Artikel 1. Begripsomschrijvingen.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder :
a) " Het Statuut ", het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, aangenomen op 17 juli 1998 door de Diplomatieke Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties inzake de oprichting van een Internationaal Strafgerechtshof;
b) " Het Hof ", het bij het Statuut opgerichte Internationaal Strafgerechtshof;
c) " Staten die Partij zijn ", Staten die Partij zijn bij dit Verdrag;
d) " Vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn ", alle gedelegeerden, substituut-gedelegeerden, adviseurs, technisch deskundigen en secretarissen van delegaties;
e) " Vergadering ", de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het Statuut;
f) " Rechters ", de rechters van het Hof;
g) " Het Voorzitterschap ", het orgaan bestaande uit de President en de Eerste en Tweede Vice-President van het Hof;
h) " Aanklager ", de door de Vergadering in overeenstemming met artikel 42, vierde lid, van het Statuut gekozen Aanklager;
i) " Substituut-Aanklagers ", de door de Vergadering in overeenstemming met artikel 42, vierde lid, van het Statuut gekozen Substituut-Aanklagers;
j) " Griffier ", de door het Hof in overeenstemming met artikel 43, vierde lid, van het Statuut gekozen Griffier;
k) " Substituut-Griffier ", de door het Hot in overeenstemming met artikel 43, vierde lid, van het Statuut gekozen Substituut-Griffier;
l) " Raadslieden ", de raadslieden voor de verdediging en de advocaten van slachtoffers;
m) " Secretaris-Generaal ", de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties;
n) " Vertegenwoordigers van intergouvernementele organisaties ", de hoofden van intergouvernementele organisaties, met inbegrip van de functionarissen die namens hen optreden;
o) " Verdrag van Wenen ", het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961;
p) " Reglement van proces- en bewijsvoering ", het in overeenstemming met artikel 51 van het Statuut aangenomen Reglement van proces- en bewijsvoering.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
9 SEPTEMBER 2002. - Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafgerechtshof.
Titre
9 SEPTEMBRE 2002. - Accord sur les privilèges et immunités de la Cour pénale internationale.
Informations sur le document
Numac: 2005A15042
Datum: 2002-09-09
Info du document
Numac: 2005A15042
Date: 2002-09-09
Tekst (42)
Texte (42)
Article 1. Emploi des termes.
Aux fins du présent Accord :
a) On entend par " Statut " le Statut de Rome de la Cour pénale internationale adopté le 17 juillet 1998 par la Conférence diplomatique de plénipotentiaires des Nations unies sur la création d'une cour criminelle internationale;
b) On entend par la " Cour " la Cour pénale internationale créée par le Statut;
c) On entend par " Etats Parties " les Etats Parties au présent Accord;
d) On entend par " représentants des Etats Parties " tous les délégués, délégués adjoints, conseillers, experts techniques et secrétaires des délégations;
e) On entend par " Assemblée ", l'Assemblée des Etats Parties au Statut;
f) On entend par " juges " les juges de la Cour;
g) On entend par la " Présidence " l'organe composé du Président et des Premier et Second Vice-Présidents de la Cour;
h) On entend par " Procureur " le Procureur élu par l'Assemblée conformément à l'article 42, paragraphe 4, du Statut;
i) On entend par " procureurs adjoints " les procureurs adjoints élus par l'Assemblée conformément à l'article 42, paragraphe 4, du Statut;
j) On entend par " Greffier " le Greffier élu par la Cour, conformément à l'article 43, paragraphe 4, du Statut;
k) On entend par " Greffier adjoint " le Greffier adjoint élu par la Cour, conformément à l'article 43, paragraphe 4, du Statut;
l) On entend par " conseils " les conseils de la défense et les représentants légaux des victimes;
m) On entend par " Secrétaire général " le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies;
n) On entend par " représentants d'organisations intergouvernementales " les personnes exerçant la présidence d'organisations intergouvernementales ou tous représentants officiels agissant en leur nom;
o) On entend par " Convention de Vienne " la Convention de Vienne sur les relations diplomatiques du 18 avril 1961;
p) On entend par " Règlement de procédure et de preuve " le Règlement dé procédure et de preuve adopté conformément à l'article 51 du Statut.
Aux fins du présent Accord :
a) On entend par " Statut " le Statut de Rome de la Cour pénale internationale adopté le 17 juillet 1998 par la Conférence diplomatique de plénipotentiaires des Nations unies sur la création d'une cour criminelle internationale;
b) On entend par la " Cour " la Cour pénale internationale créée par le Statut;
c) On entend par " Etats Parties " les Etats Parties au présent Accord;
d) On entend par " représentants des Etats Parties " tous les délégués, délégués adjoints, conseillers, experts techniques et secrétaires des délégations;
e) On entend par " Assemblée ", l'Assemblée des Etats Parties au Statut;
f) On entend par " juges " les juges de la Cour;
g) On entend par la " Présidence " l'organe composé du Président et des Premier et Second Vice-Présidents de la Cour;
h) On entend par " Procureur " le Procureur élu par l'Assemblée conformément à l'article 42, paragraphe 4, du Statut;
i) On entend par " procureurs adjoints " les procureurs adjoints élus par l'Assemblée conformément à l'article 42, paragraphe 4, du Statut;
j) On entend par " Greffier " le Greffier élu par la Cour, conformément à l'article 43, paragraphe 4, du Statut;
k) On entend par " Greffier adjoint " le Greffier adjoint élu par la Cour, conformément à l'article 43, paragraphe 4, du Statut;
l) On entend par " conseils " les conseils de la défense et les représentants légaux des victimes;
m) On entend par " Secrétaire général " le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies;
n) On entend par " représentants d'organisations intergouvernementales " les personnes exerçant la présidence d'organisations intergouvernementales ou tous représentants officiels agissant en leur nom;
o) On entend par " Convention de Vienne " la Convention de Vienne sur les relations diplomatiques du 18 avril 1961;
p) On entend par " Règlement de procédure et de preuve " le Règlement dé procédure et de preuve adopté conformément à l'article 51 du Statut.
Art. 2. Juridische status en rechtspersoonlijkheid van het Hof.
Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid en bezit de handelingsbevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van zijn functies en de vervulling van zijn taken. Het Hof heeft met name de bevoegdheid overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende zaken te verwerven en te vervreemden en in rechte op te treden.
Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid en bezit de handelingsbevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van zijn functies en de vervulling van zijn taken. Het Hof heeft met name de bevoegdheid overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende zaken te verwerven en te vervreemden en in rechte op te treden.
Art. 2. Statut juridique et personnalité de la Cour.
La Cour a la personnalité juridique internationale et la capacité juridique qui lui est nécessaire pour exercer ses fonctions et accomplir sa mission. Elle possède, en particulier, la capacité de contracter, d'acquérir et d'aliéner des biens immobiliers et mobiliers, et d'ester en justice.
La Cour a la personnalité juridique internationale et la capacité juridique qui lui est nécessaire pour exercer ses fonctions et accomplir sa mission. Elle possède, en particulier, la capacité de contracter, d'acquérir et d'aliéner des biens immobiliers et mobiliers, et d'ester en justice.
Art. 3. Algemene bepalingen inzake voorrechten en immuniteiten van het Hof.
Het Hof geniet op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken.
Het Hof geniet op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken.
Art. 3. Dispositions générales concernant les privilèges et immunités de la Cour.
La Cour jouit sur le territoire des Etats Parties des privilèges et immunités nécessaires à l'accomplissement de sa mission.
La Cour jouit sur le territoire des Etats Parties des privilèges et immunités nécessaires à l'accomplissement de sa mission.
Art. 4. Onschendbaarheid van de gebouwen van het Hof.
Het terrein van het Hof is onschendbaar.
Het terrein van het Hof is onschendbaar.
Art. 4. Inviolabilité des locaux de la Cour.
Les locaux de la Cour sont inviolables.
Les locaux de la Cour sont inviolables.
Art. 5. Vlag, embleem en onderscheidingstekens.
Het Hof is bevoegd zijn vlag, embleem en onderscheidingstekens te tonen op zijn terrein en op voertuigen en andere vervoermiddelen die voor officiële doeleinden worden gebruikt.
Het Hof is bevoegd zijn vlag, embleem en onderscheidingstekens te tonen op zijn terrein en op voertuigen en andere vervoermiddelen die voor officiële doeleinden worden gebruikt.
Art. 5. Drapeau, emblème et signes distinctifs.
La Cour a le droit d'arborer son drapeau, son emblème et ses signes distinctifs dans ses locaux et sur les véhicules et autres moyens de transport affectés à son usage officiel.
La Cour a le droit d'arborer son drapeau, son emblème et ses signes distinctifs dans ses locaux et sur les véhicules et autres moyens de transport affectés à son usage officiel.
Art. 6. Immuniteit van het Hof, van zijn eigendommen, fondsen en bezittingen.
1. Het Hof en zijn eigendommen, fondsen en bezittingen, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van elke vorm van rechtsvervolging, behoudens voorzover het Hof in een bijzonder geval uitdrukkelijk van zijn immuniteit afstand heeft gedaan, evenwel met dien verstande dat afstand van immuniteit zich nooit uitstrekt tot executiemaatregelen.
2. De eigendommen, fondsen en bezittingen van het Hof, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van onderzoek, beslaglegging, vordering, confiscatie, onteigening en iedere andere vorm van ingrijpen, ongeacht of het optreden van uitvoerende, administratieve, rechterlijke of wetgevende aard is.
3. Voorzover nodig voor de uitoefening van de functies van het Hof zijn de eigendommen, fondsen en bezittingen van het Hof, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, vrijgesteld van beperkingen, voorschriften, controles en moratoria van welke aard dan ook.
1. Het Hof en zijn eigendommen, fondsen en bezittingen, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van elke vorm van rechtsvervolging, behoudens voorzover het Hof in een bijzonder geval uitdrukkelijk van zijn immuniteit afstand heeft gedaan, evenwel met dien verstande dat afstand van immuniteit zich nooit uitstrekt tot executiemaatregelen.
2. De eigendommen, fondsen en bezittingen van het Hof, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van onderzoek, beslaglegging, vordering, confiscatie, onteigening en iedere andere vorm van ingrijpen, ongeacht of het optreden van uitvoerende, administratieve, rechterlijke of wetgevende aard is.
3. Voorzover nodig voor de uitoefening van de functies van het Hof zijn de eigendommen, fondsen en bezittingen van het Hof, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, vrijgesteld van beperkingen, voorschriften, controles en moratoria van welke aard dan ook.
Art. 6. Immunité de la Cour et de ses biens, fonds et avoirs.
1. La Cour et ses biens, fonds et avoirs, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, jouissent d'une immunité de juridiction absolue, sauf dans la mesure où la Cour a expressément renoncé à son immunité dans un cas particulier. Il est toutefois entendu que la renonciation ne peut s'étendre à des mesures d'exécution.
2. Les biens, fonds, et avoirs de la Cour, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont exempts de perquisition, saisie, réquisition, confiscation, expropriation et toute autre forme d'ingérence résultant d'une décision administrative, judiciaire, législative ou d'exécution.
3. Dans la mesure nécessaire à l'exercice des fonctions de la Cour, les biens, fonds et avoirs de celle-ci, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont exempts de toute restriction, réglementation, contrôle ou moratoire de quelque nature que ce soit.
1. La Cour et ses biens, fonds et avoirs, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, jouissent d'une immunité de juridiction absolue, sauf dans la mesure où la Cour a expressément renoncé à son immunité dans un cas particulier. Il est toutefois entendu que la renonciation ne peut s'étendre à des mesures d'exécution.
2. Les biens, fonds, et avoirs de la Cour, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont exempts de perquisition, saisie, réquisition, confiscation, expropriation et toute autre forme d'ingérence résultant d'une décision administrative, judiciaire, législative ou d'exécution.
3. Dans la mesure nécessaire à l'exercice des fonctions de la Cour, les biens, fonds et avoirs de celle-ci, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont exempts de toute restriction, réglementation, contrôle ou moratoire de quelque nature que ce soit.
Art. 7. Onschendbaarheid van archieven en documenten.
De archieven van het Hof, en alle papieren en documenten in welke vorm dan ook alsmede naar of van het Hof gezonden materiaal, in het bezit van of toebehorend aan het Hof, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn onschendbaar. De beëindiging of afwezigheid van deze onschendbaarheid doet geen afbreuk aan de beschermende maatregelen waartoe het Hof kan bevelen ingevolge het Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering ten aanzien van aan het Hof beschikbaar gestelde of door het Hof gebruikte materialen en documenten.
De archieven van het Hof, en alle papieren en documenten in welke vorm dan ook alsmede naar of van het Hof gezonden materiaal, in het bezit van of toebehorend aan het Hof, ongeacht waar deze zich bevinden of wie deze onder zich heeft, zijn onschendbaar. De beëindiging of afwezigheid van deze onschendbaarheid doet geen afbreuk aan de beschermende maatregelen waartoe het Hof kan bevelen ingevolge het Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering ten aanzien van aan het Hof beschikbaar gestelde of door het Hof gebruikte materialen en documenten.
Art. 7. Inviolabilité des archives et documents.
Les archives de la Cour, tous papiers et documents, quelle qu'en soit la forme, et tout matériel expédiés à ou par la Cour, détenus par elle ou lui appartenant, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont inviolables. La cessation ou l'absence de cette inviolabilité n'affecte pas les mesures de protection que la Cour peut ordonner en vertu du Statut ou du Règlement de procédure et de preuve en ce qui concerne des documents et matériels mis à sa disposition ou utilisés par elle.
Les archives de la Cour, tous papiers et documents, quelle qu'en soit la forme, et tout matériel expédiés à ou par la Cour, détenus par elle ou lui appartenant, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont inviolables. La cessation ou l'absence de cette inviolabilité n'affecte pas les mesures de protection que la Cour peut ordonner en vertu du Statut ou du Règlement de procédure et de preuve en ce qui concerne des documents et matériels mis à sa disposition ou utilisés par elle.
Art. 8. Vrijstelling van belastingen, douaneheffingen en invoer- of uitvoerbeperkingen.
1. Het Hof, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen en zijn activiteiten en transacties zijn vrijgesteld van alle directe belastingen, met inbegrip van, onder andere, inkomstenbelasting, vermogensbelasting en vennootschapsbelasting, alsmede directe belastingen geheven door lokale en provinciale autoriteiten. Het Hof zal zich evenwel niet beroepen op vrijstelling van belastingen die in feite niets anders zijn dan retributies voor algemene overheidsdiensten die worden geleverd tegen een vast bedrag overeenkomstig het aantal geleverde diensten en die nauwkeurig kunnen worden geïdentificeerd, omschreven en gespecificeerd.
2. Het Hof wordt vrijgesteld van alle douanerechten en belastingen over de importomzet en van alle verboden en beperkingen inzake de invoer en uitvoer met betrekking tot de door het Hof voor officieel gebruik ingevoerde of uitgevoerde artikelen en met betrekking tot zijn publicaties.
3. Goederen die onder een dergelijke vrijstelling worden ingevoerd of gekocht, worden niet verkocht of op andere wijze vervreemd op het grondgebied van een Staat die Partij is, behoudens onder de voorwaarden overeengekomen met de bevoegde autoriteiten van die Staat die Partij is.
1. Het Hof, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen en zijn activiteiten en transacties zijn vrijgesteld van alle directe belastingen, met inbegrip van, onder andere, inkomstenbelasting, vermogensbelasting en vennootschapsbelasting, alsmede directe belastingen geheven door lokale en provinciale autoriteiten. Het Hof zal zich evenwel niet beroepen op vrijstelling van belastingen die in feite niets anders zijn dan retributies voor algemene overheidsdiensten die worden geleverd tegen een vast bedrag overeenkomstig het aantal geleverde diensten en die nauwkeurig kunnen worden geïdentificeerd, omschreven en gespecificeerd.
2. Het Hof wordt vrijgesteld van alle douanerechten en belastingen over de importomzet en van alle verboden en beperkingen inzake de invoer en uitvoer met betrekking tot de door het Hof voor officieel gebruik ingevoerde of uitgevoerde artikelen en met betrekking tot zijn publicaties.
3. Goederen die onder een dergelijke vrijstelling worden ingevoerd of gekocht, worden niet verkocht of op andere wijze vervreemd op het grondgebied van een Staat die Partij is, behoudens onder de voorwaarden overeengekomen met de bevoegde autoriteiten van die Staat die Partij is.
Art. 8. Exonération d'impôts, de droits de douane et de restrictions à l'importation ou à l'exportation.
1. La Cour, ses avoirs, revenus et autres biens, de même que ses opérations et transactions, sont exonérés de tout impôt direct, ce qui comprend, entre autres, l'impôt sur le revenu, l'impôt sur le capital et l'impôt sur les sociétés, ainsi que les impôts directs perçus par les autorités provinciales et locales. Il demeure entendu, toutefois, que la Cour ne demandera pas l'exonération d'impôts qui sont, en fait, des redevances à taux fixe afférentes à l'utilisation de services publics, dont le montant dépend, de la quantité de services rendus, et qui peuvent être identifiés, décrits et détaillés avec précision.
2. La Cour est exonérée de tous droits de douane et impôts sur le chiffre d'affaires à l'importation et exemptée de toutes prohibitions et restrictions d'importation ou d'exportation sur les articles importés ou exportés par elle pour son usage officiel, ainsi que sur ses publications.
3. Les articles ainsi importés ou achetés en franchise ne peuvent être vendus ou autrement aliénés sur le territoire d'un Etat Partie, à moins que ce ne soit à des conditions agréées par les autorités compétentes de cet Etat Partie.
1. La Cour, ses avoirs, revenus et autres biens, de même que ses opérations et transactions, sont exonérés de tout impôt direct, ce qui comprend, entre autres, l'impôt sur le revenu, l'impôt sur le capital et l'impôt sur les sociétés, ainsi que les impôts directs perçus par les autorités provinciales et locales. Il demeure entendu, toutefois, que la Cour ne demandera pas l'exonération d'impôts qui sont, en fait, des redevances à taux fixe afférentes à l'utilisation de services publics, dont le montant dépend, de la quantité de services rendus, et qui peuvent être identifiés, décrits et détaillés avec précision.
2. La Cour est exonérée de tous droits de douane et impôts sur le chiffre d'affaires à l'importation et exemptée de toutes prohibitions et restrictions d'importation ou d'exportation sur les articles importés ou exportés par elle pour son usage officiel, ainsi que sur ses publications.
3. Les articles ainsi importés ou achetés en franchise ne peuvent être vendus ou autrement aliénés sur le territoire d'un Etat Partie, à moins que ce ne soit à des conditions agréées par les autorités compétentes de cet Etat Partie.
Art. 9. Terugbetaling van rechten en/of belastingen.
1. Het Hof eist in het algemeen geen vrijstelling van rechten en/of belastingen die zijn inbegrepen in de prijs van roerende en onroerende zaken en belastingen betaald voor geleverde diensten. Niettemin treffen de Staten die Partij zijn, wanneer het Hof voor officieel gebruik aanzienlijke aankopen van eigendommen en goederen of diensten doet waarover identificeerbare rechten of belastingen worden geheven of kunnen worden geheven, passende administratieve regelingen voor de vrijstelling van dergelijke heffingen of de terugbetaling van de betaalde rechten en/of belastingen.
2. Goederen die ander een dergelijke vrijstelling worden gekocht of waarvoor een terugbetaling is ontvangen, mogen niet worden verkocht of op andere wijze worden vervreemd, tenzij zulks plaatsvindt in overeenstemming met de voorwaarden bepaald door de Staat die Partij is en die vrijstelling of terugbetaling verleent. Er wordt geen vrijstelling of terugbetaling verleend ten aanzien van retributies, voor algemene overheidsdiensten.
1. Het Hof eist in het algemeen geen vrijstelling van rechten en/of belastingen die zijn inbegrepen in de prijs van roerende en onroerende zaken en belastingen betaald voor geleverde diensten. Niettemin treffen de Staten die Partij zijn, wanneer het Hof voor officieel gebruik aanzienlijke aankopen van eigendommen en goederen of diensten doet waarover identificeerbare rechten of belastingen worden geheven of kunnen worden geheven, passende administratieve regelingen voor de vrijstelling van dergelijke heffingen of de terugbetaling van de betaalde rechten en/of belastingen.
2. Goederen die ander een dergelijke vrijstelling worden gekocht of waarvoor een terugbetaling is ontvangen, mogen niet worden verkocht of op andere wijze worden vervreemd, tenzij zulks plaatsvindt in overeenstemming met de voorwaarden bepaald door de Staat die Partij is en die vrijstelling of terugbetaling verleent. Er wordt geen vrijstelling of terugbetaling verleend ten aanzien van retributies, voor algemene overheidsdiensten.
Art. 9. Remboursement des droits et/ou taxes.
1. La Cour ne revendique, en principe, ni l'exonération des droits et taxes entrant dans le prix des biens mobiliers ou immobiliers ni les taxes perçues pour services fournis. Cependant, quand elle effectue pour son usage officiel des achats importants de biens et d'articles ou de services dont le prix inclut ou peut inclure des droits ou taxes identifiables, les Etats Parties prennent les dispositions administratives appropriées pour l'exonérer de ces droits et taxes ou lui rembourser le montant des droits et taxes acquittés.
2. Les articles ainsi achetés en franchise ou ayant donné lieu à un remboursement ne peuvent être vendus ou autrement aliénés qu'aux conditions fixées par l'Etat Partie qui a accordé l'exonération ou le remboursement. Il n'est accordé aucune exonération ni aucun remboursement des redevances acquittées par la Cour pour l'utilisation de services publics.
1. La Cour ne revendique, en principe, ni l'exonération des droits et taxes entrant dans le prix des biens mobiliers ou immobiliers ni les taxes perçues pour services fournis. Cependant, quand elle effectue pour son usage officiel des achats importants de biens et d'articles ou de services dont le prix inclut ou peut inclure des droits ou taxes identifiables, les Etats Parties prennent les dispositions administratives appropriées pour l'exonérer de ces droits et taxes ou lui rembourser le montant des droits et taxes acquittés.
2. Les articles ainsi achetés en franchise ou ayant donné lieu à un remboursement ne peuvent être vendus ou autrement aliénés qu'aux conditions fixées par l'Etat Partie qui a accordé l'exonération ou le remboursement. Il n'est accordé aucune exonération ni aucun remboursement des redevances acquittées par la Cour pour l'utilisation de services publics.
Art. 10. Fondsen en vrijstelling van wisselbeperkingen.
1. Zonder bij de uitvoering van zijn activiteiten te worden onderworpen aan financiële controles, regelingen of financiële moratoria van enigerlei aard,
a) mag het Hof fondsen, alle soorten valuta's of goud bezitten en rekeningen in elke valuta aanhouden;
b) is het Hof vrij zijn fondsen, goud of valuta's te verplaatsen van het ene land naar het andere of binnen een land en valuta's in zijn bezit om te wisselen in welke andere valuta ook;
c) mag het Hof obligaties en andere waardepapieren ontvangen, bezitten, verhandelen, overbrengen, converteren of ten aanzien hiervan andere transacties uitvoeren;
d) geniet het Hof een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke door een betrokken Staat die Partij is wordt toegekend aan enige intergouvernementele organisatie of diplomatieke missie ten aanzien van wisselkoersen voor hun financiële transacties.
2. Bij de uitoefening van zijn rechten ingevolge het eerste lid houdt het Hof rekening met eventuele bezwaren van een Staat die Partij is, voorzover het van mening is hieraan gevolg te kunnen geven zonder zijn eigen belangen te schaden.
1. Zonder bij de uitvoering van zijn activiteiten te worden onderworpen aan financiële controles, regelingen of financiële moratoria van enigerlei aard,
a) mag het Hof fondsen, alle soorten valuta's of goud bezitten en rekeningen in elke valuta aanhouden;
b) is het Hof vrij zijn fondsen, goud of valuta's te verplaatsen van het ene land naar het andere of binnen een land en valuta's in zijn bezit om te wisselen in welke andere valuta ook;
c) mag het Hof obligaties en andere waardepapieren ontvangen, bezitten, verhandelen, overbrengen, converteren of ten aanzien hiervan andere transacties uitvoeren;
d) geniet het Hof een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke door een betrokken Staat die Partij is wordt toegekend aan enige intergouvernementele organisatie of diplomatieke missie ten aanzien van wisselkoersen voor hun financiële transacties.
2. Bij de uitoefening van zijn rechten ingevolge het eerste lid houdt het Hof rekening met eventuele bezwaren van een Staat die Partij is, voorzover het van mening is hieraan gevolg te kunnen geven zonder zijn eigen belangen te schaden.
Art. 10. Fonds et absence de toutes restrictions en matière de change.
1. Sans être astreinte à aucun contrôle, réglementation ou moratoire financier, la Cour, dans l'exercice de ses activités :
a) Peut détenir des fonds, des devises ou de l'or et gérer des comptes en n'importe quelle monnaie;
b) Peut transférer librement ses fonds, son or ou ses devises d'un pays dans un autre ou à l'intérieur d'un même pays et convertir toutes devises détenues par elle en toute autre monnaie;
c) Peut recevoir, détenir, négocier, transférer ou convertir des titres et autres valeurs mobilières et procéder à toutes autres opérations à cet égard;
d) Bénéficie d'un traitement au moins aussi favorable que celui que l'Etat Partie considéré accorde à toute organisation intergouvernementale ou mission diplomatique en matière de taux de change applicables à ses transactions financières.
2. Dans l'exercice des droits qui lui sont reconnus au paragraphe 1er, la Cour tient compte de toutes représentations de tout Etat Partie, dans la mesure où elle estime pouvoir y donner suite sans porter préjudice à ses propres intérêts.
1. Sans être astreinte à aucun contrôle, réglementation ou moratoire financier, la Cour, dans l'exercice de ses activités :
a) Peut détenir des fonds, des devises ou de l'or et gérer des comptes en n'importe quelle monnaie;
b) Peut transférer librement ses fonds, son or ou ses devises d'un pays dans un autre ou à l'intérieur d'un même pays et convertir toutes devises détenues par elle en toute autre monnaie;
c) Peut recevoir, détenir, négocier, transférer ou convertir des titres et autres valeurs mobilières et procéder à toutes autres opérations à cet égard;
d) Bénéficie d'un traitement au moins aussi favorable que celui que l'Etat Partie considéré accorde à toute organisation intergouvernementale ou mission diplomatique en matière de taux de change applicables à ses transactions financières.
2. Dans l'exercice des droits qui lui sont reconnus au paragraphe 1er, la Cour tient compte de toutes représentations de tout Etat Partie, dans la mesure où elle estime pouvoir y donner suite sans porter préjudice à ses propres intérêts.
Art. 11. Faciliteiten met betrekking tot communicatie.
1. Ten behoeve van zijn officiële communicatie en correspondentie geniet het Hof op het grondgebied van elke Staat die Partij is een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke door de betrokken Staat die Partij is wordt toegekend aan een intergouvernementele organisatie of diplomatieke missie terzake van prioriteiten, tarieven en belastingen die van toepassing zijn op post en uiteenlopende vormen van communicatie en correspondentie.
2. De officiële communicatie en correspondentie van het Hof wordt niet gecensureerd.
3. Het Hof is bevoegd alle geschikte communicatiemiddelen te gebruiken, met inbegrip van elektronische communicatiemiddelen, en heeft het recht ten behoeve van zijn officiële communicatie en correspondentie codes of versleutelde gegevens te gebruiken. De officiële communicatie en correspondentie van het Hof is onschendbaar.
4. Het Hof heeft het recht correspondentie en andere materialen of berichten te verzenden en te ontvangen per koerier of in verzegelde tassen, ten aanzien waarvan dezelfde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten gelden als voor diplomatieke koeriers en tassen.
5. Het Hof heeft het recht radioapparatuur en andere telecommunicatieapparatuur te gebruiken op de frequenties die aan het Hof zijn toegewezen door de Staten die Partij zijn in overeenstemming met hun nationale procedures. De Staten die Partij zijn streven ernaar de door het Hof aangevraagde frequenties zoveel mogelijk toe te wijzen.
1. Ten behoeve van zijn officiële communicatie en correspondentie geniet het Hof op het grondgebied van elke Staat die Partij is een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke door de betrokken Staat die Partij is wordt toegekend aan een intergouvernementele organisatie of diplomatieke missie terzake van prioriteiten, tarieven en belastingen die van toepassing zijn op post en uiteenlopende vormen van communicatie en correspondentie.
2. De officiële communicatie en correspondentie van het Hof wordt niet gecensureerd.
3. Het Hof is bevoegd alle geschikte communicatiemiddelen te gebruiken, met inbegrip van elektronische communicatiemiddelen, en heeft het recht ten behoeve van zijn officiële communicatie en correspondentie codes of versleutelde gegevens te gebruiken. De officiële communicatie en correspondentie van het Hof is onschendbaar.
4. Het Hof heeft het recht correspondentie en andere materialen of berichten te verzenden en te ontvangen per koerier of in verzegelde tassen, ten aanzien waarvan dezelfde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten gelden als voor diplomatieke koeriers en tassen.
5. Het Hof heeft het recht radioapparatuur en andere telecommunicatieapparatuur te gebruiken op de frequenties die aan het Hof zijn toegewezen door de Staten die Partij zijn in overeenstemming met hun nationale procedures. De Staten die Partij zijn streven ernaar de door het Hof aangevraagde frequenties zoveel mogelijk toe te wijzen.
Art. 11. Facilités de communications.
1. La Cour bénéficie, sur le territoire de chaque Etat Partie, pour ses communications et sa correspondance officielles, d'un traitement au moins aussi favorable que celui qui est accordé par cet Etat Partie à toute autre organisation intergouvernementale ou mission diplomatique en ce qui concerne les priorités, tarifs et taxes s'appliquant au courrier et aux diverses formes de communications et correspondance.
2. Les communications et la correspondance officielles ne peuvent être soumises à aucune censure.
3. La Cour peut utiliser tous les moyens de communication appropriés, y compris les moyens de communication électroniques, et a le droit d'employer des codes ou un chiffre pour ses communications et sa correspondance officielles. Les communications et la correspondance officielles de la Cour sont inviolables.
4. La Cour a le droit d'expédier et de recevoir de la correspondance et autres matériels ou communications par courrier ou par valises scellées, qui bénéficient des mêmes privilèges, immunités et facilités que les courriers et valises diplomatiques.
5. La Cour a le droit d'exploiter des installations de radiodiffusion et autres installations de télécommunication sur les fréquences qui lui sont attribuées par les Etats Parties, conformément à leurs procédures nationales. Les Etats Parties s'efforceront d'attribuer à la Cour, dans la mesure du possible, les fréquences qu'elle a demandées.
1. La Cour bénéficie, sur le territoire de chaque Etat Partie, pour ses communications et sa correspondance officielles, d'un traitement au moins aussi favorable que celui qui est accordé par cet Etat Partie à toute autre organisation intergouvernementale ou mission diplomatique en ce qui concerne les priorités, tarifs et taxes s'appliquant au courrier et aux diverses formes de communications et correspondance.
2. Les communications et la correspondance officielles ne peuvent être soumises à aucune censure.
3. La Cour peut utiliser tous les moyens de communication appropriés, y compris les moyens de communication électroniques, et a le droit d'employer des codes ou un chiffre pour ses communications et sa correspondance officielles. Les communications et la correspondance officielles de la Cour sont inviolables.
4. La Cour a le droit d'expédier et de recevoir de la correspondance et autres matériels ou communications par courrier ou par valises scellées, qui bénéficient des mêmes privilèges, immunités et facilités que les courriers et valises diplomatiques.
5. La Cour a le droit d'exploiter des installations de radiodiffusion et autres installations de télécommunication sur les fréquences qui lui sont attribuées par les Etats Parties, conformément à leurs procédures nationales. Les Etats Parties s'efforceront d'attribuer à la Cour, dans la mesure du possible, les fréquences qu'elle a demandées.
Art. 12. Uitoefening van de functies van het Hof buiten de zetel.
Indien het Hof het ingevolge artikel 3, derde lid, van het Statuut, wenselijk acht elders zitting te houden dan op de zetel te Den Haag in Nederland, kan het Hof met de betrokken Staat een regeling treffen terzake van de verschaffing van de nodige faciliteiten voor de uitoefening van zijn functies.
Indien het Hof het ingevolge artikel 3, derde lid, van het Statuut, wenselijk acht elders zitting te houden dan op de zetel te Den Haag in Nederland, kan het Hof met de betrokken Staat een regeling treffen terzake van de verschaffing van de nodige faciliteiten voor de uitoefening van zijn functies.
Art. 12. Cas dans lesquels la Cour exerce ses fonctions en dehors du siège.
Si la Cour juge souhaitable, conformément à l'article 3, paragraphe 3, du Statut, de siéger ailleurs qu'à son siège de La Haye aux Pays-Bas, elle peut conclure avec l'Etat concerné un accord en vue de la fourniture des installations qui lui permettront de s'acquitter de ses fonctions.
Si la Cour juge souhaitable, conformément à l'article 3, paragraphe 3, du Statut, de siéger ailleurs qu'à son siège de La Haye aux Pays-Bas, elle peut conclure avec l'Etat concerné un accord en vue de la fourniture des installations qui lui permettront de s'acquitter de ses fonctions.
Art. 13. Vertegenwoordigers van Staten die bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen bijwonen en vertegenwoordigers van intergouvernementele organisaties.
1. Vertegenwoordigers van Staten die Partij zijn bij het Statuut, die bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen bijwonen, vertegenwoordigers van andere Staten die de bijeenkomsten van de Vergadering en de hulporganen als waarnemers mogen bijwonen overeenkomstig artikel 112, eerste lid, van het Statuut, en vertegenwoordigers van Staten en van intergouvernementele organisaties die zijn uitgenodigd voor bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen, genieten de volgende voorrechten en immuniteiten bij de uitoefening van hun officiële functies en gedurende hun reis naar en van de plaats van bijeenkomst :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden wanneer de betrokkenen niet langer hun functie van vertegenwoordiger uitoefenen;
c) Onschendbaarheid van alle papieren en documenten in welke vorm dan ook;
d) Het recht om gebruik te maken van codes of versleutelde gegevens, papieren en documenten of correspondentie per koerier of in verzegelde tassen te ontvangen en elektronische berichten te ontvangen en te verzenden;
e) Vrijstelling van inreisbeperkingen, vreemdelingenregistratie en militaire dienstplicht in de door hen bezochte Staat die Partij is of door welke zij reizen bij de uitoefening van hun functies;
f) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen op tijdelijke officiële zendingen;
g) Dezelfde immuniteiten en faciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen aan diplomatieke ambtenaren worden toegekend;
h) Dezelfde bescherming en repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren;
i) Andere voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die niet onverenigbaar zijn met de voorgaande door diplomatieke ambtenaren genoten voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, behalve dat zij niet het recht hebben op ontheffing van douanerechten op ingevoerde goederen (anders dan die welke onderdeel uitmaken van hun persoonlijke bagage) of van accijnzen of belastingen bij aanschaf.
2. Voor zover het vaststellen van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap worden periodes, gedurende welke de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordigers die de bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen bijwonen voor de uitoefening van hun taken aanwezig zijn in een Staat die Partij is, niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap.
3. De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing tussen een vertegenwoordiger en de autoriteiten van de Staat die Partij is waarvan hij of zij een onderdaan is, of van de Staat die Partij is of intergouvernementele organisatie van welke hij of zij een vertegenwoordiger is of is geweest.
1. Vertegenwoordigers van Staten die Partij zijn bij het Statuut, die bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen bijwonen, vertegenwoordigers van andere Staten die de bijeenkomsten van de Vergadering en de hulporganen als waarnemers mogen bijwonen overeenkomstig artikel 112, eerste lid, van het Statuut, en vertegenwoordigers van Staten en van intergouvernementele organisaties die zijn uitgenodigd voor bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen, genieten de volgende voorrechten en immuniteiten bij de uitoefening van hun officiële functies en gedurende hun reis naar en van de plaats van bijeenkomst :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden wanneer de betrokkenen niet langer hun functie van vertegenwoordiger uitoefenen;
c) Onschendbaarheid van alle papieren en documenten in welke vorm dan ook;
d) Het recht om gebruik te maken van codes of versleutelde gegevens, papieren en documenten of correspondentie per koerier of in verzegelde tassen te ontvangen en elektronische berichten te ontvangen en te verzenden;
e) Vrijstelling van inreisbeperkingen, vreemdelingenregistratie en militaire dienstplicht in de door hen bezochte Staat die Partij is of door welke zij reizen bij de uitoefening van hun functies;
f) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen op tijdelijke officiële zendingen;
g) Dezelfde immuniteiten en faciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen aan diplomatieke ambtenaren worden toegekend;
h) Dezelfde bescherming en repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren;
i) Andere voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die niet onverenigbaar zijn met de voorgaande door diplomatieke ambtenaren genoten voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, behalve dat zij niet het recht hebben op ontheffing van douanerechten op ingevoerde goederen (anders dan die welke onderdeel uitmaken van hun persoonlijke bagage) of van accijnzen of belastingen bij aanschaf.
2. Voor zover het vaststellen van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap worden periodes, gedurende welke de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordigers die de bijeenkomsten van de Vergadering en haar hulporganen bijwonen voor de uitoefening van hun taken aanwezig zijn in een Staat die Partij is, niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap.
3. De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing tussen een vertegenwoordiger en de autoriteiten van de Staat die Partij is waarvan hij of zij een onderdaan is, of van de Staat die Partij is of intergouvernementele organisatie van welke hij of zij een vertegenwoordiger is of is geweest.
Art. 13. Représentants des Etats participant aux travaux de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires ainsi que des organisations intergouvernementales.
1. Les représentants des Etats Parties au Statut qui assistent à des séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires, les représentants d'autres Etats qui peuvent assister aux séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires en qualité d'observateurs en vertu de l'article 112, paragraphe 1, du Statut, et les représentants des Etats et des organisations intergouvernementales invités aux séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires jouissent, dans l'exercice de leurs fonctions officielles et au cours de leurs déplacements à destination ou en provenance du lieu de la réunion, des privilèges et immunités suivants :
a) Immunité d'arrestation ou de détention;
b) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits, ainsi que pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle; cette immunité subsiste, nonobstant le fait que les personnes concernées peuvent avoir cessé d'exercer leurs fonctions en tant que représentants;
c) Inviolabilité de tous papiers et documents, quelle qu'en soit la forme;
d) Droit de faire usage de codes ou chiffre, recevoir des papiers et des documents ou de la correspondance par courrier ou par valises scellées et recevoir et envoyer des communications électroniques;
e) Exemption de toutes restrictions à l'immigration, de toutes formalités d'enregistrement des étrangers et de toutes obligations de service national dans l'Etat Partie visité, ou traversé par eux dans l'exercice de leurs fonctions;
f) Les mêmes privilèges en matière de réglementations monétaires et de change que celles accordées aux représentants des gouvernements étrangers en mission officielle temporaire;
g) Les mêmes immunités et facilités en ce qui concerne leurs bagages personnels que celles accordées aux agents diplomatiques en vertu de la Convention de Vienne;
h) La même protection et les mêmes facilités de rapatriement que celles accordées aux agents diplomatiques en période de crise internationale en vertu de la Convention de Vienne;
i) Tels autres privilèges, immunités et facilités non incompatibles avec ce qui précède dont jouissent les agents diplomatiques, hormis le bénéfice de l'exemption des droits de douane sur des objets importés (autres que ceux qui font partie de leurs bagages personnels), des droits d'accises ou des taxes à l'achat.
2. Lorsque l'assujettissement à un impôt est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les représentants visés au paragraphe 1er qui assistent aux séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires se trouvent sur le territoire d'un Etat Partie pour l'exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence.
3. Les dispositions des, paragraphes 1er et 2 du présent article ne sont pas applicables dans le cas d'un représentant vis-à-vis des autorités de l'Etat Partie dont il est ressortissant ou de l'Etat Partie ou organisation intergouvernementale dont il est ou a été le représentant.
1. Les représentants des Etats Parties au Statut qui assistent à des séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires, les représentants d'autres Etats qui peuvent assister aux séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires en qualité d'observateurs en vertu de l'article 112, paragraphe 1, du Statut, et les représentants des Etats et des organisations intergouvernementales invités aux séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires jouissent, dans l'exercice de leurs fonctions officielles et au cours de leurs déplacements à destination ou en provenance du lieu de la réunion, des privilèges et immunités suivants :
a) Immunité d'arrestation ou de détention;
b) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits, ainsi que pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle; cette immunité subsiste, nonobstant le fait que les personnes concernées peuvent avoir cessé d'exercer leurs fonctions en tant que représentants;
c) Inviolabilité de tous papiers et documents, quelle qu'en soit la forme;
d) Droit de faire usage de codes ou chiffre, recevoir des papiers et des documents ou de la correspondance par courrier ou par valises scellées et recevoir et envoyer des communications électroniques;
e) Exemption de toutes restrictions à l'immigration, de toutes formalités d'enregistrement des étrangers et de toutes obligations de service national dans l'Etat Partie visité, ou traversé par eux dans l'exercice de leurs fonctions;
f) Les mêmes privilèges en matière de réglementations monétaires et de change que celles accordées aux représentants des gouvernements étrangers en mission officielle temporaire;
g) Les mêmes immunités et facilités en ce qui concerne leurs bagages personnels que celles accordées aux agents diplomatiques en vertu de la Convention de Vienne;
h) La même protection et les mêmes facilités de rapatriement que celles accordées aux agents diplomatiques en période de crise internationale en vertu de la Convention de Vienne;
i) Tels autres privilèges, immunités et facilités non incompatibles avec ce qui précède dont jouissent les agents diplomatiques, hormis le bénéfice de l'exemption des droits de douane sur des objets importés (autres que ceux qui font partie de leurs bagages personnels), des droits d'accises ou des taxes à l'achat.
2. Lorsque l'assujettissement à un impôt est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les représentants visés au paragraphe 1er qui assistent aux séances de l'Assemblée et de ses organes subsidiaires se trouvent sur le territoire d'un Etat Partie pour l'exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence.
3. Les dispositions des, paragraphes 1er et 2 du présent article ne sont pas applicables dans le cas d'un représentant vis-à-vis des autorités de l'Etat Partie dont il est ressortissant ou de l'Etat Partie ou organisation intergouvernementale dont il est ou a été le représentant.
Art. 14. Vertegenwoordigers van Staten die deelnemen aan de werkzaamheden van het Hof.
Vertegenwoordigers van Staten die deelnemen aan de procedures van het Hof genieten, tijdens de uitoefening van hun officiële functies, en gedurende hun reis naar en van de plaats waar de procedures plaatsvinden, de in artikel 13 bedoelde voorrechten en immuniteiten.
Vertegenwoordigers van Staten die deelnemen aan de procedures van het Hof genieten, tijdens de uitoefening van hun officiële functies, en gedurende hun reis naar en van de plaats waar de procedures plaatsvinden, de in artikel 13 bedoelde voorrechten en immuniteiten.
Art. 14. Représentants des Etats participant aux travaux de la Cour.
Les représentants des Etats participant aux travaux de la Cour jouissent, dans l'exercice de leurs fonctions officielles et au cours de leurs déplacements à destination et en provenance du lieu des travaux, des privilèges et immunités énumérés à l'article 13.
Les représentants des Etats participant aux travaux de la Cour jouissent, dans l'exercice de leurs fonctions officielles et au cours de leurs déplacements à destination et en provenance du lieu des travaux, des privilèges et immunités énumérés à l'article 13.
Art. 15. Rechters, Aanklager, Substituut-Aanklagers en Griffier.
1. De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier genieten bij de uitoefening van of met betrekking tot de werkzaamheden van het Hof dezelfde voorrechten en immuniteiten als aan hoofden van diplomatieke zendingen worden verleend, en zij blijven na afloop van hun ambtstermijn immuniteit genieten ten aanzien van elke juridische procedure met betrekking tot het door hen in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woord en door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen.
2. De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier, alsmede de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, genieten alle faciliteiten voor het verlaten van het land waar zij zich bevinden en voor de binnenkomst in en het vertrek uit het land waar het Hof zitting houdt. Op hun reizen in verband met de uitoefening van hun functies genieten de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier in alle Staten die Partij zijn en door welke zij moeten reizen, alle voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die door Staten die Partij zijn in vergelijkbare omstandigheden worden verleend aan diplomatieke ambtenaren ingevolge het Verdrag van Wenen.
3. Indien een rechter, de Aanklager, een Substituut-Aanklager of de Griffier, met het doel zichzelf voor het Hof beschikbaar te houden, verblijft in een andere Staat die Partij is dan van welke hij of zij een onderdaan of permanent ingezetene is, worden hem of haar, alsmede de gezinsleden die deel uitmaken van zijn of haar huishouding, gedurende het verblijf diplomatieke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toegekend.
4. Aan de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier, alsmede aan de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, worden dezelfde repatriëringsfaciliteiten toegekend als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren.
5. Het eerste tot en met vierde lid van dit artikel blijven van toepassing op rechters van het Hof na het verstrijken van hun ambtstermijn indien zij overeenkomstig artikel 36, tiende lid, van het Statuut, hun functies blijven vervullen.
6. De salarissen, emolumenten en vergoedingen die door het Hof worden betaald aan de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier zijn vrijgesteld van belasting. Voor zover het vaststellen van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap worden periodes, gedurende welke de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier voor de uitoefening van hun functie aanwezig zijn in een Staat die Partij is, ten behoeve van de belastingheffing niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap. De Staten die Partij zijn kunnen met deze salarissen, emolumenten en vergoedingen rekening houden bij de vaststelling van de belasting die wordt geheven over inkomsten uit andere bronnen.
7. De Staten die Partij zijn, zijn niet verplicht uitkeringen of annuïteiten betaald aan voormalige rechters, Aanklagers en Griffiers alsmede aan de hun ten laste komende personen vrij te stellen van inkomstenbelasting.
1. De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier genieten bij de uitoefening van of met betrekking tot de werkzaamheden van het Hof dezelfde voorrechten en immuniteiten als aan hoofden van diplomatieke zendingen worden verleend, en zij blijven na afloop van hun ambtstermijn immuniteit genieten ten aanzien van elke juridische procedure met betrekking tot het door hen in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woord en door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen.
2. De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier, alsmede de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, genieten alle faciliteiten voor het verlaten van het land waar zij zich bevinden en voor de binnenkomst in en het vertrek uit het land waar het Hof zitting houdt. Op hun reizen in verband met de uitoefening van hun functies genieten de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier in alle Staten die Partij zijn en door welke zij moeten reizen, alle voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die door Staten die Partij zijn in vergelijkbare omstandigheden worden verleend aan diplomatieke ambtenaren ingevolge het Verdrag van Wenen.
3. Indien een rechter, de Aanklager, een Substituut-Aanklager of de Griffier, met het doel zichzelf voor het Hof beschikbaar te houden, verblijft in een andere Staat die Partij is dan van welke hij of zij een onderdaan of permanent ingezetene is, worden hem of haar, alsmede de gezinsleden die deel uitmaken van zijn of haar huishouding, gedurende het verblijf diplomatieke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toegekend.
4. Aan de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier, alsmede aan de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, worden dezelfde repatriëringsfaciliteiten toegekend als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren.
5. Het eerste tot en met vierde lid van dit artikel blijven van toepassing op rechters van het Hof na het verstrijken van hun ambtstermijn indien zij overeenkomstig artikel 36, tiende lid, van het Statuut, hun functies blijven vervullen.
6. De salarissen, emolumenten en vergoedingen die door het Hof worden betaald aan de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier zijn vrijgesteld van belasting. Voor zover het vaststellen van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap worden periodes, gedurende welke de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier voor de uitoefening van hun functie aanwezig zijn in een Staat die Partij is, ten behoeve van de belastingheffing niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap. De Staten die Partij zijn kunnen met deze salarissen, emolumenten en vergoedingen rekening houden bij de vaststelling van de belasting die wordt geheven over inkomsten uit andere bronnen.
7. De Staten die Partij zijn, zijn niet verplicht uitkeringen of annuïteiten betaald aan voormalige rechters, Aanklagers en Griffiers alsmede aan de hun ten laste komende personen vrij te stellen van inkomstenbelasting.
Art. 15. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier.
1. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier jouissent, dans l'exercice de leurs fonctions au service de la Cour et du fait de celles-ci, des privilèges et immunités accordés aux chefs de missions diplomatiques. Après l'expiration de leur mandat, ils continuent à jouir d'une immunité absolue de juridiction pour les paroles, les écrits et les actes accomplis par eux dans l'exercice de leurs fonctions officielles.
2. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier, ainsi que les membres de leur famille qui font partie de leur ménage ont toute latitude pour quitter le pays dans lequel ils se trouvent, ainsi que pour accéder au pays ou siège la Cour et en sortir. Au cours des déplacements liés à l'exercice de leurs fonctions, les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier jouissent dans tous les Etats Parties qu'ils doivent traverser de tous les privilèges, immunités et facilités accordés par ces Etats Parties aux agents diplomatiques en pareille circonstance, conformément à la Convention de Vienne.
3. Si un juge, le Procureur, un procureur adjoint ou le Greffier, afin de se tenir à la disposition de la Cour, réside dans un Etat Partie autre que celui dont il est ressortissant au résident permanent, il jouit pendant son séjour, ainsi que les membres de sa famille qui font partie de son ménage, des privilèges, immunités et facilités diplomatiques.
4. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier, ainsi que les membres de leur famille qui font partie de leur ménage, bénéficient en période de crise internationale des mêmes facilités de rapatriement que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques.
5. Les paragraphes 1er à 4 du présent article sont applicables aux juges de la Cour, même après la fin de leur mandat, s'ils continuent d'exercer leurs fonctions conformément à l'article 36, paragraphe 10, du Statut.
6. Les traitements, émoluments et indemnités versés par la Cour aux juges, au Procureur, aux procureurs adjoints et au Greffier sont exonérés d'impôt. Lorsque l'assujettissement à un impôt quelconque est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier se trouvent sur le territoire d'un Etat Partie pour l'exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence aux fins d'imposition. Les Etats Parties peuvent prendre ces traitements, émoluments et indemnités en compte pour déterminer le montant de l'impôt à prélever sur le revenu provenant d'autres sources.
7. Les Etats Parties ne sont pas tenus d'exonérer de l'impôt sur le revenu, les pensions ou rentes versées aux anciens juges, procureurs et greffiers et aux personnes à leur charge.
1. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier jouissent, dans l'exercice de leurs fonctions au service de la Cour et du fait de celles-ci, des privilèges et immunités accordés aux chefs de missions diplomatiques. Après l'expiration de leur mandat, ils continuent à jouir d'une immunité absolue de juridiction pour les paroles, les écrits et les actes accomplis par eux dans l'exercice de leurs fonctions officielles.
2. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier, ainsi que les membres de leur famille qui font partie de leur ménage ont toute latitude pour quitter le pays dans lequel ils se trouvent, ainsi que pour accéder au pays ou siège la Cour et en sortir. Au cours des déplacements liés à l'exercice de leurs fonctions, les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier jouissent dans tous les Etats Parties qu'ils doivent traverser de tous les privilèges, immunités et facilités accordés par ces Etats Parties aux agents diplomatiques en pareille circonstance, conformément à la Convention de Vienne.
3. Si un juge, le Procureur, un procureur adjoint ou le Greffier, afin de se tenir à la disposition de la Cour, réside dans un Etat Partie autre que celui dont il est ressortissant au résident permanent, il jouit pendant son séjour, ainsi que les membres de sa famille qui font partie de son ménage, des privilèges, immunités et facilités diplomatiques.
4. Les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier, ainsi que les membres de leur famille qui font partie de leur ménage, bénéficient en période de crise internationale des mêmes facilités de rapatriement que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques.
5. Les paragraphes 1er à 4 du présent article sont applicables aux juges de la Cour, même après la fin de leur mandat, s'ils continuent d'exercer leurs fonctions conformément à l'article 36, paragraphe 10, du Statut.
6. Les traitements, émoluments et indemnités versés par la Cour aux juges, au Procureur, aux procureurs adjoints et au Greffier sont exonérés d'impôt. Lorsque l'assujettissement à un impôt quelconque est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les juges, le Procureur, les procureurs adjoints et le Greffier se trouvent sur le territoire d'un Etat Partie pour l'exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence aux fins d'imposition. Les Etats Parties peuvent prendre ces traitements, émoluments et indemnités en compte pour déterminer le montant de l'impôt à prélever sur le revenu provenant d'autres sources.
7. Les Etats Parties ne sont pas tenus d'exonérer de l'impôt sur le revenu, les pensions ou rentes versées aux anciens juges, procureurs et greffiers et aux personnes à leur charge.
Art. 16. Substituut-Griffier, personeel van de diensten van de Aanklager en personeel van de Griffie.
1. De Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager en het personeel van de Griffie genieten de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies. Zij genieten :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot het door hen gesproken of geschreven woord en alle door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na beëindiging van hun dienstverband bij het Hof;
c) Onschendbaarheid van alle officiële papieren en documenten in welke vorm dan ook en van officiële materialen;
d) Vrijstelling van belasting op de salarissen, emolumenten en vergoedingen die door het Hof aan hen worden betaald. De Staten die Partij zijn kunnen met deze salarissen, emolumenten en vergoedingen rekening houden bij de vaststelling van de belasting die wordt geheven over inkomsten uit andere bronnen;
e) Vrijstelling van enige nationale dienstplicht;
f) Tezamen met de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie;
g) Vrijstelling van inspectie van persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn; in een dergelijk geval wordt een inspectie uitgevoerd in aanwezigheid van de betrokken functionaris :
h) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke in de betrokken Staat die Partij is worden toegekend aan functionarissen van diplomatieke zendingen met vergelijkbare rang;
i) Tezamen met de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crises gelden voor diplomatieke ambtenaren;
j) Het recht om vrij van rechten en belastingen, behoudens betalingen voor verleende diensten, hun meubels en bezittingen in te voeren wanneer zij voor de eerste maal hun functie in de betrokken Staat die Partij is aanvaarden, en om deze meubels en bezittingen vrij van rechten en belastingen weer uit te voeren naar het land waar zij hun vaste woonplaats hebben.
2. De Staten die Partij zijn, zijn niet verplicht uitkeringen of annuïteiten betaald aan voormalige Substituut-Griffiers, aan leden van het personeel van het Parket van de Aanklager, aan leden van het personeel van de Griffie en aan de hun ten laste komende personen vrij te stellen van inkomstenbelasting.
1. De Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager en het personeel van de Griffie genieten de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies. Zij genieten :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot het door hen gesproken of geschreven woord en alle door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na beëindiging van hun dienstverband bij het Hof;
c) Onschendbaarheid van alle officiële papieren en documenten in welke vorm dan ook en van officiële materialen;
d) Vrijstelling van belasting op de salarissen, emolumenten en vergoedingen die door het Hof aan hen worden betaald. De Staten die Partij zijn kunnen met deze salarissen, emolumenten en vergoedingen rekening houden bij de vaststelling van de belasting die wordt geheven over inkomsten uit andere bronnen;
e) Vrijstelling van enige nationale dienstplicht;
f) Tezamen met de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie;
g) Vrijstelling van inspectie van persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn; in een dergelijk geval wordt een inspectie uitgevoerd in aanwezigheid van de betrokken functionaris :
h) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke in de betrokken Staat die Partij is worden toegekend aan functionarissen van diplomatieke zendingen met vergelijkbare rang;
i) Tezamen met de gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding, dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crises gelden voor diplomatieke ambtenaren;
j) Het recht om vrij van rechten en belastingen, behoudens betalingen voor verleende diensten, hun meubels en bezittingen in te voeren wanneer zij voor de eerste maal hun functie in de betrokken Staat die Partij is aanvaarden, en om deze meubels en bezittingen vrij van rechten en belastingen weer uit te voeren naar het land waar zij hun vaste woonplaats hebben.
2. De Staten die Partij zijn, zijn niet verplicht uitkeringen of annuïteiten betaald aan voormalige Substituut-Griffiers, aan leden van het personeel van het Parket van de Aanklager, aan leden van het personeel van de Griffie en aan de hun ten laste komende personen vrij te stellen van inkomstenbelasting.
Art. 16. Le Greffier adjoint, le personnel du Bureau du Procureur et le personnel du Greffe.
1. Le Greffier adjoint, le personnel du Bureau du Procureur et le personnel du Greffe jouissent des privilèges, immunités et facilités nécessaires à l'accomplissement de leurs fonctions en toute indépendance. Ils bénéficient :
a) De l'immunité d'arrestation, de détention et de saisie de leurs bagages personnels;
b) D'une immunité absolue de juridiction pour les paroles et écrits ainsi que pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle. Cette immunité continue de leur être accordée après la fin de leur engagement au service de la Cour;
c) De l'inviolabilité de tous documents et papiers officiels quelle qu'en soit la formé et de tout matériel officiel;
d) De l'exonération de tout impôt sur les traitements, émoluments et indemnités qu'ils reçoivent de la Cour. Les Etats Parties peuvent prendre ces traitements, émoluments et indemnités en compte pour le calcul de l'impôt à prélever sur le revenu provenant d'autres sources;
e) De l'exemption des obligations du service national;
f) De l'exemption, pour eux et pour les membres de leur famille faisant partie de leur ménage, des restrictions à l'immigration et des formalités d'enregistrement des étrangers;
g) De l'exemption de toute inspection de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné; dans ce cas, l'inspection se déroule en présence du fonctionnaire concerné;
h) Des mêmes privilèges, en matière de réglementation monétaire des changes, que ceux accordés aux fonctionnaires d'un rang comparable appartenant aux missions diplomatiques accréditées auprès de l'Etat Partie concerné;
i) Des mêmes facilités de rapatriement en période de. crise internationale pour eux-mêmes et les membres de leur famille qui font partie de leur ménage, que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques;
j) Du droit d'importer leur mobilier et leurs effets en franchise de droits et de taxes, sauf les paiements faits au titre de services rendus à l'occasion de la première prise de fonctions dans l'Etat Partie concerné, et de les réexporter en franchise dans le pays de leur domicile.
2. Les Etats Parties ne sont pas tenus d'exonérer de l'impôt sur le revenu les pensions ou rentes versées aux anciens greffiers adjoints, membres du personnel du Bureau du Procureur, membres du personnel du Greffe et aux personnes à leur charge.
1. Le Greffier adjoint, le personnel du Bureau du Procureur et le personnel du Greffe jouissent des privilèges, immunités et facilités nécessaires à l'accomplissement de leurs fonctions en toute indépendance. Ils bénéficient :
a) De l'immunité d'arrestation, de détention et de saisie de leurs bagages personnels;
b) D'une immunité absolue de juridiction pour les paroles et écrits ainsi que pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle. Cette immunité continue de leur être accordée après la fin de leur engagement au service de la Cour;
c) De l'inviolabilité de tous documents et papiers officiels quelle qu'en soit la formé et de tout matériel officiel;
d) De l'exonération de tout impôt sur les traitements, émoluments et indemnités qu'ils reçoivent de la Cour. Les Etats Parties peuvent prendre ces traitements, émoluments et indemnités en compte pour le calcul de l'impôt à prélever sur le revenu provenant d'autres sources;
e) De l'exemption des obligations du service national;
f) De l'exemption, pour eux et pour les membres de leur famille faisant partie de leur ménage, des restrictions à l'immigration et des formalités d'enregistrement des étrangers;
g) De l'exemption de toute inspection de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné; dans ce cas, l'inspection se déroule en présence du fonctionnaire concerné;
h) Des mêmes privilèges, en matière de réglementation monétaire des changes, que ceux accordés aux fonctionnaires d'un rang comparable appartenant aux missions diplomatiques accréditées auprès de l'Etat Partie concerné;
i) Des mêmes facilités de rapatriement en période de. crise internationale pour eux-mêmes et les membres de leur famille qui font partie de leur ménage, que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques;
j) Du droit d'importer leur mobilier et leurs effets en franchise de droits et de taxes, sauf les paiements faits au titre de services rendus à l'occasion de la première prise de fonctions dans l'Etat Partie concerné, et de les réexporter en franchise dans le pays de leur domicile.
2. Les Etats Parties ne sont pas tenus d'exonérer de l'impôt sur le revenu les pensions ou rentes versées aux anciens greffiers adjoints, membres du personnel du Bureau du Procureur, membres du personnel du Greffe et aux personnes à leur charge.
Art. 17. Lokaal in dienst genomen personeel ten aanzien van wie in dit Verdrag niets anders is geregeld.
Aan door het Hof lokaal geworven personeel ten aanzien van wie in dit Verdrag niets anders is geregeld, wordt immuniteit van rechtsvervolging toegekend met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in hun officiële hoedanigheid voor het Hof verrichte handelingen. Deze immuniteit blijft gelden na beëindiging van hun dienstverband bij het Hof voor activiteiten die worden verricht namens het Hof. Gedurende hun dienstverband worden aan hen tevens de faciliteiten toegekend die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies voor het Hof.
Aan door het Hof lokaal geworven personeel ten aanzien van wie in dit Verdrag niets anders is geregeld, wordt immuniteit van rechtsvervolging toegekend met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in hun officiële hoedanigheid voor het Hof verrichte handelingen. Deze immuniteit blijft gelden na beëindiging van hun dienstverband bij het Hof voor activiteiten die worden verricht namens het Hof. Gedurende hun dienstverband worden aan hen tevens de faciliteiten toegekend die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies voor het Hof.
Art. 17. Personnel recruté localement non autrement couvert par le présent Accord.
Les personnes recrutées par la Cour localement qui ne sont pas autrement couvertes par le présent Accord jouissent de l'immunité de juridiction pour les paroles, les écrits et les actes accomplis par elles en leur qualité officielle pour le compte de la Cour. Cette immunité continue de leur être accordée après la cessation de leurs fonctions pour les activités exercées pour le compte de la Cour. Ces personnes bénéficient également, pendant la période où elles sont employées par la Cour; de toutes autres facilités pouvant être nécessaires à l'exercice indépendant de leurs fonctions.
Les personnes recrutées par la Cour localement qui ne sont pas autrement couvertes par le présent Accord jouissent de l'immunité de juridiction pour les paroles, les écrits et les actes accomplis par elles en leur qualité officielle pour le compte de la Cour. Cette immunité continue de leur être accordée après la cessation de leurs fonctions pour les activités exercées pour le compte de la Cour. Ces personnes bénéficient également, pendant la période où elles sont employées par la Cour; de toutes autres facilités pouvant être nécessaires à l'exercice indépendant de leurs fonctions.
Art. 18. Raadslieden en Personen die de verdediging bijstaan.
1. Raadslieden genieten de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voor zover nodig voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met uitoefening van hun functies, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde certificaat wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na beëindiging van de uitoefening van hun functies;
c) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en van materiaal dat betrekking heeft op de uitoefening van hun functies;
d) Ten behoeve van communicatie uit hoofde van hun functie als raadslieden, het recht om papieren en documenten in welke vorm dan ook te ontvangen en te verzenden;
e) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie;
f) Vrijstelling van inspectie van persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verbollen is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn; in een dergelijk geval wordt een inspectie uitgevoerd in aanwezigheid van de betrokken raadsman :
g) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen op tijdelijke officiële zendingen;
h) Dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crises gelden voor diplomatieke ambtenaren.
2. Wanneer raadslieden zijn benoemd overeenkomstig het Statuut, het Reglement van proces- en bewijsvoering en het Huishoudelijk reglement van het Hof, wordt aan de raadslieden een door de Griffier ondertekend certificaat uitgereikt voor het tijdvak nodig voor de uitoefening van hun functies. Indien de volmacht of het mandaat wordt beëindigd voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat, wordt het certificaat ingetrokken.
3. Voor zover de vaststelling van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap worden periodes, gedurende welke raadslieden in een Staat die Partij is aanwezig zijn ter vervulling van hun functies, niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap.
4. De bepalingen van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op personen die de raadslieden bijstaan overeenkomstig Regel 22 van het Reglement van proces- en bewijsvoering.
1. Raadslieden genieten de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voor zover nodig voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met uitoefening van hun functies, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde certificaat wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na beëindiging van de uitoefening van hun functies;
c) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en van materiaal dat betrekking heeft op de uitoefening van hun functies;
d) Ten behoeve van communicatie uit hoofde van hun functie als raadslieden, het recht om papieren en documenten in welke vorm dan ook te ontvangen en te verzenden;
e) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie;
f) Vrijstelling van inspectie van persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verbollen is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn; in een dergelijk geval wordt een inspectie uitgevoerd in aanwezigheid van de betrokken raadsman :
g) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen op tijdelijke officiële zendingen;
h) Dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crises gelden voor diplomatieke ambtenaren.
2. Wanneer raadslieden zijn benoemd overeenkomstig het Statuut, het Reglement van proces- en bewijsvoering en het Huishoudelijk reglement van het Hof, wordt aan de raadslieden een door de Griffier ondertekend certificaat uitgereikt voor het tijdvak nodig voor de uitoefening van hun functies. Indien de volmacht of het mandaat wordt beëindigd voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat, wordt het certificaat ingetrokken.
3. Voor zover de vaststelling van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap worden periodes, gedurende welke raadslieden in een Staat die Partij is aanwezig zijn ter vervulling van hun functies, niet aangemerkt als periodes van ingezetenschap.
4. De bepalingen van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op personen die de raadslieden bijstaan overeenkomstig Regel 22 van het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Art. 18. Les conseils et les personnes apportant leur concours aux conseils de la défense.
1. Les conseils jouissent des privilèges, immunités et facilités suivants dans la mesure nécessaire à l'exercice indépendant de leurs fonctions, y compris pendant leurs déplacements, pour les besoins de leur service, sous réserve de la production du certificat visé au paragraphe 2 du présent article :
a) Immunité d'arrestation, de détention et de saisie de leurs bagages personnels;
b) Immunité absolue de juridiction pour les paroles et les écrits ainsi que pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle; cette immunité continue à leur être accordée, même après la cessation de leurs fonctions;
c) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à l'exercice de leurs fonctions;
d) Droit de recevoir et d'expédier, aux fins des communications liées à l'exercice de leurs fonctions, des papiers ou des documents, quelle qu'en soit la forme;
e) Exemption des restrictions à l'immigration et des formalités d'enregistrement des étrangers;
f) Exemption d'inspection de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné; dans ce cas l'inspection se déroule en présence du conseil concerné;
g) Mêmes privilèges en matière de réglementation monétaire et de contrôle des changes que les représentants des gouvernements étrangers en mission officielle temporaire;
h) Mêmes facilités de rapatriement en période de crise internationale que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques.
2. Lorsqu'un conseil a été désigné conformément au Statut, au Règlement de procédure et de preuve et au Règlement de la Cour, il reçoit un certificat signé par le Greffier pour la période nécessaire à l'exercice de ses fonctions. Si le pouvoir ou le mandat prend fin avant l'expiration du certificat, celui-ci est retiré.
3. Lorsque l'assujettissement à un impôt est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les conseils se trouvent sur le territoire d'un Etat Partie pour l'exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence.
4. Les dispositions du présent article s'appliquent mutatis mutandis aux personnes qui apportent leur concours aux conseils de la défense conformément à l'article 22 du Règlement de procédure et de preuve.
1. Les conseils jouissent des privilèges, immunités et facilités suivants dans la mesure nécessaire à l'exercice indépendant de leurs fonctions, y compris pendant leurs déplacements, pour les besoins de leur service, sous réserve de la production du certificat visé au paragraphe 2 du présent article :
a) Immunité d'arrestation, de détention et de saisie de leurs bagages personnels;
b) Immunité absolue de juridiction pour les paroles et les écrits ainsi que pour les actes accomplis par eux en leur qualité officielle; cette immunité continue à leur être accordée, même après la cessation de leurs fonctions;
c) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à l'exercice de leurs fonctions;
d) Droit de recevoir et d'expédier, aux fins des communications liées à l'exercice de leurs fonctions, des papiers ou des documents, quelle qu'en soit la forme;
e) Exemption des restrictions à l'immigration et des formalités d'enregistrement des étrangers;
f) Exemption d'inspection de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné; dans ce cas l'inspection se déroule en présence du conseil concerné;
g) Mêmes privilèges en matière de réglementation monétaire et de contrôle des changes que les représentants des gouvernements étrangers en mission officielle temporaire;
h) Mêmes facilités de rapatriement en période de crise internationale que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques.
2. Lorsqu'un conseil a été désigné conformément au Statut, au Règlement de procédure et de preuve et au Règlement de la Cour, il reçoit un certificat signé par le Greffier pour la période nécessaire à l'exercice de ses fonctions. Si le pouvoir ou le mandat prend fin avant l'expiration du certificat, celui-ci est retiré.
3. Lorsque l'assujettissement à un impôt est fonction de la résidence, les périodes pendant lesquelles les conseils se trouvent sur le territoire d'un Etat Partie pour l'exercice de leurs fonctions ne sont pas considérées comme des périodes de résidence.
4. Les dispositions du présent article s'appliquent mutatis mutandis aux personnes qui apportent leur concours aux conseils de la défense conformément à l'article 22 du Règlement de procédure et de preuve.
Art. 19. Getuigen. 1. Getuigen genieten de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voor zover nodig voor hun verschijning voor het Hof ten behoeve van het afleggen van een getuigenverklaring, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun verschijning, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie :
b) Onverminderd het hierna onder d gestelde, immuniteit van inbeslagname van hun persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn;
c) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen gedurende hun getuigenis gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na hun verschijning en getuigenis voor het Hof;
d) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en van materiaal met betrekking tot hun getuigenis;
e) Ten behoeve van communicatie met het Hof en de raadslieden in verband met hun getuigenis, het recht om papieren en documenten in welke vorm dan ook te ontvangen en te verzenden;
f) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie wanneer zij reizen ten behoeve van hun getuigenis;
g) Dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren.
2. Aan getuigen die de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten, wordt door het Hof een document uitgereikt waaruit blijkt dat hun verschijning door het Hof vereist is en waarin het tijdsbestek wordt vermeld gedurende welk de verschijning nodig is.
a) Immuniteit van arrestatie en detentie :
b) Onverminderd het hierna onder d gestelde, immuniteit van inbeslagname van hun persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn;
c) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen gedurende hun getuigenis gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na hun verschijning en getuigenis voor het Hof;
d) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en van materiaal met betrekking tot hun getuigenis;
e) Ten behoeve van communicatie met het Hof en de raadslieden in verband met hun getuigenis, het recht om papieren en documenten in welke vorm dan ook te ontvangen en te verzenden;
f) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie wanneer zij reizen ten behoeve van hun getuigenis;
g) Dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren.
2. Aan getuigen die de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten, wordt door het Hof een document uitgereikt waaruit blijkt dat hun verschijning door het Hof vereist is en waarin het tijdsbestek wordt vermeld gedurende welk de verschijning nodig is.
Art. 19. Témoins. 1. Les témoins jouissent des privilèges, immunités et facilités suivants, dans la mesure nécessaire aux fins de leur comparution devant la Cour pour témoigner, y compris lors des déplacements occasionnés par cette comparution, sous réserve de la production du document visé au paragraphe 2 du présent article :
a) Immunité d'arrestation ou de détention;
b) Sans préjudice de l'alinéa d) ci-dessous, immunité de saisie de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné;
c) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits ainsi que pour les actes accomplis par eux au cours de leur témoignage; cette immunité continue de leur être accordée même après leur comparution et témoignage devant la Cour;
d) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à leur témoignage;
e) Droit de recevoir et d'envoyer des papiers et des documents quelle qu'en soit la forme, aux fins de communications avec la Cour et les conseils à l'occasion de leur témoignage;
f) Exemption des restrictions à l'immigration ou des formalités d'enregistrement des étrangers lorsqu'ils se déplacent pour les besoins de leur témoignage;
g) Mêmes facilités de rapatriement en période de crise internationale que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques.
2. Les témoins qui jouissent des privilèges, immunités et facilités visés au paragraphe 1 du présent article se voient délivrer par la Cour un document attestant que leur présence est requise au siège de celle-ci et précisant la période pendant laquelle cette présence est nécessaire.
a) Immunité d'arrestation ou de détention;
b) Sans préjudice de l'alinéa d) ci-dessous, immunité de saisie de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné;
c) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits ainsi que pour les actes accomplis par eux au cours de leur témoignage; cette immunité continue de leur être accordée même après leur comparution et témoignage devant la Cour;
d) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à leur témoignage;
e) Droit de recevoir et d'envoyer des papiers et des documents quelle qu'en soit la forme, aux fins de communications avec la Cour et les conseils à l'occasion de leur témoignage;
f) Exemption des restrictions à l'immigration ou des formalités d'enregistrement des étrangers lorsqu'ils se déplacent pour les besoins de leur témoignage;
g) Mêmes facilités de rapatriement en période de crise internationale que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques.
2. Les témoins qui jouissent des privilèges, immunités et facilités visés au paragraphe 1 du présent article se voient délivrer par la Cour un document attestant que leur présence est requise au siège de celle-ci et précisant la période pendant laquelle cette présence est nécessaire.
Art. 20. Slachtoffers.
1. Slachtoffers die deelnemen aan de procedure overeenkomstig de Regels 89 tot en met 91 van het Reglement van proces- en bewijsvoering genieten de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voor zover nodig voor hun verschijning voor het Hof, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun verschijning, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie;
b) Immuniteit van inbeslagname van hun persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn;
c) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen tijdens hun verschijning voor het Hof gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na hun verschijning voor het Hof;
d) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie wanneer zij ten behoeve van hun verschijning naar en van het Hof reizen.
2. Aan slachtoffers die deelnemen aan de procedure overeenkomstig de Regels 89 tot en met 91 van het Reglement van proces- en bewijsvoering en de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten, wordt door het Hof een document uitgereikt waaruit hun deelname aan de procedures van het Hof blijkt en waarin her tijdsbestek van die deelname wordt vermeld.
1. Slachtoffers die deelnemen aan de procedure overeenkomstig de Regels 89 tot en met 91 van het Reglement van proces- en bewijsvoering genieten de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voor zover nodig voor hun verschijning voor het Hof, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun verschijning, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie;
b) Immuniteit van inbeslagname van hun persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn;
c) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen tijdens hun verschijning voor het Hof gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na hun verschijning voor het Hof;
d) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie wanneer zij ten behoeve van hun verschijning naar en van het Hof reizen.
2. Aan slachtoffers die deelnemen aan de procedure overeenkomstig de Regels 89 tot en met 91 van het Reglement van proces- en bewijsvoering en de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten, wordt door het Hof een document uitgereikt waaruit hun deelname aan de procedures van het Hof blijkt en waarin her tijdsbestek van die deelname wordt vermeld.
Art. 20. Victimes. 1. Les victimes participant à la procédure conformément aux règles 89 à 91 du Règlement de procédure et de preuve jouissent des privilèges, immunités et facilités suivants, dans la mesure nécessaire à leur comparution, devant la Cour, y compris lors des déplacements occasionnés par cette comparution, sous réserve de la production du document visé au paragraphe 2 du présent article :
a) Immunité d'arrestation ou de détention;
b) Immunité de saisie de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de raisons sérieuses de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné;
c) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits ainsi que pour tous les actes accomplis par eux au cours de leur comparution devant la Cour; cette immunité continue de leur être accordée même après leur comparution devant la Cour;
d) Exemption des restrictions à l'immigration ou des formalités d'enregistrement des étrangers lorsqu'ils se rendent à la Cour pour comparaître ou en reviennent.
2. Les victimes participant à la procédure conformément aux règles 89 à 91 du Règlement de procédure et de preuve qui jouissent des privilèges, immunités et facilités visés au paragraphe 1er du présent article se voient délivrer par la Cour un document attestant leur participation à la procédure de la Cour et précisant la période de cette participation.
a) Immunité d'arrestation ou de détention;
b) Immunité de saisie de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de raisons sérieuses de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est prohibée ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné;
c) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits ainsi que pour tous les actes accomplis par eux au cours de leur comparution devant la Cour; cette immunité continue de leur être accordée même après leur comparution devant la Cour;
d) Exemption des restrictions à l'immigration ou des formalités d'enregistrement des étrangers lorsqu'ils se rendent à la Cour pour comparaître ou en reviennent.
2. Les victimes participant à la procédure conformément aux règles 89 à 91 du Règlement de procédure et de preuve qui jouissent des privilèges, immunités et facilités visés au paragraphe 1er du présent article se voient délivrer par la Cour un document attestant leur participation à la procédure de la Cour et précisant la période de cette participation.
Art. 21. Deskundigen.
1. Aan deskundigen die functies voor het Hof vervullen, worden de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toegekend voor zover nodig voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun functies, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen tijdens de vervulling van hun functies voor her Hof gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na de beëindiging van hun functies;
c) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en van materiaal dat betrekking heeft op de uitoefening van hun functies voor het Hof;
d) Het recht om, ten behoeve van communicatie met het Hof, papieren en documenten in welke vorm dan ook, alsmede materiaal dat betrekking heeft op hun functies voor het Hof, per koerier of in verzegelde tassen te ontvangen en te verzenden;
e) Vrijstelling van inspectie van persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn; in een dergelijk geval wordt een inspectie uitgevoerd in aanwezigheid van de betrokken deskundige;
f) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen op tijdelijke officiële zendingen;
g) Dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren;
h) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie, met betrekking tot hun functies zoals nader aangeduid in het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document.
2. Aan deskundigen die de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten, wordt door het Hof een certificaat uitgereikt waaruit blijkt dat zij functies voor het Hof vervullen en waarin het tijdsbestek wordt vermeld gedurende welk hun functies duren.
1. Aan deskundigen die functies voor het Hof vervullen, worden de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toegekend voor zover nodig voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun functies, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd :
a) Immuniteit van arrestatie en detentie en van inbeslagname van hun persoonlijke bagage;
b) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen tijdens de vervulling van hun functies voor her Hof gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na de beëindiging van hun functies;
c) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en van materiaal dat betrekking heeft op de uitoefening van hun functies voor het Hof;
d) Het recht om, ten behoeve van communicatie met het Hof, papieren en documenten in welke vorm dan ook, alsmede materiaal dat betrekking heeft op hun functies voor het Hof, per koerier of in verzegelde tassen te ontvangen en te verzenden;
e) Vrijstelling van inspectie van persoonlijke bagage, tenzij gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de bagage artikelen bevat waarvan de invoer of uitvoer bij wet verboden is of waarop de quarantainevoorschriften van de desbetreffende Staat die Partij is van toepassing zijn; in een dergelijk geval wordt een inspectie uitgevoerd in aanwezigheid van de betrokken deskundige;
f) Dezelfde voorrechten met betrekking tot valuta- en wisselfaciliteiten als die welke worden toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen op tijdelijke officiële zendingen;
g) Dezelfde repatriëringsfaciliteiten als die welke overeenkomstig het Verdrag van Wenen bij internationale crisis gelden voor diplomatieke ambtenaren;
h) Vrijstelling van inreisbeperkingen en vreemdelingenregistratie, met betrekking tot hun functies zoals nader aangeduid in het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document.
2. Aan deskundigen die de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten, wordt door het Hof een certificaat uitgereikt waaruit blijkt dat zij functies voor het Hof vervullen en waarin het tijdsbestek wordt vermeld gedurende welk hun functies duren.
Art. 21. Experts. 1. Les experts exerçant des fonctions pour la Cour se voient accorder les privilèges, immunités et facilités suivants dans la mesure nécessaire à l'exercice indépendant de leurs fonctions, y compris lors des déplacements occasionnés par celles-ci, sous réserve de la production du document visé au paragraphe 2 du présent article :
a) Immunité d'arrestation, de détention et de saisie de leurs bagages personnels;
b) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits ainsi que, pour tous les actes accomplis par eux pendant l'exercice de leurs fonctions; cette immunité continue de leur être accordée même après la fin de leurs fonctions;
c) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à leurs fonctions;
d) Droit de recevoir et d'envoyer des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à leurs fonctions par courrier ou par valise scellée, aux fins de leurs communications avec la Cour;
e) Exemption de l'inspection de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est interdite ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné; dans ce cas l'inspection se déroule en présence de l'expert concerné;
f) Mêmes privilèges en matière de réglementation monétaire et de contrôle des changes que les représentants de gouvernements étrangers en mission officielle temporaire;
g) Mêmes facilités de rapatriement en période de crise internationale que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques;
h) Exemption des restrictions à l'immigration ou des formalités d'enregistrement dès étrangers dans l'exercice de leurs fonctions, telles que définies dans le document visé au paragraphe 2 du présent article.
2. Les experts en mission qui jouissent des privilèges, immunités et facilités visés au paragraphe 1 du présent article se voient délivrer par la Cour un document attestant qu'ils exercent des fonctions pour le compte de celle-ci et indiquant la durée de ces fonctions.
a) Immunité d'arrestation, de détention et de saisie de leurs bagages personnels;
b) Immunité absolue de juridiction pour leurs paroles et écrits ainsi que, pour tous les actes accomplis par eux pendant l'exercice de leurs fonctions; cette immunité continue de leur être accordée même après la fin de leurs fonctions;
c) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à leurs fonctions;
d) Droit de recevoir et d'envoyer des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à leurs fonctions par courrier ou par valise scellée, aux fins de leurs communications avec la Cour;
e) Exemption de l'inspection de leurs bagages personnels, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de croire que ces bagages contiennent des articles dont l'importation ou l'exportation est interdite ou soumise à quarantaine dans l'Etat Partie concerné; dans ce cas l'inspection se déroule en présence de l'expert concerné;
f) Mêmes privilèges en matière de réglementation monétaire et de contrôle des changes que les représentants de gouvernements étrangers en mission officielle temporaire;
g) Mêmes facilités de rapatriement en période de crise internationale que celles prévues par la Convention de Vienne pour les agents diplomatiques;
h) Exemption des restrictions à l'immigration ou des formalités d'enregistrement dès étrangers dans l'exercice de leurs fonctions, telles que définies dans le document visé au paragraphe 2 du présent article.
2. Les experts en mission qui jouissent des privilèges, immunités et facilités visés au paragraphe 1 du présent article se voient délivrer par la Cour un document attestant qu'ils exercent des fonctions pour le compte de celle-ci et indiquant la durée de ces fonctions.
Art. 22. Overige personen wier aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is.
1. Aan de overige personen wier aanwezigheid op de zetel van Hof vereist is worden, voor zover nodig voor hun aanwezigheid op de zetel van het Hof, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun aanwezigheid, de in artikel 20, eerste lid, onder a) tot en met d) van dit Verdrag bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toegekend, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd.
2. Aan de overige personen wier aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is, wordt door het Hof een document uitgereikt waaruit blijkt dat hun aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is en waarin het tijdsbestek wordt vermeld gedurende welk deze aanwezigheid nodig is.
1. Aan de overige personen wier aanwezigheid op de zetel van Hof vereist is worden, voor zover nodig voor hun aanwezigheid op de zetel van het Hof, met inbegrip van de tijd besteed aan reizen in verband met hun aanwezigheid, de in artikel 20, eerste lid, onder a) tot en met d) van dit Verdrag bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toegekend, mits het in het tweede lid van dit artikel bedoelde document wordt overgelegd.
2. Aan de overige personen wier aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is, wordt door het Hof een document uitgereikt waaruit blijkt dat hun aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is en waarin het tijdsbestek wordt vermeld gedurende welk deze aanwezigheid nodig is.
Art. 22. Autres personnes dont la présence est requise au siège de la Cour.
1. Les autres personnes dont la présence est requise au siège de la Cour. se voient accorder, dans la mesure nécessaire à cette présence et y compris lors des déplacements occasionnés par elle, les privilèges, immunités et facilités prévus à l'article 20, paragraphe 1er, alinéas a) à d), du présent Accord, sous réserve de la production du document visé au paragraphe 2 du présent article.
2. Ces personnes se voient délivrer par la Cour un document attestant que leur présence est requise au siège de la Cour et indiquant la période pendant laquelle cette présence est nécessaire.
1. Les autres personnes dont la présence est requise au siège de la Cour. se voient accorder, dans la mesure nécessaire à cette présence et y compris lors des déplacements occasionnés par elle, les privilèges, immunités et facilités prévus à l'article 20, paragraphe 1er, alinéas a) à d), du présent Accord, sous réserve de la production du document visé au paragraphe 2 du présent article.
2. Ces personnes se voient délivrer par la Cour un document attestant que leur présence est requise au siège de la Cour et indiquant la période pendant laquelle cette présence est nécessaire.
Art. 23. Onderdanen en permanent ingezetenen.
Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, kan elke Staat verklaren dat :
a) Onverminderd artikel 15, zesde lid, en artikel 16, eerste lid, onder d, genieten de in de artikelen 15, 16, 18, 19 en 21 bedoelde personen op het grondgebied van de Staat die Partij is en waarvan zij onderdaan of permanent ingezetene zijn, uitsluitend de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover noodzakelijk voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies of hun verschijning of getuigenis voor het Hof :
i) Immuniteit van arrestatie en detentie;
ii) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen bij de vervulling van hun functies voor het Hof of tijdens hun verschijning of getuigenis gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden wanneer hun functies voor het Hof of hun verschijning of getuigenis voor het Hof zijn beëindigd;
iii) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en materiaal dat betrekking heeft op de uitoefening van hun functies voor het Hof of hun verschijning of getuigenis voor het Hof;
iv) Het recht om ten behoeve van communicatie met het Hof en ten aanzien van een in artikel 19 bedoelde persoon, met hun raadslieden in verband met hun getuigenis, in welke vorm dan ook papieren te ontvangen en te verzenden.
b) Een in de artikelen 20 en 22 bedoelde persoon geniet, op het grondgebied van de Staat die Partij is waarvan hij onderdaan of permanent ingezetene is, uitsluitend de volgende voorrechten en immuniteiten voor zover benodigd voor zijn verschijning voor het Hof :
i) Immuniteit van arrestatie en detentie :
ii) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen bij hun verschijning voor het Hof gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na hun verschijning voor het Hof.
Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, kan elke Staat verklaren dat :
a) Onverminderd artikel 15, zesde lid, en artikel 16, eerste lid, onder d, genieten de in de artikelen 15, 16, 18, 19 en 21 bedoelde personen op het grondgebied van de Staat die Partij is en waarvan zij onderdaan of permanent ingezetene zijn, uitsluitend de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover noodzakelijk voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies of hun verschijning of getuigenis voor het Hof :
i) Immuniteit van arrestatie en detentie;
ii) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen bij de vervulling van hun functies voor het Hof of tijdens hun verschijning of getuigenis gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden wanneer hun functies voor het Hof of hun verschijning of getuigenis voor het Hof zijn beëindigd;
iii) Onschendbaarheid van papieren en documenten in welke vorm dan ook en materiaal dat betrekking heeft op de uitoefening van hun functies voor het Hof of hun verschijning of getuigenis voor het Hof;
iv) Het recht om ten behoeve van communicatie met het Hof en ten aanzien van een in artikel 19 bedoelde persoon, met hun raadslieden in verband met hun getuigenis, in welke vorm dan ook papieren te ontvangen en te verzenden.
b) Een in de artikelen 20 en 22 bedoelde persoon geniet, op het grondgebied van de Staat die Partij is waarvan hij onderdaan of permanent ingezetene is, uitsluitend de volgende voorrechten en immuniteiten voor zover benodigd voor zijn verschijning voor het Hof :
i) Immuniteit van arrestatie en detentie :
ii) Immuniteit van enigerlei rechtsvervolging met betrekking tot alle door hen bij hun verschijning voor het Hof gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; deze immuniteit blijft ook gelden na hun verschijning voor het Hof.
Art. 23. Ressortissants et résidents permanents.
Au moment de la signature, de la ratification, de l'acceptation, de l'approbation ou de l'adhésion, tout Etat peut déclarer que :
a) Sans préjudice du paragraphe 6 de l'article 15 et de l'alinéa d) du paragraphe 1er de l'article 16, les personnes visées aux articles 15, 16, 18, 19 et 21 jouiront, sur le territoire de l'Etat Partie dont elles sont un ressortissant ou un résident permanent, des privilèges et immunités ci-après uniquement dans la mesure voulue pour leur permettre d'exercer leurs fonctions ou de comparaître ou témoigner devant la Cour en toute indépendance :
i) Immunité d'arrestation et de détention;
ii) Immunité de juridiction pour leurs paroles et écrits, ainsi que pour les actes accomplis par elles dans l'exercice de leurs fonctions auprès de la Cour ou durant leur comparution ou leur témoignage; cette immunité continue de leur être accordée lorsqu'elles ont cessé d'exercer leurs fonctions auprès de la Cour, et après leur comparution ou témoignage devant la Cour;
iii) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à l'exercice de leurs fonctions auprès de la Cour ou à leur comparution ou à leur témoignage devant celle-ci;
iv) Droit de recevoir et d'envoyer des papiers quelle qu'en soit la forme, aux fins de communication avec la Cour et, dans le cas d'une personne visée à l'article 19, avec son conseil à l'occasion de son témoignage;
b) Sauf privilèges et immunités supplémentaires accordés par l'Etat Partie intéressé, les personnes visées aux articles 20 et 22 jouissent, sur le territoire de l'Etat Partie dont elles sont un ressortissant ou un résident permanent, des privilèges et immunités ci-après uniquement dans la mesure nécessaire à leur comparution devant la Cour :
i) Immunité d'arrestation et de détention;
ii) Immunité de juridiction pour leurs paroles et écrits, ainsi que pour les actes accomplis par elles durant leur comparution devant la Cour; cette immunité continue de leur être accordée même après leur comparution devant la Cour.
Au moment de la signature, de la ratification, de l'acceptation, de l'approbation ou de l'adhésion, tout Etat peut déclarer que :
a) Sans préjudice du paragraphe 6 de l'article 15 et de l'alinéa d) du paragraphe 1er de l'article 16, les personnes visées aux articles 15, 16, 18, 19 et 21 jouiront, sur le territoire de l'Etat Partie dont elles sont un ressortissant ou un résident permanent, des privilèges et immunités ci-après uniquement dans la mesure voulue pour leur permettre d'exercer leurs fonctions ou de comparaître ou témoigner devant la Cour en toute indépendance :
i) Immunité d'arrestation et de détention;
ii) Immunité de juridiction pour leurs paroles et écrits, ainsi que pour les actes accomplis par elles dans l'exercice de leurs fonctions auprès de la Cour ou durant leur comparution ou leur témoignage; cette immunité continue de leur être accordée lorsqu'elles ont cessé d'exercer leurs fonctions auprès de la Cour, et après leur comparution ou témoignage devant la Cour;
iii) Inviolabilité des papiers et documents quelle qu'en soit la forme et du matériel ayant trait à l'exercice de leurs fonctions auprès de la Cour ou à leur comparution ou à leur témoignage devant celle-ci;
iv) Droit de recevoir et d'envoyer des papiers quelle qu'en soit la forme, aux fins de communication avec la Cour et, dans le cas d'une personne visée à l'article 19, avec son conseil à l'occasion de son témoignage;
b) Sauf privilèges et immunités supplémentaires accordés par l'Etat Partie intéressé, les personnes visées aux articles 20 et 22 jouissent, sur le territoire de l'Etat Partie dont elles sont un ressortissant ou un résident permanent, des privilèges et immunités ci-après uniquement dans la mesure nécessaire à leur comparution devant la Cour :
i) Immunité d'arrestation et de détention;
ii) Immunité de juridiction pour leurs paroles et écrits, ainsi que pour les actes accomplis par elles durant leur comparution devant la Cour; cette immunité continue de leur être accordée même après leur comparution devant la Cour.
Art. 24. Samenwerking met de autoriteiten van de Staten die Partij zijn.
1. Het Hof werkt te allen tijde samen met de bevoegde autoriteiten van de Staten die Partij zijn teneinde de handhaving van hun wetten te vergemakkelijken en gevallen van misbruik in verband met de in dit Verdrag bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten te voorkomen.
2. Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten is het de plicht van alle personen die uit hoofde van dit Verdrag voorrechten en immuniteiten genieten de wet- en regelgeving na te leven van de Staat die Partij is en op wiens grondgebied zij zich mogelijk bevinden voor bezigheden die met het Hof verband houden of door wiens grondgebied zij mogelijk reizen voor deze bezigheden. Zij zijn tevens gehouden zich niet te mengen in de interne aangelegenheden van die Staat.
1. Het Hof werkt te allen tijde samen met de bevoegde autoriteiten van de Staten die Partij zijn teneinde de handhaving van hun wetten te vergemakkelijken en gevallen van misbruik in verband met de in dit Verdrag bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten te voorkomen.
2. Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten is het de plicht van alle personen die uit hoofde van dit Verdrag voorrechten en immuniteiten genieten de wet- en regelgeving na te leven van de Staat die Partij is en op wiens grondgebied zij zich mogelijk bevinden voor bezigheden die met het Hof verband houden of door wiens grondgebied zij mogelijk reizen voor deze bezigheden. Zij zijn tevens gehouden zich niet te mengen in de interne aangelegenheden van die Staat.
Art. 24. Coopération avec les autorités des Etats Parties.
1. La Cour collabore, à tout moment, avec les autorités compétentes des Etats Parties pour faire appliquer leurs lois et empêcher tout abus auquel pourraient donner lieu les privilèges, immunités et facilités visés dans le présent Accord.
2. Sans préjudice de leurs privilèges et immunités, toutes les personnes qui bénéficient de privilèges et immunités au titre du présent Accord sont tenues de respecter les lois et règlements de l'Etat Partie où elles séjournent ou dont elles traversent le territoire pour les besoins de la Cour. Elles sont tenues également de ne pas s'immiscer dans les affaires intérieures de cet Etat.
1. La Cour collabore, à tout moment, avec les autorités compétentes des Etats Parties pour faire appliquer leurs lois et empêcher tout abus auquel pourraient donner lieu les privilèges, immunités et facilités visés dans le présent Accord.
2. Sans préjudice de leurs privilèges et immunités, toutes les personnes qui bénéficient de privilèges et immunités au titre du présent Accord sont tenues de respecter les lois et règlements de l'Etat Partie où elles séjournent ou dont elles traversent le territoire pour les besoins de la Cour. Elles sont tenues également de ne pas s'immiscer dans les affaires intérieures de cet Etat.
Art. 25. Opheffing van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde voorrechten en immuniteiten.
De in de artikelen 13 en 14 van dit Verdrag bedoelde voorrechten en immuniteiten worden niet aan de vertegenwoordigers van Staten en intergouvernementele organisaties toegekend voor het persoonlijk gewin van de betrokkenen zelf, maar teneinde de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de werkzaamheden van de Vergadering, de hulporganen en het Hof te waarborgen. Dientengevolge hebben de Staten die Partij zijn niet alleen het recht afstand te doen van de voorrechten en immuniteiten van hun vertegenwoordigers, maar zijn zij hiertoe verplicht in de gevallen waarin deze voorrechten en immuniteiten, naar het oordeel van die Staten, de rechtsgang zouden belemmeren en waarin hiervan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan het doel waarvoor zij zijn toegekend. Aan Staten die geen partij zijn bij dit Verdrag en aan intergouvernementele organisaties worden de in de artikelen 13 en 14 van dit Verdrag bedoelde voorrechten en immuniteiten verleend, mits zij dezelfde verplichting met betrekking tot de afstand hiervan op zich nemen.
De in de artikelen 13 en 14 van dit Verdrag bedoelde voorrechten en immuniteiten worden niet aan de vertegenwoordigers van Staten en intergouvernementele organisaties toegekend voor het persoonlijk gewin van de betrokkenen zelf, maar teneinde de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de werkzaamheden van de Vergadering, de hulporganen en het Hof te waarborgen. Dientengevolge hebben de Staten die Partij zijn niet alleen het recht afstand te doen van de voorrechten en immuniteiten van hun vertegenwoordigers, maar zijn zij hiertoe verplicht in de gevallen waarin deze voorrechten en immuniteiten, naar het oordeel van die Staten, de rechtsgang zouden belemmeren en waarin hiervan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan het doel waarvoor zij zijn toegekend. Aan Staten die geen partij zijn bij dit Verdrag en aan intergouvernementele organisaties worden de in de artikelen 13 en 14 van dit Verdrag bedoelde voorrechten en immuniteiten verleend, mits zij dezelfde verplichting met betrekking tot de afstand hiervan op zich nemen.
Art. 25. Levée des privilèges et immunités visés aux articles 13 et 14.
Les privilèges et immunités visés aux articles 13 et 14 du présent Accord sont accordés aux représentants des Etats et des organisations intergouvernementales non à leur avantage personnel mais pour préserver leur indépendance dans l'exercice de leurs fonctions liées aux travaux de l'Assemblée, de ses organes subsidiaires et de la Cour. Par conséquent, les Etats Parties ont non seulement le droit mais l'obligation de lever les privilèges et immunités dé leurs représentants dans tous les cas où, de l'avis de ces Etats, ces privilèges et immunités entraveraient la marche de la justice et peuvent être levés sans nuire aux fins pour lesquelles ils ont été accordés. Les privilèges et immunités prévus aux articles 13 et 14 du présent Accord sont accordés aux Etats qui n'y sont pas parties et aux organisations intergouvernementales étant entendu qu'ils sont assujettis à la même obligation de levée.
Les privilèges et immunités visés aux articles 13 et 14 du présent Accord sont accordés aux représentants des Etats et des organisations intergouvernementales non à leur avantage personnel mais pour préserver leur indépendance dans l'exercice de leurs fonctions liées aux travaux de l'Assemblée, de ses organes subsidiaires et de la Cour. Par conséquent, les Etats Parties ont non seulement le droit mais l'obligation de lever les privilèges et immunités dé leurs représentants dans tous les cas où, de l'avis de ces Etats, ces privilèges et immunités entraveraient la marche de la justice et peuvent être levés sans nuire aux fins pour lesquelles ils ont été accordés. Les privilèges et immunités prévus aux articles 13 et 14 du présent Accord sont accordés aux Etats qui n'y sont pas parties et aux organisations intergouvernementales étant entendu qu'ils sont assujettis à la même obligation de levée.
Art. 26. Opheffing van de in de artikelen 15 tot en met 22 bedoelde voorrechten en immuniteiten.
1. De in de artikelen 15 tot en met 22 van dit Verdrag bedoelde voorrechten en immuniteiten worden verleend in het belang van een goede rechtsbedeling en niet voor het persoonlijk gewin van de betrokkenen zelf. Van deze voorrechten en immuniteiten kan in overeenstemming met artikel 48, vijfde lid, van het Statuut en met het bepaalde in dit artikel afstand worden gedaan en er is een verplichting zulks te doen in elk bijzonder geval waarin deze voorrechten en immuniteiten de rechtsgang zouden belemmeren en hiervan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan het doel waarvoor zij zijn toegekend.
2. Van de voorrechten en immuniteiten kan afstand worden gedaan :
a) In het geval van een rechter of de Aanklager, bij absolute meerderheid van de rechters;
b) In het geval van de Griffier, door het Presidium;
c) In het geval van de Substituut-Aanklagers en het personeel van het Parket van de Aanklager, door de Aanklager;
d) In bet geval van de Substituut-Griffier en het personeel van de Griffie, door de Griffier;
e) In geval van het in artikel 17 bedoelde personeel, door het hoofd van het orgaan van het Hof dat dit personeel in dienst neemt;
f) In het geval van raadslieden en personen die de verdediging bijstaan, door het Presidium;
g) In het geval van getuigen en slachtoffers, door het Presidium :
h) In het geval van deskundigen, door het hoofd van het orgaan van het Hof dat de deskundigen benoemt;
i) In het geval van overige personen wier aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is, door het Presidium.
1. De in de artikelen 15 tot en met 22 van dit Verdrag bedoelde voorrechten en immuniteiten worden verleend in het belang van een goede rechtsbedeling en niet voor het persoonlijk gewin van de betrokkenen zelf. Van deze voorrechten en immuniteiten kan in overeenstemming met artikel 48, vijfde lid, van het Statuut en met het bepaalde in dit artikel afstand worden gedaan en er is een verplichting zulks te doen in elk bijzonder geval waarin deze voorrechten en immuniteiten de rechtsgang zouden belemmeren en hiervan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan het doel waarvoor zij zijn toegekend.
2. Van de voorrechten en immuniteiten kan afstand worden gedaan :
a) In het geval van een rechter of de Aanklager, bij absolute meerderheid van de rechters;
b) In het geval van de Griffier, door het Presidium;
c) In het geval van de Substituut-Aanklagers en het personeel van het Parket van de Aanklager, door de Aanklager;
d) In bet geval van de Substituut-Griffier en het personeel van de Griffie, door de Griffier;
e) In geval van het in artikel 17 bedoelde personeel, door het hoofd van het orgaan van het Hof dat dit personeel in dienst neemt;
f) In het geval van raadslieden en personen die de verdediging bijstaan, door het Presidium;
g) In het geval van getuigen en slachtoffers, door het Presidium :
h) In het geval van deskundigen, door het hoofd van het orgaan van het Hof dat de deskundigen benoemt;
i) In het geval van overige personen wier aanwezigheid op de zetel van het Hof vereist is, door het Presidium.
Art. 26. Levée des privilèges et immunités prévus aux articles 15 à 22.
1. Les privilèges et immunités prévus aux articles 15 à 22 du présent Accord sont octroyés dans l'intérêt de la bonne administration de la justice et non à l'avantage personnel des intéressés. Ils peuvent être levés conformément à l'article 48, paragraphe 5, du Statut et aux dispositions du présent article et doivent l'être dans les cas ou ils entraveraient la marche de la justice et où ils peuvent être levés sans nuire aux fins pour lesquelles ils ont été accordés.
2. Les privilèges et immunités peuvent être levés;
a) Dans le cas d'un juge ou du Procureur, par décision prise à la majorité absolue des juges;
b) Dans le cas du Greffier, par la Présidence;
c) Dans le cas d'un procureur adjoint et du personnel du Bureau du Procureur, par le Procureur;
d) Dans le cas du Greffier adjoint et du personnel du Greffe, par le Greffier;
e) Dans le cas du personnel visé à l'article 17, par la personne à la tête de l'organe de la Cour qui emploie la personne concernée;
f) Dans le cas d'un conseil et des personnes assistant un conseil de la défense, par la présidence;
g) Dans le cas des témoins et des victimes, par la présidence;
h) Dans le cas des experts, par la personne à la tête de l'organe de la Cour qui a nommé l'expert;
i) Dans le cas des autres personnes dont la présence est requise au siège de la Cour, par la présidence.
1. Les privilèges et immunités prévus aux articles 15 à 22 du présent Accord sont octroyés dans l'intérêt de la bonne administration de la justice et non à l'avantage personnel des intéressés. Ils peuvent être levés conformément à l'article 48, paragraphe 5, du Statut et aux dispositions du présent article et doivent l'être dans les cas ou ils entraveraient la marche de la justice et où ils peuvent être levés sans nuire aux fins pour lesquelles ils ont été accordés.
2. Les privilèges et immunités peuvent être levés;
a) Dans le cas d'un juge ou du Procureur, par décision prise à la majorité absolue des juges;
b) Dans le cas du Greffier, par la Présidence;
c) Dans le cas d'un procureur adjoint et du personnel du Bureau du Procureur, par le Procureur;
d) Dans le cas du Greffier adjoint et du personnel du Greffe, par le Greffier;
e) Dans le cas du personnel visé à l'article 17, par la personne à la tête de l'organe de la Cour qui emploie la personne concernée;
f) Dans le cas d'un conseil et des personnes assistant un conseil de la défense, par la présidence;
g) Dans le cas des témoins et des victimes, par la présidence;
h) Dans le cas des experts, par la personne à la tête de l'organe de la Cour qui a nommé l'expert;
i) Dans le cas des autres personnes dont la présence est requise au siège de la Cour, par la présidence.
Art. 27. Sociale zekerheid.
Vanaf de datum waarop het Hof een socialezekerheidsregeling instelt, worden de in de artikelen 15, 16 en 17 bedoelde personen, ten aanzien van de voor het Hof verrichte diensten, vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan nationale socialezekerheidsregelingen.
Vanaf de datum waarop het Hof een socialezekerheidsregeling instelt, worden de in de artikelen 15, 16 en 17 bedoelde personen, ten aanzien van de voor het Hof verrichte diensten, vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan nationale socialezekerheidsregelingen.
Art. 27. Sécurité sociale.
A compter de la date à laquelle la Cour créera un régime de sécurité sociale, les personnes visées aux articles 15, 16 et 17 seront exonérées, en ce qui concerne leurs prestations au service de la Cour, de toutes les cotisations obligatoires aux régimes de sécurité sociale nationaux.
A compter de la date à laquelle la Cour créera un régime de sécurité sociale, les personnes visées aux articles 15, 16 et 17 seront exonérées, en ce qui concerne leurs prestations au service de la Cour, de toutes les cotisations obligatoires aux régimes de sécurité sociale nationaux.
Art. 28. Kennisgeving.
De Griffier deelt met regelmatige tussenpozen aan alle Staten die Partij zijn de functie en naam mede van de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griflier, de Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager, het personeel van de Griffie en van de raadslieden op wie de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn. De Griffier informeert tevens alle Staten die Partij zijn inzake elke wijziging van de status van deze personen.
De Griffier deelt met regelmatige tussenpozen aan alle Staten die Partij zijn de functie en naam mede van de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griflier, de Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager, het personeel van de Griffie en van de raadslieden op wie de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn. De Griffier informeert tevens alle Staten die Partij zijn inzake elke wijziging van de status van deze personen.
Art. 28. Notifications.
Le Greffier communique périodiquement à tous les Etats Parties l'identité des juges, du Procureur, des procureurs adjoints, du Greffier, du Greffier adjoint, du personnel du Bureau du Procureur, du personnel du Greffe et des conseils auxquels les dispositions du présent Accord s'appliquent. Le Greffier communique aussi à tous les Etats Parties tout changement concernant le statut desdites personnes.
Le Greffier communique périodiquement à tous les Etats Parties l'identité des juges, du Procureur, des procureurs adjoints, du Greffier, du Greffier adjoint, du personnel du Bureau du Procureur, du personnel du Greffe et des conseils auxquels les dispositions du présent Accord s'appliquent. Le Greffier communique aussi à tous les Etats Parties tout changement concernant le statut desdites personnes.
Art. 29. Laissez-passer.
De Staten die Partij zijn erkennen en accepteren het laissez-passer van de Verenigde Naties of de door het Hof aan de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier, de Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager en het personeel van de Griffie afgegeven reisdocumenten als geldige reisdocumenten.
De Staten die Partij zijn erkennen en accepteren het laissez-passer van de Verenigde Naties of de door het Hof aan de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier, de Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager en het personeel van de Griffie afgegeven reisdocumenten als geldige reisdocumenten.
Art. 29. Laissez-passer.
Les Etats Parties reconnaissent et acceptent comme documents de voyage valables les laissez-passer des Nations Unies et les documents de voyage délivrés par la Cour aux juges, au Procureur, aux procureurs adjoints, au Greffier, au Greffier adjoint, au personnel du Bureau du Procureur et au personnel du Greffe.
Les Etats Parties reconnaissent et acceptent comme documents de voyage valables les laissez-passer des Nations Unies et les documents de voyage délivrés par la Cour aux juges, au Procureur, aux procureurs adjoints, au Greffier, au Greffier adjoint, au personnel du Bureau du Procureur et au personnel du Greffe.
Art. 30. Visa. Aanvragen voor eventueel benodigde visa of vergunningen voor binnenkomst of vertrek van alle personen die houder zijn van een laissez-passer van de Verenigde Naties of van een door het Hof afgegeven reisdocument, alsmede van de in de artikelen 18 tot en met 22 van dit Verdrag bedoelde personen die een door het Hof afgegeven certificaat bezitten waarin wordt bevestigd dat zij reizen ten behoeve van de werkzaamheden van het Hof, worden door de Staten die Partij zijn zo snel mogelijk behandeld en de visa worden kosteloos verstrekt.
Art. 30. Visas. Les demandes de visas ou de permis d'entrée ou de sortie (lorsque ces pièces sont nécessaires) émanant des titulaires de laissez-passer des Nations unies ou de documents de voyage délivrés par la Cour, ou des personnes visées aux articles 18 à 22 du présent Accord, détenteurs d'un certificat délivré par la Cour attestant qu'elles voyagent pour le compte de celle-ci doivent être examinées dans les plus brefs délais possible par les Etats Parties et il doit y être donné suite sans frais.
Art. 31. Beslechting van geschillen met derde partijen.
Het Hof stelt, onder voorbehoud van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Vergadering uit hoofde van het Statuut, bepalingen vast ten behoeve van een passende wijze van beslechting van :
a) Geschillen die voortvloeien uit contracten en andere geschillen van privaatrechtelijke aard waarbij het Hof partij is;
b) Geschillen waarbij in dit Verdrag bedoelde personen betrokken zijn die uit hoofde van hun officiële positie of functie in verband met het Hof immuniteiten genieten, indien van deze immuniteiten geen afstand is gedaan.
Het Hof stelt, onder voorbehoud van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Vergadering uit hoofde van het Statuut, bepalingen vast ten behoeve van een passende wijze van beslechting van :
a) Geschillen die voortvloeien uit contracten en andere geschillen van privaatrechtelijke aard waarbij het Hof partij is;
b) Geschillen waarbij in dit Verdrag bedoelde personen betrokken zijn die uit hoofde van hun officiële positie of functie in verband met het Hof immuniteiten genieten, indien van deze immuniteiten geen afstand is gedaan.
Art. 31. Règlement des différends avec des tiers.
Sans préjudice des pouvoirs et responsabilités que le Statut confère à l'Assemblée, la Cour prend des dispositions en vue du règlement, par des moyens appropriés :
a) Des différends résultant de contrats et autres différends de droit privé auxquels la Cour est partie;
b) Des différends mettant en cause toute personne visée dans le présent Accord qui jouit d'une immunité en raison de sa situation officielle ou de ses fonctions auprès de la Cour, sauf si cette immunité a été levée.
Sans préjudice des pouvoirs et responsabilités que le Statut confère à l'Assemblée, la Cour prend des dispositions en vue du règlement, par des moyens appropriés :
a) Des différends résultant de contrats et autres différends de droit privé auxquels la Cour est partie;
b) Des différends mettant en cause toute personne visée dans le présent Accord qui jouit d'une immunité en raison de sa situation officielle ou de ses fonctions auprès de la Cour, sauf si cette immunité a été levée.
Art. 32. Beslechting van geschillen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag.
1. Alle geschillen die voortvloeien uit de interpretatie of toepassing van dit Vérdrag tussen twee of meer Staten die Partij zijn of tussen het Hof en een Staat die Partij is, worden beslecht door middel van overleg, onderhandeling of een andere overeengekomen wijze van beslechting.
2. Indien het geschil niet in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel binnen drie maanden na een schriftelijk verzoek daartoe door een van de partijen bij het geschil is beslecht, wordt het geschil, op verzoek van een van beide partijen, overeenkomstig de in het derde tot en met het zesde lid van dit artikel vervatte procedure, voorgelegd aan een scheidsgerecht.
3. Het scheidsgerecht wordt gevormd door drie leden : elke partij bij het geschil benoemt één lid, en de derde, die de voorzitter is van het scheidsgerecht, wordt benoemd door de twee andere leden. Indien een van de partijen nalaat een lid van het scheidsgerecht te benoemen binnen twee maanden na de benoeming van een lid door de andere partij, kan die andere partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken deze benoeming te verrichten. Indien de eerste twee leden er niet in slagen binnen twee maanden na hun benoeming overeenstemming te bereiken over de benoeming van de voorzitter van het scheidsgerecht, kan elk van beide partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de voorzitter te kiezen.
4. Tenzij de partijen bij het geschil anderszins overeenkomen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast en worden de kosten zoals begroot door het scheidsgerecht door de partijen gedragen.
5. Het scheidsgerecht, dat beslist met een meerderheid van stemmen, doet uitspraak over het geschil op basis van de bepalingen van dit Verdrag en de toepasselijke regels van het internationale recht. De uitspraak over het scheidsgerecht is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.
6. De uitspraak van het scheidsgerecht wordt medegedeeld aan de partijen bij het geschil, aan de Griffier en aan de Secretaris-Generaal.
1. Alle geschillen die voortvloeien uit de interpretatie of toepassing van dit Vérdrag tussen twee of meer Staten die Partij zijn of tussen het Hof en een Staat die Partij is, worden beslecht door middel van overleg, onderhandeling of een andere overeengekomen wijze van beslechting.
2. Indien het geschil niet in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel binnen drie maanden na een schriftelijk verzoek daartoe door een van de partijen bij het geschil is beslecht, wordt het geschil, op verzoek van een van beide partijen, overeenkomstig de in het derde tot en met het zesde lid van dit artikel vervatte procedure, voorgelegd aan een scheidsgerecht.
3. Het scheidsgerecht wordt gevormd door drie leden : elke partij bij het geschil benoemt één lid, en de derde, die de voorzitter is van het scheidsgerecht, wordt benoemd door de twee andere leden. Indien een van de partijen nalaat een lid van het scheidsgerecht te benoemen binnen twee maanden na de benoeming van een lid door de andere partij, kan die andere partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken deze benoeming te verrichten. Indien de eerste twee leden er niet in slagen binnen twee maanden na hun benoeming overeenstemming te bereiken over de benoeming van de voorzitter van het scheidsgerecht, kan elk van beide partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de voorzitter te kiezen.
4. Tenzij de partijen bij het geschil anderszins overeenkomen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast en worden de kosten zoals begroot door het scheidsgerecht door de partijen gedragen.
5. Het scheidsgerecht, dat beslist met een meerderheid van stemmen, doet uitspraak over het geschil op basis van de bepalingen van dit Verdrag en de toepasselijke regels van het internationale recht. De uitspraak over het scheidsgerecht is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.
6. De uitspraak van het scheidsgerecht wordt medegedeeld aan de partijen bij het geschil, aan de Griffier en aan de Secretaris-Generaal.
Art. 32. Règlement des différends portant sur l'interprétation ou l'application du présent Accord.
1. Tout différend entre deux ou plusieurs Etats Parties ou entre la Cour et un Etat Partie, portant sur l'interprétation ou l'application du présent Accord, est réglé par voie de consultation, de négociation ou par tout autre moyen convenu.
2. Si le différend n'est pas réglé conformément au paragraphe 1er du présent article dans les trois mois qui suivent la demande écrite faite à cet effet par l'une des parties au différend, il est porté, à la demande de l'une ou l'autre partie, devant un tribunal arbitral, conformément à la procédure énoncée dans les paragraphes 3 à 6 du présent article.
3. Le tribunal arbitral se compose de trois membres : chaque partie au différend en choisit un et le troisième, qui préside le tribunal, est choisi par les deux autres membres. Si l'une ou l'autre des parties au différend n'a pas désigné son arbitre dans les deux mois qui suivent la désignation de l'autre arbitre par l'autre partie, cette dernière partie peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de procéder à cette désignation. A défaut d'accord entre les deux premiers membres sur le choix du président du tribunal dans les deux mois qui suivent leur désignation, l'une ou l'autre partie peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de le choisir.
4. A moins que les parties au différend n'en décident autrement, le tribunal arbitral définit sa propre procédure, et les frais sont supportés par les parties au différend, de la manière déterminée par le tribunal.
5. Le tribunal arbitral, qui statue à la majorité, se prononce sur le différend en se fondant sur les dispositions du présent Accord et sur les règles, de droit international applicables. Sa décision est définitive et s'impose aux parties.
6. La décision du tribunal arbitral est communiquée aux parties au différend, au Greffier et au Secrétaire général.
1. Tout différend entre deux ou plusieurs Etats Parties ou entre la Cour et un Etat Partie, portant sur l'interprétation ou l'application du présent Accord, est réglé par voie de consultation, de négociation ou par tout autre moyen convenu.
2. Si le différend n'est pas réglé conformément au paragraphe 1er du présent article dans les trois mois qui suivent la demande écrite faite à cet effet par l'une des parties au différend, il est porté, à la demande de l'une ou l'autre partie, devant un tribunal arbitral, conformément à la procédure énoncée dans les paragraphes 3 à 6 du présent article.
3. Le tribunal arbitral se compose de trois membres : chaque partie au différend en choisit un et le troisième, qui préside le tribunal, est choisi par les deux autres membres. Si l'une ou l'autre des parties au différend n'a pas désigné son arbitre dans les deux mois qui suivent la désignation de l'autre arbitre par l'autre partie, cette dernière partie peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de procéder à cette désignation. A défaut d'accord entre les deux premiers membres sur le choix du président du tribunal dans les deux mois qui suivent leur désignation, l'une ou l'autre partie peut demander au Président de la Cour internationale de Justice de le choisir.
4. A moins que les parties au différend n'en décident autrement, le tribunal arbitral définit sa propre procédure, et les frais sont supportés par les parties au différend, de la manière déterminée par le tribunal.
5. Le tribunal arbitral, qui statue à la majorité, se prononce sur le différend en se fondant sur les dispositions du présent Accord et sur les règles, de droit international applicables. Sa décision est définitive et s'impose aux parties.
6. La décision du tribunal arbitral est communiquée aux parties au différend, au Greffier et au Secrétaire général.
Art. 33. Toepasselijkheid van dit Verdrag.
Dit Verdrag laat de desbetreffende regels van het internationale recht onverlet, met inbegrip van het internationale humanitaire recht.
Dit Verdrag laat de desbetreffende regels van het internationale recht onverlet, met inbegrip van het internationale humanitaire recht.
Art. 33. Applicabilité du présent Accord.
Le présent Accord s'applique sans préjudice des règles de droit international applicables, y compris le droit international humanitaire.
Le présent Accord s'applique sans préjudice des règles de droit international applicables, y compris le droit international humanitaire.
Art. 34. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door alle Staten van 10 september 2002 tot en met 30 juni 2004 op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.
2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal.
3. Dit Verdrag blijft open voor toetreding door alle Staten. De akten van toetreding worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal.
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door alle Staten van 10 september 2002 tot en met 30 juni 2004 op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.
2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal.
3. Dit Verdrag blijft open voor toetreding door alle Staten. De akten van toetreding worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Art. 34. Signature, ratification, acceptation, approbation ou adhésion.
1. Le présent Accord est ouvert à la signature de tous les Etats du 10 septembre 2002 au 30 juin 2004 au Siège de l'Organisation des Nations unies à New York.
2. Le présent Accord est soumis à ratification, acceptation ou approbation par les Etats signataires. Les instruments de ratification, acceptation ou approbation sont déposés auprès du Secrétaire général.
3. Le présent Accord reste ouvert à l'adhésion de tous les Etats. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du Secrétaire général.
1. Le présent Accord est ouvert à la signature de tous les Etats du 10 septembre 2002 au 30 juin 2004 au Siège de l'Organisation des Nations unies à New York.
2. Le présent Accord est soumis à ratification, acceptation ou approbation par les Etats signataires. Les instruments de ratification, acceptation ou approbation sont déposés auprès du Secrétaire général.
3. Le présent Accord reste ouvert à l'adhésion de tous les Etats. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du Secrétaire général.
Art. 35. Inwerkingtreding.
1. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de tiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
2. Ten aanzien van elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag volgend op de nederlegging bij de Secretaris-Generaal van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
1. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de tiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
2. Ten aanzien van elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag volgend op de nederlegging bij de Secretaris-Generaal van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Art. 35. Entrée en vigueur.
1. Le présent Accord entre en vigueur trente jours après le dépôt auprès du Secrétaire général du dixième instrument de ratification, acceptation, approbation ou adhésion.
2. Pour chaque Etat qui ratifie, accepte, approuve le présent Accord ou y adhère après le dépôt du dixième instrument, de ratification, acceptation, approbation ou adhésion, l'Accord entre en vigueur le trentième jour qui suit la date du dépôt de son instrument de ratification, acceptation, approbation ou adhésion auprès du Secrétaire général.
1. Le présent Accord entre en vigueur trente jours après le dépôt auprès du Secrétaire général du dixième instrument de ratification, acceptation, approbation ou adhésion.
2. Pour chaque Etat qui ratifie, accepte, approuve le présent Accord ou y adhère après le dépôt du dixième instrument, de ratification, acceptation, approbation ou adhésion, l'Accord entre en vigueur le trentième jour qui suit la date du dépôt de son instrument de ratification, acceptation, approbation ou adhésion auprès du Secrétaire général.
Art. 36. Wijzigingen.
1. Elke Staat die Partij is kan, door middel van een schriftelijke mededeling gericht aan het Secretariaat van de Vergadering, voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Het Secretariaat verzendt deze mededeling aan alle Staten die Partij zijn en aan het Bureau van de Vergadering met het verzoek aan de Staten die Partij zijn, het Secretariaat ervan in kennis te stellen of zij voorstander zijn van een Herzieningsconferentie van de Staten die Partij zijn teneinde het voorstel te bespreken.
2. Indien, binnen drie maanden na de datum van verzending door het Secretariaat van de Vergadering, een meerderheid van de Staten die Partij zijn het Secretariaat ervan in kennis stelt dat zij voorstander is van een Herzieningsconferentie; brengt het Secretariaat bet Bureau van de Vergadering op de hoogte met het oog op het bijeenroepen van een dergelijke conferentie bij de volgende gewone of speciale zitting van de Vergadering.
3. Voor de aanneming van een wijziging waarop er geen consensus kan worden bereikt, is een tweederde meerderheid vereist van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, mits een meerderheid van de Staten die Partij zijn aanwezig is.
4. Het Bureau van de Vergadering stelt de Secretaris-Generaal onmiddellijk in kennis van elke wijziging die bij een Herzieningsconferentie door de Staten die Partij zijn is aangenomen. De Secretaris-Generaal zendt elke bij een Herzieningsconferentie aangenomen wijziging aan alle Staten die Partij zijn en ondertekenende Staten.
5. Een wijziging wordt ten aanzien van de Staten die Partij zijn die de wijziging hebben bekrachtigd of aanvaard van kracht zestig dagen nadat tweederde van de Staten die op de datum van aanneming van de wijziging Partij waren, akten van bekrachtiging of aanvaarding bij de Secretaris-Generaal hebben neergelegd.
6. Ten aanzien van elke Staat die Partij is die een wijziging na de nederlegging van het vereiste aantal akten van bekrachtiging of aanvaarding, bekrachtigt of aanvaardt, wordt de wijziging van kracht op de zestigste dag volgend op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding.
7. Een Staat die Partij wordt bij dit Verdrag na de vankrachtwording van een wijziging in overeenstemming met het vijfde lid wordt, wanneer deze Staat geen andere intentie tot uitdrukking brengt :
a) geacht Partij bij dit Verdrag te zijn zoals gewijzigd; en
b) geacht Partij te zijn bij het ongewijzigde Verdrag met betrekking tot elke Staat die Partij is die niet door de wijziging gebonden is.
1. Elke Staat die Partij is kan, door middel van een schriftelijke mededeling gericht aan het Secretariaat van de Vergadering, voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Het Secretariaat verzendt deze mededeling aan alle Staten die Partij zijn en aan het Bureau van de Vergadering met het verzoek aan de Staten die Partij zijn, het Secretariaat ervan in kennis te stellen of zij voorstander zijn van een Herzieningsconferentie van de Staten die Partij zijn teneinde het voorstel te bespreken.
2. Indien, binnen drie maanden na de datum van verzending door het Secretariaat van de Vergadering, een meerderheid van de Staten die Partij zijn het Secretariaat ervan in kennis stelt dat zij voorstander is van een Herzieningsconferentie; brengt het Secretariaat bet Bureau van de Vergadering op de hoogte met het oog op het bijeenroepen van een dergelijke conferentie bij de volgende gewone of speciale zitting van de Vergadering.
3. Voor de aanneming van een wijziging waarop er geen consensus kan worden bereikt, is een tweederde meerderheid vereist van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, mits een meerderheid van de Staten die Partij zijn aanwezig is.
4. Het Bureau van de Vergadering stelt de Secretaris-Generaal onmiddellijk in kennis van elke wijziging die bij een Herzieningsconferentie door de Staten die Partij zijn is aangenomen. De Secretaris-Generaal zendt elke bij een Herzieningsconferentie aangenomen wijziging aan alle Staten die Partij zijn en ondertekenende Staten.
5. Een wijziging wordt ten aanzien van de Staten die Partij zijn die de wijziging hebben bekrachtigd of aanvaard van kracht zestig dagen nadat tweederde van de Staten die op de datum van aanneming van de wijziging Partij waren, akten van bekrachtiging of aanvaarding bij de Secretaris-Generaal hebben neergelegd.
6. Ten aanzien van elke Staat die Partij is die een wijziging na de nederlegging van het vereiste aantal akten van bekrachtiging of aanvaarding, bekrachtigt of aanvaardt, wordt de wijziging van kracht op de zestigste dag volgend op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding.
7. Een Staat die Partij wordt bij dit Verdrag na de vankrachtwording van een wijziging in overeenstemming met het vijfde lid wordt, wanneer deze Staat geen andere intentie tot uitdrukking brengt :
a) geacht Partij bij dit Verdrag te zijn zoals gewijzigd; en
b) geacht Partij te zijn bij het ongewijzigde Verdrag met betrekking tot elke Staat die Partij is die niet door de wijziging gebonden is.
Art. 36. Amendements.
1. Tout Etat Partie peut, par une communication écrite adressée au Secrétariat de l'Assemblée, proposer des amendements au présent Accord. Le Secrétariat transmet cette communication à tous les Etats Parties et au Bureau de l'Assemblée en demandant aux Etats Parties de lui faire savoir s'ils souhaitent qu'une conférence de révision des Etats Parties soit organisée pour examiner la proposition.
2. Si, dans les trois mois de la date de transmission de la communication par le Secrétariat de l'Assemblée, la majorité des Etats Parties lui fait savoir qu'elle est favorable à une conférence de révision, le Secrétariat demande au Bureau de l'Assemblée de convoquer une telle conférence à l'occasion de la session suivante, ordinaire ou extraordinaire de l'Assemblée.
3. L'adoption d'un amendement qui ne peut être adopté par consensus nécessite une majorité des deux tiers des Etats Parties présents et votants, étant entendu que la majorité, des Etats Parties doit être présente.
4. Le Bureau de l'Assemblée communique sans délai au Secrétaire général le texte de tout amendement adopté par les Etats Parties à une conférence de révision. Le Secrétaire général transmet les amendements adoptés lors des conférences de révision à tous les Etats Parties et Etats signataires.
5. Un amendement entre en vigueur pour les Etats Parties qui l'ont ratifié ou accepté soixante jours après que deux tiers des Etats qui étaient Parties à la date de son adoption ont déposé des instruments de ratification ou d'acceptation auprès du Secrétaire général.
6. Lorsqu'un Etat Partie ratifie ou accepte un amendement après le dépôt du nombre requis d'instruments de ratification et d'acceptation, cet amendement entre en vigueur à son égard le soixantième jour suivant le dépôt de son instrument de ratification ou d'acceptation.
7. Un Etat qui devient Partie au présent Accord après l'entrée en vigueur d'un amendement en application du paragraphe 5 est réputé, dès lors qu'il n'exprime pas une intention différente :
a) Etre Partie au présent Accord ainsi amendé; et
b) Etre Partie à l'accord non amendé vis-à-vis de tout Etat Partie qui n'est pas lié par l'amendement.
1. Tout Etat Partie peut, par une communication écrite adressée au Secrétariat de l'Assemblée, proposer des amendements au présent Accord. Le Secrétariat transmet cette communication à tous les Etats Parties et au Bureau de l'Assemblée en demandant aux Etats Parties de lui faire savoir s'ils souhaitent qu'une conférence de révision des Etats Parties soit organisée pour examiner la proposition.
2. Si, dans les trois mois de la date de transmission de la communication par le Secrétariat de l'Assemblée, la majorité des Etats Parties lui fait savoir qu'elle est favorable à une conférence de révision, le Secrétariat demande au Bureau de l'Assemblée de convoquer une telle conférence à l'occasion de la session suivante, ordinaire ou extraordinaire de l'Assemblée.
3. L'adoption d'un amendement qui ne peut être adopté par consensus nécessite une majorité des deux tiers des Etats Parties présents et votants, étant entendu que la majorité, des Etats Parties doit être présente.
4. Le Bureau de l'Assemblée communique sans délai au Secrétaire général le texte de tout amendement adopté par les Etats Parties à une conférence de révision. Le Secrétaire général transmet les amendements adoptés lors des conférences de révision à tous les Etats Parties et Etats signataires.
5. Un amendement entre en vigueur pour les Etats Parties qui l'ont ratifié ou accepté soixante jours après que deux tiers des Etats qui étaient Parties à la date de son adoption ont déposé des instruments de ratification ou d'acceptation auprès du Secrétaire général.
6. Lorsqu'un Etat Partie ratifie ou accepte un amendement après le dépôt du nombre requis d'instruments de ratification et d'acceptation, cet amendement entre en vigueur à son égard le soixantième jour suivant le dépôt de son instrument de ratification ou d'acceptation.
7. Un Etat qui devient Partie au présent Accord après l'entrée en vigueur d'un amendement en application du paragraphe 5 est réputé, dès lors qu'il n'exprime pas une intention différente :
a) Etre Partie au présent Accord ainsi amendé; et
b) Etre Partie à l'accord non amendé vis-à-vis de tout Etat Partie qui n'est pas lié par l'amendement.
Art. 37. Opzegging. I. Een Staat die Partij is kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal. De opzegging wordt een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving van kracht, tenzij de kennisgeving een latere datum vermeldt.
2. Een Staat die Partij is wordt niet vanwege zijn opzegging ontslagen van de in dit Verdrag vervatte verplichtingen welke los van dit Verdrag ingevolge het internationale recht op hem zouden rusten.
2. Een Staat die Partij is wordt niet vanwege zijn opzegging ontslagen van de in dit Verdrag vervatte verplichtingen welke los van dit Verdrag ingevolge het internationale recht op hem zouden rusten.
Art. 37. Dénonciation.
1. Un Etat Partie peut dénoncer le présent Accord par voie de notification écrite adressée au Secrétaire général. La dénonciation prend effet un an après la date de réception de la notification, à moins que celle-ci ne prévoie une date ultérieure.
2. La dénonciation n'affecte en rien le devoir de tout Etat Partie de remplir toute obligation énoncée dans le présent Accord à laquelle il serait soumis en vertu du droit international indépendamment du présent Accord.
1. Un Etat Partie peut dénoncer le présent Accord par voie de notification écrite adressée au Secrétaire général. La dénonciation prend effet un an après la date de réception de la notification, à moins que celle-ci ne prévoie une date ultérieure.
2. La dénonciation n'affecte en rien le devoir de tout Etat Partie de remplir toute obligation énoncée dans le présent Accord à laquelle il serait soumis en vertu du droit international indépendamment du présent Accord.
Art. 38. Depositaris.
De Secretaris-Generaal is de depositaris van dit Verdrag.
De Secretaris-Generaal is de depositaris van dit Verdrag.
Art. 38. Dépositaire.
Le Secrétaire général est le dépositaire du présent Accord.
Le Secrétaire général est le dépositaire du présent Accord.
Art. 39. Authentieke teksten.
Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
Art. 39. Textes faisant foi.
L'original du présent Accord, dont les textes anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe font également foi, est déposé auprès du Secrétaire général.
En foi de quoi, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord.
L'original du présent Accord, dont les textes anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe font également foi, est déposé auprès du Secrétaire général.
En foi de quoi, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Lijst van de Lid-Staten.
Art. N1. Liste des Etats liés.
Staten Datum Type Datum
authentificatie instemming instemming
- - - -
ANDORRA 21/06/2004 Bekrachtiging 11/02/2005
ARGENTINIE 07/10/2002
BAHAMAS, DE 30/06/2004
BELGIE 11/09/2002 Bekrachtiging 28/03/2005
BELIZE 26/09/2003
BENIN 10/09/2002
BOLIVIE 23/03/2004
BRAZILIE 17/05/2004
BULGARIJE 02/05/2003
BURKINA FASO 07/05/2004
CANADA 30/04/2004 Bekrachtiging 22/06/2004
COLOMBIE 18/12/2003
COSTA-RICA 16/09/2002
CYPRUS 10/06/2003
DENEMARKEN 13/09/2002
DUITSLAND 14/07/2003 Bekrachtiging 02/09/2004
EQUADOR 26/09/2002
ESTLAND 27/06/2003 Bekrachtiging 13/09/2004
FINLAND 10/09/2002 Aanvaarding 08/12/2004
FRANKRIJK 10/09/2002 Goedkeuring 17/02/2004
GHANA 12/09/2003
GRIEKENLAND 25/09/2003
VERENIGD KONINKRIJK 10/09/2002
GUINEE 01/04/2004
HONGARIJE 10/09/2002
IERLAND 09/09/2003
IJSLAND 10/09/2002 Bekrachtiging 01/12/2003
ITALIE 10/09/2002
JAMAICA 30/06/2004
JORDANIE 28/06/2004
KOREA (REP.) 28/06/2004
KROATIE 23/09/2003 Bekrachtiging 17/12/2004
LETLAND 29/06/2004 Bekrachtiging 23/12/2004
LICHTENSTEIN Toetreding 21/09/2004
LITOUWEN 25/05/2004 Bekrachtiging 30/12/2004
LUXEMBURG 10/09/2002
MADAGASCAR 12/09/2002
MALI 20/09/2002 Bekrachtiging 08/07/2004
MONGOLIE 04/02/2003
NAMIBIE 10/09/2002 Bekrachtiging 29/01/2004
NEDERLAND 11/09/2003
NIEUW-ZEELAND 22/10/2002 Bekrachtiging 14/04/2004
NOORWEGEN 10/09/2002 Bekrachtiging 10/09/2002
OOSTENRIJK 10/09/2002 Bekrachtiging 17/12/2003
PANAMA 14/04/2003 Bekrachtiging 16/08/2004
PARAGUAY 11/02/2004
PERU 10/09/2002
POLEN 30/06/2004
PORTUGAL 10/12/2002
ROEMENIE 30/06/2004
SENEGAL 19/09/2002
SERVIE-MONTENEGRO 18/07/2003 Bekrachtiging 07/05/2004
SIERRA LEONE 26/09/2003
SLOVAKIJE 19/12/2003 Bekrachtiging 26/05/2004
SLOVENIE 25/09/2003 Bekrachtiging 23/09/2004
SPANJE 21/04/2003
TANZANIA 27/01/2004
TRINIDAD EN TOBAGO 10/09/2002 Bekrachtiging 06/02/2003
UGANDA 07/04/2004
URUGUAY 30/06/2004
VENEZUELA 16/07/2003
ZWEDEN 19/02/2004 Bekrachtiging 13/01/2005
ZWITSERLAND 10/09/2002
authentificatie instemming instemming
- - - -
ANDORRA 21/06/2004 Bekrachtiging 11/02/2005
ARGENTINIE 07/10/2002
BAHAMAS, DE 30/06/2004
BELGIE 11/09/2002 Bekrachtiging 28/03/2005
BELIZE 26/09/2003
BENIN 10/09/2002
BOLIVIE 23/03/2004
BRAZILIE 17/05/2004
BULGARIJE 02/05/2003
BURKINA FASO 07/05/2004
CANADA 30/04/2004 Bekrachtiging 22/06/2004
COLOMBIE 18/12/2003
COSTA-RICA 16/09/2002
CYPRUS 10/06/2003
DENEMARKEN 13/09/2002
DUITSLAND 14/07/2003 Bekrachtiging 02/09/2004
EQUADOR 26/09/2002
ESTLAND 27/06/2003 Bekrachtiging 13/09/2004
FINLAND 10/09/2002 Aanvaarding 08/12/2004
FRANKRIJK 10/09/2002 Goedkeuring 17/02/2004
GHANA 12/09/2003
GRIEKENLAND 25/09/2003
VERENIGD KONINKRIJK 10/09/2002
GUINEE 01/04/2004
HONGARIJE 10/09/2002
IERLAND 09/09/2003
IJSLAND 10/09/2002 Bekrachtiging 01/12/2003
ITALIE 10/09/2002
JAMAICA 30/06/2004
JORDANIE 28/06/2004
KOREA (REP.) 28/06/2004
KROATIE 23/09/2003 Bekrachtiging 17/12/2004
LETLAND 29/06/2004 Bekrachtiging 23/12/2004
LICHTENSTEIN Toetreding 21/09/2004
LITOUWEN 25/05/2004 Bekrachtiging 30/12/2004
LUXEMBURG 10/09/2002
MADAGASCAR 12/09/2002
MALI 20/09/2002 Bekrachtiging 08/07/2004
MONGOLIE 04/02/2003
NAMIBIE 10/09/2002 Bekrachtiging 29/01/2004
NEDERLAND 11/09/2003
NIEUW-ZEELAND 22/10/2002 Bekrachtiging 14/04/2004
NOORWEGEN 10/09/2002 Bekrachtiging 10/09/2002
OOSTENRIJK 10/09/2002 Bekrachtiging 17/12/2003
PANAMA 14/04/2003 Bekrachtiging 16/08/2004
PARAGUAY 11/02/2004
PERU 10/09/2002
POLEN 30/06/2004
PORTUGAL 10/12/2002
ROEMENIE 30/06/2004
SENEGAL 19/09/2002
SERVIE-MONTENEGRO 18/07/2003 Bekrachtiging 07/05/2004
SIERRA LEONE 26/09/2003
SLOVAKIJE 19/12/2003 Bekrachtiging 26/05/2004
SLOVENIE 25/09/2003 Bekrachtiging 23/09/2004
SPANJE 21/04/2003
TANZANIA 27/01/2004
TRINIDAD EN TOBAGO 10/09/2002 Bekrachtiging 06/02/2003
UGANDA 07/04/2004
URUGUAY 30/06/2004
VENEZUELA 16/07/2003
ZWEDEN 19/02/2004 Bekrachtiging 13/01/2005
ZWITSERLAND 10/09/2002
Etats Date Type de Date
authentification consentement consentement
- - - -
ALLEMAGNE 14/07/2003 Ratification 02/09/2004
ANDORRE 21/06/2004 Ratification 11/02/2005
ARGENTINE 07/10/2002
AUTRICHE 11/09/2002 Ratification 17/12/2003
BAHAMAS 30/06/2004
BELGIQUE 10/09/2002 Ratification 28/03/2005
BELIZE 26/09/2003
BENIN 10/09/2002
BOLIVIE 23/03/2004
BRESIL 17/05/2004
BULGARIE 02/05/2003
BURKINA FASO 07/05/2004
CANADA 30/04/2004 Ratification 22/06/2004
CHYPRE 10/06/2003
COLOMBIE 18/12/2003
COREE (REP.) 28/06/2004
COSTA-RICA 16/09/2002
CROATIE 23/09/2003 Ratification 17/12/2004
DANEMARK 13/09/2002
EQUATEUR 26/09/2002
ESPAGNE 21/04/2003
ESTONIE 27/06/2003 Ratification 13/09/2004
FINLANDE 10/09/2002 Acceptation 08/12/2004
FRANCE 10/09/2002 Approbation 17/02/2004
GHANA 12/09/2003
ROYAUME UNI 10/09/2002
GRECE 25/09/2003
GUINEE 01/04/2004
HONGRIE 10/09/2002
IRLANDE 09/09/2003
ISLANDE 10/09/2002 Ratification 01/12/2003
ITALIE 10/09/2002
JAMAIQUE 30/06/2004
JORDANIE 28/06/2004
LETTONIE 29/06/2004 Ratification 23/12/2004
LIECHTENSTEIN Adhesion 21/09/2004
LITUANIE 25/05/2004 Ratification 30/12/2004
LUXEMBOURG 10/09/2002
MADAGASCAR 12/09/2002
MALI 20/09/2002 Ratification 08/07/2004
MONGOLIE 04/02/2003
NAMIBIE 10/09/2002 Ratification 29/01/2004
NORVEGE 10/09/2002 Ratification 10/09/2002
NOUVELLE-ZELANDE 22/10/2002 Ratification 14/04/2004
OUGANDA 07/04/2004
PANAMA 14/04/2003 Ratification 16/08/2004
PARAGUAY 11/02/2004
PAYS-BAS 11/09/2003
PEROU 10/09/2002
POLOGNE 30/06/2004
PORTUGAL 10/12/2002
ROUMANIE 30/06/2004
SENEGAL 19/09/2002
SERBIE-ET-MONTENEGRO 18/07/2003 Ratification 07/05/2004
SIERRA LEONE 26/09/2003
SLOVAQUIE 19/12/2003 Ratification 26/05/2004
SLOVENIE 25/09/2003 Ratification 23/09/2004
SUEDE 19/02/2004 Ratification 13/01/2005
SUISSE 10/09/2002
TANZANIE 27/01/2004
TRINIDAD ET TOBAGO 10/09/2002 Ratification 06/02/2003
URUGUAY 30/06/2004
VENEZUELA 16/07/2003
authentification consentement consentement
- - - -
ALLEMAGNE 14/07/2003 Ratification 02/09/2004
ANDORRE 21/06/2004 Ratification 11/02/2005
ARGENTINE 07/10/2002
AUTRICHE 11/09/2002 Ratification 17/12/2003
BAHAMAS 30/06/2004
BELGIQUE 10/09/2002 Ratification 28/03/2005
BELIZE 26/09/2003
BENIN 10/09/2002
BOLIVIE 23/03/2004
BRESIL 17/05/2004
BULGARIE 02/05/2003
BURKINA FASO 07/05/2004
CANADA 30/04/2004 Ratification 22/06/2004
CHYPRE 10/06/2003
COLOMBIE 18/12/2003
COREE (REP.) 28/06/2004
COSTA-RICA 16/09/2002
CROATIE 23/09/2003 Ratification 17/12/2004
DANEMARK 13/09/2002
EQUATEUR 26/09/2002
ESPAGNE 21/04/2003
ESTONIE 27/06/2003 Ratification 13/09/2004
FINLANDE 10/09/2002 Acceptation 08/12/2004
FRANCE 10/09/2002 Approbation 17/02/2004
GHANA 12/09/2003
ROYAUME UNI 10/09/2002
GRECE 25/09/2003
GUINEE 01/04/2004
HONGRIE 10/09/2002
IRLANDE 09/09/2003
ISLANDE 10/09/2002 Ratification 01/12/2003
ITALIE 10/09/2002
JAMAIQUE 30/06/2004
JORDANIE 28/06/2004
LETTONIE 29/06/2004 Ratification 23/12/2004
LIECHTENSTEIN Adhesion 21/09/2004
LITUANIE 25/05/2004 Ratification 30/12/2004
LUXEMBOURG 10/09/2002
MADAGASCAR 12/09/2002
MALI 20/09/2002 Ratification 08/07/2004
MONGOLIE 04/02/2003
NAMIBIE 10/09/2002 Ratification 29/01/2004
NORVEGE 10/09/2002 Ratification 10/09/2002
NOUVELLE-ZELANDE 22/10/2002 Ratification 14/04/2004
OUGANDA 07/04/2004
PANAMA 14/04/2003 Ratification 16/08/2004
PARAGUAY 11/02/2004
PAYS-BAS 11/09/2003
PEROU 10/09/2002
POLOGNE 30/06/2004
PORTUGAL 10/12/2002
ROUMANIE 30/06/2004
SENEGAL 19/09/2002
SERBIE-ET-MONTENEGRO 18/07/2003 Ratification 07/05/2004
SIERRA LEONE 26/09/2003
SLOVAQUIE 19/12/2003 Ratification 26/05/2004
SLOVENIE 25/09/2003 Ratification 23/09/2004
SUEDE 19/02/2004 Ratification 13/01/2005
SUISSE 10/09/2002
TANZANIE 27/01/2004
TRINIDAD ET TOBAGO 10/09/2002 Ratification 06/02/2003
URUGUAY 30/06/2004
VENEZUELA 16/07/2003
Art. N2. (Dit Verdrag treedt voor België in werking op 27 april 2005.)
Art. N2. (Cet Accord entre en vigueur pour la Belgique en date du 27 avril 2005.)