Artikel 1. Artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt, wordt aangevuld met de volgende zin :
" Een lestijd van 50 minuten wordt gelijkgesteld met een uur. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt.
Titre
19 SEPTEMBRE 2008. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 10 août 2005 fixant les conditions auxquelles les allocations familiales sont accordées en faveur de l'enfant qui suit des cours ou poursuit sa formation.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (10)
Texte (10)
Article 1. L'article 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 10 août 2005 fixant les conditions auxquelles les allocations familiales sont accordées en faveur de l'enfant qui suit des cours ou poursuit sa formation, est complété par la phrase suivante :
" Une période de cours de 50 minutes est assimilée à une heure. "
" Une période de cours de 50 minutes est assimilée à une heure. "
Art. 2. In de Nederlandstalige versie van artikel 2, enig lid, inleidende zin, van hetzelfde besluit wordt het woord " lesuren " vervangen door de woorden " uren les ".
Art. 2. Dans la version néerlandaise de l'article 2, alinéa unique, phrase liminaire, du même arrêté, le mot " lesuren " est remplacé par les mots " uren les ".
Art. 3. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" De lessen en de daarmee gelijkgestelde activiteiten, bedoeld in artikel 2, moeten regelmatig gevolgd worden. ";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden " de lessen " vervangen door de woorden " deze lessen en activiteiten ".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" De lessen en de daarmee gelijkgestelde activiteiten, bedoeld in artikel 2, moeten regelmatig gevolgd worden. ";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden " de lessen " vervangen door de woorden " deze lessen en activiteiten ".
Art. 3. A l'article 5 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Les cours et les activités assimilées, visées à l'article 2, doivent être suivis régulièrement. ";
2° dans l'alinéa 2, phrase liminaire, les mots " des cours " sont remplacés par les mots " de ces cours et du suivi de ces activités ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Les cours et les activités assimilées, visées à l'article 2, doivent être suivis régulièrement. ";
2° dans l'alinéa 2, phrase liminaire, les mots " des cours " sont remplacés par les mots " de ces cours et du suivi de ces activités ".
Art. 4. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. Het recht op kinderbijslag blijft echter behouden voor de laatstejaarsstudenten die nog de mogelijkheid krijgen om na de tweede zittijd en zonder nieuwe inschrijving bepaalde studieactiviteiten die vereist zijn voor het behalen van het diploma af te werken, en dit onder de volgende voorwaarden :
- de student moet een studieprogramma van minstens 41 studiepunten hebben afgewerkt tijdens het voorbije academiejaar;
- het recht eindigt wanneer alle studieactiviteiten voor het behalen van het diploma afgewerkt zijn, en ten laatste op 31 januari van het volgende academiejaar. "
" § 3. Het recht op kinderbijslag blijft echter behouden voor de laatstejaarsstudenten die nog de mogelijkheid krijgen om na de tweede zittijd en zonder nieuwe inschrijving bepaalde studieactiviteiten die vereist zijn voor het behalen van het diploma af te werken, en dit onder de volgende voorwaarden :
- de student moet een studieprogramma van minstens 41 studiepunten hebben afgewerkt tijdens het voorbije academiejaar;
- het recht eindigt wanneer alle studieactiviteiten voor het behalen van het diploma afgewerkt zijn, en ten laatste op 31 januari van het volgende academiejaar. "
Art. 4. L'article 9 du même arrêté est complété par le paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. Toutefois, le droit aux allocations familiales reste acquis aux étudiants de dernière année auxquels est encore offerte la possibilité d'achever, après la deuxième session et sans nouvelle inscription, certaines activités d'études requises pour l'obtention du diplôme, et ce, aux conditions suivantes :
- l'étudiant doit avoir achevé un programme d'études de 41 crédits au moins durant l'année académique écoulée;
- le droit prend fin lorsque toutes les activités d'études pour l'obtention du diplôme sont achevées, et au plus tard le 31 janvier de l'année académique suivante. "
" § 3. Toutefois, le droit aux allocations familiales reste acquis aux étudiants de dernière année auxquels est encore offerte la possibilité d'achever, après la deuxième session et sans nouvelle inscription, certaines activités d'études requises pour l'obtention du diplôme, et ce, aux conditions suivantes :
- l'étudiant doit avoir achevé un programme d'études de 41 crédits au moins durant l'année académique écoulée;
- le droit prend fin lorsque toutes les activités d'études pour l'obtention du diplôme sont achevées, et au plus tard le 31 janvier de l'année académique suivante. "
Art. 5. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 11. De kinderbijslag blijft behouden tijdens de periode tussen twee opeenvolgende academiejaren.
De kinderbijslag blijft eveneens behouden gedurende de periode die het academisch jaar in de loop waarvan de student een studieprogramma van minstens 41 studiepunten heeft afgewerkt, bedoeld in artikel 9, § 3, scheidt van de periode die nodig is voor het afwerken van de studieactiviteiten in de zin van hetzelfde artikel.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid mag de tijd tussen de twee periodes echter niet langer zijn dan 120 kalenderdagen. "
" Art. 11. De kinderbijslag blijft behouden tijdens de periode tussen twee opeenvolgende academiejaren.
De kinderbijslag blijft eveneens behouden gedurende de periode die het academisch jaar in de loop waarvan de student een studieprogramma van minstens 41 studiepunten heeft afgewerkt, bedoeld in artikel 9, § 3, scheidt van de periode die nodig is voor het afwerken van de studieactiviteiten in de zin van hetzelfde artikel.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid mag de tijd tussen de twee periodes echter niet langer zijn dan 120 kalenderdagen. "
Art. 5. L'article 11 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 11. L'octroi des allocations familiales est maintenu pendant la période qui sépare deux années académiques consécutives.
L'octroi des allocations familiales est également maintenu durant la période qui sépare l'année académique au cours de laquelle l'étudiant a achevé un programme d'études de 41 crédits au moins visée à l'article 9, § 3, et la période nécessaire à l'achèvement des activités d'études, au sens du même article.
Pour l'application des alinéas 1er et 2, l'intervalle entre deux périodes ne peut toutefois dépasser cent vingt jours civils. "
" Art. 11. L'octroi des allocations familiales est maintenu pendant la période qui sépare deux années académiques consécutives.
L'octroi des allocations familiales est également maintenu durant la période qui sépare l'année académique au cours de laquelle l'étudiant a achevé un programme d'études de 41 crédits au moins visée à l'article 9, § 3, et la période nécessaire à l'achèvement des activités d'études, au sens du même article.
Pour l'application des alinéas 1er et 2, l'intervalle entre deux périodes ne peut toutefois dépasser cent vingt jours civils. "
Art. 6. Artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 13. § 1. De winstgevende activiteit van het kind leidt niet tot de schorsing van de toekenning van de kinderbijslag :
a) wanneer zij wordt uitgeoefend tijdens de maanden juli, augustus en september; tijdens de vakantieperiodes bedoeld in de artikelen 7 en 12 leidt de winstgevende activiteit echter niet tot de schorsing van de kinderbijslag als ze in het kalenderkwartaal waarin ze wordt uitgeoefend niet meer bedraagt dan 240 uren;
b) voor elke maand van het eerste, tweede en vierde kalenderkwartaal, als zij in dat kwartaal niet meer bedraagt dan 240 uren.
Een winstgevende activiteit in de zin van dit besluit is elke activiteit uitgeoefend in het raam van een arbeidsovereenkomst of een statuut, of in de hoedanigheid van zelfstandige.
§ 2. Het ontvangen van een sociale uitkering op basis van een Belgische of buitenlandse regeling betreffende ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen of beroepsziekten leidt niet tot de schorsing van de kinderbijslag als die uitkering voortvloeit uit een toegelaten winstgevende activiteit.
Het ontvangen van een sociale uitkering op basis van een Belgische of buitenlandse werkloosheidsregeling of van een loopbaanonderbrekingsuitkering bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, leidt tot de schorsing van de toekenning van de kinderbijslag. "
" Art. 13. § 1. De winstgevende activiteit van het kind leidt niet tot de schorsing van de toekenning van de kinderbijslag :
a) wanneer zij wordt uitgeoefend tijdens de maanden juli, augustus en september; tijdens de vakantieperiodes bedoeld in de artikelen 7 en 12 leidt de winstgevende activiteit echter niet tot de schorsing van de kinderbijslag als ze in het kalenderkwartaal waarin ze wordt uitgeoefend niet meer bedraagt dan 240 uren;
b) voor elke maand van het eerste, tweede en vierde kalenderkwartaal, als zij in dat kwartaal niet meer bedraagt dan 240 uren.
Een winstgevende activiteit in de zin van dit besluit is elke activiteit uitgeoefend in het raam van een arbeidsovereenkomst of een statuut, of in de hoedanigheid van zelfstandige.
§ 2. Het ontvangen van een sociale uitkering op basis van een Belgische of buitenlandse regeling betreffende ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen of beroepsziekten leidt niet tot de schorsing van de kinderbijslag als die uitkering voortvloeit uit een toegelaten winstgevende activiteit.
Het ontvangen van een sociale uitkering op basis van een Belgische of buitenlandse werkloosheidsregeling of van een loopbaanonderbrekingsuitkering bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, leidt tot de schorsing van de toekenning van de kinderbijslag. "
Art. 6. L'article 13 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 9 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art.13. § 1er. L'activité lucrative de l'enfant n'entraîne pas la suspension de l'octroi des allocations familiales :
a) lorsqu'elle est exercée durant les mois de juillet, août et septembre; toutefois, durant les périodes de vacances visées aux articles 7 et 12, l'activité lucrative n'entraîne pas la suspension de l'octroi des allocations familiales si elle n'excède pas 240 heures durant le trimestre civil dans lequel elles s'inscrivent;
b) pour chaque mois du premier, du deuxième et du quatrième trimestre civil, si elle n'excède pas 240 heures par trimestre.
Constitue une activité lucrative au sens du présent arrêté, toute activité exercée dans le cadre d'un contrat de travail ou d'un statut, ou en tant que travailleur indépendant.
§ 2. Le bénéfice d'une prestation sociale en application d'un régime belge ou étranger relatif à la maladie, à l'invalidité, aux accidents du travail ou aux maladies professionnelles, n'entraîne pas la suspension de l'octroi des allocations familiales lorsque cette prestation découle d'une activité lucrative autorisée.
Le bénéfice d'une prestation sociale en application d'un régime belge ou étranger relatif au chômage ou d'une allocation d'interruption de carrière visée au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, entraîne la suspension de l'octroi des allocations familiales. "
" Art.13. § 1er. L'activité lucrative de l'enfant n'entraîne pas la suspension de l'octroi des allocations familiales :
a) lorsqu'elle est exercée durant les mois de juillet, août et septembre; toutefois, durant les périodes de vacances visées aux articles 7 et 12, l'activité lucrative n'entraîne pas la suspension de l'octroi des allocations familiales si elle n'excède pas 240 heures durant le trimestre civil dans lequel elles s'inscrivent;
b) pour chaque mois du premier, du deuxième et du quatrième trimestre civil, si elle n'excède pas 240 heures par trimestre.
Constitue une activité lucrative au sens du présent arrêté, toute activité exercée dans le cadre d'un contrat de travail ou d'un statut, ou en tant que travailleur indépendant.
§ 2. Le bénéfice d'une prestation sociale en application d'un régime belge ou étranger relatif à la maladie, à l'invalidité, aux accidents du travail ou aux maladies professionnelles, n'entraîne pas la suspension de l'octroi des allocations familiales lorsque cette prestation découle d'une activité lucrative autorisée.
Le bénéfice d'une prestation sociale en application d'un régime belge ou étranger relatif au chômage ou d'une allocation d'interruption de carrière visée au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, entraîne la suspension de l'octroi des allocations familiales. "
Art. 7. Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 14. In afwijking van de bepalingen van artikel 13, mogen de kinderen bedoeld in artikel 3 evenals de kinderen die een stage doorlopen bedoeld in artikel 2, 3°, geen brutobezoldiging, sociale uitkering of de twee samen ontvangen hoger dan 394,15 EUR per maand. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen. Het evolueert conform de bepalingen van artikel 76bis, §§ 1 en 3 van de eerder vermelde samengeordende wetten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt elk financieel voordeel uitgekeerd aan het kind dat een stage doorloopt nodig voor het behalen van een diploma, getuigschrift of brevet, erkend bij wet, decreet, verordening of reglement, beschouwd als een bezoldiging verkregen in het raam van een winstgevende activiteit.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het vakantiegeld betaald op basis van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers of op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in een paritair orgaan, tijdens de maanden waarin dit vakantiegeld wordt betaald. "
" Art. 14. In afwijking van de bepalingen van artikel 13, mogen de kinderen bedoeld in artikel 3 evenals de kinderen die een stage doorlopen bedoeld in artikel 2, 3°, geen brutobezoldiging, sociale uitkering of de twee samen ontvangen hoger dan 394,15 EUR per maand. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen. Het evolueert conform de bepalingen van artikel 76bis, §§ 1 en 3 van de eerder vermelde samengeordende wetten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt elk financieel voordeel uitgekeerd aan het kind dat een stage doorloopt nodig voor het behalen van een diploma, getuigschrift of brevet, erkend bij wet, decreet, verordening of reglement, beschouwd als een bezoldiging verkregen in het raam van een winstgevende activiteit.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het vakantiegeld betaald op basis van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers of op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in een paritair orgaan, tijdens de maanden waarin dit vakantiegeld wordt betaald. "
Art. 7. L'article 14 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 14. Par dérogation aux dispositions de l'article 13, les enfants visés à l'article 3, ainsi que les enfants qui effectuent un stage visé à l'article 2, 3°, ne peuvent bénéficier d'un rémunération brute, d'une prestation sociale ou des deux ensemble, qui excèdent 394,15 EUR par mois. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation. Il évolue conformément aux dispositions de l'article 76bis, §§ 1er et 3, des lois coordonnées précitées.
Pour l'application du présent article, tout avantage pécuniaire versé à l'enfant qui effectue un stage nécessaire à l'obtention d'un diplôme, certificat ou brevet reconnu légalement, par décret, par ordonnance ou réglementairement, est considéré comme une rémunération obtenue dans le cadre d'une activité lucrative.
Pour l'application du présent article, le bénéfice d'un pécule de vacances payé en application de la législation concernant les vacances annuelles des travailleurs salariés ou en application d'une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire, n'est pas pris en compte pendant les mois au cours desquels ce pécule de vacances est payé. "
" Art. 14. Par dérogation aux dispositions de l'article 13, les enfants visés à l'article 3, ainsi que les enfants qui effectuent un stage visé à l'article 2, 3°, ne peuvent bénéficier d'un rémunération brute, d'une prestation sociale ou des deux ensemble, qui excèdent 394,15 EUR par mois. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation. Il évolue conformément aux dispositions de l'article 76bis, §§ 1er et 3, des lois coordonnées précitées.
Pour l'application du présent article, tout avantage pécuniaire versé à l'enfant qui effectue un stage nécessaire à l'obtention d'un diplôme, certificat ou brevet reconnu légalement, par décret, par ordonnance ou réglementairement, est considéré comme une rémunération obtenue dans le cadre d'une activité lucrative.
Pour l'application du présent article, le bénéfice d'un pécule de vacances payé en application de la législation concernant les vacances annuelles des travailleurs salariés ou en application d'une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire, n'est pas pris en compte pendant les mois au cours desquels ce pécule de vacances est payé. "
Art. 8. Artikel 15 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 15. Voor de toepassing van dit besluit wordt vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De vergoedingen in de zin van de artikelen 10 en 11 van de eerder vermelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een voordeel, een brutobezoldiging of een sociale uitkering, voor zover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigde karakter niet verliest conform de eerder vermelde artikelen. "
" Art. 15. Voor de toepassing van dit besluit wordt vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De vergoedingen in de zin van de artikelen 10 en 11 van de eerder vermelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een voordeel, een brutobezoldiging of een sociale uitkering, voor zover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigde karakter niet verliest conform de eerder vermelde artikelen. "
Art. 8. L'article 15 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 15. Pour l'application du présent arrêté, le volontariat au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires n'est pas considéré comme une activité lucrative. Les indemnités au sens des articles 10 et 11 de la loi précitée ne sont pas considérées comme un revenu, un bénéfice, une rémunération brute ou une prestation sociale, pour autant que le volontariat ne perde pas son caractère non rémunéré conformément aux articles susmentionnés. "
" Art. 15. Pour l'application du présent arrêté, le volontariat au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires n'est pas considéré comme une activité lucrative. Les indemnités au sens des articles 10 et 11 de la loi précitée ne sont pas considérées comme un revenu, un bénéfice, une rémunération brute ou une prestation sociale, pour autant que le volontariat ne perde pas son caractère non rémunéré conformément aux articles susmentionnés. "
Art. 9. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008.
Art. 9. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2008.
Art. 10. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 19 september 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. L. ONKELINX.
Gegeven te Brussel, 19 september 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. 10. La Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 19 septembre 2008.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre des Affaires sociales,
Mme L. ONKELINX.
Donné à Bruxelles, le 19 septembre 2008.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre des Affaires sociales,
Mme L. ONKELINX.