2° ou des niveaux et descripteurs de niveau tels que visés par le décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1

  [2 La contribution financière que le titulaire d'un titre étranger doit payer à l'autorité de reconnaissance pour un examen relatif à la reconnaissance de l'équivalence du titre étranger s'élève à 90 euros par demande et par titre. Lorsqu'il est demandé un examen de l'équivalence d'un titre étranger avec indication d'une subdivision structurelle, la contribution financière s'élève à 180 euros par demande et par titre. Ce montant est annuellement adapté à l'évolution de l'indice santé. La date de référence pour l'ajustement annuel est le 1er septembre 2013. Les montants sont arrondis à l'unité la plus proche. Le Gouvernement flamand peut réduire le montant pour des groupes cibles spécifiques. Pour les demandeurs d'asile, les réfugiés et les bénéficiaires de la protection subsidiaire, la demande de reconnaissance est gratuite. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions d'une procédure accélérée de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers. Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant jusqu'à 500 euros au maximum, si le titulaire du titre étranger opte pour cette procédure accélérée.]2
  
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Afdeling V. - Financiering en subsidiëring.
Section V. - Financement et subventionnement.
Onderafdeling I. - Deeltijds beroepssecundair onderwijs.
Sous-section Ire. - Enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
Art. 86. § 1. De financiering of subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs vindt plaats in de vorm van :
  1° personeelsomkadering, zoals hierna bepaald;
  2° [1 het werkingsbudget als vermeld in de codificatie betreffende het secundair onderwijs;]1
  3° [5 aanvullend werkingsbudget dat wordt berekend op basis van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs in het centrum op de teldatum van 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Het bedrag dat toegekend wordt per leerling wordt bekomen door het beschikbare krediet te verdelen door het totaal aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in de centra voor deeltijds onderwijs op dezelfde teldatum van 1 februari van het voorafgaande schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt het beschikbare krediet.]5
  § 2. Voor de toepassing van de financierings- en subsidiëringsnormen geldt als datum voor de telling van het aantal jongeren dat in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is ingeschreven, 1 februari van het voorafgaande schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt, met uitzondering van het in artikel 89, § 1, tweede lid, gestelde.
  Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt opgericht door fusie van bestaande centra of door afsplitsing van een of meer vestigingsplaatsen van een bestaand centrum, of als een centrum toetreedt tot of uittreedt uit een scholengemeenschap, dan wordt voor de berekening van de financiering of subsidiëring, respectievelijk de fusie, de afsplitsing, de toetreding of de uittreding geacht op de voormelde datum te hebben plaatsgevonden. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs niet langer verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs en autonoom wordt, dan wordt die omschakeling geacht op de voormelde datum te hebben plaatsgevonden.
  Als de oprichting van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs niet het gevolg is van een fusie of een afsplitsing, dan geldt voor het schooljaar van oprichting als teldatum 1 oktober van dat schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt. Vanaf het daaropvolgende schooljaar geldt als teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt.
  
Art. 86. § 1er. Le financement ou le subventionnement par la Communauté flamande d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel se traduit sous forme de :
  1° encadrement en personnel, tel que déterminé ci-après;
  2° [1 budget de fonctionnement tel que visé à la codification relative à l'enseignement secondaire;]1
  3° [5 budget de fonctionnement complémentaire qui est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel au centre au jour de comptage, à savoir le 1er février de l'année scolaire précédente. Le montant accordé par élève est obtenu en divisant le crédit disponible par le nombre total d'élèves régulièrement inscrits aux centres d'enseignement à temps partiel au même jour de comptage, à savoir le 1er février de l'année scolaire précédente. Le Gouvernement flamand détermine le crédit disponible.]5
  § 2. Pour l'application des normes de financement et de subventionnement, la date de comptage du nombre de jeunes inscrits dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est le 1er février de l'année scolaire précédente ou le premier jour de cours suivant si la date susmentionnée tombe un jour libre, à l'exception de ce qui est précisé à l'article 89, § 1er, deuxième alinéa.
  Si un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est créé par fusion de centres existants ou par scission d'un centre existant en une ou de plusieurs implantations, ou si un centre adhère a ou sort d'un centre d'enseignement, alors, pour le calcul du financement ou du subventionnement, c'est respectivement la fusion, la scission, l'adhésion ou la sortie ayant eu lieu à la date susmentionnée qui est pris en compte. Si un centre d'enseignement secondaire professionnel a temps partiel n'est plus associé à un établissement d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein et devient autonome, le changement est réputé avoir eu lieu à la date susmentionnée.
  Si la création d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel n'est pas la conséquence d'une fusion ou d'une scission, la date de comptage qui s'applique pour l'année scolaire de création est le 1er octobre de cette même année scolaire ou le premier jour de cours suivant si la date susmentionnée tombe un jour libre. A partir de l'année scolaire suivante, la date de comptage qui s'applique est le 1er février de l'année scolaire précédente ou le premier jour de cours suivant si la date susmentionnée tombe un jour libre.
  
Art. 87. [2 ...]2
  [1 De wekelijkse uren-leraar praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken georganiseerd door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, komen in aanmerking voor de globale puntenenveloppe, zoals bepaald [3 in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]3, zoals die, naargelang van het geval, wordt berekend voor de scholengemeenschap waartoe de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar die uren worden georganiseerd, behoort, of wordt berekend voor de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar die uren worden georganiseerd en die niet tot een scholengemeenschap behoort. De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.]1
  Voor de toepassing van deze bepaling worden de urenleraar, aangewend voor [4 gastleraren]4 als vermeld in artikel 90, 3°, voor een derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd.
  
Art. 87. [2 ...]2
  [1 Les périodes-professeur hebdomadaires de cours pratiques ou assimilées à des cours pratiques, organisées par un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est rattaché à un établissement d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein, sont prises en compte pour l'enveloppe globale de points telle que visée [3 à la codification relative à l'enseignement secondaire]3, telle qu'elle est calculée, suivant le cas, pour le centre d'enseignement auquel appartient l'établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein où ces périodes sont organisées, ou telle qu'elle est calculée pour l'établissement d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein où ces périodes sont organisées et qui n'appartient pas à un centre d'enseignement. L'enveloppe globale de points vise d'une part à combler au niveau de l'établissement le cadre du personnel directeur et du personnel d'appui et d'autre part à donner corps à une politique en matière de différenciation des tâches et des fonctions au niveau de l'établissement et du centre d'enseignement.]1
  Pour l'application de cette disposition, les périodes-professeur, utilisées pour des [4 enseignants invités]4 tels que visés à l'article 90, 3°, sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou assimilées à des cours pratiques.
  
Art. 88. [1 Voor de categorie van het bestuurspersoneel wordt aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, één betrekking in het ambt van directeur toegekend.
   De jongeren van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en de wekelijkse uren-leraar praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken georganiseerd door dergelijk centrum, komen in aanmerking voor de globale puntenenveloppe, zoals bepaald [2 in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]2, zoals die, naargelang van het geval, wordt berekend voor de scholengemeenschap waartoe het centrum behoort of wordt berekend voor het centrum dat niet tot een scholengemeenschap behoort. De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
   Voor de toepassing van deze bepaling worden de uren-leraar, aangewend voor [3 gastleraren]3 als vermeld in artikel 90, 3°, voor een derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd.]1

  
Art. 88. [1 Pour la catégorie du personnel directeur, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est autonome reçoit 1 emploi dans la fonction de directeur.
   Les jeunes d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel étant autonome et les périodes-professeur hebdomadaires de cours pratiques ou assimilées à des cours pratiques organisées par un tel centre, entrent en ligne de compte pour l'enveloppe globales de points, telle que visée [2 à la codification relative à l'enseignement secondaire]2, telle qu'elle est calculée, suivant le cas, soit pour le centre d'enseignement auquel appartient le centre, soit pour le centre qui n'appartient pas à un centre d'enseignement. L'enveloppe globale de points vise d'une part à combler au niveau de l'établissement le cadre du personnel directeur et du personnel d'appui et d'autre part à donner corps à une politique en matière de différenciation des tâches et des fonctions au niveau de l'établissement et du centre d'enseignement.
   Pour l'application de cette disposition, les périodes-professeur, utilisées pour des [3 enseignants invités]3 tels que visés à l'article 90, 3°, sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou assimilées à des cours pratiques.]1

  
Art. 89. § 1. Voor de categorie van het onderwijzend personeel wordt aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een pakket wekelijkse uren-leraar toegekend, dat wordt vastgesteld naar rata van [1 3,66]1 uren-leraar per jongere voor de schijf van 1 jongere tot en met 49 jongeren, en van [1 2,69]1 uren-leraar per jongere voor de schijf van 50 jongeren en meer.
  Bovenop het aldus berekende pakket uren-leraar wordt voor elke jongere die anderstalige nieuwkomer is 1,20 uren-leraar toegekend. Deze verhoging kan enkel aangewend worden om onthaalonderwijs te organiseren. De verhoging geldt uitsluitend voor de periode van inschrijving van de betrokken jongere in het centrum tijdens het eerste schooljaar [3 ...]3 en wordt tijdens dat schooljaar verstrekt.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [1 ...]1.
  
Art. 89. § 1er. Pour la catégorie du personnel enseignant, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel reçoit un capital périodes-professeur hebdomadaires, fixé au prorata de [1 3,66]1 périodes-professeur par jeune pour la tranche de 1 jeune a 49 jeunes et de [1 2,69]1 périodes-professeur par jeune pour la tranche de 50 jeunes et plus.
  En plus du capital périodes-professeur ainsi calculé, 1,20 période-professeur est attribuée pour chaque jeune qui est un primo-arrivant allophone. Cette hausse sera uniquement utilisée pour organiser l'enseignement d'accueil. La majoration s'applique exclusivement pour la période d'inscription du jeune concerné dans le centre, durant la première année scolaire [3 ...]3, et est dispensée au cours de cette année scolaire.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [1 ...]1.
  
Art. 90. § 1. Het centrumbestuur beslist, na advies van de centrumraad en vervolgens onderhandeling in het lokale comité, over de aanwending van het pakket uren-leraar binnen de volgende aanwendingsmogelijkheden :
  1° organisatie van lessen, met dien verstande dat minimaal een derde van de uren-leraar in kwestie als lesuren praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken moet worden aangewend. Voor de toepassing van deze bepaling worden [5 gastlessen]5 als lessen aanzien en worden de uren-leraar, aangewend voor [5 gastleraren]5 als vermeld in 3°, voor een derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd;
  2° organisatie van trajectbegeleiding;
  3° [5 inzetten van gastleraren: in voorkomend geval wordt maximaal 20 % van het pakket uren-leraar omgezet in een krediet. De uren-leraar worden omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. De gastleraar moet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 211, Ї 3, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;]5;
  4° [2 overdracht van uren-leraar naar een organisatie die in het schooljaar 2018-2019 erkend was als centrum voor deeltijdse vorming, voor de realisatie van een les- of lesvervangend aanbod ter ondersteuning van de leerling. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van die overdracht aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van dat krediet per uur-leraar dat wordt omgezet, de wijze van toekenning ervan en de activiteiten die kunnen worden overgedragen;]2
  5° [2 ...]2
  6° [1 overdracht van uren-leraar naar een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, naar een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs waarop een beroep wordt gedaan voor de organisatie van algemene vorming, beroepsgerichte vorming of activiteiten ter ondersteuning ervan als vermeld in artikel 27, § 4, onder de volgende voorwaarden :
   a) uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming of beroepsgerichte vorming kunnen door de begunstigde instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs slechts worden aangewend onder vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als " bijzondere pedagogische taken ";
   b) uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming kunnen door het begunstigd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs slechts worden aangewend onder vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als " uren leren en werken ";
   c) uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming kunnen door het begunstigd centrum voor volwassenenonderwijs slechts worden aangewend onder vorm van leraarsuren als vermeld in artikel 102, § 2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
   d) vanaf het schooljaar 2010-2011 kan het totale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen voor de organisatie van algemene vorming of van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming of beroepsgerichte vorming nooit hoger liggen dat het totale aantal uren-leraar dat met datzelfde doel door het centrum in kwestie werd overgedragen tijdens het voorafgaande schooljaar.]1

  7° overdracht van uren-leraar naar de instelling met voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden;
  8° omzetting naar een of meer betrekkingen in het ambt van opvoeder of administratief medewerker van de categorie van het ondersteunend personeel; in voorkomend geval moeten voor een volledige betrekking 24 wekelijkse uren-leraar en voor een halve betrekking 12 wekelijkse uren-leraar in mindering gebracht worden van het pakket uren-leraar;
  9° overdracht van tijdens een bepaald schooljaar niet-georganiseerde uren-leraar naar het daaropvolgende schooljaar onder de volgende voorwaarden :
  a) de overdracht bedraagt maximaal 2 % van het aantal aanwendbare uren-leraar van dat bepaalde schooljaar;
  b) het maximale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen, moet uiterlijk op 1 november van dat bepaalde schooljaar vastgelegd worden;
  c) de overgedragen uren-leraar van een bepaald schooljaar kunnen enkel in het daaropvolgende schooljaar worden aangewend;
  d) overdracht is alleen mogelijk als het centrumbestuur in kwestie op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de onderwijsinstelling waarvan het centrum in kwestie deel uitmaakt, of in het autonome centrum zelf, overeenkomstig de geldende reglementering, geen nieuwe of aanvullende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid;
  e) in de overgedragen uren-leraar kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het centrumbestuur moet een verklaring op erewoord afleggen dat in de vermelde uren-leraar geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. [3 In afwijking van deze bepalingen is vaste benoeming mogelijk op 1 januari 2021.]3
  § 2.[4 Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het centrumbestuur [6 tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]6 maximaal 20% van de aan het centrum toegekende [5 vacante]5 uren-leraar, vermeld in artikel 89, § 1, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel.
   De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van uren-leraar als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de uren-leraar vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.
   De punten die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het eerste lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de centra aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel.
   De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.
   De betrekkingen die opgericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.]4

  
Art. 90. § 1er. La direction du centre décide, après avis du conseil de centre et ensuite négociation au comité local, de l'utilisation du capital périodes-professeur au sein des possibilités d'utilisation suivantes :
  1° organisation des cours, étant entendu que minimum un tiers des periodes-professeur en question doivent être utilisées comme des heures de cours de cours pratiques ou assimilées à des cours pratiques. Pour l'application de cette disposition, les [5 cours d'invité ]5 sont vues comme des leçons et les périodes-professeur, utilisées pour des [5 enseignants invités]5 tels que visés au 3°, sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou assimilées à des cours pratiques;
  2° organisation d'un accompagnement de parcours;
  3° [5 engagement d'enseignants invités ; le cas échéant maximum 20 % du capital de périodes-professeur sont convertis en crédit. Les périodes-professeur sont converties en crédit à concurrence de la mission d'enseignement de l'enseignant invité. Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification de la conversion précitée au service compétent désigné par le Gouvernement flamand, le montant du crédit par période-professeur qui est convertie et le mode d'attribution du crédit. L'enseignant invité doit remplir les conditions, visées à l'article 211, § 3 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;]5
  4° [2 transfert de périodes-professeur vers une organisation qui, au cours de l'année scolaire 2018-2019, était agréée comme centre de formation à temps partiel, pour la réalisation d'une offre de cours ou de remplacement de cours à l'appui de l'élève. Le Gouvernement flamand arrête le mode de notification de ce transfert à l'Agence de Services d'Enseignement, le volume du crédit converti par période-professeur, le mode d'octroi et les activités qui peuvent être transférées;]2
  5° [2 ...]2
  6° [1 transfert de périodes-professeur vers un établissement avec un enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein, vers un autre centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou vers un centre d'éducation des adultes auquel il est fait appel pour l'organisation d'une formation générale, d'une formation à vocation professionnelle ou d'activités à l'appui, telles que visées à l'article 27, § 4, aux conditions suivantes :
   a) les périodes-professeur transférées pour l'organisation d'activités à l'appui de la formation générale ou de la formation à vocation professionnelle ne peuvent être utilisées par l'établissement bénéficiaire dispensant un enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein que sous forme d'heures assimilées à des heures de cours, plus précisément comme "tâches pédagogiques spéciales";
   b) les périodes-professeur transférées pour l'organisation d'activités à l'appui de la formation à vocation professionnelle ne peuvent être utilisées par le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel bénéficiaire que sous forme d'heures assimilées à des heures de cours, plus précisément comme "heures d'apprentissage et de travail";
   c) les périodes-professeur transférées pour l'organisation d'activités à l'appui de la formation à vocation professionnelle ne peuvent être utilisées par le centre d'éducation des adultes bénéficiaire que sous forme de périodes/enseignant, tel qu'il est visé à l'article 102, § 2, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes;
   d) à partir de l'année scolaire 2010-2011, le nombre total de périodes/enseignant transférées pour l'organisation d'une formation générale ou d'activités à l'appui de la formation générale ou de la formation à vocation professionnelle ne peut jamais dépasser le nombre total de périodes/enseignant ayant été transféré avec le même but par le centre en question pendant l'année scolaire précédente.]1

  7° transfert de périodes-professeur vers un établissement avec un enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec lequel le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est associé;
  8° conversion en un ou plusieurs emplois dans la fonction d'éducateur ou de collaborateur administratif de la catégorie du personnel d'appui; le cas échéant, 24 périodes-professeur hebdomadaires doivent être soustraites du capital périodes-professeur pour un emploi complet et 12 périodes-professeur hebdomadaires pour une demi-fonction;
  9° transfert des périodes-professeur non organisées durant une année scolaire déterminée vers l'année scolaire suivante aux conditions suivantes :
  a) le transfert s'élève à maximum 2 % du nombre de périodes-professeur utilisables pour cette année déterminée;
  b) le nombre maximum de périodes-professeur transférées doit être fixé au plus tard le 1er novembre de cette année scolaire déterminée;
  c) les périodes-professeur transférées vers une année scolaire déterminée peuvent être utilisées uniquement durant l'année scolaire suivante;
  d) le transfert est uniquement possible si la direction du centre en question déclare sur l'honneur que, durant cette année scolaire, dans l'établissement d'enseignement dont fait partie le centre en question, ou dans le centre autonome lui-même, conformément à la réglementation en vigueur, elle ne devra procéder à aucune mise en disponibilité par défaut d'emploi nouvelle ou supplémentaire dans la catégorie du personnel enseignant. Le non-respect de la présente disposition aura pour conséquence qu'une mise en disponibilité par défaut d'emploi n'aura aucun effet vis-à-vis de l'autorité;
  e) dans les périodes-professeur transférées, aucun membre du personnel ne pourra être nommé à titre définitif. La direction du centre devra remettre une déclaration sur l'honneur indiquant que, dans les périodes-professeur transférées, aucun membre du personnel ne sera nommé à titre définitif. Le non-respect de la présente disposition aura pour conséquence que la nomination définitive n'aura aucun effet vis-à-vis de l'autorité. [3 Par dérogation à ces dispositions, la nomination définitive est possible le 1er janvier 2021.]3
  § 2. [4 En cas de pénurie de personnel enseignant, l'autorité du centre peut, [6 pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030]6, convertir un maximum de 20 % des périodes-professeur [5 vacantes ]5 accordées au centre, mentionnées à l'article 89, § 1er, en points pour utilisation dans des fonctions du personnel d'appui.
   Les conversions visées à l'alinéa 1er peuvent se faire, chaque fois, à partir du 1er octobre de l'année scolaire en cours et restent valables pendant toute la durée de l'année scolaire en cours. Par dérogation à cette disposition, la conversion de périodes-professeur prend fin si le membre du personnel désigné dans un emploi qui a été organisé via la conversion précitée dans une fonction du personnel d'appui, démissionne volontairement pendant l'année scolaire selon l'article 25 du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou selon l'article 26 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné. Dans ce cas, la conversion prend fin pour la partie correspondante des périodes-professeur à partir du moment où la démission prend effet.
   Les points obtenus par la conversion, visés à l'alinéa 1er, sont utilisés au maximum pour soutenir l'enseignant dans les centres afin qu'il puisse se concentrer sur sa tâche principale : enseigner.
   Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les périodes-professeur peuvent être converties en points pour le personnel d'appui.
   Les critères permettant de déterminer la pénurie de personnel enseignant et l'utilisation dans des fonctions du personnel d'appui, tels que visés à l'alinéa 1er, sont déterminés après négociation au sein du comité local compétent.
   Les emplois organisés dans des fonctions du personnel d'appui, tels que visés à l'alinéa 1er, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance et l'autorité du centre ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans ces emplois.]4

  
Art.90bis.[1 Ї 1. Een centrumbestuur kan bij een tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt een deel van zijn omkadering voor het onderwijzend personeel van een of meer van zijn centra telkens voor maximaal щщn schooljaar aanwenden om via een overeenkomst van dienstverlening tussen het centrumbestuur en een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector in dat centrum of die centra een of meer werknemers van die organisatie of onderneming in dienst te nemen via een dienstverleningsovereenkomst. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn niet van toepassing op de voormelde werknemers.
   Bij de wijze van aanwending van de omkadering voor het onderwijzend personeel, vermeld in het eerste lid, kan het centrumbestuur dat het personeelslid in dienst neemt, uren-leraar van een of meer van zijn centra, vermeld in het eerste lid, omzetten in een krediet ten belope van de lesopdracht of lesopdrachten die in de dienstverleningsovereenkomst zijn vastgelegd. Het voormelde krediet wordt aangewend als financiыle tegemoetkoming voor de onderneming of de organisatie, vermeld in het eerste lid. Het centrumbestuur wendt voor de voormelde financiыle tegemoetkoming uren-leraar aan uit het pakket wekelijkse uren-leraar, vermeld in artikel 89, Ї 1, eerste lid, dat aan het centrum is toegekend.
   De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag per uur-leraar dat een centrumbestuur kan omzetten in een krediet voor de financiыle tegemoetkoming, vermeld in het tweede lid, en de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst. Het centrumbestuur machtigt de bevoegde dienst van de administratie om de voormelde financiыle tegemoetkoming rechtstreeks uit te betalen aan de organisatie of onderneming, vermeld in het eerste lid, waarmee het centrumbestuur een dienstverleningsovereenkomst sluit.
   De Vlaamse Regering stelt een model van dienstverleningsovereenkomst op, waarbij ze rekening houdt met de voorwaarden, vermeld in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden al de volgende elementen opgenomen:
   1А de specifieke opdracht van de werknemer, vermeld in het eerste lid, in het centrum;
   2А de aanstellings- en arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemer, vermeld in het eerste lid, waarbij alvast het salaris en de financiыle voordelen die de voormelde werknemer in zijn onderneming of organisatie geniet gegarandeerd blijven door de uitsturende onderneming of organisatie;
   3А de opleiding die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet gevolgd hebben;
   4А de plichten die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet naleven bij het uitoefenen van zijn opdracht. In de voormelde verplichtingen wordt alvast uitdrukkelijk bepaald dat de voormelde werknemer altijd onder het gezag blijft van zijn organisatie of onderneming, tenzij het gaat om plichten die betrekking hebben op het welzijn op het werk of over specifieke instructies die nodig zijn voor de goede uitvoering van de specifieke opdracht;
   5А de duur van de dienstverleningsovereenkomst;
   6А de mogelijkheden tot voortijdige beыindiging van de dienstverleningsovereenkomst.
   De werknemers, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in het vierde lid. Werknemers als vermeld in het eerste lid, die ter beschikking worden gesteld van een centrum dat in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1А met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2А met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3А met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4А met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   In het vijfde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.
   Ї 2. Het tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar ze de werknemer van een organisatie of onderneming, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
   In het eerste lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
   Om de vacature, vermeld in het eerste lid, in te vullen, sluit het centrumbestuur van het centrum een dienstverleningsovereenkomst met de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden de afspraken over de terbeschikkingstelling van een werknemer van de onderneming of organisatie voor een welbepaalde opdracht en de periode van de terbeschikkingstelling opgenomen. De dienstverleningsovereenkomst regelt altijd een lesopdracht die de volgende taken omvat:
   1А de planning en voorbereiding van lessen;
   2А het lesgeven zelf;
   3А de klaseigen leerlingenbegeleiding;
   4А de evaluatie van de leerlingen;
   5А het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en in voorkomend geval CLB, leersteuncentra en ouders.
   Het centrumbestuur en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, sluiten een dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 1, af. De voormelde dienstverleningsovereenkomst bevat de volgende bepalingen en voorwaarden over de uitvoering van de opdracht, vermeld in het derde lid:
   1А de gegevens van het centrumbestuur dat als opdrachtgever optreedt en de gegevens van de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die als opdrachtnemer optreedt;
   2А de contactgegevens van de gemachtigden die de beide partijen aanwijzen;
   3А de opdracht die wordt overeengekomen, de wijze van uitvoering van die opdracht en de ondersteuning waarop de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, recht heeft tijdens die uitvoering en die het centrum aanbiedt;
   4А de voorwaarden waaraan de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, inschakelt, moet beantwoorden, waarbij uitdrukkelijk bepaald wordt dat de werknemer onder het gezag blijft van de onderneming of organisatie, tenzij het gaat om instructies die het centrumbestuur aan de werknemer geeft in het kader van de uitvoering van de opdracht en die in de deelovereenkomst worden opgenomen;
   5А de financiыle en sociale verplichtingen ten aanzien van de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die ten laste van de onderneming of organisatie blijven;
   6А de financiыle tegemoetkoming die het centrumbestuur betaalt aan de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de modaliteiten van betaling;
   7А bepalingen over de vertrouwelijkheid waartoe de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, zich verbindt met het oog op de uitvoering van de opdracht. In de voormelde bepalingen wordt in elk geval opgenomen dat de werknemer van de onderneming of organisatie het ambtsgeheim in onderwijs moet naleven;
   8А bepalingen over de intellectuele eigendom waarbij de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich ermee akkoord verklaart dat alle auteurs- of andere intellectuele rechten op werken die in het kader van de uitvoering van de opdracht worden gerealiseerd, overgedragen worden aan het centrumbestuur en waarbij afspraken opgenomen kunnen worden over het eventuele interne gebruik van dit intellectuele eigendom in de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid;
   9А bepalingen over aansprakelijkheid bij de uitvoering van de opdracht, waarbij in elk geval wordt opgenomen dat het centrumbestuur ervoor zorgt dat de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, tijdens de uitvoering van de opdracht op dezelfde wijze is verzekerd als al zijn andere personeelsleden;
   10А de bepalingen, vermeld in artikel 8 tot en met 10 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   11А de duurtijd van de dienstverleningsovereenkomst.
   Ї 3. De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, selecteert een werknemer om de opdracht uit te oefenen die in de dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, is vastgelegd. De werknemer aan al de volgende voorwaarden voldoen:
   1А de werknemer is minstens drie jaren in dienst bij de onderneming of organisatie;
   2А de werknemer is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven;
   3А de werknemer die ter beschikking wordt gesteld van een centrum dat in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, beschikt over de vereiste kennis van het Nederlandse als onderwijstaal, wat blijkt uit het feit dat de werknemer het Nederlands beheerst op het niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde vereiste taalkennis blijkt uit het feit dat de werknemer minstens beschikt over een diploma dat in het Nederlands is behaald en dat toegang geeft tot een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel conform artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
   4А de werknemer beschikt over een diploma dat minstens een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is voor het wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.
   De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, stelt de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor aan het centrumbestuur, dat controleert of de werknemer aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldoet en dat vervolgens beslist om de opdracht al of niet toe te kennen aan de voormelde werknemer. Het centrumbestuur bewaart de gegevens van de voormelde werknemer, vermeld in het eerste lid, 2А, 3А en 4А, die het door de voormelde controle verkrijgt, op de wijze en gedurende de termijnen die het centrumbestuur al hanteert voor de gegevens van al zijn personeelsleden, conform de algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
   Ї 4. De individuele opdracht van de werknemer, vermeld in paragraaf 3, in het centrum wordt opgenomen in een deelovereenkomst conform het model van deelovereenkomst dat is opgenomen in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 1.
   In de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, worden ook de specifieke afspraken opgenomen over de aanvangsbegeleiding en de ondersteuning waarop de werknemer, vermeld in het eerste lid, een beroep kan doen in het centrum waar hij zijn lesopdracht opneemt.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, blijft tijdens de uitvoering van de overeengekomen opdracht altijd onder het gezag van zijn onderneming of organisatie. Het centrumbestuur kan aan de voormelde werknemer in het kader van de uitvoering van de concrete lesopdracht instructies geven. De bepalingen over die instructies worden opgenomen in een bijlage bij de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, behoudt tijdens de uitvoering van de opdracht in het centrum het salaris waar hij bij zijn onderneming of organisatie recht op heeft, en ook alle daarbij horende financiыle en extralegale voordelen.
   De dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, regelt de algemene rechtsverhouding tussen het centrumbestuur en de onderneming of organisatie voor de duur van de overeengekomen opdracht. Bij een tegenstrijdigheid of afwijking hebben de bepalingen van de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, voorrang op de bepalingen van de dienstverleningsovereenkomst. De bepalingen van een recentere deelovereenkomst als vermeld in het eerste lid, hebben altijd voorrang op die van een vorige deelovereenkomst.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, is in het kader van de lesopdracht die hij in het centrum opneemt ambtshalve stemgerechtigd lid van de klassenraad. Tussen het centrum en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de voormelde werknemer in de klassenraad, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de voormelde werknemer op klassenraadsvergaderingen. De voormelde afspraken worden opgenomen in de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.
   In het zesde lid wordt verstaan onder klassenraad: de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad.
   Ї 5. De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een externe organisatie of bedrijf om in het kader van het lerarentekort tussen centrumbesturen en ondernemingen of organisaties een bemiddelende of coachende rol op te nemen.
   Ї 6. De maatregelen, vermeld in dit artikel, worden geыvalueerd tijdens [2 het schooljaar 2025-2026 en 2029-2030]2.]1

  
Art.90bis.[1 § 1er. En cas de pénurie de personnel enseignant sur le marché du travail, une autorité du centre peut utiliser une partie de l'encadrement du personnel enseignant d'un ou de plusieurs de ses centres, pour une durée maximale d'une année scolaire à la fois, afin d'employer dans ce centre ou ces centres, par le biais d'un contrat de services entre l'autorité du centre et une organisation ou entreprise du secteur public ou privé, un ou plusieurs employés de cette organisation ou entreprise. Le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas aux employés précités.
   Dans le mode d'affectation de l'encadrement du personnel enseignant, visé à l'alinéa 1er, l'autorité du centre qui engage le membre du personnel peut convertir des périodes-professeur d'un ou de plusieurs de ses centres, visés à l'alinéa 1er, en crédit à concurrence de la mission d'enseignement ou des missions d'enseignement qui ont été fixées dans le contrat de services. Le crédit précité est utilisé comme intervention financière pour l'entreprise ou l'organisation, visée à l'alinéa 1er. Pour l'intervention financière précitée, l'autorité du centre utilise des périodes-professeur du capital hebdomadaire des périodes-professeur, visé à l'article 89, § 1er, alinéa 1er, qui a été octroyé au centre.
   Le Gouvernement flamand détermine le montant par période-professeur qu'une autorité du centre peut convertir en crédit pour l'intervention financière, visée à l'alinéa 2, et le mode de notification de la conversion précitée au service compétent désigné par le Gouvernement flamand. L'autorité du centre autorise le service compétent de l'administration à verser l'intervention financière précitée directement à l'organisation ou à l'entreprise, visée à l'alinéa 1er, avec laquelle l'autorité du centre conclut un contrat de services.
   Le Gouvernement flamand établit un modèle de contrat de services, en tenant compte des conditions, visées à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise d'e travailleurs à la disposition d'utilisateurs. Dans le contrat de services précité, tous les éléments suivants sont repris :
   1° la mission spécifique de l'employé, visé à l'alinéa 1er, dans le centre ;
   2° les conditions de désignation et de travail applicables à l'employé, visé à l'alinéa 1er, dont le salaire et les avantages financiers dont l'employé précité bénéficie dans son entreprise ou organisation sont garantis par l'entreprise ou l'organisation d'origine ;
   3° la formation que l'employé, visé à l'alinéa 1er, doit avoir suivie ;
   4° les obligations que l'employé, visé à l'alinéa 1er, doit respecter dans l'exercice de sa mission Les obligations précitées stipulent expressément que l'employé précité reste toujours sous l'autorité de son organisation ou entreprise, sauf s'il s'agit d'obligations qui ont trait au bien-être au travail ou d'instructions spécifiques indispensables à la bonne exécution de la mission spécifique ;
   5° la durée du contrat de services ;
   6° les possibilités de cessation anticipée du contrat de services.
   Les employés, visés à l'alinéa 1er, doivent remplir les conditions de désignation qui sont reprises par le Gouvernement flamand dans le modèle de contrat de services, visé à l'alinéa 4. Les employés, tels que visés à l'alinéa 1er, qui sont mis à la disposition d'un centre situé dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontrent en outre qu'ils maîtrisent la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Les employés prouvent la connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   A l'alinéa 5, on entend par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du Common European Framework of Reference for Languages publié par le Conseil de l'Europe.
   § 2. La pénurie de personnel enseignant sur le marché du travail, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité du centre du centre où elle veut engager l'employé d'une organisation ou entreprise, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
   Dans le premier alinéa on entend par vacance, un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
   Pour pourvoir la vacance, visée à l'alinéa 1er, l'autorité du centre du centre conclut un contrat de services avec l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er. Le contrat de services précité reprend les accords concernant la mise à disposition d'un employé de l'entreprise ou de l'organisation pour une mission spécifique et la période de la mise à disposition. Le contrat de services régit toujours une mission d'enseignement qui comprend les tâches suivantes :
   1° la planification et la préparation des cours ;
   2° l'enseignement proprement dit ;
   3° l'encadrement des élèves spécifique à la classe ;
   4° l'évaluation des élèves ;
   5° la consultation et la coopération avec la direction, les collègues et, le cas échéant, le centre d'encadrement des élèves, les centres de soutien à l'apprentissage et les parents.
   L'autorité du centre et l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, concluent un contrat de services, visé au paragraphe 1er. Le contrat de services précité contient les dispositions et conditions suivantes concernant l'exécution de la mission visée à l'alinéa 3 :
   1° les données de l'autorité du centre agissant en tant que donneur d'ordre et les données de l'entreprise ou de l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, agissant en tant que preneur d'ordre ;
   2° les coordonnées des mandataires désignés par les deux parties ;
   3° la mission qui est convenue, le mode d'exécution de cette mission et le soutien auquel l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, a droit pendant cette exécution et qui est proposé par le centre ;
   4° les conditions à remplir par l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, mis à disposition par l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, stipulant explicitement que l'employé reste sous l'autorité de l'entreprise ou de l'organisation, sauf s'il s'agit d'instructions données par l'autorité du centre à l'employé dans le cadre de l'exécution de la mission, qui sont incluses dans la sous-convention ;
   5° les obligations financières et sociales à l'égard de l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, qui restent à charge de l'entreprise ou organisation ;
   6° l'intervention financière payée par l'autorité du centre à l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et les modalités de paiement ;
   7° des dispositions relatives à la confidentialité auxquelles s'engage l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, en vue de l'exécution de la mission. Les dispositions précitées stipulent en tous les cas que l'employé de l'entreprise ou de l'organisation doit respecter le secret professionnel de l'enseignement ;
   8° des dispositions sur la propriété intellectuelle par lesquelles l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, accepte notamment que tous les droits d'auteur ou autres droits de propriété intellectuelle sur les oeuvres réalisées dans le cadre de l'exécution de la mission soient transférés à l'autorité du centre et qui peuvent inclure des accords sur l'utilisation éventuelle de cette propriété intellectuelle dans l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er ;
   9° des dispositions sur la responsabilité dans l'exécution de la mission, qui prévoient dans tous les cas que l'autorité du centre veille à ce que l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, soit assuré de la même manière que tous ses autres employés pendant l'exécution de la mission ;
   10° des dispositions, visées aux articles 8 à 10 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
   11° la durée du contrat de services.
   § 3. L'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, sélectionne un employé pour exercer la mission qui a été fixée dans le contrat de services, visé au paragraphe 2, alinéa 4. L'employé doit réunir les conditions suivantes :
   1° l'employé est au moins depuis trois ans en service dans l'entreprise ou l'organisation ;
   2° l'employé a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation ;
   3° l'employé qui est mis à la disposition d'un centre situé dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, a la connaissance requise du néerlandais comme langue d'enseignement, ce qui est attesté par le fait que l'employé maîtrise le néerlandais au niveau C1 du Cadre européen de référence pour les langues. La connaissance linguistique requise précitée est attestée par le fait que l'employé possède au moins un diplôme obtenu en néerlandais, qui donne accès à la fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant conformément à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire ;
   4° l'employé possède au moins un diplôme qui est un titre jugé suffisant pour la fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dans le cadre de laquelle il assume une mission d'enseignement conformément à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire.
   L'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, propose l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, à l'autorité du centre, qui contrôle si l'employé remplit les conditions, visées à l'alinéa 1er, et qui décide ensuite de confier la mission ou non à l'employé précité. L'autorité du centre conserve les données de l'employé précité, visé à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, qu'elle obtient par le biais du contrôle précité, de la manière et pendant les délais déjà appliqués par l'autorité du centre pour les données de tous ses membres du personnel, conformément au règlement général sur la protection des données (RGPD).
   § 4. La mission individuelle de l'employé, visée au paragraphe 3, dans le centre est incluse dans une sous-convention conformément au modèle de sous-convention inclus dans le modèle de contrat de services, visé au paragraphe 1er.
   La sous-convention, visée à l'alinéa 1er, contient également les accords spécifiques sur l'encadrement initial et le soutien auxquels l'employé, visé à l'alinéa 1er, peut faire appel dans le centre où il assume sa mission d'enseignement.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, reste toujours sous l'autorité de son entreprise ou organisation pendant l'exécution de la mission convenue. L'autorité du centre peut donner des instructions à l'employé précité dans le cadre de l'exécution de la mission d'enseignement concrète. Les dispositions relatives à ces instructions figurent dans une annexe de la sous-convention, visée à l'alinéa 1er.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, conserve le salaire auquel il a droit dans son entreprise ou organisation pendant l'exécution de la mission dans le centre, ainsi que tous les avantages financiers et extralégaux y afférents.
   Le contrat de services, visé au paragraphe 2, alinéa 4, régit la relation juridique générale entre l'autorité du centre et l'entreprise ou l'organisation pour la durée de la mission convenue. En cas de contradiction ou de dérogation, les dispositions de la sous-convention, visée à l'alinéa 1er, prévalent sur les dispositions du contrat de services. Les dispositions d'une sous-convention plus récente, telle que visée à l'alinéa 1er, prévalent toujours sur celles d'une sous-convention antérieure.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, est membre de droit du conseil de classe avec droit de vote dans le cadre de la mission d'enseignement qu'il assume dans le centre. Des accords pratiques sont convenus entre le centre et l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, sur le fonctionnement de l'employé précité dans le conseil de classe, y compris la présence ou non de l'employé précité aux réunions du conseil de classe. Les accords précités sont repris dans la sous-convention, visée à l'alinéa 1er.
   A l'alinéa 6, on entend par conseil de classe, le conseil de classe accompagnateur ou le conseil de classe délibérant.
   § 5. Dans le cadre de la pénurie d'enseignants, le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions à une organisation ou entreprise externe pour assumer un rôle de médiation ou de coach entre des autorités du centre et des entreprises ou organisations.
   § 6. Les mesures, visées au présent article, seront évaluées [2 pendant les années scolaires 2025-2026 et 2029-2030]2. ]1

  
Art. 91. Het pakket uren-leraar van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs mag nooit rechtstreeks of onrechtstreeks worden aangewend voor de [1 organisatie van een NAFT]1 [1 ...]1.
  
Art. 91. Le capital périodes-professeur d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ne peut jamais être utilisé directement ou indirectement pour [1 l'organisation d'un NAFT]1 [1 ...]1.
  
Art. 92. De uren-leraar binnen een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden aangewend :
  1° voor modulair georganiseerde opleidingen : in de vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als "uren leren en werken";
  2° voor, in de overgangsperiode, niet modulair georganiseerde opleidingen : in de vorm van lesuren algemene vakken, technische vakken of praktische vakken of in de vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als "uren leren en werken" of als seminaries.
Art. 92. Les périodes-professeurs dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel sont utilisées :
  1° pour les formations organisées sous forme de modules : sous forme d'heures assimilées à des heures de cours, plus précisément comme "heures d'apprentissage et de travail";
  2° pour, en période de transition, les formations non organisées sous forme de modules : sous forme d'heures de cours généraux, de cours techniques ou de cours pratiques ou sous forme d'heures assimilées à des heures de cours, plus précisément comme "heures d'apprentissage et de travail" ou comme séminaires.
Onderafdeling II. - Leertijd.
Sous-section II. - Apprentissage.
Art. 93. § 1. [1 De centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden gesubsidieerd op basis van de vigerende regelgeving betreffende [3 ...]3 de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in uitvoering van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap [3 "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding"]3.]1
  § 2. [2 ...]2
  
Art. 93. § 1er. [1 Les centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises sont subventionnés sur la base de la réglementation en vigueur relative à [3 ...]3 au subventionnement des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises en application du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public [3 Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle]3.]1
  § 2. [2 ...]2.
  
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV. - Nascholing trajectbegeleiders.
Sous-section IV. - Formation continue des accompagnateurs de parcours.
HOOFDSTUK IV. - De component werkplekleren.
CHAPITRE IV. - La composante apprentissage sur le lieu du travail.
Afdeling I. - Toelating en attestering.
Section Ire. - Autorisation et délivrance d'attestations.
Art. 99. [1 De Vlaamse Regering bepaalt welke studiebewijzen er kunnen worden uitgereikt gedurende en na afloop van de aanloopcomponent.]1
  
Art. 99. [1 Le Gouvernement flamand arrête les titres qui peuvent être délivrés pendant et à l'issue de la composante de démarrage.]1
  
Afdeling II. - Subsidiëring.
Section II. - Octroi de subventions.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III. - Arbeidsdeelname.
Sous-section III. - Participation au marché de l'emploi.
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions modificatives.
Art. 109. Aan artikel 24bis, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 8° wordt vervangen door wat volgt :
  "8° voor het voltijds secundair onderwijs : beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, leerplannen en handelingsplannen; voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs;";
  2° een punt 17°, 18° en 19° worden toegevoegd, die luiden als volgt :
  "17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren, ingeschreven in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in artikel 18, § 1, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, zijn aangegaan;
  18° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
  19° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren.".
Art. 109. L'article 24bis, § 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, inséré par le décret du 7 juillet 2006 et modifié par le décret du 22 juin 2007, est modifié comme suit :
  1° le point 8° est remplacé par la disposition suivante :
  "8° pour l'enseignement secondaire à temps plein : répondre aux dispositions décrétales et réglementaires relatives aux objectifs finaux, aux objectifs de développement, aux objectifs finaux spécifiques, programmes d'études et plans d'action; pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : répondre aux dispositions décrétales et réglementaires relatives aux objectifs finaux et aux programmes d'études pour autant que l'on vise la délivrance de certificats de fin d'étude qui sont identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire a temps plein;";
  2° il est ajouté un 17°, 18° et 19°, rédigés comme suit :
  "17° exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : avoir conclu un accord de coopération avec au moins un centre de formation à temps partiel agréé par la Communauté flamande en vue de l'organisation de parcours de développement personnels pour les jeunes, inscrits dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, ou avoir engagé la médiation et la collaboration visées à l'article 18, § 1er, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande;
  18° exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : participer à et coopérer au sein d'une ou de plusieurs plates-formes régionales de concertation telles que visées à l'article 103 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande;
  19° exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : fournir des efforts maximaux pour réaliser l'engagement à temps plein de chaque jeune.".
Art. 110. In artikel 24ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  "§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat alleen voldoet aan de voorwaarden als vermeld in artikel 24bis, § 1, 1° tot en met 12° (en ook, maar uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 17°), wordt niet gefinancierd of gesubsidieerd maar wel erkend.".
Art. 110. A l'article 24ter de la même loi, inséré par le décret du 7 juillet 2006 et modifié par le décret du 22 juin 2007, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  "§ 1er. Une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial qui répond uniquement aux conditions définies à l'article 24bis, § 1er, 1° jusqu'à 12° inclus (et aussi, mais exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, 17°), n'est pas financée ni subventionnée mais bien agréée.".
Art. 111. In artikel 1 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, vervangen bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 25 februari 1997, 13 juli 2001 en 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "secundair onderwijs met volledig leerplan" worden telkens vervangen door de woorden "voltijds secundair onderwijs";
  2° de woorden "onderwijs met beperkt leerplan" worden telkens vervangen door de woorden "deeltijds beroepssecundair onderwijs";
  3° in § 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
  "De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht. Aan de deeltijdse leerplicht wordt voldaan door het voltijds secundair onderwijs voort te zetten of door deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen als vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. Een minderjarige kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie of door Syntra Vlaanderen, naargelang van het geval, op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de instelling voor voltijds onderwijs waar de minderjarige de lessen volgt, samenwerkt.";
  4° in § 1 wordt het vierde lid opgeheven;
  5° in § 2bis wordt het woord "reëel" geschrapt.
Art. 111. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 1er de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire, remplacé par le décret du 31 juillet 1990 et modifié par les décrets des 25 février 1997, 13 juillet 2001 et 14 février 2003 :
  1° les mots "l'enseignement secondaire de plein exercice" sont chaque fois remplacés par les mots "l'enseignement secondaire à temps plein";
  2° les mots "l'enseignement à horaire réduit" sont chaque fois remplacés par les mots "l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel";
  3° au § 1er, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
  "La période d'obligation scolaire à temps plein est suivie d'une période d'obligation scolaire à temps partiel. Il est satisfait à l'obligation scolaire à temps partiel en poursuivant l'enseignement secondaire à temps plein ou en suivant l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un apprentissage tels que vises dans le décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande. Un mineur d'âge peut être autorisé à suivre, à partir du début de l'année scolaire pendant laquelle il atteint l'âge de la scolarité obligatoire à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage. L'autorisation est donnée par la direction du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par Syntra Vlaanderen, selon le cas, sur avis du centre d'encadrement des élèves avec lequel l'établissement d'enseignement à temps plein où le mineur suit les cours coopère."
  4° au § 1er, l'alinéa quatre est supprimé;
  5° au § 2bis, le mot "réel" est supprimé.
Art. 112. Artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij het decreet van 25 februari 1997, wordt opgeheven.
Art. 112. L'article 2 de la même loi, remplacé par le décret du 31 juillet 1990 et modifié par le décret du 25 février 1997, est abrogé.
Art. 113. In artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 1997, worden de woorden "onderwijs met beperkt leerplan" vervangen door de woorden "deeltijds beroepssecundair onderwijs".
Art. 113. A l'article 7 de la même loi, modifié par le décret du 25 février 1997, les mots "enseignement à horaire réduit" sont remplacés par les mots "enseignement secondaire professionnel à temps partiel".
Art. 114. In artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 1997, worden de woorden "secundair onderwijs met volledig leerplan" vervangen door de woorden "voltijds secundair onderwijs".
Art. 114. A l'article 16 de la même loi, modifié par le décret du 25 février 1997, les mots "enseignement secondaire de plein exercice" sont remplacés par les mots "enseignement secondaire à temps plein".
Art. 115. In artikel 46 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995, 8 juli 1996 en 9 december 2005, worden de woorden "deeltijds secundair onderwijs" telkens vervangen door de woorden "deeltijds beroepssecundair onderwijs".
Art. 115. A l'article 46 du décret du 31 juillet 1990 relatif a l'enseignement -II, modifié par les décrets des 19 avril 1995, 8 juillet 1996 et 9 décembre 2005, les mots "enseignement secondaire à temps partiel" sont chaque fois remplacés par les mots "enseignement secondaire professionnel à temps partiel".
Art. 116. In artikel 58bis, § 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 juli 1998, worden de woorden "of het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt.
Art. 116. A l'article 58bis, § 1er, deuxième alinéa, 1°, du même décret, remplacé par le décret du 14 juillet 1998, les mots "ou le centre d'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel " sont supprimes.
Art. 117. Artikel 64 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  "Artikel 64
  Het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt geregeld bij het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en de uitvoeringsreglementering ervan. ".
Art. 117. L'article 64 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  "Article 64 § 1er.
  L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est régi par le décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande et la réglementation d'exécution dudit décret.".
Art. 118. In artikel 74bis, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005, wordt punt c) opgeheven.
Art. 118. A l'article 74bis, 1°, du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 2005, le point c) est abrogé.
Art. 119. In artikel 74octies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden "en centra voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt;
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 119. A l'article 74octies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 7 juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au deuxième alinéa, les mots "et centres d'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel " sont supprimés;
  2° le troisième alinéa est abrogé.
Art. 120. Aan artikel 74novies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan § 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Voor de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bevat het studiereglement ook :
  1° de opzet en de procedure van de screening en trajectbegeleiding;
  2° het principe van het voltijds engagement dat de betrokken personen moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding of vorming daadwerkelijk en regelmatig volgt, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.";
  2° in § 3 worden de woorden "of op het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt.
Art. 120. L'article 74novies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 7 juillet 2006 et modifié par le décret du 22 juin 2007, est modifié comme suit :
  1° le § 1er est complété par un second alinéa, libellé comme suit :
  "Pour les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le règlement d'études comprend en outre :
  1° l'objectif et la procédure du screening et de l'accompagnement de parcours;
  2° le principe de l'engagement à temps plein que les intéressés doivent respecter, ce qui implique d'une part que l'élève suit effectivement et régulièrement la formation choisie, sauf en cas d'absence légitimée, et d'autre part que l'élève est prêt à se conformer inconditionnellement à toute mesure prise par le centre afin de concrétiser utilement et de manière ininterrompue la composante apprentissage sur le lieu du travail."
  2° au § 3, les mots "ou au centre d'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel".
Art. 121. Aan artikel 84bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juni 1991 en gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995, 20 oktober 2000, 13 juli 2001 en 19 juli 2002, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Het diploma van secundair onderwijs wordt vanaf het schooljaar 2008-2009 uitgereikt aan de leerlingen van het deeltijds beroepssecundair onderwijs of van de leertijd die aan al de volgende voorwaarden voldoen :
  1° ze zijn houder van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
  2° ze hebben ten minste één certificaat van een opleiding behaald en ze hebben, ingevolge een beslissing van de klassenraad in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of van Syntra Vlaanderen in de leertijd, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt en aldus voldaan voor het geheel van de vorming.".
Art. 121. A l'article 84bis, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 12 juin 1991 et modifié par les décrets des 19 avril 1995, 20 octobre 2000, 13 juillet 2001 et 19 juillet 2002, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  "A partir de l'année scolaire 2008-2009, le diplôme d'enseignement secondaire est délivré aux élèves de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou de l'apprentissage qui répondent à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° ils sont titulaires d'un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire;
  2° ils ont obtenu au moins un certificat d'une formation et ils ont, suite à une décision du conseil de classe dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou de Syntra Vlaanderen atteint pendant l'apprentissage dans une mesure suffisante les objectifs repris dans le programme d'études et ainsi satisfait à l'ensemble de la formation.".
Art. 122. In hetzelfde decreet worden de volgende bepalingen opgeheven :
  1° artikel 64bis, ingevoegd bij het decreet van 2 maart 1999 en vervangen bij het decreet van 13 juli 2001;
  2° artikelen 64ter en 64quater, ingevoegd bij het decreet van 2 maart 1999;
  3° artikel 65;
  4° artikel 66, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 22 juni 2007;
  5° artikelen 67, 68 en 69;
  6° artikelen 70, 71 en 72, vervangen bij het decreet van 22 juni 2007;
  7° artikelen 72bis en 72ter, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006;
  8° artikelen 73, 74 en 75.
Art. 122. Dans le même décret, les dispositions suivantes sont abrogées :
  1° l'article 64bis, inséré par le décret du 2 mars 1999 et remplacé par le décret du 13 juillet 2001;
  2° les articles 64ter en 64quater, insérés par le décret du 2 mars 1999;
  3° l'article 65;
  4° l'article 66, modifié par les décrets des 14 février 2003 et 22 juin 2007;
  5° les articles 67, 68 et 69;
  6° les articles 70, 71 et 72, remplacés par le décret du 22 juin 2007;
  7° les articles 72bis et 72ter, insérés par le décret du 7 juillet 2006;
  8° les articles 73, 74 et 75.
Art. 123. In artikel 58 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, worden de woorden "en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt.
Art. 123. A l'article 58 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, les mots "et l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel" sont supprimés.
Art. 124. In artikel 62 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2005 en 22 juni 2007, worden de woorden "of het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt.
Art. 124. A l'article 62 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 2005 et 22 juin 2007, les mots "ou le centre d'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel" sont supprimés.
Art. 125. Aan artikel 71, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2005 en 22 juni 2007, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  "In het kader van de uitoefening van die bevoegdheid heeft elke scholengemeenschap waarin een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplaform als vermeld in artikel 103 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het werkingsgebied van de scholengemeenschap.".
Art. 125. A l'article 71, 2°, du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié par les décrets des 15 juillet 2005 et 22 juin 2007, une phrase est ajoutée, libellée comme suit :
  "Dans le cadre de l'exercice de cette compétence, chaque centre d'enseignement qui reprend un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, a une obligation de concertation à l'égard de chaque plate-forme régionale de concertation visée à l'article 103 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, dont la zone d'action coïncide en tout ou en partie avec la zone d'action du centre d'enseignement.".
Art. 126. In artikel 78, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt.
Art. 126. A l'article 78, § 2, du même décret, les mots "et l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel" sont supprimés.
Art. 127. In artikel 80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 15 december 2006, worden de woorden "en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs" geschrapt.
Art. 127. A l'article 80 du même décret, modifié par les décrets des 14 février 2003 et 15 décembre 2006, les mots "et l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel" sont supprimés.
Art. 128. Aan artikel 2 van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De bepalingen van dit decreet met betrekking tot eindtermen, leerplannen en afwijkingsprocedure, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, zijn vanaf het schooljaar 2008-2009 ook van toepassing op de algemene vorming van het deeltijds beroepssecundair onderwijs respectievelijk op de algemene vorming van de leertijd. Voor wat de vakoverschrijdende eindtermen evenwel betreft, zijn de bepalingen van dit decreet van toepassing uiterlijk vanaf het schooljaar 2009-2010.".
Art. 128. A l'article 2 du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein, un deuxième alinéa est ajouté, libellé comme suit :
  "Les dispositions du présent décret relatives aux objectifs finaux, aux programmes d'études et à la procédure de dérogation, à l'exception du cours d'éducation physique, s'appliquent à partir de l'année scolaire 2008-2009 également à la formation générale de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, respectivement à la formation générale de l'apprentissage. Pour ce qui concerne toutefois les objectifs finaux interdisciplinaires, les dispositions du présent décret sont d'application au plus tard à partir de l'année scolaire 2009-2010.".
Art. 129. In artikel III.8, § 2, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I wordt :
  1° in het derde gedachtestreepje tussen het woord "gewoon" en het woord "secundair" het woord "voltijds" ingevoegd;
  2° een vijfde gedachtestreepje toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "- in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : op het niveau van het centrum, de vestigingsplaats of de opleiding.".
Art. 129. L'article III.8, § 2, du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I est modifié comme suit :
  1° au troisième tiret, les mots "à temps plein" sont insérés après le mot "secondaire";
  2° un cinquième tiret est ajouté, libellé comme suit :
  "- dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : au niveau du centre, du lieu d'implantation ou de la formation.".
Art. 130. In artikel III.9, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt 1° vervangen door wat volgt :
  "1° enkel voor het voltijds gewoon secundair onderwijs : het aantal leerlingen dat voldoet aan de gelijke kansenindicatoren zoals bedoeld in artikel VI.2, § 1, en artikel VI.11, § 1;".
Art. 130. A l'article III.9, § 2, alinéa deux, du même décret, le 1° est remplacé par ce qui suit :
  "1° uniquement pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : le nombre d'élèves répondant aux indicateurs en matière d'égalité des chances telles que définies à l'article VI.2, § 1er, et à l'article VI.11, § 1er;".
Art. 131. Aan artikel 6, § 2, 3°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Voor de leertijd moeten de bepalingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap met betrekking tot de programmatie in de opleidingscentra in acht genomen worden.".
Art. 131. A l'article 6, § 2, 3°, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen", une phrase est ajoutée, libellée comme suit :
  "Pour l'apprentissage, il convient de respecter les dispositions du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en la Communauté flamande pour ce qui concerne la programmation dans les centres de formation.".
Art. 132. Artikel 27 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  "Artikel 27
  De leertijd bestaat uit een praktijkopleiding in een onderneming, aangevuld met een theoretische vorming in een erkend centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
  De theoretische vorming omvat een algemene vorming en een beroepsgerichte vorming. Er kunnen tevens aanvullende taalcursussen worden verstrekt.
  Praktijkopleiding en aanvullende theoretische vorming zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en beantwoorden aan de bepalingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. 132. L'article 27 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  "Article 27.
  L'apprentissage se compose d'une formation pratique dans une entreprise, complétée par une formation théorique dans un centre agréé pour la formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.
  La formation théorique comprend une formation générale et une formation axée sur la profession. Des cours de langue complémentaires peuvent également être organisés.
  La formation et la formation théorique complémentaire sont indissociablement liées et répondent aux dispositions du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande.".
Art. 133. Aan artikel 37 van hetzelfde decreet wordt een § 5 en 6 toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 5. Opdat het centrum als vermeld in § 1, voor erkenning door de Vlaamse Regering in aanmerking zou komen, moet het in het kader van de leertijd :
  1° de controle door de onderwijsinspectie mogelijk maken;
  2° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs.
  § 6. De Vlaamse Regering kan, op voorstel van een college, de erkenning voor wat betreft de leertijd van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen geleidelijk en geheel of gedeeltelijk opheffen als niet meer wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarden als vermeld in dit artikel. Dat college wordt voor de helft samengesteld uit inspectieleden uit het onderwijs, enerzijds, en voor de helft uit personeelsleden van Syntra Vlaanderen, anderzijds.
  De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure.".
Art. 133. A l'article 37 du même décret sont ajoutés un § 5 et un § 6, libellés comme suit :
  " § 5. Pour que le centre visé au § 1er, entre en ligne de compte pour un agrément par le Gouvernement flamand, il doit dans le cadre de l'apprentissage :
  1° rendre possible le contrôle par l'inspection de l'enseignement;
  2° répondre aux dispositions réglementaires et décrétales relatives aux objectifs finaux et programmes d'études pour autant que l'on vise la délivrance de certificats de fin d'étude qui sont identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
  § 6. Le Gouvernement flamand peut, sur la proposition d'un collège, abroger progressivement et totalement ou partiellement l'agrément pour ce qui concerne l'apprentissage d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises dès qu'il n'est plus satisfait aux conditions d'agrément définies dans le présent article. Ce collège se compose à moitie de membres de l'inspection de l'enseignement, d'une part, et à moitié de membres du personnel de Syntra Vlaanderen, d'autre part.
  Le Gouvernement flamand fixe les dispositions complémentaires relatives au fonctionnement et a l'organisation de ce collège, en désigne les membres et règle la procédure de recours.".
Art. 134. Aan artikel 38 van hetzelfde decreet wordt een § 3 en 4 toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 3. Opdat het centrum als vermeld in § 1, voor subsidiëring door de Vlaamse Regering in aanmerking zou komen, moet het in het kader van de leertijd :
  1° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° binnen zijn opdrachten, maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren.
  § 4. De subsidiëring voor wat betreft de leertijd van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen dat niet meer voldoet aan alle subsidiëringsvoorwaarden, wordt door Syntra Vlaanderen geheel of gedeeltelijk ingehouden. Die inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden als vermeld in § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen voor die inhouding en regelt de beroepsprocedure.".
Art. 134. A l'article 38 du même décret sont ajoutés un § 3 et un § 4, libellés comme suit :
  " § 3. Pour que le centre tel que visé au § 1er, entre en ligne de compte pour le subventionnement par le Gouvernement flamand, il doit dans le cadre de l'apprentissage :
  1° participer à et coopérer au sein d'une ou de plusieurs plates-formes régionales de concertation telles que visées à l'article 103 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande;
  2° dans le cadre de ses missions, fournir des efforts maximaux pour réaliser l'engagement à temps plein de chaque jeune.
  § 4. Le subventionnement pour ce qui concerne l'apprentissage d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises qui cesse de répondre à l'ensemble des conditions de subventionnement, est retenu en tout ou en partie par Syntra Vlaanderen. Cette retenue ne peut se faire que sur proposition de l'inspection de l'enseignement lorsqu'il s'agit des conditions visées au § 3. Le Gouvernement flamand détermine les autres modalités relatives à cette retenue et règle la procédure de recours.".
Art. 135. Aan artikel 16, § 2, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het tweede lid is een leerling die met een erkende leerovereenkomst of -verbintenis in het kader van de leertijd een opleiding volgt in een erkend en gesubsidieerd centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, onwettig afwezig wanneer deze problematisch afwezig is als vermeld in de uitvoeringsreglementering aangenomen door de Vlaamse Regering in het kader van de leertijd krachtens artikelen 58 en 59 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. 135. A l'article 16, § 2, du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, un troisième alinéa est ajouté, libellé comme suit :
  "Par dérogation au deuxième alinéa, un élève qui, sur la base d'un contrat ou d'un engagement d'apprentissage agréé suit une formation dans le cadre de l'apprentissage dans un centre agréé et subventionné de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, se trouve en absence illégitime lorsque cette absence est problématique conformément aux dispositions de la réglementation d'exécution adoptée par le Gouvernement flamand dans le cadre de l'apprentissage en vertu des articles 58 et 59 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande. ".
Art. 136. Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1991 tot bepaling van de werkvoorwaarden en de geldelijke regeling van de lesgevers in de leertijd en in de gecertificeerde opleidingen wordt vervangen door wat volgt :
  "Artikel 4
  § 1. De lesgevers moeten de nodige bekwaamheid bezitten om hun opdracht te vervullen. Syntra Vlaanderen houdt toezicht op die bekwaamheid.
  § 2. De lesgevers in de leertijd moeten in het bezit zijn van een van de volgende diploma's of bekwaamheidsbewijzen :
  1° voor de cursussen algemene vorming :
  a) een diploma hoger onderwijs, uitgereikt in het studiegebied sociaal-agogisch werk, of gelijkwaardig;
  b) een diploma hoger onderwijs en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
  c) een diploma hoger onderwijs en een bewijs van bijscholing van ten minste 120 uren;
  d) een diploma secundair onderwijs, of gelijkwaardig, en een bewijs van drie jaar beroepservaring, verworven in ten minste een halftijdse betrekking in een door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor deeltijdse vorming, en een bewijs van bijscholing van ten minste 120 uren;
  2° voor de cursussen beroepsgerichte vorming :
  a) de nodige bekwaamheidsbewijzen van onderwijsbevoegdheid in het technisch of beroepsonderwijs;
  b) een diploma hoger onderwijs en drie jaar praktijkervaring, verworven als hoofdberoep in het te onderwijzen beroepenveld;
  c) een diploma opleiding tot ondernemingshoofd en drie jaar praktijkervaring, verworven als hoofdberoep in het te onderwijzen beroepenveld;
  d) zes jaar praktijkervaring, verworven als zelfstandige ondernemer of zijn naaste medewerker in het te onderwijzen beroepenveld.
  Bovendien moeten de lesgevers als vermeld in 2°, b), c) en d), die een lesopdracht van ten minste 130 uren per jaar hebben, uiterlijk twee jaar na hun eerste aanstelling het bewijs voorleggen van bijscholing van ten minste 120 uren.".
Art. 136. L'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1991 fixant les conditions de travail et le régime pécuniaire des enseignants de l'apprentissage et dans les formations certifiées, est remplacé par ce qui suit :
  "Article 4.
  § 1er. Les enseignants doivent avoir la compétence requise pour accomplir leurs tâches. Syntra Vlaanderen veille à cette compétence.
  § 2. Les enseignants de l'apprentissage doivent être titulaires de l'un des diplômes ou certificats d'aptitude suivants :
  1° pour les cours de formation générale :
  a) un diplôme de l'enseignement supérieur, délivré dans la discipline 'sociaal-agogisch werk' (travail socio-éducatif), ou équivalent;
  b) un diplôme de l'enseignement supérieur et une attestation d'aptitude pédagogique;
  c) un diplôme de l'enseignement supérieur et une attestation de recyclage de 120 heures au moins;
  d) un diplôme de l'enseignement secondaire, ou équivalent, et une attestation de trois ans d'expérience professionnelle, acquise dans un moins un emploi à mi-temps dans un centre de formation à temps partiel agréé par la Communauté flamande, et une attestation de recyclage d'au moins 120 heures;
  2° pour les cours de formation à vocation professionnelle :
  a) les certificats d'aptitude nécessaires de compétence d'enseignement dans l'enseignement technique ou professionnel;
  b) un diplôme de l'enseignement supérieur et trois ans d'expérience pratique, acquise comme profession à titre principal dans le champ professionnel à enseigner;
  c) un diplôme de formation comme chef d'entreprise et trois ans d'expérience pratique, acquise comme profession à titre principal dans le champ professionnel à enseigner;
  d) six ans d'expérience pratique, acquise comme entrepreneur indépendant ou son collaborateur le plus proche dans le champ professionnel à enseigner.
  De plus, les enseignants tels que visés au 2°, b), c) et d), qui ont une mission d'enseignement d'au moins 130 heures sur base annuelle, doivent présenter au plus tard deux ans après leur première désignation la preuve d'un recyclage d'au moins 120 heures.".
Art. 137. In het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, wordt een artikel 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Artikel 2bis
  Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, zijn de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op het beroepssecundair onderwijs met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, met ingang van het schooljaar 2008-2009 ook van toepassing op de algemene vorming van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en van de leertijd. Voor wat de vakoverschrijdende eindtermen evenwel betreft, zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing uiterlijk vanaf het schooljaar 2009-2010.".
Art. 137. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 fixant les objectifs finaux pour les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire, confirmé par le décret du 18 janvier 2002, un article 2bis est inséré, libellé comme suit :
  "Article 2bis
  Afin de garantir le niveau d'études, et exclusivement en vue de la délivrance dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou dans l'apprentissage de certificats de fin d'étude liés au grade ou a l'année, identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, les dispositions du présent arrêté qui se rapportent à l'enseignement secondaire professionnel à l'exception du cours d'éducation physique, s'appliquent à partir de l'année scolaire 2008-2009 également à la formation générale de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et de l'apprentissage. Pour ce qui concerne les objectifs finaux interdisciplinaires toutefois, les dispositions du présent arrêté s'appliquent au plus tard à partir de l'année scolaire 2009-2010.".
Art. 138. In hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2008, wordt een artikel 6bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Artikel 6bis
  Overeenkomstig artikelen 37 en 38 van het decreet moet de vereniging in het kader van de leertijd :
  1° de controle door de onderwijsinspectie mogelijk maken;
  2° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
  3° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
  4° binnen zijn opdrachten, maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren."
Art. 138. Au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 réglant l'agrément et le subventionnement des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, visés dans le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" modifié par larrêté du Gouvernement flamand du 21 mars 2008, il est inséré un article 6bis, ainsi rédigé :
  "Article 6bis
  Conformément aux articles 37 et 38 du décret, l'association doit dans le cadre de l'apprentissage :
  1° rendre possible le contrôle par l'inspection de l'enseignement;
  2° répondre aux dispositions réglementaires et décrétales relatives aux objectifs finaux et programmes d'études pour autant que l'on vise la délivrance de certificats de fin d'étude qui sont identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
  3° participer à et coopérer au sein d'une ou de plusieurs plates-formes régionales de concertation telles que visées à l'article 103 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande;
  4° dans le cadre de ses missions, fournir des efforts maximaux pour réaliser l'engagement à temps plein de chaque jeune.".
Art. 139. In het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002 tot vaststelling van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002, wordt een artikel 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Artikel 2bis
  Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, zijn de bepalingen van dit besluit met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, met ingang van het schooljaar 2008-2009 ook van toepassing op de algemene vorming van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en van de leertijd.".
Art. 139. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002 fixant les objectifs finaux de la troisième année du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire, confirmé par le décret du 20 décembre 2002, un article 2bis est inséré, libellé comme suit :
  "Article 2bis
  Afin de garantir le niveau d'études, et exclusivement en vue de la délivrance dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou dans l'apprentissage de certificats de fin d'étude liés au grade ou à l'année, identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, les dispositions du présent arrêté qui se rapportent à l'enseignement secondaire professionnel à l'exception du cours d'éducation physique, s'appliquent à partir de l'année scolaire 2008-2009 également a la formation générale de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et de l'apprentissage.".
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 142. De toepassing van de bepalingen van artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht kan, voor wat betreft de component werkplekleren, slechts betrekking hebben op inbreuken die zijn gepleegd ten vroegste vanaf de tiende dag na de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 142. L'application des dispositions de l'article 5 de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire peut, pour ce qui concerne la composante apprentissage sur le lieu du travail, porter uniquement sur les infractions commises au plus tôt à partir du dixième jour suivant la publication du présent décret au Moniteur belge.
Art. 143. De volgende besluiten worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 1984 houdende vaststelling van de bijzondere erkenningsnormen inzake de leerovereenkomsten en de leerverbintenissen voor de beroepen van opticien-brillenmaker, tandprothesetechnicus, bandagist, orthesist, prothesist, kleinhandelaar en groothandelaar, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 januari 1992, 9 juni 1993, 16 mei 1995, 27 mei 1997, 9 maart 2001, 21 maart 2003, 5 maart 2004, 27 mei 2005, 13 januari 2006 en het decreet van 22 juni 2007;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de organisatie, de normering en de financiering van de erkende vorming in het kader van deeltijdse leerplicht, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996, 8 juli 2005 en 16 februari 2007;
  4° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende samenstelling van de commissie voor advies inzake erkenning van vormingsprogramma's voor de vervulling van deeltijdse leerplicht, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 en 16 februari 2007;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 houdende uitvoering van artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  6° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1991 houdende de organisatie van het secundair zeevisserijonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995;
  7° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996 betreffende de leertijd, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 februari 1998, 3 mei 2002, 28 september 2007 en 7 december 2007;
  8° [1 ...]1
  9° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1997 houdende erkenning van vormingsprogramma's die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;
  10° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1997 houdende erkenning van het vormingsprogramma van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, als vorming die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komt;
  11° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de erkenning van een vormingsprogramma dat voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komt;
  12° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2000 houdende de erkenning van vormingsprogramma's die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;
  13° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 september 2001 houdende de erkenning van vormingsprogramma's die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;
  14° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 houdende de organisatie, de normering en de financiering van deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007;
  15° het ministerieel besluit van 5 juli 1999 tot vastlegging van de benamingen die kunnen voorkomen op de kwalificatiegetuigschriften van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 7 juni 2000, 2 juli 2001, 22 mei 2002, 21 mei 2003, 6 juli 2004, 18 april 2005, 20 maart 2006, 6 juli 2006, 20 februari 2007, 30 mei 2007 en 4 juli 2007;
  16° het ministerieel besluit van 28 mei 2004 tot vaststelling van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  17° het ministerieel besluit van 5 juli 2004 tot vaststelling van de modellen van studiebewijzen, uitgereikt in het deeltijds beroepssecundair onderwijs.
  
Art. 143. Les arrêtés suivants sont abrogés :
  1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 1984 fixant les normes particulières d'agrément en matière de contrats d'apprentissage et d'engagements d'apprentissage pour les professions d'opticien-lunetier, de technicien en prothèse dentaire, de bandagiste, d'orthésiste, de prothésiste, détaillant et grossiste, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juillet 1989;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 janvier 1992, 9 juin 1993, 16 mai 1995, 27 mai 1997, 9 mars 2001, 21 mars 2003, 5 mars 2004, 27 mai 2005, 13 janvier 2006 et par le décret du 22 juin 2007;
  3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation et fixant les normes et le financement de la formation agréée dans le cadre de l'obligation scolaire à temps partiel, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 juillet 1996, 8 juillet 2005 et 16 février 2007;
  4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant la composition de la commission de consultation en matière de reconnaissance de programmes de formation en vue de satisfaire à l'obligation scolaire, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 8 juillet 2005 et 16 février 2007;
  5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 portant exécution de l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 1991 portant organisation de l'enseignement secondaire de la pêche maritime, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995;
  7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1996 relatif à l'apprentissage, visé dans le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen", modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 février 1998, 3 mai 2002, 28 septembre 2007 et 7 décembre 2007;
  8° [1 ...]1
  9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 1997 portant agrément des programmes de formation répondant aux exigences de l'obligation scolaire à temps partiel;
  10° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 1997 portant agrément du programme de formation du 'Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen' (Agence flamande de formation d'entrepreneurs - SYNTRA Vlaanderen), créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique 'Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen', comme formation estimée satisfaire aux conditions de l'obligation scolaire à temps partiel;
  11° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 portant agrément d'un programme de formation répondant aux exigences de l'obligation scolaire à temps partiel;
  12° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2000 portant agrément des programmes de formation répondant aux exigences de l'obligation scolaire à temps partiel;
  13° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 septembre 2001 portant agrément des programmes de formation répondant aux exigences de l'obligation scolaire à temps partiel;
  14° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 portant organisation et fixant les normes et le financement des formations partielles qui entrent en ligne de compte pour l'accomplissement de l'obligation scolaire à temps partiel, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2007;
  15° l'arrêté ministériel du 5 juillet 1999 fixant les dénominations pouvant être mentionnées sur les certificats de qualification de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, modifié par les arrêtés ministériels des 7 juin 2000, 2 juillet 2001, 22 mai 2002, 21 mai 2003, 6 juillet 2004, 18 avril 2005, 20 mars 2006, 6 juillet 2006, 20 février 2007, 30 mai 2007 et 4 juillet 2007;
  16° l'arrêté ministériel du 28 mai 2004 fixant les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  17° l'arrêté ministériel du 5 juillet 2004 fixant les formules des titres délivrés dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
  
Art. 144. Artikel 1, § 2bis, en artikel 3, § 5, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007, treden in werking op 1 september 2008.
Art. 144. Les articles 1er, § 2bis, et 3, § 5, de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire, insérés par le décret du 22 juin 2007, entrent en vigueur le 1er septembre 2008.
Art. 145. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2008, met uitzondering van :
  1° volgende bepalingen die in werking treden op 1 januari 2009 :
  a) artikel 11, § 1, 4°;
  b) artikel 17, § 1 en 2;
  c) artikel 18;
  d) artikel 19, § 1, 11°;
  e) artikel 20, eerste lid, 3°;
  f) artikel 65;
  g) artikelen 103 tot en met 108;
  h) artikelen 109, 2°, wat betreft de toevoeging van 18°;
  i) artikel 125;
  j) artikel 134, wat betreft de toevoeging van § 3, 1°;
  k) artikel 138, wat betreft de invoeging van 3°;
  2° volgende bepalingen die in werking treden op 1 september 2009 :
  a) artikel 10, § 1, tweede lid, 10°;
  b) artikel 19, § 1, 8°;
  c) artikel 44, tweede lid, wat betreft de woorden : "én rekening houdend met het resultaat van de screening als vermeld in artikel 62";
  d) artikel 47, 3°;
  e) artikel 49;
  f) artikel 51, 2°;
  g) artikelen 62 tot en met 64;
  h) artikel 109, 2°, wat betreft de toevoeging van 17°;
  i) artikel 110, wat betreft de woorden "(en ook, maar uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 17°)";
  j) artikel 120, 1°, wat betreft de toevoeging van 1°.
Art. 145. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2008, à l'exception :
  1° des dispositions suivantes qui entrent en vigueur le 1er janvier 2009 :
  a) l'article 11, § 1er, 4° :
  b) l'article 17, § 1er et 2;
  c) l'article 18;
  d) l'article 19, § 1er, 11° :
  e) l'article 20, premier alinéa, 3°;
  f) l'article 65;
  g) les articles 103 à 108 inclus;
  h) les articles 109, 2°, pour ce qui concerne l'ajout du 18°;
  i) l'article 125;
  j) l'article 134, pour ce qui concerne l'ajout du § 3, 1°;
  k) l'article 138, pour ce qui concerne l'insertion du 3°;
  2° des dispositions suivantes qui entrent en vigueur le 1er janvier 2009 :
  a) l'article 10, § 1er, deuxième alinéa, 10°;
  b) l'article 19, § 1er, 8° :
  c) l'article 44, deuxième alinéa, pour ce qui concerne les mots : "et en tenant compte du résultat du screening visé à l'article 62";
  d) l'article 47, 3°;
  e) l'article 49;
  f) l'article 51, 2°;
  g) les articles 62 à 64 inclus;
  h) l'article 109, 2°, pour ce qui concerne l'ajout du 17°;
  i) l'article 110, pour ce qui concerne les mots "(et aussi, mais exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, 17°)";
  j) l'article 120, 1°, pour ce qui concerne l'ajout du 1°.