Artikel 1. In artikel 2, lid 3, van het koninklijk besluit van 8 april 1959 tot regeling van het stelsel der dienstprestaties van de surveillanten en studiemeesters bij de Rijksinrichtingen voor middelbaar en technisch onderwijs wordt de eerste zin vervangen door de volgende bepaling :
" De uren aanwezigheid gedurende de nacht, tussen het slapengaan en het opstaan van de leerlingen, wordt geteld voor vijf uur dienst ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
23 JUNI 2008. - Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs - 2008 (VERTALING) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-10-2008 en tekstbijwerking tot 08-09-2009)
Titre
23 JUIN 2008. - Décret portant des mesures en matière d'enseignement - 2008 (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-10-2008 et mise à jour au 08-09-2009)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk bes...
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 22 jun...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk b...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk be...
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk bes...
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk be...
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk b...
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk ...
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk be...
HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk bes...
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van het koninklijk be...
HOOFDSTUK XII. - Wijziging van het koninklijk b...
HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van het decreet van...
HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van het decreet van ...
HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het decreet van 1...
HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het decreet van ...
HOOFDSTUK XVII. - Wijziging van het decreet van...
HOOFDSTUK XVIII. - Wijziging van het decreet va...
HOOFDSTUK XIX. - Wijziging van het decreet van ...
HOOFDSTUK XX. - Wijziging van het decreet van 2...
HOOFDSTUK XXI. - Wijziging van het decreet van ...
HOOFDSTUK XXII. - Wijziging van het decreet van...
HOOFDSTUK XXIII. - Opheffingsbepalingen.
HOOFDSTUK XXIV. - Inwerkingtreding.
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Modification de l'arrêté royal ...
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 22 jui...
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal ...
CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté royal d...
CHAPITRE V. - Modification de l'arrêté royal du...
CHAPITRE VI. - Modification de l'arrêté royal d...
CHAPITRE VII. - Modification de l'arrêté royal ...
CHAPITRE VIII. - Modification de l'arrêté royal...
CHAPITRE IX. - Modification de l'arrêté royal d...
CHAPITRE X. - Modification de l'arrêté royal du...
CHAPITRE XI. - Modification de l'arrêté royal d...
CHAPITRE XII. - Modification de l'arrêté royal ...
CHAPITRE XIII. - Modification du décret du 27 j...
CHAPITRE XIV. - Modification du décret du 31 ao...
CHAPITRE XV. - Modification du décret du 14 déc...
CHAPITRE XVI. - Modification du décret du 26 av...
CHAPITRE XVII. - Modification du décret du 30 j...
CHAPITRE XVIII. - Modification du décret du 29 ...
CHAPITRE XIX. - Modification du décret du 19 av...
CHAPITRE XX. - Modification du décret du 27 jui...
CHAPITRE XXI. - Modification du décret du 6 jui...
CHAPITRE XXII. - Modification du décret du 25 j...
CHAPITRE XXIII. - Dispositions abrogatoires.
CHAPITRE XXIV. - Entrée en vigueur.
Tekst (122)
Texte (122)
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 1959 tot regeling van het stelsel der dienstprestaties van de surveillanten en studiemeesters bij de Rijksinrichtingen voor middelbaar en technisch onderwijs.
CHAPITRE Ier. - Modification de l'arrêté royal du 8 avril 1959 organisant le régime des prestations des surveillants et maîtres d'études des établissements d'enseignement moyen et technique de l'Etat.
Article 1. Dans l'article 2, alinéa 3, de l'arrêté royal du 8 avril 1959 organisant le régime des prestations des surveillants et maîtres d'études des établissements d'enseignement moyen et technique de l'Etat, la première phrase est remplacée comme suit :
" Les heures de présence de nuit, entre le coucher et le lever des élèves, sont comptées pour cinq heures de service. "
" Les heures de présence de nuit, entre le coucher et le lever des élèves, sont comptées pour cinq heures de service. "
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het rijksonderwijs.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat.
Art. 2. Artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van § 2; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een § 3 aangevuld, luidend als volgt :
" § 3. Paragraaf 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van § 2; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een § 3 aangevuld, luidend als volgt :
" § 3. Paragraaf 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 2. L'article 4, § 1er, 1°, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens du § 2; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un § 3, libellé comme suit :
" § 3. Le § 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens du § 2; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un § 3, libellé comme suit :
" § 3. Le § 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal du 29 août 1966 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat.
Art. 3. Artikel 12, 1°, van het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 3. L'article 12, 1°, de l'arrêté royal du 29 août 1966 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° qui remplissent l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° qui remplissent l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
Art. 4. Artikel 16, lid 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Art. 16, lid 1, 5°, b), van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Art. 16, lid 1, 5°, b), van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 4. L'article 16, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
L'article 16, alinéa 1er, 5°, b), du même arrêté royal est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
L'article 16, alinéa 1er, 5°, b), du même arrêté royal est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 5. In artikel 17, lid 1, 3°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Art. 5. Dans l'article 17, alinéa 1er, 3°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Art. 6. Artikel 39, lid 1, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
In punt 8° van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " [1 Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof]1 " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
In punt 8° van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " [1 Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof]1 " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Modifications
Art. 6. L'article 39, alinéa 1er, 1°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Dans le point 8° du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " [1 Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique]1 " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même article est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Dans le point 8° du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " [1 Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique]1 " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même article est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Modifications
Art. 7. In hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 3, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006, wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 39bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
" Artikel 39bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
Art. 7. Dans le chapitre III, section 3, sous-section 3, du même arrêté royal, inséré par le décret du 26 juin 2006, il est inséré un article 39bis, libellé comme suit :
" Article 39bis. Possibilité de nomination à 55 ans
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
" Article 39bis. Possibilité de nomination à 55 ans
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
Art. 8. In artikel 40, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij het decreet van 21 april 2008, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 8. Dans l'article 40, 2°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 25 juin 2007 et modifié par le décret du 21 avril 2008, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 9. Artikel 83, lid 1, 6°, van hetzelfde koninklijk besluit, wordt opgeheven.
Art. 9. Dans l'article 83, alinéa 1er, du même arrêté royal, le 6° est abrogé.
Art. 10. In artikel 85, a), van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006 wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 10. Dans l'article 85, a), du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 11. In hoofdstuk VII van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1983, het besluit van de Regering van 2 maart 1995 en het decreet van 26 juni 2006, wordt een artikel 91bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 91bis. In afwijking van de artikelen 78 tot en met 91 wordt een personeelslid vastbenoemd in een selectieambt bij een school die ofwel fusioneert met een school behorend tot een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs ofwel wordt overgenomen door zo'n inrichtende macht, geacht vastbenoemd te zijn in dit ambt bij een andere school van het gemeenschapsonderwijs, als volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° het betreffende personeelslid bekleedt een bevorderingsambt sinds ten minste drie schooljaren in het kader van een verlof voor de uitoefening van hetzelfde of een ander ambt;
2° op het ogenblik van de benoeming is er in de school waarin het personeelslid gereaffecteerd wordt ten minste een voltijdse betrekking in het wervingsambt dat toegang verleent tot het bevorderingsambt waarin het personeelslid vastbenoemd is;
3° het betreffende personeelslid dienst tot 15 juni een dienovereenkomstig schriftelijke aanvraag bij de inrichtende macht in.
De nieuwe toewijzing geschiedt op 1 juli van het kalenderjaar waarin de fusie of overneming plaatsvindt. "
" Artikel 91bis. In afwijking van de artikelen 78 tot en met 91 wordt een personeelslid vastbenoemd in een selectieambt bij een school die ofwel fusioneert met een school behorend tot een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs ofwel wordt overgenomen door zo'n inrichtende macht, geacht vastbenoemd te zijn in dit ambt bij een andere school van het gemeenschapsonderwijs, als volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° het betreffende personeelslid bekleedt een bevorderingsambt sinds ten minste drie schooljaren in het kader van een verlof voor de uitoefening van hetzelfde of een ander ambt;
2° op het ogenblik van de benoeming is er in de school waarin het personeelslid gereaffecteerd wordt ten minste een voltijdse betrekking in het wervingsambt dat toegang verleent tot het bevorderingsambt waarin het personeelslid vastbenoemd is;
3° het betreffende personeelslid dienst tot 15 juni een dienovereenkomstig schriftelijke aanvraag bij de inrichtende macht in.
De nieuwe toewijzing geschiedt op 1 juli van het kalenderjaar waarin de fusie of overneming plaatsvindt. "
Art. 11. Dans le chapitre VII du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 16 février 1983, l'arrêté du Gouvernement du 2 mars 1995 et le décret du 26 juin 2006, il est inséré un article 91bis rédigé comme suit :
" Article 91bis. Par dérogation aux articles 78 à 91, le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de sélection auprès d'une école qui est soit fusionnée avec une école d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel ou libre subventionné soit reprise par un tel pouvoir organisateur est censé être nommé à titre définitif dans cette même fonction auprès d'une autre école de l'enseignement communautaire si les conditions suivantes sont remplies :
1° le membre du personnel concerné occupe depuis trois années scolaires au moins une fonction de promotion dans le cadre d'un congé en vue de l'exercice d'une même fonction ou d'une autre fonction;
2° dans l'école où le membre du personnel est affecté, il y a - au moment de la nomination - au moins un emploi à temps plein définitivement vacant dans la fonction de recrutement donnant accès à la fonction de sélection dans laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif;
3° le membre du personnel concerné introduit auprès du pouvoir organisateur, pour le 15 juin au plus tard, une demande écrite allant dans ce sens.
La nouvelle affectation intervient au 1er juillet de l'année calendrier au cours de laquelle la fusion ou la reprise intervient. "
" Article 91bis. Par dérogation aux articles 78 à 91, le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de sélection auprès d'une école qui est soit fusionnée avec une école d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel ou libre subventionné soit reprise par un tel pouvoir organisateur est censé être nommé à titre définitif dans cette même fonction auprès d'une autre école de l'enseignement communautaire si les conditions suivantes sont remplies :
1° le membre du personnel concerné occupe depuis trois années scolaires au moins une fonction de promotion dans le cadre d'un congé en vue de l'exercice d'une même fonction ou d'une autre fonction;
2° dans l'école où le membre du personnel est affecté, il y a - au moment de la nomination - au moins un emploi à temps plein définitivement vacant dans la fonction de recrutement donnant accès à la fonction de sélection dans laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif;
3° le membre du personnel concerné introduit auprès du pouvoir organisateur, pour le 15 juin au plus tard, une demande écrite allant dans ce sens.
La nouvelle affectation intervient au 1er juillet de l'année calendrier au cours de laquelle la fusion ou la reprise intervient. "
Art. 12. Artikel 97, lid 1, 7°, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 maart 1995, wordt opgeheven.
Art. 12. Dans l'article 97, alinéa 1er, du même arrêté royal, modifié par l'arrêté du Gouvernement du 2 mars 1995, le 7° est abrogé.
Art. 13. In hoofdstuk VIII, afdeling 2, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 mei 1981, het besluit van de Regering van 2 maart 1995 en het decreet van 17 mei 2004, wordt een artikel 102bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 102bis. Fusioneert een basisschool van de Duitstalige Gemeenschap met een basisschool van een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs of wordt ze door zo'n inrichtende macht overgenomen, dan kan de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs, in afwijking van de artikelen 92 tot en met 102 een personeelslid vast benoemen in het ambt van schoolhoofd van een basisschool of van hoofdonderwijzer, als volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° het betreffende personeelslid voldoet aan de in artikel 97 vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld onder 8°;
2° het personeelslid bekleedt sinds ten minste drie schooljaren een bevorderingsambt in het kader van een verlof voor de uitoefening van hetzelfde of van een ander ambt;
3° er is een definitief vacante betrekking op het ogenblik van de benoeming;
4° het betreffende personeelslid dient tot 15 juni een dienovereenkomstige schriftelijke aanvraag bij de inrichtende macht in.
De in lid 1 vermelde benoeming geschiedt op 2 juli van het kalenderjaar waarin de fusie of overneming plaatsvindt. "
" Artikel 102bis. Fusioneert een basisschool van de Duitstalige Gemeenschap met een basisschool van een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs of wordt ze door zo'n inrichtende macht overgenomen, dan kan de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs, in afwijking van de artikelen 92 tot en met 102 een personeelslid vast benoemen in het ambt van schoolhoofd van een basisschool of van hoofdonderwijzer, als volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° het betreffende personeelslid voldoet aan de in artikel 97 vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld onder 8°;
2° het personeelslid bekleedt sinds ten minste drie schooljaren een bevorderingsambt in het kader van een verlof voor de uitoefening van hetzelfde of van een ander ambt;
3° er is een definitief vacante betrekking op het ogenblik van de benoeming;
4° het betreffende personeelslid dient tot 15 juni een dienovereenkomstige schriftelijke aanvraag bij de inrichtende macht in.
De in lid 1 vermelde benoeming geschiedt op 2 juli van het kalenderjaar waarin de fusie of overneming plaatsvindt. "
Art. 13. Dans le chapitre VIII, section 2, du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 27 mai 1981, l'arrêté du Gouvernement du 2 mars 1995 et le décret du 17 mai 2004, il est inséré un article 102bis, rédigé comme suit :
" Article 102bis. Si une école fondamentale de la Communauté germanophone fusionne avec une école fondamentale d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel ou libre subventionné, ou si elle est reprise par un tel pouvoir organisateur, le pouvoir organisateur de l'enseignement communautaire peut, par dérogation aux articles 92 à 102, nommer un membre du personnel à titre définitif dans une fonction de chef d'établissement d'une école fondamentale ou dans une fonction d'instituteur en chef, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le membre du personnel concerné remplit les conditions mentionnées à l'article 97, à l'exception de celle reprise au point 8°;
2° il occupe depuis trois années scolaires au moins une fonction de promotion dans le cadre d'un congé en vue de l'exercice d'une même fonction ou d'une autre fonction;
3° il y a - au moment de la nomination - un emploi correspondant définitivement vacant;
4° le membre du personnel concerné introduit auprès du pouvoir organisateur, pour le 15 juin au plus tard, une demande écrite allant dans ce sens.
La nomination visée au premier alinéa intervient au 2 juillet de l'année calendrier au cours de laquelle la fusion ou la reprise intervient. "
" Article 102bis. Si une école fondamentale de la Communauté germanophone fusionne avec une école fondamentale d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel ou libre subventionné, ou si elle est reprise par un tel pouvoir organisateur, le pouvoir organisateur de l'enseignement communautaire peut, par dérogation aux articles 92 à 102, nommer un membre du personnel à titre définitif dans une fonction de chef d'établissement d'une école fondamentale ou dans une fonction d'instituteur en chef, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le membre du personnel concerné remplit les conditions mentionnées à l'article 97, à l'exception de celle reprise au point 8°;
2° il occupe depuis trois années scolaires au moins une fonction de promotion dans le cadre d'un congé en vue de l'exercice d'une même fonction ou d'une autre fonction;
3° il y a - au moment de la nomination - un emploi correspondant définitivement vacant;
4° le membre du personnel concerné introduit auprès du pouvoir organisateur, pour le 15 juin au plus tard, une demande écrite allant dans ce sens.
La nomination visée au premier alinéa intervient au 2 juillet de l'année calendrier au cours de laquelle la fusion ou la reprise intervient. "
Art. 14. Artikel 106, lid 1, 8°, van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art. 14. L'article 106, alinéa 1er, 8°, du même arrêté royal est abrogé.
Art. 15. Artikel 114 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 114. Elke bevorderingscommissie wordt samengesteld uit :
1° een voorzitter uitgekozen onder de ambtenaren of contractuele personeelsleden van niveau I van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, die in actieve dienst of in ruste zijn;
2° twee leden uitgekozen onder de ambtenaren of contractuele personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap van niveau I;
3° vier leden uitgekozen onder de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het gemeenschapsonderwijs, die ten minste titularis zijn van het te begeven ambt, onder de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de autonome hogeschool of onder de leden van de pedagogische inspectiebegeleiding;
4° drie leden uitgekozen en voorgesteld door de representatieve vakverenigingen van het gemeenschapsonderwijs en die tenminste titularis zijn van het te begeven ambt;
5° een secretaris uitgekozen onder de ambtenaren of contractuele personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.
Voor elk commissie lid 1 vermeld lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. De secretaris is niet stemgerechtigd.
De Regering wijst de leden en plaatsvervangende leden aan. "
" Artikel 114. Elke bevorderingscommissie wordt samengesteld uit :
1° een voorzitter uitgekozen onder de ambtenaren of contractuele personeelsleden van niveau I van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, die in actieve dienst of in ruste zijn;
2° twee leden uitgekozen onder de ambtenaren of contractuele personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap van niveau I;
3° vier leden uitgekozen onder de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het gemeenschapsonderwijs, die ten minste titularis zijn van het te begeven ambt, onder de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de autonome hogeschool of onder de leden van de pedagogische inspectiebegeleiding;
4° drie leden uitgekozen en voorgesteld door de representatieve vakverenigingen van het gemeenschapsonderwijs en die tenminste titularis zijn van het te begeven ambt;
5° een secretaris uitgekozen onder de ambtenaren of contractuele personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.
Voor elk commissie lid 1 vermeld lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. De secretaris is niet stemgerechtigd.
De Regering wijst de leden en plaatsvervangende leden aan. "
Art. 15. L'article 114 du même arrêté royal est remplacé par ce qui suit :
" Article 114. Tout jury de promotion est composé comme suit :
1° un président, choisi parmi les fonctionnaires ou agents contractuels de niveau I du Ministère de la Communauté germanophone en activité de service ou retraités;
2° deux membres choisis parmi les fonctionnaires ou agents contractuels de niveau I du Ministère de la Communauté germanophone;
3° quatre membres choisis parmi les membres du personnel directeur et enseignant de l'enseignement communautaire qui sont au moins titulaires de la fonction à pourvoir, parmi les membres du personnel directeur ou enseignant de la haute école autonome ou parmi les membres de l'inspection-guidance pédagogique;
4° trois membres choisis et proposés par les organisations syndicales représentatives de l'enseignement communautaire et qui sont au moins titulaires de la fonction à pourvoir;
5° un secrétaire, choisi parmi les fonctionnaires ou agents contractuels du Ministère de la Communauté germanophone.
Un membre suppléant est désigné pour chaque membre visé au premier alinéa. Le secrétaire n'a pas voix délibérative.
Le Gouvernement désigne les membres et leurs suppléants. "
" Article 114. Tout jury de promotion est composé comme suit :
1° un président, choisi parmi les fonctionnaires ou agents contractuels de niveau I du Ministère de la Communauté germanophone en activité de service ou retraités;
2° deux membres choisis parmi les fonctionnaires ou agents contractuels de niveau I du Ministère de la Communauté germanophone;
3° quatre membres choisis parmi les membres du personnel directeur et enseignant de l'enseignement communautaire qui sont au moins titulaires de la fonction à pourvoir, parmi les membres du personnel directeur ou enseignant de la haute école autonome ou parmi les membres de l'inspection-guidance pédagogique;
4° trois membres choisis et proposés par les organisations syndicales représentatives de l'enseignement communautaire et qui sont au moins titulaires de la fonction à pourvoir;
5° un secrétaire, choisi parmi les fonctionnaires ou agents contractuels du Ministère de la Communauté germanophone.
Un membre suppléant est désigné pour chaque membre visé au premier alinéa. Le secrétaire n'a pas voix délibérative.
Le Gouvernement désigne les membres et leurs suppléants. "
Art. 16. Artikel 121ter, lid 1, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° aan één van de volgende voorwaarden voldoen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° aan één van de volgende voorwaarden voldoen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 16. L'article 121ter, alinéa 1er, 1°, du même arrêté royal, inséré par le décret du 25 juin 2007, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 17. In artikel 121nonies, § 1, lid 1, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007, wordt de passus " of met zijn werkelijke geldelijke anciënniteit, indien deze meer dan 19 jaar bedraagt " na de passus " met een geldelijke anciënniteit van 19 jaar " ingevoegd.
Art. 17. Dans l'article 121nonies, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal, inséré par le décret du 25 juin 2007, le passage " ou avec son ancienneté pécuniaire réelle si elle est supérieure à 19 ans " est inséré après le passage " avec une ancienneté pécuniaire de 19 ans ".
Art. 18. In artikel 24, § 3, en in artikel 68, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2006 worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
In artikel 121undecies, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007, worden de woorden " twee exemplaren " en " beide exemplaren " vervangen door " drie exemplaren " resp. " de drie exemplaren ".
In artikel 121undecies, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007, worden de woorden " twee exemplaren " en " beide exemplaren " vervangen door " drie exemplaren " resp. " de drie exemplaren ".
Art. 18. Dans les articles 24, § 3, et 68, § 1er, du même arrêté royal, modifiés par le décret du 26 juin 2006, ainsi que dans l'article 121undecies, § 2, inséré par le décret du 25 juin 2007, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ".
Art. 19. Artikel 168, 2°, littera a), van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 17 mei 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 16, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 39, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; "
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 16, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 39, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; "
Art. 19. L'article 168, 2°, littera a), du même arrêté royal, remplacé par le décret du 17 mai 2004, est remplacé par la disposition suivante :
" a) une des conditions énoncées à l'article 16, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 39, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
" a) une des conditions énoncées à l'article 16, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 39, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlite, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap.
CHAPITRE V. - Modification de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres et professeurs de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe, islamique et anglicane dans les établissements d'enseignement de la Communauté germanophone.
Art. 20. Artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlite, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; "
Hetzelfde paragraaf wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; "
Hetzelfde paragraaf wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 20. L'article 4, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres et professeurs de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe, islamique et anglicane dans les établissements d'enseignement de la Communauté germanophone, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Le même paragraphe est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Le même paragraphe est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 21. In artikel 5, § 1, lid 1, 3°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Art. 21. Dans l'article 5, § 1, alinéa 1er, 3°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Art. 22. Artikel 22sexies, lid 1, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; "
In punt 8° van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006 wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; "
In punt 8° van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006 wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 22. L'article 22sexies, alinéa 1er, 1°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Dans le point 8° du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1erer, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Dans le point 8° du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1erer, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 23. In hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 3, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006, wordt een artikel 22sexies 1 ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 22sexies1. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
" Art. 22sexies1. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
Art. 23. Dans le chapitre III, section 3, sous-section 3, du même arrêté royal, inséré par le décret du 26 juin 2006, il est inséré un article 22sexies 1, libellé comme suit :
" Art. 22sexies1. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
" Art. 22sexies1. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
Art. 24. In artikel 22septies, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij het decreet van 21 april 2008, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door de passus " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 24. Dans l'article 22septies, 2°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 25 juin 2007 et modifié par le décret du 21 avril 2008, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 25. In artikel 12, § 3, en 29, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door de woorden " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
Art. 25. Dans les articles 12, § 3, et 29, § 1er, du même arrêté royal, remplacés par le décret du 26 juin 2006, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ".
Art. 26. In hoofdstuk IX, afdeling 4, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 november 1978 en 1 augustus 1984, wordt een artikel 47bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 47bis. § 1. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap vastbenoemd zijn en aan wie niet ten minste het aantal lestijden waarvoor zij benoemd zijn, kan worden toegewezen, met voorrang tot elke tijdelijke aanwijzing of elke vaste benoeming, voor de omvang van het lestijdenverlies als leermeester of leraar godsdienst voorlopig in hetzelfde of in een ander onderwijsniveau tewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
§ 2. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 3. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd officieel onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 4. In de gevallen vermeld in de §§ 1 à 3 kan een reaffectatie of een wedertewerkstelling door een overgang van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs alleen met de toestemming van het betrokken personeelslid plaatsvinden.
§ 5. Voordat de in de §§ 1 à 3 bedoelde reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling plaatsvindt, brengen de betrokken reaffectatiecommissies een advies uit overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
§ 6. Voorliggend artikel geldt onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 juli 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd onderwijs. "
" Artikel 47bis. § 1. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap vastbenoemd zijn en aan wie niet ten minste het aantal lestijden waarvoor zij benoemd zijn, kan worden toegewezen, met voorrang tot elke tijdelijke aanwijzing of elke vaste benoeming, voor de omvang van het lestijdenverlies als leermeester of leraar godsdienst voorlopig in hetzelfde of in een ander onderwijsniveau tewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
§ 2. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 3. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd officieel onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 4. In de gevallen vermeld in de §§ 1 à 3 kan een reaffectatie of een wedertewerkstelling door een overgang van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs alleen met de toestemming van het betrokken personeelslid plaatsvinden.
§ 5. Voordat de in de §§ 1 à 3 bedoelde reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling plaatsvindt, brengen de betrokken reaffectatiecommissies een advies uit overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
§ 6. Voorliggend artikel geldt onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 juli 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd onderwijs. "
Art. 26. Dans le chapitre IX, section 4, du même arrêté royal, modifié par les arrêtés royaux des 14 novembre 1978 et 1er août 1984, il est inséré un article 47bis, rédigé comme suit :
" Article 47bis. § 1er. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont réaffectés temporairement dans l'enseignement officiel ou libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion nommés à titre définitif dans l'enseignement de la Communauté germanophone et auxquels ne peut être attribué au moins le nombre de périodes pour lequel ils sont nommés sont - prioritairement à toute désignation à titre temporaire ou à toute nomination à titre définitif - occupés temporairement comme tels dans l'enseignement officiel ou libre subventionné, au même niveau d'enseignement ou non, pour le nombre de périodes perdues, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
§ 2. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 3. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement officiel subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 4. Une réaffectation ou une remise au travail de l'enseignement normal à l'enseignement spécial ne peut se faire, dans les cas prévus aux paragraphes 1 à 3, que moyennant l'accord du membre du personnel concerné.
§ 5. Avant que ne s'opèrent les réaffectation, remise au travail ou complément d'horaire visés aux paragraphes 1er à 3, les commissions de réaffectation concernées émettent un avis conformément aux dispositions légales et réglementaires.
§ 6. Le présent article s'applique sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 27 juillet 1976 réglementant la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et l'octroi d'une subvention-traitement d'attente dans l'enseignement subventionné. "
" Article 47bis. § 1er. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont réaffectés temporairement dans l'enseignement officiel ou libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion nommés à titre définitif dans l'enseignement de la Communauté germanophone et auxquels ne peut être attribué au moins le nombre de périodes pour lequel ils sont nommés sont - prioritairement à toute désignation à titre temporaire ou à toute nomination à titre définitif - occupés temporairement comme tels dans l'enseignement officiel ou libre subventionné, au même niveau d'enseignement ou non, pour le nombre de périodes perdues, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
§ 2. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 3. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement officiel subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 4. Une réaffectation ou une remise au travail de l'enseignement normal à l'enseignement spécial ne peut se faire, dans les cas prévus aux paragraphes 1 à 3, que moyennant l'accord du membre du personnel concerné.
§ 5. Avant que ne s'opèrent les réaffectation, remise au travail ou complément d'horaire visés aux paragraphes 1er à 3, les commissions de réaffectation concernées émettent un avis conformément aux dispositions légales et réglementaires.
§ 6. Le présent article s'applique sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 27 juillet 1976 réglementant la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et l'octroi d'une subvention-traitement d'attente dans l'enseignement subventionné. "
Art. 27. Artikel 48 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 48. Artikel 168, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, is toepasselijk op de personeelsleden vermeld in artikel 1. "
" Artikel 48. Artikel 168, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, is toepasselijk op de personeelsleden vermeld in artikel 1. "
Art. 27. L'article 48 du même arrêté royal est remplacé par la disposition suivante :
" Article 48. L'article 168, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° et 8°, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, est applicable aux membres du personnel visés à l'article 1. "
" Article 48. L'article 168, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° et 8°, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, est applicable aux membres du personnel visés à l'article 1. "
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs.
CHAPITRE VI. - Modification de l'arrêté royal du 20 juin 1975 relatif aux titres suffisants dans l'enseignement gardien et primaire.
Art. 28. In de tabel opgenomen in artikel 11 van het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs, laatst gewijzigd bij het decreet van 17 mei 2004, worden de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen van de groep B geschrapt.
Art. 28. Dans le tableau figurant à l'article 11 de l'arrêté royal du 20 juin 1975 relatif aux titres suffisants dans l'enseignement gardien et primaire, modifié en dernier lieu par le décret du 17 mai 2004, les titres jugés suffisants pour le groupe B sont supprimés.
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar.
CHAPITRE VII. - Modification de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements libres d'enseignement moyen ou d'enseignement normal subventionnés, y compris l'année postsecondaire psychopédagogique.
Art. 29. In de tabel opgenomen in artikel 11 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar, laatst gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 31 augustus 2000, worden de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen van de groep B geschrapt.
Art. 29. Dans le tableau figurant à l'article 11 de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements libres d'enseignement moyen ou d'enseignement normal subventionnés, y compris l'année postsecondaire psychopédagogique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone du 31 août 2000, les titres jugés suffisants pour le groupe B sont supprimés.
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs.
CHAPITRE VIII. - Modification de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements d'enseignement moyen ou d'enseignement normal officiels subventionnés
Art. 30. In de tabel opgenomen in artikel 11 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, laatst gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 31 augustus 2000, worden de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen van de groep B geschrapt.
Art. 30. Dans le tableau figurant à l'article 11 de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements d'enseignement moyen ou d'enseignement normal officiels subventionnés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone du 31 août 2000, les titres jugés suffisants pour le groupe B sont supprimés.
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie.
CHAPITRE IX. - Modification de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements subventionnés d'enseignement technique et d'enseignement professionnel secondaire de plein exercice et de promotion sociale
Art. 31. In de tabel opgenomen in artikel 11 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie, laatst gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 31 augustus 2000, worden de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen van de groep B geschrapt.
Art. 31. Dans le tableau figurant à l'article 11 de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements subventionnés d'enseignement technique et d'enseignement professionnel secondaire de plein exercice et de promotion sociale, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone du 31 août 2000, les titres jugés suffisants pour le groupe B sont supprimés.
HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 juli 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd onderwijs.
CHAPITRE X. - Modification de l'arrêté royal du 27 juillet 1976 réglementant la mise en disponibilité par défaut d'emploi,.la réaffectation et l'octroi d'une subvention-traitement d'attente dans l'enseignement subventionné
Art. 32. In het koninklijk besluit van 27 juli 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd onderwijs wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 7bis. § 1. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap vastbenoemd zijn en aan wie niet ten minste het aantal lestijden waarvoor zij benoemd zijn, kan worden toegewezen, met voorrang tot elke tijdelijke aanwijzing of elke vaste benoeming, voor de omvang van het lestijdenverlies als leermeester of leraar godsdienst in hetzelfde of in een ander onderwijsniveau tewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
§ 2. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 3. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd officieel onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 4. In de gevallen vermeld in de §§ 1 à 3 kan een reaffectatie of een wedertewerkstelling door een overgang van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs alleen met de toestemming van het betrokken personeelslid plaatsvinden.
§ 5. Voordat de in de §§ 1 à 3 bedoelde reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling plaatsvindt, brengen de betrokken reaffectatiecommissies een advies uit overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
§ 6. Voorliggend artikel geldt onverminderd andere bepalingen van dit besluit. "
" Artikel 7bis. § 1. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het gesubsidieerd officieel of vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap vastbenoemd zijn en aan wie niet ten minste het aantal lestijden waarvoor zij benoemd zijn, kan worden toegewezen, met voorrang tot elke tijdelijke aanwijzing of elke vaste benoeming, voor de omvang van het lestijdenverlies als leermeester of leraar godsdienst in hetzelfde of in een ander onderwijsniveau tewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtwedde.
§ 2. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd vrij onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 3. In het basis- en secundair onderwijs worden de leermeesters en leraars godsdienst die geheel of gedeeltelijk bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld, voorlopig in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap of het gesubsidieerd officieel onderwijs gereaffecteerd resp. als leermeester of leraar godsdienst in een ander onderwijsniveau wedertewerkgesteld, behalve als de betrokken personeelsleden afstand doen van de dienovereenkomstige wachtweddetoelage.
§ 4. In de gevallen vermeld in de §§ 1 à 3 kan een reaffectatie of een wedertewerkstelling door een overgang van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs alleen met de toestemming van het betrokken personeelslid plaatsvinden.
§ 5. Voordat de in de §§ 1 à 3 bedoelde reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling plaatsvindt, brengen de betrokken reaffectatiecommissies een advies uit overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
§ 6. Voorliggend artikel geldt onverminderd andere bepalingen van dit besluit. "
Art. 32. Dans l'arrêté royal du 27 juillet 1976 réglementant la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et l'octroi d'une subvention-traitement d'attente dans l'enseignement subventionné, il est inséré un article 7bis, rédigé comme suit :
" Article 7bis. § 1er. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont réaffectés temporairement dans l'enseignement officiel ou libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion nommés à titre définitif dans l'enseignement de la Communauté germanophone et auxquels ne peut être attribué au moins le nombre de périodes pour lequel ils sont nommés sont - prioritairement à toute désignation à titre temporaire ou à toute nomination à titre définitif - occupés temporairement comme tels dans l'enseignement officiel ou libre subventionné, au même niveau d'enseignement ou non, pour le nombre de périodes perdues, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
§ 2. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 3. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement officiel subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 4. Une réaffectation ou une remise au travail de l'enseignement normal à l'enseignement spécial ne peut se faire, dans les cas prévus aux paragraphes 1 à 3, que moyennant l'accord du membre du personnel concerné.
§ 5. Avant que ne s'opèrent les réaffectation, remise au travail ou complément d'horaire visés aux paragraphes 1er à 3, les commissions de réaffectation concernées émettent un avis conformément aux dispositions légales et réglementaires.
§ 6. Le présent article s'applique sans préjudice des autres dispositions du présent arrêté. "
" Article 7bis. § 1er. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont réaffectés temporairement dans l'enseignement officiel ou libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion nommés à titre définitif dans l'enseignement de la Communauté germanophone et auxquels ne peut être attribué au moins le nombre de périodes pour lequel ils sont nommés sont - prioritairement à toute désignation à titre temporaire ou à toute nomination à titre définitif - occupés temporairement comme tels dans l'enseignement officiel ou libre subventionné, au même niveau d'enseignement ou non, pour le nombre de périodes perdues, à moins qu'ils ne renoncent au traitement d'attente correspondant.
§ 2. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement libre subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 3. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, les maîtres et professeurs de religion mis en tout ou partie en disponibilité par défaut d'emploi auprès d'un pouvoir organisateur de l'enseignement libre subventionné sont réaffectés temporairement dans l'enseignement de la Communauté germanophone ou dans l'enseignement officiel subventionné ou remis au travail comme tels dans un autre niveau d'enseignement, à moins qu'ils ne renoncent à la subvention-traitement d'attente correspondante.
§ 4. Une réaffectation ou une remise au travail de l'enseignement normal à l'enseignement spécial ne peut se faire, dans les cas prévus aux paragraphes 1 à 3, que moyennant l'accord du membre du personnel concerné.
§ 5. Avant que ne s'opèrent les réaffectation, remise au travail ou complément d'horaire visés aux paragraphes 1er à 3, les commissions de réaffectation concernées émettent un avis conformément aux dispositions légales et réglementaires.
§ 6. Le présent article s'applique sans préjudice des autres dispositions du présent arrêté. "
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra vallen.
CHAPITRE XI. - Modification de l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de l'Etat, des centres de formation de l'Etat ainsi que des services d'inspection chargés de la surveillance des centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-médico-sociaux spécialisés.
Art. 33. Artikel 12, lid 1, 1°, van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra vallen, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 33. L'article 12, alinéa 1erer, 1°, de l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de l'Etat, des centres de formation de l'Etat ainsi que des services d'inspection chargés de la surveillance des centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-médico-sociaux spécialisés, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugie ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1erer, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugie ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1erer, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 34. In artikel 13, § 1, lid 1, 3°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Art. 34. Dans l'article 13, § 1er, alinéa 1er, 3°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Art. 35. Artikel 30, lid 1, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
In punt 8° van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5°, b), van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt; ".
In punt 8° van hetzelfde lid, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 35. L'article 30, alinéa 1er, 1°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Dans le point 8° du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même article est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5°, b), du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par ce qui suit :
" b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième; ".
Dans le point 8° du même alinéa, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même article est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 36. In hoofdstuk III, afdeling 3, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006, wordt een artikel 30bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 30bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
" Art. 30bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
Art. 36. Dans le chapitre III, section 3, du même arrêté royal, inséré par le décret du 26 juin 2006, il est inséré un article 30bis, libellé comme suit :
" Art. 30bis. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
" Art. 30bis. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
Art. 37. In artikel 31, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij het decreet van 21 april 2008, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 37. Dans l'article 31, 2°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 25 juin 2007 et modifié par le décret du 21 avril 2008, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 38. In de artikelen 21, § 3, en 56, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
Art. 38. Dans les articles 21, § 3, et 56, § 1er, du même arrêté royal, remplacés par le décret du 26 juin 2006, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ".
Art. 39. In artikel 73, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 39. Dans l'article 73, 2°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 40. In artikel 87, § 1, 2°, en § 2, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 40. Dans l'article 87, § 1er, 2°, et § 2, 2°, du même arrêté royal, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 41. Artikel 196, 1°, littera a), van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het decreet van 17 mei 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 12, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 30, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; ".
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 12, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 30, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; ".
Art. 41. L'article 196, 1°, littera a), du même arrêté royal, remplacé par le décret du 17 mai 2004, est remplacé par la disposition suivante :
" a) une des conditions énoncées à l'article 12, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 30, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
" a) une des conditions énoncées à l'article 12, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 30, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
HOOFDSTUK XII. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
CHAPITRE XII. - Modification de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
Art. 42. Artikel 10, § 6, lid 3, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, gewijzigd bij het decreet van 25 juni 2001, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De wedde of de weddetoelage bedoeld in lid 1 worden slechts toegekend, als de inrichtende macht het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap er schriftelijk van heeft geïnformeerd dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat de betrekking als hoofdberoep kan uitoefenen. "
" De wedde of de weddetoelage bedoeld in lid 1 worden slechts toegekend, als de inrichtende macht het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap er schriftelijk van heeft geïnformeerd dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat de betrekking als hoofdberoep kan uitoefenen. "
Art. 42. L'article 10, § 6, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, modifié par le décret du 25 juin 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Le traitement ou la subvention-traitement dont question au premier alinéa ne sont octroyés que lorsque le pouvoir organisateur a informé par écrit le Ministère de la Communauté germanophone qu'il n'a pu trouver aucun membre du personnel qualifié pouvant occuper l'emploi à titre principal. "
" Le traitement ou la subvention-traitement dont question au premier alinéa ne sont octroyés que lorsque le pouvoir organisateur a informé par écrit le Ministère de la Communauté germanophone qu'il n'a pu trouver aucun membre du personnel qualifié pouvant occuper l'emploi à titre principal. "
HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald.
CHAPITRE XIII. - Modification du décret du 27 juin 1990 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel dans l'enseignement spécial.
Art. 43. Artikel 53ter, lid 1, van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald, ingevoegd bij het decreet van 17 mei 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Voor de schooljaren 2004-2005 tot en met 2008-2009 wordt naast het lestijdenpakket verkregen overeenkomstig artikel 5ter een lestijdenpakket toegekend voor de integratie van leerlingen die krachtig moeten worden gesteund in het gewoon basisonderwijs. "
" Voor de schooljaren 2004-2005 tot en met 2008-2009 wordt naast het lestijdenpakket verkregen overeenkomstig artikel 5ter een lestijdenpakket toegekend voor de integratie van leerlingen die krachtig moeten worden gesteund in het gewoon basisonderwijs. "
Art. 43. L'article 53ter, alinéa 1er, du décret du 27 juin 1990 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel dans l'enseignement spécial, inséré par le décret du 17 mai 2004, est remplacé comme suit :
" Pour les années scolaires 2004-2005 à 2008-2009 incluse, il est octroyé, en plus du capital périodes calculé conformément à l'article 5ter, un complément au capital périodes en vue de l'intégration d'élèves nécessitant un soutien pédagogique spécialisé dans l'enseignement fondamental ordinaire. "
" Pour les années scolaires 2004-2005 à 2008-2009 incluse, il est octroyé, en plus du capital périodes calculé conformément à l'article 5ter, un complément au capital périodes en vue de l'intégration d'élèves nécessitant un soutien pédagogique spécialisé dans l'enseignement fondamental ordinaire. "
HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs.
CHAPITRE XIV. - Modification du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires.
Art. 44. In artikel 24 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs wordt een vierde lid ingevoegd, luidend als volgt :
" In afwijking van het voorafgaande lid kan de Regering beslissen dat de personen belast met de opvoeding in geval van een overneming van een school door een andere inrichtende macht ook recht hebben op een gedeeltelijke terugbetaling van de kosten aangegaan voor het vervoer van de leerlingen naar de overgenomen school die niet de dichtstbij gelegen school naar vrije keuze is, op voorwaarde dat deze school vóór de overneming de dichtsbij gelegen school naar vrije keuze was. De personen belast met de opvoeding zijn diegenen van leerlingen die de betreffende school reeds op het ogenblik van de overneming bezoeken of van hun zusters of broeders. "
" In afwijking van het voorafgaande lid kan de Regering beslissen dat de personen belast met de opvoeding in geval van een overneming van een school door een andere inrichtende macht ook recht hebben op een gedeeltelijke terugbetaling van de kosten aangegaan voor het vervoer van de leerlingen naar de overgenomen school die niet de dichtstbij gelegen school naar vrije keuze is, op voorwaarde dat deze school vóór de overneming de dichtsbij gelegen school naar vrije keuze was. De personen belast met de opvoeding zijn diegenen van leerlingen die de betreffende school reeds op het ogenblik van de overneming bezoeken of van hun zusters of broeders. "
Art. 44. L'article 24 du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa précédent, le Gouvernement peut décider que les personnes chargées de l'éducation aient également droit, dans le cas d'une reprise d'une école par un autre pouvoir organisateur, à un remboursement proportionnel du transport scolaire jusqu'à l'école reprise qui n'est pas l'école de libre choix la plus proche, à condition que ladite école, avant la reprise, ait été l'école de libre choix la plus proche. Les personnes chargées de l'éduction susmentionnées sont les personnes chargées de l'éducation des élèves qui, au moment de la reprise, fréquentaient déjà l'école en question ou de leurs frères et soeurs. "
" Par dérogation à l'alinéa précédent, le Gouvernement peut décider que les personnes chargées de l'éducation aient également droit, dans le cas d'une reprise d'une école par un autre pouvoir organisateur, à un remboursement proportionnel du transport scolaire jusqu'à l'école reprise qui n'est pas l'école de libre choix la plus proche, à condition que ladite école, avant la reprise, ait été l'école de libre choix la plus proche. Les personnes chargées de l'éduction susmentionnées sont les personnes chargées de l'éducation des élèves qui, au moment de la reprise, fréquentaient déjà l'école en question ou de leurs frères et soeurs. "
Art. 45. In artikel 34, lid 2, van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs, vervangen bij het decreet van 25 mei 1999, wordt het woord " derde " door " laatste " vervangen.
In hetzelfde artikel, [1 vierde lid]1, ingevoegd bij het decreet van 23 oktober 2000, wordt de passus " na de derde werkdag vóór het begin van " door " tijdens " vervangen.
In hetzelfde artikel, [1 vierde lid]1, ingevoegd bij het decreet van 23 oktober 2000, wordt de passus " na de derde werkdag vóór het begin van " door " tijdens " vervangen.
Modifications
Art. 45. Dans l'article 34, alinéa 2, du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires, remplacé par le décret du 25 mai 1999, le mot " troisième " est remplacé par " dernier ".
Dans le même article, [1 alinéa 4]1, inséré par le décret du 23 octobre 2000, le passage " après le troisième jour ouvrable précédant le début de " est remplacé par le mot " pendant ".
Dans le même article, [1 alinéa 4]1, inséré par le décret du 23 octobre 2000, le passage " après le troisième jour ouvrable précédant le début de " est remplacé par le mot " pendant ".
Modifications
HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum.
CHAPITRE XV. - Modification du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné.
Art. 46. Artikel 33, lid 1, 1°, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 33bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Punt 8° van hetzelfde lid wordt geschrapt.
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 33bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Punt 8° van hetzelfde lid wordt geschrapt.
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 46. L'article 33, alinéa 1er, 1°, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction a conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 33bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Le point 8° du même alinéa est supprimé.
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction a conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 33bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Le point 8° du même alinéa est supprimé.
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 47. Artikel 33bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006, wordt aangevuld met drie leden, luidend als volgt :
" Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 33, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht - in afwijking van artikel 33 - een kandidaat tijdelijk aanstellen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 33, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd het eerste lid mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangesteld, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangesteld. "
" Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 33, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht - in afwijking van artikel 33 - een kandidaat tijdelijk aanstellen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 33, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd het eerste lid mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangesteld, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangesteld. "
Art. 47. L'article 33bis du même décret, inséré par le décret du 26 juin 2006, est complété par les alinéas 2, 3 et 4 suivants :
" Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 33, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 33, engager à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 33, alinéa 1er, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est engagé conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être engagé n'a été trouvé. "
" Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 33, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 33, engager à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 33, alinéa 1er, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est engagé conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être engagé n'a été trouvé. "
Art. 48. In hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 33ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 33ter. Behalve als artikel 33bis, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 33, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van twee maanden - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en behoorlijk met redenen omkleed werd.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 33, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar. ".
" Artikel 33ter. Behalve als artikel 33bis, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 33, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van twee maanden - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en behoorlijk met redenen omkleed werd.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 33, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar. ".
Art. 48. Dans le chapitre III, section 2, sous-section 1, du même décret, il est inséré un article 33ter, libellé comme suit :
" Article 33ter. Sauf en cas d'application de l'article 33bis, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées a l'article 33, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas a un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Après réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées et qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées ou qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas les conditions mentionnées à l'article 33, alinéa 1er, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire. "
" Article 33ter. Sauf en cas d'application de l'article 33bis, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées a l'article 33, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas a un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Après réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées et qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées ou qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas les conditions mentionnées à l'article 33, alinéa 1er, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire. "
Art. 49. Artikel 35 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen als volgt :
§ 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° hij vervult de voorwaarden bepaald in artikel 33, lid 1, 5°. "
In § 1, lid 1, 3°, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
3° Hetzelfde § 1, lid 2, wordt vervangen als volgt :
" Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
§ 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° hij vervult de voorwaarden bepaald in artikel 33, lid 1, 5°. "
In § 1, lid 1, 3°, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
3° Hetzelfde § 1, lid 2, wordt vervangen als volgt :
" Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
Art. 49. L'article 35 du même décret, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est modifié comme suit :
1° Le § 1er, alinéa 1er, 2°, est remplacé comme suit :
" 2° il remplit les conditions mentionnées à l'article 33, alinéa 1er, 5°; ";
2° Dans le § 1er, alinéa 1er, 3°, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ";
3° Le § 1, alinéa 2, est remplacé comme suit :
" Un candidat qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, qui sont pris en compte pour le calcul de la priorité, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat. "
1° Le § 1er, alinéa 1er, 2°, est remplacé comme suit :
" 2° il remplit les conditions mentionnées à l'article 33, alinéa 1er, 5°; ";
2° Dans le § 1er, alinéa 1er, 3°, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ";
3° Le § 1, alinéa 2, est remplacé comme suit :
" Un candidat qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, qui sont pris en compte pour le calcul de la priorité, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat. "
Art. 50. Artikel 49, § 1, 1°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 33bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
In punt 8° van hetzelfde paragraaf wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde paragraaf wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Als een definitief aangesteld personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
Hetzelfde paragraaf wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 33bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
In punt 8° van hetzelfde paragraaf wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Hetzelfde paragraaf wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Als een definitief aangesteld personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
Hetzelfde paragraaf wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 50. L'article 49, § 1er, 1°, du même décret, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplace par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction a conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue a l'article 33bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Dans le point 8° du même alinéa, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même paragraphe est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" Un membre du personnel engagé à titre définitif qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 8°, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat. "
Le même paragraphe est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction a conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue a l'article 33bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Dans le point 8° du même alinéa, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Le même paragraphe est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" Un membre du personnel engagé à titre définitif qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 8°, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat. "
Le même paragraphe est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 51. In hoofdstuk III, afdeling 3, van hetzelfde decreet wordt een artikel 49bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 49bis. Mogelijke aanstelling op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt definitief worden aangesteld, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
" Art. 49bis. Mogelijke aanstelling op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt definitief worden aangesteld, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
Art. 51. Dans le chapitre III, section 3, du même décret, il est inséré un article 49bis, libellé comme suit :
" Art. 49bis. Possibilité d'engagement à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être engagé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est engagé à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
" Art. 49bis. Possibilité d'engagement à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être engagé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est engagé à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
Art. 52. In artikel 55, § 1, 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 april 2008 wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 52. Dans l'article 55, § 1er, 2°, du même décret, modifié par le décret du 21 avril 2008, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 53. Artikel 69.2, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° aan één van de volgende voorwaarden voldoen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° aan één van de volgende voorwaarden voldoen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Hetzelfde artikel wordt met een tweede lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 53. L'article 69.2, 1°, du même décret, inséré par le décret du 25 juin 2007, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivre aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le même article est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivre aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 54. In artikel 69.8, § 1, lid 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007, wordt de passus " of met zijn werkelijke geldelijke anciënniteit, indien deze meer dan 19 jaar bedraagt " na de passus " met een geldelijke anciënniteit van 19 jaar " ingevoegd.
Art. 54. Dans l'article 69.8, § 1, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 25 juin 2007, le passage " ou avec son ancienneté pécuniaire réelle si elle est supérieure à 19 ans " est inséré après le passage " avec une ancienneté pécuniaire de 19 ans ".
Art. 55. In de artikelen 39bis, § 3, en 69.10, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006, alsmede in artikel 69.16, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij het decreet van 25 juni 2007, worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
Art. 55. Dans les articles 39bis, § 3, et 69.10, § 2, du même décret, insérés par le décret du 26 juin 2006, ainsi que dans l'article 69.16, § 1er, de ce même décret, inséré par le décret du 26 juin 2006 et modifié par le décret du 25 juin 2007, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ".
Art. 56. Artikel 79, lid 1, 1°, a), van hetzelfde decreet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 33, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 49, § 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; ".
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 33, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 49, § 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; ".
Art. 56. L'article 79, alinéa 1er, 1°, littera a), du même décret, est remplacé par la disposition suivante :
" a) une des conditions énoncées à l'article 33, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés a titre temporaire ou à l'article 49, § 1er, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
" a) une des conditions énoncées à l'article 33, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés a titre temporaire ou à l'article 49, § 1er, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
Art. 57. Artikel 119 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 119. Afwijkingen inzake diploma die personeelsleden in de schooljaren 2006-2007 en/of 2007-2008 krachtens de toen geldige afwijkingsbepalingen werden verleend, worden als afwijkingen in de zin van artikel 33bis beschouwd. De betrokken personeelsleden hoeven niet het in artikel 33, lid 1, 5°, vermeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs te verkrijgen. "
" Artikel 119. Afwijkingen inzake diploma die personeelsleden in de schooljaren 2006-2007 en/of 2007-2008 krachtens de toen geldige afwijkingsbepalingen werden verleend, worden als afwijkingen in de zin van artikel 33bis beschouwd. De betrokken personeelsleden hoeven niet het in artikel 33, lid 1, 5°, vermeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs te verkrijgen. "
Art. 57. L'article 119 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 119. Les dérogations de diplôme accordées aux membres du personnel au cours des années scolaires 2006-2007 et/ou 2007-2008 sur la base des dispositions dérogatoires alors en vigueur sont considérées comme des dérogations accordées conformément à l'article 33bis. Les membres du personnel concernés ne doivent pas obtenir le titre pédagogique mentionné à l'article 33, alinéa 1er, 5°. "
" Article 119. Les dérogations de diplôme accordées aux membres du personnel au cours des années scolaires 2006-2007 et/ou 2007-2008 sur la base des dispositions dérogatoires alors en vigueur sont considérées comme des dérogations accordées conformément à l'article 33bis. Les membres du personnel concernés ne doivent pas obtenir le titre pédagogique mentionné à l'article 33, alinéa 1er, 5°. "
HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs.
CHAPITRE XVI. - Modification du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire.
Art. 58. In artikel 9, § 1, lid 2, 1°, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt de passus " in het kader van een arbeidsovereenkomst met een minimale duur van 6 maanden " in fine ingevoegd.
In hetzelfde lid, 2°, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt de passus " in een school " vervangen door " in dezelfde school ".
In hetzelfde lid, 2°, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt de passus " in een school " vervangen door " in dezelfde school ".
Art. 58. Dans l'article 9, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, remplacé par le décret du 25 juin 2007, le passage " dans le cadre d'un contrat de travail d'une durée d'au moins six mois " est ajouté in fine.
Dans le même alinéa, 2°, remplacé par le décret du 25 juin 2007, les mots " dans une école " sont remplacés par les mots " dans la même école ".
Dans le même alinéa, 2°, remplacé par le décret du 25 juin 2007, les mots " dans une école " sont remplacés par les mots " dans la même école ".
Art. 59. Artikel 40, lid 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° ze kan niet leiden tot een toename van het aantal scholen of vestigingsplaatsen bestaande op de dag van de inwerkingtreding van dit decreet, behalve als de Regering ermee instemt; ".
De leden 2 en 3 van hetzelfde artikel worden opgeheven.
" 1° ze kan niet leiden tot een toename van het aantal scholen of vestigingsplaatsen bestaande op de dag van de inwerkingtreding van dit decreet, behalve als de Regering ermee instemt; ".
De leden 2 en 3 van hetzelfde artikel worden opgeheven.
Art. 59. L'article 40, alinéa 1er, 1°, du même décret, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° elle ne peut entraîner une augmentation du nombre d'écoles ou d'implantations existant au jour d'entrée en vigueur du présent décret, sauf accord du Gouvernement; ".
Les alinéas 2 et 3 du même article sont abrogés.
" 1° elle ne peut entraîner une augmentation du nombre d'écoles ou d'implantations existant au jour d'entrée en vigueur du présent décret, sauf accord du Gouvernement; ".
Les alinéas 2 et 3 du même article sont abrogés.
HOOFDSTUK XVII. - Wijziging van het decreet van 30 juni 2003 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs 2003.
CHAPITRE XVII. - Modification du décret du 30 juin 2003 portant des mesures urgentes en matière d'enseignement - 2003.
Art. 60. Artikel 2 van het decreet van 30 juni 2003 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs 2003 wordt aangevuld met een § 3, luidend als volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 wordt de in § 1, lid 1, vermelde periode tot één schooljaar beperkt, als het om een personeelslid gaat dat in een bevorderingsambt vastbenoemd is.
" § 3. In afwijking van § 1 wordt de in § 1, lid 1, vermelde periode tot één schooljaar beperkt, als het om een personeelslid gaat dat in een bevorderingsambt vastbenoemd is.
Art. 60. L'article 2 du décret du 30 juin 2003 portant des mesures urgentes en matière d'enseignement - 2003 est complété par un § 3, libellé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, la période mentionnée au § 1er, alinéa 1er, est réduite à une année scolaire lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de promotion. "
" § 3. Par dérogation au § 1er, la période mentionnée au § 1er, alinéa 1er, est réduite à une année scolaire lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de promotion. "
HOOFDSTUK XVIII. - Wijziging van het decreet van 29 maart 2004 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra
CHAPITRE XVIII. - Modification du décret du 29 mars 2004 fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné et des centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnes.
Art. 61. Artikel 20, § 1, 1°, van het decreet van 29 maart 2004 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde paragraaf wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 20bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Hetzelfde paragraaf wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde paragraaf wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 20bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Hetzelfde paragraaf wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 61. L'article 20, § 1, 1°, du décret du 29 mars 2004 fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné et des centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même paragraphe est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 20bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Le même paragraphe est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même paragraphe est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 20bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Le même paragraphe est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 62. § 1. Artikel 20bis, lid 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2006 wordt de passus " artikel 20 " vervangen door " artikel 20, § 1, ".
§ 2. Hetzelfde artikel wordt aangevuld met drie leden, luidend als volgt :
" Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht - in afwijking van artikel 20 - een kandidaat tijdelijk aanwijzen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd het eerste lid mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangewezen, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangewezen. "
§ 2. Hetzelfde artikel wordt aangevuld met drie leden, luidend als volgt :
" Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht - in afwijking van artikel 20 - een kandidaat tijdelijk aanwijzen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd het eerste lid mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangewezen, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangewezen. "
Art. 62. § 1er. Dans l'article 20bis, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 26 juin 2006, le passage " article 20 " est remplacé par " article 20, § 1er ".
§ 2. Le même article est complété par les alinéas 2, 3 et 4 suivants :
" Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 20, désigner à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est désigné conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être désigné n'a été trouvé. "
§ 2. Le même article est complété par les alinéas 2, 3 et 4 suivants :
" Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 20, désigner à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est désigné conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être désigné n'a été trouvé. "
Art. 63. In hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 20ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 20ter. Beroepsprocedure.
Behalve als artikel 20bis, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van twee weken om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van 14 kalenderdagen - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en of de reden waarom de klager niet werd aangesteld, geleverd is.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar. ".
" Art. 20ter. Beroepsprocedure.
Behalve als artikel 20bis, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van twee weken om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van 14 kalenderdagen - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en of de reden waarom de klager niet werd aangesteld, geleverd is.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar. ".
Art. 63. Dans le chapitre III, section 2, sous-section 1, du même décret, il est inséré un article 20ter, libellé comme suit :
" Art. 20ter. Procédure de recours.
Sauf en cas d'application de l'article 20bis, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas à un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Après réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées ou qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées et qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire. "
" Art. 20ter. Procédure de recours.
Sauf en cas d'application de l'article 20bis, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas à un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Après réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées ou qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées et qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire. "
Art. 64. Artikel 22 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
1° lid 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° hij vervult de voorwaarden bepaald in artikel 33, lid 1, 5°. "
2° In lid 1, 3°, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
3° Lid 2 wordt vervangen als volgt :
" Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
1° lid 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° hij vervult de voorwaarden bepaald in artikel 33, lid 1, 5°. "
2° In lid 1, 3°, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
3° Lid 2 wordt vervangen als volgt :
" Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
Art. 64. L'article 22 du même décret, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est modifié comme suit :
1° l'alinéa 1er, 2°, est remplacé comme suit :
" 2° il remplit la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5° ";
2° Dans l'alinéa 1er, 3°, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ";
3° L'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Un candidat qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, qui sont pris en compte pour le calcul de la priorité, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat. "
1° l'alinéa 1er, 2°, est remplacé comme suit :
" 2° il remplit la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5° ";
2° Dans l'alinéa 1er, 3°, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ";
3° L'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Un candidat qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, qui sont pris en compte pour le calcul de la priorité, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat. "
Art. 65. Artikel 36, lid 3, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 65. L'article 36, alinéa 3, du même décret est abroge.
Art. 66. Artikel 37, lid 1, 1°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 20bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
In punt 8° van hetzelfde lid, gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2006 wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
In hetzelfde artikel wordt een tweede lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Als een vastbenoemd personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 20bis, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
In punt 8° van hetzelfde lid, gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2006 wordt de passus " Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
In hetzelfde artikel wordt een tweede lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Als een vastbenoemd personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt. "
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 66. L'article 37, alinéa 1er, 1°, du même décret, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément a la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 20bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Dans le point 8° du même alinéa, modifié par le décret su 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Dans le même article, il est inséré un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" Un candidat nommé a titre définitif qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 8°, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction il souhaite être nommé. "
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément a la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 20bis, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Dans le point 8° du même alinéa, modifié par le décret su 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité, la protection de la maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Dans le même article, il est inséré un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" Un candidat nommé a titre définitif qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 8°, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction il souhaite être nommé. "
Le même article est complété par un quatrième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 67. In hoofdstuk III, afdeling 3, van hetzelfde decreet wordt een artikel 37bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 37bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
" Art. 37bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
Art. 67. Dans le chapitre III, section 3, du même décret, il est inséré un article 37bis, libellé comme suit :
" Art. 37bis. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
" Art. 37bis. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
Art. 68. In artikel 48, § 1, lid 1, 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 april 2008, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 68. Dans l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 2°, du même décret, modifié par le décret du 21 avril 2008, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 69. In artikel 62 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid ingevoegd, luidend als volgt :
" De overeenkomstig artikel 69 geleverde diensten worden geacht te zijn gepresteerd in het gesubsidieerd officieel onderwijs in de zin van lid 1, 1°. "
" De overeenkomstig artikel 69 geleverde diensten worden geacht te zijn gepresteerd in het gesubsidieerd officieel onderwijs in de zin van lid 1, 1°. "
Art. 69. L'article 62 du même décret est complété par un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" Les services prestés conformément à l'article 69, sont censés avoir été prestés dans l'enseignement officiel subventionné au sens de l'alinéa 1er, 1°. "
" Les services prestés conformément à l'article 69, sont censés avoir été prestés dans l'enseignement officiel subventionné au sens de l'alinéa 1er, 1°. "
Art. 70. In artikel 28, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2006 en in artikel 67, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
Art. 70. Dans l'article 28, § 3, du même décret, modifié par le décret du 26 juin 2006, et dans l'article 67, § 1er, du même décret, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ".
Art. 71. Artikel 69, § 1, lid 2, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De diensten gepresteerd vóór de overneming door de in het eerste lid vermelde personeelsleden en de diensten gepresteerd door de personeelsleden die op 30 juni van het schooljaar eindigend in het kalenderjaar van de overneming, sinds ten minste drie maanden zijn aangesteld bij de overdragende inrichtende macht in de betrokken onderwijsinrichting worden bij de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen, alsof ze gepresteerd zouden zijn in de overnemende inrichtende macht ".
" De diensten gepresteerd vóór de overneming door de in het eerste lid vermelde personeelsleden en de diensten gepresteerd door de personeelsleden die op 30 juni van het schooljaar eindigend in het kalenderjaar van de overneming, sinds ten minste drie maanden zijn aangesteld bij de overdragende inrichtende macht in de betrokken onderwijsinrichting worden bij de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen, alsof ze gepresteerd zouden zijn in de overnemende inrichtende macht ".
Art. 71. L'article 69, § 1er, alinéa 2, du même décret, est remplacé par ce qui suit :
" En ce qui concerne le calcul de l'ancienneté, les services prestés avant la reprise par les membres du personnel visés au premier alinéa ainsi que ceux prestés par les membres du personnel qui, au 30 juin de l'année scolaire où finit l'année calendrier au cours de laquelle la reprise intervient, sont désignés depuis au moins trois mois auprès du pouvoir organisateur cédant dans l'établissement en question sont pris en compte comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur. "
" En ce qui concerne le calcul de l'ancienneté, les services prestés avant la reprise par les membres du personnel visés au premier alinéa ainsi que ceux prestés par les membres du personnel qui, au 30 juin de l'année scolaire où finit l'année calendrier au cours de laquelle la reprise intervient, sont désignés depuis au moins trois mois auprès du pouvoir organisateur cédant dans l'établissement en question sont pris en compte comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur. "
Art. 72. Artikel 77, lid 1, 1°, littera a), van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 20, § 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 37, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; ".
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 20, § 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 37, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; ".
Art. 72. L'article 77, alinéa 1er, 1°, littera a), du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" a) une des conditions énoncées à l'article 20, § 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 37, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommes à titre définitif; ".
" a) une des conditions énoncées à l'article 20, § 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 37, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommes à titre définitif; ".
Art. 73. In hoofdstuk XIV van hetzelfde decreet wordt een artikel 111bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 111bis. Overgangsregeling.
Afwijkingen inzake diploma die personeelsleden in de schooljaren 2006-2007 en/of 2007-2008 krachtens de toen geldige afwijkingsbepalingen werden verleend, worden als afwijkingen in de zin van artikel 20bis beschouwd. De betrokken personeelsleden hoeven niet het in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs te verkrijgen. "
" Art. 111bis. Overgangsregeling.
Afwijkingen inzake diploma die personeelsleden in de schooljaren 2006-2007 en/of 2007-2008 krachtens de toen geldige afwijkingsbepalingen werden verleend, worden als afwijkingen in de zin van artikel 20bis beschouwd. De betrokken personeelsleden hoeven niet het in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs te verkrijgen. "
Art. 73. Dans le chapitre XIV du même décret, il est inséré un article 111bis, libelle comme suit :
" Art. 111bis. Régime transitoire.
Les dérogations de diplôme accordées aux membres du personnel au cours des années scolaires 2006-2007 et/ou 2007-2008 sur la base des dispositions dérogatoires alors en vigueur sont considérées comme des dérogations accordées conformément à l'article 20bis. Les membres du personnel ne doivent pas obtenir le titre pédagogique mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°. "
" Art. 111bis. Régime transitoire.
Les dérogations de diplôme accordées aux membres du personnel au cours des années scolaires 2006-2007 et/ou 2007-2008 sur la base des dispositions dérogatoires alors en vigueur sont considérées comme des dérogations accordées conformément à l'article 20bis. Les membres du personnel ne doivent pas obtenir le titre pédagogique mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°. "
HOOFDSTUK XIX. - Wijziging van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
CHAPITRE XIX. - Modification du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
Art. 74. Artikel 25, § 2, van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. Om de in § 1 vermelde afwijking te kunnen genieten, zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangesteld. "
" § 2. Om de in § 1 vermelde afwijking te kunnen genieten, zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangesteld. "
Art. 74. L'article 25, § 2, du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Pour pouvoir bénéficier de la dérogation prévue au § 1er, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être engagé n'a été trouvé. "
" § 2. Pour pouvoir bénéficier de la dérogation prévue au § 1er, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être engagé n'a été trouvé. "
HOOFDSTUK XX. - Wijziging van het decreet van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool.
CHAPITRE XX. - Modification du décret du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome.
Art. 75. Artikel 5.15, § 1, lid 1, 1°, van het decreet van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 5.18, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Hetzelfde paragraaf wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 5.18, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Hetzelfde paragraaf wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 75. L'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome, remplace par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 5.18, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Le même paragraphe est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 5.18, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels à l'approbation du Parlement. "
Le même paragraphe est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 76. In artikel 5.17, lid 1, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt de passus " Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof " vervangen door de passus " Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte ".
Art. 76. Dans l'article 5.17, alinéa 1er, 2°, du même décret, remplacé par le décret du 26 juin 2006, les mots " Le congé de maternité et le congé prophylactique " sont remplacés par les mots " Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle ".
Art. 77. Artikel 5.18 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 5.18. Afwijkingsbepaling.
In afwijking van artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, kan de inrichtende macht tussen een kandidaat die bij zijn laatste beoordelingsstaat resp. beide laatste evaluatieverslagen de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen, en een andere kandidaat kiezen, ongeacht deze houder is of niet van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht. in afwijking van artikel 5.15. een kandidaat tijdelijk aanstellen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd lid 1, mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangewezen, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangewezen. "
" Art. 5.18. Afwijkingsbepaling.
In afwijking van artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, kan de inrichtende macht tussen een kandidaat die bij zijn laatste beoordelingsstaat resp. beide laatste evaluatieverslagen de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen, en een andere kandidaat kiezen, ongeacht deze houder is of niet van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht. in afwijking van artikel 5.15. een kandidaat tijdelijk aanstellen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd lid 1, mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangewezen, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangewezen. "
Art. 77. L'article 5.18 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5.18. Disposition dérogatoire.
Par dérogation à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut choisir entre un candidat qui a obtenu la mention " insuffisant " lors du dernier signalement ou lors des deux dernières évaluations et un autre candidat, que ce dernier soit porteur ou non du titre requis.
Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 5.15, engager à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1erer, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est désigné conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être désigné n'a été trouvé. "
" Art. 5.18. Disposition dérogatoire.
Par dérogation à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut choisir entre un candidat qui a obtenu la mention " insuffisant " lors du dernier signalement ou lors des deux dernières évaluations et un autre candidat, que ce dernier soit porteur ou non du titre requis.
Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 5.15, engager à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1erer, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est désigné conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être désigné n'a été trouvé. "
Art. 78. In titel V, ondertitel 3, hoofdstuk 2, afdeling 2, van hetzelfde decreet wordt een artikel 5.18bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 5.18bis. Beroepsprocedure.
Behalve als artikel 5.18, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van 14 kalenderdagen - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en of de reden waarom de klager niet werd aangesteld, geleverd is.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar. "
" Art. 5.18bis. Beroepsprocedure.
Behalve als artikel 5.18, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van 14 kalenderdagen - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en of de reden waarom de klager niet werd aangesteld, geleverd is.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 5.15, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar. "
Art. 78. Dans le titre V, sous-titre 3, chapitre 2, section 2, du même décret, il est inséré un article 5.18bis, libellé comme suit :
" Art. 5.18bis. Procédure de recours.
Sauf en cas d'application de l'article 5.18, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas à un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Apres réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées ou qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées et qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas les conditions mentionnées à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1erer, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire. "
" Art. 5.18bis. Procédure de recours.
Sauf en cas d'application de l'article 5.18, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas à un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Apres réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées ou qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées et qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas les conditions mentionnées à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1erer, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire. "
Art. 79. Artikel 5.22 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 26 juni 2006 en 21 april 2008, wordt gewijzigd als volgt :
1° in § 2, lid 1, wordt het woord " voldoende " vervangen door de woorden " "niet tevredenstellend", "voldoende" "
2° § 2 wordt met een vijfde lid aangevuld, luidende :
" Het model van de beoordelingsstaat wordt door de Regering vastgelegd. "
3° In § 3 worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
4° In § 4, lid 1, worden de woorden " of "voldoende" " vervangen door de woorden ", "niet tevredenstellend" of "voldoende" ".
1° in § 2, lid 1, wordt het woord " voldoende " vervangen door de woorden " "niet tevredenstellend", "voldoende" "
2° § 2 wordt met een vijfde lid aangevuld, luidende :
" Het model van de beoordelingsstaat wordt door de Regering vastgelegd. "
3° In § 3 worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
4° In § 4, lid 1, worden de woorden " of "voldoende" " vervangen door de woorden ", "niet tevredenstellend" of "voldoende" ".
Art. 79. L'article 5.22 du même décret, modifié par les décrets des 26 juin 2006 et 21 avril 2008, est modifié comme suit :
1° Dans le § 2, alinéa 1erer, le mot " satisfaisant " est remplacé par les mots " "suffisant", "insatisfaisant" ";
2° Le § 2 est complété par un cinquième alinéa, libellé comme suit :
" Le modèle du bulletin de signalement est fixé par le Gouvernement. ";
3° Dans le § 3, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ";
4° Dans le § 4, alinéa 1erer, les mots " ou "satisfaisant" " sont remplacés par les mots " "insatisfaisant" ou "suffisant" ".
1° Dans le § 2, alinéa 1erer, le mot " satisfaisant " est remplacé par les mots " "suffisant", "insatisfaisant" ";
2° Le § 2 est complété par un cinquième alinéa, libellé comme suit :
" Le modèle du bulletin de signalement est fixé par le Gouvernement. ";
3° Dans le § 3, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ";
4° Dans le § 4, alinéa 1erer, les mots " ou "satisfaisant" " sont remplacés par les mots " "insatisfaisant" ou "suffisant" ".
Art. 80. Artikel 5.31, lid 1, 1°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 26 juni 2006, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 5.18, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
" 1° één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben; ".
Punt 5° van hetzelfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking bepaald in artikel 5.18, leden 2 en 3, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) er zijn niet meer dan vijf schooljaren tussen de eerste en de derde afwijking;
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) als het gaat om een lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel, moet het houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs toegekend op basis van een opleiding waarvan de Regering de belangrijkste elementen aan de goedkeuring van het Parlement voorlegt. "
Hetzelfde artikel wordt met een derde lid aangevuld, luidend als volgt :
" Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ".
Art. 80. L'article 5.31, alinéa 1er, 1°, du même décret, remplacé par le décret du 26 juin 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 5.18, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels a l'approbation du Parlement. "
Le même article est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
" 1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980; ".
Le point 5° du même alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" 5° être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation prévue à l'article 5.18, alinéas 2 et 3, les conditions suivantes étant remplies :
a) il n'y a pas plus de 5 années scolaires entre la première et la troisième dérogation;
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, celui-ci doit disposer d'un titre pédagogique délivré sur la base d'une formation dont le Gouvernement soumet les éléments essentiels a l'approbation du Parlement. "
Le même article est complété par un troisième alinéa, libellé comme suit :
" L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts. "
Art. 81. In titel V, ondertitel 3, hoofdstuk 3, van hetzelfde decreet wordt een artikel 5.31bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 5.31bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
" Art. 5.31bis. Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd. "
Art. 81. Dans le titre V, sous-titre 3, chapitre 3, du même décret, il est inséré un article 5.31bis, libellé comme suit :
" Art. 5.31bis. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
" Art. 5.31bis. Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet. "
Art. 82. In artikel 5.38, § 1, lid 1, 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 april 2008, wordt de passus " het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij " vervangen door " het voorbehoedend verlof, tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden ".
Art. 82. Dans l'article 5.38, § 1er, alinéa 1erer, 2°, du même décret, modifié par le décret du 21 avril 2008, les mots " le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, " sont remplacés par les mots " le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ".
Art. 83. Artikel 5.51, lid 1, 1°, littera a), van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 5.15, § 1, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 5.31, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; "
" a) één van de voorwaarden vermeld in artikel 5.15, § 1, lid 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 5.31, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden; "
Art. 83. L'article 5.51, alinéa 1erer, 1°, littera a), du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" a) une des conditions énoncées à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1erer, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 5.31, alinéa 1erer, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
" a) une des conditions énoncées à l'article 5.15, § 1er, alinéa 1erer, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 5.31, alinéa 1erer, 1°, pour les membres du personnel nommés à titre définitif; ".
Art. 84. In de artikelen 5.41, § 1, 5.88, § 2, en 5.102, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden " in tweevoud " en " beide exemplaren " vervangen door " in drievoud " resp. " de drie exemplaren ".
Art. 84. Dans les articles 5.41, § 1, 5.88, § 2, et 5.102, § 2, du même décret, le mot " double " est remplacé par " triple " et le mot " deux " par " trois ".
Art. 85. In de artikelen 5.88, § 1, lid 3, en 5.102, § 1, lid 3, van hetzelfde decreet worden de woorden " niet tevredenstellend, " ingevoegd tussen de woorden " "onvoldoende", " en " "voldoende" ".
Art. 85. Dans les articles 5.88, § 1er, alinéa 3, et 5.102, § 1er, alinéa 3, du même décret, le mot " satisfaisant " est remplacé par les mots " insatisfaisant, suffisant ".
HOOFDSTUK XXI. - Wijziging van het decreet van 6 juni 2005 houdende maatregelen inzake onderwijs - 2005.
CHAPITRE XXI. - Modification du décret du 6 juin 2005 portant des mesures en matière d'enseignement - 2005.
Art. 86. In artikel 33 van het decreet van 6 juni 2005 houdende maatregelen inzake onderwijs - 2005 wordt een derde lid ingevoegd, luidende :
" In afwijking van lid 2 kan het verlof eveneens voor een kortere termijn dan één maand worden toegekend, waarbij deze termijn als volledige maand wordt beschouwd om de ter beschikking staande drie maanden te bepalen. "
" In afwijking van lid 2 kan het verlof eveneens voor een kortere termijn dan één maand worden toegekend, waarbij deze termijn als volledige maand wordt beschouwd om de ter beschikking staande drie maanden te bepalen. "
Art. 86. Dans l'article 33 du décret du 6 juin 2005 portant des mesures en matière d'enseignement - 2005, l'alinéa suivant est inséré après l'alinéa 2 :
" Par dérogation au deuxième alinéa, le congé peut également être accordé pour une période inférieure à un mois, cette période étant considérée comme un mois entier pour fixer les trois mois disponibles ".
" Par dérogation au deuxième alinéa, le congé peut également être accordé pour une période inférieure à un mois, cette période étant considérée comme un mois entier pour fixer les trois mois disponibles ".
HOOFDSTUK XXII. - Wijziging van het decreet van 25 juni 2007 houdende maatregelen inzake onderwijs 2007.
CHAPITRE XXII. - Modification du décret du 25 juin 2007 portant des mesures en matière d'enseignement - 2007.
Art. 87. In het decreet van 25 juni 2007 houdende maatregelen inzake onderwijs 2007 wordt een hoofdstuk XXXbis ingevoegd dat artikel 85bis bevat, luidende :
" HOOFDSTUK XXXbis. - Beperking van de vaste benoemingen bij de muziekacademie van de Duitstalige Gemeenschap.
Art. 85bis. Voorliggend hoofdstuk is van toepassing op de muziekacademie van de Duitstalige Gemeenschap.
Het percentage aan vaste benoemingen bij de muziekacademie mag in het schooljaar 2008-2009 ten hoogste 85 % van het betrekkingenpakket uitmaken. "
" HOOFDSTUK XXXbis. - Beperking van de vaste benoemingen bij de muziekacademie van de Duitstalige Gemeenschap.
Art. 85bis. Voorliggend hoofdstuk is van toepassing op de muziekacademie van de Duitstalige Gemeenschap.
Het percentage aan vaste benoemingen bij de muziekacademie mag in het schooljaar 2008-2009 ten hoogste 85 % van het betrekkingenpakket uitmaken. "
Art. 87. Dans le décret du 25 juin 2007 portant des mesures en matière d'enseignement - 2007, il est inséré un chapitre XXXbis, contenant l'article 85bis, libellé comme suit :
" CHAPITRE XXXbis. - Limitation des nominations à titre définitif auprès de l'académie de musique de la Communauté germanophone.
Art. 85bis. Le présent chapitre s'applique à l'académie de musique de la Communauté germanophone.
Pour l'année scolaire 2008-2009, le pourcentage de nominations à titre définitif auprès de l'académie de la Communauté germanophone peut représenter au plus 85 % du capital périodes. "
" CHAPITRE XXXbis. - Limitation des nominations à titre définitif auprès de l'académie de musique de la Communauté germanophone.
Art. 85bis. Le présent chapitre s'applique à l'académie de musique de la Communauté germanophone.
Pour l'année scolaire 2008-2009, le pourcentage de nominations à titre définitif auprès de l'académie de la Communauté germanophone peut représenter au plus 85 % du capital périodes. "
HOOFDSTUK XXIII. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE XXIII. - Dispositions abrogatoires.
Art. 88. Artikel 16, § 1, A, a), laatste lid van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 6 juni 2005, wordt opgeheven.
Art. 88. L'article 16, § 1, A, a), dernier alinéa, de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, inséré par le décret du 6 juin 2005, est abrogé.
Art. 89. In artikel 3, § 2, van de wet van 1 april 1960 betreffende de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de psycho-medisch-sociale centra, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986, worden beide laatste leden opgeheven.
In artikel 4, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986 worden beide laatste leden opgeheven.
In artikel 4, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986 worden beide laatste leden opgeheven.
Art. 89. Dans l'article 3, § 2, de la loi du 1er avril 1960 sur les offices d'orientation scolaire et professionnelle et les centres psycho-médico-sociaux, modifié par l'arrête royal n° 467 du 1er octobre 1986, les deux derniers alinéas sont abrogés.
Dans l'article 4, § 2, de la même loi, modifié par l'arrêté royal n° 467 du 1er octobre 1986, les deux derniers alinéas sont abrogés.
Dans l'article 4, § 2, de la même loi, modifié par l'arrêté royal n° 467 du 1er octobre 1986, les deux derniers alinéas sont abrogés.
Art. 90. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 maart 1967 tot vaststelling van de bevoegdheidsbewijzen die voldoende geacht werden voor de leden van het personeel der vrije inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs wordt opgeheven.
Art. 90. L'article 3 de l'arrêté royal du 17 mars 1967 fixant les titres de capacité jugés suffisants pour les membres du personnel des établissements libres d'enseignement moyen et normal est abrogé.
Art. 91. Het koninklijk besluit van 31 juli 1969 tot vaststelling van de regels betreffende de samenstelling van de bevorderingscommissies bedoeld in het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 juni 1972, wordt opgeheven.
Art. 91. L'arrêté royal du 31 juillet 1969 déterminant les règles selon lesquelles est fixée la composition des jurys de promotion prévus par l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, modifié par l'arrêté royal du 28 juin 1972, est abrogé.
Art. 92. De artikelen 2, § 2, en 5 van het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs, artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 juni 1985 en bij het decreet van 17 mei 2004, alsmede artikel 11, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit, worden opgeheven.
Art. 92. Les articles 2, § 2, et 5 de l'arrêté royal du 20 juin 1975 relatif aux titres suffisants dans l'enseignement gardien et primaire, l'article 6 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 14 juin 1985 et par le décret du 17 mai 2004, ainsi que l'article 11, alinéa 2, du même arrêté royal, sont abrogés.
Art. 93. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar, artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 1976 en bij de besluiten van de Regering van 6 februari 1991 en 21 mei 1996, alsmede artikel 11, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit, worden opgeheven.
Art. 93. L'article 5 de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements libres d'enseignement moyen ou d'enseignement normal subventionnés, y compris l'année postsecondaire psychopédagogique, l'article 6 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 17 septembre 1976 et les arrêtés du Gouvernement des 6 février 1991 et 21 mai 1996, ainsi que l'article 11, alinéa 2, du même arrêté royal sont abrogés.
Art. 94. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 1976 en bij het besluit van de Regering van 6 februari 1991, alsmede artikel 11, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit, worden opgeheven.
Art. 94. L'article 5 de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements d'enseignement moyen ou d'enseignement normal officiels subventionnés, l'article 6 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 17 septembre 1976 et par l'arrêté du Gouvernement du 6 février 1991, ainsi que l'article 11, alinéa 2, du même arrêté royal sont abrogés.
Art. 95. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 1976 en bij het besluit van de Regering van 6 februari 1991, alsmede artikel 11, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit, worden opgeheven.
Art. 95. L'article 5 de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements subventionnés d'enseignement technique et d'enseignement professionnel secondaire de plein exercice et de promotion sociale, l'article 6 du même arrêté royal, modifié par arrêté royal du 17 septembre 1976 et par l'arrêté du Gouvernement des 6 février 1991 ainsi que l'article 11, alinéa 2, du même arrêté royal, sont abrogés.
Art. 96. Het ministerieel besluit van 6 november 2006 houdende benoeming van de leden van de commissie belast met het uitbrengen van adviezen inzake de werving van houders van voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen andere dan die van groep A wordt opgeheven.
Art. 96. L'arrêté ministériel du 6 novembre 2006 portant nomination des membres de la commission chargée de donner des avis à propos du recrutement de porteurs de titres jugés suffisants autres que ceux du groupe A est abrogé.
HOOFDSTUK XXIV. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE XXIV. - Entrée en vigueur.
Art. 98. Artikel 88 heeft uitwerking op 1 september 2004.
Artikel 43 heeft uitwerking op 1 september 2005.
De artikelen 17, 18, 25, 38, 54, 55, 70, 79, 84 en 85 hebben uitwerking op 1 september 2007.
De artikelen 2, 3, 4, 6, leden 1, 2 en 4, de artikelen 16, 19, 20, 22, leden 1, 2 en 4, de artikelen 27, 28, 29, 30, 31, 33, 35, leden 1, 2 en 4, de artikelen 41, 42, 46, 47, 48, 49, 1° en 3°, artikel 50, leden 1, 2 en 5, de artikelen 53, 56, 57, 59, 61, 62, 63, 64, 1° en 3°, artikel 66, leden 1, 2 en 5, alsmede de artikelen 72, 73, 74, 75, 77, 78, 80, 83, 90, 92, 93, 94, 95 en 96 hebben uitwerking op 1 april 2008.
Artikel 86 heeft uitwerking op 1 januari 2008.
De artikelen 7, 23, 36, 51, 67 en 81 hebben uitwerking op 1 mei 2008.
De artikelen 11, 13, 60, 69 en 71 hebben uitwerking op 1 juni 2008.
De artikelen 45 en [1 58]1 treden in werking op 1 juli 2008.
De artikelen 5 en 6, lid 3, de artikelen 8, 9, 10, 12, 14, 15, 21 en 22, lid 3, de artikelen 24, 26, 32, 34 en 35, lid 3, de artikelen 37, 39, 40, 44 en 49, 2°, artikel 50, lid 3, de artikelen 52 en 64, 2°, artikel 66, lid 3, de artikelen 68, 76, 82, 87, 89 en 91 alsmede artikel 97 treden in werking op 1 september 2008.
De artikelen 50, lid 3, 65 en 66, lid 4, treden in werking op 1 januari 2009.
Artikel 1 treedt in werking op 1 september 2009.
Artikel 43 heeft uitwerking op 1 september 2005.
De artikelen 17, 18, 25, 38, 54, 55, 70, 79, 84 en 85 hebben uitwerking op 1 september 2007.
De artikelen 2, 3, 4, 6, leden 1, 2 en 4, de artikelen 16, 19, 20, 22, leden 1, 2 en 4, de artikelen 27, 28, 29, 30, 31, 33, 35, leden 1, 2 en 4, de artikelen 41, 42, 46, 47, 48, 49, 1° en 3°, artikel 50, leden 1, 2 en 5, de artikelen 53, 56, 57, 59, 61, 62, 63, 64, 1° en 3°, artikel 66, leden 1, 2 en 5, alsmede de artikelen 72, 73, 74, 75, 77, 78, 80, 83, 90, 92, 93, 94, 95 en 96 hebben uitwerking op 1 april 2008.
Artikel 86 heeft uitwerking op 1 januari 2008.
De artikelen 7, 23, 36, 51, 67 en 81 hebben uitwerking op 1 mei 2008.
De artikelen 11, 13, 60, 69 en 71 hebben uitwerking op 1 juni 2008.
De artikelen 45 en [1 58]1 treden in werking op 1 juli 2008.
De artikelen 5 en 6, lid 3, de artikelen 8, 9, 10, 12, 14, 15, 21 en 22, lid 3, de artikelen 24, 26, 32, 34 en 35, lid 3, de artikelen 37, 39, 40, 44 en 49, 2°, artikel 50, lid 3, de artikelen 52 en 64, 2°, artikel 66, lid 3, de artikelen 68, 76, 82, 87, 89 en 91 alsmede artikel 97 treden in werking op 1 september 2008.
De artikelen 50, lid 3, 65 en 66, lid 4, treden in werking op 1 januari 2009.
Artikel 1 treedt in werking op 1 september 2009.
Modifications
Art. 98. L'article 88 produit ses effets le 1er septembres 2004.
L'article 43 produit ses effets le 1er septembre 2005.
Les articles 17, 18, 25, 38, 54, 55, 70, 79, 84 et 85 produisent leurs effets le 1er septembre 2007.
Les articles 2, 3, 4, 6, alinéas 1er, 2 et 4, les articles 16, 19, 20, 22, alinéas 1er, 2 et 4, les articles 27, 28, 29, 30, 31, 33, 35, alinéas 1er, 2 et 4, les articles 41, 42, 46, 47, 48, 49, 1° et 3°, l'article 50, alinéas 1, 2 et 5, les articles 53, 56, 57, 59, 61, 62, 63, 64, 1° et 3, l'article 66, alinéas 1, 2 et 5, ainsi que les articles 72, 73, 74, 75, 77, 78, 80, 83, 90, 92, 93, 94, 95 et 96 produisent leurs effets le 1er avril 2008.
L'article 86 produit ses effets le 1er janvier 2008.
Les articles 7, 23, 36, 51, 67 et 81 produisent leurs effets le 1er mai 2008.
Les articles 11, 13, 60, 69 et 71 produisent leurs effets le 1er juin 2008.
Les articles 45 et [1 58]1 entrent en vigueur le 1er juillet 2008.
Les articles 5, 6, alinéa 3, 8, 9, 10, 12, 14, 15, 21, 22, alinéa 3, 24, 26, 32, 34, 35, alinéa 3, 37, 39, 40, 44, 49, 2°, 50, alinéa 3, 52, 64, 2°, 66, alinéa 3, 68, 76, 82, 87, 89, 91 et 97 entrent en vigueur le 1er septembre 2008.
Les articles 50, alinéa 3, 65 et 66, alinéa 4, entrent en vigueur le 1er janvier 2009.
L'article 1er entre en vigueur le 1er septembre 2009.
L'article 43 produit ses effets le 1er septembre 2005.
Les articles 17, 18, 25, 38, 54, 55, 70, 79, 84 et 85 produisent leurs effets le 1er septembre 2007.
Les articles 2, 3, 4, 6, alinéas 1er, 2 et 4, les articles 16, 19, 20, 22, alinéas 1er, 2 et 4, les articles 27, 28, 29, 30, 31, 33, 35, alinéas 1er, 2 et 4, les articles 41, 42, 46, 47, 48, 49, 1° et 3°, l'article 50, alinéas 1, 2 et 5, les articles 53, 56, 57, 59, 61, 62, 63, 64, 1° et 3, l'article 66, alinéas 1, 2 et 5, ainsi que les articles 72, 73, 74, 75, 77, 78, 80, 83, 90, 92, 93, 94, 95 et 96 produisent leurs effets le 1er avril 2008.
L'article 86 produit ses effets le 1er janvier 2008.
Les articles 7, 23, 36, 51, 67 et 81 produisent leurs effets le 1er mai 2008.
Les articles 11, 13, 60, 69 et 71 produisent leurs effets le 1er juin 2008.
Les articles 45 et [1 58]1 entrent en vigueur le 1er juillet 2008.
Les articles 5, 6, alinéa 3, 8, 9, 10, 12, 14, 15, 21, 22, alinéa 3, 24, 26, 32, 34, 35, alinéa 3, 37, 39, 40, 44, 49, 2°, 50, alinéa 3, 52, 64, 2°, 66, alinéa 3, 68, 76, 82, 87, 89, 91 et 97 entrent en vigueur le 1er septembre 2008.
Les articles 50, alinéa 3, 65 et 66, alinéa 4, entrent en vigueur le 1er janvier 2009.
L'article 1er entre en vigueur le 1er septembre 2009.
Modifications
Wij kondigen dit decreet af en bevelen dat het door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.
Eupen, 23 juni 2008.
K.-H. LAMBERTZ,
Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
Minister van Lokale Besturen
B. GENTGES,
Vice-Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
Minister van Vorming en Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme
O. PAASCH,
Minister van Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
I. WEYKMANS,
Minister van Cultuur en Media, Monumentenzorg, Jeugd en Sport
Eupen, 23 juni 2008.
K.-H. LAMBERTZ,
Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
Minister van Lokale Besturen
B. GENTGES,
Vice-Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
Minister van Vorming en Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme
O. PAASCH,
Minister van Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
I. WEYKMANS,
Minister van Cultuur en Media, Monumentenzorg, Jeugd en Sport
Promulguons le présent décret et ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Eupen, le 23 juin 2008.
K.-H. LAMBERTZ,
Ministre-Président du Gouvernement de la Communauté germanophone,
Ministre des Pouvoirs locaux
B. GENTGES,
Vice-Ministre-Président du Gouvernement de la Communauté germanophone,
Ministre de la Formation et de l'Emploi, des Affaires sociales et du Tourisme
O. PAASCH,
Ministre de l'Enseignement et de la Recherche scientifique
I. WEYKMANS,
Ministre de la Culture et des Médias, de la Protection des Monuments, de la Jeunesse et des Sports
Eupen, le 23 juin 2008.
K.-H. LAMBERTZ,
Ministre-Président du Gouvernement de la Communauté germanophone,
Ministre des Pouvoirs locaux
B. GENTGES,
Vice-Ministre-Président du Gouvernement de la Communauté germanophone,
Ministre de la Formation et de l'Emploi, des Affaires sociales et du Tourisme
O. PAASCH,
Ministre de l'Enseignement et de la Recherche scientifique
I. WEYKMANS,
Ministre de la Culture et des Médias, de la Protection des Monuments, de la Jeunesse et des Sports