Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
17 SEPTEMBER 2005. - Wet met betrekking tot de activiteiten op het gebied van het lanceren, het bedienen van de vlucht of het geleiden van ruimtevoorwerpen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-11-2005 en tekstbijwerking tot 15-01-2014)
Titre
17 SEPTEMBRE 2005. - Loi relative aux activités de lancement, d'opération de vol ou de guidage d'objets spatiaux(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-11-2005 et mise à jour au 15-01-2014)
Informations sur le document
Numac: 2005011439
Datum: 2005-09-17
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2005011439
Date: 2005-09-17
Moniteur: Voir
Tekst (28)
Texte (28)
HOOFDSTUK I. - Voorwerp en Definities.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. § 1. Deze wet heeft betrekking op de activiteiten op het gebied van het lanceren, het bedienen van de vlucht of het geleiden van ruimtevoorwerpen die verricht worden door natuurlijke of rechtspersonen in de gebieden onder de rechtsbevoegdheid of onder het toezicht van de Belgische Staat of door middel van, roerende of onroerende, installaties die eigendom zijn van de Belgische Staat of die zich onder zijn rechtsbevoegdheid of toezicht bevinden.
  § 2. Wanneer een internationale overeenkomst zulks bepaalt, kan deze wet toegepast worden op de activiteiten als bedoeld in het eerste lid en verricht door natuurlijke of rechtspersonen van Belgische nationaliteit, ongeacht de plaats waar die activiteiten verricht worden.
Art. 2. § 1er. La présente loi vise les activités de lancement, d'opération de vol ou de guidage d'objets spatiaux qui sont exercées par des personnes physiques ou morales dans les zones placées sous la juridiction ou sous le contrôle de l'Etat belge ou au moyen d'installations, meubles ou immeubles, qui sont la propriété de l'Etat belge ou qui se trouvent sous sa juridiction ou son contrôle.
  § 2. Lorsqu'un accord international le prévoit, la présente loi peut s'appliquer aux activités visées à l'alinéa 1er et menées par des personnes physiques ou morales de nationalité belge, quel que soit le lieu où ces activités sont menées.
Art. 3. Voor de toepassing van deze wet, dient te worden verstaan :
  1° [1 onder "ruimtevoorwerp",
   (a) elk voorwerp dat wordt gelanceerd of bestemd is om te worden gelanceerd om in een baan rond de Aarde of naar een bestemming verder dan de aardebaan te brengen;
   (b) elk instrument bestemd om een voorwerp in een baan te brengen als bedoeld onder (a). Een dergelijk instrument wordt ook beschouwd als een ruimtevoorwerp zelfs al wordt het in lege toestand bediend in het kader van de ontwikkelings- en valideringsfase ervan;
   (c) alle samenstellende delen van een voorwerp als bedoeld onder (a) of (b);]1

  2° [1 onder "operator", de persoon die de activiteiten als bedoeld in deze wet verricht of van plan is te verrichten door, alleen of gezamenlijk, voor de effectieve controle te zorgen van het ruimtevoorwerp. De operator kan de activiteit verrichten krachtens een aannemingscontract.
   Voor een ruimtevoorwerp waarvan de vlucht niet kan worden bediend of dat niet kan worden geleid zodra het zich in een baan bevindt, wordt de operator geacht de persoon te zijn die de opdracht voor de positionering van het voorwerp in de ruimte geeft;]1

  3° [1 onder "effectieve controle", het gezag over de activering van de besturings- of telebesturingsmiddelen en, in voorkomend geval, de daarmee samenhangende noodzakelijke toezichtsmiddelen voor de uitvoering van de activiteiten op het gebied van het lanceren, het bedienen van de vlucht of het geleiden van een of meer ruimtevoorwerpen;]1
  4° onder "constructeur", iedere persoon die meewerkt of meegewerkt heeft aan de ontwikkeling, de fabricage of de assemblage van het geheel of een deel van een ruimtevoorwerp;
  5° [1 onder "bedienen van de vlucht" en onder "geleiden", elke operatie met betrekking tot de positionering, de vluchtomstandigheden, de navigatie of de evolutie van het ruimtevoorwerp in de kosmische ruimte, zoals de keuze, de controle of de bijstelling van zijn baan of zijn traject;]1
  6° onder "Minister", de Minister die bevoegd is voor het ruimtevaartonderzoek en zijn toepassingen in het raam van de internationale samenwerking;
  7° onder "Ruimteverdrag", het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de Maan en andere hemellichamen, gedaan op 27 januari 1967 en door België bekrachtigd op 30 maart 1973;
  8° onder "Overeenkomst betreffende de internationale ruimteaansprakelijkheid", de Overeenkomst betreffende de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen, gedaan op 29 maart 1972 en door België bekrachtigd op 13 augustus 1976;
  9° onder "Overeenkomst betreffende de registratie van ruimtevoorwerpen", de Overeenkomst betreffende de registratie van de in de kosmische ruimte gelanceerde voorwerpen, gedaan op 14 januari 1975 en door België bekrachtigd op 24 februari 1977;
  10° onder "Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders en de teruggave van ruimtevoorwerpen", de Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van de in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen, gedaan op 22 april 1968 en door België bekrachtigd op 15 april 1977;
  11° onder "lanceerstaat", iedere Staat als bedoeld in artikel VII van het Ruimteverdrag, artikel een van de Overeenkomst betreffende de internationale ruimteaansprakelijkheid of artikel een van de Overeenkomst betreffende de registratie van ruimtevoorwerpen;
  12° onder "schade", iedere schade zoals omschreven door artikel één van de Overeenkomst betreffende de internationale ruimteaansprakelijkheid. Krachtens deze wet, strekt de aansprakelijkheid van de Belgische Staat ten gevolge van genoemde schade zich voorts uit tot de Belgische onderdanen, natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van die welke meewerken aan de betrokken activiteiten.
  
Art. 3. Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre :
  1° [1 par "objet spatial",
   (a) tout objet lancé ou destiné à être lancé sur une trajectoire orbitale autour de la Terre ou vers une destination au-delà de l'orbite terrestre;
   (b) tout engin destiné à lancer un objet sur une trajectoire visée au point (a). Un tel engin est également considéré comme un objet spatial alors même qu'il est opéré à vide pour les besoins de sa phase de développement et de validation;
   (c) tout élément constitutif d'un objet visé au point (a) ou au point (b);]1

  2° [1 par "opérateur", la personne qui mène ou entreprend de mener les activités visées par la présente loi en assurant, seule ou conjointement, le contrôle effectif de l'objet spatial. L'activité menée par un opérateur peut l'être en vertu d'un contrat d'entreprise.
   Dans le cas d'un objet spatial qui n'est pas susceptible d'être opéré en vol ou d'être guidé une fois en orbite, l'opérateur est réputé être la personne qui donne l'ordre de mise à poste de l'objet;]1

  3° [1 par "contrôle effectif", l'autorité exercée sur l'activation des moyens de commande ou de télécommande et, le cas échéant, des moyens de surveillance associés, nécessaires à l'exécution des activités de lancement, d'opération de vol ou de guidage d'un ou de plusieurs objets spatiaux;]1
  4° par "constructeur", toute personne participant ou ayant participé au développement, à la fabrication ou à l'assemblage de tout ou partie d'un objet spatial;
  5° [1 par "opération de vol" et par "guidage", toute opération se rapportant à la mise à poste, aux conditions de vol, à la navigation ou à l'évolution de l'objet spatial dans l'espace extra-atmosphérique, telle que le choix, le contrôle ou la correction de son orbite ou de sa trajectoire;]1
  6° par "Ministre", le Ministre ayant dans ses attributions la recherche spatiale et ses applications dans le cadre de la coopération internationale;
  7° par "Traité de l'Espace", le Traité sur les principes régissant les activités des Etats en matière d'exploration et d'utilisation de l'espace extra-atmosphérique, y compris la Lune et les autres corps célestes, fait le 27 janvier 1967 et ratifié par la Belgique le 30 mars 1973;
  8° par "Convention sur la responsabilité spatiale internationale", la Convention sur la responsabilité internationale pour les dommages causés par des objets spatiaux, faite le 29 mars 1972 et ratifiée par la Belgique le 13 août 1976;
  9° par "Convention sur l'immatriculation des objets spatiaux", la Convention sur l'immatriculation des objets lancés dans l'espace extra-atmosphérique, faite le 14 janvier 1975 et ratifiée par la Belgique le 24 février 1977;
  10° par "Accord sur le sauvetage des astronautes et la restitution des objets spatiaux", l'Accord sur le sauvetage des astronautes, le retour des astronautes et la restitution des objets lancés dans l'espace extra-atmosphérique, fait le 22 avril 1968 et ratifié par la Belgique le 15 avril 1977;
  11° par "Etat de lancement", tout Etat visé par l'article VII du Traité de l'Espace, l'article premier de la Convention sur la responsabilité spatiale internationale ou l'article premier de la Convention sur l'immatriculation des objets spatiaux;
  12° par "dommage", tout dommage tel que défini par l'article premier de la Convention sur la responsabilité spatiale internationale. En vertu de la présente loi, la responsabilité de l'Etat belge du fait dudit dommage s'étend en outre aux ressortissants belges, personnes physiques ou morales, à l'exception de ceux participant aux activités en cause.
  
HOOFDSTUK II. - Machtiging en Toezicht op de activiteiten.
CHAPITRE II. - Autorisation et Surveillance des activités.
Art. 4. § 1. Het verrichten van de activiteiten als bedoeld in deze wet is onderworpen aan de voorafgaande machtiging van de Minister, conform de bepalingen hierna.
  § 2. De machtiging wordt aangevraagd door de operator en wordt hem persoonlijk en op niet overdraagbare wijze verleend.
  § 3. De activiteiten moeten worden verricht conform het volkenrecht en, inzonderheid, de beginselen opgenomen in het Ruimteverdrag en de andere verdragen en overeenkomsten waarbij België partij is.
Art. 4. § 1er. L'exercice des activités visées par la présente loi est soumis à l'autorisation préalable du Ministre, conformément aux dispositions qui suivent.
  § 2. L'autorisation est demandée par l'opérateur et lui est accordée à titre personnel et non cessible.
  § 3. Les activités doivent être menées en conformité avec le droit international et, en particulier, avec les principes énoncés par le Traité de l'Espace et les autres traités et accords auxquels la Belgique est partie.
Art. 5. § 1. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor het verlenen van de machtigingen om de veiligheid van personen en goederen, de bescherming van het leefmilieu, het optimaal gebruik van het luchtruim en de kosmische ruimte en de bescherming van de strategische, economische en financiële belangen van de Belgische Staat te waarborgen alsmede om te voldoen aan de verplichtingen van de Belgische Staat krachtens het volkenrecht.
  De Koning bepaalt in welke mate de voorwaarden die Hij vastlegt van toepassing zijn op de activiteiten waarop een lopende machtiging betrekking heeft.
  § 2. De Minister kan aan iedere machtiging alle bijzondere voorwaarden verbinden die hij nuttig acht om, naargelang van het geval, dezelfde doelstellingen te bereiken.
  Hij kan met name de technische bijstand van een derde opleggen, voorwaarden vastleggen met betrekking tot de lokalisatie van de activiteiten of de lokalisatie van de hoofdvestiging van de Operator of het sluiten opleggen van een verzekering ten gunste van derden die de schade dekt welke kan voortvloeien uit de toegestane activiteiten.
  De Minister kan de machtiging voor een bepaalde duur verlenen, gelet op de activiteiten waarop ze betrekking heeft.
  § 3. De Minister kan de bijzondere voorwaarden wijzigen die van toepassing zijn op een toegestane activiteit. In dat geval bepaalt hij de termijn na het verstrijken waarvan de nieuwe voorwaarden nageleefd moeten worden.
Art. 5. § 1er. Le Roi peut déterminer les conditions d'octroi des autorisations en vue d'assurer la sécurité des personnes et des biens, la sauvegarde de l'environnement, l'utilisation optimale de l'espace aérien et de l'espace extra-atmosphérique, la protection des intérêts stratégiques, économiques et financiers de l'Etat belge, ainsi que de satisfaire aux obligations incombant à l'Etat belge en vertu du droit international.
  Le Roi détermine dans quelle mesure les conditions qu'Il fixe sont applicables aux activités couvertes par une autorisation en cours.
  § 2. Le Ministre peut assortir chaque autorisation de toutes conditions particulières qu'il juge utiles à la réalisation des mêmes objectifs, eu égard au cas d'espèce.
  Il peut notamment imposer l'assistance technique d'un tiers, fixer des conditions relatives à la localisation des activités ou à la localisation de l'établissement principal de l'opérateur ou imposer la conclusion d'une assurance au profit de tiers couvrant le dommage pouvant résulter des activités autorisées.
  Le Ministre peut accorder l'autorisation pour une durée déterminée, eu égard aux activités sur lesquelles elle porte.
  § 3. Le Ministre peut modifier les conditions particulières applicables à une activité autorisée. Dans ce cas, il détermine le délai au terme duquel les nouvelles conditions doivent être respectées.
Art. 6. De Koning legt de voorwaarden vast waaronder de controle en het toezicht op de activiteiten als bedoeld in deze wet gewaarborgd zijn.
Art. 6. Le Roi fixe les conditions dans lesquelles sont assurés le contrôle et la surveillance des activités visées par la présente loi.
HOOFDSTUK III. - Inhoud van het dossier en Procedure.
CHAPITRE III. - Contenu du dossier et Procédure.
Art. 7. § 1. De machtigingsaanvraag wordt door de operator aan de Minister gericht. De Minister bericht er ontvangst van.
  § 2. De volgende informaties worden bij de aanvraag gevoegd :
  1° de nauwkeurige identificatie van de operator, de voorstelling van zijn vroegere, huidige en toekomstige activiteiten, de technische, financiële en juridische waarborgen waarover hij beschikt;
  2° de precieze beschrijving van de activiteiten waarvoor de machtiging gevraagd wordt;
  3° de nauwkeurige identificatie van het ruimtevoorwerp of van het geheel van ruimtevoorwerpen waarvoor de machtiging gevraagd wordt;
  4° de identificatie van de constructeur(s) van het ruimtevoorwerp;
  5° de studie betreffende de gevolgen voor het leefmilieu als bedoeld in artikel 8, § 2;
  6° de precieze identificatie van de personen voor wier rekening de activiteiten verricht zullen worden;
  7° de zo nauwkeurig mogelijke identificatie van de personen die zullen meewerken aan het verrichten van de activiteiten;
  8° ieder ander informatief element waarvan de operator de belangrijkheid niet kan negeren wat de beslissing betreft van de Minister tot het verlenen van de machtiging.
  § 3. De Koning kan de in § 2 opgenomen lijst met informaties aanvullen.
  Het meedelen van deze informaties ontslaat de operator in geen geval die te verstrekken welke vereist zijn uit hoofde van andere, wettelijke of regelgevende, bepalingen die in het onderhavige geval van toepassing zijn.
  § 4. De Minister kan aan de operator alle aanvullende informatie bij het aanvraagdossier vragen. Het weigeren of het in gebreke blijven deze informaties te verstrekken binnen de termijn vastgesteld door de Minister, gelet op de aard van de gevraagde informaties, kan het verwerpen van de aanvraag verantwoorden.
  § 5. De Koning kan een modelformulier opstellen dat, onder andere, de informaties bevat opgenomen in § 2 en de vermelding waarvan sprake in artikel 8, § 9. Dit formulier wordt ingevuld door de operator en bij het dossier gevoegd.
  § 6. De Minister kan, van de experts die hij hiervoor aanwijst, een gemotiveerd advies eisen op grond van juridische, technische en economische criteria die met name betrekking hebben op de betrouwbaarheid, de knowhow en de ervaring van de operator, de betrouwbaarheid van de constructeur op de desbetreffende gebieden en hun vermogen zich te houden aan de voorschriften van toepassing op de verrichte activiteiten alsmede op de solvabiliteit van de operator en op de juridische en financiële waarborgen die hij voorlegt.
  Het administratief personeel, evenals de experts aangewezen door de Minister conform de eerste alinea, hebben toegang tot de installaties, de onroerende goederen en het materieel die gebruikt zullen worden door de operator om de betrokken activiteiten te verrichten.
  Ingeval de operator deze toegang weigert, kan de Minister de aanvraag verwerpen.
  § 7. De beslissing van de Minister wordt per aangetekende brief ter kennis gebracht van de operator.
Art. 7. § 1er. La demande d'autorisation est adressée au Ministre par l'opérateur. Le Ministre en accuse réception.
  § 2. Les informations suivantes sont jointes à la demande :
  1° l'identification précise de l'opérateur, la présentation de ses activités passées, en cours et à venir, les garanties techniques, financières et juridiques dont il dispose;
  2° la description précise des activités pour lesquelles l'autorisation est sollicitée;
  3° l'identification précise de l'objet spatial ou de l'ensemble d'objets spatiaux pour lequel l'autorisation est sollicitée;
  4° l'identification du ou des constructeur(s) de l'objet spatial;
  5° l'étude d'incidences sur l'environnement visée à l'article 8, § 2;
  6° l'identification précise des personnes pour le compte desquelles les activités seront exercées;
  7° l'identification aussi précise que possible des personnes qui collaboreront à l'exercice des activités;
  8° tout autre élément d'information dont l'opérateur ne peut ignorer l'importance quant à la décision du Ministre d'accorder l'autorisation.
  § 3. Le Roi peut compléter la liste des informations reprise au § 2.
  La communication de ces informations ne dispense en aucun cas l'opérateur de fournir celles qui sont requises au titre d'autres dispositions, légales ou réglementaires, applicables en l'espèce.
  § 4. Le Ministre peut solliciter de l'opérateur toute information complémentaire au dossier de demande. Le refus ou le défaut de communication de ces informations dans le délai fixé par le Ministre, eu égard à la nature des informations demandées, peut justifier le rejet de la demande.
  § 5. Le Roi établit un modèle de formulaire qui reprend, entre autres, les informations reprises au § 2 et la mention prévue à l'article 8, § 9. Ce formulaire est rempli par l'opérateur et joint au dossier.
  § 6. Le Ministre peut requérir, de la part d'experts qu'il désigne à cette fin, un avis motivé sur base de critères juridiques, techniques et économiques portant notamment sur la fiabilité, le savoir-faire et l'expérience de l'opérateur, la fiabilité du constructeur dans les domaines concernés et leur capacité à se conformer aux règles applicables aux activités menées ainsi que sur la solvabilité de l'opérateur et sur les garanties juridiques et financières qu'il présente.
  Le personnel administratif, de même que les experts désignés par le Ministre conformément au premier alinéa, ont accès aux installations, immeubles et au matériel qui seront utilisés par l'opérateur pour l'exercice des activités concernées.
  Au cas où cet accès est refusé par l'opérateur, le Ministre peut rejeter la demande.
  § 7. La décision du Ministre est notifiée à l'opérateur par lettre recommandée.
Art. 8. § 1. Iedere activiteit als bedoeld in deze wet is het voorwerp van een milieueffectrapportage door een of meer daartoe door de Minister aangewezen expert(s). Deze rapportage kan gebeuren in verschillende stadia van de activiteiten.
  § 2. Een initiële studie wordt uitgevoerd vóór de toekenning van een machtiging krachtens deze wet. De bedoeling van deze studie is de mogelijke gevolgen voor het milieu op aarde of in de kosmische ruimte te evalueren van het lanceren of het bedienen van het ruimtevoorwerp.
  § 3. De Koning stelt de inhoud vast van de studie als bedoeld in § 2.
  § 4. Een tussentijdse studie wordt uitgevoerd op verzoek van de Minister na het lanceren van het ruimtevoorwerp of tijdens het bedienen ervan. Deze studie evalueert de reële gevolgen van de betrokken activiteiten voor het milieu op aarde of in de kosmische ruimte.
  § 5. Een laatste studie kan op verzoek van de Minister worden uitgevoerd bij de terugkeer van het ruimtevoorwerp in de atmosfeer.
  § 6. De Minister stelt de inhoud vast van de studies als bedoeld in §§ 4 en 5.
  § 7. De operator voegt bij zijn machtigingsaanvraag de milieueffectrapportage als bedoeld in § 2.
  § 8. De milieueffectrapportages als bedoeld in §§ 2, 3 en 4 worden op de operator zijn kosten uitgevoerd.
  § 9. Wanneer de activiteiten op het gebied van het lanceren of het bedienen het gebruik inhouden van kernenergiebronnen, maakt de operator hier melding van in zijn machtigingsaanvraag.
  De Minister kent de machtiging slechts onder specifieke voorwaarden toe rekening houdende, met name, met het eventueel gevaar van het gebruik van dergelijke energiebronnen, met de elementaire voorzorgsmaatregelen te nemen ten aanzien van de gezondheid en de openbare veiligheid, met de bescherming van het leefmilieu en met de nationale en internationale rechtsnormen die in het onderhavige geval van toepassing zijn.
Art. 8. § 1er. Toute activité visée par la présente loi fait l'objet d'une évaluation des incidences sur l'environnement par un ou plusieurs expert(s) désigné(s) à cette fin par le Ministre. Cette évaluation peut avoir lieu à différents stades des activités.
  § 2. Une étude initiale est réalisée avant l'octroi d'une autorisation en vertu de la présente loi. Cette étude est destinée à évaluer les incidences potentielles sur le milieu terrestre ou dans l'espace extra-atmosphérique du lancement ou de l'opération de l'objet spatial.
  § 3. Le Roi détermine le contenu de l'étude visée au § 2.
  § 4. Une étude intermédiaire est réalisée sur demande du Ministre après le lancement de l'objet spatial ou au cours de son opération. Cette étude évalue les conséquences réelles sur le milieu terrestre et dans l'espace extra-atmosphérique des activités concernées.
  § 5. Une étude finale peut être réalisée sur demande du Ministre lors de la retombée dans l'atmosphère de l'objet spatial.
  § 6. Le Ministre détermine le contenu des études visées aux §§ 4 et 5.
  § 7. L'opérateur joint à sa demande d'autorisation l'étude d'incidences visée au § 2.
  § 8. Les études d'incidences visées aux §§ 2, 4 et 5 sont réalisées aux frais de l'opérateur.
  § 9. Lorsque les activités de lancement ou d'opération incluent l'utilisation de sources d'énergie nucléaire, l'opérateur en fait mention dans sa demande d'autorisation.
  Le Ministre n'accorde l'autorisation qu'à des conditions spécifiques tenant compte, notamment, du danger que peut représenter l'utilisation de telles sources d'énergie, des précautions élémentaires à prendre à l'égard de la santé et de la sécurité publique, de la protection de l'environnement et des normes de droit national et de droit international applicables en l'espèce.
Art. 9. § 1. De machtiging of de weigering tot machtiging van de Minister komt er binnen negentig dagen volgend op het indienen van de aanvraag conform artikel 7.
  § 2. Wanneer de Minister, conform artikel 7, § 4, van de operator aanvullende informaties eist, wordt deze termijn verlengd tot honderd twintig dagen.
  § 3. Bij gebrek aan een beslissing van de Minister binnen de voorgeschreven termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen.
Art. 9. § 1er. L'autorisation ou le refus d'autorisation du Ministre intervient dans les nonante jours qui suivent l'introduction de la requête conformément à l'article 7.
  § 2. Lorsque le Ministre requiert, conformément à l'article 7, § 4, des informations complémentaires de la part de l'opérateur, ce délai est porté à cent vingt jours.
  § 3. A défaut de décision du Ministre dans le délai prescrit, la demande est réputée rejetée.
Art. 10. § 1. De Minister kan eveneens experts aanwijzen belast met de controle van de activiteiten verricht door de operator. Deze laatste is ertoe gehouden alles in het werk te stellen om, op ieder ogenblik, de inspectie en de controle mogelijk te maken van de activiteiten die hij krachtens deze wet verricht.
  § 2. Voor de inspectie en de controle van de activiteiten, hebben deze experts toegang tot ieder document in het bezit van de operator met betrekking tot de activiteiten die het voorwerp zijn van de machtiging, tot de up-to-date informaties en gegevens die uit deze activiteiten voortvloeien alsmede tot de ruimten die, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor deze activiteiten gebruikt worden.
  § 3. Alle informaties die tijdens de inspectie of de controle verzameld worden door het administratief personeel of de aangewezen experts, worden vertrouwelijk behandeld.
  § 4. Ingeval de operator weigert het administratief personeel of de aangewezen experts toegang te verlenen, kan de Minister conform artikel 11 de machtiging schorsen of intrekken.
Art. 10. § 1er. Le Ministre peut également désigner des experts chargés du contrôle des activités menées par l'opérateur. Ce dernier est tenu de mettre tout en oeuvre afin de permettre l'inspection et la vérification, à tout moment, des activités qu'il mène en vertu de la présente loi.
  § 2. Aux fins de l'inspection et du contrôle des activités, ces experts ont accès à tout document en possession de l'opérateur relatif aux activités qui font l'objet de l'autorisation, aux informations et données mises à jour résultant de ces activités, ainsi qu'aux locaux affectés, directement ou indirectement, à ces activités.
  § 3. Toutes les informations récoltées lors de l'inspection ou du contrôle par le personnel administratif ou les experts désignés, sont traitées confidentiellement.
  § 4. En cas de refus par l'opérateur d'accorder l'accès au personnel administratif ou aux experts désignés, le Ministre peut suspendre ou retirer l'autorisation conformément à l'article 11.
Art. 11. § 1. De machtiging kan door de Minister ingetrokken of geschorst worden :
  1° hetzij wanneer een van de algemene of bijzondere voorwaarden van de machtiging niet nageleefd wordt;
  2° hetzij bij schending van een bepaling van deze wet;
  3° hetzij om dwingende redenen die te maken hebben met de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen.
  § 2. Wanneer de Minister van plan is de machtiging in te trekken of te schorsen om de redenen als bedoeld in § 1, 1° of 2°, geeft hij de operator voorafgaandelijk de mogelijkheid zijn verweermiddelen of zijn opmerkingen aan te voeren en zijn situatie binnen een bepaalde termijn in orde te brengen. In speciaal gemotiveerde spoedgevallen kan de machtiging zonder termijn en zonder dat de titularis gehoord werd ingetrokken of geschorst worden.
  § 3. Wanneer de Minister van plan is de machtiging in te trekken of te schorsen om de redenen als bedoeld in § 1, 3° en voorzover dat de efficiëntie van de intrekking of de schorsing niet in gevaar brengt, geeft hij de operator voorafgaandelijk de mogelijkheid zijn opmerkingen of zijn voorstellen aan te voeren.
  § 4. De Minister kan, in geval van intrekking of schorsing en op schriftelijk verzoek van de operator, overgangsmaatregelen voor het beheer van de aan de gang zijnde activiteiten toestaan om, met name, de uitvoering door de operator van zijn contractuele verbintenissen mogelijk te maken. Dit verzoek van de operator moet geformuleerd worden zodra hem de beslissing tot intrekking of schorsing betekend werd.
  § 5. Wanneer de machtiging ingetrokken of geschorst wordt nadat het ruimtevoorwerp in de kosmische ruimte gelanceerd werd, neemt de Minister alle nodige maatregelen om de veiligheid van de operaties, zowel ten opzichte van de operator en zijn personeel als ten aanzien van derden, alsmede de bescherming van de goederen en het leefmilieu te waarborgen. Te dien einde kan hij een beroep doen op de diensten van derden of de activiteiten aan een andere operator overdragen om voor de continuïteit van de vlucht- of geleidingsoperaties te zorgen en, indien nodig, het uit zijn baan halen of vernietigen van het ruimtevoorwerp te veroorzaken.
Art. 11. § 1er. L'autorisation peut être retirée ou suspendue par le Ministre :
  1° soit lorsque l'une des conditions générales ou particulières de l'autorisation n'est pas respectée;
  2° soit en cas de violation d'une disposition de la présente loi;
  3° soit pour des motifs impérieux relatifs à l'ordre public, à la sécurité des personnes ou des biens.
  § 2. Lorsque le Ministre envisage de retirer ou de suspendre l'autorisation pour des motifs visés au § 1er, 1° ou 2°, il donne préalablement la possibilité à l'opérateur de faire valoir ses moyens de défense ou ses observations et de régulariser sa situation dans un délai déterminé. En cas d'urgence spécialement motivée, l'autorisation peut être retirée ou suspendue sans délai et sans que son titulaire ait été entendu.
  § 3. Lorsque le Ministre envisage de retirer ou de suspendre l'autorisation pour des motifs visés au § 1er, 3° et pour autant que cela ne mette pas en péril l'efficacité du retrait ou de la suspension, il donne préalablement la possibilité à l'opérateur de faire valoir ses observations ou ses propositions.
  § 4. Le Ministre peut, en cas de retrait ou de suspension et sur requête écrite de l'opérateur, accorder des mesures de gestion transitoires des activités en cours afin, notamment, de permettre l'exécution par l'opérateur de ses obligations contractuelles. Cette requête de l'opérateur doit être formulée dès que la décision de retrait ou de suspension lui a été notifiée.
  § 5. Lorsque l'autorisation est retirée ou suspendue après que l'objet spatial a été lancé dans l'espace extra-atmosphérique, le Ministre prend toutes les dispositions nécessaires afin de garantir la sécurité des opérations, tant vis-à-vis de l'opérateur et de son personnel qu'à l'égard des tiers, ainsi que la protection des biens et de l'environnement. A cette fin, il peut requérir les services de tiers ou transférer les activités à un autre opérateur pour assurer la continuité des opérations de vol et de guidage et, si nécessaire, provoquer le dé-orbitage ou la destruction de l'objet spatial.
Art. 12. De beslissingen tot toekenning, intrekking en schorsing van de machtiging worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 12. Les décisions d'octroi, de retrait et de suspension d'autorisation sont publiées au Moniteur belge.
HOOFDSTUK IV. - Overdracht van activiteiten.
CHAPITRE IV. - Transfert d'activités.
Art. 13. § 1. Behoudens voorafgaande machtiging van de Minister, is iedere afstand aan een derde verboden van de toegestane activiteiten of van zakelijke of persoonlijke rechten, waarborgrechten inbegrepen, die de overdracht tot gevolg heeft van de effectieve controle op het ruimtevoorwerp.
  § 2. De machtigingsaanvraag wordt ingediend door de operator cessionaris.
  § 3. Alle op de in artikel 4 bedoelde machtiging van toepassing zijnde bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op de overdrachtmachtiging.
  § 4. De Minister kan aan de overdrachtsmachtiging de voorwaarden verbinden die noodzakelijk blijken te zijn hetzij voor de operator cessionaris, hetzij voor de afstanddoende operator, hetzij voor beiden.
  § 5. Wanneer de operator cessionaris niet in België gevestigd is, kan de Minister de machtiging weigeren bij ontstentenis van een bijzondere overeenkomst met de Staat waarvan deze derde onderdaan is en die de Belgische Staat vrijwaart tegen ieder verhaal krachtens zijn internationale aansprakelijkheid of krachtens de schadeloosstelling.
Art. 13. § 1er. Sauf autorisation préalable du Ministre, est interdite toute cession à un tiers des activités autorisées ou de droits réels ou personnels, y compris de droits de garantie, qui emporte le transfert du contrôle effectif de l'objet spatial.
  § 2. La demande d'autorisation est introduite par l'opérateur cessionnaire.
  § 3. Toutes les dispositions applicables à l'autorisation visée à l'article 4 sont applicables mutatis mutandis à l'autorisation de transfert.
  § 4. Le Ministre peut assortir l'autorisation de transfert de conditions qui s'imposent soit à l'opérateur cessionnaire, soit à l'opérateur cédant, soit aux deux.
  § 5. Lorsque l'opérateur cessionnaire n'est pas établi en Belgique, le Ministre peut refuser l'autorisation en l'absence d'accord particulier avec l'Etat dont ce tiers est ressortissant et qui garantit l'Etat belge contre tout recours à son encontre au titre de sa responsabilité internationale ou au titre de la réparation d'un dommage.
HOOFDSTUK V. - Het Nationaal Register van de ruimtevoorwerpen.
CHAPITRE V. - Le Registre national des objets spatiaux.
Art. 14. § 1. Er wordt een Nationaal Register van de ruimtevoorwerpen aangelegd waarin de ruimtevoorwerpen ingeschreven worden waarvoor België lanceerstaat is, behalve wanneer deze registratie gebeurt door een andere Staat of een internationale organisatie, conform de Overeenkomst betreffende de registratie van de ruimtevoorwerpen.
  De voorwaarden inzake de vorm, het bijhouden en het publiceren van het Register worden door de Koning bepaald.
  § 2. De gegevens die in het Register vermeld worden, zijn aan de volgende regels onderworpen;
  1° de inschrijving in het Register wordt uitgevoerd op verzoek van de Minister;
  2° de gegevens opgenomen in het Register zijn die vermeld in artikel IV van de Overeenkomst betreffende de registratie van de ruimtevoorwerpen, te weten :
  (a) zo nodig de naam van de andere lanceerstaten;
  (b) het registratienummer van het ruimtevoorwerp zoals hierna vermeld in 3°;
  (c) de datum en het grondgebied of de plaats van lancering;
  (d) de voornaamste parameters van de baan, met inbegrip van de knopenlijn-omloopstijd, de inclinatie, het apogeum en het perigeum;
  (e) de algemene functie van het ruimtevoorwerp;
  3° aan ieder voorwerp wordt een nationaal registratienummer toegekend. Het is samengesteld uit de door de Koning bepaalde elementen;
  4° naast de informaties als bedoeld in 2°, identificeert het Register de constructeur van het ruimtevoorwerp alsmede de operator en vermeldt evenzo de samenstellende delen en de instrumenten aan boord van het ruimtevoorwerp;
  5° de operator deelt de Minister de informaties mee waarvan sprake in 2° en 4°;
  6° onmiddellijk na inschrijving in het Register, laat de Minister aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties de informaties meedelen waarvan sprake in 2° en hun updating, alsmede alle informaties met betrekking tot het verlies, het verlaten van de baan of het einde van de exploitatie van het ruimtevoorwerp;
  7° de inschrijving in het Register moet effectief zijn op het ogenblik van de lancering van het ruimtevoorwerp;
  8° iedere wijziging van de gegevens moet het voorwerp zijn van een aanvullende inschrijving ten laste en op kosten van de operator binnen dertig dagen vanaf het ogenblik dat hij kennis gekregen heeft van genoemde wijziging. Wanneer de operator binnen die termijn niets meedeelt, kan de Minister de machtiging schorsen, conform artikel 11.
  § 3. De Minister houdt een repertorium bij van de machtigingen verleend krachtens de artikelen 4 en 13. Dit repertorium vermeldt de modaliteiten en de voorwaarden die aan iedere machtiging verbonden zijn.
  Voorts wordt, voor ieder betrokken ruimtevoorwerp, aangegeven welke de lanceerstaat of -staten is of zijn en de registratiestaat.
  Dit repertorium is openbaar. De Minister staat in voor het bijhouden en het publiceren van het repertorium van de machtigingen onder de door de Koning bepaalde voorwaarden.
Art. 14. § 1er. Il est créé un Registre national des objets spatiaux où sont immatriculés les objets spatiaux dont la Belgique est Etat de lancement, sauf lorsque cette immatriculation est réalisée par un autre Etat ou une organisation internationale, conformément à la Convention sur l'immatriculation des objets spatiaux.
  Les conditions de forme, de tenue et de publication du Registre sont déterminées par le Roi.
  § 2. Les informations qui sont mentionnées dans le Registre, sont soumises aux règles suivantes;
  1° l'inscription au Registre est effectuée sur demande du Ministre;
  2° les données reprises au Registre sont celles mentionnées à l'article IV de la Convention sur l'immatriculation des objets spatiaux, à savoir :
  (a) le cas échéant, le nom des autres Etats de lancement;
  (b) le numéro d'immatriculation de l'objet spatial tel que décrit ci-après au 3°;
  (c) la date et le territoire ou le lieu de lancement;
  (d) les principaux paramètres de l'orbite, y compris la période nodale, l'inclinaison, l'apogée et le périgée;
  (e) la fonction générale de l'objet spatial;
  3° un numéro d'immatriculation national est attribué à tout objet. Il est composé des éléments déterminés par le Roi;
  4° outre les informations visées au 2°, le Registre identifie le constructeur de l'objet spatial ainsi que l'opérateur, de même qu'il répertorie les principaux éléments constitutifs et les instruments embarqués à bord de l'objet spatial;
  5° l'opérateur communique au Ministre les informations reprises aux 2° et 4°;
  6° dès l'inscription au Registre, le Ministre fait communiquer au Secrétaire Général des Nations Unies les informations visées au 2° et leur mise à jour, ainsi que toutes les informations relatives à la perte, au dé-orbitage ou à la fin de l'exploitation en vol de l'objet spatial;
  7° l'inscription au Registre doit être effective au moment du lancement de l'objet spatial;
  8° toute modification des données doit faire l'objet d'une inscription complémentaire à charge et aux frais de l'opérateur dans les trente jours à partir du moment où il a eu connaissance de ladite modification. A défaut de communication par l'opérateur dans ce délai, le Ministre peut suspendre l'autorisation, conformément à l'article 11.
  § 3. Le Ministre tient à jour un répertoire des autorisations délivrées au titre des articles 4 et 13. Ce répertoire mentionne les modalités et les conditions dont chaque autorisation est assortie.
  En outre, il est indiqué, pour chaque objet spatial concerné, quel(s) est ou sont le(s) Etat(s) de lancement et l'Etat d'immatriculation.
  Ce répertoire est public. Le Ministre assure la tenue et la publication du répertoire dans les conditions fixées par le Roi.
HOOFDSTUK VI. - Aansprakelijkheden, vordering en maatregelen bij de terugkeer van ruimtevoorwerpen.
CHAPITRE VI. - Responsabilités, action récursoire et mesures en cas de retombée d'objets spatiaux.
Art. 15. § 1. Wanneer de Belgische Staat, krachtens artikel VII van het Ruimteverdrag, van de bepalingen van de Overeenkomst betreffende de internationale ruimteaansprakelijkheid of van de bepalingen van deze wet, gehouden is tot de schadeloosstelling, beschikt hij over een vordering jegens de operator(s) die in het geding is (zijn) ten belope van het bedrag van de schadevergoeding bepaald conform §§ 2 en 3.
  § 2. De raming van de schade tussen de Staat en de operator gebeurt als volgt :
  1° in het geval als bedoeld in § 1, wanneer de schade veroorzaakt is aan een derde Staat of aan buitenlandse onderdanen, gebeurt de raming van de schade tussen de Belgische Staat en de Staat die het slachtoffer vertegenwoordigt, conform de Overeenkomst betreffende de internationale ruimteaansprakelijkheid of iedere andere van toepassing zijnde clausule. De operator, of de persoon die hij daartoe aanwijst, mag aan de besprekingen deelnemen of betrokken worden bij de procedures die betrekking hebben op de raming van de schade tussen de vertegenwoordigers van de betrokken Staten, om op die manier zijn eigen belangen te laten gelden;
  2° in het geval als bedoeld in § 1, wanneer de schade veroorzaakt is aan Belgische onderdanen, gebeurt de raming van de schade door een college van drie experts waarvan twee aangewezen worden door ieder van de partijen en de derde in gemeen overleg. De Minister kan de voorafgaande aanwijzing van de experts opleggen als voorwaarde voor de toekenning van de machtiging. De modaliteiten van de procedure worden vastgelegd door de Koning.
  § 3. Behalve de gevallen van vervallenverklaring als bedoeld in § 4 en in de artikelen 16, § 2, en 19, § 3, kan het bedrag bepaald conform § 2 door de Koning beperkt worden onder de voorwaarden die Hij vaststelt. In dit geval mag de vordering van de Staat jegens de operator deze beperking niet overschrijden.
  § 4. De operator die de voorwaarden die verbonden zijn aan zijn machtiging niet naleeft verliest de aansprakelijkheidsbeperking als bedoeld in § 3 en moet de volledige schade betalen.
  § 5. In afwachting van de definitieve betaling van de schadeloosstelling, kan de helft van het bedrag vastgesteld conform de §§ 2 en 3 bij wijze van provisie door de Belgische Staat van de operator geëist worden.
  Het saldo is verschuldigd zodra de Belgische Staat de schadeloosstelling overgemaakt heeft verschuldigd aan het slachtoffer of aan de Staat die het slachtoffer vertegenwoordigt.
  § 6. De vordering van de Belgische Staat jegens een andere lanceerstaat, conform artikel V.2 van de Overeenkomst betreffende de ruimteaansprakelijkheid of andere bepalingen of overeenkomsten inzake volkenrecht, vormt geen belemmering voor de toepassing van dit artikel en is in geen geval een voorafgaande voorwaarde voor de vordering van de Belgische Staat ten aanzien van de operator.
  § 7. De Belgische Staat beschikt over een rechtstreekse vordering ten aanzien van de verzekeraar van de operator, ten belope van het bedrag vastgesteld conform de §§ 2 en 3.
  § 8. Deze wet vormt geen belemmering voor de andere aansprakelijkheidsvorderingen ten aanzien van de operator.
Art. 15. § 1er. Lorsque l'Etat belge est tenu, en vertu de l'Article VII du Traité de l'Espace, des dispositions de la Convention sur la responsabilité spatiale internationale ou des dispositions de la présente loi, de la réparation d'un dommage, il dispose d'une action récursoire contre le ou les opérateur(s) en cause à concurrence du montant de l'indemnité déterminé conformément aux §§ 2 et 3.
  § 2. L'évaluation du dommage entre l'Etat et l'opérateur se fait comme suit :
  1° dans le cas visé au § 1er, lorsque le dommage est causé à un Etat tiers ou à des ressortissants étrangers, l'évaluation du dommage se fait entre l'Etat belge et l'Etat représentant la victime, conformément à la Convention sur la responsabilité spatiale internationale ou à toute autre clause applicable. L'opérateur, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut participer aux discussions ou être associé(e) aux procédures portant sur l'évaluation du dommage entre les représentants des Etats en cause, de manière à faire valoir ses intérêts propres;
  2° dans le cas visé au § 1er, lorsque le dommage est causé à des ressortissants belges, l'évaluation du dommage est réalisée par un collège de trois experts dont deux sont désignés par chacune des parties et le troisième de commun accord entre elles. Le Ministre peut imposer la désignation préalable des experts comme condition de l'octroi de l'autorisation. Les modalités de la procédure sont fixées par le Roi.
  § 3. Sauf les cas de déchéance visés au § 4 et aux articles 16, § 2, et 19, § 3, le montant déterminé conformément au § 2 peut être limité par le Roi, dans les conditions qu'Il fixe. Dans ce cas, le recours de l'Etat à l'encontre de l'opérateur ne peut excéder cette limite.
  § 4. L'opérateur qui ne respecte pas les conditions dont est assortie son autorisation est déchu de la limite de responsabilité visée au § 3 et est tenu de la totalité du dommage.
  § 5. En attendant le règlement définitif de la réparation, la moitié du montant déterminé conformément aux §§ 2 et 3 peut être réclamée à titre provisionnel, par l'Etat belge à l'opérateur.
  Le solde est dû dès l'instant où l'Etat belge a versé l'indemnité due à la victime ou à l'Etat la représentant.
  § 6. Le recours de l'Etat belge contre un autre Etat de lancement, conformément à l'article V.2 de la Convention sur la responsabilité spatiale internationale ou à d'autres dispositions ou arrangements de droit international, ne fait pas obstacle à l'application du présent article et ne constitue en aucun cas une condition préliminaire de l'action de l'Etat belge à l'égard de l'opérateur.
  § 7. L'Etat belge dispose d'une action directe à l'encontre de l'assureur de l'opérateur, à concurrence du montant déterminé conformément aux §§ 2 et 3.
  § 8. La présente loi ne fait pas obstacle aux autres actions en responsabilité à l'encontre de l'opérateur.
Art. 16. § 1. De operator is ertoe gehouden het door de Koning aangewezen crisiscentrum onmiddellijk op de hoogte te brengen van ieder manoeuvre, ieder slecht functioneren of iedere afwijking van het ruimtevoorwerp die gevaar kunnen opleveren voor de personen op aarde, de luchtvaartuigen in de lucht of de andere ruimtevoorwerpen, of die schade kunnen veroorzaken.
  § 2. In geval van niet-naleving van de informatieplicht, en onverminderd andere sancties of schadevergoedingen, zal de operator ertoe gehouden zijn de Belgische Staat te vrijwaren voor de gehele schadevergoeding die deze verschuldigd is uit hoofde van zijn internationale aansprakelijkheid of met toepassing van deze wet.
Art. 16. § 1er. L'opérateur est tenu d'informer immédiatement le centre de crise désigné par le Roi de toute manoeuvre, de toute malfonction ou de toute anomalie de l'objet spatial, susceptible de générer un danger pour les personnes au sol, les aéronefs en vol ou les autres objets spatiaux, ou de causer un dommage.
  § 2. En cas de non-respect de l'obligation d'information, et sans préjudice d'autres sanctions ou indemnités, l'opérateur sera tenu de garantir l'Etat belge pour la totalité de l'indemnité due par celui-ci au titre de sa responsabilité internationale ou en application de la présente loi.
Art. 17. § 1. Ondanks de maatregelen voor de beveiliging en de bescherming van goederen en personen, wordt ieder ruimtevoorwerp, dat teruggevonden wordt op het Belgische grondgebied of op een plaats onderworpen aan de rechtsbevoegdheid van de Belgische Staat, zonder verwijl teruggegeven aan de bevoegde autoriteiten die de Minister hiervan onmiddellijk op de hoogte brengen om genoemd voorwerp terug te kunnen geven aan zijn registratiestaat, conform de Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders en de teruggave van ruimtevoorwerpen.
  § 2. Wanneer een onderzoek noodzakelijk is om de registratiestaat of de lanceerstaat te identificeren, worden alle nodige maatregelen voor het bewaren van het (de) teruggevonden voorwerp(en) door de Minister genomen, in voorkomend geval in coördinatie met de bevoegde diensten voor burgerbescherming en het crisiscentrum als bedoeld in artikel 16, § 1.
  § 3. Bij het teruggeven van het voorwerp aan de bevoegde autoriteit of, indien nodig, van tevoren, alsmede bij het identificeren van de registratiestaat of van de lanceerstaat of -staten, worden alle nodige maatregelen genomen om de rechten te vrijwaren van de slachtoffers van de schade veroorzaakt door het ruimtevoorwerp.
Art. 17. § 1er. Sans préjudice des mesures de sécurité et de protection des biens et des personnes, tout objet spatial qui est retrouvé sur le territoire belge ou en un lieu soumis à la juridiction de l'Etat belge, est remis sans délai aux autorités compétentes qui en informent immédiatement le Ministre afin de procéder à la restitution dudit objet à son Etat d'immatriculation, conformément à l'Accord sur le sauvetage des astronautes et la restitution des objets spatiaux.
  § 2. Lorsqu'une enquête est nécessaire afin d'identifier l'Etat d'immatriculation ou l'Etat de lancement, toutes les mesures nécessaires à la conservation de l'objet ou des objets retrouvé(s) sont prises par le Ministre, le cas échéant en coordination avec les services compétents pour la protection civile et le centre de crise visé à l'article 16, § 1er.
  § 3. Lors de la remise de l'objet à l'autorité compétente ou, si nécessaire, préalablement, de même que lors de l'identification de l'Etat d'immatriculation et du ou des Etat(s) de lancement, toutes les mesures nécessaires sont prises afin de préserver les droits des victimes des dommages causés par l'objet spatial.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 18. § 1. De Koning stelt het bedrag vast van de rechten met betrekking tot de administratieve kosten die door de operator betaald moeten worden bij het indienen van de machtigingsaanvraag.
  § 2. Wanneer, ter uitvoering van deze wet, de Minister een beroep doet op technische experts, worden de kosten van deze expertises gedragen door de operator.
Art. 18. § 1er. Le Roi fixe le montant des droits couvrant les frais administratifs qui devront être acquittés par l'opérateur lors du dépôt de la demande d'autorisation.
  § 2. Lorsqu'en vertu de la présente loi, le Ministre fait appel à des experts techniques, les frais de ces expertises sont supportés par l'opérateur.
Art. 19. § 1. Wordt bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 25 tot 25.000 euro, of met slechts een van deze straffen, diegene die zonder toestemming activiteiten als bedoeld in artikel 2 verricht.
  § 2. Wordt met dezelfde straffen als die bedoeld in § 1 bestraft, diegene die een machtigingsaanvraag ingediend heeft en opzettelijk valse of onvolledige informaties meedeelt in verband met de betrokken activiteiten.
  § 3. De operator in overtreding heeft voorts geen recht op de aansprakelijkheidsbeperking waarin artikel 15, § 3 voorziet.
Art. 19. § 1er. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de 25 à 25.000 euros, ou de l'une de ces peines seulement, celui qui mène sans autorisation des activités visées à l'article 2.
  § 2. Est puni des mêmes peines que celles visées au § 1er celui qui, ayant introduit une demande d'autorisation, communique intentionnellement des informations fausses ou incomplètes quant aux activités concernées.
  § 3. En outre, l'opérateur en infraction est déchu du bénéfice de la limite de responsabilité prévue à l'article 15, § 3.
Art. 20. Deze wet treedt in werking de eerste dag van de tweede maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 20. La présente loi entre en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.
Art. 21. § 1. De activiteiten als bedoeld in deze wet, die op de datum van inwerkingtreding ervan al aan de gang zijn, kunnen niettemin voortgezet worden gedurende een periode van twaalf maanden vanaf deze datum en dit zonder dat een machtiging vereist is. Iedere overdracht als bedoeld in artikel 13 is gedurende deze periode verboden.
  § 2. De operator deelt aan de Minister de activiteiten mee die hij verricht en waarop deze wet betrekking kan hebben. Deze kennisgeving moet gebeuren binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 20.
  (Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.)
  Gegeven te Brussel, 17 september 2005.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Wetenschapsbeleid,
  M. VERWILGHEN.
  (Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX)
Art. 21. § 1er. Les activités visées par la présente loi qui sont déjà en cours à la date de son entrée en vigueur, peuvent néanmoins se poursuivre pendant une période de douze mois à compter de cette date et ce, sans qu'une autorisation ne soit requise. Tout transfert visé à l'article 13 est interdit durant cette période.
  § 2. L'opérateur notifie au Ministre les activités qu'il exerce et qui sont susceptibles d'être visées par la présente loi. Cette notification doit intervenir dans les six mois qui suivent la date d'entrée en vigueur prévue à l'article 20.
  (Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.)
  Donné à Bruxelles, le 17 septembre 2005.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Politique scientifique,
  M. VERWILGHEN.
  (Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX)