Art. 5. § 1. Indien het sociaal verzekeringsfonds vaststelt dat zij het " attest van begunstigde van moederschapshulp " overeenkomstig artikel 4, § 3, eerste alinea van onderhavig besluit niet kan afleveren of niet had mogen, omdat de vrouwelijke zelfstandige niet beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door deze bepaling om te kunnen genieten van de moederschapshulp, laat het sociaal verzekeringsfonds haar via een ter post aangetekend schrijven de met redenen omklede beslissing tot weigering weten.
Deze kennisgeving moet vermelden dat een beroep tegen voornoemde beslissing kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de (vrouwelijke zelfstandige). Dit beroep moet ingediend worden binnen een termijn van 3 maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de toekenning van de moederschapschulp.
<KB 2008-08-12/53, art. 4, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Het sociaal verzekeringsfonds deelt het uitgiftebedrijf deze beslissing mee, indien laatstgenoemde het in artikel 4, § 3, bedoelde attest reeds heeft ontvangen.
§ 2. Indien de (vrouwelijke zelfstandige) de moederschapshulp niet mocht genieten, terwijl ze de dienstencheques in het kader van voornoemde hulp reeds heeft verkregen, moet de vrouwelijke zelfstandige aan het sociaal verzekeringsfonds de tussenkomst van het fonds voor de aankoopprijs van de aldus verkregen dienstencheques terugbetalen.
<KB 2008-08-12/53, art. 4, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Indien de ten onrechte toegekende dienstencheques door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen werd bekomen moet de vrouwelijke zelfstandige aan het sociaalverzekeringsfonds 19,52 euro per aldus verkregen dienstencheque terugbetalen
De aldus teruggevorderde bedragen dienen te worden verrekend met de bedragen bedoeld in artikel 51, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 zoals aangevuld in artikel 8 van dit besluit.
De terugvordering verjaart door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de uitgifte van toegekende dienstencheques.
In geval van terugbetaling door de vrouwelijke zelfstandige, deelt het sociaal verzekeringsfonds dit aan het uitgiftebedrijf mee.
§ 3. In geval van niet-terugvordering van de onverschuldigde bedragen bedoeld in § 2, wanneer de niet-terugvordering voortvloeit uit een nalatigheid of bedrog van het sociaal verzekeringsfonds, wordt dit fonds aansprakelijk gesteld bij beslissing van de
[2 minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]2 en worden de niet-teruggevorderde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd voor het dekken van de administratiekosten van het fonds.
§ 4. De vordering tot betaling van de dienstencheques, bedoeld in artikel 4, § 5, van dit besluit, verjaart na vijf jaar.
De termijn van vijf jaar vangt aan
[1 de eerste dag na de bevalling van de zelfstandige]1.
(1)<KB 2009-01-11/42, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009; zie ook art. 5> (2)<KB 2019-06-23/15, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2019> <KB 2019-06-23/16, art. 30, 010; Inwerkingtreding : 01-04-2019>