Art. 14. § 1. In het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, wordt artikel 9 vervangen door wat volgt :
" Art. 9. Het in artikel 1 genoemde personeelslid dat wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, kan, voor de ganse duur van zijn loopbaan, ziekteverlof krijgen tot maximum dertig kalenderdagen per twaalf maanden sociale anciënniteit. Het personeelslid dat geen zesendertig maanden sociale anciënniteit telt, kan niettemin negentig kalenderdagen ziekteverlof krijgen.
Voor het personeelslid dat oorlogsinvalide is, wordt het in het eerste lid vastgestelde aantal kalenderdagen respectievelijk op vijfenveertig en honderdvijfendertig gebracht.
Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op wedde of weddentoelage en op verhoging tot een hogere wedde of weddentoelage. "
§ 2. In hetzelfde besluit wordt artikel 9bis vervangen door wat volgt :
" Art. 9bis. Voor de toepassing van artikel 9 :
1° stemt de sociale anciënniteit voor elk betrokken personeelslid overeen met zijn weddenanciënniteit, vastgesteld op basis van de bepalingen van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is voor het ambt waarin hij afwezig is wegens ziekte, mits echter, in voorkomend geval, volgende aanpassingen :
a) de diensten in aanmerking te nemen die het betrokken personeelslid eventueel gepresteerd heeft vóór de leeftijd vermeld in de klasse van zijn weddenschaal, voor zover deze diensten voldoen aan de vereisten gesteld in de toe te passen bezoldigingsregeling, de klasse van de weddenschaal uitgezonderd;
b) geen rekening te houden met de eventuele tijd, die als in aanmerking komende dienst geldt op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
2° worden de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid vóór de inwerkingtreding van dit besluit voor elk personeelslid eerst van 1 januari 1958 af samengeteld. Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs, wordt echter niet meegeteld. "
§ 3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 9ter toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 9ter. In afwijking van de artikelen 9 en 9bis wordt, voor wat de periode vóór 1 september 2003 betreft, het aantal dagen ziekte- of gebrekkigheidsverlof voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, per twaalf maanden sociale anciënniteit berekend op basis van de prestaties zoals bedoeld in artikelen 14bis, 14ter en 14quater van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters- vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en op basis van de prestaties geleverd als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit", bepaald op tien dagen, waarbij geen rekening wordt gehouden met het reeds genoten aantal dagen afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid.
Art. 14. § 1er. Dans l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en exécution de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, l'article 9 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 9. Le membre du personnel visé à l'article 1er qui est inapte à exercer sa fonction d'une manière normale pour cause de maladie, peut obtenir, pour toute la durée de sa carrière, un congé de maladie jusqu'à trente jours calendaires au maximum par douze mois d'ancienneté sociale. Le membre du personnel qui ne compte pas trente-six mois d'ancienneté sociale, peut toutefois obtenir nonante jours calendaires de congé de maladie.
Pour le membre du personnel invalide de guerre, le nombre de jours calendaires fixé au premier alinéa est porté respectivement à quarante-cinq et cent trente-cinq.
Ce congé de maladie est assimilé à une période d'activité de service. Pendant ce congé, le membre du personnel a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement. "
§ 2. Dans le même arrêté, l'article 9bis est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 9bis. Pour l'application de l'article 9 :
1° l'ancienneté sociale pour chaque membre du personnel intéressé correspond à son ancienneté de traitement, définie sur la base des dispositions du régime pécuniaire qui lui sont applicables pour la fonction dans laquelle il est absent pour maladie, à condition toutefois, le cas échéant, d'appliquer les adaptations suivantes :
a) la prise en compte des services que le membre du personnel a éventuellement accomplis avant l'âge mentionné dans la classe de son échelle de traitement, pour autant que ces services satisfassent aux exigences du régime pécuniaire à appliquer, à l'exception de la classe de l'échelle de traitement;
b) la non prise en compte du temps éventuel qui vaut comme service admissible sur la base de l'article 17 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique;
2° les absences pour cause de maladie ou d'invalidité avant l'entrée en vigueur du présent arrêté ne sont additionnées pour chaque membre du personnel qu'à partir du 1er janvier 1958. Le congé de longue durée admis entre le 1er janvier 1958 et le 1er juillet 1968 en vertu de l'article 3, troisième et quatrième alinéas, de l'arrêté royal du 30 décembre 1959 relatif aux congés de maladie et de maternité des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat n'est toutefois pas pris en compte. "
§ 3. Au même décret, il est ajouté un article 9ter, rédigé comme suit :
" Art. 9ter. Par dérogation aux articles 9 et 9bis, et pour ce qui est de la période avant le 1er septembre 2003, le nombre de jours de congé de maladie ou d'invalidité pour le collaborateur administratif de la catégorie de personnel du personnel de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental est calculé par douze mois d'ancienneté sociale sur la base des prestations telles que visées aux articles 14bis, 14ter et 14quater, de l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, et, sur la base des prestations rendues comme travailleur du "cadre spécial temporaire" et du "troisième circuit du travail", fixé à dix jours, pour lesquels il n'est pas tenu compte du nombre de jours d'absence pour cause de maladie ou d'invalidité déjà pris. "