Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
22 JULI 2005. - Omzendbrief BA 2005/04. - Instructies voor het opstellen van de begrotingen, budgetten en meerjarenplannen voor 2006 van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest.
Titre
22 JUILLET 2005. - Circulaire BA 2005-04 directives pour l'établissement des budgets et des plans pluriannuels pour 2006 pour les communes et les centres publics d'aide sociale de la région flamande. (Traduction).
Table des matières
Table des matières
Tekst (4)
Texte (1)
Artikel M. Deze omzendbrief bevat de instructies voor de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het opstellen van hun begrotingen, budgetten en meerjarenplannen voor het jaar 2006. Die instructies zijn gemeenschappelijk voor beide besturen.
  Het eerste en tweede deel van de omzendbrief bevatten richtlijnen die specifiek zijn voor respectievelijk de begrotingen en het financieel meerjarenplan van de gemeente, en het meerjarenplan en de budgetten van het OCMW.
  Het derde deel omvat enkele gemeenschappelijke instructies voor beide lokale besturen.
  Op 6 juli 2005 keurde het Vlaams Parlement het nieuwe Gemeentedecreet goed. Een aantal artikelen treedt al in werking vanaf 1 januari 2006. Het betreft de artikelen die betrekking hebben op de algemene bepalingen, het toepassingsgebied van het personeel, de berekening van termijnen, de afwijking van het domeinrecht, de gemeentewegen, het optreden in rechte, het bestuurlijk toezicht en de schrijfwijze van de naam van de gemeente. De invoering van het mandaatsysteem (artikel 308) kan al vanaf de datum van publicatie van het Gemeentedecreet in het Belgisch Staatsblad.
  Voor het financiële luik blijven de huidige regels gelden, totdat de noodzakelijke besluiten tot uitvoering van het Gemeentedecreet zijn getroffen.
  Op 8 oktober 2006 vinden ook de verkiezingen plaats voor de vernieuwing van de provincieraden, de gemeenteraden en districtsraden. In die context verzoek ik de gemeentelijke overheden en de OCMW-overheden om in 2006 tot aan de installatie van de nieuwe raden met de nodige voorzichtigheid op te treden en geen beslissingen te nemen die het beleid van de nieuwe raden zwaar zouden hypothekeren of de toekomstige ontwikkeling van de financiën in belangrijke mate zouden verstoren. Vooral bij de aanwerving van personeel, bij belangrijke wijzigingen van de personeelsformatie en bij de vaststelling van nieuwe investeringen moeten de besturen de nodige voorzichtigheid in acht nemen.
  I. INSTRUCTIES VOOR DE BEGROTINGEN EN MEERJARENPLANNING VOOR DE GEMEENTEN.
  A. ALGEMENE INSTRUCTIES.
  1. De totstandkoming van de gemeentebegroting.
  1.1. Tijdige behandeling in de gemeenteraad.
  Artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet legt het college van burgemeester en schepenen de verplichting op om de begroting en de bijlagen erbij uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering waarin ze wordt behandeld, aan alle raadsleden te bezorgen. Artikel 241 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat die behandeling ieder jaar plaatsvindt op de eerste maandag van oktober.
  Het is belangrijk om vanaf het begin van het jaar over een uitvoerbare begroting te beschikken, onder meer wegens :
  - de beperking tot het strikte minimum van het gebruik van voorlopige kredieten (voorlopige twaalfden);
  - de tijdige goedkeuring van de belastingverordeningen en de vaststelling van de aanslagvoeten van de aanvullende belasting op de personenbelasting en van de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Alleen dan kan de inkohiering en de inning van de belastingen zonder vertraging worden aangevat en vermijden de gemeenten eventuele discussies over een invoering met terugwerkende kracht.
  1.2. Doorzending naar de toezichthoudende overheid.
  De gemeenten zenden de besluiten van de gemeenteraad betreffende de begroting en de begrotingswijzigingen samen met alle verplichte bijlagen naar de Vlaamse Regering en naar de provinciegouverneur, binnen een termijn van twintig dagen nadat ze zijn getroffen.
  Overeenkomstig artikel 7 van het decreet van 28 april 1993 is op de begrotingen van de gemeenten alleen het algemeen toezicht van toepassing, dat in eerste instantie door de gouverneur (Voor de gemeente Voeren zijn de regelingen opgenomen in artikel 241, § 2, artikel 244, § 1, en artikel 267 tot en met 269 van de Nieuwe Gemeentewet van toepassing.) wordt uitgeoefend. De begrotingen van de gemeenten die ter sanering van hun financiën leningen hebben aangegaan waaraan het Vlaamse gewest zijn waarborg heeft verleend, blijven onderworpen aan de expliciete goedkeuring van de Vlaamse regering (Op dit ogenblik gaat het alleen om de steden Antwerpen en Gent.).
  Ik verzoek de gouverneurs om onmiddellijk na de ontvangst van de begrotingen, na te gaan of de begrotingsdocumenten en alle vereiste bijlagen zorgvuldig werden opgemaakt.
  Als aan de bovenvermelde verplichtingen niet werd voldaan of als de begroting of de bijlagen niet behoorlijk werden ingevuld, zal de gouverneur de voorgelegde stukken onmiddellijk terugzenden of de ontbrekende stukken onmiddellijk opvragen. De in het decreet vastgestelde toezichttermijn van vijftig dagen neemt in beide gevallen geen aanvang. De toezichttermijn begint pas te lopen vanaf de ontvangst van het laatste ontbrekende stuk.
  1.3. Het exemplaar voor statistische verwerking van financiële informatie uit begrotingen en rekeningen.
  Het voor de Vlaamse Regering bestemde begrotingsexemplaar moet samen met de bijlagen gezonden worden naar de administratie Binnenlandse Aangelegenheden, Markiesgebouw, Markiesstraat 1, 1000 Brussel. De doorzending in elektronische vorm, ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 1998 tot regeling van de toezending van de besluiten van de gemeenteraad betreffende de begrotingen en rekeningen naar de Vlaamse Regering, geldt op dit ogenblik alleen voor de bestanden van de begrotingsrekening en de saldibalans. Die doorzending is van bijzonder belang om een algemeen beeld te behouden van de ontwikkeling van de gemeentelijke financiën. Ook de gemeenten zelf hebben daar alle belang bij, niet alleen beleidsmatig, maar ook omdat die informatie aan de basis ligt van het rapport over de gemeentelijke financiën dat de administratie Binnenlandse Aangelegenheden tweejaarlijks publiceert.
  De op te sturen computerbestanden moeten voldoen aan het protocol dat beschreven is in het bovengenoemde besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 1998. Die bestanden mogen doorgestuurd worden via het internet (binnenland@vlaanderen.be) of met de speciaal daartoe ontwikkelde applicatie van Dexia. Als beide kanalen niet mogelijk blijken, mag het gemeentebestuur de bestanden op een diskette met de post opsturen. Alle softwarehuizen hebben de nodige softwareaanpassingen uitgevoerd.
  Voor meer informatie kunt u terecht bij Tom Doesselaere (tel. 02-553 40 12, e-mail : tom.doesselaere@ewbl.vlaanderen.be), of bij Christel Claesen (tel. 02-553 39 85, e-mail: christel.claesen@ewbl.vlaanderen.be).
  Als bijlage II bij deze omzendbrief staan opmerkingen en richtlijnen voor de op te sturen bestanden, die voortvloeien uit de evaluatie ervan over de voorbije begrotingsrekeningen. Ik vraag de gemeenten om zo veel mogelijk rekening te houden met die richtlijnen.
  1.4. Het model van de begroting.
  De economische groepen mogen gerangschikt en getotaliseerd worden per functionele code, zowel aan de ontvangsten- als aan de uitgavenzijde. Hierdoor zijn de totale ontvangsten en uitgaven per functionele code duidelijk af te lezen.
  In de samenvattende tabel van de ontvangsten en de uitgaven mogen de functionele groepen uitgebreid worden zoals in het corpus van de begroting.
  De op te nemen leningen voor de financiering van de buitengewone uitgaven worden volledig als buitengewone ontvangst ingeschreven onder de functie 010 " openbare schuld ", maar met een opsplitsing per aard (naar gelang van de economische codes).
  Dat houdt ook in dat de intrest- en aflossingslasten, zowel van de opgenomen als van de op te nemen leningen, volledig worden opgenomen onder dezelfde functie 010 in de gewone uitgaven.
  Dat betekent tegelijk dat alleen het onderdeel " samenvatting van de leningen " aan het einde van tabel 7 " tabel van de gemeenteleningen " wordt behouden als bijlage bij de begroting. De volledige tabel van de gemeenteleningen (inclusief het onderdeel onroerende leasing) moet uiteraard ter inzage van de raadsleden liggen.
  1.5. Bij de begroting te voegen bijlagen.
  Hieronder volgt de lijst van de tabellen en bijlagen die integraal deel uitmaken van de begrotingsdocumenten en die, overeenkomstig artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet, aan alle gemeenteraadsleden moeten worden bezorgd, uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering waarin de gemeenteraad over de begroting beraadslaagt.
  Bijlage I bij deze omzendbrief bevat voor de gemeenten een controlelijst van alle documenten die bij de begroting moeten worden gevoegd.
  1.5.1. Overzicht van de tabellen bij de begroting.
  tabel 1 : De algemene gegevens betreffende de gemeente;
  tabel 6 : Programma van tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen;
  tabel 7 : Samenvatting van de leningen;
  tabel 8 : Evolutie van de gemeenteschuld.
  Opmerking bij tabel 8 " Evolutie van de gemeenteschuld ".
  Tabel 8 houdt, behalve met de leningen, ook rekening met alle lasten die met leasingovereenkomsten gepaard gaan, zowel met die uit het verleden als met die van nieuwe of nog te sluiten leasingovereenkomsten.
  Ingeval de gemeente leningen aangaat of heeft gesloten met verschillende financiële instellingen, moet de tabel van de gemeenteschuld vanzelfsprekend zo worden opgemaakt dat ze al die leningen bevat. Het in het verleden opgemaakte model moet daaraan worden aangepast.
  De structuur van de tabel blijft dezelfde, namelijk :
  - Saldo, nog terug te betalen op 1 januari;
  - Nieuwe leningen van het dienstjaar;
  - Bedrag, terugbetaald gedurende het dienstjaar;
  - Saldo, terug te betalen op 31 december;
  - Betaalde intresten;
  - Jaarlijkse last (bedrag, terugbetaald gedurende het dienstjaar + betaalde intresten),
  De besturen moeten de al bestaande tabel uitbreiden met elke nieuwe financiële instelling waarbij ze leningen hebben gesloten of nieuwe leningen zullen sluiten.
  Tot slot worden de gegevens van alle financiële instellingen getotaliseerd, uiteraard met behoud van de hierboven omschreven structuur.
  1.5.2. Het meerjarig financieel beleidsplan.
  De gemeenten werken al sedert 1990 met een meerjarig financieel beleidsplan. Veel gemeenten hanteren het beleidsplan echter onvoldoende als een echt beleidsinstrument maar beschouwen het veeleer als een extra verplichting. Ze starten met de opmaak van de begroting, waarna het meerjarenplan louter als een technische bijlage wordt opgesteld, waarin de prognoses en groeivoeten in die mate worden aangepast dat een evenwicht op langere termijn wordt verkregen.
  Het meerjarenplan moet uitgroeien tot een instrument dat het financieel beleid ondersteunt en dat nauwer aansluit bij de werkelijkheid. Ook in het nieuwe Gemeentedecreet wordt aan het meerjarenplan een cruciale rol toegekend. Daarom moeten de besturen voldoende aandacht besteden aan een doordachte opbouw van het financieel meerjarenplan. Het meerjarenplan moet inzicht verstrekken in de aard en de omvang van het voorgenomen beleid en de dienstverlening, de beoogde doelstellingen en de financiële gevolgen die aan de uitvoering verbonden zijn.
  1.5.2.1. Inhoud van het meerjarig financieel beleidsplan.
  Het financieel meerjarenplan dat bij de begroting voor 2006 wordt gevoegd, bevat op zijn minst de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009.
  Voor de gemeenten die met het oog op de sanering van hun financiën leningen hebben gesloten waaraan de gewestwaarborg wordt verleend, loopt de planning tot 2010 (enkel Antwerpen en Gent).
  De gemeenten zijn wettelijk verplicht het evenwicht te behouden, zowel van de begroting als van de meerjarenplanning.
  Overeenkomstig artikel 8 van het Toezichtdecreet van 28 april 1993 zal de gouverneur de uitvoering van de begroting schorsen als de begroting niet sluit of als uit het financieel meerjarenplan blijkt dat het toekomstige evenwicht niet behouden kan blijven.
  Bij twijfel of specifieke problemen bij de opmaak van de meerjarenplanning staan mijn administratie Binnenlandse Aangelegenheden en haar provinciale afdelingen, die de begrotingen beoordelen, ter beschikking van de besturen.
  Ik wees al op het belang van de meerjarenplanning bij het tot stand komen van het financieel beleid. Opdat de gemeenteraad de financiële ontwikkeling van het bestuur met kennis van zaken zou kunnen beoordelen, moet het college van burgemeester en schepenen de raad voldoende toelichtingen en ondersteunend cijfermateriaal verstrekken bij de meerjarenplanning. In de toelichtingen wordt onder meer verduidelijkt welke hypotheses het bestuur hanteert. De stukken waarnaar in het meerjarenplan wordt verwezen en waarop bepaalde in het meerjarenplan ingeschreven cijfers zijn gebaseerd, worden bij voorkeur geheel of gedeeltelijk bij het meerjarenplan gevoegd. Ze moeten in elk geval kunnen worden ingezien. Ze zijn essentieel om een juiste beoordeling van de financiële ontwikkeling mogelijk te maken, zeker als de in de meerjarenplanning gebruikte stijgingspercentages afwijken van de ontwikkeling die in de begrotingsinstructies aanbevolen wordt.
  Een waardevolle beleidsplanning dwingt ook tot realistische ramingen op de buitengewone dienst. De financieringswijze van de investeringen en de vermoedelijke weerslag ervan op de gewone dienst van de begroting moeten duidelijk in de meerjarenplanning worden opgenomen. Het spreekt voor zich dat de inschrijvingen voor investeringen de gemeenten op geen enkele manier verbinden tot de werkelijke verwezenlijking ervan. Toch is het nuttig grote investeringsuitgaven en belangrijke nieuwe projecten bondig toe te lichten aan het einde van de rubriek.
  1.5.2.2. Het gebruik van prognoses in plaats van begrotingsramingen voor het inschatten van de financiële ontwikkeling.
  De besturen moeten bij het opstellen van hun financieel beleidsplan niet noodzakelijk uitgaan van de meest recente begrotingsramingen, maar kunnen ook gebruik maken van prognoses.
  Die prognoses bevatten de bedragen waarvan het bestuur, op grond van een overtuigende verantwoording, aanneemt dat zij wellicht als vastgesteld recht of als vastgelegde uitgave in de rekening zullen worden opgenomen.
  Het toepassen van prognoses gebaseerd op historische cijfers inzake de zogenaamde ongebruikte kredieten is, wat de uitgaven betreft, toegestaan voor de geraamde gewone uitgaven die betrekking hebben op de economische groepen personeel, werkingskosten en overdrachten (eigen dienstjaar).
  Daartoe berekent het bestuur voor die economische groepen telkens, over een redelijke periode van bijvoorbeeld vijf jaar, het gemiddelde percentage van de uitgaven die werkelijk zijn vastgelegd in verhouding tot de begrotingsramingen.
  Dat gebeurt door voor de laatste vijf dienstjaren enerzijds de initiële begrotingsramingen van het eigen dienstjaar en anderzijds de in de rekening " eigen dienstjaar " vastgelegde uitgaven per economische groep samen te tellen. Het quotiënt van de deling tussen het totaal van de vastgelegde uitgaven en het totaal van de begrotingskredieten geeft dan het percentage weer van de vastgelegde uitgaven tegenover de begrotingskredieten per economische groep.
  De prognoses 2006 worden vervolgens per economische groep verkregen door de berekende percentages te vermenigvuldigen met de respectieve totalen van de begrotingsramingen voor 2006.
  Voor de prognoses voor de volgende jaren worden de groeipercentages, elders vermeld in deze omzendbrief, toegepast vanaf de berekende prognose 2006.
  In de berekening van het percentage voor personeel worden de uitgaven voor onderwijzend personeel die ten laste komen van de hogere overheden, buiten beschouwing gelaten.
  Als de gemeente vaststelt dat een ander percentage dan het gemiddelde van de voorgaande jaren meer overeenstemt met de toekomstige realiteit, dan zal ze uiteraard dat meer realistische percentage hanteren voor de berekening van de prognoses en het gebruik ervan verduidelijken.
  Prognoses voor leningsuitgaven zijn alleen toegestaan als de gemeente de planning van de buitengewone dienst in kaart brengt en daaruit de verwachte werkelijke leningsuitgaven becijfert. De planning van de buitengewone dienst mag gebaseerd zijn op historische vaststellingen van de voorgaande dienstjaren, zowel voor de ongebruikte kredieten als voor de uitvoeringstermijnen.
  Als de gemeente in de becijfering gebruikmaakt van prefinanciering door beschikbare middelen, dan geeft ze op jaarbasis een berekening van de ontwikkeling van de thesaurie. De opbrengsten uit beleggingen en creditintresten die in het financieel beleidsplan onder de gewone ontvangsten zijn opgenomen, worden in dat geval verkregen door een realistisch percentage toe te passen op het rekenkundig gemiddelde van de berekende thesaurie bij het begin en het einde van het dienstjaar. Die informatie kan bij de begroting gevoegd worden ten behoeve van de gemeenteraadsleden. Daaruit zal ook blijken wanneer en hoeveel leningsgelden werkelijk zullen worden opgenomen, met daaraan gekoppeld de berekening van de nieuwe leningsuitgaven voor de jaren in kwestie.
  Door de techniek van de prognoses toe te passen komt het financieel beleidsplan veel dichter bij de begrotingsrekening. Er ontstaat bijgevolg een realistischer beeld van de ontwikkeling van de gemeentefinanciën.
  Het is dan ook van het allergrootste belang dat de gemeente ervoor zorgt dat in de samenvattende tabel " Overzicht van de financiële ontwikkeling " het saldo van het eigen dienstjaar niet op structurele wijze negatief wordt. Een permanent tekort op het eigen dienstjaar is op langere termijn niet houdbaar omdat het de financiële reserves van het bestuur aantast.
  1.5.3. Het verslag, vermeld in artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet.
  Het verslag bij het ontwerp van begroting bevat een synthese van het ontwerp van begroting. Het beschrijft bovendien het algemene en financiële beleid van de gemeente, geeft een overzicht van de toestand van het bestuur en van de gemeentezaken en verschaft eventueel andere nuttige informatie.
  Dat verslag bij het ontwerp van begroting is in de eerste plaats bestemd voor de beleidsverantwoordelijken zelf en is een hulpmiddel om inzicht te verwerven in het slagen of falen van de werking van de gemeente in het verleden en om hieruit de nodige conclusies te trekken voor het toekomstige beleid en beheer.
  In de tweede plaats moet het verslag een informatiebron zijn voor de bevolking en voor geïnteresseerde derden. De openbaarheid van bestuur is er in elk geval mee gebaat.
  Het verslag wordt opgemaakt op maat van de gemeente. Het moet wel in overeenstemming zijn met artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet. Dat houdt ook in dat het verslag aan de raad moet worden voorgelegd vóór de beraadslaging over de begroting. Dat betekent niet noodzakelijk dat beide documenten in dezelfde vergadering van de gemeenteraad moeten worden behandeld. Alleen de synthese van het ontwerp van begroting, dus niet het beschrijvend gedeelte, moet naar de toezichthoudende overheid worden gestuurd.
  1.5.4. Het advies van de begrotingscommissie.
  Het advies van de begrotingscommissie is eigenlijk een beheersinstrument aan de hand waarvan een betere begroting kan worden opgesteld. Het is beschreven in artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit. Het moet bij de begroting worden gevoegd en moet eveneens aan de toezichthoudende overheid worden bezorgd.
  De wettelijke vereisten voor dat advies moeten vanzelfsprekend worden gerespecteerd. Ze hebben betrekking op :
  - de samenstelling van de commissie : ten minste de secretaris, de ontvanger en een lid van het college;
  - de inhoud van het advies : de wettelijkheid en de te verwachten financiële weerslag.
  Het advies van de begrotingscommissie is niet noodzakelijk eenparig en de gemeenteraad kan ook, afhankelijk van eventuele specifieke behoeften in de gemeente en naast de personen, vermeld in artikel 12 van het Algemeen Reglement, andere commissieleden aanwijzen. Die bevoegdheid komt enkel en alleen de gemeenteraad toe, overeenkomstig artikel 120, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet.
  Als de gemeenteraad de begroting opnieuw vaststelt na schorsing door de gouverneur, moet het advies van de begrotingscommissie opnieuw worden ingewonnen.
  1.5.5. Het ontwerp van milieujaarprogramma.
  Het ontwerp van milieujaarprogramma is opgenomen in artikel 2.1.26 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid (Belgisch Staatsblad van 3 juni 1995), samen met het hierover uitgebrachte advies van de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur.
  Aangezien het gemeentelijke milieujaarprogramma pas uiterlijk op 1 april van het begrotingsjaar waarop het betrekking heeft, moet worden bezorgd aan de Vlaamse administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), is het mogelijk dat nog geen ontwerp beschikbaar is op het ogenblik dat het begrotingsontwerp voor goedkeuring wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. In dat geval wordt de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur om een advies gevraagd over de kredieten met betrekking tot milieu die opgenomen zijn in het begrotingsontwerp. Het gemeentelijk milieujaarprogramma zelf, het advies van de gemeentelijke adviesraad over het milieujaarprogramma en het advies over kredietwijzigingen die betrekking hebben op milieu, worden dan als bijlage bij de eerste begrotingswijziging na 1 april gevoegd.
  Deze instructie geldt alleen voor de gemeenten die met het Vlaamse Gewest een overeenkomst over het gemeentelijke milieu- en natuurbeleid hebben gesloten. Zodra er een ondertekende convenant bestaat, is het niet naleven van die instructie een grond voor schorsing van de begroting of van de desbetreffende begrotingswijziging.
  1.5.6. Advies van de raden voor cultuurbeleid.
  Overeenkomstig artikel 58 van het decreet van 13 juli 2001 houdende de organisatie van het overleg en de advisering van het gemeentelijke cultuurbeleid (Belgisch Staatsblad van 29 september 2001) is het advies van de raden voor cultuurbeleid over de opmaak van de gemeentelijke begroting niet langer verplicht. De adviezen van de cultuurraden zijn ook niet meer verplicht bij de goedkeuring van de subsidiereglementen of bij de nominatieve verdeling van de subsidies door de gemeenteraad.
  De adviesorganen kunnen uiteraard wel op eigen initiatief advies uitbrengen. In dat geval moeten de gemeenten bij het nemen van beslissingen eventuele afwijkingen van de uitgebrachte adviezen motiveren (artikel 60 van het decreet van 13 juli 2001).
  2. Begrotingswijzigingen.
  De gemeenten mogen hun begroting op om het even welk moment van het jaar wijzigen. Ik dring er echter op aan dat het aantal wijzigingen beperkt blijft. Veelvuldige en omvangrijke begrotingswijzigingen wijzen op een onzorgvuldige opmaak van de oorspronkelijke begrotingsramingen.
  Als begrotingswijzigingen met betrekking tot hetzij de gewone dienst, hetzij de buitengewone dienst, invloed hebben op de andere dienst, dan moeten die begrotingswijzigingen gelijktijdig worden uitgevoerd.
  De besturen hebben er daarnaast alle belang bij hun laatste begrotingswijziging zo nauwkeurig mogelijk op te maken opdat de begrotingsrekening zo dicht mogelijk op de laatste begrotingscijfers aansluit. De geraamde rekeninguitslag in de volgende begroting is dan realistischer.
  Volgens artikel 15 van het Algemeen Reglement op de Gemeentecomptabiliteit zijn de begrotingswijzigingen onderworpen aan dezelfde procedures als de oorspronkelijke begroting. De toezichtregeling voor de begrotingen is onverkort van toepassing op de begrotingswijzigingen.
  Het meerjarig financieel beleidsplan wordt herwerkt als de begrotingswijziging een wezenlijke invloed heeft op de volgende dienstjaren. Dat kan onder meer het geval zijn doordat naar aanleiding van een begrotingswijziging het begrotingsresultaat van de laatste rekening in het beleidsplan wordt ingeschreven en daardoor het evenwicht in een of meer jaren niet meer kan worden gehandhaafd. Het evenwicht kan eveneens in gevaar komen bij bijvoorbeeld een belangrijke stijging van de personeelskosten of een aanzienlijke toename van het investeringsvolume.
  Ik verzoek de besturen ook om, als dat relevant is, bij de begrotingswijzigingen een aangepaste tabel 6 - programma van tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen - te voegen.
  3. Administratief toezicht op de gemeentebegrotingen.
  3.1. Uitoefening van het algemeen administratief toezicht.
  De begrotingen zijn alleen aan het algemeen administratief toezicht (Voor de gemeente Voeren zijn de regelingen, opgenomen in artikel 241, §2, artikel 244, §1 en artikel 267 tot en met 269 van de Nieuwe Gemeentewet van toepassing.) onderworpen. Als een gemeente voor de sanering van haar financiën leningen heeft aangegaan waaraan het Vlaamse Gewest zijn waarborg heeft verleend, geldt echter wel het goedkeuringstoezicht van de Vlaamse Regering (Vandaag gaat het uitsluitend om Antwerpen en Gent.).
  De gouverneurs zijn, krachtens artikel 8, § 1, van het Toezichtdecreet, verplicht om de uitvoering van de begroting of de begrotingswijziging te schorsen in de volgende gevallen :
  - als de gemeenteraad een begroting voorlegt met een deficitair saldo op de gewone of de buitengewone dienst of met een fictief evenwicht of fictief batig saldo of als uit het meerjarig financieel beleidsplan blijkt dat het evenwicht niet behouden kan blijven;
  - als de gemeenteraad ontvangsten of verplichte uitgaven, die volgens de wet gedurende het jaar waarop de begroting betrekking heeft ten gunste of ten laste van de gemeente komen, geheel of gedeeltelijk niet in de begroting heeft opgenomen;
  - als de gemeenteraad ontvangsten op de begroting brengt die gedurende het jaar waarop de begroting betrekking heeft geheel of gedeeltelijk niet aan de gemeente toekomen;
  - als de gemeenteraad onwettige uitgaven of ontvangsten in de begroting inschrijft.
  Daarnaast kan de gouverneur de begroting of de begrotingswijziging schorsen wegens schending van de wet of strijdigheid met het algemeen belang. Een schorsing om loutere opportuniteitsredenen is uitgesloten.
  De gouverneur kan de schorsing ook beperken tot een of meer artikelen of onderdelen van de begroting als dat het evenwicht van de begroting niet in gevaar brengt.
  De datum van ontvangst van de documenten die integraal deel uitmaken van de begroting of de begrotingswijziging, is bepalend voor de aanvang van de toezichttermijn van vijftig dagen. De termijn begint dus niet te lopen zolang de laatste verplichte bijlage niet werd ingestuurd.
  Een uitzondering hierop vormt het proces-verbaal van het sluiten van de aanplakkingsperiode. Overeenkomstig artikel 242 van de Nieuwe Gemeentewet wijst het college van burgemeester en schepenen op de mogelijkheid van inzage van de begroting (en rekening) door middel van aanplakbiljetten. Die biljetten worden aangebracht binnen een maand nadat de begroting (de rekening) door de gemeenteraad is aangenomen en blijven gedurende ten minste tien dagen hangen. Die volledige termijn (maximaal veertig dagen) strookt echter niet met de termijn van indiening van de begroting (of de begrotingswijziging) bij de gouverneur en de Vlaamse Regering, die in artikel 7 van het Toezichtdecreet is vastgesteld op twintig dagen. Als het proces-verbaal in kwestie niet bij de begroting is gevoegd, kan de toezichttermijn wel aanvangen. De gemeente moet wel vóór het verstrijken van de toezichttermijn van vijftig dagen het bewijs leveren dat ze voldaan heeft aan de bepalingen van artikel 242 van de Nieuwe Gemeentewet.
  Tegelijk wil ik er hier op wijzen dat het inzagerecht van de begroting niet in de tijd beperkt is. Artikel 242 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt uitdrukkelijk dat " de begrotingen en de rekeningen worden neergelegd op het gemeentehuis, waar eenieder er altijd ter plaatse kennis van kan nemen ".
  3.2. Tegensprekelijke procedure in geval van schorsing.
  De gemeenteraad spreekt zich gemotiveerd uit over de schorsing en stelt de begroting opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerd besluit naar de Vlaamse Regering (administratie Binnenlandse Aangelegenheden). Een afschrift van dat gemeenteraadsbesluit wordt dezelfde dag naar de provinciegouverneur gestuurd.
  De Vlaamse Regering spreekt zich vervolgens definitief uit over de begroting, binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst van de door de gemeenteraad opnieuw vastgestelde begroting. De Vlaamse Regering kan daarbij alle vereiste maatregelen nemen om het evenwicht van de begroting te herstellen en om wettelijk verplichte uitgaven in te schrijven of ontvangsten te schrappen.
  B. BIJZONDERE INSTRUCTIES.
  1. De fondsen.
  1.1. Het Gemeentefonds.
  Het nieuwe Gemeentefonds is in werking vanaf 1 januari 2003. Aangezien het niet alleen een basisfinanciering van de gemeenten maar ook van de OCMW's beoogt, worden hierover instructies verstrekt in punt 4 van de rubriek III Gemeenschappelijke instructies voor de gemeenten en OCMW's.
  1.2. Het Stedenfonds (Het Stedenfonds richt zich, naast de Vlaamse Gemeenschapscommissie, enkel op de grootsteden Antwerpen en Gent en op de regionale steden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout.).
  Het Vlaams Stedenfonds is in werking getreden op 1 januari 2003.
  Voor de opname van de trekkingsrechten in de begroting en de boekhoudkundige verwerking ervan verwijs ik naar de omzendbrief BA-2003/11 van 5 december 2003 inzake Stedenbeleid (Jaarlijkse administratieve controle van de financiële verrichtingen in het kader van de beleidsovereenkomst - Overdracht van niet-vastgelegde trekkingsrechten) (Belgisch Staatsblad van 16 januari 2004). De instructies in die omzendbrief zijn alleen van toepassing op de steden, vermeld in de voetnoot (en de Vlaamse Gemeenschapscommissie).
  2. Fiscaliteit.
  2.1. De aanvullende belasting op de personenbelasting (APB).
  2.1.1. Goedkeuring en doorsturing van de aanslagvoeten.
  Net zoals de opcentiemen op de onroerende voorheffing moet ook de aanvullende belasting op de personenbelasting jaarlijks opnieuw worden goedgekeurd door de gemeenteraad wegens het overwegend belang van beide belastingen voor het begrotingsevenwicht en wegens hun koppeling aan basisbelastingen, die ook jaarlijks worden goedgekeurd door het Vlaamse of federale parlement.
  De gemeentebesturen hebben er alle belang bij om de besluiten betreffende de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing zo vlug mogelijk aan de provinciegouverneur te bezorgen. Voor de aanvullende belasting doet de gemeenteraad er zelfs goed aan om de aanslagvoet al goed te keuren vóór 31 december van het jaar dat aan het aanslagjaar voorafgaat. Zo vermijdt men eventuele problemen van retroactiviteit (De rechtbank van eerste aanleg van Bergen heeft vorig jaar immers belastingaanslagen inzake de aanvullende personenbelasting betreffende het dienstjaar 2001 van de gemeente Lessen vernietigd wegens retroactiviteit omdat de beslissing pas genomen was op 23 februari 2001. De rechter oordeelde dat de belastbare toestand betreffende het aanslagjaar 2001 al een einde had genomen op 31 december 2000. Dat is volgens hem de uiterste datum waarop de belastingschuld is ontstaan. De voor een aanslagjaar verschuldigde belasting wordt inderdaad gevestigd op het inkomen van het vorige jaar (artikel 200 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen). Aangezien de gemeente Lessen beroep heeft aangetekend tegen het vonnis betreft het nog geen definitieve uitspraak. Toch is het niet uitgesloten dat deze uitspraak in beroep bevestigd zal worden.).
  2.1.2. Dienstjaar = aanslagjaar.
  " Aanslagjaar " is de term die gebruikt wordt voor federale belastingen, terwijl er in gemeentelijke belastingverordeningen sprake is van " dienstjaar ". Beide begrippen slaan echter op hetzelfde jaar (artikel 238 van de Nieuwe Gemeentewet definieert het financiële dienstjaar als het burgerlijk jaar en artikel 359 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen definieert het aanslagjaar als het jaar dat begint op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31ste december). Overeenkomstig artikel 200 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt de personenbelasting, met inbegrip van de aanvullende gemeentebelasting, gevestigd op het inkomen van het jaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar (en dat dus ook voorafgaat aan het dienstjaar).
  Om mogelijke begripsverwarring verder uit te sluiten doen de gemeenten er goed aan om hun belastingverordening betreffende de vaststelling van de aanvullende personenbelasting aan te vullen als volgt :
  " Er wordt voor het dienstjaar 2006 een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van dat dienstjaar.
  De belasting wordt vastgesteld op... % van het volgens artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 berekende gedeelte van de personenbelasting die aan het rijk verschuldigd is voor hetzelfde dienstjaar. Het dienstjaar is hetzelfde als het aanslagjaar volgens de terminologie die gebruikt wordt in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. Die belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het dienstjaar voorafgaande jaar, dus in 2005 (dienstjaar min 1). "
  2.1.3. Raming van de opbrengst.
  De door de federale overheidsdienst Financiën geraamde opbrengst voor 2006 wordt normaal in oktober 2005 aan de gemeenten meegedeeld. De gemeenten schrijven die bedragen in hun begroting in.
  De federale belastinghervorming, die in 2001 werd ingezet, bereikt in 2006 haar volle effect.
  De gemeentelijke ontvangsten reageren met ongeveer een jaar vertraging ten opzichte van het eigenlijke aanslagjaar op wijzigingen in de regelgeving.
  Voor de begrotingsjaren 2006 en 2007 wordt het cumulatieve effect van de belastinghervorming op de gemeentelijke ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting, bij gelijke aanslagvoeten en onafhankelijk van de economische groei, geraamd op ongeveer -11,02 % (Gebaseerd op ramingen van het federale kabinet van Begroting en simulaties van de VVSG. Er wordt geen rekening gehouden met de vermindering van de aangerekende administratiekosten tot 1 % vanaf 2003.).
  Hoe groot de werkelijke minderontvangsten bij gelijke gemeentelijke aanslagvoeten zullen zijn, hangt echter sterk af van de hypothesen die men maakt over de spontane jaarlijkse groei van de belastingontvangsten.
  De volgende tabel geeft het geraamde effect weer van de belastinghervorming op de gemeentelijke ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting bij gelijke aanslagvoeten en verschillende groeiscenario's (2001 = 100) (Cf. vorige voetnoot).
Article M. (Pas de version française, voir version néerlandaise).
              1,5 %        2,0 %        2,5 %        3,0 %          4 %
  2001       100,00       100,00       100,00       100,00       100,00
  2002       101,50       102,00       102,50       103,00       104,00
  2003       102,77       103,78       104,80       105,83       107,89
  2004       102,79       104,32       105,86       107,42       110,58
  2005       100,61       102,61       104,64       106,69       110,90
  2006        95,85        98,24       100,67       103,15       108,25
  2007        97,29       100,20       103,19       106,24       112,58
-
  De gemeenten kunnen zelf beslissen of ze de federale overheid willen volgen in de vermindering van de fiscale druk op de arbeid of een andere richting kiezen.
  De gemeenten kunnen de verminderde ontvangsten compenseren door hun eigen aanslagvoeten op te trekken. Dat betekent niet noodzakelijk dat de lokale fiscale druk verhoogt, maar wel dat de gemeenten voor hun aandeel de belastingvermindering niet volgen en over dezelfde ontvangsten inzake de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting willen blijven beschikken.
  De gemeenten die op het ogenblik dat ze hun begroting opmaken, nog niet beschikken over de door de federale overheidsdienst Financiën verstrekte raming van de netto-opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting voor 2006, gaan uit van de voor 2005 verstrekte raming en houden dan achtereenvolt de spontane jaarlijkse groei, de geraamde inkomstenvermindering ten gevolge van de federale belastinghervorming en de effecten van een eventuele wijziging van de gemeentelijke aanslagvoet inzake de personenbelasting voor het aanslagjaar 2005. De besturen mogen in dat geval voor hun begrotingsramingen 2006 uitgaan van een spontane jaarlijkse groei van 3 %. Als ze een ander groeipercentage willen gebruiken, verstrekken ze daarvoor een gemotiveerde en cijfermatige verantwoording.
  De administratiekosten op de aanvullende personenbelasting die de staat voor de gemeenten int, bedragen 1 % sinds 2003. In het meerjarenplan houden de besturen voor de jaren 2006-2007 eveneens rekening met de bovenvermelde elementen.
  Daar de effecten van de federale belastingshervorming vanaf 2008 volledig doorgerekend zijn, mag men vanaf 2008 rekening houden met een globale groei van de belastingontvangsten met 3 %.
  Een voorbeeld :
  als de raming van de federale overheidsdienst Financiën voor het begrotingsjaar 2005 1 000 000 euro bedraagt en de spontane jaarlijkse groei 3 % is, worden de ramingen voor 2006-2007 als volgt verkregen :
  raming 2006 = (1 000 000/106,69) x 103,15 = 966 819,76 euro;
  raming 2007 = (1 000 000/106,69) x 106,24 = 995 782,17 euro.
  Als het bestuur op het ogenblik van de begrotingsopmaak al beschikt over de raming van de federale overheidsdienst Financiën voor 2006, wordt de raming van de netto-opbrengst voor 2007 als volgt bepaald : (raming 2006/103,15) x 106,24. Vanaf 2008 wordt op de raming van het voorgaande jaar een groei van 3 % toegepast : raming 2008 = raming 2007 x 1,03.
  Ik wens verder te benadrukken dat de opgegeven groeipercentages gemiddelden zijn, gebaseerd op de gegevens waarover de administratie op dit ogenblik beschikt en dat die gegevens, vooral inzake de meerjarenplanning, evolueren in de tijd.
  Als bovendien de federale overheidsdienst Financiën in de loop van 2006 andere ramingen of een prognose van de vermoedelijke ontvangsten meedeelt, kunnen de gemeenten, behoudens andere instructies, die aangepaste ramingen verwerken naar aanleiding van een begrotingswijziging.
  2.1.4. Wijzigingen van de aanslagvoet voor de aanvullende personenbelasting.
  Als een gemeente haar aanslagvoet inzake de aanvullende personenbelasting verhoogt of verlaagt, vraagt ze aan de federale overheidsdienst Financiën een raming van de te verwachten meer- of minderopbrengsten.
  Als de gemeente niet (tijdig) beschikt over die raming, dan wordt in het meerjarig beleidsplan de weerslag van de wijziging voor 100 % doorgerekend in het jaar dat volgt op het aanslagjaar waarvoor de aanslagvoet werd gewijzigd.
  Stellen we bijvoorbeeld dat een gemeente een aanpassing doorvoert voor het aanslagjaar 2006 (inkomsten 2005). De belastingplichtige heeft dan tijd tot eind juni 2006 om de aangifte inzake de personenbelasting in te dienen. De eerste inkohieringen gebeuren op zijn vroegst vanaf oktober 2006. De belastingplichtige heeft dan twee maanden de tijd, na de toezending van het aanslagbiljet, om zijn belastingschuld te vereffenen of krijgt op het einde van de tweede maand die volgt op de maand na de uitvoerbaarverklaring van het kohier, de te veel betaalde personenbelasting en de aanvullende personenbelasting terug. Dat gebeurt dus ten vroegste in december 2006. De federale overheid heeft dan één maand de tijd om de doorstorting aan de gemeenten uit te voeren. Dat betekent dat de eerste doorstortingen op zijn vroegst in januari 2007 gebeuren. Bijgevolg zal de gemeente van de aanpassing van de aanslagvoet in het jaar van de aanpassing zelf geen effecten ondervinden.
  Omdat de federale overheid maar tot eind juni 2007 een rechtsgeldige aanslag kan vestigen, zal het effect van de aanpassing zich voor 100 % voltrekken in het jaar 2007, rekening houdend met de betalingstermijn voor de belastingplichtige (twee maanden) en de doorstortingstermijn voor de staat (één maand).
  2.2. De opcentiemen op de onroerende voorheffing (OOV).
  2.2.1. Goedkeuring en doorsturing van de aanslagvoeten.
  Ik verzoek de gemeenten nadrukkelijk om zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 maart 2006 het aantal opcentiemen mee te delen aan de administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19, bus 6, 1210 Brussel.
  Dat houdt in dat de gemeenteraadsbeslissingen hierover tijdig moeten worden bezorgd aan de provinciegouverneur, die in eerste instantie het administratief toezicht erop uitoefent. De gemeenten moeten in dat opzicht rekening houden met een termijn van vijftig dagen, waarbinnen de gemeenteraadsbeslissing kan worden geschorst. Die termijn gaat in de dag nadat het besluit bij de gouverneur is ingekomen.
  Daarnaast moeten de besturen het bedrag aan geraamde ontvangsten inzake de opcentiemen op de onroerende voorheffing uiterlijk op 15 mei van het begrotingsjaar in kwestie meedelen aan de bovenvermelde administratie. De voorschotten in het kader van de inning van de OOV worden namelijk berekend op 95 % van de door de gemeenten meegedeelde geraamde jaarontvangsten in hun goedgekeurde begrotingen. Bij gebrek aan mededeling op die vervaldag wordt de berekening van de voorschotten gebaseerd op de jaarontvangsten die het Vlaamse Gewest voor het aanslagjaar in kwestie heeft geraamd (overeenkomstig artikel 29 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001).
  2.2.2. Raming van de opbrengst.
  De opbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor 2006 kan als volgt worden geraamd :
  (belastbaar KI 2005/belastbaar KI 2003) x netto-ontvangsten 2003 x 1,035 x (aantal opcentiemen 2006/aantal opcentiemen 2003). De kadastrale inkomens zijn niet geïndexeerd.
  In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, bij gelijkblijvende aanslagvoet, normaal op 2 %. Ook hier zijn afwijkende ramingen mogelijk, rekening houdend met eventuele voor de gemeente specifieke omstandigheden, op voorwaarde dat daarvoor een gemotiveerde toelichting wordt verstrekt.
  Als de gemeenten in opeenvolgende jaren een trapsgewijze verhoging van de aanslagvoet doorvoeren, passen ze eerst de vastgestelde indexatie toe en vervolgens de verhoging van de aanslagvoet.
  De administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zal in het najaar van 2005 aan elke gemeente per brief een individuele raming meedelen.
  2.2.3. De compensatie voor de derving van de opcentiemen op de onroerende voorheffing.
  Op de federale begroting wordt jaarlijks een krediet uitgetrokken ter compensatie van de derving van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor de gemeenten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing. Het gaat om de eigendommen, vermeld in artikel 63 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (Belgisch Staatsblad van 17 januari 1989).
  Die compensatie is afhankelijk van de aard van de vrijgestelde eigendommen. Zo komen sinds 1994 de eigendommen van gemeenschappen en gewesten, van regionale instellingen van openbaar nut en van regionale overheidsbedrijven niet meer voor compensatie in aanmerking. Het bijzonder compensatiekrediet dekt ten minste 72 % van de niet-geïnde gemeentelijke opcentiemen.
  De koninklijke besluiten tot berekening en verdeling van het bijzonder krediet voor een bepaald jaar worden doorgaans tegen het einde van dat jaar uitgevaardigd.
  Als de gemeenten op het ogenblik van de opmaak van hun begroting al de compensatie kennen die voor 2005 is toegekend, schrijven ze datzelfde bedrag in voor 2006. Is dat niet het geval, dan behouden ze het voor 2004 ingeschreven bedrag.
  2.3. Heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen.
  Theoretisch zijn er drie mogelijkheden : een eigen belasting, opcentiemen op de gewestelijke heffing en een eigen, vervangende, belasting die, als ze aan bepaalde voorwaarden voldoet, ook de gewestelijke heffing vervangt.
  - De eigen belasting.
  De gemeenteraad bepaalt volledig zelf de modaliteiten van de belasting en het, de gemeentebestuur is zelf belast met de vaststelling van de leegstand of verwaarlozing, houdt zelf een inventaris bij, kohiert zelf in en int ook zelf. Eventuele bezwaren worden behandeld door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van provincie- en gemeentebelastingen.
  De opbrengsten van die belasting worden geboekt op artikel 040/367-15.
  - Opcentiemen op de gewestelijke heffing.
  Het innen van opcentiemen houdt, dus zijn in dat de uitvoeringsbepalingen van de belasting identiek zijn aan die van de basisheffing, zoals die bepaald zijn in het decreet van 22 december 1995 en de daaropvolgende wijzigingen.
  De gemeenten kunnen er wel voor opteren om te zorgen voor het inventarisbeheer.
  De vergoeding die de gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze bij de uitvoering van het bovenstaande dat decreet maken, wordt geboekt op artikel 040/465-01.
  De opbrengst van de opcentiemen wordt geboekt op artikel 040/377-02.
  De datum van ontvangst van die opbrengsten bepaalt het dienstjaar.
  Ik herinner eraan dat het decreet betreffende de leegstandsbelasting grondig gewijzigd werd door het bij decreet van 5 mei 2004. Praktische toepassingsmoeilijkheden maakten dat noodzakelijk. Het gewijzigde decreet en het bijbehorende uitvoeringsbesluit van 14 juli 2004 werden op 5 augustus 2004 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en traden op die datum ook in werking. Er wordt onder meer in bepaald dat de heffingsjaren 2002 en 2003 " als niet bestaande worden beschouwd ". Dat heeft tot gevolg dat er voor die jaren ook geen opcentiemen worden geïnd en dat de administratiekosten niet worden zijn vergoed. In de begroting 2006 kunnen met betrekking tot die heffingsjaren dan ook geen opbrengsten worden ingeschreven.
  - De vervangende eigen belasting.
  De gewijzigde regelgeving biedt de gemeenten de mogelijkheid om ter vervanging van de gewestelijke heffing voor hun grondgebied een eigen heffingsstelsel in te voeren. Daarvoor moeten de gemeenten wel voldoen aan verschillende voorwaarden, bepaald in artikel 25, tweede lid, van het gewijzigde decreet van 22 december 1995.
  Een eigen heffingsstelsel houdt in dat zowel de vaststelling van leegstand en verkrotting, het inventarisbeheer, het behandelen van de beroepen als de inning van de heffing volledig onder de gemeentelijke bevoegdheid vallen. Als voldaan wordt aan de in het decreet gestelde voorwaarden, zal het gewest beslissen om de gewestelijke heffing voor de gemeente op te heffen.
  Tot nu toe heeft er nog geen enkele gemeente gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
  De opbrengsten van deze belasting moeten eveneens geboekt worden op artikel 040/367-15.
  2.4. Het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag in gemeentebelastingen.
  In het arrest van de Raad van State van 18 maart 2003 betreffende de algemene gemeentebelasting van Lanaken, is geconcludeerd dat gemeentebelastingen waarin het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag is genomen, onverenigbaar zijn met artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.
  Ik herinner in dat verband aan de omzendbrief BA 2003/01 van 25 april 2003, waarin enkele mogelijke maatregelen staan opgesomd die gemeenten kunnen nemen indien ze een dergelijke belasting hadden.
  2.5. Andere gemeentebelastingen.
  Hiervoor verwijs ik naar de gecoördineerde omzendbrief BA 2004/03 van 14 juli 2004.
  3. Dividenden.
  3.1. Elia-heffing.
  3.1.1. Stand van zaken.
  Het koninklijk besluit van 20 april 2005 tot bepaling van de toewijzingsmodaliteiten van de federale bijdrage ingesteld tot compensatie van de inkomstenderving van de gemeenten ingevolge de liberalisering van de elektriciteitsmarkt en het ministerieel besluit van 13 mei 2005 tot uitvoering van voornoemd koninklijk besluit verschenen in het Belgisch Staatsblad van respectievelijk 17 en 18 mei 2005.
  Het koninklijk besluit bevat de regels op basis waarvan de federale compensatiebijdrage (de zogenaamde Eliaheffing) onder de gemeenten moet worden verdeeld.
  Op 3 juni 2005 ontvingen de gemeenten van de CREG de eerste twee voorschotten van de Eliaheffing. Het betrof voor alle Vlaamse gemeenten samen een totaal bedrag van 106,7 miljoen euro voor 2004 en 40,2 miljoen euro voor het eerste trimester van 2005.
  3.1.2. Inschrijving in de begroting 2006.
  Artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 april 2005 bepaalt dat het bedrag dat elke gemeente ontvangt, afhankelijk is van het aandeel in de winst voor de activiteit elektriciteit binnen de distributienetbeheerder(s) waarvan de gemeente deel uitmaakt. De geldende winstverdelingscriteria zijn die van het jaar waarop de federale compensatiebijdrage betrekking heeft.
  Aangezien de netbeheerders die gegevens aan de CREG moeten bezorgen, zijn de netbeheerders het best geplaatst om een benaderende raming te maken van het aandeel in de Elia-heffing dat aan iedere gemeente toekomt. De gemeenten voegen de door de netbeheerders verstrekte ramingen bij het begrotingsdocument.
  Voor het opstellen van de meerjarenplanning moet men er rekening mee houden dat in het koninklijk besluit van 20 april 2005 (artikel 2) de heffing als volgt wordt vastgesteld : 4,91 euro/MWh tot 1 juli 2007; 2,50 euro/MWh tot 1 juli 2010 en 0 euro/MWh vanaf 1 juli 2010.
  De ontvangsten worden ingeschreven op artikel 552/465-48 (AR 73405) van de gewone begroting, met als libellering : " Andere specifieke subsidies van de hogere overheden ".
  3.2. Raming dividenden elektriciteit, gas en kabeldistributie.
  Ook voor de dividenden elektriciteit, gas en eventueel kabeldistributie zullen de gemeenten de informatie bij de netbeheerders en bij de financieringsintercommunales opvragen om over de meest recente begrotingsramingen te beschikken. De gemeenten voegen de door hun intercommunales verstrekte ramingen bij het begrotingsdocument.
  Verder wil ik de besturen erop wijzen dat ze, ieder voor zich, bij het beoordelen van hun toekomstige ontvangsten uit de energiesector, rekening zullen moeten houden met de volgende elementen. Die gelden alleen voor de gemeenten die deel uitmaken van de gemengde netbeheerders.
  - Uiterlijk op 5 september 2006 (elektriciteit) en 18 oktober 2007 (aardgas) moet het kapitaalaandeel van de producenten of leveranciers van energie dalen tot ten hoogste 30 % (Elektriciteit : artikel 13 en 34 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit (Belgisch Staatsblad van 5 september 2001). Aardgas : artikel 13 en 57 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt (Belgisch Staatsblad van 18 oktober 2002).).
  Voor sommige gemeenten kan dat betekenen dat ze nog een aanzienlijke financiële inspanning moeten leveren voor de overname van de aandelen die nu in handen zijn van Electrabel. De financiële lasten die daarmee gepaard gaan, kunnen een negatieve weerslag hebben op de bedragen die vanaf 2007 in de gemeentekas zullen belanden.
  - De financiering van Electrabel-aandelen kan voor de gemeenten die tot op vandaag voor de aankoop ervan geen of onvoldoende opbrengsten hebben gereserveerd, na verloop van tijd tot een vermindering van gemeentelijke inkomsten aanleiding geven.
  4. De uitgaven van de gewone dienst.
  4.1. De personeelsuitgaven.
  Voor de algemene bepalingen verwijs ik naar rubriek III, punt 1, van deze omzendbrief.
  Ik vestig daarnaast de aandacht van de gemeentebesturen op de verplichting om, krachtens artikel 72 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, de lonen van het onderwijzend personeel die als tegenwaarde van de gewone toelagen rechtstreeks aan de belanghebbenden worden betaald, gelijktijdig als uitgave en als ontvangst te boeken.
  4.2. De werkingskosten.
  Voor de algemene groeicoëfficiënt verwijs ik naar rubriek III, punt 3, van deze omzendbrief.
  4.3. De overdrachten.
  4.3.1. De bijdrage aan het OCMW.
  Als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente. Die gemeentelijke bijdrage wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven. Dat is een wettelijke verplichting ingevolge artikel 106 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  De basisfinanciering voor het OCMW waarin het nieuwe decreet inzake het Vlaams Gemeentefonds vanaf 1 januari 2003 voorziet, verandert niets aan die verplichting.
  Aangezien alle OCMW's vanaf het jaar 1999 in principe een meerjarenplan moeten opmaken, schrijven de gemeenten in hun meerjarig beleidsplan dezelfde bedragen in als in het meerjarenplan van het OCMW, voorzover de bedragen beschikbaar zijn op het ogenblik dat de begroting wordt aangenomen.
  Omdat het meerjarig financieel beleidsplan voor de OCMW's loopt over minstens drie jaar (begrotingsjaar inbegrepen), worden, indien geen exacte cijfers in het meerjarenplan van het OCMW zijn opgenomen, voor de berekening van de bijdrage voor het vierde jaar de cijfers genomen van het derde jaar, vermeerderd met een realistisch percentage (dat onder meer rekening houdt met de evolutie van de personeelskosten, werkingskosten, enzovoort ...).
  Als het OCMW nog geen meerjarenplan heeft opgesteld, wordt de bijdrage van het vorige jaar ingeschreven en eveneens aangepast met een realistisch percentage.
  Zodra de bedragen van het OCMW bekend zijn, moeten die bij de eerstvolgende begrotingswijziging van de gemeente aangepast worden, zowel in de begroting als in het meerjarenplan.
  4.3.2. De ziekenhuistekorten.
  Het voor 2006 in te schrijven bedrag wordt gevormd door het tekort of de tekorten die waarschijnlijk in 2006 ambtshalve van de rekening van de gemeente worden afgehouden. Het bedrag wordt geraamd op basis van de gegevens, verstrekt door het openbaar ziekenhuis.
  De gemeenten die nog belangrijke ziekenhuistekorten van vorige jaren moeten vereffenen, mogen een voorschot van 90 % op het exploitatietekort toestaan en dat voorschot als een vastgelegde uitgave in de rekening boeken.
  In de meerjarenplanning wordt de ontwikkeling van de ziekenhuistekorten gemotiveerd.
  4.3.3. De gemeentelijke dotatie aan de politiezone.
  4.3.3.1. Raming van de gemeentelijke dotatie : overeenkomst tussen de politiebegroting en de gemeentebegroting.
  De lokale politie wordt niet uitsluitend gefinancierd met federale dotaties. De gemeentebesturen moeten de financiële middelen van de zones van de lokale politie aanvullen met een gemeentelijke dotatie.
  De gemeentelijke dotatie moet minimaal volstaan om de zone waar de gemeente deel van uitmaakt over voldoende middelen te laten beschikken zodat alle uitgaven kunnen worden gedekt die voortkomen uit de vervulling van haar wettelijk verplichte opdrachten.
  De regels voor de verdeling van de totale gemeentelijke dotatie binnen een meergemeentezone over de verschillende gemeenten van de zone, werden al herhaaldelijk vastgelegd in een koninklijk besluit, dat vervolgens door de Raad van State werd vernietigd. Op 20 april 2005 werd nogmaals een dergelijk besluit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het koninklijk besluit van 7 april 2005 houdende de nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de gemeentelijke dotaties in de schoot van een meergemeentepolitiezone beperkt zich opnieuw, in tegenstelling tot wat de titel laat vermoeden, tot het bepalen van regels die uitsluitend betrekking hebben op de verdeling van de totale gemeentelijke dotatie over de verschillende gemeenten.
  De basisregel bestaat erin dat de gemeenten verondersteld worden zelf, in onderling akkoord, het percentage te bepalen van hun aandeel in de globale gemeentelijke dotatie. Als de gemeenten van de meergemeentezone niet tot een akkoord kunnen komen over de onderlinge verdeling, dan moet het verdelingspercentage, vastgesteld in bijlage II van het voornoemde koninklijk besluit van 7 april 2005,worden toegepast.
  Voor de goede werking van de lokale politiezones en van de gemeenten is het natuurlijk van groot belang dat de bedragen die in de politiebegroting zijn ingeschreven, de bedragen die in de gemeentelijke dotatiebesluiten zijn vastgesteld en de bedragen die in de gemeentelijke begrotingen zijn ingeschreven, met elkaar overeenstemmen. Dat geldt uiteraard zowel bij het vaststellen van de initiële begroting als eventuele latere begrotingswijzigingen.
  Voor de goede gang van zaken moet in een meergemeentezone de gemeentelijke dotatie van elke gemeente niet alleen worden ingeschreven in de gemeentebegroting, maar ook worden vastgesteld in een afzonderlijk besluit. De afzonderlijke vaststelling van de gemeentelijke dotatie is in het kader van de uitoefening van het administratief toezicht immers niet alleen onderworpen aan het gewestelijk algemeen administratief toezicht, maar ook aan specifiek federaal toezicht voor wat de bepaling van het bedrag betreft.
  De gemeentebegroting zelf is uitsluitend onderworpen aan het gewestelijk administratief toezicht.
  De besluiten over de vaststelling van de gemeentelijke dotatie moeten worden genomen voor de zone en de gemeenten een beslissing nemen over hun begroting.
  In de omzendbrief BA-2002/12 van 27 september 2002 betreffende het administratief toezicht op de gemeenten en de politiezones werd onder meer gesteld dat, indien er geen overeenstemming is tussen de gemeentelijke dotatie die in de begroting van de gemeente is ingeschreven en die welke in de begroting van de politiezone is ingeschreven, de gouverneur moet overgaan tot schorsing van het desbetreffende artikel in de gemeentebegroting of van de gemeentebegroting in haar geheel. In die omzendbrief worden eveneens twee situaties aangehaald waarin de gouverneur overgaat tot schorsing van het besluit betreffende de politiedotatie of het desbetreffende krediet in de gemeentebegroting, namelijk :
  -- als de gemeenteraad een dotatie aan de zone vaststelt of opneemt in de gemeentebegroting die lager is dan de dotatie, opgenomen in de politiebegroting die door de politieraad is goedgekeurd en eveneens uitvoerbaar geworden is na de uitoefening van het gewestelijk administratief toezicht;
  -- als de gemeenteraad een dotatie aan de zone vaststelt of opneemt in de gemeentebegroting die onvoldoende is om het tekort van de zone, dat voortvloeit uit uitgaven die strikt verplicht zijn door de politiewetgeving, op te vangen.
  De aangehaalde bepalingen van omzendbrief BA-2002/12 van 27 september 2002 wens ik als volgt aan te vullen en te verduidelijken :
  * Het spreekt vanzelf dat het bedrag van de gemeentelijke dotatie dat opgenomen is in het specifieke dotatiebesluit van de gemeenteraad, en het bedrag van de gemeentelijke dotatie dat opgenomen is in de gemeentebegroting, identiek moeten zijn. Het gaat hier om twee beslissingen van de gemeenteraad die uiteraard met mekaar moeten overeenstemmen. Als dat om onverklaarbare redenen toch niet het geval zou zijn, dan moet de gouverneur schorsend optreden tegen de gemeentebegroting om de gemeente uit te nodigen haar besluitvorming coherent te maken.
  * Op de bepaling van de gemeentelijke dotatie in het dotatiebesluit is er specifiek federaal toezicht van toepassing.
  * Indien het bedrag dat de gemeente vaststelt als haar gemeentelijke dotatie niet overeenstemt met het bedrag dat de politiezone opneemt in haar politiebegroting, ontstaat er een bijzondere situatie. De gemeente kan alleen in welbepaalde gevallen verplicht worden tot het aanvullen van de financiële middelen van de politiezone, namelijk als kan worden aangetoond dat de middelen van de zone niet volstaan om de wettelijke verplichtingen na te komen. Sommige verplichtingen liggen vast, zoals het minimumaantal personeelsleden van de zone en de uitrusting die van hogerhand worden opgelegd.
  4.3.3.2. Chronologische werkwijze - aanbevelingen.
  Op dit ogenblik zijn maar een aantal elementen wettelijk vastgelegd, zoals het verplichte minimum aantal personeelsleden per zone. Omdat een aantal mogelijke uitgaven niet wettelijk verplicht zijn, en omdat de zones zelf een aantal beleidsopties kunnen bepalen, is het uiteraard van het grootste belang dat er in de zones voldoende overleg plaats heeft tussen alle betrokken partijen, en dat eenzijdige beslissingen vermeden worden.
  In de eengemeentezones treedt de gemeenteraad zelf op als politieraad, zodat er zich hier normalerwijs geen tegenspraak kan voordoen tussen de gemeentelijke dotatie in de gemeentebegroting en de gemeentelijke dotatie in de politiebegroting.
  In de meergemeentezones zijn de politieraden samengesteld uit een aantal leden van de gemeenteraden die uiteraard de eerste verantwoordelijkheid dragen bij de vaststelling van de politiebegrotingen, de gevolgen voor de gemeentelijke dotaties en uiteindelijk de gevolgen voor de gemeentelijke financiën.
  Afgezien van de gestructureerde mogelijkheden tot overleg in de politieraad zelf, dring ik er bij de meergemeentezones op aan dat er ook voldoende grondig overleg plaats heeft tussen de gemeenten en hun politiezone.
  Het is wenselijk dat er eerst een consensus tot stand komt tussen de gemeenten en de politiezone over de omvang van de gemeentelijke dotatie, dat vervolgens elke betrokken gemeente het overeengekomen bedrag vastlegt in een gemeenteraadsbesluit, en dat die bedragen daarna worden verwerkt in de gemeentebegrotingen en in de begroting van de politiezone.
  4.3.4. Subsidies aan gemeentelijke vzw's.
  Het komt de democratisch verkozen raden van de gemeenten toe zelf de gemeentelijke aangelegenheden te regelen. Ik verwijs in het bijzonder naar de omzendbrief BA 93/03 van 21 april 1993 met betrekking tot de problematiek van de uitoefening van het gemeentelijk beleid via zogenaamde paragemeentelijke vzw's. In die omzendbrief staat dat gemeenten alleen nog toelagen van meer dan 2 479 euro aan dergelijke vzw's kunnen verstrekken als ze een aantal minimale bepalingen die eigen zijn aan de uitoefening van het openbaar bestuur, naleven.
  Met het oog op een correcte toepassing van die principes en de democratische controle van de verkozen raadsleden, voegen de gemeenten een afzonderlijke lijst bij hun begroting, waarin de verenigingen zijn opgenomen die een gemeentelijke toelage van meer dan 2 500 euro ontvangen. Andere nuttige documenten zoals uittreksels uit statuten, overeenkomsten of concessies moeten ter inzage in het gemeentehuis liggen. Ook de toezichthoudende overheid kan ze desgewenst opvragen.
  Ik wijs ook op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en de aanwending van sommige toelagen, die ook van toepassing is op de door de gemeenten gesubsidieerde rechtspersonen, alsook op het decreet van 28 januari 1974 betreffende het cultuurpact. Toelagen aan vzw's mogen alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze werden verstrekt en de gemeenten zijn belast met de controle op de naleving ervan.
  4.3.5. Subsidies aan private verenigingen.
  Indien de gemeenteraad een reglement heeft aangenomen dat de verdeling van subsidies aan verenigingen regelt, mag in de gemeentebegroting een globaal krediet ingeschreven worden. Als de gemeente niet beschikt over een dergelijk reglement, dan moet de begroting als bijlage een lijst bevatten met de verenigingen waaronder het globale krediet wordt verdeeld. Die lijst vermeldt ook de bedragen die elke vereniging ontvangt. Bij gebrek aan zo'n lijst moet de begroting zelf afzonderlijke artikels bevatten waarop elke subsidie nominatief aan een welbepaalde vereniging wordt toegekend.
  Het is duidelijk dat toelagen niet willekeurig mogen worden verdeeld onder de verenigingen die ervoor in aanmerking komen. Om aan de motiveringsplicht te voldoen, moet een verdeling berusten op objectieve gronden, die opgenomen zijn in het desbetreffende gemeenteraadsbesluit.
  4.4. De schulduitgaven.
  4.4.1. De leningen.
  Voor de leningen verwijs ik naar rubriek III, punt 5.
  Wat de prefinanciering van buitengewone uitgaven met eigen beschikbare middelen betreft, mag de gemeenteraad, in afwachting van het effectief opnemen van de leningen en op voorwaarde dat de gemeente over voldoende eigen middelen beschikt, per investeringsdossier een afzonderlijke beslissing nemen tot prefinanciering met eigen middelen.
  Tot voor kort werd de regel toegepast dat het vastgesteld recht met betrekking tot die individuele leningen wel vóór het afsluiten van het dienstjaar in de boekhouding moet worden geregistreerd. Krachtens artikel 238 van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 46, § 2, 3°, van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit moet er immers een vastgesteld recht geboekt worden op het ogenblik dat de gemeenteraad de leningsvoorwaarden aanvaardt.
  Het was de bedoeling van de regelgever om het invorderingsrecht tot uiting te laten komen in de gemeenteboekhouding op het moment van het ontstaan van de wilsovereenstemming. Intussen vallen de overeenkomsten inzake het aangaan van leningen onder de toepassing van de wetgeving op de overheidsopdrachten. De overeenkomst komt tot stand doordat het college van burgemeester en schepenen de opdracht aan een financiële instelling gunt.
  Daaruit volgt dat het vastgesteld recht geboekt moet worden op het ogenblik van de gunning, maar dan rijst de vraag voor welk bedrag een recht geboekt zal worden. De financieringstechnieken zijn namelijk grondig geëvolueerd. Zo behelst de gunning van een leningenpakket niet noodzakelijk de verplichting om het volledige bedrag op te nemen. Dat zou immers kunnen leiden tot overbodige financiële kosten voor het gemeentebestuur. Het is veeleer wenselijk om leninggelden alleen op te nemen afhankelijk van de behoefte aan werkkapitaal.
  De boeking van een vastgesteld recht heeft bovendien tot gevolg dat er tegelijkertijd al een schuld op lange termijn wordt geboekt. Zolang de gemeente geen gelden heeft opgenomen, heeft ze nog geen schulden bij de financiële instelling. Het is dan ook wenselijk dat alleen de reële schuld tot uiting wordt gebracht. Door de onderlinge samenhang kan bijgevolg alleen dat bedrag als een vastgesteld recht worden geboekt.
  De gemeenten moeten wel het volledige recht tot het opnemen van de gelden in de gemeenteboekhouding kunnen opvolgen. Hiervoor kan men gebruik maken van de rekeningen van de klasse 0.
  4.4.2. Bijdragen aan intercommunale verenigingen.
  Voor hun werkingsbijdragen gebruiken de gemeenten de economische code 435-01 " Bijdrage in de werkingskosten gedragen door andere overheidsinstellingen ", terwijl voor het eventuele negatieve saldo na het afsluiten van de jaarrekeningen de code 222-01 " Bijdrage in het exploitatieverlies " gebruikt moet worden.
  4.5. De overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst.
  Overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst moeten altijd volledig worden uitgevoerd tijdens het dienstjaar, namelijk de vastlegging en aanrekening van de uitgave op de gewone dienst, en de vaststelling van het recht op de buitengewone dienst.
  Een eventueel overschot dat ontstaat op de buitengewone dienst - als de aanrekeningen op de buitengewone dienst voor de investeringsuitgaven uiteindelijk kleiner zijn dan de vastgelegde bedragen - kan de gemeenteraad bestemmen voor het financieren van andere buitengewone uitgaven.
  II. INSTRUCTIES VOOR DE MEERJARENPLANNEN EN DE BUDGETTEN VAN DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN.
  Met het decreet van 17 december 1997 houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is de zogenaamde nieuwe OCMW-boekhouding ingevoerd.
  De NOB (de nieuwe OCMW-beleidsinstrumenten) moeten het OCMW in staat stellen een bedrijfsvoering te kiezen die past bij de voortdurend veranderende omgeving waarbinnen het opereert, en de interne en externe mogelijkheden en uitdagingen. Daarbij wordt aan het OCMW een grote mate van vrijheid gelaten. De NOB-regelgeving biedt niet meer dan een minimumkader.
  Sinds het boekjaar 2003 werken alle Vlaamse OCMW's met deze nieuwe beleidsinstrumenten.
  De wetgeving waarnaar in dit deel van de omzendbrief verwezen wordt, alsook de uitgewerkte voorbeelden en toelichtende documenten, kunnen op het volgende internetadres geraadpleegd worden : http:
  //www.e3pos.be.
  1. Meerjarenplan.
  Alle Vlaamse OCMW's moeten hun beleid voor langere termijn vastleggen in een meerjarenplan. Het meerjarenplan van de OCMW's is meer dan een financieel meerjarenplan.
  Sedert het boekjaar 2003 gelden voor alle OCMW's, naast de OCMW-wet, de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 en van het ministerieel besluit van 20 juni 2001 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  1.1. Vorm.
  Het meerjarenplan bestrijkt een periode van minstens drie en hoogstens zes boekjaren en bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. Beide onderdelen hangen intern samen en sluiten op elkaar aan. Het meerjarenplan moet eveneens aansluiten op de andere plannen van de lokale overheden, dus ook op die van de gemeente.
  Het meerjarenplan wordt in zijn geconsolideerde vorm ter goedkeuring voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Het gedetailleerde meerjarenplan ligt uiteraard ter inzage van de raadsleden.
  Naar bestaande plannen of naar andere documenten kan eenvoudig worden verwezen. Uiteraard moeten de stukken waarnaar wordt verwezen, ter beschikking van de gebruiker liggen.
  Tabellen, kerncijfers en grafieken kunnen het best zo eenvoudig mogelijk gehouden worden. In de toelichtingen wordt onder meer verduidelijkt van welke hypotheses men vertrekt.
  Sinds de wijzigingen aan de OCMW-wet van 5 juli 2002 (Belgisch Staatsblad van 14 augustus 2002) van kracht zijn geworden, moet het meerjarenplan als bijlage een protocol bevatten dat in consensus door het overlegcomité is opgesteld. Het garanderen van de sociale grondrechten voor iedereen via een geïntegreerd lokaal sociaal beleid is hoe langer hoe meer een taak van zowel de gemeente als het OCMW. Het is vooral om die reden dat het protocol expliciet de taakafspraken en de concrete samenwerking tussen de gemeente en het OCMW voor de legislatuur moet. Door een dergelijk protocol kunnen de lokale besturen erover waken dat overlappingen worden vermeden, maar ook - en dat is het belangrijkst - dat alle aspecten van het sociale deel worden opgenomen.
  Dat protocol sluit trouwens perfect aan bij artikel 12 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. Dat artikel bepaalt dat elke gemeente kan verzoeken om een deel van zijn aandeel in het Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW te storten.
  De beslissing daartoe moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad. Het Gemeentefonds wordt uitvoerig toegelicht in rubriek III, punt 4.
  1.2. Inhoud.
  Het meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota.
  De strategische nota.
  De strategische nota is het instrument bij uitstek voor de politieke en ambtelijke leiding om het centrum en de verbonden instellingen te sturen. Het is de schriftelijke neerslag van het strategisch plan van het openbaar centrum.
  In de strategische nota, die vertrekt van de afspraken in het protocol, worden de beleidsopties inzake de externe en de interne werking van het centrum toegelicht.
  Die nota bevat onder meer de volgende gegevens :
  - de toekomstige prioriteiten van het OCMW;
  - de werkwijze en de te volgen procedures om die prioriteiten te realiseren;
  - de voortgangscontrole op de effectieve realisatie van die prioriteiten;
  - met betrekking tot de interne werking : de wijze waarop de performantie van de organisatie minstens behouden en eventueel verbeterd kan worden;
  - met betrekking tot de externe werking : de behoeften van het OCMW en de mate waarin het OCMW die behoeften wil en kan invullen.
  In de strategische nota zal in elk geval rekening worden gehouden worden met elementen uit het zorgstrategisch plan en het personeelsplan. De samenhang tussen de werking en de beleidsinitiatieven van de gemeente en het OCMW moet zeker ter sprake komen in de strategische nota.
  In de strategische nota kan onder meer aandacht geschonken worden aan :
  - de dienstverlening (het aanbod en het tariefbeleid);
  - de erkenningen en subsidiëringen;
  - het personeelsbeheer;
  - het schuldbeheer;
  - de overdrachten, en in het bijzonder de ontwikkeling van de nettokosten inzake de maatschappelijke dienstverlening;
  - de telecommunicatie (Internet) en de automatisering;
  - de investeringsprojecten, onder meer VIPA;
  - de optie tot het al dan niet uitbesteden van bepaalde taken.
  De financiële nota.
  De financiële weerslag van de beleidsopties moet terug te vinden zijn in de financiële nota. Die bestaat uit de volgende onderdelen :
  - Exploitatieplanning.
  De exploitatieplanning bevat de raming van de opbrengsten en de kosten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de opties uit de strategische nota en met de financiële weerslag van de uitvoering van geplande investeringsprojecten.
  De kosten en de opbrengsten worden geconsolideerd weergegeven volgens schema 1 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. De planning bevat minstens de cijfers van de rekening 2004, het budget 2005, inclusief de al doorgevoerde budgetaanpassingen, en de prognoses voor 2006, 2007 en 2008.
  - Planning van investeringen en desinvesteringen.
  De planning van investeringen en desinvesteringen bevat de vooruitzichten inzake investeringen en de financiering daarvan, eventueel door middel van desinvesteringen. Ze wordt opgesteld volgens schema 2 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001.
  De tabellen bevatten minstens de cijfers voor 2006, 2007 en 2008. Om het schema te kunnen opstellen moet er van alle investeringsprojecten, zowel van de nieuwe als van de al lopende projecten, een uitsplitsing over de jaren heen geraamd worden volgens de geplande realisatietermijn. Elk van de kolommen van de meerjarenplanning bevat dan de som van de overeenstemmende kolommen van de onderscheiden investeringsprojecten.
  - Liquiditeitenplanning, cashflow en berekening van de gemeentelijke bijdrage.
  Deze planning wordt opgesteld volgens schema 3 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. Voetnoot 10 van het ministerieel besluit bepaalt dat tabel 3, de liquiditeitentabel, pas verplicht wordt op een later te bepalen datum. De besturen zijn dus wel verplicht om tabel 1, 2 en 4 van schema 3 op te stellen. Bovendien wordt hen aangeraden ook deel 1, 2, 3 en 4B van tabel 3 op te stellen. Die onderdelen geven immers een wezenlijke meerwaarde aan de planning en vergen geen bijzondere inspanningen.
  Om deel 4A te kunnen opstellen is de beschikking over een gebudgetteerde balans echter zo goed als onontbeerlijk. De meeste boekhoudprogramma's waar de OCMW's mee werken kunnen die helaas nog niet leveren. Toch is dit onderdeel een goed instrument om de behoefte aan werkkapitaal te verantwoorden. OCMW's die aan de gemeente een tegemoetkoming in het werkkapitaal vragen, kunnen dus het best proberen om ook dit onderdeel op te stellen en zo hun vraag te ondersteunen.
  Bovendien kan op die manier een gestructureerde verantwoording worden gegeven van het overzicht van de totale gemeentelijke bijdrage in tabel 4.
  De tabellen bevatten minstens de cijfers van de rekening 2004, het budget 2005, inclusief de al doorgevoerde budgetwijzigingen, en de prognoses voor 2006, 2007 en 2008.
  1.3. Procedure.
  De opmaak van een meerjarenplan is een teamgebeuren. De secretaris draagt de eindverantwoordelijkheid over het voorontwerp. Het is wenselijk om bij het planningsproces de belangrijkste budgethouders en diensthoofden te betrekken.
  Het voorontwerp van meerjarenplan wordt, na advies van de budgetcommissie, voorgelegd aan het overlegcomité. De budgetcommissie zal onder andere onderzoeken in welke mate het meerjarenplan in overeenstemming is met de overige meerjarenplannen waarmee de lokale overheid wordt geconfronteerd.
  Na het advies van het overlegcomité stelt de raad voor maatschappelijk welzijn het meerjarenplan vast en bezorgt het overeenkomstig artikel 88, § 1, van de OCMW-wet vóór 15 september ter goedkeuring aan de gemeenteraad.
  De gemeenteraad kan beslissen dat het meerjarenplan moet worden aangepast. Om te vermijden dat de gemeenteraad daartoe beslist en daardoor de taakafspraken die werden gemaakt in het overlegcomité mogelijk op de helling zet, kan er het best voor gezorgd worden dat het plan de resultante is van een zo ruim mogelijke consensus.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het meerjarenplan toe op de gemeenteraadsvergadering waarop het geagendeerd is.
  Dezelfde procedure geldt voor OCMW's die hun meerjarenplan wijzigen, overeenkomstig artikel 88 van de OCMW-wet.
  Het meerjarenplan moet ten minste drie jaar bestrijken, vanaf het jaar van het budget. Met betrekking tot het budget 2006 moet het meerjarenplan dus de periode van 2006 tot en met 2008 omvatten. Als het al bestaande meerjarenplan niet meer voldoet aan die voorwaarde, moet een aangepast meerjarenplan ter goedkeuring aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
  De jaarlijkse actualisatie van het meerjarenplan is geen verplichting als er nog drie nuttige jaren resten. Toch is het wenselijk het meerjarenplan jaarlijks waar nodig bij te sturen. De actualisering van het meerjarenplan kan er bijvoorbeeld in bestaan dat de cijfers van het laatste budget vervangen worden door de ondertussen bekende rekeningcijfers. Indien het meerjarenplan wordt geactualiseerd, moet het opnieuw ter goedkeuring aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
  2. Het budget.
  2.1. Vorm.
  De OCMW's stellen hun budgetten op in de vorm die vereist wordt krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 en het ministerieel besluit van 20 juni 2001 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  Het budget omvat de beleidsnota, het exploitatiebudget, de investeringsbudgetten en het liquiditeitenbudget, met daarbij de vastlegging van de gebudgetteerde gemeentelijke bijdrage.
  - De beleidsnota sluit aan op de strategische nota uit het meerjarenplan.
  Ze omvat minimaal een bespreking van de beleidsdoelstellingen van het centrum en van de operationele doelstellingen van elke budgethouder, een bespreking van de gebudgetteerde kosten en opbrengsten per activiteitencentrum, een analyse van de kostprijzen en een bespreking van de financiële toestand van het centrum.
  - Het exploitatiebudget omvat de raming van alle kosten en opbrengsten van zowel de bestaande als de nieuw geplande activiteiten.
  Het wordt opgesteld zowel per activiteitencentrum als voor het centrum in zijn geheel, volgens schema 5 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. Het bevat minstens de cijfers van de rekening 2004, het budget 2005, inclusief de al doorgevoerde budgetwijzigingen, en de prognose voor 2006.
  Het exploitatiebudget wordt opgesteld met gebruik van alle rubrieken van het schema, inclusief die van de resultaatsverwerking. Aangezien met de NOB gestreefd wordt naar een outputbudgettering is het immers wenselijk dat in de budgetten de relatie kan worden gelegd tussen de gemeentelijke bijdrage en de operationele doelstellingen.
  - Het investeringsbudget wordt opgesteld per project volgens schema 6 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001.
  Afhankelijk van de meerjarenplanning is het noodzakelijk de realisatietermijn zorgvuldig in te schatten.
  - Het liquiditeitenbudget wordt alleen opgesteld voor het OCMW in zijn geheel, volgens schema 7 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001.
  Voetnoot 30 van het ministerieel besluit bepaalt dat tabel 3, de liquiditeitentabel, pas verplicht wordt op een later te bepalen datum. (cf. meerjarenplan : liquiditeitenplanning, cashflow en berekening van de gemeentelijke bijdrage). De besturen zijn dus wel verplicht tabel 1, 2 en 4 op te stellen. Bovendien wordt hen aangeraden ook deel 1, 2, 3 en 4B van tabel 3 op te stellen. Die onderdelen geven immers een wezenlijke meerwaarde aan het budget.
  De tabellen bevatten minstens de cijfers van de rekening 2004, het budget 2005, inclusief de al doorgevoerde budgetwijzigingen, en de prognose voor 2006.
  2.2. Inhoud.
  Voor de inhoudelijke aspecten van het budget van het OCMW verwijs ik naar de gemeenschappelijke onderrichtingen van rubriek III.
  In de marge hiervan wens ik er de aandacht op te vestigen dat het van primordiaal belang is dat het budget een getrouw beeld weergeeft.
  2.3. Procedure.
  De OCMW-secretaris maakt, bij voorkeur in samenwerking met de ontvanger en de budgethouders of de diensthoofden, het voorontwerp van het budget op. Na het advies van de budgetcommissie wordt het voorgelegd aan het overlegcomité.
  Het door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde budget wordt voor 15 november aan de gemeenteraad bezorgd. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het budget toe op de gemeenteraadsvergadering. Als het budget binnen de grenzen blijft van de gemeentelijke bijdrage die in het meerjarenplan is opgenomen, neemt de gemeenteraad er alleen kennis van. Als het budget meer bedraagt dan de gemeentelijke bijdrage die in het meerjarenplan is opgenomen, kan de gemeenteraad die afwijking vaststellen en op die punten het budget aan het meerjarenplan aanpassen. Een budget blijft binnen het meerjarenplan als de bedragen in schema 7, tabel 4, van de bijlage van het ministerieel besluit van 20 juni 2001 kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de overeenstemmende bedragen in schema 3, tabel 4, van diezelfde bijlage.
  Tot slot wens ik de OCMW-besturen te wijzen op artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de OCMW's, dat bepaalt dat vóór de definitieve vaststelling van het exploitatiebudget, de besturen door middel van voorlopige kredieten uitgaven mogen doen waarvoor een uitvoerbaar krediet uitgetrokken was op het exploitatiebudget van het vorige boekjaar. Die voorlopige kredieten mogen, per verlopen of begonnen maand, niet meer bedragen dan een twaalfde van het exploitatiebudget van het vorige boekjaar, evenwel met een maximum van drie twaalfden.
  3. Partnerschap.
  Een professionele samenwerking binnen het OCMW en tussen het OCMW en de gemeente is een noodzakelijke voorwaarde voor het opstellen van een degelijk meerjarenplan. De budgetcommissie, of een daarop geïnspireerde werkgroep, en het overlegcomité zijn daarvoor de geëigende instrumenten.
  3.1. De budgetcommissie.
  De rechtsgrond voor de budgetcommissie is te vinden in artikel 87bis van de OCMW-wet.
  De budgetcommissie bestaat minimaal uit de voorzitter, de secretaris en de ontvanger. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt in zijn huishoudelijk reglement de verdere voorwaarden voor de samenstelling van de commissie. Als de ambtenaren die budgethouder zijn, niet eerder in de procedure betrokken zijn geweest, is het aan te bevelen om hen deel te laten uitmaken van de commissie.
  De budgetcommissie komt samen op verzoek van de voorzitter of de secretaris. Ze adviseert schriftelijk over het voorontwerp van het meerjarenplan en van de budgetten. Ze verleent haar advies voor deze documenten aan een ander orgaan worden voorgelegd.
  3.2. Het overlegcomité.
  Een overleg tussen de gemeente en het OCMW dat ernaar streeft een zo ruim mogelijk draagvlak te hebben, vermijdt dat door de gemeenteraad ter zitting het meerjarenplan wordt aangepast. Als het budget nadien de grenzen van de gemeentelijke bijdrage respecteert, wordt het budget alleen ter kennisgeving voorgelegd. Externe ontwikkelingen en het doelgericht bereiken van een visie op lange termijn zijn het uitgangspunt van de besprekingen. De gemeente en het OCMW zouden daarbij evenwaardige partners moeten zijn.
  In dat verband is het eveneens noodzakelijk dat beide besturen elkaar zo snel mogelijk de noodzakelijke documenten, waaronder de rekening, toesturen. Op die manier kunnen beide besturen zo snel mogelijk een correct beeld krijgen van de financiële toestand van het andere bestuur.
  III. GEMEENSCHAPPELIJKE INSTRUCTIES VOOR GEMEENTEN EN OCMW'S.
  1. Personeel.
  1.1. Toepassing van de sectorale akkoorden voor het lokale personeel.
  De besturen moeten rekening houden met het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2002 betreffende de toekenning en de vaststelling van het vakantiegeld van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel (Belgisch Staatsblad van 12 november 2003). Dat besluit gaf uitvoering aan het sectoraal akkoord 2003-2004 over de geleidelijke verhoging van het vakantiegeld.
  Krachtens dat besluit genieten alle personeelsleden die onder het toepassingsgebied ervan ressorteren, vanaf het jaar 2006 een vakantiegeld dat 92 % bedraagt van een twaalfde van het jaarsalaris in de maand maart van het vakantiejaar (2006), ook de personeelsleden van de niveaus B en A en de titularissen van de zogenaamde wettelijke graden.
  Er zijn bijgevolg ten opzichte van het jaar 2005 extra kosten voor het vakantiegeld die afhangen van het aantal personeelsleden in de niveaus B en A.
  Op basis van de reële uitgaven van het jaar 2005 voor het vakantiegeld en rekening houdend met het eigen personeelsbestand in de niveaus B en A, kan elk bestuur berekenen hoeveel de extra kosten voor het jaar 2006 zullen bedragen. Het percentage van 92 % geldt verder voor de toekomst en moet derhalve niet alleen verwerkt worden in de begroting 2006, maar ook in de meerjarenplanning.
  Als nog niet uitgevoerde maatregelen uit vorige akkoorden worden geïmplementeerd, moeten de gemeenteraden de financiële gevolgen van hun beleidskeuze aangeven in een omstandige nota. Ook dat geldt zowel voor de begroting 2006 als voor de meerjarenplanning.
  Het is momenteel niet mogelijk gegevens te bezorgen over eventuele resultaten van nieuwe sectorale besprekingen, noch uitspraken te doen over het jaar dat eventuele maatregelen zouden ingaan. Mochten er hierover in 2006 nog resultaten zijn, dan zullen die meteen, samen met de geraamde meerkosten, meegedeeld worden. Dat geldt ook voor het afzonderlijk sectoraal akkoord voor de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen (ROB, RVT, ziekenhuizen).
  1.2. Mandatarissen.
  Burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters volgen voor het vakantiegeld het schema dat geldt voor de personeelsleden van niveau A : ook zij genieten vanaf het jaar 2006 een vakantiegeld dat gelijk is aan 92 % van een twaalfde van het jaarsalaris in de maand maart van het vakantiejaar.
  De lokale overheden moeten de meerkosten daarvan eveneens incalculeren in de begroting en meerjarenplanning.
  1.3. Ontwikkeling van de personeelsuitgaven.
  Voor actuele informatie inzake de ontwikkeling van de personeelsuitgaven en een juiste inschatting van de stijging van de werkelijke loonkosten, raad ik de besturen aan op geregelde tijdstippen de website van het Federaal Planbureau te raadplegen op http:
  //www.plan.be.
  Volgens de maandvooruitzichten van het Planbureau (op basis van de beschikbare gegevens op 6 juli 2005) zou de gemiddelde jaarinflatie (nationaal indexcijfer der consumptieprijzen) in 2005 op 2,7 % en in 2006 op 2,2 % uitkomen. De groeivoet van de gezondheidsindex, die onder meer gebruikt wordt bij de berekening van de indexering van lonen, sociale uitkeringen en huurprijzen, zou in 2005 gemiddeld 2,2 % en in 2006 1,9 % bedragen.
  De spilindex wordt vermoedelijk overschreden in juli 2005, met een aanpassing van de wedden met 2 % in september 2005 (ramingen op basis van de indexcijfers tot en met juli 2005). Het Planbureau verwacht een nieuwe overschrijding van de spilindex in augustus 2006, wat een verhoging van de lonen met 2 % in oktober 2006 tot gevolg heeft.
  De verwachte indexaanpassing van de lonen in september 2005, die niet voorzien was in de begrotingsinstructies voor 2005, heeft tot gevolg dat veel gemeentelijke begrotingen en OCMW-budgetten voor 2005 een onderraming van de personeelskosten zullen bevatten. Afgezien van andere wijzigingen zullen de loonkosten in 2005 ongeveer 0,66 % hoger uitkomen dan zonder indexaanpassing. De besturen kunnen de indexaanpassing in 2005 het best in rekening brengen bij de eerstvolgende wijziging van de begroting voor 2005, zo niet moet de doorrekening bij de raming van het verwachte resultaat over 2005 gebeuren.
  Van de besturen wordt verwacht dat ze de budgettaire weerslag van alle voorgenomen maatregelen nauwkeurig ramen in zowel de begroting en het budget als in de meerjarenplanning. De in de meerjarenplanning opgenomen cijfers moeten in elk geval op voldoende wijze worden toegelicht.
  2. Pensioenen.
  De pensioenproblematiek wordt een van de belangrijkste uitdagingen voor de volgende jaren. Het aantal pensioengerechtigden ten laste van de gemeente en het OCMW zal de patronale bijdrage immers substantieel doen stijgen.
  Het is nodig dat de besturen tijdig op deze werkelijkheid anticiperen.
  De lokale besturen bepalen zelf op welke wijze ze financiële middelen reserveren voor dit doel.
  Dat kan onder meer door binnen de eigen begroting en het budget een reservefonds (In de gemeentelijke meerjarenplanning kan onder de rubriek C " overboekingen en reservefondsen " een extra onderdeel 10.6 " overboeking van de gewone dienst naar een gewoon reservefonds voor pensioenen " worden ingeschreven.) of een voorziening voor pensioenen aan te leggen of door een overeenkomst met een verzekeringsinstelling te sluiten voor de opbouw van een pensioenfonds (fondsen voor collectieve kapitalisatie). Als de besturen voor die laatste mogelijkheid opteren, geldt uiteraard het principe van de mededinging bij het toewijzen van het contract.
  Een belangrijk uitgangspunt bij beide opties is dat de middelen worden uitgetrokken voor het financieren van de pensioenuitgaven en niet voor andere zaken kunnen worden aangewend. Bovendien moet het bestuur er zeker van kunnen zijn dat de bedragen zullen volstaan om aan de toekomstige pensioenuitgaven te voldoen.
  Bij het instappen in een pensioenfonds kunnen er engagementen onderschreven worden die moeten zorgen voor een bepaald dekkingspercentage van de pensioenverplichtingen over een termijn van een welbepaald aantal jaren, door een optimale kapitalisatie van de toevertrouwde middelen.
  Het aanbod aan beleggingsmogelijkheden neemt steeds verder uitbreiding. Toch moeten de besturen de volgende basisbeginselen in acht nemen :
  - speculatieve beleggingen (Dat zijn beleggingen waarbij niet minimaal het ingebrachte kapitaal op de einddatum gewaarborgd is.) met gemeentegelden zijn niet verenigbaar met de opdrachten van een openbaar bestuur, dat tot doel heeft het algemeen belang optimaal te behartigen;
  - de deelneming in de kapitaalvorming van privaatrechtelijke vennootschappen moet uitdrukkelijk door de wet zijn toegestaan;
  - de instelling waarbij belegd wordt, moet erkend zijn door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen.
  Uit het bovenstaande volgt dat alleen pensioenfondsen die passen in het kader van de zogenaamde Tak 21 aanvaard kunnen worden. Voor die producten wordt namelijk een minimumrendement gegarandeerd. Dat kenmerk, gecombineerd met de garantie dat een bepaald dekkingspercentage van de toekomstige pensioenen wordt behaald, maakt van een pensioenfonds een geschikt product om aan toekomstige verplichtingen te voldoen.
  Daarnaast moeten de gemeentebesturen ook rekening houden met de huidige bepalingen van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit. Daarin wordt gesteld dat beleggingen op meer dan één jaar tot de buitengewone dienst van de begroting behoren, terwijl de gerealiseerde renteontvangsten in de gewone dienst terechtkomen.
  De beslissing over welke belegging uiteindelijk wordt gekozen, waarbij rekening wordt gehouden met de regelgeving en de beperkingen, is een afweging die elk bestuur zelf moet maken.
  3. De werkingskosten.
  Bij een gelijkblijvend beleid wordt de normale stijging van de werkingskosten voor 2006 door het Planbureau op 2,2 % geraamd. In de meerjarenplanning kan rekening worden gehouden met een stijging van 2 % per jaar.
  Toch beveel ik aan dat de besturen de verschillende dienstverleningspakketten grondig doorlichten en hun beleid waar nodig bijsturen. Eventuele nieuwe beleidsmaatregelen, besparingen of nieuwe uitdagingen worden in het beleidsplan uiteraard voldoende toegelicht.
  Daarnaast moeten de gemeenten in hun begrotingen 2006 ook rekening houden met de kosten die verbonden zijn aan de verkiezing van de provincieraden, gemeenteraden en districtsraden op 8 oktober 2006.
  4. Het Gemeentefonds.
  De ramingen die de besturen in hun begrotingen of budgetten en meerjarenplannen mogen inschrijven, worden door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden in een afzonderlijke brief meegedeeld.
  Een eventuele wijziging van de verdeelsleutel tussen gemeente en OCMW met betrekking tot het gemeentelijke aandeel 2006 moest voor 30 juni 2005 aan de administratie worden meegedeeld. Het meegedeelde verdelingspercentage of bedrag blijft ook behouden voor de verdeling van het Gemeentefonds voor 2007, tenzij de gemeenteraad en de OCWM-raad samen beslissen de verdeelsleutel te wijzigen en die aan de administratie meedelen voor 30 juni 2006.
  De middelen uit het Gemeentefonds die aan het OCMW worden toegekend, worden rechtstreeks gestort op de rekening van het OCMW.
  Het OCMW kan, zoals de gemeente, vrij beschikken over het toegekende aandeel uit het Gemeentefonds en kan het geheel of gedeeltelijk bestemmen voor exploitatie-uitgaven of voor investeringen. Het deel dat voor exploitatie wordt gebruikt, wordt in het exploitatiebudget ingeschreven onder de rubriek IE " Andere opbrengsten ", algemene rekening 740 " werkingssubsidies ". Het deel dat voor investeringen wordt aangewend, wordt in deel 3 " Financiering " van het investeringsbudget van het desbetreffende project ingeschreven onder rubriek 3.
  B " Subsidies andere overheden ", algemene rekening 1501 " Investeringssubsidies ".
  De opbrengst van het deel van het fonds dat het OCMW beschouwt als een algemene financiering, wordt ingeschreven op het centraal activiteitencentrum " Algemeen bestuur ". De ontvangsten uit het Gemeentefonds die worden aangewend voor de financiering van investeringsprojecten, worden ingeschreven op de activiteitencentra waarop de kosten van die projecten worden geboekt.
  5. De schulduitgaven.
  De besturen schrijven in hun begrotingen en budgetten voor 2006 en in hun meerjarenplanning een realistische intrestlast in, gestaafd door een individuele berekening. Daarin houden ze rekening met de lopende leningcontracten, de nieuw op te nemen leningen, de looptijd van de leningen, de herzieningsperiodiciteiten en de ontwikkeling van de rentevoeten.
  Het Planbureau stelt in zijn Economische Vooruitzichten 2005-2010 het gemiddelde niveau van de Belgische langetermijnrente op 10 jaar in die periode vast op 4,9 %. Die rentevoet is zuiver indicatief.
  IV. SLOTOPMERKINGEN.
  Mijn administratie voor Binnenlandse Aangelegenheden en de provinciale afdelingen ervan, die belast zijn met de voorbereiding van het toezicht op de begrotingen, budgetten en meerjarenplanning, staan steeds ter beschikking voor verdere toelichtingen bij deze omzendbrief. De uitoefening van het eerstelijnstoezicht werd samengebracht bij de gouverneurs, als commissarissen van de Vlaamse Regering.
  De contactgegevens van mijn kabinet :
  De heer Marino Keulen,
  Vlaams minister van Binnenlands bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
  Kreupelenstraat 2, 1000 Brussel,
  Tel. : 02-552 65 00,
  Fax : 02-552 65 01,
  E-mail : kabinet.keulen@vlaanderen.be.
  De contactgegevens van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden :
  Markiesgebouw, Markiesstraat 1, 1000 Brussel.
  Tel. : 02-553 39 24 (directoraat-generaal),
  Fax : 02-553 43 01 (algemeen faxnummer),
  E-mail : binnenland@vlaanderen.be.
  Ik verzoek de gouverneurs de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad op te nemen in het bestuursmemoriaal.
  Ik zend alle besturen rechtstreeks een afschrift van deze omzendbrief. Hij kan ook geraadpleegd worden op het volgende internetadres : http:
  //www.binnenland.vlaanderen.be.
  M. KEULEN,
  Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering.
-
BIJLAGEN.
-
Art. N1. Bijlage I. Controlelijst voor de gemeenten.
  Documenten die deel uitmaken van de begroting 2006 :
  - algemene gegevens betreffende de gemeente (tabel 1).
  - programma van de tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen (tabel 6).
  - Samenvatting van de leningen (tabel 7).
  - Tabel van de schuldevolutie (tabel 8).
  - Meerjarig financieel beleidsplan (2006 tot en met 2009).
  - Verslag als vermeld in artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet.
  * Synthese van het ontwerp van begroting.
  - Advies van de begrotingscommissie (art. 12 ARGC).
  - Ontwerp van milieujaarprogramma (art. 2.1.26 van het decreet van 5 april 1995 houdende bepalingen inzake het milieubeleid) (Belgisch Staatsblad van 3 juni 1995), samen met het advies van de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur (enkel voor gemeenten die met het Vlaamse Gewest een overeenkomst hebben gesloten over het gemeentelijk milieu- en natuurbeleid).
  - Lijst van gemeentelijke vzw's die subsidies ontvangen van meer dan 2 500 euro.
  - Gegevens betreffende de volgende ramingen :
  - - ramingen opcentiemen onroerende voorheffing;
  - - ramingen personenbelasting en verkeersbelasting;
  - - ramingen inzake energiedividenden;
  - - ramingen inzake gemeentelijke ontvangsten Elia-heffing.
  - Voor de materies die onder het Cultuurpact ressorteren : door de gemeenteraad vastgestelde lijst van niet bij name in de begroting vermelde beneficianten van gemeentelijke subsidies en waarvoor geen subsidiereglementen van de gemeenteraad voorhanden zijn.
  - Bewijs van aanplakking.
-
Art. N2. Bijlage II. - Evaluatie bestanden begrotingsrekeningen.
  De bestanden met betrekking tot de jaarrekeningen worden door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden nagekeken en eventueel verbeterd. De meest voorkomende fouten kunnen worden vermeden door de hieronder vermelde richtlijnen te volgen. Wij vragen met aandrang zo veel mogelijk met die richtlijnen rekening te houden. De softwarehuizen zijn hiervan op de hoogte.
-
  - Er mogen geen negatieve bedragen voorkomen in de rekening en de
     saldibalans, en dus ook niet in de bestanden die opgestuurd worden.
     Een minteken is trouwens niet voorzien in het bestandsprotocol. Als
     een minteken toch in een veld wordt ingevoerd, genereert de verwerking
     van dat bestand ernstige storingen.
     Negatieve bedragen wijzen op foute boekingen.
  - Er mogen geen punten of streepjes in de economische en functionele
     codes of in de algemene rekeningnummers gebruikt worden (bijvoorbeeld
     niet : 951-01 of 951.01; wel : 95101).
  - Alle gebruikte functionele en economische codes en nummers van algemene
     rekeningen moeten effectief bestaan. Ze moeten met andere woorden
     opgenomen zijn in het koninklijk besluit betreffende de nieuwe
     gemeentelijke comptabiliteit. Door de gemeente zelf gecreeerde codes
     zijn niet toegestaan.
     Als de gemeente zich om technische of organisatorische redenen niet
     kan beperken tot de officiele lijst, verzoeken we een conversietabel
     bij te voegen waaruit blijkt met welke officiele code de eigen code
     (het best) overeenkomt.
  - De begrotingsrekening die opgestuurd wordt  - De saldibalans die
     in de vorm van een bestand, moet dezelfde     opgestuurd wordt in de
     inhoud hebben als de afgedrukte               vorm van een bestand,
     begrotingsrekening in de jaarrekening.        moet dezelfde inhoud
                                                   hebben als de
                                                   afgedrukte saldibalans
                                                   in de jaarrekening.
  - Het bedrag in veld 9 moet het netto
     vastgesteld recht zijn als het
     ontvangsten betreft.
  - De aard van het krediet met betrekking
     tot het boni of mali
     (000/951-01, 000/952-51, 000/991-01 en
     000/992-51) moet 52 zijn en niet 50;
     ook het veld 5 mag in dat geval niet
     hetzelfde zijn als veld 1 : van het
     jaartal in veld 1 moet 1 jaar worden
     afgetrokken.
  - In afwijking van het koninklijk besluit
     mogen de volgende functionele codes wel
     gebruikt worden :
       022  Sociaal Impulsfonds
       330  Politie
       340  Gevangenis
       360  Burgerlijke bescherming
       550  Energieproductie en -transport :
             niet-verdeelbare ontvangsten en
             uitgaven
    Deze codes worden door de gemeenten
     algemeen gebruikt.
-
  I. Instructies voor de begrotingen en meerjarenplanning voor de gemeenten.
  A. Algemene instructies.
  1. De totstandkoming van de gemeentebegroting.
  1.1. Tijdige behandeling in de gemeenteraad.
  1.2. Doorzending naar de toezichthoudende overheid.
  1.3. Het exemplaar voor statistische verwerking van financiële informatie uit begrotingen en rekeningen.
  1.4. Het model van de begroting.
  1.5. Bij de begroting te voegen bijlagen.
  1.5.1. Overzicht van de tabellen bij de begroting.
  1.5.2. Het meerjarig financieel beleidsplan.
  1.5.3. Het verslag, vermeld in artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet.
  1.5.4. Het advies van de begrotingscommissie.
  1.5.5. Het ontwerp van milieujaarprogramma.
  1.5.6. Advies van de raden voor cultuurbeleid.
  2. Begrotingswijzigingen.
  3. Administratief toezicht op de gemeentebegrotingen.
  3.1. Uitoefening van het algemeen administratief toezicht.
  3.2. Tegensprekelijke procedure in geval van schorsing.
  B. Bijzondere instructies.
  1. De fondsen.
  1.1. Het Gemeentefonds.
  1.2. Het Stedenfonds.
  2. Fiscaliteit.
  2.1. De aanvullende belasting op de personenbelasting (APB).
  2.1.1. Goedkeuring en doorsturing van de aanslagvoeten.
  2.1.2. Dienstjaar = aanslagjaar.
  2.1.3. Raming van de opbrengst.
  2.1.4. Wijzigingen van de aanslagvoet voor de aanvullende personenbelasting.
  2.2. De opcentiemen op de onroerende voorheffing (OOV).
  2.2.1. Goedkeuring en doorsturing van de aanslagvoeten.
  2.2.2. Raming van de opbrengst.
  2.2.3. De compensatie voor de derving van de opcentiemen op de onroerende voorheffing.
  2.3. Heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen.
  2.4. Het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag in gemeentebelastingen.
  2.5. Andere gemeentebelastingen.
  3. Dividenden.
  3.1. Elia-heffing.
  3.1.1. Stand van zaken.
  3.1.2. Inschrijving in de begroting 2006.
  3.2. Raming dividenden elektriciteit, gas en kabeldistributie.
  4. De uitgaven van de gewone dienst.
  4.1. De personeelsuitgaven.
  4.2. De werkingskosten.
  4.3. De overdrachten.
  4.4. De schulduitgaven.
  4.5. De overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst.
  II. Instructies voor de meerjarenplannen en de budgetten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  1. Meerjarenplan.
  1.1. Vorm.
  1.2. Inhoud.
  De strategische nota.
  De financiële nota.
  1.3. Procedure.
  2. Het budget.
  2.1. Vorm.
  2.2. Inhoud.
  2.3. Procedure.
  3. Partnerschap.
  3.1. De budgetcommissie.
  3.2. Het overlegcomité.
  III. Gemeenschappelijke instructies voor gemeenten en OCMW's.
  1. Personeel.
  1.1. Toepassing van de sectorale akkoorden voor het lokale personeel.
  1.2. Mandatarissen.
  1.3. Ontwikkeling van de personeelsuitgaven.
  2. Pensioenen.
  3. De werkingskosten.
  4. Het Gemeentefonds.
  5. De schulduitgaven.
  IV. Slotopmerkingen.
  Bijlage I : Controlelijst voor de gemeente.
  Bijlage II : Evaluatie bestanden begrotingsrekeningen.
-