Artikel 1. Artikel 18 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 18. § 1. De personen die in België verblijven, mogen zich persoonlijk wenden tot de Rijksdienst om hun aanvraag in te dienen.
De aanvrager kan zich evenwel laten vertegenwoordigen door een daartoe speciaal gemachtigd persoon. Deze persoon moet meerderjarig zijn, in het bezit van de identiteitskaart van de aanvrager alsmede van zijn eigen identiteitskaart en van een volmacht.
Op voorlegging van de identiteitskaart van de aanvrager, dient de Rijksdienst de aanvraag elektronisch in.
§ 2. De Rijksdienst overhandigt de aanvrager of zijn lasthebber onmiddellijk een ontvangstbewijs dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt.
§ 3. De personen die in België verblijven mogen eveneens hun aanvraag rechtstreeks langs elektronische weg indienen.
Het aanvraagmodel dat de verplicht in te vullen gegevens bevat wordt gezamenlijk door de Rijksdienst en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen bepaald; dit model is beschikbaar op de portaalsite van de sociale zekerheid met de elektronische identiteitskaart of met de kaart waarop de persoonlijke codes zijn vermeld, die op de federale portaalsite kan worden verkregen.
Deze aanvraag wordt aan de bevoegde behandelende instelling overgemaakt in de zin van artikel 296, § 2, 3°, van de programmawet (I) van 27 décember 2006.
De Rijksdienst voor Pensioenen stuurt de aanvrager onmiddellijk een elektronisch ontvangstbewijs toe, dat alle ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 JULI 2007. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 297, 299 en 301 van de programmawet (I) van 27 december 2006.
Titre
26 JUILLET 2007. - Arrêté royal portant exécution des articles 297, 299 et 301 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006.
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK I. - De elektronische pensioenaanvraag in de pensioenregeling voor werknemers.
CHAPITRE Ier. - De la demande électronique de pension dans le régime de pension des travailleurs salariés.
Article 1. L'article 18 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 8 août 1997, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 18. § 1er. Les personnes résidant en Belgique peuvent se présenter en personne à l'Office national en vue d'introduire directement leur demande.
Le demandeur peut toutefois se faire représenter par une personne spécialement mandatée à cet effet. Cette personne doit être majeure et être en possession de la carte d'identité du demandeur, de sa propre carte d'identité et d'une procuration.
Sur la production de la carte d'identité du demandeur, l'Office national introduit électroniquement la demande
§ 2. L'Office national remet immédiatement au demandeur ou à son mandataire un accusé de réception qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande.
§ 3 Les personnes résidant en Belgique peuvent également introduire directement leur demande par voie électronique.
Le modèle de demande qui reprend les données à remplir obligatoirement est déterminé conjointement par l'Office national et l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants; ce modèle est accessible sur le portail de la sécurité sociale au moyen de la carte d'identité électronique ou de la carte mentionnant les codes personnels qui peut être obtenue sur le portail fédéral.
Cette demande est transmise à l'institution d'instruction compétente au sens de l'article 296, § 2, 3°, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006.
L'Office national des Pensions envoie immédiatement au demandeur un accusé de réception électronique qui mentionne toutes les données introduites ainsi que la date d'introduction de la demande. "
" Art. 18. § 1er. Les personnes résidant en Belgique peuvent se présenter en personne à l'Office national en vue d'introduire directement leur demande.
Le demandeur peut toutefois se faire représenter par une personne spécialement mandatée à cet effet. Cette personne doit être majeure et être en possession de la carte d'identité du demandeur, de sa propre carte d'identité et d'une procuration.
Sur la production de la carte d'identité du demandeur, l'Office national introduit électroniquement la demande
§ 2. L'Office national remet immédiatement au demandeur ou à son mandataire un accusé de réception qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande.
§ 3 Les personnes résidant en Belgique peuvent également introduire directement leur demande par voie électronique.
Le modèle de demande qui reprend les données à remplir obligatoirement est déterminé conjointement par l'Office national et l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants; ce modèle est accessible sur le portail de la sécurité sociale au moyen de la carte d'identité électronique ou de la carte mentionnant les codes personnels qui peut être obtenue sur le portail fédéral.
Cette demande est transmise à l'institution d'instruction compétente au sens de l'article 296, § 2, 3°, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006.
L'Office national des Pensions envoie immédiatement au demandeur un accusé de réception électronique qui mentionne toutes les données introduites ainsi que la date d'introduction de la demande. "
HOOFDSTUK II. - De elektronische pensioenaanvraag in de pensioenregeling voor zelfstandigen.
CHAPITRE II. - De la demande électronique de pension dans le régime de pension des travailleurs indépendants.
Art. 2. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 1998, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" 11° onder "behandelende instelling" : de behandelende instelling in de zin van artikel 296, § 2, 3° van de programmawet (I) van 27 december 2006;
12° onder "burgemeester" : de burgemeester of de door hem gemachtigde ambtenaar van het gemeentebestuur. "
" 11° onder "behandelende instelling" : de behandelende instelling in de zin van artikel 296, § 2, 3° van de programmawet (I) van 27 december 2006;
12° onder "burgemeester" : de burgemeester of de door hem gemachtigde ambtenaar van het gemeentebestuur. "
Art. 2. _ L'article 1er de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 décembre 1998, est complété par la disposition suivante :
" 11° par "institution d'instruction" : l'institution d'instruction au sens de l'article 296, § 2, 3° de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006;
12° par "bourgmestre" : le bourgmestre ou le fonctionnaire de l'administration communale délégué par lui. "
" 11° par "institution d'instruction" : l'institution d'instruction au sens de l'article 296, § 2, 3° de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006;
12° par "bourgmestre" : le bourgmestre ou le fonctionnaire de l'administration communale délégué par lui. "
Art. 3. In artikel 120 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 april 1994, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 3. A l'article 120 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 11 avril 1994, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 4. De artikelen 122 tot 124 en artikel 125 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 1998, worden vervangen door de volgende bepalingen :
" Artikel 122. De burgemeester is ertoe gehouden de pensioenaanvragen in ontvangst te nemen minstens een dag per week.
Hij wijst het lokaal aan alsmede de dagen en uren waarop de aanvragers zich mogen aanmelden. "
" Artikel 123. De aanvrager moet zich persoonlijk bij de burgemeester aanmelden en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart.
Hij kan zich laten vertegenwoordigen door een daartoe speciaal gemachtigd persoon. Deze persoon moet meerderjarig zijn en in het bezit van het in het vorige lid bedoelde stuk, evenals van zijn eigen identiteitskaart en van een bij de aanvraag te voegen volmacht. "
" Artikel 124. Wanneer de aanvrager of zijn lasthebber zich aanbiedt om een pensioenaanvraag in te dienen, stelt de burgemeester onmiddellijk de elektronische aanvraag op waarvan het model en de verplicht te vermelden gegevens gezamenlijk door het Rijksinstituut en de Rijksdienst worden bepaald.
Deze aanvraag wordt onmiddellijk elektronisch doorgezonden naar het Rijksinstituut met naleving van de door het voornoemde Rijksinstituut voorgeschreven procedure.
Het Rijksinstituut zendt per kerende een ontvangstbewijs via elektronische weg terug, bestemd voor de aanvrager of zijn lasthebber, dat de ingevoerde gegevens en de datum van het indienen van de aanvraag vermeldt. "
" Artikel 125. § 1. Wanneer een elektronische aanvraag niet mogelijk is, stelt de burgemeester de aanvraag op een formulier waarvan het model en de verplicht te vermelden gegevens gezamenlijk bepaald worden door het Rijksinstituut en de Rijksdienst.
Hij overhandigt aan de aanvrager of aan zijn lasthebber een ontvangstbewijs dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt.
§ 2. Binnen de drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de burgemeester ze naar het Rijksinstituut.
Al de aanvragen die deel uitmaken van eenzelfde zending worden vermeld op een door het Rijksinstituut ter beschikking van de burgemeester gesteld borderel. Het borderel wordt in dubbel exemplaar opgesteld. Een exemplaar wordt door het genoemde Instituut als ontvangstbewijs naar de burgemeester teruggezonden.
§ 3. In geen enkel geval mag de burgemeester weigeren een aanvraag in ontvangst te nemen.
Noch vóór noch na het vervullen van de formaliteiten van indiening van de aanvraag mag hij het in § 1 bedoelde formulier aan de aanvrager, aan zijn lasthebber of aan een derde overhandigen. "
" Artikel 122. De burgemeester is ertoe gehouden de pensioenaanvragen in ontvangst te nemen minstens een dag per week.
Hij wijst het lokaal aan alsmede de dagen en uren waarop de aanvragers zich mogen aanmelden. "
" Artikel 123. De aanvrager moet zich persoonlijk bij de burgemeester aanmelden en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart.
Hij kan zich laten vertegenwoordigen door een daartoe speciaal gemachtigd persoon. Deze persoon moet meerderjarig zijn en in het bezit van het in het vorige lid bedoelde stuk, evenals van zijn eigen identiteitskaart en van een bij de aanvraag te voegen volmacht. "
" Artikel 124. Wanneer de aanvrager of zijn lasthebber zich aanbiedt om een pensioenaanvraag in te dienen, stelt de burgemeester onmiddellijk de elektronische aanvraag op waarvan het model en de verplicht te vermelden gegevens gezamenlijk door het Rijksinstituut en de Rijksdienst worden bepaald.
Deze aanvraag wordt onmiddellijk elektronisch doorgezonden naar het Rijksinstituut met naleving van de door het voornoemde Rijksinstituut voorgeschreven procedure.
Het Rijksinstituut zendt per kerende een ontvangstbewijs via elektronische weg terug, bestemd voor de aanvrager of zijn lasthebber, dat de ingevoerde gegevens en de datum van het indienen van de aanvraag vermeldt. "
" Artikel 125. § 1. Wanneer een elektronische aanvraag niet mogelijk is, stelt de burgemeester de aanvraag op een formulier waarvan het model en de verplicht te vermelden gegevens gezamenlijk bepaald worden door het Rijksinstituut en de Rijksdienst.
Hij overhandigt aan de aanvrager of aan zijn lasthebber een ontvangstbewijs dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt.
§ 2. Binnen de drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de burgemeester ze naar het Rijksinstituut.
Al de aanvragen die deel uitmaken van eenzelfde zending worden vermeld op een door het Rijksinstituut ter beschikking van de burgemeester gesteld borderel. Het borderel wordt in dubbel exemplaar opgesteld. Een exemplaar wordt door het genoemde Instituut als ontvangstbewijs naar de burgemeester teruggezonden.
§ 3. In geen enkel geval mag de burgemeester weigeren een aanvraag in ontvangst te nemen.
Noch vóór noch na het vervullen van de formaliteiten van indiening van de aanvraag mag hij het in § 1 bedoelde formulier aan de aanvrager, aan zijn lasthebber of aan een derde overhandigen. "
Art. 4. Les articles 122 à 124 et l'article 125 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 15 décembre 1998, sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Article 122. Le bourgmestre est tenu de recevoir les demandes de pension au moins une fois par semaine.
Il informe le demandeur du local et des heures d'ouverture auxquels il peut se présenter. "
" Article 123. Le demandeur est tenu de se présenter personnellement devant le bourgmestre et d'être en possession de sa carte d'identité.
Il peut se faire représenter par une personne spécialement mandatée à cet effet. Cette personne doit être majeure et être en possession du document visé à l'alinéa précédent ainsi que de sa propre carte d'identité et d'une procuration jointe à la demande. "
" Article 124. Lorsque le demandeur ou son mandataire se présente en vue d'introduire une demande de pension, le bourgmestre établit immédiatement la demande électronique dont le modèle et les données à mentionner obligatoirement sont déterminés conjointement par l'Institut national et l'Office national.
Cette demande est immédiatement transmise électroniquement à l'Institut national moyennant le respect de la procédure prescrite par ledit Institut.
L'Institut national envoie immédiatement un accusé de réception électronique destiné au demandeur ou à son mandataire, qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande ".
" Article 125. § 1er. Lorsqu'une demande électronique est impossible, le bourgmestre établit la demande sur un formulaire dont le modèle et les données à mentionner obligatoirement sont déterminés conjointement par l'Institut national et l'Office national.
Il remet au demandeur ou à son mandataire un accusé de réception qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande.
§ 2. Dans les trois jours ouvrables de la réception de la demande, le bourgmestre l'envoie à l'Institut national.
Toutes les demandes qui font partie d'un même envoi sont reprises sur un bordereau mis à disposition du bourgmestre par l'Institut national. Le bordereau est dressé en double exemplaire. Un exemplaire est renvoyé au bourgmestre par ledit Institut comme accusé de réception.
§ 3. En aucun cas, le bourgmestre ne peut refuser de recevoir une demande.
Il ne peut remettre le formulaire visé au § 1er au demandeur, à son mandataire ou à une tierce personne, ni avant ni après l'accomplissement des formalités d'introduction de la demande. "
" Article 122. Le bourgmestre est tenu de recevoir les demandes de pension au moins une fois par semaine.
Il informe le demandeur du local et des heures d'ouverture auxquels il peut se présenter. "
" Article 123. Le demandeur est tenu de se présenter personnellement devant le bourgmestre et d'être en possession de sa carte d'identité.
Il peut se faire représenter par une personne spécialement mandatée à cet effet. Cette personne doit être majeure et être en possession du document visé à l'alinéa précédent ainsi que de sa propre carte d'identité et d'une procuration jointe à la demande. "
" Article 124. Lorsque le demandeur ou son mandataire se présente en vue d'introduire une demande de pension, le bourgmestre établit immédiatement la demande électronique dont le modèle et les données à mentionner obligatoirement sont déterminés conjointement par l'Institut national et l'Office national.
Cette demande est immédiatement transmise électroniquement à l'Institut national moyennant le respect de la procédure prescrite par ledit Institut.
L'Institut national envoie immédiatement un accusé de réception électronique destiné au demandeur ou à son mandataire, qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande ".
" Article 125. § 1er. Lorsqu'une demande électronique est impossible, le bourgmestre établit la demande sur un formulaire dont le modèle et les données à mentionner obligatoirement sont déterminés conjointement par l'Institut national et l'Office national.
Il remet au demandeur ou à son mandataire un accusé de réception qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande.
§ 2. Dans les trois jours ouvrables de la réception de la demande, le bourgmestre l'envoie à l'Institut national.
Toutes les demandes qui font partie d'un même envoi sont reprises sur un bordereau mis à disposition du bourgmestre par l'Institut national. Le bordereau est dressé en double exemplaire. Un exemplaire est renvoyé au bourgmestre par ledit Institut comme accusé de réception.
§ 3. En aucun cas, le bourgmestre ne peut refuser de recevoir une demande.
Il ne peut remettre le formulaire visé au § 1er au demandeur, à son mandataire ou à une tierce personne, ni avant ni après l'accomplissement des formalités d'introduction de la demande. "
Art. 5. Artikel 126 en artikel 126bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 december 1998, worden vervangen door de volgende bepalingen :
" Artikel 126. § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 120, mogen de in dit hoofdstuk bedoelde aanvragen om uitkeringen rechtstreeks bij het Rijksinstituut worden ingediend.
§ 2. De aanvrager moet zich persoonlijk bij het Rijksinstituut aanmelden en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart.
Hij kan zich laten vertegenwoordigen door een daartoe speciaal gemachtigd persoon. Deze persoon moet meerderjarig zijn en in het bezit van het in het vorige lid bedoelde stuk, evenals van zijn eigen identiteitskaart en van een bij de aanvraag te voegen volmacht.
§ 3. Het Rijksinstituut stelt onmiddellijk de elektronische aanvraag op volgens het in artikel 124 bedoeld model.
Het overhandigt de aanvrager of zijn lasthebber onmiddellijk een ontvangstbewijs dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt. "
" Art 126bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 120 en van artikel 126, § 1, mogen de in dit hoofdstuk bedoelde aanvragen om uitkeringen rechtstreeks langs elektronische weg worden ingediend.
Het aanvraagmodel dat de verplicht in te vullen gegevens bevat, wordt gezamenlijk door het Rijksinstituut en de Rijksdienst bepaald.
Dit model is beschikbaar op de portaalsite van de sociale zekerheid met de elektronische identiteitskaart of met de kaart waarop de persoonlijke codes zijn vermeld die op de federale portaalsite kan worden verkregen.
De aanvraag wordt onmiddellijk aan de bevoegde behandelende instelling overgemaakt.
Het Rijksinstituut stuurt de aanvrager onmiddellijk een elektronisch ontvangstbewijs toe, dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt. "
" Artikel 126. § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 120, mogen de in dit hoofdstuk bedoelde aanvragen om uitkeringen rechtstreeks bij het Rijksinstituut worden ingediend.
§ 2. De aanvrager moet zich persoonlijk bij het Rijksinstituut aanmelden en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart.
Hij kan zich laten vertegenwoordigen door een daartoe speciaal gemachtigd persoon. Deze persoon moet meerderjarig zijn en in het bezit van het in het vorige lid bedoelde stuk, evenals van zijn eigen identiteitskaart en van een bij de aanvraag te voegen volmacht.
§ 3. Het Rijksinstituut stelt onmiddellijk de elektronische aanvraag op volgens het in artikel 124 bedoeld model.
Het overhandigt de aanvrager of zijn lasthebber onmiddellijk een ontvangstbewijs dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt. "
" Art 126bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 120 en van artikel 126, § 1, mogen de in dit hoofdstuk bedoelde aanvragen om uitkeringen rechtstreeks langs elektronische weg worden ingediend.
Het aanvraagmodel dat de verplicht in te vullen gegevens bevat, wordt gezamenlijk door het Rijksinstituut en de Rijksdienst bepaald.
Dit model is beschikbaar op de portaalsite van de sociale zekerheid met de elektronische identiteitskaart of met de kaart waarop de persoonlijke codes zijn vermeld die op de federale portaalsite kan worden verkregen.
De aanvraag wordt onmiddellijk aan de bevoegde behandelende instelling overgemaakt.
Het Rijksinstituut stuurt de aanvrager onmiddellijk een elektronisch ontvangstbewijs toe, dat de ingevoerde gegevens en de datum van indiening van de aanvraag vermeldt. "
Art. 5. L'article 126 et l'article 126bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 15 décembre 1998, sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Article 126. § 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 120, les demandes de prestations visées au présent chapitre peuvent être introduites directement auprès de l'Institut national.
§ 2. Le demandeur est tenu de se présenter personnellement à l'Institut national et d'être en possession de sa carte d'identité.
Il peut se faire représenter par une personne spécialement mandatée à cet effet. Cette personne doit être majeure et être en possession du document visé à l'alinéa précédent ainsi que de sa propre carte d'identité et d'une procuration jointe à la demande.
§ 3. L'Institut national établit immédiatement la demande électronique selon le modèle visé à l'article 124.
Il remet immédiatement au demandeur ou à son mandataire un accusé de réception qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande. "
" Art 126bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 120 et de l'article 126, § 1er, les demandes de prestations visées au présent chapitre peuvent être introduites directement par voie électronique.
Le modèle de demande qui reprend les données à remplir obligatoirement est déterminé conjointement par l'Institut national et l'Office national.
Ce modèle est accessible sur le portail de la sécurité sociale au moyen de la carte d'identité électronique ou de la carte mentionnant les codes personnels qui peut être obtenue sur le portail fédéral.
La demande est transmise immédiatement à l'institution d'instruction compétente.
L'Institut national envoie immédiatement au demandeur un accusé de réception électronique qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande. "
" Article 126. § 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 120, les demandes de prestations visées au présent chapitre peuvent être introduites directement auprès de l'Institut national.
§ 2. Le demandeur est tenu de se présenter personnellement à l'Institut national et d'être en possession de sa carte d'identité.
Il peut se faire représenter par une personne spécialement mandatée à cet effet. Cette personne doit être majeure et être en possession du document visé à l'alinéa précédent ainsi que de sa propre carte d'identité et d'une procuration jointe à la demande.
§ 3. L'Institut national établit immédiatement la demande électronique selon le modèle visé à l'article 124.
Il remet immédiatement au demandeur ou à son mandataire un accusé de réception qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande. "
" Art 126bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 120 et de l'article 126, § 1er, les demandes de prestations visées au présent chapitre peuvent être introduites directement par voie électronique.
Le modèle de demande qui reprend les données à remplir obligatoirement est déterminé conjointement par l'Institut national et l'Office national.
Ce modèle est accessible sur le portail de la sécurité sociale au moyen de la carte d'identité électronique ou de la carte mentionnant les codes personnels qui peut être obtenue sur le portail fédéral.
La demande est transmise immédiatement à l'institution d'instruction compétente.
L'Institut national envoie immédiatement au demandeur un accusé de réception électronique qui mentionne les données introduites et la date d'introduction de la demande. "
HOOFDSTUK III. - De motivering en de kennisgeving van de beslissing in de pensioenregeling voor werknemers.
CHAPITRE III. - De la motivation et de la notification de la décision dans le régime de pension des travailleurs salariés.
Art. 6. In artikel 20, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De beslissing wordt gemotiveerd : behalve de vermeldingen bepaald in de artikelen 13, 14 en 15 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, bevatten de beslissingen genomen in het kader van de pensioenregeling voor werknemers minstens de volgende gegevens :
1° De kalenderjaren die in aanmerking zijn genomen en deze die zijn verworpen;
2° De hoedanigheid volgens dewelke de arbeidsprestaties of de gelijkgestelde periodes in aanmerking zijn genomen;
3° Het aantal gepresteerde dagen (eventueel omgezet in voltijdse dagequivalenten) en het werkelijke brutoloon;
4° De eventuele fictieve en forfaitaire lonen alsook het aantal overeenkomstige dagen;
5° De lonen in aanmerking genomen voor de berekening, eventueel begrensd;
6° De herwaarderingscoëfficiënt;
7° Het pensioenbedrag, jaar per jaar opgebouwd en eventueel gebracht op het minimumrecht per jaar, en het globale pensioenbedrag;
8° De loopbaanbreuk en eventueel het toegekende gewaarborgd minimumpensioen;
9° De eventueel toegepaste cumulatieregels.
Ze wordt de aanvrager ter kennis gebracht met een gewone brief. "
2° de volgende leden worden tussen de leden 4 en 5 ingevoegd :
" Als voor de aanvrager een recht op verschillende pensioenen geopend wordt ten laste van de Rijksdienst en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, worden de beslissingen, behoorlijk gemotiveerd door elk van deze instellingen, tegelijk ter kennis gebracht van de aanvrager. Deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving en de informatie in verband met het te betalen globale bruto maandelijks recht worden de aanvrager met een gewone brief toegezonden door de Rijksdienst. Voor de rustpensioenen bedoeld in artikel 10, § 3ter, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en in artikel 133quinquies van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, geschiedt deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving ten laatste 80 werkdagen voor de ingangsdatum.
Wanneer de inlichtingen nodig voor de verzending van de in het vorige lid bedoelde definitieve gemeenschappelijke kennisgeving niet beschikbaar zijn voor het verstrijken van de termijnen bepaald in de artikelen 17 en 18 van de bestuursovereenkomst gesloten tussen de Rijksdienst en de Belgische Staat, verzendt de Rijksdienst een voorlopige beslissing met betrekking tot de rechten toegekend in het kader van de pensioenregeling voor werknemers. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
1° het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De beslissing wordt gemotiveerd : behalve de vermeldingen bepaald in de artikelen 13, 14 en 15 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, bevatten de beslissingen genomen in het kader van de pensioenregeling voor werknemers minstens de volgende gegevens :
1° De kalenderjaren die in aanmerking zijn genomen en deze die zijn verworpen;
2° De hoedanigheid volgens dewelke de arbeidsprestaties of de gelijkgestelde periodes in aanmerking zijn genomen;
3° Het aantal gepresteerde dagen (eventueel omgezet in voltijdse dagequivalenten) en het werkelijke brutoloon;
4° De eventuele fictieve en forfaitaire lonen alsook het aantal overeenkomstige dagen;
5° De lonen in aanmerking genomen voor de berekening, eventueel begrensd;
6° De herwaarderingscoëfficiënt;
7° Het pensioenbedrag, jaar per jaar opgebouwd en eventueel gebracht op het minimumrecht per jaar, en het globale pensioenbedrag;
8° De loopbaanbreuk en eventueel het toegekende gewaarborgd minimumpensioen;
9° De eventueel toegepaste cumulatieregels.
Ze wordt de aanvrager ter kennis gebracht met een gewone brief. "
2° de volgende leden worden tussen de leden 4 en 5 ingevoegd :
" Als voor de aanvrager een recht op verschillende pensioenen geopend wordt ten laste van de Rijksdienst en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, worden de beslissingen, behoorlijk gemotiveerd door elk van deze instellingen, tegelijk ter kennis gebracht van de aanvrager. Deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving en de informatie in verband met het te betalen globale bruto maandelijks recht worden de aanvrager met een gewone brief toegezonden door de Rijksdienst. Voor de rustpensioenen bedoeld in artikel 10, § 3ter, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en in artikel 133quinquies van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, geschiedt deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving ten laatste 80 werkdagen voor de ingangsdatum.
Wanneer de inlichtingen nodig voor de verzending van de in het vorige lid bedoelde definitieve gemeenschappelijke kennisgeving niet beschikbaar zijn voor het verstrijken van de termijnen bepaald in de artikelen 17 en 18 van de bestuursovereenkomst gesloten tussen de Rijksdienst en de Belgische Staat, verzendt de Rijksdienst een voorlopige beslissing met betrekking tot de rechten toegekend in het kader van de pensioenregeling voor werknemers. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Art. 6. A l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 8 août 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
" La décision est motivée : outre les mentions prévues aux articles 13, 14 et 15 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social, les décisions prises dans le cadre du régime des pensions de travailleurs salariés contiennent au minimum les données suivantes :
1° Les années civiles qui ont été prises en considération et celles qui ont été rejetées;
2° La qualité selon laquelle les prestations de travail ou les périodes assimilées ont été prises en considération;
3° Le nombre de jours prestés (éventuellement convertis en équivalents journaliers à temps plein) et la rémunération réelle brute;
4° Les éventuelles rémunérations fictives et forfaitaires ainsi que le nombre de jours correspondants;
5° Les rémunérations prises en considération pour le calcul, éventuellement plafonnées;
6° Le coefficient de revalorisation;
7° Le montant de la pension, constituée année par année et éventuellement porté au droit minimum par année, et le montant global de la pension;
8° La fraction de carrière et éventuellement la pension minimum garantie accordée;
9° Les règles de cumul éventuellement appliquées.
Elle est notifiée au demandeur par lettre ordinaire. "
2° les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 4 et 5 :
" Lorsque, dans le chef du demandeur, s'ouvre un droit à plusieurs pensions à charge de l'Office national et de l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants, les décisions dûment motivées par chacune de ces institutions, sont notifiées conjointement au demandeur. Cette notification définitive commune et l'information relative au droit mensuel brut global à payer sont adressées au demandeur par lettre ordinaire par l'Office national. Pour les pensions de retraite visées à l'article 10, § 3ter, de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et à l'article 133quinquies de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, cette notification définitive commune intervient au plus tard quatre-vingt jours ouvrables avant la date de prise de cours.
Lorsque les renseignements nécessaires à l'envoi de la notification commune définitive visée à l'alinéa précédent ne sont pas disponibles avant l'échéance des délais prévus aux articles 17 et 18 du contrat d'administration conclu entre l'Office et l'Etat belge, l'Office national envoie une décision provisoire concernant les droits attribués dans le cadre du régime des pensions de travailleurs salariés. Cette décision n'est pas susceptible de recours.
1° l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
" La décision est motivée : outre les mentions prévues aux articles 13, 14 et 15 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social, les décisions prises dans le cadre du régime des pensions de travailleurs salariés contiennent au minimum les données suivantes :
1° Les années civiles qui ont été prises en considération et celles qui ont été rejetées;
2° La qualité selon laquelle les prestations de travail ou les périodes assimilées ont été prises en considération;
3° Le nombre de jours prestés (éventuellement convertis en équivalents journaliers à temps plein) et la rémunération réelle brute;
4° Les éventuelles rémunérations fictives et forfaitaires ainsi que le nombre de jours correspondants;
5° Les rémunérations prises en considération pour le calcul, éventuellement plafonnées;
6° Le coefficient de revalorisation;
7° Le montant de la pension, constituée année par année et éventuellement porté au droit minimum par année, et le montant global de la pension;
8° La fraction de carrière et éventuellement la pension minimum garantie accordée;
9° Les règles de cumul éventuellement appliquées.
Elle est notifiée au demandeur par lettre ordinaire. "
2° les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 4 et 5 :
" Lorsque, dans le chef du demandeur, s'ouvre un droit à plusieurs pensions à charge de l'Office national et de l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants, les décisions dûment motivées par chacune de ces institutions, sont notifiées conjointement au demandeur. Cette notification définitive commune et l'information relative au droit mensuel brut global à payer sont adressées au demandeur par lettre ordinaire par l'Office national. Pour les pensions de retraite visées à l'article 10, § 3ter, de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et à l'article 133quinquies de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, cette notification définitive commune intervient au plus tard quatre-vingt jours ouvrables avant la date de prise de cours.
Lorsque les renseignements nécessaires à l'envoi de la notification commune définitive visée à l'alinéa précédent ne sont pas disponibles avant l'échéance des délais prévus aux articles 17 et 18 du contrat d'administration conclu entre l'Office et l'Etat belge, l'Office national envoie une décision provisoire concernant les droits attribués dans le cadre du régime des pensions de travailleurs salariés. Cette décision n'est pas susceptible de recours.
HOOFDSTUK IV. - De motivering en de kennisgeving van de beslissing in de pensioenregeling van de zelfstandigen.
CHAPITRE IV. - De la motivation et de la notification de la décision dans le régime de pension des travailleurs indépendants.
Art. 7. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 1998, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" 13° onder "sociaal verzekerde"; de sociaal verzekerde in de zin van artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. "
" 13° onder "sociaal verzekerde"; de sociaal verzekerde in de zin van artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. "
Art. 7. L'article 1er de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 décembre 1998, est complété par la disposition suivante :
" 13° par "assuré social" : l'assuré social au sens de l'article 2, alinéa 1er, 7°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social. "
" 13° par "assuré social" : l'assuré social au sens de l'article 2, alinéa 1er, 7°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social. "
Art. 8. Artikel 134 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 134. De beslissingen van het Rijksinstituut worden gedateerd, ondertekend en met redenen omkleed. Er wordt aan de sociaal verzekerde kennis van gegeven bij een gewone brief.
Zij moeten de volgende vermeldingen bevatten :
1° de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen;
2° het adres van de bevoegde rechtbank;
3° de termijn en de modaliteiten voor het instellen van een voorziening;
4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek;
5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert;
6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst.
Indien de beslissing de in het vorige lid genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een voorziening in te stellen niet in.
Behalve de in het tweede lid bedoelde vermeldingen, bevatten de beslissingen van het Rijksinstituut minstens de volgende gegevens :
1° de periodes van beroepsbezigheid en de periodes eraan gelijkgesteld die in aanmerking genomen werden in de loopbaan en de periodes die verworpen werden;
2° de breuk die de loopbaan weergeeft, eventueel verminderd;
3° de breuken die de belangrijkheid van de pensioenen krachtens de andere Belgische of buitenlandse stelsels weergeven;
4° de forfaitaire of reële bedrijfsinkomsten of de fictieve inkomsten die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen, eventueel geplafonneerd;
5° de aanpassingscoëfficiënt
6° het pensioenbedrag per jaar en het globale pensioenbedrag;
7° het bedrag van het minimumpensioen, als het wordt toegekend;
8° de cumulatieregels in geval van genot van meerdere pensioenen;
9° het bedrag van het toekenbaar onvoorwaardelijk pensioen;
10° de verantwoording van het betalen of het niet-betalen van het pensioen.
Als voor een sociaal verzekerde een recht op verschillende pensioenen geopend wordt ten laste van het Rijksinstituut en de Rijksdienst, worden hem de beslissingen, behoorlijk gemotiveerd door elk van deze instellingen, tegelijk ter kennis gebracht. Deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving en de informatie in verband met het globale bruto maandelijks recht worden de sociaal verzekerde met een gewone brief toegezonden door de Rijksdienst.
Voor de rustpensioenen bedoeld in artikel 133quinquies van het koninklijk besluit van 22 december 1967 en in artikel 10, § 3ter, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, geschiedt deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving ten laatste tachtig werkdagen vóór de ingangsdatum.
" Art. 134. De beslissingen van het Rijksinstituut worden gedateerd, ondertekend en met redenen omkleed. Er wordt aan de sociaal verzekerde kennis van gegeven bij een gewone brief.
Zij moeten de volgende vermeldingen bevatten :
1° de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen;
2° het adres van de bevoegde rechtbank;
3° de termijn en de modaliteiten voor het instellen van een voorziening;
4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek;
5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert;
6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst.
Indien de beslissing de in het vorige lid genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een voorziening in te stellen niet in.
Behalve de in het tweede lid bedoelde vermeldingen, bevatten de beslissingen van het Rijksinstituut minstens de volgende gegevens :
1° de periodes van beroepsbezigheid en de periodes eraan gelijkgesteld die in aanmerking genomen werden in de loopbaan en de periodes die verworpen werden;
2° de breuk die de loopbaan weergeeft, eventueel verminderd;
3° de breuken die de belangrijkheid van de pensioenen krachtens de andere Belgische of buitenlandse stelsels weergeven;
4° de forfaitaire of reële bedrijfsinkomsten of de fictieve inkomsten die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen, eventueel geplafonneerd;
5° de aanpassingscoëfficiënt
6° het pensioenbedrag per jaar en het globale pensioenbedrag;
7° het bedrag van het minimumpensioen, als het wordt toegekend;
8° de cumulatieregels in geval van genot van meerdere pensioenen;
9° het bedrag van het toekenbaar onvoorwaardelijk pensioen;
10° de verantwoording van het betalen of het niet-betalen van het pensioen.
Als voor een sociaal verzekerde een recht op verschillende pensioenen geopend wordt ten laste van het Rijksinstituut en de Rijksdienst, worden hem de beslissingen, behoorlijk gemotiveerd door elk van deze instellingen, tegelijk ter kennis gebracht. Deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving en de informatie in verband met het globale bruto maandelijks recht worden de sociaal verzekerde met een gewone brief toegezonden door de Rijksdienst.
Voor de rustpensioenen bedoeld in artikel 133quinquies van het koninklijk besluit van 22 december 1967 en in artikel 10, § 3ter, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, geschiedt deze definitieve gemeenschappelijke kennisgeving ten laatste tachtig werkdagen vóór de ingangsdatum.
Art. 8. L'article 134 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 décembre 1998, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 134. Les décisions de l'Institut national sont datées, signées et motivées. Elles sont notifiées à l'assuré social par lettre ordinaire.
Elles doivent contenir les mentions suivantes :
1° la possibilité d'intenter un recours devant le tribunal compétent;
2° l'adresse du tribunal compétent;
3° le délai et les modalités pour intenter un recours
4° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire;
5° les références du dossier et du service qui gère celui-ci;
6° la possibilité d'obtenir toute explication sur la décision auprès du service qui gère le dossier ou d'un service d'information désigné.
Si la décision ne contient pas les mentions visées à l'alinéa précédent, le délai de recours ne court pas.
Outre les mentions visées à l'alinéa 2, les décisions de l'Institut national contiennent au minimum les données suivantes :
1° les périodes d'activité professionnelle et y assimilées retenues dans la carrière et les périodes qui ont été rejetées;
2° la fraction représentative de la carrière, éventuellement réduite;
3° les fractions qui expriment l'importance des pensions en vertu d'autres régimes belges ou étrangers;
4° les revenus professionnels forfaitaires ou réels ou les revenus fictifs pris en compte pour le calcul de la pension, éventuellement plafonnés;
5° le coefficient d'adaptation;
6° le montant de pension par année et le montant global de la pension;
7° le montant de la pension minimum, s'il est accordé;
8° les règles de cumul en cas de bénéfice de plusieurs pensions;
9° le montant de la pension inconditionnelle allouable;
10° la justification du paiement ou du non-paiement de la pension.
Lorsque, dans le chef d'un assuré social, s'ouvre un droit à plusieurs pensions à charge de l'Institut national et de l'Office national, les décisions dûment motivées par chacune de ces institutions lui sont notifiées conjointement. Cette notification définitive commune et l'information relative au droit mensuel brut global qui y est jointe sont adressées à l'assuré social par lettre ordinaire par l'Office national.
Pour les pensions de retraite visées à l'article 133quinquies de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 et à l'article 10, § 3ter, de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, cette notification définitive commune intervient au plus tard quatre-vingts jours ouvrables avant la date de prise de cours
" Art. 134. Les décisions de l'Institut national sont datées, signées et motivées. Elles sont notifiées à l'assuré social par lettre ordinaire.
Elles doivent contenir les mentions suivantes :
1° la possibilité d'intenter un recours devant le tribunal compétent;
2° l'adresse du tribunal compétent;
3° le délai et les modalités pour intenter un recours
4° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire;
5° les références du dossier et du service qui gère celui-ci;
6° la possibilité d'obtenir toute explication sur la décision auprès du service qui gère le dossier ou d'un service d'information désigné.
Si la décision ne contient pas les mentions visées à l'alinéa précédent, le délai de recours ne court pas.
Outre les mentions visées à l'alinéa 2, les décisions de l'Institut national contiennent au minimum les données suivantes :
1° les périodes d'activité professionnelle et y assimilées retenues dans la carrière et les périodes qui ont été rejetées;
2° la fraction représentative de la carrière, éventuellement réduite;
3° les fractions qui expriment l'importance des pensions en vertu d'autres régimes belges ou étrangers;
4° les revenus professionnels forfaitaires ou réels ou les revenus fictifs pris en compte pour le calcul de la pension, éventuellement plafonnés;
5° le coefficient d'adaptation;
6° le montant de pension par année et le montant global de la pension;
7° le montant de la pension minimum, s'il est accordé;
8° les règles de cumul en cas de bénéfice de plusieurs pensions;
9° le montant de la pension inconditionnelle allouable;
10° la justification du paiement ou du non-paiement de la pension.
Lorsque, dans le chef d'un assuré social, s'ouvre un droit à plusieurs pensions à charge de l'Institut national et de l'Office national, les décisions dûment motivées par chacune de ces institutions lui sont notifiées conjointement. Cette notification définitive commune et l'information relative au droit mensuel brut global qui y est jointe sont adressées à l'assuré social par lettre ordinaire par l'Office national.
Pour les pensions de retraite visées à l'article 133quinquies de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 et à l'article 10, § 3ter, de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, cette notification définitive commune intervient au plus tard quatre-vingts jours ouvrables avant la date de prise de cours
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 9. De artikelen 296, § 1, 1° en 2° en § 2, 297, § 1, 2° en 3° en § 2, 1°, van de programmawet (I) van 27 december 2006 en de artikelen 1, 2 en 5 van dit besluit treden, wat de Rijksdienst voor Pensioenen en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen betreft, in werking op de 1ste dag van de vierde maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en uiterlijk op 1 januari 2008.
Artikel 297, § 1, 1°, van de programmawet (I) van 27 december 2006 en artikel 4 van dit besluit treedt, wat het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen betreft, in werking op de 1ste dag van de vierde maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch staatsblad en uiterlijk op 1 januari 2008.
Artikel 297, § 1, 1°, van de programmawet (I) van 27 december 2006 en artikel 4 van dit besluit treedt, wat het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen betreft, in werking op de 1ste dag van de vierde maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch staatsblad en uiterlijk op 1 januari 2008.
Art. 9. Les articles 296, § 1er, 1° et 2° et § 2, 297, § 1er, 2° et 3° et § 2, 1°, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et les articles 1er, 2 et 5 du présent arrêté entrent en vigueur, en ce qui concerne l'Office national des Pensions et l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants, le 1er jour du quatrième mois qui suit la publication du présent arrêté au Moniteur belge et au plus tard le 1er janvier 2008.
L'article 297, § 1er, 1° de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et l'article 4 du présent arrêté, entrent en vigueur, en ce qui concerne l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants, le 1er jour du quatrième mois qui suit la publication du présent arrêté au Moniteur belge et au plus tard le 1er janvier 2008.
L'article 297, § 1er, 1° de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et l'article 4 du présent arrêté, entrent en vigueur, en ce qui concerne l'Institut national d'Assurances sociales pour Travailleurs indépendants, le 1er jour du quatrième mois qui suit la publication du présent arrêté au Moniteur belge et au plus tard le 1er janvier 2008.
Art. 10. Artikel 299 van de programmawet (I) van 27 december 2006 en de artikelen 6, 7 en 8 van dit besluit, treden in werking op 1 januari 2008.
Art. 10. L'article 299 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et les articles 6, 7 et 8 du présent arrêté entrent en vigueur au 1er janvier 2008.
Art. 11. Onze Minister van Pensioenen en Onze Minister van Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 26 juli 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Pensioenen,
B. TOBBACK
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE.
Brussel, 26 juli 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Pensioenen,
B. TOBBACK
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE.
Art. 11. Notre Ministre des Pensions et Notre Ministre des Classes moyennes sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 26 juillet 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Pensions,
B. TOBBACK
La Ministre des Classes moyennes,
Mme S. LARUELLE.
Bruxelles, le 26 juillet 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Pensions,
B. TOBBACK
La Ministre des Classes moyennes,
Mme S. LARUELLE.