Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
19 APRIL 2005. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 69, § 2bis, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. (NOTA : opgeheven voor de Duitstalige gemeenschap bij BDG2018-11-29/14, art. 46,32°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2019)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-05-2005 en tekstbijwerking tot 27-12-2018)
Titre
19 AVRIL 2005. - Arrêté royal portant exécution de l'article 69, § 2bis, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés. (NOTE : abrogé pour la Communauté germanophone par ACG2018-11-29/14, art. 46,32°, 002; En vigueur : 01-01-2019)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-05-2005 et mise à jour au 27-12-2018)
Informations sur le document
Numac: 2005022359
Datum: 2005-04-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2005022359
Date: 2005-04-19
Moniteur: Voir
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. Wordt beschouwd als bijslagtrekkende in de zin van artikel 69, § 2bis, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, in het geval van ontvoering van het kind, de volgende persoon indien hij de voorwaarden vervult bedoeld in het tweede lid :
1° de ouder, vader of moeder, die bijslagtrekkende was voor het ontvoerde kind onmiddellijk voor de ontvoering, bij toepassing van artikel 69, § 1, van dezelfde wetten;
2° bij gebrek hieraan, de moeder van het ontvoerde kind die geen bijslagtrekkende was voor dit kind;
3° bij gebrek hieraan, de vader van het ontvoerde kind die geen bijslagtrekkende was voor dit kind;
4° bij gebrek hieraan, de persoon die bijslagtrekkende was voor het ontvoerde kind onmiddellijk voor de ontvoering, bij toepassing van artikel 69, § 1, tweede lid, van dezelfde wetten.
De personen bedoeld in het eerste lid, mogen slechts beschouwd worden als bijslagtrekkenden indien zij niet rechtstreeks of onrechtstreeks hebben deelgenomen aan de ontvoering van het kind en indien zij hun hoofdverblijfplaats hebben in België in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en zij deze hadden op het ogenblik van de ontvoering van het kind.
Article 1. Est considérée comme allocataire au sens de l'article 69, § 2bis, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, en cas d'enlèvement de l'enfant, la personne suivante si elle remplit les conditions visées à l'alinéa 2 :
1° le parent, père ou mère, qui était allocataire pour l'enfant enlevé, immédiatement avant l'enlèvement, en application de l'article 69, § 1er, des mêmes lois;
2° à défaut, la mère de l'enfant enlevé qui n'était pas allocataire pour cet enfant;
3° à défaut, le père de l'enfant enlevé qui n'était pas allocataire pour cet enfant;
4° à défaut, la personne qui était allocataire pour l'enfant enlevé, immédiatement avant l'enlèvement, en application de l'article 69, § 1er, alinéa 2 des mêmes lois.
Les personnes visées à l'alinéa 1er ne peuvent être considérées comme allocataires que si elles n'ont pas participé directement ou indirectement à l'enlèvement de l'enfant et que si elles ont leur résidence principale en Belgique au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et qu'elles l'avaient au moment de l'enlèvement de l'enfant.
Art. 2. Onder ontvoering van het kind in de zin van artikel 69, § 2bis, van dezelfde wetten, moet worden verstaan de handeling die tot doel heeft het kind wederrechtelijk te onttrekken aan het gezag van één van zijn ouders, vader of moeder, of van de persoon die bijslagtrekkende was onmiddellijk voor deze handeling, overeenkomstig artikel 69, § 1, tweede lid, van dezelfde wetten, of van de instelling waar het kind geplaatst was overeenkomstig artikel 70 van dezelfde wetten, wanneer deze handeling :
1° het voorwerp uitmaakt van een klacht of van een aangifte bij de politie, het parket of de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake de ontvoering van kinderen;
2° een kind betreft van minder dan achttien jaar oud.
Art. 2. Il y a lieu d'entendre par enlèvement de l'enfant au sens de l'article 69, § 2bis, des mêmes lois, l'acte qui a pour but de soustraire illégalement l'enfant à l'autorité de l'un de ses parents, père ou mère, ou de la personne qui était allocataire immédiatement avant cet acte conformément à l'article 69, § 1er, alinéa 2, des mêmes lois, ou de l'institution dans laquelle l'enfant était placé conformément à l'article 70 des mêmes lois, lorsque cet acte :
1° fait l'objet d'une plainte ou d'une déclaration à la police, au parquet ou auprès des autorités administratives belges compétentes en matière d'enlèvement d'enfants;
2° concerne un enfant âgé de moins de dix-huit ans.
Art. 3. De aanduiding van de bijslagtrekkende overeenkomstig artikel 1 is geldig vanaf de datum van de ontvoering van het kind en zolang deze laatste de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt.
Art. 3. La désignation de l'allocataire conformément à l'article 1er est valable à partir de la date de l'enlèvement de l'enfant et aussi longtemps que ce dernier n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Art. 5. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l'exécution du présent arrêté.