Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
8 MAART 2006. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Titre
8 MARS 2006. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (12)
Texte (12)
Artikel 1. Artikel 66 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs wordt opgeheven.
Article 1. L'article 66 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire est abrogé.
Art. 2. Artikel 68 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 2. L'article 68 du même arrêté est abrogé.
Art. 3. Artikel 69 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 69. § 1. De griffier bewaart het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs.
§ 2. Als het verval van het recht tot sturen krachtens artikel 38,§ 2bis van de wet enkel uitgevoerd wordt tijdens het weekend en op feestdagen, maakt de griffier een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Minister. De betrokkene ontvangt dit attest bij de afgifte van zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs op de griffie. Het attest is één maand geldig.
De overheid bedoeld in artikel 7 reikt de betrokkene bij afgifte van het attest een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs uit dat enkel geldig is buiten de in artikel 38,§ 2bis van de wet vermelde weekends en feestdagen.
§ 3. Als het verval van het recht tot sturen enkel van toepassing is op bepaalde categorieën of subcategorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs afgegeven is, maakt de griffier een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Minister. De betrokkene ontvangt dit attest bij de afgifte van zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs op de griffie. Het attest is één maand geldig.
De overheid bedoeld in artikel 7 reikt de betrokkene bij afgifte van het attest een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs uit dat enkel geldig is voor de categorieën of subcategorieën waarvoor het verval niet van toepassing is.
§ 4. Het openbaar ministerie deelt uiterlijk de vijfde dag volgend op de datum van de kennisgeving die aan de veroordeelde overeenkomstig artikel 40 van de wet werd gedaan, of de dag volgend op deze waarop het verval wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ingaat, de volgende gegevens mee aan de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer :
- de beslissing waarbij het verval wordt uitgesproken, de duur, de reden, desgevallend of het verval beperkt is tot de weekends en feestdagen, en desgevallend de categorieën of subcategorieën waarvoor het verval van toepassing is;
- de examens of onderzoeken die desgevallend ondergaan moeten worden krachtens artikel 38 van de wet.
§ 5. Wanneer examens of onderzoeken moeten worden ondergaan krachtens artikel 38 van de wet, deelt het openbaar ministerie, mits schriftelijk akkoord van de betrokkene, de in de vorige paragraaf bedoelde gegevens mee aan de instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken.
Het model van schriftelijk akkoord wordt door de griffier aan de betrokkene voorgelegd op het moment van de afgifte van het rijbewijs. Het model van schriftelijk akkoord wordt door de minister bepaald. Het bevat eveneens een lijst van alle erkende instellingen en hun vestigingen. De betrokkene duidt op de lijst de vestiging aan waar hij de examens of onderzoeken wenst af te leggen.
Indien de betrokkene geen keuze heeft gemaakt, of bij gebrek aan afgifte op de griffie van het rijbewijs door de betrokkene zelf, deelt het openbaar ministerie aan de betrokkene de instelling of vestiging mee bij de welke hij zijn examens of onderzoeken zal kunnen ondergaan.
§ 6. De instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken stuurt de betrokkene een oproep tot verschijning voor het afleggen van de examens of onderzoeken.
De instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken deelt de resultaten van de examens of onderzoeken mee aan de betrokkene, aan de griffie en aan het openbaar ministerie.
§ 7. De betrokkene kan het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs weer op de griffie afhalen wanneer :
1° de termijn van het verval verstreken is en het herstel van het recht tot sturen niet afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor de in artikel 38 van de wet bedoelde examens of onderzoeken;
2° de betrokkene de examens of onderzoeken krachtens artikel 38 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd en de termijn van het verval verstreken is;
3° de houder van een Europees of buitenlands rijbewijs, die niet beantwoordt aan de voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te verkrijgen, het grondgebied verlaat. In dit geval geeft het openbaar ministerie hem een attest af dat overeenstemt met het model van bijlage 8, en dat hem machtigt tot het besturen van zijn voertuig om zich op een vastgestelde dag en langs een bepaalde weg naar de grens te begeven.
Het openbaar ministerie brengt de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer en desgevallend de instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken op de hoogte van de teruggave van het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs.
Wanneer het verval betrekking heeft op een voorlopig rijbewijs of leervergunning, verlengt de overheid bedoeld in artikel 7 het voorlopig rijbewijs of de leervergunning overeenkomstig de bepaling van de artikelen 8, § 6 en 12, § 5. ".
" Artikel 69. § 1. De griffier bewaart het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs.
§ 2. Als het verval van het recht tot sturen krachtens artikel 38,§ 2bis van de wet enkel uitgevoerd wordt tijdens het weekend en op feestdagen, maakt de griffier een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Minister. De betrokkene ontvangt dit attest bij de afgifte van zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs op de griffie. Het attest is één maand geldig.
De overheid bedoeld in artikel 7 reikt de betrokkene bij afgifte van het attest een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs uit dat enkel geldig is buiten de in artikel 38,§ 2bis van de wet vermelde weekends en feestdagen.
§ 3. Als het verval van het recht tot sturen enkel van toepassing is op bepaalde categorieën of subcategorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs afgegeven is, maakt de griffier een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Minister. De betrokkene ontvangt dit attest bij de afgifte van zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs op de griffie. Het attest is één maand geldig.
De overheid bedoeld in artikel 7 reikt de betrokkene bij afgifte van het attest een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs uit dat enkel geldig is voor de categorieën of subcategorieën waarvoor het verval niet van toepassing is.
§ 4. Het openbaar ministerie deelt uiterlijk de vijfde dag volgend op de datum van de kennisgeving die aan de veroordeelde overeenkomstig artikel 40 van de wet werd gedaan, of de dag volgend op deze waarop het verval wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ingaat, de volgende gegevens mee aan de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer :
- de beslissing waarbij het verval wordt uitgesproken, de duur, de reden, desgevallend of het verval beperkt is tot de weekends en feestdagen, en desgevallend de categorieën of subcategorieën waarvoor het verval van toepassing is;
- de examens of onderzoeken die desgevallend ondergaan moeten worden krachtens artikel 38 van de wet.
§ 5. Wanneer examens of onderzoeken moeten worden ondergaan krachtens artikel 38 van de wet, deelt het openbaar ministerie, mits schriftelijk akkoord van de betrokkene, de in de vorige paragraaf bedoelde gegevens mee aan de instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken.
Het model van schriftelijk akkoord wordt door de griffier aan de betrokkene voorgelegd op het moment van de afgifte van het rijbewijs. Het model van schriftelijk akkoord wordt door de minister bepaald. Het bevat eveneens een lijst van alle erkende instellingen en hun vestigingen. De betrokkene duidt op de lijst de vestiging aan waar hij de examens of onderzoeken wenst af te leggen.
Indien de betrokkene geen keuze heeft gemaakt, of bij gebrek aan afgifte op de griffie van het rijbewijs door de betrokkene zelf, deelt het openbaar ministerie aan de betrokkene de instelling of vestiging mee bij de welke hij zijn examens of onderzoeken zal kunnen ondergaan.
§ 6. De instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken stuurt de betrokkene een oproep tot verschijning voor het afleggen van de examens of onderzoeken.
De instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken deelt de resultaten van de examens of onderzoeken mee aan de betrokkene, aan de griffie en aan het openbaar ministerie.
§ 7. De betrokkene kan het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs weer op de griffie afhalen wanneer :
1° de termijn van het verval verstreken is en het herstel van het recht tot sturen niet afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor de in artikel 38 van de wet bedoelde examens of onderzoeken;
2° de betrokkene de examens of onderzoeken krachtens artikel 38 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd en de termijn van het verval verstreken is;
3° de houder van een Europees of buitenlands rijbewijs, die niet beantwoordt aan de voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te verkrijgen, het grondgebied verlaat. In dit geval geeft het openbaar ministerie hem een attest af dat overeenstemt met het model van bijlage 8, en dat hem machtigt tot het besturen van zijn voertuig om zich op een vastgestelde dag en langs een bepaalde weg naar de grens te begeven.
Het openbaar ministerie brengt de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer en desgevallend de instelling die bevoegd is voor de examens of onderzoeken op de hoogte van de teruggave van het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs.
Wanneer het verval betrekking heeft op een voorlopig rijbewijs of leervergunning, verlengt de overheid bedoeld in artikel 7 het voorlopig rijbewijs of de leervergunning overeenkomstig de bepaling van de artikelen 8, § 6 en 12, § 5. ".
Art. 3. L'article 69 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Article 69. § 1er. Le greffier conserve le permis de conduire, ou le titre qui en tient lieu.
§ 2. Si, en vertu de l'article 38, § 2bis de la loi, la déchéance du droit de conduire n'est exécutée que durant le week-end et les jours fériés, le greffier rédige une attestation dont le modèle est déterminé par le Ministre. L'intéressé reçoit cette attestation lors de la remise de son permis de conduire ou le titre qui en tient lieu au greffe. L'attestation est valable pour une durée d'un mois.
Les autorités visées à l'article 7 remettent à l'intéressé lors de la délivrance de l'attestation, un permis de conduire ou le titre qui en tient lieu qui n'est valable qu'en dehors des week-ends et jours fériés indiqués à l'article 38, § 2bis de la loi.
§ 3. Si la déchéance du droit de conduire n'est d'application que pour certaines catégories ou sous-catégories de véhicules pour lesquelles le permis de conduire ou le titre qui en tient lieu a été délivré, le greffier rédige une attestation dont le modèle est déterminé par le Ministre. L'intéressé reçoit cette attestation lors de la remise de son permis de conduire ou le titre qui en tient lieu au greffe. L'attestation est valable pour une durée d'un mois.
Les autorités visées à l'article 7 remettent un permis de conduire ou le titre qui en tient lieu à l'intéressé lors de la délivrance de l'attestation qui n'est valable que pour les catégories ou sous-catégories pour lesquelles la déchéance n'est pas d'application.
§ 4. Le ministère public communique, au plus tard le cinquième jour suivant la date de l'avis qui, conformément à l'article 40 de la loi, a été émis au condamné ou le jour suivant celui lors duquel la déchéance pour incapacité physique ou psychique entre en vigueur, les données suivantes au service public fédéral mobilité et transports :
- la décision par laquelle la déchéance est prononcée, la durée, la raison, le cas échéant, si la déchéance est limitée aux week-ends et jours fériés et, le cas échéant, les catégories ou sous-catégories pour lesquelles la déchéance est d'application;
- les examens qui, le cas échéant, doivent être effectués en vertu de l'article 38 de la loi.
§ 5. Quand des examens doivent être effectués, en vertu de l'article 38 de la loi, le ministère public communique, moyennant un accord écrit de l'intéressé, les données visées au paragraphe précédent à l'institution compétente pour les examens.
Le modèle d'accord écrit est présenté à l'intéressé par le greffier au moment de la remise du permis de conduire. Le modèle d'accord écrit est déterminé par le ministre. Il contient aussi une liste de toutes les institutions agréées et de leurs établissements. L'intéressé indique sur la liste l'établissement où il souhaite passer les examens.
Si l'intéressé n'a pas effectué de choix, ou à défaut de remise du permis de conduire au greffe par l'intéressé lui-même, le ministère public communique à l'intéressé l'institution ou l'établissement auprès de laquelle il pourra être soumis à ses examens.
§ 6. L'institution compétente pour les examens envoie à l'intéressé une demande de comparution pour passer les examens.
L'institution compétente pour les examens communique les résultats des examens à l'intéressé, au greffe et au ministère public.
§ 7. L'intéressé peut venir rechercher son permis de conduire ou le titre qui en tient lieu auprès du greffe quand :
1° le délai de la déchéance vient à expiration et que le rétablissement du droit de conduire ne dépend pas de la réussite des examens visés à l'article 38 de la loi;
2° l'intéressé a réussi les examens avec fruit en vertu de l'article 38 de la loi et que le délai de la déchéance est expiré;
3° le détenteur d'un permis de conduire européen ou étranger, qui ne répond pas aux conditions d'obtention d'un permis de conduire belge, quitte le territoire. Dans ce cas, le ministère public lui délivre une attestation, conforme au modèle figurant à l'annexe 8, l'autorisant à conduire son véhicule pour se rendre à la frontière à une date et par une voie déterminée.
Le ministère public met le service public fédéral mobilité et transports et, le cas échéant, l'institution compétente pour les examens au courant de la restitution du permis de conduire ou le titre qui en tient lieu.
Lorsque la déchéance concerne un permis de conduire provisoire ou une licence d'apprentissage l'autorité visée à l'article 7 proroge la validité du permis de conduire provisoire ou de la licence d'apprentissage conformément à la disposition des articles 8, § 6 et 12, § 5. ".
" Article 69. § 1er. Le greffier conserve le permis de conduire, ou le titre qui en tient lieu.
§ 2. Si, en vertu de l'article 38, § 2bis de la loi, la déchéance du droit de conduire n'est exécutée que durant le week-end et les jours fériés, le greffier rédige une attestation dont le modèle est déterminé par le Ministre. L'intéressé reçoit cette attestation lors de la remise de son permis de conduire ou le titre qui en tient lieu au greffe. L'attestation est valable pour une durée d'un mois.
Les autorités visées à l'article 7 remettent à l'intéressé lors de la délivrance de l'attestation, un permis de conduire ou le titre qui en tient lieu qui n'est valable qu'en dehors des week-ends et jours fériés indiqués à l'article 38, § 2bis de la loi.
§ 3. Si la déchéance du droit de conduire n'est d'application que pour certaines catégories ou sous-catégories de véhicules pour lesquelles le permis de conduire ou le titre qui en tient lieu a été délivré, le greffier rédige une attestation dont le modèle est déterminé par le Ministre. L'intéressé reçoit cette attestation lors de la remise de son permis de conduire ou le titre qui en tient lieu au greffe. L'attestation est valable pour une durée d'un mois.
Les autorités visées à l'article 7 remettent un permis de conduire ou le titre qui en tient lieu à l'intéressé lors de la délivrance de l'attestation qui n'est valable que pour les catégories ou sous-catégories pour lesquelles la déchéance n'est pas d'application.
§ 4. Le ministère public communique, au plus tard le cinquième jour suivant la date de l'avis qui, conformément à l'article 40 de la loi, a été émis au condamné ou le jour suivant celui lors duquel la déchéance pour incapacité physique ou psychique entre en vigueur, les données suivantes au service public fédéral mobilité et transports :
- la décision par laquelle la déchéance est prononcée, la durée, la raison, le cas échéant, si la déchéance est limitée aux week-ends et jours fériés et, le cas échéant, les catégories ou sous-catégories pour lesquelles la déchéance est d'application;
- les examens qui, le cas échéant, doivent être effectués en vertu de l'article 38 de la loi.
§ 5. Quand des examens doivent être effectués, en vertu de l'article 38 de la loi, le ministère public communique, moyennant un accord écrit de l'intéressé, les données visées au paragraphe précédent à l'institution compétente pour les examens.
Le modèle d'accord écrit est présenté à l'intéressé par le greffier au moment de la remise du permis de conduire. Le modèle d'accord écrit est déterminé par le ministre. Il contient aussi une liste de toutes les institutions agréées et de leurs établissements. L'intéressé indique sur la liste l'établissement où il souhaite passer les examens.
Si l'intéressé n'a pas effectué de choix, ou à défaut de remise du permis de conduire au greffe par l'intéressé lui-même, le ministère public communique à l'intéressé l'institution ou l'établissement auprès de laquelle il pourra être soumis à ses examens.
§ 6. L'institution compétente pour les examens envoie à l'intéressé une demande de comparution pour passer les examens.
L'institution compétente pour les examens communique les résultats des examens à l'intéressé, au greffe et au ministère public.
§ 7. L'intéressé peut venir rechercher son permis de conduire ou le titre qui en tient lieu auprès du greffe quand :
1° le délai de la déchéance vient à expiration et que le rétablissement du droit de conduire ne dépend pas de la réussite des examens visés à l'article 38 de la loi;
2° l'intéressé a réussi les examens avec fruit en vertu de l'article 38 de la loi et que le délai de la déchéance est expiré;
3° le détenteur d'un permis de conduire européen ou étranger, qui ne répond pas aux conditions d'obtention d'un permis de conduire belge, quitte le territoire. Dans ce cas, le ministère public lui délivre une attestation, conforme au modèle figurant à l'annexe 8, l'autorisant à conduire son véhicule pour se rendre à la frontière à une date et par une voie déterminée.
Le ministère public met le service public fédéral mobilité et transports et, le cas échéant, l'institution compétente pour les examens au courant de la restitution du permis de conduire ou le titre qui en tient lieu.
Lorsque la déchéance concerne un permis de conduire provisoire ou une licence d'apprentissage l'autorité visée à l'article 7 proroge la validité du permis de conduire provisoire ou de la licence d'apprentissage conformément à la disposition des articles 8, § 6 et 12, § 5. ".
Art. 4. Artikel 70 en 71 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 4. Les articles 70 et 71 du même arrêté sont abrogés.
Art. 5. § 1. Artikel 73, eerste lid van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" De instellingen die instaan voor de geneeskundige en psychologische onderzoeken, bedoeld in artikel 38,§ 3, 3° en 4° van de wet, worden door de minister erkend als psycho-medische-sociale centra overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden bepaald in dit besluit.
De geneeskundige en psychologische onderzoeken gebeuren in de vestigingen van de erkende instellingen.
Om erkend te worden moet de instelling op het moment van de erkenning minstens aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoen :
- de instelling heeft een zetel op Belgisch grondgebied;
- elke vestiging van de instelling beschikt over een multidisciplinair team dat minstens bestaat uit één arts en één psycholoog;
- elke arts of psycholoog werkzaam in de vestiging is in België geregistreerd;
- elke vestiging voldoet aan de technische uitrusting bepaald in bijlage 13 van het besluit;
- de medische onderzoeken worden uitgevoerd door artsen met minimum 3 jaar beroepservaring;
- de psychologische onderzoeken worden uitgevoerd door psychologen met minimum 3 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek of assistenten in de psychologie met minimum 6 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek. Deze assistenten staan onder leiding van een psycholoog met minimum 3 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek;
- de inhoud en methode van de onderzoeken voldoen aan bijlage 14 van dit besluit;
- de instelling dient een dossier in bij de minister, bestaande uit :
- de inhoudelijke procedure aangaande de onderzoeken en het multidisciplinair overleg tussen de artsen en psychologen,
- de organisatie van de onderzoeken,
- de integrale kwaliteitszorg,
- een financieel plan.
Uit het dossier moet blijken dat de instelling op het moment van de erkenning aan alle erkenningsvoorwaarden zal voldoen;
- de instelling houdt zich aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van personengegevens;
- de instelling beschikt over voldoende capaciteit om de geneeskundige of psychologische onderzoeken die de kandidaat voor de eerste maal aflegt te laten plaatsvinden binnen de 14 dagen nadat de instelling het dossier van het openbaar ministerie heeft ontvangen;
- de instelling verleent de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast zijn met de controle op de naleving van de erkenningsvoorwaarden vrije toegang tot de lokalen van de vestigingen en inzage in de voor de controle relevante dossiers.
Wanneer de instelling niet langer voldoet aan de bepalingen van dit besluit kan de minister de erkenning schorsen of intrekken. De minister kan de schorsing of intrekking van de erkenning beperken tot die vestiging van de instelling die niet langer voldoen aan de bepalingen van dit besluit. De instelling wordt vooraf bij aangetekend schrijven op de hoogte gebracht van het voornemen tot schorsing of intrekking en krijgt de mogelijkheid om voorafgaand aan de beslissing haar standpunt kenbaar te maken.
De onderzoeken worden georganiseerd door de erkende instellingen en hebben betrekking op de normen en tests vermeld in bijlage 6 van dit besluit.
De kandidaat betaalt de kosten van de onderzoeken en de erelonen van de geneesheer en psycholoog. Deze kosten en erelonen komen overeen met de door de minister vastgelegde tarieven. "
§ 2. In artikel 73, tweede lid van hetzelfde besluit wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
" Wanneer de kandidaat zowel een geneeskundig als psychologisch onderzoek heeft ondergaan, moet de geneesheer na overleg met de psycholoog beslissen of de kandidaat al dan niet " geschikt " is en onder welke voorwaarden of beperkingen. ".
§ 3. In artikel 73, derde lid van hetzelfde besluit worden de woorden " hetzelfde centrum " vervangen door " dezelfde vestiging " en de woorden " een ander centrum " door " een andere vestiging van dezelfde of een andere instelling ".
" De instellingen die instaan voor de geneeskundige en psychologische onderzoeken, bedoeld in artikel 38,§ 3, 3° en 4° van de wet, worden door de minister erkend als psycho-medische-sociale centra overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden bepaald in dit besluit.
De geneeskundige en psychologische onderzoeken gebeuren in de vestigingen van de erkende instellingen.
Om erkend te worden moet de instelling op het moment van de erkenning minstens aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoen :
- de instelling heeft een zetel op Belgisch grondgebied;
- elke vestiging van de instelling beschikt over een multidisciplinair team dat minstens bestaat uit één arts en één psycholoog;
- elke arts of psycholoog werkzaam in de vestiging is in België geregistreerd;
- elke vestiging voldoet aan de technische uitrusting bepaald in bijlage 13 van het besluit;
- de medische onderzoeken worden uitgevoerd door artsen met minimum 3 jaar beroepservaring;
- de psychologische onderzoeken worden uitgevoerd door psychologen met minimum 3 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek of assistenten in de psychologie met minimum 6 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek. Deze assistenten staan onder leiding van een psycholoog met minimum 3 jaar beroepservaring inzake het uitvoeren van psychodiagnostiek;
- de inhoud en methode van de onderzoeken voldoen aan bijlage 14 van dit besluit;
- de instelling dient een dossier in bij de minister, bestaande uit :
- de inhoudelijke procedure aangaande de onderzoeken en het multidisciplinair overleg tussen de artsen en psychologen,
- de organisatie van de onderzoeken,
- de integrale kwaliteitszorg,
- een financieel plan.
Uit het dossier moet blijken dat de instelling op het moment van de erkenning aan alle erkenningsvoorwaarden zal voldoen;
- de instelling houdt zich aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van personengegevens;
- de instelling beschikt over voldoende capaciteit om de geneeskundige of psychologische onderzoeken die de kandidaat voor de eerste maal aflegt te laten plaatsvinden binnen de 14 dagen nadat de instelling het dossier van het openbaar ministerie heeft ontvangen;
- de instelling verleent de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast zijn met de controle op de naleving van de erkenningsvoorwaarden vrije toegang tot de lokalen van de vestigingen en inzage in de voor de controle relevante dossiers.
Wanneer de instelling niet langer voldoet aan de bepalingen van dit besluit kan de minister de erkenning schorsen of intrekken. De minister kan de schorsing of intrekking van de erkenning beperken tot die vestiging van de instelling die niet langer voldoen aan de bepalingen van dit besluit. De instelling wordt vooraf bij aangetekend schrijven op de hoogte gebracht van het voornemen tot schorsing of intrekking en krijgt de mogelijkheid om voorafgaand aan de beslissing haar standpunt kenbaar te maken.
De onderzoeken worden georganiseerd door de erkende instellingen en hebben betrekking op de normen en tests vermeld in bijlage 6 van dit besluit.
De kandidaat betaalt de kosten van de onderzoeken en de erelonen van de geneesheer en psycholoog. Deze kosten en erelonen komen overeen met de door de minister vastgelegde tarieven. "
§ 2. In artikel 73, tweede lid van hetzelfde besluit wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
" Wanneer de kandidaat zowel een geneeskundig als psychologisch onderzoek heeft ondergaan, moet de geneesheer na overleg met de psycholoog beslissen of de kandidaat al dan niet " geschikt " is en onder welke voorwaarden of beperkingen. ".
§ 3. In artikel 73, derde lid van hetzelfde besluit worden de woorden " hetzelfde centrum " vervangen door " dezelfde vestiging " en de woorden " een ander centrum " door " een andere vestiging van dezelfde of een andere instelling ".
Art. 5. § 1er. L'article 73, premier alinéa du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Les institutions qui sont responsables des examens médicaux et psychologiques visés à l'article 38, § 3, 3° et 4° de la loi sont agréées par le ministre en tant que centres psycho-médico-sociaux conformément aux conditions d'agrément déterminées dans le présent arrêté.
Les examens médicaux et psychologiques ont lieu dans les établissements des institutions agrées.
Pour être agréée, l'institution doit au moins satisfaire aux conditions d'agrément suivantes au moment de l'agréation :
- l'institution a un siège sur le territoire belge;
- chaque établissement dispose d'une équipe multidisciplinaire qui est au moins composée d'un médecin et d'un psychologue;
- chaque médecin ou psychologue faisant fonction dans l'établissement est enregistré en Belgique;
- chaque établissement satisfait à l'équipement technique visé à l'annexe 13 du présent arrêté;
- les examens médicaux sont effectués par des médecins ayant au moins trois ans d'expérience professionnelle;
- les examens psychologiques sont effectués par des psychologues ayant au moins trois ans d'expérience professionnelle dans l'exécution de diagnostics psychologiques ou par des assistants en psychologie ayant au moins six ans d'expérience professionnelle dans l'exécution de diagnostics psychologiques. Ces assistants sont sous la supervision d'un psychologue ayant au moins trois ans d'expérience professionnelle dans l'exécution de diagnostics psychologiques;
- le contenu et la méthode des examens satisfont à l'annexe 14 du présent arrêté;
- l'institution introduit un dossier auprès du ministre, composé de :
- la procédure de contenu à propos des examens et de la concertation multidisciplinaire entre les médecins et les psychologues,
- l'organisation des examens,
- la gestion intégrale de la qualité,
- un plan financier.
Il doit ressortir du dossier que l'institution va satisfaire à toutes les conditions d'agréation au moment de l'agréation;
- l'institution se tient aux dispositions de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
- l'institution dispose de suffisamment de capacités pour faire en sorte que les examens médicaux et psychologiques que le candidat passe pour la première fois se déroulent dans les 14 jours après que l'institution a reçu le dossier du ministère public;
- l'institution accorde aux membres du personnel du Service Public Fédéral Mobilité et Transports chargés du contrôle du respect des conditions d'agréation un libre accès aux locaux des établissements et la communication des dossiers pertinents pour le contrôle.
Lorsque l'institution ne satisfait plus aux dispositions de cet arrêté, le ministre peut suspendre ou retirer l'agrément. Le ministre peut limiter la suspension ou le retrait aux établissements de l'institution qui ne satisfont plus aux dispositions de cet arrêté. L'institution est préalablement mise au courant par lettre recommandée de l'intention de suspension ou de retrait et reçoit la possibilité de faire connaître sa position préalablement à la décision.
Les examens sont organisés par les institutions agréées et portent sur les normes et tests indiqués à l'annexe 6 de cet arrêté.
Le candidat paie les frais d'examens et les honoraires du médecin et du psychologue. Ces frais et honoraires correspondent aux tarifs fixés par le ministre. "
§ 2. A l'article 73, deuxième alinéa du même arrêté, une phrase est ajoutée comme suit :
" Quand le candidat a subi tant un examen médical que psychologique, le médecin, après concertation avec le psychologue, doit décider si le candidat est ou non " apte " et sous quelles conditions ou limites. ".
§ 3. A l'article 73, troisième alinéa du même arrêté, les mots " le même centre " sont remplacés par " le même établissement " et les mots " un autre centre " sont remplacés par " un autre établissement de la même ou d'une autre institution ".
" Les institutions qui sont responsables des examens médicaux et psychologiques visés à l'article 38, § 3, 3° et 4° de la loi sont agréées par le ministre en tant que centres psycho-médico-sociaux conformément aux conditions d'agrément déterminées dans le présent arrêté.
Les examens médicaux et psychologiques ont lieu dans les établissements des institutions agrées.
Pour être agréée, l'institution doit au moins satisfaire aux conditions d'agrément suivantes au moment de l'agréation :
- l'institution a un siège sur le territoire belge;
- chaque établissement dispose d'une équipe multidisciplinaire qui est au moins composée d'un médecin et d'un psychologue;
- chaque médecin ou psychologue faisant fonction dans l'établissement est enregistré en Belgique;
- chaque établissement satisfait à l'équipement technique visé à l'annexe 13 du présent arrêté;
- les examens médicaux sont effectués par des médecins ayant au moins trois ans d'expérience professionnelle;
- les examens psychologiques sont effectués par des psychologues ayant au moins trois ans d'expérience professionnelle dans l'exécution de diagnostics psychologiques ou par des assistants en psychologie ayant au moins six ans d'expérience professionnelle dans l'exécution de diagnostics psychologiques. Ces assistants sont sous la supervision d'un psychologue ayant au moins trois ans d'expérience professionnelle dans l'exécution de diagnostics psychologiques;
- le contenu et la méthode des examens satisfont à l'annexe 14 du présent arrêté;
- l'institution introduit un dossier auprès du ministre, composé de :
- la procédure de contenu à propos des examens et de la concertation multidisciplinaire entre les médecins et les psychologues,
- l'organisation des examens,
- la gestion intégrale de la qualité,
- un plan financier.
Il doit ressortir du dossier que l'institution va satisfaire à toutes les conditions d'agréation au moment de l'agréation;
- l'institution se tient aux dispositions de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
- l'institution dispose de suffisamment de capacités pour faire en sorte que les examens médicaux et psychologiques que le candidat passe pour la première fois se déroulent dans les 14 jours après que l'institution a reçu le dossier du ministère public;
- l'institution accorde aux membres du personnel du Service Public Fédéral Mobilité et Transports chargés du contrôle du respect des conditions d'agréation un libre accès aux locaux des établissements et la communication des dossiers pertinents pour le contrôle.
Lorsque l'institution ne satisfait plus aux dispositions de cet arrêté, le ministre peut suspendre ou retirer l'agrément. Le ministre peut limiter la suspension ou le retrait aux établissements de l'institution qui ne satisfont plus aux dispositions de cet arrêté. L'institution est préalablement mise au courant par lettre recommandée de l'intention de suspension ou de retrait et reçoit la possibilité de faire connaître sa position préalablement à la décision.
Les examens sont organisés par les institutions agréées et portent sur les normes et tests indiqués à l'annexe 6 de cet arrêté.
Le candidat paie les frais d'examens et les honoraires du médecin et du psychologue. Ces frais et honoraires correspondent aux tarifs fixés par le ministre. "
§ 2. A l'article 73, deuxième alinéa du même arrêté, une phrase est ajoutée comme suit :
" Quand le candidat a subi tant un examen médical que psychologique, le médecin, après concertation avec le psychologue, doit décider si le candidat est ou non " apte " et sous quelles conditions ou limites. ".
§ 3. A l'article 73, troisième alinéa du même arrêté, les mots " le même centre " sont remplacés par " le même établissement " et les mots " un autre centre " sont remplacés par " un autre établissement de la même ou d'une autre institution ".
Art. 6. Tot 30 april 2006 worden de kandidaten door de federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer doorverwezen naar de vestiging van de erkende instelling die het dichtst bij de woonplaats van de kandidaat gelegen is, overeenkomstig de administratieve procedure die van kracht was voor 31 maart 2006, met dien verstande dat het inschrijvingsrecht van 12,5 euro niet meer wordt geheven.
De geneeskundige en psychologische onderzoeken gebeuren door de gewestelijke medico-psychologische centra van de Office Communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi, van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, van het Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft en van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling voor zover de betrokkene zich hiervoor reeds bij een van deze centra had ingeschreven voor 1 april 2006. De datum van betaling geldt als bewijs van inschrijving.
De geneeskundige en psychologische onderzoeken gebeuren door de gewestelijke medico-psychologische centra van de Office Communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi, van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, van het Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft en van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling voor zover de betrokkene zich hiervoor reeds bij een van deze centra had ingeschreven voor 1 april 2006. De datum van betaling geldt als bewijs van inschrijving.
Art. 6. Jusqu'au 30 avril 2006, les candidats sont orientés par le service public fédéral mobilité et transports vers l'établissement de l'organisme agréé situé le plus à proximité du domicile du candidat, conformément à la procédure administrative qui était en vigueur avant le 31 mars 2006, étant bien entendu que le droit d'inscription de 1 2,5 euros n'est plus prélevé.
Les examens médicaux et psychologiques sont réalisés par les centres médico-psychologiques régionaux de l'Office Communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi, du Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, du Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft et de l'Office régional bruxellois de l'Emploi, à la condition que l'intéressé se soit déjà inscrit auprès de l'un de ces centres avant le 1er avril 2006. La date de paiement a valeur de preuve d'inscription.
Les examens médicaux et psychologiques sont réalisés par les centres médico-psychologiques régionaux de l'Office Communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi, du Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, du Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft et de l'Office régional bruxellois de l'Emploi, à la condition que l'intéressé se soit déjà inscrit auprès de l'un de ces centres avant le 1er avril 2006. La date de paiement a valeur de preuve d'inscription.
Art. 7. De bijlagen 13 en 14, gevoegd bij dit besluit, worden toegevoegd aan het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 7. Les annexes 13 et 14, jointes au présent arrêté, sont ajoutées à l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking op 31 maart 2006.
Erkenningsaanvragers kunnen hun aanvraag tot erkenning indienen en de minister kan de instellingen erkennen overeenkomstig artikel 5 van dit besluit vanaf de datum van publicatie van dit besluit.
Erkenningsaanvragers kunnen hun aanvraag tot erkenning indienen en de minister kan de instellingen erkennen overeenkomstig artikel 5 van dit besluit vanaf de datum van publicatie van dit besluit.
Art. 8. Cet arrêté entre en vigueur le 31 mars 2006.
Les demandeurs d'agrément peuvent introduire leur demande d'agrément et le ministre peut agréer les organismes conformément à l'article 5 du présent arrêté à partir de la date de publication du présent arrêté.
Les demandeurs d'agrément peuvent introduire leur demande d'agrément et le ministre peut agréer les organismes conformément à l'article 5 du présent arrêté à partir de la date de publication du présent arrêté.
Art. 9. Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Mobiliteit zijn, ieder wat haar/hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 8 maart 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Gegeven te Brussel, 8 maart 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Art. 9. Notre Ministre de la Justice et notre Ministre de la Mobilité sont, pour ce qui concerne chacun d'eux, chargés de l'exécution de cet arrêté.
Donné à Bruxelles, le 8 mars 2006.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Mobilité,
R. LANDUYT
Donné à Bruxelles, le 8 mars 2006.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Mobilité,
R. LANDUYT
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 13. - Technische uitrusting
Elke vestiging waar onderzoeken plaatsvinden is gelegen op hoogstens 15 minuten wandelafstand van een halte van geregeld openbaar vervoer.
De vestiging omvat minstens een onthaalruimte, een gedeelte voor het administratief beheer, een lokaal waar de onderzoeken plaats- vinden en een sanitaire inrichting.
De vestiging kan niet in een woonruimte worden ingericht.
De lokalen zijn proper en hygiënisch.
De onthaalruimte, de sanitaire inrichting en de lokalen waar de medische en psychologische onderzoeken plaatsvinden zijn zodanig van elkaar gescheiden en het administratief beheer wordt zodanig georganiseerd dat de privacy van de vervallenverklaarde gewaarborgd wordt. Het lokaal voor de medische enerzijds en de psychologische onderzoeken anderzijds hoeven zich niet noodzakelijk in hetzelfde gebouw te bevinden.
In geval de instelling psychologische proeven met de computer organiseert, mogen deze proeven plaatsvinden in een computerlokaal dat plaats biedt aan meerdere personen. Het invullen van de vragenlijsten mag eveneens gebeuren in een lokaal dat plaats biedt aan meerdere personen.
Voor kandidaten die niet in staat zijn de proeven op computer af te leggen moeten er " pen & papier "-versies voorzien zijn.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 8 maart 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Elke vestiging waar onderzoeken plaatsvinden is gelegen op hoogstens 15 minuten wandelafstand van een halte van geregeld openbaar vervoer.
De vestiging omvat minstens een onthaalruimte, een gedeelte voor het administratief beheer, een lokaal waar de onderzoeken plaats- vinden en een sanitaire inrichting.
De vestiging kan niet in een woonruimte worden ingericht.
De lokalen zijn proper en hygiënisch.
De onthaalruimte, de sanitaire inrichting en de lokalen waar de medische en psychologische onderzoeken plaatsvinden zijn zodanig van elkaar gescheiden en het administratief beheer wordt zodanig georganiseerd dat de privacy van de vervallenverklaarde gewaarborgd wordt. Het lokaal voor de medische enerzijds en de psychologische onderzoeken anderzijds hoeven zich niet noodzakelijk in hetzelfde gebouw te bevinden.
In geval de instelling psychologische proeven met de computer organiseert, mogen deze proeven plaatsvinden in een computerlokaal dat plaats biedt aan meerdere personen. Het invullen van de vragenlijsten mag eveneens gebeuren in een lokaal dat plaats biedt aan meerdere personen.
Voor kandidaten die niet in staat zijn de proeven op computer af te leggen moeten er " pen & papier "-versies voorzien zijn.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 8 maart 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Art. N1. Annexe 13. Equipement technique.
Chaque établissement où des examens ont lieu est situé à 15 minutes de marche à pied au plus de l'arrêt d'un transport en commun régulier.
L'établissement comprend au moins un espace d'accueil, une partie pour la gestion administrative, un local où ont lieu les examens et une installation sanitaire.
L'établissement ne peut pas être aménagé dans un espace d'habitation.
Les locaux sont propres et hygiéniques.
L'espace d'accueil, l'installation sanitaire et les locaux où les examens médicaux et psychologiques ont lieu sont séparés les uns des autres et la gestion administrative est organisée de telle sorte que la vie privée des personnes déchues soit garantie. Le local destiné aux examens médicaux d'une partet le local destiné aux examens psychologiques d'autre part ne doivent pas nécessairement se trouver dans le même bâtiment.
Dans le cas où l'institution organise des épreuves psychologiques assistées par ordinateur, ces épreuves peuvent se dérouler dans un local informatique qui offre de la place à plusieurs personnes. Le fait de remplir des questionnaires peut également se dérouler dans un local qui offre de la place à plusieurs personnes.
Pour les candidats qui ne sont pas en état de passer les épreuves sur ordinateur, des versions " papiers " doivent être prévues.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 8 mars 2006 modifiant l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Mobilité,
R. LANDUYT
Chaque établissement où des examens ont lieu est situé à 15 minutes de marche à pied au plus de l'arrêt d'un transport en commun régulier.
L'établissement comprend au moins un espace d'accueil, une partie pour la gestion administrative, un local où ont lieu les examens et une installation sanitaire.
L'établissement ne peut pas être aménagé dans un espace d'habitation.
Les locaux sont propres et hygiéniques.
L'espace d'accueil, l'installation sanitaire et les locaux où les examens médicaux et psychologiques ont lieu sont séparés les uns des autres et la gestion administrative est organisée de telle sorte que la vie privée des personnes déchues soit garantie. Le local destiné aux examens médicaux d'une partet le local destiné aux examens psychologiques d'autre part ne doivent pas nécessairement se trouver dans le même bâtiment.
Dans le cas où l'institution organise des épreuves psychologiques assistées par ordinateur, ces épreuves peuvent se dérouler dans un local informatique qui offre de la place à plusieurs personnes. Le fait de remplir des questionnaires peut également se dérouler dans un local qui offre de la place à plusieurs personnes.
Pour les candidats qui ne sont pas en état de passer les épreuves sur ordinateur, des versions " papiers " doivent être prévues.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 8 mars 2006 modifiant l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Mobilité,
R. LANDUYT
Art. N2. Bijlage 14. - Inhoud en methode
A. Inhoud en methode van de psychologische onderzoeken
In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :
1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2. Zijn er aanwijzingen van misbruik of afhankelijkheid van deze middelen.
3. Wat is de aard en ernst van de problematiek (o.a. hoeveelheid en frequentie van het gebruik; weerslag op de verschillende levensdomeinen).
4. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op politoxicomanie.
5. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van misbruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, hierna middelenmisbruik genoemd.
6. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische co-morbiditeit, persoonlijkheidsstoornissen, of aanpassingsproblemen gerelateerd aan het middelenmisbruik, die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig.
7. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag.
8. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen.
9. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive.
In geval van een overtreding inzake onaangepast rijgedrag moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :
1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2. Is er een indicatie van psychiatrische aandoeningen, persoonlijkheidsstoornissen, of gedragsproblemen die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig.
3. Wat is de aard en ernst van de problematiek.
4. Zijn er aanwijzingen van een middelenmisbruik.
5. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive.
6. In geval van een middelenproblematiek, worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op polytoxicomanie.
7. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van middelenmisbruik.
8. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag.
9. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen.
In geval van een verval op medische gronden :
1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2. Is er sprake van belangrijke afwijkingen in gedragingen, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen, coördinatiestoornis ten gevolge van een aangeboren of verworven stoornis of ten gevolge van een verouderingsproces.
De informatie wordt verzameld door middel van de volgende instrumenten :
1. Vragenlijst of zelfbeoordelingsschaal naar middelenmisbruik en gebruik legale medicatie;
2. Persoonlijkheidsvragenlijsten;
3. Psychologische testbatterij voor onderzoek van volgende functies :
i. aandacht & concentratie;
ii. geheugen;
iii. snelheid van verwerking van informatie;
iv. executieve functies zoals plannen en organiseren van gedrag, probleemoplossend vermogen en werkgeheugen;
4. Semi-gestructureerd interview dat peilt naar de volgende mogelijke probleemgebieden :
i. Medisch;
ii. Professioneel;
iii. Middelenmisbruik;
iv. Juridisch;
v. Familiaal;
vi. Sociaal;
vii. Psychologisch.
Minstens de volgende risicofactoren worden onderzocht met gevalideerde psychometrische instrumenten :
- Impulsiviteit;
- Lage frustratietolerantie;
- Gebrekkige woedebeheersing;
- Gebrekkige copingstrategieën;
- Sensation-seeking gedrag;
- Antisociale kenmerken;
- Negatieve omgevingsfactoren zoals slechte huisvesting, weinig scholing, slecht betaalde job, negatieve familiegeschiedenis...;
- Beperkt en weinig ondersteunend sociaal netwerk;
- Voorgeschiedenis van inbreuken of geweld;
- Beperkte sociale en intellectuele vaardigheden;
Indicatie van psychiatrische aandoeningen (inclusief middelenmisbruik) of persoonlijkheidsstoornissen.
De aangewende onderzoeksinstrumenten beschikken over aangetoonde psychometrische kwaliteiten zoals validiteit, betrouwbaarheid, sensitiviteit en specificiteit.
De psycholoog neemt de beslissing met betrekking tot de psychologische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden of ongeschikt. Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan wordt de eindbeslissing door de arts genomen overeenkomstig punt C van deze bijlage.
B. Inhoud en methode van de medische onderzoeken
Het medisch onderzoek bestaat uit minstens de volgende elementen :
1. Grondige medische anamnese met aandacht voor gebruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, comorbiditeit en polydruggebruik;
2. Kennisname van relevante medische informatie van de kandidaat betreffende aandoeningen zoals beschreven in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
3. Uitvoeren van een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden;
4. Verwijzing naar gespecialiseerde artsen of medische diensten, zo vereist, conform bijlage 6 voor het ontvangen van het bewuste medische advies per type van aandoening;
5. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol of psychotrope stoffen :
a. Nagaan van de indicatoren voor misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen;
b. Screening naar misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol.
De arts neemt de eindbeslissing met betrekking tot de medische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden, ongeschikt.
Indien de arts dit noodzakelijk acht wordt de medische geschiktheid afhankelijk gesteld van het ondergaan van een bloedanalyse in geval van alcoholovertreding en een haaranalyse in geval van een overtreding inzake psychotrope middelen.
C. Medische en psychologische onderzoeken
Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan nemen de arts en de psycholoog pas een beslissing nadat ze kennis hebben genomen van elkaars bevindingen.
De arts is verantwoordelijk voor de eindbeslissing. Hij baseert zich hiervoor zowel op zijn beslissing als op die van de psycholoog.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 8 maart 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT.
A. Inhoud en methode van de psychologische onderzoeken
In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :
1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2. Zijn er aanwijzingen van misbruik of afhankelijkheid van deze middelen.
3. Wat is de aard en ernst van de problematiek (o.a. hoeveelheid en frequentie van het gebruik; weerslag op de verschillende levensdomeinen).
4. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op politoxicomanie.
5. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van misbruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, hierna middelenmisbruik genoemd.
6. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische co-morbiditeit, persoonlijkheidsstoornissen, of aanpassingsproblemen gerelateerd aan het middelenmisbruik, die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig.
7. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag.
8. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen.
9. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive.
In geval van een overtreding inzake onaangepast rijgedrag moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :
1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2. Is er een indicatie van psychiatrische aandoeningen, persoonlijkheidsstoornissen, of gedragsproblemen die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig.
3. Wat is de aard en ernst van de problematiek.
4. Zijn er aanwijzingen van een middelenmisbruik.
5. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive.
6. In geval van een middelenproblematiek, worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op polytoxicomanie.
7. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van middelenmisbruik.
8. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag.
9. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen.
In geval van een verval op medische gronden :
1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2. Is er sprake van belangrijke afwijkingen in gedragingen, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen, coördinatiestoornis ten gevolge van een aangeboren of verworven stoornis of ten gevolge van een verouderingsproces.
De informatie wordt verzameld door middel van de volgende instrumenten :
1. Vragenlijst of zelfbeoordelingsschaal naar middelenmisbruik en gebruik legale medicatie;
2. Persoonlijkheidsvragenlijsten;
3. Psychologische testbatterij voor onderzoek van volgende functies :
i. aandacht & concentratie;
ii. geheugen;
iii. snelheid van verwerking van informatie;
iv. executieve functies zoals plannen en organiseren van gedrag, probleemoplossend vermogen en werkgeheugen;
4. Semi-gestructureerd interview dat peilt naar de volgende mogelijke probleemgebieden :
i. Medisch;
ii. Professioneel;
iii. Middelenmisbruik;
iv. Juridisch;
v. Familiaal;
vi. Sociaal;
vii. Psychologisch.
Minstens de volgende risicofactoren worden onderzocht met gevalideerde psychometrische instrumenten :
- Impulsiviteit;
- Lage frustratietolerantie;
- Gebrekkige woedebeheersing;
- Gebrekkige copingstrategieën;
- Sensation-seeking gedrag;
- Antisociale kenmerken;
- Negatieve omgevingsfactoren zoals slechte huisvesting, weinig scholing, slecht betaalde job, negatieve familiegeschiedenis...;
- Beperkt en weinig ondersteunend sociaal netwerk;
- Voorgeschiedenis van inbreuken of geweld;
- Beperkte sociale en intellectuele vaardigheden;
Indicatie van psychiatrische aandoeningen (inclusief middelenmisbruik) of persoonlijkheidsstoornissen.
De aangewende onderzoeksinstrumenten beschikken over aangetoonde psychometrische kwaliteiten zoals validiteit, betrouwbaarheid, sensitiviteit en specificiteit.
De psycholoog neemt de beslissing met betrekking tot de psychologische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden of ongeschikt. Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan wordt de eindbeslissing door de arts genomen overeenkomstig punt C van deze bijlage.
B. Inhoud en methode van de medische onderzoeken
Het medisch onderzoek bestaat uit minstens de volgende elementen :
1. Grondige medische anamnese met aandacht voor gebruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, comorbiditeit en polydruggebruik;
2. Kennisname van relevante medische informatie van de kandidaat betreffende aandoeningen zoals beschreven in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
3. Uitvoeren van een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden;
4. Verwijzing naar gespecialiseerde artsen of medische diensten, zo vereist, conform bijlage 6 voor het ontvangen van het bewuste medische advies per type van aandoening;
5. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol of psychotrope stoffen :
a. Nagaan van de indicatoren voor misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen;
b. Screening naar misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol.
De arts neemt de eindbeslissing met betrekking tot de medische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden, ongeschikt.
Indien de arts dit noodzakelijk acht wordt de medische geschiktheid afhankelijk gesteld van het ondergaan van een bloedanalyse in geval van alcoholovertreding en een haaranalyse in geval van een overtreding inzake psychotrope middelen.
C. Medische en psychologische onderzoeken
Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan nemen de arts en de psycholoog pas een beslissing nadat ze kennis hebben genomen van elkaars bevindingen.
De arts is verantwoordelijk voor de eindbeslissing. Hij baseert zich hiervoor zowel op zijn beslissing als op die van de psycholoog.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 8 maart 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT.
Art. N2. Annexe 14. Contenu et méthode.
A. Contenu et méthode des examens psychologiques.
Dans le cas d'une infraction dans le domaine de la conduite sous influence d'alcool, de substances psychotropes ou de médicaments, les examens doivent apporter des réponses aux questions suivantes au moins :
1. La situation de la personne est-elle conforme aux normes indiquées à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
2. Y a-t-il des indications d'abus ou de dépendance de ces produits.
3. Quelle est la nature et la gravité de la problématique (entre autres quantité et fréquence de consommation; impact sur les différents domaines de vie).
4. Retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une polytoxicomanie.
5. Y a-t-il des indications d'une abstinence suffisamment stable et durable s'il a auparavant été question d'abus d'alcool, de substances psychotropes ou de médicaments, ci-après appelé abus de produits.
6. Y a-t-il des indications de co-morbidité psychiatrique, de troubles de la personnalité ou de problèmes d'adaptation liés à l'abus de ces produits, qui présentent un risque pour la conduite en toute sécurité d'un véhicule.
7. La personne a-t-elle conscience de la problématique et se sent-elle responsable du comportement incriminé.
8. Existe-t-il une motivation à changer ou à corriger les attitudes et comportements.
9. Retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une récidive.
Dans le cas d'une infraction dans le domaine d'un comportement de conduite inadapté, examens doivent apporter des réponses aux questions suivantes au moins :
1. La situation de la personne est-elle conforme aux normes indiquées à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
2. Y a-t-il une indication de maladies psychiatriques, de troubles de la personnalité ou de problèmes de comportement qui présentent un risque pour la conduite en toute sécurité d'un véhicule.
3. Quelle est la nature et la gravité de la problématique.
4. Y a-t-il des indications d'abus de produits.
5. Retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une récidive.
6. Dans le cas de problématique d'abus de produits, retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une polytoxicomanie.
7. Y a-t-il des indications d'une abstinence suffisamment stable et durable s'il a auparavant été question d'abus de produits.
8. La personne a-t-elle conscience de la problématique et se sent-elle responsable du comportement incriminé.
9. Existe-t-il une motivation à changer ou à corriger les attitudes et comportements.
Dans le cas d'une déchéance pour des raisons médicales :
1. La situation de la personne est-elle conforme aux normes indiquées à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
2. Est-il question de déviances importantes des comportements, de troubles des capacités de jugement, d'adaptation ou de perception, de troubles de la coordination en raison d'un trouble inné ou acquis ou en raison d'un vieillissement.
Les informations sont rassemblées grâce aux instruments suivants :
1. Questionnaire ou échelle d'auto-évaluation d'abus de produits et de l'utilisation de la médication légale;
2. Questionnaire de personnalité;
Batterie de tests psychologiques pour examiner les fonctions suivantes :
i. attention & concentration;
ii. mémoire;
iii. vitesse du traitement de l'information;
iv. fonctions exécutives comme la planification et l'organisation du comportement, la capacité à résoudre les problèmes et la mémoire de travail;
4. Interview semi-structurée qui localise les domaines à problèmes potentiels suivants :
i. Médical;
ii. Professionnel;
iii. Abus de produits;
iv. Juridique;
v. Familial;
vi. Social;
vii. Psychologique.
Les facteurs de risque suivants au moins sont examinés avec des instruments psychométriques validés :
- Impulsivité;
- Tolérance de frustration basse;
- Gestion anormale de la colère;
- Stratégies de coping anormales;
- Comportement de recherche de sensations;
- Caractéristiques antisociales;
- Facteurs environnementaux négatifs comme un logement en mauvais état, peu de scolarisation, emploi mal rémunéré, historique familial négatif, ...;
- Réseau social limité et peu soutenu;
- Antécédents d'infractions ou de violence;
- Aptitudes sociales et intellectuelles limitées;
Indication de maladies psychiatriques (y compris abus de produits) ou troubles de la personnalité.
Les instruments d'examen utilisés comportent des qualités psychométriques reconnues telles que la validité, la fiabilité, la sensibilité et la spécificité.
Le psychologue prend la décision concernant l'aptitude psychologique : apte, apte sous certaines conditions ou inapte. Si l'intéressé doit subir un examen médical ainsi qu'un examen psychologique, la décision finale est prise par le médecin conformément au point C de la présente annexe.
B. Contenu et méthode des examens médicaux
L'examen médical se compose au moins des éléments suivants :
1. Anamnèse médicale approfondie en portant l'attention sur la consommation d'alcool, de substances psychotropes ou de médicaments, la co-morbidité et la polytoxicomanie;
2. Prise de connaissance des informations médicales pertinentes du candidat concernant les maladies telles que décrites à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
3. Examen médical approfondi lors duquel tous les moyens offerts par la médecine peuvent être utilisés;
4. Référence à des médecins ou services médicaux spécialisés, si exigé, conformément à l'annexe 6 pour l'obtention d'avis médicaux circonstanciés par type de maladie;
5. Dans le cas d'une infraction dans le domaine de la conduite sous influence d'alcool ou de substances psychotropes :
a. Recherche des indicateurs d'abus ou de dépendance de l'alcool et/ou de substances psychotropes;
b. Rechercher des antécédents d'abus ou de dépendance de l'alcool et/ou de substances psychotropes. En cas d'infraction dans le domaine de la conduite sous influence d'alcool.
Le médecin prend la décision finale par rapport à l'aptitude : apte, apte sous certaines conditions ou inapte.
Si le médecin estime que c'est nécessaire, l'aptitude médicale peut être rendue dépendante d'une analyse de sang en cas d'infraction en matière d'alcool et d'une analyse de cheveux en cas d'infraction en matière de substances psychotropes.
C. Examens médicaux et psychologiques
Si l'intéressé doit subir tant un examen médical que psychologique, le médecin et le psychologue ne prennent une décision qu'après avoir pris connaissance des résultats de chacun.
Le médecin est responsable de la décision finale. A cet effet, il se base tant sur sa décision que sur celle du psychologue.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 8 mars 2006 modifiant l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Mobilité,
R. LANDUYT.
A. Contenu et méthode des examens psychologiques.
Dans le cas d'une infraction dans le domaine de la conduite sous influence d'alcool, de substances psychotropes ou de médicaments, les examens doivent apporter des réponses aux questions suivantes au moins :
1. La situation de la personne est-elle conforme aux normes indiquées à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
2. Y a-t-il des indications d'abus ou de dépendance de ces produits.
3. Quelle est la nature et la gravité de la problématique (entre autres quantité et fréquence de consommation; impact sur les différents domaines de vie).
4. Retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une polytoxicomanie.
5. Y a-t-il des indications d'une abstinence suffisamment stable et durable s'il a auparavant été question d'abus d'alcool, de substances psychotropes ou de médicaments, ci-après appelé abus de produits.
6. Y a-t-il des indications de co-morbidité psychiatrique, de troubles de la personnalité ou de problèmes d'adaptation liés à l'abus de ces produits, qui présentent un risque pour la conduite en toute sécurité d'un véhicule.
7. La personne a-t-elle conscience de la problématique et se sent-elle responsable du comportement incriminé.
8. Existe-t-il une motivation à changer ou à corriger les attitudes et comportements.
9. Retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une récidive.
Dans le cas d'une infraction dans le domaine d'un comportement de conduite inadapté, examens doivent apporter des réponses aux questions suivantes au moins :
1. La situation de la personne est-elle conforme aux normes indiquées à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
2. Y a-t-il une indication de maladies psychiatriques, de troubles de la personnalité ou de problèmes de comportement qui présentent un risque pour la conduite en toute sécurité d'un véhicule.
3. Quelle est la nature et la gravité de la problématique.
4. Y a-t-il des indications d'abus de produits.
5. Retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une récidive.
6. Dans le cas de problématique d'abus de produits, retrouve-t-on chez le client des aspects qui indiquent une polytoxicomanie.
7. Y a-t-il des indications d'une abstinence suffisamment stable et durable s'il a auparavant été question d'abus de produits.
8. La personne a-t-elle conscience de la problématique et se sent-elle responsable du comportement incriminé.
9. Existe-t-il une motivation à changer ou à corriger les attitudes et comportements.
Dans le cas d'une déchéance pour des raisons médicales :
1. La situation de la personne est-elle conforme aux normes indiquées à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
2. Est-il question de déviances importantes des comportements, de troubles des capacités de jugement, d'adaptation ou de perception, de troubles de la coordination en raison d'un trouble inné ou acquis ou en raison d'un vieillissement.
Les informations sont rassemblées grâce aux instruments suivants :
1. Questionnaire ou échelle d'auto-évaluation d'abus de produits et de l'utilisation de la médication légale;
2. Questionnaire de personnalité;
Batterie de tests psychologiques pour examiner les fonctions suivantes :
i. attention & concentration;
ii. mémoire;
iii. vitesse du traitement de l'information;
iv. fonctions exécutives comme la planification et l'organisation du comportement, la capacité à résoudre les problèmes et la mémoire de travail;
4. Interview semi-structurée qui localise les domaines à problèmes potentiels suivants :
i. Médical;
ii. Professionnel;
iii. Abus de produits;
iv. Juridique;
v. Familial;
vi. Social;
vii. Psychologique.
Les facteurs de risque suivants au moins sont examinés avec des instruments psychométriques validés :
- Impulsivité;
- Tolérance de frustration basse;
- Gestion anormale de la colère;
- Stratégies de coping anormales;
- Comportement de recherche de sensations;
- Caractéristiques antisociales;
- Facteurs environnementaux négatifs comme un logement en mauvais état, peu de scolarisation, emploi mal rémunéré, historique familial négatif, ...;
- Réseau social limité et peu soutenu;
- Antécédents d'infractions ou de violence;
- Aptitudes sociales et intellectuelles limitées;
Indication de maladies psychiatriques (y compris abus de produits) ou troubles de la personnalité.
Les instruments d'examen utilisés comportent des qualités psychométriques reconnues telles que la validité, la fiabilité, la sensibilité et la spécificité.
Le psychologue prend la décision concernant l'aptitude psychologique : apte, apte sous certaines conditions ou inapte. Si l'intéressé doit subir un examen médical ainsi qu'un examen psychologique, la décision finale est prise par le médecin conformément au point C de la présente annexe.
B. Contenu et méthode des examens médicaux
L'examen médical se compose au moins des éléments suivants :
1. Anamnèse médicale approfondie en portant l'attention sur la consommation d'alcool, de substances psychotropes ou de médicaments, la co-morbidité et la polytoxicomanie;
2. Prise de connaissance des informations médicales pertinentes du candidat concernant les maladies telles que décrites à l'annexe 6 de l'AR du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
3. Examen médical approfondi lors duquel tous les moyens offerts par la médecine peuvent être utilisés;
4. Référence à des médecins ou services médicaux spécialisés, si exigé, conformément à l'annexe 6 pour l'obtention d'avis médicaux circonstanciés par type de maladie;
5. Dans le cas d'une infraction dans le domaine de la conduite sous influence d'alcool ou de substances psychotropes :
a. Recherche des indicateurs d'abus ou de dépendance de l'alcool et/ou de substances psychotropes;
b. Rechercher des antécédents d'abus ou de dépendance de l'alcool et/ou de substances psychotropes. En cas d'infraction dans le domaine de la conduite sous influence d'alcool.
Le médecin prend la décision finale par rapport à l'aptitude : apte, apte sous certaines conditions ou inapte.
Si le médecin estime que c'est nécessaire, l'aptitude médicale peut être rendue dépendante d'une analyse de sang en cas d'infraction en matière d'alcool et d'une analyse de cheveux en cas d'infraction en matière de substances psychotropes.
C. Examens médicaux et psychologiques
Si l'intéressé doit subir tant un examen médical que psychologique, le médecin et le psychologue ne prennent une décision qu'après avoir pris connaissance des résultats de chacun.
Le médecin est responsable de la décision finale. A cet effet, il se base tant sur sa décision que sur celle du psychologue.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 8 mars 2006 modifiant l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Mobilité,
R. LANDUYT.