Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 MAART 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen.
Titre
10 MARS 2005. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 4 juillet 1996 relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements.
Informations sur le document
Numac: 2005022272
Datum: 2005-03-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2005022272
Date: 2005-03-10
Moniteur: Voir
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. Artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 maart 2002 en 31 juli 2004, wordt aangevuld als volgt :
  " 30° zoönose : ziekte en/of besmetting die langs natuurlijke weg direct of indirect tussen dieren en mensen kan worden overgedragen;
  31° zoönoseverwekker : virus, bacterie, schimmel, parasiet of andere biologische entiteit waardoor een zoönose kan worden veroorzaakt. "
Article 1. L'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 4 juillet 1996 relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements, modifié par les arrêtés royaux des 18 mars 2002 et 31 juillet 2004, est complété comme suit :
  " 30° zoonose : toute maladie et/ou toute infection naturellement transmissible directement ou indirectement entre l'animal et l'homme;
  31° agent zoonotique : tout virus, toute bactérie, tout champignon, tout parasite ou toute autre entité biologique susceptible de provoquer une zoonose. "
Art. 2. In artikel 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 2002, worden de paragrafen 5bis en 5ter ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 5bis. Wanneer de exploitant een onderzoek doet naar de aanwezigheid van zoönoses en zoönoseverwekkers, moet hij de resultaten daarvan bijhouden en ervoor zorgen dat relevante isolaten worden bewaard gedurende een termijn die wordt voorgeschreven door het Agentschap dat daarbij rekening houdt met de incubatieperiode van het betrokken agens, zijn epidemiologie evenals met het type en de aard van het levensmiddel.
  Desgevraagd deelt de exploitant de resultaten van de onderzoeken mee aan het Agentschap en stelt het isolaten ter beschikking.
  § 5ter. Wanneer in geval van een uitbraak van een door voedsel overgedragen zoönose de exploitant het Agentschap overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen informatie verschaft, dient hij ervoor te zorgen dat het betrokken levensmiddel, of een geschikt monster daarvan, zo bewaard wordt dat het onderzoek ervan in een laboratorium of het onderzoek van de uitbraak niet belemmerd wordt.
  Het eerste lid geldt onverminderd voorschriften inzake productveiligheid, systemen voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van overdraagbare menselijke ziekten, levensmiddelenhygiëne, de algemene voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, in het bijzonder die betreffende noodmaatregelen en procedures voor het uit de handel nemen van levensmiddelen. "
Art. 2. Dans l'article 4, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 28 août 2002, sont insérés les paragraphes 5bis et 5ter, rédigés comme suit :
  " § 5bis. Lorsque l'exploitant procède à des examens en vue de détecter la présence de zoonoses et d'agents zoonotiques, il conserve les résultats et fait le nécessaire pour que toute souche pertinente soit conservée pendant une période fixée par l'Agence qui à cette fin tient compte de la période d'incubation de l'agent en question, son épidémiologie ainsi que du type et de la nature de la denrée alimentaire.
  L'exploitant communique les résultats des examens et fait parvenir les souches à l'Agence sur sa demande.
  § 5ter. Si l'exploitant, lors d'un foyer de toxi-infection quelconque, fournit des informations à l'Agence conformément à l'arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l'autocontrôle, à la notification obligatoire et à la traçabilité dans la chaîne alimentaire, il fait le nécessaire pour que la denrée alimentaire en cause, ou un échantillon approprié de celle-ci, soit conservée de manière à n'empêcher ni son analyse en laboratoire ni l'enquête sur le foyer.
  Le premier alinéa s'applique sans préjudice des normes relatives à la sécurité des produits, aux systèmes d'alerte précoce et de la réaction pour la prévention et le contrôle des maladies transmissibles de l'homme et à l'hygiène des denrées alimentaires, et des prescriptions générales de la législation alimentaire, notamment celles qui concernent les mesures d'urgence et les procédures de retrait du marché applicables aux denrées alimentaires. "
Art. 3. In artikel 19, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 december 1997, wordt het eerste lid vervangen door het volgend lid :
  " De exploitanten van de uitsnijderijen en van de koel- en vrieshuizen waar vers vlees wordt opgeslagen dienen bovendien een register bij te houden waarin respectievelijk bij ontvangst en bij verzending van vers vlees, elke zending wordt vermeld met aanduiding van de datum, het gewicht, de diersoort, het begeleidend handelsdocument of het certificaat evenals de herkomst, respectievelijk de bestemming. Dit register dient tevens het verband tussen de ontvangen en verzonden zendingen weer te geven. "
Art. 3. A l'article 19, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 22 décembre 1997, l'alinéa 1er est remplacée par l'alinéa suivant :
  " De plus, les exploitants des ateliers de découpe et des entrepôts frigorifiques dans lesquels est entreposée de la viande fraîche doivent tenir un registre dans lequel, lors de la réception et de l'expédition de cette viande, chaque envoi est inscrit avec l'indication de la date, du poids, de l'espèce animale, du document d'accompagnement commercial ou du certificat ainsi que de la provenance et de la destination. La relation entre les envois réceptionnés et expédiés doit également être établi par ce registre. "
Art. 4. In Bijlage I, hoofdstuk III, van hetzelfde besluit, wordt punt 4, aangevuld met volgend lid :
  " Ook ingeval gebruik mag worden gemaakt van een overeenkomstig de reglementering betreffende het vervoer van vlees verleende toestemming tot vervoer van niet geheel doorkoeld varkensvlees, mag de koeling in een slachthuis niet onderbroken worden onder het voorwendsel dat een kerntemperatuur van 16 °C of lager en/of een oppervlaktetemperatuur van 9 °C of lager is bereikt. "
Art. 4. Dans l'Annexe Ire, chapitre III, du même arrêté, le point 4 est complété par l'alinéa suivant :
  " Même dans le cas où l'on peut utiliser une autorisation de transport de viandes de porcs non-complètement refroidies, accordée conformément à la réglementation relative au transport de viandes, le refroidissement dans un abattoir ne peut pas être interrompu sous prétexte qu'une température à coeur de 16 °C ou inférieure et/ou une température en surface de 9 °C ou inférieure est atteinte. "
Art. 5. In Bijlage III bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 december 1997 en 28 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in hoofdstuk II worden de punten 3bis en 3ter ingevoegd, luidend als volgt :
  " 3bis. Bemonsteringsprocedures en aantal te nemen monsters in slachthuizen met een geringe capaciteit
  In afwijking op punt 3, eerste en tweede lid, wordt in de slachthuizen met een geringe capaciteit een op jaarbasis aanvankelijk minimaal te nemen aantal monsters per diersoortengroep (runderen en eenhoevigen/varkens/schapen en geiten) bepaald. Het stemt voor elke diersoortengroep overeen met het totaal aantal slachtingen binnen deze groep gedurende het voorgaand kalenderjaar uitgedrukt in GVE en gedeeld door twintig, waarbij elk quotiënt wordt afgerond tot de hogere eenheid. Evenwel dienen per diersoortengroep waarvan in het voorafgaand jaar minstens vijf GVE werden geslacht, minstens twee monsters te worden genomen en in totaal minstens zes monsters.
  Het nemen van het aldus bekomen aantal monsters wordt verspreid over het jaar naargelang de verwachte spreiding der slachtingen, rekening houdend met de spreiding der slachtingen in het voorafgaande jaar. Tevens dient een spreiding van de monsternemingen over de dagen van de week nagestreefd.
  Elk jaar wordt aldus vóór 15 januari een plan van monsternemingen vastgesteld waarin bij benadering per week en per diersoortgroep het aantal aanvankelijk te nemen monsters wordt vastgelegd. Evenwel, indien dit stelsel van monsternemingen niet van bij de jaaraanvang wordt opgestart, dient het plan slechts de rest van het kalenderjaar te omvatten en bij zijn berekening slechts rekening te houden met de overeenstemmende periode van het voorgaand kalenderjaar.
  Alvorens de exploitant gebruik kan maken van dit stelsel van monsternemingen dient hij daartoe elk jaar de toestemming van de toezichthoudende dierenarts van het Agentschap te bekomen. Hij overlegt bij zijn aanvraag het plan van monsternemingen evenals de bewijsstukken van het aantal slachtingen waarop het is gesteund. Indien tijdens de uitvoering van het plan mocht blijken dat de ontwikkeling van het reële aantal slachtingen een afwijking vertoont van meer dan 20 % tegenover het voorgaand jaar, wordt het plan aangepast overeenkomstig de instructies van de toezichtdierenarts van het Agentschap.
  Indien een onaanvaardbaar resultaat wordt verkregen of twee marginale resultaten binnen de laatste vijf, wordt het aanvankelijk voorzien aantal monsters gedurende een periode van acht opeenvolgende weken verdubbeld en in elk geval tot één monster per week opgevoerd, met dien verstande dat het aldus bijkomend genomen aantal monsters niet mag worden meegerekend om het aanvankelijk bepaald minimum voor het jaar te behalen.
  3ter. Bemonsteringsprocedures en aantal te nemen monsters in slachthuizen die niet voltijds in bedrijf zijn
  De andere slachthuizen dan deze met een geringe capaciteit, waar niet meer dan drie dagen per week wordt geslacht of waar bij courante activiteit niet meer dan 1 000 GVE per jaar worden geslacht, kunnen gebruik maken van de bepalingen onder punt 3bis, met uitzondering van het vijfde lid, indien de frequentie van monsterneming reeds werd teruggebracht tot eenmaal per twee weken overeenkomstig punt 3, eerste lid, en indien de resultaten opnieuw gedurende zes opeenvolgende weken bevredigend zijn.
  Alvorens de exploitant gebruik kan maken van de bepaling van het eerste lid, dient hij daartoe de toestemming van de toezichthoudende dierenarts van het Agentschap te bekomen. Daartoe overlegt de exploitant bij zijn aanvraag de bewijsstukken die aantonen dat aan alle voorwaarden van het eerste lid is voldaan.
  Indien een onaanvaardbaar resultaat wordt verkregen, dienen opnieuw de wekelijkse frequentie van bemonstering en het aantal te nemen monsters overeenkomstig punt 3, eerste lid, in acht genomen;
  Indien een marginaal resultaat wordt verkregen, dienen opnieuw de tweewekelijkse frequentie van bemonstering en het aantal te nemen monsters overeenkomstig punt 3, eerste lid, in acht genomen. ".
  2° in hoofdstuk II, wordt het punt 7, Verificatiecriteria, aangevuld met volgend lid :
  " Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bepalingen onder punt 3bis, wordt voor de toepassing van de tabellen 1 en 2 gehandeld op basis van n = 5 en c = 1. ";
  3° in hoofdstuk III, wordt het punt 2 aangevuld met de volgende leden :
  " Indien alle resultaten gedurende een periode van zes maanden aanvaardbaar zijn, kan de termijn van twee weken bedoeld in het eerste lid op vier weken worden gebracht. Alvorens de exploitant gebruik kan maken van deze afwijking, dient hij daartoe de toestemming van de toezichthoudende dierenarts van het Agentschap te bekomen. Daartoe overlegt de exploitant bij zijn aanvraag de bewijsstukken die aantonen dat aan alle voorwaarden is voldaan.
  Indien een onaanvaardbaar of marginaal resultaat wordt bekomen, dienen opnieuw de frequentie van bemonstering en het aantal te nemen monsters overeenkomstig het eerste lid, in acht genomen. ";
  4° in hoofdstuk III wordt een punt 2bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " 2bis. Frequentie in de slachthuizen met geringe capaciteit en de uitsnijderijen met geringe capaciteit
  Ingeval de resultaten gedurende drie opeenvolgende maanden gunstig zijn, mag de frequentie worden verminderd tot de helft, mits toestemming van de toezichthoudende dierenarts van het Agentschap. De toestemming vervalt indien een ongunstig resultaat wordt bekomen.
  Om te bereiken dat in een periode van zes maanden alle oppervlakken worden getest, moet er een schema opgesteld worden waarop staat aangegeven welke oppervlakken op welke dagen bemonsterd moeten worden. De resultaten moeten geregistreerd worden ";
  5° hoofdstuk V, punt 1, van de Franse tekst wordt vervangen als volgt :
  " 1. La production doit être contrôlée en effectuant des examens microbiologiques dans un laboratoire jugé adéquat d'un établissement agréé de l'exploitant ou dans un laboratoire agréé pour l'analyse des denrées alimentaires selon une fréquence journalière pour les viandes hachées et une fréquence hebdomadaire pour les préparations de viandes. "
Art. 5. Dans l'Annexe III du même arrêté, modifiée par les arrêtés royaux des 22 décembre 1997 et 28 août 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au chapitre II, sont insérés les points 3bis et 3ter, rédigés comme suit :
  " 3bis. Procédure d'échantillonnage et nombre d'échantillons à prélever dans les abattoirs de faible capacité
  Par dérogation au point 3, alinéas 1er et 2, un nombre initialement minimal d'échantillons à prélever par groupe d'espèces animales (bovins et solipèdes/porcins/ovins et caprins) sur base annuelle est défini pour les abattoirs de faible capacité. Il correspond pour chaque groupe d'espèces animales au nombre total d'abattages dans ce groupe durant l'année calendrier précédente exprimé en UGB et divisé par vingt, chaque quotient étant arrondi à l'unité supérieure. Cependant, au moins deux échantillons doivent être prélevés par groupe d'espèces animales dont au moins cinq UGB ont été abattus l'année précédente et au moins six échantillons au total.
  Le prélèvement du nombre d'échantillons ainsi obtenu est réparti sur l'année en fonction de la répartition prévue des abattages, en tenant compte de la répartition des abattages de l'année précédente. En outre, il faut viser une répartition des échantillonnages sur les jours de la semaine.
  Chaque année, avant le 15 janvier, un plan d'échantillonnage, fixant le nombre d'échantillons à prélever par semaine et par groupe d'espèces animales, est ainsi défini. Cependant, si ce système d'échantillonnages n'est pas lancé au début de l'année, le plan ne doit contenir que le reste de l'année calendrier et ne doit, lors de son calcul, que tenir compte de la période correspondante de l'année calendrier précédente.
  Avant que l'exploitant ne puisse utiliser ce système d'échantillonnages, il doit d'abord, chaque année, obtenir à cet effet l'autorisation du vétérinaire de contrôle de l'Agence. Il présente, lors de sa demande, le plan d'échantillonnages ainsi que les documents justificatifs du nombre d'abattages sur lesquels il repose. Si, lors de l'exécution du plan, il s'avère que le développement du nombre réel d'abattages présente une différence excédant les 20 % par rapport à l'année précédente, le plan est alors adapté conformément aux instructions du vétérinaire de contrôle de l'Agence.
  En cas de résultat inacceptable ou de deux résultats marginaux parmi les cinq derniers prélèvements, le nombre d'échantillons initialement prévu est doublé pendant une période de huit semaines consécutives, avec au minimum un échantillon par semaine; il s'agit d'échantillons supplémentaires non comptabilisables dans le cadre du nombre d'échantillons minimum à prélever annuellement.
  3ter. Procédure d'échantillonnage et nombre d'échantillons à prélever dans les abattoirs ne travaillant pas à temps complet
  Les abattoirs, autres que ceux de faible capacité, où l'on n'abat pas plus de trois jours par semaine ou bien où, lors d'activité courante, pas plus de 1 000 UGB sont abattues par an, peuvent bénéficier des dispositions du point 3bis, à l'exception de l'alinéa 5, si la fréquence d'échantillonnage a déjà été réduite à un test tous les quinze jours conformément au point 3, alinéa 1er, et si de nouveau des résultats satisfaisants ont été obtenus pendant six semaines consécutives.
  Avant de pouvoir utiliser la disposition de l'alinéa 1er, l'exploitant doit en obtenir l'autorisation du vétérinaire de contrôle de l'Agence. A cet effet, l'exploitant produit, lors de sa demande, les pièces justificatives qui prouvent qu'il a été satisfait à toutes les conditions de l'alinéa 1er.
  Lorsqu'un résultat inacceptable est obtenu, il faut à nouveau respecter la fréquence d'échantillonnage hebdomadaire et le nombre d'échantillons à prélever conformément au point 3, alinéa 1er.
  Lorsqu'un résultat marginal est obtenu, il faut à nouveau respecter la fréquence d'échantillonnage bi-hebdomadaire et le nombre d'échantillons à prélever conformément au point 3, alinéa 1er. ";
  2° au chapitre II, le point 7, Critères de vérification, est complété par l'alinéa suivant :
  " Lors de l'application des dispositions du point 3bis, il est procédé sur base de n = 5 et c = 1 pour l'application des tableaux 1 et 2. ";
  3° au chapitre III, le point 2 est complété des alinéas suivants :
  " Si tous les résultats sont acceptables pendant une période de six mois, le délai de deux semaines visé au alinéa 1er peut être porté à quatre semaines. Avant de pouvoir utiliser cette dérogation, l'exploitant doit en obtenir l'autorisation du vétérinaire de contrôle de l'Agence. A cet effet, l'exploitant produit, lors de sa demande, les pièces justificatives qui prouvent qu'il a été satisfait à toutes les conditions.
  Lorsqu'un résultat inacceptable ou marginal est obtenu, il faut à nouveau respecter la fréquence d'échantillonnage et le nombre d'échantillons à prélever conformément à l'alinéa 1er. ";
  4° au chapitre III, il est inséré un point 2bis, rédigé comme suit :
  " 2bis. Fréquence dans les abattoirs de faible capacité et les ateliers de découpe de faible capacité
  Si les résultats sont favorables pendant trois mois consécutifs, la fréquence peut être réduite de moitié à condition d'obtenir l'autorisation du vétérinaire de contrôle de l'Agence. L'autorisation échoit lorsqu'un résultat défavorable est obtenu.
  Pour faire en sorte que toutes les surfaces soient testées sur une période de six mois, un calendrier doit être établi indiquant les jours où des surfaces données doivent être échantillonnées. Les résultats doivent être enregistrés ";
  5° le chapitre V, point 1, du texte français est remplacé par la disposition suivante :
  " 1. La production doit être contrôlée en effectuant des examens microbiologiques dans un laboratoire jugé adéquat d'un établissement agréé de l'exploitant ou dans un laboratoire agréé pour l'analyse des denrées alimentaires selon une fréquence journalière pour les viandes hachées et une fréquence hebdomadaire pour les préparations de viandes. "
Art. 6. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 6. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Art. 7. Onze Minister bevoegd voor de Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 10 maart 2005.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE.
Art. 7. Notre Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 10 mars 2005.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
  R. DEMOTTE.