Artikel 1. In artikel 18 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, vervangen bij het koninklijk besluit van 1 februari 2005, wordt een § 9 ingevoegd, luidend :
" § 9. Indien de houder van de managementfunctie geen eindevaluatie heeft gekregen, wordt hem van rechtswege de vermelding " voldoende " toegekend. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
24 MEI 2006. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten.
Titre
24 MAI 2006. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation.
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
Tekst (10)
Texte (10)
Article 1. Dans l'article 18 de l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation, remplacé par l'arrêté royal du 1er février 2005, il est inséré un § 9, rédigé comme suit :
" § 9. Si le titulaire d'une fonction de management n'a pas reçu d'évaluation finale, la mention " satisfaisant " lui est attribuée de plein droit. "
" § 9. Si le titulaire d'une fonction de management n'a pas reçu d'évaluation finale, la mention " satisfaisant " lui est attribuée de plein droit. "
Art. 2. In artikel 19, § 4, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 1 februari 2005 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 juli 2005 worden de woorden " Indien het beroep is ingesteld tegen een tussentijdse evaluatie met vermelding " onvoldoende ", dan bestaat de beslissing in het voordeel van de verzoeker uit de intrekking van deze vermelding. " ingevoegd tussen de woorden " Bij staking van stemmen valt de beslissing in het voordeel van de verzoeker. " en de woorden " Indien het beroep ingesteld is tegen een eindevaluatie met vermelding " onvoldoende ", ".
Art. 2. Dans l'article 19, § 4, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 1er février 2005 et modifié par l'arrêté royal du 8 juillet 2005, les mots " Lorsque le recours est introduit contre une évaluation intermédiaire avec mention " insuffisant ", la décision favorable au requérant est le retrait de ladite mention. " sont insérés entre les mots " En cas de partage des voix, la décision est considérée comme favorable au requérant. " et les mots " Lorsque le recours est introduit contre une évaluation finale avec mention " insuffisant ", ".
Art. 3. Artikel 20, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" en wanneer de houder van de managementfunctie de leeftijd van 65 jaar bereikt. "
" en wanneer de houder van de managementfunctie de leeftijd van 65 jaar bereikt. "
Art. 3. L'article 20, alinéa 1er, du même arrêté, est complété comme suit :
" et lorsque le titulaire de la fonction de management atteint l'âge de 65 ans. "
" et lorsque le titulaire de la fonction de management atteint l'âge de 65 ans. "
Art. 4. Artikel 21 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 21. § 1. Wanneer de evaluatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, leidt tot een vermelding " onvoldoende ", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend.
§ 2. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding " onvoldoende " en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
§ 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
Naargelang de vermelding " onvoldoende " wordt toegekend (bij de eindevaluatie,) bij de tweede tussentijdse evaluatie of bij de eerste tussentijdse evaluatie, verkrijgt de houder van een managementfunctie negen maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.
§ 4. In afwijking van het derde lid verkrijgen de in artikel 10, § 1, tweede lid, vermelde houders van een managementfunctie die gekozen hebben voor een mandaat van vier jaar, naargelang de vermelding " onvoldoende " wordt toegekend bij de eindevaluatie of de tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
§ 5. In afwijking van het derde lid verkrijgen de in artikel 10, § 1, derde lid, vermelde houders van een managementfunctie, naargelang de vermelding " onvoldoende " wordt toegekend bij de eindevaluatie of de tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid. "
" Art. 21. § 1. Wanneer de evaluatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, leidt tot een vermelding " onvoldoende ", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend.
§ 2. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding " onvoldoende " en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
§ 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
Naargelang de vermelding " onvoldoende " wordt toegekend (bij de eindevaluatie,) bij de tweede tussentijdse evaluatie of bij de eerste tussentijdse evaluatie, verkrijgt de houder van een managementfunctie negen maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.
§ 4. In afwijking van het derde lid verkrijgen de in artikel 10, § 1, tweede lid, vermelde houders van een managementfunctie die gekozen hebben voor een mandaat van vier jaar, naargelang de vermelding " onvoldoende " wordt toegekend bij de eindevaluatie of de tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
§ 5. In afwijking van het derde lid verkrijgen de in artikel 10, § 1, derde lid, vermelde houders van een managementfunctie, naargelang de vermelding " onvoldoende " wordt toegekend bij de eindevaluatie of de tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid. "
Art. 4. L'article 21 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 21. § 1er. Si l'évaluation visée à l'article 16, alinéa 1er, conduit à une mention " insuffisant ", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention.
§ 2. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandant a pris fin par suite d'une mention " insuffisant " et qui ne bénéfice et ne pourrait pas bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
§ 3. L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
Selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale, lors de la deuxième évaluation intermédiaire ou lors de la première évaluation intermédiaire, le titulaire de la fonction de management obtient neuf fois, six fois ou trois fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 1er et 2.
L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens du § 2. Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).
§ 4. Par dérogation à l'alinéa 3, les titulaires d'une fonction de management mentionnés à l'article 10, § 1er, alinéa 2, qui ont choisi un mandat de quatre ans obtiennent, selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale ou lors de l'évaluation intermédiaire, six fois ou trois fois l'indemnité de départ, calculée conformément aux alinéas 1er et 2.
§ 5. Par dérogation à l'alinéa 3, les titulaires d'une fonction de management mentionnés à l'article 10, § 1er, alinéa 3, obtiennent, selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale ou lors de l'évaluation intermédiaire, six fois ou trois fois l'indemnité de départ, calculée conformément aux alinéas 1er et 2. "
" Art. 21. § 1er. Si l'évaluation visée à l'article 16, alinéa 1er, conduit à une mention " insuffisant ", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention.
§ 2. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandant a pris fin par suite d'une mention " insuffisant " et qui ne bénéfice et ne pourrait pas bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
§ 3. L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
Selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale, lors de la deuxième évaluation intermédiaire ou lors de la première évaluation intermédiaire, le titulaire de la fonction de management obtient neuf fois, six fois ou trois fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 1er et 2.
L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens du § 2. Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).
§ 4. Par dérogation à l'alinéa 3, les titulaires d'une fonction de management mentionnés à l'article 10, § 1er, alinéa 2, qui ont choisi un mandat de quatre ans obtiennent, selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale ou lors de l'évaluation intermédiaire, six fois ou trois fois l'indemnité de départ, calculée conformément aux alinéas 1er et 2.
§ 5. Par dérogation à l'alinéa 3, les titulaires d'une fonction de management mentionnés à l'article 10, § 1er, alinéa 3, obtiennent, selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale ou lors de l'évaluation intermédiaire, six fois ou trois fois l'indemnité de départ, calculée conformément aux alinéas 1er et 2. "
Art. 5. In artikel 23 van hetzelfde besluit worden de woorden " De bepalingen inzake reaffectatie voorzien in artikel 21, § 3, zijn dit geval eveneens van toepassing. " geschrapt.
Art. 5. A l'article 23 du même arrêté, les mots " Les dispositions en matière de réaffectation prévues à l'article 21, § 3, sont également applicables dans ce cas. " sont supprimés.
Art. 6. Artikel 24 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 24. § 1. De houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie aanleiding heeft gegeven tot de vermelding " zeer goed " of " voldoende " en die, na deelname aan een nieuwe vergelijkende selectie geen nieuw mandaat krijgt of van wie de managementfunctie niet meer vacant wordt verklaard, ontvangt een herintegratievergoeding.
§ 2. De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
§ 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 13 vermelde houder van een managementfunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de managementfunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.
De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties.
§ 4. Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding " zeer goed ", verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 door een eenmalige betaling twaalf keer de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3.
Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding " voldoende ", verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten :
1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling;
2° indien hij twee of meerdere aansluitende mandaten voor dezelfde functie volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling.
§ 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dit geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen. "
" Art. 24. § 1. De houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie aanleiding heeft gegeven tot de vermelding " zeer goed " of " voldoende " en die, na deelname aan een nieuwe vergelijkende selectie geen nieuw mandaat krijgt of van wie de managementfunctie niet meer vacant wordt verklaard, ontvangt een herintegratievergoeding.
§ 2. De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
§ 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 13 vermelde houder van een managementfunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de managementfunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.
De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties.
§ 4. Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding " zeer goed ", verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 door een eenmalige betaling twaalf keer de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3.
Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding " voldoende ", verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten :
1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling;
2° indien hij twee of meerdere aansluitende mandaten voor dezelfde functie volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling.
§ 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dit geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen. "
Art. 6. L'article 24 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 24. § 1er. Le titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale a donné lieu à la mention " très bon " ou à la mention " satisfaisant " et qui, après la participation à une nouvelle sélection comparative, ne reçoit pas un nouveau mandat ou dont la fonction de management n'est plus déclarée vacante, reçoit une indemnité de réintégration.
§ 2. L'indemnité de réintégration est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
§ 3. Par dérogation au § 2, pour le titulaire d'une fonction de management visé à l'article 13, l'indemnité de réintégration est égale à une somme forfaitaire qui correspond à une douzième de la différence entre, d'une part, le traitement tel que fixé à la colonne 3 du tableau repris à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement, et, d'autre part, le revenu professionnel que le titulaire de la fonction de management percevra dans le mois qui suit la fin de son mandat.
L'indemnité de réintégration est liquidée moyennant l'introduction par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur mentionnant le montant mensuel du traitement auquel l'intéressé a droit ou aurait droit pour des prestations complètes.
§ 4. Lorsque l'évaluation finale a donné lieu à la mention " très bon ", le titulaire de la fonction de management visé au § 1er obtient en un seul paiement douze fois le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3.
Lorsque l'évaluation finale a donné lieu à la mention " satisfaisant ", le titulaire de la fonction de management visé au § 1er obtient l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 selon les modalités suivantes :
1° s'il a accompli un seul mandat, il obtient dix fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement;
2° s'il a accompli deux ou plusieurs mandats successifs dans la même fonction de management, il obtient douze fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement.
§ 5. Si le bénéficiaire de l'indemnité de réintégration atteint l'âge de la retraite dans les douze mois qui suivent la fin de son mandat, le § 4 est d'application. Toutefois, en ce cas, le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 est multiplié par le nombre de mois entre le fin du mandat et la date de prise de cours de la pension de retraite. "
" Art. 24. § 1er. Le titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale a donné lieu à la mention " très bon " ou à la mention " satisfaisant " et qui, après la participation à une nouvelle sélection comparative, ne reçoit pas un nouveau mandat ou dont la fonction de management n'est plus déclarée vacante, reçoit une indemnité de réintégration.
§ 2. L'indemnité de réintégration est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
§ 3. Par dérogation au § 2, pour le titulaire d'une fonction de management visé à l'article 13, l'indemnité de réintégration est égale à une somme forfaitaire qui correspond à une douzième de la différence entre, d'une part, le traitement tel que fixé à la colonne 3 du tableau repris à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement, et, d'autre part, le revenu professionnel que le titulaire de la fonction de management percevra dans le mois qui suit la fin de son mandat.
L'indemnité de réintégration est liquidée moyennant l'introduction par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur mentionnant le montant mensuel du traitement auquel l'intéressé a droit ou aurait droit pour des prestations complètes.
§ 4. Lorsque l'évaluation finale a donné lieu à la mention " très bon ", le titulaire de la fonction de management visé au § 1er obtient en un seul paiement douze fois le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3.
Lorsque l'évaluation finale a donné lieu à la mention " satisfaisant ", le titulaire de la fonction de management visé au § 1er obtient l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 selon les modalités suivantes :
1° s'il a accompli un seul mandat, il obtient dix fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement;
2° s'il a accompli deux ou plusieurs mandats successifs dans la même fonction de management, il obtient douze fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement.
§ 5. Si le bénéficiaire de l'indemnité de réintégration atteint l'âge de la retraite dans les douze mois qui suivent la fin de son mandat, le § 4 est d'application. Toutefois, en ce cas, le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 est multiplié par le nombre de mois entre le fin du mandat et la date de prise de cours de la pension de retraite. "
Overgangs- en slotbepalingen
Mesures transitoires et finales.
Art. 7. De houders van een managementfunctie die reeds waren aangesteld op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit, en die tijdens hun mandaat de leeftijd van 65 jaar bereiken, kunnen in dienst blijven na de leeftijd van 65 jaar, mits het akkoord van de minister onder wie ze ressorteren, voor een duur die niet langer mag zijn dan de duur die nog loopt tot aan het einde van hun mandaat. Hun mandaat kan niet meer worden hernieuwd in toepassing van artikel 25 van voornoemd koninklijk besluit van 29 oktober 2001.
Art. 7. Les titulaires d'une fonction de management qui étaient déjà désignés le jour de l'entrée en vigueur du présent arrêté et qui atteignent l'âge de 65 ans pendant leur mandat, peuvent être maintenus en activité au-delà de l'âge de 65 ans moyennant l'accord du ministre dont ils relèvent, pour une durée ne pouvant excéder celle qui reste à courir jusqu'à la fin de leur mandat. Leur mandat ne peut plus être renouvelé en application de l'article 25 de l'arrêté royal du 29 octobre 2001, précité.
Art. 8. De houders van een managementfunctie die reeds waren aangewezen op de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 1 februari 2005 tot invoering van een evaluatieregime voor de houders van managementfuncties in de federale overheidsdiensten en tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst, en aan dewelke de vermelding " onvoldoende " is toegekend bij hun eerste tussentijdse evaluatie, verkrijgen een bedrag dat overeenstemt met vier en half maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig artikel 21, § 3, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001, voormeld, zoals herschreven door onderhavig besluit.
Art. 8. Les titulaires d'une fonction de management qui étaient déjà désignés le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 1er février 2005 instituant un régime d'évaluation des titulaires des fonctions de management dans les services publics fédéraux et modifiant l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral, et qui ont reçu la mention " insuffisant " lors de leur première évaluation intermédiaire, reçoivent un montant qui correspond à quatre fois et demie l'indemnité de départ, calculée conformément à l'article 21, § 3, alinéas 1er et 2, de l'arrêté du 29 octobre 2001, précité, tel que réécrit par le présent arrêté.
Art. 9. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 24 mei 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken,
Ch. DUPONT.
Gegeven te Brussel, 24 mei 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken,
Ch. DUPONT.
Art. 9. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 24 mai 2006.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Fonction publique,
Ch. DUPONT.
Donné à Bruxelles, le 24 mai 2006.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Fonction publique,
Ch. DUPONT.