Artikel 1. Doel.
Voorliggend besluit voert de artikelen 3, 10bis en 10ter van het decreet van 29 april 1996 betreffende de schuldbemiddeling en de afbetaling van schulden uit.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
15 JUNI 2004. - Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap betreffende de schuldbemiddeling (VERTALING).
Titre
15 JUIN 2004. - Arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone relatif à la médiation de dettes (TRADUCTION).
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Article 1. Objectif.
Le présent arrêté exécute les articles 3, 10bis et 10ter du décret du 29 avril 1996 concernant la médiation et l'apurement de dettes.
Le présent arrêté exécute les articles 3, 10bis et 10ter du décret du 29 avril 1996 concernant la médiation et l'apurement de dettes.
Art. 2. Definities.
Voor de toepassing van voorliggend besluit verstaat men onder :
1° decreet : het decreet van 29 april 1996 betreffende de schuldbemiddeling en de afbetaling van schulden;
2° collectieve schuldenregeling : schuldenregeling met toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen;
3° grensoverschrijdende dossiers : dossiers van personen met schuldoverlast waarbij ten minste één buitenlandse schuldeiser optreedt;
4° bezit van onroerende goederen : dossiers van personen met schuldoverlast waarbij er een bezit van onroerende goederen is die op korte of lange termijn wegens de schuldoverlast kunnen worden afgestaan;
5° zelfstandigen : dossiers van personen met schuldoverlast die, als hoofd- of bijberoep, zelfstandig zijn of waren;
6° instelling voor schuldbemiddeling : de inrichtingen of organismen die met toepassing van artikel 3 van het decreet erkend zijn;
7° referentiecentrum : de inrichtingen of organismen die met toepassing van artikel 10bis van het decreet erkend zijn;
8° Minister : de Minister bevoegd inzake schuldbemiddeling.
Voor de toepassing van voorliggend besluit verstaat men onder :
1° decreet : het decreet van 29 april 1996 betreffende de schuldbemiddeling en de afbetaling van schulden;
2° collectieve schuldenregeling : schuldenregeling met toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen;
3° grensoverschrijdende dossiers : dossiers van personen met schuldoverlast waarbij ten minste één buitenlandse schuldeiser optreedt;
4° bezit van onroerende goederen : dossiers van personen met schuldoverlast waarbij er een bezit van onroerende goederen is die op korte of lange termijn wegens de schuldoverlast kunnen worden afgestaan;
5° zelfstandigen : dossiers van personen met schuldoverlast die, als hoofd- of bijberoep, zelfstandig zijn of waren;
6° instelling voor schuldbemiddeling : de inrichtingen of organismen die met toepassing van artikel 3 van het decreet erkend zijn;
7° referentiecentrum : de inrichtingen of organismen die met toepassing van artikel 10bis van het decreet erkend zijn;
8° Minister : de Minister bevoegd inzake schuldbemiddeling.
Art. 2. Définitions.
Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° décret : le décret du 29 avril 1996 concernant la médiation et l'apurement de dettes;
2° règlement collectif de dettes : règlement de dettes en application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis;
3° dossiers internationaux : dossiers de personnes surendettées impliquant au moins un créancier étranger;
4° détention d'immeubles : dossiers de personnes surendettées, où il y a détention d'immeubles pouvant être cédés à court ou à long terme en raison du surendettement;
5° indépendants : dossiers de personnes surendettées qui sont ou étaient indépendantes professionnellement, à titre principal ou accessoire;
6° institution de médiation de dettes : les établissements ou organismes agréés en application de l'article 3 du décret;
7° centre de référence : les établissements ou organismes agréés en application de l'article 10bis du décret;
8° Ministre : le Ministre compétent en matière de médiation de dettes.
Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° décret : le décret du 29 avril 1996 concernant la médiation et l'apurement de dettes;
2° règlement collectif de dettes : règlement de dettes en application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis;
3° dossiers internationaux : dossiers de personnes surendettées impliquant au moins un créancier étranger;
4° détention d'immeubles : dossiers de personnes surendettées, où il y a détention d'immeubles pouvant être cédés à court ou à long terme en raison du surendettement;
5° indépendants : dossiers de personnes surendettées qui sont ou étaient indépendantes professionnellement, à titre principal ou accessoire;
6° institution de médiation de dettes : les établissements ou organismes agréés en application de l'article 3 du décret;
7° centre de référence : les établissements ou organismes agréés en application de l'article 10bis du décret;
8° Ministre : le Ministre compétent en matière de médiation de dettes.
HOOFDSTUK II. - Bevoegdheden inzake schuldbemiddeling.
CHAPITRE II. - Compétences en matière de médiation de dettes.
Art. 3. Opdrachten van de instellingen voor schuldbemiddeling.
§ 1. De instellingen voor schuldbemiddeling die met toepassing van artikel 3 van het decreet erkend zijn, hebben als opdrachten :
1° de eerste algemene raadgeving te verstrekken aan alle personen met schuldoverlast die in het Duitse taalgebied woonachtig zijn;
2° de situatie te onderzoeken. Dit onderzoek omvat ten minste :
1) de bepaling van de maandelijkse ontvangsten en uitgaven;
2) de bepaling van activa en passiva, indien mogelijk met een lijst van alle schuldeisers en hun schuldvorderingen;
3° desgevallend in samenwerking met de in artikel 3, § 3, van het decreet vermeld jurist de wettelijkheid van de schuldvorderingen na te gaan en dit schriftelijk vast te stellen;
4° de eerste gesprekken met schuldeisers te voeren om de mogelijkheid van een afbetalingsplan of andere afbetalingsmogelijkheden te onderzoeken. Is een afbetalingsplan mogelijk, dan onderhandelt de instelling voor schuldbemiddeling resp. haar gemachtigde met de schuldeisers of voert samen met de betrokkene de andere afbetalingsmogelijkheden behalve de collectieve schuldenregeling uit;
5° uitvoerige informatie te verschaffen over de mogelijkheid van een collectieve schuldenregeling.
§ 2. Om de in § 1 van dit artikel vermelde opdrachten te vervullen, kan de instelling voor schuldbemiddeling een overeenkomst sluiten met het referentiecentrum bedoeld in artikel 5 van voorliggend besluit.
§ 3. Indien de instelling voor schuldbemiddeling, na de uitvoering van de in § 1 vermelde opdrachten, in overeenstemming met de betrokkene vaststelt dat het dossier in het kader van de collectieve schuldenregeling verder moet worden behandeld, zendt de instelling voor schuldbemiddeling, in onderlinge overeenstemming met de betrokkene, het dossier over aan het bevoegd referentiecentrum vermeld in artikel 5.
§ 4. Indien de instelling voor schuldbemiddeling in het kader van de eerste algemene raadgeving vaststelt dat het om een dossier bedoeld in artikel 4, 1° tot 3°, gaat, dan wordt de persoon onmiddellijk naar het bevoegd referentiecentrum verwezen.
§ 1. De instellingen voor schuldbemiddeling die met toepassing van artikel 3 van het decreet erkend zijn, hebben als opdrachten :
1° de eerste algemene raadgeving te verstrekken aan alle personen met schuldoverlast die in het Duitse taalgebied woonachtig zijn;
2° de situatie te onderzoeken. Dit onderzoek omvat ten minste :
1) de bepaling van de maandelijkse ontvangsten en uitgaven;
2) de bepaling van activa en passiva, indien mogelijk met een lijst van alle schuldeisers en hun schuldvorderingen;
3° desgevallend in samenwerking met de in artikel 3, § 3, van het decreet vermeld jurist de wettelijkheid van de schuldvorderingen na te gaan en dit schriftelijk vast te stellen;
4° de eerste gesprekken met schuldeisers te voeren om de mogelijkheid van een afbetalingsplan of andere afbetalingsmogelijkheden te onderzoeken. Is een afbetalingsplan mogelijk, dan onderhandelt de instelling voor schuldbemiddeling resp. haar gemachtigde met de schuldeisers of voert samen met de betrokkene de andere afbetalingsmogelijkheden behalve de collectieve schuldenregeling uit;
5° uitvoerige informatie te verschaffen over de mogelijkheid van een collectieve schuldenregeling.
§ 2. Om de in § 1 van dit artikel vermelde opdrachten te vervullen, kan de instelling voor schuldbemiddeling een overeenkomst sluiten met het referentiecentrum bedoeld in artikel 5 van voorliggend besluit.
§ 3. Indien de instelling voor schuldbemiddeling, na de uitvoering van de in § 1 vermelde opdrachten, in overeenstemming met de betrokkene vaststelt dat het dossier in het kader van de collectieve schuldenregeling verder moet worden behandeld, zendt de instelling voor schuldbemiddeling, in onderlinge overeenstemming met de betrokkene, het dossier over aan het bevoegd referentiecentrum vermeld in artikel 5.
§ 4. Indien de instelling voor schuldbemiddeling in het kader van de eerste algemene raadgeving vaststelt dat het om een dossier bedoeld in artikel 4, 1° tot 3°, gaat, dan wordt de persoon onmiddellijk naar het bevoegd referentiecentrum verwezen.
Art. 3. Missions des institutions de médiation de dettes.
§ 1er. Les institutions de médiation de dettes agréées en application de l'article 3 ont pour missions :
1° de dispenser des premiers conseils généraux à toute personne surendettée domiciliée en région de langue allemande;
2° d'analyser la situation. Cette analyse comporte au moins :
1) la détermination des recettes et dépenses mensuelles;
2) la détermination des actifs et passifs, en reprenant si possible tous les créanciers et leurs créances;
3° de vérifier, le cas échéant en coopération avec le juriste visé à l'article 3, § 3, du décret, la légalité des créances et de consigner cela par écrit;
4° de mener les premiers entretiens avec les créanciers afin de voir si un plan de remboursement ou un autre mode d'apurement des dettes est possible. Si un plan de remboursement est possible, l'institution de médiation de dettes ou son délégué mène les négociations avec les créanciers ou met en oeuvre avec les intéressés les autres modes d'apurement des dettes, hormis le règlement collectif de dettes;
5° d'informer de manière détaillée sur la possibilité d'un règlement collectif de dettes.
§ 2. Pour remplir les missions mentionnées au § 1er du présent article, l'institution de médiation de dettes peut conclure une convention avec le centre de référence mentionné à l'article 5.
§ 3. Si après exécution des missions mentionnées au § 1er, l'institution de médiation de dettes constate en accord avec l'intéressé que le suivi de l'acte doit être assuré dans le cadre d'un règlement collectif de dettes, l'institution de médiation de dettes transmet l'acte au centre de référence compétent, en accord avec l'intéressé.
§ 4. Si dans le cadre des premiers conseils généraux l'institution de médiation de dettes constate qu'il s'agit d'un des dossiers mentionnés à l'article 4, 1° à 3°, la personne est immédiatement renvoyée au centre de référence compétent.
§ 1er. Les institutions de médiation de dettes agréées en application de l'article 3 ont pour missions :
1° de dispenser des premiers conseils généraux à toute personne surendettée domiciliée en région de langue allemande;
2° d'analyser la situation. Cette analyse comporte au moins :
1) la détermination des recettes et dépenses mensuelles;
2) la détermination des actifs et passifs, en reprenant si possible tous les créanciers et leurs créances;
3° de vérifier, le cas échéant en coopération avec le juriste visé à l'article 3, § 3, du décret, la légalité des créances et de consigner cela par écrit;
4° de mener les premiers entretiens avec les créanciers afin de voir si un plan de remboursement ou un autre mode d'apurement des dettes est possible. Si un plan de remboursement est possible, l'institution de médiation de dettes ou son délégué mène les négociations avec les créanciers ou met en oeuvre avec les intéressés les autres modes d'apurement des dettes, hormis le règlement collectif de dettes;
5° d'informer de manière détaillée sur la possibilité d'un règlement collectif de dettes.
§ 2. Pour remplir les missions mentionnées au § 1er du présent article, l'institution de médiation de dettes peut conclure une convention avec le centre de référence mentionné à l'article 5.
§ 3. Si après exécution des missions mentionnées au § 1er, l'institution de médiation de dettes constate en accord avec l'intéressé que le suivi de l'acte doit être assuré dans le cadre d'un règlement collectif de dettes, l'institution de médiation de dettes transmet l'acte au centre de référence compétent, en accord avec l'intéressé.
§ 4. Si dans le cadre des premiers conseils généraux l'institution de médiation de dettes constate qu'il s'agit d'un des dossiers mentionnés à l'article 4, 1° à 3°, la personne est immédiatement renvoyée au centre de référence compétent.
Art. 4. Opdrachten van de referentiecentra.
De referentiecentra die met toepassing van artikel 10bis van het decreet erkend zijn, hebben als opdrachten :
1° de schuldbemiddeling bij dossiers van zelfstandigen;
2° de schuldbemiddeling bij dossiers met bezit van onroerende goederen;
3° de schuldbemiddeling bij grensoverschrijdende dossiers;
4° de dossiers m.b.t. de collectieve schuldenregeling;
5° aan de voorkoming van schuldoverlast te werken;
6° vakliteratuur m.b.t. de schuldoverlast te verzamelen en ter beschikking te stellen;
7° op verzoek opleidingsmodules inzake schuldbemiddeling uit te werken en aan te bieden aan de betrokken diensten, organismen, inrichtingen en personen;
8° bijkomende opdrachten te vervullen met toepassing van artikel 3, § 2, van voorliggend besluit of van artikel 5 van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.
De referentiecentra die met toepassing van artikel 10bis van het decreet erkend zijn, hebben als opdrachten :
1° de schuldbemiddeling bij dossiers van zelfstandigen;
2° de schuldbemiddeling bij dossiers met bezit van onroerende goederen;
3° de schuldbemiddeling bij grensoverschrijdende dossiers;
4° de dossiers m.b.t. de collectieve schuldenregeling;
5° aan de voorkoming van schuldoverlast te werken;
6° vakliteratuur m.b.t. de schuldoverlast te verzamelen en ter beschikking te stellen;
7° op verzoek opleidingsmodules inzake schuldbemiddeling uit te werken en aan te bieden aan de betrokken diensten, organismen, inrichtingen en personen;
8° bijkomende opdrachten te vervullen met toepassing van artikel 3, § 2, van voorliggend besluit of van artikel 5 van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.
Art. 4. Missions des centres de référence.
Les centres de référence agréés en application de l'article 10bis du décret ont pour missions :
1° la médiation de dettes dans le cas de dossiers concernant des indépendants;
2° la médiation de dettes dans le cas de dossiers avec possession immobilière;
3° la médiation de dettes dans le cas de dossiers internationaux;
4° les dossiers de règlement collectif de dettes;
5° de travailler à la prévention du surendettement;
6° de rassembler et mettre à disposition de la littérature spécialisée en matière de surendettement;
7° de concevoir, sur demande, des modules d'écolage et de les proposer aux services, organismes, établissements et personnes concernés;
8° d'assurer d'autres missions en application de l'article 3, § 2, du présent arrêté ou de l'article 5 de la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies.
Les centres de référence agréés en application de l'article 10bis du décret ont pour missions :
1° la médiation de dettes dans le cas de dossiers concernant des indépendants;
2° la médiation de dettes dans le cas de dossiers avec possession immobilière;
3° la médiation de dettes dans le cas de dossiers internationaux;
4° les dossiers de règlement collectif de dettes;
5° de travailler à la prévention du surendettement;
6° de rassembler et mettre à disposition de la littérature spécialisée en matière de surendettement;
7° de concevoir, sur demande, des modules d'écolage et de les proposer aux services, organismes, établissements et personnes concernés;
8° d'assurer d'autres missions en application de l'article 3, § 2, du présent arrêté ou de l'article 5 de la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies.
HOOFDSTUK III. - Erkenning van referentiecentra.
CHAPITRE III. - Agréation de centres de référence.
Art. 5. Erkenning.
§ 1. Om erkend te worden moet het referentiecentrum aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° ten minste personeel met de volgende kwalificaties tewerkstellen :
- schuldbemiddelaar die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 2, van het decreet;
- jurist;
- opsteller;
2° in het hele Duitse taalgebied de opdrachten vervullen die vastgelegd zijn in artikel 4 van voorliggend besluit.
§ 2. Naast de in artikel 4 van het decreet vermelde documenten dient de aanvrager de documenten in die noodzakelijk zijn om te bewijzen dat er voldaan wordt aan de in § 1 van dit artikel vermelde voorwaarden.
§ 1. Om erkend te worden moet het referentiecentrum aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° ten minste personeel met de volgende kwalificaties tewerkstellen :
- schuldbemiddelaar die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 2, van het decreet;
- jurist;
- opsteller;
2° in het hele Duitse taalgebied de opdrachten vervullen die vastgelegd zijn in artikel 4 van voorliggend besluit.
§ 2. Naast de in artikel 4 van het decreet vermelde documenten dient de aanvrager de documenten in die noodzakelijk zijn om te bewijzen dat er voldaan wordt aan de in § 1 van dit artikel vermelde voorwaarden.
Art. 5. Agréation.
§ 1er. Pour être agréé, le centre de référence doit remplir les conditions suivantes :
1° employer au moins du personnel possédant les qualifications suivantes :
- médiateur de dettes remplissant les conditions fixées à l'article 3, § 2, du décret;
- juriste;
- rédacteur;
2° remplir les missions fixées à l'article 4 du présent arrêté dans l'ensemble de la région de langue allemande.
§ 2. En plus des documents mentionnés à l'article 4 du décret, le demandeur introduit les documents nécessaires prouvant que les conditions mentionnées au § 1er du présent article sont remplies.
§ 1er. Pour être agréé, le centre de référence doit remplir les conditions suivantes :
1° employer au moins du personnel possédant les qualifications suivantes :
- médiateur de dettes remplissant les conditions fixées à l'article 3, § 2, du décret;
- juriste;
- rédacteur;
2° remplir les missions fixées à l'article 4 du présent arrêté dans l'ensemble de la région de langue allemande.
§ 2. En plus des documents mentionnés à l'article 4 du décret, le demandeur introduit les documents nécessaires prouvant que les conditions mentionnées au § 1er du présent article sont remplies.
Art. 6. Subsidie De subsidie en de modaliteiten terzake worden vastgelegd in het kader van een overeenkomst afgesloten tussen de Regering en het referentiecentrum.
Art. 6. Subside.
Le subside et les modalités y relatives sont fixés dans le cadre d'une convention conclue entre le Gouvernement et le centre de référence.
Le subside et les modalités y relatives sont fixés dans le cadre d'une convention conclue entre le Gouvernement et le centre de référence.
HOOFDSTUK IV. - Erkenning van opleidingsoperateurs.
CHAPITRE IV. - Agréation d'opérateurs de formation.
Art. 7. Voortgezette opleiding.
§ 1. Opdat er voldaan wordt aan de in artikel 3, § 2, van het decreet bepaalde voorwaarden inzake voortgezette opleiding, worden de volgende opleidingsoperateurs erkend :
1° de in artikel 5 vermelde referentiecentra;
2° de Vereniging van de Steden en Gemeenten;
3° het " Observatoire du crédit et de l'endettement ".
§ 2. Opleidingen aangeboden door andere opleidingsoperateurs dan degene vermeld in § 1 moeten door de Minister erkend worden.
§ 3. Met toepassing van artikel 3, § 2, lid 2, van het decreet dienen de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra, ten laatste op 1 april van elk jaar, bij de bevoegde afdeling van het Ministerie het deelnemingsattest in m.b.t. de erkende jaarlijkse voortgezette opleiding van 6 uren, voorgeschreven door het decreet.
§ 1. Opdat er voldaan wordt aan de in artikel 3, § 2, van het decreet bepaalde voorwaarden inzake voortgezette opleiding, worden de volgende opleidingsoperateurs erkend :
1° de in artikel 5 vermelde referentiecentra;
2° de Vereniging van de Steden en Gemeenten;
3° het " Observatoire du crédit et de l'endettement ".
§ 2. Opleidingen aangeboden door andere opleidingsoperateurs dan degene vermeld in § 1 moeten door de Minister erkend worden.
§ 3. Met toepassing van artikel 3, § 2, lid 2, van het decreet dienen de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra, ten laatste op 1 april van elk jaar, bij de bevoegde afdeling van het Ministerie het deelnemingsattest in m.b.t. de erkende jaarlijkse voortgezette opleiding van 6 uren, voorgeschreven door het decreet.
Art. 7. Formation continue.
§ 1er. Afin de remplir les conditions en matière de formation continue fixées à l'article 3, § 2, du décret, les opérateurs de formation suivants sont agréés :
1° les centres de référence mentionnés à l'article 5;
2° l'Union des Villes et communes
3° l'Observatoire du crédit et de l'endettement.
§ 2. Les formations proposées par d'autres opérateurs que ceux repris au § 1er, doivent être agréées par le Ministre.
§ 3. En application de l'article 3, § 2, alinéa 2, du décret, les institutions de médiation de dettes et les centres de référence introduisent auprès de la Division compétente du Ministère, pour le 1er avril de chaque année au plus tard, le certificat de fréquentation de la formation continue annuelle de six heures, prescrite par le décret et agréée.
§ 1er. Afin de remplir les conditions en matière de formation continue fixées à l'article 3, § 2, du décret, les opérateurs de formation suivants sont agréés :
1° les centres de référence mentionnés à l'article 5;
2° l'Union des Villes et communes
3° l'Observatoire du crédit et de l'endettement.
§ 2. Les formations proposées par d'autres opérateurs que ceux repris au § 1er, doivent être agréées par le Ministre.
§ 3. En application de l'article 3, § 2, alinéa 2, du décret, les institutions de médiation de dettes et les centres de référence introduisent auprès de la Division compétente du Ministère, pour le 1er avril de chaque année au plus tard, le certificat de fréquentation de la formation continue annuelle de six heures, prescrite par le décret et agréée.
HOOFDSTUK V. - Controlebepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions en matière de contrôle.
Art. 8. Toezicht.
§ 1. De door de Regering aangewezen beambten van de bevoegde afdeling van het Ministerie houden toezicht op de uitvoering van dit besluit.
Bij de uitoefening van hun opdrachten kunnen de beambten alle onderzoeken, controles en enquêtes uitvoeren die ze nuttig achten en de nodige inlichtingen inwinnen om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van voorliggend besluit in acht worden genomen.
§ 2. Om te kunnen controleren of de in artikel 3 resp. 4 van voorliggend besluit vastgelegde opdrachten vervuld worden, dienen de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra, ten laatste op 1 april van elk jaar, bij de bevoegde afdeling van het Ministerie een omstandig verslag in over de uitvoering van de in artikel 3 resp. 4 van voorliggend besluit vastgelegde opdrachten. Het verslag bevat zowel inhoudelijke als statistische gegevens, overeenkomstig het model opgenomen in de bijlage bij voorliggend besluit.
§ 3. De inrichtende macht van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling en van de erkende referentiecentra schept de voorwaarden die vereist zijn voor de uitvoering van de in § 1 van dit artikel vermelde controles.
§ 1. De door de Regering aangewezen beambten van de bevoegde afdeling van het Ministerie houden toezicht op de uitvoering van dit besluit.
Bij de uitoefening van hun opdrachten kunnen de beambten alle onderzoeken, controles en enquêtes uitvoeren die ze nuttig achten en de nodige inlichtingen inwinnen om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van voorliggend besluit in acht worden genomen.
§ 2. Om te kunnen controleren of de in artikel 3 resp. 4 van voorliggend besluit vastgelegde opdrachten vervuld worden, dienen de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra, ten laatste op 1 april van elk jaar, bij de bevoegde afdeling van het Ministerie een omstandig verslag in over de uitvoering van de in artikel 3 resp. 4 van voorliggend besluit vastgelegde opdrachten. Het verslag bevat zowel inhoudelijke als statistische gegevens, overeenkomstig het model opgenomen in de bijlage bij voorliggend besluit.
§ 3. De inrichtende macht van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling en van de erkende referentiecentra schept de voorwaarden die vereist zijn voor de uitvoering van de in § 1 van dit artikel vermelde controles.
Art. 8. Surveillance.
§ 1er. Les agents de la Division compétente du Ministère désignés par le Gouvernement vérifient l'exécution du présent arrêté.
Dans le cadre de l'exercice de leurs missions, les agents peuvent procéder à tous les examens, contrôles et enquêtes et recueillir tous les renseignements qu'ils jugent utiles pour s'assurer que les dispositions du présent arrêté sont respectées.
§ 2. En vue de vérifier si les missions fixées aux articles 3, respectivement 4, du présent arrêté sont remplies, les institutions de médiation de dettes et les centres de référence introduisent auprès de la Division compétente du Ministère, pour le 1er avril de chaque année au plus tard, un rapport détaillé sur la mise en oeuvre des missions énoncées aux articles 3, respectivement 4, du présent arrêté. Le rapport comporte des données sur le contenu et des données statistiques, conformément au modèle figurant en annexe au présent arrêté.
§ 3. Le pouvoir organisateur des institutions de médiation de dettes et centres de référence agréés crée les conditions nécessaires à la réalisation des contrôles mentionnés au § 1er du présent article.
§ 1er. Les agents de la Division compétente du Ministère désignés par le Gouvernement vérifient l'exécution du présent arrêté.
Dans le cadre de l'exercice de leurs missions, les agents peuvent procéder à tous les examens, contrôles et enquêtes et recueillir tous les renseignements qu'ils jugent utiles pour s'assurer que les dispositions du présent arrêté sont respectées.
§ 2. En vue de vérifier si les missions fixées aux articles 3, respectivement 4, du présent arrêté sont remplies, les institutions de médiation de dettes et les centres de référence introduisent auprès de la Division compétente du Ministère, pour le 1er avril de chaque année au plus tard, un rapport détaillé sur la mise en oeuvre des missions énoncées aux articles 3, respectivement 4, du présent arrêté. Le rapport comporte des données sur le contenu et des données statistiques, conformément au modèle figurant en annexe au présent arrêté.
§ 3. Le pouvoir organisateur des institutions de médiation de dettes et centres de référence agréés crée les conditions nécessaires à la réalisation des contrôles mentionnés au § 1er du présent article.
Art. 9. Intrekking van de erkenning.
§ 1. Als de erkende instellingen voor schuldbemiddeling of het erkend referentiecentrum de vereisten en voorwaarden niet meer vervuld die voor de erkenning opgelegd waren, kan de bevoegde Minister de inrichtende macht een termijn geven om aan de vereisten te voldoen en haar uitnodigen daaromtrent elk document voor te leggen of bijkomende inlichtingen te leveren.
§ 2. Wenst de Minister de erkenning in te trekken, zendt hij de inrichtende macht een met redenen omklede intentieverklaring. De instelling voor schuldbemiddeling of het referentiecentrum beschikt over een termijn van veertien dagen om de Minister haar/zijn standpunt te laten kennen. De Minister beslist binnen veertien dagen na afloop van deze termijn. De beslissing treedt in werking tien dagen na de betekening ervan aan de inrichtende macht.
De intrekking van de erkenning brengt de sluiting van de instelling voor schuldbemiddeling of van het referentiecentrum met zich mee.
§ 1. Als de erkende instellingen voor schuldbemiddeling of het erkend referentiecentrum de vereisten en voorwaarden niet meer vervuld die voor de erkenning opgelegd waren, kan de bevoegde Minister de inrichtende macht een termijn geven om aan de vereisten te voldoen en haar uitnodigen daaromtrent elk document voor te leggen of bijkomende inlichtingen te leveren.
§ 2. Wenst de Minister de erkenning in te trekken, zendt hij de inrichtende macht een met redenen omklede intentieverklaring. De instelling voor schuldbemiddeling of het referentiecentrum beschikt over een termijn van veertien dagen om de Minister haar/zijn standpunt te laten kennen. De Minister beslist binnen veertien dagen na afloop van deze termijn. De beslissing treedt in werking tien dagen na de betekening ervan aan de inrichtende macht.
De intrekking van de erkenning brengt de sluiting van de instelling voor schuldbemiddeling of van het referentiecentrum met zich mee.
Art. 9. Retrait de l'agréation.
§ 1er. Si les institutions de médiation de dettes agréées ou le centre de référence agréé ne remplissent plus les normes et conditions sur lesquelles se fonde l'agréation, le Ministre compétent peut concéder au pouvoir organisateur un délai pour remplir les normes et l'inviter à lui présenter tout document ou lui donner tout renseignement à ce propos.
§ 2. Si le Ministre souhaite retirer l'agréation, il transmet au pouvoir organisateur une déclaration d'intention motivée. L'institution de médiation de dettes ou le centre de référence dispose d'un délai de quinze jours pour faire parvenir son avis au Ministre. Le Ministre décide dans les quinze jours suivant l'échéance de ce délai. La décision entre en vigueur dix jours après sa notification au pouvoir organisateur.
Le retrait de l'agréation entraîne la fermeture de l'institution de médiation de dettes ou du centre de référence.
§ 1er. Si les institutions de médiation de dettes agréées ou le centre de référence agréé ne remplissent plus les normes et conditions sur lesquelles se fonde l'agréation, le Ministre compétent peut concéder au pouvoir organisateur un délai pour remplir les normes et l'inviter à lui présenter tout document ou lui donner tout renseignement à ce propos.
§ 2. Si le Ministre souhaite retirer l'agréation, il transmet au pouvoir organisateur une déclaration d'intention motivée. L'institution de médiation de dettes ou le centre de référence dispose d'un délai de quinze jours pour faire parvenir son avis au Ministre. Le Ministre décide dans les quinze jours suivant l'échéance de ce délai. La décision entre en vigueur dix jours après sa notification au pouvoir organisateur.
Le retrait de l'agréation entraîne la fermeture de l'institution de médiation de dettes ou du centre de référence.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 10. Inwerkingtreding.
Voorliggend besluit treedt in werking de dag waarop het wordt aangenomen, met uitzondering van artikel 6 dat op 1 januari 2005 in werking treedt.
Voorliggend besluit treedt in werking de dag waarop het wordt aangenomen, met uitzondering van artikel 6 dat op 1 januari 2005 in werking treedt.
Art. 10. Entrée en vigueur.
Le présent arrêté entre en vigueur le jour de son adoption, à l'exception de l'article 6, lequel entre en vigueur le 1er janvier 2005.
Le présent arrêté entre en vigueur le jour de son adoption, à l'exception de l'article 6, lequel entre en vigueur le 1er janvier 2005.
Art. 11. Uitvoering.
De Minister bevoegd inzake Sociale Aangelegenheden is belast met de uitvoering van dit besluit.
Eupen, 15 juni 2004.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport,
K.-H. LAMBERTZ
De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden,
H. NIESSEN
De Minister bevoegd inzake Sociale Aangelegenheden is belast met de uitvoering van dit besluit.
Eupen, 15 juni 2004.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport,
K.-H. LAMBERTZ
De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden,
H. NIESSEN
Art. 11. Exécution.
Le Ministre compétent en matière d'Affaires sociales est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Eupen, le 15 juin 2004.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président, Ministre de l'Emploi, de la Politique des Handicapés, des Médias et des Sports,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre de la Jeunesse et de la Famille, de la Protection des Monuments, de la Santé et des Affaires sociales,
H. NIESSEN
Le Ministre compétent en matière d'Affaires sociales est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Eupen, le 15 juin 2004.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président, Ministre de l'Emploi, de la Politique des Handicapés, des Médias et des Sports,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre de la Jeunesse et de la Famille, de la Protection des Monuments, de la Santé et des Affaires sociales,
H. NIESSEN
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Statistische gegevenszameling over de personen met schuldoverlast
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 20-12-2004, p. 84995-84996).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van 15 juni 2004 betreffende de schuldbemiddeling
Eupen, 15 juni 2004.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport,
K.-H. LAMBERTZ
De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden,
H. NIESSEN.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 20-12-2004, p. 84995-84996).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van 15 juni 2004 betreffende de schuldbemiddeling
Eupen, 15 juni 2004.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport,
K.-H. LAMBERTZ
De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden,
H. NIESSEN.
Art. N. Collecte statistique d'informations sur les personnes surendettées.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 20-12-2004, p. 84991-84992).
Vu pour être annexé à l'arrêté du 15 juin 2004 relatif à la médiation de dettes.
Eupen, le 15 juin 2004.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président, Ministre de l'Emploi, de la Politique des Handicapés, des Médias et des Sports,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre de la Jeunesse et de la Famille, de la Protection des Monuments, de la Santé et des Affaires sociales,
H. NIESSEN.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 20-12-2004, p. 84991-84992).
Vu pour être annexé à l'arrêté du 15 juin 2004 relatif à la médiation de dettes.
Eupen, le 15 juin 2004.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président, Ministre de l'Emploi, de la Politique des Handicapés, des Médias et des Sports,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre de la Jeunesse et de la Famille, de la Protection des Monuments, de la Santé et des Affaires sociales,
H. NIESSEN.