Artikel 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
a) de Minister : de Minister die de pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft;
b) de wet : de wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gecoördineerd op 29 juni 2007;
c) de Rijksdienst : de Rijksdienst voor pensioenen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 JULI 2007. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de gecoördineerde wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood.
Titre
26 JUILLET 2007. - Arrêté royal portant exécution de la loi coordonnée réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré.
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK I. - Verplichte stortingen.
CHAPITRE Ier. - Des versements obligatoires.
Afdeling 1. - Algemene bepaling.
Section 1re. - Disposition générale.
Article 1. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
a) le Ministre : le Ministre qui a les pensions dans ses attributions;
b) la loi : la loi réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, coordonnée le 29 juin 2007;
c) l'Office : l'Office national des pensions.
a) le Ministre : le Ministre qui a les pensions dans ses attributions;
b) la loi : la loi réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, coordonnée le 29 juin 2007;
c) l'Office : l'Office national des pensions.
Afdeling 2. - Indiening en onderzoek van de aanvragen.
Section 2. - Introduction et examen des demandes.
Art. 2. De aanvraag tot uitbetaling van de rente moet door de verzekerde of zijn weduwe worden gericht aan de Rijksdienst.
De aanvraag voor een vervroegd ingaan van de rente moet worden ingediend ten minste twaalf maanden vóór de datum die door de verzekerde voor dit ingaan werd gekozen.
De aanvrager levert alle bewijsstukken die vereist zijn voor het onderzoek aan de aanvraag.
De aanvraag voor een vervroegd ingaan van de rente moet worden ingediend ten minste twaalf maanden vóór de datum die door de verzekerde voor dit ingaan werd gekozen.
De aanvrager levert alle bewijsstukken die vereist zijn voor het onderzoek aan de aanvraag.
Art. 2. La demande de paiement de rente doit être adressée à l'Office par l'assuré ou sa veuve.
La demande de prise de cours anticipée de la rente doit être introduite au moins douze mois avant la date choisie par l'assuré pour cette prise de cours.
Le demandeur fournit toutes les pièces nécessaires à l'examen de la demande.
La demande de prise de cours anticipée de la rente doit être introduite au moins douze mois avant la date choisie par l'assuré pour cette prise de cours.
Le demandeur fournit toutes les pièces nécessaires à l'examen de la demande.
Art. 3. Behoudens andersluidende verklaring geldt de aanvraag tot het bekomen van de prestaties als bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, als aanvraag tot uitbetaling van de rente.
Wanneer de aanvraag tot vervroegd ingaan van de ouderdomsrente wordt ingediend overeenkomstig onderhavig artikel, gaat de rente in op de eerste dag van de maand die volgt op de eerste geboorteverjaardag na het indienen van de aanvraag.
Wanneer de aanvraag tot vervroegd ingaan van de ouderdomsrente wordt ingediend overeenkomstig onderhavig artikel, gaat de rente in op de eerste dag van de maand die volgt op de eerste geboorteverjaardag na het indienen van de aanvraag.
Art. 3. Sauf déclaration contraire la demande en vue de bénéficier des prestations prévues par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés vaut demande de paiement de rente.
Lorsque la demande de prise de cours anticipée de la rente de vieillesse est introduite conformément au présent article, la rente prend cours le premier jour du mois suivant la date du premier anniversaire de naissance postérieur à l'introduction de la demande.
Lorsque la demande de prise de cours anticipée de la rente de vieillesse est introduite conformément au présent article, la rente prend cours le premier jour du mois suivant la date du premier anniversaire de naissance postérieur à l'introduction de la demande.
Art. 4. De Rijksdienst die in kennis is gesteld van de aanvraag tot uitbetaling van de rente, onderzoekt deze en stelt het bedrag vast van de door de verzekerde verkregen rente.
Hij notificeert aan de gerechtigde het bedrag van de contante waarde van de rente zoals bedoeld in artikel 8, § 3 van de wet.
Het in het vorig lid bedoelde kapitaal wordt bekomen door, wat de ouderdomsrente betreft, het bedrag van de rente te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 10,8722 indien het een man betreft en met de coëfficiënt 13,1003 indien het een vrouw betreft.
De omzetting van de weduwerente naar hoger genoemd kapitaal, gebeurt overeenkomstig de coëfficiënten voorzien in de bijlage 1 Schaal B gevoegd bij dit besluit.
Hij notificeert aan de gerechtigde het bedrag van de contante waarde van de rente zoals bedoeld in artikel 8, § 3 van de wet.
Het in het vorig lid bedoelde kapitaal wordt bekomen door, wat de ouderdomsrente betreft, het bedrag van de rente te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 10,8722 indien het een man betreft en met de coëfficiënt 13,1003 indien het een vrouw betreft.
De omzetting van de weduwerente naar hoger genoemd kapitaal, gebeurt overeenkomstig de coëfficiënten voorzien in de bijlage 1 Schaal B gevoegd bij dit besluit.
Art. 4. L'Office avisé de la demande de paiement de rente instruit celle-ci et fixe le montant de la rente acquise par l'assuré.
Il notifie au bénéficiaire le montant de la valeur actuelle de la rente tel qu'il est visé à l'article 8, § 3 de la loi.
Le capital visé à l'alinéa précédent est déterminé, en ce qui concerne la rente de vieillesse, en multipliant le montant de la rente elle-même par le coefficient 10,8722 s'il s'agit d'un homme et par le coefficient 13,1003 s'il s'agit d'une femme.
La conversion de la rente de veuve en capital susmentionné s'effectuera conformément aux coefficients prévus à l'annexe 1 Barème B, jointe au présent arrêté.
Il notifie au bénéficiaire le montant de la valeur actuelle de la rente tel qu'il est visé à l'article 8, § 3 de la loi.
Le capital visé à l'alinéa précédent est déterminé, en ce qui concerne la rente de vieillesse, en multipliant le montant de la rente elle-même par le coefficient 10,8722 s'il s'agit d'un homme et par le coefficient 13,1003 s'il s'agit d'une femme.
La conversion de la rente de veuve en capital susmentionné s'effectuera conformément aux coefficients prévus à l'annexe 1 Barème B, jointe au présent arrêté.
Afdeling 3. - Uitbetaling.
Section 3. - Paiement.
Art. 5. Wanneer het jaarbedrag van de rente, eventueel verhoogd met de andere voordelen aan dezelfde gerechtigde uitbetaald door de Rijksdienst, lager is dan 297,47 euro worden de in de loop van het jaar vervallen termijnen in december betaald.
Deze bepaling is niet van toepassing op de achterstallen beoogd bij artikel 6 van dit besluit.
Het vermelde bedrag van 297,47 euro is reeds aangepast aan het spilindexcijfer 367,32 (basis 1966 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen zoals dit geschiedt voor de rustpensioenen bedoeld bij artikel 29bis, § 2, 1e lid, van het koninklijk besluit nr. 50 en 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
Deze bepaling is niet van toepassing op de achterstallen beoogd bij artikel 6 van dit besluit.
Het vermelde bedrag van 297,47 euro is reeds aangepast aan het spilindexcijfer 367,32 (basis 1966 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen zoals dit geschiedt voor de rustpensioenen bedoeld bij artikel 29bis, § 2, 1e lid, van het koninklijk besluit nr. 50 en 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
Art. 5. Si le montant annuel de la rente, le cas échéant augmenté des autres avantages, payés au même bénéficiaire par l'Office, est inférieur à 297,47 euros, les mensuels échus au cours d'une année civile sont liquidés dans le courant du mois de décembre.
Cette disposition n'est pas d'application pour les arrérages visés à l'article 6 du présent arrêté.
Le montant mentionné de 297,47 euros est adapté à l'indice-pivot 367,32 (base 1966 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation comme le sont les pensions de retraite visées à l'article 29bis, § 2, alinéa 1er de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967, relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
Cette disposition n'est pas d'application pour les arrérages visés à l'article 6 du présent arrêté.
Le montant mentionné de 297,47 euros est adapté à l'indice-pivot 367,32 (base 1966 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation comme le sont les pensions de retraite visées à l'article 29bis, § 2, alinéa 1er de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967, relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
Art. 6. In geval van overlijden van de gerechtigde op een rente zijn de bepalingen van artikel 72 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, van toepassing op de vervallen en niet uitbetaalde termijnen.
Art. 6. En cas de décès du bénéficiaire d'une rente, les dispositions de l'article 72 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, sont d'application aux arrérages échus et non payés.
Art. 7. In afwijking van de bepalingen van deze afdeling zijn de wettelijke en reglementaire bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden, van de wijze en van de periodiciteit volgens welke de pensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers worden uitbetaald, toepasselijk op de renten, welke de Rijksdienst uitbetaalt ter uitvoering van artikel 27 van de herstelwet van 10 februari 1981.
Op deze renten zijn evenwel niet toepasselijk, de bepalingen die een schorsing van de pensioenbetaling inhouden, hetzij wegens verblijf in het buitenland, hetzij wegens uitoefening van een beroepsarbeid die door de Koning niet is toegestaan, hetzij wegens opsluiting in een gevangenis of in een gesticht tot bescherming van de maatschappij of ook nog weten hertrouw of omdat de weduwe niet langer de voorwaarden vervult die de toekenning van een overlevingspensioen vóór 45 jaar hebben mogelijk gemaakt.
Op deze renten zijn evenwel niet toepasselijk, de bepalingen die een schorsing van de pensioenbetaling inhouden, hetzij wegens verblijf in het buitenland, hetzij wegens uitoefening van een beroepsarbeid die door de Koning niet is toegestaan, hetzij wegens opsluiting in een gevangenis of in een gesticht tot bescherming van de maatschappij of ook nog weten hertrouw of omdat de weduwe niet langer de voorwaarden vervult die de toekenning van een overlevingspensioen vóór 45 jaar hebben mogelijk gemaakt.
Art. 7. Par dérogation aux dispositions de la présente section, les dispositions légales et réglementaires fixant les conditions auxquelles, les modalités suivant lesquelles et la périodicité selon laquelle les pensions à charge du régime de pension des travailleurs salariés sont payées, sont applicables aux rentes qui sont payées par l'Office en exécution de l'article 27 de la loi de redressement du 10 février 1981.
Ne leur sont toutefois pas applicables les dispositions qui impliquent une suspension du paiement de la pension; soit pour cause de résidence à l'étranger ou de l'exercice d'une activité non autorisée par le Roi, soit pour cause d'incarcération dans une prison ou d'internement dans un établissement de défense sociale, soit pour cause de remariage ou parce que la veuve ne remplit plus les conditions ayant permis l'octroi de la pension de survie avant l'âge de 45 ans.
Ne leur sont toutefois pas applicables les dispositions qui impliquent une suspension du paiement de la pension; soit pour cause de résidence à l'étranger ou de l'exercice d'une activité non autorisée par le Roi, soit pour cause d'incarcération dans une prison ou d'internement dans un établissement de défense sociale, soit pour cause de remariage ou parce que la veuve ne remplit plus les conditions ayant permis l'octroi de la pension de survie avant l'âge de 45 ans.
Art. 8. De renten die voor het eerst toegekend worden ten vroegste van 1 januari 1997 af kunnen pas worden betaald vanaf de datum van de effectieve ingang van het pensioen en voor zover dit pensioen wordt uitbetaald.
Art. 8. Le payement des rentes attribués pour la première fois et au plus tôt à partir du 1er janvier 1997, ne peut être effectué qu'à partir de la date de prise de cours effective de la pension et pour autant que celle-ci soit payée.
Art. 9. § 1. De Rijksdienst vereffent het kapitaal door middel van een enige storting in de loop van de maand waarin het rust- of overlevingspensioen voor de eerste maal wordt betaald.
§ 2. Wat de mannelijke gerechtigden betreft, van wie de rente niet gelijktijdig ingaat met het pensioen, zal het kapitaal worden uitbetaald in de loop van de maand die volgt op deze waarin zij de 65e verjaardag bereiken.
§ 3. De betaling van de in §§ 1 en 2 vermelde bedragen ontlast de Rijksdienst van zijn verplichtingen tegenover de gerechtigde of zijn weduwe.
§ 2. Wat de mannelijke gerechtigden betreft, van wie de rente niet gelijktijdig ingaat met het pensioen, zal het kapitaal worden uitbetaald in de loop van de maand die volgt op deze waarin zij de 65e verjaardag bereiken.
§ 3. De betaling van de in §§ 1 en 2 vermelde bedragen ontlast de Rijksdienst van zijn verplichtingen tegenover de gerechtigde of zijn weduwe.
Art. 9. § 1er. L'Office liquide le capital par un versement unique dans le mois durant lequel la pension de retraite ou de survie est payée pour la première fois.
§ 2. En ce qui concerne les bénéficiaires masculins dont la rente ne prend pas cours en même temps que la pension, le capital sera payé dans le courant du mois qui suit celui au cours duquel ils atteignent l'âge de 65 ans.
§ 3. Le paiement des montants repris aux §§ 1er et 2 libère l'Office de ses obligations vis-à-vis du bénéficiaire ou de sa veuve.
§ 2. En ce qui concerne les bénéficiaires masculins dont la rente ne prend pas cours en même temps que la pension, le capital sera payé dans le courant du mois qui suit celui au cours duquel ils atteignent l'âge de 65 ans.
§ 3. Le paiement des montants repris aux §§ 1er et 2 libère l'Office de ses obligations vis-à-vis du bénéficiaire ou de sa veuve.
Afdeling 4. - Vaststelling van de schalen.
Section 4. - Fixation des barèmes.
Art. 10. De bij dit besluit gevoegde schalen zijn opgemaakt op de navolgende grondslagen :
1° sterftecijfer uitgedrukt in de tabellen H, F en V 1948/54 van de Rijksdienst;
2° jaarlijkse intrestvoet : 4 pct.;
3° lasten van het uitbetalen van de renten : 1 pct. van de renten;
4° uitbetaling van de renten per gelijke maandelijkse twaalfden na verstreken termijn, zonder achterstallen bij overlijden.
1° sterftecijfer uitgedrukt in de tabellen H, F en V 1948/54 van de Rijksdienst;
2° jaarlijkse intrestvoet : 4 pct.;
3° lasten van het uitbetalen van de renten : 1 pct. van de renten;
4° uitbetaling van de renten per gelijke maandelijkse twaalfden na verstreken termijn, zonder achterstallen bij overlijden.
Art. 10. Les barèmes annexés au présent arrêté sont établis sur les bases suivantes :
1° mortalité exprimée par les tables H, F et V 1948/54 de l'Office;
2° taux d'intérêt annuel : 4 p.c.;
3° chargement pour le service des rentes : 1 p.c. des rentes;
4° paiement des rentes par douzième mensuels égaux, à terme échu, sans arriérés en cas de décès.
1° mortalité exprimée par les tables H, F et V 1948/54 de l'Office;
2° taux d'intérêt annuel : 4 p.c.;
3° chargement pour le service des rentes : 1 p.c. des rentes;
4° paiement des rentes par douzième mensuels égaux, à terme échu, sans arriérés en cas de décès.
Art. 11. De wijziging van het bedrag van de rente, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet wordt uitgevoerd overeenkomstig de schalen vastgesteld in de bijlagen 2 en 3.
De vermindering van de rente, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet wordt uitgevoerd overeenkomstig de schalen vastgesteld in de bijlagen 2 en 3.
Het bedrag van de weduwerente en van de overlevingsrente, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet wordt gewijzigd overeenkomstig de schaal vastgesteld in de bijlage 1.
De vermindering van de rente, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet wordt uitgevoerd overeenkomstig de schalen vastgesteld in de bijlagen 2 en 3.
Het bedrag van de weduwerente en van de overlevingsrente, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet wordt gewijzigd overeenkomstig de schaal vastgesteld in de bijlage 1.
Art. 11. La modification du montant de la rente visée à l'article 4, alinéa 2, de la loi est opérée conformément aux barèmes fixés par les annexes 2 et 3.
La diminution de la rente visée à l'article 3, alinéa 2, de la loi est opérée conformément aux barèmes fixés par les annexes 2 et 3.
Le taux de la rente de veuve et de la rente de survie visé à l'article 5, alinéa 2, de la loi est modifié conformément au barème fixé par l'annexe 1.
La diminution de la rente visée à l'article 3, alinéa 2, de la loi est opérée conformément aux barèmes fixés par les annexes 2 et 3.
Le taux de la rente de veuve et de la rente de survie visé à l'article 5, alinéa 2, de la loi est modifié conformément au barème fixé par l'annexe 1.
HOOFDSTUK II. - Aanvullende en bijkomende stortingen.
CHAPITRE II. - Versements complémentaires et supplémentaires.
Art. 12. De wiskundige reserves van de per 1 januari 1968 lopende verzekeringen, beoogd bij artikel 12 van de wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gecoördineerd op 29 juni 2007worden aangewend :
1° tot vestiging van een ouderdomsrente ten gunste van de verzekerde;
2° en, ten behoeve van de mannelijke aangeslotenen, tot verzekering van een kapitaal tot vestiging van een overlevingsrente gelijk aan 50 pct. van de ouderdomsrente in geval van overlijden.
1° tot vestiging van een ouderdomsrente ten gunste van de verzekerde;
2° en, ten behoeve van de mannelijke aangeslotenen, tot verzekering van een kapitaal tot vestiging van een overlevingsrente gelijk aan 50 pct. van de ouderdomsrente in geval van overlijden.
Art. 12. Les réserves mathématiques des assurances en cours au 1er janvier 1968, visées à l'article 12 de la loi réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, coordonnée le 29 juin 2007, sont affectées :
1° à la constitution d'une rente de vieillesse au profit de l'assuré;
2° et, pour les affiliés du sexe masculin, à l'assurance en cas de décès, d'un capital constitutif d'une rente de survivant égale à 50 p.c. de la rente de vieillesse.
1° à la constitution d'une rente de vieillesse au profit de l'assuré;
2° et, pour les affiliés du sexe masculin, à l'assurance en cas de décès, d'un capital constitutif d'une rente de survivant égale à 50 p.c. de la rente de vieillesse.
Art. 13. Het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, is van toepassing op de renten, beoogd bij artikel 14 van voornoemde gecoördineerde wet.
Art. 13. L'arrêté royal du 14 novembre 2003 concernant l'octroi d'avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes visées à l'article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d'un contrat de travail, est applicable aux rentes visées à l'article 14 de la loi coordonnée précitée.
HOOFDSTUK III. - Opheffing en slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions abrogatoires et finales.
Art. 14. Worden opgeheven in het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I, van de wet van 28 mei 1971, tot verwezenlijking van de éénmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1985, 8 mei 1986, 19 oktober 1988, 7 mei 1992, 31 december 1992, 8 juni 1993, 9 september 1993, 19 mei 1995, 4 december 1996 en 11 december 2000 :
1° op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de artikelen 1 tot 12, 13, 2° tot 4°, en 20;
2° op 30 december 2007, de artikelen 13, 1° en 14 tot 19 en de in artikel 13, 1° bedoelde schalen vastgelegd in de bijlagen 1 tot en met 5.
1° op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de artikelen 1 tot 12, 13, 2° tot 4°, en 20;
2° op 30 december 2007, de artikelen 13, 1° en 14 tot 19 en de in artikel 13, 1° bedoelde schalen vastgelegd in de bijlagen 1 tot en met 5.
Art. 14. Sont abrogés, dans l'arrêté royal du 13 septembre 1971 portant exécution du chapitre Ier de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, tel que modifié par les arrêtés royaux des 15 avril 1985, 8 mai 1986, 19 octobre 1988, 7 mai 1992, 31 décembre 1992, 8 juin 1993, 9 septembre 1993, 19 mai 1995, 4 décembre 1996 et 11 décembre 2000 :
1° à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, les articles 1 à 12, 13, 2° à 4°, et 20;
2° au 30 décembre 2007, les articles 13, 1° et 14 à 19 et les barèmes visés à l'article 13, 1° fixés par les annexes 1 à 5 compris.
1° à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, les articles 1 à 12, 13, 2° à 4°, et 20;
2° au 30 décembre 2007, les articles 13, 1° et 14 à 19 et les barèmes visés à l'article 13, 1° fixés par les annexes 1 à 5 compris.
Art. 15. Worden opgeheven op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit :
1° het ministerieel besluit van 24 maart 1972 houdende uitvoering van artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
2° het koninklijk besluit van 9 oktober 1981 tot uitvoering van de artikelen 20, 27, 28 en 38 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 april 1982, 23 juni 1982 en 12 december 1997;
3° het koninklijk besluit van 20 april 1982 tot vaststelling van de wijze van uitbetaling van het jaarlijks bedrag van de met de rijksbijdrage verhoogde rente gevestigd door stortingen van vrijwillig verzekerden in het kader van de samengeordende wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 mei 1987 en 12 oktober 1998;
4° het koninklijk besluit van 31 december 1986 tot uitvoering van artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 415 van 16 juli 1986 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de werknemerspensioenen;
5° het koninklijk besluit van 4 februari 1987 tot uitvoering van artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 415 van 16 juli 1986 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de werknemerspensioenen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 22 december 1995;
6° het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot uitvoering van het hoofdstuk II van de wet van 20 december 1995 houdende sociale bepalingen;
7° het koninklijk besluit van 10 mei 1996 tot uitvoering van artikel 11, 7° en 8° van de wet van 28 mei 1971, tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
8° het koninklijk besluit van 15 april 1997 tot uitvoering van artikel 11, 8°, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
9° het koninklijk besluit van 23 april 1997 tot uitvoering van artikel 18 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
10° het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 23 april 1997 tot uitvoering van artikel 18 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
11° het koninklijk besluit van 12 oktober 1998 tot uitvoering van artikel 11, 8° van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
12° het koninklijk besluit van 11 november 2002 tot uitvoering van artikel 24 van de programmawet van 30 december 2001.
1° het ministerieel besluit van 24 maart 1972 houdende uitvoering van artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
2° het koninklijk besluit van 9 oktober 1981 tot uitvoering van de artikelen 20, 27, 28 en 38 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 april 1982, 23 juni 1982 en 12 december 1997;
3° het koninklijk besluit van 20 april 1982 tot vaststelling van de wijze van uitbetaling van het jaarlijks bedrag van de met de rijksbijdrage verhoogde rente gevestigd door stortingen van vrijwillig verzekerden in het kader van de samengeordende wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 mei 1987 en 12 oktober 1998;
4° het koninklijk besluit van 31 december 1986 tot uitvoering van artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 415 van 16 juli 1986 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de werknemerspensioenen;
5° het koninklijk besluit van 4 februari 1987 tot uitvoering van artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 415 van 16 juli 1986 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de werknemerspensioenen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 22 december 1995;
6° het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot uitvoering van het hoofdstuk II van de wet van 20 december 1995 houdende sociale bepalingen;
7° het koninklijk besluit van 10 mei 1996 tot uitvoering van artikel 11, 7° en 8° van de wet van 28 mei 1971, tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
8° het koninklijk besluit van 15 april 1997 tot uitvoering van artikel 11, 8°, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
9° het koninklijk besluit van 23 april 1997 tot uitvoering van artikel 18 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
10° het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 23 april 1997 tot uitvoering van artikel 18 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
11° het koninklijk besluit van 12 oktober 1998 tot uitvoering van artikel 11, 8° van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
12° het koninklijk besluit van 11 november 2002 tot uitvoering van artikel 24 van de programmawet van 30 december 2001.
Art. 15. Sont abrogés à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté :
1° l'arrêté ministériel du 24 mars 1972 portant exécution de l'article 7, alinéa 2, de l'arrêté royal du 13 septembre 1971 portant exécution du chapitre Ier de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
2° l'arrêté royal du 9 octobre 1981 portant exécution des articles 20, 27, 28 et 38 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, modifié par les arrêtés royaux du 29 avril 1982, 23 juin 1982 et 12 décembre 1997;
3° l'arrêté royal du 20 avril 1982 déterminant le mode de liquidation du montant annuel de la rente, augmentée de la contribution de l'Etat constituée par les versements d'assurés libres dans le cadre des lois coordonnées relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, modifié par les arrêtés royaux des 7 mai 1987 et 12 octobre 1998;
4° l'arrêté royal du 31 décembre 1986 portant exécution de l'article 17 de l'arrêté royal n° 415 du 16 juillet 1986 modifiant certaines dispositions en matière de pensions pour travailleurs salariés;
5° l'arrêté royal du 4 février 1987 portant exécution de l'article 18 de l'arrêté royal n° 415 du 16 juillet 1986 modifiant certaines dispositions en matière de pensions pour travailleurs salariés, modifié par l'arrêté royal du 22 décembre 1995;
6° l'arrêté royal du 22 décembre 1995 portant exécution du chapitre II de la loi du 20 décembre 1995 portant des dispositions sociales;
7° l'arrêté royal du 10 mai 1996 portant exécution de l'article 11, 7° et 8°, de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
8° l'arrêté royal du 15 avril 1997 portant exécution de l'article 11, 8°, de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
9° l'arrêté royal du 23 avril 1997 portant exécution de l'article 18 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
10° l'arrêté royal du 10 août 1998 portant exécution de l'arrêté royal du 23 avril 1997 portant exécution de l'article 18 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
11° l'arrêté royal du 12 octobre 1998 portant exécution de l'article 11, 8°, de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
12° l'arrêté royal du 11 novembre 2002 portant exécution de l'article 24 de la loi-programme du 30 décembre 2001.
1° l'arrêté ministériel du 24 mars 1972 portant exécution de l'article 7, alinéa 2, de l'arrêté royal du 13 septembre 1971 portant exécution du chapitre Ier de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
2° l'arrêté royal du 9 octobre 1981 portant exécution des articles 20, 27, 28 et 38 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, modifié par les arrêtés royaux du 29 avril 1982, 23 juin 1982 et 12 décembre 1997;
3° l'arrêté royal du 20 avril 1982 déterminant le mode de liquidation du montant annuel de la rente, augmentée de la contribution de l'Etat constituée par les versements d'assurés libres dans le cadre des lois coordonnées relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, modifié par les arrêtés royaux des 7 mai 1987 et 12 octobre 1998;
4° l'arrêté royal du 31 décembre 1986 portant exécution de l'article 17 de l'arrêté royal n° 415 du 16 juillet 1986 modifiant certaines dispositions en matière de pensions pour travailleurs salariés;
5° l'arrêté royal du 4 février 1987 portant exécution de l'article 18 de l'arrêté royal n° 415 du 16 juillet 1986 modifiant certaines dispositions en matière de pensions pour travailleurs salariés, modifié par l'arrêté royal du 22 décembre 1995;
6° l'arrêté royal du 22 décembre 1995 portant exécution du chapitre II de la loi du 20 décembre 1995 portant des dispositions sociales;
7° l'arrêté royal du 10 mai 1996 portant exécution de l'article 11, 7° et 8°, de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
8° l'arrêté royal du 15 avril 1997 portant exécution de l'article 11, 8°, de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
9° l'arrêté royal du 23 avril 1997 portant exécution de l'article 18 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
10° l'arrêté royal du 10 août 1998 portant exécution de l'arrêté royal du 23 avril 1997 portant exécution de l'article 18 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
11° l'arrêté royal du 12 octobre 1998 portant exécution de l'article 11, 8°, de la loi du 28 mai 1971, réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
12° l'arrêté royal du 11 novembre 2002 portant exécution de l'article 24 de la loi-programme du 30 décembre 2001.
Art. 16. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 16. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 17. Onze Minister van Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 26 juli 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Leefmilieu en Pensioenen,
B. TOBBACK.
Gegeven te Brussel, 26 juli 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Leefmilieu en Pensioenen,
B. TOBBACK.
Art. 17. Notre Ministre des Pensions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 26 juillet 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Environnement et des Pensions,
B. TOBBACK.
Donné à Bruxelles, le 26 juillet 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Environnement et des Pensions,
B. TOBBACK.