Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° RIZIV : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering zoals bedoeld in artikel 10 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° Dienst : de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV;
3° werkgevers : voor zover zij vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst of het protocol van akkoord bedoeld in artikel 2 :
a) de verzorgingsinstellingen, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° en 13° van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, met uitzondering van de revalidatiecentra die deel uitmaken van een ziekenhuis;
b) de diensten voor thuisverpleging in de privé- sector die zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder het kengetal 911, en de diensten voor thuisverpleging van de openbare sector die zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten onder de omschrijving andere activiteit van de werknemer met waarde = 6';
c) de diensten voor het bloed van het Rode Kruis van België;
d) het Instituut voor veteranen - het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers, opgericht bij de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Instituut voor veteranen - het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers voor het personeel dat tewerkgesteld is in rustoorden voor bejaarden, rust- en verzorgingstehuizen en/of centra voor dagverzorging;
e) de zorgverleners die met de verzekeringsinstellingen een akkoord sluiten waarin de forfaitaire betaling van de verstrekkingen wordt bedongen, zoals voorzien in artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (wijkgezondheidscentra);
4° personeelsleden :
- het verpleegkundig personeel (inclusief de ziekenhuisassistenten en de sociaal verpleegkundigen) en het verzorgend personeel. Onder verzorgend personeel wordt verstaan de werknemers die een overeenkomst hebben als verzorgende en het barema genieten dat hiermee overeenkomt;
- de ambulanciers van de spoeddiensten;
- de laboratoriumtechnologen;
- de technologen van medische beeldvorming;
- de technici van medisch materiaal, inzonderheid in de sterilisatiediensten;
- de medewerkers patiëntenvervoer;
- de opvoeders begeleiders geïntegreerd in de zorgteams;
- de logistieke assistenten;
- de maatschappelijk assistenten en psychologisch assistenten tewerkgesteld in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutisch programma;
- de werknemers bedoeld in artikelen 54bis en 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967;
- de kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten (audiologen) en diëtisten; <KB 2008-10-01/41, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
- de psychologen, orthopedagogen en pedagogen, tewerkgesteld in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutisch programma.
De omschrijving van de kwalificaties verwijst naar de reëel uitgeoefende functie, volgens de bepalingen van het contract.
5° periodes van verantwoorde afwezigheid : periodes van afwezigheid in de periode van tewerkstelling van de werknemer, met een maximale duur van 12 maanden, die aanleiding hebben gegeven tot het betalen van een vergoeding door de werkgever of van een vervangingsinkomen in het kader van een stelsel van sociale zekerheid (arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ziekte of ongeval, zwangerschapsverlof, ouderschapverlof, adoptieverlof, preventief verlof, verwijdering als maatregel ter bescherming van de zwangerschap, arbeidsongeval of beroepsziekte).
6° gelijkgestelde dagen of uren : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de werkgever.
7° niet-gelijkgestelde dagen of uren : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de werkgever. Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
15 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft. (NOTA : opgeheven voor het Vlaams Gewest bij BVR2018-12-07/21, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2019)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-09-2006 en tekstbijwerking tot 10-06-2024)
Titre
15 SEPTEMBRE 2006. - Arrêté royal portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière. (NOTE : abrogé pour la Région flamande par AGF2018-12-07/21, art. 19, 003; En vigueur : 01-01-2019)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-09-2006 et mise à jour au 10-06-2024)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (20)
Texte (20)
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° INAMI : l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 10 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° Service : le Service des soins de santé de l'INAMI;
3° employeurs : pour autant qu'ils relèvent du champ d'application de la convention collective de travail ou du protocole d'accord visés à l'article 2 :
a) les établissements qui dispensent les soins visés à l'article 34, alinéa 1er, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° et 13° de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée, à l'exception des centres de rééducation fonctionnelle intégrés dans un hôpital;
b) les services de soins infirmiers à domicile dans le secteur privé inscrits à l'Office national de sécurité sociale sous le code 911, et les services de soins infirmiers à domicile du secteur public inscrits à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales sous la dénomination autre activité du travailleur avec valeur = 6';
c) les services du sang de la Croix-Rouge de Belgique;
d) l'Institut des vétérans - Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, créé par la loi du 8 août 1981 portant création de l'Institut des vétérans - l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ainsi que du Conseil supérieur des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, pour le personnel employé dans les maisons de repos pour personnes âgées, les maisons de repos et de soins et/ou les centres de soins de jour qui en dépendent;
e) les dispensateurs de soins qui concluent avec les organismes assureurs un accord prévoyant le paiement forfaitaire des prestations, prévu à l'article 52, § 1er, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée (maisons médicales);
4° membres du personnel :
- les praticiens de l'art infirmier (y compris les assistants en soins hospitaliers et les infirmiers sociaux) et le personnel soignant. Par personnel soignant, on entend les travailleurs qui ont un contrat comme aide-soignant et qui bénéficient du barème qui y correspond;
- les ambulanciers des services d'urgence;
- les technologues en laboratoire;
- les technologues en imagerie médicale;
- les techniciens du matériel médical, notamment dans les services de stérilisation;
- les brancardiers;
- les éducateurs accompagnants intégrés dans les équipes de soins;
- les assistants en logistique;
- les assistants sociaux et les assistants en psychologie occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique;
- les travailleurs visés aux articles 54bis et 54ter de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967;
- les kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopèdes (audiologues) et diététiciens; <AR 2008-10-01/41, art. 1, 002; En vigueur : 01-10-2005>
- les psychologues, orthopédagogues et pédagogues, occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique.
La description des qualifications fait référence à la fonction réellement exercée, suivant les dispositions du contrat.
5° périodes d'absences justifiées : périodes d'absences situées dans la période d'occupation du travailleur, d'une durée totale de maximum 12 mois, qui ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur ou d'un revenu de remplacement dans le cadre d'un régime de sécurité sociale (incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident, repos de maternité, congé de paternité, congé d'adoption, congé prophylactique, écartement en tant que mesure de protection de la maternité, accident de travail ou maladie professionnelle).
6° jours ou heures assimilés : les journées ou les heures non prestées mais assimilées dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur.
7° jours ou heures non assimilés : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur. Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
1° INAMI : l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 10 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° Service : le Service des soins de santé de l'INAMI;
3° employeurs : pour autant qu'ils relèvent du champ d'application de la convention collective de travail ou du protocole d'accord visés à l'article 2 :
a) les établissements qui dispensent les soins visés à l'article 34, alinéa 1er, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° et 13° de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée, à l'exception des centres de rééducation fonctionnelle intégrés dans un hôpital;
b) les services de soins infirmiers à domicile dans le secteur privé inscrits à l'Office national de sécurité sociale sous le code 911, et les services de soins infirmiers à domicile du secteur public inscrits à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales sous la dénomination autre activité du travailleur avec valeur = 6';
c) les services du sang de la Croix-Rouge de Belgique;
d) l'Institut des vétérans - Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, créé par la loi du 8 août 1981 portant création de l'Institut des vétérans - l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ainsi que du Conseil supérieur des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, pour le personnel employé dans les maisons de repos pour personnes âgées, les maisons de repos et de soins et/ou les centres de soins de jour qui en dépendent;
e) les dispensateurs de soins qui concluent avec les organismes assureurs un accord prévoyant le paiement forfaitaire des prestations, prévu à l'article 52, § 1er, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée (maisons médicales);
4° membres du personnel :
- les praticiens de l'art infirmier (y compris les assistants en soins hospitaliers et les infirmiers sociaux) et le personnel soignant. Par personnel soignant, on entend les travailleurs qui ont un contrat comme aide-soignant et qui bénéficient du barème qui y correspond;
- les ambulanciers des services d'urgence;
- les technologues en laboratoire;
- les technologues en imagerie médicale;
- les techniciens du matériel médical, notamment dans les services de stérilisation;
- les brancardiers;
- les éducateurs accompagnants intégrés dans les équipes de soins;
- les assistants en logistique;
- les assistants sociaux et les assistants en psychologie occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique;
- les travailleurs visés aux articles 54bis et 54ter de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967;
- les kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopèdes (audiologues) et diététiciens; <AR 2008-10-01/41, art. 1, 002; En vigueur : 01-10-2005>
- les psychologues, orthopédagogues et pédagogues, occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique.
La description des qualifications fait référence à la fonction réellement exercée, suivant les dispositions du contrat.
5° périodes d'absences justifiées : périodes d'absences situées dans la période d'occupation du travailleur, d'une durée totale de maximum 12 mois, qui ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur ou d'un revenu de remplacement dans le cadre d'un régime de sécurité sociale (incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident, repos de maternité, congé de paternité, congé d'adoption, congé prophylactique, écartement en tant que mesure de protection de la maternité, accident de travail ou maladie professionnelle).
6° jours ou heures assimilés : les journées ou les heures non prestées mais assimilées dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur.
7° jours ou heures non assimilés : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur. Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
Art.1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° RIZIV : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering zoals bedoeld in artikel 10 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° Dienst : de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV;
3° werkgevers : voor zover zij vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst of het protocol van akkoord bedoeld in artikel 2 :
a) de verzorgingsinstellingen, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° en 13° van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, met uitzondering van de revalidatiecentra die deel uitmaken van een ziekenhuis;
b) de diensten voor thuisverpleging in de privé- sector die zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder het kengetal 911, en de diensten voor thuisverpleging van de openbare sector die zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten onder de omschrijving andere activiteit van de werknemer met waarde = 6';
c) de diensten voor het bloed van het Rode Kruis van België;
d) het Instituut voor veteranen - het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers, opgericht bij de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Instituut voor veteranen - het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers voor het personeel dat tewerkgesteld is in rustoorden voor bejaarden, rust- en verzorgingstehuizen en/of centra voor dagverzorging;
e) de zorgverleners die met de verzekeringsinstellingen een akkoord sluiten waarin de forfaitaire betaling van de verstrekkingen wordt bedongen, zoals voorzien in artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (wijkgezondheidscentra);
4° personeelsleden :
- het verpleegkundig personeel (inclusief de ziekenhuisassistenten en de sociaal verpleegkundigen) en het verzorgend personeel. Onder verzorgend personeel wordt verstaan de werknemers die een overeenkomst hebben als verzorgende en het barema genieten dat hiermee overeenkomt;
- de ambulanciers van de spoeddiensten;
- de laboratoriumtechnologen;
- de technologen van medische beeldvorming;
- de technici van medisch materiaal, inzonderheid in de sterilisatiediensten;
- de medewerkers patiëntenvervoer;
- de opvoeders begeleiders geïntegreerd in de zorgteams;
- de logistieke assistenten;
- de maatschappelijk assistenten en psychologisch assistenten tewerkgesteld in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutisch programma;
- de werknemers bedoeld in artikelen 54bis en 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967;
- de kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten (audiologen) en diëtisten; <KB 2008-10-01/41, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
- de psychologen, orthopedagogen en pedagogen, tewerkgesteld in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutisch programma.
[1 - de leden van het reactiveringspersoneel zoals bedoeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden.]1
De omschrijving van de kwalificaties verwijst naar de reëel uitgeoefende functie, volgens de bepalingen van het contract.
5° periodes van verantwoorde afwezigheid : periodes van afwezigheid in de periode van tewerkstelling van de werknemer, met een maximale duur van 12 maanden, die aanleiding hebben gegeven tot het betalen van een vergoeding door de werkgever of van een vervangingsinkomen in het kader van een stelsel van sociale zekerheid (arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ziekte of ongeval, zwangerschapsverlof, ouderschapverlof, adoptieverlof, preventief verlof, verwijdering als maatregel ter bescherming van de zwangerschap, arbeidsongeval of beroepsziekte).
6° gelijkgestelde dagen of uren : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de werkgever.
7° niet-gelijkgestelde dagen of uren : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de werkgever. Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° RIZIV : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering zoals bedoeld in artikel 10 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° Dienst : de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV;
3° werkgevers : voor zover zij vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst of het protocol van akkoord bedoeld in artikel 2 :
a) de verzorgingsinstellingen, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° en 13° van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, met uitzondering van de revalidatiecentra die deel uitmaken van een ziekenhuis;
b) de diensten voor thuisverpleging in de privé- sector die zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder het kengetal 911, en de diensten voor thuisverpleging van de openbare sector die zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten onder de omschrijving andere activiteit van de werknemer met waarde = 6';
c) de diensten voor het bloed van het Rode Kruis van België;
d) het Instituut voor veteranen - het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers, opgericht bij de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Instituut voor veteranen - het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers voor het personeel dat tewerkgesteld is in rustoorden voor bejaarden, rust- en verzorgingstehuizen en/of centra voor dagverzorging;
e) de zorgverleners die met de verzekeringsinstellingen een akkoord sluiten waarin de forfaitaire betaling van de verstrekkingen wordt bedongen, zoals voorzien in artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (wijkgezondheidscentra);
4° personeelsleden :
- het verpleegkundig personeel (inclusief de ziekenhuisassistenten en de sociaal verpleegkundigen) en het verzorgend personeel. Onder verzorgend personeel wordt verstaan de werknemers die een overeenkomst hebben als verzorgende en het barema genieten dat hiermee overeenkomt;
- de ambulanciers van de spoeddiensten;
- de laboratoriumtechnologen;
- de technologen van medische beeldvorming;
- de technici van medisch materiaal, inzonderheid in de sterilisatiediensten;
- de medewerkers patiëntenvervoer;
- de opvoeders begeleiders geïntegreerd in de zorgteams;
- de logistieke assistenten;
- de maatschappelijk assistenten en psychologisch assistenten tewerkgesteld in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutisch programma;
- de werknemers bedoeld in artikelen 54bis en 54ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967;
- de kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten (audiologen) en diëtisten; <KB 2008-10-01/41, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
- de psychologen, orthopedagogen en pedagogen, tewerkgesteld in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutisch programma.
[1 - de leden van het reactiveringspersoneel zoals bedoeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden.]1
De omschrijving van de kwalificaties verwijst naar de reëel uitgeoefende functie, volgens de bepalingen van het contract.
5° periodes van verantwoorde afwezigheid : periodes van afwezigheid in de periode van tewerkstelling van de werknemer, met een maximale duur van 12 maanden, die aanleiding hebben gegeven tot het betalen van een vergoeding door de werkgever of van een vervangingsinkomen in het kader van een stelsel van sociale zekerheid (arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ziekte of ongeval, zwangerschapsverlof, ouderschapverlof, adoptieverlof, preventief verlof, verwijdering als maatregel ter bescherming van de zwangerschap, arbeidsongeval of beroepsziekte).
6° gelijkgestelde dagen of uren : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de werkgever.
7° niet-gelijkgestelde dagen of uren : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de werkgever. Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
Modifications
Art.1_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° INAMI : l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 10 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° Service : le Service des soins de santé de l'INAMI;
3° employeurs : pour autant qu'ils relèvent du champ d'application de la convention collective de travail ou du protocole d'accord visés à l'article 2 :
a) les établissements qui dispensent les soins visés à l'article 34, alinéa 1er, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° et 13° de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée, à l'exception des centres de rééducation fonctionnelle intégrés dans un hôpital;
b) les services de soins infirmiers à domicile dans le secteur privé inscrits à l'Office national de sécurité sociale sous le code 911, et les services de soins infirmiers à domicile du secteur public inscrits à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales sous la dénomination autre activité du travailleur avec valeur = 6';
c) les services du sang de la Croix-Rouge de Belgique;
d) l'Institut des vétérans - Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, créé par la loi du 8 août 1981 portant création de l'Institut des vétérans - l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ainsi que du Conseil supérieur des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, pour le personnel employé dans les maisons de repos pour personnes âgées, les maisons de repos et de soins et/ou les centres de soins de jour qui en dépendent;
e) les dispensateurs de soins qui concluent avec les organismes assureurs un accord prévoyant le paiement forfaitaire des prestations, prévu à l'article 52, § 1er, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée (maisons médicales);
4° membres du personnel :
- les praticiens de l'art infirmier (y compris les assistants en soins hospitaliers et les infirmiers sociaux) et le personnel soignant. Par personnel soignant, on entend les travailleurs qui ont un contrat comme aide-soignant et qui bénéficient du barème qui y correspond;
- les ambulanciers des services d'urgence;
- les technologues en laboratoire;
- les technologues en imagerie médicale;
- les techniciens du matériel médical, notamment dans les services de stérilisation;
- les brancardiers;
- les éducateurs accompagnants intégrés dans les équipes de soins;
- les assistants en logistique;
- les assistants sociaux et les assistants en psychologie occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique;
- les travailleurs visés aux articles 54bis et 54ter de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967;
- les kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopèdes (audiologues) et diététiciens; <AR 2008-10-01/41, art. 1, 002; En vigueur : 01-10-2005>
- les psychologues, orthopédagogues et pédagogues, occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique.
[1 - les membres du personnel de réactivation au sens de l'article 4, § 2, de l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées.]1
La description des qualifications fait référence à la fonction réellement exercée, suivant les dispositions du contrat.
5° périodes d'absences justifiées : périodes d'absences situées dans la période d'occupation du travailleur, d'une durée totale de maximum 12 mois, qui ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur ou d'un revenu de remplacement dans le cadre d'un régime de sécurité sociale (incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident, repos de maternité, congé de paternité, congé d'adoption, congé prophylactique, écartement en tant que mesure de protection de la maternité, accident de travail ou maladie professionnelle).
6° jours ou heures assimilés : les journées ou les heures non prestées mais assimilées dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur.
7° jours ou heures non assimilés : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur. Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° INAMI : l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 10 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° Service : le Service des soins de santé de l'INAMI;
3° employeurs : pour autant qu'ils relèvent du champ d'application de la convention collective de travail ou du protocole d'accord visés à l'article 2 :
a) les établissements qui dispensent les soins visés à l'article 34, alinéa 1er, 7°, 8°, 9°, a), 11°, 12° et 13° de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée, à l'exception des centres de rééducation fonctionnelle intégrés dans un hôpital;
b) les services de soins infirmiers à domicile dans le secteur privé inscrits à l'Office national de sécurité sociale sous le code 911, et les services de soins infirmiers à domicile du secteur public inscrits à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales sous la dénomination autre activité du travailleur avec valeur = 6';
c) les services du sang de la Croix-Rouge de Belgique;
d) l'Institut des vétérans - Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, créé par la loi du 8 août 1981 portant création de l'Institut des vétérans - l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ainsi que du Conseil supérieur des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, pour le personnel employé dans les maisons de repos pour personnes âgées, les maisons de repos et de soins et/ou les centres de soins de jour qui en dépendent;
e) les dispensateurs de soins qui concluent avec les organismes assureurs un accord prévoyant le paiement forfaitaire des prestations, prévu à l'article 52, § 1er, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée (maisons médicales);
4° membres du personnel :
- les praticiens de l'art infirmier (y compris les assistants en soins hospitaliers et les infirmiers sociaux) et le personnel soignant. Par personnel soignant, on entend les travailleurs qui ont un contrat comme aide-soignant et qui bénéficient du barème qui y correspond;
- les ambulanciers des services d'urgence;
- les technologues en laboratoire;
- les technologues en imagerie médicale;
- les techniciens du matériel médical, notamment dans les services de stérilisation;
- les brancardiers;
- les éducateurs accompagnants intégrés dans les équipes de soins;
- les assistants en logistique;
- les assistants sociaux et les assistants en psychologie occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique;
- les travailleurs visés aux articles 54bis et 54ter de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967;
- les kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopèdes (audiologues) et diététiciens; <AR 2008-10-01/41, art. 1, 002; En vigueur : 01-10-2005>
- les psychologues, orthopédagogues et pédagogues, occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le programme thérapeutique.
[1 - les membres du personnel de réactivation au sens de l'article 4, § 2, de l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées.]1
La description des qualifications fait référence à la fonction réellement exercée, suivant les dispositions du contrat.
5° périodes d'absences justifiées : périodes d'absences situées dans la période d'occupation du travailleur, d'une durée totale de maximum 12 mois, qui ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur ou d'un revenu de remplacement dans le cadre d'un régime de sécurité sociale (incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident, repos de maternité, congé de paternité, congé d'adoption, congé prophylactique, écartement en tant que mesure de protection de la maternité, accident de travail ou maladie professionnelle).
6° jours ou heures assimilés : les journées ou les heures non prestées mais assimilées dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur.
7° jours ou heures non assimilés : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'employeur. Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
Modifications
Art. 2. De werkgevers hebben recht op een jaarlijkse financiële tegemoetkoming ter vergoeding van de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties in het kader van de eindeloopbaanproblematiek, zoals dit is voorzien in het akkoord voor de gezondheidssector van 26 april 2005, afgesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profit sector, of in het protocol nr. 148/2 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle Overheidsdiensten van 29 juni, 5 juli en 18 juli 2005, voor zover hij onder de toepassing valt van een collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten in het bevoegde paritair comité, of van (een protocol) dat is gesloten in het bevoegde onderhandelingscomité dat is voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. De financiële tegemoetkoming dekt alleen de voordelen die in dit besluit zijn vastgesteld en is enkel mogelijk indien in de collectieve arbeidsovereenkomst of (het protocol) de hierna vermelde voordelen zijn voorzien en indien de betrokken personeelsleden deze voordelen daadwerkelijk genieten : <KB 2008-10-01/41, art. 2, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
1° de voltijdse personeelsleden die de leeftijd van 45, 50 of 55 jaar hebben bereikt, hebben recht op vrijstelling van arbeidsprestaties van respectievelijk 2, 4 of 6 uur per week (ofwel 96, 192 of 288 betaalde uren per jaar). Die vrijstelling treedt in werking op de eerste dag van de maand tijdens welke de voormelde leeftijden zijn bereikt.
De verpleegkundigen kunnen eveneens kiezen voor het behoud van de prestaties dat gepaard gaat met een premie van respectievelijk 5,26 %, 10,52 % of 15,78 % berekend op hun voltijds loon. In geval van een combinatie van opties vanaf de leeftijd van 50 jaar, wordt de tegemoetkoming toegekend op basis van een uitsplitsing in volledige schijven van 2 uur.
De personeelsleden, bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 23 september 2002 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, betreffende de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindloopbaan, die voor bovenvermelde premie hebben gekozen, behouden het recht op die premie;
2° het personeelslid dat deeltijds werkt, heeft recht op een aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties, of eventueel een equivalente premie, gelijk aan de proportionele toepassing van de vrijstelling van arbeidsprestaties of van de premie;
In de private sector, worden de deeltijdse werknemers voorgesteld om, binnen de voorwaarden voorzien door artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst n° 35 van 27 februari 1981 betreffende sommige bepalingen van het arbeidsrecht ten aanzien van de deeltijdse arbeid, de wekelijkse arbeidsduur ingeschreven in hun arbeidsovereenkomst automatisch te verhogen. Zij genieten, eventueel, van de vrijstelling van prestaties op basis van hun nieuw contract.
Ten aanzien van de werknemers van de publieke sector die deeltijds tewerkgesteld zijn en genieten van de maatregelen van eindeloopbaan, is de werkgever ertoe gehouden hen voor te stellen dat de wekelijkse arbeidsduur ingeschreven in hun arbeidsovereenkomst verhoogd wordt a rato van het aantal uren van vrijstelling van prestaties voorzien voor de leeftijdscategorie waartoe ze behoren. Dit voorstel wordt hen door de werkgever voorgesteld drie maanden vóór de datum van intrede in het stelsel van de eindeloopbaan of van hun toegang tot een hoger recht in dat kader. De werknemer is ertoe gehouden uiterlijk één maand vóór zijn intrede tot het stelsel of zijn hoger recht in het kader van de eindeloopbaanregeling, aan de werkgever ofwel zijn akkoord te betekenen omtrent die verhoging ofwel zijn weigering. In dat laatste geval geniet de werknemer van de vermindering van de wekelijkse arbeidsduur van zijn arbeidsprestaties voorzien voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort en dit proportioneel zijn wekelijkse arbeidsduur ten opzichte van een voltijds tewerkgestelde werknemer;
3° worden gelijkgesteld met de personeelsleden, de voltijdse werknemers die gedurende een referentieperiode van 24 maanden die voorafgaat aan de maand waarin zij de leeftijd van 45, 50 of 55 jaar bereiken, minstens 200 uur bij dezelfde werkgever hebben gewerkt in een of meer functies waarvoor ze het supplement voor onregelmatige prestaties (zondag, zaterdag, feestdag, nachtdienst of onderbroken dienst) of om het even welke vergoeding hebben ontvangen in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een protocol van akkoord, of compensatierust hebben genoten tengevolge van die prestaties. De periodes van verantwoorde afwezigheid worden in aanmerking genomen op basis van het gemiddelde van de rest van de referentieperiode.
De werknemer die niet meer aan die voorwaarde voldoet, behoudt de verkregen vrijstelling van prestatie maar kan geen bijkomende vrijstelling van arbeidsprestaties genieten wanneer hij in een volgende leeftijdsklasse terechtkomt.
De werknemers, die gelijkgesteld werden op basis van de bepalingen van artikel 1, 5° van het voornoemde koninklijk besluit van 23 september 2002, en de werknemers die van functie wisselen, behouden hun verworven rechten.
De werknemer die op het ogenblik dat hij 45, 50 of 55 jaar wordt, geen 200 uur onregelmatige prestaties heeft verricht bij dezelfde werknemer of die deze voorwaarde niet meer vervult, treedt toe tot het statuut van gelijkgesteld personeelslid en geniet bijgevolg het recht op de vrijstelling van arbeidsprestaties, op het ogenblik dat die 200 uur verricht is in de loop van een periode van maximum 24 opeenvolgende maanden. De vrijstelling van arbeidsprestaties gaat dan in op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand tijdens welke de werknemer die voorwaarde vervult.
Voor de deeltijdse werknemers worden de uren van onregelmatige prestaties berekend naar rata van de contractuele of statutaire arbeidsduur op het ogenblik dat het recht op de vrijstelling van arbeidsprestaties wordt geopend.
(In afwijking van de bepalingen die voorafgaan, kan ook de werknemer die 200 uur onregelmatige prestaties heeft uitgevoerd bij verschillende werkgevers, die alle geregistreerd zijn op hetzelfde RSZ- of RSZ-PPO-nummer, het statuut van lid van het gelijkgesteld personeel verwerven. Evenzo behoudt de werknemer die van werkgever verandert nadat hij het statuut van lid van het gelijkgesteld personeel heeft verworven, dit statuut indien zijn nieuwe werkgever geregistreerd is op hetzelfde RZS- of RSZ-PPO-nummer als de voorgaande.) <KB 2008-10-01/41, art. 2, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
4° De werknemers die van prestaties worden vrijgesteld, worden altijd beschouwd als werknemers die hun contractuele of statutaire arbeidsduur bewaren.
5° De optie vrijstelling van prestaties is altijd definitief. Het behoud van de prestaties dat gekoppeld is aan een premie, kan daarentegen op elk ogenblik worden omgezet in een vrijstelling van arbeidsprestaties.
1° de voltijdse personeelsleden die de leeftijd van 45, 50 of 55 jaar hebben bereikt, hebben recht op vrijstelling van arbeidsprestaties van respectievelijk 2, 4 of 6 uur per week (ofwel 96, 192 of 288 betaalde uren per jaar). Die vrijstelling treedt in werking op de eerste dag van de maand tijdens welke de voormelde leeftijden zijn bereikt.
De verpleegkundigen kunnen eveneens kiezen voor het behoud van de prestaties dat gepaard gaat met een premie van respectievelijk 5,26 %, 10,52 % of 15,78 % berekend op hun voltijds loon. In geval van een combinatie van opties vanaf de leeftijd van 50 jaar, wordt de tegemoetkoming toegekend op basis van een uitsplitsing in volledige schijven van 2 uur.
De personeelsleden, bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 23 september 2002 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, betreffende de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindloopbaan, die voor bovenvermelde premie hebben gekozen, behouden het recht op die premie;
2° het personeelslid dat deeltijds werkt, heeft recht op een aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties, of eventueel een equivalente premie, gelijk aan de proportionele toepassing van de vrijstelling van arbeidsprestaties of van de premie;
In de private sector, worden de deeltijdse werknemers voorgesteld om, binnen de voorwaarden voorzien door artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst n° 35 van 27 februari 1981 betreffende sommige bepalingen van het arbeidsrecht ten aanzien van de deeltijdse arbeid, de wekelijkse arbeidsduur ingeschreven in hun arbeidsovereenkomst automatisch te verhogen. Zij genieten, eventueel, van de vrijstelling van prestaties op basis van hun nieuw contract.
Ten aanzien van de werknemers van de publieke sector die deeltijds tewerkgesteld zijn en genieten van de maatregelen van eindeloopbaan, is de werkgever ertoe gehouden hen voor te stellen dat de wekelijkse arbeidsduur ingeschreven in hun arbeidsovereenkomst verhoogd wordt a rato van het aantal uren van vrijstelling van prestaties voorzien voor de leeftijdscategorie waartoe ze behoren. Dit voorstel wordt hen door de werkgever voorgesteld drie maanden vóór de datum van intrede in het stelsel van de eindeloopbaan of van hun toegang tot een hoger recht in dat kader. De werknemer is ertoe gehouden uiterlijk één maand vóór zijn intrede tot het stelsel of zijn hoger recht in het kader van de eindeloopbaanregeling, aan de werkgever ofwel zijn akkoord te betekenen omtrent die verhoging ofwel zijn weigering. In dat laatste geval geniet de werknemer van de vermindering van de wekelijkse arbeidsduur van zijn arbeidsprestaties voorzien voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort en dit proportioneel zijn wekelijkse arbeidsduur ten opzichte van een voltijds tewerkgestelde werknemer;
3° worden gelijkgesteld met de personeelsleden, de voltijdse werknemers die gedurende een referentieperiode van 24 maanden die voorafgaat aan de maand waarin zij de leeftijd van 45, 50 of 55 jaar bereiken, minstens 200 uur bij dezelfde werkgever hebben gewerkt in een of meer functies waarvoor ze het supplement voor onregelmatige prestaties (zondag, zaterdag, feestdag, nachtdienst of onderbroken dienst) of om het even welke vergoeding hebben ontvangen in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een protocol van akkoord, of compensatierust hebben genoten tengevolge van die prestaties. De periodes van verantwoorde afwezigheid worden in aanmerking genomen op basis van het gemiddelde van de rest van de referentieperiode.
De werknemer die niet meer aan die voorwaarde voldoet, behoudt de verkregen vrijstelling van prestatie maar kan geen bijkomende vrijstelling van arbeidsprestaties genieten wanneer hij in een volgende leeftijdsklasse terechtkomt.
De werknemers, die gelijkgesteld werden op basis van de bepalingen van artikel 1, 5° van het voornoemde koninklijk besluit van 23 september 2002, en de werknemers die van functie wisselen, behouden hun verworven rechten.
De werknemer die op het ogenblik dat hij 45, 50 of 55 jaar wordt, geen 200 uur onregelmatige prestaties heeft verricht bij dezelfde werknemer of die deze voorwaarde niet meer vervult, treedt toe tot het statuut van gelijkgesteld personeelslid en geniet bijgevolg het recht op de vrijstelling van arbeidsprestaties, op het ogenblik dat die 200 uur verricht is in de loop van een periode van maximum 24 opeenvolgende maanden. De vrijstelling van arbeidsprestaties gaat dan in op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand tijdens welke de werknemer die voorwaarde vervult.
Voor de deeltijdse werknemers worden de uren van onregelmatige prestaties berekend naar rata van de contractuele of statutaire arbeidsduur op het ogenblik dat het recht op de vrijstelling van arbeidsprestaties wordt geopend.
(In afwijking van de bepalingen die voorafgaan, kan ook de werknemer die 200 uur onregelmatige prestaties heeft uitgevoerd bij verschillende werkgevers, die alle geregistreerd zijn op hetzelfde RSZ- of RSZ-PPO-nummer, het statuut van lid van het gelijkgesteld personeel verwerven. Evenzo behoudt de werknemer die van werkgever verandert nadat hij het statuut van lid van het gelijkgesteld personeel heeft verworven, dit statuut indien zijn nieuwe werkgever geregistreerd is op hetzelfde RZS- of RSZ-PPO-nummer als de voorgaande.) <KB 2008-10-01/41, art. 2, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
4° De werknemers die van prestaties worden vrijgesteld, worden altijd beschouwd als werknemers die hun contractuele of statutaire arbeidsduur bewaren.
5° De optie vrijstelling van prestaties is altijd definitief. Het behoud van de prestaties dat gekoppeld is aan een premie, kan daarentegen op elk ogenblik worden omgezet in een vrijstelling van arbeidsprestaties.
Art. 2. Les employeurs ont droit à une intervention financière annuelle en compensation des mesures de dispense de prestations de travail dans le cadre de la problématique de fin de carrière, telle qu'elle est prévue dans l'accord relatif aux secteurs fédéraux de la santé du 26 avril 2005 conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand ou dans le protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin, 5 juillet et 18 juillet 2005, pour autant qu'ils soient soumis à l'application d'une convention collective de travail conclue au sein de la commission paritaire compétente ou de (protocoles) conclus au sein des comités de négociation compétents prévus par la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. L'intervention financière couvre uniquement les avantages prévus par le présent arrêté et n'est possible que si la convention collective de travail ou le (protocole) prévoit les avantages suivants et si les membres du personnel concernés bénéficient effectivement de ces avantages : <AR 2008-10-01/41, art. 2, 1°, 002; En vigueur : 01-10-2005>
1° les membres du personnel à temps plein qui ont atteint l'âge de 45, 50 ou 55 ans ont droit respectivement à une dispense de prestations de leur temps de travail de 2 heures, 4 heures ou 6 heures par semaine (soit 96 heures, 192 heures ou 288 heures payées par an). Cette dispense entre en vigueur à partir du premier jour du mois au cours duquel les âges susmentionnés sont atteints.
Les praticiens de l'art infirmier peuvent également opter pour le maintien des prestations assorti d'une prime de respectivement 5,26 %, 10,52 % ou 15,78 %, calculée sur leur salaire à temps plein. En cas de combinaison d'options à partir de l'âge de 50 ans, l'intervention est accordée sur la base d'une répartition en tranches complètes de 2 heures.
Les membres du personnel visés à l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, qui ont opté pour la prime susvisée, gardent le droit à cette prime;
2° le membre du personnel qui travaille à temps partiel a droit à un nombre d'heures de dispense de prestations égal ou, le cas échéant, à une prime équivalente égale, à l'application proportionnelle de la dispense des prestations de travail ou de la prime.
Dans le secteur privé, les travailleurs occupés à temps partiel se voient proposer d'office d'augmenter la durée hebdomadaire de travail inscrite dans leur contrat, dans les conditions prévues par l'article 4 de la convention collective de travail n° 35 du 27 février 1981 concernant certaines dispositions du droit du travail en matière de travail à temps partiel. Ils bénéficient, le cas échéant, de la dispense de prestations sur base de leur nouveau contrat.
Dans le secteur public, trois mois avant la date d'entrée dans le régime des fins de carrière, ou d'accès à un droit plus élevé dans ce cadre, les membres du personnel occupés à temps partiel qui peuvent bénéficier des mesures susvisées se voient proposer d'office par l'employeur une augmentation de la durée hebdomadaire de travail inscrite dans leur contrat, et ce à concurrence du nombre d'heures de dispense de prestations prévu pour la catégorie d'âge à laquelle ils appartiennent. Au plus tard un mois avant la date d'entrée dans le régime des fins de carrière ou d'accès à un droit plus élevé dans ce cadre, le membre du personnel fait part à son employeur de son accord au sujet de cette augmentation de la durée hebdomadaire de travail, ou de son refus. Dans ce dernier cas, le travailleur bénéficie de la réduction de la durée hebdomadaire de ses prestations prévue pour la catégorie d'âge à laquelle il appartient au prorata de la durée hebdomadaire de travail inscrite dans son contrat de travail;
3° sont assimilés aux membres du personnel les travailleurs à temps plein qui, pendant une période de référence de 24 mois précédant le mois au cours duquel ils atteignent l'âge de 45, 50 ou 55 ans, ont travaillé au moins 200 heures chez le même employeur, dans une seule ou plusieurs fonctions, pour lesquelles ils ont perçu le supplément pour prestations irrégulières (dimanche, samedi, jour férié, service de nuit ou services interrompus) ou toute autre indemnité relevant d'une convention collective de travail ou d'un protocole d'accord, ou ont bénéficié d'un repos compensatoire suite à ces prestations. Les périodes d'absences justifiées sont prises en compte sur base de la moyenne du reste de la période de référence.
Le travailleur qui ne satisfait plus à cette condition conserve la dispense de prestations de travail acquise mais ne peut bénéficier d'une dispense supplémentaire de prestations lors d'un saut d'âge ultérieur.
Les travailleurs assimilés sur base des dispositions de l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 précité et les travailleurs qui changent de fonction, gardent leurs droits acquis.
Le travailleur qui, au moment où il atteint l'âge de 45, 50 ou 55 ans, n'a pas effectué 200 heures de prestations irrégulières chez le même employeur, ou qui ne satisfait plus à cette condition, accède au statut de membre du personnel assimilé, et donc au droit à la dispense de prestations de travail, au moment où il a effectué ces 200 heures au cours d'une période de maximum 24 mois consécutifs. La dispense de prestations de travail prend alors cours le premier jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel le travailleur remplit cette condition.
Pour les travailleurs à temps partiel, les heures de prestations irrégulières sont calculées au prorata de la durée de travail contractuelle ou statutaire au moment où s'ouvre le droit à la dispense de prestations de travail.
(Par dérogation aux dispositions qui précèdent, le travailleur qui a effectué 200 heures de prestations irrégulières chez des employeurs différents, mais qui sont tous enregistrés sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL, peut également accéder au statut de membre du personnel assimilé. De même, le travailleur qui change d'employeur après avoir accédé au statut de membre du personnel assimilé, conserve ce statut si son nouvel employeur est enregistré sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL que le précédent.) <AR 2008-10-01/41, art. 2, 2°, 002; En vigueur : 01-10-2005>
4° Les travailleurs dispensés de prestations sont toujours considérés comme des travailleurs qui conservent leur durée contractuelle ou statutaire de travail.
5° L'option de la dispense de prestations est toujours définitive. Par contre, le maintien des prestations assorti d'une prime peut être converti à tout moment en dispense de prestations de travail.
1° les membres du personnel à temps plein qui ont atteint l'âge de 45, 50 ou 55 ans ont droit respectivement à une dispense de prestations de leur temps de travail de 2 heures, 4 heures ou 6 heures par semaine (soit 96 heures, 192 heures ou 288 heures payées par an). Cette dispense entre en vigueur à partir du premier jour du mois au cours duquel les âges susmentionnés sont atteints.
Les praticiens de l'art infirmier peuvent également opter pour le maintien des prestations assorti d'une prime de respectivement 5,26 %, 10,52 % ou 15,78 %, calculée sur leur salaire à temps plein. En cas de combinaison d'options à partir de l'âge de 50 ans, l'intervention est accordée sur la base d'une répartition en tranches complètes de 2 heures.
Les membres du personnel visés à l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, qui ont opté pour la prime susvisée, gardent le droit à cette prime;
2° le membre du personnel qui travaille à temps partiel a droit à un nombre d'heures de dispense de prestations égal ou, le cas échéant, à une prime équivalente égale, à l'application proportionnelle de la dispense des prestations de travail ou de la prime.
Dans le secteur privé, les travailleurs occupés à temps partiel se voient proposer d'office d'augmenter la durée hebdomadaire de travail inscrite dans leur contrat, dans les conditions prévues par l'article 4 de la convention collective de travail n° 35 du 27 février 1981 concernant certaines dispositions du droit du travail en matière de travail à temps partiel. Ils bénéficient, le cas échéant, de la dispense de prestations sur base de leur nouveau contrat.
Dans le secteur public, trois mois avant la date d'entrée dans le régime des fins de carrière, ou d'accès à un droit plus élevé dans ce cadre, les membres du personnel occupés à temps partiel qui peuvent bénéficier des mesures susvisées se voient proposer d'office par l'employeur une augmentation de la durée hebdomadaire de travail inscrite dans leur contrat, et ce à concurrence du nombre d'heures de dispense de prestations prévu pour la catégorie d'âge à laquelle ils appartiennent. Au plus tard un mois avant la date d'entrée dans le régime des fins de carrière ou d'accès à un droit plus élevé dans ce cadre, le membre du personnel fait part à son employeur de son accord au sujet de cette augmentation de la durée hebdomadaire de travail, ou de son refus. Dans ce dernier cas, le travailleur bénéficie de la réduction de la durée hebdomadaire de ses prestations prévue pour la catégorie d'âge à laquelle il appartient au prorata de la durée hebdomadaire de travail inscrite dans son contrat de travail;
3° sont assimilés aux membres du personnel les travailleurs à temps plein qui, pendant une période de référence de 24 mois précédant le mois au cours duquel ils atteignent l'âge de 45, 50 ou 55 ans, ont travaillé au moins 200 heures chez le même employeur, dans une seule ou plusieurs fonctions, pour lesquelles ils ont perçu le supplément pour prestations irrégulières (dimanche, samedi, jour férié, service de nuit ou services interrompus) ou toute autre indemnité relevant d'une convention collective de travail ou d'un protocole d'accord, ou ont bénéficié d'un repos compensatoire suite à ces prestations. Les périodes d'absences justifiées sont prises en compte sur base de la moyenne du reste de la période de référence.
Le travailleur qui ne satisfait plus à cette condition conserve la dispense de prestations de travail acquise mais ne peut bénéficier d'une dispense supplémentaire de prestations lors d'un saut d'âge ultérieur.
Les travailleurs assimilés sur base des dispositions de l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 précité et les travailleurs qui changent de fonction, gardent leurs droits acquis.
Le travailleur qui, au moment où il atteint l'âge de 45, 50 ou 55 ans, n'a pas effectué 200 heures de prestations irrégulières chez le même employeur, ou qui ne satisfait plus à cette condition, accède au statut de membre du personnel assimilé, et donc au droit à la dispense de prestations de travail, au moment où il a effectué ces 200 heures au cours d'une période de maximum 24 mois consécutifs. La dispense de prestations de travail prend alors cours le premier jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel le travailleur remplit cette condition.
Pour les travailleurs à temps partiel, les heures de prestations irrégulières sont calculées au prorata de la durée de travail contractuelle ou statutaire au moment où s'ouvre le droit à la dispense de prestations de travail.
(Par dérogation aux dispositions qui précèdent, le travailleur qui a effectué 200 heures de prestations irrégulières chez des employeurs différents, mais qui sont tous enregistrés sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL, peut également accéder au statut de membre du personnel assimilé. De même, le travailleur qui change d'employeur après avoir accédé au statut de membre du personnel assimilé, conserve ce statut si son nouvel employeur est enregistré sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL que le précédent.) <AR 2008-10-01/41, art. 2, 2°, 002; En vigueur : 01-10-2005>
4° Les travailleurs dispensés de prestations sont toujours considérés comme des travailleurs qui conservent leur durée contractuelle ou statutaire de travail.
5° L'option de la dispense de prestations est toujours définitive. Par contre, le maintien des prestations assorti d'une prime peut être converti à tout moment en dispense de prestations de travail.
Art. 3. In geval van vrijstelling van arbeidsprestaties is de financiële tegemoetkoming slechts mogelijk als die vrijstelling wordt gecompenseerd door een nieuwe aanwerving of een verhoging van het aantal arbeidsuren van een personeelslid.
De voltijdse werknemers die van de voornoemde voordelen genieten en de werknemers die in het kader van het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld met toepassing van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, komen niet in aanmerking voor die compensatie.
(De aanwerving van een werknemer, die binnen een periode van drie maand na beëindiging van een arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever of bij verschillende werkgevers, die alle geregistreerd zijn op hetzelfde RSZ- of RSZ-PPO-nummer, zonder verhoging van het aantal arbeidsuren wordt tewerkgesteld, wordt niet als een nieuwe aanwerving beschouwd.) <KB 2008-10-01/41, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
De voltijdse werknemers die van de voornoemde voordelen genieten en de werknemers die in het kader van het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld met toepassing van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, komen niet in aanmerking voor die compensatie.
(De aanwerving van een werknemer, die binnen een periode van drie maand na beëindiging van een arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever of bij verschillende werkgevers, die alle geregistreerd zijn op hetzelfde RSZ- of RSZ-PPO-nummer, zonder verhoging van het aantal arbeidsuren wordt tewerkgesteld, wordt niet als een nieuwe aanwerving beschouwd.) <KB 2008-10-01/41, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 3. En cas de dispense des prestations de travail, l'intervention financière n'est possible que si cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
Les travailleurs à temps plein qui bénéficient des avantages susvisés, les travailleurs déjà financés dans le cadre de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, ainsi que les contractuels subventionnés, mis au travail en application de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ne sont pas pris en considération pour cette compensation.
(L'engagement d'un travailleur, dans les trois mois qui suivent la fin de son contrat de travail chez le même employeur ou chez des employeurs différents, mais qui sont tous enregistrés sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL, sans augmentation de son nombre d'heures de travail, n'est pas considéré comme un nouvel engagement.) <AR 2008-10-01/41, art. 3, 002; En vigueur : 01-01-2009>
Les travailleurs à temps plein qui bénéficient des avantages susvisés, les travailleurs déjà financés dans le cadre de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, ainsi que les contractuels subventionnés, mis au travail en application de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ne sont pas pris en considération pour cette compensation.
(L'engagement d'un travailleur, dans les trois mois qui suivent la fin de son contrat de travail chez le même employeur ou chez des employeurs différents, mais qui sont tous enregistrés sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL, sans augmentation de son nombre d'heures de travail, n'est pas considéré comme un nouvel engagement.) <AR 2008-10-01/41, art. 3, 002; En vigueur : 01-01-2009>
Art.3_WAALS_GEWEST.
In geval van vrijstelling van arbeidsprestaties is de financiële tegemoetkoming slechts mogelijk als die vrijstelling wordt gecompenseerd door een nieuwe aanwerving of een verhoging van het aantal arbeidsuren van een personeelslid.
De voltijdse werknemers die van de voornoemde voordelen genieten en de werknemers die in het kader van het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld met toepassing van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, komen niet in aanmerking voor die compensatie.
[1 ...]1
In geval van vrijstelling van arbeidsprestaties is de financiële tegemoetkoming slechts mogelijk als die vrijstelling wordt gecompenseerd door een nieuwe aanwerving of een verhoging van het aantal arbeidsuren van een personeelslid.
De voltijdse werknemers die van de voornoemde voordelen genieten en de werknemers die in het kader van het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld met toepassing van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, komen niet in aanmerking voor die compensatie.
[1 ...]1
Art.3_REGION_WALLONNE.
En cas de dispense des prestations de travail, l'intervention financière n'est possible que si cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
Les travailleurs à temps plein qui bénéficient des avantages susvisés, les travailleurs déjà financés dans le cadre de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, ainsi que les contractuels subventionnés, mis au travail en application de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ne sont pas pris en considération pour cette compensation.
[1 ...]1
En cas de dispense des prestations de travail, l'intervention financière n'est possible que si cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
Les travailleurs à temps plein qui bénéficient des avantages susvisés, les travailleurs déjà financés dans le cadre de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, ainsi que les contractuels subventionnés, mis au travail en application de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ne sont pas pris en considération pour cette compensation.
[1 ...]1
Modifications
Modifications
Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. In geval van vrijstelling van arbeidsprestaties is de financiële tegemoetkoming slechts mogelijk als die vrijstelling wordt gecompenseerd door een nieuwe aanwerving of een verhoging van het aantal arbeidsuren van een personeelslid.
De voltijdse werknemers die van de voornoemde voordelen genieten en de werknemers die in het kader van het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld met toepassing van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, komen niet in aanmerking voor die compensatie.
(De aanwerving van een werknemer, die binnen een periode van drie maand na beëindiging van een arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever of bij verschillende werkgevers, die alle geregistreerd zijn op hetzelfde RSZ- of RSZ-PPO-nummer, zonder verhoging van het aantal arbeidsuren wordt tewerkgesteld, wordt niet als een nieuwe aanwerving beschouwd [1 behalve als de overeenkomst waarvan sprake een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur betreft of een vervangingsovereenkomst en als de aanwerving gebeurt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur]1.) <KB 2008-10-01/41, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
De voltijdse werknemers die van de voornoemde voordelen genieten en de werknemers die in het kader van het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld met toepassing van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, komen niet in aanmerking voor die compensatie.
(De aanwerving van een werknemer, die binnen een periode van drie maand na beëindiging van een arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever of bij verschillende werkgevers, die alle geregistreerd zijn op hetzelfde RSZ- of RSZ-PPO-nummer, zonder verhoging van het aantal arbeidsuren wordt tewerkgesteld, wordt niet als een nieuwe aanwerving beschouwd [1 behalve als de overeenkomst waarvan sprake een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur betreft of een vervangingsovereenkomst en als de aanwerving gebeurt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur]1.) <KB 2008-10-01/41, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art.3_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
En cas de dispense des prestations de travail, l'intervention financière n'est possible que si cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
Les travailleurs à temps plein qui bénéficient des avantages susvisés, les travailleurs déjà financés dans le cadre de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, ainsi que les contractuels subventionnés, mis au travail en application de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ne sont pas pris en considération pour cette compensation.
(L'engagement d'un travailleur, dans les trois mois qui suivent la fin de son contrat de travail chez le même employeur ou chez des employeurs différents, mais qui sont tous enregistrés sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL, sans augmentation de son nombre d'heures de travail, n'est pas considéré comme un nouvel engagement [1 sauf si le contrat dont il est fait mention est un contrat de travail à durée déterminée ou de remplacement et que l'engagement se fait dans le cadre d'un contrat à durée indéterminée]1.) <AR 2008-10-01/41, art. 3, 002; En vigueur : 01-01-2009>
En cas de dispense des prestations de travail, l'intervention financière n'est possible que si cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
Les travailleurs à temps plein qui bénéficient des avantages susvisés, les travailleurs déjà financés dans le cadre de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, ainsi que les contractuels subventionnés, mis au travail en application de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ne sont pas pris en considération pour cette compensation.
(L'engagement d'un travailleur, dans les trois mois qui suivent la fin de son contrat de travail chez le même employeur ou chez des employeurs différents, mais qui sont tous enregistrés sous le même numéro ONSS ou ONSS-APL, sans augmentation de son nombre d'heures de travail, n'est pas considéré comme un nouvel engagement [1 sauf si le contrat dont il est fait mention est un contrat de travail à durée déterminée ou de remplacement et que l'engagement se fait dans le cadre d'un contrat à durée indéterminée]1.) <AR 2008-10-01/41, art. 3, 002; En vigueur : 01-01-2009>
Modifications
Modifications
Art. 4. § 1. Op verzoek van de Dienst delen de werkgevers hem de volgende gegevens per trimester mee :
1° gegevens met betrekking tot de instelling of dienst :
a) het statuut;
b) het RSZ of RSZ-PPO nummer;
c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
2° gegevens per personeelslid in een bepaalde functie; het betreft de personeelsleden die in het jaar waarvoor de tegemoetkoming wordt bepaald, minstens 44 jaar zijn geworden :
a) naam en voornaam;
b) inschrijvingsnummer in het Rijksregister;
c) het aantal te presteren uren per week zoals blijkt uit de arbeidsovereenkomst of de individuele benoemingsakte, verricht in de functie die het voordeel van de in dit besluit bedoelde maatregel verantwoordt met begin- en einddatum waarop dit aantal uren van toepassing is;
d) indien het gaat om een nieuw personeelslid of indien een einde werd gesteld aan de tewerkstelling : de begin- en/of einddatum;
e) per personeelslid het aantal gepresteerde en gelijkgestelde dagen en voor de periode van deeltijdse tewerkstelling het aantal gepresteerde en gelijkgestelde uren;
f) per betrokken personeelslid de optie voor vrijstelling van arbeidsprestaties en/of het behoud van de arbeidsduur met het recht op een premie als tegenwaarde en de periode waarvoor deze optie van toepassing is;
g) per personeelslid de beroepskwalificatie en de baremieke anciënniteit;
h) voor de gelijkgestelde personeelsleden daarenboven de gegevens waaruit blijkt dat deze personeelsleden voldoen aan de in artikel 2, 3° bepaalde voorwaarden;
i) aantal niet-gelijkgestelde dagen of uren;
3° gegevens in verband met de compensatie van vrijstelling van arbeidsprestaties waaruit blijkt dat de vrijstelling van arbeidsprestaties werd gecompenseerd door een nieuwe aanwerving of door een verhoging van de wekelijkse arbeidsduur van een andere werknemer :
a) naam, voornaam en beroepskwalificatie van de werknemer;
b) (inschrijvingsnummer in het Rijksregister) van de werknemer; <KB 2008-10-01/41, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
c) het aantal uren van de nieuwe of bijkomende tewerkstelling en de aanvangsdatum en eventueel de einddatum ervan;
d) als de Dienst erom verzoekt, een afschrift van de arbeidsovereenkomst of afschrift van de benoemingsakte van de inrichtende macht ingeval het om een openbare dienst gaat. Uit dit afschrift moet blijken dat de nieuwe of bijkomende tewerkstelling, zoals vermeld in punt c), het gevolg is van de compensatie van de vrijstelling van arbeidsprestaties;
e) als de Dienst erom verzoekt, een kopie van de RSZ-aangifte of van de RSZ-PPO-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen;
f) als de Dienst erom verzoekt, het bewijs dat de voordelen zoals bedoeld in artikel 2 worden toegepast.
§ 2. De werkgevers moeten elk trimester de gegevens, zoals bedoeld in § 1, betreffende de elektronische vragenlijst die door de Dienst ter beschikking wordt gesteld, bezorgen of bijwerken, en dit uiterlijk op het einde van het trimester dat volgt op dat waarop ze betrekking hebben.
Tegelijk met het overmaken van de elektronische drager, moet de werkgever met een aangetekend schrijven, gericht aan de leidend ambtenaar van de Dienst, zich verbinden om de eventueel te veel betaalde voorlopige tegemoetkomingen, zoals die zijn voorzien in artikel 6, terug te storten aan het RIZIV indien blijkt dat de recuperatie ervan op geen andere wijze kan gebeuren. In datzelfde schrijven verklaart de werkgever dat de gegevens die zijn overgemaakt via elektronische drager correct en volledig zijn.
Als de gegevens bedoeld in § 1 niet worden bezorgd binnen de toegemeten termijn en als de instelling niet binnen de vijftien dagen antwoordt op de herinneringsbrief die de Dienst haar stuurt, kan de Dienst de terugbetaling eisen van de voorlopige tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7.
1° gegevens met betrekking tot de instelling of dienst :
a) het statuut;
b) het RSZ of RSZ-PPO nummer;
c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
2° gegevens per personeelslid in een bepaalde functie; het betreft de personeelsleden die in het jaar waarvoor de tegemoetkoming wordt bepaald, minstens 44 jaar zijn geworden :
a) naam en voornaam;
b) inschrijvingsnummer in het Rijksregister;
c) het aantal te presteren uren per week zoals blijkt uit de arbeidsovereenkomst of de individuele benoemingsakte, verricht in de functie die het voordeel van de in dit besluit bedoelde maatregel verantwoordt met begin- en einddatum waarop dit aantal uren van toepassing is;
d) indien het gaat om een nieuw personeelslid of indien een einde werd gesteld aan de tewerkstelling : de begin- en/of einddatum;
e) per personeelslid het aantal gepresteerde en gelijkgestelde dagen en voor de periode van deeltijdse tewerkstelling het aantal gepresteerde en gelijkgestelde uren;
f) per betrokken personeelslid de optie voor vrijstelling van arbeidsprestaties en/of het behoud van de arbeidsduur met het recht op een premie als tegenwaarde en de periode waarvoor deze optie van toepassing is;
g) per personeelslid de beroepskwalificatie en de baremieke anciënniteit;
h) voor de gelijkgestelde personeelsleden daarenboven de gegevens waaruit blijkt dat deze personeelsleden voldoen aan de in artikel 2, 3° bepaalde voorwaarden;
i) aantal niet-gelijkgestelde dagen of uren;
3° gegevens in verband met de compensatie van vrijstelling van arbeidsprestaties waaruit blijkt dat de vrijstelling van arbeidsprestaties werd gecompenseerd door een nieuwe aanwerving of door een verhoging van de wekelijkse arbeidsduur van een andere werknemer :
a) naam, voornaam en beroepskwalificatie van de werknemer;
b) (inschrijvingsnummer in het Rijksregister) van de werknemer; <KB 2008-10-01/41, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
c) het aantal uren van de nieuwe of bijkomende tewerkstelling en de aanvangsdatum en eventueel de einddatum ervan;
d) als de Dienst erom verzoekt, een afschrift van de arbeidsovereenkomst of afschrift van de benoemingsakte van de inrichtende macht ingeval het om een openbare dienst gaat. Uit dit afschrift moet blijken dat de nieuwe of bijkomende tewerkstelling, zoals vermeld in punt c), het gevolg is van de compensatie van de vrijstelling van arbeidsprestaties;
e) als de Dienst erom verzoekt, een kopie van de RSZ-aangifte of van de RSZ-PPO-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen;
f) als de Dienst erom verzoekt, het bewijs dat de voordelen zoals bedoeld in artikel 2 worden toegepast.
§ 2. De werkgevers moeten elk trimester de gegevens, zoals bedoeld in § 1, betreffende de elektronische vragenlijst die door de Dienst ter beschikking wordt gesteld, bezorgen of bijwerken, en dit uiterlijk op het einde van het trimester dat volgt op dat waarop ze betrekking hebben.
Tegelijk met het overmaken van de elektronische drager, moet de werkgever met een aangetekend schrijven, gericht aan de leidend ambtenaar van de Dienst, zich verbinden om de eventueel te veel betaalde voorlopige tegemoetkomingen, zoals die zijn voorzien in artikel 6, terug te storten aan het RIZIV indien blijkt dat de recuperatie ervan op geen andere wijze kan gebeuren. In datzelfde schrijven verklaart de werkgever dat de gegevens die zijn overgemaakt via elektronische drager correct en volledig zijn.
Als de gegevens bedoeld in § 1 niet worden bezorgd binnen de toegemeten termijn en als de instelling niet binnen de vijftien dagen antwoordt op de herinneringsbrief die de Dienst haar stuurt, kan de Dienst de terugbetaling eisen van de voorlopige tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7.
Art. 4. § 1er. A la demande du Service, les employeurs lui communiquent les données suivantes par trimestre :
1° données concernant l'établissement ou le service :
a) le statut;
b) le numéro de l'ONSS ou de l'ONSS-APL;
c) la durée moyenne de travail hebdomadaire pour prestations à temps plein;
2° données par membre du personnel dans une fonction déterminée; il s'agit des membres du personnel qui ont atteint l'âge d'au moins 44 ans dans l'année pour laquelle l'intervention est fixée :
a) nom et prénom;
b) numéro d'inscription au Registre national;
c) le nombre d'heures de prestations de travail par semaine, fixé dans le contrat de travail ou dans l'acte de nomination individuel, effectuées dans la fonction justifiant l'avantage de la mesure visée dans le présent arrêté, avec la date de début et de fin de l'application de ce nombre d'heures;
d) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il a été mis fin à l'occupation, la date de début et/ou de fin;
e) par membre du personnel, le nombre de journées prestées et assimilées et pour la période d'emploi à temps partiel le nombre d'heures prestées et assimilées;
f) pour les membres du personnel concernés, l'option de dispense des prestations de travail et/ou le maintien de la durée du travail avec le droit à une prime en contrepartie et la période pour laquelle cette option est applicable;
g) par membre du personnel, la qualification professionnelle et l'ancienneté de barème;
h) pour les membres du personnel assimilé, également les données d'où il ressort que ces membres du personnel satisfont aux conditions fixées à l'article 2, 3°;
i) le nombre de jours ou heures non assimilés;
3° les données concernant la compensation pour la dispense des prestations de travail, d'où il ressort que la dispense des prestations de travail a été compensée par un nouvel engagement ou par l'augmentation de la durée du travail hebdomadaire d'un autre travailleur :
a) nom, prénom et qualification professionnelle du travailleur;
b) (numéro d'inscription au Registre national); <AR 2008-10-01/41, art. 4, 002; En vigueur : 01-01-2009>
c) le nombre d'heures de l'occupation nouvelle ou supplémentaire et la date de début ainsi que, le cas échéant, la date de fin de l'occupation supplémentaire;
d) si le Service en fait la demande, la copie du contrat de travail ou la copie de l'acte de nomination du pouvoir organisateur s'il s'agit d'un service public. Cette copie doit faire apparaître que l'occupation nouvelle ou supplémentaire mentionnée au point c) résulte de la compensation de la dispense de prestations de travail;
e) si le Service en fait la demande, une copie de la déclaration ONSS ou ONSS-APL comportant l'effectif du personnel;
f) si le Service en fait la demande, la preuve que les avantages visés à l'article 2 sont bien appliqués.
§ 2. Les employeurs transmettent ou mettent à jour chaque trimestre les données visées au § 1er sur un questionnaire électronique, mis à leur disposition par le Service, au plus tard à la fin du trimestre suivant celui auquel elles se rapportent.
En même temps que la transmission du support électronique, l'employeur s'engage, par lettre recommandée adressée au fonctionnaire dirigeant du Service, à reverser à l'INAMI les interventions provisoires visées à l'article 6 éventuellement payées en trop, s'il apparaît que la récupération ne peut être effectuée d'une autre manière. Dans cette même lettre, l'employeur déclare que les données transmises par support électronique sont correctes et complètes.
Si les données visées au § 1er ne sont pas transmises dans le délai imparti et si l'institution ne répond pas dans les quinze jours au rappel que lui envoie le Service, celui-ci peut exiger le remboursement des interventions provisoires visées à l'article 7.
1° données concernant l'établissement ou le service :
a) le statut;
b) le numéro de l'ONSS ou de l'ONSS-APL;
c) la durée moyenne de travail hebdomadaire pour prestations à temps plein;
2° données par membre du personnel dans une fonction déterminée; il s'agit des membres du personnel qui ont atteint l'âge d'au moins 44 ans dans l'année pour laquelle l'intervention est fixée :
a) nom et prénom;
b) numéro d'inscription au Registre national;
c) le nombre d'heures de prestations de travail par semaine, fixé dans le contrat de travail ou dans l'acte de nomination individuel, effectuées dans la fonction justifiant l'avantage de la mesure visée dans le présent arrêté, avec la date de début et de fin de l'application de ce nombre d'heures;
d) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il a été mis fin à l'occupation, la date de début et/ou de fin;
e) par membre du personnel, le nombre de journées prestées et assimilées et pour la période d'emploi à temps partiel le nombre d'heures prestées et assimilées;
f) pour les membres du personnel concernés, l'option de dispense des prestations de travail et/ou le maintien de la durée du travail avec le droit à une prime en contrepartie et la période pour laquelle cette option est applicable;
g) par membre du personnel, la qualification professionnelle et l'ancienneté de barème;
h) pour les membres du personnel assimilé, également les données d'où il ressort que ces membres du personnel satisfont aux conditions fixées à l'article 2, 3°;
i) le nombre de jours ou heures non assimilés;
3° les données concernant la compensation pour la dispense des prestations de travail, d'où il ressort que la dispense des prestations de travail a été compensée par un nouvel engagement ou par l'augmentation de la durée du travail hebdomadaire d'un autre travailleur :
a) nom, prénom et qualification professionnelle du travailleur;
b) (numéro d'inscription au Registre national); <AR 2008-10-01/41, art. 4, 002; En vigueur : 01-01-2009>
c) le nombre d'heures de l'occupation nouvelle ou supplémentaire et la date de début ainsi que, le cas échéant, la date de fin de l'occupation supplémentaire;
d) si le Service en fait la demande, la copie du contrat de travail ou la copie de l'acte de nomination du pouvoir organisateur s'il s'agit d'un service public. Cette copie doit faire apparaître que l'occupation nouvelle ou supplémentaire mentionnée au point c) résulte de la compensation de la dispense de prestations de travail;
e) si le Service en fait la demande, une copie de la déclaration ONSS ou ONSS-APL comportant l'effectif du personnel;
f) si le Service en fait la demande, la preuve que les avantages visés à l'article 2 sont bien appliqués.
§ 2. Les employeurs transmettent ou mettent à jour chaque trimestre les données visées au § 1er sur un questionnaire électronique, mis à leur disposition par le Service, au plus tard à la fin du trimestre suivant celui auquel elles se rapportent.
En même temps que la transmission du support électronique, l'employeur s'engage, par lettre recommandée adressée au fonctionnaire dirigeant du Service, à reverser à l'INAMI les interventions provisoires visées à l'article 6 éventuellement payées en trop, s'il apparaît que la récupération ne peut être effectuée d'une autre manière. Dans cette même lettre, l'employeur déclare que les données transmises par support électronique sont correctes et complètes.
Si les données visées au § 1er ne sont pas transmises dans le délai imparti et si l'institution ne répond pas dans les quinze jours au rappel que lui envoie le Service, celui-ci peut exiger le remboursement des interventions provisoires visées à l'article 7.
Art. 5. <KB 2008-10-01/41, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. De in artikel 2 bedoelde tegemoetkoming wordt door de Dienst berekend aan de hand van de in artikel 4 bedoelde gegevens voor elke periode gedefinieerd in artikel 7, § 1.
§ 2. De tegemoetkoming per personeelslid dat heeft gekozen voor het behoud van de arbeidsduur (Tp1) wordt vastgesteld als volgt :
§ 2. De tegemoetkoming per personeelslid dat heeft gekozen voor het behoud van de arbeidsduur (Tp1) wordt vastgesteld als volgt :
Art. 5. <AR 2008-10-01/41, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2009> § 1er. L'intervention visée à l'article 2 est calculée par le Service à l'aide des données visées à l'article 4 pour chaque période définie à l'article 7, § 1er.
§ 2. L'intervention par membre du personnel qui choisit le maintien de la durée du travail (Tp1) est fixée comme suit :
§ 2. L'intervention par membre du personnel qui choisit le maintien de la durée du travail (Tp1) est fixée comme suit :
Tp1 = Y1 * VTEpremie
Tp1 = Y1 * ETPprime
waarbij :
Y1 = de gemiddelde jaarlijkse loonkost tijdens de referentieperiode, gedekt door het contract van de werknemer in functie van zijn categorie, berekend op basis van de bedragen in bijlage bij dit besluit.
Het VTEpremie stemt overeen met de som van de VTEpremie van elk trimester van de referentieperiode.
Het VTEpremie per trimester wordt berekend als volgt :
Y1 = de gemiddelde jaarlijkse loonkost tijdens de referentieperiode, gedekt door het contract van de werknemer in functie van zijn categorie, berekend op basis van de bedragen in bijlage bij dit besluit.
Het VTEpremie stemt overeen met de som van de VTEpremie van elk trimester van de referentieperiode.
Het VTEpremie per trimester wordt berekend als volgt :
où :
Y1 = le coût salarial annuel moyen au cours de la période de référence couverte par le contrat du travailleur en fonction de sa catégorie, calculé sur la base des montants prévus dans l'annexe au présent arrêté.
L'ETPprime correspond à la somme des ETPprime de chaque trimestre de la période de référence.
L'ETPprime par trimestre se calcule comme suit :
Y1 = le coût salarial annuel moyen au cours de la période de référence couverte par le contrat du travailleur en fonction de sa catégorie, calculé sur la base des montants prévus dans l'annexe au présent arrêté.
L'ETPprime correspond à la somme des ETPprime de chaque trimestre de la période de référence.
L'ETPprime par trimestre se calcule comme suit :
((X - (38 - T)) / 38 * A) / 4
((X - (38 - T)) / 38 * A) / 4
waarbij :
X = trimestrieel gemiddelde van het aantal uren per week dat overeenstemt met de premie toegekend aan een voltijds personeelslid in de leeftijdscategorie waartoe hij behoort;
T = wekelijkse arbeidsduur voltijdse prestaties van de instelling;
A = jaarlijks voltijds equivalent (VTE) beperkt tot 1, verricht in de functie die het voordeel van de in dit besluit bedoelde maatregel verantwoordt.
Dat VTE wordt als volgt berekend :
1) Voor de periode van voltijdse tewerkstelling :
het VTE per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
waarbij :
P = aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
NP = aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx.
d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling;
d2 = aantal kalenderdagen in het trimester;
2) Het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden :
het VTE per trimester tx = (P/H)
waarbij :
P = aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld in punt 1);
H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
Als het VTEpremie per trimester kleiner is dan nul, wordt het herleid naar nul.
§ 3. De tegemoetkoming voor een werknemer die de uren van vrijstelling van een personeelslid dat gekozen heeft voor de vrijstelling van de arbeidsprestaties (Tp2), compenseert, wordt vastgesteld als volgt :
a) Berekening van de VTE vervanging te financieren in de bedoelde periode :
De Dienst berekent de hoeveelheid aan VTE arbeidsduurvermindering dat effectief werd toegekend in de referentieperiode aan de personeelsleden die kunnen genieten van de maatregel ('Sigma'1) en de hoeveelheid aan VTE van de uren besteed aan hun vervanging ('Sigma'2).
'Sigma'1 en 'Sigma'2 zijn berekend als volgt :
'Sigma'1 : som, voor alle personeelsleden die gekozen hebben voor arbeidsduurvermindering, van de VTE arbeidsduurvermindering, als volgt berekend per werknemer :
X = trimestrieel gemiddelde van het aantal uren per week dat overeenstemt met de premie toegekend aan een voltijds personeelslid in de leeftijdscategorie waartoe hij behoort;
T = wekelijkse arbeidsduur voltijdse prestaties van de instelling;
A = jaarlijks voltijds equivalent (VTE) beperkt tot 1, verricht in de functie die het voordeel van de in dit besluit bedoelde maatregel verantwoordt.
Dat VTE wordt als volgt berekend :
1) Voor de periode van voltijdse tewerkstelling :
het VTE per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
waarbij :
P = aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
NP = aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx.
d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling;
d2 = aantal kalenderdagen in het trimester;
2) Het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden :
het VTE per trimester tx = (P/H)
waarbij :
P = aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld in punt 1);
H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
Als het VTEpremie per trimester kleiner is dan nul, wordt het herleid naar nul.
§ 3. De tegemoetkoming voor een werknemer die de uren van vrijstelling van een personeelslid dat gekozen heeft voor de vrijstelling van de arbeidsprestaties (Tp2), compenseert, wordt vastgesteld als volgt :
a) Berekening van de VTE vervanging te financieren in de bedoelde periode :
De Dienst berekent de hoeveelheid aan VTE arbeidsduurvermindering dat effectief werd toegekend in de referentieperiode aan de personeelsleden die kunnen genieten van de maatregel ('Sigma'1) en de hoeveelheid aan VTE van de uren besteed aan hun vervanging ('Sigma'2).
'Sigma'1 en 'Sigma'2 zijn berekend als volgt :
'Sigma'1 : som, voor alle personeelsleden die gekozen hebben voor arbeidsduurvermindering, van de VTE arbeidsduurvermindering, als volgt berekend per werknemer :
où :
X = moyenne trimestrielle du nombre d'heures par semaine correspondant à la prime octroyée à un membre du personnel à temps plein dans la tranche d'âge à laquelle il appartient;
T = durée de travail hebdomadaire à plein temps de l'institution;
A = équivalent temps plein (ETP), limité à 1, dans la fonction justifiant la mesure visée dans le présent arrêté.
Cet ETP est calculé comme suit :
1) Pour une période d'occupation à temps plein :
l'ETP par trimestre tx = ((P/(P + NP)) x (d1/d2))
où :
P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx;
NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx;
d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein;
d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre;
2) Pour une période d'occupation à temps partiel :
l'ETP par trimestre tx = (P/H)
où :
P = le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point 1);
H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour;
Si l'ETPprime par trimestre est inférieur à zéro, il est ramené à zéro.
§ 3. L'intervention pour un travailleur qui compense les heures de dispense d'un membre du personnel qui a choisi la dispense des prestations de travail (Tp2), est fixée comme suit :
a) Calcul des ETP de remplacement à financer pour la période concernée :
Le Service calcule le volume en ETP de dispense des prestations de travail octroyé effectivement pendant la période de référence aux membres du personnel qui peuvent bénéficier de la mesure ('Sigma'1), et le volume en ETP des heures consacrées à leur remplacement ('Sigma'2).
'Sigma'1 et 'Sigma'2 sont calculés de la manière suivante :
'Sigma'1 : somme, pour tous les membres du personnel qui ont choisi la dispense de prestations de travail, de l'ETP de dispense calculé par travailleur comme suit :
X = moyenne trimestrielle du nombre d'heures par semaine correspondant à la prime octroyée à un membre du personnel à temps plein dans la tranche d'âge à laquelle il appartient;
T = durée de travail hebdomadaire à plein temps de l'institution;
A = équivalent temps plein (ETP), limité à 1, dans la fonction justifiant la mesure visée dans le présent arrêté.
Cet ETP est calculé comme suit :
1) Pour une période d'occupation à temps plein :
l'ETP par trimestre tx = ((P/(P + NP)) x (d1/d2))
où :
P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx;
NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx;
d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein;
d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre;
2) Pour une période d'occupation à temps partiel :
l'ETP par trimestre tx = (P/H)
où :
P = le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point 1);
H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour;
Si l'ETPprime par trimestre est inférieur à zéro, il est ramené à zéro.
§ 3. L'intervention pour un travailleur qui compense les heures de dispense d'un membre du personnel qui a choisi la dispense des prestations de travail (Tp2), est fixée comme suit :
a) Calcul des ETP de remplacement à financer pour la période concernée :
Le Service calcule le volume en ETP de dispense des prestations de travail octroyé effectivement pendant la période de référence aux membres du personnel qui peuvent bénéficier de la mesure ('Sigma'1), et le volume en ETP des heures consacrées à leur remplacement ('Sigma'2).
'Sigma'1 et 'Sigma'2 sont calculés de la manière suivante :
'Sigma'1 : somme, pour tous les membres du personnel qui ont choisi la dispense de prestations de travail, de l'ETP de dispense calculé par travailleur comme suit :
U1 / T * (V - (38 - T)) / 38 * C / 365
U1 / T * (V - (38 - T)) / 38 * C / 365
waarbij :
U1 = aantal uren/week van het contract van het personeelslid;
T = wekelijkse arbeidsduur voltijdse prestaties van de instelling;
V = aantal uren vrijstelling per week waarvan het personeelslid geniet;
C = aantal dagen in de bedoelde periode, gedekt door het contract van het personeelslid;
Als het VTE arbeidsduurvermindering per werknemer kleiner is dan nul, wordt het herleid naar nul.
'Sigma'2 : som, voor alle personeelsleden die de uren arbeidsduurvermindering compenseren, van het VTE vervanging, berekend per contract van de werknemer.
Het VTEVERV per contract van de werknemer stemt overeen met de som van de VTE vervanging van elk trimester van de bedoelde referentieperiode.
Het VTEVERV per trimester wordt als volgt berekend :
U1 = aantal uren/week van het contract van het personeelslid;
T = wekelijkse arbeidsduur voltijdse prestaties van de instelling;
V = aantal uren vrijstelling per week waarvan het personeelslid geniet;
C = aantal dagen in de bedoelde periode, gedekt door het contract van het personeelslid;
Als het VTE arbeidsduurvermindering per werknemer kleiner is dan nul, wordt het herleid naar nul.
'Sigma'2 : som, voor alle personeelsleden die de uren arbeidsduurvermindering compenseren, van het VTE vervanging, berekend per contract van de werknemer.
Het VTEVERV per contract van de werknemer stemt overeen met de som van de VTE vervanging van elk trimester van de bedoelde referentieperiode.
Het VTEVERV per trimester wordt als volgt berekend :
où :
U1 = nombre d'heures/semaine du contrat du membre du personnel;
T = durée de travail hebdomadaire à plein temps de l'institution;
V = nombre d'heures/semaine de dispense dont bénéficie le membre du personnel;
C = nombre de jours de la période concernée couvert par le contrat du membre du personnel.
Si l'ETP de dispense par travailleur est inférieur à zéro, il est ramené à zéro.
'Sigma'2 : somme, pour tous les membres du personnel qui compensent des heures de dispense de prestations de travail, de l'ETP de remplacement calculé par contrat du travailleur.
L'ETPREMPL par contrat du travailleur correspond à la somme des ETP de remplacement de chaque trimestre de la période de référence considérée.
L'ETPREMPL par trimestre se calcule comme suit :
U1 = nombre d'heures/semaine du contrat du membre du personnel;
T = durée de travail hebdomadaire à plein temps de l'institution;
V = nombre d'heures/semaine de dispense dont bénéficie le membre du personnel;
C = nombre de jours de la période concernée couvert par le contrat du membre du personnel.
Si l'ETP de dispense par travailleur est inférieur à zéro, il est ramené à zéro.
'Sigma'2 : somme, pour tous les membres du personnel qui compensent des heures de dispense de prestations de travail, de l'ETP de remplacement calculé par contrat du travailleur.
L'ETPREMPL par contrat du travailleur correspond à la somme des ETP de remplacement de chaque trimestre de la période de référence considérée.
L'ETPREMPL par trimestre se calcule comme suit :
(Z / U2 * A) / 4
(Z / U2 * A) / 4
waarbij :
Z = aantal uren/week voor de vervanging van een of meer personeelsleden die het voordeel van de maatregel genieten.
U2 = aantal uren/week van het contract van de vervanger;
A = jaarlijks voltijds equivalent (VTE) berekend volgens de in § 2 voorziene formule.
Als 'Sigma'2 < 'Sigma'1, wordt de tegemoetkoming begrensd tot 'Sigma'2.
Als 'Sigma'2 > 'Sigma'1, wordt de tegemoetkoming begrensd tot 'Sigma'1. In dat geval worden de vervangers in chronologische orde van hun aanwerving of van de wijziging van hun arbeidsovereenkomst in aanmerking genomen.
b) Berekening van de tegemoetkoming per vervangingscontract :
De Dienst past dan de volgende formule toe voor elk vervangingscontract :
Z = aantal uren/week voor de vervanging van een of meer personeelsleden die het voordeel van de maatregel genieten.
U2 = aantal uren/week van het contract van de vervanger;
A = jaarlijks voltijds equivalent (VTE) berekend volgens de in § 2 voorziene formule.
Als 'Sigma'2 < 'Sigma'1, wordt de tegemoetkoming begrensd tot 'Sigma'2.
Als 'Sigma'2 > 'Sigma'1, wordt de tegemoetkoming begrensd tot 'Sigma'1. In dat geval worden de vervangers in chronologische orde van hun aanwerving of van de wijziging van hun arbeidsovereenkomst in aanmerking genomen.
b) Berekening van de tegemoetkoming per vervangingscontract :
De Dienst past dan de volgende formule toe voor elk vervangingscontract :
où :
Z = nombre d'heures par semaine consacrées au remplacement d'un ou de plusieurs membres du personnel qui bénéficient de la mesure.
U2 = nombre d'heures/semaine du contrat du remplaçant;
A = équivalent temps plein (ETP) calculé selon la formule prévue au § 2.
Si 'Sigma'2 < 'Sigma'1, l'intervention est plafonnée à 'Sigma'2.
Si 'Sigma'2 > 'Sigma'1, l'intervention est plafonnée à 'Sigma'1. Dans ce cas, les remplaçants sont pris en considération dans l'ordre chronologique de leur engagement ou de la modification de leur contrat.
b) Calcul de l'intervention par contrat de remplacement :
Le Service applique ensuite la formule suivante pour chaque contrat de remplacement :
Z = nombre d'heures par semaine consacrées au remplacement d'un ou de plusieurs membres du personnel qui bénéficient de la mesure.
U2 = nombre d'heures/semaine du contrat du remplaçant;
A = équivalent temps plein (ETP) calculé selon la formule prévue au § 2.
Si 'Sigma'2 < 'Sigma'1, l'intervention est plafonnée à 'Sigma'2.
Si 'Sigma'2 > 'Sigma'1, l'intervention est plafonnée à 'Sigma'1. Dans ce cas, les remplaçants sont pris en considération dans l'ordre chronologique de leur engagement ou de la modification de leur contrat.
b) Calcul de l'intervention par contrat de remplacement :
Le Service applique ensuite la formule suivante pour chaque contrat de remplacement :
Tp2 = Y2 * VTEVERV
Tp2 = Y2 * ETPREMPL
waarbij :
Y2 = de gemiddelde jaarlijkse loonkost tijdens de referentieperiode, gedekt door het contract van de werknemer in functie van zijn categorie, berekend op basis van de bedragen in bijlage bij dit besluit.
Als 'Sigma'2 > 'Sigma'1, worden de te financieren VTE vervanging in chronologische volgorde in rekening gebracht, totdat 'Sigma'1 bereikt is.
Y2 = de gemiddelde jaarlijkse loonkost tijdens de referentieperiode, gedekt door het contract van de werknemer in functie van zijn categorie, berekend op basis van de bedragen in bijlage bij dit besluit.
Als 'Sigma'2 > 'Sigma'1, worden de te financieren VTE vervanging in chronologische volgorde in rekening gebracht, totdat 'Sigma'1 bereikt is.
où :
Y2 = le coût salarial annuel moyen au cours de la période de référence couverte par le contrat du travailleur en fonction de sa catégorie, calculé sur la base des montants prévus dans l'annexe au présent arrêté.
Si 'Sigma'2 > 'Sigma'1, les ETP de remplacement à financer sont pris en compte dans l'ordre chronologique des contrats jusqu'à ce que 'Sigma'1 soit atteint.
Y2 = le coût salarial annuel moyen au cours de la période de référence couverte par le contrat du travailleur en fonction de sa catégorie, calculé sur la base des montants prévus dans l'annexe au présent arrêté.
Si 'Sigma'2 > 'Sigma'1, les ETP de remplacement à financer sont pris en compte dans l'ordre chronologique des contrats jusqu'à ce que 'Sigma'1 soit atteint.
Art. 6. In afwijking van de bepalingen van artikel 5, § 2, wordt de tegemoetkoming begrensd tot 13 uur/week ingeval een revalidatiecentrum een nieuwe werknemer heeft aangeworven om de uren van vrijstelling van arbeidsprestaties, die effectief zijn toegekend aan hun personeelsleden en waarvan de som minder dan 13 uur/week bedraagt, te compenseren.
Art. 6. Par dérogation aux dispositions de l'article 5, § 2, l'intervention est plafonnée à 13 heures/semaine lorsqu'un centre de réadaptation fonctionnelle a procédé à l'engagement d'un nouveau travailleur afin de couvrir les heures de dispense des prestations de travail, octroyées effectivement aux membres de son personnel, dont la somme n'atteint pas 13 heures/semaine.
Art. 7. § 1. De bedragen van de voorlopige tegemoetkomingen per personeelslid, hierna " voorschotten " genoemd, en de bedragen van de definitieve tegemoetkomingen per personeelslid, worden door het RIZIV meegedeeld aan de werkgever en gestort op de financiële rekening die door de werkgever wordt meegedeeld aan de Dienst. Aan de werkgevers die de bepalingen naleven zoals deze zijn voorzien in artikel 4, § 2, worden de voorschotten en de definitieve tegemoetkomingen als volgt uitbetaald :
1° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2006 wordt gestort, is gelijk aan : 1/4 x (som van de voorschotten die voor 2005 werden bepaald volgens de loonkost op 1 januari 2006);
2° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2007 wordt gestort, is gelijk aan : 1/6 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor 2005 en het eerste en tweede trimester van 2006 x 1,02);
3° vervolgens is het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober van het jaar J wordt gestort, gelijk aan : 1/4 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor het derde en vierde trimester van het jaar J - 2 en het eerste en tweede trimester van het jaar J - 1 x 1,02);
4° het verschil tussen de tegemoetkomingen die verschuldigd zijn voor het jaar 2005, op basis van de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 23 september 2002, en het eerste en tweede trimester 2006 enerzijds en de som van de voorschotten die voor dezelfde periodes werden gestort anderzijds, wordt weggewerkt op 31 december 2006;
(5° het verschil tussen de tegemoetkomingen verschuldigd voor de periode van 1 juli 2006 tot 30 juni 2007 enerzijds, en de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, wordt verrekend op 31 januari 2008;
6° voor 31 december 2008 maakt de Dienst een nieuwe afrekening voor het jaar 2005, 2006 en het eerste en tweede trimester van het jaar 2007, rekening houdend met de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, verhoogd met de in 4° en 5° voorziene bedragen;) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
(7°) vervolgens wordt het verschil tussen de tegemoetkomingen voor de laatste twee trimesters van het jaar J en de eerste twee trimesters van het jaar J + 1, en de voorschotten voor diezelfde trimesters, verrekend bij de betaling van (het voorschot van 31 januari van het jaar J + 2). <KB 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 2. Indien een werkgever te veel voorschotten heeft ontvangen, en indien de terugvordering via de vier volgende voorschotten niet mogelijk is, wordt het saldo door de werkgever teruggestort aan het RIZIV vóór het einde van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst het terug te vorderen bedrag aan de werkgever heeft meegedeeld.
Dat bedrag kan eventueel worden teruggevorderd via een compensatie op de bedragen die het RIZIV in de loop van datzelfde jaar verschuldigd is aan de werkgever krachtens het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 met uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 betreffende de harmonisering van de barema's en de verhoging van de barema's in sommige verzorgingsinstellingen.
§ 3. De werkgevers die nog geen tegemoetkomingen hebben ontvangen, kunnen een voorschot vragen voor zover zij aan de Dienst de gegevens van een volledig kalendertrimester meedelen.
(§ 4. Aanvullende gegevens betreffende de periode waarvoor de werkgever een definitieve tegemoetkoming heeft ontvangen zijn niet langer ontvankelijk wanneer ze meer dan een jaar nadat de werkgever in kennis is gesteld van het bedrag van die definitieve tegemoetkoming, aan de Dienst worden bezorgd.) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
1° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2006 wordt gestort, is gelijk aan : 1/4 x (som van de voorschotten die voor 2005 werden bepaald volgens de loonkost op 1 januari 2006);
2° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2007 wordt gestort, is gelijk aan : 1/6 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor 2005 en het eerste en tweede trimester van 2006 x 1,02);
3° vervolgens is het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober van het jaar J wordt gestort, gelijk aan : 1/4 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor het derde en vierde trimester van het jaar J - 2 en het eerste en tweede trimester van het jaar J - 1 x 1,02);
4° het verschil tussen de tegemoetkomingen die verschuldigd zijn voor het jaar 2005, op basis van de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 23 september 2002, en het eerste en tweede trimester 2006 enerzijds en de som van de voorschotten die voor dezelfde periodes werden gestort anderzijds, wordt weggewerkt op 31 december 2006;
(5° het verschil tussen de tegemoetkomingen verschuldigd voor de periode van 1 juli 2006 tot 30 juni 2007 enerzijds, en de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, wordt verrekend op 31 januari 2008;
6° voor 31 december 2008 maakt de Dienst een nieuwe afrekening voor het jaar 2005, 2006 en het eerste en tweede trimester van het jaar 2007, rekening houdend met de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, verhoogd met de in 4° en 5° voorziene bedragen;) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
(7°) vervolgens wordt het verschil tussen de tegemoetkomingen voor de laatste twee trimesters van het jaar J en de eerste twee trimesters van het jaar J + 1, en de voorschotten voor diezelfde trimesters, verrekend bij de betaling van (het voorschot van 31 januari van het jaar J + 2). <KB 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 2. Indien een werkgever te veel voorschotten heeft ontvangen, en indien de terugvordering via de vier volgende voorschotten niet mogelijk is, wordt het saldo door de werkgever teruggestort aan het RIZIV vóór het einde van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst het terug te vorderen bedrag aan de werkgever heeft meegedeeld.
Dat bedrag kan eventueel worden teruggevorderd via een compensatie op de bedragen die het RIZIV in de loop van datzelfde jaar verschuldigd is aan de werkgever krachtens het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 met uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 betreffende de harmonisering van de barema's en de verhoging van de barema's in sommige verzorgingsinstellingen.
§ 3. De werkgevers die nog geen tegemoetkomingen hebben ontvangen, kunnen een voorschot vragen voor zover zij aan de Dienst de gegevens van een volledig kalendertrimester meedelen.
(§ 4. Aanvullende gegevens betreffende de periode waarvoor de werkgever een definitieve tegemoetkoming heeft ontvangen zijn niet langer ontvankelijk wanneer ze meer dan een jaar nadat de werkgever in kennis is gesteld van het bedrag van die definitieve tegemoetkoming, aan de Dienst worden bezorgd.) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 7. § 1er. Les montants des interventions provisoires par membre du personnel, appelées ci-après " avances ", et des interventions définitives par membre du personnel, sont portés par l'INAMI à la connaissance de l'employeur et sont versés sur le compte financier communiqué par ce dernier au Service. Les avances et les interventions définitives sont payées de la manière suivante aux employeurs qui respectent les dispositions de l'article 4, § 2 :
1° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2006 sont égales à : 1/4 x (somme des avances calculées pour l'année 2005 selon le coût salarial au 1er janvier 2006);
2° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2007 sont égales à : 1/6 x (montant de l'intervention définitive pour l'année 2005 et les deux premiers trimestres de l'année 2006 x 1,02);
3° ensuite, les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre de l'année J sont égales à : 1/4 x (montant de l'intervention définitive pour les deux derniers trimestres de l'année J-2 et pour les deux premiers trimestres de l'année J-1 x 1,02);
4° la différence entre les interventions dues pour l'année 2005, en exécution des dispositions de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 précité, et les deux premiers trimestres de l'année 2006 d'une part, et la somme des avances versées pour la même période d'autre part, est liquidée le 31 décembre 2006;
(5° la différence entre les interventions dues pour la période du 1er juillet 2006 au 30 juin 2007 d'une part, et la somme des avances versées pour les mêmes périodes, est liquidée le 31 janvier 2008;
6° avant le 31 décembre 2008, le Service fait un nouveau décompte pour l'année 2005, l'année 2006 et les premier et deuxième trimestres de l'année 2007, en tenant compte de la somme des avances versées pour les mêmes périodes, augmentée des montants visés aux 4° et 5°;) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
(7°) (ancien 5°) ensuite, la différence entre les interventions pour les deux derniers trimestres de l'année J et les deux premiers trimestres de l'année J + 1, et les avances pour ces mêmes trimestres, est liquidée lors du paiement de (l'avance du 31 janvier de l'année J + 2). <AR 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 2. Si un employeur a reçu trop d'avances et si la récupération au moyen des quatre avances suivantes n'est pas possible, le solde est remboursé par l'employeur à l'INAMI avant la fin du mois qui suit le mois au cours duquel le Service a notifié le montant à récupérer à l'employeur.
Le cas échéant, ce montant pourra être récupéré par compensation sur les sommes dues, au cours de la même année, à l'employeur par l'INAMI en vertu de l'arrêté royal du 1er octobre 2002 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des barèmes dans certaines institutions de soins.
§ 3. Les employeurs qui n'ont pas encore reçu d'interventions peuvent demander une avance pour autant qu'ils communiquent au Service les données d'un trimestre civil complet.
(§ 4. Des données complémentaires, relatives à la période pour laquelle l'employeur a reçu une intervention définitive, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au Service plus d'un an après que l'employeur ait reçu la notification du montant de cette intervention définitive.) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
1° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2006 sont égales à : 1/4 x (somme des avances calculées pour l'année 2005 selon le coût salarial au 1er janvier 2006);
2° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2007 sont égales à : 1/6 x (montant de l'intervention définitive pour l'année 2005 et les deux premiers trimestres de l'année 2006 x 1,02);
3° ensuite, les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre de l'année J sont égales à : 1/4 x (montant de l'intervention définitive pour les deux derniers trimestres de l'année J-2 et pour les deux premiers trimestres de l'année J-1 x 1,02);
4° la différence entre les interventions dues pour l'année 2005, en exécution des dispositions de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 précité, et les deux premiers trimestres de l'année 2006 d'une part, et la somme des avances versées pour la même période d'autre part, est liquidée le 31 décembre 2006;
(5° la différence entre les interventions dues pour la période du 1er juillet 2006 au 30 juin 2007 d'une part, et la somme des avances versées pour les mêmes périodes, est liquidée le 31 janvier 2008;
6° avant le 31 décembre 2008, le Service fait un nouveau décompte pour l'année 2005, l'année 2006 et les premier et deuxième trimestres de l'année 2007, en tenant compte de la somme des avances versées pour les mêmes périodes, augmentée des montants visés aux 4° et 5°;) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
(7°) (ancien 5°) ensuite, la différence entre les interventions pour les deux derniers trimestres de l'année J et les deux premiers trimestres de l'année J + 1, et les avances pour ces mêmes trimestres, est liquidée lors du paiement de (l'avance du 31 janvier de l'année J + 2). <AR 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 2. Si un employeur a reçu trop d'avances et si la récupération au moyen des quatre avances suivantes n'est pas possible, le solde est remboursé par l'employeur à l'INAMI avant la fin du mois qui suit le mois au cours duquel le Service a notifié le montant à récupérer à l'employeur.
Le cas échéant, ce montant pourra être récupéré par compensation sur les sommes dues, au cours de la même année, à l'employeur par l'INAMI en vertu de l'arrêté royal du 1er octobre 2002 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des barèmes dans certaines institutions de soins.
§ 3. Les employeurs qui n'ont pas encore reçu d'interventions peuvent demander une avance pour autant qu'ils communiquent au Service les données d'un trimestre civil complet.
(§ 4. Des données complémentaires, relatives à la période pour laquelle l'employeur a reçu une intervention définitive, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au Service plus d'un an après que l'employeur ait reçu la notification du montant de cette intervention définitive.) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
Art.7_WAALS_GEWEST.
§ 1. De bedragen van de voorlopige tegemoetkomingen per personeelslid, hierna " voorschotten " genoemd, en de bedragen van de definitieve tegemoetkomingen per personeelslid, worden door het RIZIV meegedeeld aan de werkgever en gestort op de financiële rekening die door de werkgever wordt meegedeeld aan de Dienst. Aan de werkgevers die de bepalingen naleven zoals deze zijn voorzien in artikel 4, § 2, worden de voorschotten en de definitieve tegemoetkomingen als volgt uitbetaald :
1° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2006 wordt gestort, is gelijk aan : 1/4 x (som van de voorschotten die voor 2005 werden bepaald volgens de loonkost op 1 januari 2006);
2° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2007 wordt gestort, is gelijk aan : 1/6 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor 2005 en het eerste en tweede trimester van 2006 x 1,02);
3° vervolgens is het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober van het jaar J wordt gestort, gelijk aan : 1/4 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor het derde en vierde trimester van het jaar J - 2 en het eerste en tweede trimester van het jaar J - 1 x 1,02);
4° het verschil tussen de tegemoetkomingen die verschuldigd zijn voor het jaar 2005, op basis van de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 23 september 2002, en het eerste en tweede trimester 2006 enerzijds en de som van de voorschotten die voor dezelfde periodes werden gestort anderzijds, wordt weggewerkt op 31 december 2006;
(5° het verschil tussen de tegemoetkomingen verschuldigd voor de periode van 1 juli 2006 tot 30 juni 2007 enerzijds, en de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, wordt verrekend op 31 januari 2008;
6° voor 31 december 2008 maakt de Dienst een nieuwe afrekening voor het jaar 2005, 2006 en het eerste en tweede trimester van het jaar 2007, rekening houdend met de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, verhoogd met de in 4° en 5° voorziene bedragen;) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
(7°) vervolgens wordt het verschil tussen de tegemoetkomingen voor de laatste twee trimesters van het jaar J en de eerste twee trimesters van het jaar J + 1, en de voorschotten voor diezelfde trimesters, verrekend bij de betaling van (het voorschot van 31 januari van het jaar J + 2). <KB 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 2. Indien een werkgever te veel voorschotten heeft ontvangen, en indien de terugvordering via de vier volgende voorschotten niet mogelijk is, wordt het saldo door de werkgever teruggestort aan het RIZIV vóór het einde van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst het terug te vorderen bedrag aan de werkgever heeft meegedeeld.
Dat bedrag kan eventueel worden teruggevorderd via een compensatie op de bedragen die het RIZIV in de loop van datzelfde jaar verschuldigd is aan de werkgever krachtens het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 met uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 betreffende de harmonisering van de barema's en de verhoging van de barema's in sommige verzorgingsinstellingen.
§ 3. De werkgevers die nog geen tegemoetkomingen hebben ontvangen, kunnen een voorschot vragen voor zover zij aan de Dienst de gegevens van een volledig kalendertrimester meedelen.
(§ 4. Aanvullende gegevens betreffende de periode waarvoor de werkgever een definitieve tegemoetkoming heeft ontvangen zijn niet langer ontvankelijk wanneer ze [1 meer dan zes maanden]1 nadat de werkgever in kennis is gesteld van het bedrag van die definitieve tegemoetkoming, aan de Dienst worden bezorgd.) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 1. De bedragen van de voorlopige tegemoetkomingen per personeelslid, hierna " voorschotten " genoemd, en de bedragen van de definitieve tegemoetkomingen per personeelslid, worden door het RIZIV meegedeeld aan de werkgever en gestort op de financiële rekening die door de werkgever wordt meegedeeld aan de Dienst. Aan de werkgevers die de bepalingen naleven zoals deze zijn voorzien in artikel 4, § 2, worden de voorschotten en de definitieve tegemoetkomingen als volgt uitbetaald :
1° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2006 wordt gestort, is gelijk aan : 1/4 x (som van de voorschotten die voor 2005 werden bepaald volgens de loonkost op 1 januari 2006);
2° het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober 2007 wordt gestort, is gelijk aan : 1/6 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor 2005 en het eerste en tweede trimester van 2006 x 1,02);
3° vervolgens is het voorschot dat op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober van het jaar J wordt gestort, gelijk aan : 1/4 x (bedrag van de definitieve tegemoetkoming voor het derde en vierde trimester van het jaar J - 2 en het eerste en tweede trimester van het jaar J - 1 x 1,02);
4° het verschil tussen de tegemoetkomingen die verschuldigd zijn voor het jaar 2005, op basis van de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 23 september 2002, en het eerste en tweede trimester 2006 enerzijds en de som van de voorschotten die voor dezelfde periodes werden gestort anderzijds, wordt weggewerkt op 31 december 2006;
(5° het verschil tussen de tegemoetkomingen verschuldigd voor de periode van 1 juli 2006 tot 30 juni 2007 enerzijds, en de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, wordt verrekend op 31 januari 2008;
6° voor 31 december 2008 maakt de Dienst een nieuwe afrekening voor het jaar 2005, 2006 en het eerste en tweede trimester van het jaar 2007, rekening houdend met de som van de voor dezelfde periodes gestorte voorschotten, verhoogd met de in 4° en 5° voorziene bedragen;) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
(7°) vervolgens wordt het verschil tussen de tegemoetkomingen voor de laatste twee trimesters van het jaar J en de eerste twee trimesters van het jaar J + 1, en de voorschotten voor diezelfde trimesters, verrekend bij de betaling van (het voorschot van 31 januari van het jaar J + 2). <KB 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 2. Indien een werkgever te veel voorschotten heeft ontvangen, en indien de terugvordering via de vier volgende voorschotten niet mogelijk is, wordt het saldo door de werkgever teruggestort aan het RIZIV vóór het einde van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst het terug te vorderen bedrag aan de werkgever heeft meegedeeld.
Dat bedrag kan eventueel worden teruggevorderd via een compensatie op de bedragen die het RIZIV in de loop van datzelfde jaar verschuldigd is aan de werkgever krachtens het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 met uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 betreffende de harmonisering van de barema's en de verhoging van de barema's in sommige verzorgingsinstellingen.
§ 3. De werkgevers die nog geen tegemoetkomingen hebben ontvangen, kunnen een voorschot vragen voor zover zij aan de Dienst de gegevens van een volledig kalendertrimester meedelen.
(§ 4. Aanvullende gegevens betreffende de periode waarvoor de werkgever een definitieve tegemoetkoming heeft ontvangen zijn niet langer ontvankelijk wanneer ze [1 meer dan zes maanden]1 nadat de werkgever in kennis is gesteld van het bedrag van die definitieve tegemoetkoming, aan de Dienst worden bezorgd.) <KB 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art.7_REGION_WALLONNE.
§ 1er. Les montants des interventions provisoires par membre du personnel, appelées ci-après " avances ", et des interventions définitives par membre du personnel, sont portés par l'INAMI à la connaissance de l'employeur et sont versés sur le compte financier communiqué par ce dernier au Service. Les avances et les interventions définitives sont payées de la manière suivante aux employeurs qui respectent les dispositions de l'article 4, § 2 :
1° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2006 sont égales à : 1/4 x (somme des avances calculées pour l'année 2005 selon le coût salarial au 1er janvier 2006);
2° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2007 sont égales à : 1/6 x (montant de l'intervention définitive pour l'année 2005 et les deux premiers trimestres de l'année 2006 x 1,02);
3° ensuite, les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre de l'année J sont égales à : 1/4 x (montant de l'intervention définitive pour les deux derniers trimestres de l'année J-2 et pour les deux premiers trimestres de l'année J-1 x 1,02);
4° la différence entre les interventions dues pour l'année 2005, en exécution des dispositions de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 précité, et les deux premiers trimestres de l'année 2006 d'une part, et la somme des avances versées pour la même période d'autre part, est liquidée le 31 décembre 2006;
(5° la différence entre les interventions dues pour la période du 1er juillet 2006 au 30 juin 2007 d'une part, et la somme des avances versées pour les mêmes périodes, est liquidée le 31 janvier 2008;
6° avant le 31 décembre 2008, le Service fait un nouveau décompte pour l'année 2005, l'année 2006 et les premier et deuxième trimestres de l'année 2007, en tenant compte de la somme des avances versées pour les mêmes périodes, augmentée des montants visés aux 4° et 5°;) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
(7°) (ancien 5°) ensuite, la différence entre les interventions pour les deux derniers trimestres de l'année J et les deux premiers trimestres de l'année J + 1, et les avances pour ces mêmes trimestres, est liquidée lors du paiement de (l'avance du 31 janvier de l'année J + 2). <AR 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 2. Si un employeur a reçu trop d'avances et si la récupération au moyen des quatre avances suivantes n'est pas possible, le solde est remboursé par l'employeur à l'INAMI avant la fin du mois qui suit le mois au cours duquel le Service a notifié le montant à récupérer à l'employeur.
Le cas échéant, ce montant pourra être récupéré par compensation sur les sommes dues, au cours de la même année, à l'employeur par l'INAMI en vertu de l'arrêté royal du 1er octobre 2002 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des barèmes dans certaines institutions de soins.
§ 3. Les employeurs qui n'ont pas encore reçu d'interventions peuvent demander une avance pour autant qu'ils communiquent au Service les données d'un trimestre civil complet.
(§ 4. Des données complémentaires, relatives à la période pour laquelle l'employeur a reçu une intervention définitive, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au Service [1 plus de six mois]1 après que l'employeur ait reçu la notification du montant de cette intervention définitive.) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 1er. Les montants des interventions provisoires par membre du personnel, appelées ci-après " avances ", et des interventions définitives par membre du personnel, sont portés par l'INAMI à la connaissance de l'employeur et sont versés sur le compte financier communiqué par ce dernier au Service. Les avances et les interventions définitives sont payées de la manière suivante aux employeurs qui respectent les dispositions de l'article 4, § 2 :
1° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2006 sont égales à : 1/4 x (somme des avances calculées pour l'année 2005 selon le coût salarial au 1er janvier 2006);
2° les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre 2007 sont égales à : 1/6 x (montant de l'intervention définitive pour l'année 2005 et les deux premiers trimestres de l'année 2006 x 1,02);
3° ensuite, les avances versées les 31 janvier, 30 avril, 31 juillet et 31 octobre de l'année J sont égales à : 1/4 x (montant de l'intervention définitive pour les deux derniers trimestres de l'année J-2 et pour les deux premiers trimestres de l'année J-1 x 1,02);
4° la différence entre les interventions dues pour l'année 2005, en exécution des dispositions de l'arrêté royal du 23 septembre 2002 précité, et les deux premiers trimestres de l'année 2006 d'une part, et la somme des avances versées pour la même période d'autre part, est liquidée le 31 décembre 2006;
(5° la différence entre les interventions dues pour la période du 1er juillet 2006 au 30 juin 2007 d'une part, et la somme des avances versées pour les mêmes périodes, est liquidée le 31 janvier 2008;
6° avant le 31 décembre 2008, le Service fait un nouveau décompte pour l'année 2005, l'année 2006 et les premier et deuxième trimestres de l'année 2007, en tenant compte de la somme des avances versées pour les mêmes périodes, augmentée des montants visés aux 4° et 5°;) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 2°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
(7°) (ancien 5°) ensuite, la différence entre les interventions pour les deux derniers trimestres de l'année J et les deux premiers trimestres de l'année J + 1, et les avances pour ces mêmes trimestres, est liquidée lors du paiement de (l'avance du 31 janvier de l'année J + 2). <AR 2008-10-01/41, art. 6, 1°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 2. Si un employeur a reçu trop d'avances et si la récupération au moyen des quatre avances suivantes n'est pas possible, le solde est remboursé par l'employeur à l'INAMI avant la fin du mois qui suit le mois au cours duquel le Service a notifié le montant à récupérer à l'employeur.
Le cas échéant, ce montant pourra être récupéré par compensation sur les sommes dues, au cours de la même année, à l'employeur par l'INAMI en vertu de l'arrêté royal du 1er octobre 2002 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des barèmes dans certaines institutions de soins.
§ 3. Les employeurs qui n'ont pas encore reçu d'interventions peuvent demander une avance pour autant qu'ils communiquent au Service les données d'un trimestre civil complet.
(§ 4. Des données complémentaires, relatives à la période pour laquelle l'employeur a reçu une intervention définitive, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au Service [1 plus de six mois]1 après que l'employeur ait reçu la notification du montant de cette intervention définitive.) <AR 2008-10-01/41, art. 6, 3°, 002; En vigueur : 01-01-2009>
Modifications
Modifications
Art. 8. § 1. (De Dienst en de Dienst voor Administratieve Controle) van het RIZIV wordt belast met de controle op de juistheid van de door de werkgevers aan de Dienst meegedeelde gegevens. <KB 2008-10-01/41, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 2. Op het einde van elk jaar vanaf 2006, stelt de Dienst een lijst met vermelding van, per werkgever, het aantal uren waarvoor een premie werd gestort, het aantal uren vrijstelling van arbeidsprestaties en het aantal uren waarvoor deze vrijstelling gecompenseerd werd door een nieuwe verbintenis of door een verhoging van het aantal arbeidsuren van een personeelslid, ter beschikking van de bevoegde sectorale Fondsen Sociale Maribel van naargelang het geval de private sector of de openbare sector.
§ 2. Op het einde van elk jaar vanaf 2006, stelt de Dienst een lijst met vermelding van, per werkgever, het aantal uren waarvoor een premie werd gestort, het aantal uren vrijstelling van arbeidsprestaties en het aantal uren waarvoor deze vrijstelling gecompenseerd werd door een nieuwe verbintenis of door een verhoging van het aantal arbeidsuren van een personeelslid, ter beschikking van de bevoegde sectorale Fondsen Sociale Maribel van naargelang het geval de private sector of de openbare sector.
Art. 8. § 1er. (Le Service et le Service du contrôle administratif) de l'INAMI est chargé de vérifier l'exactitude des données communiquées par les employeurs au Service. <AR 2008-10-01/41, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 2. A la fin de chaque année à partir de 2006, le Service met à la disposition du Fonds Maribel Social compétent, suivant le cas, pour le secteur privé ou pour le secteur public, une liste mentionnant, pour chaque employeur, le nombre d'heures pour lesquelles une prime a été versée, le nombre d'heures de dispense des prestations de travail, et le nombre d'heures pour lesquelles cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
§ 2. A la fin de chaque année à partir de 2006, le Service met à la disposition du Fonds Maribel Social compétent, suivant le cas, pour le secteur privé ou pour le secteur public, une liste mentionnant, pour chaque employeur, le nombre d'heures pour lesquelles une prime a été versée, le nombre d'heures de dispense des prestations de travail, et le nombre d'heures pour lesquelles cette dispense est compensée par un nouvel engagement ou par une augmentation du nombre d'heures de travail d'un membre du personnel.
Art. 9. De kost van de in artikel 6 bedoelde tegemoetkomingen wordt ten laste gelegd van de globale begrotingsdoelstelling van het RIZIV. De verdeling van deze kost over de algemene regeling en over de regeling voor zelfstandigen gebeurt pro rata van de verdeling over deze twee regelingen van de basisuitgaven van de sector waarop zij betrekking hebben.
Art. 9. Le coût des interventions visées à l'article 6 est mis à charge de l'objectif budgétaire global de l'INAMI. La répartition de ce coût entre le régime général et le régime des travailleurs indépendants s'effectue proportionnellement à la répartition entre les deux régimes des dépenses de base du secteur auquel elles ont trait.
Art. 10. De bedragen die in de bijlage staan, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 116,15 (basis 1996 = 100) en worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
Art. 10. Les montants repris en annexe sont liés à l'indice pivot 116,15 (base 1996 = 100) et sont adaptés conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.
Art. 11. § 1. Tegen de beslissingen bedoeld in artikel 7, § 1, 1° en 2° is er geen administratief beroep mogelijk.
§ 2. In geval van een gerechtelijk geschil over de beslissingen bedoeld in artikel 7, stort het RIZIV, in afwachting van een uitspraak door de rechtbank, het bedrag van de tegemoetkomingen op basis van de berekeningen van de Dienst.
§ 2. In geval van een gerechtelijk geschil over de beslissingen bedoeld in artikel 7, stort het RIZIV, in afwachting van een uitspraak door de rechtbank, het bedrag van de tegemoetkomingen op basis van de berekeningen van de Dienst.
Art. 11. § 1er. Aucun recours administratif n'est possible contre les décisions visées à l'article 7, § 1er, 1° et 2°.
§ 2. En cas de différend judiciaire à propos des décisions visées à l'article 7, et en attendant la décision du tribunal, l'INAMI verse le montant des interventions sur la base des calculs du Service.
§ 2. En cas de différend judiciaire à propos des décisions visées à l'article 7, et en attendant la décision du tribunal, l'INAMI verse le montant des interventions sur la base des calculs du Service.
Art. 12. Het koninklijk besluit van 23 september 2002 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake arbeidsduurvermindering en eindeloopbaan betreft is opgeheven.
Art. 12. L'arrêté royal du 23 septembre 2002 portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, est abrogé.
Art. 13. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2005, met uitsluiting van artikel 12 dat in werking treedt de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 13. Le présent arrêté produit ses effets le 1er octobre 2005 à l'exception de l'article 12 qui entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 14. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Notre Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage. <KB 2008-10-01/41, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Bedrag van de jaarlijkse loonkost in het kader van de financiering van de eindeloopbaan op 1 oktober 2005 (aan spilindexcijfer 116,15) :
Bedrag van de jaarlijkse loonkost in het kader van de financiering van de eindeloopbaan op 1 oktober 2005 (aan spilindexcijfer 116,15) :
Art. N. ANNEXE. <AR 2008-10-01/41, art. 8, 002; En vigueur : 01-01-2009>
Montant du coût salarial annuel dans le cadre du financement des fins de carrière au 1er octobre 2005 (à l'indice pivot 116,15) :
Montant du coût salarial annuel dans le cadre du financement des fins de carrière au 1er octobre 2005 (à l'indice pivot 116,15) :
Rustoorden voor Diensten voor Psychiatrische
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 37 564,54 51 196,93 39 997,66 52 339,14 39 728,06
B 36 969,24 34 795,91 36 763,94 34 926,07 39 482,77 34 926,07
C 34 888,08 33 901,87 42 478,06 35 916,61 46 066,45 35 338,96
D 34 888,08 39 921,15 42 478,06 39 921,15 46 066,45 43 172,42
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 37 564,54 51 196,93 39 997,66 52 339,14 39 728,06
B 36 969,24 34 795,91 36 763,94 34 926,07 39 482,77 34 926,07
C 34 888,08 33 901,87 42 478,06 35 916,61 46 066,45 35 338,96
D 34 888,08 39 921,15 42 478,06 39 921,15 46 066,45 43 172,42
Maisons de repos pour Services de soins a Maisons de soins
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 37 564,54 51 196,93 39 997,66 52 339,14 39 728,06
B 36 969,24 34 795,91 36 763,94 34 926,07 39 482,77 34 926,07
C 34 888,08 33 901,87 42 478,06 35 916,61 46 066,45 35 338,96
D 34 888,08 39 921,15 42 478,06 39 921,15 46 066,45 43 172,42
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 37 564,54 51 196,93 39 997,66 52 339,14 39 728,06
B 36 969,24 34 795,91 36 763,94 34 926,07 39 482,77 34 926,07
C 34 888,08 33 901,87 42 478,06 35 916,61 46 066,45 35 338,96
D 34 888,08 39 921,15 42 478,06 39 921,15 46 066,45 43 172,42
Bedrag van de jaarlijkse loonkost in het kader van de financiering van de eindeloopbaan op 1 januari 2006 (aan spilindexcijfer 116,15) :
Montant du coût salarial annuel dans le cadre du financement des fins de carrière au 1er janvier 2006 (à l'indice pivot 116,15) :
Rustoorden voor Diensten voor Psychiatrische
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 265,52 52 339,14 39 995,92
B 36 969,24 35 063,77 36 763,94 35 193,93 39 482,77 35 193,93
C 34 888,08 34 169,74 42 478,06 36 184,48 46 066,45 35 606,82
D 34 888,08 40 189,01 42 478,06 40 189,01 46 066,45 43 440,28
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 265,52 52 339,14 39 995,92
B 36 969,24 35 063,77 36 763,94 35 193,93 39 482,77 35 193,93
C 34 888,08 34 169,74 42 478,06 36 184,48 46 066,45 35 606,82
D 34 888,08 40 189,01 42 478,06 40 189,01 46 066,45 43 440,28
Maisons de repos pour Services de soins a Maisons de soins
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 265,52 52 339,14 39 995,92
B 36 969,24 35 063,77 36 763,94 35 193,93 39 482,77 35 193,93
C 34 888,08 34 169,74 42 478,06 36 184,48 46 066,45 35 606,82
D 34 888,08 40 189,01 42 478,06 40 189,01 46 066,45 43 440,28
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 265,52 52 339,14 39 995,92
B 36 969,24 35 063,77 36 763,94 35 193,93 39 482,77 35 193,93
C 34 888,08 34 169,74 42 478,06 36 184,48 46 066,45 35 606,82
D 34 888,08 40 189,01 42 478,06 40 189,01 46 066,45 43 440,28
Bedrag van de jaarlijkse loonkost in het kader van de financiering van de eindeloopbaan op 1 januari 2007 (aan spilindexcijfer 116,15) :
Montant du coût salarial annuel dans le cadre du financement des fins de carrière au 1er janvier 2007 (à l'indice pivot 116,15) :
Rustoorden voor Diensten voor Psychiatrische
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 439,98 52 339,14 40 170,38
B 36 969,24 35 238,23 36 763,94 35 368,39 39 482,77 35 368,39
C 34 888,08 34 344,20 42 478,06 36 358,94 46 066,45 35 781,28
D 34 888,08 40 363,47 42 478,06 40 363,47 46 066,45 43 614,74
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 439,98 52 339,14 40 170,38
B 36 969,24 35 238,23 36 763,94 35 368,39 39 482,77 35 368,39
C 34 888,08 34 344,20 42 478,06 36 358,94 46 066,45 35 781,28
D 34 888,08 40 363,47 42 478,06 40 363,47 46 066,45 43 614,74
Maisons de repos pour Services de soins a Maisons de soins
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 439,98 52 339,14 40 170,38
B 36 969,24 35 238,23 36 763,94 35 368,39 39 482,77 35 368,39
C 34 888,08 34 344,20 42 478,06 36 358,94 46 066,45 35 781,28
D 34 888,08 40 363,47 42 478,06 40 363,47 46 066,45 43 614,74
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 40 189,01 51 196,93 40 439,98 52 339,14 40 170,38
B 36 969,24 35 238,23 36 763,94 35 368,39 39 482,77 35 368,39
C 34 888,08 34 344,20 42 478,06 36 358,94 46 066,45 35 781,28
D 34 888,08 40 363,47 42 478,06 40 363,47 46 066,45 43 614,74
Bedrag van de jaarlijkse loonkost in het kader van de financiering van de eindeloopbaan op 1 januari 2008 (aan spilindexcijfer 116,15) :
Montant du coût salarial annuel dans le cadre du financement des fins de carrière au 1er janvier 2008 (à l'indice pivot 116,15) :
Rustoorden voor Diensten voor Psychiatrische
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 38 182,69 51 196,93 40 615,80 52 339,14 40 346,20
B 36 969,24 35 414,05 36 763,94 35 544,21 39 482,77 35 544,21
C 34 888,08 34 520,02 42 478,06 36 534,76 46 066,45 35 957,10
D 34 888,08 40 539,29 42 478,06 40 539,29 46 066,45 43 790,56
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 38 182,69 51 196,93 40 615,80 52 339,14 40 346,20
B 36 969,24 35 414,05 36 763,94 35 544,21 39 482,77 35 544,21
C 34 888,08 34 520,02 42 478,06 36 534,76 46 066,45 35 957,10
D 34 888,08 40 539,29 42 478,06 40 539,29 46 066,45 43 790,56
Maisons de repos pour Services de soins a Maisons de soins
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 38 182,69 51 196,93 40 615,80 52 339,14 40 346,20
B 36 969,24 35 414,05 36 763,94 35 544,21 39 482,77 35 544,21
C 34 888,08 34 520,02 42 478,06 36 534,76 46 066,45 35 957,10
D 34 888,08 40 539,29 42 478,06 40 539,29 46 066,45 43 790,56
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 38 182,69 51 196,93 40 615,80 52 339,14 40 346,20
B 36 969,24 35 414,05 36 763,94 35 544,21 39 482,77 35 544,21
C 34 888,08 34 520,02 42 478,06 36 534,76 46 066,45 35 957,10
D 34 888,08 40 539,29 42 478,06 40 539,29 46 066,45 43 790,56
Bedrag van de jaarlijkse loonkost in het kader van de financiering van de eindeloopbaan op 1 januari 2009 (aan spilindexcijfer 116,15) :
Montant du coût salarial annuel dans le cadre du financement des fins de carrière au 1er janvier 2009 (à l'indice pivot 116,15) :
Rustoorden voor Diensten voor Psychiatrische
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 38 248,63 51 196,93 40 681,74 52 339,14 40 412,14
B 36 969,24 35 479,99 36 763,94 35 610,15 39 482,77 35 610,15
C 34 888,08 34 585,96 42 478,06 36 600,70 46 066,45 36 023,04
D 34 888,08 40 605,23 42 478,06 40 605,23 46 066,45 43 856,50
bejaarden, rust- en Thuisverpleging en verzorgingstehuizen,
verzorgingstehuizen Diensten van het Wijkgezondheids-
en centra voor bloed van het Rode centra,
dagverzorging Kruis Revalidatiecentra
en Medische
Pediatrische centra
CATE- Premie Vervanging Premie Vervanging Premie Vervanging
GORIE
A 48 991,61 38 248,63 51 196,93 40 681,74 52 339,14 40 412,14
B 36 969,24 35 479,99 36 763,94 35 610,15 39 482,77 35 610,15
C 34 888,08 34 585,96 42 478,06 36 600,70 46 066,45 36 023,04
D 34 888,08 40 605,23 42 478,06 40 605,23 46 066,45 43 856,50
Maisons de repos pour Services de soins a Maisons de soins
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 38 248,63 51 196,93 40 681,74 52 339,14 40 412,14
B 36 969,24 35 479,99 36 763,94 35 610,15 39 482,77 35 610,15
C 34 888,08 34 585,96 42 478,06 36 600,70 46 066,45 36 023,04
D 34 888,08 40 605,23 42 478,06 40 605,23 46 066,45 43 856,50
personnes âgées, domicile et psychiatriques,
Maisons de repos Services du sang Maisons médicales,
et de soins et de la Croix-Rouge Centres de
Centres de soins de Belgique rééducation et
de jour Centres
medico-pédiatriques
CATE- Prime Remplace- Prime Remplace- Prime Remplace-
GORIE ment ment ment
A 48 991,61 38 248,63 51 196,93 40 681,74 52 339,14 40 412,14
B 36 969,24 35 479,99 36 763,94 35 610,15 39 482,77 35 610,15
C 34 888,08 34 585,96 42 478,06 36 600,70 46 066,45 36 023,04
D 34 888,08 40 605,23 42 478,06 40 605,23 46 066,45 43 856,50
Aanduiding categorie per functie :
Catégories par fonctions :
FUNCTIE Categorie
- het verpleegkundige personeel (inclusief de A
ziekenhuisassistenten en de sociaal verpleegkundigen);
- de opvoeders begeleiders geintegreerd in de zorgteams.
- het verzorgende personeel; B
- de logistieke assistenten;
- de werknemers bedoeld in artikelen 54bis en 54ter van
het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967.
- de medewerkers patientenvervoer; C
- GELIJKGESTELDEN.
- de laboratoriumtechnologen; D
- de maatschappelijk assistenten en psychologisch
assistenten tewerkgesteld in de zorgteams of
geintegreerd in het therapeutische programma;
- de kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten en
dietisten;
- de psychologen, orthopedagogen en pedagogen,
tewerkgesteld in de zorgteams of geintegreerd in het
therapeutische programma.
- de ambulanciers van de spoeddiensten; Niet van
- de technologen van medische beeldvorming; toepassing
- de technici van medisch materiaal, inzonderheid in
de sterilisatiediensten.
- het verpleegkundige personeel (inclusief de A
ziekenhuisassistenten en de sociaal verpleegkundigen);
- de opvoeders begeleiders geintegreerd in de zorgteams.
- het verzorgende personeel; B
- de logistieke assistenten;
- de werknemers bedoeld in artikelen 54bis en 54ter van
het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967.
- de medewerkers patientenvervoer; C
- GELIJKGESTELDEN.
- de laboratoriumtechnologen; D
- de maatschappelijk assistenten en psychologisch
assistenten tewerkgesteld in de zorgteams of
geintegreerd in het therapeutische programma;
- de kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten en
dietisten;
- de psychologen, orthopedagogen en pedagogen,
tewerkgesteld in de zorgteams of geintegreerd in het
therapeutische programma.
- de ambulanciers van de spoeddiensten; Niet van
- de technologen van medische beeldvorming; toepassing
- de technici van medisch materiaal, inzonderheid in
de sterilisatiediensten.
FONCTION Catégorie
- les praticiens de l'art infirmier (y compris les A
assistants en soins hospitaliers et les infirmiers
sociaux);
- les éducateurs accompagnants intégrés dans les
équipes de soins.
- le personnel soignant; B
- les assistants en logistique;
- les travailleurs vises aux articles 54bis et 54ter de
l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967.
- les brancardiers; C
- les assimiles.
- les technologues en laboratoire; D
- les assistants sociaux et les assistants en
psychologie occupes dans les équipes de soins ou
intégrés dans le programme thérapeutique;
- les kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopédistes
et diététiciens;
- les psychologues, orthopédiques et pédagogues,
occupes dans les équipes de soins ou intégrés dans
le programme thérapeutique.
- les ambulanciers des services d'urgence; Pas
- les technologues en imagerie médicale; d'application
- les techniciens du matériel médical, notamment dans
les services de stérilisation.
- les praticiens de l'art infirmier (y compris les A
assistants en soins hospitaliers et les infirmiers
sociaux);
- les éducateurs accompagnants intégrés dans les
équipes de soins.
- le personnel soignant; B
- les assistants en logistique;
- les travailleurs vises aux articles 54bis et 54ter de
l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967.
- les brancardiers; C
- les assimiles.
- les technologues en laboratoire; D
- les assistants sociaux et les assistants en
psychologie occupes dans les équipes de soins ou
intégrés dans le programme thérapeutique;
- les kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopédistes
et diététiciens;
- les psychologues, orthopédiques et pédagogues,
occupes dans les équipes de soins ou intégrés dans
le programme thérapeutique.
- les ambulanciers des services d'urgence; Pas
- les technologues en imagerie médicale; d'application
- les techniciens du matériel médical, notamment dans
les services de stérilisation.