Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
13 JULI 2005. - Wet betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-07-2005 en tekstbijwerking tot 20-11-2013)
Titre
13 JUILLET 2005. - Loi concernant l'instauration d'une cotisation annuelle à charge de certains organismes. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-07-2005 et mise à jour au 20-11-2013)
Informations sur le document
Numac: 2005022618
Datum: 2005-07-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2005022618
Date: 2005-07-13
Moniteur: Voir
Tekst (22)
Texte (22)
HOOFDSTUK I. - Voorgaande bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition préliminaire.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Definities.
CHAPITRE II. - Définitions.
Art. 2. Door de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  a) " Rijksinstituut " : het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (...);
  b) " Instelling " : de private of openbare rechtspersoon waarin minstens één onder c) bedoelde persoon aanwezig is waarvoor een beloning toegekend of voorzien (is);
  c) [1 " Persoon die een publiek mandaat uitoefent " : rechtspersoon of natuurlijke persoon die belast is met een mandaat in een openbare of private instelling, of die met raadgevende stem lid is van een bestuursorgaan van een openbare of private instelling, hetzij uit hoofde van de functie die hij uitoefent bij een administratie van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling, hetzij als vertegenwoordiger van een werknemers-, werkgevers- of zelfstandigenorganisatie, hetzij als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling;]1
  d) " Bijdragejaar " : het kalenderjaar waarin de instelling onderworpen is aan de bepalingen van deze wet;
  e) " beloningen " : alle inkomens van welke aard ook die verkregen worden naar aanleiding van de uitoefening van het mandaat en die overeenkomstig het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, met uitzondering van de terugbetaling van de eigen uitgaven van de instelling en de inkomens waarvoor krachtens de sociale wetgeving reeds een bijdrage wordt geïnd.
  
Art. 2. Pour l'application de la présente loi on entend par :
  a) " Institut national " : l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
  b) " Organisme " : la personne morale privée ou publique dans laquelle au moins une des personnes visées sous c) pour laquelle une rétribution est attribuée ou prévue, est présente;
  c) [1 " Personne qui exerce un mandat public " : une personne physique ou morale qui est chargée d'un mandat dans un organisme public ou privé ou qui est membre avec voix consultative d'un organe de gestion d'un organisme public ou privé, soit en raison des fonctions qu'elle exerce auprès d'une administration de l'Etat, d'une communauté, d'une région, d'une province, d'une commune ou d'un établissement public, soit en qualité de représentant d'une organisation de travailleurs, d'employeurs ou de travailleurs indépendants, soit en qualité de représentant de l'Etat, d'une communauté, d'une région, d'une province, d'une commune ou d'un établissement public; ]1
  d) " Année de cotisation " : l'année civile au cours de laquelle l'organisme est assujetti aux dispositions de la présente loi;
  e) " rétributions " : tous les revenus généralement quelconques obtenus en raison ou à l'occasion de l'exercice du mandat et qui sont imposables conformément au Code des impôts sur les revenus 1992, à l'exception du remboursement des dépenses propres à l'organisme et des revenus pour lesquels une cotisation est déjà perçue en vertu de la législation sociale.
  
HOOFDSTUK III. - Bijdrage.
CHAPITRE III. - Cotisation.
Art. 3. § 1. De bij artikel 2, b), bedoelde instellingen zijn onderworpen aan deze wet.
  § 2 In afwijking van § 1, is ieder raadgevend orgaan, dat met name door de Koning genoemd wordt, niet onderworpen aan deze wet.
  § 3. De instellingen zijn ertoe gehouden zich bij het Rijksinstituut in te schrijven binnen drie maanden na het feit dat hen onderwerpt aan deze wet.
  § 4. De instelling die nalaat zich bij het Rijksinstituut in te schrijven binnen de in § 3 bedoelde termijn, wordt door het Rijksinstituut in gebreke gesteld bij een ter post aangetekende brief. Indien zij zich binnen dertig dagen na de datum van de verzending over de post van de ingebrekestelling niet vrijwillig inschrijft, wordt zij ambtshalve ingeschreven.
Art. 3. § 1er. Les organismes visés à l'article 2, b), sont assujettis à la présente loi.
  § 2. Par dérogation au § 1er, n'est pas assujetti à la présente loi tout organe consultatif désigné nommément par le Roi.
  § 3. Les organismes sont tenus de s'inscrire à l'Institut national dans les trois mois (...) qui suivent le fait qui entraîne leur assujettissement à la présente loi.
  § 4. L'organisme qui néglige de s'inscrire à l'Institut national dans le délai prévu au § 3 est mis en demeure par l'Institut national par lettre recommandée à la poste. S'il ne s'inscrit pas volontairement dans les trente jours qui suivent la date de l'envoi par la poste de la mise en demeure, il est inscrit d'office.
Art. 4. De instellingen zijn jaarlijks een bijdrage verschuldigd ten belope van [1 23 procent]1 van het bedrag dat 200 euro overschrijdt van de beloningen die zij gedurende het aan het bijdragejaar voorafgaande jaar toegekend hebben aan elke persoon die een publiek mandaat uitoefent.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag van 200 euro is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen (406,15 (basis 1971 = 100)). <W 2005-12-27/31, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (Met het oog op de berekening van de bijdrage voor een bepaald jaar, wordt het in het vorige lid bedoelde bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan 406,15 en waarvan de teller gelijk is aan de index van de consumptieprijzen van de maand november van het jaar voorafgaand aan het bijdragejaar.
  In afwijking van het vorige lid wordt de verhoging van het in het tweede lid genoemde bedrag slechts toegepast wanneer het geïndexeerde bedrag ervan minstens 10 EUR hoger is dan het geldende bedrag. Het bedrag van de verhoging wordt naar beneden afgerond tot een veelvoud van 10 EUR.) <L 2005-12-27/31, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  
Art. 4. Les organismes sont annuellement redevables d'une cotisation s'élevant à [1 23 pour cent]1 du montant excédant 200 euros, attribué par eux (à) titre de rétributions, au cours de l'année précédant l'année de cotisation, à chaque personne qui exerce un mandat public.
  Le montant de 200 euros visé à l'alinéa 1er est lié à l'indice des prix à la consommation (406,15 (base 1971 = 100)). <L 2005-12-27/31, art. 72, 002; En vigueur : 01-01-2005>
  (En vue du calcul de la cotisation pour une année déterminée, le montant visé à l'alinéa précédent est multiplié par une fraction dont le dénominateur est 406,15 et dont le numérateur est l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année qui précède celle pour laquelle la cotisation est due.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, l'augmentation du montant visé au deuxième alinéa n'est appliquée que si le montant dûment indexé est supérieur à 10 EUR au montant en vigueur. Le montant de l'augmentation est arrondi au nombre inférieur, multiple de 10 EUR.) <L 2005-12-27/31, art. 72, 002; En vigueur : 01-01-2005>
  
Art. 5. § 1. De instellingen delen vóór 1 juli van ieder (bijdragejaar) de ter uitvoering van artikel 7, 2°, bepaalde gegevens (mee.)
  § 2. De in artikel 4 bedoelde bijdrage wordt vóór 1 juli van ieder bijdrage jaar gestort aan het Rijksinstituut.
  § 3. (De krachtens de bepalingen van deze wet geïnde bedragen worden, na aftrek van de beheerskosten van het Rijksinstituut betreffende de bijdrage, bij voorrang toegewezen aan het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, ten belope van het bedrag bedoeld in de tabel van de algemene toelichting van de initiële begroting van het jaar. De beheerskosten met betrekking tot deze bijdrage worden door het Rijksinstituut jaarlijks berekend in het kader van de afsluiting van de rekeningen.
  Het saldo van de krachtens de bepalingen van deze wet geïnde bedragen wordt krachtens een verdeling die jaarlijks wordt bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, enerzijds, toegewezen aan het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en, anderzijds, aan de RSZ Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <W 2008-12-22/33, art. 27, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 4. De in deze wet bedoelde bijdragen zijn, wat de inkomensbelastingen betreft, van dezelfde aard als de bijdragen die krachtens de sociale wetgeving verschuldigd zijn.
Art. 5. § 1er. Les organismes communiquent, avant le 1er juillet de chaque année de cotisation, les données déterminées en exécution de (l'article 7, 2°.)
  § 2. La cotisation visée à l'article 4 est versée à l'Institut national avant le 1er juillet de chaque année de (cotisation).
  § 3. (Les montants perçus en vertu des dispositions de la présente loi sont, déduction faite des frais d'administration de I'Institut national relatifs à la cotisation, prioritairement affectés à la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, jusqu'à concurrence du montant visé dans le tableau de l'exposé général du budget initial de l'année. Les frais d'administration relatifs à cette cotisation sont calculés annuellement par l'Institut national dans le cadre de la clôture des comptes.
  Le solde des montants perçus en vertu des dispositions de la présente loi est affecté, d'une part, à la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et, d'autre part, à I'ONSS Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en vertu d'une répartition fixée annuellement par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.) <L 2008-12-22/33, art. 27, 004; En vigueur : 01-01-2005>
  § 4. Les cotisations visées par la présente loi (sont, pour ce qui concerne) les impôts sur les revenus, de même nature que les cotisations qui sont dues (en vertu de la législation) sociale.
Art. 6. <L 2006-07-20/39, art. 168, 003; Inwerkingtreding : 07-08-2006> Op het gedeelte van de bijdragen dat niet tijdig betaald werd, wordt een verhoging van één procent per kalendermaand vertraging in de betaling toegepast.
  Deze verhoging wordt toegepast tot en met de maand waarin de instelling de verschuldigde bijdrage betaald heeft, of waarin een gerechtelijke procedure ingeleid werd wegens die vertraging, of waarin het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen de instelling het dwangbevel met bevel tot betaling van de verschuldigde bijdrage heeft laten betekenen.
Art. 6. <L 2006-07-20/39, art. 168, 003; En vigueur : 07-08-2006> Une majoration d'un pour cent par mois civil de retard de paiement est appliquée sur la partie des cotisations qui n'a pas été payée à temps.
  Cette majoration est appliquée jusque et y compris le mois au cours duquel soit l'organisme a payé la cotisation due, soit une procédure judiciaire a été engagée du chef de ce retard, soit l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants a fait signifier à l'organisme la contrainte contenant commandement à payer la cotisation due.
Art. 7. De Koning bepaalt bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
  1° de wijze van inschrijving;
  2° de gegevens die de instelling aan het Rijksinstituut moet meedelen, evenals de wijze waarop die gegevens moeten worden meegedeeld;
  3° de wijze van betaling;
  4° (ingetrokken) <W 2008-12-22/33, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  5° de gevallen waarin kan afgezien worden van de toepassing van de verhogingen;
  6° de gevallen waarin het Rijksinstituut kan afzien van de invordering van de bijdragen en het toebehoren ervan wanneer deze invordering al te onzeker of te bezwarend blijkt in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen;
  7° de wijze waarop het toezicht uitgeoefend wordt in het kader van de toepassing van deze wet.
Art. 7. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
  1° les modalités d'inscription;
  2° les données que l'organisme doit transmettre à l'Institut national, ainsi que les modalités de leur transmission;
  3° les modalités de paiement;
  4° (retiré) <L 2008-12-22/33, art. 28, 004; En vigueur : 01-01-2005>
  5° les cas dans lesquels il peut être renoncé à l'application des majorations;
  6° les cas dans lesquels l'Institut national peut renoncer au recouvrement des cotisations et accessoires lorsque le recouvrement apparaît incertain ou trop contraignant compte tenu du montant des sommes à recouvrir;
  7° les modalités de contrôle dans le cadre de l'application de la présente loi.
Art. 8. Met geldboete van 100 euro tot 1 250 euro worden gestraft de instellingen die de bepalingen van de artikelen 5, § 3, 6, eerste lid, en 7, §§ 1 en 2, overtreden.
Art. 8. Sont sanctionnés d'une amende de 100 euros à 1 250 euros les organismes qui violent (les dispositions des articles 3, § 3, 4, alinéa 1er, et 5, §§ 1er et 2).
Art. 9. § 1. Het Rijksinstituut is belast met de invordering van de bijdragen, de verhogingen en de kosten, zo nodig langs gerechtelijke weg.
  (§ 1bis. Onverminderd haar recht om voor de rechter te dagvaarden, kan het Rijksinstituut als inninginstelling van de bijdragen de bedragen die haar verschuldigd zijn eveneens bij wijze van dwangbevel opvorderen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van vervolging door middel van dwangbevel eveneens de kosten die eruit voortvloeien en hun tenlastelegging.) <W 2005-12-27/31, art. 65, 002; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 2. Het Rijksinstituut kan van de ingeschreven instellingen de terugbetaling vorderen van de kosten die veroorzaakt zijn door de rappelbrieven die ze, eventueel langs gerechtsdeurwaarder, aan de instellingen hebben moeten richten in geval van laattijdige bijdragebetaling.
  § 3. De invordering van de in deze wet bepaalde bijdrage verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarvoor ze verschuldigd is.
  De verjaring wordt gestuit :
  1° op de in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bepaalde wijze;
  2° met een ter post aangetekende brief of een deurwaardersaanmaning waarbij het Rijksinstituut de verschuldigde bijdrage opeist.
  § 4. de vordering tot terugbetaling van een ten onrechte betaalde bijdrage verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de onverschuldigde bijdrage werd betaald.
  De verjaring wordt gestuit :
  1° op de in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bepaalde wijze;
  2° met een ter post aangetekende brief die door de instelling gericht wordt aan het Rijksinstituut dat de bijdrage heeft geïnd, en waarbij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdrage wordt opgeëist.
Art. 9. § 1er. L'Institut national est chargé du recouvrement des cotisations, des majorations et des frais, au besoin par voie judiciaire.
  (§ 1erbis. Sans préjudice de son droit de citer devant le juge, l'Institut national peut, en tant qu'organisme percepteur des cotisations, également procéder au recouvrement des sommes qui lui sont dues par voie de contrainte.
  Le Roi règle les conditions et les modalités de poursuite par voie de contrainte ainsi que les frais résultant de la poursuite et leur mise à charge.) <L 2005-12-27/31, art. 65, 002; En vigueur : 09-01-2006>
  § 2. L'Institut national peut exiger de l'organisme inscrit le remboursement des frais causés par les lettres de rappel qui (ont dû être) adressées aux organismes, éventuellement par voie d'huissier de justice, en cas de paiement tardif des cotisations.
  § 3. Le recouvrement de la cotisation prévue par la présente loi se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit l'année pour laquelle elle est due.
  La prescription est interrompue :
  1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;2° par lettre recommandée à la poste ou sommation d'huissier, par laquelle l'Institut national réclame la cotisation due.
  § 4. L'action en répétition d'une cotisation payée indûment se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle la cotisation a été indûment payée.
  La prescription est interrompue :
  1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
  2° par lettre recommandée à la poste adressée par l'organisme à l'Institut national qui a perçu la cotisation, et par laquelle le remboursement de la cotisation payée indûment est réclamé.
Art. 9bis. <INGEVOEGD bij W 2005-12-27/31, art. 66; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De artikelen 16bis, 16ter [1 , 23ter en 23quater]1 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zijn in het kader van deze wet van toepassing.
  
Art. 9bis. Les articles 16bis, 16ter [1 , 23ter et 23quater]1 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des indépendants, s'appliquent dans le cadre de la présente loi.
  
Art. 10. Met het oog op de toepassing van deze wet zijn de instellingen verplicht aan de behoorlijk gemachtigde ambtenaren van het Rijksinstituut alle nodige inlichtingen mede te delen en inzage te verlenen in boeken, registers, documenten of gelijk welke andere informatiedragers.
Art. 10. Les organismes sont tenus de communiquer aux fonctionnaires dûment habilités de l'Institut national toutes les informations nécessaires, et de leur permettre de consulter les livres, registres, documents ou tout autre support d'information en vue de l'application de la présente loi.
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
CHAPITRE IV. - Modifications de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Art. 11. Artikel 5bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, opgeheven bij de programmawet van 27 december 2004, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " Art. 5bis. Personen die belast zijn met een mandaat in een openbare of private instelling, hetzij uit hoofde van de functie die zij uitoefenen bij een administratie van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling, hetzij als vertegenwoordiger van een werknemers-, werkgevers- of zelfstandigenorganisatie, hetzij als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gewest, van een gemeenschap, van een provincie of van een gemeente, zijn, uit dien hoofde, niet onderworpen aan dit besluit. "
Art. 11. L'article 5bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, abrogé par la loi-programme du 27 décembre 2004, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 5bis. Les personnes chargées d'un mandat dans un organisme public ou privé, soit en raison des fonctions qu'elles exercent auprès d'une administration de l'Etat, d'une communauté, d'une région, d'une province, d'une commune ou d'un établissement public, soit en qualité de représentant d'une organisation de travailleurs, d'employeurs ou de travailleurs indépendants, soit en qualité de représentant de l'Etat, d'une région, d'une communauté, d'une province ou d'une commune, ne sont pas de ce chef assujetties au présent arrêté. "
Art. 12. Artikel 11, § 2bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2004, wordt opgeheven.
Art. 12. L'article 11, § 2bis, du même arrêté, inséré par la loi-programme du 27 décembre 2004, est abrogé.
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepaling.
CHAPITRE V. - Disposition transitoire.
Art. 13. § 1. In afwijking van artikel 3, § 3, dient de instelling die op 1 januari 2005 aan de toepassing van deze wet onderworpen is zich vóór 1 september 2005 bij het Rijksinstituut in te schrijven.
  § 2. Voor het bijdragejaar 2005 dient, in afwijking van artikel 5, § 2, de bijdrage te zijn gestort vóór 1 december 2005.
Art. 13. § 1er. Par dérogation à l'article 3, § 3, l'organisme soumis à l'application de la présente loi au 1er janvier 2005 doit s'inscrire à l'Institut national avant le 1er septembre 2005.
  § 2. Pour 1'année de cotisation 2005, la cotisation doit, par dérogation à l'article 5, § 2, être versée avant le 1er décembre 2005.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions finales.
Art. 14. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2005.
Art. 14. La présente loi produit ses effets le 1er janvier 2005.
Art. 15. De koninklijke besluiten die krachtens deze wet dienen te worden genomen, worden genomen op voorstel van de Minister die bevoegd is voor de Middenstand.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 13 juli 2005.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  Met 's lands Zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX.
Art. 15. Les arrêtés royaux à prendre en vertu de la présente loi le sont sur la proposition du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 13 juillet 2005.
  ALBERT
  Par le Roi :
  (La Ministre des Classes moyennes),
  Mme S. LARUELLE
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX.