Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 NOVEMBER 2005. - Omzendbrief OOP 30ter waarbij uitleg verschaft wordt bij de wijziging van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet krachtens de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen.
Titre
10 NOVEMBRE 2005. - Circulaire OOP 30ter qui explicite la modification de l'article 119bis de la Nouvelle Loi communale en vertu de la loi du 20 juillet 2005 portant des dispositions diverses.
Informations sur le document
Numac: 2005000726
Datum: 2005-11-10
Info du document
Numac: 2005000726
Date: 2005-11-10
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel M. (Om technische redenen wordt dit besluit onderverdeeld in fictieve artikelen M1 - M2).
Article M. (Pour des raisons techniques, cet arrêté a été subdivisé en articles fictifs M1 - M2).
Art. M1. I. WIJZIGINGEN AAN ARTIKEL 119BIS NIEUWE GEMEENTEWET.
Met de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen werd een aanpassing doorgevoerd van artikel 119bis Nieuwe Gemeentewet. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de verschillende wijzigingen die dit artikel heeft ondergaan.
I. 1. Repenalisering titel X van boek II van het Strafwetboek.
Ingevolge de wet van 17 juni 2004 werd titel X van boek II van het Strafwetboek gedepenaliseerd. De gemeenten konden echter deze feiten opnieuw opnemen in hun reglementen of verordeningen en voor de overtreding ervan hetzij een politiestraf hetzij een administratieve sanctie opleggen. Diezelfde wet voorzag tevens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, een administratieve sanctie die bestaat uit een maximum geldboete van 125 euro op te leggen. Minderjarigen van minder dan 16 jaar daarentegen konden geen administratieve geldboete opgelegd krijgen.
Dit had tot gevolg dat deze minderjarigen van minder dan 16 jaar als het ware straffeloos bleven wanneer voor de overtreding van deze inbreuken geen politiestraf in het gemeentereglement of verordening werd opgenomen of wanneer geopteerd werd voor een administratieve geldboete. Bij gebreke aan een inbreuk van strafrechtelijke aard kan immers geen beschermingsmaatregel in toepassing van de wet op de jeugdbescherming genomen worden aangezien de inbreuken niet konden omschreven worden als een als misdrijf omschreven feit. Bovenden konden de parketten voor dergelijke feiten gepleegd door minderjarigen van minder dan 16 jaar, slechts uitzonderlijk optreden op basis van een dringende problematische opvoedingssituatie wanneer de voorwaarden daartoe aanwezig waren. Zoals hoger vermeld, kon ook geen administratieve geldboete opgelegd worden.
Om aan dit probleem van straffeloosheid tegemoet te komen, is het belangrijk dat een aantal overtredingen uit titel X van het Strafwetboek waaraan toch vaak minderjarigen ook van minder dan 16 jaar zich schuldig maken, strafbaar blijven.
Volgende artikelen worden dan ook opnieuw strafbaar gesteld in het Strafwetboek (titel X van boek II) :
- artikel 559, 1° : beschadiging van roerende goederen
- artikel 561, 1 : nachtlawaai
- artikel 563, 2° : opzettelijke beschadiging van landelijke of stedelijke afsluitingen
- artikel 563, 3° : feitelijkheden of lichte gewelddaden
Niettegenstaande deze repenalisering, wordt voorzien dat voor dergelijke feiten ook een administratieve sanctie zal kunnen opgelegd worden. Deze feiten werden immers opgenomen in de opsomming van artikel 119bis, § 2, derde lid, zodat de strafvordering vervalt twee maanden na ontvangst van het proces-verbaal indien de procureur des Konings niet reageert of heeft laten weten geen gevolg aan de feiten te zullen geven, waarna de feiten enkel nog administratiefrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd. Indien de procureur des Konings binnen diezelfde termijn van twee maanden echter heeft laten weten dat hij een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek heeft opgestart, vervolging heeft ingesteld dan wel oordeelt het dossier te moeten seponeren bij gebreke aan toereikende bezwaren, kan geen administratiefrechtelijke vervolging worden ingesteld.
I. 2. Vaststellingsbevoegdheid.
Ingevolge de wet van 17 juni 2004 konden daartoe aangewezen gemeenteambtenaren vaststellingen doen in verband met inbreuken die uitsluitend gesanctioneerd kunnen worden met administratieve sancties in hun eigen gemeente, maar niet in een andere gemeente van de eigen politiezone. De huidige wet heeft hieraan verholpen door deze mogelijkheid te voorzien voor de gemeenteambtenaren van meergemeentenpolitiezones. Hiertoe dient een overeenkomst gesloten te worden tussen de betrokken gemeenten. Op die manier kan de expertise van bepaalde ambtenaren (bv milieuambtenaren) ten dienste worden gesteld van de volledige zone, zal er meer eenvormigheid zijn en kan er tevens kostenbesparend worden opgetreden enz.
I. 3. Proceduriële wijzigingen.
I. 3.1. Met betrekking tot de vaststellingen : procedure van overmaking.
Voorheen was een termijn van 15 dagen - die aanvangt op datum van de aangifte of ambtshalve vaststelling - voorzien binnen dewelke de politieambtenaren of hulpagenten hun vaststellingen moesten overmaken aan de procureur des Konings en een afschrift aan de ambtenaar. Deze termijn wordt thans verlengd tot één maand aangezien de termijn van 15 dagen de kwaliteit van de vaststellingen niet ten goede komt. Met een uniforme termijn van één maand behoudt men de mogelijkheid om vlug te reageren op de door de wet geviseerde overlastfenomenen en wordt voorkomen dat anders steevast prioriteit zou dienen te worden gegeven aan de opsporing van overtredingen of wanbedrijven die ook afgehandeld kunnen worden met een administratieve sanctie. Bovendien zal men dan redelijkerwijze kunnen beschikken over een volledig dossier, zodat de kans dat nog bijkomende informatie zou moeten ingewonnen worden, geringer wordt. Voor de berekening van de termijn van één maand kan bij analogie worden verwezen naar het Gerechtelijk Wetboek en de aldaar geldende principes (de termijn van één maand wordt gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste waarbij de termijn aanvangt de dag na die van de akte die hem doet ingaan en de vervaldag in de termijn inbegrepen is).
In de wet van 17 juni 2004 was evenmin een termijn bepaald waarbinnen de vaststellingen moesten worden overgemaakt aan de ambtenaar indien het ging om inbreuken die enkel administratiefrechtelijk worden gesanctioneerd en dit in tegenstelling met de processen-verbaal inzake " gemengde " inbreuken waarvoor wel een termijn was voorzien (zie hoger, 15 dagen thans gebracht op 1 maand). De wetgever is hieraan tegemoetgekomen door voor deze louter administratieve inbreuken ook een termijn van één maand te voorzien.
Deze termijn van 1 maand is een dwingende termijn en de niet-naleving ervan heeft ingrijpende gevolgen. Er is immers geen mogelijkheid meer om een administratieve sanctie op te leggen indien deze termijn niet zou gerespecteerd worden. In die zin is het dan ook van het allergrootste belang dat op de processen-verbaal duidelijk wordt aangegeven wanneer het proces-verbaal werd overgemaakt. De dwingende termijn van één maand geldt enkel voor het proces-verbaal waarin de aanvankelijke vaststellingen werden opgenomen. Navolgende processen-verbaal waarin eventuele bijkomende informatie werd ingewonnen, vallen niet onder deze termijnvereiste en kunnen na het verstrijken van deze termijn, nog steeds worden overgemaakt. Het spreekt echter voor zich dat de korte verjaringstermijn van zes maanden waarbinnen de ganse procedure dient doorlopen te worden, ertoe noopt dat alle beschikbare informatie zo vlug mogelijk bij de ambtenaar dient toe te komen. Zoals in de Memorie van Toelichting bij de wet van 20 juli 2005 aangehaald, wordt de sanctionerende ambtenaar geacht het proces-verbaal te hebben ontvangen twee dagen na de datum van verzending ervan.
Tevens wordt voorgeschreven dat er van de vaststellingen lastens minderjarigen die enkel gesanctioneerd kunnen worden met een administratieve sanctie, steeds een afschrift wordt overgemaakt aan de procureur des Konings. Het is immers niet omdat een minderjarige geen misdrijf heeft gepleegd, dat het jeugdparket niet zou moeten worden ingelicht. Het spreekt immers voor zich dat herhaaldelijke administratieve inbreuken er kunnen op wijzen dat de minderjarige zich in een problematische opvoedingssituatie bevindt. Het is dan ook van groot belang dat het jeugdparket ook van de administratieve vaststellingen kennis kan nemen.
I. 3.2. Met betrekking tot de termijn voor reactie door de procureur des Konings.
Voor de inbreuken op de artikelen 526, 537 en 545 S.W. die ook administratief kunnen worden gesanctioneerd bepaalde de wet van 17 juni 2004 dat de strafvordering verviel één maand na ontvangst van het proces-verbaal indien het parket niet reageerde. Deze termijn van één maand binnen dewelke de procureur des Konings de ambtenaar in voorkomend geval dient in te lichten, wordt thans verlengd tot twee maanden teneinde ervoor te zorgen dat het opsporingsonderzoek is afgerond en de procureur des Konings zijn beslissing om al dan niet strafrechtelijk te vervolgen, kan baseren op alle gegevens van het opsporingsonderzoek. Alzo zal het parket tevens de nodige tijd krijgen om inlichtingen in te winnen omtrent de opvoedingsomstandigheden van de minderjarigen terwijl dit in zeer veel gevallen noodzakelijk is om te kunnen oordelen of er al dan niet een gevolg moet worden gegeven aan de vaststelling van de inbreuk. De opnieuw gepenaliseerde inbreuken uit Titel X van boek II van het Strafwetboek vallen tevens onder deze regeling zodat ook hier een termijn van twee maanden gelaten wordt aan de procureur des Konings om zijn beslissing desgevallend te laten kennen.
De termijn voor inbreuken op de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461 en 463 S.W. die ook administratiefrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd maar alleen in het geval dat het parket binnen een termijn van twee maand laat weten aan de gemeentelijke ambtenaar dat er een administratieve sanctie kan worden opgelegd, blijft ongewijzigd.
I. 3.3. Cumulatie van kwalificaties.
Bij de wetswijziging van 2004 was geen regeling voorzien voor de gevallen van cumul van kwalificaties. Dit zijn situaties waarbij eenzelfde feit naargelang de kwalificatie zowel sanctioneerbaar is door een gemeentereglement als door een strafwet (bv. wildplassen, sluikstorten). Dit was echter wel het geval in de wet van 13 mei 1999.
Gelet op het adagium non bis in idem, spreekt het voor zich dat een dergelijke regeling terug dient opgenomen te worden in de nieuwe gemeentewet.
In dit geval dient te worden gehandeld volgens de procedure die geldt voor de " gemengde " inbreuken op de artikelen 526, 537 en 545 S.W. (en de gerepenaliseerde inbreuken op titel X van boek II van het Strafwetboek). De procureur des Konings beschikt dan ook over een termijn van twee maanden vanaf de dag van de ontvangst van het proces-verbaal, om de ambtenaar in te lichten dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wordt opgestart, vervolging werd ingesteld dan wel dat hij het dossier wenst te seponeren bij gebrek aan toereikende bezwaren. Indien de procureur des Konings binnen deze periode geen bericht laat is enkel nog administratiefrechtelijke vervolging mogelijk.
I. 3.4. Verjaringstermijn.
Voordien was de verjaringstermijn vastgelegd op 6 maanden, te rekenen van de dag waarop het feit gepleegd werd. Gelet op de verlenging van de termijn voor het opsturen van de vaststellingen naar de procureur des Konings of de ambtenaar en in voorkomend geval van de termijn waarbinnen de procureur des Konings zijn reactie dient ter kennis te brengen, moet deze termijn aangepast worden. De termijn wordt dan ook gewijzigd door te stellen dat de termijn van zes maanden begint te lopen vanaf de dag van de ontvangst van de vaststellingen of van het afschrift van het proces-verbaal door de ambtenaar. De ambtenaar wordt geacht van de vaststellingen kennis te hebben genomen twee dagen na de datum van de verzending ervan. Het is dan ook van het grootste belang dat op de weergave van de vaststellingen duidelijk de datum van verzending wordt vermeld.
Tezelfdertijd wordt thans bepaald dat binnen de zes maanden kennis dient te worden gegeven van de beslissing. Het volstaat derhalve niet enkel dat de beslissing wordt genomen binnen voormelde termijn, doch tevens dient zij ter kennis te zijn gebracht per aangetekende brief binnen diezelfde periode.
I. 3.5. Wijzigingen in de procedure lastens minderjarigen.
Er wordt thans uitdrukkelijk voorzien dat een administratieve boete kan worden opgelegd aan een persoon die ten tijde van de feiten minderjarig was maar op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden. In dat geval dient de procedure voor minderjarigen te worden toegepast en wordt de beroepsprocedure ingesteld bij de jeugdrechtbank.
Ouders, voogden of degenen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, worden thans in alle stadia van de procedure betrokken, zowel in de procedure voor de ambtenaar als in de beroepsprocedure voor de jeugdrechtbank. Er wordt voorzien dat deze personen dezelfde rechten hebben als de overtreders zelf. Zo kunnen zij bij voorbeeld verweermiddelen voordragen, kunnen zij eveneens het dossier inzien, gehoord worden, beroep aantekenen bij de jeugdrechtbank enz. Tevens wordt voorzien dat de beslissing waarbij een administratieve boete wordt opgelegd aan de minderjarige ook aan deze personen per aangetekend schrijven ter kennis wordt gebracht.
Tezelfdertijd is voorzien in een burgerlijke aansprakelijkheidsregeling. Immers, in het licht van de tenuitvoerlegging van de opgelegde administratieve geldboete, moeten de ouders, voogden of degenen die gezag hebben over de minderjarige burgerlijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de administratieve geldboetes.
Ofschoon er geen hoger beroep mogelijk is tegen het vonnis van de jeugdrechtbank waarbij er uitspraak wordt gedaan over het hoger beroep tegen de beslissing tot het al dan niet opleggen van een administratieve geldboete, is er toch de mogelijkheid ingevoerd voor de minderjarigen en de ouders, voogden of degenen die gezag over de minderjarige hebben om in het geval dat de jeugdrechtbank een beschermingsmaatregel oplegt in plaats van een administratieve boete, toch beroep in te stellen volgens de procedures omschreven in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming die gelden voor de als misdrijf omschreven feiten. In aansluiting hiermede werd tevens bepaald dat de door de jeugdrechtbank opgelegde beschermingsmaatregel ten allen tijde conform artikel 60 van de jeugdbeschermingswet kan ingetrokken of gewijzigd worden.
I. 3.6. Beroepsprocedure.
Paragraaf 12 van artikel 119bis Nieuwe Gemeentewet werd tevens gewijzigd. Waar voorheen bepaald werd dat de gemeente beroep kan aantekenen tegen een beslissing tot het niet opleggen van een administratieve geldboete, wordt thans gepreciseerd dat dit enkel het geval kan zijn voor zover de beslissing houdende oplegging van een administratieve geldboete wordt genomen door een aangewezen provincieambtenaar.
I. 4. Afschriften.
Een afschrift van het proces-verbaal of van de vaststellingen en een afschrift van de beslissing houdende al dan niet oplegging van een administratieve sanctie kan door de ambtenaar overgemaakt worden aan elke belanghebbende partij die hiertoe voorafgaandelijk een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richt aan hem. Het zou hier bij voorbeeld kunnen gaan om een persoon die schade heeft geleden door het gedrag van de persoon aan wie een administratieve geldboete werd opgelegd. Het zal echter aan de ambtenaar toekomen de gegrondheid van het verzoek te beoordelen.
Met de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen werd een aanpassing doorgevoerd van artikel 119bis Nieuwe Gemeentewet. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de verschillende wijzigingen die dit artikel heeft ondergaan.
I. 1. Repenalisering titel X van boek II van het Strafwetboek.
Ingevolge de wet van 17 juni 2004 werd titel X van boek II van het Strafwetboek gedepenaliseerd. De gemeenten konden echter deze feiten opnieuw opnemen in hun reglementen of verordeningen en voor de overtreding ervan hetzij een politiestraf hetzij een administratieve sanctie opleggen. Diezelfde wet voorzag tevens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, een administratieve sanctie die bestaat uit een maximum geldboete van 125 euro op te leggen. Minderjarigen van minder dan 16 jaar daarentegen konden geen administratieve geldboete opgelegd krijgen.
Dit had tot gevolg dat deze minderjarigen van minder dan 16 jaar als het ware straffeloos bleven wanneer voor de overtreding van deze inbreuken geen politiestraf in het gemeentereglement of verordening werd opgenomen of wanneer geopteerd werd voor een administratieve geldboete. Bij gebreke aan een inbreuk van strafrechtelijke aard kan immers geen beschermingsmaatregel in toepassing van de wet op de jeugdbescherming genomen worden aangezien de inbreuken niet konden omschreven worden als een als misdrijf omschreven feit. Bovenden konden de parketten voor dergelijke feiten gepleegd door minderjarigen van minder dan 16 jaar, slechts uitzonderlijk optreden op basis van een dringende problematische opvoedingssituatie wanneer de voorwaarden daartoe aanwezig waren. Zoals hoger vermeld, kon ook geen administratieve geldboete opgelegd worden.
Om aan dit probleem van straffeloosheid tegemoet te komen, is het belangrijk dat een aantal overtredingen uit titel X van het Strafwetboek waaraan toch vaak minderjarigen ook van minder dan 16 jaar zich schuldig maken, strafbaar blijven.
Volgende artikelen worden dan ook opnieuw strafbaar gesteld in het Strafwetboek (titel X van boek II) :
- artikel 559, 1° : beschadiging van roerende goederen
- artikel 561, 1 : nachtlawaai
- artikel 563, 2° : opzettelijke beschadiging van landelijke of stedelijke afsluitingen
- artikel 563, 3° : feitelijkheden of lichte gewelddaden
Niettegenstaande deze repenalisering, wordt voorzien dat voor dergelijke feiten ook een administratieve sanctie zal kunnen opgelegd worden. Deze feiten werden immers opgenomen in de opsomming van artikel 119bis, § 2, derde lid, zodat de strafvordering vervalt twee maanden na ontvangst van het proces-verbaal indien de procureur des Konings niet reageert of heeft laten weten geen gevolg aan de feiten te zullen geven, waarna de feiten enkel nog administratiefrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd. Indien de procureur des Konings binnen diezelfde termijn van twee maanden echter heeft laten weten dat hij een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek heeft opgestart, vervolging heeft ingesteld dan wel oordeelt het dossier te moeten seponeren bij gebreke aan toereikende bezwaren, kan geen administratiefrechtelijke vervolging worden ingesteld.
I. 2. Vaststellingsbevoegdheid.
Ingevolge de wet van 17 juni 2004 konden daartoe aangewezen gemeenteambtenaren vaststellingen doen in verband met inbreuken die uitsluitend gesanctioneerd kunnen worden met administratieve sancties in hun eigen gemeente, maar niet in een andere gemeente van de eigen politiezone. De huidige wet heeft hieraan verholpen door deze mogelijkheid te voorzien voor de gemeenteambtenaren van meergemeentenpolitiezones. Hiertoe dient een overeenkomst gesloten te worden tussen de betrokken gemeenten. Op die manier kan de expertise van bepaalde ambtenaren (bv milieuambtenaren) ten dienste worden gesteld van de volledige zone, zal er meer eenvormigheid zijn en kan er tevens kostenbesparend worden opgetreden enz.
I. 3. Proceduriële wijzigingen.
I. 3.1. Met betrekking tot de vaststellingen : procedure van overmaking.
Voorheen was een termijn van 15 dagen - die aanvangt op datum van de aangifte of ambtshalve vaststelling - voorzien binnen dewelke de politieambtenaren of hulpagenten hun vaststellingen moesten overmaken aan de procureur des Konings en een afschrift aan de ambtenaar. Deze termijn wordt thans verlengd tot één maand aangezien de termijn van 15 dagen de kwaliteit van de vaststellingen niet ten goede komt. Met een uniforme termijn van één maand behoudt men de mogelijkheid om vlug te reageren op de door de wet geviseerde overlastfenomenen en wordt voorkomen dat anders steevast prioriteit zou dienen te worden gegeven aan de opsporing van overtredingen of wanbedrijven die ook afgehandeld kunnen worden met een administratieve sanctie. Bovendien zal men dan redelijkerwijze kunnen beschikken over een volledig dossier, zodat de kans dat nog bijkomende informatie zou moeten ingewonnen worden, geringer wordt. Voor de berekening van de termijn van één maand kan bij analogie worden verwezen naar het Gerechtelijk Wetboek en de aldaar geldende principes (de termijn van één maand wordt gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste waarbij de termijn aanvangt de dag na die van de akte die hem doet ingaan en de vervaldag in de termijn inbegrepen is).
In de wet van 17 juni 2004 was evenmin een termijn bepaald waarbinnen de vaststellingen moesten worden overgemaakt aan de ambtenaar indien het ging om inbreuken die enkel administratiefrechtelijk worden gesanctioneerd en dit in tegenstelling met de processen-verbaal inzake " gemengde " inbreuken waarvoor wel een termijn was voorzien (zie hoger, 15 dagen thans gebracht op 1 maand). De wetgever is hieraan tegemoetgekomen door voor deze louter administratieve inbreuken ook een termijn van één maand te voorzien.
Deze termijn van 1 maand is een dwingende termijn en de niet-naleving ervan heeft ingrijpende gevolgen. Er is immers geen mogelijkheid meer om een administratieve sanctie op te leggen indien deze termijn niet zou gerespecteerd worden. In die zin is het dan ook van het allergrootste belang dat op de processen-verbaal duidelijk wordt aangegeven wanneer het proces-verbaal werd overgemaakt. De dwingende termijn van één maand geldt enkel voor het proces-verbaal waarin de aanvankelijke vaststellingen werden opgenomen. Navolgende processen-verbaal waarin eventuele bijkomende informatie werd ingewonnen, vallen niet onder deze termijnvereiste en kunnen na het verstrijken van deze termijn, nog steeds worden overgemaakt. Het spreekt echter voor zich dat de korte verjaringstermijn van zes maanden waarbinnen de ganse procedure dient doorlopen te worden, ertoe noopt dat alle beschikbare informatie zo vlug mogelijk bij de ambtenaar dient toe te komen. Zoals in de Memorie van Toelichting bij de wet van 20 juli 2005 aangehaald, wordt de sanctionerende ambtenaar geacht het proces-verbaal te hebben ontvangen twee dagen na de datum van verzending ervan.
Tevens wordt voorgeschreven dat er van de vaststellingen lastens minderjarigen die enkel gesanctioneerd kunnen worden met een administratieve sanctie, steeds een afschrift wordt overgemaakt aan de procureur des Konings. Het is immers niet omdat een minderjarige geen misdrijf heeft gepleegd, dat het jeugdparket niet zou moeten worden ingelicht. Het spreekt immers voor zich dat herhaaldelijke administratieve inbreuken er kunnen op wijzen dat de minderjarige zich in een problematische opvoedingssituatie bevindt. Het is dan ook van groot belang dat het jeugdparket ook van de administratieve vaststellingen kennis kan nemen.
I. 3.2. Met betrekking tot de termijn voor reactie door de procureur des Konings.
Voor de inbreuken op de artikelen 526, 537 en 545 S.W. die ook administratief kunnen worden gesanctioneerd bepaalde de wet van 17 juni 2004 dat de strafvordering verviel één maand na ontvangst van het proces-verbaal indien het parket niet reageerde. Deze termijn van één maand binnen dewelke de procureur des Konings de ambtenaar in voorkomend geval dient in te lichten, wordt thans verlengd tot twee maanden teneinde ervoor te zorgen dat het opsporingsonderzoek is afgerond en de procureur des Konings zijn beslissing om al dan niet strafrechtelijk te vervolgen, kan baseren op alle gegevens van het opsporingsonderzoek. Alzo zal het parket tevens de nodige tijd krijgen om inlichtingen in te winnen omtrent de opvoedingsomstandigheden van de minderjarigen terwijl dit in zeer veel gevallen noodzakelijk is om te kunnen oordelen of er al dan niet een gevolg moet worden gegeven aan de vaststelling van de inbreuk. De opnieuw gepenaliseerde inbreuken uit Titel X van boek II van het Strafwetboek vallen tevens onder deze regeling zodat ook hier een termijn van twee maanden gelaten wordt aan de procureur des Konings om zijn beslissing desgevallend te laten kennen.
De termijn voor inbreuken op de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461 en 463 S.W. die ook administratiefrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd maar alleen in het geval dat het parket binnen een termijn van twee maand laat weten aan de gemeentelijke ambtenaar dat er een administratieve sanctie kan worden opgelegd, blijft ongewijzigd.
I. 3.3. Cumulatie van kwalificaties.
Bij de wetswijziging van 2004 was geen regeling voorzien voor de gevallen van cumul van kwalificaties. Dit zijn situaties waarbij eenzelfde feit naargelang de kwalificatie zowel sanctioneerbaar is door een gemeentereglement als door een strafwet (bv. wildplassen, sluikstorten). Dit was echter wel het geval in de wet van 13 mei 1999.
Gelet op het adagium non bis in idem, spreekt het voor zich dat een dergelijke regeling terug dient opgenomen te worden in de nieuwe gemeentewet.
In dit geval dient te worden gehandeld volgens de procedure die geldt voor de " gemengde " inbreuken op de artikelen 526, 537 en 545 S.W. (en de gerepenaliseerde inbreuken op titel X van boek II van het Strafwetboek). De procureur des Konings beschikt dan ook over een termijn van twee maanden vanaf de dag van de ontvangst van het proces-verbaal, om de ambtenaar in te lichten dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wordt opgestart, vervolging werd ingesteld dan wel dat hij het dossier wenst te seponeren bij gebrek aan toereikende bezwaren. Indien de procureur des Konings binnen deze periode geen bericht laat is enkel nog administratiefrechtelijke vervolging mogelijk.
I. 3.4. Verjaringstermijn.
Voordien was de verjaringstermijn vastgelegd op 6 maanden, te rekenen van de dag waarop het feit gepleegd werd. Gelet op de verlenging van de termijn voor het opsturen van de vaststellingen naar de procureur des Konings of de ambtenaar en in voorkomend geval van de termijn waarbinnen de procureur des Konings zijn reactie dient ter kennis te brengen, moet deze termijn aangepast worden. De termijn wordt dan ook gewijzigd door te stellen dat de termijn van zes maanden begint te lopen vanaf de dag van de ontvangst van de vaststellingen of van het afschrift van het proces-verbaal door de ambtenaar. De ambtenaar wordt geacht van de vaststellingen kennis te hebben genomen twee dagen na de datum van de verzending ervan. Het is dan ook van het grootste belang dat op de weergave van de vaststellingen duidelijk de datum van verzending wordt vermeld.
Tezelfdertijd wordt thans bepaald dat binnen de zes maanden kennis dient te worden gegeven van de beslissing. Het volstaat derhalve niet enkel dat de beslissing wordt genomen binnen voormelde termijn, doch tevens dient zij ter kennis te zijn gebracht per aangetekende brief binnen diezelfde periode.
I. 3.5. Wijzigingen in de procedure lastens minderjarigen.
Er wordt thans uitdrukkelijk voorzien dat een administratieve boete kan worden opgelegd aan een persoon die ten tijde van de feiten minderjarig was maar op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden. In dat geval dient de procedure voor minderjarigen te worden toegepast en wordt de beroepsprocedure ingesteld bij de jeugdrechtbank.
Ouders, voogden of degenen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, worden thans in alle stadia van de procedure betrokken, zowel in de procedure voor de ambtenaar als in de beroepsprocedure voor de jeugdrechtbank. Er wordt voorzien dat deze personen dezelfde rechten hebben als de overtreders zelf. Zo kunnen zij bij voorbeeld verweermiddelen voordragen, kunnen zij eveneens het dossier inzien, gehoord worden, beroep aantekenen bij de jeugdrechtbank enz. Tevens wordt voorzien dat de beslissing waarbij een administratieve boete wordt opgelegd aan de minderjarige ook aan deze personen per aangetekend schrijven ter kennis wordt gebracht.
Tezelfdertijd is voorzien in een burgerlijke aansprakelijkheidsregeling. Immers, in het licht van de tenuitvoerlegging van de opgelegde administratieve geldboete, moeten de ouders, voogden of degenen die gezag hebben over de minderjarige burgerlijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de administratieve geldboetes.
Ofschoon er geen hoger beroep mogelijk is tegen het vonnis van de jeugdrechtbank waarbij er uitspraak wordt gedaan over het hoger beroep tegen de beslissing tot het al dan niet opleggen van een administratieve geldboete, is er toch de mogelijkheid ingevoerd voor de minderjarigen en de ouders, voogden of degenen die gezag over de minderjarige hebben om in het geval dat de jeugdrechtbank een beschermingsmaatregel oplegt in plaats van een administratieve boete, toch beroep in te stellen volgens de procedures omschreven in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming die gelden voor de als misdrijf omschreven feiten. In aansluiting hiermede werd tevens bepaald dat de door de jeugdrechtbank opgelegde beschermingsmaatregel ten allen tijde conform artikel 60 van de jeugdbeschermingswet kan ingetrokken of gewijzigd worden.
I. 3.6. Beroepsprocedure.
Paragraaf 12 van artikel 119bis Nieuwe Gemeentewet werd tevens gewijzigd. Waar voorheen bepaald werd dat de gemeente beroep kan aantekenen tegen een beslissing tot het niet opleggen van een administratieve geldboete, wordt thans gepreciseerd dat dit enkel het geval kan zijn voor zover de beslissing houdende oplegging van een administratieve geldboete wordt genomen door een aangewezen provincieambtenaar.
I. 4. Afschriften.
Een afschrift van het proces-verbaal of van de vaststellingen en een afschrift van de beslissing houdende al dan niet oplegging van een administratieve sanctie kan door de ambtenaar overgemaakt worden aan elke belanghebbende partij die hiertoe voorafgaandelijk een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richt aan hem. Het zou hier bij voorbeeld kunnen gaan om een persoon die schade heeft geleden door het gedrag van de persoon aan wie een administratieve geldboete werd opgelegd. Het zal echter aan de ambtenaar toekomen de gegrondheid van het verzoek te beoordelen.
Art. M1. I. MODIFICATIONS A L'ARTICLE 119BIS DE LA NOUVELLE LOI COMMUNALE.
La loi du 20 juillet 2005 portant des dispositions diverses a introduit une adaptation de l'article 119bis de la Nouvelle Loi communale. Ci-après figure un aperçu des différentes modifications dont cet article a fait l'objet.
I. 1. Repénalisation du titre X du livre II du Code pénal.
La loi du 17 juin 2004 a dépénalisé le titre X du livre II du Code pénal. Les communes pouvaient néanmoins réinsérer ces faits dans leurs règlements ou ordonnances et infliger, pour toute infraction à ces règlements ou ordonnances, soit une peine de police, soit une sanction administrative. Cette même loi prévoyait aussi explicitement la possibilité d'infliger aux mineurs ayant atteint l'âge de 16 ans accomplis une sanction administrative consistant en une amende de maximum 125 euros. Aucune amende administrative ne pouvait par contre être infligée aux mineurs de moins de 16 ans.
Par conséquent, les mineurs de moins de 16 ans restaient pour ainsi dire impunis quand aucune peine de police n'était prévue dans le règlement communal ou l'ordonnance pour ces infractions ou lorsqu'il était opté pour une amende administrative. En l'absence d'infraction de nature pénale, aucune mesure de protection ne peut en effet être prise en application de la loi relative à la protection de la jeunesse étant donné que les infractions ne pouvaient pas être définies comme étant des faits qualifiés d'infractions. Par ailleurs, pour de tels faits commis par des mineurs de moins de 16 ans, les parquets ne pouvaient intervenir qu'exceptionnellement sur la base d'une situation d'urgence problématique en termes d'éducation et lorsque les conditions étaient réunies pour ce faire. Comme déjà mentionné supra, il n'était pas non plus possible d'infliger une amende administrative.
Afin de remédier à ce problème d'impunité, il importe de continuer à pénaliser un certain nombre d'infractions contenues dans le Titre X du Code pénal que commettent souvent des mineurs de moins de 16 ans.
Les articles suivants sont dès lors à nouveau pénalisés dans le Code pénal (titre X du livre II) :
- article 559, 1° : dégradation de biens mobiliers
- article 561, 1 : tapage nocturne
- article 563, 2° : dégradation volontaire des clôtures urbaines ou rurales
- article 563, 3° : voies de fait ou violences légères
En dépit de cette repénalisation, il est prévu qu'une sanction administrative pourra également être infligée pour de tels faits. Ces faits ont en effet été inclus dans l'énumération de l'article 119bis, § 2, alinéa 3, de sorte que l'action pénale est éteinte deux mois après la réception du procès-verbal si le procureur du Roi ne réagit pas ou a fait savoir qu'il ne réserverait pas de suite aux faits. Après cela, les faits ne peuvent plus qu'être sanctionnés administrativement. Si le procureur du Roi a toutefois fait savoir, dans ce même délai de deux mois, qu'il a ouvert une information ou une instruction, qu'il a entamé des poursuites ou qu'il estime devoir classer le dossier à défaut de charges suffisantes, cette communication éteint la possibilité d'infliger une action administrative.
I. 2. Compétence de constatation.
En vertu de la loi du 17 juin 2004, des agents communaux désignés à cet effet pouvaient procéder à des constatations relatives à des infractions pouvant exclusivement être sanctionnées administrativement dans leur propre commune, mais pas dans une autre commune de la zone de police. La loi actuelle a remédié à cette lacune en prévoyant cette possibilité pour les agents communaux des zones de police pluricommunales. Un accord doit être conclu à cet effet entre les communes concernées. Ainsi, l'expertise de certains agents (p.ex. les fonctionnaires de l'environnement) peut être mise à la disposition de la zone dans son ensemble, l'uniformité sera accrue et il sera également possible de réduire les frais des interventions, etc.
I. 3. Modifications relatives à la procédure.
I. 3.1. En ce qui concerne les constatations: procédure de transmission.
Auparavant, il était prévu un délai de 15 jours - qui prend cours à la date de la déclaration ou de la constatation d'office - pendant lequel les fonctionnaires de police ou les agents auxiliaires devaient transmettre leurs constatations au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire. Ce délai est désormais fixé à un mois étant donné que le délai de 15 jours nuit à la qualité des constatations. Sur la base d'un délai uniforme d'un mois, on maintient la possibilité de réagir rapidement aux phénomènes de nuisances visés dans la loi et on évite de devoir donner systématiquement priorité à la détection de délits ou d'infractions qui peuvent également être punis d'une sanction administrative. Par ailleurs, on pourra logiquement disposer d'un dossier complet, ce qui réduira les probabilités de devoir encore recueillir des informations complémentaires. Pour le calcul du délai d'un mois, on peut s'en référer, par analogie, au Code judiciaire et aux principes en vigueur dans celui-ci (le délai d'un mois se compte de quantième à veille de quantième; le délai prend cours le jour qui suit celui de l'acte en question et le jour d'échéance est compris dans le délai).
La loi du 17 juin 2004 ne prévoyait pas non plus un délai dans lequel les constatations devaient être transmises au fonctionnaire s'il s'agissait d'infractions uniquement sanctionnées administrativement et ce, contrairement aux procès-verbaux relatifs à des infractions " mixtes " pour lesquels un délai était bel et bien prévu (voir supra, 15 jours auparavant; 1 mois actuellement). Le législateur a remédié à ce problème en prévoyant également un délai d'un mois pour ces infractions purement administratives.
Ce délai d'1 mois est contraignant et le non-respect de ce délai a de lourdes conséquences. Il n'est en effet plus possible d'infliger une sanction administrative si ce délai n'est pas respecté. Dans cette optique, il est dès lors essentiel que le procès-verbal mentionne clairement la date à laquelle il a été transmis. Le délai contraignant d'un mois vaut uniquement pour le procès-verbal qui fait mention des constatations initiales. Les procès-verbaux subséquents qui font état d'informations complémentaires éventuelles, ne sont pas concernés par cette condition de délai et peuvent encore être transmis au delà de ce délai. Il va cependant de soi que le bref délai de prescription de six mois, prévu pour l'ensemble de la procédure, implique que toutes les informations disponibles doivent parvenir au fonctionnaire dans les meilleurs délais. Comme le stipule l'Exposé des Motifs de la loi du 20 juillet 2005, le fonctionnaire sanctionnateur est censé avoir reçu le procès-verbal deux jours après la date de l'envoi de celui-ci.
Il est également prescrit de transmettre systématiquement au procureur du Roi une copie des constatations à charge de mineurs qui peuvent uniquement faire l'objet d'une sanction administrative. Ce n'est en effet pas parce qu'un mineur n'a pas commis de délit que le parquet de la jeunesse ne doit pas en être informé. Il va de soi que les infractions administratives fréquentes peuvent révéler que le mineur se trouve dans des conditions problématiques d'éducation. Il est dès lors primordial que le parquet de la jeunesse prenne également connaissance des constatations administratives.
I. 3.2. En ce qui concerne le délai de réaction du procureur du Roi.
Pour les infractions aux articles 526, 537 et 545 du Code pénal, qui peuvent également être sanctionnées administrativement, la loi du 17 juin 2004 prévoyait que l'action pénale était éteinte, en cas d'absence de réaction du parquet, un mois après la réception du procès-verbal. Ce délai d'un mois dans lequel le procureur du Roi est tenu d'informer le fonctionnaire, est actuellement porté à deux mois, l'objectif étant de veiller à ce que l'information judiciaire soit clôturée et que le Procureur du Roi puisse baser sa décision d'entamer, le cas échéant, des poursuites pénales sur l'ensemble des données contenues dans l'information. Ainsi, le parquet disposera du temps nécessaire pour recueillir des renseignements au sujet des conditions d'éducation des mineurs alors que cette démarche est, dans de très nombreux cas, essentielle pour pouvoir apprécier s'il faut ou non donner suite à la constatation de l'infraction. Cette règle s'appliquant aussi aux infractions du titre X du livre II du Code pénal, qui sont à nouveau pénalisées, le procureur du Roi dispose dans ce cas également d'un délai de deux mois pour faire connaître sa décision.
Aucune modification n'est apportée au délai prévu pour les infractions aux articles 327 à 330, 398, 448, 461 et 463 du Code pénal, qui peuvent également être sanctionnées administrativement, mais uniquement au cas où le parquet communique au fonctionnaire communal, dans un délai de deux mois, qu'une sanction administrative peut être infligée.
I. 3.3. Cumul de qualifications.
La modification de la loi opérée en 2004 ne prévoyait pas de règlement pour les cas de cumul de qualifications. Ces cas concernent des situations dans lesquelles un même fait est, en fonction de la qualification, à la fois sanctionnable par un règlement communal et par une loi pénale (p.ex. urinoirs sauvages, dépôts sauvages). C'était toutefois le cas dans la loi du 13 mai 1999.
Vu l'adage non bis in idem, il est un fait qu'un tel règlement doit à nouveau être inséré dans la Nouvelle Loi communale.
Dans ce cas, il y a lieu d'agir conformément à la procédure qui vaut pour les infractions " mixtes " aux articles 526, 537 et 545 du Code pénal (et les infractions repénalisées du titre X du livre II du Code pénal). Le procureur du Roi dispose dès lors d'un délai de deux mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour informer le fonctionnaire qu'une information ou une instruction a été ouverte, que des poursuites ont été entamées ou qu'il estime devoir classer le dossier à défaut de charges suffisantes. Si le procureur du Roi ne signale rien au cours de cette période, seules des poursuites administratives sont encore possibles.
I. 3.4. Délai de prescription.
Auparavant, le délai de prescription était fixé à 6 mois, à compter du jour où le fait a été commis. Etant donné la prolongation du délai pour l'envoi des constatations au Procureur du Roi ou au fonctionnaire et, le cas échéant, du délai dans lequel le procureur du Roi est tenu de faire connaître sa réaction, ce délai doit être adapté. Le délai est dès lors modifié dans la mesure où il est stipulé que le délai de six mois commence à courir à compter du jour de la réception des constatations ou de la copie du procès-verbal par le fonctionnaire. Ce dernier est censé avoir pris connaissance des constatations deux jours après la date de leur envoi. Il est dès lors indispensable que les constatations mentionnent clairement la date d'envoi.
Il est également stipulé désormais que la décision doit être notifiée dans les six mois. Par conséquent, il ne suffit pas de prendre la décision dans le délai susmentionné, mais il convient également de la faire notifier par lettre recommandée au cours de cette même période.
I. 3.5. Modifications de la procédure à charge des mineurs.
Actuellement, il est explicitement prévu qu'une amende administrative peut être infligée à une personne qui était mineure au moment des faits, mais qui est devenue majeure au moment du jugement des faits. Dans ce cas, il convient d'appliquer la procédure relative aux mineurs et d'introduire le recours auprès du tribunal de la jeunesse.
Les parents, les tuteurs ou les personnes qui ont la garde du mineur sont désormais impliqués dans toutes les phases de la procédure, tant dans la procédure devant le fonctionnaire que lors du recours devant le tribunal de la jeunesse. Il est prévu que ces personnes disposent des mêmes droits que les contrevenants. Elles peuvent ainsi, par exemple, présenter des moyens de défense, consulter le dossier, être entendues, introduire un recours auprès du tribunal de la jeunesse, etc. Il est également stipulé que la décision d'infliger une amende administrative au mineur doit également être notifiée à ces personnes par lettre recommandée.
Parallèlement, un règlement relatif à la responsabilité civile est prévu. En effet, à la lumière de l'exécution de l'amende administrative infligée, la responsabilité civile des parents, des tuteurs ou des personnes qui ont la garde du mineur doit être engagée pour le paiement de l'amende administrative.
Bien qu'aucun recours ne soit possible contre le jugement du tribunal de la jeunesse qui statue sur le recours introduit contre la décision d'infliger ou non une amende administrative, il est désormais possible, pour les mineurs et les parents, les tuteurs ou les personnes qui ont la garde du mineur d'introduire un tel recours au cas où le tribunal de la jeunesse impose une mesure de protection au lieu d'une amende administrative et ce, conformément aux procédures décrites dans la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse qui s'appliquent pour le cas de faits qualifiés infractions. Dans le même ordre d'idées, il est précisé que la mesure de protection imposée par le tribunal de la jeunesse peut être retirée ou modifiée à tout moment, conformément à l'article 60 de la loi relative à la protection de la jeunesse.
I. 3.6. Procédure de recours.
Le paragraphe 12 de l'article 119bis de la Nouvelle Loi communale a lui aussi fait l'objet d'une modification. Alors qu'il était auparavant stipulé que la commune pouvait interjeter appel d'une décision de ne pas infliger une amende administrative, il est actuellement précisé que ce cas est uniquement possible pour autant que la décision d'infliger une amende administrative est prise par un agent provincial désigné.
I. 4. Copies.
Une copie du procès-verbal ou des constatations et une copie de la décision d'infliger ou non une sanction administrative peut être transmise par le fonctionnaire à toute partie y ayant un intérêt et qui lui a adressé au préalable une demande écrite et motivée. Il pourrait par exemple s'agir d'une personne qui a subi des dommages en raison du comportement de la personne à qui une amende administrative a été infligée. Il appartient néanmoins au fonctionnaire d'apprécier le bien-fondé de la demande.
La loi du 20 juillet 2005 portant des dispositions diverses a introduit une adaptation de l'article 119bis de la Nouvelle Loi communale. Ci-après figure un aperçu des différentes modifications dont cet article a fait l'objet.
I. 1. Repénalisation du titre X du livre II du Code pénal.
La loi du 17 juin 2004 a dépénalisé le titre X du livre II du Code pénal. Les communes pouvaient néanmoins réinsérer ces faits dans leurs règlements ou ordonnances et infliger, pour toute infraction à ces règlements ou ordonnances, soit une peine de police, soit une sanction administrative. Cette même loi prévoyait aussi explicitement la possibilité d'infliger aux mineurs ayant atteint l'âge de 16 ans accomplis une sanction administrative consistant en une amende de maximum 125 euros. Aucune amende administrative ne pouvait par contre être infligée aux mineurs de moins de 16 ans.
Par conséquent, les mineurs de moins de 16 ans restaient pour ainsi dire impunis quand aucune peine de police n'était prévue dans le règlement communal ou l'ordonnance pour ces infractions ou lorsqu'il était opté pour une amende administrative. En l'absence d'infraction de nature pénale, aucune mesure de protection ne peut en effet être prise en application de la loi relative à la protection de la jeunesse étant donné que les infractions ne pouvaient pas être définies comme étant des faits qualifiés d'infractions. Par ailleurs, pour de tels faits commis par des mineurs de moins de 16 ans, les parquets ne pouvaient intervenir qu'exceptionnellement sur la base d'une situation d'urgence problématique en termes d'éducation et lorsque les conditions étaient réunies pour ce faire. Comme déjà mentionné supra, il n'était pas non plus possible d'infliger une amende administrative.
Afin de remédier à ce problème d'impunité, il importe de continuer à pénaliser un certain nombre d'infractions contenues dans le Titre X du Code pénal que commettent souvent des mineurs de moins de 16 ans.
Les articles suivants sont dès lors à nouveau pénalisés dans le Code pénal (titre X du livre II) :
- article 559, 1° : dégradation de biens mobiliers
- article 561, 1 : tapage nocturne
- article 563, 2° : dégradation volontaire des clôtures urbaines ou rurales
- article 563, 3° : voies de fait ou violences légères
En dépit de cette repénalisation, il est prévu qu'une sanction administrative pourra également être infligée pour de tels faits. Ces faits ont en effet été inclus dans l'énumération de l'article 119bis, § 2, alinéa 3, de sorte que l'action pénale est éteinte deux mois après la réception du procès-verbal si le procureur du Roi ne réagit pas ou a fait savoir qu'il ne réserverait pas de suite aux faits. Après cela, les faits ne peuvent plus qu'être sanctionnés administrativement. Si le procureur du Roi a toutefois fait savoir, dans ce même délai de deux mois, qu'il a ouvert une information ou une instruction, qu'il a entamé des poursuites ou qu'il estime devoir classer le dossier à défaut de charges suffisantes, cette communication éteint la possibilité d'infliger une action administrative.
I. 2. Compétence de constatation.
En vertu de la loi du 17 juin 2004, des agents communaux désignés à cet effet pouvaient procéder à des constatations relatives à des infractions pouvant exclusivement être sanctionnées administrativement dans leur propre commune, mais pas dans une autre commune de la zone de police. La loi actuelle a remédié à cette lacune en prévoyant cette possibilité pour les agents communaux des zones de police pluricommunales. Un accord doit être conclu à cet effet entre les communes concernées. Ainsi, l'expertise de certains agents (p.ex. les fonctionnaires de l'environnement) peut être mise à la disposition de la zone dans son ensemble, l'uniformité sera accrue et il sera également possible de réduire les frais des interventions, etc.
I. 3. Modifications relatives à la procédure.
I. 3.1. En ce qui concerne les constatations: procédure de transmission.
Auparavant, il était prévu un délai de 15 jours - qui prend cours à la date de la déclaration ou de la constatation d'office - pendant lequel les fonctionnaires de police ou les agents auxiliaires devaient transmettre leurs constatations au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire. Ce délai est désormais fixé à un mois étant donné que le délai de 15 jours nuit à la qualité des constatations. Sur la base d'un délai uniforme d'un mois, on maintient la possibilité de réagir rapidement aux phénomènes de nuisances visés dans la loi et on évite de devoir donner systématiquement priorité à la détection de délits ou d'infractions qui peuvent également être punis d'une sanction administrative. Par ailleurs, on pourra logiquement disposer d'un dossier complet, ce qui réduira les probabilités de devoir encore recueillir des informations complémentaires. Pour le calcul du délai d'un mois, on peut s'en référer, par analogie, au Code judiciaire et aux principes en vigueur dans celui-ci (le délai d'un mois se compte de quantième à veille de quantième; le délai prend cours le jour qui suit celui de l'acte en question et le jour d'échéance est compris dans le délai).
La loi du 17 juin 2004 ne prévoyait pas non plus un délai dans lequel les constatations devaient être transmises au fonctionnaire s'il s'agissait d'infractions uniquement sanctionnées administrativement et ce, contrairement aux procès-verbaux relatifs à des infractions " mixtes " pour lesquels un délai était bel et bien prévu (voir supra, 15 jours auparavant; 1 mois actuellement). Le législateur a remédié à ce problème en prévoyant également un délai d'un mois pour ces infractions purement administratives.
Ce délai d'1 mois est contraignant et le non-respect de ce délai a de lourdes conséquences. Il n'est en effet plus possible d'infliger une sanction administrative si ce délai n'est pas respecté. Dans cette optique, il est dès lors essentiel que le procès-verbal mentionne clairement la date à laquelle il a été transmis. Le délai contraignant d'un mois vaut uniquement pour le procès-verbal qui fait mention des constatations initiales. Les procès-verbaux subséquents qui font état d'informations complémentaires éventuelles, ne sont pas concernés par cette condition de délai et peuvent encore être transmis au delà de ce délai. Il va cependant de soi que le bref délai de prescription de six mois, prévu pour l'ensemble de la procédure, implique que toutes les informations disponibles doivent parvenir au fonctionnaire dans les meilleurs délais. Comme le stipule l'Exposé des Motifs de la loi du 20 juillet 2005, le fonctionnaire sanctionnateur est censé avoir reçu le procès-verbal deux jours après la date de l'envoi de celui-ci.
Il est également prescrit de transmettre systématiquement au procureur du Roi une copie des constatations à charge de mineurs qui peuvent uniquement faire l'objet d'une sanction administrative. Ce n'est en effet pas parce qu'un mineur n'a pas commis de délit que le parquet de la jeunesse ne doit pas en être informé. Il va de soi que les infractions administratives fréquentes peuvent révéler que le mineur se trouve dans des conditions problématiques d'éducation. Il est dès lors primordial que le parquet de la jeunesse prenne également connaissance des constatations administratives.
I. 3.2. En ce qui concerne le délai de réaction du procureur du Roi.
Pour les infractions aux articles 526, 537 et 545 du Code pénal, qui peuvent également être sanctionnées administrativement, la loi du 17 juin 2004 prévoyait que l'action pénale était éteinte, en cas d'absence de réaction du parquet, un mois après la réception du procès-verbal. Ce délai d'un mois dans lequel le procureur du Roi est tenu d'informer le fonctionnaire, est actuellement porté à deux mois, l'objectif étant de veiller à ce que l'information judiciaire soit clôturée et que le Procureur du Roi puisse baser sa décision d'entamer, le cas échéant, des poursuites pénales sur l'ensemble des données contenues dans l'information. Ainsi, le parquet disposera du temps nécessaire pour recueillir des renseignements au sujet des conditions d'éducation des mineurs alors que cette démarche est, dans de très nombreux cas, essentielle pour pouvoir apprécier s'il faut ou non donner suite à la constatation de l'infraction. Cette règle s'appliquant aussi aux infractions du titre X du livre II du Code pénal, qui sont à nouveau pénalisées, le procureur du Roi dispose dans ce cas également d'un délai de deux mois pour faire connaître sa décision.
Aucune modification n'est apportée au délai prévu pour les infractions aux articles 327 à 330, 398, 448, 461 et 463 du Code pénal, qui peuvent également être sanctionnées administrativement, mais uniquement au cas où le parquet communique au fonctionnaire communal, dans un délai de deux mois, qu'une sanction administrative peut être infligée.
I. 3.3. Cumul de qualifications.
La modification de la loi opérée en 2004 ne prévoyait pas de règlement pour les cas de cumul de qualifications. Ces cas concernent des situations dans lesquelles un même fait est, en fonction de la qualification, à la fois sanctionnable par un règlement communal et par une loi pénale (p.ex. urinoirs sauvages, dépôts sauvages). C'était toutefois le cas dans la loi du 13 mai 1999.
Vu l'adage non bis in idem, il est un fait qu'un tel règlement doit à nouveau être inséré dans la Nouvelle Loi communale.
Dans ce cas, il y a lieu d'agir conformément à la procédure qui vaut pour les infractions " mixtes " aux articles 526, 537 et 545 du Code pénal (et les infractions repénalisées du titre X du livre II du Code pénal). Le procureur du Roi dispose dès lors d'un délai de deux mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour informer le fonctionnaire qu'une information ou une instruction a été ouverte, que des poursuites ont été entamées ou qu'il estime devoir classer le dossier à défaut de charges suffisantes. Si le procureur du Roi ne signale rien au cours de cette période, seules des poursuites administratives sont encore possibles.
I. 3.4. Délai de prescription.
Auparavant, le délai de prescription était fixé à 6 mois, à compter du jour où le fait a été commis. Etant donné la prolongation du délai pour l'envoi des constatations au Procureur du Roi ou au fonctionnaire et, le cas échéant, du délai dans lequel le procureur du Roi est tenu de faire connaître sa réaction, ce délai doit être adapté. Le délai est dès lors modifié dans la mesure où il est stipulé que le délai de six mois commence à courir à compter du jour de la réception des constatations ou de la copie du procès-verbal par le fonctionnaire. Ce dernier est censé avoir pris connaissance des constatations deux jours après la date de leur envoi. Il est dès lors indispensable que les constatations mentionnent clairement la date d'envoi.
Il est également stipulé désormais que la décision doit être notifiée dans les six mois. Par conséquent, il ne suffit pas de prendre la décision dans le délai susmentionné, mais il convient également de la faire notifier par lettre recommandée au cours de cette même période.
I. 3.5. Modifications de la procédure à charge des mineurs.
Actuellement, il est explicitement prévu qu'une amende administrative peut être infligée à une personne qui était mineure au moment des faits, mais qui est devenue majeure au moment du jugement des faits. Dans ce cas, il convient d'appliquer la procédure relative aux mineurs et d'introduire le recours auprès du tribunal de la jeunesse.
Les parents, les tuteurs ou les personnes qui ont la garde du mineur sont désormais impliqués dans toutes les phases de la procédure, tant dans la procédure devant le fonctionnaire que lors du recours devant le tribunal de la jeunesse. Il est prévu que ces personnes disposent des mêmes droits que les contrevenants. Elles peuvent ainsi, par exemple, présenter des moyens de défense, consulter le dossier, être entendues, introduire un recours auprès du tribunal de la jeunesse, etc. Il est également stipulé que la décision d'infliger une amende administrative au mineur doit également être notifiée à ces personnes par lettre recommandée.
Parallèlement, un règlement relatif à la responsabilité civile est prévu. En effet, à la lumière de l'exécution de l'amende administrative infligée, la responsabilité civile des parents, des tuteurs ou des personnes qui ont la garde du mineur doit être engagée pour le paiement de l'amende administrative.
Bien qu'aucun recours ne soit possible contre le jugement du tribunal de la jeunesse qui statue sur le recours introduit contre la décision d'infliger ou non une amende administrative, il est désormais possible, pour les mineurs et les parents, les tuteurs ou les personnes qui ont la garde du mineur d'introduire un tel recours au cas où le tribunal de la jeunesse impose une mesure de protection au lieu d'une amende administrative et ce, conformément aux procédures décrites dans la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse qui s'appliquent pour le cas de faits qualifiés infractions. Dans le même ordre d'idées, il est précisé que la mesure de protection imposée par le tribunal de la jeunesse peut être retirée ou modifiée à tout moment, conformément à l'article 60 de la loi relative à la protection de la jeunesse.
I. 3.6. Procédure de recours.
Le paragraphe 12 de l'article 119bis de la Nouvelle Loi communale a lui aussi fait l'objet d'une modification. Alors qu'il était auparavant stipulé que la commune pouvait interjeter appel d'une décision de ne pas infliger une amende administrative, il est actuellement précisé que ce cas est uniquement possible pour autant que la décision d'infliger une amende administrative est prise par un agent provincial désigné.
I. 4. Copies.
Une copie du procès-verbal ou des constatations et une copie de la décision d'infliger ou non une sanction administrative peut être transmise par le fonctionnaire à toute partie y ayant un intérêt et qui lui a adressé au préalable une demande écrite et motivée. Il pourrait par exemple s'agir d'une personne qui a subi des dommages en raison du comportement de la personne à qui une amende administrative a été infligée. Il appartient néanmoins au fonctionnaire d'apprécier le bien-fondé de la demande.
Art. M2. II. WIJZIGINGEN EN AANVULLINGEN BIJ DE OMZENDBRIEF OOP 30BIS.
II. 1. Omzetting van de bedragen uit de wet van 13 mei 1999 na de invoering van de euro
In de omzendbrief OOP30bis is een vergissing geslopen bij de vermelding van de bedragen in euro. Ingevolge artikel 3 van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro, worden de administratieve geldboetes immers de facto gedeeld door 40 zodat de bedragen van 10 000 Fr. en 2 500 Fr. thans dan ook dienen gelezen te worden als respectievelijk 250 euro en 62,50 euro.
II. 2. Model van proces-verbaal/vaststelling.
Bij de omzendbrief OOP30bis was een model van vaststelling bijgevoegd. Teneinde echter niet in tegenstrijd te zijn met de bestaande (gerechtelijke) modellen van proces-verbaal en om de invoering van de processen-verbaal in de elektronische databanken bij de politiediensten te garanderen, wordt gevraagd :
- voor de gemengde inbreuken, een " gewoon " proces-verbaal van vaststelling op te maken;
- voor de louter administratieve inbreuken, de vaststelling op te nemen in een bestuurlijk verslag, conform het model gevoegd in bijlage.
Volledigheidshalve wordt hier ook nog opgemerkt dat het aan te bevelen is om, wanneer door de politiediensten verschillende strafrechtelijke inbreuken worden vastgesteld en waarbij één van de inbreuken ook kan afgehandeld worden door een administratieve sanctie, zij twee aanvankelijke processen-verbaal opmaken betreffende enerzijds de vaststellingen van de louter strafrechtelijk sanctioneerbare feiten en anderzijds de feiten die een gemengde inbreuk uitmaken en dat uiteraard enkel een afschrift van laatstgenoemd proces-verbaal wordt overgemaakt aan de sanctionerende ambtenaar. Hetzelfde geldt voor het geval er verschillende strafrechtelijke inbreuken worden vastgesteld én een louter administratief feit. Deze aanbeveling wordt gegeven in het licht van artikel 28quinquies van het Wetboek van strafvordering dat stelt dat het opsporingsonderzoek geheim is. Het feit dat een sanctionerende ambtenaar kennis krijgt van strafbare feiten waaromtrent door het openbaar ministerie een opsporingsonderzoek wordt gevoerd doch die buiten het kader van de gemengde inbreuken vallen is immers moeilijk verzoenbaar met dit principe.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister belast met het Grootstedenbeleid,
C. DUPONT
II. 1. Omzetting van de bedragen uit de wet van 13 mei 1999 na de invoering van de euro
In de omzendbrief OOP30bis is een vergissing geslopen bij de vermelding van de bedragen in euro. Ingevolge artikel 3 van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro, worden de administratieve geldboetes immers de facto gedeeld door 40 zodat de bedragen van 10 000 Fr. en 2 500 Fr. thans dan ook dienen gelezen te worden als respectievelijk 250 euro en 62,50 euro.
II. 2. Model van proces-verbaal/vaststelling.
Bij de omzendbrief OOP30bis was een model van vaststelling bijgevoegd. Teneinde echter niet in tegenstrijd te zijn met de bestaande (gerechtelijke) modellen van proces-verbaal en om de invoering van de processen-verbaal in de elektronische databanken bij de politiediensten te garanderen, wordt gevraagd :
- voor de gemengde inbreuken, een " gewoon " proces-verbaal van vaststelling op te maken;
- voor de louter administratieve inbreuken, de vaststelling op te nemen in een bestuurlijk verslag, conform het model gevoegd in bijlage.
Volledigheidshalve wordt hier ook nog opgemerkt dat het aan te bevelen is om, wanneer door de politiediensten verschillende strafrechtelijke inbreuken worden vastgesteld en waarbij één van de inbreuken ook kan afgehandeld worden door een administratieve sanctie, zij twee aanvankelijke processen-verbaal opmaken betreffende enerzijds de vaststellingen van de louter strafrechtelijk sanctioneerbare feiten en anderzijds de feiten die een gemengde inbreuk uitmaken en dat uiteraard enkel een afschrift van laatstgenoemd proces-verbaal wordt overgemaakt aan de sanctionerende ambtenaar. Hetzelfde geldt voor het geval er verschillende strafrechtelijke inbreuken worden vastgesteld én een louter administratief feit. Deze aanbeveling wordt gegeven in het licht van artikel 28quinquies van het Wetboek van strafvordering dat stelt dat het opsporingsonderzoek geheim is. Het feit dat een sanctionerende ambtenaar kennis krijgt van strafbare feiten waaromtrent door het openbaar ministerie een opsporingsonderzoek wordt gevoerd doch die buiten het kader van de gemengde inbreuken vallen is immers moeilijk verzoenbaar met dit principe.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister belast met het Grootstedenbeleid,
C. DUPONT
Art. M2. II. MODIFICATIONS ET COMPLEMENTS DE LA CIRCULAIRE OOP 30BIS.
II. 1. Conversion des montants de la loi du 13 mai 1999 après l'introduction de l'euro.
Dans la circulaire OOP30bis, une erreur s'est glissée dans la mention des montants en euros. En vertu de l'article 3 de la loi du 26 juin 2000 relative à l'introduction de l'euro, les amendes administratives sont en effet divisées de facto par 40, de sorte que les montants de 10 000 Fr. et 2 500 Fr. doivent désormais être lus comme étant respectivement des montants de 250 euros et de 62,50 euros.
II. 2. Modèle de procès-verbal/constatation.
A la circulaire OOP30bis était joint un modèle de constatation. Toutefois, afin de ne pas être en contradiction avec les modèles de procès-verbaux (judiciaires) existants et de garantir l'encodage des procès-verbaux dans les banques de données électroniques des services de police, il est demandé :
- pour les infractions mixtes, de dresser un procès-verbal " ordinaire " de constatation
- pour les infractions purement administratives, d'inclure la constatation dans un compte rendu administratif, conformément au modèle joint en annexe.
Pour des raisons d'exhaustivité, il convient également de signaler qu'il est recommandé que les services de police, lorsqu'ils constatent plusieurs infractions pénales parmi lesquelles une infraction peut également être sanctionnée administrativement, dressent deux procès-verbaux initiaux distincts constatant d'une part les faits qui ne peuvent être sanctionnés que pénalement et d'autre part les faits qui constituent une infraction mixte. Seul le procès-verbal constatant les faits qui constituent une infraction mixte sera transmis en copie au fonctionnaire sanctionnateur. Il en va de même pour le cas dans lequel différentes infractions pénales ainsi qu'un fait purement administratif sont constatés. Cette recommandation est formulée à la lumière de l'article 28quinquies du Code d'instruction criminelle qui dispose que l'information est secrète. Le fait qu'un fonctionnaire sanctionnateur ait connaissance de faits punissables pénalement qui font l'objet d'une information judiciaire par le ministère public et qui sortent du cadre des infractions mixtes, est en effet difficilement conciliable avec ce principe.
Le Ministre de l'Intérieur,
P. DEWAEL
Le Ministre en charge de la Politique des Grandes Villes,
C. DUPONT
II. 1. Conversion des montants de la loi du 13 mai 1999 après l'introduction de l'euro.
Dans la circulaire OOP30bis, une erreur s'est glissée dans la mention des montants en euros. En vertu de l'article 3 de la loi du 26 juin 2000 relative à l'introduction de l'euro, les amendes administratives sont en effet divisées de facto par 40, de sorte que les montants de 10 000 Fr. et 2 500 Fr. doivent désormais être lus comme étant respectivement des montants de 250 euros et de 62,50 euros.
II. 2. Modèle de procès-verbal/constatation.
A la circulaire OOP30bis était joint un modèle de constatation. Toutefois, afin de ne pas être en contradiction avec les modèles de procès-verbaux (judiciaires) existants et de garantir l'encodage des procès-verbaux dans les banques de données électroniques des services de police, il est demandé :
- pour les infractions mixtes, de dresser un procès-verbal " ordinaire " de constatation
- pour les infractions purement administratives, d'inclure la constatation dans un compte rendu administratif, conformément au modèle joint en annexe.
Pour des raisons d'exhaustivité, il convient également de signaler qu'il est recommandé que les services de police, lorsqu'ils constatent plusieurs infractions pénales parmi lesquelles une infraction peut également être sanctionnée administrativement, dressent deux procès-verbaux initiaux distincts constatant d'une part les faits qui ne peuvent être sanctionnés que pénalement et d'autre part les faits qui constituent une infraction mixte. Seul le procès-verbal constatant les faits qui constituent une infraction mixte sera transmis en copie au fonctionnaire sanctionnateur. Il en va de même pour le cas dans lequel différentes infractions pénales ainsi qu'un fait purement administratif sont constatés. Cette recommandation est formulée à la lumière de l'article 28quinquies du Code d'instruction criminelle qui dispose que l'information est secrète. Le fait qu'un fonctionnaire sanctionnateur ait connaissance de faits punissables pénalement qui font l'objet d'une information judiciaire par le ministère public et qui sortent du cadre des infractions mixtes, est en effet difficilement conciliable avec ce principe.
Le Ministre de l'Intérieur,
P. DEWAEL
Le Ministre en charge de la Politique des Grandes Villes,
C. DUPONT
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Model van bestuurlijk verslag.
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 24-11-2005, p. 50672-50673).
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 24-11-2005, p. 50672-50673).
Art. N. Modèle de compte rendu administratif.
(Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 24-11-2005, p. 50670-50671).
(Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 24-11-2005, p. 50670-50671).