Artikel 1. Voor de toepassing van dit Verdrag :
1. Wordt verstaan onder " fondsen " alle soorten vermogensbestanddelen, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, hoe dan ook verkregen, alsmede rechtsbescheiden in welke vorm dan ook, elektronisch of digitaal daaronder begrepen, waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die vermogensbestanddelen blijken, inzonderheid, maar niet beperkt tot kredieten, travellercheques, bankcheques, postwissels, aandelen, waardepapieren, obligaties, wissels en kredietbrieven.
2. Wordt verstaan onder " staats- of regeringsvoorziening " alle permanente of tijdelijke voorzieningen of vervoermiddelen in gebruik bij of bezit van vertegenwoordigers van een Staat, leden van een regering, van de wetgevende of de rechterlijke macht of bij functionarissen of medewerkers van een Staat of andere openbare autoriteit of instelling of bij medewerkers of functionarissen van een intergouvernementele organisatie in verband met hun officiële taken.
3. Wordt verstaan onder " opbrengsten " alle fondsen, rechtstreeks of onrechtstreeks, afkomstig van of verkregen door het plegen van een in artikel 2 omschreven strafbaar feit.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
9 DECEMBER 1999. - Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme en met de Bijlage, aangenomen te New York op 9 december 1999.
Titre
9 DECEMBRE 1999. - Convention internationale pour la répression du financement du terrorisme, et à l'Annexe, adoptées à New York le 9 décembre 1999.
Informations sur le document
Numac: 2004A15099
Datum: 1999-12-09
Info du document
Numac: 2004A15099
Date: 1999-12-09
Tekst (31)
Texte (31)
Article 1. Aux fins de la présente Convention :
1. " Fonds " s'entend des biens de toute nature, corporels ou incorporels, mobiliers ou immobiliers, acquis par quelque moyen que ce soit, et des documents ou instruments juridiques sous quelque forme que ce soit, y compris sous forme électronique ou numérique, qui attestent un droit de propriété ou un intérêt sur ces biens, et notamment les crédits bancaires, les chèques de voyage, les chèques bancaires, les mandats, les actions, les titres, les obligations, les traites et les lettres de crédit, sans que cette énumération soit limitative.
2. " Installation gouvernementale ou publique " s'entend de toute installation ou de tout moyen de transport, de caractère permanent ou temporaire, qui est utilisé ou occupé par des représentants d'un Etat, des membres du gouvernement, du parlement ou de la magistrature, ou des agents ou personnels d'un Etat ou de toute autre autorité ou entité publique, ou par des agents ou personnels d'une organisation intergouvernementale, dans le cadre de leurs fonctions officielles.
3. " Produits " s'entend de tous fonds tirés, directement ou indirectement, de la commission d'une infraction telle que prévue à l'article 2, ou obtenus, directement ou indirectement, grâce à la commission d'une telle infraction.
1. " Fonds " s'entend des biens de toute nature, corporels ou incorporels, mobiliers ou immobiliers, acquis par quelque moyen que ce soit, et des documents ou instruments juridiques sous quelque forme que ce soit, y compris sous forme électronique ou numérique, qui attestent un droit de propriété ou un intérêt sur ces biens, et notamment les crédits bancaires, les chèques de voyage, les chèques bancaires, les mandats, les actions, les titres, les obligations, les traites et les lettres de crédit, sans que cette énumération soit limitative.
2. " Installation gouvernementale ou publique " s'entend de toute installation ou de tout moyen de transport, de caractère permanent ou temporaire, qui est utilisé ou occupé par des représentants d'un Etat, des membres du gouvernement, du parlement ou de la magistrature, ou des agents ou personnels d'un Etat ou de toute autre autorité ou entité publique, ou par des agents ou personnels d'une organisation intergouvernementale, dans le cadre de leurs fonctions officielles.
3. " Produits " s'entend de tous fonds tirés, directement ou indirectement, de la commission d'une infraction telle que prévue à l'article 2, ou obtenus, directement ou indirectement, grâce à la commission d'une telle infraction.
Art. 2. 1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van :
a) een handeling die een strafbaar feit oplevert binnen het toepassingsgebied van en als omschreven in een van de verdragen vermeld in de bijlage;
b) enige andere handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die handeling, door haar aard of context, om een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.
2. a) Bij de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Staat die Partij is, maar die geen Partij is bij een verdrag vermeld in de bijlage, verklaren dat voor de toepassing van dit Verdrag op de Staat die Partij is, het verdrag wordt geacht niet te zijn opgenomen in de in het eerste lid, onderdeel a. bedoelde bijlage. De verklaring is niet langer van kracht zodra het verdrag in werking treedt voor de Staat die Partij is. Deze Staat stelt de depositaris van dit feit in kennis;
b) wanneer een Staat ophoudt partij te zijn bij een in de bijlage vermeld verdrag, kan hij een verklaring, als beoogd in dit artikel, afleggen ten aanzien van dat verdrag.
3. Om een handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a) of b).
4. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.
5. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon :
a) als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel;
b) het plegen van een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft tot het plegen daarvan;
c) bijdraagt tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel. Deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en te worden geleverd :
i) hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt als omschreven in het eerste lid van dit artikel;
ii) hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep een strafbaar feit als omschreven in het eerste lid van dit artikel te plegen.
a) een handeling die een strafbaar feit oplevert binnen het toepassingsgebied van en als omschreven in een van de verdragen vermeld in de bijlage;
b) enige andere handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die handeling, door haar aard of context, om een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.
2. a) Bij de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Staat die Partij is, maar die geen Partij is bij een verdrag vermeld in de bijlage, verklaren dat voor de toepassing van dit Verdrag op de Staat die Partij is, het verdrag wordt geacht niet te zijn opgenomen in de in het eerste lid, onderdeel a. bedoelde bijlage. De verklaring is niet langer van kracht zodra het verdrag in werking treedt voor de Staat die Partij is. Deze Staat stelt de depositaris van dit feit in kennis;
b) wanneer een Staat ophoudt partij te zijn bij een in de bijlage vermeld verdrag, kan hij een verklaring, als beoogd in dit artikel, afleggen ten aanzien van dat verdrag.
3. Om een handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a) of b).
4. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.
5. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon :
a) als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel;
b) het plegen van een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft tot het plegen daarvan;
c) bijdraagt tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel. Deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en te worden geleverd :
i) hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt als omschreven in het eerste lid van dit artikel;
ii) hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep een strafbaar feit als omschreven in het eerste lid van dit artikel te plegen.
Art. 2. 1. Commet une infraction au sens de la présente Convention toute personne qui, par quelque moyen que ce soit, directement ou indirectement, illicitement et délibérément, fournit ou réunit des fonds dans l'intention de les voir utilisés ou en sachant qu'ils seront utilisés, en tout ou partie, en vue de commettre :
a) un acte qui constitue une infraction au regard et selon la définition de l'un des traités énumérés en annexe;
b) tout autre acte destiné à tuer ou blesser grièvement un civil, ou toute autre personne qui ne participe pas directement aux hostilités dans une situation de conflit armé, lorsque, par sa nature ou son contexte, cet acte vise à intimider une population ou à contraindre un gouvernement ou une organisation internationale à accomplir ou à s'abstenir d'accomplir un acte quelconque.
2. a) En déposant son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, un Etat Partie qui n'est pas partie à un traité énuméré dans l'annexe visée à l'alinéa a) du paragraphe 1 du présent article peut déclarer que, lorsque la présente Convention lui est appliquée, ledit traité est réputé ne pas figurer dans cette annexe. Cette déclaration devient caduque dès l'entrée en vigueur du traité pour l'Etat Partie, qui en notifie le dépositaire;
b) lorsqu'un Etat Partie cesse d'être partie à un traité énuméré dans l'annexe, il peut faire au sujet dudit traité la déclaration prévue dans le présent article.
3. Pour qu'un acte constitue une infraction au sens du paragraphe 1, il n'est pas nécessaire que les fonds aient été effectivement utilisés pour commettre une infraction visée aux alinéas a) ou b) du paragraphe 1 du présent article.
4. Commet également une infraction quiconque tente de commettre une infraction au sens du paragraphe 1 du présent article.
5. Commet également une infraction quiconque :
a) participe en tant que complice à une infraction au sens des paragraphes 1 ou 4 du présent article;
b) organise la commission d'une infraction au sens des paragraphes 1 ou 4 du présent article ou donne l'ordre à d'autres personnes de la commettre;
c) contribue à la commission de l'une ou plusieurs des infractions visées aux paragraphes 1er ou 4 du présent article par un groupe de personnes agissant de concert. Ce concours doit être délibéré et doit :
i) soit viser à faciliter l'activité criminelle du groupe ou en servir le but, lorsque cette activité ou ce but supposent la commission d'une infraction au sens du paragraphe 1er du présent article;
ii) soit être apporté en sachant que le groupe a l'intention de commettre une infraction au sens du paragraphe 1 du présent article.
a) un acte qui constitue une infraction au regard et selon la définition de l'un des traités énumérés en annexe;
b) tout autre acte destiné à tuer ou blesser grièvement un civil, ou toute autre personne qui ne participe pas directement aux hostilités dans une situation de conflit armé, lorsque, par sa nature ou son contexte, cet acte vise à intimider une population ou à contraindre un gouvernement ou une organisation internationale à accomplir ou à s'abstenir d'accomplir un acte quelconque.
2. a) En déposant son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, un Etat Partie qui n'est pas partie à un traité énuméré dans l'annexe visée à l'alinéa a) du paragraphe 1 du présent article peut déclarer que, lorsque la présente Convention lui est appliquée, ledit traité est réputé ne pas figurer dans cette annexe. Cette déclaration devient caduque dès l'entrée en vigueur du traité pour l'Etat Partie, qui en notifie le dépositaire;
b) lorsqu'un Etat Partie cesse d'être partie à un traité énuméré dans l'annexe, il peut faire au sujet dudit traité la déclaration prévue dans le présent article.
3. Pour qu'un acte constitue une infraction au sens du paragraphe 1, il n'est pas nécessaire que les fonds aient été effectivement utilisés pour commettre une infraction visée aux alinéas a) ou b) du paragraphe 1 du présent article.
4. Commet également une infraction quiconque tente de commettre une infraction au sens du paragraphe 1 du présent article.
5. Commet également une infraction quiconque :
a) participe en tant que complice à une infraction au sens des paragraphes 1 ou 4 du présent article;
b) organise la commission d'une infraction au sens des paragraphes 1 ou 4 du présent article ou donne l'ordre à d'autres personnes de la commettre;
c) contribue à la commission de l'une ou plusieurs des infractions visées aux paragraphes 1er ou 4 du présent article par un groupe de personnes agissant de concert. Ce concours doit être délibéré et doit :
i) soit viser à faciliter l'activité criminelle du groupe ou en servir le but, lorsque cette activité ou ce but supposent la commission d'une infraction au sens du paragraphe 1er du présent article;
ii) soit être apporté en sachant que le groupe a l'intention de commettre une infraction au sens du paragraphe 1 du présent article.
Art. 3. Dit Verdrag is niet van toepassing indien het strafbare feit wordt gepleegd binnen een Staat, de vermoedelijke dader een onderdaan is van die Staat en zich bevindt op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een grond heeft krachtens artikel 7, eerste lid, of artikel 7, tweede lid, tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 18, voor zover deze zich daartoe lenen, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.
Art. 3. La présente Convention ne s'applique pas lorsque l'infraction est commise à l'intérieur d'un seul Etat, que l'auteur présumé est un national de cet Etat et se trouve sur le territoire de cet Etat, et qu'aucun autre Etat n'a de raison, en vertu du paragraphe 1 ou du paragraphe 2 de l'article 7, d'établir sa compétence, étant entendu que les dispositions des articles 12 à 18, selon qu'il convient, s'appliquent en pareil cas.
Art. 4. Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om :
a) de in artikel 2 omschreven strafbare feiten strafbaar te stellen in het nationaal recht;
b) op deze feiten passende straffen te stellen die rekening houden met de ernst van de feiten.
a) de in artikel 2 omschreven strafbare feiten strafbaar te stellen in het nationaal recht;
b) op deze feiten passende straffen te stellen die rekening houden met de ernst van de feiten.
Art. 4. Chaque Etat Partie prend les mesures qui peuvent être nécessaires pour :
a) ériger en infractions pénales au regard de son droit interne les infractions visées à l'article 2;
b) punir ces infractions de peines appropriées compte tenu de leur gravité.
a) ériger en infractions pénales au regard de son droit interne les infractions visées à l'article 2;
b) punir ces infractions de peines appropriées compte tenu de leur gravité.
Art. 5. 1. Elke Staat die Partij is neemt, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, de noodzakelijke maatregelen om een op zijn grondgebied gevestigde of krachtens zijn wetten georganiseerde rechtspersoon aansprakelijk te stellen wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor de leiding van of het toezicht op die rechtspersoon, in die hoedanigheid een in artikel 2 omschreven strafbaar feit heeft gepleegd. Deze aansprakelijkheid kan strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn.
2. Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.
3. Elke Staat die Partij is ziet in het bijzonder erop toe dat de overeenkomstig het bovenstaande eerste lid aansprakelijke rechtspersonen worden onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijke sancties. Dergelijke sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.
2. Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.
3. Elke Staat die Partij is ziet in het bijzonder erop toe dat de overeenkomstig het bovenstaande eerste lid aansprakelijke rechtspersonen worden onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijke sancties. Dergelijke sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.
Art. 5. 1. Chaque Etat Partie, conformément aux principes de son droit interne, prend les mesures nécessaires pour que la responsabilité d'une personne morale située sur son territoire ou constituée sous l'empire de sa législation soit engagée lorsqu'une personne responsable de la direction ou du contrôle de cette personne morale a, en cette qualité, commis une infraction visée à l'article 2. Cette responsabilité peut être pénale, civile ou administrative.
2. Elle est engagée sans préjudice de la responsabilité pénale des personnes physiques qui ont commis les infractions.
3. Chaque Etat Partie veille en particulier à ce que les personnes morales dont la responsabilité est engagée en vertu du paragraphe 1 fassent l'objet de sanctions pénales, civiles ou administratives efficaces, proportionnées et dissuasives. Ces sanctions peuvent être notamment d'ordre pécuniaire.
2. Elle est engagée sans préjudice de la responsabilité pénale des personnes physiques qui ont commis les infractions.
3. Chaque Etat Partie veille en particulier à ce que les personnes morales dont la responsabilité est engagée en vertu du paragraphe 1 fassent l'objet de sanctions pénales, civiles ou administratives efficaces, proportionnées et dissuasives. Ces sanctions peuvent être notamment d'ordre pécuniaire.
Art. 6. Elke Staat die Partij is treft de nodige maatregelen, eventueel met inbegrip van het benodigde nationaal recht, om te verzekeren dat strafbare feiten die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag onder geen enkele omstandigheid worden gerechtvaardigd door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere soortgelijke aard.
Art. 6. Chaque Etat Partie adopte les mesures qui peuvent être nécessaires, y compris, s'il y a lieu, d'ordre législatif, pour que les actes criminels relevant de la présente Convention ne puissent en aucune circonstance être justifiés par des considérations de nature politique, philosophique, idéologique, raciale, ethnique, religieuse ou d'autres motifs analogues.
Art. 7. 1. Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten indien :
a) het strafbare feit is gepleegd op het grondgebied van die Staat;
b) het strafbare feit is gepleegd aan boord van een schip dat onder de vlag van die Staat vaart of aan boord van een luchtvaartuig dat overeenkomstig de wetgeving van die Staat is ingeschreven op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd;
c) het strafbare feit is gepleegd door een onderdaan van die Staat.
2. Een Staat die Partij is kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vestigen indien :
a) het strafbare feit was gericht tegen, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a) of b), op het grondgebied of tegen een onderdaan van die Staat;
b) het strafbare feit was gericht tegen, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a) of b), tegen een in het buitenland gevestigde staats- of regeringsvoorziening van die Staat, daaronder begrepen diplomatieke of consulaire gebouwen van die Staat;
c) het strafbare feit was gericht tegen, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a. of b., in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;
d) het strafbare feit is gepleegd door een staatloze die op het grondgebied van die Staat zijn of haar vaste verblijfplaats heeft;
e) het strafbare feit is gepleegd aan boord van een luchtvaartuig dat door de Regering van die Staat wordt gebruikt.
3. Elke Staat die Partij is en die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig het tweede lid heeft gevestigd. Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Staat die Partij is de Secretaris-generaal daarvan onmiddellijk in kennis.
4. Elke Staat die Partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat die Partij is en die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste of tweede lid.
5. Wanneer meer dan een Staat die Partij is aanspraak maakt op rechtsmacht met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, streven de betrokken Staten die Partij zijn ernaar hun optreden op passende wijze te coördineren, in het bijzonder betreffende de voorwaarden voor vervolging en de wijze voor wederzijdse rechtshulp.
6. Onverminderd de maatstaven van algemeen internationaal recht sluit dit Verdrag niet de uitoefening uit van enige rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden die een Staat die Partij is in overeenstemming met zijn nationaal recht heeft gevestigd.
a) het strafbare feit is gepleegd op het grondgebied van die Staat;
b) het strafbare feit is gepleegd aan boord van een schip dat onder de vlag van die Staat vaart of aan boord van een luchtvaartuig dat overeenkomstig de wetgeving van die Staat is ingeschreven op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd;
c) het strafbare feit is gepleegd door een onderdaan van die Staat.
2. Een Staat die Partij is kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vestigen indien :
a) het strafbare feit was gericht tegen, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a) of b), op het grondgebied of tegen een onderdaan van die Staat;
b) het strafbare feit was gericht tegen, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a) of b), tegen een in het buitenland gevestigde staats- of regeringsvoorziening van die Staat, daaronder begrepen diplomatieke of consulaire gebouwen van die Staat;
c) het strafbare feit was gericht tegen, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a. of b., in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;
d) het strafbare feit is gepleegd door een staatloze die op het grondgebied van die Staat zijn of haar vaste verblijfplaats heeft;
e) het strafbare feit is gepleegd aan boord van een luchtvaartuig dat door de Regering van die Staat wordt gebruikt.
3. Elke Staat die Partij is en die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig het tweede lid heeft gevestigd. Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Staat die Partij is de Secretaris-generaal daarvan onmiddellijk in kennis.
4. Elke Staat die Partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat die Partij is en die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste of tweede lid.
5. Wanneer meer dan een Staat die Partij is aanspraak maakt op rechtsmacht met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, streven de betrokken Staten die Partij zijn ernaar hun optreden op passende wijze te coördineren, in het bijzonder betreffende de voorwaarden voor vervolging en de wijze voor wederzijdse rechtshulp.
6. Onverminderd de maatstaven van algemeen internationaal recht sluit dit Verdrag niet de uitoefening uit van enige rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden die een Staat die Partij is in overeenstemming met zijn nationaal recht heeft gevestigd.
Art. 7. 1. Chaque Etat Partie adopte les mesures qui peuvent être nécessaires pour établir sa compétence en ce qui concerne les infractions visées à l'article 2 lorsque :
a) l'infraction a été commise sur son territoire;
b) l'infraction a été commise à bord d'un navire battant son pavillon ou d'un aéronef immatriculé conformément à sa législation au moment des faits; ou
c) l'infraction a été commise par l'un de ses nationaux.
2. Chaque Etat Partie peut également établir sa compétence sur de telles infractions lorsque :
a) l'infraction avait pour but, ou a eu pour résultat, la commission d'une infraction visée à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b), sur son territoire ou contre l'un de ses nationaux;
b) l'infraction avait pour but, ou a eu pour résultat, la commission d'une infraction visée à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b), contre une installation gouvernementale ou publique dudit Etat située en dehors de son territoire, y compris ses locaux diplomatiques ou consulaires;
c) l'infraction avait pour but, ou a eu pour résultat, la commission d'une infraction visée à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b ), visant à le contraindre à accomplir un acte quelconque ou à s'en abstenir;
d) L'infraction a été commise par un apatride ayant sa résidence habituelle sur son territoire;
e) l'infraction a été commise à bord d'un aéronef exploité par le Gouvernement dudit Etat.
3. Lors de la ratification, de l'acceptation ou de l'approbation de la présente Convention ou de l'adhésion à celle-ci, chaque Etat Partie informe le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies de la compétence qu'il a établie conformément au paragraphe 2. En cas de modification, l'Etat Partie concerné en informe immédiatement le Secrétaire général.
4. Chaque Etat Partie adopte également les mesures qui peuvent être nécessaires pour établir sa compétence en ce qui concerne les infractions visées à l'article 2 dans les cas où l'auteur présumé de l'infraction se trouve sur son territoire et où il ne l'extrade pas vers l'un quelconque des Etats Parties qui ont établi leur compétence conformément au paragraphe 1 ou au paragraphe 2.
5. Lorsque plus d'un Etat Partie se déclare compétent à l'égard d'une infraction visée à l'article 2, les Etats Parties intéressés s'efforcent de coordonner leur action comme il convient, en particulier pour ce qui est des conditions d'engagement des poursuites et des modalités d'entraide judiciaire.
6. Sans préjudice des normes du droit international général, la présente Convention n'exclut l'exercice d'aucune compétence pénale établie par un Etat Partie conformément à son droit interne.
a) l'infraction a été commise sur son territoire;
b) l'infraction a été commise à bord d'un navire battant son pavillon ou d'un aéronef immatriculé conformément à sa législation au moment des faits; ou
c) l'infraction a été commise par l'un de ses nationaux.
2. Chaque Etat Partie peut également établir sa compétence sur de telles infractions lorsque :
a) l'infraction avait pour but, ou a eu pour résultat, la commission d'une infraction visée à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b), sur son territoire ou contre l'un de ses nationaux;
b) l'infraction avait pour but, ou a eu pour résultat, la commission d'une infraction visée à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b), contre une installation gouvernementale ou publique dudit Etat située en dehors de son territoire, y compris ses locaux diplomatiques ou consulaires;
c) l'infraction avait pour but, ou a eu pour résultat, la commission d'une infraction visée à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b ), visant à le contraindre à accomplir un acte quelconque ou à s'en abstenir;
d) L'infraction a été commise par un apatride ayant sa résidence habituelle sur son territoire;
e) l'infraction a été commise à bord d'un aéronef exploité par le Gouvernement dudit Etat.
3. Lors de la ratification, de l'acceptation ou de l'approbation de la présente Convention ou de l'adhésion à celle-ci, chaque Etat Partie informe le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies de la compétence qu'il a établie conformément au paragraphe 2. En cas de modification, l'Etat Partie concerné en informe immédiatement le Secrétaire général.
4. Chaque Etat Partie adopte également les mesures qui peuvent être nécessaires pour établir sa compétence en ce qui concerne les infractions visées à l'article 2 dans les cas où l'auteur présumé de l'infraction se trouve sur son territoire et où il ne l'extrade pas vers l'un quelconque des Etats Parties qui ont établi leur compétence conformément au paragraphe 1 ou au paragraphe 2.
5. Lorsque plus d'un Etat Partie se déclare compétent à l'égard d'une infraction visée à l'article 2, les Etats Parties intéressés s'efforcent de coordonner leur action comme il convient, en particulier pour ce qui est des conditions d'engagement des poursuites et des modalités d'entraide judiciaire.
6. Sans préjudice des normes du droit international général, la présente Convention n'exclut l'exercice d'aucune compétence pénale établie par un Etat Partie conformément à son droit interne.
Art. 8. 1. Elke Staat die Partij is neemt passeerde maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor het identificeren, opsporen en bevriezen of in beslag nemen van alle fondsen gebruikt of bestemd voor het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, alsmede de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten, ten behoeve van eventuele verbeurdverklaring.
2. Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor de verbeurdverklaring van fondsen gebruikt of bestemd voor het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten en de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten.
3. Elke betrokken Staat kan overwegen verdragen te sluiten inzake het delen met andere Staten die Partij zijn, op reguliere basis of geval tot geval, van de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen.
4. Elke Staat die Partij is overweegt het instellen van mechanismen waarmee de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen worden aangewend voor het schadeloos stellen van de slachtoffers van strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a. of b. of hun verwanten.
5. De bepalingen van dit artikel worden toegepast onverminderd de rechten van te goeder trouw handelende derden.
2. Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor de verbeurdverklaring van fondsen gebruikt of bestemd voor het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten en de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten.
3. Elke betrokken Staat kan overwegen verdragen te sluiten inzake het delen met andere Staten die Partij zijn, op reguliere basis of geval tot geval, van de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen.
4. Elke Staat die Partij is overweegt het instellen van mechanismen waarmee de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen worden aangewend voor het schadeloos stellen van de slachtoffers van strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a. of b. of hun verwanten.
5. De bepalingen van dit artikel worden toegepast onverminderd de rechten van te goeder trouw handelende derden.
Art. 8. 1. Chaque Etat Partie adopte, conformément aux principes de son droit interne, les mesures nécessaires à l'identification, à la détection, au gel ou à la saisie de tous fonds utilisés ou destinés à être utilisés pour commettre les infractions visées à l'article 2, ainsi que du produit de ces infractions, aux fins de confiscation éventuelle.
2. Chaque Etat Partie adopte, conformément aux principes de son droit interne, les mesures nécessaires à la confiscation des fonds utilisés ou destinés à être utilisés pour la commission des infractions visées à l'article 2, ainsi que du produit de ces infractions.
3. Chaque Etat Partie intéressé peut envisager de conclure des accords prévoyant de partager avec d'autres Etats Parties, systématiquement ou au cas par cas, les fonds provenant des confiscations visées dans le présent article.
4. Chaque Etat Partie envisage de créer des mécanismes en vue de l'affectation des sommes provenant des confiscations visées au présent article à l'indemnisation des victimes d'infractions visées à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b), ou de leur famille.
5. Les dispositions du présent article sont appliquées sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
2. Chaque Etat Partie adopte, conformément aux principes de son droit interne, les mesures nécessaires à la confiscation des fonds utilisés ou destinés à être utilisés pour la commission des infractions visées à l'article 2, ainsi que du produit de ces infractions.
3. Chaque Etat Partie intéressé peut envisager de conclure des accords prévoyant de partager avec d'autres Etats Parties, systématiquement ou au cas par cas, les fonds provenant des confiscations visées dans le présent article.
4. Chaque Etat Partie envisage de créer des mécanismes en vue de l'affectation des sommes provenant des confiscations visées au présent article à l'indemnisation des victimes d'infractions visées à l'article 2, paragraphe 1er, alinéas a) ou b), ou de leur famille.
5. Les dispositions du présent article sont appliquées sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
Art. 9. 1. Indien een Staat die Partij is informatie verkrijgt dat de dader of vermoedelijke dader van een in artikel 2 omschreven strafbaar feit zich mogelijk op zijn grondgebied bevindt, neemt de desbetreffende Staat die Partij is de maatregelen die krachtens zijn nationale recht nodig zijn voor een onderzoek naar de in de verstrekte informatie opgenomen feiten.
2. Een Staat die Partij is en op wiens grondgebied de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in overeenstemming net zijn nationaal recht de passende maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon ten behoeve van strafvervolging of uitlevering.
3. Eenieder tegen wie de in het tweede lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht :
a) zich onverwijld in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is of die anderszins gerechtigd is om de rechten van deze persoon te beschermen of, indien het een staatloze betreft, de Staat op het grondgebied waarvan die persoon zijn vaste verblijfplaats heeft;
b) te worden bezocht door een vertegenwoordiger van die Staat;
c) te worden geïnformeerd over zijn rechten op grond van de onderdelen a) en b).
4. De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.
5. De bepalingen van het derde en vierde lid gelden onverminderd het recht van een Staat die Partij is die zich beroept op rechtsmacht overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onderdeel c., of tweede lid, onderdeel d., het Internationale Comité van het Rode Kruis te verzoeken zich in verbinding te stellen met de vermoedelijke dader en deze te bezoeken.
6. Wanneer een Staat die Partij is krachtens dit artikel een persoon in detentie heeft gesteld, stelt hij de Staten die Partij zijn die overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid, hun rechtsmacht hebben gevestigd, alsmede wanneer hij dit nodig acht alle andere belanghebbende Staten die Partij zijn, rechtstreeks of via de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, onverwijld ervan in kennis dat de betrokken persoon in detentie is gesteld en van de omstandigheden die zijn detentie verantwoorden. De Staat die het in het eerste lid bedoelde onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mee aan genoemde Staten die Partij zijn en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.
2. Een Staat die Partij is en op wiens grondgebied de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in overeenstemming net zijn nationaal recht de passende maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon ten behoeve van strafvervolging of uitlevering.
3. Eenieder tegen wie de in het tweede lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht :
a) zich onverwijld in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is of die anderszins gerechtigd is om de rechten van deze persoon te beschermen of, indien het een staatloze betreft, de Staat op het grondgebied waarvan die persoon zijn vaste verblijfplaats heeft;
b) te worden bezocht door een vertegenwoordiger van die Staat;
c) te worden geïnformeerd over zijn rechten op grond van de onderdelen a) en b).
4. De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.
5. De bepalingen van het derde en vierde lid gelden onverminderd het recht van een Staat die Partij is die zich beroept op rechtsmacht overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onderdeel c., of tweede lid, onderdeel d., het Internationale Comité van het Rode Kruis te verzoeken zich in verbinding te stellen met de vermoedelijke dader en deze te bezoeken.
6. Wanneer een Staat die Partij is krachtens dit artikel een persoon in detentie heeft gesteld, stelt hij de Staten die Partij zijn die overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid, hun rechtsmacht hebben gevestigd, alsmede wanneer hij dit nodig acht alle andere belanghebbende Staten die Partij zijn, rechtstreeks of via de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, onverwijld ervan in kennis dat de betrokken persoon in detentie is gesteld en van de omstandigheden die zijn detentie verantwoorden. De Staat die het in het eerste lid bedoelde onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mee aan genoemde Staten die Partij zijn en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.
Art. 9. 1. Lorsqu'il est informé que l'auteur ou l'auteur présumé d'une infraction visée à l'article 2 pourrait se trouver sur son territoire, l'Etat Partie concerné prend les mesures qui peuvent être nécessaires conformément à sa législation interne pour enquêter sur les faits portés à sa connaissance.
2. S'il estime que les circonstances le justifient, l'Etat Partie sur le territoire duquel se trouve l'auteur ou l'auteur présumé de l'infraction prend les mesures appropriées en vertu de sa législation interne pour assurer la présence de cette personne aux fins de poursuites ou d'extradition.
3. Toute personne à l'égard de laquelle sont prises les mesures visées au paragraphe 2 du présent article est en droit :
a) de communiquer sans retard avec le plus proche représentant qualifié de l'Etat dont elle a la nationalité ou qui est autrement habilité à protéger ses droits ou, s'il s'agit d'une personne apatride, de l'Etat sur le territoire duquel elle a sa résidence habituelle;
b) de recevoir la visite d'un représentant de cet Etat;
c) d'être informée des droits que lui confèrent les alinéas a) et b) du présent paragraphe.
4. Les droits énoncés au paragraphe 3 du présent article s'exercent dans le cadre des lois et règlements de l'Etat sur le territoire duquel se trouve l'auteur ou l'auteur présumé de l'infraction, étant entendu toutefois que ces lois et règlements doivent permettre la pleine réalisation des fins pour lesquelles les droits énoncés au paragraphe 3 du présent article sont accordés.
5. Les dispositions des paragraphes 3 et 4 du présent article sont sans préjudice du droit de tout Etat Partie ayant établi sa compétence conformément à l'alinéa c) du paragraphe 1er ou à l'alinéa d) du paragraphe 2 de l'article 7 d'inviter le Comité international de la Croix-Rouge à communiquer avec l'auteur présumé de l'infraction et à lui rendre visite.
6. Lorsqu'un Etat Partie a placé une personne en détention conformément aux dispositions du présent article, il avise immédiatement de cette détention, ainsi que des circonstances qui la justifient, directement ou par l'intermédiaire du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, les Etats Parties qui ont établi leur compétence conformément aux paragraphes 1er ou 2 de l'article 7 et, s'il le juge opportun, tous autres Etats Parties intéressés. L'Etat qui procède à l'enquête visée au paragraphe 1er du présent article en communique rapidement les conclusions auxdits Etats Parties et leur indique s'il entend exercer sa compétence.
2. S'il estime que les circonstances le justifient, l'Etat Partie sur le territoire duquel se trouve l'auteur ou l'auteur présumé de l'infraction prend les mesures appropriées en vertu de sa législation interne pour assurer la présence de cette personne aux fins de poursuites ou d'extradition.
3. Toute personne à l'égard de laquelle sont prises les mesures visées au paragraphe 2 du présent article est en droit :
a) de communiquer sans retard avec le plus proche représentant qualifié de l'Etat dont elle a la nationalité ou qui est autrement habilité à protéger ses droits ou, s'il s'agit d'une personne apatride, de l'Etat sur le territoire duquel elle a sa résidence habituelle;
b) de recevoir la visite d'un représentant de cet Etat;
c) d'être informée des droits que lui confèrent les alinéas a) et b) du présent paragraphe.
4. Les droits énoncés au paragraphe 3 du présent article s'exercent dans le cadre des lois et règlements de l'Etat sur le territoire duquel se trouve l'auteur ou l'auteur présumé de l'infraction, étant entendu toutefois que ces lois et règlements doivent permettre la pleine réalisation des fins pour lesquelles les droits énoncés au paragraphe 3 du présent article sont accordés.
5. Les dispositions des paragraphes 3 et 4 du présent article sont sans préjudice du droit de tout Etat Partie ayant établi sa compétence conformément à l'alinéa c) du paragraphe 1er ou à l'alinéa d) du paragraphe 2 de l'article 7 d'inviter le Comité international de la Croix-Rouge à communiquer avec l'auteur présumé de l'infraction et à lui rendre visite.
6. Lorsqu'un Etat Partie a placé une personne en détention conformément aux dispositions du présent article, il avise immédiatement de cette détention, ainsi que des circonstances qui la justifient, directement ou par l'intermédiaire du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, les Etats Parties qui ont établi leur compétence conformément aux paragraphes 1er ou 2 de l'article 7 et, s'il le juge opportun, tous autres Etats Parties intéressés. L'Etat qui procède à l'enquête visée au paragraphe 1er du présent article en communique rapidement les conclusions auxdits Etats Parties et leur indique s'il entend exercer sa compétence.
Art. 10. 1. De Staat die Partij is op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader zich bevindt, is, in de gevallen waarop artikel 7 van toepassing is, indien hij deze persoon niet uitlevert, zonder enige uitzondering en ongeacht of het strafbare feit op zijn grondgebied is gepleegd of niet, verplicht de zaak zonder onnodige vertraging over te dragen aan zijn bevoegde autoriteiten voor vervolging door middel van een procedure overeenkomstig het recht van die Staat. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander strafbaar feit van ernstige aard krachtens het recht van die Staat.
2. Wanneer het een Staat die Partij is op grond van zijn nationale wetgeving alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te leveren op voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Staat om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de procedure waarvoor de uitlevering of overgave van de persoon werd verzocht, en deze Staat en de Staat die verzoekt om uitlevering van de persoon instemmen met deze optie en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overgave voldoende voor ontheffing van de in het eerste lid omschreven verplichting.
2. Wanneer het een Staat die Partij is op grond van zijn nationale wetgeving alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te leveren op voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Staat om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de procedure waarvoor de uitlevering of overgave van de persoon werd verzocht, en deze Staat en de Staat die verzoekt om uitlevering van de persoon instemmen met deze optie en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overgave voldoende voor ontheffing van de in het eerste lid omschreven verplichting.
Art. 10. 1. Dans les cas où les dispositions de l'article 7 sont applicables, l'Etat Partie sur le territoire duquel se trouve l'auteur présumé de l'infraction est tenu, s'il ne l'extrade pas, de soumettre l'affaire, sans retard excessif et sans aucune exception, que l'infraction ait été ou non commise sur son territoire, à ses autorités compétentes pour qu'elles engagent des poursuites pénales selon la procédure prévue par sa législation. Ces autorités prennent leur décision dans les mêmes conditions que pour toute autre infraction de caractère grave conformément aux lois de cet Etat.
2. Chaque fois que la législation interne d'un Etat Partie ne l'autorise à extrader ou à remettre un de ses nationaux qu'à la condition que l'intéressé lui sera rendu pour purger la peine à laquelle il aura été condamné à l'issue du procès ou de la procédure pour lesquels l'extradition ou la remise est demandée, et que cet Etat et l'Etat demandant l'extradition acceptent cette formule et les autres conditions qu'ils peuvent juger appropriées, l'extradition ou la remise conditionnelle vaudra exécution par l'Etat Partie requis de l'obligation prévue au paragraphe 1 du présent article.
2. Chaque fois que la législation interne d'un Etat Partie ne l'autorise à extrader ou à remettre un de ses nationaux qu'à la condition que l'intéressé lui sera rendu pour purger la peine à laquelle il aura été condamné à l'issue du procès ou de la procédure pour lesquels l'extradition ou la remise est demandée, et que cet Etat et l'Etat demandant l'extradition acceptent cette formule et les autres conditions qu'ils peuvent juger appropriées, l'extradition ou la remise conditionnelle vaudra exécution par l'Etat Partie requis de l'obligation prévue au paragraphe 1 du présent article.
Art. 11. 1. Voor dit Verdrag in werking treedt, worden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in alle tussen de Staten die Partij zijn bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Staten die Partij zijn verbinden zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat vervolgens tussen hen wordt gesloten.
2. Indien een Staat die Partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat die Partij is, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin is voorzien in het recht van de aangezochte Staat.
3. Staten die Partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in artikel 2 omschreven strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin is voorzien in het recht van de aangezochte Staat.
4. Voor uitlevering tussen Staten die Partij zijn worden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, indien nodig, ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij zijn, beschouwd als niet alleen gepleegd op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Staten die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid.
5. De bepalingen van alle uitleveringsverdragen en -regelingen die tussen de Staten die Partij zijn bestaan met betrekking tot de strafbare feiten omschreven in artikel 2, worden geacht tussen die Staten die Partij zijn te zijn gewijzigd voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit Verdrag.
2. Indien een Staat die Partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat die Partij is, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin is voorzien in het recht van de aangezochte Staat.
3. Staten die Partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in artikel 2 omschreven strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin is voorzien in het recht van de aangezochte Staat.
4. Voor uitlevering tussen Staten die Partij zijn worden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, indien nodig, ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij zijn, beschouwd als niet alleen gepleegd op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Staten die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid.
5. De bepalingen van alle uitleveringsverdragen en -regelingen die tussen de Staten die Partij zijn bestaan met betrekking tot de strafbare feiten omschreven in artikel 2, worden geacht tussen die Staten die Partij zijn te zijn gewijzigd voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit Verdrag.
Art. 11. 1. Les infractions prévues à l'article 2 sont de plein droit considérées comme cas d'extradition dans tout traité d'extradition conclu entre Etats Parties avant l'entrée en vigueur de la présente Convention. Les Etats Parties s'engagent à considérer ces infractions comme cas d'extradition dans tout traité d'extradition qu'ils pourront conclure entre eux par la suite.
2. Un Etat Partie qui subordonne l'extradition à l'existence d'un traité a la faculté, lorsqu'il reçoit une demande d'extradition d'un autre Etat Partie avec lequel il n'est pas lié par un traité d'extradition, de considérer la présente Convention comme constituant la base juridique de l'extradition en ce qui concerne les infractions prévues à l'article 2. L'extradition est assujettie aux autres conditions prévues par la législation de l'Etat requis.
3. Les Etats Parties qui ne subordonnent pas l'extradition à l'existence d'un traité reconnaissent les infractions prévues à l'article 2 comme cas d'extradition entre eux, sans préjudice des conditions prévues par la législation de l'Etat requis.
4. Si nécessaire, les infractions prévues à l'article 2 sont réputées, aux fins d'extradition entre Etats Parties, avoir été commises tant au lieu de leur perpétration que sur le territoire des Etats ayant établi leur compétence conformément aux paragraphes 1er et 2 de l'article 7.
5. Les dispositions relatives aux infractions visées à l'article 2 de tous les traités ou accords d'extradition conclus entre Etats Parties sont réputées être modifiées entre Etats Parties dans la mesure où elles sont incompatibles avec la présente Convention.
2. Un Etat Partie qui subordonne l'extradition à l'existence d'un traité a la faculté, lorsqu'il reçoit une demande d'extradition d'un autre Etat Partie avec lequel il n'est pas lié par un traité d'extradition, de considérer la présente Convention comme constituant la base juridique de l'extradition en ce qui concerne les infractions prévues à l'article 2. L'extradition est assujettie aux autres conditions prévues par la législation de l'Etat requis.
3. Les Etats Parties qui ne subordonnent pas l'extradition à l'existence d'un traité reconnaissent les infractions prévues à l'article 2 comme cas d'extradition entre eux, sans préjudice des conditions prévues par la législation de l'Etat requis.
4. Si nécessaire, les infractions prévues à l'article 2 sont réputées, aux fins d'extradition entre Etats Parties, avoir été commises tant au lieu de leur perpétration que sur le territoire des Etats ayant établi leur compétence conformément aux paragraphes 1er et 2 de l'article 7.
5. Les dispositions relatives aux infractions visées à l'article 2 de tous les traités ou accords d'extradition conclus entre Etats Parties sont réputées être modifiées entre Etats Parties dans la mesure où elles sont incompatibles avec la présente Convention.
Art. 12. 1. De Staten die Partij zijn verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp bij strafrechtelijke onderzoeken, bij strafzaken of bij uitleveringsprocedures op grond van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, daaronder begrepen rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor het proces.
2. De Staten die Partij zijn kunnen een verzoek om wederzijdse rechtshulp niet weigeren op grond van het bankgeheim.
3. De verzoekende Partij stelt niet ter beschikking, noch maakt gebruik van inlichtingen of bewijs, verschaft door de aangezochte Partij voor onderzoek, vervolging of procedures die niet versneld worden in het verzoek, zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Partij.
4. Elke Staat die Partij is kan overwegen mechanismen in te stellen om andere Staten die Partij zijn deelgenoot te maken van inlichtingen of bewijs benodigd om strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen uit hoofde van artikel 5.
5. De Staten die Partij zijn komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste en tweede lid na in overeenstemming met de verdragen en regelingen inzake wederzijdse rechtshulp of uitwisseling van inlichtingen die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen of regelingen ontbreken, verlenen de Staten die Partij zijn elkaar rechtshulp overeenkomstig hun nationaal recht.
2. De Staten die Partij zijn kunnen een verzoek om wederzijdse rechtshulp niet weigeren op grond van het bankgeheim.
3. De verzoekende Partij stelt niet ter beschikking, noch maakt gebruik van inlichtingen of bewijs, verschaft door de aangezochte Partij voor onderzoek, vervolging of procedures die niet versneld worden in het verzoek, zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Partij.
4. Elke Staat die Partij is kan overwegen mechanismen in te stellen om andere Staten die Partij zijn deelgenoot te maken van inlichtingen of bewijs benodigd om strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen uit hoofde van artikel 5.
5. De Staten die Partij zijn komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste en tweede lid na in overeenstemming met de verdragen en regelingen inzake wederzijdse rechtshulp of uitwisseling van inlichtingen die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen of regelingen ontbreken, verlenen de Staten die Partij zijn elkaar rechtshulp overeenkomstig hun nationaal recht.
Art. 12. 1. Les Etats Parties s'accordent l'entraide judiciaire la plus large possible pour toute enquête ou procédure pénale ou procédure d'extradition relative aux infractions visées à l'article 2, y compris pour l'obtention des éléments de preuve en leur possession qui sont nécessaires aux fins de la procédure.
2. Les Etats Parties ne peuvent invoquer le secret bancaire pour refuser de faire droit à une demande d'entraide judiciaire.
3. La Partie requérante ne communique ni n'utilise les informations ou les éléments de preuve fournis par la Partie requise pour des enquêtes, des poursuites pénales ou des procédures judiciaires autres que celles visées dans la demande sans le consentement préalable de la Partie requise.
4. Chaque Etat Partie peut envisager d'établir des mécanismes afin de partager avec d'autres Etats Parties les informations ou les éléments de preuve nécessaires pour établir les responsabilités pénales, civiles ou administratives, comme prévu à l'article 5.
5. Les Etats Parties s'acquittent des obligations qui leur incombent en vertu des paragraphes 1er et 2 en conformité avec tout traité ou autre accord d'entraide judiciaire ou d'échange d'informations qui peut exister entre eux. En l'absence d'un tel traité ou accord, les Etats Parties s'accordent cette entraide en conformité avec leur législation interne.
2. Les Etats Parties ne peuvent invoquer le secret bancaire pour refuser de faire droit à une demande d'entraide judiciaire.
3. La Partie requérante ne communique ni n'utilise les informations ou les éléments de preuve fournis par la Partie requise pour des enquêtes, des poursuites pénales ou des procédures judiciaires autres que celles visées dans la demande sans le consentement préalable de la Partie requise.
4. Chaque Etat Partie peut envisager d'établir des mécanismes afin de partager avec d'autres Etats Parties les informations ou les éléments de preuve nécessaires pour établir les responsabilités pénales, civiles ou administratives, comme prévu à l'article 5.
5. Les Etats Parties s'acquittent des obligations qui leur incombent en vertu des paragraphes 1er et 2 en conformité avec tout traité ou autre accord d'entraide judiciaire ou d'échange d'informations qui peut exister entre eux. En l'absence d'un tel traité ou accord, les Etats Parties s'accordent cette entraide en conformité avec leur législation interne.
Art. 13. Geen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, beschouwd als een fiscaal delict. Dienovereenkomstig mogen Staten die Partij zijn geen verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp weigeren met als enige reden dat het een fiscaal delict betreft.
Art. 13. Aucune des infractions visées à l'article 2 ne peut être considérée, aux fins d'extradition ou d'entraide judiciaire, comme une infraction fiscale. En conséquence, les Etats Parties ne peuvent invoquer uniquement le caractère fiscal de l'infraction pour refuser une demande d'entraide judiciaire ou d'extradition.
Art. 14. Geen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk delict niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.
(NOTA : Op 28 januari 2008, heeft het Koninkrijk België het volgende voorbehoud ingetrokken :
" Wat betreft het artikel 14 van het Verdrag legt de Belgische Regering volgend voorbehoud af :
1. In uitzonderlijke omstandigheden behoudt België zich het recht voor uitlevering of wederzijdse rechtshulp te weigeren inzake enig strafbaar feit bedoeld in artikel 2 dat wordt beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een delict geïnspireerd door politieke motieven.
2. Ingeval paragraaf 1 wordt toegepast, wijst België erop dat het algemeen rechtsbeginsel aut dedere aut judicare in acht moet worden genomen, rekening houdend met de bevoegheidsregels van zijn rechtscolleges.))
(NOTA : Op 28 januari 2008, heeft het Koninkrijk België het volgende voorbehoud ingetrokken :
" Wat betreft het artikel 14 van het Verdrag legt de Belgische Regering volgend voorbehoud af :
1. In uitzonderlijke omstandigheden behoudt België zich het recht voor uitlevering of wederzijdse rechtshulp te weigeren inzake enig strafbaar feit bedoeld in artikel 2 dat wordt beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een delict geïnspireerd door politieke motieven.
2. Ingeval paragraaf 1 wordt toegepast, wijst België erop dat het algemeen rechtsbeginsel aut dedere aut judicare in acht moet worden genomen, rekening houdend met de bevoegheidsregels van zijn rechtscolleges.)
Art. 14. Pour les besoins de l'extradition ou de l'entraide judiciaire entre Etats Parties, aucune des infractions visées à l'article 2 n'est considérée comme une infraction politique, comme une infraction connexe à une infraction politique ou comme une infraction inspirée par des mobiles politiques. En conséquence, une demande d'extradition ou d'entraide judiciaire fondée sur une telle infraction ne peut être rejetée pour la seule raison qu'elle concerne une infraction politique, une infraction connexe à une infraction politique, ou une infraction inspirée par des mobiles politiques.
(NOTE : (En date du 28 janvier 2008, le Royaume de Belgique a retiré la réserve suivante :
" En ce qui concerne l'article 14 de la Convention, le Gouvernement belge formule la réserve suivante :
1. Dans des circonstances exceptionnelles, la Belgique se réserve le droit de refuser l'extradition ou l'entraide judiciaire pour toute infraction visée à l'article 2 qu'elle considère comme une infraction politique, une infraction connexe à une infraction politique ou une infraction inspirée par des mobiles politiques.
2. En cas d'application du paragraphe 1er, la Belgique rappelle qu'elle est tenue par le principe général de droit aut dedere, aut judicare, eu égard aux règles de compétence de ses juridictions.))
(NOTE : (En date du 28 janvier 2008, le Royaume de Belgique a retiré la réserve suivante :
" En ce qui concerne l'article 14 de la Convention, le Gouvernement belge formule la réserve suivante :
1. Dans des circonstances exceptionnelles, la Belgique se réserve le droit de refuser l'extradition ou l'entraide judiciaire pour toute infraction visée à l'article 2 qu'elle considère comme une infraction politique, une infraction connexe à une infraction politique ou une infraction inspirée par des mobiles politiques.
2. En cas d'application du paragraphe 1er, la Belgique rappelle qu'elle est tenue par le principe général de droit aut dedere, aut judicare, eu égard aux règles de compétence de ses juridictions.)
Art. 15. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Staat die Partij is ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering voor in artikel 2 omschreven strafbare feiten of om wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging, of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
Art. 15. Aucune disposition de la présente Convention ne doit être interprétée comme énonçant une obligation d'extradition ou d'entraide judiciaire si l'Etat Partie requis a des raisons sérieuses de croire que la demande d'extradition pour les infractions visées à l'article 2 ou la demande d'entraide concernant de telles infractions a été présentée aux fins de poursuivre ou de punir une personne pour des raisons tenant à sa race, sa religion, sa nationalité, son origine ethnique ou ses opinions politiques, ou que faire droit à la demande porterait préjudice à la situation de cette personne pour l'une quelconque de ces raisons.
Art. 16. 1. Een persoon die in detentie zit of een straf ondergaat op het grondgebied van een Staat die Partij is, en om wiens aanwezigheid op het grondgebied van een andere Staat die Partij is wordt verzocht voor identificatie, een getuigenverklaring of voor het op andere wijze verlenen van medewerking ter verkrijging van bewijs voor onderzoek of vervolging inzake in artikel 2 omschreven strafbare feiten, mag worden overgebracht, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden :
a) de persoon geeft vrijwillig zijn of haar op volledige informatie gebaseerde toestemming;
b) de bevoegde autoriteiten van beide Staten stemmen ermee in overeenkomstig de voorwaarden die deze Staten gepast achten.
2. Voor de toepassing van dit artikel :
a) is de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht bevoegd en verplicht de overgebrachte persoon in detentie te houden, tenzij anderszins verzocht of gemachtigd door de Staat vanwaar de persoon is overgebracht;
b) komt de Staat waarnaar de persoon is overgebracht onverwijld zijn verplichting na tot terugzending van de persoon voor detentie door de Staat vanwaar deze persoon is overgebracht, zoals vooraf overeengekomen, of op andere wijze overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van beide Staten;
c) verlangt de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht niet van de Staat vanwaar de persoon is overgebracht dat deze een uitleveringsprocedure begint ten behoeve van de terugkeer van de persoon,
d) krijgt de overgebrachte persoon vermindering van de in de Staat vanwaar hij of zij is overgebracht uit te zitten straf met de tijd in detentie doorgebracht in de Staat waarnaar hij of zij is overgebracht.
3. Tenzij de Staat die Partij is vanwaar een persoon overeenkomstig dit artikel moet worden overgebracht daarvoor toestemming geeft, wordt die persoon, ongeacht zijn of haar nationaliteit, niet vervolgd of in detentie gesteld, noch aan enige andere beperking van zijn of haar persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waarnaar deze persoon wordt overgebracht, wegens feiten of veroordelingen voorafgaand aan zijn of haar vertrek uit het grondgebied van de Staat vanwaar deze persoon werd overgebracht.
a) de persoon geeft vrijwillig zijn of haar op volledige informatie gebaseerde toestemming;
b) de bevoegde autoriteiten van beide Staten stemmen ermee in overeenkomstig de voorwaarden die deze Staten gepast achten.
2. Voor de toepassing van dit artikel :
a) is de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht bevoegd en verplicht de overgebrachte persoon in detentie te houden, tenzij anderszins verzocht of gemachtigd door de Staat vanwaar de persoon is overgebracht;
b) komt de Staat waarnaar de persoon is overgebracht onverwijld zijn verplichting na tot terugzending van de persoon voor detentie door de Staat vanwaar deze persoon is overgebracht, zoals vooraf overeengekomen, of op andere wijze overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van beide Staten;
c) verlangt de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht niet van de Staat vanwaar de persoon is overgebracht dat deze een uitleveringsprocedure begint ten behoeve van de terugkeer van de persoon,
d) krijgt de overgebrachte persoon vermindering van de in de Staat vanwaar hij of zij is overgebracht uit te zitten straf met de tijd in detentie doorgebracht in de Staat waarnaar hij of zij is overgebracht.
3. Tenzij de Staat die Partij is vanwaar een persoon overeenkomstig dit artikel moet worden overgebracht daarvoor toestemming geeft, wordt die persoon, ongeacht zijn of haar nationaliteit, niet vervolgd of in detentie gesteld, noch aan enige andere beperking van zijn of haar persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waarnaar deze persoon wordt overgebracht, wegens feiten of veroordelingen voorafgaand aan zijn of haar vertrek uit het grondgebied van de Staat vanwaar deze persoon werd overgebracht.
Art. 16. 1. Toute personne détenue ou purgeant une peine sur le territoire d'un Etat Partie dont la présence est requise dans un autre Etat Partie à des fins d'identification ou de témoignage ou pour qu'elle apporte son concours à l'établissement des faits dans le cadre d'une enquête ou de poursuites relatives aux infractions visées à l'article 2 peut faire l'objet d'un transfert si les conditions ci-après sont réunies :
a) ladite personne y consent librement et en toute connaissance de cause;
b) les autorités compétentes des deux Etats concernés y consentent, sous réserve des conditions qu'elles peuvent juger appropriées.
2. Aux fins du présent article :
a) l'Etat vers lequel le transfert est effectué a le pouvoir et l'obligation de garder l'intéressé en détention, sauf demande ou autorisation contraire de la part de l'Etat à partir duquel la personne a été transférée;
b) l'Etat vers lequel le transfert est effectué s'acquitte sans retard de l'obligation de remettre l'intéressé à la garde de l'Etat à partir duquel le transfert a été effectué, conformément à ce qui aura été convenu au préalable ou à ce que les autorités compétentes des deux Etats auront autrement décidé;
c) l'Etat vers lequel le transfert est effectué ne peut exiger de l'Etat à partir duquel le transfert est effectué qu'il engage une procédure d'extradition pour que l'intéressé lui soit remis;
d) il est tenu compte de la période que l'intéressé a passée en détention dans l'Etat vers lequel il a été transféré aux fins du décompte de la peine à purger dans l'Etat à partir duquel il a été transféré.
3. A moins que l'Etat Partie à partir duquel une personne doit être transférée en vertu du présent article ne donne son accord, ladite personne, quelle que soit sa nationalité, ne peut pas être poursuivie ou détenue ou soumise à d'autres restrictions à sa liberté de mouvement sur le territoire de l'Etat vers lequel elle est transférée à raison d'actes ou de condamnations antérieurs à son départ du territoire de l'Etat à partir duquel elle a été transférée.
a) ladite personne y consent librement et en toute connaissance de cause;
b) les autorités compétentes des deux Etats concernés y consentent, sous réserve des conditions qu'elles peuvent juger appropriées.
2. Aux fins du présent article :
a) l'Etat vers lequel le transfert est effectué a le pouvoir et l'obligation de garder l'intéressé en détention, sauf demande ou autorisation contraire de la part de l'Etat à partir duquel la personne a été transférée;
b) l'Etat vers lequel le transfert est effectué s'acquitte sans retard de l'obligation de remettre l'intéressé à la garde de l'Etat à partir duquel le transfert a été effectué, conformément à ce qui aura été convenu au préalable ou à ce que les autorités compétentes des deux Etats auront autrement décidé;
c) l'Etat vers lequel le transfert est effectué ne peut exiger de l'Etat à partir duquel le transfert est effectué qu'il engage une procédure d'extradition pour que l'intéressé lui soit remis;
d) il est tenu compte de la période que l'intéressé a passée en détention dans l'Etat vers lequel il a été transféré aux fins du décompte de la peine à purger dans l'Etat à partir duquel il a été transféré.
3. A moins que l'Etat Partie à partir duquel une personne doit être transférée en vertu du présent article ne donne son accord, ladite personne, quelle que soit sa nationalité, ne peut pas être poursuivie ou détenue ou soumise à d'autres restrictions à sa liberté de mouvement sur le territoire de l'Etat vers lequel elle est transférée à raison d'actes ou de condamnations antérieurs à son départ du territoire de l'Etat à partir duquel elle a été transférée.
Art. 17. Een ieder die in detentie wordt gesteld of tegen wie andere maatregelen worden getroffen of een proces aanhangig wordt gemaakt op grond van dit Verdrag, heeft recht op een eerlijke behandeling, daaronder begrepen het genot van alle rechten en waarborgen in overeenstemming met de wetgeving van de Staat op wiens grondgebied die persoon zich bevindt en de toepasselijke bepalingen van het internationaal recht, daaronder begrepen de bepalingen die betrekking hebben op de rechten van de mens.
Art. 17. Toute personne placée en détention ou contre laquelle toute autre mesure est prise ou procédure engagée en vertu de la présente Convention se voit garantir un traitement équitable et, en particulier, jouit de tous les droits et bénéficie de toutes les garanties prévus par la législation de l'Etat sur le territoire duquel elle se trouve et les dispositions applicables du droit international, y compris celles qui ont trait aux droits de l'homme.
Art. 18. De Staten die Partij zijn werken samen ter voorkoming van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten door alle uitvoerbare maatregelen te nemen, onder meer door aanpassing van hun nationaal recht, zo nodig, ter voorkoming en verijdeling van voorbereidingen op hun respectieve grondgebieden die zijn gericht op het plegen, al dan niet op hun grondgebied, van deze strafbare feiten, daaronder begrepen :
a) maatregelen tot het op hun grondgebied verbieden van illegale activiteiten van personen en organisaties die het plegen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten bewust aanmoedigen, uitlokken, organiseren of daaraan deelnemen;
b) maatregelen die aan financiële instellingen en andere bij financiële transacties betrokken beroepsgroepen de eis stellen dat deze de meest doeltreffende maatregelen gebruiken die beschikbaar zijn voor het identificeren van hun vaste of incidentele klanten, alsmede klanten in wier belang rekeningen worden geopend, en bijzondere aandacht schenken aan ongebruikelijke of verdachte transacties en transacties melden waarvan vermoed wordt dat zij afkomstig zijn van criminele activiteiten.
Voor dit doel overwegen de Partijen :
i) regels aan te nemen die het openen van rekeningen verbieden waarvan de houders of begunstigden niet geïdentificeerd of niet identificeerbaar zijn, en maatregelen te treffen die verzekeren dat dergelijke instellingen de identiteit van de werkelijke belanghebbenden bij dergelijke transacties verifiëren;
ii) ten aanzien van het identificeren van rechtspersonen de eis te stellen dat financiële instellingen, zo nodig, maatregelen nemen om het juridisch bestaan en de structuur van de klant te verifiëren door, hetzij van een openbaar register of van de klant of van beide, bewijs te verkrijgen omtrent de oprichting, waaronder gegevens betreffende de naam, rechtsvorm, adres, bestuurders en bepalingen inzake de bevoegdheid om de rechtspersoon te binden;
iii) regels aan te nemen die financiële instellingen de verplichting opleggen terstond aan de bevoegde autoriteiten alle ingewikkelde, ongebruikelijke grote transacties en ongebruikelijke transactiepatronen te melden die geen duidelijk economisch of kennelijk rechtmatig doel hebben, zonder dat zij hoeven te vrezen dat zij strafrechtelijke of burgerlijke aansprakelijkheid aanvaarden wegens overtreding van enige beperking inzake bekendmaking van informatie, indien zij hun verdenkingen te goeder trouw melden;
iv) aan financiële instellingen de eis te stellen dat zij, gedurende ten minste vijf jaar, alle noodzakelijke documenten over zowel binnenlandse als internationale transacties bewaren.
2. De Staten die Partij zijn werken voorts samen bij het voorkomen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten door te overwegen :
a) maatregelen voor het toezicht, daaronder begrepen bijvoorbeeld het verlenen van vergunningen, op alle bij geldverkeer betrokken instellingen;
b) uitvoerbare maatregelen voor het opsporen of volgen van het feitelijk over de grens vervoeren van contant geld en door de houder verhandelbare stukken, mits zij zijn omkleed met strikte waarborgen die een juist gebruik van inlichtingen verzekeren en mits zij niet in enig opzicht het vrije kapitaalverkeer hinderen.
3. De Staten die Partij zijn werken voorts samen bij het voorkomen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten door het uitwisselen van nauwkeurige en gecontroleerde inlichtingen in overeenstemming met hun nationaal recht en het coördineren van bestuursrechtelijke en andere maatregelen die, waar nodig, worden genomen ter voorkoming van het plegen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten, met name door :
a) het opzetten en onderhouden van communicatiekanalen tussen hun bevoegde instanties en diensten ter vergemakkelijking van de veilige en snelle uitwisseling van inlichtingen betreffende alle aspecten van in artikel 2 omschreven strafbare feiten;
b) het met elkaar samenwerken bij het uitvoeren van onderzoeken, inzake de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, betreffende :
i) de identiteit, verblijfplaats en activiteiten van personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij bij dergelijke strafbare feiten betrokken zijn;
ii) het verkeer van fondsen met betrekking tot het plegen van dergelijke strafbare feiten.
4. Staten die Partij zijn kunnen informatie uitwisselen via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).
a) maatregelen tot het op hun grondgebied verbieden van illegale activiteiten van personen en organisaties die het plegen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten bewust aanmoedigen, uitlokken, organiseren of daaraan deelnemen;
b) maatregelen die aan financiële instellingen en andere bij financiële transacties betrokken beroepsgroepen de eis stellen dat deze de meest doeltreffende maatregelen gebruiken die beschikbaar zijn voor het identificeren van hun vaste of incidentele klanten, alsmede klanten in wier belang rekeningen worden geopend, en bijzondere aandacht schenken aan ongebruikelijke of verdachte transacties en transacties melden waarvan vermoed wordt dat zij afkomstig zijn van criminele activiteiten.
Voor dit doel overwegen de Partijen :
i) regels aan te nemen die het openen van rekeningen verbieden waarvan de houders of begunstigden niet geïdentificeerd of niet identificeerbaar zijn, en maatregelen te treffen die verzekeren dat dergelijke instellingen de identiteit van de werkelijke belanghebbenden bij dergelijke transacties verifiëren;
ii) ten aanzien van het identificeren van rechtspersonen de eis te stellen dat financiële instellingen, zo nodig, maatregelen nemen om het juridisch bestaan en de structuur van de klant te verifiëren door, hetzij van een openbaar register of van de klant of van beide, bewijs te verkrijgen omtrent de oprichting, waaronder gegevens betreffende de naam, rechtsvorm, adres, bestuurders en bepalingen inzake de bevoegdheid om de rechtspersoon te binden;
iii) regels aan te nemen die financiële instellingen de verplichting opleggen terstond aan de bevoegde autoriteiten alle ingewikkelde, ongebruikelijke grote transacties en ongebruikelijke transactiepatronen te melden die geen duidelijk economisch of kennelijk rechtmatig doel hebben, zonder dat zij hoeven te vrezen dat zij strafrechtelijke of burgerlijke aansprakelijkheid aanvaarden wegens overtreding van enige beperking inzake bekendmaking van informatie, indien zij hun verdenkingen te goeder trouw melden;
iv) aan financiële instellingen de eis te stellen dat zij, gedurende ten minste vijf jaar, alle noodzakelijke documenten over zowel binnenlandse als internationale transacties bewaren.
2. De Staten die Partij zijn werken voorts samen bij het voorkomen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten door te overwegen :
a) maatregelen voor het toezicht, daaronder begrepen bijvoorbeeld het verlenen van vergunningen, op alle bij geldverkeer betrokken instellingen;
b) uitvoerbare maatregelen voor het opsporen of volgen van het feitelijk over de grens vervoeren van contant geld en door de houder verhandelbare stukken, mits zij zijn omkleed met strikte waarborgen die een juist gebruik van inlichtingen verzekeren en mits zij niet in enig opzicht het vrije kapitaalverkeer hinderen.
3. De Staten die Partij zijn werken voorts samen bij het voorkomen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten door het uitwisselen van nauwkeurige en gecontroleerde inlichtingen in overeenstemming met hun nationaal recht en het coördineren van bestuursrechtelijke en andere maatregelen die, waar nodig, worden genomen ter voorkoming van het plegen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten, met name door :
a) het opzetten en onderhouden van communicatiekanalen tussen hun bevoegde instanties en diensten ter vergemakkelijking van de veilige en snelle uitwisseling van inlichtingen betreffende alle aspecten van in artikel 2 omschreven strafbare feiten;
b) het met elkaar samenwerken bij het uitvoeren van onderzoeken, inzake de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, betreffende :
i) de identiteit, verblijfplaats en activiteiten van personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij bij dergelijke strafbare feiten betrokken zijn;
ii) het verkeer van fondsen met betrekking tot het plegen van dergelijke strafbare feiten.
4. Staten die Partij zijn kunnen informatie uitwisselen via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).
Art. 18. 1. Les Etats Parties coopèrent pour prévenir les infractions visées à l'article 2 en prenant toutes les mesures possibles, notamment en adaptant si nécessaire leur législation interne, afin d'empêcher et de contrecarrer la préparation sur leurs territoires respectifs d'infractions devant être commises à l'intérieur ou à l'extérieur de ceux-ci, notamment :
a) des mesures interdisant sur leur territoire les activités illégales de personnes et d'organisations qui, en connaissance de cause, encouragent, fomentent, organisent ou commettent des infractions visées à l'article 2;
b) des mesures faisant obligation aux institutions financières et aux autres professions intervenant dans les opérations financières d'utiliser les moyens disponibles les plus efficaces pour identifier leurs clients habituels ou occasionnels, ainsi que les clients dans l'intérêt desquels un compte est ouvert, d'accorder une attention particulière aux opérations inhabituelles ou suspectes et de signaler les opérations présumées découler d'activités criminelles.
A cette fin, les Etats Parties doivent envisager :
i) D'adopter des réglementations interdisant l'ouverture de comptes dont le titulaire ou le bénéficiaire n'est pas identifié ni identifiable et des mesures garantissant que ces institutions vérifient l'identité des véritables détenteurs de ces opérations;
ii) s'agissant de l'identification des personnes morales, d'exiger que les institutions financières prennent, si nécessaire, des mesures pour vérifier l'existence et la structure juridiques du client en obtenant d'un registre public ou du client, ou des deux, une preuve de la constitution en société comprenant notamment des renseignements concernant le nom du client, sa forme juridique, son adresse, ses dirigeants et les dispositions régissant le pouvoir d'engager la personne morale;
iii) d'adopter des réglementations qui imposent aux institutions financières l'obligation de signaler promptement aux autorités compétentes toutes les opérations complexes, inhabituelles, importantes, et tous les types inhabituels d'opérations, lorsqu'elles n'ont pas de cause économique ou licite apparente, sans crainte de voir leur responsabilité pénale ou civile engagées pour violation des règles de confidentialité, si elles rapportent de bonne foi leurs soupçons;
iv) d'exiger des institutions financières qu'elles conservent, pendant au moins cinq ans, toutes les pièces nécessaires se rapportant aux opérations tant internes qu'internationales.
2. Les Etats Parties coopèrent également à la prévention des infractions visées à l'article 2 en envisageant :
a) des mesures pour la supervision de tous les organismes de transfert monétaire, y compris, par exemple, l'agrément de ces organismes;
b) des mesures réalistes qui permettent de détecter ou de surveiller le transport physique transfrontière d'espèces et d'effets au porteur négociables, sous réserve qu'elles soient assujetties à des garanties strictes visant à assurer que l'information est utilisée à bon escient et qu'elles n'entravent en aucune façon la libre circulation des capitaux.
3. Les Etats Parties coopèrent en outre à la prévention des infractions visées à l'article 2 en échangeant des renseignements exacts et vérifiés conformément à leur législation interne et en coordonnant les mesures administratives et autres mesures prises, le cas échéant, afin de prévenir la commission des infractions visées à l'article 2, et notamment en :
a) établissant et maintenant des canaux de communication entre leurs organismes et services compétents afin de faciliter l'échange sûr et rapide d'informations sur tous les aspects des infractions visées à l'article 2;
b) coopérant entre eux pour mener des enquêtes relatives aux infractions visées à l'article 2 portant sur :
i) l'identité, les coordonnées et les activités des personnes dont il est raisonnable de soupçonner qu'elles ont participé à la commission de telles infractions;
ii) les mouvements de fonds en rapport avec la commission de ces infractions.
4. Les Etats Parties peuvent échanger des informations par l'intermédiaire de l'Organisation internationale de police criminelle (Interpol).
a) des mesures interdisant sur leur territoire les activités illégales de personnes et d'organisations qui, en connaissance de cause, encouragent, fomentent, organisent ou commettent des infractions visées à l'article 2;
b) des mesures faisant obligation aux institutions financières et aux autres professions intervenant dans les opérations financières d'utiliser les moyens disponibles les plus efficaces pour identifier leurs clients habituels ou occasionnels, ainsi que les clients dans l'intérêt desquels un compte est ouvert, d'accorder une attention particulière aux opérations inhabituelles ou suspectes et de signaler les opérations présumées découler d'activités criminelles.
A cette fin, les Etats Parties doivent envisager :
i) D'adopter des réglementations interdisant l'ouverture de comptes dont le titulaire ou le bénéficiaire n'est pas identifié ni identifiable et des mesures garantissant que ces institutions vérifient l'identité des véritables détenteurs de ces opérations;
ii) s'agissant de l'identification des personnes morales, d'exiger que les institutions financières prennent, si nécessaire, des mesures pour vérifier l'existence et la structure juridiques du client en obtenant d'un registre public ou du client, ou des deux, une preuve de la constitution en société comprenant notamment des renseignements concernant le nom du client, sa forme juridique, son adresse, ses dirigeants et les dispositions régissant le pouvoir d'engager la personne morale;
iii) d'adopter des réglementations qui imposent aux institutions financières l'obligation de signaler promptement aux autorités compétentes toutes les opérations complexes, inhabituelles, importantes, et tous les types inhabituels d'opérations, lorsqu'elles n'ont pas de cause économique ou licite apparente, sans crainte de voir leur responsabilité pénale ou civile engagées pour violation des règles de confidentialité, si elles rapportent de bonne foi leurs soupçons;
iv) d'exiger des institutions financières qu'elles conservent, pendant au moins cinq ans, toutes les pièces nécessaires se rapportant aux opérations tant internes qu'internationales.
2. Les Etats Parties coopèrent également à la prévention des infractions visées à l'article 2 en envisageant :
a) des mesures pour la supervision de tous les organismes de transfert monétaire, y compris, par exemple, l'agrément de ces organismes;
b) des mesures réalistes qui permettent de détecter ou de surveiller le transport physique transfrontière d'espèces et d'effets au porteur négociables, sous réserve qu'elles soient assujetties à des garanties strictes visant à assurer que l'information est utilisée à bon escient et qu'elles n'entravent en aucune façon la libre circulation des capitaux.
3. Les Etats Parties coopèrent en outre à la prévention des infractions visées à l'article 2 en échangeant des renseignements exacts et vérifiés conformément à leur législation interne et en coordonnant les mesures administratives et autres mesures prises, le cas échéant, afin de prévenir la commission des infractions visées à l'article 2, et notamment en :
a) établissant et maintenant des canaux de communication entre leurs organismes et services compétents afin de faciliter l'échange sûr et rapide d'informations sur tous les aspects des infractions visées à l'article 2;
b) coopérant entre eux pour mener des enquêtes relatives aux infractions visées à l'article 2 portant sur :
i) l'identité, les coordonnées et les activités des personnes dont il est raisonnable de soupçonner qu'elles ont participé à la commission de telles infractions;
ii) les mouvements de fonds en rapport avec la commission de ces infractions.
4. Les Etats Parties peuvent échanger des informations par l'intermédiaire de l'Organisation internationale de police criminelle (Interpol).
Art. 19. De Staat die Partij is waar de vermoedelijke dader wordt vervolgd deelt, in overeenstemming met zijn nationaal recht of de toepasselijke procedures, de afloop van de procedures mee aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die de inlichtingen zal meedelen aan de andere Staten die Partij zijn.
Art. 19. L'Etat Partie dans lequel une action pénale a été engagée contre l'auteur présumé de l'infraction en communique, dans les conditions prévues par sa législation interne ou par les procédures applicables, le résultat définitif au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, qui en informe les autres Etats Parties.
Art. 20. De Staten die Partij zijn komen hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Staten en van niet-inmenging in de interne aangelegenheden van andere Staten.
Art. 20. Les Etats Parties s'acquittent des obligations découlant de la présente Convention dans le respect des principes de l'égalité souveraine et de l'intégrité territoriale des Etats, ainsi que de celui de la non-ingérence dans les affaires intérieures des autres Etats.
Art. 21. Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van Staten en personen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties, internationaal humanitair recht en andere relevante verdragen.
Art. 21. Aucune disposition de la présente Convention n'a d'incidence sur les autres droits, obligations et responsabilités des Etats et des individus en vertu du droit international, en particulier les buts de la Charte des Nations unies, le droit international humanitaire et les autres conventions pertinentes.
Art. 22. Niets in dit Verdrag geeft een Staat die Partij is de bevoegdheid op het grondgebied van een andere Staat die Partij is rechtsmacht uit te oefenen of functies te vervullen die door zijn nationale wetgeving uitsluitend zijn voorbehouden aan de autoriteiten van die andere Staat die Partij is.
Art. 22. Aucune disposition de la présente Convention n'habilite un Etat Partie à exercer sur le territoire d'un autre Etat Partie une compétence ou des fonctions qui sont exclusivement réservées aux autorités de cet autre Etat Partie par son droit interne.
Art. 23. 1. De bijlage kan worden gewijzigd door toevoeging van relevante verdragen die :
a) openstaan voor deelneming door alle Staten;
b) in werking zijn getreden;
c) bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd zijn door tenminste tweeëntwintig Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, of waartoe zij zijn toegetreden.
2. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan elke Staat een dergelijke wijziging voorstellen. Elk voorstel tot wijziging wordt aan de depositaris in schriftelijke vorm meegedeeld. De depositaris deelt voorstellen die aan de eisen van het eerste lid voldoen mee aan alle Staten die Partij zijn en vraagt hun oordeel of de voorgestelde wijziging dient te worden aangenomen.
3. De voorgestelde wijziging wordt geacht te zijn aangenomen tenzij een derde van de Staten die Partij zijn uiterlijk binnen 180 dagen na de verzending bij schriftelijke kennisgeving bezwaar maakt.
4. De aangenomen wijziging van de bijlage wordt 30 dagen na de neerlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze wijziging van kracht voor alle Staten die Partij zijn die een dergelijke akte hebben neergelegd. Voor elke Staat die Partij is die de wijziging bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt na de neerlegging van de tweeëntwintigste akte, wordt de wijziging van kracht op de dertigste dag na de neerlegging door deze Staat die Partij is van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
a) openstaan voor deelneming door alle Staten;
b) in werking zijn getreden;
c) bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd zijn door tenminste tweeëntwintig Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, of waartoe zij zijn toegetreden.
2. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan elke Staat een dergelijke wijziging voorstellen. Elk voorstel tot wijziging wordt aan de depositaris in schriftelijke vorm meegedeeld. De depositaris deelt voorstellen die aan de eisen van het eerste lid voldoen mee aan alle Staten die Partij zijn en vraagt hun oordeel of de voorgestelde wijziging dient te worden aangenomen.
3. De voorgestelde wijziging wordt geacht te zijn aangenomen tenzij een derde van de Staten die Partij zijn uiterlijk binnen 180 dagen na de verzending bij schriftelijke kennisgeving bezwaar maakt.
4. De aangenomen wijziging van de bijlage wordt 30 dagen na de neerlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze wijziging van kracht voor alle Staten die Partij zijn die een dergelijke akte hebben neergelegd. Voor elke Staat die Partij is die de wijziging bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt na de neerlegging van de tweeëntwintigste akte, wordt de wijziging van kracht op de dertigste dag na de neerlegging door deze Staat die Partij is van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Art. 23. 1. L'annexe peut être modifiée par l'ajout de traités pertinents réunissant les conditions suivantes :
a) être ouverts à la participation de tous les Etats;
b) être entrés en vigueur;
c) avoir fait l'objet de la ratification, de l'acceptation, de l'approbation ou de l'adhésion d'au moins 22 Etats Parties à la présente Convention.
2. Après l'entrée en vigueur de la présente Convention, tout Etat Partie peut proposer un tel amendement. Toute proposition d'amendement est communiquée par écrit au dépositaire, qui avise tous les Etats Parties des propositions qui réunissent les conditions énoncées au paragraphe 1 et sollicite leur avis au sujet de l'adoption de l'amendement proposé.
3. L'amendement proposé est réputé adopté à moins qu'un tiers des Etats Parties ne s'y oppose par écrit dans les 180 jours suivant sa communication.
4. Une fois adopté, l'amendement entre en vigueur, pour tous les Etats Parties ayant déposé un instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation, 30 jours après le dépôt du vingt-deuxième de ces instruments. Pour chacun des Etats Parties qui ratifient, acceptent ou approuvent l'amendement après le dépôt du vingt-deuxième instrument, l'amendement entre en vigueur le trentième jour suivant le dépôt par ledit Etat Partie de son instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation.
a) être ouverts à la participation de tous les Etats;
b) être entrés en vigueur;
c) avoir fait l'objet de la ratification, de l'acceptation, de l'approbation ou de l'adhésion d'au moins 22 Etats Parties à la présente Convention.
2. Après l'entrée en vigueur de la présente Convention, tout Etat Partie peut proposer un tel amendement. Toute proposition d'amendement est communiquée par écrit au dépositaire, qui avise tous les Etats Parties des propositions qui réunissent les conditions énoncées au paragraphe 1 et sollicite leur avis au sujet de l'adoption de l'amendement proposé.
3. L'amendement proposé est réputé adopté à moins qu'un tiers des Etats Parties ne s'y oppose par écrit dans les 180 jours suivant sa communication.
4. Une fois adopté, l'amendement entre en vigueur, pour tous les Etats Parties ayant déposé un instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation, 30 jours après le dépôt du vingt-deuxième de ces instruments. Pour chacun des Etats Parties qui ratifient, acceptent ou approuvent l'amendement après le dépôt du vingt-deuxième instrument, l'amendement entre en vigueur le trentième jour suivant le dépôt par ledit Etat Partie de son instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation.
Art. 24. 1. Elk geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn inzake de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandeling kan worden beslecht, wordt op verzoek van één van hen onderworpen aan arbitrage. Indien de partijen binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage niet erin zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van deze arbitrage, kan ieder van deze partijen het geschil voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.
2. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag, dan wel bij toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het eerste lid. De overige Staten die Partij zijn, zijn tegenover een Staat die Partij is en die dit voorbehoud heeft gemaakt niet gebonden door het eerste lid.
3. Een Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het tweede lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
2. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag, dan wel bij toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het eerste lid. De overige Staten die Partij zijn, zijn tegenover een Staat die Partij is en die dit voorbehoud heeft gemaakt niet gebonden door het eerste lid.
3. Een Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het tweede lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Art. 24. 1. Tout différend entre des Etats Parties concernant l'interprétation ou l'application de la présente Convention qui ne peut pas être réglé par voie de négociation dans un délai raisonnable est soumis à l'arbitrage, à la demande de l'un de ces Etats. Si, dans les six mois qui suivent la date de la demande d'arbitrage, les Parties ne parviennent pas à se mettre d'accord sur l'organisation de l'arbitrage, l'une quelconque d'entre elles peut soumettre le différend à la Cour internationale de Justice, en déposant une requête conformément au Statut de la Cour.
2. Tout Etat peut, au moment où il signe, ratifie, accepte ou approuve la présente Convention ou y adhère, déclarer qu'il ne se considère pas lié par les dispositions du paragraphe 1er du présent article. Les autres Etats Parties ne sont pas liés par lesdites dispositions envers tout Etat Partie qui a formulé une telle réserve.
3. Tout Etat qui a formulé une réserve conformément aux dispositions du paragraphe 2 du présent article peut la retirer à tout moment en adressant une notification à cet effet au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
2. Tout Etat peut, au moment où il signe, ratifie, accepte ou approuve la présente Convention ou y adhère, déclarer qu'il ne se considère pas lié par les dispositions du paragraphe 1er du présent article. Les autres Etats Parties ne sont pas liés par lesdites dispositions envers tout Etat Partie qui a formulé une telle réserve.
3. Tout Etat qui a formulé une réserve conformément aux dispositions du paragraphe 2 du présent article peut la retirer à tout moment en adressant une notification à cet effet au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
Art. 25. 1. Dit Verdrag staat van 10 januari 2000 tot en met 31 december 2001 open voor ondertekening door alle Staten op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.
2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dienen te worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
3. Dit Verdrag staat open voor toetreding door alle Staten. De akten van toetreding dienen te worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dienen te worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
3. Dit Verdrag staat open voor toetreding door alle Staten. De akten van toetreding dienen te worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Art. 25. 1. La présente Convention est ouverte à la signature de tous les Etats du 10 janvier 2000 au 31 décembre 2001, au Siège de l'Organisation des Nations unies, à New York.
2. La présente Convention est soumise à ratification, acceptation ou approbation. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation seront déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
3. La présente Convention est ouverte à l'adhésion de tout Etat. Les instruments d'adhésion seront déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
2. La présente Convention est soumise à ratification, acceptation ou approbation. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation seront déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
3. La présente Convention est ouverte à l'adhésion de tout Etat. Les instruments d'adhésion seront déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
Art. 26. 1. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van neerlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
2. Ten aanzien van iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt na de datum van de neerlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van neerlegging door de betreffende Staat van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
2. Ten aanzien van iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt na de datum van de neerlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van neerlegging door de betreffende Staat van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Art. 26. 1. La présente Convention entrera en vigueur le trentième jour qui suivra la date de dépôt auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies du vingt-deuxième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
2. Pour chacun des Etats qui ratifieront, accepteront ou approuveront la Convention ou y adhéreront après le dépôt du vingt-deuxième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la Convention entrera en vigueur le trentième jour après le dépôt par cet Etat de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
2. Pour chacun des Etats qui ratifieront, accepteront ou approuveront la Convention ou y adhéreront après le dépôt du vingt-deuxième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la Convention entrera en vigueur le trentième jour après le dépôt par cet Etat de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
Art. 27. 1. Iedere Staat die Partij is kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
2. Een opzegging wordt van kracht één jaar na de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
2. Een opzegging wordt van kracht één jaar na de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Art. 27. 1. Tout Etat Partie peut dénoncer la présente Convention en adressant une notification écrite à cet effet au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
2. La dénonciation prendra effet un an après la date à laquelle la notification aura été reçue par le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
2. La dénonciation prendra effet un an après la date à laquelle la notification aura été reçue par le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies.
Art. 28. Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften hiervan aan alle Staten doet toekomen.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend, dat vanaf 10 januari 2000 openstaat voor ondertekening op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend, dat vanaf 10 januari 2000 openstaat voor ondertekening op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.
Art. 28. L'original de la présente Convention, dont les textes anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe font également foi, sera déposé auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, qui en fera tenir copie certifiée conforme à tous les Etats.
En foi de quoi les soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention, qui a été ouverte à la signature au Siège de l'Organisation des Nations Unies à New York, le 10 janvier 2000.
En foi de quoi les soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention, qui a été ouverte à la signature au Siège de l'Organisation des Nations Unies à New York, le 10 janvier 2000.
BIJLAGE.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
1. Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, tot stand gekomen te 's-Gravenhage op 16 december 1970.
2. Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, tot stand gekomen te Montreal op 23 september 1971.
3. Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 december 1973.
4. Verdrag tegen het nemen van gijzelaars, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 17 december 1979.
5. Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal, tot stand gekomen te Wenen op 3 maart 1980.
6. Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart tot stand gekomen bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, tot stand gekomen te Montreal op 24 februari 1988.
7. Verdrag ter bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeescheepvaart, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988.
8. Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988.
9. Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 15 december 1997.
1. Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, tot stand gekomen te 's-Gravenhage op 16 december 1970.
2. Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, tot stand gekomen te Montreal op 23 september 1971.
3. Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 december 1973.
4. Verdrag tegen het nemen van gijzelaars, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 17 december 1979.
5. Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal, tot stand gekomen te Wenen op 3 maart 1980.
6. Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart tot stand gekomen bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, tot stand gekomen te Montreal op 24 februari 1988.
7. Verdrag ter bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeescheepvaart, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988.
8. Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988.
9. Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 15 december 1997.
Art. N1. Annexe 1.
1. Convention pour la répression de la capture illicite d'aéronefs (La Haye, 16 décembre 1970).
2. Convention pour la répression d'actes illicites dirigés contre la sécurité de l'aviation civile (Montréal, 23 septembre 1971).
3. Convention sur la prévention et la répression des infractions contre les personnes jouissant d'une protection internationale, y compris les agents diplomatiques, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 14 décembre 1973.
4. Convention internationale contre la prise d'otages, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 17 décembre 1979.
5. Convention internationale sur la protection physique des matières nucléaires (Vienne, 3 mars 1980).
6. Protocole pour la répression d'actes illicites de violence dans les aéroports servant à l'aviation civile internationale, complémentaire à la Convention pour la répression d'actes illicites dirigés contre la sécurité de l'aviation civile (Montréal, 24 février 1988).
7. Convention pour la répression d'actes illicites contre la sécurité de la navigation maritime (Rome, 10 mars 1988).
8. Protocole pour la répression d'actes illicites contre la sécurité des plates-formes fixes situées sur le plateau continental (Rome, 10 mars 1988).
9. Convention internationale pour la répression des attentats terroristes à l'explosif, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 15 décembre 1997.
1. Convention pour la répression de la capture illicite d'aéronefs (La Haye, 16 décembre 1970).
2. Convention pour la répression d'actes illicites dirigés contre la sécurité de l'aviation civile (Montréal, 23 septembre 1971).
3. Convention sur la prévention et la répression des infractions contre les personnes jouissant d'une protection internationale, y compris les agents diplomatiques, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 14 décembre 1973.
4. Convention internationale contre la prise d'otages, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 17 décembre 1979.
5. Convention internationale sur la protection physique des matières nucléaires (Vienne, 3 mars 1980).
6. Protocole pour la répression d'actes illicites de violence dans les aéroports servant à l'aviation civile internationale, complémentaire à la Convention pour la répression d'actes illicites dirigés contre la sécurité de l'aviation civile (Montréal, 24 février 1988).
7. Convention pour la répression d'actes illicites contre la sécurité de la navigation maritime (Rome, 10 mars 1988).
8. Protocole pour la répression d'actes illicites contre la sécurité des plates-formes fixes situées sur le plateau continental (Rome, 10 mars 1988).
9. Convention internationale pour la répression des attentats terroristes à l'explosif, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 15 décembre 1997.
Art. N2. Bijlage 2. Lijst van de Staten.
Art. N2. Annexe 2. Liste des Etats.
Staten Datum Type Datum Datum
authenti- instemming instemming interne
ficatie inwerking-
treding
- - - - -
AFGHANISTAN Toetreding 24/09/2003 24/10/2003
ALBANIE 18/12/2001 Bekrachtiging 10/04/2002 10/05/2002
ALGERIJE 18/01/2000 Bekrachtiging 08/11/2001 10/04/2002
ANDORRA 11/11/2001
ANTIGUA EN BARBUDA Toetreding 11/03/2002 10/04/2002
ARGENTINIE 28/03/2001
ARMENIE 15/11/2001 Bekrachtiging 16/03/2004 15/04/2004
AUSTRALIE 15/10/2001 Bekrachtiging 26/09/2002 26/10/2002
AZERBEIDZJAN 04/10/2001 Bekrachtiging 26/10/2001 10/04/2002
BAHAMAS, DE 02/10/2001
BAHREIN 14/11/2001
BARBADOS 13/11/2001 Bekrachtiging 18/09/2002 18/10/2002
BELARUS 12/11/2001
BELGIE 27/09/2001 Bekrachtiging 17/05/2004 16/06/2004
BELIZE 14/11/2001 Bekrachtiging 01/12/2003 31/12/2003
BENIN 16/11/2001
BHOUTAN 14/11/2001 Bekrachtiging 22/03/2004 21/04/2004
BOLIVIA 10/11/2001 Bekrachtiging 07/01/2002 10/04/2002
BOSNIA EN HERZEGOVINA 11/11/2001 Bekrachtiging 10/06/2003 10/07/2003
BOTSWANA 08/09/2000 Bekrachtiging 08/09/2000 10/04/2002
BRAZILIE 10/11/2001
BRUNEI Toetreding 04/12/2002 03/01/2003
BULGARIJE 19/03/2001 Bekrachtiging 15/04/2002 15/05/2002
BURKINA FASO Toetreding 01/10/2003 31/10/2003
BURUNDI 13/11/2001
CAMBODJA 11/11/2001
CANADA 10/02/2000 Bekrachtiging 19/02/2002 10/04/2002
CENTRAAL-AFRIKA (REP.) 19/12/2001
CHILI 02/05/2001 Bekrachtiging 10/11/2001 10/04/2002
CHINA 13/11/2001
COLOMBIA 30/10/2001
COMOREN 14/01/2000 Bekrachtiging 25/09/2003 25/10/2003
CONGO (DEMOCRATISCHE 11/11/2001
REP.)
CONGO (REPUBLIEK) 14/11/2001
COOK(EIL.) 24/12/2001 Bekrachtiging 04/03/2004 03/04/2004
COSTA RICA 14/06/2000 Bekrachtiging 24/01/2003 23/02/2003
CUBA 19/10/2001 Bekrachtiging 15/11/2001 10/04/2002
CYPRUS 01/03/2001 Bekrachtiging 30/11/2001 10/04/2002
DENEMARKEN 25/09/2001 Bekrachtiging 27/08/2002 26/09/2002
DJIBOUTI 15/11/2001
DOMINICAANSE REPUBLIEK 15/11/2001
DUITSLAND 20/07/2000
ECUADOR 06/09/2000 Bekrachtiging 09/12/2003 08/01/2004
EGYPTE 06/09/2000
EL SALVADOR Toetreding 15/05/2003 14/06/2003
EQUATORIAAL GUINEA Toetreding 07/02/2003 09/03/2003
ESTLAND 06/09/2000 Bekrachtiging 22/05/2002 21/06/2002
FILIPIJNEN 16/11/2001 Bekrachtiging 07/01/2004 06/02/2004
FINLAND 10/01/2000 Aanvaarding 28/06/2002 28/07/2002
FRANKRIJK 10/01/2000 Bekrachtiging 07/01/2002 10/04/2002
GABON 08/09/2000
GEORGIE 23/06/2000 Bekrachtiging 27/09/2002 27/10/2002
GHANA 12/11/2001 Bekrachtiging 06/09/2002 06/10/2002
GRENADA Toetreding 13/12/2001 10/04/2002
GRIEKENLAND 08/03/2000 Bekrachtiging 16/04/2004 16/05/2004
GUATEMALA 23/10/2001 Bekrachtiging 12/02/2002 10/04/2002
GUINEA 16/11/2001 Bekrachtiging 14/07/2003 13/08/2003
GUINEA-BISSAU 14/11/2001
HONDURAS 11/11/2001 Bekrachtiging 25/03/2003 24/04/2003
HONGARIJE 30/11/2001 Bekrachtiging 14/10/2002 13/11/2002
IERLAND 15/10/2001
IJSLAND 01/10/2001 Bekrachtiging 15/04/2002 15/05/2002
INDIA 08/09/2000 Bekrachtiging 22/04/2003 22/05/2003
INDONESIE 24/09/2001
ISRAEL 11/07/2000 Bekrachtiging 10/02/2003 12/03/2003
ITALIE 13/01/2000 Bekrachtiging 27/03/2003 26/04/2003
IVOORKUST Toetreding 13/03/2002 12/04/2002
JAMAICA 10/11/2001
JAPAN 30/10/2001 Aanvaarding 11/06/2002 11/07/2002
JORDANIE 24/09/2001 Bekrachtiging 28/08/2003 27/09/2003
KAAPVERDISCHE Bekrachtiging 10/05/2002 09/06/2002
(EILANDEN)
KAZAKHSTAN Toetreding 24/02/2003 26/03/2003
KENIA 04/12/2001 Bekrachtiging 27/06/2003 27/07/2003
KIRGIZISTAN Toetreding 02/10/2003 01/11/2003
KOREA (DEM. REP.) 12/11/2001
KOREA (REP.) 09/10/2001 Bekrachtiging 17/02/2004 18/03/2004
KROATIE 11/11/2001 Bekrachtiging 01/12/2003 31/12/2003
LESOTHO 06/09/2000 Bekrachtiging 12/11/2001 10/04/2002
LETLAND 18/12/2001 Bekrachtiging 14/11/2002 14/12/2002
LIBERIA Toetreding 05/03/2003 04/04/2003
LIBIE 13/11/2001 Bekrachtiging 09/07/2002 08/08/2002
LIECHTENSTEIN 02/10/2001 Bekrachtiging 09/07/2003 08/08/2003
LITOUWEN Toetreding 20/02/2003 22/03/2003
LUXEMBURG 20/09/2001 Bekrachtiging 05/11/2003 05/12/2003
MACEDONIE (V.J.R.M) 31/01/2000
MADAGASCAR 01/10/2001 Bekrachtiging 24/09/2003 24/10/2003
MALAWI Toetreding 11/08/2003 10/09/2003
MALDIVEN Toetreding 20/04/2004 20/05/2004
MALI 11/11/2001 Bekrachtiging 28/03/2002 27/04/2002
MALTA 10/01/2000 Bekrachtiging 11/11/2001 10/04/2002
MAROKKO 12/10/2001 Bekrachtiging 19/09/2002 19/10/2002
MARSHALL (EIL.) Toetreding 27/01/2003 26/02/2003
MAURITANIE Toetreding 30/04/2003 30/05/2003
MAURITIUS 11/11/2001
MEXICO 07/09/2000 Bekrachtiging 20/01/2003 19/02/2003
MICRONESIE 12/11/2001 Bekrachtiging 23/09/2002 23/10/2002
MOLDOVA 16/11/2001 Bekrachtiging 10/10/2002 09/11/2002
MONACO 10/11/2001 Bekrachtiging 10/11/2001 10/04/2002
MONGOLIE 12/11/2001 Bekrachtiging 25/02/2004 26/03/2004
MOZAMBIQUE 11/11/2001 Bekrachtiging 14/01/2003 13/02/2003
MYANMAR 12/11/2001
NAMIBIE 10/11/2001
NAURU 12/11/2001
NEDERLAND 10/01/2000 Aanvaarding 07/02/2002 10/04/2002
NICARAGUA 17/10/2001 Bekrachtiging 14/11/2002 14/12/2002
NIEUW-ZEELAND 07/09/2000 Bekrachtiging 04/11/2002 04/12/2002
NIGERIA 01/06/2000 Bekrachtiging 16/06/2003 16/07/2003
NOORWEGEN 01/10/2001 Bekrachtiging 15/07/2002 14/08/2002
OEKRAINE 08/06/2000 Bekrachtiging 06/12/2002 05/01/2003
OEZBEKISTAN 13/12/2000 Bekrachtiging 09/07/2001 10/04/2002
OOSTENRIJK 24/09/2001 Bekrachtiging 15/04/2002 15/05/2002
PALAU Toetreding 14/11/2001 10/04/2002
PANAMA 12/11/2001 Bekrachtiging 03/07/2002 02/08/2002
PAPOEA-NIEUW-GUINEA Toetreding 30/09/2003 30/10/2003
PARAGUAY 12/10/2001 Onbepaald
PERU 14/09/2000 Bekrachtiging 10/11/2001 10/04/2002
POLEN 04/10/2001 Bekrachtiging 26/09/2003 26/10/2003
PORTUGAL 16/02/2000 Bekrachtiging 18/10/2002 17/11/2002
ROEMENIE 26/09/2000 Bekrachtiging 09/01/2003 08/02/2003
RUSSISCHE FEDERATIE 03/04/2000 Bekrachtiging 27/11/2002 27/12/2002
RWANDA 04/12/2001 Bekrachtiging 13/05/2002 12/06/2002
SAINT KITTS EN NEVIS 12/11/2001 Bekrachtiging 16/11/2001 10/04/2002
SAINT VINCENT EN 03/12/2001 Bekrachtiging 28/03/2002 27/04/2002
GRENADE
SAN MARINO 26/09/2000 Bekrachtiging 12/03/2002 11/04/2002
SAUDI-ARABIE 29/11/2001
SERVIE EN MONTENEGRO 12/11/2001 Bekrachtiging 10/10/2002 09/11/2002
SEYCHELLEN 15/11/2001 Bekrachtiging 30/03/2004 29/04/2004
SIERRA LEONE 27/11/2001 Bekrachtiging 26/09/2003 26/10/2003
SINGAPORE 18/12/2001 Bekrachtiging 30/12/2002 29/01/2003
SLOVAKIJE 26/01/2001 Bekrachtiging 13/09/2002 13/10/2002
SLOVENIE 10/11/2001
SOMALIE 19/12/2001
SPANJE 08/01/2001 Bekrachtiging 09/04/2002 09/05/2002
SRI LANKA 10/01/2000 Bekrachtiging 08/09/2000 10/04/2002
SUDAN 29/02/2000 Bekrachtiging 05/05/2003 04/06/2003
SWAZILAND Toetreding 04/04/2003 04/05/2003
TANZANIA Toetreding 22/01/2003 21/02/2003
THAILAND 18/12/2001
TOGO 15/11/2001 Bekrachtiging 10/03/2003 09/04/2003
TONGA Toetreding 09/12/2002 08/01/2003
TSJECHISCHE REP. 06/09/2000
TUNESIE 02/11/2001 Bekrachtiging 10/06/2003 10/07/2003
TURKIJE 27/09/2001 Bekrachtiging 28/06/2002 28/07/2002
UGANDA 13/11/2001 Bekrachtiging 05/11/2003 05/12/2003
URUGUAY 25/10/2001 Bekrachtiging 08/01/2004 07/02/2004
VENEZUELA 16/11/2001 Bekrachtiging 23/09/2003 23/10/2003
VERENIGDE STATEN 10/01/2000 Bekrachtiging 26/06/2002 26/07/2002
VERENIGDE KONINKRIJK 10/01/2000 Bekrachtiging 07/03/2001 10/04/2002
VIETNAM Toetreding 25/09/2002 25/10/2002
SAMOA 13/11/2001 Bekrachtiging 27/09/2002 27/10/2002
ZUID-AFRIKA 10/11/2001 Bekrachtiging 01/05/2003 31/05/2003
ZWEDEN 15/10/2001 Bekrachtiging 06/06/2002 06/07/2002
ZWITSERLAND 13/06/2001 Bekrachtiging 23/09/2003 23/10/2003
authenti- instemming instemming interne
ficatie inwerking-
treding
- - - - -
AFGHANISTAN Toetreding 24/09/2003 24/10/2003
ALBANIE 18/12/2001 Bekrachtiging 10/04/2002 10/05/2002
ALGERIJE 18/01/2000 Bekrachtiging 08/11/2001 10/04/2002
ANDORRA 11/11/2001
ANTIGUA EN BARBUDA Toetreding 11/03/2002 10/04/2002
ARGENTINIE 28/03/2001
ARMENIE 15/11/2001 Bekrachtiging 16/03/2004 15/04/2004
AUSTRALIE 15/10/2001 Bekrachtiging 26/09/2002 26/10/2002
AZERBEIDZJAN 04/10/2001 Bekrachtiging 26/10/2001 10/04/2002
BAHAMAS, DE 02/10/2001
BAHREIN 14/11/2001
BARBADOS 13/11/2001 Bekrachtiging 18/09/2002 18/10/2002
BELARUS 12/11/2001
BELGIE 27/09/2001 Bekrachtiging 17/05/2004 16/06/2004
BELIZE 14/11/2001 Bekrachtiging 01/12/2003 31/12/2003
BENIN 16/11/2001
BHOUTAN 14/11/2001 Bekrachtiging 22/03/2004 21/04/2004
BOLIVIA 10/11/2001 Bekrachtiging 07/01/2002 10/04/2002
BOSNIA EN HERZEGOVINA 11/11/2001 Bekrachtiging 10/06/2003 10/07/2003
BOTSWANA 08/09/2000 Bekrachtiging 08/09/2000 10/04/2002
BRAZILIE 10/11/2001
BRUNEI Toetreding 04/12/2002 03/01/2003
BULGARIJE 19/03/2001 Bekrachtiging 15/04/2002 15/05/2002
BURKINA FASO Toetreding 01/10/2003 31/10/2003
BURUNDI 13/11/2001
CAMBODJA 11/11/2001
CANADA 10/02/2000 Bekrachtiging 19/02/2002 10/04/2002
CENTRAAL-AFRIKA (REP.) 19/12/2001
CHILI 02/05/2001 Bekrachtiging 10/11/2001 10/04/2002
CHINA 13/11/2001
COLOMBIA 30/10/2001
COMOREN 14/01/2000 Bekrachtiging 25/09/2003 25/10/2003
CONGO (DEMOCRATISCHE 11/11/2001
REP.)
CONGO (REPUBLIEK) 14/11/2001
COOK(EIL.) 24/12/2001 Bekrachtiging 04/03/2004 03/04/2004
COSTA RICA 14/06/2000 Bekrachtiging 24/01/2003 23/02/2003
CUBA 19/10/2001 Bekrachtiging 15/11/2001 10/04/2002
CYPRUS 01/03/2001 Bekrachtiging 30/11/2001 10/04/2002
DENEMARKEN 25/09/2001 Bekrachtiging 27/08/2002 26/09/2002
DJIBOUTI 15/11/2001
DOMINICAANSE REPUBLIEK 15/11/2001
DUITSLAND 20/07/2000
ECUADOR 06/09/2000 Bekrachtiging 09/12/2003 08/01/2004
EGYPTE 06/09/2000
EL SALVADOR Toetreding 15/05/2003 14/06/2003
EQUATORIAAL GUINEA Toetreding 07/02/2003 09/03/2003
ESTLAND 06/09/2000 Bekrachtiging 22/05/2002 21/06/2002
FILIPIJNEN 16/11/2001 Bekrachtiging 07/01/2004 06/02/2004
FINLAND 10/01/2000 Aanvaarding 28/06/2002 28/07/2002
FRANKRIJK 10/01/2000 Bekrachtiging 07/01/2002 10/04/2002
GABON 08/09/2000
GEORGIE 23/06/2000 Bekrachtiging 27/09/2002 27/10/2002
GHANA 12/11/2001 Bekrachtiging 06/09/2002 06/10/2002
GRENADA Toetreding 13/12/2001 10/04/2002
GRIEKENLAND 08/03/2000 Bekrachtiging 16/04/2004 16/05/2004
GUATEMALA 23/10/2001 Bekrachtiging 12/02/2002 10/04/2002
GUINEA 16/11/2001 Bekrachtiging 14/07/2003 13/08/2003
GUINEA-BISSAU 14/11/2001
HONDURAS 11/11/2001 Bekrachtiging 25/03/2003 24/04/2003
HONGARIJE 30/11/2001 Bekrachtiging 14/10/2002 13/11/2002
IERLAND 15/10/2001
IJSLAND 01/10/2001 Bekrachtiging 15/04/2002 15/05/2002
INDIA 08/09/2000 Bekrachtiging 22/04/2003 22/05/2003
INDONESIE 24/09/2001
ISRAEL 11/07/2000 Bekrachtiging 10/02/2003 12/03/2003
ITALIE 13/01/2000 Bekrachtiging 27/03/2003 26/04/2003
IVOORKUST Toetreding 13/03/2002 12/04/2002
JAMAICA 10/11/2001
JAPAN 30/10/2001 Aanvaarding 11/06/2002 11/07/2002
JORDANIE 24/09/2001 Bekrachtiging 28/08/2003 27/09/2003
KAAPVERDISCHE Bekrachtiging 10/05/2002 09/06/2002
(EILANDEN)
KAZAKHSTAN Toetreding 24/02/2003 26/03/2003
KENIA 04/12/2001 Bekrachtiging 27/06/2003 27/07/2003
KIRGIZISTAN Toetreding 02/10/2003 01/11/2003
KOREA (DEM. REP.) 12/11/2001
KOREA (REP.) 09/10/2001 Bekrachtiging 17/02/2004 18/03/2004
KROATIE 11/11/2001 Bekrachtiging 01/12/2003 31/12/2003
LESOTHO 06/09/2000 Bekrachtiging 12/11/2001 10/04/2002
LETLAND 18/12/2001 Bekrachtiging 14/11/2002 14/12/2002
LIBERIA Toetreding 05/03/2003 04/04/2003
LIBIE 13/11/2001 Bekrachtiging 09/07/2002 08/08/2002
LIECHTENSTEIN 02/10/2001 Bekrachtiging 09/07/2003 08/08/2003
LITOUWEN Toetreding 20/02/2003 22/03/2003
LUXEMBURG 20/09/2001 Bekrachtiging 05/11/2003 05/12/2003
MACEDONIE (V.J.R.M) 31/01/2000
MADAGASCAR 01/10/2001 Bekrachtiging 24/09/2003 24/10/2003
MALAWI Toetreding 11/08/2003 10/09/2003
MALDIVEN Toetreding 20/04/2004 20/05/2004
MALI 11/11/2001 Bekrachtiging 28/03/2002 27/04/2002
MALTA 10/01/2000 Bekrachtiging 11/11/2001 10/04/2002
MAROKKO 12/10/2001 Bekrachtiging 19/09/2002 19/10/2002
MARSHALL (EIL.) Toetreding 27/01/2003 26/02/2003
MAURITANIE Toetreding 30/04/2003 30/05/2003
MAURITIUS 11/11/2001
MEXICO 07/09/2000 Bekrachtiging 20/01/2003 19/02/2003
MICRONESIE 12/11/2001 Bekrachtiging 23/09/2002 23/10/2002
MOLDOVA 16/11/2001 Bekrachtiging 10/10/2002 09/11/2002
MONACO 10/11/2001 Bekrachtiging 10/11/2001 10/04/2002
MONGOLIE 12/11/2001 Bekrachtiging 25/02/2004 26/03/2004
MOZAMBIQUE 11/11/2001 Bekrachtiging 14/01/2003 13/02/2003
MYANMAR 12/11/2001
NAMIBIE 10/11/2001
NAURU 12/11/2001
NEDERLAND 10/01/2000 Aanvaarding 07/02/2002 10/04/2002
NICARAGUA 17/10/2001 Bekrachtiging 14/11/2002 14/12/2002
NIEUW-ZEELAND 07/09/2000 Bekrachtiging 04/11/2002 04/12/2002
NIGERIA 01/06/2000 Bekrachtiging 16/06/2003 16/07/2003
NOORWEGEN 01/10/2001 Bekrachtiging 15/07/2002 14/08/2002
OEKRAINE 08/06/2000 Bekrachtiging 06/12/2002 05/01/2003
OEZBEKISTAN 13/12/2000 Bekrachtiging 09/07/2001 10/04/2002
OOSTENRIJK 24/09/2001 Bekrachtiging 15/04/2002 15/05/2002
PALAU Toetreding 14/11/2001 10/04/2002
PANAMA 12/11/2001 Bekrachtiging 03/07/2002 02/08/2002
PAPOEA-NIEUW-GUINEA Toetreding 30/09/2003 30/10/2003
PARAGUAY 12/10/2001 Onbepaald
PERU 14/09/2000 Bekrachtiging 10/11/2001 10/04/2002
POLEN 04/10/2001 Bekrachtiging 26/09/2003 26/10/2003
PORTUGAL 16/02/2000 Bekrachtiging 18/10/2002 17/11/2002
ROEMENIE 26/09/2000 Bekrachtiging 09/01/2003 08/02/2003
RUSSISCHE FEDERATIE 03/04/2000 Bekrachtiging 27/11/2002 27/12/2002
RWANDA 04/12/2001 Bekrachtiging 13/05/2002 12/06/2002
SAINT KITTS EN NEVIS 12/11/2001 Bekrachtiging 16/11/2001 10/04/2002
SAINT VINCENT EN 03/12/2001 Bekrachtiging 28/03/2002 27/04/2002
GRENADE
SAN MARINO 26/09/2000 Bekrachtiging 12/03/2002 11/04/2002
SAUDI-ARABIE 29/11/2001
SERVIE EN MONTENEGRO 12/11/2001 Bekrachtiging 10/10/2002 09/11/2002
SEYCHELLEN 15/11/2001 Bekrachtiging 30/03/2004 29/04/2004
SIERRA LEONE 27/11/2001 Bekrachtiging 26/09/2003 26/10/2003
SINGAPORE 18/12/2001 Bekrachtiging 30/12/2002 29/01/2003
SLOVAKIJE 26/01/2001 Bekrachtiging 13/09/2002 13/10/2002
SLOVENIE 10/11/2001
SOMALIE 19/12/2001
SPANJE 08/01/2001 Bekrachtiging 09/04/2002 09/05/2002
SRI LANKA 10/01/2000 Bekrachtiging 08/09/2000 10/04/2002
SUDAN 29/02/2000 Bekrachtiging 05/05/2003 04/06/2003
SWAZILAND Toetreding 04/04/2003 04/05/2003
TANZANIA Toetreding 22/01/2003 21/02/2003
THAILAND 18/12/2001
TOGO 15/11/2001 Bekrachtiging 10/03/2003 09/04/2003
TONGA Toetreding 09/12/2002 08/01/2003
TSJECHISCHE REP. 06/09/2000
TUNESIE 02/11/2001 Bekrachtiging 10/06/2003 10/07/2003
TURKIJE 27/09/2001 Bekrachtiging 28/06/2002 28/07/2002
UGANDA 13/11/2001 Bekrachtiging 05/11/2003 05/12/2003
URUGUAY 25/10/2001 Bekrachtiging 08/01/2004 07/02/2004
VENEZUELA 16/11/2001 Bekrachtiging 23/09/2003 23/10/2003
VERENIGDE STATEN 10/01/2000 Bekrachtiging 26/06/2002 26/07/2002
VERENIGDE KONINKRIJK 10/01/2000 Bekrachtiging 07/03/2001 10/04/2002
VIETNAM Toetreding 25/09/2002 25/10/2002
SAMOA 13/11/2001 Bekrachtiging 27/09/2002 27/10/2002
ZUID-AFRIKA 10/11/2001 Bekrachtiging 01/05/2003 31/05/2003
ZWEDEN 15/10/2001 Bekrachtiging 06/06/2002 06/07/2002
ZWITSERLAND 13/06/2001 Bekrachtiging 23/09/2003 23/10/2003
Etats Date Type de Date Entree en
authenti- consentement consente- vigueur
fication ment locale
- - - - -
AFGHANISTAN Adhesion 24/09/2003 24/10/2003
AFRIQUE DU SUD 10/11/2001 Ratification 01/05/2003 31/05/2003
ALBANIE 18/12/2001 Ratification 10/04/2002 10/05/2002
ALGERIE 18/01/2000 Ratification 08/11/2001 10/04/2002
ALLEMAGNE 20/07/2000 Indetermine
ANDORRE 11/11/2001
ANTIGUA ET BARBUDA Adhesion 11/03/2002 10/04/2002
ARABIE SAOUDITE 29/11/2001
ARGENTINE 28/03/2001
ARMENIE 15/11/2001 Ratification 16/03/2004 15/04/2004
AUSTRALIE 15/10/2001 Ratification 26/09/2002 26/10/2002
AUTRICHE 24/09/2001 Ratification 15/04/2002 15/05/2002
AZERBAIDJAN 04/10/2001 Ratification 26/10/2001 10/04/2002
BAHAMAS 02/10/2001
BAHREIN 14/11/2001
BARBADE 13/11/2001 Ratification 18/09/2002 18/10/2002
BELARUS 12/11/2001 Indetermine
BELGIQUE 27/09/2001 Ratification 17/05/2004 16/06/2004
BELIZE 14/11/2001 Ratification 01/12/2003 31/12/2003
BENIN 16/11/2001
BHOUTAN 14/11/2001 Ratification 22/03/2004 21/04/2004
BOLIVIE 10/11/2001 Ratification 07/01/2002 10/04/2002
BOSNIE ET HERZEGOVINE 11/11/2001 Ratification 10/06/2003 10/07/2003
BOTSWANA 08/09/2000 Ratification 08/09/2000 10/04/2002
BRESIL 10/11/2001
BRUNEI Adhesion 04/12/2002 03/01/2003
BULGARIE 19/03/2001 Ratification 15/04/2002 15/05/2002
BURKINA FASO Adhesion 01/10/2003 31/10/2003
BURUNDI 13/11/2001
CAMBODGE 11/11/2001
CANADA 10/02/2000 Ratification 19/02/2002 10/04/2002
CAP-VERT 13/11/2001 Ratification 10/05/2002 09/06/2002
CENTRAFRIQUE (REP.) 19/12/2001
CHILI 02/05/2001 Ratification 10/11/2001 10/04/2002
CHINE 13/11/2001
CHYPRE 01/03/2001 Ratification 30/11/2001 10/04/2002
COLOMBIE 30/10/2001
COMORES 14/01/2000 Ratification 25/09/2003 25/10/2003
CONGO (REP. 11/11/2001
DEMOCRATIQUE)
CONGO (REPUBLIQUE) 14/11/2001
COOK(ILES) 24/12/2001 Ratification 04/03/2004 03/04/2004
COREE (DEM. REP.) 12/11/2001
COREE (REP.) 09/10/2001 Ratification 17/02/2004 18/03/2004
COSTA-RICA 14/06/2000 Ratification 24/01/2003 23/02/2003
COTE D'IVOIRE Adhesion 13/03/2002 12/04/2002
CROATIE 11/11/2001 Ratification 01/12/2003 31/12/2003
CUBA 19/10/2001 Ratification 15/11/2001 10/04/2002
DANEMARK 25/09/2001 Ratification 27/08/2002 26/09/2002
DJIBOUTI 15/11/2001
DOMINICAINE REPUBLIQUE 15/11/2001
EGYPTE 06/09/2000
EL SALVADOR Adhesion 15/05/2003 14/06/2003
EQUATEUR 06/09/2000 Ratification 09/12/2003 08/01/2004
ESPAGNE 08/01/2001 Ratification 09/04/2002 09/05/2002
ESTONIE 06/09/2000 Ratification 22/05/2002 21/06/2002
ETATS-UNIS 10/01/2000 Ratification 26/06/2002 26/07/2002
FINLANDE 10/01/2000 Acceptation 28/06/2002 28/07/2002
FRANCE 10/01/2000 Ratification 07/01/2002 10/04/2002
GABON 08/09/2000
GEORGIE 23/06/2000 Ratification 27/09/2002 27/10/2002
GHANA 12/11/2001 Ratification 06/09/2002 06/10/2002
GRECE 08/03/2000 Ratification 16/04/2004 16/05/2004
GRENADE Adhesion 13/12/2001 10/04/2002
GUATEMALA 23/10/2001 Ratification 12/02/2002 10/04/2002
GUINEE 16/11/2001 Ratification 14/07/2003 13/08/2003
GUINEE EQUATORIALE Adhesion 07/02/2003 09/03/2003
GUINEE-BISSAU 14/11/2001
HONDURAS 11/11/2001 Ratification 25/03/2003 24/04/2003
HONGRIE 30/11/2001 Ratification 14/10/2002 13/11/2002
INDE 08/09/2000 Ratification 22/04/2003 22/05/2003
INDONESIE 24/09/2001
IRLANDE 15/10/2001
ISLANDE 01/10/2001 Ratification 15/04/2002 15/05/2002
ISRAEL 11/07/2000 Ratification 10/02/2003 12/03/2003
ITALIE 13/01/2000 Ratification 27/03/2003 26/04/2003
JAMAIQUE 10/11/2001
JAPON 30/10/2001 Acceptation 11/06/2002 11/07/2002
JORDANIE 24/09/2001 Ratification 28/08/2003 27/09/2003
KAZAKHSTAN Adhesion 24/02/2003 26/03/2003
KENYA 04/12/2001 Ratification 27/06/2003 27/07/2003
KIRGHIZSTAN Adhesion 02/10/2003 01/11/2003
LESOTHO 06/09/2000 Ratification 12/11/2001 10/04/2002
LETTONIE 18/12/2001 Ratification 14/11/2002 14/12/2002
LIBERIA Adhesion 05/03/2003 04/04/2003
LIBYE 13/11/2001 Ratification 09/07/2002 08/08/2002
LIECHTENSTEIN 02/10/2001 Ratification 09/07/2003 08/08/2003
LITUANIE Adhesion 20/02/2003 22/03/2003
LUXEMBOURG 20/09/2001 Ratification 05/11/2003 05/12/2003
MACEDOINE (A.R.Y.M) 31/01/2000
MADAGASCAR 01/10/2001 Ratification 24/09/2003 24/10/2003
MALAWI Adhesion 11/08/2003 10/09/2003
MALDIVES Adhesion 20/04/2004 20/05/2004
MALI 11/11/2001 Ratification 28/03/2002 27/04/2002
MALTE 10/01/2000 Ratification 11/11/2001 10/04/2002
MAROC 12/10/2001 Ratification 19/09/2002 19/10/2002
MARSHALL (ILES) Adhesion 27/01/2003 26/02/2003
MAURICE 11/11/2001
MAURITANIE Adhesion 30/04/2003 30/05/2003
MEXIQUE 07/09/2000 Ratification 20/01/2003 19/02/2003
MICRONESIE(FED) 12/11/2001 Ratification 23/09/2002 23/10/2002
MOLDAVIE 16/11/2001 Ratification 10/10/2002 09/11/2002
MONACO 10/11/2001 Ratification 10/11/2001 10/04/2002
MONGOLIE 12/11/2001 Ratification 25/02/2004 26/03/2004
MOZAMBIQUE 11/11/2001 Ratification 14/01/2003 13/02/2003
MYANMAR 12/11/2001
NAMIBIE 10/11/2001
NAURU 12/11/2001
NICARAGUA 17/10/2001 Ratification 14/11/2002 14/12/2002
NIGERIA 01/06/2000 Ratification 16/06/2003 16/07/2003
NORVEGE 01/10/2001 Ratification 15/07/2002 14/08/2002
NOUVELLE-ZELANDE 07/09/2000 Ratification 04/11/2002 04/12/2002
OUGANDA 13/11/2001 Ratification 05/11/2003 05/12/2003
OUZBEKISTAN 13/12/2000 Ratification 09/07/2001 10/04/2002
PALAU Adhesion 14/11/2001 10/04/2002
PANAMA 12/11/2001 Ratification 03/07/2002 02/08/2002
PAPOUASIE Adhesion 30/09/2003 30/10/2003
PARAGUAY 12/10/2001
PAYS-BAS 10/01/2000 Acceptation 07/02/2002 10/04/2002
PEROU 14/09/2000 Ratification 10/11/2001 10/04/2002
PHILIPPINES 16/11/2001 Ratification 07/01/2004 06/02/2004
POLOGNE 04/10/2001 Ratification 26/09/2003 26/10/2003
PORTUGAL 16/02/2000 Ratification 18/10/2002 17/11/2002
ROUMANIE 26/09/2000 Ratification 09/01/2003 08/02/2003
ROYAUME UNI 10/01/2000 Ratification 07/03/2001 10/04/2004
RUSSIE 03/04/2000 Ratification 27/11/2002 27/12/2002
RWANDA 04/12/2001 Ratification 13/05/2002 12/06/2002
SAINT KITTS ET NEVIS 12/11/2001 Ratification 16/11/2001 10/04/2002
SAINT MARIN 26/09/2000 Ratification 12/03/2002 11/04/2002
SAINT VINCENT ET 03/12/2001 Ratification 28/03/2002 27/04/2002
GRENADE
SAMOA 13/11/2001 Ratification 27/09/2002 27/10/2002
SERBIE ET MONTENEGRO 12/11/2001 Ratification 10/10/2002 09/11/2002
SEYCHELLES 15/11/2001 Ratification 30/03/2004 29/04/2004
SIERRA LEONE 27/11/2001 Ratification 26/09/2003 26/10/2003
SINGAPOUR 18/12/2001 Ratification 30/12/2002 29/01/2003
SLOVAQUIE 26/01/2001 Ratification 13/09/2002 13/10/2002
SLOVENIE 10/11/2001
SOMALIE 19/12/2001
SOUDAN 29/02/2000 Ratification 05/05/2003 04/06/2003
SRI LANKA 10/01/2000 Ratification 08/09/2000 10/04/2002
SUEDE 15/10/2001 Ratification 06/06/2002 06/07/2002
SUISSE 13/06/2001 Ratification 23/09/2003 23/10/2003
SWAZILAND Adhesion 04/04/2003 04/05/2003
TANZANIE Adhesion 22/01/2003 21/02/2003
TCHEQUE REP. 06/09/2000
THAILANDE 18/12/2001
TOGO 15/11/2001 Ratification 10/03/2003 09/04/2003
TONGA Adhesion 09/12/2002 08/01/2003
TUNISIE 02/11/2001 Ratification 10/06/2003 10/07/2003
TURQUIE 27/09/2001 Ratification 28/06/2002 28/07/2002
UKRAINE 08/06/2000 Ratification 06/12/2002 05/01/2003
URUGUAY 25/10/2001 Ratification 08/01/2004 07/02/2004
VENEZUELA 16/11/2001 Ratification 23/09/2003 23/10/2003
VIETNAM Adhesion 25/09/2002 25/10/2002
authenti- consentement consente- vigueur
fication ment locale
- - - - -
AFGHANISTAN Adhesion 24/09/2003 24/10/2003
AFRIQUE DU SUD 10/11/2001 Ratification 01/05/2003 31/05/2003
ALBANIE 18/12/2001 Ratification 10/04/2002 10/05/2002
ALGERIE 18/01/2000 Ratification 08/11/2001 10/04/2002
ALLEMAGNE 20/07/2000 Indetermine
ANDORRE 11/11/2001
ANTIGUA ET BARBUDA Adhesion 11/03/2002 10/04/2002
ARABIE SAOUDITE 29/11/2001
ARGENTINE 28/03/2001
ARMENIE 15/11/2001 Ratification 16/03/2004 15/04/2004
AUSTRALIE 15/10/2001 Ratification 26/09/2002 26/10/2002
AUTRICHE 24/09/2001 Ratification 15/04/2002 15/05/2002
AZERBAIDJAN 04/10/2001 Ratification 26/10/2001 10/04/2002
BAHAMAS 02/10/2001
BAHREIN 14/11/2001
BARBADE 13/11/2001 Ratification 18/09/2002 18/10/2002
BELARUS 12/11/2001 Indetermine
BELGIQUE 27/09/2001 Ratification 17/05/2004 16/06/2004
BELIZE 14/11/2001 Ratification 01/12/2003 31/12/2003
BENIN 16/11/2001
BHOUTAN 14/11/2001 Ratification 22/03/2004 21/04/2004
BOLIVIE 10/11/2001 Ratification 07/01/2002 10/04/2002
BOSNIE ET HERZEGOVINE 11/11/2001 Ratification 10/06/2003 10/07/2003
BOTSWANA 08/09/2000 Ratification 08/09/2000 10/04/2002
BRESIL 10/11/2001
BRUNEI Adhesion 04/12/2002 03/01/2003
BULGARIE 19/03/2001 Ratification 15/04/2002 15/05/2002
BURKINA FASO Adhesion 01/10/2003 31/10/2003
BURUNDI 13/11/2001
CAMBODGE 11/11/2001
CANADA 10/02/2000 Ratification 19/02/2002 10/04/2002
CAP-VERT 13/11/2001 Ratification 10/05/2002 09/06/2002
CENTRAFRIQUE (REP.) 19/12/2001
CHILI 02/05/2001 Ratification 10/11/2001 10/04/2002
CHINE 13/11/2001
CHYPRE 01/03/2001 Ratification 30/11/2001 10/04/2002
COLOMBIE 30/10/2001
COMORES 14/01/2000 Ratification 25/09/2003 25/10/2003
CONGO (REP. 11/11/2001
DEMOCRATIQUE)
CONGO (REPUBLIQUE) 14/11/2001
COOK(ILES) 24/12/2001 Ratification 04/03/2004 03/04/2004
COREE (DEM. REP.) 12/11/2001
COREE (REP.) 09/10/2001 Ratification 17/02/2004 18/03/2004
COSTA-RICA 14/06/2000 Ratification 24/01/2003 23/02/2003
COTE D'IVOIRE Adhesion 13/03/2002 12/04/2002
CROATIE 11/11/2001 Ratification 01/12/2003 31/12/2003
CUBA 19/10/2001 Ratification 15/11/2001 10/04/2002
DANEMARK 25/09/2001 Ratification 27/08/2002 26/09/2002
DJIBOUTI 15/11/2001
DOMINICAINE REPUBLIQUE 15/11/2001
EGYPTE 06/09/2000
EL SALVADOR Adhesion 15/05/2003 14/06/2003
EQUATEUR 06/09/2000 Ratification 09/12/2003 08/01/2004
ESPAGNE 08/01/2001 Ratification 09/04/2002 09/05/2002
ESTONIE 06/09/2000 Ratification 22/05/2002 21/06/2002
ETATS-UNIS 10/01/2000 Ratification 26/06/2002 26/07/2002
FINLANDE 10/01/2000 Acceptation 28/06/2002 28/07/2002
FRANCE 10/01/2000 Ratification 07/01/2002 10/04/2002
GABON 08/09/2000
GEORGIE 23/06/2000 Ratification 27/09/2002 27/10/2002
GHANA 12/11/2001 Ratification 06/09/2002 06/10/2002
GRECE 08/03/2000 Ratification 16/04/2004 16/05/2004
GRENADE Adhesion 13/12/2001 10/04/2002
GUATEMALA 23/10/2001 Ratification 12/02/2002 10/04/2002
GUINEE 16/11/2001 Ratification 14/07/2003 13/08/2003
GUINEE EQUATORIALE Adhesion 07/02/2003 09/03/2003
GUINEE-BISSAU 14/11/2001
HONDURAS 11/11/2001 Ratification 25/03/2003 24/04/2003
HONGRIE 30/11/2001 Ratification 14/10/2002 13/11/2002
INDE 08/09/2000 Ratification 22/04/2003 22/05/2003
INDONESIE 24/09/2001
IRLANDE 15/10/2001
ISLANDE 01/10/2001 Ratification 15/04/2002 15/05/2002
ISRAEL 11/07/2000 Ratification 10/02/2003 12/03/2003
ITALIE 13/01/2000 Ratification 27/03/2003 26/04/2003
JAMAIQUE 10/11/2001
JAPON 30/10/2001 Acceptation 11/06/2002 11/07/2002
JORDANIE 24/09/2001 Ratification 28/08/2003 27/09/2003
KAZAKHSTAN Adhesion 24/02/2003 26/03/2003
KENYA 04/12/2001 Ratification 27/06/2003 27/07/2003
KIRGHIZSTAN Adhesion 02/10/2003 01/11/2003
LESOTHO 06/09/2000 Ratification 12/11/2001 10/04/2002
LETTONIE 18/12/2001 Ratification 14/11/2002 14/12/2002
LIBERIA Adhesion 05/03/2003 04/04/2003
LIBYE 13/11/2001 Ratification 09/07/2002 08/08/2002
LIECHTENSTEIN 02/10/2001 Ratification 09/07/2003 08/08/2003
LITUANIE Adhesion 20/02/2003 22/03/2003
LUXEMBOURG 20/09/2001 Ratification 05/11/2003 05/12/2003
MACEDOINE (A.R.Y.M) 31/01/2000
MADAGASCAR 01/10/2001 Ratification 24/09/2003 24/10/2003
MALAWI Adhesion 11/08/2003 10/09/2003
MALDIVES Adhesion 20/04/2004 20/05/2004
MALI 11/11/2001 Ratification 28/03/2002 27/04/2002
MALTE 10/01/2000 Ratification 11/11/2001 10/04/2002
MAROC 12/10/2001 Ratification 19/09/2002 19/10/2002
MARSHALL (ILES) Adhesion 27/01/2003 26/02/2003
MAURICE 11/11/2001
MAURITANIE Adhesion 30/04/2003 30/05/2003
MEXIQUE 07/09/2000 Ratification 20/01/2003 19/02/2003
MICRONESIE(FED) 12/11/2001 Ratification 23/09/2002 23/10/2002
MOLDAVIE 16/11/2001 Ratification 10/10/2002 09/11/2002
MONACO 10/11/2001 Ratification 10/11/2001 10/04/2002
MONGOLIE 12/11/2001 Ratification 25/02/2004 26/03/2004
MOZAMBIQUE 11/11/2001 Ratification 14/01/2003 13/02/2003
MYANMAR 12/11/2001
NAMIBIE 10/11/2001
NAURU 12/11/2001
NICARAGUA 17/10/2001 Ratification 14/11/2002 14/12/2002
NIGERIA 01/06/2000 Ratification 16/06/2003 16/07/2003
NORVEGE 01/10/2001 Ratification 15/07/2002 14/08/2002
NOUVELLE-ZELANDE 07/09/2000 Ratification 04/11/2002 04/12/2002
OUGANDA 13/11/2001 Ratification 05/11/2003 05/12/2003
OUZBEKISTAN 13/12/2000 Ratification 09/07/2001 10/04/2002
PALAU Adhesion 14/11/2001 10/04/2002
PANAMA 12/11/2001 Ratification 03/07/2002 02/08/2002
PAPOUASIE Adhesion 30/09/2003 30/10/2003
PARAGUAY 12/10/2001
PAYS-BAS 10/01/2000 Acceptation 07/02/2002 10/04/2002
PEROU 14/09/2000 Ratification 10/11/2001 10/04/2002
PHILIPPINES 16/11/2001 Ratification 07/01/2004 06/02/2004
POLOGNE 04/10/2001 Ratification 26/09/2003 26/10/2003
PORTUGAL 16/02/2000 Ratification 18/10/2002 17/11/2002
ROUMANIE 26/09/2000 Ratification 09/01/2003 08/02/2003
ROYAUME UNI 10/01/2000 Ratification 07/03/2001 10/04/2004
RUSSIE 03/04/2000 Ratification 27/11/2002 27/12/2002
RWANDA 04/12/2001 Ratification 13/05/2002 12/06/2002
SAINT KITTS ET NEVIS 12/11/2001 Ratification 16/11/2001 10/04/2002
SAINT MARIN 26/09/2000 Ratification 12/03/2002 11/04/2002
SAINT VINCENT ET 03/12/2001 Ratification 28/03/2002 27/04/2002
GRENADE
SAMOA 13/11/2001 Ratification 27/09/2002 27/10/2002
SERBIE ET MONTENEGRO 12/11/2001 Ratification 10/10/2002 09/11/2002
SEYCHELLES 15/11/2001 Ratification 30/03/2004 29/04/2004
SIERRA LEONE 27/11/2001 Ratification 26/09/2003 26/10/2003
SINGAPOUR 18/12/2001 Ratification 30/12/2002 29/01/2003
SLOVAQUIE 26/01/2001 Ratification 13/09/2002 13/10/2002
SLOVENIE 10/11/2001
SOMALIE 19/12/2001
SOUDAN 29/02/2000 Ratification 05/05/2003 04/06/2003
SRI LANKA 10/01/2000 Ratification 08/09/2000 10/04/2002
SUEDE 15/10/2001 Ratification 06/06/2002 06/07/2002
SUISSE 13/06/2001 Ratification 23/09/2003 23/10/2003
SWAZILAND Adhesion 04/04/2003 04/05/2003
TANZANIE Adhesion 22/01/2003 21/02/2003
TCHEQUE REP. 06/09/2000
THAILANDE 18/12/2001
TOGO 15/11/2001 Ratification 10/03/2003 09/04/2003
TONGA Adhesion 09/12/2002 08/01/2003
TUNISIE 02/11/2001 Ratification 10/06/2003 10/07/2003
TURQUIE 27/09/2001 Ratification 28/06/2002 28/07/2002
UKRAINE 08/06/2000 Ratification 06/12/2002 05/01/2003
URUGUAY 25/10/2001 Ratification 08/01/2004 07/02/2004
VENEZUELA 16/11/2001 Ratification 23/09/2003 23/10/2003
VIETNAM Adhesion 25/09/2002 25/10/2002
De verklaringen en het voorbehoud afgelegd door België :
I. Met betrekking tot artikel 2, paragraaf 2, a verklaart de Belgische Regering het volgende :
Volgende verdragen worden geacht niet te zijn opgenomen in de bijlage :
-Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 december 1973;
- Verdrag ter bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeescheepvaart, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988;
- Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988;
- Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 15 december 1997.
II. De Belgische Regering interpreteert de paragrafen 1 en 3 van artikel 2 op de volgende wijze : hij, die fondsen verstrekt of vergaart, pleegt een strafbaar feit in de zin van het Verdrag ingeval deze handeling geheel of gedeeltelijk bijdraagt tot het plannen, het voorbereiden of het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in a.) en b.) van paragraaf 1 van artikel 2 van het Verdrag. Het is niet noodzakelijk aan te tonen dat de verstrekte of verzamelde fondsen exact hebben bijgedragen tot een welbepaalde terroristische handeling, als zij hebben bijgedragen tot de criminele activiteit van de personen die het voornemen hadden de handelingen omschreven in a.) en b.) te plegen.
III. Wat betreft het artikel 14 van het Verdrag legt de Belgische Regering volgend voorbehoud af :
1. In uitzonderlijke omstandigheden behoudt België zich het recht voor uitlevering of wederzijdse rechtshulp te weigeren inzake enig strafbaar feit bedoeld in artikel 2 dat wordt beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een delict geïnspireerd door politieke motieven.
2. Ingeval paragraaf 1 wordt toegepast, wijst België erop dat het algemeen rechtsbeginsel aut dedere aut judicare in acht moet worden genomen, rekening houdend met de bevoegdheidsregels van zijn rechtscolleges.
IV. Overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3 van het artikel 7 van het Verdrag verklaart het Koninkrijk België vestiging van zijn rechtsmacht, krachtens zijn interne wetgeving, met betrekking tot de strafbare feiten gepleegd in de situaties voorzien in artikel 7, paragraaf 2.
I. Met betrekking tot artikel 2, paragraaf 2, a verklaart de Belgische Regering het volgende :
Volgende verdragen worden geacht niet te zijn opgenomen in de bijlage :
-Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 december 1973;
- Verdrag ter bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeescheepvaart, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988;
- Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat, tot stand gekomen te Rome op 10 maart 1988;
- Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 15 december 1997.
II. De Belgische Regering interpreteert de paragrafen 1 en 3 van artikel 2 op de volgende wijze : hij, die fondsen verstrekt of vergaart, pleegt een strafbaar feit in de zin van het Verdrag ingeval deze handeling geheel of gedeeltelijk bijdraagt tot het plannen, het voorbereiden of het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in a.) en b.) van paragraaf 1 van artikel 2 van het Verdrag. Het is niet noodzakelijk aan te tonen dat de verstrekte of verzamelde fondsen exact hebben bijgedragen tot een welbepaalde terroristische handeling, als zij hebben bijgedragen tot de criminele activiteit van de personen die het voornemen hadden de handelingen omschreven in a.) en b.) te plegen.
III. Wat betreft het artikel 14 van het Verdrag legt de Belgische Regering volgend voorbehoud af :
1. In uitzonderlijke omstandigheden behoudt België zich het recht voor uitlevering of wederzijdse rechtshulp te weigeren inzake enig strafbaar feit bedoeld in artikel 2 dat wordt beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een delict geïnspireerd door politieke motieven.
2. Ingeval paragraaf 1 wordt toegepast, wijst België erop dat het algemeen rechtsbeginsel aut dedere aut judicare in acht moet worden genomen, rekening houdend met de bevoegdheidsregels van zijn rechtscolleges.
IV. Overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3 van het artikel 7 van het Verdrag verklaart het Koninkrijk België vestiging van zijn rechtsmacht, krachtens zijn interne wetgeving, met betrekking tot de strafbare feiten gepleegd in de situaties voorzien in artikel 7, paragraaf 2.
Les déclarations et la réserve faites par la Belgique :
I. En ce qui concerne l'article 2 § 2a.) de la Convention, le Gouvernement belge déclare ce qui suit :
les traités suivants doivent être réputés comme ne figurant pas dans l'annexe :
- Convention sur la prévention et la répression des infractions contre les personnes jouissant d'une protection internationale, y compris les agents diplomatiques, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 14 décembre 1973;
- Convention pour la répression d'actes illicites contre la sécurité de la navigation maritime (Rome, 10 mars 1988)
- Protocole pour la répression d'actes illicites contre la sécurité des plates-formes fixes situées sur le plateau continental (Rome, 10 mars 1988);
- Convention internationale pour la répression des attentats terroristes à l'explosif, adoptée par l'Assemblée générale des Nations unies le 15 décembre 1997.
II. Le Gouvernement belge interprète les paragraphes 1er et 3 de l'article 2 de la manière suivante: commet une infraction, au sens de la convention, la personne qui fournit ou réunit des fonds dès lors que cet acte contribue, en tout ou en partie, à la planification, la préparation ou la commission d'une infraction visée aux littera a.) et b.) du paragraphe 1er de l'article 2 de la convention. Il n'est pas nécessaire de démontrer que les fonds fournis ou réunis aient servi précisément à un acte déterminé de terrorisme, pour peu qu'ils aient contribué à l'activité criminelle des personnes qui avaient pour but de commettre les actes décrits aux dits littera a.) et b.).
III. En ce qui concerne l'article 14 de la Convention, le Gouvernement belge formule la réserve suivante :
1. Dans des circonstances exceptionnelles, la Belgique se réserve le droit de refuser l'extradition ou l'entraide judiciaire pour toute infraction visée à l'article 2 qu'elle considère comme une infraction politique, une infraction connexe à une infraction politique ou une infraction inspirée par des mobiles politiques.
2. En cas d'application du paragraphe 1er, la Belgique rappelle qu'elle est tenue par le principe général de droit aut dedere, aut judicare, eu égard aux règles de compétence de ses juridictions.
IV. Conformément aux dispositions du paragraphe 3 de l'article 7 de la Convention, le Royaume de Belgique déclare établir sa compétence, en vertu de sa législation interne, en ce qui concerne les infractions perpétrées dans les situations visées au paragraphe 2 de l'article 7 de la Convention.
I. En ce qui concerne l'article 2 § 2a.) de la Convention, le Gouvernement belge déclare ce qui suit :
les traités suivants doivent être réputés comme ne figurant pas dans l'annexe :
- Convention sur la prévention et la répression des infractions contre les personnes jouissant d'une protection internationale, y compris les agents diplomatiques, adoptée par l'Assemblée générale des Nations Unies le 14 décembre 1973;
- Convention pour la répression d'actes illicites contre la sécurité de la navigation maritime (Rome, 10 mars 1988)
- Protocole pour la répression d'actes illicites contre la sécurité des plates-formes fixes situées sur le plateau continental (Rome, 10 mars 1988);
- Convention internationale pour la répression des attentats terroristes à l'explosif, adoptée par l'Assemblée générale des Nations unies le 15 décembre 1997.
II. Le Gouvernement belge interprète les paragraphes 1er et 3 de l'article 2 de la manière suivante: commet une infraction, au sens de la convention, la personne qui fournit ou réunit des fonds dès lors que cet acte contribue, en tout ou en partie, à la planification, la préparation ou la commission d'une infraction visée aux littera a.) et b.) du paragraphe 1er de l'article 2 de la convention. Il n'est pas nécessaire de démontrer que les fonds fournis ou réunis aient servi précisément à un acte déterminé de terrorisme, pour peu qu'ils aient contribué à l'activité criminelle des personnes qui avaient pour but de commettre les actes décrits aux dits littera a.) et b.).
III. En ce qui concerne l'article 14 de la Convention, le Gouvernement belge formule la réserve suivante :
1. Dans des circonstances exceptionnelles, la Belgique se réserve le droit de refuser l'extradition ou l'entraide judiciaire pour toute infraction visée à l'article 2 qu'elle considère comme une infraction politique, une infraction connexe à une infraction politique ou une infraction inspirée par des mobiles politiques.
2. En cas d'application du paragraphe 1er, la Belgique rappelle qu'elle est tenue par le principe général de droit aut dedere, aut judicare, eu égard aux règles de compétence de ses juridictions.
IV. Conformément aux dispositions du paragraphe 3 de l'article 7 de la Convention, le Royaume de Belgique déclare établir sa compétence, en vertu de sa législation interne, en ce qui concerne les infractions perpétrées dans les situations visées au paragraphe 2 de l'article 7 de la Convention.