Artikel 1. Toepassingsgebied.
Dit decreet is van toepassing op :
1° de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen voor basis-, secundair en hoger onderwijs van het korte type [2 , van de internaten die van deze inrichtingen afhangen en van het deeltijds kunstonderwijs]2 , die hun ambt uitoefenen in het onderwijs met volledig leerplan, in de voortgezette schoolopleiding of in het onderwijs met beperkt leerplan, met inbegrip van de gesubsidieerde personeelsleden die het ambt van leermeester of leraar godsdienst uitoefenen;
2° de inrichtende machten van deze onderwijsinrichtingen, hierna " inrichtende machten " of " inrichtende machten van de onderwijsinrichtingen " genoemd;
3° de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra;
4° de inrichtende machten van deze psycho-medisch-sociale centra, hierna " inrichtende machten " of " inrichtende machten van de PMS-centra " genoemd.
De bepalingen van dit decreet, die uitsluitend voor de godsdienstleerkrachten gelden, zijn op hen maar toepasselijk in de uitoefening van hun ambt van leermeester of leraar godsdienst.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 MAART 2004. - Decreet houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra (VERTALING) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-06-2004 en tekstbijwerking tot 31-10-2025)
Titre
29 MARS 2004. - Décret fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné et des centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-06-2004 et mise à jour au 31-10-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden.
Afdeling 1. - Plichten.
Afdeling 2. - Onverenigbaarheden.
HOOFDSTUK III. - Toegang tot de wervingsambten.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Tijdelijke aanstelling en tijdeli...
Onderafdeling 1. - Algemeenheden.
Onderafdeling 2. [1 - Fase van de instap in het...
Onderafdeling 3. - Beoordelingsstaat.
Onderafdeling 4. - Beëindiging van de tijdelijk...
Afdeling 3. - (Permutatie, vaste benoeming en m...
HOOFDSTUK IV. - Toegang tot de selectieambten.
HOOFDSTUK IVbis. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOO...
HOOFDSTUK IVter. [1 - Bijzondere bepalingen voo...
HOOFDSTUK IVquater. [1 - Bijzondere bepalingen ...
HOOFDSTUK IVquinquies [2 Bijzondere bepalingen...
Art. 56.14. [1 In afwijking van hoofdstuk IV [3...
HOOFDSTUK IVsexies. [1 - Bijzondere bepalingen ...
HOOFDSTUK IVsepties. [1 - Bijzondere bepalingen...
HOOFDSTUK IVocties. [1 - Bijzondere bepalingen ...
HOOFDSTUK IVnovies. [1 Bijzondere bepalingen vo...
HOOFDSTUK IVdecies. [1 Bijzondere bepalingen vo...
HOOFDSTUK IVundecies. [1 - Bijzondere bepalinge...
HOOFDSTUK IVduodecies. [1 - Bijzondere bepaling...
HOOFDSTUK IVterdecies. [1 - Bijzondere bepaling...
HOOFDSTUK IVquaterdecies. [1 Bijzondere bepal...
HOOFDSTUK IVquinquiesdecies. [1 Bijzondere bep...
HOOFDSTUK V. - Toegang tot de bevorderingsambten.
HOOFDSTUK Vbis. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR...
HOOFDSTUK Vter. [1 Bijzondere bepalingen voor i...
HOOFDSTUK VI. - Evaluatieverslag en persoonlijk...
HOOFDSTUK VII. - Overneming van onderwijsinrich...
HOOFDSTUK VIII. - Administratieve standen.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Dienstactiviteit.
Afdeling 3. - Non-activiteit.
Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling.
HOOFDSTUK IX. - Definitieve ambtsneerlegging.
HOOFDSTUK X. - Tuchtregeling.
Afdeling 1. - Tuchtmaatregelen.
Afdeling 2. - Doorhaling van een tuchtstraf.
HOOFDSTUK XI. - Raad van beroep.
HOOFDSTUK XII. - Preventieve schorsing.
HOOFDSTUK XIII. - Paritair comité.
HOOFDSTUK XIV. - Opheffings-, wijzigings-, over...
Table des matières
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Devoirs et incompatibilités.
Section 1re. - Devoirs.
Section 2. - Incompatibilités.
CHAPITRE III. - De l'accès aux fonctions de rec...
Section 1re. - Dispositions générales.
Section 2. - Désignation à titre temporaire et ...
Sous-section 1re. - Généralités.
Sous-section 2. [1 - Phase d'entrée dans la pro...
Sous-section 3. - Bulletin de signalement.
Sous-section 4. - Cessation de la désignation à...
Section 3. - (Permutation, nomination à titre d...
CHAPITRE IV. - De l'accès aux fonctions de séle...
CHAPITRE IVbis. [1 - DISPOSITIONS SPECIALES POU...
CHAPITRE IVter. [1 - Conditions particulières p...
CHAPITRE IVquater. [1 - Dispositions particuliè...
CHAPITRE IVquinquies. [1 Dispositions particuli...
CHAPITRE IVsexies. [1 - Dispositions particuliè...
CHAPITRE IVsepties. [1 - Dispositions particuli...
CHAPITRE IVocties. [1 Dispositions particulière...
CHAPITRE IVnovies. [1 Dispositions particulière...
CHAPITRE IVdecies. [1 Dispositions particulière...
CHAPITRE IVundecies. [1 Dispositions spécifique...
CHAPITRE IVduodecies. [1 - Dispositions spécifi...
CHAPITRE IVterdecies. [1 - Dispositions spécifi...
CHAPITRE IVquaterdecies. [1 Dispositions spécif...
CHAPITRE IVquinquiesdecies. [1 - Dispositions s...
CHAPITRE V. - De l'accès aux fonctions de promo...
CHAPITRE Vbis. [1 - DISPOSITIONS SPECIALES POUR...
CHAPITRE Vter. - [1 Dispositions particulières ...
CHAPITRE VI. - Rapport d'évaluation et dossier ...
CHAPITRE VII. - De la reprise d'établissements ...
CHAPITRE VIII. - Des positions administratives.
Section 1re. - Dispositions générales.
Section 2. - Activité de service.
Section 3. - Non-activité.
Section 4. - Mise en disponibilité.
CHAPITRE IX. - De la cessation définitive des f...
CHAPITRE X. - Du régime disciplinaire.
Section 1re. - Mesures disciplinaires.
Section 2. - Radiation des peines disciplinaires.
CHAPITRE XI. - De la chambre de recours.
CHAPITRE XII. - De la suspension préventive.
CHAPITRE XIII. - Commission paritaire.
CHAPITRE XIV. - Dispositions abrogatoires, modi...
Tekst (233)
Texte (233)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Article 1. Champ d'application.
Le présent décret s'applique :
1° aux membres du personnel subsidié des établissements officiels subventionnés dispensant un enseignement fondamental, secondaire et supérieur de type court [1 et [2 des internats dépendant de ces établissements ainsi que]2 l'enseignement artistique à horaire réduit]1 qui exercent leurs fonctions dans l'enseignement de plein exercice, dans la formation scolaire continuée ou dans l'enseignement à horaire réduit, en ce compris les membres du personnel subsidié qui exercent les fonctions de maître ou professeur de religion;
2° aux pouvoirs organisateurs de ces établissements d'enseignement, ci-après dénommés " pouvoir organisateur " ou " pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement ";
3° aux membres du personnel subsidié des centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés;
4° aux pouvoirs organisateurs de ces centres psycho-médico-sociaux, ci-après dénommés " pouvoir organisateur " ou " pouvoir organisateur des centres P.M.S. ".
Les dispositions du présent décret qui sont spécifiques aux maîtres et professeurs de religion ne leur sont applicables que dans le cadre de l'exercice de leur charge de maître ou professeur de religion.
Le présent décret s'applique :
1° aux membres du personnel subsidié des établissements officiels subventionnés dispensant un enseignement fondamental, secondaire et supérieur de type court [1 et [2 des internats dépendant de ces établissements ainsi que]2 l'enseignement artistique à horaire réduit]1 qui exercent leurs fonctions dans l'enseignement de plein exercice, dans la formation scolaire continuée ou dans l'enseignement à horaire réduit, en ce compris les membres du personnel subsidié qui exercent les fonctions de maître ou professeur de religion;
2° aux pouvoirs organisateurs de ces établissements d'enseignement, ci-après dénommés " pouvoir organisateur " ou " pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement ";
3° aux membres du personnel subsidié des centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés;
4° aux pouvoirs organisateurs de ces centres psycho-médico-sociaux, ci-après dénommés " pouvoir organisateur " ou " pouvoir organisateur des centres P.M.S. ".
Les dispositions du présent décret qui sont spécifiques aux maîtres et professeurs de religion ne leur sont applicables que dans le cadre de l'exercice de leur charge de maître ou professeur de religion.
Art. 2. Bekwaamheidsbewijzen en nuttige ervaring.
§ 1 - Voor de toepassing van dit decreet kunnen de bekwaamheidsbewijzen, bepaald ter uitvoering van artikel 12bis, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en van de artikelen 10 en 17, § 4, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs zowel diploma's, getuigschriften, brevetten, attesten zijn als jaren nuttige ervaring of een algemene wetenschappelijke of beroepsbekendheid.
§ 2 - De nuttige ervaring bestaat in de tijd doorgebracht in een openbare of privé-dienst of -inrichting, in het onderwijs of in een vak of beroep. De Regering bepaalt of de nuttige ervaring bijgedragen heeft tot de opleiding vereist voor het te begeven ambt.
De nuttige ervaring wordt aangetoond volgens de regels bepaald voor het personeel van het gemeenschapsonderwijs.
§ 1 - Voor de toepassing van dit decreet kunnen de bekwaamheidsbewijzen, bepaald ter uitvoering van artikel 12bis, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en van de artikelen 10 en 17, § 4, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs zowel diploma's, getuigschriften, brevetten, attesten zijn als jaren nuttige ervaring of een algemene wetenschappelijke of beroepsbekendheid.
§ 2 - De nuttige ervaring bestaat in de tijd doorgebracht in een openbare of privé-dienst of -inrichting, in het onderwijs of in een vak of beroep. De Regering bepaalt of de nuttige ervaring bijgedragen heeft tot de opleiding vereist voor het te begeven ambt.
De nuttige ervaring wordt aangetoond volgens de regels bepaald voor het personeel van het gemeenschapsonderwijs.
Art. 2. Titres de capacité et expérience utile.
§ 1er - Pour l'application du présent décret, les titres de capacité qui sont déterminés en exécution de l'article 12bis, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement et des articles 10 et 17, § 4, de la loi du 7 juillet 1970 relative à la structure générale de l'enseignement supérieur, peuvent être des diplômes, des certificats, des brevets, des attestations, des années d'expérience utile ou une notoriété professionnelle ou scientifique.
§ 2 - L'expérience utile est constituée par le temps passé, soit dans un service ou un établissement privé ou public, soit dans l'enseignement, soit dans un métier ou une profession. Le Gouvernement décide si l'expérience utile a contribué à assurer la formation requise pour la fonction à conférer.
L'expérience utile est prouvée suivant les règles fixées pour le personnel de l'enseignement communautaire.
§ 1er - Pour l'application du présent décret, les titres de capacité qui sont déterminés en exécution de l'article 12bis, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement et des articles 10 et 17, § 4, de la loi du 7 juillet 1970 relative à la structure générale de l'enseignement supérieur, peuvent être des diplômes, des certificats, des brevets, des attestations, des années d'expérience utile ou une notoriété professionnelle ou scientifique.
§ 2 - L'expérience utile est constituée par le temps passé, soit dans un service ou un établissement privé ou public, soit dans l'enseignement, soit dans un métier ou une profession. Le Gouvernement décide si l'expérience utile a contribué à assurer la formation requise pour la fonction à conférer.
L'expérience utile est prouvée suivant les règles fixées pour le personnel de l'enseignement communautaire.
Art. 3. Definities.
Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder :
1° gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs dat door een publiekrechtelijke rechtspersoon georganiseerd en door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd wordt;
2° vacante betrekking : de door een inrichtende macht opgerichte betrekking die niet is toegewezen aan een bij toepassing van dit decreet vastbenoemd personeelslid, die in aanmerking komt voor de toelagen van de Gemeenschap en waarvoor een weddetoelage is aangevraagd;
3° hoofdambt en bijbetrekking : het ambt resp. de betrekking zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling voor het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en in het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;
4° ambt : één der wervings-, selectie- of bevorderingsambten die door de in artikel 1, lid 1, 1° en 3°, vermelde personeelsleden kunnen worden uitgeoefend.
De ambten die door de personeelsleden bedoeld in artikel 1, lid 1, 1° en 3°, uitgeoefend worden, worden in wervings-, selectie- of bevorderingsambten onderverdeeld, overeenkomstig de rangschikking die in het gemeenschapsonderwijs resp. het PMS-centrum van de Duitstalige Gemeenschap van toepassing is;
5° voltijdse betrekking : een betrekking met volledige prestaties vastgesteld in de jaarlijkse personeelsformatie van een school of PMS-centrum, waarbij de personeelsformatie met het totaal aantal betrekkingen overeenstemt dat voor de verschillende ambten van een school of PMS-centrum op basis van het beschikbaar lestijden- of betrekkingenpakket kunnen worden georganiseerd of gesubsidieerd [1 ;]1
[1 6° "werkdag : de weekdagen van maandag tot vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.]1
Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder :
1° gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs dat door een publiekrechtelijke rechtspersoon georganiseerd en door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd wordt;
2° vacante betrekking : de door een inrichtende macht opgerichte betrekking die niet is toegewezen aan een bij toepassing van dit decreet vastbenoemd personeelslid, die in aanmerking komt voor de toelagen van de Gemeenschap en waarvoor een weddetoelage is aangevraagd;
3° hoofdambt en bijbetrekking : het ambt resp. de betrekking zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling voor het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en in het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;
4° ambt : één der wervings-, selectie- of bevorderingsambten die door de in artikel 1, lid 1, 1° en 3°, vermelde personeelsleden kunnen worden uitgeoefend.
De ambten die door de personeelsleden bedoeld in artikel 1, lid 1, 1° en 3°, uitgeoefend worden, worden in wervings-, selectie- of bevorderingsambten onderverdeeld, overeenkomstig de rangschikking die in het gemeenschapsonderwijs resp. het PMS-centrum van de Duitstalige Gemeenschap van toepassing is;
5° voltijdse betrekking : een betrekking met volledige prestaties vastgesteld in de jaarlijkse personeelsformatie van een school of PMS-centrum, waarbij de personeelsformatie met het totaal aantal betrekkingen overeenstemt dat voor de verschillende ambten van een school of PMS-centrum op basis van het beschikbaar lestijden- of betrekkingenpakket kunnen worden georganiseerd of gesubsidieerd [1 ;]1
[1 6° "werkdag : de weekdagen van maandag tot vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.]1
Modifications
Art. 3. Définitions.
Pour l'application du présent décret on entend par :
1° enseignement officiel subventionné : l'enseignement organisé par une personne morale de droit public et subventionné par la Communauté germanophone;
2° emploi vacant : un emploi créé par le pouvoir organisateur qui n'est pas attribué à un membre du personnel nommé à titre définitif au sens du présent décret, qui est admissible au régime des subventions de la Communauté et pour lequel une demande de subvention-traitement a été introduite;
3° fonction principale et fonction accessoire : la fonction telle que définie dans l'arrêté royal du 15 avril 1958 fixant le statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique et l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture;
4° fonction : une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion qui peuvent être exercées par les membres du personnel visés à l'article 1, alinéa 1, 1° et 3°.
Les fonctions exercées par les membres du personnel visés à l'article 1, alinéa 1, 1° et 3°, sont classées en fonctions de recrutement, de sélection et de promotion conformément au classement applicable dans l'enseignement de la Communauté ou dans le centre P.M.S. de la Communauté germanophone;
5° emploi à temps plein : emploi à horaire complet inscrit au cadre annuel d'une école ou d'un centre P.M.S., le cadre étant le nombre total d'emplois pouvant être organisés ou subventionnés dans les différentes fonctions au sein d'une école ou d'un centre P.M.S. avec le capital périodes ou le capital emplois disponible [1 ;]1
[1 6° jour ouvrable : un jour de la semaine, du lundi au vendredi, à l'exception des jours fériés légaux.]1
Pour l'application du présent décret on entend par :
1° enseignement officiel subventionné : l'enseignement organisé par une personne morale de droit public et subventionné par la Communauté germanophone;
2° emploi vacant : un emploi créé par le pouvoir organisateur qui n'est pas attribué à un membre du personnel nommé à titre définitif au sens du présent décret, qui est admissible au régime des subventions de la Communauté et pour lequel une demande de subvention-traitement a été introduite;
3° fonction principale et fonction accessoire : la fonction telle que définie dans l'arrêté royal du 15 avril 1958 fixant le statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique et l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture;
4° fonction : une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion qui peuvent être exercées par les membres du personnel visés à l'article 1, alinéa 1, 1° et 3°.
Les fonctions exercées par les membres du personnel visés à l'article 1, alinéa 1, 1° et 3°, sont classées en fonctions de recrutement, de sélection et de promotion conformément au classement applicable dans l'enseignement de la Communauté ou dans le centre P.M.S. de la Communauté germanophone;
5° emploi à temps plein : emploi à horaire complet inscrit au cadre annuel d'une école ou d'un centre P.M.S., le cadre étant le nombre total d'emplois pouvant être organisés ou subventionnés dans les différentes fonctions au sein d'une école ou d'un centre P.M.S. avec le capital périodes ou le capital emplois disponible [1 ;]1
[1 6° jour ouvrable : un jour de la semaine, du lundi au vendredi, à l'exception des jours fériés légaux.]1
Modifications
Art. 4. Datum van een aangetekende brief.
Voor de toepassing van dit decreet geldt als datum van de aangetekende brief de datum van de stempel van de post.
Voor de toepassing van dit decreet geldt als datum van de aangetekende brief de datum van de stempel van de post.
Art. 4. Date d'un recommandé.
Pour l'application du présent décret, c'est la date du cachet de la poste apposé sur le recommandé qui vaut date du recommandé.
Pour l'application du présent décret, c'est la date du cachet de la poste apposé sur le recommandé qui vaut date du recommandé.
HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden.
CHAPITRE II. - Devoirs et incompatibilités.
Afdeling 1. - Plichten.
Section 1re. - Devoirs.
Art. 5. Behartiging der belangen.
De personeelsleden van de onderwijsinrichtingen behartigen in de uitoefening van hun ambt steeds de belangen van de onderwijsinrichting waarin zij hun ambt uitoefenen.
De personeelsleden van de PMS-centra behartigen steeds de belangen van het PMS-centrum waarin zij hun ambt uitoefenen en van de personen die zich bij het PMS-centrum laten adviseren.
De personeelsleden van de onderwijsinrichtingen behartigen in de uitoefening van hun ambt steeds de belangen van de onderwijsinrichting waarin zij hun ambt uitoefenen.
De personeelsleden van de PMS-centra behartigen steeds de belangen van het PMS-centrum waarin zij hun ambt uitoefenen en van de personen die zich bij het PMS-centrum laten adviseren.
Art. 5. Défense des intérêts.
Les membres du personnel des établissements d'enseignement défendent toujours, dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions, les intérêts de l'établissement d'enseignement où ils sont occupés.
Les membres du personnel des centres P.M.S. défendent toujours les intérêts du centre P.M.S. où ils sont occupés et des personnes qui y demandent conseil.
Les membres du personnel des établissements d'enseignement défendent toujours, dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions, les intérêts de l'établissement d'enseignement où ils sont occupés.
Les membres du personnel des centres P.M.S. défendent toujours les intérêts du centre P.M.S. où ils sont occupés et des personnes qui y demandent conseil.
Art. 6. Vervulling van de opgelegde verplichtingen.
In de uitoefening van hun ambt vervullen de personeelsleden persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen, hun opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en reglementen en door de aanstellings- of benoemingsakte.
In de uitoefening van hun ambt vervullen de personeelsleden persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen, hun opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en reglementen en door de aanstellings- of benoemingsakte.
Art. 6. Respect des obligations.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les membres du personnel accomplissent personnellement et consciencieusement les obligations qui leur sont imposées par les lois, décrets, arrêtés et règlements et par l'acte de désignation ou de nomination.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les membres du personnel accomplissent personnellement et consciencieusement les obligations qui leur sont imposées par les lois, décrets, arrêtés et règlements et par l'acte de désignation ou de nomination.
Art. 7. Correct gedrag.
De personeelsleden zijn ertoe gehouden zich zowel in hun dienstbetrekkingen als in de omgang met het publiek, het schoolpersoneel, de leerlingen en de ouders van leerlingen met de meest volstrekte correctheid te gedragen. Ze helpen elkaar in de mate dat het belang van de onderwijsinrichting of van het PMS-centrum zulks vereist; zij vermijden alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt.
De personeelsleden zijn ertoe gehouden zich zowel in hun dienstbetrekkingen als in de omgang met het publiek, het schoolpersoneel, de leerlingen en de ouders van leerlingen met de meest volstrekte correctheid te gedragen. Ze helpen elkaar in de mate dat het belang van de onderwijsinrichting of van het PMS-centrum zulks vereist; zij vermijden alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt.
Art. 7. Comportement approprié.
Les membres du personnel sont tenus à la correction la plus stricte tant dans leurs rapports de service que dans leurs rapports avec le public, le personnel scolaire, les élèves et les parents d'élèves. Ils s'entraident dans la mesure où l'exige l'intérêt de l'établissement d'enseignement ou du centre P.M.S. et évitent tout ce qui pourrait compromettre l'honneur ou la dignité de leur fonction.
Les membres du personnel sont tenus à la correction la plus stricte tant dans leurs rapports de service que dans leurs rapports avec le public, le personnel scolaire, les élèves et les parents d'élèves. Ils s'entraident dans la mesure où l'exige l'intérêt de l'établissement d'enseignement ou du centre P.M.S. et évitent tout ce qui pourrait compromettre l'honneur ou la dignité de leur fonction.
Art. 8. Propagandaverbod.
De personeelsleden mogen de leerlingen noch voor politieke, noch voor godsdienstige, filosofische, ideologische of commerciële propaganda gebruiken; ze mogen hen ook niet aan zulke propaganda blootstellen.
De personeelsleden mogen de leerlingen noch voor politieke, noch voor godsdienstige, filosofische, ideologische of commerciële propaganda gebruiken; ze mogen hen ook niet aan zulke propaganda blootstellen.
Art. 8. Interdiction de propagande.
Les membres du personnel ne peuvent utiliser les élèves à des fins de propagande politique, religieuse, philosophique, idéologique et commerciale ni les exposer à une telle propagande.
Les membres du personnel ne peuvent utiliser les élèves à des fins de propagande politique, religieuse, philosophique, idéologique et commerciale ni les exposer à une telle propagande.
Art. 9. Vereiste prestaties.
Binnen de perken vastgelegd door de wettelijke en reglementaire bepalingen en de verplichtingen voortvloeiend uit de aanstellings- of benoemingsakte, verstrekken de personeelsleden de prestaties die noodzakelijk zijn voor de goede gang van de onderwijsinrichtingen of PMS-centra waar zij hun ambt uitoefenen.
Zij mogen de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande machtiging van de inrichtende macht of van de vertegenwoordiger ervan.
Binnen de perken vastgelegd door de wettelijke en reglementaire bepalingen en de verplichtingen voortvloeiend uit de aanstellings- of benoemingsakte, verstrekken de personeelsleden de prestaties die noodzakelijk zijn voor de goede gang van de onderwijsinrichtingen of PMS-centra waar zij hun ambt uitoefenen.
Zij mogen de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande machtiging van de inrichtende macht of van de vertegenwoordiger ervan.
Art. 9. Prestations requises.
Les membres du personnel fournissent, dans les limites fixées par les dispositions légales et réglementaires et par les obligations résultant de l'acte de désignation ou de nomination, les prestations nécessaires à une bonne marche des établissements d'enseignement ou des centres P.M.S. où ils exercent leurs fonctions.
Ils ne peuvent suspendre l'exercice de leurs fonctions sans autorisation préalable du pouvoir organisateur ou de son représentant.
Les membres du personnel fournissent, dans les limites fixées par les dispositions légales et réglementaires et par les obligations résultant de l'acte de désignation ou de nomination, les prestations nécessaires à une bonne marche des établissements d'enseignement ou des centres P.M.S. où ils exercent leurs fonctions.
Ils ne peuvent suspendre l'exercice de leurs fonctions sans autorisation préalable du pouvoir organisateur ou de son représentant.
Art. 10. Verbod om feiten met een vertrouwelijk karakter te onthullen.
De personeelsleden mogen de feiten niet onthullen die een vertrouwelijk karakter hebben en waarvan zij op grond van hun ambt kennis hebben gekregen.
De personeelsleden mogen de feiten niet onthullen die een vertrouwelijk karakter hebben en waarvan zij op grond van hun ambt kennis hebben gekregen.
Art. 10. Interdiction de révéler des faits à caractère confidentiel.
Les membres du personnel ne peuvent révéler les faits à caractère confidentiel dont ils auraient eu connaissance en raison de leurs fonctions.
Les membres du personnel ne peuvent révéler les faits à caractère confidentiel dont ils auraient eu connaissance en raison de leurs fonctions.
Art. 11. Verbod om geschenken en voordelen te eisen of aan te nemen.
De personeelsleden mogen noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, omwille van hun ambt, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel vragen, eisen of aannemen, zelfs als het buiten hun ambt geschiedt, indien de personeelsleden erdoor kunnen worden beïnvloed in de uitoefening van hun ambt overeenkomstig de voorliggende bepalingen.
De personeelsleden mogen noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, omwille van hun ambt, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel vragen, eisen of aannemen, zelfs als het buiten hun ambt geschiedt, indien de personeelsleden erdoor kunnen worden beïnvloed in de uitoefening van hun ambt overeenkomstig de voorliggende bepalingen.
Art. 11. Interdiction d'exiger et d'accepter des cadeaux et avantages.
Les membres du personnel ne peuvent solliciter, exiger ou accepter directement ou par personne interposée, en raison de leurs fonctions, des dons, cadeaux, gratifications ou avantages quelconques, même en dehors de leurs fonctions, dans la mesure où ceux-ci peuvent influencer les membres du personnel dans l'exercice de leurs fonctions conformément aux présentes dispositions.
Les membres du personnel ne peuvent solliciter, exiger ou accepter directement ou par personne interposée, en raison de leurs fonctions, des dons, cadeaux, gratifications ou avantages quelconques, même en dehors de leurs fonctions, dans la mesure où ceux-ci peuvent influencer les membres du personnel dans l'exercice de leurs fonctions conformément aux présentes dispositions.
Art. 12. Inachtneming van specifieke verplichtingen.
De personeelsleden moeten in de uitoefening van hun ambt de in de aanstellings- of benoemingsakte schriftelijk vastgelegde verplichtingen in acht nemen, die voortvloeien uit de specifieke aard van het educatief project van de inrichtende macht van de onderwijsinrichting.
In de uitoefening van hun ambt leven de godsdienstleerkrachten daarenboven de schriftelijk vastgelegde verplichtingen na die specifiek zijn voor de cursussen godsdienst.
De personeelsleden moeten in de uitoefening van hun ambt de in de aanstellings- of benoemingsakte schriftelijk vastgelegde verplichtingen in acht nemen, die voortvloeien uit de specifieke aard van het educatief project van de inrichtende macht van de onderwijsinrichting.
In de uitoefening van hun ambt leven de godsdienstleerkrachten daarenboven de schriftelijk vastgelegde verplichtingen na die specifiek zijn voor de cursussen godsdienst.
Art. 12. Respect d'obligations spécifiques.
Les membres du personnel respectent, dans l'exercice de leurs fonctions, les obligations fixées par écrit dans l'acte de désignation ou de nomination qui découlent du caractère spécifique du projet éducatif du pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les maîtres et professeurs de religion respectent en outre les obligations fixées par écrit, spécifiques au cours de religion.
Les membres du personnel respectent, dans l'exercice de leurs fonctions, les obligations fixées par écrit dans l'acte de désignation ou de nomination qui découlent du caractère spécifique du projet éducatif du pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les maîtres et professeurs de religion respectent en outre les obligations fixées par écrit, spécifiques au cours de religion.
Afdeling 2. - Onverenigbaarheden.
Section 2. - Incompatibilités.
Art. 13. Onverenigbare bezigheden.
Elke bezigheid die afbreuk zou kunnen doen aan het vervullen van de ambtsplichten of strijdig zou zijn met de waardigheid van het ambt is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een gesubsidieerde officiële onderwijsinrichting of van een gesubsidieerd officieel PMS-centrum.
Elke bezigheid die afbreuk zou kunnen doen aan het vervullen van de ambtsplichten of strijdig zou zijn met de waardigheid van het ambt is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een gesubsidieerde officiële onderwijsinrichting of van een gesubsidieerd officieel PMS-centrum.
Art. 13. Occupations incompatibles.
Est incompatible avec la qualité de membre du personnel d'un établissement de l'enseignement officiel subventionné ou d'un centre P.M.S. officiel subventionné toute occupation qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de sa fonction ou contraire à la dignité de celle-ci.
Est incompatible avec la qualité de membre du personnel d'un établissement de l'enseignement officiel subventionné ou d'un centre P.M.S. officiel subventionné toute occupation qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de sa fonction ou contraire à la dignité de celle-ci.
Art. 14. Onverenigbare bezigheden ter wille van het educatief project.
Elke bezigheid die afbreuk zou kunnen doen aan de uitoefening van de bijzondere plichten voortvloeiend uit de specifieke aard van het educatief project van de inrichtende macht van de onderwijsinrichting en, indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, uit de specificiteit gebonden aan dit ambt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van deze onderwijsinrichting.
Deze onverenigbaarheden worden in de aanstellings- of benoemingsakte schriftelijk vastgelegd.
Elke bezigheid die afbreuk zou kunnen doen aan de uitoefening van de bijzondere plichten voortvloeiend uit de specifieke aard van het educatief project van de inrichtende macht van de onderwijsinrichting en, indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, uit de specificiteit gebonden aan dit ambt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van deze onderwijsinrichting.
Deze onverenigbaarheden worden in de aanstellings- of benoemingsakte schriftelijk vastgelegd.
Art. 14. Occupations incompatibles au sens du projet éducatif.
Est incompatible avec la qualité de membre du personnel d'un établissement d'enseignement toute occupation qui serait de nature à nuire à l'exercice des devoirs particuliers découlant du caractère spécifique du projet éducatif du pouvoir organisateur et, s'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, du caractère spécifique de cette fonction.
Ces incompatibilités sont consignées dans l'acte de désignation ou de nomination.
Est incompatible avec la qualité de membre du personnel d'un établissement d'enseignement toute occupation qui serait de nature à nuire à l'exercice des devoirs particuliers découlant du caractère spécifique du projet éducatif du pouvoir organisateur et, s'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, du caractère spécifique de cette fonction.
Ces incompatibilités sont consignées dans l'acte de désignation ou de nomination.
Art. 15. Advies van het paritair comité.
Wordt het bestaan van één der in artikel 13 of 14 bedoelde onverenigbaarheden betwist, dan kan de inrichtende macht of het personeelslid het advies van het paritair comité per aangetekende brief aanvragen.
Een afschrift van de aangetekende brief wordt tegelijk en eveneens per aangetekende brief aan de inrichtende macht of aan het personeelslid overgemaakt.
Binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag brengt het paritair comité zijn advies uit.
Wordt het bestaan van één der in artikel 13 of 14 bedoelde onverenigbaarheden betwist, dan kan de inrichtende macht of het personeelslid het advies van het paritair comité per aangetekende brief aanvragen.
Een afschrift van de aangetekende brief wordt tegelijk en eveneens per aangetekende brief aan de inrichtende macht of aan het personeelslid overgemaakt.
Binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag brengt het paritair comité zijn advies uit.
Art. 15. Avis de la Commission paritaire.
En cas de contestation quant à l'existence d'une des incompatibilités mentionnées aux articles 13 ou 14, le pouvoir organisateur ou le membre du personnel peut, par recommandé, demander l'avis de la Commission paritaire.
Une copie du recommandé est transmise simultanément et également par recommandé au pouvoir organisateur ou au membre du personnel.
La Commission paritaire émet son avis dans les trente jours de la réception de la demande.
En cas de contestation quant à l'existence d'une des incompatibilités mentionnées aux articles 13 ou 14, le pouvoir organisateur ou le membre du personnel peut, par recommandé, demander l'avis de la Commission paritaire.
Une copie du recommandé est transmise simultanément et également par recommandé au pouvoir organisateur ou au membre du personnel.
La Commission paritaire émet son avis dans les trente jours de la réception de la demande.
Art. 16. Afdanking ter gevolge van een onverenigbaarheid en beroepsmogelijkheid.
De inrichtende macht die vaststelt dat een lid van zijn personeel doorlopend een bezigheid uitoefent die volgens artikel 13 met zijn ambt in het onderwijs of bij een PMS-centrum of volgens artikel 14 met de specifieke aard van het educatief project van de onderwijsinrichting of van de cursussen godsdienst onverenigbaar is, betekent het aan het personeelslid alsmede de gevolgen ervan per aangetekende brief na hem gehoord te hebben; die aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Werd met toepassing van artikel 15 een advies bij het paritair comité aangevraagd, dan mag de in lid 1 bedoelde aangetekende brief ten vroegste op de eerste werkdag na ontvangst van dit advies gezonden worden.
Behalve in geval van zware schuld kan zich het personeelslid tegen een afdanking beveiligen door te bewijzen dat het de bezigheid niet meer uitoefent die hem wordt verweten.
Behoudens toepassing van het voorafgaande lid heeft de kennisgeving tot gevolg dat het personeelslid afgedankt wordt, behalve indien het binnen 10 dagen een beroep bij de raad van beroep aantekent.
Het personeelslid dat een beroep aantekent, blijft in dienstactiviteit. De inrichtende macht beslist binnen 30 dagen na ontvangst van het advies of hij het personeelslid al dan niet afdankt. De afdanking wordt per aangetekende brief betekend. De aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
De inrichtende macht die vaststelt dat een lid van zijn personeel doorlopend een bezigheid uitoefent die volgens artikel 13 met zijn ambt in het onderwijs of bij een PMS-centrum of volgens artikel 14 met de specifieke aard van het educatief project van de onderwijsinrichting of van de cursussen godsdienst onverenigbaar is, betekent het aan het personeelslid alsmede de gevolgen ervan per aangetekende brief na hem gehoord te hebben; die aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Werd met toepassing van artikel 15 een advies bij het paritair comité aangevraagd, dan mag de in lid 1 bedoelde aangetekende brief ten vroegste op de eerste werkdag na ontvangst van dit advies gezonden worden.
Behalve in geval van zware schuld kan zich het personeelslid tegen een afdanking beveiligen door te bewijzen dat het de bezigheid niet meer uitoefent die hem wordt verweten.
Behoudens toepassing van het voorafgaande lid heeft de kennisgeving tot gevolg dat het personeelslid afgedankt wordt, behalve indien het binnen 10 dagen een beroep bij de raad van beroep aantekent.
Het personeelslid dat een beroep aantekent, blijft in dienstactiviteit. De inrichtende macht beslist binnen 30 dagen na ontvangst van het advies of hij het personeelslid al dan niet afdankt. De afdanking wordt per aangetekende brief betekend. De aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Art. 16. Licenciement en raison d'une incompatibilité et possibilité de recours.
Le pouvoir organisateur qui constate qu'un membre de son personnel se livre de façon continue à une occupation qui est, au sens de l'article 13, incompatible avec sa fonction dans l'enseignement ou auprès du centre P.M.S. ou qui est, au sens de l'article 14, incompatible avec le caractère spécifique du projet éducatif de l'établissement d'enseignement ou du cours de religion, le lui notifie - après l'avoir entendu - par lettre recommandée à la poste en précisant les conséquences. Ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Lorsqu'un avis a été demandé à la Commission paritaire en application de l'article 15, le recommandé visé au premier alinéa peut être envoyé au plus tôt le premier jour ouvrable suivant la réception de cet avis.
Le membre du personnel peut, sauf en cas de faute grave, se prémunir contre tout risque de licenciement en établissant qu'il n'exerce plus l'occupation qui lui était reprochée.
Sous réserve de l'application de l'alinéa précédent, la notification entraîne le licenciement du membre du personnel sauf si, dans les 10 jours, il introduit par recommandé un recours auprès de la Chambre de recours.
Le membre du personnel qui introduit un recours reste en activité de service. Le pouvoir organisateur décide, dans les trente jours de la réception de l'avis, s'il procède au licenciement. Le licenciement est notifié par recommandé. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Le pouvoir organisateur qui constate qu'un membre de son personnel se livre de façon continue à une occupation qui est, au sens de l'article 13, incompatible avec sa fonction dans l'enseignement ou auprès du centre P.M.S. ou qui est, au sens de l'article 14, incompatible avec le caractère spécifique du projet éducatif de l'établissement d'enseignement ou du cours de religion, le lui notifie - après l'avoir entendu - par lettre recommandée à la poste en précisant les conséquences. Ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Lorsqu'un avis a été demandé à la Commission paritaire en application de l'article 15, le recommandé visé au premier alinéa peut être envoyé au plus tôt le premier jour ouvrable suivant la réception de cet avis.
Le membre du personnel peut, sauf en cas de faute grave, se prémunir contre tout risque de licenciement en établissant qu'il n'exerce plus l'occupation qui lui était reprochée.
Sous réserve de l'application de l'alinéa précédent, la notification entraîne le licenciement du membre du personnel sauf si, dans les 10 jours, il introduit par recommandé un recours auprès de la Chambre de recours.
Le membre du personnel qui introduit un recours reste en activité de service. Le pouvoir organisateur décide, dans les trente jours de la réception de l'avis, s'il procède au licenciement. Le licenciement est notifié par recommandé. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
HOOFDSTUK III. - Toegang tot de wervingsambten.
CHAPITRE III. - De l'accès aux fonctions de recrutement.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. 17. Princiep. De wervingsambten kunnen door tijdelijk aangestelde of vastbenoemde personeelsleden uitgeoefend worden.
Art. 17. Principe. Les fonctions de recrutement peuvent être exercées par les membres du personnel désignés à titre temporaire ou nommés à titre définitif.
Art. 18. Eedaflegging.
Bij de eerste indiensttreding legt het [1 personeelslid ten overstaan van de inrichtende macht of ten overstaan van een door de inrichtende macht aangewezen vertegenwoordiger]1 een eed af in de termen vastgesteld in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie.
[1 ...]1
Bij de eerste indiensttreding legt het [1 personeelslid ten overstaan van de inrichtende macht of ten overstaan van een door de inrichtende macht aangewezen vertegenwoordiger]1 een eed af in de termen vastgesteld in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie.
[1 ...]1
Modifications
Art. 18. Prestation de serment.
Lors de la première entrée en fonction, le membre du personnel prête serment [1 , devant le pouvoir organisateur ou un représentant désigné par lui,]1 dans les termes de l'article 2 du décret du 20 juillet 1831 concernant le serment à la mise en vigueur de la monarchie constitutionnelle représentative.
[1 ...]1
Lors de la première entrée en fonction, le membre du personnel prête serment [1 , devant le pouvoir organisateur ou un représentant désigné par lui,]1 dans les termes de l'article 2 du décret du 20 juillet 1831 concernant le serment à la mise en vigueur de la monarchie constitutionnelle représentative.
[1 ...]1
Modifications
Afdeling 2. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijk personeel.
Section 2. - Désignation à titre temporaire et personnel temporaire.
Onderafdeling 1. - Algemeenheden.
Sous-section 1re. - Généralités.
Art. 19. Definities.
Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder :
1° inrichtende macht van een onderwijsinrichting van de gemeente of van een door een gemeente georganiseerd PMS-centrum, het college van burgemeester en schepenen van deze gemeente;
2° inrichtende macht van een onderwijsinrichting van de provincie of van een door de provincie georganiseerd PMS-centrum, de bestendige deputatie van de provincieraad;
3° inrichtende macht van een onderwijsinrichting of van een PMS-centrum, die/dat van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn afhangen, de raad van deze inrichtingen;
4° inrichtende macht van een onderwijsinrichting of van een PMS-centrum, die/dat van intercommunale verenigingen afhangen, de beheerraad van deze inrichtingen.
De tijdelijke aanstellingen voorgenomen door een college van burgemeester en schepenen worden binnen een termijn van drie maanden aan de gemeenteraden ter goedkeuring voorgelegd.
Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder :
1° inrichtende macht van een onderwijsinrichting van de gemeente of van een door een gemeente georganiseerd PMS-centrum, het college van burgemeester en schepenen van deze gemeente;
2° inrichtende macht van een onderwijsinrichting van de provincie of van een door de provincie georganiseerd PMS-centrum, de bestendige deputatie van de provincieraad;
3° inrichtende macht van een onderwijsinrichting of van een PMS-centrum, die/dat van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn afhangen, de raad van deze inrichtingen;
4° inrichtende macht van een onderwijsinrichting of van een PMS-centrum, die/dat van intercommunale verenigingen afhangen, de beheerraad van deze inrichtingen.
De tijdelijke aanstellingen voorgenomen door een college van burgemeester en schepenen worden binnen een termijn van drie maanden aan de gemeenteraden ter goedkeuring voorgelegd.
Art. 19. Définitions.
Pour l'application de la présente section on entend par :
1° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement de la commune ou d'un centre P.M.S. organisé par une commune, le collège échevinal de cette commune;
2° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement de la Province ou d'un centre P.M.S. organisé par la Province, la Députation permanente du Conseil provincial;
3° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement ou d'un centre P.M.S. dépendant des centres publics d'aide sociale, le conseil de ces établissements;
4° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement ou d'un centre P.M.S. dépendant d'associations intercommunales à but déterminé, le conseil d'administration de ces établissements.
Les désignations à titre temporaire que décide un collège échevinal sont soumises à l'approbation du conseil communal dans un délai de trois mois.
Pour l'application de la présente section on entend par :
1° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement de la commune ou d'un centre P.M.S. organisé par une commune, le collège échevinal de cette commune;
2° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement de la Province ou d'un centre P.M.S. organisé par la Province, la Députation permanente du Conseil provincial;
3° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement ou d'un centre P.M.S. dépendant des centres publics d'aide sociale, le conseil de ces établissements;
4° pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement ou d'un centre P.M.S. dépendant d'associations intercommunales à but déterminé, le conseil d'administration de ces établissements.
Les désignations à titre temporaire que décide un collège échevinal sont soumises à l'approbation du conseil communal dans un délai de trois mois.
Art. 20. Voorwaarden m.b.t. de aanstellingen.
§ 1. Niemand mag door de inrichtende macht van een onderwijsinrichting of die van een PMS-centrum in een wervingsambt tijdelijk aangesteld worden wanneer hij op het ogenblik van de aanstelling niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [1 één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;]1
2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;
3° de politieke en burgerlijke rechten genieten;
4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;
5° [1 houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking [4 ...]4 hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) [7 de drie afwijkingen hebben binnen een periode van hoogstens vijf opeenvolgende schooljaren plaatsgevonden;]7
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) [4 als het om een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel gaat, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs dat beantwoordt aan de wezenlijke elementen vermeld in het decreet van 25 oktober 2010 houdende pedagogische en administratieve vernieuwingen in het onderwijs en dat door de Regering als gelijkwaardig wordt erkend;]4 ]1
[2 e) indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een gespecialiseerde school gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 10 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]2
[8 f) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in het lager of secundair onderwijs bekleedt, beschikt dit personeelslid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 15 ECTS-punten in de niet-confessionele zedenleer dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]8
[9 g) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leermeester taalklassen of taalcursussen of het ambt van leraar taalklassen bekleedt, beschikt dit personeelslid over de diploma's vermeld in artikel 7, 9°, met uitzondering van de bepaling onder 9.1, of artikel 9quater, met uitzondering van 1°, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;]9
[10 i) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van [16 kleuterschoolassistent of assistent in een gespecialiseerde basisschool]16 bekleedt, beschikt dit personeelslid over een bewijs van een voortgezette opleiding 'kinderopvang' van ten minste 120 uren die door de Regering wordt erkend;]10
6° bij de indiensttreding een geneeskundige verklaring afgeven die van minder dan zes maanden gedagtekend is en waaruit blijkt dat de kandidaat in zulke gezondheidstoestand verkeert dat hij die van de leerlingen en van de andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen;
7° [3 voldoen aan de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]3
[4 Bij de afwijking vermeld in het eerste lid, 5°, gaat het om de aanstelling resp. aanwijzing van een personeelslid volgens één van de volgende bepalingen :
1° artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut [11 van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs]11;
2° artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlite, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap;
3° artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra;
4° artikel 33bis, tweede en derde lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum;
5° artikel 20bis, tweede en derde lid, van dit decreet.]4
[17 Onverminderd het eerste lid, 5°, a) en b), kunnen voor een personeelslid dat nog niet de noodzakelijke drie afwijkingen voor het toe te wijzen ambt heeft doorlopen, ook volgende betrekkingen als eerste en tweede afwijking in aanmerking worden genomen:
1° een betrekking als gesubsidieerde contractueel in het toe te wijzen ambt in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;
2° een bezoldigde betrekking in een arbeidsverhouding buiten de Duitstalige Gemeenschap in een ambt dat vergelijkbaar is met het toe te wijzen ambt en dat zich binnen hetzelfde onderwijsniveau bevindt in een onderwijsinstelling die door een lidstaat van de Europese Unie of een territoriale entiteit van een lidstaat van de Europese Unie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend is of in een instelling voor de opvang van kinderen op kleuterschoolleeftijd die inhoudelijk overeenstemt met een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde kleuterschool en die door een lidstaat van de Europese Unie of een territoriale entiteit van een lidstaat van de Europese Unie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend is, voor zover een door het onderwijsbestuur afgegeven erkenning van die betrekking als afwijking voorhanden is. Voor de erkenning van de betrekking als afwijking dient het personeelslid bij het onderwijsbestuur een gedateerde en ondertekende aanvraag in vergezeld van de nodige dienstattesten waaruit het volgende blijkt: begin- en einddatum van de betrekking, bekleed ambt, onderwijsniveau of leeftijdsgroep waarvoor het personeelslid heeft gewerkt.]17
De godsdienstleerkrachten worden door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting tijdelijk aangesteld op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat. Ze worden eveneens door de inrichtende macht van hun ambt van leermeester of leraar godsdienst ontlast op voordracht of met de toestemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat.
[1 Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]1
[[5 In afwijking van het eerste lid, 5°, mogen alleen personen die op het ogenblik van de aanstelling houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, tijdelijk aangesteld worden [7 in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek,]7 in het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs, in het ambt van school- en leerbegeleider voor bevorderingspedagogiek en in het ambt van psychosociaal begeleider.]5 [12 [14 Bij gebrek aan een kandidaat die houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs, kunnen in dat ambt personen worden aangeworven die houder zijn van het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs, een graduaat/bachelor resp. een licentie/master in de logopedie of, als de pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften uitsluitend bevoegd is voor het kleuteronderwijs of voor de eerste graad van het lager onderwijs, die houder zijn van het diploma van kleuteronderwijzer, telkens aangevuld met twee jaar nuttige beroepservaring in een ambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel resp. in het geval van de logopedisten telkens aangevuld met twee jaar nuttige beroepservaring [15 ...]15, waarbij deeltijdse prestaties in verhouding tot een voltijdse betrekking worden aangerekend, en die op het tijdstip van de aanstelling reeds ingeschreven zijn voor een aanvullende opleiding van ten minste 15 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie.]14. Als bewijs dient een inschrijvingsbevestiging die is afgegeven door de onderwijsinstelling waar de aanvullende opleiding gevolgd wordt. De aanstelling in dat ambt eindigt van ambtswege na afloop van twee jaar, als het betrokken personeelslid de aanvullende opleiding niet binnen die termijn van twee jaar met succes heeft voltooid]12.]5
[6 Personeelsleden die in het lager onderwijs het ambt van leermeester eerste vreemde taal bekleden, maar niet het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs voor dat ambt hebben, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, a), b) en c), als ze reeds voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, voor het ambt van onderwijzer voor het lager onderwijs.]6
[10 [13 ...]13]10
§ 2. De inrichtende macht mag een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen indien de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie in acht wordt genomen.
§ 1. Niemand mag door de inrichtende macht van een onderwijsinrichting of die van een PMS-centrum in een wervingsambt tijdelijk aangesteld worden wanneer hij op het ogenblik van de aanstelling niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [1 één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;]1
2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;
3° de politieke en burgerlijke rechten genieten;
4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;
5° [1 houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking [4 ...]4 hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) [7 de drie afwijkingen hebben binnen een periode van hoogstens vijf opeenvolgende schooljaren plaatsgevonden;]7
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) [4 als het om een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel gaat, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs dat beantwoordt aan de wezenlijke elementen vermeld in het decreet van 25 oktober 2010 houdende pedagogische en administratieve vernieuwingen in het onderwijs en dat door de Regering als gelijkwaardig wordt erkend;]4 ]1
[2 e) indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een gespecialiseerde school gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 10 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]2
[8 f) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in het lager of secundair onderwijs bekleedt, beschikt dit personeelslid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 15 ECTS-punten in de niet-confessionele zedenleer dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]8
[9 g) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leermeester taalklassen of taalcursussen of het ambt van leraar taalklassen bekleedt, beschikt dit personeelslid over de diploma's vermeld in artikel 7, 9°, met uitzondering van de bepaling onder 9.1, of artikel 9quater, met uitzondering van 1°, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;]9
[10 i) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van [16 kleuterschoolassistent of assistent in een gespecialiseerde basisschool]16 bekleedt, beschikt dit personeelslid over een bewijs van een voortgezette opleiding 'kinderopvang' van ten minste 120 uren die door de Regering wordt erkend;]10
6° bij de indiensttreding een geneeskundige verklaring afgeven die van minder dan zes maanden gedagtekend is en waaruit blijkt dat de kandidaat in zulke gezondheidstoestand verkeert dat hij die van de leerlingen en van de andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen;
7° [3 voldoen aan de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]3
[4 Bij de afwijking vermeld in het eerste lid, 5°, gaat het om de aanstelling resp. aanwijzing van een personeelslid volgens één van de volgende bepalingen :
1° artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut [11 van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs]11;
2° artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlite, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap;
3° artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra;
4° artikel 33bis, tweede en derde lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum;
5° artikel 20bis, tweede en derde lid, van dit decreet.]4
[17 Onverminderd het eerste lid, 5°, a) en b), kunnen voor een personeelslid dat nog niet de noodzakelijke drie afwijkingen voor het toe te wijzen ambt heeft doorlopen, ook volgende betrekkingen als eerste en tweede afwijking in aanmerking worden genomen:
1° een betrekking als gesubsidieerde contractueel in het toe te wijzen ambt in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;
2° een bezoldigde betrekking in een arbeidsverhouding buiten de Duitstalige Gemeenschap in een ambt dat vergelijkbaar is met het toe te wijzen ambt en dat zich binnen hetzelfde onderwijsniveau bevindt in een onderwijsinstelling die door een lidstaat van de Europese Unie of een territoriale entiteit van een lidstaat van de Europese Unie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend is of in een instelling voor de opvang van kinderen op kleuterschoolleeftijd die inhoudelijk overeenstemt met een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde kleuterschool en die door een lidstaat van de Europese Unie of een territoriale entiteit van een lidstaat van de Europese Unie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend is, voor zover een door het onderwijsbestuur afgegeven erkenning van die betrekking als afwijking voorhanden is. Voor de erkenning van de betrekking als afwijking dient het personeelslid bij het onderwijsbestuur een gedateerde en ondertekende aanvraag in vergezeld van de nodige dienstattesten waaruit het volgende blijkt: begin- en einddatum van de betrekking, bekleed ambt, onderwijsniveau of leeftijdsgroep waarvoor het personeelslid heeft gewerkt.]17
De godsdienstleerkrachten worden door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting tijdelijk aangesteld op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat. Ze worden eveneens door de inrichtende macht van hun ambt van leermeester of leraar godsdienst ontlast op voordracht of met de toestemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat.
[1 Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]1
[[5 In afwijking van het eerste lid, 5°, mogen alleen personen die op het ogenblik van de aanstelling houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, tijdelijk aangesteld worden [7 in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek,]7 in het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs, in het ambt van school- en leerbegeleider voor bevorderingspedagogiek en in het ambt van psychosociaal begeleider.]5 [12 [14 Bij gebrek aan een kandidaat die houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs, kunnen in dat ambt personen worden aangeworven die houder zijn van het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs, een graduaat/bachelor resp. een licentie/master in de logopedie of, als de pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften uitsluitend bevoegd is voor het kleuteronderwijs of voor de eerste graad van het lager onderwijs, die houder zijn van het diploma van kleuteronderwijzer, telkens aangevuld met twee jaar nuttige beroepservaring in een ambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel resp. in het geval van de logopedisten telkens aangevuld met twee jaar nuttige beroepservaring [15 ...]15, waarbij deeltijdse prestaties in verhouding tot een voltijdse betrekking worden aangerekend, en die op het tijdstip van de aanstelling reeds ingeschreven zijn voor een aanvullende opleiding van ten minste 15 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie.]14. Als bewijs dient een inschrijvingsbevestiging die is afgegeven door de onderwijsinstelling waar de aanvullende opleiding gevolgd wordt. De aanstelling in dat ambt eindigt van ambtswege na afloop van twee jaar, als het betrokken personeelslid de aanvullende opleiding niet binnen die termijn van twee jaar met succes heeft voltooid]12.]5
[6 Personeelsleden die in het lager onderwijs het ambt van leermeester eerste vreemde taal bekleden, maar niet het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs voor dat ambt hebben, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, a), b) en c), als ze reeds voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, voor het ambt van onderwijzer voor het lager onderwijs.]6
[10 [13 ...]13]10
§ 2. De inrichtende macht mag een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen indien de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie in acht wordt genomen.
Modifications
Art. 20. Conditions de désignation.
§ 1er. Nul ne peut être désigné à titre temporaire par un pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement ou d'un centre P.M.S. dans une fonction de recrutement s'il ne remplit pas, au moment de la désignation, les conditions suivantes :
1° [1 remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;]1
2° avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° [1 être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation [4 ...]4, les conditions suivantes étant remplies :
a) [7 les trois dérogations sont intervenues dans une période de cinq années scolaires consécutives au plus;]7
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) [4 s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, être titulaire d'un titre pédagogique qui correspond aux éléments essentiels figurant dans le décret du 25 octobre 2010 portant des nouveautés pédagogiques et administratives dans l'enseignement et qui est reconnu équivalent par le Gouvernement;]4 ]1
[2 e) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant d'une école spécialisée, celui-ci doit disposer d'un titre sanctionnant une formation complémentaire d'au moins 10 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement.]2
[8 f) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant qui exerce la fonction de maître/professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement primaire ou secondaire, celui-ci dispose d'un titre sanctionnant une formation complémentaire en morale non confessionnelle d'au moins 15 points ECTS délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement;]8
[9 g) s'il s'agit d'un membre du personnel qui occupe la fonction de maitre de classes ou cours d'apprentissage linguistique ou de professeur de classes d'apprentissage linguistique, il dispose des diplômes mentionnés à l'article 7, 9°, à l'exception du 9.1, ou à l'article 9quater, à l'exception du 1°, de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements;]9
[10 i) s'il s'agit d'un membre du personnel occupé dans la fonction d'assistant en maternelle [16 ou d'assistant en école fondamentale spécialisée]16, il dispose de la preuve qu'il a réussi une formation continue reconnue par le Gouvernement et comptant au moins 120 heures dans le domaine de la garde d'enfants]10
6° remettre, lors de l'entrée en fonction, un certificat médical daté de moins de six mois et attestant que le candidat se trouve dans des conditions de santé telles qu'il ne puisse mettre en danger celle des élèves et des autres membres du personnel;
7° [3 satisfaire aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]3
[ 4 Pour la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er, il s'agit de la désignation ou de l'engagement, selon le cas, d'un membre du personnel conformément à l'une des dispositions suivantes :
1° [11 l'article 19, § 2, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;]11
2° article 7, § 2, de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion, des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe, islamique et anglicane dans les établissements d'enseignement de la Communauté germanophone;
3° article 15, § 2, de l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de l'Etat, des centres de formation de l'Etat, ainsi que des services d'inspection chargés de la surveillance des centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle, et des centres psycho-médico-sociaux spécialisés;
4° article 33bis, alinéas 2 et 3, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre psycho-médico-social libre subventionné;
5° article 20bis, alinéas 2 et 3, du présent décret.]4
[17 Sans préjudice de l'alinéa 1er, 5°, a) et b), pour un membre du personnel qui n'a pas encore bénéficié des trois dérogations requises pour la fonction à conférer, les occupations suivantes peuvent également être invoquées comme première et deuxième dérogations :
1° une occupation comme travailleur contractuel subventionné dans la fonction à conférer dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone;
2° une occupation rémunérée dans le cadre d'un contrat de travail, exercée en dehors de la Communauté germanophone dans une fonction comparable à la fonction à conférer et relevant du même niveau d'enseignement, dans un établissement d'enseignement organisé, subventionné ou reconnu par un Etat membre de l'Union européenne ou par l'une de ses entités territoriales ou dans un établissement accueillant des enfants en âge de fréquenter l'école maternelle dont le contenu correspond à celui d'une école maternelle organisée ou subventionnée par la Communauté germanophone et qui est organisé, subventionné ou reconnu par un Etat membre de l'Union européenne ou par l'une de ses entités territoriales, pour autant qu'il existe une reconnaissance de cette occupation comme dérogation, délivrée par l'administration de l'enseignement. En vue de la reconnaissance de cette occupation comme dérogation, le membre du personnel doit introduire une demande datée et signée auprès de l'administration de l'enseignement, accompagnée des attestations de service requises indiquant la période d'occupation, la fonction occupée et le niveau d'enseignement ou, selon le cas, la classe d'âge dans laquelle le membre du personnel était actif.]17
Les maîtres et professeurs de religion sont désignés à titre temporaire par le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement sur proposition de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe. Ils sont également déchargés de leur fonction de maître ou professeur de religion par le pouvoir organisateur sur proposition ou moyennant l'accord de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
[1 Alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, ne peuvent faire l'objet d'une désignation à titre temporaire [7 à la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien,]7 [5 dans la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire,]5 dans la fonction d'auxiliaire d'intégration scolaire en pédagogie de soutien et dans la fonction d'auxiliaire psychosocial que les personnes porteuses, au moment de leur désignation, du titre requis ou d'un titre jugé suffisant pour la fonction à pourvoir. [12 [14 A défaut d'un candidat porteur du titre requis pour la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire, peuvent être désignées dans cette fonction les personnes qui sont porteuses du diplôme d'instituteur primaire, d'un graduat/baccalauréat (bachelor) ou, selon le cas, d'une licence/d'un master en logopédie ou, dans le cas où la compétence du pédagogue de soutien se limite exclusivement à la section maternelle ou au premier degré de l'école primaire, du diplôme d'instituteur maternel, complété par une expérience professionnelle utile de deux ans dans une fonction de la catégorie du personnel directeur et enseignant [15 ou, pour les logopèdes, par une expérience professionnelle utile de deux ans]15 - les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein - et qui, au moment de la désignation, sont inscrits dans une formation complémentaire d'au moins 15 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie.]14. La preuve est apportée en présentant la confirmation d'inscription délivrée par l'établissement d'enseignement où la formation complémentaire est suivie. La désignation dans cette fonction prend fin d'office après deux ans si le membre du personnel concerné n'a pas, dans ce délai, suivi avec fruit la formation complémentaire.]12]2
[6 En ce qui concerne les membres du personnel exerçant la fonction de maître spécial pour la première langue étrangère dans l'enseignement primaire en n'étant pas porteurs du diplôme d'instituteur primaire pour cette fonction, les conditions mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, a), b) et c) sont considérées comme remplies lorsqu'ils satisfont déjà à celles mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, pour la fonction d'instituteur primaire.]6
[10 [13 ...]13]10
§ 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à la désignation d'un membre du personnel temporaire que dans le respect de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation.
§ 1er. Nul ne peut être désigné à titre temporaire par un pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement ou d'un centre P.M.S. dans une fonction de recrutement s'il ne remplit pas, au moment de la désignation, les conditions suivantes :
1° [1 remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;]1
2° avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° [1 être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation [4 ...]4, les conditions suivantes étant remplies :
a) [7 les trois dérogations sont intervenues dans une période de cinq années scolaires consécutives au plus;]7
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) [4 s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, être titulaire d'un titre pédagogique qui correspond aux éléments essentiels figurant dans le décret du 25 octobre 2010 portant des nouveautés pédagogiques et administratives dans l'enseignement et qui est reconnu équivalent par le Gouvernement;]4 ]1
[2 e) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant d'une école spécialisée, celui-ci doit disposer d'un titre sanctionnant une formation complémentaire d'au moins 10 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement.]2
[8 f) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant qui exerce la fonction de maître/professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement primaire ou secondaire, celui-ci dispose d'un titre sanctionnant une formation complémentaire en morale non confessionnelle d'au moins 15 points ECTS délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement;]8
[9 g) s'il s'agit d'un membre du personnel qui occupe la fonction de maitre de classes ou cours d'apprentissage linguistique ou de professeur de classes d'apprentissage linguistique, il dispose des diplômes mentionnés à l'article 7, 9°, à l'exception du 9.1, ou à l'article 9quater, à l'exception du 1°, de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements;]9
[10 i) s'il s'agit d'un membre du personnel occupé dans la fonction d'assistant en maternelle [16 ou d'assistant en école fondamentale spécialisée]16, il dispose de la preuve qu'il a réussi une formation continue reconnue par le Gouvernement et comptant au moins 120 heures dans le domaine de la garde d'enfants]10
6° remettre, lors de l'entrée en fonction, un certificat médical daté de moins de six mois et attestant que le candidat se trouve dans des conditions de santé telles qu'il ne puisse mettre en danger celle des élèves et des autres membres du personnel;
7° [3 satisfaire aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]3
[ 4 Pour la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er, il s'agit de la désignation ou de l'engagement, selon le cas, d'un membre du personnel conformément à l'une des dispositions suivantes :
1° [11 l'article 19, § 2, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;]11
2° article 7, § 2, de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion, des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe, islamique et anglicane dans les établissements d'enseignement de la Communauté germanophone;
3° article 15, § 2, de l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de l'Etat, des centres de formation de l'Etat, ainsi que des services d'inspection chargés de la surveillance des centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle, et des centres psycho-médico-sociaux spécialisés;
4° article 33bis, alinéas 2 et 3, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre psycho-médico-social libre subventionné;
5° article 20bis, alinéas 2 et 3, du présent décret.]4
[17 Sans préjudice de l'alinéa 1er, 5°, a) et b), pour un membre du personnel qui n'a pas encore bénéficié des trois dérogations requises pour la fonction à conférer, les occupations suivantes peuvent également être invoquées comme première et deuxième dérogations :
1° une occupation comme travailleur contractuel subventionné dans la fonction à conférer dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone;
2° une occupation rémunérée dans le cadre d'un contrat de travail, exercée en dehors de la Communauté germanophone dans une fonction comparable à la fonction à conférer et relevant du même niveau d'enseignement, dans un établissement d'enseignement organisé, subventionné ou reconnu par un Etat membre de l'Union européenne ou par l'une de ses entités territoriales ou dans un établissement accueillant des enfants en âge de fréquenter l'école maternelle dont le contenu correspond à celui d'une école maternelle organisée ou subventionnée par la Communauté germanophone et qui est organisé, subventionné ou reconnu par un Etat membre de l'Union européenne ou par l'une de ses entités territoriales, pour autant qu'il existe une reconnaissance de cette occupation comme dérogation, délivrée par l'administration de l'enseignement. En vue de la reconnaissance de cette occupation comme dérogation, le membre du personnel doit introduire une demande datée et signée auprès de l'administration de l'enseignement, accompagnée des attestations de service requises indiquant la période d'occupation, la fonction occupée et le niveau d'enseignement ou, selon le cas, la classe d'âge dans laquelle le membre du personnel était actif.]17
Les maîtres et professeurs de religion sont désignés à titre temporaire par le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement sur proposition de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe. Ils sont également déchargés de leur fonction de maître ou professeur de religion par le pouvoir organisateur sur proposition ou moyennant l'accord de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
[1 Alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, ne peuvent faire l'objet d'une désignation à titre temporaire [7 à la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien,]7 [5 dans la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire,]5 dans la fonction d'auxiliaire d'intégration scolaire en pédagogie de soutien et dans la fonction d'auxiliaire psychosocial que les personnes porteuses, au moment de leur désignation, du titre requis ou d'un titre jugé suffisant pour la fonction à pourvoir. [12 [14 A défaut d'un candidat porteur du titre requis pour la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire, peuvent être désignées dans cette fonction les personnes qui sont porteuses du diplôme d'instituteur primaire, d'un graduat/baccalauréat (bachelor) ou, selon le cas, d'une licence/d'un master en logopédie ou, dans le cas où la compétence du pédagogue de soutien se limite exclusivement à la section maternelle ou au premier degré de l'école primaire, du diplôme d'instituteur maternel, complété par une expérience professionnelle utile de deux ans dans une fonction de la catégorie du personnel directeur et enseignant [15 ou, pour les logopèdes, par une expérience professionnelle utile de deux ans]15 - les services à temps partiel étant pris en considération proportionnellement à une occupation à temps plein - et qui, au moment de la désignation, sont inscrits dans une formation complémentaire d'au moins 15 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie.]14. La preuve est apportée en présentant la confirmation d'inscription délivrée par l'établissement d'enseignement où la formation complémentaire est suivie. La désignation dans cette fonction prend fin d'office après deux ans si le membre du personnel concerné n'a pas, dans ce délai, suivi avec fruit la formation complémentaire.]12]2
[6 En ce qui concerne les membres du personnel exerçant la fonction de maître spécial pour la première langue étrangère dans l'enseignement primaire en n'étant pas porteurs du diplôme d'instituteur primaire pour cette fonction, les conditions mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, a), b) et c) sont considérées comme remplies lorsqu'ils satisfont déjà à celles mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, pour la fonction d'instituteur primaire.]6
[10 [13 ...]13]10
§ 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à la désignation d'un membre du personnel temporaire que dans le respect de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation.
Modifications
Art. 20bis. <INGEVOEGD bij DDG 2006-06-26/38, art. 71; Inwerkingtreding : 01-09-2007 maar 01-01-2007 voor bepaalde stoffen> Afwijkingsbepaling.
In afwijking van [1 artikel 20, § 1,]1, lid 1, 5°, kan de inrichtende macht tussen een kandidaat die bij zijn laatste beoordelingsstaat resp. beide laatste evaluatieverslagen de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen, en een andere kandidaat kiezen, ongeacht deze houder is of niet van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
[1 Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht - in afwijking van artikel 20 - een kandidaat tijdelijk aanwijzen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd het eerste lid mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangewezen, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangewezen.]1
In afwijking van [1 artikel 20, § 1,]1, lid 1, 5°, kan de inrichtende macht tussen een kandidaat die bij zijn laatste beoordelingsstaat resp. beide laatste evaluatieverslagen de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen, en een andere kandidaat kiezen, ongeacht deze houder is of niet van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
[1 Voldoet geen kandidaat aan de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde, dan kan de inrichtende macht - in afwijking van artikel 20 - een kandidaat tijdelijk aanwijzen dat noch houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs noch van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, zoals ze voor het te bekleden ambt bepaald zijn.
De inrichtende macht mag van de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde afwijken, als het gaat om een personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs dat een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A zou zijn, indien het personeelslid over het pedagogisch bekwaamheidsbewijs in samenhang met het te bekleden ambt zou beschikken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren, gerekend vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanwijzing. Onverminderd het eerste lid mag deze afwijkingsmogelijkheid bij de eerste aanwijzing van een personeelslid in het betrokken ambt niet worden toegepast, als kandidaten houders zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Wordt een personeelslid krachtens lid 2 voor ten minste 15 weken aangewezen, dan zendt de inrichtende macht een schriftelijke verklaring aan het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap waaruit blijkt dat geen gekwalificeerd personeelslid werd gevonden dat aan alle voorwaarden voldoet om te worden aangewezen.]1
Modifications
Art. 20bis. Disposition dérogatoire.
Par dérogation à l'[1 article 20, § 1er]1, alinéa 1, 5°, le pouvoir organisateur peut choisir entre un candidat qui a obtenu la mention " insuffisant " lors du dernier signalement ou lors des deux dernières évaluations et un autre candidat, que ce dernier soit porteur ou non du titre requis.
[1 Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 20, désigner à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est désigné conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être désigné n'a été trouvé.]1
Par dérogation à l'[1 article 20, § 1er]1, alinéa 1, 5°, le pouvoir organisateur peut choisir entre un candidat qui a obtenu la mention " insuffisant " lors du dernier signalement ou lors des deux dernières évaluations et un autre candidat, que ce dernier soit porteur ou non du titre requis.
[1 Si aucun candidat ne remplit la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur peut, par dérogation à l'article 20, désigner à titre temporaire un candidat qui n'est porteur ni d'un titre requis ni d'un titre jugé suffisant du groupe A, tels que fixés pour la fonction à conférer.
Le pouvoir organisateur peut déroger à la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, s'il s'agit d'un membre du personnel porteur d'un titre qui serait un titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A si le membre du personnel était en possession du titre pédagogique en rapport avec la fonction à conférer. Cette dérogation vaut pour la période de trois années scolaires successives, à partir du 1er septembre de l'année scolaire de la première désignation. Sans préjudice du premier alinéa, la possibilité de dérogation ne peut s'appliquer lors de la première désignation d'un membre du personnel dans la fonction concernée si des candidats sont porteurs du titre requis.
Si un membre du personnel est désigné conformément à l'alinéa 2 pour une période d'au moins 15 semaines, le pouvoir organisateur fait parvenir au Ministère de la Communauté germanophone une déclaration écrite dont il ressort qu'aucun membre du personnel qualifié remplissant toutes les conditions pour être désigné n'a été trouvé.]1
Modifications
Art. 20ter. [1 Beroepsprocedure.
Behalve als artikel 20bis, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van twee weken om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van 14 kalenderdagen - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en of de reden waarom de klager niet werd aangesteld, geleverd is.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar.]1
Behalve als artikel 20bis, lid 3, werd toegepast, kan een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5° en 7°, vermelde voorwaarden vervult en zich bij een inrichtende macht voor een betrekking in het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, een beroep indienen tegen de aanstelling voor een termijn van ten minste 15 werken van een ander personeelslid dat aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldoet.
Het beroep wordt per aangetekende brief bij de inrichtende macht ingediend en bevat het bewijs dat de klager zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld.
Als de inrichtende macht en de klager niet tot een minnelijke schikking komen, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij de Regering een beroep per aangetekende brief in te dienen. De termijn van 60 kalenderdagen begint op de dag waarop de klager werkelijk kennis heeft gekregen van de aanstelling en voor zover deze dag binnen het schooljaar van de aanstelling valt. Elk beroep buiten deze termijn is onontvankelijk.
Na ontvangst van het beroep nodigt de Regering onmiddellijk de inrichtende macht uit, de bestreden aanstelling schriftelijk te verantwoorden. De inrichtende macht beschikt over een termijn van twee weken om de Regering deze verantwoording te betekenen. Zij begint op de dag waarop het verzoek om verantwoording wordt gezonden, waarbij de stempel van de post als bewijs geldt. Levert de inrichtende macht deze verantwoording niet, dan verliest zij - vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van 14 kalenderdagen - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid tegen wiens aanstelling een beroep werd ingediend.
Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht gaat de Regering na of de aanstelling overeenkomstig de bepalingen van voorliggend decreet gebeurde en of de reden waarom de klager niet werd aangesteld, geleverd is.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen nageleefd werden en dat de aanstelling verantwoord is, worden de klager en de inrichtende macht onmiddellijk per aangetekende brief er op de hoogte van gesteld.
Komt de Regering tot de conclusie dat bovenvermelde bepalingen niet nageleefd werden en dat de aanstelling niet verantwoord is, dan verliest de inrichtende macht - vanaf de eerste dag van de maand volgend op de mededeling van de beslissing van de Regering - het recht op de weddetoelage ten gunste van het personeelslid wiens aanstelling onregelmatig is. Deze beslissing wordt per aangetekende brief aan de klager én aan de inrichtende macht medegedeeld.
Daar de aanstelling van een personeelslid dat de in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarden niet vervult, tot het betrokken schooljaar beperkt is, vervalt elk beroep van rechtswege op 30 juni van dat schooljaar.]1
Art. 20ter. [1 Procédure de recours.
Sauf en cas d'application de l'article 20bis, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas à un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Après réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées ou qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées et qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire.]1
Sauf en cas d'application de l'article 20bis, alinéa 3, un membre du personnel qui se porte candidat auprès d'un pouvoir organisateur pour un emploi dans la fonction concernée et remplit les conditions mentionnées à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5° et 7°, peut introduire un recours contre l'engagement pour une période d'au moins 15 semaines d'un autre membre du personnel qui ne remplit pas lesdites conditions.
Le recours est introduit par recommandé auprès du pouvoir organisateur et comporte la preuve que le plaignant s'est porté candidat pour la fonction concernée.
Si le pouvoir organisateur et le plaignant n'aboutissent pas à un règlement à l'amiable, ce dernier dispose d'un délai de 60 jours calendrier pour introduire un recours par recommandé auprès du Gouvernement. Le délai de 60 jours calendrier débute le jour où le plaignant a effectivement pris connaissance de l'engagement, dans la mesure où ce jour se situe au cours de l'année scolaire de l'engagement. Tout recours introduit hors de ce délai est irrecevable.
Après réception du recours, le Gouvernement invite immédiatement le pouvoir organisateur à motiver par écrit l'engagement contesté. Le pouvoir organisateur dispose d'un délai de quinze jours calendrier pour notifier cette motivation au Gouvernement. Ce délai début le jour de l'envoi de la demande de motivation écrite, la date de la poste faisant foi. Si le pouvoir organisateur ne notifie pas cette motivation, il perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel contre l'engagement duquel un recours a été introduit, et ce dès le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai de quinze jours.
Après réception de la réponse du pouvoir organisateur concerné, le Gouvernement examine si l'engagement est conforme aux dispositions du présent décret et a été dûment motivé.
Si le Gouvernement conclut qu'il n'y a pas infraction aux dispositions précitées ou qu'il y a motivation, le plaignant et le pouvoir organisateur en sont immédiatement informés par recommandé.
Si le Gouvernement conclut qu'il y a infraction aux dispositions précitées et qu'il n'y a pas de motivation, le pouvoir organisateur perd le droit à la subvention-traitement en faveur du membre du personnel engagé irrégulièrement, et ce dès le premier jour du mois qui suit la communication de la décision du Gouvernement. Cette décision est communiquée par recommandé tant au plaignant qu'au pouvoir organisateur.
Etant donné que l'engagement d'un membre du personnel ne remplissant pas la condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limité à l'année scolaire concernée, tout recours devient d'office caduc le 30 juin de cette année scolaire.]1
Art. 21. Opstellen van een aanstellingsakte.
Voor elke aanstelling in een wervingsambt dient de inrichtende macht een aanstellingsakte op te stellen waarvan een afschrift aan het personeelslid wordt overhandigd.
Deze aanstellingsakte vermeldt ten minste :
1° de identiteit van de inrichtende macht;
2° de identiteit van het personeelslid;
3° het uit te oefenen ambt, alsmede de kenmerken en de omvang van de opdracht;
4° of de betrekking al dan niet vacant is en, als zij niet vacant is, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, de naam van het personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
5° in voorkomend geval de bijkomende verplichtingen bedoeld bij artikel 12 en de onverenigbaarheden bedoeld bij artikel 14;
6° de datum van indiensttreding.
Wordt er binnen de 14 dagen na de indiensttreding geen aanstellingsakte overeenkomstig de leden 1 en 2 opgesteld, dan wordt het personeelslid geacht slechts onder de bij dit decreet vastgelegde voorwaarden in het ambt, voor de opdracht of in de betrekking aangesteld te zijn dat/die het werkelijk uitoefent.
Voor elke aanstelling in een wervingsambt dient de inrichtende macht een aanstellingsakte op te stellen waarvan een afschrift aan het personeelslid wordt overhandigd.
Deze aanstellingsakte vermeldt ten minste :
1° de identiteit van de inrichtende macht;
2° de identiteit van het personeelslid;
3° het uit te oefenen ambt, alsmede de kenmerken en de omvang van de opdracht;
4° of de betrekking al dan niet vacant is en, als zij niet vacant is, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, de naam van het personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
5° in voorkomend geval de bijkomende verplichtingen bedoeld bij artikel 12 en de onverenigbaarheden bedoeld bij artikel 14;
6° de datum van indiensttreding.
Wordt er binnen de 14 dagen na de indiensttreding geen aanstellingsakte overeenkomstig de leden 1 en 2 opgesteld, dan wordt het personeelslid geacht slechts onder de bij dit decreet vastgelegde voorwaarden in het ambt, voor de opdracht of in de betrekking aangesteld te zijn dat/die het werkelijk uitoefent.
Art. 21. Rédaction d'un acte de désignation.
Pour chaque désignation dans une fonction de recrutement, le pouvoir organisateur établit un acte de désignation dont une copie est remise au membre du personnel.
Cet acte de désignation mentionne au moins :
1° l'identité du pouvoir organisateur;
2° l'identité du membre du personnel;
3° la fonction à exercer ainsi que les caractéristiques et le volume de la charge;
4° si l'emploi est vacant ou non, et dans ce cas le nom du titulaire de l'emploi et, le cas échéant, celui de son remplaçant temporaire;
5° le cas échéant, les obligations complémentaires visées à l'article 12 et les incompatibilités visées à l'article 14;
6° la date de l'entrée en fonction.
Si l'acte de désignation n'est pas établi dans les quinze jours de l'entrée en fonction conformément aux alinéas 1 et 2, le membre du personnel est censé avoir été désigné uniquement aux conditions prévues par le présent décret dans la fonction, la charge ou l'emploi qu'il occupe effectivement.
Pour chaque désignation dans une fonction de recrutement, le pouvoir organisateur établit un acte de désignation dont une copie est remise au membre du personnel.
Cet acte de désignation mentionne au moins :
1° l'identité du pouvoir organisateur;
2° l'identité du membre du personnel;
3° la fonction à exercer ainsi que les caractéristiques et le volume de la charge;
4° si l'emploi est vacant ou non, et dans ce cas le nom du titulaire de l'emploi et, le cas échéant, celui de son remplaçant temporaire;
5° le cas échéant, les obligations complémentaires visées à l'article 12 et les incompatibilités visées à l'article 14;
6° la date de l'entrée en fonction.
Si l'acte de désignation n'est pas établi dans les quinze jours de l'entrée en fonction conformément aux alinéas 1 et 2, le membre du personnel est censé avoir été désigné uniquement aux conditions prévues par le présent décret dans la fonction, la charge ou l'emploi qu'il occupe effectivement.
Onderafdeling 2. [1 - Fase van de instap in het beroep]1
Sous-section 2. [1 - Phase d'entrée dans la profession]1
Art. 22. Voorrang.
Voor een aanstelling als tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking van een ambt of in een niet-vacante betrekking van een ambt waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt voor een aanvankelijk ononderbroken periode van ten minste vijftien weken moet worden vervangen, [7 heeft de kandidaat voorrang die de fase van de instap in het beroep afgesloten heeft. De fase van de instap in het beroep omvat de eerste dienstjaren als gekwalificeerd personeelslid in het onderwijs en dient om zich terecht te vinden in het beroep. Ze wordt als afgesloten beschouwd, als de kandidaat]7 aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij heeft zijn kandidatuur ingediend;
2° [4 hij vervult de voorwaarden vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, met uitzondering van die vermeld in 7°;]4
[4 2.1° hij voldoet aan de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs, met uitzondering van artikel 25 van hetzelfde decreet;]4
3° hij kan bij deze inrichtende macht een dienstanciënniteit van ten minste 720 dagen in het betrokken ambt doen gelden; van deze 720 dagen moeten er 600 effectief zijn gepresteerd. [2 Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte]2 worden ten belope van maximaal 210 dagen in aanmerking genomen bij de berekening van de effectief gepresteerde dienstdagen, voor zover deze verlofdagen binnen de aanwervingsperiode vallen;
4° hij heeft ten minste de vermelding " voldoende " gekregen voor de laatste in artikel 28 bedoelde beoordelingsstaat van het schooljaar waar hij vóór 30 april voor een ononderbroken periode van ten minste 15 weken in dienstactiviteit was; bij gebrek aan een beoordelingsstaat geldt deze voorwaarde als vervuld [3 ;]3
[3 5° Hij was gedurende de laatste vijf schooljaren bij de betrokken inrichtende macht in actieve dienst.]3
[1 Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om [7 de anciënniteit voor de fase van de instap in het beroep]7 te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt [7 waarin hij de fase van de instap in het beroep wil afsluiten.]7]1 [6 Indien de kandidaat [7 de fase van zijn instap in het beroep]7 in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek wil doen gelden, worden ook de dienstdagen in een ander ambt van een andere categorie waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, in aanmerking genomen.]6
[5 Met behoud van de toepassing van het eerste lid heeft een kandidaat voor het ambt van godsdienstleerkracht alleen voorrang indien hij in het bezit is van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.]5
Voor een aanstelling als tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking van een ambt of in een niet-vacante betrekking van een ambt waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt voor een aanvankelijk ononderbroken periode van ten minste vijftien weken moet worden vervangen, [7 heeft de kandidaat voorrang die de fase van de instap in het beroep afgesloten heeft. De fase van de instap in het beroep omvat de eerste dienstjaren als gekwalificeerd personeelslid in het onderwijs en dient om zich terecht te vinden in het beroep. Ze wordt als afgesloten beschouwd, als de kandidaat]7 aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij heeft zijn kandidatuur ingediend;
2° [4 hij vervult de voorwaarden vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, met uitzondering van die vermeld in 7°;]4
[4 2.1° hij voldoet aan de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs, met uitzondering van artikel 25 van hetzelfde decreet;]4
3° hij kan bij deze inrichtende macht een dienstanciënniteit van ten minste 720 dagen in het betrokken ambt doen gelden; van deze 720 dagen moeten er 600 effectief zijn gepresteerd. [2 Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte]2 worden ten belope van maximaal 210 dagen in aanmerking genomen bij de berekening van de effectief gepresteerde dienstdagen, voor zover deze verlofdagen binnen de aanwervingsperiode vallen;
4° hij heeft ten minste de vermelding " voldoende " gekregen voor de laatste in artikel 28 bedoelde beoordelingsstaat van het schooljaar waar hij vóór 30 april voor een ononderbroken periode van ten minste 15 weken in dienstactiviteit was; bij gebrek aan een beoordelingsstaat geldt deze voorwaarde als vervuld [3 ;]3
[3 5° Hij was gedurende de laatste vijf schooljaren bij de betrokken inrichtende macht in actieve dienst.]3
[1 Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van de groep A, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om [7 de anciënniteit voor de fase van de instap in het beroep]7 te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt [7 waarin hij de fase van de instap in het beroep wil afsluiten.]7]1 [6 Indien de kandidaat [7 de fase van zijn instap in het beroep]7 in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek wil doen gelden, worden ook de dienstdagen in een ander ambt van een andere categorie waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, in aanmerking genomen.]6
[5 Met behoud van de toepassing van het eerste lid heeft een kandidaat voor het ambt van godsdienstleerkracht alleen voorrang indien hij in het bezit is van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.]5
Modifications
Art. 22. Priorité.
Est prioritaire pour une désignation en qualité de membre du personnel temporaire dans un emploi vacant d'une fonction ou dans un emploi non vacant d'une fonction dont le titulaire ou le membre du personnel qui le remplace temporairement doit être remplacé pour une période au départ ininterrompue d'au moins quinze semaines le candidat [7 qui achève la phase d'entrée dans la profession. Cette phase comprend les premières années de service passées dans l'enseignement par le membre du personnel qualifié et a pour objectif de l'aider à prendre ses marques dans la fonction. Cette phase est considérée comme achevée lorsque le candidat remplit les conditions suivantes]7 :
1° il a introduit sa candidature;
2° [4 il remplit les conditions énumérées à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, à l'exception du 7°;]4
[4 2.1° il satisfait aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement, à l'exception de l'article 25 dudit décret;]4
3° il peut faire valoir auprès de ce pouvoir organisateur au moins 720 jours d'ancienneté dans la fonction concernée; sur ces 720 jours, 600 doivent avoir été effectivement prestés. [2 Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle.]2 sont pris en compte à concurrence de 210 jours lors du calcul des jours d'activité de service effectivement prestés, à condition que ces jours de congé soient englobés dans la période de désignation;
4° le dernier bulletin de signalement mentionné à l'article 28 et établi pour l'année scolaire au cours de laquelle le candidat a été en activité de service pour une période ininterrompue d'au moins quinze semaines avant le 30 avril, porte en conclusion au moins la mention " satisfaisant "; à défaut de bulletin de signalement, la présente condition est considérée comme remplie [3 ;]3
[3 5° Il a été en service actif, au cours des cinq dernières années scolaires, auprès du pouvoir organisateur concerné.]3
[1 Un candidat qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, qui sont pris en compte pour le calcul [7 de l'ancienneté en ce qui concerne la phase d'entrée dans la profession]7, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat.]1 [6 Si le candidat souhaite [7 achever sa phase d'entrée dans la profession]7 dans la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien, les jours de service dans une autre fonction d'une autre catégorie pour laquelle il est porteur du titre requis sont également pris en considération.]6
[5 Sans préjudice du premier alinéa, un candidat à la fonction de maître ou professeur de religion n'est prioritaire que s'il est porteur du titre requis ou d'un titre jugé suffisant.]5
Est prioritaire pour une désignation en qualité de membre du personnel temporaire dans un emploi vacant d'une fonction ou dans un emploi non vacant d'une fonction dont le titulaire ou le membre du personnel qui le remplace temporairement doit être remplacé pour une période au départ ininterrompue d'au moins quinze semaines le candidat [7 qui achève la phase d'entrée dans la profession. Cette phase comprend les premières années de service passées dans l'enseignement par le membre du personnel qualifié et a pour objectif de l'aider à prendre ses marques dans la fonction. Cette phase est considérée comme achevée lorsque le candidat remplit les conditions suivantes]7 :
1° il a introduit sa candidature;
2° [4 il remplit les conditions énumérées à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, à l'exception du 7°;]4
[4 2.1° il satisfait aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement, à l'exception de l'article 25 dudit décret;]4
3° il peut faire valoir auprès de ce pouvoir organisateur au moins 720 jours d'ancienneté dans la fonction concernée; sur ces 720 jours, 600 doivent avoir été effectivement prestés. [2 Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle.]2 sont pris en compte à concurrence de 210 jours lors du calcul des jours d'activité de service effectivement prestés, à condition que ces jours de congé soient englobés dans la période de désignation;
4° le dernier bulletin de signalement mentionné à l'article 28 et établi pour l'année scolaire au cours de laquelle le candidat a été en activité de service pour une période ininterrompue d'au moins quinze semaines avant le 30 avril, porte en conclusion au moins la mention " satisfaisant "; à défaut de bulletin de signalement, la présente condition est considérée comme remplie [3 ;]3
[3 5° Il a été en service actif, au cours des cinq dernières années scolaires, auprès du pouvoir organisateur concerné.]3
[1 Un candidat qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, qui sont pris en compte pour le calcul [7 de l'ancienneté en ce qui concerne la phase d'entrée dans la profession]7, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction pour laquelle il se porte candidat.]1 [6 Si le candidat souhaite [7 achever sa phase d'entrée dans la profession]7 dans la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien, les jours de service dans une autre fonction d'une autre catégorie pour laquelle il est porteur du titre requis sont également pris en considération.]6
[5 Sans préjudice du premier alinéa, un candidat à la fonction de maître ou professeur de religion n'est prioritaire que s'il est porteur du titre requis ou d'un titre jugé suffisant.]5
Modifications
Art. 22.1. [1 - Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding
§ 1 - De personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 20 en een bewijs van grondige kennis van de onderwijstaal en/of een bewijs van grondige kennis van de vreemde taal voorleggen indien één van beide of beide bewijzen voor het ambt in kwestie noodzakelijk zijn, hebben overeenkomstig de voorwaarden bepaald in dit artikel en binnen de perken van de beschikbare betrekkingen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding. Dat recht heeft betrekking op alle ambten waarvoor de genoemde voorwaarden vervuld zijn. De talenkennis wordt bewezen overeenkomstig het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding geldt niet voor de voltijds vastbenoemde personeelsleden.
§ 2 - Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding gaat ten laatste op 1 oktober van het lopende schooljaar in.
§ 3 - De inrichtende macht kent de definitief vacante betrekkingen met voorrang toe aan de personeelsleden die recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding hebben, nadat de inrichtende macht artikel 22bis, § 5, heeft toegepast.
In afwijking van het eerste lid kan de inrichtende macht een personeelslid dat recht heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding, indien dat personeelslid daarmee instemt, in een niet vacante betrekking aanstellen hoewel er definitief vacante betrekkingen voorhanden zijn.
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding is slechts mogelijk voor betrekkingen waarin voor het hele schooljaar moet worden voorzien.
§ 4 - Behoudens andersluidende overeenkomst met de inrichtende macht en op straffe van verlies van het recht op een aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding aanvaardt het personeelslid de betrekking in de aangeboden omvang.
§ 5 - Tekent een personeelslid bezwaar aan tegen de tijdelijke aanstelling van een ander personeelslid, door zijn belang te doen blijken, dan bezorgt de inrichtende macht hem de schriftelijke motivering van de desbetreffende beslissing.
§ 6 - De inrichtende macht motiveert haar beslissing om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding te beëindigen en deelt die beslissing schriftelijk mee aan het personeelslid.]1
§ 1 - De personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 20 en een bewijs van grondige kennis van de onderwijstaal en/of een bewijs van grondige kennis van de vreemde taal voorleggen indien één van beide of beide bewijzen voor het ambt in kwestie noodzakelijk zijn, hebben overeenkomstig de voorwaarden bepaald in dit artikel en binnen de perken van de beschikbare betrekkingen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding. Dat recht heeft betrekking op alle ambten waarvoor de genoemde voorwaarden vervuld zijn. De talenkennis wordt bewezen overeenkomstig het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding geldt niet voor de voltijds vastbenoemde personeelsleden.
§ 2 - Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding gaat ten laatste op 1 oktober van het lopende schooljaar in.
§ 3 - De inrichtende macht kent de definitief vacante betrekkingen met voorrang toe aan de personeelsleden die recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding hebben, nadat de inrichtende macht artikel 22bis, § 5, heeft toegepast.
In afwijking van het eerste lid kan de inrichtende macht een personeelslid dat recht heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding, indien dat personeelslid daarmee instemt, in een niet vacante betrekking aanstellen hoewel er definitief vacante betrekkingen voorhanden zijn.
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding is slechts mogelijk voor betrekkingen waarin voor het hele schooljaar moet worden voorzien.
§ 4 - Behoudens andersluidende overeenkomst met de inrichtende macht en op straffe van verlies van het recht op een aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding aanvaardt het personeelslid de betrekking in de aangeboden omvang.
§ 5 - Tekent een personeelslid bezwaar aan tegen de tijdelijke aanstelling van een ander personeelslid, door zijn belang te doen blijken, dan bezorgt de inrichtende macht hem de schriftelijke motivering van de desbetreffende beslissing.
§ 6 - De inrichtende macht motiveert haar beslissing om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vanaf indiensttreding te beëindigen en deelt die beslissing schriftelijk mee aan het personeelslid.]1
Art. 22.1. [1 - Désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service
§ 1er - Conformément aux conditions fixées dans le présent article et dans la limite des emplois disponibles, les membres du personnel qui satisfont aux conditions mentionnées à l'article 20 et présentent une attestation de connaissance approfondie de la langue de l'enseignement et/ou une attestation de connaissance approfondie de la langue étrangère - si l'une des deux ou les deux attestations sont requises pour la fonction en question - ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service. Ce droit vaut pour toutes les fonctions pour lesquelles les conditions susmentionnées sont remplies. La preuve des connaissances linguistiques est apportée conformément aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
Le droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service ne s'applique pas aux membres du personnel nommés à titre définitif pour un horaire complet.
§ 2 - Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service prend effet au plus tard au 1er octobre de l'année scolaire en cours.
§ 3 - Le pouvoir organisateur attribue les emplois définitivement vacants en priorité aux membres du personnel qui ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service, après avoir appliqué l'article 22bis, § 5.
Par dérogation à l'alinéa 1er et bien que des emplois soient définitivement vacants, le pouvoir organisateur peut désigner, dans un emploi non vacant, un membre du personnel ayant droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service, si celui-ci marque son accord.
Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service ne peut intervenir que dans des emplois à pourvoir pour toute l'année scolaire.
§ 4 - Sous réserve de tout accord contraire avec le pouvoir organisateur, et sous peine de perdre son droit à une désignation pour une durée indéterminée dès l'entrée en service, le membre du personnel accepte l'emploi pour le volume de prestations proposé.
§ 5 - Si un membre du personnel introduit un recours contre la désignation à titre temporaire d'un autre membre du personnel en motivant son intérêt, le pouvoir organisateur lui notifie par écrit la motivation de la décision en question.
§ 6 - Le pouvoir organisateur motive sa décision de mettre un terme à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service et la transmet par écrit au membre du personnel.]1
§ 1er - Conformément aux conditions fixées dans le présent article et dans la limite des emplois disponibles, les membres du personnel qui satisfont aux conditions mentionnées à l'article 20 et présentent une attestation de connaissance approfondie de la langue de l'enseignement et/ou une attestation de connaissance approfondie de la langue étrangère - si l'une des deux ou les deux attestations sont requises pour la fonction en question - ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service. Ce droit vaut pour toutes les fonctions pour lesquelles les conditions susmentionnées sont remplies. La preuve des connaissances linguistiques est apportée conformément aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
Le droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service ne s'applique pas aux membres du personnel nommés à titre définitif pour un horaire complet.
§ 2 - Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service prend effet au plus tard au 1er octobre de l'année scolaire en cours.
§ 3 - Le pouvoir organisateur attribue les emplois définitivement vacants en priorité aux membres du personnel qui ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service, après avoir appliqué l'article 22bis, § 5.
Par dérogation à l'alinéa 1er et bien que des emplois soient définitivement vacants, le pouvoir organisateur peut désigner, dans un emploi non vacant, un membre du personnel ayant droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service, si celui-ci marque son accord.
Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service ne peut intervenir que dans des emplois à pourvoir pour toute l'année scolaire.
§ 4 - Sous réserve de tout accord contraire avec le pouvoir organisateur, et sous peine de perdre son droit à une désignation pour une durée indéterminée dès l'entrée en service, le membre du personnel accepte l'emploi pour le volume de prestations proposé.
§ 5 - Si un membre du personnel introduit un recours contre la désignation à titre temporaire d'un autre membre du personnel en motivant son intérêt, le pouvoir organisateur lui notifie par écrit la motivation de la décision en question.
§ 6 - Le pouvoir organisateur motive sa décision de mettre un terme à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dès l'entrée en service et la transmet par écrit au membre du personnel.]1
Art. 22bis. [1 Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur
§ 1 - De personeelsleden die aan de voorwaarden m.b.t. de [3 fase van de instap in het beroep]3 gesteld in artikel 22 voldoen, hebben overeenkomstig de in voorliggend artikel vastgelegde voorwaarden recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het kader van de beschikbare betrekkingen. Dit recht heeft betrekking tot alle ambten [3 waarin de fase van de instap in het beroep wordt afgesloten]3.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de voltijds vastbenoemde personeelsleden.
§ 2 - Het personeelslid verliest het bij § 1 verworven recht, indien het tijdens vijf opéénvolgende schooljaren niet in dienstactiviteit in het betrokken ambt bij de betrokken inrichtende macht is geweest.
§ 3 - Het personeelslid dat met toepassing van artikel 79, 6°, ontslagen werd, heeft op grond van de vóór het ontslag geleverde prestaties geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
§ 4 - Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat ten laatste op 1 oktober van het lopende schooljaar in.
§ 5 - De inrichtende macht kent de definitief vacante betrekkingen met voorrang toe aan de personeelsleden die recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben.
[2 In afwijking van het eerste lid en alhoewel betrekkingen definitief vacant zijn, kan de inrichtende macht een personeelslid dat recht heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, indien het ermee eens is, in een niet vacante betrekking aanwijzen.
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is slechts mogelijk voor betrekkingen waarin voor het hele schooljaar moet worden voorzien.]2
§ 6 - Behoudens tegenstrijdige overeenkomst gesloten met de inrichtende macht en op straffe van verlies van het recht op een aanstelling van doorlopende duur aanvaardt het personeelslid de betrekking voor de hem aangeboden opdracht.
§ 7 - Tekent een personeelslid bezwaar aan tegen de tijdelijke aanstelling van een ander personeelslid, door zijn belang te doen blijken, dan betekent hem de inrichtende macht de schriftelijke motivatie van de desbetreffende beslissing.
§ 8 - De inrichtende macht omkleedt haar beslissing een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te beëindigen met redenen en betekent deze schriftelijk aan het personeelslid.
§ 9 - De artikelen 30 en 31 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die voor een doorlopende duur tijdelijk aangesteld zijn.]1
§ 1 - De personeelsleden die aan de voorwaarden m.b.t. de [3 fase van de instap in het beroep]3 gesteld in artikel 22 voldoen, hebben overeenkomstig de in voorliggend artikel vastgelegde voorwaarden recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het kader van de beschikbare betrekkingen. Dit recht heeft betrekking tot alle ambten [3 waarin de fase van de instap in het beroep wordt afgesloten]3.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de voltijds vastbenoemde personeelsleden.
§ 2 - Het personeelslid verliest het bij § 1 verworven recht, indien het tijdens vijf opéénvolgende schooljaren niet in dienstactiviteit in het betrokken ambt bij de betrokken inrichtende macht is geweest.
§ 3 - Het personeelslid dat met toepassing van artikel 79, 6°, ontslagen werd, heeft op grond van de vóór het ontslag geleverde prestaties geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
§ 4 - Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat ten laatste op 1 oktober van het lopende schooljaar in.
§ 5 - De inrichtende macht kent de definitief vacante betrekkingen met voorrang toe aan de personeelsleden die recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben.
[2 In afwijking van het eerste lid en alhoewel betrekkingen definitief vacant zijn, kan de inrichtende macht een personeelslid dat recht heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, indien het ermee eens is, in een niet vacante betrekking aanwijzen.
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is slechts mogelijk voor betrekkingen waarin voor het hele schooljaar moet worden voorzien.]2
§ 6 - Behoudens tegenstrijdige overeenkomst gesloten met de inrichtende macht en op straffe van verlies van het recht op een aanstelling van doorlopende duur aanvaardt het personeelslid de betrekking voor de hem aangeboden opdracht.
§ 7 - Tekent een personeelslid bezwaar aan tegen de tijdelijke aanstelling van een ander personeelslid, door zijn belang te doen blijken, dan betekent hem de inrichtende macht de schriftelijke motivatie van de desbetreffende beslissing.
§ 8 - De inrichtende macht omkleedt haar beslissing een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te beëindigen met redenen en betekent deze schriftelijk aan het personeelslid.
§ 9 - De artikelen 30 en 31 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die voor een doorlopende duur tijdelijk aangesteld zijn.]1
Art. 22bis. [1 Désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée
§ 1er - Conformément aux conditions fixées dans le présent article, les membres du personnel qui remplissent les conditions [3 de la phase d'entrée dans la profession]3 mentionnée à l'article 22 ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dans les limites des emplois disponibles. Ce droit vaut pour toutes les fonctions dans lesquelles [3 la phase d'entrée dans la profession est achevée]3.
Le droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée ne s'applique pas aux membres du personnel nommés à titre définitif pour un horaire complet.
§ 2 - Le membre du personnel perd le droit acquis conformément au § 1er s'il n'a pas, pendant cinq années scolaires consécutives, été en activité de service dans la fonction concernée auprès du pouvoir organisateur concerné.
§ 3 - Le membre du personnel licencié en application de l'article 79, 6°, n'a aucun droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée sur la base des prestations fournies avant le licenciement.
§ 4 - Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée prend effet au plus tard au 1er octobre de l'année scolaire en cours.
§ 5 - Le pouvoir organisateur attribue les emplois définitivement vacants en priorité aux membres du personnel qui ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée.
[2 Par dérogation au premier alinéa et bien que des emplois soient définitivement vacants, le pouvoir organisateur peut désigner dans un emploi non vacant un membre du personnel ayant droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée, si celui-ci marque son accord.
Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée ne peut intervenir que dans des emplois à pourvoir pour toute l'année scolaire.]2
§ 6 - Sous réserve d'accord contraire avec le pouvoir organisateur, et sous peine de perdre son droit une désignation pour une durée indéterminée, le membre du personnel accepte l'emploi pour le volume de prestations proposé.
§ 7 - Si un membre du personnel introduit un recours contre la désignation à titre temporaire d'un autre membre du personnel en motivant son intérêt, le pouvoir organisateur lui notifie par écrit la motivation de la décision en question.
§ 8 - Le pouvoir organisateur motive sa décision de mettre un terme à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée et la transmet par écrit au membre du personnel.
§ 9 - Les articles 30 et 31 ne s'appliquent pas aux membres du personnel désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée.]1
§ 1er - Conformément aux conditions fixées dans le présent article, les membres du personnel qui remplissent les conditions [3 de la phase d'entrée dans la profession]3 mentionnée à l'article 22 ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée dans les limites des emplois disponibles. Ce droit vaut pour toutes les fonctions dans lesquelles [3 la phase d'entrée dans la profession est achevée]3.
Le droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée ne s'applique pas aux membres du personnel nommés à titre définitif pour un horaire complet.
§ 2 - Le membre du personnel perd le droit acquis conformément au § 1er s'il n'a pas, pendant cinq années scolaires consécutives, été en activité de service dans la fonction concernée auprès du pouvoir organisateur concerné.
§ 3 - Le membre du personnel licencié en application de l'article 79, 6°, n'a aucun droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée sur la base des prestations fournies avant le licenciement.
§ 4 - Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée prend effet au plus tard au 1er octobre de l'année scolaire en cours.
§ 5 - Le pouvoir organisateur attribue les emplois définitivement vacants en priorité aux membres du personnel qui ont droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée.
[2 Par dérogation au premier alinéa et bien que des emplois soient définitivement vacants, le pouvoir organisateur peut désigner dans un emploi non vacant un membre du personnel ayant droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée, si celui-ci marque son accord.
Une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée ne peut intervenir que dans des emplois à pourvoir pour toute l'année scolaire.]2
§ 6 - Sous réserve d'accord contraire avec le pouvoir organisateur, et sous peine de perdre son droit une désignation pour une durée indéterminée, le membre du personnel accepte l'emploi pour le volume de prestations proposé.
§ 7 - Si un membre du personnel introduit un recours contre la désignation à titre temporaire d'un autre membre du personnel en motivant son intérêt, le pouvoir organisateur lui notifie par écrit la motivation de la décision en question.
§ 8 - Le pouvoir organisateur motive sa décision de mettre un terme à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée et la transmet par écrit au membre du personnel.
§ 9 - Les articles 30 et 31 ne s'appliquent pas aux membres du personnel désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée.]1
Art. 23. Titels, verdiensten en continuïteit.
Onverminderd artikel 22 vergelijkt de inrichtende macht vóór elke aanstelling steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs en de uitoefening van het betrokken ambt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met :
1° de beoordelingsstaten;
2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht [1 en/of dienstanciënniteit bij andere inrichtende machten respectievelijk de verdere beroepservaring]1;
3° bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);
4° voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud).
Wanneer de inrichtende macht haar beslissing neemt, houdt ze tegelijk rekening met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Bovendien worden de aanstellingen m.b.t. een volledig schooljaar vooraf gediscussieerd in het bevoegde overlegcomité.
Onverminderd artikel 22 vergelijkt de inrichtende macht vóór elke aanstelling steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs en de uitoefening van het betrokken ambt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met :
1° de beoordelingsstaten;
2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht [1 en/of dienstanciënniteit bij andere inrichtende machten respectievelijk de verdere beroepservaring]1;
3° bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);
4° voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud).
Wanneer de inrichtende macht haar beslissing neemt, houdt ze tegelijk rekening met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Bovendien worden de aanstellingen m.b.t. een volledig schooljaar vooraf gediscussieerd in het bevoegde overlegcomité.
Modifications
Art. 23. Titres, mérites et continuité
Sans préjudice de l'article 22, le pouvoir organisateur compare toujours, avant la désignation, les titres et mérites des candidats au moyen de critères objectifs, pertinents et appropriés, en relation avec l'enseignement ou utiles à l'exercice de la fonction concernée, notamment :
1° les bulletins de signalement;
2° l'ancienneté auprès du pouvoir organisateur [1 et/ou l'ancienneté auprès d'autres pouvoirs organisateurs ainsi que l'expérience professionnelle complémentaire]1;
3° les formations supplémentaires (nombre, durée et contenu);
4° les formations continuées (nombre, durée et contenu).
Lorsqu'il prend sa décision, le pouvoir organisateur tient parallèlement compte de la continuité indispensable au sein du personnel scolaire.
Les désignations qui couvrent plus d'une année scolaire complète sont discutées au préalable au sein du comité de concertation ad hoc.
Sans préjudice de l'article 22, le pouvoir organisateur compare toujours, avant la désignation, les titres et mérites des candidats au moyen de critères objectifs, pertinents et appropriés, en relation avec l'enseignement ou utiles à l'exercice de la fonction concernée, notamment :
1° les bulletins de signalement;
2° l'ancienneté auprès du pouvoir organisateur [1 et/ou l'ancienneté auprès d'autres pouvoirs organisateurs ainsi que l'expérience professionnelle complémentaire]1;
3° les formations supplémentaires (nombre, durée et contenu);
4° les formations continuées (nombre, durée et contenu).
Lorsqu'il prend sa décision, le pouvoir organisateur tient parallèlement compte de la continuité indispensable au sein du personnel scolaire.
Les désignations qui couvrent plus d'une année scolaire complète sont discutées au préalable au sein du comité de concertation ad hoc.
Modifications
Art. 24. (opgeheven)
Art. 24. (abrogé)
Art. 25. Kandidatuur.
§ 1. De kandidaat die voor het volgende schooljaar van zijn voorrangsrecht gebruik wenst te maken, moet zijn kandidatuur ten laatste op [2 30 april]2 per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs bij de inrichtende macht indienen.
Deze brief vermeldt o.a. de ambten waartoe de kandidatuur betrekking heeft. Bovendien moet de kandidaat de toereikende diensten bewijzen door de in artikel 35 bedoelde attesten bij te voegen.
Gaat het om een kandidatuur voor het ambt van leermeester of leraar godsdienst, dan betekent de inrichtende macht een afschrift van de kandidatuur aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst ter informatie.
§ 2. (Behoudens overmacht mag de kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem [3 overeenkomstig artikel 22]3 aangeboden wordt, tijdens het lopende schooljaar zijn [3 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur]3 voor deze betrekking niet meer doen gelden, voor zover de betrekking door dezelfde persoon bekleed blijft.)
[1 § 3 - Werd een personeelslid al één keer voor een doorlopende duur [3 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]3 effectief aangesteld, dan geldt deze aanstelling vanaf dit ogenblik als een over de volgende schooljaren heen lopende kandidatuur voor het betrokken ambt.]1
§ 1. De kandidaat die voor het volgende schooljaar van zijn voorrangsrecht gebruik wenst te maken, moet zijn kandidatuur ten laatste op [2 30 april]2 per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs bij de inrichtende macht indienen.
Deze brief vermeldt o.a. de ambten waartoe de kandidatuur betrekking heeft. Bovendien moet de kandidaat de toereikende diensten bewijzen door de in artikel 35 bedoelde attesten bij te voegen.
Gaat het om een kandidatuur voor het ambt van leermeester of leraar godsdienst, dan betekent de inrichtende macht een afschrift van de kandidatuur aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst ter informatie.
§ 2. (Behoudens overmacht mag de kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem [3 overeenkomstig artikel 22]3 aangeboden wordt, tijdens het lopende schooljaar zijn [3 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur]3 voor deze betrekking niet meer doen gelden, voor zover de betrekking door dezelfde persoon bekleed blijft.)
[1 § 3 - Werd een personeelslid al één keer voor een doorlopende duur [3 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]3 effectief aangesteld, dan geldt deze aanstelling vanaf dit ogenblik als een over de volgende schooljaren heen lopende kandidatuur voor het betrokken ambt.]1
Art. 25. Candidature.
§ 1er - Le candidat qui, pour l'année scolaire suivante, souhaite faire usage de son droit de priorité introduit, pour [2 le 30 avril]2 au plus tard, sa candidature auprès du pouvoir organisateur par lettre recommandée ou par lettre avec récépissé.
Cette lettre mentionne entre autres les fonctions auxquelles se rapporte la candidature. Le candidat apporte la preuve des services suffisants en joignant les attestations visées à l'article 35.
S'il s'agit d'une candidature pour la fonction de maître ou professeur de religion, le pouvoir organisateur transmet pour information une copie de la candidature à l'autorité compétente pour le culte concerné.
§ 2 - (Sauf cas de force majeure, le candidat qui n'accepte pas l'emploi qui lui est proposé conformément [3 à l'article 22]3 ne peut plus faire valoir [3 son droit à la désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée]3 pour cet emploi pendant l'année scolaire en cours dans la mesure où l'emploi reste occupé par la même personne.)
[1 § 3 - Si un membre du personnel a été effectivement désigné une première fois pour une durée indéterminée [3 conformément à l'article 22.1 ou à l'article 22bis]3, cette désignation équivaut à une candidature pour la fonction concernée, à partir de ce moment et pour les années scolaires suivantes.]1
§ 1er - Le candidat qui, pour l'année scolaire suivante, souhaite faire usage de son droit de priorité introduit, pour [2 le 30 avril]2 au plus tard, sa candidature auprès du pouvoir organisateur par lettre recommandée ou par lettre avec récépissé.
Cette lettre mentionne entre autres les fonctions auxquelles se rapporte la candidature. Le candidat apporte la preuve des services suffisants en joignant les attestations visées à l'article 35.
S'il s'agit d'une candidature pour la fonction de maître ou professeur de religion, le pouvoir organisateur transmet pour information une copie de la candidature à l'autorité compétente pour le culte concerné.
§ 2 - (Sauf cas de force majeure, le candidat qui n'accepte pas l'emploi qui lui est proposé conformément [3 à l'article 22]3 ne peut plus faire valoir [3 son droit à la désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée]3 pour cet emploi pendant l'année scolaire en cours dans la mesure où l'emploi reste occupé par la même personne.)
[1 § 3 - Si un membre du personnel a été effectivement désigné une première fois pour une durée indéterminée [3 conformément à l'article 22.1 ou à l'article 22bis]3, cette désignation équivaut à une candidature pour la fonction concernée, à partir de ce moment et pour les années scolaires suivantes.]1
Art. 26. Berekening van de dienstanciënniteit.
§ 1. (De dienstanciënniteit bedoeld in artikel 22 wordt elk jaar op 30 april berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 48, [2 ...]2 [2 , waarbij de diensten gepresteerd in het kader van de afwijking bepaald in artikel 20bis, tweede lid, niet in aanmerking worden genomen]2.)
§ 2. [1 Wordt er, met toepassing van de artikelen 30, 31 en 32, door afdanking of ontslagneming een einde gemaakt aan een aanstelling, dan worden de vóór deze afdanking of ontslagneming bij de inrichtende macht gepresteerde dienstdagen niet in aanmerking genomen om de in lid 1 bedoelde dienstanciënniteit te berekenen, tenzij deze inrichtende macht het afgedankte personeelslid weer aanstelt of met toepassing van artikel 30, § 3, lid 4, de afdanking na advies van de raad van beroep niet bekrachtigt.]1
Behalve bij ontslag om een dringende reden komen deze dienstdagen altijd in aanmerking bij een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs. (NOTA : onderhavig lid 2 werd hersteld rekening houdend met DDG 2009-05-25/27, art. 114.)
§ 1. (De dienstanciënniteit bedoeld in artikel 22 wordt elk jaar op 30 april berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 48, [2 ...]2 [2 , waarbij de diensten gepresteerd in het kader van de afwijking bepaald in artikel 20bis, tweede lid, niet in aanmerking worden genomen]2.)
§ 2. [1 Wordt er, met toepassing van de artikelen 30, 31 en 32, door afdanking of ontslagneming een einde gemaakt aan een aanstelling, dan worden de vóór deze afdanking of ontslagneming bij de inrichtende macht gepresteerde dienstdagen niet in aanmerking genomen om de in lid 1 bedoelde dienstanciënniteit te berekenen, tenzij deze inrichtende macht het afgedankte personeelslid weer aanstelt of met toepassing van artikel 30, § 3, lid 4, de afdanking na advies van de raad van beroep niet bekrachtigt.]1
Behalve bij ontslag om een dringende reden komen deze dienstdagen altijd in aanmerking bij een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs. (NOTA : onderhavig lid 2 werd hersteld rekening houdend met DDG 2009-05-25/27, art. 114.)
Art. 26. Calcul de l'ancienneté de service.
§ 1er - [L'ancienneté visée à l'article 22 est calculée au 30 avril de chaque année conformément aux dispositions de l'article 48 [2 ...]2 [2 , les services prestés en raison d'une dérogation prévue à l'article 20bis, alinéa 2, n'étant pas pris en compte.]2 ]
§ 2. [1 S'il est mis fin à une désignation par licenciement ou résiliation en application des articles 30, 31 et 32, les jours d'activité de service prestés auprès du pouvoir organisateur avant le licenciement ou la résiliation ne sont pas pris en considération pour calculer l'ancienneté visée au premier alinéa sauf si le membre du personnel est à nouveau désigne ou si le pouvoir organisateur, après avis de la chambre de recours, ne confirme pas le licenciement en application de l'article 30, § 3, alinéa 4.]1
Sauf en cas de licenciement pour faute grave, les jours de service sont toujours pris en considération auprès d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné. (NOTE ; le présent alinéa a été rétabli compte tenu du DCG 2009-05-25/27, art. 114.)
§ 1er - [L'ancienneté visée à l'article 22 est calculée au 30 avril de chaque année conformément aux dispositions de l'article 48 [2 ...]2 [2 , les services prestés en raison d'une dérogation prévue à l'article 20bis, alinéa 2, n'étant pas pris en compte.]2 ]
§ 2. [1 S'il est mis fin à une désignation par licenciement ou résiliation en application des articles 30, 31 et 32, les jours d'activité de service prestés auprès du pouvoir organisateur avant le licenciement ou la résiliation ne sont pas pris en considération pour calculer l'ancienneté visée au premier alinéa sauf si le membre du personnel est à nouveau désigne ou si le pouvoir organisateur, après avis de la chambre de recours, ne confirme pas le licenciement en application de l'article 30, § 3, alinéa 4.]1
Sauf en cas de licenciement pour faute grave, les jours de service sont toujours pris en considération auprès d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné. (NOTE ; le présent alinéa a été rétabli compte tenu du DCG 2009-05-25/27, art. 114.)
Art. 27. Openbaarmaking van vacante betrekkingen.
Binnen 15 dagen na ingang van een vacature of na de dag waarop in een niet vacante betrekking voor een minimale periode van 15 weken moet worden voorzien, deelt de inrichtende macht aan de [1 door de Regering bepaalde dienst]1 de te begeven betrekkingen mede, voor zover deze niet aan de kandidaten zoals bedoeld in (artikel 22) kunnen worden toegewezen.
Op gewoon verzoek van de kandidaten geklasseerd overeenkomstig (artikel 22) informeert hen de inrichtende macht over de klassering van de personeelsleden die met toepassing van (artikel 22) zijn aangesteld en wier klassering op basis van de in artikel 35 bedoelde dienstattesten gebeurde.
Binnen 15 dagen na ingang van een vacature of na de dag waarop in een niet vacante betrekking voor een minimale periode van 15 weken moet worden voorzien, deelt de inrichtende macht aan de [1 door de Regering bepaalde dienst]1 de te begeven betrekkingen mede, voor zover deze niet aan de kandidaten zoals bedoeld in (artikel 22) kunnen worden toegewezen.
Op gewoon verzoek van de kandidaten geklasseerd overeenkomstig (artikel 22) informeert hen de inrichtende macht over de klassering van de personeelsleden die met toepassing van (artikel 22) zijn aangesteld en wier klassering op basis van de in artikel 35 bedoelde dienstattesten gebeurde.
Modifications
Art. 27. Communication.
Dans un délai de quinze jours à dater de la vacance ou du jour à partir duquel un emploi non vacant doit être occupé à titre temporaire pour une période d'au moins quinze semaines, le pouvoir organisateur communique les emplois à conférer à [1 au service désigné par le Gouvernement ]1, dans la mesure où ils ne peuvent être confiés aux candidats mentionnés (à l'article 22).
Sur simple demande des candidats classés conformément (à l'article 22), le pouvoir organisateur communique le classement des membres du personnel désignés en application (de l'article 22), classement effectué sur la base des attestations de service visées à l'article 35.
Dans un délai de quinze jours à dater de la vacance ou du jour à partir duquel un emploi non vacant doit être occupé à titre temporaire pour une période d'au moins quinze semaines, le pouvoir organisateur communique les emplois à conférer à [1 au service désigné par le Gouvernement ]1, dans la mesure où ils ne peuvent être confiés aux candidats mentionnés (à l'article 22).
Sur simple demande des candidats classés conformément (à l'article 22), le pouvoir organisateur communique le classement des membres du personnel désignés en application (de l'article 22), classement effectué sur la base des attestations de service visées à l'article 35.
Modifications
Onderafdeling 3. - Beoordelingsstaat.
Sous-section 3. - Bulletin de signalement.
Art. 28. [1 Beoordelingsstaat en beroepsmogelijkheid.
§ 1. Een tijdelijk personeelslid wordt elk schooljaar waarin het voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken in dienstactiviteit was en effectieve diensten heeft gepresteerd, door het inrichtingshoofd of de directeur beoordeeld.
In afwijking van lid 1 kan het inrichtingshoofd of de directeur ook een personeelslid beoordelen dat minder dan vijftien weken in dienstactiviteit was en effectieve diensten heeft gepresteerd, waarbij het inrichtingshoofd of de directeur erover waakt, dat de gepresteerde diensten een minimum aan continuïteit tonen.
In afwijking van lid 1 wordt een beoordeling om de twee schooljaren uitgevoerd voor de personeelsleden die overeenkomstig artikel 22 zijn aangesteld, tenzij ze aan een andere school worden geaffecteerd.
In afwijking van het eerste lid worden de personeelsleden die overeenkomstig artikel 22bis aangesteld zijn, ten minste om de drie schooljaren beoordeeld. Staat op de beoordelingsstaat de vermelding "onvoldoende" of "niet tevredenstellend" als eindconclusie, dan wordt in de loop van het daaropvolgende schooljaar een nieuwe beoordeling uitgevoerd.
Het personeelslid kan zo'n beoordeling schriftelijk bij het inrichtingshoofd resp. de directeur aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - In het geval vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, c), maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen beoordeelt of het personeelslid geschikt is om het ambt uit te oefenen.
In het geval vermeld in artikel 22, eerste lid, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie zich bij de beoordeling beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over [3 de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs]3 kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen de aspecten vermeld in het tweede lid beoordeelt.]2
§ 2. De beoordeling geschiedt via een met redenen omklede beoordelingsstaat die o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties, alsmede over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de school inzet. Er wordt inzonderheid naar de mate onderzocht waarin het personeelslid de opdracht resp. verplichtingen vervult die hem door wet, decreet, besluit, verordening en aanstellingsakte worden opgelegd. De beoordelingsstaat heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
Voor de beoordeling van een personeelslid kan zich het inrichtingshoofd baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat een bevorderings- of selectieambt bekleedt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen.
De beoordeling van een leermeester of leraar godsdienst door het inrichtingshoofd betreft niet de vakdidactische bekwaamheden noch de inhoud van de cursussen. Deze worden uitsluitend door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst geëvalueerd.
Het model van de beoordelingsstaat wordt door de Regering vastgelegd.
§ 3. [2 Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt het personeelslid de beoordelingsstaat ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. Het personeelslid heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van de beoordelingsstaat om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij de beoordelingsstaat gevoegd. Het personeelslid dateert de beoordelingsstaat, ondertekent hem en geeft hem [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst terug.
Als het personeelslid de beoordelingsstaat en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt, dan geldt de beoordelingsstaat [2 opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2.
Ten laatste op 15 mei zendt [2 het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst de beoordelingsstaat, samen met de opmerkingen van het personeelslid, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de inrichtende macht toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Wordt bij de inrichtende macht tot 15 mei van het lopende schooljaar geen exemplaar van de [2 overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1]2 opgestelde beoordelingsstaat ingediend, dan is de beoordelingsstaat ongeldig en krijgt het personeelslid de vermelding van de laatste beoordelingsstaat. Als zo'n beoordelingsstaat niet bestaat, dan krijgt het personeelslid de vermelding "goed".
De beoordelingsstaat wordt in drie exemplaren opgesteld. Het personeelslid ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. Het personeelslid kan de beoordelingsstaat van [2 het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door het inrichtingshoofd beroep vóór de raad van beroep aantekenen.
In afwijking van lid 1 kan het personeelslid geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 4, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing aan het personeelslid. Ze vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.]1
§ 1. Een tijdelijk personeelslid wordt elk schooljaar waarin het voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken in dienstactiviteit was en effectieve diensten heeft gepresteerd, door het inrichtingshoofd of de directeur beoordeeld.
In afwijking van lid 1 kan het inrichtingshoofd of de directeur ook een personeelslid beoordelen dat minder dan vijftien weken in dienstactiviteit was en effectieve diensten heeft gepresteerd, waarbij het inrichtingshoofd of de directeur erover waakt, dat de gepresteerde diensten een minimum aan continuïteit tonen.
In afwijking van lid 1 wordt een beoordeling om de twee schooljaren uitgevoerd voor de personeelsleden die overeenkomstig artikel 22 zijn aangesteld, tenzij ze aan een andere school worden geaffecteerd.
In afwijking van het eerste lid worden de personeelsleden die overeenkomstig artikel 22bis aangesteld zijn, ten minste om de drie schooljaren beoordeeld. Staat op de beoordelingsstaat de vermelding "onvoldoende" of "niet tevredenstellend" als eindconclusie, dan wordt in de loop van het daaropvolgende schooljaar een nieuwe beoordeling uitgevoerd.
Het personeelslid kan zo'n beoordeling schriftelijk bij het inrichtingshoofd resp. de directeur aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - In het geval vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, c), maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen beoordeelt of het personeelslid geschikt is om het ambt uit te oefenen.
In het geval vermeld in artikel 22, eerste lid, 4°, maken het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie zich bij de beoordeling beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de beoordeling van een personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over [3 de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs]3 kan de onderwijsinspectie een beoordeling laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke beoordeling, waarbij de onderwijsinspectie alleen de aspecten vermeld in het tweede lid beoordeelt.]2
§ 2. De beoordeling geschiedt via een met redenen omklede beoordelingsstaat die o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties, alsmede over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de school inzet. Er wordt inzonderheid naar de mate onderzocht waarin het personeelslid de opdracht resp. verplichtingen vervult die hem door wet, decreet, besluit, verordening en aanstellingsakte worden opgelegd. De beoordelingsstaat heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
Voor de beoordeling van een personeelslid kan zich het inrichtingshoofd baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat een bevorderings- of selectieambt bekleedt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen.
De beoordeling van een leermeester of leraar godsdienst door het inrichtingshoofd betreft niet de vakdidactische bekwaamheden noch de inhoud van de cursussen. Deze worden uitsluitend door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst geëvalueerd.
Het model van de beoordelingsstaat wordt door de Regering vastgelegd.
§ 3. [2 Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt het personeelslid de beoordelingsstaat ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. Het personeelslid heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van de beoordelingsstaat om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij de beoordelingsstaat gevoegd. Het personeelslid dateert de beoordelingsstaat, ondertekent hem en geeft hem [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst terug.
Als het personeelslid de beoordelingsstaat en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt, dan geldt de beoordelingsstaat [2 opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2.
Ten laatste op 15 mei zendt [2 het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst de beoordelingsstaat, samen met de opmerkingen van het personeelslid, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de inrichtende macht toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Wordt bij de inrichtende macht tot 15 mei van het lopende schooljaar geen exemplaar van de [2 overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1]2 opgestelde beoordelingsstaat ingediend, dan is de beoordelingsstaat ongeldig en krijgt het personeelslid de vermelding van de laatste beoordelingsstaat. Als zo'n beoordelingsstaat niet bestaat, dan krijgt het personeelslid de vermelding "goed".
De beoordelingsstaat wordt in drie exemplaren opgesteld. Het personeelslid ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. Het personeelslid kan de beoordelingsstaat van [2 het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door het inrichtingshoofd beroep vóór de raad van beroep aantekenen.
In afwijking van lid 1 kan het personeelslid geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 4, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing aan het personeelslid. Ze vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.]1
Art. 28. [1 Bulletin de signalement et possibilité de recours.
§ 1er. Un membre du personnel temporaire est évalué par le chef d'établissement ou le directeur chaque année scolaire où il compte une période ininterrompue d'au moins quinze semaines d'activité de service et a presté des services effectifs.
Par dérogation au premier alinéa, le chef d'établissement ou le directeur peut aussi évaluer un membre du personnel qui a été en activité de service et a presté des services effectifs durant moins de quinze semaines, en veillant à ce que les services prestés montrent un minimum de continuité.
Par dérogation au premier alinéa, les membres du personnel désignés conformément à l'article 22 sont évalués toutes les deux années scolaires, à moins qu'ils ne soient affectés auprès d'une autre école.
Par dérogation au premier alinéa, une évaluation a lieu au moins tous les trois ans pour les membres du personnel qui ont été désignés conformément à l'article 22bis. Si l'évaluation porte en conclusion la mention "insatisfaisant" ou "insuffisant", une nouvelle évaluation a lieu l'année suivante.
Le membre du personnel peut demander une telle évaluation par écrit auprès du chef d'établissement ou du directeur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - Dans le cas mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, c), le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire portant uniquement sur l'aptitude professionnelle du membre du personnel à exercer la fonction.
Dans le cas mentionné à l'article 22, alinéa 1er, 4°, le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire [3 , la guidance en développement scolaire et la guidance pour l'inclusion et l'intégration]3, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects mentionnés au deuxième alinéa.]2
§ 2. L'évaluation se présente sous la forme d'un bulletin de signalement motivé comprenant entre autres des renseignements sur la fonction exercée et la durée des prestations fournies ainsi que sur les capacités, les prestations et l'engagement du membre du personnel pour l'école. L'on examine notamment la mesure dans laquelle le membre du personnel remplit la mission ou les obligations lui imposées par loi, décret, arrêté ou règlement et par son acte de désignation. Le bulletin porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
Lors de l'évaluation d'un membre du personnel, le chef d'établissement peut se baser sur le rapport écrit d'un autre membre du personnel occupant une fonction de sélection ou de promotion et qu'il a chargé par écrit d'établir un tel rapport sur le travail du membre du personnel concerné.
L'évaluation des maîtres et professeurs de religion par le chef d'établissement ne porte ni sur leurs aptitudes didactiques pour leur spécialité ni sur le contenu de leurs cours. L'évaluation de ces domaines relève exclusivement de l'autorité compétente pour le culte concerné.
Le modèle du bulletin de signalement est fixé par le Gouvernement.
§ 3. [2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, remet le bulletin au membre du personnel au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le membre du personnel dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le bulletin et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au bulletin. Le membre du personnel date et signe le bulletin et le remet [2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas.
Si le membre du personnel ne remet pas le bulletin et ses remarques [2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le bulletin [2 du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas,]2 qui prévaut.
[2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, adresse le bulletin et les remarques du membre du personnel au pouvoir organisateur, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le pouvoir organisateur ne dispose pas d'un exemplaire du bulletin établi [2 conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou conformément au § 1.1]2, le bulletin est nul et le membre du personnel obtient la mention du dernier bulletin. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le bulletin est établi en trois exemplaires. Le membre du personnel signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le membre du personnel peut signer le bulletin du chef d'établissement ou du directeur sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance [2 par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas]2.
Par dérogation au premier alinéa, le membre du personnel ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Dans un délai de dix jours à dater de la réception de l'avis, le pouvoir organisateur communique sa décision définitive au membre du personnel. S'il ne suit pas l'avis, il en indique les raisons.
Le recours est suspensif.]1
§ 1er. Un membre du personnel temporaire est évalué par le chef d'établissement ou le directeur chaque année scolaire où il compte une période ininterrompue d'au moins quinze semaines d'activité de service et a presté des services effectifs.
Par dérogation au premier alinéa, le chef d'établissement ou le directeur peut aussi évaluer un membre du personnel qui a été en activité de service et a presté des services effectifs durant moins de quinze semaines, en veillant à ce que les services prestés montrent un minimum de continuité.
Par dérogation au premier alinéa, les membres du personnel désignés conformément à l'article 22 sont évalués toutes les deux années scolaires, à moins qu'ils ne soient affectés auprès d'une autre école.
Par dérogation au premier alinéa, une évaluation a lieu au moins tous les trois ans pour les membres du personnel qui ont été désignés conformément à l'article 22bis. Si l'évaluation porte en conclusion la mention "insatisfaisant" ou "insuffisant", une nouvelle évaluation a lieu l'année suivante.
Le membre du personnel peut demander une telle évaluation par écrit auprès du chef d'établissement ou du directeur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - Dans le cas mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, c), le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire portant uniquement sur l'aptitude professionnelle du membre du personnel à exercer la fonction.
Dans le cas mentionné à l'article 22, alinéa 1er, 4°, le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.
A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe au signalement d'un membre du personnel. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement au signalement.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément au chapitre 2, section 3, du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire [3 , la guidance en développement scolaire et la guidance pour l'inclusion et l'intégration]3, l'inspection scolaire peut ordonner un signalement. Le signalement est mené conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, le signalement de l'inspection scolaire se limitant aux aspects mentionnés au deuxième alinéa.]2
§ 2. L'évaluation se présente sous la forme d'un bulletin de signalement motivé comprenant entre autres des renseignements sur la fonction exercée et la durée des prestations fournies ainsi que sur les capacités, les prestations et l'engagement du membre du personnel pour l'école. L'on examine notamment la mesure dans laquelle le membre du personnel remplit la mission ou les obligations lui imposées par loi, décret, arrêté ou règlement et par son acte de désignation. Le bulletin porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
Lors de l'évaluation d'un membre du personnel, le chef d'établissement peut se baser sur le rapport écrit d'un autre membre du personnel occupant une fonction de sélection ou de promotion et qu'il a chargé par écrit d'établir un tel rapport sur le travail du membre du personnel concerné.
L'évaluation des maîtres et professeurs de religion par le chef d'établissement ne porte ni sur leurs aptitudes didactiques pour leur spécialité ni sur le contenu de leurs cours. L'évaluation de ces domaines relève exclusivement de l'autorité compétente pour le culte concerné.
Le modèle du bulletin de signalement est fixé par le Gouvernement.
§ 3. [2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, remet le bulletin au membre du personnel au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le membre du personnel dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le bulletin et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au bulletin. Le membre du personnel date et signe le bulletin et le remet [2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas.
Si le membre du personnel ne remet pas le bulletin et ses remarques [2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le bulletin [2 du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas,]2 qui prévaut.
[2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, adresse le bulletin et les remarques du membre du personnel au pouvoir organisateur, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le pouvoir organisateur ne dispose pas d'un exemplaire du bulletin établi [2 conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou conformément au § 1.1]2, le bulletin est nul et le membre du personnel obtient la mention du dernier bulletin. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le bulletin est établi en trois exemplaires. Le membre du personnel signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le membre du personnel peut signer le bulletin du chef d'établissement ou du directeur sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance [2 par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas]2.
Par dérogation au premier alinéa, le membre du personnel ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Dans un délai de dix jours à dater de la réception de l'avis, le pouvoir organisateur communique sa décision définitive au membre du personnel. S'il ne suit pas l'avis, il en indique les raisons.
Le recours est suspensif.]1
Onderafdeling 4. - Beëindiging van de tijdelijke aanstelling.
Sous-section 4. - Cessation de la désignation à titre temporaire.
Art. 29. Beëindiging van rechtswege.
Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege voor het geheel of een deel van de opdracht :
1° [3 bij de terugkeer van een titularis van een betrekking of van een personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]3
2° op het ogenblik dat [3 een betrekking]3 van het tijdelijk personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid :
a) door toepassing van de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie;
b) door mutatie;
c) door vaste benoeming;
3° op het ogenblik dat [3 een betrekking]3 bekleed door het tijdelijk personeelslid, om redenen die onafhankelijk zijn van de inrichtende macht, voor het geheel of voor een gedeelte ervan niet meer kan worden gesubsidieerd;
4° [2 voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel van de onderwijsinrichtingen uiterlijk op de laatste schooldag van het schooljaar in de loop waarvan de aanstelling gebeurd is, evenals voor de leden van het administratief personeel en voor de leraar-mediathecaris van een onderwijsinrichting en personeelsleden van een PMS-centrum op 31 augustus.]2 [1 Deze bepaling geldt niet voor de personeelsleden die voor een doorlopende duur [4 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]4 aangesteld zijn.]1
5° [3 ...]3
[1 6° [3 ...]3
7° op 30 juni van het schooljaar waar het voor een doorlopende duur [4 overeenkomstig artikel 22.1]4 tijdelijk aangesteld personeelslid de beoordeling "niet tevredenstellend" krijgt [4 ...]4 ;]1
[4 8° op 30 juni van het schooljaar waarin het overeenkomstig artikel 22bis voor een doorlopende duur tijdelijk aangesteld personeelslid de beoordeling "niet tevredenstellend" krijgt, indien het al in het voorafgaand schooljaar de beoordeling "niet tevredenstellend" of "onvoldoende" had gekregen.]4
[3 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden de betrekkingen in het betrokken ambt afgebouwd in omgekeerde volgorde van de rangschikking die voortvloeit uit de vergelijking van de titels en verdiensten vermeld in artikel 23.]3
Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege voor het geheel of een deel van de opdracht :
1° [3 bij de terugkeer van een titularis van een betrekking of van een personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]3
2° op het ogenblik dat [3 een betrekking]3 van het tijdelijk personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid :
a) door toepassing van de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie;
b) door mutatie;
c) door vaste benoeming;
3° op het ogenblik dat [3 een betrekking]3 bekleed door het tijdelijk personeelslid, om redenen die onafhankelijk zijn van de inrichtende macht, voor het geheel of voor een gedeelte ervan niet meer kan worden gesubsidieerd;
4° [2 voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel van de onderwijsinrichtingen uiterlijk op de laatste schooldag van het schooljaar in de loop waarvan de aanstelling gebeurd is, evenals voor de leden van het administratief personeel en voor de leraar-mediathecaris van een onderwijsinrichting en personeelsleden van een PMS-centrum op 31 augustus.]2 [1 Deze bepaling geldt niet voor de personeelsleden die voor een doorlopende duur [4 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]4 aangesteld zijn.]1
5° [3 ...]3
[1 6° [3 ...]3
7° op 30 juni van het schooljaar waar het voor een doorlopende duur [4 overeenkomstig artikel 22.1]4 tijdelijk aangesteld personeelslid de beoordeling "niet tevredenstellend" krijgt [4 ...]4 ;]1
[4 8° op 30 juni van het schooljaar waarin het overeenkomstig artikel 22bis voor een doorlopende duur tijdelijk aangesteld personeelslid de beoordeling "niet tevredenstellend" krijgt, indien het al in het voorafgaand schooljaar de beoordeling "niet tevredenstellend" of "onvoldoende" had gekregen.]4
[3 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden de betrekkingen in het betrokken ambt afgebouwd in omgekeerde volgorde van de rangschikking die voortvloeit uit de vergelijking van de titels en verdiensten vermeld in artikel 23.]3
Art. 29. _ Cessation d'office.
Une désignation à titre temporaire dans une fonction de recrutement prend fin d'office pour l'ensemble ou pour une partie de la charge :
1° [3 au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement;]3;
2° [3 au moment où un emploi d'un des membres du personnel temporaire est attribué totalement ou partiellement à un autre membre du personnel :]3
a) par application de la réglementation sur la mise en disponibilité par défaut d'emploi et sur la réaffectation;
b) à la suite d'une mutation;
c) à la suite d'une nomination à titre définitif;
3° [3 au moment où un emploi occupé par un membre du personnel temporaire ne peut plus, pour des raisons indépendantes du pouvoir organisateur, être entièrement ou partiellement subventionné;]3
4° [2 pour les membres du personnel de direction et du corps enseignant, du personnel d'aide à l'éducation, du personnel paramédical et socio-psychologique de l'établissement scolaire, au plus tard le dernier jour de l'année scolaire, dans le courant de laquelle l'embauche est intervenue, ainsi que pour les membres du personnel administratif et pour le professeur-médiathécaire d'un établissement scolaire et pour les membres du personnel d'un centre psycho-médico-social, au 31 août.]2 [1 Cette disposition ne s'applique pas aux membres du personnel désignés pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22.1 ou l'article 22bis]4;]1
5° [3 ...]3
[1 6°[3 ...]3
7° au 30 juin de l'année scolaire où le membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22.1]4 obtient l'évaluation " insuffisant " [4 ...]4;]1
[4 8° au 30 juin de l'année scolaire où le membre du personnel désigné pour une durée indéterminée conformément à l'article 22bis obtient l'évaluation "insuffisant" alors qu'il avait déjà obtenu l'évaluation "insatisfaisant" ou "insuffisant" l'année scolaire précédente.]4
[3 Dans les cas mentionnés à l'alinéa 1er, 1° à 3°, les emplois de la fonction concernée sont supprimés dans l'ordre inverse du classement résultant de la comparaison des titres et mérites mentionnée à l'article 23.]3
Une désignation à titre temporaire dans une fonction de recrutement prend fin d'office pour l'ensemble ou pour une partie de la charge :
1° [3 au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement;]3;
2° [3 au moment où un emploi d'un des membres du personnel temporaire est attribué totalement ou partiellement à un autre membre du personnel :]3
a) par application de la réglementation sur la mise en disponibilité par défaut d'emploi et sur la réaffectation;
b) à la suite d'une mutation;
c) à la suite d'une nomination à titre définitif;
3° [3 au moment où un emploi occupé par un membre du personnel temporaire ne peut plus, pour des raisons indépendantes du pouvoir organisateur, être entièrement ou partiellement subventionné;]3
4° [2 pour les membres du personnel de direction et du corps enseignant, du personnel d'aide à l'éducation, du personnel paramédical et socio-psychologique de l'établissement scolaire, au plus tard le dernier jour de l'année scolaire, dans le courant de laquelle l'embauche est intervenue, ainsi que pour les membres du personnel administratif et pour le professeur-médiathécaire d'un établissement scolaire et pour les membres du personnel d'un centre psycho-médico-social, au 31 août.]2 [1 Cette disposition ne s'applique pas aux membres du personnel désignés pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22.1 ou l'article 22bis]4;]1
5° [3 ...]3
[1 6°[3 ...]3
7° au 30 juin de l'année scolaire où le membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22.1]4 obtient l'évaluation " insuffisant " [4 ...]4;]1
[4 8° au 30 juin de l'année scolaire où le membre du personnel désigné pour une durée indéterminée conformément à l'article 22bis obtient l'évaluation "insuffisant" alors qu'il avait déjà obtenu l'évaluation "insatisfaisant" ou "insuffisant" l'année scolaire précédente.]4
[3 Dans les cas mentionnés à l'alinéa 1er, 1° à 3°, les emplois de la fonction concernée sont supprimés dans l'ordre inverse du classement résultant de la comparaison des titres et mérites mentionnée à l'article 23.]3
Art. 30. Voortijdige afdanking en beroepsmogelijkheid.
§ 1 - Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan met inachtneming van een opzeggingstermijn van [1 dertig]1 dagen door de inrichtende macht voortijdig ontslagen worden. De afdanking moet met redenen omkleed worden.
§ 2 - (Na overleg met de inrichtende macht en voorafgaand verhoor van het personeelslid overhandigt hem het inrichtingshoofd of de directeur van het PMS-centrum het schriftelijk vastgesteld voorstel tot afdanking in tweevoud. Het personeelslid dateert het voorstel, ondertekent het om te bekrachtigen dat het het voorstel ter kennis heeft genomen en geeft op dezelfde dag een exemplaar terug aan het inrichtingshoofd of aan de directeur van het PMS-centrum. Is het personeelslid het niet eens met het voorstel tot afdanking, dan vermeldt het er " ben er niet mee eens " op.)
Op dezelfde dag laat het inrichtingshoofd of de directeur van het PMS-centrum dit voorstel aan de inrichtende macht toekomen die binnen 10 dagen het voorstel verwerpt of de afdanking aan het personeelslid per aangetekende brief betekent. Die aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
In geval van afdanking wordt de Regering onmiddellijk op de hoogte ervan gebracht.
§ 3 - Het personeelslid aan wie de afdanking betekend is en wie met toepassing van (artikel 22) tijdelijk aangesteld is, mag binnen tien dagen na de betekening een beroep bij de inrichtende macht aantekenen. De inrichtende macht zendt het beroep onmiddellijk aan de bevoegde raad van beroep met een verzoek om een met redenen omkleed advies.
Het beroep is niet opschortend.
Binnen 45 dagen na de datum waarop de raad van beroep het beroep heeft ontvangen, betekent hij de inrichtende macht zijn met redenen omkleed advies.
Binnen 15 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede. De inrichtende macht vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt. Ziet de inrichtende macht ervan af de afdanking te bekrachtigen, dan geldt het personeelslid met terugwerkende kracht tot de dag van de afdanking als opnieuw in dienst opgenomen.
§ 4 - Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, dient de inrichtende macht van de onderwijsinrichting steeds het advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst in te winnen, indien die instantie bestaat.
§ 1 - Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan met inachtneming van een opzeggingstermijn van [1 dertig]1 dagen door de inrichtende macht voortijdig ontslagen worden. De afdanking moet met redenen omkleed worden.
§ 2 - (Na overleg met de inrichtende macht en voorafgaand verhoor van het personeelslid overhandigt hem het inrichtingshoofd of de directeur van het PMS-centrum het schriftelijk vastgesteld voorstel tot afdanking in tweevoud. Het personeelslid dateert het voorstel, ondertekent het om te bekrachtigen dat het het voorstel ter kennis heeft genomen en geeft op dezelfde dag een exemplaar terug aan het inrichtingshoofd of aan de directeur van het PMS-centrum. Is het personeelslid het niet eens met het voorstel tot afdanking, dan vermeldt het er " ben er niet mee eens " op.)
Op dezelfde dag laat het inrichtingshoofd of de directeur van het PMS-centrum dit voorstel aan de inrichtende macht toekomen die binnen 10 dagen het voorstel verwerpt of de afdanking aan het personeelslid per aangetekende brief betekent. Die aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
In geval van afdanking wordt de Regering onmiddellijk op de hoogte ervan gebracht.
§ 3 - Het personeelslid aan wie de afdanking betekend is en wie met toepassing van (artikel 22) tijdelijk aangesteld is, mag binnen tien dagen na de betekening een beroep bij de inrichtende macht aantekenen. De inrichtende macht zendt het beroep onmiddellijk aan de bevoegde raad van beroep met een verzoek om een met redenen omkleed advies.
Het beroep is niet opschortend.
Binnen 45 dagen na de datum waarop de raad van beroep het beroep heeft ontvangen, betekent hij de inrichtende macht zijn met redenen omkleed advies.
Binnen 15 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede. De inrichtende macht vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt. Ziet de inrichtende macht ervan af de afdanking te bekrachtigen, dan geldt het personeelslid met terugwerkende kracht tot de dag van de afdanking als opnieuw in dienst opgenomen.
§ 4 - Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, dient de inrichtende macht van de onderwijsinrichting steeds het advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst in te winnen, indien die instantie bestaat.
Modifications
Art. 30. Licenciement anticipé et possibilité de recours.
§ 1er - Le membre du personnel désigné à titre temporaire peut être licencié anticipativement par le pouvoir organisateur moyennant un préavis de [1 trente]1 jours. Le licenciement doit être motivé.
§ 2 - (Après concertation avec le pouvoir organisateur et après avoir entendu le membre du personnel, le chef d'établissement ou, suivant le cas, le directeur du centre PMS lui remet la proposition de licenciement, consignée par écrit, en double exemplaire. Le membre du personnel date la proposition, la signe pour attester qu'il en a pris connaissance et en remet le jour même un exemplaire au chef d'établissement ou au directeur du centre PMS S'il n'est pas d'accord avec la proposition de licenciement, il y appose d'abord la mention " pas d'accord ".)
Le jour même, le chef d'établissement ou le directeur du centre P.M.S. fait parvenir cette proposition au pouvoir organisateur qui, dans un délai de dix jours, la rejette ou notifie le préavis par recommandé au membre du personnel. Ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
En cas de licenciement, le Gouvernement est immédiatement averti.
§ 3 - Le membre du personnel auquel le licenciement a été notifié et qui a été désigné à titre temporaire en application (de l'article 22) peut, dans un délai de dix jours à dater de la notification, introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur transmet immédiatement le recours à la chambre de recours compétente avec une demande d'avis motivé.
Le recours n'est pas suspensif.
Dans un délai de quarante-cinq jours à dater du jour où elle a reçu le recours, la chambre de recours communique son avis motivé au pouvoir organisateur et au membre du personnel.
Dans un délai de quinze jours à dater de la réception de l'avis de la chambre de recours, le pouvoir organisateur communique sa décision par recommandé au membre du personnel. S'il ne suit pas cet avis, il en indique les raisons. Si le pouvoir organisateur renonce à confirmer le licenciement, le membre du personnel est considéré, à titre rétroactif au jour du licenciement, comme étant de nouveau en service.
§ 4 - S'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement requiert toujours l'avis de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
§ 1er - Le membre du personnel désigné à titre temporaire peut être licencié anticipativement par le pouvoir organisateur moyennant un préavis de [1 trente]1 jours. Le licenciement doit être motivé.
§ 2 - (Après concertation avec le pouvoir organisateur et après avoir entendu le membre du personnel, le chef d'établissement ou, suivant le cas, le directeur du centre PMS lui remet la proposition de licenciement, consignée par écrit, en double exemplaire. Le membre du personnel date la proposition, la signe pour attester qu'il en a pris connaissance et en remet le jour même un exemplaire au chef d'établissement ou au directeur du centre PMS S'il n'est pas d'accord avec la proposition de licenciement, il y appose d'abord la mention " pas d'accord ".)
Le jour même, le chef d'établissement ou le directeur du centre P.M.S. fait parvenir cette proposition au pouvoir organisateur qui, dans un délai de dix jours, la rejette ou notifie le préavis par recommandé au membre du personnel. Ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
En cas de licenciement, le Gouvernement est immédiatement averti.
§ 3 - Le membre du personnel auquel le licenciement a été notifié et qui a été désigné à titre temporaire en application (de l'article 22) peut, dans un délai de dix jours à dater de la notification, introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur transmet immédiatement le recours à la chambre de recours compétente avec une demande d'avis motivé.
Le recours n'est pas suspensif.
Dans un délai de quarante-cinq jours à dater du jour où elle a reçu le recours, la chambre de recours communique son avis motivé au pouvoir organisateur et au membre du personnel.
Dans un délai de quinze jours à dater de la réception de l'avis de la chambre de recours, le pouvoir organisateur communique sa décision par recommandé au membre du personnel. S'il ne suit pas cet avis, il en indique les raisons. Si le pouvoir organisateur renonce à confirmer le licenciement, le membre du personnel est considéré, à titre rétroactif au jour du licenciement, comme étant de nouveau en service.
§ 4 - S'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement requiert toujours l'avis de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
Modifications
Art. 31. Afdanking zonder opzegging wegens zware schuld.
§ 1 - De inrichtende macht kan elk tijdelijk personeelslid, zonder opzegging, wegens zware schuld afdanken.
Onder zware schuld wordt elke tekortkoming verstaan die de professionele samenwerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
§ 2 - Binnen een termijn van drie werkdagen na de dag waarop de inrichtende macht kennis heeft gekregen van feiten die een zware schuld kunnen uitmaken, roept ze het personeelslid per aangetekende brief op voor een verhoor dat ten vroegste vijf en ten laatste tien dagen na het opsturen van de oproepingsbrief moet plaatshebben. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid als zware schuld ten last gelegd worden.
Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
§ 3 - Indien de inrichtende macht na het verhoor van oordeel is dat voldoende feiten op de zware schuld wijzen, kan ze binnen de drie dagen na dit verhoor beslissen een einde te maken aan de aanstelling. Op straffe van nietigheid wordt de beslissing aan het personeelslid betekend, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. De beslissing vermeldt de redenen die de inrichtende macht als zware schuld beschouwt.
§ 4 - In de volgende gevallen kan het personeelslid tijdens de periode bepaald in de §§ 2 tot 3 zonder opzegging uit zijn ambt verwijderd worden :
1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;
2° wanneer de ten last gestelde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid in de onderwijsinrichting in het belang van de dienst of van het onderwijs niet wenselijk is.
Het gaat om een administratieve maatregel. Tijdens de duur van de maatregel bevindt zich het personeelslid in dienstactiviteit.
§ 1 - De inrichtende macht kan elk tijdelijk personeelslid, zonder opzegging, wegens zware schuld afdanken.
Onder zware schuld wordt elke tekortkoming verstaan die de professionele samenwerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
§ 2 - Binnen een termijn van drie werkdagen na de dag waarop de inrichtende macht kennis heeft gekregen van feiten die een zware schuld kunnen uitmaken, roept ze het personeelslid per aangetekende brief op voor een verhoor dat ten vroegste vijf en ten laatste tien dagen na het opsturen van de oproepingsbrief moet plaatshebben. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid als zware schuld ten last gelegd worden.
Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
§ 3 - Indien de inrichtende macht na het verhoor van oordeel is dat voldoende feiten op de zware schuld wijzen, kan ze binnen de drie dagen na dit verhoor beslissen een einde te maken aan de aanstelling. Op straffe van nietigheid wordt de beslissing aan het personeelslid betekend, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. De beslissing vermeldt de redenen die de inrichtende macht als zware schuld beschouwt.
§ 4 - In de volgende gevallen kan het personeelslid tijdens de periode bepaald in de §§ 2 tot 3 zonder opzegging uit zijn ambt verwijderd worden :
1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;
2° wanneer de ten last gestelde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid in de onderwijsinrichting in het belang van de dienst of van het onderwijs niet wenselijk is.
Het gaat om een administratieve maatregel. Tijdens de duur van de maatregel bevindt zich het personeelslid in dienstactiviteit.
Art. 31. Licenciement immédiat pour faute grave.
§ 1er - Le pouvoir organisateur peut, sans préavis, licencier immédiatement pour faute grave tout membre du personnel temporaire.
Est considérée comme constituant une faute grave, toute faute qui rend immédiatement et définitivement impossible toute collaboration professionnelle entre le membre du personnel et le pouvoir organisateur.
§ 2 - Dans un délai de trois jours ouvrables à partir du jour où il a connaissance d'éléments susceptibles d'être constitutifs d'une faute grave, le pouvoir organisateur convoque par lettre recommandée le membre du personnel à une audition qui doit avoir lieu au plus tôt cinq jours et au plus tard dix jours après l'envoi de la convocation. La convocation mentionne les faits qui sont reprochés au membre du personnel à titre de faute grave.
Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un délégué d'une organisation syndicale représentative, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres de l'enseignement officiel subventionné qui sont en activité de service, en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite ou pensionnés.
§ 3 - Si après l'audition, le pouvoir organisateur estime qu'il y a suffisamment d'éléments constitutifs d'une faute grave, il peut décider dans les 3 jours suivant l'audition qu'il est mis fin à la désignation. Sous peine de nullité, la décision est notifiée au membre du personnel soit par exploit d'huissier soit par lettre recommandée, laquelle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition. La décision mentionne les motifs que le pouvoir organisateur estime constituer une faute grave.
§ 4 - Le membre du personnel peut être immédiatement éloigné de ses fonctions pendant les périodes prévues aux §§ 2 et 3 dans les cas suivants :
1° lorsqu'il y a faute grave avec flagrant délit;
2° lorsque les faits reprochés sont d'une gravité telle que, dans l'intérêt du service ou de l'enseignement, sa présence dans l'école n'est pas indiquée.
Il s'agit d'une mesure administrative. Pendant la durée de la mesure, le membre du personnel se trouve en activité de service.
§ 1er - Le pouvoir organisateur peut, sans préavis, licencier immédiatement pour faute grave tout membre du personnel temporaire.
Est considérée comme constituant une faute grave, toute faute qui rend immédiatement et définitivement impossible toute collaboration professionnelle entre le membre du personnel et le pouvoir organisateur.
§ 2 - Dans un délai de trois jours ouvrables à partir du jour où il a connaissance d'éléments susceptibles d'être constitutifs d'une faute grave, le pouvoir organisateur convoque par lettre recommandée le membre du personnel à une audition qui doit avoir lieu au plus tôt cinq jours et au plus tard dix jours après l'envoi de la convocation. La convocation mentionne les faits qui sont reprochés au membre du personnel à titre de faute grave.
Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un délégué d'une organisation syndicale représentative, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres de l'enseignement officiel subventionné qui sont en activité de service, en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite ou pensionnés.
§ 3 - Si après l'audition, le pouvoir organisateur estime qu'il y a suffisamment d'éléments constitutifs d'une faute grave, il peut décider dans les 3 jours suivant l'audition qu'il est mis fin à la désignation. Sous peine de nullité, la décision est notifiée au membre du personnel soit par exploit d'huissier soit par lettre recommandée, laquelle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition. La décision mentionne les motifs que le pouvoir organisateur estime constituer une faute grave.
§ 4 - Le membre du personnel peut être immédiatement éloigné de ses fonctions pendant les périodes prévues aux §§ 2 et 3 dans les cas suivants :
1° lorsqu'il y a faute grave avec flagrant délit;
2° lorsque les faits reprochés sont d'une gravité telle que, dans l'intérêt du service ou de l'enseignement, sa présence dans l'école n'est pas indiquée.
Il s'agit d'une mesure administrative. Pendant la durée de la mesure, le membre du personnel se trouve en activité de service.
Art. 32. Voortijdige ontslagneming van het personeelslid.
Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan eenzijdig de aanstelling opzeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van [1 dertig]1 dagen.
Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan eenzijdig de aanstelling opzeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van [1 dertig]1 dagen.
Modifications
Art. 32. Résiliation anticipée par le membre du personnel.
Un membre du personnel désigné à titre temporaire peut, moyennant un préavis de [1 trente jours]1, mettre unilatéralement fin à la désignation.
Un membre du personnel désigné à titre temporaire peut, moyennant un préavis de [1 trente jours]1, mettre unilatéralement fin à la désignation.
Modifications
Art. 33. Modaliteiten m.b.t. de opzegging.
Onder voorbehoud van de afdanking wegens zware schuld, zoals bepaald in artikel 31, moet de akte waarmee één van de partijen eenzijdig een einde aan de dienst maakt - op straffe van nietigheid - de duur van de opzeggingstermijn vermelden en aan de andere partij betekend worden, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Onder voorbehoud van de afdanking wegens zware schuld, zoals bepaald in artikel 31, moet de akte waarmee één van de partijen eenzijdig een einde aan de dienst maakt - op straffe van nietigheid - de duur van de opzeggingstermijn vermelden en aan de andere partij betekend worden, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Art. 33. Modalités relatives à la résiliation.
Sous réserve du licenciement immédiat pour faute grave prévu à l'article 31, l'acte par lequel une des deux parties met unilatéralement fin au service mentionne, à peine de nullité, la durée du préavis et est notifié à l'autre partie soit par exploit d'huissier soit par lettre recommandée, laquelle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Sous réserve du licenciement immédiat pour faute grave prévu à l'article 31, l'acte par lequel une des deux parties met unilatéralement fin au service mentionne, à peine de nullité, la durée du préavis et est notifié à l'autre partie soit par exploit d'huissier soit par lettre recommandée, laquelle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Art. 34. Beëindiging in onderlinge overeenstemming.
In onderlinge overeenstemming kan voortijdig een einde gemaakt worden aan de dienst; de opzeggingstermijn bedoeld in de artikelen 30, § 1 en 32 dient in dat geval niet in acht te worden genomen.
De overeenstemming, de niet inachtneming van de opzeggingstermijn en de datum waarop het personeelslid zijn toestemming heeft gegeven, worden schriftelijk vastgesteld.
In onderlinge overeenstemming kan voortijdig een einde gemaakt worden aan de dienst; de opzeggingstermijn bedoeld in de artikelen 30, § 1 en 32 dient in dat geval niet in acht te worden genomen.
De overeenstemming, de niet inachtneming van de opzeggingstermijn en de datum waarop het personeelslid zijn toestemming heeft gegeven, worden schriftelijk vastgesteld.
Art. 34. Résiliation de commun accord.
Le service peut prendre fin anticipativement par consentement mutuel; il peut alors être renoncé au préavis mentionné à l'article 30, § 1, ou à l'article 32.
L'accord, le renoncement au préavis ainsi que la date à laquelle le membre du personnel a marqué son accord seront constatés par écrit.
Le service peut prendre fin anticipativement par consentement mutuel; il peut alors être renoncé au préavis mentionné à l'article 30, § 1, ou à l'article 32.
L'accord, le renoncement au préavis ainsi que la date à laquelle le membre du personnel a marqué son accord seront constatés par écrit.
Art. 35. Dienstattest.
Op het einde van elke activiteitsperiode levert de inrichtende macht het tijdelijk personeelslid een attest af met vermelding, voor elk uitgeoefend ambt, van de gepresteerde diensten, de begin- en einddatum ervan, de aard van het ambt en de omvang van de opdracht.
Op het einde van elke activiteitsperiode levert de inrichtende macht het tijdelijk personeelslid een attest af met vermelding, voor elk uitgeoefend ambt, van de gepresteerde diensten, de begin- en einddatum ervan, de aard van het ambt en de omvang van de opdracht.
Art. 35. Attestation de services.
A l'issue de toute période d'activité, le pouvoir organisateur remet au membre du personnel temporaire une attestation mentionnant les services prestés par fonction exercée, en ce compris les dates de début et de fin, la description de la fonction et le volume de l'emploi.
A l'issue de toute période d'activité, le pouvoir organisateur remet au membre du personnel temporaire une attestation mentionnant les services prestés par fonction exercée, en ce compris les dates de début et de fin, la description de la fonction et le volume de l'emploi.
Afdeling 3. - (Permutatie, vaste benoeming en mutatie.)
Section 3. - (Permutation, nomination à titre définitif et mutation.)
Art. 36. Principe. De inrichtende macht benoemt een personeelslid definitief in een vacante betrekking van een wervingsambt, behalve als ze door de vigerende bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling verplicht is in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
(In afwijking van het eerste lid mag het percentage aan vaste benoemingen in het basisonderwijs ten hoogste 95 % van het betrekkingenpakket uitmaken dat voor het overeenkomstige wervingsambt ter beschikking staat.). [2 Dat geldt niet voor de wervingsambten in de categorie van het administratief personeel.]2
[1 In afwijking van lid 1 mag het procentuele aandeel van de vaste benoemingen in het deeltijdse kunstonderwijs hoogstens 85 % van het urenkrediet bedragen dat beschikbaar is voor de aanwervingsbetrekkingen in de categorie van het leidinggevende en onderwijzende personeel.]1
(In afwijking van het eerste lid mag het percentage aan vaste benoemingen in het basisonderwijs ten hoogste 95 % van het betrekkingenpakket uitmaken dat voor het overeenkomstige wervingsambt ter beschikking staat.)
[1 In afwijking van lid 1 mag het procentuele aandeel van de vaste benoemingen in het deeltijdse kunstonderwijs hoogstens 85 % van het urenkrediet bedragen dat beschikbaar is voor de aanwervingsbetrekkingen in de categorie van het leidinggevende en onderwijzende personeel.]1
Art. 36. Principe. Le pouvoir organisateur procède à une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement, sauf s'il est tenu, en vertu de la réglementation relative à la réaffectation ou la remise au travail, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
(Par dérogation au premier alinéa, le pourcentage de nominations définitives dans l'enseignement fondamental peut représenter au plus 95 % du capital emplois disponible pour la fonction de recrutement.) [2 Cela ne vaut pas pour les fonctions de recrutement dans la catégorie du personnel administratif.]2 correspondante.)
[1 Par dérogation au premier alinéa, le pourcentage de nominations à titre définitif dans l'enseignement artistique à horaire réduit peut représenter au plus 85 % du capital périodes disponible pour les fonctions de recrutement dans la catégorie du personnel directeur et enseignant.]1
(Par dérogation au premier alinéa, le pourcentage de nominations définitives dans l'enseignement fondamental peut représenter au plus 95 % du capital emplois disponible pour la fonction de recrutement.)
[1 Par dérogation au premier alinéa, le pourcentage de nominations à titre définitif dans l'enseignement artistique à horaire réduit peut représenter au plus 85 % du capital périodes disponible pour les fonctions de recrutement dans la catégorie du personnel directeur et enseignant.]1
Art. 36bis. <INGEVOEGD bij DDG 2006-06-26/38, art. 80; Inwerkingtreding : 01-09-2007 maar 01-01-2007 voor bepaalde stoffen> Permutatie.
De inrichtende macht kan twee vastbenoemde personeelsleden die erom vragen een permutatie toekennen. De permutatie geschiedt voor hetzelfde ambt.
[1 In afwijking van het eerste lid kan onder de volgende voorwaarden een permutatie tussen het gewoon onderwijs en het gespecialiseerd onderwijs voor een ander ambt plaatsvinden :
1° het ambt dat het personeelslid via permutatie wenst te bekleden, heeft dezelfde benaming als het ambt waarin dat personeelslid vast benoemd is;
2° het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt dat het via permutatie wenst te bekleden.]1
Het met redenen omkleed verzoek wordt door beide personeelsleden tot 15 maart bij de inrichtende macht per aangetekende brief of per brief tegen ontvangstbewijs ingediend.
De permutatie geschiedt zonder onderbreking op 1 september van het daarop volgende schooljaar.
De betrokken personeelsleden verkrijgen een afschrift van de beslissing.
De inrichtende macht kan twee vastbenoemde personeelsleden die erom vragen een permutatie toekennen. De permutatie geschiedt voor hetzelfde ambt.
[1 In afwijking van het eerste lid kan onder de volgende voorwaarden een permutatie tussen het gewoon onderwijs en het gespecialiseerd onderwijs voor een ander ambt plaatsvinden :
1° het ambt dat het personeelslid via permutatie wenst te bekleden, heeft dezelfde benaming als het ambt waarin dat personeelslid vast benoemd is;
2° het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt dat het via permutatie wenst te bekleden.]1
Het met redenen omkleed verzoek wordt door beide personeelsleden tot 15 maart bij de inrichtende macht per aangetekende brief of per brief tegen ontvangstbewijs ingediend.
De permutatie geschiedt zonder onderbreking op 1 september van het daarop volgende schooljaar.
De betrokken personeelsleden verkrijgen een afschrift van de beslissing.
Modifications
Art. 36bis. Permutation.
Deux pouvoirs organisateurs peuvent accorder une permutation à deux membres du personnel nommés à titre définitif qui en font la demande. Une permutation s'opère dans la même fonction.
[1 Par dérogation au premier alinéa, une permutation entre l'enseignement ordinaire et l'enseignement spécialisé peut être opérée dans une autre fonction aux conditions suivantes :
1° la fonction que le membre du personnel demande d'occuper dans le cadre de la permutation porte la même dénomination que la fonction à laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif;
2° le membre du personnel est porteur du titre requis pour exercer la fonction qu'il demande d'occuper dans le cadre de la permutation.]1
La demande motivée est introduite par les deux membres du personnel auprès des pouvoirs organisateurs pour le 15 mars au plus tard, et ce par recommandé ou par lettre avec accusé de réception.
La permutation intervient, sans interruption, au 1er septembre de l'année scolaire suivante.
Les membres du personnel concernés reçoivent copie de la décision.
Deux pouvoirs organisateurs peuvent accorder une permutation à deux membres du personnel nommés à titre définitif qui en font la demande. Une permutation s'opère dans la même fonction.
[1 Par dérogation au premier alinéa, une permutation entre l'enseignement ordinaire et l'enseignement spécialisé peut être opérée dans une autre fonction aux conditions suivantes :
1° la fonction que le membre du personnel demande d'occuper dans le cadre de la permutation porte la même dénomination que la fonction à laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif;
2° le membre du personnel est porteur du titre requis pour exercer la fonction qu'il demande d'occuper dans le cadre de la permutation.]1
La demande motivée est introduite par les deux membres du personnel auprès des pouvoirs organisateurs pour le 15 mars au plus tard, et ce par recommandé ou par lettre avec accusé de réception.
La permutation intervient, sans interruption, au 1er septembre de l'année scolaire suivante.
Les membres du personnel concernés reçoivent copie de la décision.
Modifications
Art. 37. Voorwaarden m.b.t. de benoeming.
Behoudens de voorwaarden die van toepassing zijn voor een vaste benoeming in het hoger onderwijs van het korte type mag niemand vastbenoemd worden, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [1 één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;]1
2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;
3° de politieke en burgerlijke rechten genieten;
4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;
5° [1 houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking [12 ...]12, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) [13 de drie afwijkingen hebben binnen een periode van hoogstens vijf opeenvolgende schooljaren plaatsgevonden;]13
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) [7 als het om een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel gaat, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs dat beantwoordt aan de wezenlijke elementen vermeld in het decreet van 25 oktober 2010 houdende pedagogische en administratieve vernieuwingen in het onderwijs en dat door de Regering als gelijkwaardig wordt erkend;]7 ]1
[4 e) indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een gespecialiseerde school gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 10 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]4
[14 f) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in het lager of secundair onderwijs bekleedt, beschikt dit personeelslid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 15 ECTS-punten in de niet-confessionele zedenleer dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]14
[15 g) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leermeester taalklassen of taalcursussen of het ambt van leraar taalklassen bekleedt, beschikt dit personeelslid over de diploma's vermeld in artikel 7, 9°, met uitzondering van de bepaling onder 9.1, of artikel 9quater, met uitzondering van 1°, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;]15
[16 h) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van [18 kleuterschoolassistent of assistent in een gespecialiseerde basisschool]18 bekleedt, beschikt dit personeelslid over een bewijs van een voortgezette opleiding 'kinderopvang' van ten minste 120 uren die door de Regering wordt erkend.]16
6° [6 voldoen aan de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs, met uitzondering van artikel 25 van hetzelfde decreet;]6
7° [8 voldoen aan de voorwaarde vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 6°;]8
8° [bij deze inrichtende macht een dienstanciënniteit van ten minste 720 dagen in het betrokken ambt kunnen doen gelden; van deze 720 dagen moeten er 600 effectief zijn gepresteerd. [2 Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte]2 worden ten belope van maximaal 210 dagen in aanmerking genomen bij de berekening van de effectief gepresteerde dienstdagen, voor zover deze verlofdagen binnen de aanstellingsperiode vallen;]
9° [5 ...]5 de vermelding " voldoende " hebben gekregen op de laatste beoordelingsstaat bedoeld in artikel 28; bij gebrek aan een beoordelingsstaat wordt de voorliggende voorwaarde geacht vervuld te zijn;
10° het ambt als hoofdambt uitoefenen;
11° zijn kandidatuur ten laatste op 31 mei per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs hebben ingediend.
[12 Bij de afwijking vermeld in het eerste lid, 5°, gaat het om de aanstelling resp. aanwijzing van een personeelslid volgens één van de volgende bepalingen :
1° artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut [17 van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs]17;
2° artikel 33bis, tweede en derde lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum;
3° artikel 20bis, tweede en derde lid, van dit decreet.]12
[19 Onverminderd het eerste lid, 5°, a) en b), kunnen voor een personeelslid dat nog niet de noodzakelijke drie afwijkingen voor het toe te wijzen ambt heeft doorlopen, ook de in artikel 20, § 1, derde lid, vermelde betrekkingen als eerste en tweede afwijking in aanmerking worden genomen.]19
[3 Als een vastbenoemd personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt.]3 [10 Dat geldt niet voor personeelsleden die benoemd willen worden in het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs [13 of in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek]13.]10
De godsdienstleerkrachten worden op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting vastbenoemd. Ze worden eveneens op voordracht of met de toestemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, van hun ambt van leermeester of leraar godsdienst door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting ontlast.
[1 Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]1
[10 In afwijking van het eerste lid, 5°, mogen alleen personen die op het ogenblik van de benoeming houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, vast benoemd worden [13 in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek,]13 in het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs, in het ambt van godsdienstleerkracht, in het ambt van school- en leerbegeleider voor bevorderingspedagogiek en in het ambt van psychosociaal begeleider.]10
[11 Personeelsleden die in het lager onderwijs het ambt van leermeester eerste vreemde taal bekleden, maar niet het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs voor dat ambt hebben, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, a), b) en c), als ze reeds voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, voor het ambt van onderwijzer voor het lager onderwijs.]11
Behoudens de voorwaarden die van toepassing zijn voor een vaste benoeming in het hoger onderwijs van het korte type mag niemand vastbenoemd worden, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [1 één van de volgende voorwaarden vervullen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;]1
2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;
3° de politieke en burgerlijke rechten genieten;
4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;
5° [1 houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, of in drie schooljaren een afwijking [12 ...]12, hebben verkregen voor het te bekleden ambt, voor zover er voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
a) [13 de drie afwijkingen hebben binnen een periode van hoogstens vijf opeenvolgende schooljaren plaatsgevonden;]13
b) elke van de drie afwijkingen dekt een periode van ten minste 15 weken die, wat de derde afwijking betreft, ten laatste op 30 april eindigt;
c) op de beoordelingsstaat betreffende de derde afwijking staat ten minste de vermelding " voldoende " als eindconclusie;
d) [7 als het om een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel gaat, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs dat beantwoordt aan de wezenlijke elementen vermeld in het decreet van 25 oktober 2010 houdende pedagogische en administratieve vernieuwingen in het onderwijs en dat door de Regering als gelijkwaardig wordt erkend;]7 ]1
[4 e) indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een gespecialiseerde school gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 10 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]4
[14 f) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in het lager of secundair onderwijs bekleedt, beschikt dit personeelslid over het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 15 ECTS-punten in de niet-confessionele zedenleer dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over één of meer bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend;]14
[15 g) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van leermeester taalklassen of taalcursussen of het ambt van leraar taalklassen bekleedt, beschikt dit personeelslid over de diploma's vermeld in artikel 7, 9°, met uitzondering van de bepaling onder 9.1, of artikel 9quater, met uitzondering van 1°, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;]15
[16 h) indien het gaat om een personeelslid dat het ambt van [18 kleuterschoolassistent of assistent in een gespecialiseerde basisschool]18 bekleedt, beschikt dit personeelslid over een bewijs van een voortgezette opleiding 'kinderopvang' van ten minste 120 uren die door de Regering wordt erkend.]16
6° [6 voldoen aan de bepalingen van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs, met uitzondering van artikel 25 van hetzelfde decreet;]6
7° [8 voldoen aan de voorwaarde vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 6°;]8
8° [bij deze inrichtende macht een dienstanciënniteit van ten minste 720 dagen in het betrokken ambt kunnen doen gelden; van deze 720 dagen moeten er 600 effectief zijn gepresteerd. [2 Het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof en de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte]2 worden ten belope van maximaal 210 dagen in aanmerking genomen bij de berekening van de effectief gepresteerde dienstdagen, voor zover deze verlofdagen binnen de aanstellingsperiode vallen;]
9° [5 ...]5 de vermelding " voldoende " hebben gekregen op de laatste beoordelingsstaat bedoeld in artikel 28; bij gebrek aan een beoordelingsstaat wordt de voorliggende voorwaarde geacht vervuld te zijn;
10° het ambt als hoofdambt uitoefenen;
11° zijn kandidatuur ten laatste op 31 mei per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs hebben ingediend.
[12 Bij de afwijking vermeld in het eerste lid, 5°, gaat het om de aanstelling resp. aanwijzing van een personeelslid volgens één van de volgende bepalingen :
1° artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut [17 van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs]17;
2° artikel 33bis, tweede en derde lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum;
3° artikel 20bis, tweede en derde lid, van dit decreet.]12
[19 Onverminderd het eerste lid, 5°, a) en b), kunnen voor een personeelslid dat nog niet de noodzakelijke drie afwijkingen voor het toe te wijzen ambt heeft doorlopen, ook de in artikel 20, § 1, derde lid, vermelde betrekkingen als eerste en tweede afwijking in aanmerking worden genomen.]19
[3 Als een vastbenoemd personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voor zover de kandidaat ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt.]3 [10 Dat geldt niet voor personeelsleden die benoemd willen worden in het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs [13 of in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek]13.]10
De godsdienstleerkrachten worden op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting vastbenoemd. Ze worden eveneens op voordracht of met de toestemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, van hun ambt van leermeester of leraar godsdienst door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting ontlast.
[1 Lid 1, 1°, littera b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]1
[10 In afwijking van het eerste lid, 5°, mogen alleen personen die op het ogenblik van de benoeming houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het te bekleden ambt, vast benoemd worden [13 in het ambt van coördinator voor bevorderingspedagogiek,]13 in het ambt van pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs, in het ambt van godsdienstleerkracht, in het ambt van school- en leerbegeleider voor bevorderingspedagogiek en in het ambt van psychosociaal begeleider.]10
[11 Personeelsleden die in het lager onderwijs het ambt van leermeester eerste vreemde taal bekleden, maar niet het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs voor dat ambt hebben, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, a), b) en c), als ze reeds voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 5°, voor het ambt van onderwijzer voor het lager onderwijs.]11
Modifications
Art. 37. Conditions de nomination.
Sous réserve des conditions de nomination à titre définitif applicables dans l'enseignement supérieur de type court, nul ne peut être nommé à titre définitif s'il ne remplit, au moment de la nomination, les conditions suivantes :
1° [1 remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément a la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;]1
2° avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° [1 être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation [12 ...]12, les conditions suivantes étant remplies :
a) [13 les trois dérogations sont intervenues dans une période de cinq années scolaires consécutives au plus; ]13
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) [7 s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, être titulaire d'un titre pédagogique qui correspond aux éléments essentiels figurant dans le décret du 25 octobre 2010 portant des nouveautés pédagogiques et administratives dans l'enseignement et qui est reconnu équivalent par le Gouvernement;]7 ]1
[4 e) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant d'une école spécialisée, celui-ci doit disposer d'un titre sanctionnant une formation complémentaire d'au moins 10 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement.]4
[14 f) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant qui exerce la fonction de maître/professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement primaire ou secondaire, celui-ci dispose d'un titre sanctionnant une formation complémentaire en morale non confessionnelle d'au moins 15 points ECTS délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement;]14
[15 g) s'il s'agit d'un membre du personnel qui occupe la fonction de maitre de classes ou cours d'apprentissage linguistique ou de professeur de classes d'apprentissage linguistique, il dispose des diplômes mentionnés à l'article 7, 9°, à l'exception du 9.1, ou à l'article 9quater, à l'exception du 1°, de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements;]15
[16 h) s'il s'agit d'un membre du personnel occupé dans la fonction d'assistant en maternelle [18 ou d'assistant en école fondamentale spécialisée]18, il dispose de la preuve qu'il a réussi une formation continue reconnue par le Gouvernement et comptant au moins 120 heures dans le domaine de la garde d'enfants.]16
6° [6 satisfaire aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement, à l'exception de l'article 25 dudit décret;]6
7° [8 remplir la condition visée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6°;]8
8° [faire valoir auprès de ce pouvoir organisateur au moins 720 jours d'ancienneté dans la fonction concernée; sur ces 720 jours, 600 doivent avoir été effectivement prestés. [2 Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle]2 sont pris en compte à concurrence de 210 jours lors du calcul des jours d'activité de service effectivement prestés, à condition que ces jours de congé soient englobés dans la période de désignation;]
9° produire [5 ...]5 un dernier bulletin de signalement, tel que mentionné à l'article 28, portant en conclusion au moins la mention " satisfaisant "; à défaut de bulletin de signalement, la présente condition est considérée comme remplie;
10° occuper l'emploi en fonction principale;
11° avoir introduit sa candidature pour le 31 mai au plus tard par recommandé ou contre accusé de réception.
[12 Pour la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er, 5°, il s'agit de la désignation ou de l'engagement, selon le cas, d'un membre du personnel conformément à l'une des dispositions suivantes :
1° [17 l'article 19, § 2, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;]17
2° l'article 33bis, alinéas 2 et 3, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre psycho-médico-social libre subventionné;
3° l'article 20bis, alinéas 2 et 3, du présent décret.]12
[19 Sans préjudice de l'alinéa 1er, 5°, a) et b), pour un membre du personnel qui n'a pas encore bénéficié des trois dérogations requises pour la fonction à conférer, les occupations mentionnées à l'article 20, § 1er, alinéa 3, peuvent également être invoquées comme première et deuxième dérogations.]19
[3 Un candidat nommé a titre définitif qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 8°, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction il souhaite être nommé.]3 [10 Cela ne vaut pas pour les membres du personnel qui souhaitent être nommés dans la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire [13 ou dans la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien]13.]10
Les maîtres et professeurs de religion sont nommés à titre définitif par le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement sur proposition de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe. Ils sont également déchargés de leur fonction de maître ou professeur de religion par le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement sur proposition ou moyennant l'accord de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
[1 L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts.]1
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, ne peuvent faire l'objet d'une nomination à titre définitif [13 dans la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien]13 [10 dans la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire,]10 dans la fonction d'auxiliaire d'intégration scolaire en pédagogie de soutien et [9 dans la fonction de maître ou professeur de religion, dans la fonction]9 d'auxiliaire psychosocial que les personnes porteuses, au moment de leur nomination, du titre requis ou d'un titre jugé suffisant pour la fonction à pourvoir.]4
[11 En ce qui concerne les membres du personnel exerçant la fonction de maître spécial pour la première langue étrangère dans l'enseignement primaire en n'étant pas porteurs du diplôme d'instituteur primaire pour cette fonction, les conditions mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, a), b) et c) sont considérées comme remplies lorsqu'ils satisfont déjà à celles mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, pour la fonction d'instituteur primaire.]11
Sous réserve des conditions de nomination à titre définitif applicables dans l'enseignement supérieur de type court, nul ne peut être nommé à titre définitif s'il ne remplit, au moment de la nomination, les conditions suivantes :
1° [1 remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément a la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;]1
2° avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° [1 être porteur d'un titre requis ou jugé suffisant en rapport avec la fonction à conférer ou avoir obtenu pour la fonction à conférer, au cours de trois années scolaires, une dérogation [12 ...]12, les conditions suivantes étant remplies :
a) [13 les trois dérogations sont intervenues dans une période de cinq années scolaires consécutives au plus; ]13
b) chacune des trois dérogations a été accordée pour une période de 15 semaines au moins, se terminant au plus tard le 30 avril en ce qui concerne la troisième;
c) le bulletin de signalement se rapportant à la troisième dérogation porte au moins en conclusion la mention " suffisant ";
d) [7 s'il s'agit d'un membre du personnel directeur et enseignant, être titulaire d'un titre pédagogique qui correspond aux éléments essentiels figurant dans le décret du 25 octobre 2010 portant des nouveautés pédagogiques et administratives dans l'enseignement et qui est reconnu équivalent par le Gouvernement;]7 ]1
[4 e) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant d'une école spécialisée, celui-ci doit disposer d'un titre sanctionnant une formation complémentaire d'au moins 10 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement.]4
[14 f) lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel enseignant qui exerce la fonction de maître/professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement primaire ou secondaire, celui-ci dispose d'un titre sanctionnant une formation complémentaire en morale non confessionnelle d'au moins 15 points ECTS délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la Communauté germanophone ou d'un ou plusieurs titres reconnus équivalents par le Gouvernement;]14
[15 g) s'il s'agit d'un membre du personnel qui occupe la fonction de maitre de classes ou cours d'apprentissage linguistique ou de professeur de classes d'apprentissage linguistique, il dispose des diplômes mentionnés à l'article 7, 9°, à l'exception du 9.1, ou à l'article 9quater, à l'exception du 1°, de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements;]15
[16 h) s'il s'agit d'un membre du personnel occupé dans la fonction d'assistant en maternelle [18 ou d'assistant en école fondamentale spécialisée]18, il dispose de la preuve qu'il a réussi une formation continue reconnue par le Gouvernement et comptant au moins 120 heures dans le domaine de la garde d'enfants.]16
6° [6 satisfaire aux dispositions du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement, à l'exception de l'article 25 dudit décret;]6
7° [8 remplir la condition visée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6°;]8
8° [faire valoir auprès de ce pouvoir organisateur au moins 720 jours d'ancienneté dans la fonction concernée; sur ces 720 jours, 600 doivent avoir été effectivement prestés. [2 Le congé de maternité, le congé prophylactique et la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle]2 sont pris en compte à concurrence de 210 jours lors du calcul des jours d'activité de service effectivement prestés, à condition que ces jours de congé soient englobés dans la période de désignation;]
9° produire [5 ...]5 un dernier bulletin de signalement, tel que mentionné à l'article 28, portant en conclusion au moins la mention " satisfaisant "; à défaut de bulletin de signalement, la présente condition est considérée comme remplie;
10° occuper l'emploi en fonction principale;
11° avoir introduit sa candidature pour le 31 mai au plus tard par recommandé ou contre accusé de réception.
[12 Pour la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er, 5°, il s'agit de la désignation ou de l'engagement, selon le cas, d'un membre du personnel conformément à l'une des dispositions suivantes :
1° [17 l'article 19, § 2, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;]17
2° l'article 33bis, alinéas 2 et 3, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre psycho-médico-social libre subventionné;
3° l'article 20bis, alinéas 2 et 3, du présent décret.]12
[19 Sans préjudice de l'alinéa 1er, 5°, a) et b), pour un membre du personnel qui n'a pas encore bénéficié des trois dérogations requises pour la fonction à conférer, les occupations mentionnées à l'article 20, § 1er, alinéa 3, peuvent également être invoquées comme première et deuxième dérogations.]19
[3 Un candidat nommé a titre définitif qui a presté des jours d'activité de service dans une autre fonction de la catégorie concernée pour laquelle il possède le titre requis ou un titre jugé suffisant du groupe A se voit ajouter ces jours d'activité de service aux jours mentionnés à l'alinéa 1er, 8°, à condition qu'il justifie d'au moins 360 jours d'activité de service dans la fonction il souhaite être nommé.]3 [10 Cela ne vaut pas pour les membres du personnel qui souhaitent être nommés dans la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire [13 ou dans la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien]13.]10
Les maîtres et professeurs de religion sont nommés à titre définitif par le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement sur proposition de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe. Ils sont également déchargés de leur fonction de maître ou professeur de religion par le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement sur proposition ou moyennant l'accord de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
[1 L'alinéa 1er, 1°, litteras b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts.]1
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, ne peuvent faire l'objet d'une nomination à titre définitif [13 dans la fonction de coordinateur en pédagogie de soutien]13 [10 dans la fonction de pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire,]10 dans la fonction d'auxiliaire d'intégration scolaire en pédagogie de soutien et [9 dans la fonction de maître ou professeur de religion, dans la fonction]9 d'auxiliaire psychosocial que les personnes porteuses, au moment de leur nomination, du titre requis ou d'un titre jugé suffisant pour la fonction à pourvoir.]4
[11 En ce qui concerne les membres du personnel exerçant la fonction de maître spécial pour la première langue étrangère dans l'enseignement primaire en n'étant pas porteurs du diplôme d'instituteur primaire pour cette fonction, les conditions mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, a), b) et c) sont considérées comme remplies lorsqu'ils satisfont déjà à celles mentionnées à l'alinéa 1er, 5°, pour la fonction d'instituteur primaire.]11
Modifications
Art. 37bis. [1 Mogelijke benoeming op 55 jaar.
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° [2 a) het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd of
b) het bekleedt sinds ten minste vijf schooljaren een betrekking in een overgangsklas ingericht overeenkomstig het decreet van 17 december 2001 betreffende de scolarisatie van nieuwkomers.]2 ]1
[1 In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, b), kan een personeelslid in een vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband benoemd worden.]1
Een personeelslid dat in de loop van het betrokken kalenderjaar ten minste 55 jaar oud is, kan op verzoek en mits toestemming van de Regering in een niet-vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband worden benoemd, voor zover er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° het vervult alle vereiste voorwaarden op het tijdstip van de benoeming;
2° het dient, vóór 15 mei van het betrokken kalenderjaar, een dienovereenkomstig schriftelijk verzoek in bij de inrichtende macht;
3° het is sinds ten minste 1 september van het betrokken schooljaar in dienst;
4° [2 a) het is tijdelijk aangewezen of voor een onvolledig leerplan vastbenoemd of
b) het bekleedt sinds ten minste vijf schooljaren een betrekking in een overgangsklas ingericht overeenkomstig het decreet van 17 december 2001 betreffende de scolarisatie van nieuwkomers.]2 ]1
[1 In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, b), kan een personeelslid in een vacante betrekking van een wervingsambt in vast verband benoemd worden.]1
Art. 37bis. [1 Possibilité de nomination à 55 ans.
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° [2 a) il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet ou
b) il occupe, depuis au moins cinq années scolaires, un emploi dans une classe-passerelle créée conformément au décret du 17 décembre 2001 visant la scolarisation des élèves primo-arrivants.]2 ]1
[2 Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 4°, b), un membre du personnel peut être nommé à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement.]2
Le membre du personnel qui aura au moins 55 ans au cours de l'année calendrier concernée peut, à sa demande et moyennant l'accord du Gouvernement, être nommé à titre définitif dans un emploi occupé d'une fonction de recrutement si les conditions suivantes sont remplies :
1° il remplit toutes les conditions requises au moment de la nomination;
2° il introduit par écrit, pour le 15 mai au plus tard de l'année calendrier concernée, une demande en ce sens auprès du pouvoir organisateur;
3° il est en service depuis au moins le 1er septembre de l'année scolaire concernée;
4° [2 a) il est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif pour un horaire incomplet ou
b) il occupe, depuis au moins cinq années scolaires, un emploi dans une classe-passerelle créée conformément au décret du 17 décembre 2001 visant la scolarisation des élèves primo-arrivants.]2 ]1
[2 Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 4°, b), un membre du personnel peut être nommé à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement.]2
Art. 38. Lijst en oproep tot de kandidaten.
§ 1 - Vóór 10 april zendt de inrichtende macht aan de Regering de lijst met de vacante betrekkingen waarvoor vaste benoemingen op 1 oktober van het volgende schooljaar heel waarschijnlijk zullen kunnen plaatsvinden.
§ 2 - Tussen 10 en 30 april van elk schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een uurroosteraanvulling (...) en voor een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat de in § 1 vermelde lijst. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen alsmede de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en vermeldt dat de kandidatuur ten laatste op 31 mei per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs moet worden ingediend.
De oproep wordt door aanplakking op school of bij het PMS-centrum alsmede in elke andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. De lijst is op verzoek bij het Ministerie en bij de betrokken inrichtende macht verkrijgbaar.
§ 3 - Gaat het om het ambt van leermeester of leraar godsdienst, dan laat de inrichtende macht aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst een kopie van de oproep ter informatie toekomen.
§ 1 - Vóór 10 april zendt de inrichtende macht aan de Regering de lijst met de vacante betrekkingen waarvoor vaste benoemingen op 1 oktober van het volgende schooljaar heel waarschijnlijk zullen kunnen plaatsvinden.
§ 2 - Tussen 10 en 30 april van elk schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een uurroosteraanvulling (...) en voor een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat de in § 1 vermelde lijst. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen alsmede de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en vermeldt dat de kandidatuur ten laatste op 31 mei per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs moet worden ingediend.
De oproep wordt door aanplakking op school of bij het PMS-centrum alsmede in elke andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. De lijst is op verzoek bij het Ministerie en bij de betrokken inrichtende macht verkrijgbaar.
§ 3 - Gaat het om het ambt van leermeester of leraar godsdienst, dan laat de inrichtende macht aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst een kopie van de oproep ter informatie toekomen.
Art. 38. Liste et appel aux candidats.
§ 1er - Avant le 10 avril, le pouvoir organisateur communique au Gouvernement la liste des emplois vacants pour lesquels des nominations à titre définitif pourront probablement intervenir au 1er octobre de l'année scolaire suivante.
§ 2 - Entre le 10 et le 30 avril de chaque année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à un complément d'horaire (...) et à une nomination à titre définitif. Cet appel est transmis pour information au Ministère.
L'appel contient la liste mentionnée au § 1er. Il contient des indications sur les emplois à conférer, les conditions requises dans le chef des candidats et signale que les candidatures doivent être introduites par recommandé ou contre accusé de réception pour le 31 mai au plus tard.
L'appel est porté à la connaissance de tous les membres du personnel par affichage public dans les écoles ou le centre P.M.S. et par toute autre forme adéquate. La liste peut aussi être obtenue sur demande auprès du Ministère et du pouvoir organisateur concerné.
§ 3 - S'il s'agit d'une fonction de maître ou professeur de religion, le pouvoir organisateur transmet une copie de l'appel pour information à l'autorité compétente pour le culte concerné.
§ 1er - Avant le 10 avril, le pouvoir organisateur communique au Gouvernement la liste des emplois vacants pour lesquels des nominations à titre définitif pourront probablement intervenir au 1er octobre de l'année scolaire suivante.
§ 2 - Entre le 10 et le 30 avril de chaque année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à un complément d'horaire (...) et à une nomination à titre définitif. Cet appel est transmis pour information au Ministère.
L'appel contient la liste mentionnée au § 1er. Il contient des indications sur les emplois à conférer, les conditions requises dans le chef des candidats et signale que les candidatures doivent être introduites par recommandé ou contre accusé de réception pour le 31 mai au plus tard.
L'appel est porté à la connaissance de tous les membres du personnel par affichage public dans les écoles ou le centre P.M.S. et par toute autre forme adéquate. La liste peut aussi être obtenue sur demande auprès du Ministère et du pouvoir organisateur concerné.
§ 3 - S'il s'agit d'une fonction de maître ou professeur de religion, le pouvoir organisateur transmet une copie de l'appel pour information à l'autorité compétente pour le culte concerné.
Art. 39. Bepaling van de kandidaten.
In de loop van de maand juni bepaalt de inrichtende macht de kandidaten die op 1 oktober van het volgende schooljaar in de betrokken vacante betrekkingen zullen worden vastbenoemd en laat de Regering tot 15 juli de overeenstemmende lijst toekomen.
In de loop van de maand juni bepaalt de inrichtende macht de kandidaten die op 1 oktober van het volgende schooljaar in de betrokken vacante betrekkingen zullen worden vastbenoemd en laat de Regering tot 15 juli de overeenstemmende lijst toekomen.
Art. 39. Détermination des candidats.
Dans le courant du mois de juin, le pouvoir organisateur détermine les candidats qui, au 1er octobre de l'année scolaire suivante, seront nommés à titre définitif dans les emplois vacants concernés et en communique la liste au Gouvernement pour le 15 juillet.
Dans le courant du mois de juin, le pouvoir organisateur détermine les candidats qui, au 1er octobre de l'année scolaire suivante, seront nommés à titre définitif dans les emplois vacants concernés et en communique la liste au Gouvernement pour le 15 juillet.
Art. 40. Ogenblik van de benoemingen en mutaties.
De mutaties geschieden (op 1 oktober) voor zover de betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn.
De vaste benoemingen geschieden op 1 oktober, waarbij de verplichting tot benoeming van de met toepassing van artikel 39 in juni bepaalde personen slechts bestaat als de betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn.
De mutaties geschieden (op 1 oktober) voor zover de betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn.
De vaste benoemingen geschieden op 1 oktober, waarbij de verplichting tot benoeming van de met toepassing van artikel 39 in juni bepaalde personen slechts bestaat als de betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn.
Art. 40. Moment où sont effectuées les nominations et les mutations.
Les mutations sont opérées (au 1er octobre) si les emplois sont encore vacants à cette date.
Les nominations à titre définitif sont opérées au 1er octobre, l'obligation de nommer les personnes déterminées au mois de juin en application de l'article 39 n'existant que si les emplois sont encore vacants à cette date.
Les mutations sont opérées (au 1er octobre) si les emplois sont encore vacants à cette date.
Les nominations à titre définitif sont opérées au 1er octobre, l'obligation de nommer les personnes déterminées au mois de juin en application de l'article 39 n'existant que si les emplois sont encore vacants à cette date.
Art. 41. Voorrangsregels.
Indien één of meerdere personeelsleden in een ambt met onvolledige prestaties vastbenoemd worden, moet hen de inrichtende macht de voorrang geven om hun uurrooster aan te vullen. De verplichte vaste benoeming geldt slechts voor de personeelsleden die hun kandidatuur ten laatste op 31 mei per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs ingediend hebben.
[1 In afwijking van het eerste lid hebben de personeelsleden die uitsluitend krachtens artikel 37bis benoemd zijn geweest, geen voorrang bij de aanvulling van hun uurrooster.]1
[6 In afwijking van het eerste lid hebben de personeelsleden die in een van de volgende ambten benoemd zijn, geen voorrang bij de aanvulling van hun benoeming in het betrokken ambt in de betrokken school:
a) pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs;
b) coördinator voor bevorderingspedagogiek in het gespecialiseerd onderwijs;
c) kleuterschoolassistent;
d) assistent in een gespecialiseerde basisschool;
e) hoofdsecretaris.]6
[7 Onverminderd het eerste tot het derde lid geeft de inrichtende macht bij het toekennen van de ambten die vacant verklaard zijn voor benoeming voorrang aan personeelsleden die de voorwaarden voor een vaste benoeming vervullen en die nog niet in een of meer ambten met volledig leerplan vast benoemd respectievelijk definitief aangeworven zijn in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs.]7
Indien één of meerdere personeelsleden in een ambt met onvolledige prestaties vastbenoemd worden, moet hen de inrichtende macht de voorrang geven om hun uurrooster aan te vullen. De verplichte vaste benoeming geldt slechts voor de personeelsleden die hun kandidatuur ten laatste op 31 mei per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs ingediend hebben.
[1 In afwijking van het eerste lid hebben de personeelsleden die uitsluitend krachtens artikel 37bis benoemd zijn geweest, geen voorrang bij de aanvulling van hun uurrooster.]1
[6 In afwijking van het eerste lid hebben de personeelsleden die in een van de volgende ambten benoemd zijn, geen voorrang bij de aanvulling van hun benoeming in het betrokken ambt in de betrokken school:
a) pedagoog voor specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs;
b) coördinator voor bevorderingspedagogiek in het gespecialiseerd onderwijs;
c) kleuterschoolassistent;
d) assistent in een gespecialiseerde basisschool;
e) hoofdsecretaris.]6
[7 Onverminderd het eerste tot het derde lid geeft de inrichtende macht bij het toekennen van de ambten die vacant verklaard zijn voor benoeming voorrang aan personeelsleden die de voorwaarden voor een vaste benoeming vervullen en die nog niet in een of meer ambten met volledig leerplan vast benoemd respectievelijk definitief aangeworven zijn in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs.]7
Modifications
Art. 41. Règles de priorité.
Lorsqu'un ou plusieurs membres du personnel sont nommés à titre définitif dans une fonction à prestations incomplètes, le pouvoir organisateur leur accorde la priorité pour compléter leur horaire. L'obligation d'une nomination à titre définitif ne vaut que pour les membres du personnel qui ont introduit leur candidature par recommandé ou contre accusé de réception pour le 31 mai au plus tard.
[1 Par dérogation au premier alinéa, aucune priorité n'est accordée aux membres du personnel nommés exclusivement sur la base de l'article 37bis, pour ce qui est de compléter leur horaire.]1
[6 Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune priorité n'est accordée aux membres du personnel nommés dans l'une des fonctions ci-après, pour ce qui est de compléter leur nomination dans la fonction concernée dans l'école concernée :
a) pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire;
b) coordinateur en pédagogie de soutien dans l'enseignement spécialisé;
c) assistant en maternelle;
d) assistant en école fondamentale spécialisée;
e) secrétaire en chef.]6
[7 Sans préjudice des alinéas 1er à 3, lors de l'attribution des emplois qui ont été libérés pour une nomination, le pouvoir organisateur donne priorité aux membres du personnel qui remplissent les conditions pour une nomination à titre définitif et qui n'étaient jusqu'à présent pas nommés ou engagés à titre définitif dans une ou plusieurs fonctions à prestations complètes dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone.]7
Lorsqu'un ou plusieurs membres du personnel sont nommés à titre définitif dans une fonction à prestations incomplètes, le pouvoir organisateur leur accorde la priorité pour compléter leur horaire. L'obligation d'une nomination à titre définitif ne vaut que pour les membres du personnel qui ont introduit leur candidature par recommandé ou contre accusé de réception pour le 31 mai au plus tard.
[1 Par dérogation au premier alinéa, aucune priorité n'est accordée aux membres du personnel nommés exclusivement sur la base de l'article 37bis, pour ce qui est de compléter leur horaire.]1
[6 Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune priorité n'est accordée aux membres du personnel nommés dans l'une des fonctions ci-après, pour ce qui est de compléter leur nomination dans la fonction concernée dans l'école concernée :
a) pédagogue de soutien dans l'enseignement fondamental ordinaire;
b) coordinateur en pédagogie de soutien dans l'enseignement spécialisé;
c) assistant en maternelle;
d) assistant en école fondamentale spécialisée;
e) secrétaire en chef.]6
[7 Sans préjudice des alinéas 1er à 3, lors de l'attribution des emplois qui ont été libérés pour une nomination, le pouvoir organisateur donne priorité aux membres du personnel qui remplissent les conditions pour une nomination à titre définitif et qui n'étaient jusqu'à présent pas nommés ou engagés à titre définitif dans une ou plusieurs fonctions à prestations complètes dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone.]7
Modifications
Art. 41bis. <INGEVOEGD bij DDG 2006-06-26/38, art. 83; Inwerkingtreding : 01-09-2007 maar 01-01-2007 voor bepaalde stoffen> Titels, verdiensten en continuïteit.
Onverminderd artikel 41 vergelijkt de inrichtende macht vóór elke benoeming steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs en de uitoefening van het betrokken ambt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met :
1° de beoordelingsstaten;
2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht [1 en/of dienstanciënniteit bij andere inrichtende machten respectievelijk de verdere beroepservaring]1;
3° bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);
4° voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud).
Wanneer de inrichtende macht haar beslissing neemt, houdt ze tegelijk rekening met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
De benoemingen worden vooraf gediscussieerd in het betrokken overlegcomité.
Onverminderd artikel 41 vergelijkt de inrichtende macht vóór elke benoeming steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs en de uitoefening van het betrokken ambt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met :
1° de beoordelingsstaten;
2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht [1 en/of dienstanciënniteit bij andere inrichtende machten respectievelijk de verdere beroepservaring]1;
3° bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);
4° voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud).
Wanneer de inrichtende macht haar beslissing neemt, houdt ze tegelijk rekening met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
De benoemingen worden vooraf gediscussieerd in het betrokken overlegcomité.
Modifications
Art. 41bis. Titres, mérites et continuité
Sans préjudice de l'article 41, le pouvoir organisateur compare toujours, avant la nomination, les titres et mérites des candidats au moyen de critères objectifs, pertinents et appropriés, en relation avec l'enseignement ou utiles à l'exercice de la fonction concernée, notamment :
1° les bulletins de signalement;
2° l'ancienneté auprès du pouvoir organisateur [1 et/ou l'ancienneté auprès d'autres pouvoirs organisateurs ainsi que l'expérience professionnelle complémentaire]1;
3° les formations supplémentaires (nombre, durée et contenu);
4° les formations continuées (nombre, durée et contenu).
Lorsqu'il prend sa décision, le pouvoir organisateur tient parallèlement compte de la continuité indispensable au sein du personnel scolaire.
Une nomination est discutée au préalable au sein du comité de concertation ad hoc.
Sans préjudice de l'article 41, le pouvoir organisateur compare toujours, avant la nomination, les titres et mérites des candidats au moyen de critères objectifs, pertinents et appropriés, en relation avec l'enseignement ou utiles à l'exercice de la fonction concernée, notamment :
1° les bulletins de signalement;
2° l'ancienneté auprès du pouvoir organisateur [1 et/ou l'ancienneté auprès d'autres pouvoirs organisateurs ainsi que l'expérience professionnelle complémentaire]1;
3° les formations supplémentaires (nombre, durée et contenu);
4° les formations continuées (nombre, durée et contenu).
Lorsqu'il prend sa décision, le pouvoir organisateur tient parallèlement compte de la continuité indispensable au sein du personnel scolaire.
Une nomination est discutée au préalable au sein du comité de concertation ad hoc.
Modifications
Art. 42. Mutatie naar een andere inrichtende macht.
§ 1. De inrichtende macht die een vacante betrekking te begeven heeft en ze voor mutatie vrijmaakt, kan de mutatie toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat erom verzoekt, behalve als ze door de bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling verplicht is deze betrekking aan een personeelslid toe te wijzen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
[1 Een betrekking die door een personeelslid in het kader van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur [3 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]3 wordt bekleed, mag niet voor mutatie vrijgemaakt worden.]1
Een mutatie geschiedt steeds in hetzelfde ambt. Ze kan een personeelslid slechts worden toegekend, als de omvang van de vacante betrekking ten minste gelijk is aan die van de vaste benoeming in het betrokken ambt.
[2 In afwijking van het derde lid kan onder de volgende voorwaarden een mutatie van het gewoon onderwijs naar het gespecialiseerd onderwijs en omgekeerd voor een ander ambt plaatsvinden :
1° het ambt dat het personeelslid via mutatie wenst te bekleden, heeft dezelfde benaming als het ambt waarin dat personeelslid vast benoemd is;
2° het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt dat het via mutatie wenst te bekleden.]2
Het gemuteerde personeelslid moet bij de inrichtende macht die het verlaat ontslag nemen voor de opdracht of het gedeelte van de opdracht die het daar uitoefent en waarvoor het de mutatie heeft aangevraagd. De overgang van een inrichtende macht naar de andere zal zonder onderbreking gebeuren.
§ 2. Overeenkomstig voorliggende bepalingen kunnen zich de personeelsleden die in het gesubsidieerd vrij onderwijs of in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap vastbenoemd of definitief aangesteld zijn, kandidaat stellen voor een met het oog op een mutatie vrijgemaakte betrekking in het gesubsidieerd officieel onderwijs. De mutatie is slechts mogelijk als de betrokken inrichtende machten het ermee eens zijn.
De diensten die in het gesubsidieerd vrij onderwijs of in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap gepresteerd werden, worden met diensten in het gesubsidieerd officieel onderwijs gelijkgesteld en overeenkomstig voorliggende bepalingen berekend.
§ 1. De inrichtende macht die een vacante betrekking te begeven heeft en ze voor mutatie vrijmaakt, kan de mutatie toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat erom verzoekt, behalve als ze door de bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling verplicht is deze betrekking aan een personeelslid toe te wijzen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
[1 Een betrekking die door een personeelslid in het kader van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur [3 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]3 wordt bekleed, mag niet voor mutatie vrijgemaakt worden.]1
Een mutatie geschiedt steeds in hetzelfde ambt. Ze kan een personeelslid slechts worden toegekend, als de omvang van de vacante betrekking ten minste gelijk is aan die van de vaste benoeming in het betrokken ambt.
[2 In afwijking van het derde lid kan onder de volgende voorwaarden een mutatie van het gewoon onderwijs naar het gespecialiseerd onderwijs en omgekeerd voor een ander ambt plaatsvinden :
1° het ambt dat het personeelslid via mutatie wenst te bekleden, heeft dezelfde benaming als het ambt waarin dat personeelslid vast benoemd is;
2° het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt dat het via mutatie wenst te bekleden.]2
Het gemuteerde personeelslid moet bij de inrichtende macht die het verlaat ontslag nemen voor de opdracht of het gedeelte van de opdracht die het daar uitoefent en waarvoor het de mutatie heeft aangevraagd. De overgang van een inrichtende macht naar de andere zal zonder onderbreking gebeuren.
§ 2. Overeenkomstig voorliggende bepalingen kunnen zich de personeelsleden die in het gesubsidieerd vrij onderwijs of in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap vastbenoemd of definitief aangesteld zijn, kandidaat stellen voor een met het oog op een mutatie vrijgemaakte betrekking in het gesubsidieerd officieel onderwijs. De mutatie is slechts mogelijk als de betrokken inrichtende machten het ermee eens zijn.
De diensten die in het gesubsidieerd vrij onderwijs of in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap gepresteerd werden, worden met diensten in het gesubsidieerd officieel onderwijs gelijkgesteld en overeenkomstig voorliggende bepalingen berekend.
Art. 42. Mutation auprès d'un autre pouvoir organisateur.
§ 1er. Le pouvoir organisateur qui a un emploi vacant à conférer et le libère pour une mutation peut accorder la mutation à un membre du personnel nommé à titre définitif qui en fait la demande, sauf s'il est tenu, en vertu de la réglementation relative à la réaffectation ou à la remise au travail, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
[1 Un emploi occupé par un membre du personnel dans le cadre d'une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée [3 , conformément à l'article 22.1 ou à l'article 22bis,]3 ne peut être libéré pour une mutation.]1
Une mutation s'opère toujours dans la même fonction. Elle ne peut être accordée à un membre du personnel que si le volume de l'emploi vacant correspond au moins à celui de la nomination à titre définitif dans la fonction concernée.
[2 Par dérogation à l'alinéa 3, une mutation entre l'enseignement ordinaire et l'enseignement spécialisé et inversement peut être opérée dans une autre fonction aux conditions suivantes :
1° la fonction que le membre du personnel souhaite occuper par mutation porte la même dénomination que la fonction à laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif;
2° le membre du personnel est porteur du titre requis pour exercer la fonction qu'il souhaite occuper par mutation.]2
Le membre du personnel muté remet sa démission auprès du pouvoir organisateur qu'il quitte, pour la charge ou la partie de charge qu'il y exerce et pour laquelle il a demandé la mutation. Le passage d'un pouvoir organisateur à l'autre se fait sans interruption.
§ 2. Les membres du personnel nommés ou engagés à titre définitif dans l'enseignement libre subventionné ou dans l'enseignement de la Communauté germanophone peuvent, conformément aux présentes dispositions poser leur candidature à un emploi libéré pour une mutation dans l'enseignement officiel subventionné. La mutation ne peut intervenir que moyennant l'accord du pouvoir organisateur concerné.
Les services prestés dans l'enseignement libre subventionné ou dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont assimilés à des services prestés dans l'enseignement officiel subventionné et calculés conformément aux présentes dispositions.
§ 1er. Le pouvoir organisateur qui a un emploi vacant à conférer et le libère pour une mutation peut accorder la mutation à un membre du personnel nommé à titre définitif qui en fait la demande, sauf s'il est tenu, en vertu de la réglementation relative à la réaffectation ou à la remise au travail, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
[1 Un emploi occupé par un membre du personnel dans le cadre d'une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée [3 , conformément à l'article 22.1 ou à l'article 22bis,]3 ne peut être libéré pour une mutation.]1
Une mutation s'opère toujours dans la même fonction. Elle ne peut être accordée à un membre du personnel que si le volume de l'emploi vacant correspond au moins à celui de la nomination à titre définitif dans la fonction concernée.
[2 Par dérogation à l'alinéa 3, une mutation entre l'enseignement ordinaire et l'enseignement spécialisé et inversement peut être opérée dans une autre fonction aux conditions suivantes :
1° la fonction que le membre du personnel souhaite occuper par mutation porte la même dénomination que la fonction à laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif;
2° le membre du personnel est porteur du titre requis pour exercer la fonction qu'il souhaite occuper par mutation.]2
Le membre du personnel muté remet sa démission auprès du pouvoir organisateur qu'il quitte, pour la charge ou la partie de charge qu'il y exerce et pour laquelle il a demandé la mutation. Le passage d'un pouvoir organisateur à l'autre se fait sans interruption.
§ 2. Les membres du personnel nommés ou engagés à titre définitif dans l'enseignement libre subventionné ou dans l'enseignement de la Communauté germanophone peuvent, conformément aux présentes dispositions poser leur candidature à un emploi libéré pour une mutation dans l'enseignement officiel subventionné. La mutation ne peut intervenir que moyennant l'accord du pouvoir organisateur concerné.
Les services prestés dans l'enseignement libre subventionné ou dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont assimilés à des services prestés dans l'enseignement officiel subventionné et calculés conformément aux présentes dispositions.
Art. 42bis. <INGEVOEGD bij DDG 2006-06-26/38, art. 87; Inwerkingtreding : 01-09-2007 maar 01-01-2007 voor bepaalde stoffen> Titels, verdiensten en andere mutatiecriteria.
Vóór elke mutatie vergelijkt de inrichtende macht steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs of de uitoefening van het betrokken ambt. Bij de mutatiebeslissing houdt de inrichtende macht ook rekening met geografische en socio-familiale aspecten in de situatie van de kandidaat alsmede met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Bovendien houdt ze o.a. rekening met volgende criteria :
1° de evaluatieverslagen;
2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht [1 en/of dienstanciënniteit bij andere inrichtende machten respectievelijk de verdere beroepservaring]1;
3° de bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);
4° de voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud).
De mutaties worden vooraf gediscussieerd in het betrokken overlegcomité.
Vóór elke mutatie vergelijkt de inrichtende macht steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs of de uitoefening van het betrokken ambt. Bij de mutatiebeslissing houdt de inrichtende macht ook rekening met geografische en socio-familiale aspecten in de situatie van de kandidaat alsmede met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Bovendien houdt ze o.a. rekening met volgende criteria :
1° de evaluatieverslagen;
2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht [1 en/of dienstanciënniteit bij andere inrichtende machten respectievelijk de verdere beroepservaring]1;
3° de bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);
4° de voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud).
De mutaties worden vooraf gediscussieerd in het betrokken overlegcomité.
Modifications
Art. 42bis. Titres, mérites et autres critères liés à la mutation.
Avant toute mutation, le pouvoir organisateur compare toujours les titres et mérites des candidats au moyen de critères objectifs, pertinents et appropriés, en relation avec l'enseignement ou utiles à l'exercice de la fonction concernée. Lors de la décision de mutation, le pouvoir organisateur tient également compte d'aspects géographiques et socio-familiaux dans la situation du candidat ainsi que de la continuité indispensable au niveau du personnel scolaire.
Il prend aussi en considération d'autres critères, notamment :
1° les rapports d'évaluation;
2° l'ancienneté auprès du pouvoir organisateur [1 et/ou l'ancienneté auprès d'autres pouvoirs organisateurs ainsi que l'expérience professionnelle complémentaire]1;
3° les formations supplémentaires (nombre, durée et contenu);
4° les formations continuées (nombre, durée et contenu).
Une mutation est discutée au préalable au sein du comité de concertation ad hoc.
Avant toute mutation, le pouvoir organisateur compare toujours les titres et mérites des candidats au moyen de critères objectifs, pertinents et appropriés, en relation avec l'enseignement ou utiles à l'exercice de la fonction concernée. Lors de la décision de mutation, le pouvoir organisateur tient également compte d'aspects géographiques et socio-familiaux dans la situation du candidat ainsi que de la continuité indispensable au niveau du personnel scolaire.
Il prend aussi en considération d'autres critères, notamment :
1° les rapports d'évaluation;
2° l'ancienneté auprès du pouvoir organisateur [1 et/ou l'ancienneté auprès d'autres pouvoirs organisateurs ainsi que l'expérience professionnelle complémentaire]1;
3° les formations supplémentaires (nombre, durée et contenu);
4° les formations continuées (nombre, durée et contenu).
Une mutation est discutée au préalable au sein du comité de concertation ad hoc.
Modifications
Art. 42ter. <INGEVOEGD bij DDG 2006-06-26/38, art. 88; Inwerkingtreding : 01-09-2007 maar 01-01-2007 voor bepaalde stoffen> Oproep tot de kandidaten voor een mutatie.
In de loop van het tweede kwartaal van het schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie. Deze oproep wordt in de pers bekendgemaakt, in de scholen door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat een lijst met de betrekkingen die op 1 oktober van het volgende jaar heel waarschijnlijk vacant zullen zijn en voor mutatie vrijgemaakt worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen alsmede de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en vermeldt de vorm en de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend.
In de loop van het tweede kwartaal van het schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie. Deze oproep wordt in de pers bekendgemaakt, in de scholen door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat een lijst met de betrekkingen die op 1 oktober van het volgende jaar heel waarschijnlijk vacant zullen zijn en voor mutatie vrijgemaakt worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen alsmede de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en vermeldt de vorm en de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend.
Art. 42ter. Appel aux candidats à une mutation
Au cours du deuxième trimestre de l'année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à une mutation. Cet appel est publié dans la presse, par affichage dans les écoles et sous toute autre forme jugée adéquate par le pouvoir organisateur. Cet appel est transmis au Ministère pour information.
L'appel contient une liste des emplois qui seront probablement vacants au 1er octobre de l'année suivante et qui ont été libérés pour une mutation. Il contient des indications sur les emplois à pourvoir, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites.
Au cours du deuxième trimestre de l'année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à une mutation. Cet appel est publié dans la presse, par affichage dans les écoles et sous toute autre forme jugée adéquate par le pouvoir organisateur. Cet appel est transmis au Ministère pour information.
L'appel contient une liste des emplois qui seront probablement vacants au 1er octobre de l'année suivante et qui ont été libérés pour une mutation. Il contient des indications sur les emplois à pourvoir, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites.
Art. 42quater. <INGEVOEGD bij DDG 2006-06-26/38, art. 89; Inwerkingtreding : 01-09-2007 maar 01-01-2007 voor bepaalde stoffen> Opstellen van een akte van mutatie.
Voor elke mutatie stelt de inrichtende macht die het personeelslid opneemt een akte van mutatie op waarvan een afschrift aan de betrokken scholen, aan het betrokken personeelslid en, voorzover het om een leermeester of leraar godsdienst gaat, aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst wordt overhandigd.
Deze akte van mutatie vermeldt ten minste :
1° de identiteit van de inrichtende macht;
2° de identiteit van het personeelslid;
3° de benaming van de school waar het personeelslid wordt gemuteerd;
4° het ambt (met inbegrip van het aantal uren) waarin het personeelslid wordt gemuteerd.
Voor elke mutatie stelt de inrichtende macht die het personeelslid opneemt een akte van mutatie op waarvan een afschrift aan de betrokken scholen, aan het betrokken personeelslid en, voorzover het om een leermeester of leraar godsdienst gaat, aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst wordt overhandigd.
Deze akte van mutatie vermeldt ten minste :
1° de identiteit van de inrichtende macht;
2° de identiteit van het personeelslid;
3° de benaming van de school waar het personeelslid wordt gemuteerd;
4° het ambt (met inbegrip van het aantal uren) waarin het personeelslid wordt gemuteerd.
Art. 42quater. Rédaction d'un acte de mutation.
Pour toute mutation, le pouvoir organisateur qui accueille le membre du personnel établit un acte de mutation dont les écoles concernées, le membre du personnel et, s'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, l'autorité compétente pour le culte concerné reçoivent copie.
Cet acte de mutation mentionne au moins :
1° l'identité du pouvoir organisateur;
2° l'identité du membre du personnel;
3° la dénomination de l'école où le membre du personnel est muté;
4° la fonction (en ce compris le nombre d'heures) dans laquelle le membre du personnel est muté.
Pour toute mutation, le pouvoir organisateur qui accueille le membre du personnel établit un acte de mutation dont les écoles concernées, le membre du personnel et, s'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, l'autorité compétente pour le culte concerné reçoivent copie.
Cet acte de mutation mentionne au moins :
1° l'identité du pouvoir organisateur;
2° l'identité du membre du personnel;
3° la dénomination de l'école où le membre du personnel est muté;
4° la fonction (en ce compris le nombre d'heures) dans laquelle le membre du personnel est muté.
Art. 43. Instemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst.
Bij de mutatieaanvraag van een leermeester of leraar godsdienst moet het gunstig advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, gevoegd worden.
Bij de mutatieaanvraag van een leermeester of leraar godsdienst moet het gunstig advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, gevoegd worden.
Art. 43. Accord de l'autorité compétente pour le culte concerné.
La demande de mutation introduite par un maître ou professeur de religion est accompagnée d'un avis favorable émis par l'autorité compétente pour le culte concerné, si elle existe.
La demande de mutation introduite par un maître ou professeur de religion est accompagnée d'un avis favorable émis par l'autorité compétente pour le culte concerné, si elle existe.
Art. 44. Beperking m.b.t. de benoeming en de mutatie.
De vaste benoeming en de mutatie in een wervingsambt worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting welke krachtens een beslissing van de Regering, die vooraf aan de inrichtende macht wordt bekendgemaakt, slechts voor een bepaalde tijd gesubsidieerd wordt.
De vaste benoeming en de mutatie in een wervingsambt worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting welke krachtens een beslissing van de Regering, die vooraf aan de inrichtende macht wordt bekendgemaakt, slechts voor een bepaalde tijd gesubsidieerd wordt.
Art. 44. Limitation au niveau des nominations et mutations.
La nomination à titre définitif et la mutation dans une fonction de recrutement ne sont permis ni pour un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation, est en voie de fermeture progressive ni pour un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision du Gouvernement préalablement signifiée au pouvoir organisateur.
La nomination à titre définitif et la mutation dans une fonction de recrutement ne sont permis ni pour un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation, est en voie de fermeture progressive ni pour un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision du Gouvernement préalablement signifiée au pouvoir organisateur.
Art. 45. Benoeming in een ander ambt.
Een personeelslid dat in een ambt vastbenoemd is maar bij dezelfde inrichtende macht in een vacante betrekking van een ander ambt wenst vastbenoemd te worden en dat in het beoogde ambt ten minste 360 dagen dienstanciënniteit telt en het in artikel 2 bedoeld bekwaamheidsbewijs bezit, moet bij de inrichtende macht zijn kandidatuur schriftelijk indienen onder dezelfde voorwaarden als de kandidaten voor een vaste benoeming.
De vaste benoeming in het andere ambt geschiedt op 1 september van het volgende schooljaar.
Een personeelslid dat in een ambt vastbenoemd is maar bij dezelfde inrichtende macht in een vacante betrekking van een ander ambt wenst vastbenoemd te worden en dat in het beoogde ambt ten minste 360 dagen dienstanciënniteit telt en het in artikel 2 bedoeld bekwaamheidsbewijs bezit, moet bij de inrichtende macht zijn kandidatuur schriftelijk indienen onder dezelfde voorwaarden als de kandidaten voor een vaste benoeming.
De vaste benoeming in het andere ambt geschiedt op 1 september van het volgende schooljaar.
Art. 45. Nomination dans une autre fonction.
Le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction, qui souhaite être nommé définitivement au sein du même pouvoir organisateur dans un emploi vacant d'une autre fonction dans laquelle il peut prouver une ancienneté de service d'au moins 360 jours et pour laquelle il possède le titre de capacité prévu à l'article 2, introduit sa candidature par écrit auprès du pouvoir organisateur en respectant les mêmes conditions que les candidats à une nomination à titre définitif.
La nomination définitive dans cette autre fonction a lieu le 1er septembre de l'année scolaire suivante.
Le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction, qui souhaite être nommé définitivement au sein du même pouvoir organisateur dans un emploi vacant d'une autre fonction dans laquelle il peut prouver une ancienneté de service d'au moins 360 jours et pour laquelle il possède le titre de capacité prévu à l'article 2, introduit sa candidature par écrit auprès du pouvoir organisateur en respectant les mêmes conditions que les candidats à une nomination à titre définitif.
La nomination définitive dans cette autre fonction a lieu le 1er septembre de l'année scolaire suivante.
Art. 46. Beperking m.b.t. de benoemingen in geval van cumulatie.
Meerdere benoemingen in verschillende ambten worden slechts toegelaten als deze ambten te zamen niet meer dan een hoofdambt met volledige prestaties uitmaken.
Meerdere benoemingen in verschillende ambten worden slechts toegelaten als deze ambten te zamen niet meer dan een hoofdambt met volledige prestaties uitmaken.
Art. 46. Limitation des nominations en cas de cumul de fonctions.
Il n'est permis de nommer dans différentes fonctions que si l'ensemble n'excède pas une fonction à prestations complètes exercée à titre principal.
Il n'est permis de nommer dans différentes fonctions que si l'ensemble n'excède pas une fonction à prestations complètes exercée à titre principal.
Art. 47. Kandidatuur voor meerdere ambten.
De persoon die zich in verschillende ambten kandidaat stelt voor een vaste benoeming dient voor elk ambt een afzonderlijke kandidatuur in.
De persoon die zich in verschillende ambten kandidaat stelt voor een vaste benoeming dient voor elk ambt een afzonderlijke kandidatuur in.
Art. 47. Candidature à plusieurs fonctions.
La personne qui pose sa candidature pour une nomination à titre définitif dans plusieurs fonctions introduit une candidature séparée pour chacune d'elles.
La personne qui pose sa candidature pour une nomination à titre définitif dans plusieurs fonctions introduit une candidature séparée pour chacune d'elles.
Art. 48. Berekening van de dienstanciënniteit.
§ 1 - Voor de berekening van de dienstanciënniteit
1° [3 worden enkel in aanmerking genomen de diensten die tot 30 april van het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend in hoofdambt gepresteerd zijn, voor zover de kandidaat houder is van de overeenkomstige bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°;]3
2° [3 bestaat het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk personeelslid of als [7 ...]7 contractueel personeelslid in een ambt met volledige prestaties uit alle dagen die gepresteerd zijn vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken periode van actieve dienst, met inbegrip van het ontspanningsverlof, de kerst- en paasvakantie, het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden of de overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen toegekende uitzonderlijke verloven, indien ze in deze periode vallen. Dit aantal dagen wordt met 1,2 vermenigvuldigd, behalve voor het berekenen van de dienstanciënniteit van het technisch personeel van de PMS-centra [4 , van de leraar-mediathecaris en van het administratief personeel]4 van de onderwijsinrichtingen. Uitgesloten van deze vermenigvuldiging zijn de dienstdagen die gepresteerd worden door een personeelslid aangesteld voor een doorlopende duur en die betrekking hebben op een volledig schooljaar.]3 [1 Worden van deze vermenigvuldiging uitgesloten de dienstdagen die gepresteerd worden door een personeelslid aangesteld voor een doorlopende duur [6 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]6 en die betrekking hebben tot een volledig schooljaar.]1
De dagen gepresteerd als definitief personeelslid in een ambt met volledige prestaties worden opgeteld van het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van de zomervakantie.
[5 Onverminderd het eerste en het tweede lid wordt, voor de toepassing van artikel 23, in geval van een personeelslid dat houder is van een diploma van kleuteronderwijzer ook rekening gehouden met de diensten die tot uiterlijk 30 april verricht zijn in het ambt van onderwijzer voor lager onderwijs. De berekening geschiedt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de voorgaande leden.]5
§ 2 - De diensten die gepresteerd werden in een ambt met onvolledige prestaties en ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvatten, worden in aanmerking genomen zoals diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties.
Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat niet de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvat, wordt gehalveerd.
[6 Het aantal dagen dat gepresteerd wordt in technische vakken, technische beroepsvakken en beroepspraktijkvakken van een graad die tot één vakrichting behoren, worden samengeteld.]6
§ 3 - Het aantal dagen verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige prestaties mag nooit het aantal dagen overschrijden dat in een gedurende dezelfde periode uitgeoefend ambt met volledige prestaties verworven is.
§ 4 - De periode waarvoor een personeelslid een beoordelingsstaat heeft gekregen waarop de vermelding " onvoldoende " als eindconclusie staat, wordt niet in aanmerking genomen.
§ 1 - Voor de berekening van de dienstanciënniteit
1° [3 worden enkel in aanmerking genomen de diensten die tot 30 april van het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend in hoofdambt gepresteerd zijn, voor zover de kandidaat houder is van de overeenkomstige bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°;]3
2° [3 bestaat het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk personeelslid of als [7 ...]7 contractueel personeelslid in een ambt met volledige prestaties uit alle dagen die gepresteerd zijn vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken periode van actieve dienst, met inbegrip van het ontspanningsverlof, de kerst- en paasvakantie, het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof, de periode tijdens welke het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden of de overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen toegekende uitzonderlijke verloven, indien ze in deze periode vallen. Dit aantal dagen wordt met 1,2 vermenigvuldigd, behalve voor het berekenen van de dienstanciënniteit van het technisch personeel van de PMS-centra [4 , van de leraar-mediathecaris en van het administratief personeel]4 van de onderwijsinrichtingen. Uitgesloten van deze vermenigvuldiging zijn de dienstdagen die gepresteerd worden door een personeelslid aangesteld voor een doorlopende duur en die betrekking hebben op een volledig schooljaar.]3 [1 Worden van deze vermenigvuldiging uitgesloten de dienstdagen die gepresteerd worden door een personeelslid aangesteld voor een doorlopende duur [6 overeenkomstig artikel 22.1 of artikel 22bis]6 en die betrekking hebben tot een volledig schooljaar.]1
De dagen gepresteerd als definitief personeelslid in een ambt met volledige prestaties worden opgeteld van het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van de zomervakantie.
[5 Onverminderd het eerste en het tweede lid wordt, voor de toepassing van artikel 23, in geval van een personeelslid dat houder is van een diploma van kleuteronderwijzer ook rekening gehouden met de diensten die tot uiterlijk 30 april verricht zijn in het ambt van onderwijzer voor lager onderwijs. De berekening geschiedt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de voorgaande leden.]5
§ 2 - De diensten die gepresteerd werden in een ambt met onvolledige prestaties en ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvatten, worden in aanmerking genomen zoals diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties.
Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat niet de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvat, wordt gehalveerd.
[6 Het aantal dagen dat gepresteerd wordt in technische vakken, technische beroepsvakken en beroepspraktijkvakken van een graad die tot één vakrichting behoren, worden samengeteld.]6
§ 3 - Het aantal dagen verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige prestaties mag nooit het aantal dagen overschrijden dat in een gedurende dezelfde periode uitgeoefend ambt met volledige prestaties verworven is.
§ 4 - De periode waarvoor een personeelslid een beoordelingsstaat heeft gekregen waarop de vermelding " onvoldoende " als eindconclusie staat, wordt niet in aanmerking genomen.
Modifications
Art. 48. Calcul de l'ancienneté de service.
§ 1er - Pour le calcul de l'ancienneté de service :
1° [3 sont seuls pris en considération les services prestés en fonction principale jusqu'au 30 avril de l'année de la demande, pour autant que le candidat soit porteur des titres de capacité correspondants prévus à l'article 20, alinéa 1er, 5°, déterminés par le Gouvernement;]3
2° [3 le nombre de jours prestés, en qualité de temporaire ou d'agent contractuel [7 ...]7, dans une fonction à prestations complètes est formé de tous les jours comptés du début à la fin de la période d'activité continue, y compris, s'ils sont englobés dans cette période, le congé de détente ainsi que les vacances de Noël et de Pâques, le congé de maternité, le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ou les congés exceptionnels accordés conformément aux dispositions légales et réglementaires. Ce nombre de jours est multiplié par 1,2 sauf pour calculer l'ancienneté du personnel technique des centres P.M.S. [4 , du professeur-médiathécaire]4 et du personnel administratif des établissements d'enseignement. Sont exclus de cette multiplication les jours prestés par un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [6 conformément à l'article 22.1 ou à l'article 22bis]6 et se rapportant à une année scolaire complète.]3 [1 Sont exclus de cette multiplication les jours prestés par un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée et se rapportant à une année scolaire complète.]1
Les jours prestés en qualité de membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction à prestations complètes se comptent du début à la fin d'une période ininterrompue d'activité de service, vacances d'été comprises.
[5 Sans préjudice des alinéas 1er et 2, les services prestés jusqu'au 30 avril dans la fonction d'instituteur primaire sont pris en compte pour l'application de l'article 23 à un membre du personnel porteur d'un diplôme d'instituteur maternel. Ces services sont calculés conformément aux modalités fixées dans les alinéas précédents.]5
§ 2 - Les services fournis dans une fonction à prestations incomplètes comportant au moins la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes sont pris en considération au même titre que les services rendus dans une fonction à prestations complètes.
Le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations incomplètes qui ne comporte pas la moitie du nombre requis pour une fonction à prestations complètes, est réduit de moitié.
[6 Les jours qui, dans une discipline de l'enseignement technique et professionnel, sont prestés dans un degré dans les cours techniques, les cours techniques et professionnels et les cours de pratique professionnelle sont additionnés.]6
§ 3 - Le nombre de jours acquis dans deux ou plusieurs fonctions à prestations complètes ou non, exercées simultanément, ne peut jamais dépasser le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations complètes exercée pendant la même période.
§ 4 - La période pour laquelle le bulletin de signalement obtenu par le membre du personnel porte en conclusion la mention " insuffisant ", n'est pas retenue pour le calcul.
§ 1er - Pour le calcul de l'ancienneté de service :
1° [3 sont seuls pris en considération les services prestés en fonction principale jusqu'au 30 avril de l'année de la demande, pour autant que le candidat soit porteur des titres de capacité correspondants prévus à l'article 20, alinéa 1er, 5°, déterminés par le Gouvernement;]3
2° [3 le nombre de jours prestés, en qualité de temporaire ou d'agent contractuel [7 ...]7, dans une fonction à prestations complètes est formé de tous les jours comptés du début à la fin de la période d'activité continue, y compris, s'ils sont englobés dans cette période, le congé de détente ainsi que les vacances de Noël et de Pâques, le congé de maternité, le congé prophylactique, la période pendant laquelle le membre du personnel est dispensé de toute activité dans le cadre de la protection de la maternité ou de la menace d'une maladie professionnelle, le congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse, les congés de circonstance ou les congés exceptionnels accordés conformément aux dispositions légales et réglementaires. Ce nombre de jours est multiplié par 1,2 sauf pour calculer l'ancienneté du personnel technique des centres P.M.S. [4 , du professeur-médiathécaire]4 et du personnel administratif des établissements d'enseignement. Sont exclus de cette multiplication les jours prestés par un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [6 conformément à l'article 22.1 ou à l'article 22bis]6 et se rapportant à une année scolaire complète.]3 [1 Sont exclus de cette multiplication les jours prestés par un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée et se rapportant à une année scolaire complète.]1
Les jours prestés en qualité de membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction à prestations complètes se comptent du début à la fin d'une période ininterrompue d'activité de service, vacances d'été comprises.
[5 Sans préjudice des alinéas 1er et 2, les services prestés jusqu'au 30 avril dans la fonction d'instituteur primaire sont pris en compte pour l'application de l'article 23 à un membre du personnel porteur d'un diplôme d'instituteur maternel. Ces services sont calculés conformément aux modalités fixées dans les alinéas précédents.]5
§ 2 - Les services fournis dans une fonction à prestations incomplètes comportant au moins la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes sont pris en considération au même titre que les services rendus dans une fonction à prestations complètes.
Le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations incomplètes qui ne comporte pas la moitie du nombre requis pour une fonction à prestations complètes, est réduit de moitié.
[6 Les jours qui, dans une discipline de l'enseignement technique et professionnel, sont prestés dans un degré dans les cours techniques, les cours techniques et professionnels et les cours de pratique professionnelle sont additionnés.]6
§ 3 - Le nombre de jours acquis dans deux ou plusieurs fonctions à prestations complètes ou non, exercées simultanément, ne peut jamais dépasser le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations complètes exercée pendant la même période.
§ 4 - La période pour laquelle le bulletin de signalement obtenu par le membre du personnel porte en conclusion la mention " insuffisant ", n'est pas retenue pour le calcul.
Modifications
HOOFDSTUK IV. - Toegang tot de selectieambten.
CHAPITRE IV. - De l'accès aux fonctions de sélection.
Art. 49. Princiep. De inrichtende macht kan een personeelslid in een vacante betrekking van een selectieambt in vast verband benoemen, behalve als ze door de vigerende bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling verplicht is in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
De vaste benoeming heeft voorrang boven de mutatie vermeld in artikel 52.
De vaste benoeming heeft voorrang boven de mutatie vermeld in artikel 52.
Art. 49. Principe. Un pouvoir organisateur peut nommer un membre du personnel à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de sélection, sauf s'il est tenu par les dispositions relatives à la réaffectation ou la remise au travail, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
La nomination à titre définitif est prioritaire par rapport à la mutation mentionnée à l'article 52.
La nomination à titre définitif est prioritaire par rapport à la mutation mentionnée à l'article 52.
Art. 50. Oproep tot de kandidaten.
Tussen 10 en 30 april van elk schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie en een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat een lijst met de definitief te begeven vacante betrekkingen van selectieambten, welke op basis van de situatie op 1 april vóór de oproep bepaald worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen, de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten, alsmede de vorm en de termijn voor het indienen van de kandidaturen. Deze oproep wordt door aanplakking op school of bij het PMS-centrum alsmede in elk andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. De lijst is op gewoon verzoek bij het Ministerie of bij de betrokken inrichtende macht verkrijgbaar.
Tussen 10 en 30 april van elk schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie en een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat een lijst met de definitief te begeven vacante betrekkingen van selectieambten, welke op basis van de situatie op 1 april vóór de oproep bepaald worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen, de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten, alsmede de vorm en de termijn voor het indienen van de kandidaturen. Deze oproep wordt door aanplakking op school of bij het PMS-centrum alsmede in elk andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. De lijst is op gewoon verzoek bij het Ministerie of bij de betrokken inrichtende macht verkrijgbaar.
Art. 50. Appel aux candidats.
Entre le 10 et le 30 avril de chaque année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à une mutation et à une nomination à titre définitif. Cet appel est transmis pour information au Ministère.
L'appel contient une liste des emplois vacants de fonctions de sélection à conférer à titre définitif, déterminés sur la base de la situation au 1er avril précédant l'appel aux candidats. Il contient des indications sur les emplois à conférer, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites. L'appel est porte à la connaissance de tous les membres du personnel par affichage public dans l'établissement d'enseignement ou le centre P.M.S. et par toute autre forme appropriée. La liste peut être obtenue sur demande auprès du Ministère ou du pouvoir organisateur concerné.
Entre le 10 et le 30 avril de chaque année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à une mutation et à une nomination à titre définitif. Cet appel est transmis pour information au Ministère.
L'appel contient une liste des emplois vacants de fonctions de sélection à conférer à titre définitif, déterminés sur la base de la situation au 1er avril précédant l'appel aux candidats. Il contient des indications sur les emplois à conférer, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites. L'appel est porte à la connaissance de tous les membres du personnel par affichage public dans l'établissement d'enseignement ou le centre P.M.S. et par toute autre forme appropriée. La liste peut être obtenue sur demande auprès du Ministère ou du pouvoir organisateur concerné.
Art. 51. Ogenblik van de benoemingen en mutaties.
De mutaties en de vaste benoemingen in de in artikel 50, lid 2, vermelde betrekkingen geschieden elk jaar op 1 september, voorzover deze betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn; de betrekkingen die vacant worden ingevolge een mutatie die op 1 september moet geschieden, dienen als vacant te worden geacht.
De mutaties en de vaste benoemingen in de in artikel 50, lid 2, vermelde betrekkingen geschieden elk jaar op 1 september, voorzover deze betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn; de betrekkingen die vacant worden ingevolge een mutatie die op 1 september moet geschieden, dienen als vacant te worden geacht.
Art. 51. Moment ou sont effectuées les nominations et les mutations.
Les mutations et les nominations à titre définitif dans les emplois visés à l'article 50, alinéa 2, sont opérées au 1er septembre de chaque année, pour autant que ces emplois soient encore vacants à cette date, étant entendu que les emplois devenant vacants à la suite d'une mutation à opérer le 1er septembre doivent être considérés comme vacants.
Les mutations et les nominations à titre définitif dans les emplois visés à l'article 50, alinéa 2, sont opérées au 1er septembre de chaque année, pour autant que ces emplois soient encore vacants à cette date, étant entendu que les emplois devenant vacants à la suite d'une mutation à opérer le 1er septembre doivent être considérés comme vacants.
Art. 52. Mutatie naar een andere inrichtende macht.
Het personeelslid dat in een selectieambt vastbenoemd is, echter maar in een vacante betrekking van hetzelfde selectieambt in een andere onderwijsinrichting bij een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wenst gemuteerd te worden, dient binnen de 30 dagen na de openbaarmaking van de oproep tot de kandidaten voor een vaste benoeming, gedaan overeenkomstig artikel 50, een dienovereenkomstige schriftelijke mutatieaanvraag bij de inrichtende macht van de andere onderwijsinrichting in.
Wordt de mutatie toegekend, dan wordt ze op 1 september van het volgende schooljaar uitvoerbaar. De overgang van één onderwijsinrichting naar de andere geschiedt zonder onderbreking.
De inrichtende macht is verplicht het personeelslid in vast verband te benoemen op het ogenblik van zijn mutatie.
Het gemuteerde personeelslid dient bij de inrichtende macht zijn ontslag in voor het selectieambt dat het verlaat.
Het personeelslid dat in een selectieambt vastbenoemd is, echter maar in een vacante betrekking van hetzelfde selectieambt in een andere onderwijsinrichting bij een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wenst gemuteerd te worden, dient binnen de 30 dagen na de openbaarmaking van de oproep tot de kandidaten voor een vaste benoeming, gedaan overeenkomstig artikel 50, een dienovereenkomstige schriftelijke mutatieaanvraag bij de inrichtende macht van de andere onderwijsinrichting in.
Wordt de mutatie toegekend, dan wordt ze op 1 september van het volgende schooljaar uitvoerbaar. De overgang van één onderwijsinrichting naar de andere geschiedt zonder onderbreking.
De inrichtende macht is verplicht het personeelslid in vast verband te benoemen op het ogenblik van zijn mutatie.
Het gemuteerde personeelslid dient bij de inrichtende macht zijn ontslag in voor het selectieambt dat het verlaat.
Art. 52. Mutation auprès d'un autre pouvoir organisateur.
Dans les trente jours suivant la publication de l'appel aux candidats à une nomination à titre définitif lancé conformément à l'article 50, le membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans une fonction de sélection et qui souhaiterait être muté dans un emploi vacant de la même fonction de sélection auprès d'un autre établissement d'enseignement d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné, introduit par écrit une demande allant en ce sens en vue d'une mutation auprès du pouvoir organisateur de l'autre établissement d'enseignement.
Si la mutation est accordée, elle deviendra exécutoire au 1er septembre de l'année scolaire suivante. Le passage d'un établissement d'enseignement à l'autre se fait sans interruption.
Le pouvoir organisateur est tenu de nommer le membre du personnel à titre définitif au moment de sa mutation.
Le membre du personnel muté remet sa démission auprès du pouvoir organisateur pour la fonction de sélection qu'il quitte.
Dans les trente jours suivant la publication de l'appel aux candidats à une nomination à titre définitif lancé conformément à l'article 50, le membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans une fonction de sélection et qui souhaiterait être muté dans un emploi vacant de la même fonction de sélection auprès d'un autre établissement d'enseignement d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné, introduit par écrit une demande allant en ce sens en vue d'une mutation auprès du pouvoir organisateur de l'autre établissement d'enseignement.
Si la mutation est accordée, elle deviendra exécutoire au 1er septembre de l'année scolaire suivante. Le passage d'un établissement d'enseignement à l'autre se fait sans interruption.
Le pouvoir organisateur est tenu de nommer le membre du personnel à titre définitif au moment de sa mutation.
Le membre du personnel muté remet sa démission auprès du pouvoir organisateur pour la fonction de sélection qu'il quitte.
Art. 53. Beperking m.b.t. de benoeming en de mutatie.
De vaste benoeming en de mutatie in een selectieambt worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting welke krachtens een beslissing van de Regering, die vooraf aan de inrichtende macht wordt bekendgemaakt, slechts voor een bepaalde tijd gesubsidieerd wordt.
De vaste benoeming en de mutatie in een selectieambt worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting welke krachtens een beslissing van de Regering, die vooraf aan de inrichtende macht wordt bekendgemaakt, slechts voor een bepaalde tijd gesubsidieerd wordt.
Art. 53. Limitation au niveau des nominations et mutations.
Une nomination à titre définitif et une mutation dans une fonction de sélection ne sont autorisées ni pour un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation, est en voie de fermeture progressive ni pour un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision du Gouvernement préalablement signifiée au pouvoir organisateur.
Une nomination à titre définitif et une mutation dans une fonction de sélection ne sont autorisées ni pour un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation, est en voie de fermeture progressive ni pour un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision du Gouvernement préalablement signifiée au pouvoir organisateur.
Art. 54. Voorwaarden m.b.t. de benoeming.
Een personeelslid mag in een selectieambt niet vastbenoemd worden, indien het op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° sinds ten minste zes jaar titularis zijn, in het gesubsidieerd officieel onderwijs of in het gesubsidieerd officieel PMS-centrum, van een wervingsambt dat tot een selectieambt toegang verleent, waarvan ten minste twee jaar met een vaste benoeming voor ten minste een halve opdracht;
2° houder zijn van een in artikel 2 bedoeld bekwaamheidsbewijs voor een wervingsambt dat tot het selectieambt toegang verleent;
3° al aan een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of erkende bijzondere nascholing hebben deelgenomen en het overeenkomstige deelnemingsattest kunnen doen gelden;
4° in het laatste evaluatieverslag ten minste de vermelding " [1 goed]1 " hebben gekregen; bij gebrek aan een evaluatieverslag wordt de voorwaarde geacht vervuld te zijn [1 ;]1
[1 5° voldoen aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Een personeelslid mag in een selectieambt niet vastbenoemd worden, indien het op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° sinds ten minste zes jaar titularis zijn, in het gesubsidieerd officieel onderwijs of in het gesubsidieerd officieel PMS-centrum, van een wervingsambt dat tot een selectieambt toegang verleent, waarvan ten minste twee jaar met een vaste benoeming voor ten minste een halve opdracht;
2° houder zijn van een in artikel 2 bedoeld bekwaamheidsbewijs voor een wervingsambt dat tot het selectieambt toegang verleent;
3° al aan een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of erkende bijzondere nascholing hebben deelgenomen en het overeenkomstige deelnemingsattest kunnen doen gelden;
4° in het laatste evaluatieverslag ten minste de vermelding " [1 goed]1 " hebben gekregen; bij gebrek aan een evaluatieverslag wordt de voorwaarde geacht vervuld te zijn [1 ;]1
[1 5° voldoen aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Modifications
Art. 54. Conditions de nomination.
Un membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans une fonction de sélection s'il ne répond, au moment de la nomination, aux conditions suivantes :
1° être titulaire depuis six ans au moins dans l'enseignement officiel subventionné ou auprès du centre P.M.S. officiel subventionné d'une fonction de recrutement menant à une fonction de sélection, dont au moins deux années avec une nomination à titre définitif pour au moins une demi-charge;
2° être porteur d'un titre de capacité prévu à l'article 2 pour une fonction de recrutement menant à cette fonction de sélection;
3° avoir suivi au préalable une formation continuée spécifique organisée ou reconnue par la Communauté germanophone et pouvoir présenter le certificat de fréquentation y relatif;
4° avoir obtenu au moins la mention " [1 bon]1 " dans le dernier rapport d'évaluation; à défaut de rapport d'évaluation, la présente condition est considérée comme remplie [1 ;]1
[1 5° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
Un membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans une fonction de sélection s'il ne répond, au moment de la nomination, aux conditions suivantes :
1° être titulaire depuis six ans au moins dans l'enseignement officiel subventionné ou auprès du centre P.M.S. officiel subventionné d'une fonction de recrutement menant à une fonction de sélection, dont au moins deux années avec une nomination à titre définitif pour au moins une demi-charge;
2° être porteur d'un titre de capacité prévu à l'article 2 pour une fonction de recrutement menant à cette fonction de sélection;
3° avoir suivi au préalable une formation continuée spécifique organisée ou reconnue par la Communauté germanophone et pouvoir présenter le certificat de fréquentation y relatif;
4° avoir obtenu au moins la mention " [1 bon]1 " dans le dernier rapport d'évaluation; à défaut de rapport d'évaluation, la présente condition est considérée comme remplie [1 ;]1
[1 5° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
Modifications
Art. 55. Tijdelijke toewijzing.
§ 1 - Een selectieambt kan tijdelijk toegewezen worden aan een vastbenoemd personeelslid dat aan de in artikel 54, 2° en 4°, bepaalde voorwaarden voldoet en ofwel een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt ofwel sinds ten hoogste twee jaar wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is :
1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
2° in het bij artikel 53 bedoelde geval;
3° in afwachting van een vaste benoeming [1 ;]1
[1 4° indien het personeelslid voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Tijdens deze periode blijft het personeelslid aan wie dat ambt tijdelijk toegewezen is titularis van het ambt waarin het vastbenoemd is.
In het geval bedoeld in lid 1, 3° en uiterlijk twee jaar na de datum waarop het selectieambt vacant is geworden, wordt het tijdelijk personeelslid in het betrokken ambt vastbenoemd, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 54 voldoet en voor zover de inrichtende macht het niet ervan heeft ontlast.
§ 2 - Kan het selectieambt geen vastbenoemd personeelslid overeenkomstig § 1 tijdelijk toegewezen worden, dan is de inrichtende macht ertoe gemachtigd het voorlopig aan één van haar tijdelijk aangestelde personeelsleden toe te wijzen dat aan de in artikel 54, 2°, bepaalde voorwaarde voldoet, desgevallend in de laatste beoordelingsstaat niet de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen en een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt.
Na zes jaar activiteit in dat selectieambt kan het personeelslid vastbenoemd worden.
§ 3 - De tijdelijke aanstelling in een selectieambt is slechts mogelijk na toepassing van de bepalingen van artikel 49, lid 1.
§ 4 - De tijdelijke aanstelling in een selectieambt neemt een einde, voor het geheel of voor een gedeelte van de opdracht, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29, 1°, 2°, 3° en 5°.
§ 1 - Een selectieambt kan tijdelijk toegewezen worden aan een vastbenoemd personeelslid dat aan de in artikel 54, 2° en 4°, bepaalde voorwaarden voldoet en ofwel een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt ofwel sinds ten hoogste twee jaar wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is :
1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
2° in het bij artikel 53 bedoelde geval;
3° in afwachting van een vaste benoeming [1 ;]1
[1 4° indien het personeelslid voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Tijdens deze periode blijft het personeelslid aan wie dat ambt tijdelijk toegewezen is titularis van het ambt waarin het vastbenoemd is.
In het geval bedoeld in lid 1, 3° en uiterlijk twee jaar na de datum waarop het selectieambt vacant is geworden, wordt het tijdelijk personeelslid in het betrokken ambt vastbenoemd, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 54 voldoet en voor zover de inrichtende macht het niet ervan heeft ontlast.
§ 2 - Kan het selectieambt geen vastbenoemd personeelslid overeenkomstig § 1 tijdelijk toegewezen worden, dan is de inrichtende macht ertoe gemachtigd het voorlopig aan één van haar tijdelijk aangestelde personeelsleden toe te wijzen dat aan de in artikel 54, 2°, bepaalde voorwaarde voldoet, desgevallend in de laatste beoordelingsstaat niet de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen en een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt.
Na zes jaar activiteit in dat selectieambt kan het personeelslid vastbenoemd worden.
§ 3 - De tijdelijke aanstelling in een selectieambt is slechts mogelijk na toepassing van de bepalingen van artikel 49, lid 1.
§ 4 - De tijdelijke aanstelling in een selectieambt neemt een einde, voor het geheel of voor een gedeelte van de opdracht, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29, 1°, 2°, 3° en 5°.
Modifications
Art. 55. Affectation temporaire.
§ 1er - Une fonction de sélection peut être temporairement attribuée à un membre du personnel nommé à titre définitif remplissant les conditions fixées à l'article 54, 2° et 4° et qui soit exerce une fonction correspondant au moins à une demi-charge soit est en disponibilité par défaut d'emploi depuis deux ans au plus :
1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
2° dans le cas visé à l'article 53;
3° dans l'attente d'une nomination à titre définitif [1 ;]1
[1 4° s'il satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
Pendant cette période, le membre du personnel à qui cette fonction a été attribuée à titre temporaire reste titulaire de la fonction à laquelle il est nommé à titre définitif.
Dans le cas envisagé à l'alinéa 1, 3°, et au plus tard deux ans après la date à laquelle la fonction de sélection est devenue vacante, le membre du personnel est nommé à titre définitif dans cette fonction s'il répond à ce moment à toutes les conditions de l'article 54 et si le pouvoir organisateur ne l'a pas démis de ses fonctions.
§ 2 - Si la fonction de sélection ne peut temporairement être attribuée conformément au § 1er à un membre du personnel nommé à titre définitif, le pouvoir organisateur est habilité à l'attribuer provisoirement à un membre de son personnel engagé à titre temporaire qui remplit la condition fixée à l'article 54, 2°, n'a pas obtenu le cas échéant la mention " insuffisant " dans le dernier bulletin de signalement et exerce une fonction représentant au moins une demi-charge.
Le membre du personnel peut, après six années d'activité dans cette fonction de sélection, être nommé à titre définitif.
§ 3 - La désignation temporaire dans une fonction de sélection n'est possible qu'après application des dispositions de l'article 49, alinéa 1.
§ 4 - Une désignation temporaire dans une fonction de sélection prend fin pour la totalité ou pour une partie de la charge conformément aux dispositions de l'article 29, 1°, 2°, 3° et 5°.
§ 1er - Une fonction de sélection peut être temporairement attribuée à un membre du personnel nommé à titre définitif remplissant les conditions fixées à l'article 54, 2° et 4° et qui soit exerce une fonction correspondant au moins à une demi-charge soit est en disponibilité par défaut d'emploi depuis deux ans au plus :
1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
2° dans le cas visé à l'article 53;
3° dans l'attente d'une nomination à titre définitif [1 ;]1
[1 4° s'il satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
Pendant cette période, le membre du personnel à qui cette fonction a été attribuée à titre temporaire reste titulaire de la fonction à laquelle il est nommé à titre définitif.
Dans le cas envisagé à l'alinéa 1, 3°, et au plus tard deux ans après la date à laquelle la fonction de sélection est devenue vacante, le membre du personnel est nommé à titre définitif dans cette fonction s'il répond à ce moment à toutes les conditions de l'article 54 et si le pouvoir organisateur ne l'a pas démis de ses fonctions.
§ 2 - Si la fonction de sélection ne peut temporairement être attribuée conformément au § 1er à un membre du personnel nommé à titre définitif, le pouvoir organisateur est habilité à l'attribuer provisoirement à un membre de son personnel engagé à titre temporaire qui remplit la condition fixée à l'article 54, 2°, n'a pas obtenu le cas échéant la mention " insuffisant " dans le dernier bulletin de signalement et exerce une fonction représentant au moins une demi-charge.
Le membre du personnel peut, après six années d'activité dans cette fonction de sélection, être nommé à titre définitif.
§ 3 - La désignation temporaire dans une fonction de sélection n'est possible qu'après application des dispositions de l'article 49, alinéa 1.
§ 4 - Une désignation temporaire dans une fonction de sélection prend fin pour la totalité ou pour une partie de la charge conformément aux dispositions de l'article 29, 1°, 2°, 3° et 5°.
Modifications
Art. 56. Voorwaarde m.b.t. de tijdelijke aanstelling of de vaste benoeming.
De tijdelijke aanstelling of de vaste benoeming in een selectieambt mag slechts geschieden, indien de betrekking als hoofdambt uitgeoefend wordt.
De tijdelijke aanstelling of de vaste benoeming in een selectieambt mag slechts geschieden, indien de betrekking als hoofdambt uitgeoefend wordt.
Art. 56. Condition de désignation et de nomination.
La désignation à titre temporaire ou la nomination à titre définitif dans une fonction de sélection ne peut se faire que si l'emploi est occupé en fonction principale.
La désignation à titre temporaire ou la nomination à titre définitif dans une fonction de sélection ne peut se faire que si l'emploi est occupé en fonction principale.
HOOFDSTUK IVbis. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HET INRICHTINGSHOOFD]1
CHAPITRE IVbis. [1 - DISPOSITIONS SPECIALES POUR LE SECRETAIRE ADMINISTRATIF EN CHEF.]1
Art. 56.1. [1 - Beginsel
In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van inrichtingshoofd ingevuld aan de hand van een [2 tijdelijke aanstelling]2 en aan de hand van een vaste benoeming krachtens de volgende bepalingen.]1
In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van inrichtingshoofd ingevuld aan de hand van een [2 tijdelijke aanstelling]2 en aan de hand van een vaste benoeming krachtens de volgende bepalingen.]1
Art. 56.1. [1 - Principe.
Par dérogation au Chapitre IV, la fonction de secrétaire administratif en chef est pourvue au moyen d'une [2 désignation à titre temporaire]2 et au moyen d'une nomination définitive conformément aux dispositions suivantes.]1
Par dérogation au Chapitre IV, la fonction de secrétaire administratif en chef est pourvue au moyen d'une [2 désignation à titre temporaire]2 et au moyen d'une nomination définitive conformément aux dispositions suivantes.]1
Art. 56.2. [1 [2 Toelatingsvoorwaarden
Dit ambt kan alleen worden bekleed door een persoon die :
1° een van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2° minstens over een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad beschikt;
3° zijn sollicitatie heeft ingediend in de vorm en binnen de termijn die in de vacature zijn vastgelegd;
4° de burgerlijke en politieke rechten geniet;
5° aan de dienstplichtwetten voldoet;
6° voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Het eerste lid, 1°, b) tot d), dient tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]2 ]1
[3 In afwijking van het eerste lid, 6°, mag dit ambt tijdelijk bekleed worden door een personeelslid dat geen grondige kennis van het Duits en/of het Frans heeft. De aanstelling van dit personeelslid eindigt van ambtswege op het einde van het [4 schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het personeelslid voor de eerste keer aangewezen werd in dat ambt]4, indien het personeelslid tegen dan geen bewijs van grondige kennis van het Duits en het Frans kan voorleggen.]3
Dit ambt kan alleen worden bekleed door een persoon die :
1° een van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2° minstens over een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad beschikt;
3° zijn sollicitatie heeft ingediend in de vorm en binnen de termijn die in de vacature zijn vastgelegd;
4° de burgerlijke en politieke rechten geniet;
5° aan de dienstplichtwetten voldoet;
6° voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Het eerste lid, 1°, b) tot d), dient tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]2 ]1
[3 In afwijking van het eerste lid, 6°, mag dit ambt tijdelijk bekleed worden door een personeelslid dat geen grondige kennis van het Duits en/of het Frans heeft. De aanstelling van dit personeelslid eindigt van ambtswege op het einde van het [4 schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het personeelslid voor de eerste keer aangewezen werd in dat ambt]4, indien het personeelslid tegen dan geen bewijs van grondige kennis van het Duits en het Frans kan voorleggen.]3
Art. 56.2. [1 - Conditions d'admission.
Une personne peut exercer cette fonction lorsqu'elle :
1. remplit l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4 paragraphe 2 de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'état; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2. possède au moins un diplôme d'enseignement supérieur du premier degré;
3. a introduit sa candidature dans les formes et délais fixés dans l'appel aux candidats;
4. jouit des droits civils et politiques;
5. satisfait aux lois sur la milice [2 ;]2
[2 6° satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
L'alinéa 1er, 1°, lettres b) à d), sert à transposer la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative aux titres de séjour délivrés aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou qui ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de la protection à fournir.]1
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, 6°, cette fonction peut être occupée temporairement par un membre du personnel qui n'a pas une connaissance approfondie de la langue allemande et/ou française. L'engagement de ce membre du personnel prend fin d'office [4 à la fin de l'année scolaire suivant celle au cours de laquelle il a été désigné pour la première fois dans cette fonction]4 si ledit membre n'est pas en mesure de présenter d'ici là une preuve de connaissance approfondie des langues allemande et française. ]3
Une personne peut exercer cette fonction lorsqu'elle :
1. remplit l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4 paragraphe 2 de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'état; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2. possède au moins un diplôme d'enseignement supérieur du premier degré;
3. a introduit sa candidature dans les formes et délais fixés dans l'appel aux candidats;
4. jouit des droits civils et politiques;
5. satisfait aux lois sur la milice [2 ;]2
[2 6° satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
L'alinéa 1er, 1°, lettres b) à d), sert à transposer la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative aux titres de séjour délivrés aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou qui ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de la protection à fournir.]1
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, 6°, cette fonction peut être occupée temporairement par un membre du personnel qui n'a pas une connaissance approfondie de la langue allemande et/ou française. L'engagement de ce membre du personnel prend fin d'office [4 à la fin de l'année scolaire suivant celle au cours de laquelle il a été désigné pour la première fois dans cette fonction]4 si ledit membre n'est pas en mesure de présenter d'ici là une preuve de connaissance approfondie des langues allemande et française. ]3
Art. 56.3. [1 - Vacature en sollicitatie
De vacature wordt door de inrichtende macht in de krant en onder elke andere adequate vorm gepubliceerd.
De vacature bevat het vereiste profiel van het inrichtingshoofd en de doelstellingen die tijdens het mandaat moeten worden vervuld.
De kandidatuur wordt ingediend per aangetekende brief.]1
De vacature wordt door de inrichtende macht in de krant en onder elke andere adequate vorm gepubliceerd.
De vacature bevat het vereiste profiel van het inrichtingshoofd en de doelstellingen die tijdens het mandaat moeten worden vervuld.
De kandidatuur wordt ingediend per aangetekende brief.]1
Art. 56.3. [1 - Appel aux candidats et candidature.
Le pouvoir organisateur publie l'appel aux candidats dans les journaux et sous toute autre forme appropriée.
L'appel aux candidats mentionne le profil exigé du secrétaire administratif en chef et les objectifs à réaliser pendant la désignation.
La candidature est introduite par recommandé.]1
Le pouvoir organisateur publie l'appel aux candidats dans les journaux et sous toute autre forme appropriée.
L'appel aux candidats mentionne le profil exigé du secrétaire administratif en chef et les objectifs à réaliser pendant la désignation.
La candidature est introduite par recommandé.]1
Art. 56.4. [1 - Aanwerving van het inrichtingshoofd
De inrichtende macht beslist welke sollicitant het ambt moet bekleden.
Zij baseert zich onder andere op een of meerdere sollicitatiegesprekken en op de beroepservaring.]1
De inrichtende macht beslist welke sollicitant het ambt moet bekleden.
Zij baseert zich onder andere op een of meerdere sollicitatiegesprekken en op de beroepservaring.]1
Art. 56.4. [1 - Désignation du secrétaire administratif en chef.
Le pouvoir organisateur décide quel candidat assumera la fonction.
Il se base entre autres sur un ou plusieurs entretiens de candidature et sur l'expérience professionnelle du candidat.]1
Le pouvoir organisateur décide quel candidat assumera la fonction.
Il se base entre autres sur un ou plusieurs entretiens de candidature et sur l'expérience professionnelle du candidat.]1
Art. 56.5. [1 - Aanstelling voor onbepaalde duur, beëindiging en definitieve benoeming
§ 1 [2 - Voor zover voor minstens één volledig schooljaar in de betrekking moet worden voorzien en de kandidaat aan alle voorwaarden voldoet om tot het ambt te worden toegelaten, geschiedt de aanstelling voor doorlopende duur. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling voor hoogstens één schooljaar. De aanstelling kan worden verlengd.]2
§ 2 - Zij loopt in volgende gevallen ten einde :
1. bij een uit voorzorg opgelegde voorlopige ambtsontheffing met een duur van meer dan zes maand;
2. bij een terbeschikkingstelling door intrekking van het ambt in het belang van de dienst met een duur van meer dan zes maand;
3. bij oplegging van een van de volgende tuchtstraffen :
a) een inhouding op het loon,
b) een voorlopige ambtsontheffing om tuchtredenen,
c) een overplaatsing naar de niet-actieve dienst om tuchtredenen,
d) een ontslag ingevolge zware fout;
4. bij vrijwillig vertrek, indien het om een vastbenoemd personeelslid gaat;
5. bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6. bij een eenzijdige opzeg door de inrichtende macht;
7. bij een evaluatierapport met als eindevaluatie "onvoldoende";
[2 8° indien het voor doorlopende duur aangestelde personeelslid het ambt gedurende vijf opeenvolgende schooljaren wegens een voltijds toegekend verlof niet heeft uitgeoefend. Als de activiteit als administratief hoofdsecretaris tussen twee toegekende verloven niet gedurende minstens één volledig schooljaar wordt hervat, dan wordt de duur van dat nieuwe verlof samengeteld met de duur van het vorige verlof;]2
[2 9° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]2
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in de loop van een vakantie of een terbeschikkingstelling ingevolge ziekte of lichamelijk gebrek met een ononderbroken duur van meer dan zes maand.
In de in lid 1, nummer 4 en 5 voorziene gevallen en afwijkend van artikel 78, lid 2, nummer 1 moet het inrichtingshoofd een opzegtermijn van 60 dagen in acht nemen.
In het in lid 1, nummer 6 voorziene geval bedraagt de duur van de opzegtermijn zes maand, indien het inrichtingshoofd minder dan vijf jaar anciënniteit in het ambt heeft. Voor elke begonnen schijf van vijf jaar wordt de duur bijkomend met drie maand verlengd.
De in de vorige leden voorgeschreven opzegtermijn kan in onderling overleg worden ingekort. De opzeg wordt per aangetekende brief gegeven en die brief bevat de duur van de opzegtermijn. De aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de datum van verzending.
[2 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, eindigt de aanstelling van ambtswege zonder opzeggingstermijn.]2
§ 3 - Een inrichtingshoofd dat minstens [3 45]3 jaar is, wordt vast benoemd indien :
1. hij een anciënniteit in het ambt van minstens vijf jaar heeft;
2. zijn laatste evaluatierapport minstens met de eindevaluatie "voldoende" werd afgesloten;]1
[2 3° de betrekking als vacant wordt beschouwd en de inrichtende macht die vrijgeeft voor een benoeming.]2
§ 1 [2 - Voor zover voor minstens één volledig schooljaar in de betrekking moet worden voorzien en de kandidaat aan alle voorwaarden voldoet om tot het ambt te worden toegelaten, geschiedt de aanstelling voor doorlopende duur. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling voor hoogstens één schooljaar. De aanstelling kan worden verlengd.]2
§ 2 - Zij loopt in volgende gevallen ten einde :
1. bij een uit voorzorg opgelegde voorlopige ambtsontheffing met een duur van meer dan zes maand;
2. bij een terbeschikkingstelling door intrekking van het ambt in het belang van de dienst met een duur van meer dan zes maand;
3. bij oplegging van een van de volgende tuchtstraffen :
a) een inhouding op het loon,
b) een voorlopige ambtsontheffing om tuchtredenen,
c) een overplaatsing naar de niet-actieve dienst om tuchtredenen,
d) een ontslag ingevolge zware fout;
4. bij vrijwillig vertrek, indien het om een vastbenoemd personeelslid gaat;
5. bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6. bij een eenzijdige opzeg door de inrichtende macht;
7. bij een evaluatierapport met als eindevaluatie "onvoldoende";
[2 8° indien het voor doorlopende duur aangestelde personeelslid het ambt gedurende vijf opeenvolgende schooljaren wegens een voltijds toegekend verlof niet heeft uitgeoefend. Als de activiteit als administratief hoofdsecretaris tussen twee toegekende verloven niet gedurende minstens één volledig schooljaar wordt hervat, dan wordt de duur van dat nieuwe verlof samengeteld met de duur van het vorige verlof;]2
[2 9° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]2
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in de loop van een vakantie of een terbeschikkingstelling ingevolge ziekte of lichamelijk gebrek met een ononderbroken duur van meer dan zes maand.
In de in lid 1, nummer 4 en 5 voorziene gevallen en afwijkend van artikel 78, lid 2, nummer 1 moet het inrichtingshoofd een opzegtermijn van 60 dagen in acht nemen.
In het in lid 1, nummer 6 voorziene geval bedraagt de duur van de opzegtermijn zes maand, indien het inrichtingshoofd minder dan vijf jaar anciënniteit in het ambt heeft. Voor elke begonnen schijf van vijf jaar wordt de duur bijkomend met drie maand verlengd.
De in de vorige leden voorgeschreven opzegtermijn kan in onderling overleg worden ingekort. De opzeg wordt per aangetekende brief gegeven en die brief bevat de duur van de opzegtermijn. De aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de datum van verzending.
[2 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, eindigt de aanstelling van ambtswege zonder opzeggingstermijn.]2
§ 3 - Een inrichtingshoofd dat minstens [3 45]3 jaar is, wordt vast benoemd indien :
1. hij een anciënniteit in het ambt van minstens vijf jaar heeft;
2. zijn laatste evaluatierapport minstens met de eindevaluatie "voldoende" werd afgesloten;]1
[2 3° de betrekking als vacant wordt beschouwd en de inrichtende macht die vrijgeeft voor een benoeming.]2
Art. 56.5. [1 - Désignation pour une durée indéterminée, cessation et nomination à titre définitif.
§ 1 [2 - S'il doit être pourvu à l'emploi pour au moins une année scolaire complète et que le candidat remplit toutes les conditions d'admission pour la fonction, la désignation s'opère pour une durée indéterminée. Dans tous les autres cas, la désignation s'opère pour une année scolaire maximum. L'engagement peut être prolongé.]2
§ 2 - Elle prend fin dans les cas suivants :
1. dans le cas d'une suspension préventive de plus de six mois;
2. dans le cas d'une mise à disposition par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3. dans le cas du prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une retenue sur traitement,
b) une suspension par mesure disciplinaire,
c) une mise en non-activité par mesure disciplinaire,
d) un licenciement pour faute grave;
4. dans le cas d'une démission volontaire, s'il s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif;
5. dans le cas d'une renonciation volontaire à la désignation;
6. dans le cas d'une résiliation unilatérale par le pouvoir organisateur;
7. dans le cas d'un rapport d'évaluation portant la mention " insuffisant ";
[2 8° le membre du personnel engagé pour une durée indéterminée n'a pas occupé la fonction pendant cinq années scolaires consécutives en raison d'un congé à temps plein. Si, entre deux périodes de congé, le service en tant que secrétaire administratif en chef n'est pas repris pendant au moins une année scolaire complète, la durée du nouveau congé est cumulée avec celle du congé précédent;]2
[2 9° au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement.]2
Le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation en cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois.
Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5° et par dérogation à l'article 78, alinéa 2, 1°, le secrétaire administratif en chef doit respecter un délai de préavis de 60 jours.
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de six mois lorsque l'ancienneté du secrétaire administratif en chef est inférieure ou égale à 5 ans; la durée de préavis est prolongée de trois mois par période entamée de cinq ans.
Le délai de préavis prescrit dans les alinéas précédents peut être réduit de commun accord. Le congé est donné par lettre recommandée indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
[2 Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 8° et 9°, l'engagement prend fin d'office sans préavis.]2
§ 3 [2 - Un chef d'établissement âgé d'au moins [3 45]3 ans est nommé à titre définitif si :
1° il a une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° il a obtenu au moins la mention "suffisant" dans son dernier rapport d'évaluation;
3° l'emploi est considéré comme vacant et le pouvoir organisateur l'ouvre à la nomination.]2
§ 1 [2 - S'il doit être pourvu à l'emploi pour au moins une année scolaire complète et que le candidat remplit toutes les conditions d'admission pour la fonction, la désignation s'opère pour une durée indéterminée. Dans tous les autres cas, la désignation s'opère pour une année scolaire maximum. L'engagement peut être prolongé.]2
§ 2 - Elle prend fin dans les cas suivants :
1. dans le cas d'une suspension préventive de plus de six mois;
2. dans le cas d'une mise à disposition par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3. dans le cas du prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une retenue sur traitement,
b) une suspension par mesure disciplinaire,
c) une mise en non-activité par mesure disciplinaire,
d) un licenciement pour faute grave;
4. dans le cas d'une démission volontaire, s'il s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif;
5. dans le cas d'une renonciation volontaire à la désignation;
6. dans le cas d'une résiliation unilatérale par le pouvoir organisateur;
7. dans le cas d'un rapport d'évaluation portant la mention " insuffisant ";
[2 8° le membre du personnel engagé pour une durée indéterminée n'a pas occupé la fonction pendant cinq années scolaires consécutives en raison d'un congé à temps plein. Si, entre deux périodes de congé, le service en tant que secrétaire administratif en chef n'est pas repris pendant au moins une année scolaire complète, la durée du nouveau congé est cumulée avec celle du congé précédent;]2
[2 9° au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement.]2
Le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation en cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois.
Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5° et par dérogation à l'article 78, alinéa 2, 1°, le secrétaire administratif en chef doit respecter un délai de préavis de 60 jours.
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de six mois lorsque l'ancienneté du secrétaire administratif en chef est inférieure ou égale à 5 ans; la durée de préavis est prolongée de trois mois par période entamée de cinq ans.
Le délai de préavis prescrit dans les alinéas précédents peut être réduit de commun accord. Le congé est donné par lettre recommandée indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
[2 Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 8° et 9°, l'engagement prend fin d'office sans préavis.]2
§ 3 [2 - Un chef d'établissement âgé d'au moins [3 45]3 ans est nommé à titre définitif si :
1° il a une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° il a obtenu au moins la mention "suffisant" dans son dernier rapport d'évaluation;
3° l'emploi est considéré comme vacant et le pouvoir organisateur l'ouvre à la nomination.]2
Art. 56.6. [1 - Ambtenarenreglement
§ 1 - Onverminderd lid 2 is het inrichtingshoofd tijdens de uitoefening van zijn ambt aan de artikelen 5 tot 16, 18, 70 tot [4 77]4 en 79 tot 98 van voorliggend ambtenarenreglement onderworpen.
Het is het inrichtingshoofd verboden :
1. verlof te nemen of ter beschikking gesteld te zijn met uitzondering van volgende vakanties en terbeschikkingstellingen :
a) jaarlijks verlof,
b) omstandigheidsverlof,
c) buitengewoon verlof ingevolge overmacht,
d) moederschapsverlof,
e) [5 adoptie- of pleegouderverlof;]5
f) verlof wegens ziekte of kwaal,
g) terbeschikkingstelling wegens ziekte of lichamelijk gebrek;
[2 h) voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat;
i) verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
j) verlof om dringende familiale redenen;
k) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;]2
[3 l) voltijdse loopbaanonderbreking;]3
[5 m) voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken [6 ;]6]5
[6 n) verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
o) afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]6
2. [2 een deeltijdse loopbaanonderbreking te nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [5 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]5 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]2
§ 2 - [4 Paragraaf 1 van dit artikel, artikel 56.5, § 2, eerste lid, 4° en 6°, en derde tot vijfde lid, en artikel 78, met uitzondering van het [6 tweede lid, 1°,]6]4 zijn ook op een krachtens artikel 56.5 § 3 vastbenoemd inrichtingshoofd van toepassing.]1
[3 In afwijking van § 1, eerste lid, 1°, mag een definitief benoemde administratief hoofdsecretaris verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[6 In afwijking van § 1, tweede lid, 1°, mag een definitief aangestelde administratief hoofdsecretaris die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, een beroep doen op volgende vormen van terbeschikkingstelling:
1° gedurende hoogstens twee schooljaren een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een administratief hoofdsecretaris die gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
a) kan die vorm van deeltijdse terbeschikkingstelling, na afloop van één schooljaar, op verzoek omzetten in de vorm van halftijdse terbeschikkingstelling vermeld in 2°, voor zover betrokkene voldoet aan de voorwaarden vermeld in 2° en op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
b) schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
c) wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° gedurende hoogstens één schooljaar een aan de pensionering voorafgaande, halftijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 10, § 1, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984. Een administratief hoofdsecretaris die een beroep doet op die vorm van aan de pensionering voorafgaande, halftijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, schakelt na afloop van één schooljaar van ambtswege over op de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.
In afwijking van § 1, tweede lid, 2°, mag een administratief hoofdsecretaris die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een administratief hoofdsecretaris die een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° kan die deeltijdse loopbaanonderbreking, na afloop van één schooljaar, op verzoek omzetten in een aan de pensionering voorafgaande, halftijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden vermeld in het derde lid, 2°, voor zover betrokkene voldoet aan de voorwaarden vermeld in het derde lid, 2°, en op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
3° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]6
§ 1 - Onverminderd lid 2 is het inrichtingshoofd tijdens de uitoefening van zijn ambt aan de artikelen 5 tot 16, 18, 70 tot [4 77]4 en 79 tot 98 van voorliggend ambtenarenreglement onderworpen.
Het is het inrichtingshoofd verboden :
1. verlof te nemen of ter beschikking gesteld te zijn met uitzondering van volgende vakanties en terbeschikkingstellingen :
a) jaarlijks verlof,
b) omstandigheidsverlof,
c) buitengewoon verlof ingevolge overmacht,
d) moederschapsverlof,
e) [5 adoptie- of pleegouderverlof;]5
f) verlof wegens ziekte of kwaal,
g) terbeschikkingstelling wegens ziekte of lichamelijk gebrek;
[2 h) voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat;
i) verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
j) verlof om dringende familiale redenen;
k) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;]2
[3 l) voltijdse loopbaanonderbreking;]3
[5 m) voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken [6 ;]6]5
[6 n) verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
o) afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]6
2. [2 een deeltijdse loopbaanonderbreking te nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [5 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]5 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]2
§ 2 - [4 Paragraaf 1 van dit artikel, artikel 56.5, § 2, eerste lid, 4° en 6°, en derde tot vijfde lid, en artikel 78, met uitzondering van het [6 tweede lid, 1°,]6]4 zijn ook op een krachtens artikel 56.5 § 3 vastbenoemd inrichtingshoofd van toepassing.]1
[3 In afwijking van § 1, eerste lid, 1°, mag een definitief benoemde administratief hoofdsecretaris verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[6 In afwijking van § 1, tweede lid, 1°, mag een definitief aangestelde administratief hoofdsecretaris die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, een beroep doen op volgende vormen van terbeschikkingstelling:
1° gedurende hoogstens twee schooljaren een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een administratief hoofdsecretaris die gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
a) kan die vorm van deeltijdse terbeschikkingstelling, na afloop van één schooljaar, op verzoek omzetten in de vorm van halftijdse terbeschikkingstelling vermeld in 2°, voor zover betrokkene voldoet aan de voorwaarden vermeld in 2° en op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
b) schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
c) wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° gedurende hoogstens één schooljaar een aan de pensionering voorafgaande, halftijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 10, § 1, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984. Een administratief hoofdsecretaris die een beroep doet op die vorm van aan de pensionering voorafgaande, halftijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, schakelt na afloop van één schooljaar van ambtswege over op de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.
In afwijking van § 1, tweede lid, 2°, mag een administratief hoofdsecretaris die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een administratief hoofdsecretaris die een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° kan die deeltijdse loopbaanonderbreking, na afloop van één schooljaar, op verzoek omzetten in een aan de pensionering voorafgaande, halftijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden vermeld in het derde lid, 2°, voor zover betrokkene voldoet aan de voorwaarden vermeld in het derde lid, 2°, en op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
3° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]6
Modifications
Art. 56.6. [1 - Statuts.
§ 1. Sans préjudice de l'alinéa 2 le secrétaire administratif en chef est soumis pendant l'exercice de sa fonction aux articles 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 et 79 à 98 du présent statut.
Il est interdit au secréraire administratif en chef :
1. de bénéficier d'un congé ou d'une mise en disponibilité, autres que les congés et mises en disponibilité suivants :
a) le congé annuel,
b) le congé de circonstance,
c) le congé exceptionnel pour cas de force majeur,
d) le congé de maternité,
e) [5 e congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil,]5
f) le congé pour cause de maladie ou d'infirmité,
g) la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
[2 h) la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
i) le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
j) le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
k) la mise en disponibilité pour convenances personnelles;]2
[3 l) l'interruption de carrière complète;]3
[5 m) le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel [6 ;]6]5
[6 n) le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
o) l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.]6
2. [2 de bénéficier d'une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [5 ou pour les aidants proches,]5 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.]2
§ 2. [4 Le § 1er du présent article, l'article 56.5, § 2, alinéa 1er, 4° et 6°, et alinéas 3 à 5, ainsi que l'article 78, à l'exception de l'alinéa 1er, 1°]4 valent également pour un secrétaire administratif en chef nommé à titre définitif en application de l'article 56.5 § 3.]1
[3 Par dérogation au § 1er, [6 alinéa 2, 1°]6, le secrétaire administratif en chef nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]3
[6 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 1°, le secrétaire administratif en chef engagé à titre définitif qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir aux types de mise en disponibilité suivants :
1° une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il puisse prétendre, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Ce congé est irréversible. Un secrétaire administratif en chef qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
a) peut, à sa demande et au terme d'une année scolaire, passer de ce type de mise en disponibilité partielle au type de mise en disponibilité à mi-temps mentionné au 2°, pour autant qu'il remplisse les conditions mentionnées au 2° et qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
b) passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
c) est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° une mise en disponibilité à mi-temps pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant une année scolaire au plus, conformément à l'article 10 de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il remplisse les conditions mentionnées à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984. Un secrétaire administratif en chef qui recourt au présent type de mise en disponibilité à mi-temps pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite passe d'office, au terme d'une année scolaire, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le secrétaire administratif en chef qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Ce congé est irréversible. Un secrétaire administratif en chef qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° peut, à sa demande et au terme d'une année scolaire, passer de cette interruption de carrière partielle au type de mise en disponibilité à mi-temps pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite mentionné à l'alinéa 3, 2°, pour autant qu'il remplisse les conditions mentionnées à l'alinéa 3, 2°, et qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
3° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.]6
§ 1. Sans préjudice de l'alinéa 2 le secrétaire administratif en chef est soumis pendant l'exercice de sa fonction aux articles 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 et 79 à 98 du présent statut.
Il est interdit au secréraire administratif en chef :
1. de bénéficier d'un congé ou d'une mise en disponibilité, autres que les congés et mises en disponibilité suivants :
a) le congé annuel,
b) le congé de circonstance,
c) le congé exceptionnel pour cas de force majeur,
d) le congé de maternité,
e) [5 e congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil,]5
f) le congé pour cause de maladie ou d'infirmité,
g) la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
[2 h) la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
i) le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
j) le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
k) la mise en disponibilité pour convenances personnelles;]2
[3 l) l'interruption de carrière complète;]3
[5 m) le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel [6 ;]6]5
[6 n) le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
o) l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.]6
2. [2 de bénéficier d'une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [5 ou pour les aidants proches,]5 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.]2
§ 2. [4 Le § 1er du présent article, l'article 56.5, § 2, alinéa 1er, 4° et 6°, et alinéas 3 à 5, ainsi que l'article 78, à l'exception de l'alinéa 1er, 1°]4 valent également pour un secrétaire administratif en chef nommé à titre définitif en application de l'article 56.5 § 3.]1
[3 Par dérogation au § 1er, [6 alinéa 2, 1°]6, le secrétaire administratif en chef nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]3
[6 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 1°, le secrétaire administratif en chef engagé à titre définitif qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir aux types de mise en disponibilité suivants :
1° une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il puisse prétendre, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Ce congé est irréversible. Un secrétaire administratif en chef qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
a) peut, à sa demande et au terme d'une année scolaire, passer de ce type de mise en disponibilité partielle au type de mise en disponibilité à mi-temps mentionné au 2°, pour autant qu'il remplisse les conditions mentionnées au 2° et qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
b) passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
c) est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° une mise en disponibilité à mi-temps pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant une année scolaire au plus, conformément à l'article 10 de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il remplisse les conditions mentionnées à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984. Un secrétaire administratif en chef qui recourt au présent type de mise en disponibilité à mi-temps pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite passe d'office, au terme d'une année scolaire, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le secrétaire administratif en chef qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Ce congé est irréversible. Un secrétaire administratif en chef qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° peut, à sa demande et au terme d'une année scolaire, passer de cette interruption de carrière partielle au type de mise en disponibilité à mi-temps pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite mentionné à l'alinéa 3, 2°, pour autant qu'il remplisse les conditions mentionnées à l'alinéa 3, 2°, et qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
3° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.]6
Modifications
Art. 56.7. [1 - Tijdelijke vervanging
§ 1 - [2 Indien de aanstelling van de administratief hoofdsecretaris beëindigd wordt of indien de administratief hoofdsecretaris zijn ambt neerlegt of wegens een van de in artikel 56.6 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen tijdelijk [3 voltijds afwezig]3 is, kan de inrichtende macht hem tot het einde van het daaropvolgende schooljaar vervangen door een persoon die voldoet aan de in artikel 56.2, eerste lid, vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld in 3°.]2
[3 Indien de administratief hoofdsecretaris wegens een vorm van verlof tijdelijk deeltijds afwezig is, kan de inrichtende macht hem vervangen door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 56.2, eerste lid, met uitzondering van de bepaling onder 3°.]3
§ 2 - Tijdens de tijdelijke vervanging zijn de [3 artikel 56.5, §§ 1 en 2, artikel 56.6, § 1]3 56.8, 56.10 en 56.11 van toepassing op het vervangende personeelslid.]1
§ 1 - [2 Indien de aanstelling van de administratief hoofdsecretaris beëindigd wordt of indien de administratief hoofdsecretaris zijn ambt neerlegt of wegens een van de in artikel 56.6 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen tijdelijk [3 voltijds afwezig]3 is, kan de inrichtende macht hem tot het einde van het daaropvolgende schooljaar vervangen door een persoon die voldoet aan de in artikel 56.2, eerste lid, vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld in 3°.]2
[3 Indien de administratief hoofdsecretaris wegens een vorm van verlof tijdelijk deeltijds afwezig is, kan de inrichtende macht hem vervangen door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 56.2, eerste lid, met uitzondering van de bepaling onder 3°.]3
§ 2 - Tijdens de tijdelijke vervanging zijn de [3 artikel 56.5, §§ 1 en 2, artikel 56.6, § 1]3 56.8, 56.10 en 56.11 van toepassing op het vervangende personeelslid.]1
Art. 56.7. [1 - Remplacement temporaire.
§ 1 - [2 Lorsque la désignation du secrétaire administratif en chef prend fin, que celui-ci démissionne de sa fonction ou est temporairement absent [3 à temps plein]3 en raison d'un des types de congé ou de mise en disponibilité mentionnés à l'article 56.6, le pouvoir organisateur peut le remplacer jusqu'à la fin de l'année scolaire suivante par une autre personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 56.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°.]2
[3 Si, en raison d'un des types de congés, le secrétaire administratif en chef est temporairement absent, dans le cadre d'un temps partiel, le pouvoir organisateur peut le remplacer par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 56.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°]3
§ 2 - Pendant le remplacement temporaire, les articles [3 56.5, §§ 1er et 2, 56.6, § 1er]3 56.8, 56.10 et 56.11 s'appliquent au remplaçant.]1
§ 1 - [2 Lorsque la désignation du secrétaire administratif en chef prend fin, que celui-ci démissionne de sa fonction ou est temporairement absent [3 à temps plein]3 en raison d'un des types de congé ou de mise en disponibilité mentionnés à l'article 56.6, le pouvoir organisateur peut le remplacer jusqu'à la fin de l'année scolaire suivante par une autre personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 56.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°.]2
[3 Si, en raison d'un des types de congés, le secrétaire administratif en chef est temporairement absent, dans le cadre d'un temps partiel, le pouvoir organisateur peut le remplacer par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 56.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°]3
§ 2 - Pendant le remplacement temporaire, les articles [3 56.5, §§ 1er et 2, 56.6, § 1er]3 56.8, 56.10 et 56.11 s'appliquent au remplaçant.]1
Art. 56.8. [1 - Loon en premie
§ 1 - [3 Tijdens de uitoefening van het ambt ontvangt de administratief hoofdsecretaris]3 een loon op basis van de loonschaal 422 die vermeld staat in de bijlage bij het Koninklijke Besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat.
§ 2 - Indien [3 een in een ander ambt [4 voor doorlopende duur overeenkomstig artikel 22bis]4 aangesteld of vast benoemd personeelslid als administratief hoofdsecretaris]3 wordt aangesteld, ontvangt hij afwijkend van § 1 nog steeds zijn loon en ontvangt hij ter compensatie een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend :
P = X - M,
P = premie,
X= in § 1 vermeld loon,
M = maandelijks brutoloon van het personeelslid.
De premie wordt gelijktijdig met het maandloon en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3 - Indien een niet-personeelslid als inrichtingshoofd wordt aangesteld, ontvangt hij vakantiegeld en een eindejaarspremie in overeenstemming met de in het onderwijs geldende bepalingen, waarbij het in § 1 vermelde bedrag als grondslag voor de berekening geldt.
§ 4 - Het bedrag vermeld in de § § 1 en 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
[2 In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover de administratief hoofdsecretaris niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]2
[5 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een administratief hoofdsecretaris aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]5
§ 1 - [3 Tijdens de uitoefening van het ambt ontvangt de administratief hoofdsecretaris]3 een loon op basis van de loonschaal 422 die vermeld staat in de bijlage bij het Koninklijke Besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat.
§ 2 - Indien [3 een in een ander ambt [4 voor doorlopende duur overeenkomstig artikel 22bis]4 aangesteld of vast benoemd personeelslid als administratief hoofdsecretaris]3 wordt aangesteld, ontvangt hij afwijkend van § 1 nog steeds zijn loon en ontvangt hij ter compensatie een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend :
P = X - M,
P = premie,
X= in § 1 vermeld loon,
M = maandelijks brutoloon van het personeelslid.
De premie wordt gelijktijdig met het maandloon en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3 - Indien een niet-personeelslid als inrichtingshoofd wordt aangesteld, ontvangt hij vakantiegeld en een eindejaarspremie in overeenstemming met de in het onderwijs geldende bepalingen, waarbij het in § 1 vermelde bedrag als grondslag voor de berekening geldt.
§ 4 - Het bedrag vermeld in de § § 1 en 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
[2 In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover de administratief hoofdsecretaris niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]2
[5 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een administratief hoofdsecretaris aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]5
Modifications
Art. 56.8. [1 - Traitement et prime.
§ 1 - [3 Durant l'exercice de la fonction, le secrétaire administratif en chef perçoit]3 un traitement calculé sur la base du tableau 422 annexé à l'Arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles de fonction des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement primaire subventionné et les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat.
§ 2 - [3 Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22bis]4 ou nommé à titre définitif dans une autre fonction]3 est désigné comme secrétaire administratif en chef, il continue à percevoir son traitement, par dérogation au paragraphe 1, et il bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M,
P = la prime,
X = le traitement indiqué au paragraphe 1,
M = le traitement brut du membre du personnel.
La prime est liquidée en même temps et aux mêmes conditions que le traitement mensuel.
§ 3 - Si une personne qui n'est pas un membre du personnel est désignée comme secrétaire administratif en chef, elle perçoit un pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement et le montant visé au paragraphe 1 servira de base de calcul.
§ 4 - Le montant déterminé en application des paragraphes 1 et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifié par les arrêtés royaux n° 178 du 30 décembre 1982 et du 24 décembre 1993 et les lois du 2 janvier 2001 et du 19 juillet 2001.
[2 Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le secrétaire administratif en chef ne soit pas à la charge de la mutualité.]2
[5 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le secrétaire administratif en chef qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]5
§ 1 - [3 Durant l'exercice de la fonction, le secrétaire administratif en chef perçoit]3 un traitement calculé sur la base du tableau 422 annexé à l'Arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles de fonction des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement primaire subventionné et les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat.
§ 2 - [3 Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22bis]4 ou nommé à titre définitif dans une autre fonction]3 est désigné comme secrétaire administratif en chef, il continue à percevoir son traitement, par dérogation au paragraphe 1, et il bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M,
P = la prime,
X = le traitement indiqué au paragraphe 1,
M = le traitement brut du membre du personnel.
La prime est liquidée en même temps et aux mêmes conditions que le traitement mensuel.
§ 3 - Si une personne qui n'est pas un membre du personnel est désignée comme secrétaire administratif en chef, elle perçoit un pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement et le montant visé au paragraphe 1 servira de base de calcul.
§ 4 - Le montant déterminé en application des paragraphes 1 et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifié par les arrêtés royaux n° 178 du 30 décembre 1982 et du 24 décembre 1993 et les lois du 2 janvier 2001 et du 19 juillet 2001.
[2 Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le secrétaire administratif en chef ne soit pas à la charge de la mutualité.]2
[5 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le secrétaire administratif en chef qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]5
Modifications
Art. 56.9. [1 Evaluatieverslag en beroepsmogelijkheid.
§ 1. Voor de administratief hoofdsecretaris stelt de academiedirecteur ten minste één evaluatieverslag op voor elke termijn van vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
De administratief hoofdsecretaris kan zo'n evaluatie schriftelijk bij de academiedirecteur aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
§ 2. Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
§ 3. De academiedirecteur overhandigt de administratief hoofdsecretaris het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. De administratief hoofdsecretaris heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. De administratief hoofdsecretaris dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het aan de academiedirecteur terug.
Als de administratief hoofdsecretaris het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan de academiedirecteur overhandigt, dan geldt het door deze opgesteld evaluatieverslag.
Ten laatste op 15 mei zendt de academiedirecteur het evaluatieverslag, samen met de opmerkingen van de administratief hoofdsecretaris, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de inrichtende macht toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Wordt bij de inrichtende macht tot 15 mei van het lopende schooljaar geen exemplaar van het overeenkomstig de leden 1 en 2 opgesteld evaluatieverslag ingediend, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt de administratief hoofdsecretaris de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt het personeelslid de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. De administratief hoofdsecretaris ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. De administratief hoofdsecretaris kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door de academiedirecteur beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan de administratief hoofdsecretaris geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 4, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Indien ze het advies niet volgt, vermeldt ze er de redenen voor.
Het beroep is opschortend.]1
§ 1. Voor de administratief hoofdsecretaris stelt de academiedirecteur ten minste één evaluatieverslag op voor elke termijn van vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
De administratief hoofdsecretaris kan zo'n evaluatie schriftelijk bij de academiedirecteur aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
§ 2. Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
§ 3. De academiedirecteur overhandigt de administratief hoofdsecretaris het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. De administratief hoofdsecretaris heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. De administratief hoofdsecretaris dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het aan de academiedirecteur terug.
Als de administratief hoofdsecretaris het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan de academiedirecteur overhandigt, dan geldt het door deze opgesteld evaluatieverslag.
Ten laatste op 15 mei zendt de academiedirecteur het evaluatieverslag, samen met de opmerkingen van de administratief hoofdsecretaris, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de inrichtende macht toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Wordt bij de inrichtende macht tot 15 mei van het lopende schooljaar geen exemplaar van het overeenkomstig de leden 1 en 2 opgesteld evaluatieverslag ingediend, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt de administratief hoofdsecretaris de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt het personeelslid de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. De administratief hoofdsecretaris ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. De administratief hoofdsecretaris kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door de academiedirecteur beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan de administratief hoofdsecretaris geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 4, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Indien ze het advies niet volgt, vermeldt ze er de redenen voor.
Het beroep is opschortend.]1
Modifications
Art. 56.9. [1 Rapport d'évaluation et possibilité de recours.
§ 1er. Le directeur d'académie établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour le secrétaire d'administration en chef. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le secrétaire d'administration en chef peut demander une telle évaluation par écrit auprès du directeur d'académie. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
§ 2. Le rapport porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
§ 3. Le directeur d'académie remet le rapport au secrétaire d'administration en chef au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le secrétaire d'administration en chef dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le secrétaire d'administration en chef date et signe le rapport et le remet au directeur d'académie.
Si le secrétaire d'administration en chef ne remet pas le rapport et ses remarques au directeur dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du directeur d'académie qui prévaut.
Le directeur d'académie adresse le rapport et les remarques du secrétaire d'administration en chef au pouvoir organisateur, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le pouvoir organisateur ne dispose pas d'un exemplaire du rapport établi conformément au premier ou au deuxième alinéa, le rapport est nul et le secrétaire d'administration en chef obtient la mention du dernier rapport. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le secrétaire d'administration en chef signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le secrétaire d'administration en chef peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le directeur d'académie.
Par dérogation au premier alinéa, le secrétaire d'administration en chef ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Le pouvoir organisateur remet sa décision définitive dans les dix jours après la réception de l'avis. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.]1
§ 1er. Le directeur d'académie établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour le secrétaire d'administration en chef. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le secrétaire d'administration en chef peut demander une telle évaluation par écrit auprès du directeur d'académie. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
§ 2. Le rapport porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
§ 3. Le directeur d'académie remet le rapport au secrétaire d'administration en chef au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le secrétaire d'administration en chef dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le secrétaire d'administration en chef date et signe le rapport et le remet au directeur d'académie.
Si le secrétaire d'administration en chef ne remet pas le rapport et ses remarques au directeur dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du directeur d'académie qui prévaut.
Le directeur d'académie adresse le rapport et les remarques du secrétaire d'administration en chef au pouvoir organisateur, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le pouvoir organisateur ne dispose pas d'un exemplaire du rapport établi conformément au premier ou au deuxième alinéa, le rapport est nul et le secrétaire d'administration en chef obtient la mention du dernier rapport. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le secrétaire d'administration en chef signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le secrétaire d'administration en chef peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le directeur d'académie.
Par dérogation au premier alinéa, le secrétaire d'administration en chef ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Le pouvoir organisateur remet sa décision définitive dans les dix jours après la réception de l'avis. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.]1
Modifications
Art. 56.10. [1 - Terugkeer
Voor zover het personeelslid in het gemeenschapsonderwijs vastbenoemd is, bekleedt het op het einde van de aanwijzing opnieuw zijn voormalig ambt, behalve in de gevallen vermeld in artikel 56.5 § 2, lid 1, nummer 3 d) en nummer 4.]1
Voor zover het personeelslid in het gemeenschapsonderwijs vastbenoemd is, bekleedt het op het einde van de aanwijzing opnieuw zijn voormalig ambt, behalve in de gevallen vermeld in artikel 56.5 § 2, lid 1, nummer 3 d) en nummer 4.]1
Art. 56.10. [1 - Retour.
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel nommé à titre définitif dans l'enseignement officiel subventionné, le membre du personnel réintègre son ancienne fonction après la fin de la désignation, sauf dans les cas énoncés à l'article 56.5 paragraphe 2 alinéa 1 3° d) et 4°.]1
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel nommé à titre définitif dans l'enseignement officiel subventionné, le membre du personnel réintègre son ancienne fonction après la fin de la désignation, sauf dans les cas énoncés à l'article 56.5 paragraphe 2 alinéa 1 3° d) et 4°.]1
Art. 56.11. [1 - In aanmerking komende diensten
Voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerde vrij onderwijs gaat, worden de diensten gepresteerd tijdens de uitoefening van het ambt als inrichtingshoofd in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit vast te leggen.]1
Voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerde vrij onderwijs gaat, worden de diensten gepresteerd tijdens de uitoefening van het ambt als inrichtingshoofd in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit vast te leggen.]1
Art. 56.11. [1 - Prise en compte des services prestés.
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel de l'enseignement officiel subventionné, les services prestés pendant l'exercice de la fonction de secrétaire d'administration sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service, l'ancienneté de fonction et l'ancienneté pécuniaire.]1
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel de l'enseignement officiel subventionné, les services prestés pendant l'exercice de la fonction de secrétaire d'administration sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service, l'ancienneté de fonction et l'ancienneté pécuniaire.]1
HOOFDSTUK IVter. [1 - Bijzondere bepalingen voor departementshoofden van een gespecialiseerde secundaire school]1
CHAPITRE IVter. [1 - Conditions particulières pour les chefs de département dans une école secondaire spécialisée]1
Art. 56.12. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van departementshoofd van een gespecialiseerde secundaire school vanaf 1 september 2009 toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden geldend in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.12. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de chef de département dans une école secondaire spécialisée est attribuée, à partir du 1er septembre 2009, sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVquater. [1 - Bijzondere bepalingen voor [2 middenmanagers]2 van een gewone secundaire school]1
CHAPITRE IVquater. [1 - Dispositions particulières pour les [2 cadres intermédiaires]2 dans une école secondaire ordinaire]1
Art. 56.13. [1 Toewijzing van het ambt van [2 middenmanager]2 van een gewone secundaire school
In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van [2 middenmanager]2 van een gewone secundaire school toegekend in de vorm van een [3 aanstelling en een vaste benoeming]3, overeenkomstig de voorwaarden geldend in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van [2 middenmanager]2 van een gewone secundaire school toegekend in de vorm van een [3 aanstelling en een vaste benoeming]3, overeenkomstig de voorwaarden geldend in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.13. [1 Attribution de la fonction de [2 cadre intermédiaire ]2 dans une école secondaire ordinaire
Par dérogation au chapitre IV, la fonction de [2 cadre intermédiaire ]2 dans une école secondaire ordinaire est attribuée sous forme [3 d'une désignation et sous forme d'une nomination à titre définitif]3 conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
Par dérogation au chapitre IV, la fonction de [2 cadre intermédiaire ]2 dans une école secondaire ordinaire est attribuée sous forme [3 d'une désignation et sous forme d'une nomination à titre définitif]3 conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVquinquies [2 Bijzondere bepalingen voor coördinatoren van een centrum voor onderwijs met beperkt leerplan en voor coördinatoren van een instituut voor voortgezette schoolopleiding ]2
CHAPITRE IVquinquies. [1 Dispositions particulières pour les coordinateurs d'un centre d'enseignement à horaire réduit [2 et pour les coordinateurs d'un institut de formation scolaire continuée ]2]1
Art. 56.14. [1 In afwijking van hoofdstuk IV [3 worden het ambt van coördinator van een centrum voor onderwijs met beperkt leerplan en het ambt van coördinator van een instituut voor voortgezette schoolopleiding]3 toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs]1
Art. 56.14.[1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de coordinateur d'un centre d'enseignement [3 à horaire réduit et la fonction de coordinateur d'un institut de formation scolaire continuée sont attribuées]3 sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVsexies. [1 - Bijzondere bepalingen voor de adviseur voor bevorderingspedagogiek aan een gespecialiseerde basis- en secundaire school]1
CHAPITRE IVsexies. [1 - Dispositions particulières pour le conseiller en pédagogie de soutien dans une école fondamentale et secondaire spécialisée]1
Art. 56.15. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van adviseur voor bevorderingspedagogiek aan een gespecialiseerde basis- en secundaire school toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.15. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de conseiller en pédagogie de soutien dans une école fondamentale et secondaire spécialisée est attribuée sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVsepties. [1 - Bijzondere bepalingen voor onderdirecteurs]1
CHAPITRE IVsepties. [1 - Dispositions particulières pour les sous-directeurs]1
Art. 56.16. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van onderdirecteur toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.16. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de sous-directeur est attribuée sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVocties. [1 - Bijzondere bepalingen voor werkmeesters in het [2 ...]2 secundair onderwijs]1
CHAPITRE IVocties. [1 Dispositions particulières pour les chefs d'atelier [2 ...]2]1
Art. 56.17. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van werkmeester in het [2 ...]2 secundair onderwijs toegewezen in de vorm van een aanstelling [3 ...]3 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.17. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de chef d'atelier [2 ...]2 est attribuée sous la forme d'une désignation [3 ...]3 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVnovies. [1 Bijzondere bepalingen voor het ambt van coördinator van een time-outinstelling]1
CHAPITRE IVnovies. [1 Dispositions particulières pour la fonction de coordinateur d'une structure d'accrochage scolaire ]1
Art. 56.18. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van coördinator van een time-outinstelling toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.18. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de coordinateur d'une structure d'accrochage scolaire est attribuée sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVdecies. [1 Bijzondere bepalingen voor directiesecretarissen]1
CHAPITRE IVdecies. [1 Dispositions particulières pour les secrétaires de direction]1
Art. 56.19. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van directiesecretaris toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.19. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de secrétaire de direction est attribuée sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVundecies. [1 - Bijzondere bepalingen voor [2 ...]2 paramedische coördinatoren voor inclusieve scholen]1
CHAPITRE IVundecies. [1 Dispositions spécifiques pour les coordinateurs paramédicaux dans des écoles inclusives]1
Art. 56.20. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van pedagogische coördinator voor inclusieve scholen en [2 ...]2 toegewezen in de vorm van een aanstelling [3 ...]3 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.20. [1 Par dérogation au chapitre IV, [2 la fonction de coordinateur paramédical dans des écoles inclusives est attribuée]2 sous la forme d'une désignation [3 ...]3 et d'une nomination à titre définitif, conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVduodecies. [1 - Bijzondere bepalingen voor de beheerder Financiën en Gebouwen]1
CHAPITRE IVduodecies. [1 - Dispositions spécifiques pour les gestionnaires financiers et immobiliers]1
Art. 56.21. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van beheerder Financiën en Gebouwen toegewezen in de vorm van een aanstelling [2 ...]2 en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.21. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction de gestionnaire financier et immobilier est attribuée sous la forme d'une désignation [2 ...]2 et d'une nomination à titre définitif, conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVterdecies. [1 - Bijzondere bepalingen voor de school- en leerbegeleider voor bevorderingspedagogiek]1
CHAPITRE IVterdecies. [1 - Dispositions spécifiques pour les auxiliaires d'intégration scolaire en pédagogie de soutien]1
Art. 56.22. [1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van school- en leerbegeleider voor bevorderingspedagogiek toegewezen in de vorm van een aanstelling van doorlopende duur en in de vorm van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs.]1
Art. 56.22. [1 Par dérogation au chapitre IV, la fonction d'auxiliaire d'intégration scolaire en pédagogie de soutien est attribuée sous la forme d'une désignation à durée indéterminée et d'une nomination à titre définitif, conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné.]1
HOOFDSTUK IVquaterdecies. [1 Bijzondere bepalingen voor adjunct-directeurs van een autonome lagere school ]1
CHAPITRE IVquaterdecies. [1 Dispositions spécifiques pour les directeurs adjoints d'une école primaire autonome ]1
Art.56.23.[1 In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van adjunct-directeur van een autonome lagere school uitsluitend toegewezen in de vorm van een aanstelling en in de vorm van een vaste benoeming, overeenkomstig de bepalingen die gelden in het gesubsidieerd vrij onderwijs. ]1
Art. 56.23. [1 - Par dérogation au chapitre IV, la fonction de directeur adjoint d'une école primaire autonome est attribuée exclusivement sous la forme d'une désignation et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions valables dans l'enseignement libre subventionné ]1
HOOFDSTUK IVquinquiesdecies. [1 Bijzondere bepalingen voor adjunct-directeurs van een kunstacademie" ]1
CHAPITRE IVquinquiesdecies. [1 - Dispositions spécifiques pour les directeurs adjoints d'une académie des arts ]1
Art.56.24.[1 Principe
In afwijking van hoofdstuk IV zijn de artikelen 56.2 tot 56.7 en 56.9 tot 56.11 van toepassing op het ambt van adjunct-directeur van een kunstacademie." ]1
In afwijking van hoofdstuk IV zijn de artikelen 56.2 tot 56.7 en 56.9 tot 56.11 van toepassing op het ambt van adjunct-directeur van een kunstacademie." ]1
Art. 56.24. [1 - Principe
Par dérogation au chapitre IV, les articles 56.2 à 56.7 et 56.9 à 56.11 s'appliquent à la fonction de directeur adjoint d'une académie des arts. ]1
Par dérogation au chapitre IV, les articles 56.2 à 56.7 et 56.9 à 56.11 s'appliquent à la fonction de directeur adjoint d'une académie des arts. ]1
Art.56.25.[1 Wedde en premie
§ 1. Tijdens de uitoefening van het ambt van adjunct-directeur van een kunstacademie ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal 422/I vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 400 euro.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste lid wordt vermeld, evenredig verminderd.
§ 2. Wordt een persoon die in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs in een ander ambt voor doorlopende duur overeenkomstig artikel 22bis aangesteld of vast benoemd is, als adjunct-directeur van een kunstacademie aangewezen, dan ontvangt hij, in afwijking van § 1, verder zijn wedde, evenals, ter compensatie, een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend:
P = X - M
P = de premie
X = de in § 1 bedoelde wedde
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid.
De premie wordt gelijktijdig met de maandelijkse wedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3. -Wordt een persoon die niet in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs in een ander ambt voor doorlopende duur aangesteld of vast benoemd is, als adjunct-directeur van een kunstacademie aangewezen, dan ontvangt hij vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de bepalingen die in het onderwijs gelden, waarbij het in § 1 vermelde bedrag als berekeningsbasis dient.
§ 4. - Het bedrag dat met toepassing van de § § 1 en 2 wordt berekend, is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 wordt de premie vermeld in § 2 verder uitbetaald, voor zover de onderdirecteur of provisor niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]1
§ 1. Tijdens de uitoefening van het ambt van adjunct-directeur van een kunstacademie ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal 422/I vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 400 euro.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste lid wordt vermeld, evenredig verminderd.
§ 2. Wordt een persoon die in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs in een ander ambt voor doorlopende duur overeenkomstig artikel 22bis aangesteld of vast benoemd is, als adjunct-directeur van een kunstacademie aangewezen, dan ontvangt hij, in afwijking van § 1, verder zijn wedde, evenals, ter compensatie, een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend:
P = X - M
P = de premie
X = de in § 1 bedoelde wedde
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid.
De premie wordt gelijktijdig met de maandelijkse wedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3. -Wordt een persoon die niet in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs in een ander ambt voor doorlopende duur aangesteld of vast benoemd is, als adjunct-directeur van een kunstacademie aangewezen, dan ontvangt hij vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de bepalingen die in het onderwijs gelden, waarbij het in § 1 vermelde bedrag als berekeningsbasis dient.
§ 4. - Het bedrag dat met toepassing van de § § 1 en 2 wordt berekend, is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 wordt de premie vermeld in § 2 verder uitbetaald, voor zover de onderdirecteur of provisor niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]1
Art. 56.25. [1 Traitement et prime
§ 1er - Durant l'exercice de la fonction en tant que directeur adjoint d'une académie des arts, le membre du personnel perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 422/I figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, plus une prime mensuelle de 400 euros.
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné à l'alinéa 1er est réduit proportionnellement à l'occupation.
§ 2 - Si une personne, désignée pour une durée indéterminée conformément à l'article 22bis ou nommée à titre définitif dans une autre fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone, est désignée comme directeur adjoint d'une académie des arts, elle continue, par dérogation au § 1er, à percevoir son traitement et bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M
P = la prime
X = le traitement mentionné au § 1er
M = le traitement mensuel brut du membre du personnel.
La prime est liquidée en même temps que le traitement mensuel et aux mêmes conditions.
§ 3 - Si une personne, qui n'est pas désignée pour une durée indéterminée ou nommée à titre définitif dans une autre fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone, est désignée comme directeur adjoint d'une académie des arts, elle perçoit le pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions valables dans l'enseignement, le montant mentionné au § 1er servant de base pour le calcul.
§ 4 - Le montant calculé en application des § § 1er et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifié par les arrêtés royaux n° 178 du 30 décembre 1982 et du 24 décembre 1993 et les lois des 2 janvier 2001 et 19 juillet 2001.
Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées aux articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, la prime mentionnée au § 2 continue à être versée pour autant que le sous-directeur ou le proviseur ne soit pas indemnisé par la mutualité.]1
§ 1er - Durant l'exercice de la fonction en tant que directeur adjoint d'une académie des arts, le membre du personnel perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 422/I figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, plus une prime mensuelle de 400 euros.
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné à l'alinéa 1er est réduit proportionnellement à l'occupation.
§ 2 - Si une personne, désignée pour une durée indéterminée conformément à l'article 22bis ou nommée à titre définitif dans une autre fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone, est désignée comme directeur adjoint d'une académie des arts, elle continue, par dérogation au § 1er, à percevoir son traitement et bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M
P = la prime
X = le traitement mentionné au § 1er
M = le traitement mensuel brut du membre du personnel.
La prime est liquidée en même temps que le traitement mensuel et aux mêmes conditions.
§ 3 - Si une personne, qui n'est pas désignée pour une durée indéterminée ou nommée à titre définitif dans une autre fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté germanophone, est désignée comme directeur adjoint d'une académie des arts, elle perçoit le pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions valables dans l'enseignement, le montant mentionné au § 1er servant de base pour le calcul.
§ 4 - Le montant calculé en application des § § 1er et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifié par les arrêtés royaux n° 178 du 30 décembre 1982 et du 24 décembre 1993 et les lois des 2 janvier 2001 et 19 juillet 2001.
Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées aux articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, la prime mentionnée au § 2 continue à être versée pour autant que le sous-directeur ou le proviseur ne soit pas indemnisé par la mutualité.]1
HOOFDSTUK V. - Toegang tot de bevorderingsambten.
CHAPITRE V. - De l'accès aux fonctions de promotion.
Art. 57. Princiep. De inrichtende macht kan een personeelslid in een vacante betrekking van een bevorderingsambt in vast verband benoemen, behalve als ze door de bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling verplicht is in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
De vaste benoeming heeft voorrang boven de mutatie vermeld in artikel 60.
De vaste benoeming heeft voorrang boven de mutatie vermeld in artikel 60.
Art. 57. Principe. Le pouvoir organisateur peut nommer un membre du personnel à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de promotion, sauf s'il est tenu par les dispositions relatives à la réaffectation ou la remise au travail, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
La nomination à titre définitif est prioritaire par rapport à la mutation mentionnée à l'article 60.
La nomination à titre définitif est prioritaire par rapport à la mutation mentionnée à l'article 60.
Art. 58. Oproep tot de kandidaten.
Tussen 10 en 30 april van elk schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie en een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat de lijst met de definitief te begeven betrekkingen van bevorderingsambten, welke op basis van de situatie op 1 april vóór de oproep bepaald worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen, de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten, alsmede de vorm en de termijn voor het indienen van de kandidaturen. Deze oproep wordt door aanplakking op school of bij het PMS-centrum alsmede in elk andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. Deze lijst is op gewoon verzoek bij het Ministerie of bij de betrokken inrichtende macht verkrijgbaar.
Tussen 10 en 30 april van elk schooljaar doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie en een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan het Ministerie ter informatie betekend.
De oproep bevat de lijst met de definitief te begeven betrekkingen van bevorderingsambten, welke op basis van de situatie op 1 april vóór de oproep bepaald worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen, de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten, alsmede de vorm en de termijn voor het indienen van de kandidaturen. Deze oproep wordt door aanplakking op school of bij het PMS-centrum alsmede in elk andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. Deze lijst is op gewoon verzoek bij het Ministerie of bij de betrokken inrichtende macht verkrijgbaar.
Art. 58. Appel aux candidats.
Entre le 10 et le 30 avril de chaque année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à une mutation et à une nomination à titre définitif. Cet appel est transmis pour information au Ministère.
L'appel contient une liste des emplois vacants de fonctions de promotion à conférer à titre définitif, déterminés sur la base de la situation au 1er avril précédant l'appel aux candidats. Il contient des indications sur les emplois à conférer, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites. L'appel est porté à la connaissance de tous les membres du personnel par affichage public dans l'établissement d'enseignement ou le centre P.M.S. et par toute autre forme appropriée. La liste peut être obtenue sur demande auprès du Ministère ou du pouvoir organisateur concerné.
Entre le 10 et le 30 avril de chaque année scolaire, le pouvoir organisateur lance un appel aux candidats à une mutation et à une nomination à titre définitif. Cet appel est transmis pour information au Ministère.
L'appel contient une liste des emplois vacants de fonctions de promotion à conférer à titre définitif, déterminés sur la base de la situation au 1er avril précédant l'appel aux candidats. Il contient des indications sur les emplois à conférer, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites. L'appel est porté à la connaissance de tous les membres du personnel par affichage public dans l'établissement d'enseignement ou le centre P.M.S. et par toute autre forme appropriée. La liste peut être obtenue sur demande auprès du Ministère ou du pouvoir organisateur concerné.
Art. 59. Ogenblik van de benoemingen en mutaties.
De mutaties en de vaste benoemingen in de in artikel 58, lid 2, vermelde betrekkingen geschieden elk jaar op 1 september voor zover deze betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn; de betrekkingen die vacant worden ingevolge een mutatie die op 1 september moet geschieden, dienen als vacant te worden
De mutaties en de vaste benoemingen in de in artikel 58, lid 2, vermelde betrekkingen geschieden elk jaar op 1 september voor zover deze betrekkingen op dit ogenblik nog vacant zijn; de betrekkingen die vacant worden ingevolge een mutatie die op 1 september moet geschieden, dienen als vacant te worden
Art. 59. Moment où sont effectuées les nominations et les mutations.
Les mutations et les nominations à titre définitif dans les emplois vises à l'article 58, alinéa 2, sont opérées au 1er septembre de chaque année, pour autant que ces emplois soient encore vacants à cette date, étant entendu que les emplois devenant vacants à la suite d'une mutation à opérer le 1er septembre doivent être considérés comme vacants.
Les mutations et les nominations à titre définitif dans les emplois vises à l'article 58, alinéa 2, sont opérées au 1er septembre de chaque année, pour autant que ces emplois soient encore vacants à cette date, étant entendu que les emplois devenant vacants à la suite d'une mutation à opérer le 1er septembre doivent être considérés comme vacants.
Art. 60. Mutatie naar een andere inrichtende macht.
Het personeelslid dat in een bevorderingsambt vastbenoemd is, echter maar in een vacante betrekking van hetzelfde bevorderingsambt in een andere onderwijsinrichting bij een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wenst gemuteerd te worden, dient binnen de 30 dagen na de openbaarmaking van de oproep tot de kandidaten voor een vaste benoeming, gedaan overeenkomstig artikel 58, een dienovereenkomstige schriftelijke mutatieaanvraag bij de inrichtende macht van de andere onderwijsinrichting in.
Wordt de mutatie toegekend, dan wordt ze op 1 september van het volgende schooljaar uitvoerbaar. De overgang van één onderwijsinrichting naar de andere geschiedt zonder onderbreking. De inrichtende macht is verplicht het personeelslid in vast verband te benoemen op het ogenblik van zijn mutatie.
Het gemuteerde personeelslid dient bij de inrichting die het verlaat zijn ontslag in voor het bevorderingsambt waarvoor het de mutatie heeft aangevraagd.
Het personeelslid dat in een bevorderingsambt vastbenoemd is, echter maar in een vacante betrekking van hetzelfde bevorderingsambt in een andere onderwijsinrichting bij een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs wenst gemuteerd te worden, dient binnen de 30 dagen na de openbaarmaking van de oproep tot de kandidaten voor een vaste benoeming, gedaan overeenkomstig artikel 58, een dienovereenkomstige schriftelijke mutatieaanvraag bij de inrichtende macht van de andere onderwijsinrichting in.
Wordt de mutatie toegekend, dan wordt ze op 1 september van het volgende schooljaar uitvoerbaar. De overgang van één onderwijsinrichting naar de andere geschiedt zonder onderbreking. De inrichtende macht is verplicht het personeelslid in vast verband te benoemen op het ogenblik van zijn mutatie.
Het gemuteerde personeelslid dient bij de inrichting die het verlaat zijn ontslag in voor het bevorderingsambt waarvoor het de mutatie heeft aangevraagd.
Art. 60. Mutation auprès d'un autre pouvoir organisateur.
Dans les trente jours suivant la publication de l'appel aux candidats lancé conformément à l'article 58 pour une nomination à titre définitif, le membre du personnel qui est nomme à titre définitif dans une fonction de promotion et qui souhaiterait être muté dans un emploi vacant de la même fonction de promotion auprès d'un autre établissement d'enseignement d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné, introduit par écrit une demande allant en ce sens en vue d'une mutation auprès du pouvoir organisateur de l'autre établissement d'enseignement.
Si la mutation est accordée, elle deviendra exécutoire au 1er septembre de l'année scolaire suivante. Le passage d'un établissement d'enseignement à l'autre se fait sans interruption. Le pouvoir organisateur est tenu de nommer le membre du personnel à titre définitif au moment de sa mutation.
Le membre du personnel muté remet sa démission auprès de l'établissement qu'il quitte pour la fonction de promotion pour laquelle il a demandé la mutation.
Dans les trente jours suivant la publication de l'appel aux candidats lancé conformément à l'article 58 pour une nomination à titre définitif, le membre du personnel qui est nomme à titre définitif dans une fonction de promotion et qui souhaiterait être muté dans un emploi vacant de la même fonction de promotion auprès d'un autre établissement d'enseignement d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné, introduit par écrit une demande allant en ce sens en vue d'une mutation auprès du pouvoir organisateur de l'autre établissement d'enseignement.
Si la mutation est accordée, elle deviendra exécutoire au 1er septembre de l'année scolaire suivante. Le passage d'un établissement d'enseignement à l'autre se fait sans interruption. Le pouvoir organisateur est tenu de nommer le membre du personnel à titre définitif au moment de sa mutation.
Le membre du personnel muté remet sa démission auprès de l'établissement qu'il quitte pour la fonction de promotion pour laquelle il a demandé la mutation.
Art. 61. Beperking m.b.t. de benoeming en de mutatie.
De vaste benoeming en de mutatie in een bevorderingsambt worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting welke krachtens een beslissing van de Regering, die vooraf aan de inrichtende macht wordt bekendgemaakt, slechts voor een bepaalde tijd gesubsidieerd wordt.
De vaste benoeming en de mutatie in een bevorderingsambt worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting welke krachtens een beslissing van de Regering, die vooraf aan de inrichtende macht wordt bekendgemaakt, slechts voor een bepaalde tijd gesubsidieerd wordt.
Art. 61. Limitation au niveau des nominations et mutations.
Une nomination à titre définitif et une mutation dans une fonction de promotion ne sont autorisées ni pour un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation est en voie de fermeture progressive ni pour un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision du Gouvernement préalablement signifiée au pouvoir organisateur.
Une nomination à titre définitif et une mutation dans une fonction de promotion ne sont autorisées ni pour un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation est en voie de fermeture progressive ni pour un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision du Gouvernement préalablement signifiée au pouvoir organisateur.
Art. 62. Voorwaarden m.b.t. de benoeming.
Een personeelslid mag in een bevorderingsambt niet vastbenoemd worden, indien het niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° sinds ten minste zes jaar, in het gesubsidieerd officieel onderwijs of in een gesubsidieerd officieel PMS-centrum, titularis zijn van een wervings- of selectieambt dat tot dit bevorderingsambt toegang verleent, waarvan ten minste twee jaar met een vaste benoeming voor ten minste een halve opdracht;
2° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs dat in artikel 2 bepaald is voor een wervingsambt dat tot dit bevorderingsambt toegang verleent;
3° al aan een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of erkende bijzondere nascholing hebben deelgenomen en het overeenkomstige deelnemingsattest kunnen overleggen;
4° in het laatste evaluatieverslag ten minste de vermelding " [2 goed]2 " hebben gekregen; bij gebrek aan een evaluatieverslag wordt voorliggende voorwaarde geacht vervuld te zijn [2 ;]2
[2 5° voldoen aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]2
[1 De overeenkomstig artikel 69 geleverde diensten worden geacht te zijn gepresteerd in het gesubsidieerd officieel onderwijs in de zin van lid 1, 1°.]1
Een personeelslid mag in een bevorderingsambt niet vastbenoemd worden, indien het niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° sinds ten minste zes jaar, in het gesubsidieerd officieel onderwijs of in een gesubsidieerd officieel PMS-centrum, titularis zijn van een wervings- of selectieambt dat tot dit bevorderingsambt toegang verleent, waarvan ten minste twee jaar met een vaste benoeming voor ten minste een halve opdracht;
2° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs dat in artikel 2 bepaald is voor een wervingsambt dat tot dit bevorderingsambt toegang verleent;
3° al aan een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of erkende bijzondere nascholing hebben deelgenomen en het overeenkomstige deelnemingsattest kunnen overleggen;
4° in het laatste evaluatieverslag ten minste de vermelding " [2 goed]2 " hebben gekregen; bij gebrek aan een evaluatieverslag wordt voorliggende voorwaarde geacht vervuld te zijn [2 ;]2
[2 5° voldoen aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]2
[1 De overeenkomstig artikel 69 geleverde diensten worden geacht te zijn gepresteerd in het gesubsidieerd officieel onderwijs in de zin van lid 1, 1°.]1
Art. 62. Conditions de nomination.
Un membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans une fonction de promotion s'il ne répond aux conditions suivantes :
1° être titulaire depuis six ans au moins dans l'enseignement officiel subventionné ou au centre P.M.S. officiel subventionné, d'une fonction de recrutement ou de sélection menant à cette fonction de promotion, dont au moins deux années avec une nomination à titre définitif pour au moins une demi-charge;
2° être porteur d'un titre de capacité prévu à l'article 2 pour une fonction de recrutement menant à cette fonction de promotion;
3° avoir suivi au préalable une formation continuée spécifique organisée ou reconnue par la Communauté germanophone et pouvoir présenter le certificat de fréquentation y relatif;
4° avoir obtenu au moins la mention " [2 bon]2 " dans le dernier rapport d'évaluation; à défaut de rapport d'évaluation, la présente condition est considérée comme remplie [2 ;]2
[2 5° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
[1 Les services prestés conformément à l'article 69, sont censés avoir été prestés dans l'enseignement officiel subventionné au sens de l'alinéa 1er, 1°.]1
Un membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans une fonction de promotion s'il ne répond aux conditions suivantes :
1° être titulaire depuis six ans au moins dans l'enseignement officiel subventionné ou au centre P.M.S. officiel subventionné, d'une fonction de recrutement ou de sélection menant à cette fonction de promotion, dont au moins deux années avec une nomination à titre définitif pour au moins une demi-charge;
2° être porteur d'un titre de capacité prévu à l'article 2 pour une fonction de recrutement menant à cette fonction de promotion;
3° avoir suivi au préalable une formation continuée spécifique organisée ou reconnue par la Communauté germanophone et pouvoir présenter le certificat de fréquentation y relatif;
4° avoir obtenu au moins la mention " [2 bon]2 " dans le dernier rapport d'évaluation; à défaut de rapport d'évaluation, la présente condition est considérée comme remplie [2 ;]2
[2 5° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
[1 Les services prestés conformément à l'article 69, sont censés avoir été prestés dans l'enseignement officiel subventionné au sens de l'alinéa 1er, 1°.]1
Art. 63. Tijdelijke toewijzing.
§ 1 - Een bevorderingsambt kan tijdelijk toegewezen worden aan een vastbenoemd personeelslid dat aan de in artikel 62, 2° en 4°, bepaalde voorwaarden voldoet en ofwel een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt ofwel sinds ten hoogste twee jaar wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is :
1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
2° in het bij artikel 61 bedoelde geval;
3° in afwachting van een vaste benoeming [1 ...]1
[1 4° indien het personeelslid voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Tijdens deze periode blijft het personeelslid aan wie dat ambt tijdelijk toegewezen is titularis van de betrekking waarin het vastbenoemd is.
In de hypothese bedoeld in lid 1, 3°, en uiterlijk twee jaar na de datum waarop het bevorderingsambt vacant is geworden, wordt het personeelslid in het betrokken ambt vastbenoemd, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 62 voldoet en voor zover de inrichtende macht het niet ervan heeft ontlast.
§ 2 - Kan het bevorderingsambt geen vastbenoemd personeelslid overeenkomstig § 1 tijdelijk toegewezen worden, dan is de inrichtende macht ertoe gemachtigd het voorlopig aan één van haar tijdelijk aangestelde personeelsleden toe te wijzen dat aan de in artikel 62, 2°, bepaalde voorwaarde voldoet, desgevallend in de laatste beoordelingsstaat niet de vermelding " [1 onvoldoende]1 " heeft gekregen en een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt.
Na zes jaar activiteit in dat bevorderingsambt kan het personeelslid vastbenoemd worden.
§ 3 - De tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt is slechts mogelijk na toepassing van de bepaling van artikel 57, lid 1.
§ 4 - De tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt neemt een einde overeenkomstig de bepalingen van artikel 29, 1°, 2°, 3° en 5°.
§ 1 - Een bevorderingsambt kan tijdelijk toegewezen worden aan een vastbenoemd personeelslid dat aan de in artikel 62, 2° en 4°, bepaalde voorwaarden voldoet en ofwel een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt ofwel sinds ten hoogste twee jaar wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is :
1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
2° in het bij artikel 61 bedoelde geval;
3° in afwachting van een vaste benoeming [1 ...]1
[1 4° indien het personeelslid voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]1
Tijdens deze periode blijft het personeelslid aan wie dat ambt tijdelijk toegewezen is titularis van de betrekking waarin het vastbenoemd is.
In de hypothese bedoeld in lid 1, 3°, en uiterlijk twee jaar na de datum waarop het bevorderingsambt vacant is geworden, wordt het personeelslid in het betrokken ambt vastbenoemd, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 62 voldoet en voor zover de inrichtende macht het niet ervan heeft ontlast.
§ 2 - Kan het bevorderingsambt geen vastbenoemd personeelslid overeenkomstig § 1 tijdelijk toegewezen worden, dan is de inrichtende macht ertoe gemachtigd het voorlopig aan één van haar tijdelijk aangestelde personeelsleden toe te wijzen dat aan de in artikel 62, 2°, bepaalde voorwaarde voldoet, desgevallend in de laatste beoordelingsstaat niet de vermelding " [1 onvoldoende]1 " heeft gekregen en een ambt uitoefent dat ten minste met een halve opdracht overeenstemt.
Na zes jaar activiteit in dat bevorderingsambt kan het personeelslid vastbenoemd worden.
§ 3 - De tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt is slechts mogelijk na toepassing van de bepaling van artikel 57, lid 1.
§ 4 - De tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt neemt een einde overeenkomstig de bepalingen van artikel 29, 1°, 2°, 3° en 5°.
Modifications
Art. 63. Affectation temporaire.
§ 1er - Une fonction de promotion peut être temporairement attribuée à un membre du personnel nommé à titre définitif remplissant les conditions fixées à l'article 62, 2° et 4°, et qui soit exerce une fonction correspondant au moins à une demi-charge soit est en disponibilité par défaut d'emploi depuis deux ans au plus
1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
2° dans le cas visé à l'article 61;
3° dans l'attente d'une nomination à titre définitif [1 ;]1
[1 4° s'il satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
Pendant cette période, le membre du personnel à qui cette fonction a été attribuée à titre temporaire reste titulaire de l'emploi pour lequel il a été nommé à titre définitif.
Dans l'hypothèse envisagée à l'alinéa 1, 3°, et au plus tard deux ans après la date à laquelle la fonction de promotion est devenue vacante, le membre du personnel est nommé à titre définitif dans cette fonction s'il répond à ce moment à toutes les conditions de l'article 62 et si le pouvoir organisateur ne l'a pas démis de ses fonctions.
§ 2 - Si la fonction de promotion ne peut temporairement être attribuée conformément au § 1er à un membre du personnel nommé à titre définitif, le pouvoir organisateur est habilité à l'attribuer provisoirement à un membre de son personnel désigné à titre temporaire qui remplit la condition fixée à l'article 62, 2°, n'a pas obtenu le cas échéant la mention " insuffisant " dans le dernier rapport d'évaluation et exerce une fonction représentant au moins une demi-charge.
Le membre du personnel peut, après six années d'activité dans cette fonction de promotion, être nommé à titre définitif.
§ 3 - La désignation temporaire dans une fonction de promotion n'est possible qu'après application de la disposition de l'article 57, alinéa 1.
§ 4 - Une désignation temporaire dans un emploi de promotion prend fin conformément aux dispositions de l'article 29, 1°, 2°, 3° et 5°.
§ 1er - Une fonction de promotion peut être temporairement attribuée à un membre du personnel nommé à titre définitif remplissant les conditions fixées à l'article 62, 2° et 4°, et qui soit exerce une fonction correspondant au moins à une demi-charge soit est en disponibilité par défaut d'emploi depuis deux ans au plus
1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
2° dans le cas visé à l'article 61;
3° dans l'attente d'une nomination à titre définitif [1 ;]1
[1 4° s'il satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]1
Pendant cette période, le membre du personnel à qui cette fonction a été attribuée à titre temporaire reste titulaire de l'emploi pour lequel il a été nommé à titre définitif.
Dans l'hypothèse envisagée à l'alinéa 1, 3°, et au plus tard deux ans après la date à laquelle la fonction de promotion est devenue vacante, le membre du personnel est nommé à titre définitif dans cette fonction s'il répond à ce moment à toutes les conditions de l'article 62 et si le pouvoir organisateur ne l'a pas démis de ses fonctions.
§ 2 - Si la fonction de promotion ne peut temporairement être attribuée conformément au § 1er à un membre du personnel nommé à titre définitif, le pouvoir organisateur est habilité à l'attribuer provisoirement à un membre de son personnel désigné à titre temporaire qui remplit la condition fixée à l'article 62, 2°, n'a pas obtenu le cas échéant la mention " insuffisant " dans le dernier rapport d'évaluation et exerce une fonction représentant au moins une demi-charge.
Le membre du personnel peut, après six années d'activité dans cette fonction de promotion, être nommé à titre définitif.
§ 3 - La désignation temporaire dans une fonction de promotion n'est possible qu'après application de la disposition de l'article 57, alinéa 1.
§ 4 - Une désignation temporaire dans un emploi de promotion prend fin conformément aux dispositions de l'article 29, 1°, 2°, 3° et 5°.
Modifications
Art. 64. Voorwaarde m.b.t. de tijdelijke aanstelling of de vaste benoeming.
De tijdelijke aanstelling en de vaste benoeming in een bevorderingsambt mag slechts geschieden, indien de betrekking als hoofdambt uitgeoefend wordt.
De tijdelijke aanstelling en de vaste benoeming in een bevorderingsambt mag slechts geschieden, indien de betrekking als hoofdambt uitgeoefend wordt.
Art. 64. Condition de désignation et de nomination.
La désignation à titre temporaire ou la nomination à titre définitif dans une fonction de promotion ne peut se faire que si l'emploi est occupé en fonction principale.
La désignation à titre temporaire ou la nomination à titre définitif dans une fonction de promotion ne peut se faire que si l'emploi est occupé en fonction principale.
HOOFDSTUK Vbis. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR DIRECTEURS VAN EEN KUNSTACADEMIE]1
CHAPITRE Vbis. [1 - DISPOSITIONS SPECIALES POUR LES DIRECTEURS D'ACADEMIE.]1
Art. 64.1. [1 - Beginsel
In afwijking van hoofdstuk V wordt het ambt van directeur van een kunstacademie vanaf 1 september 2009 toegekend aan de hand van een aanstelling [2 ...]2 en aan de hand van een vaste benoeming krachtens de in het gesubsidieerde vrije onderwijs geldende bepalingen.]1
In afwijking van hoofdstuk V wordt het ambt van directeur van een kunstacademie vanaf 1 september 2009 toegekend aan de hand van een aanstelling [2 ...]2 en aan de hand van een vaste benoeming krachtens de in het gesubsidieerde vrije onderwijs geldende bepalingen.]1
Art. 64.1. [1 - Principe.
Par dérogation au Chapitre V, la fonction de directeur d'académie est pourvue à partir du 1er septembre 2009 au moyen d'une désignation [2 ...]2 et au moyen d'une nomination définitive conformément aux dispositions suivantes.]1
Par dérogation au Chapitre V, la fonction de directeur d'académie est pourvue à partir du 1er septembre 2009 au moyen d'une désignation [2 ...]2 et au moyen d'une nomination définitive conformément aux dispositions suivantes.]1
Art. 64.2. [1 [2 Toelatingsvoorwaarden
Dit ambt kan alleen worden bekleed door een persoon die :
1° een van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2° [3 minstens over een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad beschikt;]3
3° zijn sollicitatie heeft ingediend in de vorm en binnen de termijn die in de vacature zijn vastgelegd;
4° de burgerlijke en politieke rechten geniet;
5° aan de dienstplichtwetten voldoet;
6° voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Het eerste lid, 1°, b) tot d), dient tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]2 ]1
Dit ambt kan alleen worden bekleed door een persoon die :
1° een van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2° [3 minstens over een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad beschikt;]3
3° zijn sollicitatie heeft ingediend in de vorm en binnen de termijn die in de vacature zijn vastgelegd;
4° de burgerlijke en politieke rechten geniet;
5° aan de dienstplichtwetten voldoet;
6° voldoet aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.
Het eerste lid, 1°, b) tot d), dient tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]2 ]1
Art. 64.2. [1 - Conditions d'admission.
Une personne peut exercer cette fonction lorsqu'elle :
1. remplit l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4 paragraphe 2 de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'état; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2. [3 disposer au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré pour la fonction de chef d'atelier;]3
3. a introduit sa candidature dans les formes et délais fixés dans l'appel aux candidats;
4. jouit des droits civils et politiques;
5. satisfait aux lois sur la milice [2 ;]2
[2 6° satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
L'alinéa 1er, 1°, lettres b) à d), sert à transposer la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative aux titres de séjour délivrés aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou qui ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de la protection à fournir.]1
Une personne peut exercer cette fonction lorsqu'elle :
1. remplit l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4 paragraphe 2 de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'état; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2. [3 disposer au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré pour la fonction de chef d'atelier;]3
3. a introduit sa candidature dans les formes et délais fixés dans l'appel aux candidats;
4. jouit des droits civils et politiques;
5. satisfait aux lois sur la milice [2 ;]2
[2 6° satisfait à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
L'alinéa 1er, 1°, lettres b) à d), sert à transposer la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative aux titres de séjour délivrés aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou qui ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de la protection à fournir.]1
Art. 64.3. [1 - Vacature en sollicitatie
De vacature wordt in de krant en onder elke andere adequate vorm gepubliceerd.
De vacature bevat het vereiste profiel van de directeur van de kunstacademie en de doelstellingen die tijdens het mandaat moeten worden vervuld.
De kandidatuur wordt ingediend per aangetekende brief. De sollicitant voegt bij de sollicitatie onder andere een strategisch plan en een actieplan, om de in lid 2 vermelde doelstellingen te verwezenlijken.]1
De vacature wordt in de krant en onder elke andere adequate vorm gepubliceerd.
De vacature bevat het vereiste profiel van de directeur van de kunstacademie en de doelstellingen die tijdens het mandaat moeten worden vervuld.
De kandidatuur wordt ingediend per aangetekende brief. De sollicitant voegt bij de sollicitatie onder andere een strategisch plan en een actieplan, om de in lid 2 vermelde doelstellingen te verwezenlijken.]1
Art. 64.3. [1 - Appel aux candidats et candidature.
L'appel aux candidats est publié dans les journaux et sous toute autre forme appropriée.
L'appel aux candidats mentionne le profil exigé du directeur d'académie et les objectifs à réaliser pendant la désignation.
La candidature est introduite par recommandé. Le candidat annexe entre autres à sa candidature un plan de stratégie et d'action en vue de réaliser les objectifs visés au deuxième alinéa.]1
L'appel aux candidats est publié dans les journaux et sous toute autre forme appropriée.
L'appel aux candidats mentionne le profil exigé du directeur d'académie et les objectifs à réaliser pendant la désignation.
La candidature est introduite par recommandé. Le candidat annexe entre autres à sa candidature un plan de stratégie et d'action en vue de réaliser les objectifs visés au deuxième alinéa.]1
Art. 64.4. [1 - Aanwerving van de directeur van de kunstacademie
De inrichtende macht beslist welke sollicitant het ambt moet bekleden.
Zij baseert zich onder andere op het strategische plan en actieplan van de sollicitant en op een sollicitatiegesprek.]1
De inrichtende macht beslist welke sollicitant het ambt moet bekleden.
Zij baseert zich onder andere op het strategische plan en actieplan van de sollicitant en op een sollicitatiegesprek.]1
Art. 64.4. [1 - Désignation du directeur d'académie
Le pouvoir organisateur décide quel candidat assumera la fonction.
Il se base entre autres sur le plan de stratégie et d'action proposé par le candidat et sur un entretien de candidature.]1
Le pouvoir organisateur décide quel candidat assumera la fonction.
Il se base entre autres sur le plan de stratégie et d'action proposé par le candidat et sur un entretien de candidature.]1
Art. 64.5. [1 - Aanstelling voor onbepaalde duur, beëindiging en definitieve benoeming
§ 1 [2 - Voor zover voor minstens één volledig schooljaar in de betrekking moet worden voorzien en de kandidaat aan alle voorwaarden voldoet om tot het ambt te worden toegelaten, geschiedt de aanstelling voor doorlopende duur. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling voor hoogstens één schooljaar. De aanstelling kan worden verlengd.]2
§ 2 - Zij loopt in volgende gevallen ten einde :
1. bij een uit voorzorg opgelegde voorlopige ambtsontheffing met een duur van meer dan zes maand;
2. bij een terbeschikkingstelling door intrekking van het ambt in het belang van de dienst met een duur van meer dan zes maand;
3. bij oplegging van een van de volgende tuchtstraffen :
a) een inhouding op het loon,
b) een voorlopige ambtsontheffing om tuchtredenen,
c) een overplaatsing naar de niet-actieve dienst om tuchtredenen,
d) een ontslag ingevolge zware fout;
4. bij vrijwillig vertrek, indien het om een vastbenoemd personeelslid gaat;
5. bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6. bij een eenzijdige opzeg door de inrichtende macht;
7. bij een evaluatierapport met als eindevaluatie "onvoldoende";
[2 8° indien het voor doorlopende duur aangestelde personeelslid het ambt gedurende vijf opeenvolgende schooljaren wegens een voltijds toegekend verlof niet heeft uitgeoefend. Als de activiteit als directeur van een kunstacademie tussen twee toegekende verloven niet gedurende minstens één volledig schooljaar wordt hervat, dan wordt de duur van dat nieuwe verlof samengeteld met de duur van het vorige verlof;]2
[2 9° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]2
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in de loop van een vakantie of een terbeschikkingstelling ingevolge ziekte of lichamelijk gebrek met een ononderbroken duur van meer dan zes maand.
In de in lid 1, nummer 4 en 5 voorziene gevallen en afwijkend van artikel 78, lid 2 moet de directeur van de kunstacademie een opzegtermijn van 60 dagen in acht nemen.
In het in lid 1, nummer 6 voorziene geval bedraagt de duur van de opzegtermijn zes maand, indien de directeur van de kunstacademie minder dan vijf jaar anciënniteit in het ambt heeft. Voor elke begonnen schijf van vijf jaar wordt de duur bijkomend met drie maand verlengd.
De in de leden 1 tot 4 voorgeschreven opzegtermijn kan in onderling overleg worden ingekort. De opzeg wordt per aangetekende brief gegeven en die brief bevat de duur van de opzegtermijn. De aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de datum van verzending.
[2 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, eindigt de aanstelling van ambtswege zonder opzeggingstermijn.]2
§ 3 - De aanstelling eindigt na vijf jaar van ambtswege indien de directeur van een kunstacademie in die periode geen door de regering erkende opleiding tot schooldirecteur tot een goed einde heeft gebracht. De regering legt de wezenlijke elementen van een opleiding ter goedkeuring aan de regering voor.
§ 4 - Een directeur van een kunstacademie die minstens [3 45]3 jaar is, wordt vast benoemd indien :
1. hij een anciënniteit in het ambt van minstens vijf jaar heeft;
2. zijn laatste evaluatierapport minstens met de eindevaluatie "voldoende" werd afgesloten;]1
[2 3° de betrekking als vacant wordt beschouwd en de inrichtende macht die vrijgeeft voor een definitieve aanstelling.]2
§ 1 [2 - Voor zover voor minstens één volledig schooljaar in de betrekking moet worden voorzien en de kandidaat aan alle voorwaarden voldoet om tot het ambt te worden toegelaten, geschiedt de aanstelling voor doorlopende duur. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling voor hoogstens één schooljaar. De aanstelling kan worden verlengd.]2
§ 2 - Zij loopt in volgende gevallen ten einde :
1. bij een uit voorzorg opgelegde voorlopige ambtsontheffing met een duur van meer dan zes maand;
2. bij een terbeschikkingstelling door intrekking van het ambt in het belang van de dienst met een duur van meer dan zes maand;
3. bij oplegging van een van de volgende tuchtstraffen :
a) een inhouding op het loon,
b) een voorlopige ambtsontheffing om tuchtredenen,
c) een overplaatsing naar de niet-actieve dienst om tuchtredenen,
d) een ontslag ingevolge zware fout;
4. bij vrijwillig vertrek, indien het om een vastbenoemd personeelslid gaat;
5. bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6. bij een eenzijdige opzeg door de inrichtende macht;
7. bij een evaluatierapport met als eindevaluatie "onvoldoende";
[2 8° indien het voor doorlopende duur aangestelde personeelslid het ambt gedurende vijf opeenvolgende schooljaren wegens een voltijds toegekend verlof niet heeft uitgeoefend. Als de activiteit als directeur van een kunstacademie tussen twee toegekende verloven niet gedurende minstens één volledig schooljaar wordt hervat, dan wordt de duur van dat nieuwe verlof samengeteld met de duur van het vorige verlof;]2
[2 9° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]2
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in de loop van een vakantie of een terbeschikkingstelling ingevolge ziekte of lichamelijk gebrek met een ononderbroken duur van meer dan zes maand.
In de in lid 1, nummer 4 en 5 voorziene gevallen en afwijkend van artikel 78, lid 2 moet de directeur van de kunstacademie een opzegtermijn van 60 dagen in acht nemen.
In het in lid 1, nummer 6 voorziene geval bedraagt de duur van de opzegtermijn zes maand, indien de directeur van de kunstacademie minder dan vijf jaar anciënniteit in het ambt heeft. Voor elke begonnen schijf van vijf jaar wordt de duur bijkomend met drie maand verlengd.
De in de leden 1 tot 4 voorgeschreven opzegtermijn kan in onderling overleg worden ingekort. De opzeg wordt per aangetekende brief gegeven en die brief bevat de duur van de opzegtermijn. De aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de datum van verzending.
[2 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, eindigt de aanstelling van ambtswege zonder opzeggingstermijn.]2
§ 3 - De aanstelling eindigt na vijf jaar van ambtswege indien de directeur van een kunstacademie in die periode geen door de regering erkende opleiding tot schooldirecteur tot een goed einde heeft gebracht. De regering legt de wezenlijke elementen van een opleiding ter goedkeuring aan de regering voor.
§ 4 - Een directeur van een kunstacademie die minstens [3 45]3 jaar is, wordt vast benoemd indien :
1. hij een anciënniteit in het ambt van minstens vijf jaar heeft;
2. zijn laatste evaluatierapport minstens met de eindevaluatie "voldoende" werd afgesloten;]1
[2 3° de betrekking als vacant wordt beschouwd en de inrichtende macht die vrijgeeft voor een definitieve aanstelling.]2
Art. 64.5. [1 - Désignation pour une durée indéterminée, cessation et nomination à titre définitif.
§ 1 [2 - S'il doit être pourvu à l'emploi pour au moins une année scolaire complète et que le candidat remplit toutes les conditions d'admission pour la fonction, la désignation s'opère pour une durée indéterminée. Dans tous les autres cas, la désignation s'opère pour une année scolaire maximum. La désignation peut être prolongée.]2
§ 2 - Elle prend fin dans les cas suivants :
1. dans le cas d'une suspension préventive de plus de six mois;
2. dans le cas d'une mise à disposition par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3. dans le cas du prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une retenue sur traitement,
b) une suspension par mesure disciplinaire,
c) une mise en non-activité par mesure disciplinaire,
d) un licenciement pour faute grave;
4. dans le cas d'un départ volontaire, s'il s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif;
5. dans le cas d'une renonciation volontaire à la désignation;
6. dans le cas d'une résiliation unilatérale par le pouvoir organisateur;
7. dans le cas d'un rapport d'évaluation portant la mention " insuffisant ";
[2 8° le membre du personnel engagé pour une durée indéterminée n'a pas occupé la fonction pendant cinq années scolaires consécutives en raison d'un congé à temps plein. Si, entre deux périodes de congé, le service en tant que directeur d'académie n'est pas repris pendant au moins une année scolaire complète, la durée du nouveau congé est cumulée avec celle du congé précédent;]2
[2 9° au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement.]2
Le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation en cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois.
Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5° et par dérogation à l'article 78, alinéa 2, le directeur d'académie doit respecter un délai de préavis de 60 jours.
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de six mois lorsque l'ancienneté du directeur d'académie est inférieure ou égale à 5 ans; la durée de préavis est prolongée de trois mois par période entamée de cinq ans.
Le délai de préavis prescrit dans les alinéas 1 à 4 peut être réduit de commun accord. Le congé est donné par lettre recommandée indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
[2 ]Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 8° et 9°, la désignation prend fin d'office sans préavis.-2
§ 3 - La désignation prend fin d'office après cinq ans si le directeur d'académie n'a réussi pendant cette période aucune formation spécifique de chef d'établissement reconnue par le Gouvernement. Le Gouvernement soumet à l'approbation du Parlement les éléments essentiels d'une formation.
§ 4 [2 - Un chef d'établissement âgé de [3 45]3 ans au moins est engagé à titre définitif si :
1° il a une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° il a obtenu au moins la mention "suffisant" dans son dernier rapport d'évaluation;
3° l'emploi est considéré comme vacant et le pouvoir organisateur l'ouvre à un engagement à titre définitif.]2
§ 1 [2 - S'il doit être pourvu à l'emploi pour au moins une année scolaire complète et que le candidat remplit toutes les conditions d'admission pour la fonction, la désignation s'opère pour une durée indéterminée. Dans tous les autres cas, la désignation s'opère pour une année scolaire maximum. La désignation peut être prolongée.]2
§ 2 - Elle prend fin dans les cas suivants :
1. dans le cas d'une suspension préventive de plus de six mois;
2. dans le cas d'une mise à disposition par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3. dans le cas du prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une retenue sur traitement,
b) une suspension par mesure disciplinaire,
c) une mise en non-activité par mesure disciplinaire,
d) un licenciement pour faute grave;
4. dans le cas d'un départ volontaire, s'il s'agit d'un membre du personnel nommé à titre définitif;
5. dans le cas d'une renonciation volontaire à la désignation;
6. dans le cas d'une résiliation unilatérale par le pouvoir organisateur;
7. dans le cas d'un rapport d'évaluation portant la mention " insuffisant ";
[2 8° le membre du personnel engagé pour une durée indéterminée n'a pas occupé la fonction pendant cinq années scolaires consécutives en raison d'un congé à temps plein. Si, entre deux périodes de congé, le service en tant que directeur d'académie n'est pas repris pendant au moins une année scolaire complète, la durée du nouveau congé est cumulée avec celle du congé précédent;]2
[2 9° au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement.]2
Le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation en cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois.
Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5° et par dérogation à l'article 78, alinéa 2, le directeur d'académie doit respecter un délai de préavis de 60 jours.
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de six mois lorsque l'ancienneté du directeur d'académie est inférieure ou égale à 5 ans; la durée de préavis est prolongée de trois mois par période entamée de cinq ans.
Le délai de préavis prescrit dans les alinéas 1 à 4 peut être réduit de commun accord. Le congé est donné par lettre recommandée indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
[2 ]Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 8° et 9°, la désignation prend fin d'office sans préavis.-2
§ 3 - La désignation prend fin d'office après cinq ans si le directeur d'académie n'a réussi pendant cette période aucune formation spécifique de chef d'établissement reconnue par le Gouvernement. Le Gouvernement soumet à l'approbation du Parlement les éléments essentiels d'une formation.
§ 4 [2 - Un chef d'établissement âgé de [3 45]3 ans au moins est engagé à titre définitif si :
1° il a une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° il a obtenu au moins la mention "suffisant" dans son dernier rapport d'évaluation;
3° l'emploi est considéré comme vacant et le pouvoir organisateur l'ouvre à un engagement à titre définitif.]2
Art. 64.6. [1 - Ambtenarenreglement
§ 1 - Onverminderd lid 2 is de directeur van de kunstacademie tijdens de uitoefening van zijn ambt aan de artikelen 5 tot 16, 18, 70 tot [4 77]4 en 79 tot 98 van voorliggend ambtenarenreglement onderworpen.
Het is de directeur van de kunstacademie verboden :
1. verlof te nemen of ter beschikking gesteld te zijn met uitzondering van volgende vakanties en terbeschikkingstellingen :
a) jaarlijks verlof,
b) omstandigheidsverlof,
c) buitengewoon verlof ingevolge overmacht,
d) moederschapsverlof,
e) [6 adoptie- of pleegouderverlof;]6
f) verlof wegens ziekte of kwaal,
g) terbeschikkingstelling wegens ziekte of lichamelijk gebrek;
[2 h) [5 voltijds verlof]5 wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
i) voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat;
j) verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
k) verlof om dringende familiale redenen;
l) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;]2
[3 m) voltijdse loopbaanonderbreking;]3
[6 n) voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken [7 ;]7-6
[7 o) verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
p) afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]7
2. [2 een deeltijdse loopbaanonderbreking te nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [6 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]6 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]2
§ 2 - [4 Paragraaf 1 van dit artikel, artikel 64.5, § 2, eerste lid, 4° en 6°, en derde tot vijfde lid, en artikel 78, met uitzondering van het eerste lid, 1°]4 zijn ook op een krachtens artikel 64.5 § 4 vastbenoemd inrichtingshoofd van toepassing.]1
[3 In afwijking van § 1, [7 tweede lid, 1°,]7, mag een vastbenoemde directeur van een kunstacademie verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[7 In afwijking van § 1, tweede lid, 1°, mag een vast benoemde directeur van een kunstacademie die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een beroep doen op een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een directeur van een kunstacademie die gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.
In afwijking van § 1, tweede lid, 2°, mag een directeur van een kunstacademie die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een directeur van een kunstacademie die een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]7
§ 1 - Onverminderd lid 2 is de directeur van de kunstacademie tijdens de uitoefening van zijn ambt aan de artikelen 5 tot 16, 18, 70 tot [4 77]4 en 79 tot 98 van voorliggend ambtenarenreglement onderworpen.
Het is de directeur van de kunstacademie verboden :
1. verlof te nemen of ter beschikking gesteld te zijn met uitzondering van volgende vakanties en terbeschikkingstellingen :
a) jaarlijks verlof,
b) omstandigheidsverlof,
c) buitengewoon verlof ingevolge overmacht,
d) moederschapsverlof,
e) [6 adoptie- of pleegouderverlof;]6
f) verlof wegens ziekte of kwaal,
g) terbeschikkingstelling wegens ziekte of lichamelijk gebrek;
[2 h) [5 voltijds verlof]5 wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
i) voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat;
j) verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
k) verlof om dringende familiale redenen;
l) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;]2
[3 m) voltijdse loopbaanonderbreking;]3
[6 n) voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken [7 ;]7-6
[7 o) verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
p) afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]7
2. [2 een deeltijdse loopbaanonderbreking te nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [6 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]6 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]2
§ 2 - [4 Paragraaf 1 van dit artikel, artikel 64.5, § 2, eerste lid, 4° en 6°, en derde tot vijfde lid, en artikel 78, met uitzondering van het eerste lid, 1°]4 zijn ook op een krachtens artikel 64.5 § 4 vastbenoemd inrichtingshoofd van toepassing.]1
[3 In afwijking van § 1, [7 tweede lid, 1°,]7, mag een vastbenoemde directeur van een kunstacademie verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[7 In afwijking van § 1, tweede lid, 1°, mag een vast benoemde directeur van een kunstacademie die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een beroep doen op een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een directeur van een kunstacademie die gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.
In afwijking van § 1, tweede lid, 2°, mag een directeur van een kunstacademie die uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Dat verlof is onomkeerbaar. Een directeur van een kunstacademie die een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]7
Modifications
Art. 64.6. [1 - Statuts.
§ 1. Sans préjudice de l'alinéa 2 le directeur d'académie est soumis pendant l'exercice de sa fonction aux articles 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 et 79 à 98.
Il est interdit au directeur d'académie :
1. de bénéficier d'un congé ou d'une mise en disponibilité, autres que les congés et mises en disponibilités suivants :
a) le congé annuel,
b) le congé de circonstance,
c) le congé exceptionnel pour cas de force majeur,
d) le congé de maternité,
e) [6 le congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil, ]6
f) le congé pour cause de maladie ou d'infirmité,
g) la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
[2 h) le congé [5 à temps plein]5 pour mission dans l'intérêt de l'enseignement;
i) la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
j) le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
k) le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
l) la mise en disponibilité pour convenances personnelles;]2
[3 m) l'interruption de carrière complète;]3
[6 n) le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel [7 ]7;]6
[7 o) le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
p) l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité. ]7
2. [2 de bénéficier d'une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [6 ou pour les aidants proches,]6 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.]2
§ 2. Les dispositions du [4 § 1er du présent article, l'article 64.5, § 2, alinéa 1er, 4° et 6°, et alinéas 3 à 5, ainsi que l'article 78, à l'exception de l'alinéa 1er, 1°]4 valent également pour un directeur d'académie nommé à titre définitif en application de l'article 64.5 § 4.]1
[3 Par dérogation au § 1er, [7 alinéa 2, 1°]7, le directeur d'académie nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]3
[7 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 1°, le directeur d'une académie des arts nommé à titre définitif qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir à une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il puisse prétendre, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Ce congé est irréversible. Un directeur d'une académie des arts qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le directeur d'une académie des arts qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Ce congé est irréversible. Un directeur d'une académie des arts qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public]7
§ 1. Sans préjudice de l'alinéa 2 le directeur d'académie est soumis pendant l'exercice de sa fonction aux articles 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 et 79 à 98.
Il est interdit au directeur d'académie :
1. de bénéficier d'un congé ou d'une mise en disponibilité, autres que les congés et mises en disponibilités suivants :
a) le congé annuel,
b) le congé de circonstance,
c) le congé exceptionnel pour cas de force majeur,
d) le congé de maternité,
e) [6 le congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil, ]6
f) le congé pour cause de maladie ou d'infirmité,
g) la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
[2 h) le congé [5 à temps plein]5 pour mission dans l'intérêt de l'enseignement;
i) la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
j) le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
k) le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
l) la mise en disponibilité pour convenances personnelles;]2
[3 m) l'interruption de carrière complète;]3
[6 n) le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel [7 ]7;]6
[7 o) le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
p) l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité. ]7
2. [2 de bénéficier d'une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [6 ou pour les aidants proches,]6 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.]2
§ 2. Les dispositions du [4 § 1er du présent article, l'article 64.5, § 2, alinéa 1er, 4° et 6°, et alinéas 3 à 5, ainsi que l'article 78, à l'exception de l'alinéa 1er, 1°]4 valent également pour un directeur d'académie nommé à titre définitif en application de l'article 64.5 § 4.]1
[3 Par dérogation au § 1er, [7 alinéa 2, 1°]7, le directeur d'académie nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]3
[7 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 1°, le directeur d'une académie des arts nommé à titre définitif qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir à une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il puisse prétendre, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Ce congé est irréversible. Un directeur d'une académie des arts qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le directeur d'une académie des arts qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Ce congé est irréversible. Un directeur d'une académie des arts qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public]7
Modifications
Art. 64.7. [1 - Tijdelijke vervanging
§ 1 - [2 Indien de aanstelling van de directeur van de kunstacademie beëindigd wordt of indien de directeur van de kunstacademie zijn ambt neerlegt of wegens een van de in artikel 64.6 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen tijdelijk [3 voltijds afwezig]3 is, kan de inrichtende macht hem tot het einde van het daaropvolgende schooljaar vervangen door een persoon die voldoet aan de in artikel 64.2, eerste lid, vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld in 3°.]2
[3 [4 Indien de directeur van een kunstacademie wegens een vorm van verlof tijdelijk deeltijds afwezig is, kan de inrichtende macht hem in het ambt van adjunct-directeur van een kunstacademie vervangen door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 56.2, eerste lid, met uitzondering van de bepaling onder 3°.]4.]3
§ 2 - Tijdens de tijdelijke vervanging zijn de [3 artikel 64.5, §§ 1 en 2, artikel 64.6, § 1]3 64.8, 64.10 en 64.11 van toepassing op het vervangende personeelslid.]1
§ 1 - [2 Indien de aanstelling van de directeur van de kunstacademie beëindigd wordt of indien de directeur van de kunstacademie zijn ambt neerlegt of wegens een van de in artikel 64.6 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen tijdelijk [3 voltijds afwezig]3 is, kan de inrichtende macht hem tot het einde van het daaropvolgende schooljaar vervangen door een persoon die voldoet aan de in artikel 64.2, eerste lid, vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld in 3°.]2
[3 [4 Indien de directeur van een kunstacademie wegens een vorm van verlof tijdelijk deeltijds afwezig is, kan de inrichtende macht hem in het ambt van adjunct-directeur van een kunstacademie vervangen door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 56.2, eerste lid, met uitzondering van de bepaling onder 3°.]4.]3
§ 2 - Tijdens de tijdelijke vervanging zijn de [3 artikel 64.5, §§ 1 en 2, artikel 64.6, § 1]3 64.8, 64.10 en 64.11 van toepassing op het vervangende personeelslid.]1
Modifications
Art. 64.7. [1 - Remplacement temporaire.
§ 1 - [2 Lorsque la désignation du directeur d'académie prend fin, que celui-ci démissionne de sa fonction ou est temporairement absent [3 à temps plein]3 en raison d'un des types de congé ou de mise en disponibilité mentionnés à l'article 64.6, le pouvoir organisateur peut le remplacer jusqu'à la fin de l'année scolaire suivante par une autre personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 64.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°.]2
[3 [4 Si, en raison d'un des types de congé, le directeur d'une académie des arts est temporairement absent, dans le cadre d'un temps partiel, le pouvoir organisateur peut le remplacer dans la fonction de directeur adjoint d'une académie des arts par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 56.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°]4]3
§ 2 - Pendant le remplacement temporaire, les articles [3 64.5, §§ 1er et 2, 64.6, § 1er,]3 64.8, 64.10 et 64.11 s'appliquent au remplaçant.]1
§ 1 - [2 Lorsque la désignation du directeur d'académie prend fin, que celui-ci démissionne de sa fonction ou est temporairement absent [3 à temps plein]3 en raison d'un des types de congé ou de mise en disponibilité mentionnés à l'article 64.6, le pouvoir organisateur peut le remplacer jusqu'à la fin de l'année scolaire suivante par une autre personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 64.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°.]2
[3 [4 Si, en raison d'un des types de congé, le directeur d'une académie des arts est temporairement absent, dans le cadre d'un temps partiel, le pouvoir organisateur peut le remplacer dans la fonction de directeur adjoint d'une académie des arts par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 56.2, alinéa 1er, à l'exception du 3°]4]3
§ 2 - Pendant le remplacement temporaire, les articles [3 64.5, §§ 1er et 2, 64.6, § 1er,]3 64.8, 64.10 et 64.11 s'appliquent au remplaçant.]1
Art. 64.8. [1 - Loon en premie
§ 1 - [4 Tijdens de uitoefening van het ambt van directeur van een kunstacademie krijgt het personeelslid de volgende wedde:
a) bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als directeur van een kunstacademie: een wedde op basis van de weddeschaal 489 vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
b) vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als directeur van een kunstacademie: een wedde op basis van de weddeschaal 490 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste lid wordt vermeld, evenredig verminderd.]4
§ 2 - Indien [3 een in een ander ambt voor onbepaalde duur [4 overeenkomstig artikel 22bis]4 aangesteld of vast benoemd personeelslid als directeur van een kunstacademie]3 wordt aangesteld, ontvangt hij afwijkend van § 1 nog steeds zijn loon en ontvangt hij ter compensatie een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend :
P = X - M,
P = premie,
X= in § 1 vermeld loon,
M = maandelijks brutoloon van het personeelslid.
De premier wordt gelijktijdig met het maandloon en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3 - Indien een niet-personeelslid als directeur van een kunstacademie wordt aangesteld, ontvangt hij vakantiegeld en een eindejaarspremie in overeenstemming met de in het onderwijs geldende bepalingen, waarbij het in § 1 vermelde bedrag als grondslag voor de berekening geldt.
§ 4 - Het bedrag vermeld in de § § 1 en 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982.
[2 In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover de academiedirecteur niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]2
[5 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een directeur van een kunstacademie aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]5
§ 1 - [4 Tijdens de uitoefening van het ambt van directeur van een kunstacademie krijgt het personeelslid de volgende wedde:
a) bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als directeur van een kunstacademie: een wedde op basis van de weddeschaal 489 vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
b) vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als directeur van een kunstacademie: een wedde op basis van de weddeschaal 490 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste lid wordt vermeld, evenredig verminderd.]4
§ 2 - Indien [3 een in een ander ambt voor onbepaalde duur [4 overeenkomstig artikel 22bis]4 aangesteld of vast benoemd personeelslid als directeur van een kunstacademie]3 wordt aangesteld, ontvangt hij afwijkend van § 1 nog steeds zijn loon en ontvangt hij ter compensatie een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend :
P = X - M,
P = premie,
X= in § 1 vermeld loon,
M = maandelijks brutoloon van het personeelslid.
De premier wordt gelijktijdig met het maandloon en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3 - Indien een niet-personeelslid als directeur van een kunstacademie wordt aangesteld, ontvangt hij vakantiegeld en een eindejaarspremie in overeenstemming met de in het onderwijs geldende bepalingen, waarbij het in § 1 vermelde bedrag als grondslag voor de berekening geldt.
§ 4 - Het bedrag vermeld in de § § 1 en 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982.
[2 In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover de academiedirecteur niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]2
[5 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een directeur van een kunstacademie aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]5
Modifications
Art. 64.8. [1 - Traitement et prime.
§ 1 [4 - Durant l'exercice de la fonction de directeur d'académie, le membre du personnel perçoit le traitement suivant :
a) si l'ancienneté de fonction en tant que directeur d'académie est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 489 figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, traitement majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
b) à partir d'une ancienneté de fonction en tant que directeur d'académie d'au moins neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 490 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné à l'alinéa 1er est réduit proportionnellement à l'occupation.]4
§ 2 - [3 Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22bis]4 ou nommé à titre définitif dans une autre fonction]3 est désigné comme directeur d'académie, il continue à percevoir son traitement, par dérogation au paragraphe 1, et il bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M,
P = la prime,
X = le traitement indiqué au paragraphe 1,
M = le traitement brut du membre du personnel.
La prime est liquidée en même temps et aux mêmes conditions que le traitement mensuel.
§ 3 - Si une personne qui n'est pas un membre du personnel est désignée comme directeur d'académie, elle perçoit un pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement et le montant visé au paragraphe 1 servira de base de calcul.
§ 4 - Le montant déterminé en application des paragraphes 1 et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifiée par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982.
[2 Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le directeur d'académie ne soit pas à la charge de la mutualité.]2
[5 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le directeur d'académie qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]5
§ 1 [4 - Durant l'exercice de la fonction de directeur d'académie, le membre du personnel perçoit le traitement suivant :
a) si l'ancienneté de fonction en tant que directeur d'académie est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 489 figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, traitement majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
b) à partir d'une ancienneté de fonction en tant que directeur d'académie d'au moins neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 490 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné à l'alinéa 1er est réduit proportionnellement à l'occupation.]4
§ 2 - [3 Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [4 conformément à l'article 22bis]4 ou nommé à titre définitif dans une autre fonction]3 est désigné comme directeur d'académie, il continue à percevoir son traitement, par dérogation au paragraphe 1, et il bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M,
P = la prime,
X = le traitement indiqué au paragraphe 1,
M = le traitement brut du membre du personnel.
La prime est liquidée en même temps et aux mêmes conditions que le traitement mensuel.
§ 3 - Si une personne qui n'est pas un membre du personnel est désignée comme directeur d'académie, elle perçoit un pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement et le montant visé au paragraphe 1 servira de base de calcul.
§ 4 - Le montant déterminé en application des paragraphes 1 et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifiée par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982.
[2 Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le directeur d'académie ne soit pas à la charge de la mutualité.]2
[5 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le directeur d'académie qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]5
Modifications
Art. 64.9. [1 Evaluatieverslag en beroepsmogelijkheid.
§ 1. Voor een academiedirecteur stelt de inrichtende macht ten minste één evaluatieverslag op voor elke termijn van vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
De academiedirecteur kan zo'n evaluatie schriftelijk bij de inrichtende macht aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van de directeur van een kunstacademie. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.]2
§ 2. Voordat de inrichtende macht het evaluatiegesprek voert, neemt ze met het oog op de evaluatie inzage van het advies van de pedagogische raad dat onder andere een voorstel tot evaluatie omvat. De academiedirecteur neemt niet deel aan de vergaderingen van de pedagogische raad waarop het advies wordt opgesteld. De pedagogische raad wijst een personeelslid aan dat het voorzitterschap van deze zittingen waarneemt.
[3 De directeur van de kunstacademie stelt vooraf een verslag op waarin hij de balans opmaakt van zijn activiteiten van de jongste jaren en waarin hij voorstellen voor de verdere schoolontwikkeling doet. Dat verslag dient als basis voor het evaluatiegesprek.]3
Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
§ 3. De inrichtende macht overhandigt de academiedirecteur het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. De academiedirecteur heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. De academiedirecteur dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het aan de inrichtende macht terug.
Als de academiedirecteur het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan de inrichtende macht overhandigt, dan geldt het door deze opgesteld evaluatieverslag.
Stelt de inrichtende macht geen evaluatieverslag op overeenkomstig de leden 1 en 2, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt de academiedirecteur de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt de academiedirecteur de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. De academiedirecteur ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. De academiedirecteur kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door de inrichtende macht beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan de academiedirecteur geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 3, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Indien ze het advies niet volgt, vermeldt ze er de redenen voor.
Het beroep is opschortend.]1
§ 1. Voor een academiedirecteur stelt de inrichtende macht ten minste één evaluatieverslag op voor elke termijn van vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
De academiedirecteur kan zo'n evaluatie schriftelijk bij de inrichtende macht aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van de directeur van een kunstacademie. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.]2
§ 2. Voordat de inrichtende macht het evaluatiegesprek voert, neemt ze met het oog op de evaluatie inzage van het advies van de pedagogische raad dat onder andere een voorstel tot evaluatie omvat. De academiedirecteur neemt niet deel aan de vergaderingen van de pedagogische raad waarop het advies wordt opgesteld. De pedagogische raad wijst een personeelslid aan dat het voorzitterschap van deze zittingen waarneemt.
[3 De directeur van de kunstacademie stelt vooraf een verslag op waarin hij de balans opmaakt van zijn activiteiten van de jongste jaren en waarin hij voorstellen voor de verdere schoolontwikkeling doet. Dat verslag dient als basis voor het evaluatiegesprek.]3
Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
§ 3. De inrichtende macht overhandigt de academiedirecteur het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. De academiedirecteur heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. De academiedirecteur dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het aan de inrichtende macht terug.
Als de academiedirecteur het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan de inrichtende macht overhandigt, dan geldt het door deze opgesteld evaluatieverslag.
Stelt de inrichtende macht geen evaluatieverslag op overeenkomstig de leden 1 en 2, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt de academiedirecteur de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt de academiedirecteur de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. De academiedirecteur ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. De academiedirecteur kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door de inrichtende macht beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan de academiedirecteur geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 3, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Indien ze het advies niet volgt, vermeldt ze er de redenen voor.
Het beroep is opschortend.]1
Art. 64.9. [1 Rapport d'évaluation et possibilité de recours.
§ 1er. Le pouvoir organisateur établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour le directeur d'académie. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le directeur d'académie peut demander une telle évaluation par écrit auprès du pouvoir organisateur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation du directeur d'académie. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.]2
§ 2. Avant que le pouvoir organisateur ne tienne l'entretien d'évaluation, il prend connaissance de l'avis rendu par le conseil pédagogique en vue de l'évaluation, avis qui comprend entre autres une recommandation d'évaluation. Le directeur d'académie ne participe pas aux réunions du conseil pédagogique où l'avis est formulé. Le conseil pédagogique désigne un membre du personnel qui assure la présidence de ces réunions.
[3 Le directeur d'académie établit au préalable un rapport dans lequel il dresse un bilan de son activité au cours des dernières années et formule des propositions pour le futur développement de l'école. Ce rapport servira de base à l'entretien d'évaluation.]3
Le rapport d'évaluation porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
§ 3. Le pouvoir organisateur remet le rapport au directeur d'académie au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le directeur d'académie dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le directeur d'académie date et signe le rapport et le remet au pouvoir organisateur.
Si le directeur d'académie ne remet pas le rapport et ses remarques au pouvoir organisateur dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du pouvoir organisateur qui prévaut.
Si le pouvoir organisateur ne remet pas de rapport conformément au premier ou au deuxième alinéa, le rapport est nul et le directeur d'académie obtient la mention du rapport précédent. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le directeur d'académie signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4 - Le directeur d'académie peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le pouvoir organisateur.
Par dérogation au premier alinéa, le directeur d'académie ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 3.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Le pouvoir organisateur remet sa décision définitive dans les dix jours après la réception de l'avis. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.]1
§ 1er. Le pouvoir organisateur établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour le directeur d'académie. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le directeur d'académie peut demander une telle évaluation par écrit auprès du pouvoir organisateur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation du directeur d'académie. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.]2
§ 2. Avant que le pouvoir organisateur ne tienne l'entretien d'évaluation, il prend connaissance de l'avis rendu par le conseil pédagogique en vue de l'évaluation, avis qui comprend entre autres une recommandation d'évaluation. Le directeur d'académie ne participe pas aux réunions du conseil pédagogique où l'avis est formulé. Le conseil pédagogique désigne un membre du personnel qui assure la présidence de ces réunions.
[3 Le directeur d'académie établit au préalable un rapport dans lequel il dresse un bilan de son activité au cours des dernières années et formule des propositions pour le futur développement de l'école. Ce rapport servira de base à l'entretien d'évaluation.]3
Le rapport d'évaluation porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
§ 3. Le pouvoir organisateur remet le rapport au directeur d'académie au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le directeur d'académie dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le directeur d'académie date et signe le rapport et le remet au pouvoir organisateur.
Si le directeur d'académie ne remet pas le rapport et ses remarques au pouvoir organisateur dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du pouvoir organisateur qui prévaut.
Si le pouvoir organisateur ne remet pas de rapport conformément au premier ou au deuxième alinéa, le rapport est nul et le directeur d'académie obtient la mention du rapport précédent. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le directeur d'académie signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4 - Le directeur d'académie peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le pouvoir organisateur.
Par dérogation au premier alinéa, le directeur d'académie ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 3.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Le pouvoir organisateur remet sa décision définitive dans les dix jours après la réception de l'avis. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.]1
Art. 64.10. [1 - Terugkeer
Voor zover het personeelslid in het gemeenschapsonderwijs vastbenoemd is, bekleedt het op het einde van de aanwijzing opnieuw zijn voormalig ambt, behalve in de gevallen vermeld in artikel 64.5 § 2, lid 1, nummer 3 d) en nummer 4.]1
Voor zover het personeelslid in het gemeenschapsonderwijs vastbenoemd is, bekleedt het op het einde van de aanwijzing opnieuw zijn voormalig ambt, behalve in de gevallen vermeld in artikel 64.5 § 2, lid 1, nummer 3 d) en nummer 4.]1
Art. 64.10. [1 - Retour.
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel nommé à titre définitif dans l'enseignement officiel subventionné, le membre du personnel réintègre son ancienne fonction après la fin de la désignation, sauf dans les cas énoncés à l'article 64.5 paragraphe 2 alinéa 1, 3° lettre d) et 4°.]1
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel nommé à titre définitif dans l'enseignement officiel subventionné, le membre du personnel réintègre son ancienne fonction après la fin de la désignation, sauf dans les cas énoncés à l'article 64.5 paragraphe 2 alinéa 1, 3° lettre d) et 4°.]1
Art. 64.11. [1 - In aanmerking komende diensten
Voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerde vrij onderwijs gaat, worden de diensten gepresteerd tijdens de uitoefening van het ambt als inrichtingshoofd in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit vast te leggen.]1
Voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerde vrij onderwijs gaat, worden de diensten gepresteerd tijdens de uitoefening van het ambt als inrichtingshoofd in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit vast te leggen.]1
Art. 64.11. [1 - Prise en compte des services prestés.
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel de l'enseignement officiel subventionné, les services prestés pendant l'exercice de la fonction de directeur d'académie sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service, l'ancienneté de fonction et l'ancienneté pécuniaire.]1
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel de l'enseignement officiel subventionné, les services prestés pendant l'exercice de la fonction de directeur d'académie sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service, l'ancienneté de fonction et l'ancienneté pécuniaire.]1
HOOFDSTUK Vter. [1 Bijzondere bepalingen voor inrichtingshoofden of directeuren van een gewone secundaire school of een gespecialiseerde secundaire school [2 of beheerders]2]1
CHAPITRE Vter. - [1 Dispositions particulières pour les chefs d'établissement [2 ou les administrateurs]2]1
Art. 64.12. [1 Beginsel.
In afwijking van hoofdstuk V worden het ambt als inrichtingshoofd of directeur van een gewone of gespecialiseerde secundaire school alsmede het ambt als hoofdleraar, directeur van een autonome basisschool of directeur van een basisoefenschool [2 of het ambt als beheerder]2, hierna "inrichtingshoofd" genoemd, uitsluitend in de vorm van een aanwijzing of van een vaste benoeming krachtens volgende bepalingen toegewezen.]1
In afwijking van hoofdstuk V worden het ambt als inrichtingshoofd of directeur van een gewone of gespecialiseerde secundaire school alsmede het ambt als hoofdleraar, directeur van een autonome basisschool of directeur van een basisoefenschool [2 of het ambt als beheerder]2, hierna "inrichtingshoofd" genoemd, uitsluitend in de vorm van een aanwijzing of van een vaste benoeming krachtens volgende bepalingen toegewezen.]1
Art. 64.12. [1 Principe.
Par dérogation au chapitre V, la fonction de chef d'établissement ou de directeur d'une école secondaire ordinaire ou spécialisée, ainsi que la fonction d'instituteur en chef, de directeur d'une école fondamentale autonome ou de directeur d'une école fondamentale d'application [2 ou dans la fonction d'administrateur]2, dénommés ci-après "chef d'établissement", est attribuée exclusivement sous la forme d'une désignation et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions suivantes.]1
Par dérogation au chapitre V, la fonction de chef d'établissement ou de directeur d'une école secondaire ordinaire ou spécialisée, ainsi que la fonction d'instituteur en chef, de directeur d'une école fondamentale autonome ou de directeur d'une école fondamentale d'application [2 ou dans la fonction d'administrateur]2, dénommés ci-après "chef d'établissement", est attribuée exclusivement sous la forme d'une désignation et d'une nomination à titre définitif conformément aux dispositions suivantes.]1
Art. 64.13. [1 Toelatingsvoorwaarden.
Een persoon mag dit ambt bekleden indien ze :
1° één van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2° [5 ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezit;]5
3° de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn hebben ingediend, zoals bepaald in de oproep tot de kandidaten;
4° de politieke en burgerlijke rechten genieten;
5° aan de dienstplichtwetten voldoen [2 ...]2
[2 6° voldoen aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]2
Lid 1, 1°, b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]1
Een persoon mag dit ambt bekleden indien ze :
1° één van de volgende voorwaarden vervult :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2° [5 ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezit;]5
3° de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn hebben ingediend, zoals bepaald in de oproep tot de kandidaten;
4° de politieke en burgerlijke rechten genieten;
5° aan de dienstplichtwetten voldoen [2 ...]2
[2 6° voldoen aan artikel 10 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]2
Lid 1, 1°, b) tot d), dient tot de omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.]1
Modifications
Art. 64.13. [1 Conditions d'admission.
Pour occuper cette fonction, le candidat doit :
1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément aux dispositions de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2° [5 disposer au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré;]5
3° avoir introduit sa candidature dans la forme et le délai fixés dans l'appel aux candidats;
4° jouir des droits civils et politiques;
5° satisfaire aux lois sur la milice [2 ;]2
[2 6° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
L'alinéa 1er, 1°, b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts.]1
Pour occuper cette fonction, le candidat doit :
1° remplir l'une des conditions suivantes :
a) être citoyen de l'Union européenne ou membre de la famille d'un citoyen de l'Union au sens de l'article 4, § 2, de la loi du 22 juin 1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat; le Gouvernement peut accorder une dérogation à cette condition;
b) posséder le statut de résident de longue durée, ressortissant d'un pays tiers, conformément aux dispositions de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
c) posséder le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire conformément aux dispositions de la même loi du 15 décembre 1980;
d) posséder le titre de séjour en application des articles 61/2 à 61/5 de la même loi du 15 décembre 1980;
2° [5 disposer au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré;]5
3° avoir introduit sa candidature dans la forme et le délai fixés dans l'appel aux candidats;
4° jouir des droits civils et politiques;
5° satisfaire aux lois sur la milice [2 ;]2
[2 6° satisfaire à l'article 10 du décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
L'alinéa 1er, 1°, b) à d), sert à transposer la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la Directive 2004/81/CE du Conseil du 29 avril 2004 relative au titre de séjour délivré aux ressortissants de pays tiers qui sont victimes de la traite des êtres humains ou ont fait l'objet d'une aide à l'immigration clandestine et qui coopèrent avec les autorités compétentes et la Directive 2004/83/CE du Conseil du 29 avril 2004 concernant les normes minimales relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir prétendre au statut de réfugié ou les personnes qui, pour d'autres raisons, ont besoin d'une protection internationale, et relatives au contenu de ces statuts.]1
Modifications
Art. 64.14. [1 Oproep tot de kandidaten.
De oproep tot de kandidaten wordt in de pers bekendgemaakt, in de scholen door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht.
De oproep bevat het vereiste profiel van het inrichtingshoofd en de doeleinden die tijdens de aanstelling moeten worden verwezenlijkt.
De kandidatuur wordt per aangetekende brief ingediend. De kandidaat voegt zijn kandidatuur o.a. een strategie- en actieplan bij om de in het voorafgaande lid vermelde doeleinden te verwezenlijken.]1
De oproep tot de kandidaten wordt in de pers bekendgemaakt, in de scholen door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht.
De oproep bevat het vereiste profiel van het inrichtingshoofd en de doeleinden die tijdens de aanstelling moeten worden verwezenlijkt.
De kandidatuur wordt per aangetekende brief ingediend. De kandidaat voegt zijn kandidatuur o.a. een strategie- en actieplan bij om de in het voorafgaande lid vermelde doeleinden te verwezenlijken.]1
Art. 64.14. [1 Appel aux candidats et candidatures.
L'appel est publié dans la presse, par affichage dans les écoles et sous toute autre forme jugée adéquate par le pouvoir organisateur.
L'appel mentionne le profil requis du chef d'établissement ainsi que les objectifs à atteindre au cours de la désignation.
La candidature est introduite par recommandé. Le candidat annexe entre autres un plan de stratégie et d'action en vue de réaliser les objectifs visés à l'alinéa précédent.]1
L'appel est publié dans la presse, par affichage dans les écoles et sous toute autre forme jugée adéquate par le pouvoir organisateur.
L'appel mentionne le profil requis du chef d'établissement ainsi que les objectifs à atteindre au cours de la désignation.
La candidature est introduite par recommandé. Le candidat annexe entre autres un plan de stratégie et d'action en vue de réaliser les objectifs visés à l'alinéa précédent.]1
Art. 64.15. [1 Aanstelling van het inrichtingshoofd.
De inrichtende macht beslist welke sollicitant het ambt moet bekleden.
Zij baseert zich o.a. op het strategie- en actieplan van de kandidaat en op een sollicitatiegesprek.]1
De inrichtende macht beslist welke sollicitant het ambt moet bekleden.
Zij baseert zich o.a. op het strategie- en actieplan van de kandidaat en op een sollicitatiegesprek.]1
Art. 64.15. [1 Désignation du chef d'établissement.
Le pouvoir organisateur décide quel candidat assumera la fonction.
Il se base entre autres sur le plan de stratégie et d'action introduit par le candidat ainsi que sur un entretien de candidature.]1
Le pouvoir organisateur décide quel candidat assumera la fonction.
Il se base entre autres sur le plan de stratégie et d'action introduit par le candidat ainsi que sur un entretien de candidature.]1
Art. 64.16. [1 Aanstelling van doorlopende duur, beëindiging en definitieve benoeming
§ 1. [2 - Voor zover voor minstens één volledig schooljaar in de betrekking moet worden voorzien en de kandidaat aan alle voorwaarden voldoet om tot het ambt te worden toegelaten, geschiedt de aanstelling voor doorlopende duur. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling voor hoogstens één schooljaar. De aanstelling kan worden verlengd.]2
§ 2. Zij eindigt :
1° in het geval van een preventieve schorsing voor meer dan zes maanden;
2° in het geval van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden;
3° bij oplegging van een van de volgende tuchtstraffen :
a) de inhouding van wedde;
b) de schorsing bij tuchtmaatregel;
c) de op nonactiviteitstelling bij tuchtmaatregel;
d) de afdanking wegens zware schuld;
4° bij vrijwillig ontslag, indien het gaat om een definitief aangesteld personeelslid;
5° bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6° bij eenzijdige opzegging door de inrichtende macht;
7° indien op het evaluatieverslag de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat;
[2 8° indien het voor doorlopende duur aangestelde personeelslid het ambt gedurende vijf opeenvolgende schooljaren wegens een voltijds toegekend verlof niet heeft uitgeoefend. Als de activiteit als schoolhoofd tussen twee toegekende verloven niet gedurende minstens één volledig schooljaar wordt hervat, dan wordt de duur van dat nieuwe verlof samengeteld met de duur van het vorige verlof;]2
[2 9° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]2
[2 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, eindigt de aanstelling van ambtswege zonder opzeggingstermijn.]2
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in geval van een verlof of terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid voor een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.
In de gevallen bepaald in lid 1, 4° en 5°, en in afwijking van artikel 77, lid 1, 1°, dient het inrichtingshoofd een opzeggingstermijn van 60 dagen in acht te nemen.
In het geval vermeld onder lid 1, 6°, beloopt de opzeggingstermijn zes maanden, als het inrichtingshoofd een ambtsanciënniteit van ten hoogste vijf jaar telt; voor elke aangevangen termijn van vijf jaar wordt de duur van de opzeggingstermijn met drie maanden verhoogd.
De opzeggingstermijn bepaald in de leden 3 en 4 kan in onderlinge overeenstemming worden verkort. De opzegging geschiedt per aangetekende brief met vermelding van de duur van de opzeggingstermijn. De aangetekende brief heeft uitwerking vanaf de derde werkdag na de uitzendingsdatum.
§ 3. De aanstelling eindigt van ambtswege na 5 jaar, als het inrichtingshoofd tijdens deze termijn geen door de Regering erkende specifieke opleiding tot inrichtingshoofd met vrucht heeft beëindigd.
§ 4. Een inrichtingshoofd dat ten minste [3 45]3 jaar oud is, wordt vastbenoemd, indien :
1° het een ambtsanciënniteit van ten minste 5 jaar telt;
2° op zijn laatst evaluatieverslag de vermelding "voldoende" als eindconclusie staat;]1
[2 3° de betrekking als vacant wordt beschouwd en de inrichtende macht die vrijgeeft voor een definitieve aanstelling.]2
§ 1. [2 - Voor zover voor minstens één volledig schooljaar in de betrekking moet worden voorzien en de kandidaat aan alle voorwaarden voldoet om tot het ambt te worden toegelaten, geschiedt de aanstelling voor doorlopende duur. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling voor hoogstens één schooljaar. De aanstelling kan worden verlengd.]2
§ 2. Zij eindigt :
1° in het geval van een preventieve schorsing voor meer dan zes maanden;
2° in het geval van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden;
3° bij oplegging van een van de volgende tuchtstraffen :
a) de inhouding van wedde;
b) de schorsing bij tuchtmaatregel;
c) de op nonactiviteitstelling bij tuchtmaatregel;
d) de afdanking wegens zware schuld;
4° bij vrijwillig ontslag, indien het gaat om een definitief aangesteld personeelslid;
5° bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6° bij eenzijdige opzegging door de inrichtende macht;
7° indien op het evaluatieverslag de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat;
[2 8° indien het voor doorlopende duur aangestelde personeelslid het ambt gedurende vijf opeenvolgende schooljaren wegens een voltijds toegekend verlof niet heeft uitgeoefend. Als de activiteit als schoolhoofd tussen twee toegekende verloven niet gedurende minstens één volledig schooljaar wordt hervat, dan wordt de duur van dat nieuwe verlof samengeteld met de duur van het vorige verlof;]2
[2 9° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat tijdelijk vervangen werd;]2
[2 In de gevallen vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, eindigt de aanstelling van ambtswege zonder opzeggingstermijn.]2
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in geval van een verlof of terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid voor een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.
In de gevallen bepaald in lid 1, 4° en 5°, en in afwijking van artikel 77, lid 1, 1°, dient het inrichtingshoofd een opzeggingstermijn van 60 dagen in acht te nemen.
In het geval vermeld onder lid 1, 6°, beloopt de opzeggingstermijn zes maanden, als het inrichtingshoofd een ambtsanciënniteit van ten hoogste vijf jaar telt; voor elke aangevangen termijn van vijf jaar wordt de duur van de opzeggingstermijn met drie maanden verhoogd.
De opzeggingstermijn bepaald in de leden 3 en 4 kan in onderlinge overeenstemming worden verkort. De opzegging geschiedt per aangetekende brief met vermelding van de duur van de opzeggingstermijn. De aangetekende brief heeft uitwerking vanaf de derde werkdag na de uitzendingsdatum.
§ 3. De aanstelling eindigt van ambtswege na 5 jaar, als het inrichtingshoofd tijdens deze termijn geen door de Regering erkende specifieke opleiding tot inrichtingshoofd met vrucht heeft beëindigd.
§ 4. Een inrichtingshoofd dat ten minste [3 45]3 jaar oud is, wordt vastbenoemd, indien :
1° het een ambtsanciënniteit van ten minste 5 jaar telt;
2° op zijn laatst evaluatieverslag de vermelding "voldoende" als eindconclusie staat;]1
[2 3° de betrekking als vacant wordt beschouwd en de inrichtende macht die vrijgeeft voor een definitieve aanstelling.]2
Art. 64.16. [1 Désignation pour une durée indéterminée, cessation et nomination à titre définitif.
§ 1er. [2 - S'il doit être pourvu à l'emploi pour au moins une année scolaire complète et que le candidat remplit toutes les conditions d'admission pour la fonction, la désignation s'opère pour une durée indéterminée. Dans tous les autres cas, la désignation s'opère pour une année scolaire maximum. La désignation peut être prolongée.]2
§ 2. Elle prend fin dans les cas suivants :
1° suspension préventive de plus de six mois;
2° mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3° prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une retenue sur traitement;
b) une suspension disciplinaire,
c) une mise en non-activité par mesure disciplinaire;
d) un licenciement pour faute grave;
4° démission volontaire, s'il s'agit d'un membre du personnel engagé à titre définitif;
5° renonciation volontaire à la désignation;
6° résiliation unilatérale par le pouvoir organisateur;
7° rapport d'évaluation portant la mention "insuffisant";
[2 8° le membre du personnel engagé pour une durée indéterminée n'a pas occupé la fonction pendant cinq années scolaires consécutives en raison d'un congé à temps plein. Si, entre deux périodes de congé, le service en tant que chef d'établissement n'est pas repris pendant au moins une année scolaire complète, la durée du nouveau congé est cumulée avec celle du congé précédent;]2
[2 9° au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement.]2
En cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois, le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation.
Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5° et par dérogation à l'article 77, alinéa 1er, 1°, le chef d'établissement doit respecter un délai de préavis de soixante jours.
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de six mois si l'ancienneté de fonction du chef d'établissement est de moins de cinq ans. Il est allongé de trois mois par période commencée de cinq ans.
Le délai de préavis visé aux alinéas 3 et 4 peut être raccourci de commun accord. Le congé est donné par recommandé indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
[2 Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 8° et 9°, la désignation prend fin d'office sans préavis.]2
§ 3. La désignation prend fin d'office après cinq ans si le chef d'établissement, pendant cette période, n'a pas réussi une formation spécifique de chef d'établissement agréée par le Gouvernement.
§ 4. [2 - Un chef d'établissement âgé de [3 45]3 ans au moins est engagé à titre définitif si :
1° il a une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° il a obtenu au moins la mention "suffisant" dans son dernier rapport d'évaluation;
3° l'emploi est considéré comme vacant et le pouvoir organisateur l'ouvre à un engagement à titre définitif.]2
§ 1er. [2 - S'il doit être pourvu à l'emploi pour au moins une année scolaire complète et que le candidat remplit toutes les conditions d'admission pour la fonction, la désignation s'opère pour une durée indéterminée. Dans tous les autres cas, la désignation s'opère pour une année scolaire maximum. La désignation peut être prolongée.]2
§ 2. Elle prend fin dans les cas suivants :
1° suspension préventive de plus de six mois;
2° mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service de plus de six mois;
3° prononcé des peines disciplinaires suivantes :
a) une retenue sur traitement;
b) une suspension disciplinaire,
c) une mise en non-activité par mesure disciplinaire;
d) un licenciement pour faute grave;
4° démission volontaire, s'il s'agit d'un membre du personnel engagé à titre définitif;
5° renonciation volontaire à la désignation;
6° résiliation unilatérale par le pouvoir organisateur;
7° rapport d'évaluation portant la mention "insuffisant";
[2 8° le membre du personnel engagé pour une durée indéterminée n'a pas occupé la fonction pendant cinq années scolaires consécutives en raison d'un congé à temps plein. Si, entre deux périodes de congé, le service en tant que chef d'établissement n'est pas repris pendant au moins une année scolaire complète, la durée du nouveau congé est cumulée avec celle du congé précédent;]2
[2 9° au retour d'un titulaire ou d'un membre du personnel qui a été remplacé temporairement.]2
En cas de congé ou de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité pour une période ininterrompue de plus de six mois, le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation.
Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 4° et 5° et par dérogation à l'article 77, alinéa 1er, 1°, le chef d'établissement doit respecter un délai de préavis de soixante jours.
Dans le cas prévu à l'alinéa 1er, 6°, le délai de préavis est de six mois si l'ancienneté de fonction du chef d'établissement est de moins de cinq ans. Il est allongé de trois mois par période commencée de cinq ans.
Le délai de préavis visé aux alinéas 3 et 4 peut être raccourci de commun accord. Le congé est donné par recommandé indiquant la durée du préavis. Le recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
[2 Dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 8° et 9°, la désignation prend fin d'office sans préavis.]2
§ 3. La désignation prend fin d'office après cinq ans si le chef d'établissement, pendant cette période, n'a pas réussi une formation spécifique de chef d'établissement agréée par le Gouvernement.
§ 4. [2 - Un chef d'établissement âgé de [3 45]3 ans au moins est engagé à titre définitif si :
1° il a une ancienneté de fonction d'au moins cinq ans;
2° il a obtenu au moins la mention "suffisant" dans son dernier rapport d'évaluation;
3° l'emploi est considéré comme vacant et le pouvoir organisateur l'ouvre à un engagement à titre définitif.]2
Art. 64.17. [1 Statuut.
§ 1. Onverminderd lid 2 zijn de artikelen 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 en 79 à 98 toepasselijk op het inrichtingshoofd tijdens de uitoefening van het ambt.
Het inrichtingshoofd is het verboden :
1° een verlof te nemen of ter beschikking gesteld te worden, met uitzondering van :
a) het jaarlijks verlof;
b) het omstandigheidsverlof;
c) het uitzonderlijk verlof wegens overmacht;
d) het moederschapsverlof;
e) [6 adoptie- of pleegouderverlof;]6
f) het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
g) de terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid;
h) het [5 voltijds verlof]5 wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
i) de voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;
[2 j) verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
k) verlof om dringende familiale redenen;
l) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;]2
[3 m) voltijdse loopbaanonderbreking;]3
[6 n) voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken[7 ;]7]6
[7 o) verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
p) afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]7
2° [2 een deeltijdse loopbaanonderbreking te nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [6 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]6 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]2
§ 2. [4 Paragraaf 1 van dit artikel, artikel 64.16, § 2, eerste lid, 4° en 6°, en derde tot vijfde lid, en artikel 78, met uitzondering van het eerste lid, 1°, gelden]4 ook voor inrichtingshoofden die met toepassing van artikel 64.16, § 4, in vast verband benoemd zijn.]1
[3 In afwijking van § 1, [7 tweede lid, 1°,]7, mag een vastbenoemd inrichtingshoofd verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[7 In afwijking van § 1, tweede lid, 1°, mag een vastbenoemd inrichtingshoofd dat uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een beroep doen op een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Bij het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs niet helemaal is vrijgesteld van het lesgeven, heeft de verlofvorm betrekking op zijn activiteit als lesgever. Dat verlof is onomkeerbaar. Een inrichtingshoofd dat gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.
In afwijking van § 1, tweede lid, 2°, mag een inrichtingshoofd dat uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Bij het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs niet helemaal is vrijgesteld van het lesgeven, heeft de verlofvorm betrekking op zijn activiteit als lesgever. Dat verlof is onomkeerbaar. Een inrichtingshoofd dat een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]7
§ 1. Onverminderd lid 2 zijn de artikelen 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 en 79 à 98 toepasselijk op het inrichtingshoofd tijdens de uitoefening van het ambt.
Het inrichtingshoofd is het verboden :
1° een verlof te nemen of ter beschikking gesteld te worden, met uitzondering van :
a) het jaarlijks verlof;
b) het omstandigheidsverlof;
c) het uitzonderlijk verlof wegens overmacht;
d) het moederschapsverlof;
e) [6 adoptie- of pleegouderverlof;]6
f) het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
g) de terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid;
h) het [5 voltijds verlof]5 wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
i) de voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;
[2 j) verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
k) verlof om dringende familiale redenen;
l) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden;]2
[3 m) voltijdse loopbaanonderbreking;]3
[6 n) voltijds verlof om op een ministerieel kabinet te werken[7 ;]7]6
[7 o) verlof voor verminderde prestaties met het oog op professionele re-integratie na langdurige ziekte;
p) afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]7
2° [2 een deeltijdse loopbaanonderbreking te nemen, met uitzondering van de deeltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de deeltijdse loopbaanonderbreking om palliatieve zorg [6 te verstrekken, de deeltijdse loopbaanonderbreking voor mantelzorg]6 en de deeltijdse loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]2
§ 2. [4 Paragraaf 1 van dit artikel, artikel 64.16, § 2, eerste lid, 4° en 6°, en derde tot vijfde lid, en artikel 78, met uitzondering van het eerste lid, 1°, gelden]4 ook voor inrichtingshoofden die met toepassing van artikel 64.16, § 4, in vast verband benoemd zijn.]1
[3 In afwijking van § 1, [7 tweede lid, 1°,]7, mag een vastbenoemd inrichtingshoofd verlof voor de uitoefening van hetzelfde ambt of van een ander ambt nemen voor de duur van in totaal hoogstens vijf jaar.]3
[7 In afwijking van § 1, tweede lid, 1°, mag een vastbenoemd inrichtingshoofd dat uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een beroep doen op een aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden overeenkomstig artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, voor zover betrokkene, zonder afbreuk te doen aan artikel 10bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984, uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van terbeschikkingstelling, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Bij het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs niet helemaal is vrijgesteld van het lesgeven, heeft de verlofvorm betrekking op zijn activiteit als lesgever. Dat verlof is onomkeerbaar. Een inrichtingshoofd dat gebruik maakt van die vorm van aan de pensionering voorafgaande, deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.
In afwijking van § 1, tweede lid, 2°, mag een inrichtingshoofd dat uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar de leeftijd van ten minste 58 jaar bereikt, gedurende hoogstens twee schooljaren een deeltijdse loopbaanonderbreking ten belope van één vijfde van een voltijdse betrekking opnemen, voor zover betrokkene uiterlijk binnen 52 maanden, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de loopbaanonderbreking, aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist. Bij het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs niet helemaal is vrijgesteld van het lesgeven, heeft de verlofvorm betrekking op zijn activiteit als lesgever. Dat verlof is onomkeerbaar. Een inrichtingshoofd dat een beroep doet op die vorm van deeltijdse loopbaanonderbreking:
1° schakelt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege over naar de vorm van voltijdse terbeschikkingstelling vermeld in § 1, tweede lid, 1°, i), voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist;
2° wordt, uiterlijk na afloop van twee schooljaren, van ambtswege gepensioneerd, voor zover betrokkene op dat tijdstip aanspraak kan maken op een pensioen ten laste van de schatkist.]7
Modifications
Art. 64.17. [1 Statut.
§ 1er - Sans préjudice de l'alinéa 2, le chef d'établissement est soumis pendant l'exercice de sa fonction aux articles 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 et 79 à 98.
Il est interdit au chef d'établissement :
1° de prendre un congé ou d'être mis en disponibilité, sauf dans le cas des congés et mises en disponibilité suivants :
a) le congé annuel;
b) le congé de circonstance;
c) le congé exceptionnel pour cas de force majeur;
d) le congé de maternité;
e) [6 le congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil,]6
f) le congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
g) la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
h) le congé [5 à temps plein]5 pour cause d'une mission dans l'intérêt de l'enseignement;
i) la mise en disponibilité complète pour raisons personnelles avant la mise à la retraite;
[2 j) le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
k) le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
l) la mise en disponibilité pour convenances personnelles;]2
[3 m) l'interruption de carrière complète;]3
[6 n) le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel[7 ;]7]6
[7 o) le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
p) l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité. ]7
2° [2 de bénéficier d'une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [6 ou pour les aidants proches,]6 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.]2
§ 2. [4 Le § 1er du présent article, l'article 64.16, § 2, alinéa 1er, 4° et 6°, et alinéas 3 à 5, ainsi que l'article 78, à l'exception de l'alinéa 1er, 1°, valent]4 également pour un chef d'établissement nommé à titre définitif en application de l'article 64.16, § 4.]1
[3 Par dérogation au § 1er, [7 alinéa 2, 1° ]7, le chef d'établissement nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]3
[7 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 1°, le chef d'établissement nommé à titre définitif qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir à une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il puisse prétendre, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Pour un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, n'est pas entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le congé est placé sur lesdites activités. Ce congé est irréversible. Un chef d'établissement qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le chef d'établissement qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Pour un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, n'est pas entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le congé est placé sur lesdites activités. Ce congé est irréversible. Un chef d'établissement qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public. ]7
§ 1er - Sans préjudice de l'alinéa 2, le chef d'établissement est soumis pendant l'exercice de sa fonction aux articles 5 à 16, 18, 70 à [4 77]4 et 79 à 98.
Il est interdit au chef d'établissement :
1° de prendre un congé ou d'être mis en disponibilité, sauf dans le cas des congés et mises en disponibilité suivants :
a) le congé annuel;
b) le congé de circonstance;
c) le congé exceptionnel pour cas de force majeur;
d) le congé de maternité;
e) [6 le congé d'adoption ou le congé pour soins d'accueil,]6
f) le congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
g) la mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité;
h) le congé [5 à temps plein]5 pour cause d'une mission dans l'intérêt de l'enseignement;
i) la mise en disponibilité complète pour raisons personnelles avant la mise à la retraite;
[2 j) le congé pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
k) le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial;
l) la mise en disponibilité pour convenances personnelles;]2
[3 m) l'interruption de carrière complète;]3
[6 n) le congé à temps plein pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel[7 ;]7]6
[7 o) le congé pour prestations réduites aux fins de la réintégration professionnelle à la suite d'une maladie de longue durée;
p) l'absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité. ]7
2° [2 de bénéficier d'une interruption de carrière partielle autre que l'interruption de carrière partielle pour congé parental, pour soins palliatifs [6 ou pour les aidants proches,]6 ou pour l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille qui souffre d'une maladie grave.]2
§ 2. [4 Le § 1er du présent article, l'article 64.16, § 2, alinéa 1er, 4° et 6°, et alinéas 3 à 5, ainsi que l'article 78, à l'exception de l'alinéa 1er, 1°, valent]4 également pour un chef d'établissement nommé à titre définitif en application de l'article 64.16, § 4.]1
[3 Par dérogation au § 1er, [7 alinéa 2, 1° ]7, le chef d'établissement nommé à titre définitif est autorisé à prendre un congé en vue d'exercer la même fonction ou une autre fonction pour une durée de cinq ans au plus.]3
[7 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 1°, le chef d'établissement nommé à titre définitif qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir à une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, et ce, pendant deux années scolaires au plus, conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, pour autant qu'il puisse prétendre, sans préjudice de l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984, à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de la mise en disponibilité. Pour un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, n'est pas entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le congé est placé sur lesdites activités. Ce congé est irréversible. Un chef d'établissement qui recourt au présent type de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public.
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le chef d'établissement qui a au moins cinquante-huit ans accomplis au plus tard le 31 décembre de l'année en question est autorisé à recourir, pendant deux années scolaires au plus, à une interruption de carrière partielle d'un cinquième d'un temps plein, pour autant qu'il puisse prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au plus tard cinquante-deux mois à compter du jour suivant le premier jour de l'interruption de carrière. Pour un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, n'est pas entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le congé est placé sur lesdites activités. Ce congé est irréversible. Un chef d'établissement qui recourt à ce type d'interruption de carrière partielle :
1° passe d'office, au plus tard au terme de deux années scolaires, au type de mise en disponibilité complète mentionné au § 1er, alinéa 2, 1°, i), pour autant qu'il ne puisse pas encore prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public;
2° est mis d'office à la retraite au plus tard au terme de deux années scolaires, pour autant qu'il puisse prétendre, à ce moment-là, à une pension à charge du Trésor public. ]7
Modifications
Art. 64.18. [1 Tijdelijke vervanging.
§ 1. [2 Indien de aanstelling van het inrichtingshoofd beëindigd wordt of indien het inrichtingshoofd zijn ambt neerlegt of wegens een van de in artikel 64.17 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen tijdelijk [4 voltijds afwezig]4 is, kan de inrichtende macht hem tot het einde van het daaropvolgende schooljaar vervangen door een persoon die voldoet aan de in artikel 64.13 vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld in 3°.]2 [3 In een gespecialiseerde basisschool kan het inrichtingshoofd ook vervangen worden door een lid van het paramedisch of psychosociaal personeel.]3
[4 [5 Als de titularis op grond van een verlofvorm tijdelijk deeltijds afwezig is, kan de inrichtende macht hem als volgt tijdelijk vervangen:
1° als het gaat om het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs volledig vrijgesteld is van het lesgeven, geschiedt de vervanging in het ambt van adjunct-directeur van een autonome lagere school door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 62.3, eerste lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum, met uitzondering van de bepaling onder 3°;
2° als het gaat om het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs niet helemaal is vrijgesteld van het lesgeven, geschiedt de vervanging in het ambt van onderwijzer voor het lager onderwijs;
3° als het gaat om het inrichtingshoofd van een secundaire school, geschiedt de vervanging in het ambt van onderdirecteur door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 62.3, eerste lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum, met uitzondering van de bepaling onder 3°;
4° als het gaat om een internaatbeheerder, geschiedt de vervanging in het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat]5.]4
§ 2. Tijdens de duur van de tijdelijke vervanging zijn de [4 artikel 64.16, §§ 1 en 2, artikel 64.17, § 1]4 64.19, 64.22. en 64.23. van toepassing op het vervangend personeelslid.]1
§ 1. [2 Indien de aanstelling van het inrichtingshoofd beëindigd wordt of indien het inrichtingshoofd zijn ambt neerlegt of wegens een van de in artikel 64.17 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen tijdelijk [4 voltijds afwezig]4 is, kan de inrichtende macht hem tot het einde van het daaropvolgende schooljaar vervangen door een persoon die voldoet aan de in artikel 64.13 vermelde voorwaarden, met uitzondering van die vermeld in 3°.]2 [3 In een gespecialiseerde basisschool kan het inrichtingshoofd ook vervangen worden door een lid van het paramedisch of psychosociaal personeel.]3
[4 [5 Als de titularis op grond van een verlofvorm tijdelijk deeltijds afwezig is, kan de inrichtende macht hem als volgt tijdelijk vervangen:
1° als het gaat om het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs volledig vrijgesteld is van het lesgeven, geschiedt de vervanging in het ambt van adjunct-directeur van een autonome lagere school door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 62.3, eerste lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum, met uitzondering van de bepaling onder 3°;
2° als het gaat om het schoolhoofd van een basisschool dat met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs niet helemaal is vrijgesteld van het lesgeven, geschiedt de vervanging in het ambt van onderwijzer voor het lager onderwijs;
3° als het gaat om het inrichtingshoofd van een secundaire school, geschiedt de vervanging in het ambt van onderdirecteur door een persoon die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 62.3, eerste lid, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-centrum, met uitzondering van de bepaling onder 3°;
4° als het gaat om een internaatbeheerder, geschiedt de vervanging in het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat]5.]4
§ 2. Tijdens de duur van de tijdelijke vervanging zijn de [4 artikel 64.16, §§ 1 en 2, artikel 64.17, § 1]4 64.19, 64.22. en 64.23. van toepassing op het vervangend personeelslid.]1
Modifications
Art. 64.18. [1 Remplacement temporaire.
§ 1er. [2 Lorsque la désignation du chef d'établissement prend fin, que celui-ci démissionne de sa fonction ou est temporairement absent [4 à temps plein]4 en raison d'un des types de congé ou de mise en disponibilité mentionnés à l'article 64.17, le pouvoir organisateur peut le remplacer jusqu'à la fin de l'année scolaire suivante par une autre personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 64.13, alinéa 1er, à l'exception du 3°.]2 [3 Dans une école fondamentale spécialisée, le chef d'établissement peut aussi être remplacé par un membre du personnel paramédical ou sociopsychologique.]3
[4 [5 Si, en raison d'un des types de congé, le titulaire de l'emploi est temporairement absent, dans le cadre d'un temps partiel, le pouvoir organisateur peut le remplacer de manière temporaire comme suit :
1° s'il s'agit d'un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, est entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le remplacement est effectué dans la fonction de directeur adjoint d'une école primaire autonome par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 62.3, alinéa 1er, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, à l'exception du 3°;
2° s'il s'agit d'un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, n'est pas entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le remplacement est effectué dans la fonction d'instituteur primaire;
3° s'il s'agit d'un chef d'établissement d'enseignement secondaire, le remplacement est effectué dans la fonction de sous-directeur par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 62.3, alinéa 1er, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, à l'exception du 3°;
4° s'il s'agit d'un administrateur en internat, le remplacement est effectué dans la fonction de surveillant-éducateur d'un internat]5.]4
§ 2. Pendant le remplacement temporaire, les articles [4 64.16, §§ 1er et 2, 64.17, § 1er,]4 64.19, 64.22 et 64.23 s'appliquent au remplaçant.]1
§ 1er. [2 Lorsque la désignation du chef d'établissement prend fin, que celui-ci démissionne de sa fonction ou est temporairement absent [4 à temps plein]4 en raison d'un des types de congé ou de mise en disponibilité mentionnés à l'article 64.17, le pouvoir organisateur peut le remplacer jusqu'à la fin de l'année scolaire suivante par une autre personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 64.13, alinéa 1er, à l'exception du 3°.]2 [3 Dans une école fondamentale spécialisée, le chef d'établissement peut aussi être remplacé par un membre du personnel paramédical ou sociopsychologique.]3
[4 [5 Si, en raison d'un des types de congé, le titulaire de l'emploi est temporairement absent, dans le cadre d'un temps partiel, le pouvoir organisateur peut le remplacer de manière temporaire comme suit :
1° s'il s'agit d'un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, est entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le remplacement est effectué dans la fonction de directeur adjoint d'une école primaire autonome par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 62.3, alinéa 1er, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, à l'exception du 3°;
2° s'il s'agit d'un chef d'établissement d'enseignement fondamental qui, en application de l'article 42, § 1er, du décret du 26 avril 1999 relatif à l'enseignement fondamental ordinaire, n'est pas entièrement libéré de ses activités d'enseignement, le remplacement est effectué dans la fonction d'instituteur primaire;
3° s'il s'agit d'un chef d'établissement d'enseignement secondaire, le remplacement est effectué dans la fonction de sous-directeur par une personne remplissant les conditions mentionnées à l'article 62.3, alinéa 1er, du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné, à l'exception du 3°;
4° s'il s'agit d'un administrateur en internat, le remplacement est effectué dans la fonction de surveillant-éducateur d'un internat]5.]4
§ 2. Pendant le remplacement temporaire, les articles [4 64.16, §§ 1er et 2, 64.17, § 1er,]4 64.19, 64.22 et 64.23 s'appliquent au remplaçant.]1
Modifications
Art. 64.19. [1 Wedde en premie.
§ 1. [7 - Tijdens de uitoefening van het ambt van studieprefect of directeur van een gewone of gespecialiseerde secundaire school krijgt het personeelslid de volgende wedde:
1° studieprefect of directeur van een gewone secundaire school die op 1 oktober van het lopende schooljaar minstens 600 leerlingen telt of waaraan een onder zijn toezicht staande basisschool verbonden is, of directeur van een gespecialiseerde secundaire school:
a) bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur: een wedde op basis van de weddeschaal 489 vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
b) vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur: een wedde op basis van de weddeschaal 490 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
2° studieprefect of directeur van een gewone secundaire school die op 1 oktober van het lopende schooljaar minder dan 600 leerlingen telt en waaraan geen onder zijn toezicht staande basisschool verbonden is:
a) bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur: een wedde op basis van de weddeschaal 486 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
b) vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur of minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 487 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
c) vanaf minstens tien jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur en minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 488 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro.
Tijdens de uitoefening van het ambt van hoofdonderwijzer van een gewone basisschool of directeur van een autonome basisschool ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal waarop hij recht heeft overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk B, van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 350 euro, als de school op 30 september van het lopende schooljaar op zijn minst 300 leerlingen telt, resp. verhoogd met een maandelijkse premie van 250 euro, als de school op 30 september van het lopende schooljaar midner dan 300 leerlingen telt.
Tijdens de uitoefening van het ambt van beheerder ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal 167 waarop het recht heeft overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk G, van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 400 euro.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste, tweede en vierde lid wordt vermeld, evenredig verminderd.]7
§ 2. [3 Gaat het om een in een ander ambt [7 voor een doorlopende duur overeenkomstig artikel 22bis]7 aangesteld of vast benoemd personeelslid dat als inrichtingshoofd wordt aangewezen, dan verkrijgt het]3 verder zijn wedde in afwijking van § 1 en ontvangt het maandelijks een compenserende premie, berekend als volgt :
P = X - M
P = de premie
X = de wedde vermeld in § 1
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid
De premie wordt gelijktijdig met de maandelijkse wedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3. Gaat het niet om een personeelslid, dan geniet de directeur het vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de in het onderwijs vigerende bepalingen; als berekeningsbasis geldt het bedrag vermeld in § 1.
§ 4. Het bedrag vermeld in de §§ 1 en 2 is onderworpen aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982.
[2 In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover het inrichtingshoofd niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]2
[4 ...]4]1
[8 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een inrichtingshoofd of beheerder aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]8
§ 1. [7 - Tijdens de uitoefening van het ambt van studieprefect of directeur van een gewone of gespecialiseerde secundaire school krijgt het personeelslid de volgende wedde:
1° studieprefect of directeur van een gewone secundaire school die op 1 oktober van het lopende schooljaar minstens 600 leerlingen telt of waaraan een onder zijn toezicht staande basisschool verbonden is, of directeur van een gespecialiseerde secundaire school:
a) bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur: een wedde op basis van de weddeschaal 489 vermeld in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
b) vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur: een wedde op basis van de weddeschaal 490 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
2° studieprefect of directeur van een gewone secundaire school die op 1 oktober van het lopende schooljaar minder dan 600 leerlingen telt en waaraan geen onder zijn toezicht staande basisschool verbonden is:
a) bij minder dan negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur: een wedde op basis van de weddeschaal 486 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
b) vanaf minstens negen jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur of minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 487 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro;
c) vanaf minstens tien jaar ambtsanciënniteit als studieprefect of directeur en minstens 25 jaar geldelijke anciënniteit: een wedde op basis van de weddeschaal 488 vermeld in de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 616,15 euro.
Tijdens de uitoefening van het ambt van hoofdonderwijzer van een gewone basisschool of directeur van een autonome basisschool ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal waarop hij recht heeft overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk B, van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 350 euro, als de school op 30 september van het lopende schooljaar op zijn minst 300 leerlingen telt, resp. verhoogd met een maandelijkse premie van 250 euro, als de school op 30 september van het lopende schooljaar midner dan 300 leerlingen telt.
Tijdens de uitoefening van het ambt van beheerder ontvangt het personeelslid een wedde op basis van de weddeschaal 167 waarop het recht heeft overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk G, van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juni 1974, verhoogd met een maandelijkse premie van 400 euro.
In geval van deeltijdse prestaties wordt het bedrag van de premie dat in het eerste, tweede en vierde lid wordt vermeld, evenredig verminderd.]7
§ 2. [3 Gaat het om een in een ander ambt [7 voor een doorlopende duur overeenkomstig artikel 22bis]7 aangesteld of vast benoemd personeelslid dat als inrichtingshoofd wordt aangewezen, dan verkrijgt het]3 verder zijn wedde in afwijking van § 1 en ontvangt het maandelijks een compenserende premie, berekend als volgt :
P = X - M
P = de premie
X = de wedde vermeld in § 1
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid
De premie wordt gelijktijdig met de maandelijkse wedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3. Gaat het niet om een personeelslid, dan geniet de directeur het vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de in het onderwijs vigerende bepalingen; als berekeningsbasis geldt het bedrag vermeld in § 1.
§ 4. Het bedrag vermeld in de §§ 1 en 2 is onderworpen aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982.
[2 In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, tijdens een bevallingsverlof en tijdens de afwezigheden in het kader van een geboorte vermeld in de artikelen 42 tot 43bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden de premies vermeld in de §§ 1 en 2 verder uitbetaald, voor zover het inrichtingshoofd niet door het ziekenfonds wordt vergoed.]2
[4 ...]4]1
[8 § 5 - In afwijking van de § § 1 en 2 wordt een inrichtingshoofd of beheerder aan wie verlof wordt toegekend wegens een opdracht in het belang van het onderwijs of om op een ministerieel kabinet te werken, tijdens dit verlof bezoldigd overeenkomstig de bepalingen van titel II tot II.2 van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep.]8
Modifications
Art. 64.19. [1 Traitement et prime.
§ 1er. [7 - Durant l'exercice de la fonction de préfet des études ou de directeur d'école secondaire ordinaire ou spécialisée, le membre du personnel perçoit le traitement suivant :
1° pour un préfet des études ou un directeur d'une école secondaire ordinaire qui, au 1er octobre de l'année scolaire en cours, compte au moins 600 élèves ou à laquelle est annexée une école fondamentale, ou pour un directeur d'une école secondaire spécialisée :
a) si l'ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 489 figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, traitement majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
b) à partir d'une ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur égale ou supérieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 490 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
2° pour un préfet des études ou un directeur d'une école secondaire ordinaire qui, au 1er octobre de l'année scolaire en cours, compte moins de 600 élèves et à laquelle n'est annexée aucune école fondamentale :
a) si l'ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 486 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
b) si l'ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur est égale ou supérieure à neuf ans ou si l'ancienneté pécuniaire est d'au moins 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 487 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
c) à partir d'une ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur égale ou supérieure à dix ans et une ancienneté pécuniaire égale ou supérieure à 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 488 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros.
Durant l'exercice de la fonction d'instituteur en chef d'une école fondamentale ou de directeur d'une école fondamentale autonome, le membre du personnel perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement lui attribuée conformément à l'article 2, chapitre B, du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré, selon le cas, d'une prime mensuelle de 350 euros si l'école compte au moins 300 élèves le 30 septembre de l'année scolaire en cours ou d'une prime mensuelle de 250 euros si l'école compte moins de 300 élèves le 30 septembre de l'année scolaire en cours.
Durant l'exercice de la fonction d'administrateur, le membre perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 167 lui attribuée conformément à l'article 2, chapitre G, du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 400 euros.
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné aux alinéas 1er, 2 et 4 est réduit proportionnellement à l'occupation.]7
§ 2. [3 Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [7 conformément à l'article 22bis]7 ou nommé à titre définitif dans une autre fonction est désigné comme chef d'établissement,]3 il continue de percevoir son traitement par dérogation au § 1er et bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M
P = la prime
X = le traitement visé au § 1er
M = le traitement mensuel brut du membre du personnel
La prime est liquidée en même temps que le traitement mensuel et aux mêmes conditions.
§ 3. S'il n'est pas membre du personnel, le directeur perçoit le pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement, le montant visé au § 1er servant de base de calcul.
§ 4. Le montant dont question aux §§ 1er et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, tel que modifié par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982.
[2 Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le chef d'établissement ne soit pas à la charge de la mutualité.]2
[4 ...]4]1
[8 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le chef d'établissement ou l'administrateur qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]8
§ 1er. [7 - Durant l'exercice de la fonction de préfet des études ou de directeur d'école secondaire ordinaire ou spécialisée, le membre du personnel perçoit le traitement suivant :
1° pour un préfet des études ou un directeur d'une école secondaire ordinaire qui, au 1er octobre de l'année scolaire en cours, compte au moins 600 élèves ou à laquelle est annexée une école fondamentale, ou pour un directeur d'une école secondaire spécialisée :
a) si l'ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 489 figurant dans l'annexe de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, auxiliaire d'éducation, paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et fixant les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, traitement majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
b) à partir d'une ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur égale ou supérieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 490 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
2° pour un préfet des études ou un directeur d'une école secondaire ordinaire qui, au 1er octobre de l'année scolaire en cours, compte moins de 600 élèves et à laquelle n'est annexée aucune école fondamentale :
a) si l'ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur est inférieure à neuf ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 486 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
b) si l'ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur est égale ou supérieure à neuf ans ou si l'ancienneté pécuniaire est d'au moins 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 487 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros;
c) à partir d'une ancienneté de fonction en tant que préfet des études ou de directeur égale ou supérieure à dix ans et une ancienneté pécuniaire égale ou supérieure à 25 ans : un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 488 figurant dans l'annexe du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 616,15 euros.
Durant l'exercice de la fonction d'instituteur en chef d'une école fondamentale ou de directeur d'une école fondamentale autonome, le membre du personnel perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement lui attribuée conformément à l'article 2, chapitre B, du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré, selon le cas, d'une prime mensuelle de 350 euros si l'école compte au moins 300 élèves le 30 septembre de l'année scolaire en cours ou d'une prime mensuelle de 250 euros si l'école compte moins de 300 élèves le 30 septembre de l'année scolaire en cours.
Durant l'exercice de la fonction d'administrateur, le membre perçoit un traitement calculé sur la base de l'échelle de traitement 167 lui attribuée conformément à l'article 2, chapitre G, du même arrêté royal du 27 juin 1974, majoré d'une prime mensuelle de 400 euros.
Dans le cas d'une occupation à temps partiel, le montant de la prime mentionné aux alinéas 1er, 2 et 4 est réduit proportionnellement à l'occupation.]7
§ 2. [3 Si un membre du personnel désigné pour une durée indéterminée [7 conformément à l'article 22bis]7 ou nommé à titre définitif dans une autre fonction est désigné comme chef d'établissement,]3 il continue de percevoir son traitement par dérogation au § 1er et bénéficie d'une prime mensuelle compensatoire calculée comme suit :
P = X - M
P = la prime
X = le traitement visé au § 1er
M = le traitement mensuel brut du membre du personnel
La prime est liquidée en même temps que le traitement mensuel et aux mêmes conditions.
§ 3. S'il n'est pas membre du personnel, le directeur perçoit le pécule de vacances et une prime de fin d'année conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement, le montant visé au § 1er servant de base de calcul.
§ 4. Le montant dont question aux §§ 1er et 2 est soumis aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, tel que modifié par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982.
[2 Lors d'un congé pour cause de maladie ou d'infirmité ainsi que lors d'un congé de maternité ou d'une des absences liées à la maternité mentionnées dans les articles 42 à 43bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les primes mentionnées aux §§ 1er et 2 continuent à être versées pour autant que le chef d'établissement ne soit pas à la charge de la mutualité.]2
[4 ...]4]1
[8 § 5 - Par dérogation au § 1er et au § 2, le chef d'établissement ou l'administrateur qui bénéficie d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'un congé pour exercer une activité dans un cabinet ministériel est rémunéré pendant ce congé conformément aux dispositions des titres II à II.2 du décret du 21 avril 2008 portant valorisation du métier d'enseignant.]8
Modifications
Art. 64.20. [1 Toelage voor reeds vastbenoemde inrichtingshoofden of directeurs.
Een inrichtingshoofd dat of een directeur die vóór 1 september 2007 reeds vastbenoemd is, verkrijgt de in artikel 64.19, § 2, vermelde premie vanaf de maand volgend op de maand waarin het resp. hij een door de Regering erkende specifieke opleiding tot inrichtingshoofd met vrucht heeft beëindigd.
Lid 1 is niet van toepassing op de hoofdleraar, de directeur van een autonome basisschool en de directeur van een basisoefenschool.]1
Een inrichtingshoofd dat of een directeur die vóór 1 september 2007 reeds vastbenoemd is, verkrijgt de in artikel 64.19, § 2, vermelde premie vanaf de maand volgend op de maand waarin het resp. hij een door de Regering erkende specifieke opleiding tot inrichtingshoofd met vrucht heeft beëindigd.
Lid 1 is niet van toepassing op de hoofdleraar, de directeur van een autonome basisschool en de directeur van een basisoefenschool.]1
Art. 64.20. [1 Allocation pour les chefs d'établissement et directeurs déjà nommés à titre définitif.
Un chef d'établissement ou directeur d'une école secondaire déjà nommé à titre définitif avant le 1er septembre 2007 perçoit la prime mentionnée à l'article 64.19, § 2, et ce à partir du mois suivant celui où il a réussi une formation spécifique de chef d'établissement agréée par le Gouvernement.
Le premier alinéa ne s'applique pas à l'instituteur en chef, au directeur d'une école fondamentale autonome et au directeur d'une école fondamentale d'application.]1
Un chef d'établissement ou directeur d'une école secondaire déjà nommé à titre définitif avant le 1er septembre 2007 perçoit la prime mentionnée à l'article 64.19, § 2, et ce à partir du mois suivant celui où il a réussi une formation spécifique de chef d'établissement agréée par le Gouvernement.
Le premier alinéa ne s'applique pas à l'instituteur en chef, au directeur d'une école fondamentale autonome et au directeur d'une école fondamentale d'application.]1
Art. 64.21. [1 Evaluatieverslag en beroepsmogelijkheid.
§ 1. Voor een inrichtingshoofd stelt de inrichtende macht ten minste één evaluatieverslag op voor elke termijn van vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
Het inrichtingshoofd kan zo'n evaluatie schriftelijk bij de inrichtende macht aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.]2
§ 2. [3 Het inrichtingshoofd stelt vooraf een verslag op waarin het de balans opmaakt van zijn activiteiten van de jongste jaren en waarin het voorstellen voor de verdere schoolontwikkeling doet. Dat verslag dient als basis voor het evaluatiegesprek.]3
Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
§ 3. De inrichtende macht overhandigt het inrichtingshoofd het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. Het inrichtingshoofd heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. Het inrichtingshoofd dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het aan de inrichtende macht terug.
Als het inrichtingshoofd het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan de inrichtende macht overhandigt, dan geldt het door deze opgesteld evaluatieverslag.
Stelt de inrichtende macht geen evaluatieverslag op overeenkomstig lid 1, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt het inrichtingshoofd de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt het inrichtingshoofd de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. Het inrichtingshoofd ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. Het inrichtingshoofd kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door de inrichtende macht beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan het inrichtingshoofd geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 3, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Indien ze het advies niet volgt, vermeldt ze er de redenen voor.
Het beroep is opschortend.]1
§ 1. Voor een inrichtingshoofd stelt de inrichtende macht ten minste één evaluatieverslag op voor elke termijn van vijf jaar. Te dien einde voert het een evaluatiegesprek.
Het inrichtingshoofd kan zo'n evaluatie schriftelijk bij de inrichtende macht aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een inrichtingshoofd. De inrichtende macht en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.]2
§ 2. [3 Het inrichtingshoofd stelt vooraf een verslag op waarin het de balans opmaakt van zijn activiteiten van de jongste jaren en waarin het voorstellen voor de verdere schoolontwikkeling doet. Dat verslag dient als basis voor het evaluatiegesprek.]3
Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
§ 3. De inrichtende macht overhandigt het inrichtingshoofd het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. Het inrichtingshoofd heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. Het inrichtingshoofd dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het aan de inrichtende macht terug.
Als het inrichtingshoofd het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen aan de inrichtende macht overhandigt, dan geldt het door deze opgesteld evaluatieverslag.
Stelt de inrichtende macht geen evaluatieverslag op overeenkomstig lid 1, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt het inrichtingshoofd de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt het inrichtingshoofd de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. Het inrichtingshoofd ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. Het inrichtingshoofd kan het evaluatieverslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door de inrichtende macht beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan het inrichtingshoofd geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 3, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Indien ze het advies niet volgt, vermeldt ze er de redenen voor.
Het beroep is opschortend.]1
Art. 64.21. [1 Rapport d'évaluation et possibilité de recours.
§ 1er. Le pouvoir organisateur établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour le chef d'établissement. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le chef d'établissement peut demander une telle évaluation par écrit auprès du pouvoir organisateur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.]2
§ 2. [3 Le chef d'établissement établit au préalable un rapport dans lequel il dresse un bilan de son activité au cours des dernières années et formule des propositions pour le futur développement de l'école. Ce rapport servira de base à l'entretien d'évaluation.]3
Le rapport d'évaluation porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
§ 3. Le pouvoir organisateur remet le rapport au chef d'établissement au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le chef d'établissement dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le chef d'établissement date et signe le rapport et le remet au pouvoir organisateur.
Si le chef d'établissement ne remet pas le rapport et ses remarques au pouvoir organisateur dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du pouvoir organisateur qui prévaut.
Si le pouvoir organisateur ne remet pas de rapport conformément au premier alinéa, le rapport est nul et le chef d'établissement obtient la mention du rapport précédent. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le chef d'établissement signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le chef d'établissement peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le pouvoir organisateur.
Par dérogation au premier alinéa, le chef d'établissement ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 3.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Le pouvoir organisateur remet sa décision définitive dans les dix jours après la réception de l'avis. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.]1
§ 1er. Le pouvoir organisateur établit au moins un rapport d'évaluation tous les cinq ans pour le chef d'établissement. Il mène à cette fin un entretien d'évaluation.
Le chef d'établissement peut demander une telle évaluation par écrit auprès du pouvoir organisateur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un chef d'établissement. Le pouvoir organisateur et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.]2
§ 2. [3 Le chef d'établissement établit au préalable un rapport dans lequel il dresse un bilan de son activité au cours des dernières années et formule des propositions pour le futur développement de l'école. Ce rapport servira de base à l'entretien d'évaluation.]3
Le rapport d'évaluation porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
§ 3. Le pouvoir organisateur remet le rapport au chef d'établissement au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le chef d'établissement dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le chef d'établissement date et signe le rapport et le remet au pouvoir organisateur.
Si le chef d'établissement ne remet pas le rapport et ses remarques au pouvoir organisateur dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le rapport du pouvoir organisateur qui prévaut.
Si le pouvoir organisateur ne remet pas de rapport conformément au premier alinéa, le rapport est nul et le chef d'établissement obtient la mention du rapport précédent. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le chef d'établissement signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. Le chef d'établissement peut signer le rapport sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans les dix jours à compter de sa délivrance par le pouvoir organisateur.
Par dérogation au premier alinéa, le chef d'établissement ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 3.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Le pouvoir organisateur remet sa décision définitive dans les dix jours après la réception de l'avis. S'il ne suit pas l'avis, il indique ses motivations.
Le recours est suspensif.]1
Art. 64.22. [1 Terugkeer.
Uitgezonderd in de gevallen vermeld in artikel 64.16, § 2, lid 1, 3°, d), en 4°, bekleedt het personeelslid na het einde van de aanwijzing opnieuw zijn voormalig ambt, voor zover het om een vastbenoemd personeelslid van het gesubsidieerd officieel onderwijs gaat.]1
Uitgezonderd in de gevallen vermeld in artikel 64.16, § 2, lid 1, 3°, d), en 4°, bekleedt het personeelslid na het einde van de aanwijzing opnieuw zijn voormalig ambt, voor zover het om een vastbenoemd personeelslid van het gesubsidieerd officieel onderwijs gaat.]1
Art. 64.22. [1 Retour.
Pour autant qu'il soit nommé à titre définitif dans l'enseignement officiel subventionné, le membre du personnel réintègre son ancienne fonction à la fin de la désignation, sauf dans les cas énoncés à l'article 64.16, § 2, alinéa 1er, 3°, d), et 4°.]1
Pour autant qu'il soit nommé à titre définitif dans l'enseignement officiel subventionné, le membre du personnel réintègre son ancienne fonction à la fin de la désignation, sauf dans les cas énoncés à l'article 64.16, § 2, alinéa 1er, 3°, d), et 4°.]1
Art. 64.23. [1 Diensten die in aanmerking worden genomen.
De diensten die tijdens de uitoefening van het ambt als inrichtingshoofd worden gepresteerd, worden in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit te bepalen, voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerd officieel onderwijs gaat.]1
De diensten die tijdens de uitoefening van het ambt als inrichtingshoofd worden gepresteerd, worden in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit te bepalen, voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerd officieel onderwijs gaat.]1
Art. 64.23. [1 Prise en compte des services.
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel de l'enseignement officiel subventionné, les services prestés par le membre du personnel pendant l'exercice de sa désignation comme chef d'établissement sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service, l'ancienneté de fonction et l'ancienneté pécuniaire.]1
Pour autant qu'il s'agisse d'un membre du personnel de l'enseignement officiel subventionné, les services prestés par le membre du personnel pendant l'exercice de sa désignation comme chef d'établissement sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service, l'ancienneté de fonction et l'ancienneté pécuniaire.]1
HOOFDSTUK VI. - Evaluatieverslag en persoonlijk dossier.
CHAPITRE VI. - Rapport d'évaluation et dossier personnel.
Art. 65. [1 Evaluatieverslag en beroepsmogelijkheid.
§ 1. Elk vastbenoemd personeelslid, behalve het personeelslid dat een bevorderingsambt bekleedt, kan door het inrichtingshoofd of de directeur worden geëvalueerd of zo'n evaluatie schriftelijk bij het inrichtingshoofd of de directeur aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over [4 de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs]4 kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie, waarbij de evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]2
§ 2. De evaluatie geschiedt via een met redenen omkleed evaluatieverslag dat o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties, alsmede over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de onderwijsinrichting of het centrum inzet. Er wordt inzonderheid naar de mate onderzocht waarin het personeelslid de opdracht resp. verplichtingen vervult die hem door wet, decreet, besluit, verordening en benoemingsakte worden opgelegd. Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
Voor de evaluatie van een personeelslid kan zich het inrichtingshoofd baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat een bevorderings- of selectieambt bekleedt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen.
De evaluatie van een leermeester of leraar godsdienst door het inrichtingshoofd betreft niet de vakdidactische bekwaamheden noch de inhoud van de cursussen. Deze worden uitsluitend door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst geëvalueerd.
Het model van het evaluatieverslag wordt door de Regering vastgelegd.
§ 3. [2 Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt het personeelslid het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. Het personeelslid heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. Het personeelslid dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst terug.
Als het personeelslid het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt, dan geldt het evaluatieverslag [2 opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2.
Ten laatste op 15 mei zendt [2 het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst het evaluatieverslag, samen met de opmerkingen van het personeelslid, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de inrichtende macht toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Wordt bij de inrichtende macht tot 15 mei van het lopende schooljaar geen exemplaar van het [2 overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1]2 opgesteld evaluatieverslag ingediend, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt het personeelslid de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt het personeelslid de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. Het personeelslid ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. [3 Het personeelslid kan het evaluatieverslag]3 onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door het inrichtingshoofd beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan het personeelslid geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 4, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing aan het personeelslid. Ze vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Staat op het evaluatieverslag [5 de vermelding "niet tevredenstellend" of "onvoldoende"]5 als eindconclusie, dan wordt het personeelslid in het daaropvolgende schooljaar opnieuw geëvalueerd.
Het beroep is opschortend.]1
§ 1. Elk vastbenoemd personeelslid, behalve het personeelslid dat een bevorderingsambt bekleedt, kan door het inrichtingshoofd of de directeur worden geëvalueerd of zo'n evaluatie schriftelijk bij het inrichtingshoofd of de directeur aanvragen. Het tijdstip van de aanvraag houdt rekening met de naleving van de termijn bepaald in § 3, lid 1, eerste zin.
[2 § 1.1 - Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek werkt de onderwijsinspectie mee aan de evaluatie van een vastbenoemd personeelslid. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie.
In geval van een klacht tegen een personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 3, van het decreet van 25 juni 2012 over [4 de onderwijsinspectie, het adviespunt voor schoolontwikkeling en het adviespunt voor inclusie en integratie in het onderwijs]4 kan de onderwijsinspectie een evaluatie laten maken. Het inrichtingshoofd en de onderwijsinspectie maken een gezamenlijke evaluatie, waarbij de evaluatie van de onderwijsinspectie zich beperkt tot de volgende aspecten :
1° ze gaat na of het personeelslid aandacht besteedt aan de voorgeschreven ontwikkelingsdoelen en de competenties die in de referentiekaders beschreven zijn;
2° ze gaat na of het personeelslid de door de Regering goedgekeurde activiteitenplannen, studieprogramma's of leerplannen volgt;
3° ze gaat na of het personeelslid voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs.]2
§ 2. De evaluatie geschiedt via een met redenen omkleed evaluatieverslag dat o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties, alsmede over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de onderwijsinrichting of het centrum inzet. Er wordt inzonderheid naar de mate onderzocht waarin het personeelslid de opdracht resp. verplichtingen vervult die hem door wet, decreet, besluit, verordening en benoemingsakte worden opgelegd. Het evaluatieverslag heeft één van de volgende vermeldingen als eindconclusie : "zeer goed", "goed", "voldoende", "niet tevredenstellend" of "onvoldoende".
Voor de evaluatie van een personeelslid kan zich het inrichtingshoofd baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat een bevorderings- of selectieambt bekleedt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen.
De evaluatie van een leermeester of leraar godsdienst door het inrichtingshoofd betreft niet de vakdidactische bekwaamheden noch de inhoud van de cursussen. Deze worden uitsluitend door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst geëvalueerd.
Het model van het evaluatieverslag wordt door de Regering vastgelegd.
§ 3. [2 Het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt het personeelslid het evaluatieverslag ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar. Het personeelslid heeft een termijn van ten hoogste zeven dagen na het afgeven van het evaluatieverslag om te verklaren of het al dan niet ermee akkoord gaat en om zijn opmerkingen schriftelijk te formuleren. De opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd. Het personeelslid dateert het evaluatieverslag, ondertekent het en geeft het [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst terug.
Als het personeelslid het evaluatieverslag en zijn opmerkingen niet binnen de in het eerste lid vermelde termijn van zeven dagen [2 aan het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt, dan geldt het evaluatieverslag [2 opgesteld door het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2.
Ten laatste op 15 mei zendt [2 het inrichtingshoofd of de directeur resp. de onderwijsinspectie]2 resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst het evaluatieverslag, samen met de opmerkingen van het personeelslid, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de inrichtende macht toe. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs geldt als indieningsdatum.
Wordt bij de inrichtende macht tot 15 mei van het lopende schooljaar geen exemplaar van het [2 overeenkomstig het eerste of het tweede lid of overeenkomstig § 1.1]2 opgesteld evaluatieverslag ingediend, dan is het evaluatieverslag ongeldig en krijgt het personeelslid de vermelding van het laatste evaluatieverslag. Als zo'n evaluatieverslag niet bestaat, dan krijgt het personeelslid de vermelding "goed".
Het evaluatieverslag wordt in drie exemplaren opgesteld. Het personeelslid ondertekent de drie exemplaren en behoudt er één van.
§ 4. [3 Het personeelslid kan het evaluatieverslag]3 onder voorbehoud ondertekenen en binnen tien dagen na het afgeven ervan door het inrichtingshoofd beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
In afwijking van lid 1 kan het personeelslid geen beroep indienen tegen een vermelding die overeenkomstig § 3, lid 4, verkregen is.
Binnen vijfenveertig dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing aan het personeelslid. Ze vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Staat op het evaluatieverslag [5 de vermelding "niet tevredenstellend" of "onvoldoende"]5 als eindconclusie, dan wordt het personeelslid in het daaropvolgende schooljaar opnieuw geëvalueerd.
Het beroep is opschortend.]1
Modifications
Art. 65. [1 Rapport d'évaluation et possibilité de recours.
§ 1er. Tout membre du personnel nommé à titre définitif, à l'exception de ceux qui exercent une fonction de promotion, peut être évalué par le chef d'établissement ou le directeur ou demander une telle évaluation par écrit auprès du chef d'établissement ou du directeur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel nommé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément à la section 3 du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire [4 , la guidance en développement scolaire et la guidance pour l'inclusion et l'intégration]4, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. L'évaluation est menée conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
§ 2. L'évaluation se présente sous la forme d'un rapport d'évaluation motivé comprenant entre autres des renseignements sur la fonction exercée et la durée des prestations fournies, sur les capacités et les prestations ainsi que l'engagement du membre du personnel pour l'établissement d'enseignement ou pour le centre. L'on examine notamment la mesure dans laquelle le membre du personnel remplit la mission ou les obligations lui imposées par loi, décret, arrêté ou règlement et par son acte de nomination. Le rapport porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
Lors de l'évaluation d'un membre du personnel, le chef d'établissement peut se baser sur le rapport écrit d'un autre membre du personnel occupant une fonction de sélection ou de promotion et qu'il a chargé par écrit d'établir un tel rapport sur le travail du membre du personnel concerné.
L'évaluation des maîtres et professeurs de religion par le chef d'établissement ne porte ni sur leurs aptitudes didactiques pour leur spécialité ni sur le contenu de leurs cours. L'évaluation de ces domaines relève exclusivement de l'autorité compétente pour le culte concerné.
Le modèle du rapport d'évaluation est fixé par le Gouvernement.
§ 3. [2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, remet le bulletin au membre du personnel au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le membre du personnel dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le membre du personnel date et signe le rapport et le remet [2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas.
Si le membre du personnel ne remet pas le rapport et ses remarques -2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le bulletin [2 du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas,]2 qui prévaut.
[2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, adresse le rapport et les remarques du membre du personnel au pouvoir organisateur, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le pouvoir organisateur ne dispose pas d'un exemplaire du rapport établi [2 conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1]2, le rapport est nul et le membre du personnel obtient la mention du dernier rapport. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le membre du personnel signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. [3 Le membre du personnel peut signer le rapport]3 sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans un délai de dix jours à compter de sa délivrance [2 par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas]2.
Par dérogation au premier alinéa, le membre du personnel ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Dans un délai de dix jours à dater de la réception de l'avis, le pouvoir organisateur communique sa décision définitive au membre du personnel. S'il ne suit pas l'avis, il en indique les raisons.
Si un rapport porte en conclusion définitive la mention [5 "insatisfaisant" ou]5 "insuffisant", le membre du personnel est à nouveau évalué dans le courant de l'année scolaire suivante.
Le recours est suspensif.]1
§ 1er. Tout membre du personnel nommé à titre définitif, à l'exception de ceux qui exercent une fonction de promotion, peut être évalué par le chef d'établissement ou le directeur ou demander une telle évaluation par écrit auprès du chef d'établissement ou du directeur. Le moment de la demande tient compte du respect du délai mentionné au § 3, alinéa 1er, première phrase.
[2 § 1.1 - A la demande écrite et motivée du pouvoir organisateur, l'inspection scolaire participe à l'évaluation d'un membre du personnel nommé à titre définitif. Le chef d'établissement et l'inspection scolaire procèdent conjointement à l'évaluation.
En cas de plainte à l'encontre d'un membre du personnel conformément à la section 3 du décret du 25 juin 2012 relatif à l'inspection scolaire [4 , la guidance en développement scolaire et la guidance pour l'inclusion et l'intégration]4, l'inspection scolaire peut ordonner une évaluation. L'évaluation est menée conjointement par le chef d'établissement et l'inspection scolaire, l'évaluation de l'inspection scolaire se limitant aux aspects suivants :
1° elle vérifie si le membre du personnel transmet les objectifs de développement et les compétences décrites dans les référentiels;
2° elle vérifie si le membre du personnel suit les plans d'activités, programmes d'études et programmes de cours approuvés par le Gouvernement;
3° elle vérifie si le membre du personnel satisfait aux exigences fixées dans le décret du 19 avril 2004 relatif à la transmission des connaissances linguistiques et à l'emploi des langues dans l'enseignement.]2
§ 2. L'évaluation se présente sous la forme d'un rapport d'évaluation motivé comprenant entre autres des renseignements sur la fonction exercée et la durée des prestations fournies, sur les capacités et les prestations ainsi que l'engagement du membre du personnel pour l'établissement d'enseignement ou pour le centre. L'on examine notamment la mesure dans laquelle le membre du personnel remplit la mission ou les obligations lui imposées par loi, décret, arrêté ou règlement et par son acte de nomination. Le rapport porte en conclusion une des mentions suivantes : "très bon", "bon", "suffisant", insatisfaisant" ou "insuffisant".
Lors de l'évaluation d'un membre du personnel, le chef d'établissement peut se baser sur le rapport écrit d'un autre membre du personnel occupant une fonction de sélection ou de promotion et qu'il a chargé par écrit d'établir un tel rapport sur le travail du membre du personnel concerné.
L'évaluation des maîtres et professeurs de religion par le chef d'établissement ne porte ni sur leurs aptitudes didactiques pour leur spécialité ni sur le contenu de leurs cours. L'évaluation de ces domaines relève exclusivement de l'autorité compétente pour le culte concerné.
Le modèle du rapport d'évaluation est fixé par le Gouvernement.
§ 3. [2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, remet le bulletin au membre du personnel au plus tard pour le 30 avril de l'année scolaire en cours. Ensuite, le membre du personnel dispose d'un délai de sept jours au plus pour déclarer qu'il est ou non d'accord avec le rapport et pour formuler ses remarques par écrit. Les remarques sont jointes au rapport. Le membre du personnel date et signe le rapport et le remet [2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas.
Si le membre du personnel ne remet pas le rapport et ses remarques -2 au chef d'établissement, au directeur, à l'inspection scolaire]2 ou au représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, dans le délai de sept jours mentionné au premier alinéa, c'est le bulletin [2 du chef d'établissement, du directeur ou de l'inspection scolaire, selon le cas,]2 qui prévaut.
[2 Le chef d'établissement, le directeur, l'inspection scolaire]2 ou le représentant de l'autorité compétente pour le culte concerné, selon le cas, adresse le rapport et les remarques du membre du personnel au pouvoir organisateur, par recommandé ou contre remise d'un accusé de réception, pour le 15 mai au plus tard. La date du cachet de la poste ou de l'accusé de réception fait foi.
Si, au plus tard le 15 mai de l'année scolaire en cours, le pouvoir organisateur ne dispose pas d'un exemplaire du rapport établi [2 conformément à l'alinéa 1 ou 2 ou au § 1.1]2, le rapport est nul et le membre du personnel obtient la mention du dernier rapport. S'il n'y en a pas, il reçoit la mention "bon".
Le rapport est établi en trois exemplaires. Le membre du personnel signe les trois exemplaires et en conserve un.
§ 4. [3 Le membre du personnel peut signer le rapport]3 sous réserve et introduire un recours devant la chambre de recours dans un délai de dix jours à compter de sa délivrance [2 par le chef d'établissement, le directeur ou l'inspection scolaire, selon le cas]2.
Par dérogation au premier alinéa, le membre du personnel ne peut introduire aucun recours contre une mention obtenue conformément au § 3, alinéa 4.
La chambre de recours transmet un avis motivé au pouvoir organisateur dans les quarante-cinq jours suivant le jour où elle a reçu le recours. Dans un délai de dix jours à dater de la réception de l'avis, le pouvoir organisateur communique sa décision définitive au membre du personnel. S'il ne suit pas l'avis, il en indique les raisons.
Si un rapport porte en conclusion définitive la mention [5 "insatisfaisant" ou]5 "insuffisant", le membre du personnel est à nouveau évalué dans le courant de l'année scolaire suivante.
Le recours est suspensif.]1
Modifications
Art. 68. Persoonlijk dossier.
§ 1 - Voor elk definitief personeelslid wordt een persoonlijk dossier samengesteld, dat de benoemingsakte, de vaste benoeming, de dienstattesten, de beoordelingsstaten en de evaluatieverslagen, alsmede de desgevallend opgelegde tuchtmaatregelen omvat.
Het paritair comité kan de verdere inhoud van het persoonlijk dossier vastleggen.
§ 2 - Elk personeelslid heeft het recht van zijn persoonlijk dossier te allen tijde inzage te nemen.
§ 1 - Voor elk definitief personeelslid wordt een persoonlijk dossier samengesteld, dat de benoemingsakte, de vaste benoeming, de dienstattesten, de beoordelingsstaten en de evaluatieverslagen, alsmede de desgevallend opgelegde tuchtmaatregelen omvat.
Het paritair comité kan de verdere inhoud van het persoonlijk dossier vastleggen.
§ 2 - Elk personeelslid heeft het recht van zijn persoonlijk dossier te allen tijde inzage te nemen.
Art. 68. Dossier personnel.
§ 1er - Il est constitué, pour chaque membre du personnel nommé à titre définitif, un dossier personnel comprenant l'acte de désignation, la nomination définitive, les attestations de service, les bulletins de signalement et rapports d'évaluation ainsi que les éventuelles mesures disciplinaires prononcées.
La Commission paritaire peut fixer les autres données du dossier personnel.
§ 2 - Tout membre du personnel a le droit de consulter à tout moment son dossier personnel.
§ 1er - Il est constitué, pour chaque membre du personnel nommé à titre définitif, un dossier personnel comprenant l'acte de désignation, la nomination définitive, les attestations de service, les bulletins de signalement et rapports d'évaluation ainsi que les éventuelles mesures disciplinaires prononcées.
La Commission paritaire peut fixer les autres données du dossier personnel.
§ 2 - Tout membre du personnel a le droit de consulter à tout moment son dossier personnel.
HOOFDSTUK VII. - Overneming van onderwijsinrichtingen van een andere inrichtende macht.
CHAPITRE VII. - De la reprise d'établissements d'enseignement d'un autre pouvoir organisateur.
Art. 69. Voorwaarden en modaliteiten m.b.t. de overneming.
§1 - Onderstaande bepalingen zijn van toepassing wanneer een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs een (gedeelte van een) onderwijsinrichting, georganiseerd door de Duitstalige Gemeenschap of door een andere overheid, overneemt :
1° de personeelsleden die in een wervings- of selectieambt vastbenoemd zijn en zich bij de overneming, in dienstactiviteit, non-activiteit of in disponibiliteit bevinden, krijgen bij de overnemende inrichtende macht van ambtswege de hoedanigheid van vast personeelslid in het overeenstemmende ambt;
2° de personeelsleden die in een bevorderingsambt vastbenoemd zijn en zich bij de overneming, in dienstactiviteit, non-activiteit of in disponibiliteit bevinden, worden benoemd in een wervingsambt dat toegang verleent tot bedoeld bevorderingsambt met behoud van de bezoldiging die hem toegekend was voor de uitoefening van het bevorderingsambt.
[1 De diensten gepresteerd vóór de overneming door de in het eerste lid vermelde personeelsleden en de diensten gepresteerd door de personeelsleden die op 30 juni van het schooljaar eindigend in het kalenderjaar van de overneming, sinds ten minste drie maanden zijn aangesteld bij de overdragende inrichtende macht in de betrokken onderwijsinrichting worden bij de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen, alsof ze gepresteerd zouden zijn in de overnemende inrichtende macht.]1
(Zijn de geleverde diensten vóór de overneming in een wervingsambt gepresteerd dat bij de overnemende inrichtende macht niet bestaat, dan worden ze bij de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen, alsof ze gepresteerd zouden zijn in het wervingsambt dat toegang verleent tot de dienovereenkomstige selectieambt.)
De overnemingsovereenkomst gesloten tussen de betrokken inrichtende machten kan bijkomende regels vaststellen. Die regels zullen uitgewerkt worden in het paritair comité van de overnemende inrichtende macht.
§ 2 - Wanneer een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs een (gedeelte van een) inrichting voor gesubsidieerd vrij onderwijs overneemt, dan worden de voorwaarden m.b.t. de overneming in een overeenkomst vastgesteld die tussen de betrokken inrichtende machten moet worden gesloten. De desbetreffende regels zullen uitgewerkt worden in het paritair comité van de overnemende inrichtende macht.
De diensten gepresteerd door de personeelsleden vóór de overneming bij een andere inrichtende macht worden voor de berekening van de dienstanciënniteit op dezelfde wijze in aanmerking genomen als zij bij de overnemende inrichtende macht gepresteerd zouden zijn.
§1 - Onderstaande bepalingen zijn van toepassing wanneer een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs een (gedeelte van een) onderwijsinrichting, georganiseerd door de Duitstalige Gemeenschap of door een andere overheid, overneemt :
1° de personeelsleden die in een wervings- of selectieambt vastbenoemd zijn en zich bij de overneming, in dienstactiviteit, non-activiteit of in disponibiliteit bevinden, krijgen bij de overnemende inrichtende macht van ambtswege de hoedanigheid van vast personeelslid in het overeenstemmende ambt;
2° de personeelsleden die in een bevorderingsambt vastbenoemd zijn en zich bij de overneming, in dienstactiviteit, non-activiteit of in disponibiliteit bevinden, worden benoemd in een wervingsambt dat toegang verleent tot bedoeld bevorderingsambt met behoud van de bezoldiging die hem toegekend was voor de uitoefening van het bevorderingsambt.
[1 De diensten gepresteerd vóór de overneming door de in het eerste lid vermelde personeelsleden en de diensten gepresteerd door de personeelsleden die op 30 juni van het schooljaar eindigend in het kalenderjaar van de overneming, sinds ten minste drie maanden zijn aangesteld bij de overdragende inrichtende macht in de betrokken onderwijsinrichting worden bij de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen, alsof ze gepresteerd zouden zijn in de overnemende inrichtende macht.]1
(Zijn de geleverde diensten vóór de overneming in een wervingsambt gepresteerd dat bij de overnemende inrichtende macht niet bestaat, dan worden ze bij de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen, alsof ze gepresteerd zouden zijn in het wervingsambt dat toegang verleent tot de dienovereenkomstige selectieambt.)
De overnemingsovereenkomst gesloten tussen de betrokken inrichtende machten kan bijkomende regels vaststellen. Die regels zullen uitgewerkt worden in het paritair comité van de overnemende inrichtende macht.
§ 2 - Wanneer een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs een (gedeelte van een) inrichting voor gesubsidieerd vrij onderwijs overneemt, dan worden de voorwaarden m.b.t. de overneming in een overeenkomst vastgesteld die tussen de betrokken inrichtende machten moet worden gesloten. De desbetreffende regels zullen uitgewerkt worden in het paritair comité van de overnemende inrichtende macht.
De diensten gepresteerd door de personeelsleden vóór de overneming bij een andere inrichtende macht worden voor de berekening van de dienstanciënniteit op dezelfde wijze in aanmerking genomen als zij bij de overnemende inrichtende macht gepresteerd zouden zijn.
Modifications
Art. 69. Conditions et modalités de reprise.
§ 1er - Si un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionne reprend un établissement ou une partie d'établissement de l'enseignement organisé par la Communauté germanophone ou par une autre autorité publique, les conditions suivantes sont d'application :
1° les membres du personnel qui sont nommés à titre définitif dans une fonction de recrutement ou une fonction de sélection et se trouvent, au moment de la reprise, en activité de service, en non-activité ou en disponibilité, sont considérés d'office par le pouvoir organisateur repreneur comme étant nommés à titre définitif dans la fonction correspondante;
2° les membres du personnel qui, au moment de la reprise, sont nommés à titre définitif dans une fonction de promotion et se trouvent en activité de service, en non-activité ou en disponibilité sont nommés dans une fonction de recrutement menant à la fonction de promotion correspondante avec maintien de la rétribution qui leur était octroyée pour l'exercice de la fonction de promotion.
[1 En ce qui concerne le calcul de l'ancienneté, les services prestés avant la reprise par les membres du personnel visés au premier alinéa ainsi que ceux prestés par les membres du personnel qui, au 30 juin de l'année scolaire où finit l'année calendrier au cours de laquelle la reprise intervient, sont désignés depuis au moins trois mois auprès du pouvoir organisateur cédant dans l'établissement en question sont pris en compte comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur.]1
(Si les services prestés avant la reprise l'ont été dans une fonction de sélection n'existant pas auprès du pouvoir organisateur repreneur, ils sont pris en compte lors du calcul de l'ancienneté comme s'ils avaient été prestés dans la fonction de recrutement qui donne accès à la fonction de sélection correspondante.)
Le contrat de reprise qui doit être conclu entre les pouvoirs organisateurs concernés peut fixer des dispositions complémentaires. Celles-ci sont élaborées au sein de la Commission paritaire du pouvoir organisateur repreneur.
§ 2 - Si un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné reprend un établissement ou une partie d'établissement de l'enseignement libre subventionné, les modalités de reprise sont fixées dans un contrat de reprise qui doit être conclu entre les pouvoirs organisateurs concernés. Les dispositions ad hoc sont élaborées au sein de la Commission paritaire du pouvoir organisateur repreneur.
Les services prestés avant la reprise auprès d'un autre pouvoir organisateur sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur.
§ 1er - Si un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionne reprend un établissement ou une partie d'établissement de l'enseignement organisé par la Communauté germanophone ou par une autre autorité publique, les conditions suivantes sont d'application :
1° les membres du personnel qui sont nommés à titre définitif dans une fonction de recrutement ou une fonction de sélection et se trouvent, au moment de la reprise, en activité de service, en non-activité ou en disponibilité, sont considérés d'office par le pouvoir organisateur repreneur comme étant nommés à titre définitif dans la fonction correspondante;
2° les membres du personnel qui, au moment de la reprise, sont nommés à titre définitif dans une fonction de promotion et se trouvent en activité de service, en non-activité ou en disponibilité sont nommés dans une fonction de recrutement menant à la fonction de promotion correspondante avec maintien de la rétribution qui leur était octroyée pour l'exercice de la fonction de promotion.
[1 En ce qui concerne le calcul de l'ancienneté, les services prestés avant la reprise par les membres du personnel visés au premier alinéa ainsi que ceux prestés par les membres du personnel qui, au 30 juin de l'année scolaire où finit l'année calendrier au cours de laquelle la reprise intervient, sont désignés depuis au moins trois mois auprès du pouvoir organisateur cédant dans l'établissement en question sont pris en compte comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur.]1
(Si les services prestés avant la reprise l'ont été dans une fonction de sélection n'existant pas auprès du pouvoir organisateur repreneur, ils sont pris en compte lors du calcul de l'ancienneté comme s'ils avaient été prestés dans la fonction de recrutement qui donne accès à la fonction de sélection correspondante.)
Le contrat de reprise qui doit être conclu entre les pouvoirs organisateurs concernés peut fixer des dispositions complémentaires. Celles-ci sont élaborées au sein de la Commission paritaire du pouvoir organisateur repreneur.
§ 2 - Si un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné reprend un établissement ou une partie d'établissement de l'enseignement libre subventionné, les modalités de reprise sont fixées dans un contrat de reprise qui doit être conclu entre les pouvoirs organisateurs concernés. Les dispositions ad hoc sont élaborées au sein de la Commission paritaire du pouvoir organisateur repreneur.
Les services prestés avant la reprise auprès d'un autre pouvoir organisateur sont pris en considération pour calculer l'ancienneté de service comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur.
Modifications
HOOFDSTUK VIII. - Administratieve standen.
CHAPITRE VIII. - Des positions administratives.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. 70. Opsomming.
Het personeelslid bevindt zich in één van de volgende administratieve standen :
1° dienstactiviteit;
2° non-activiteit;
3° terbeschikkingstelling.
Het personeelslid bevindt zich in één van de volgende administratieve standen :
1° dienstactiviteit;
2° non-activiteit;
3° terbeschikkingstelling.
Art. 70. Enumération.
Les positions administratives dans lesquelles se trouvent les membres du personnel sont :
1° l'activité de service,
2° la non-activité,
3° la disponibilité.
Les positions administratives dans lesquelles se trouvent les membres du personnel sont :
1° l'activité de service,
2° la non-activité,
3° la disponibilité.
Afdeling 2. - Dienstactiviteit.
Section 2. - Activité de service.
Art. 71. Principe. Het personeelslid bevindt zich altijd in dienstactiviteit behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het in een andere administratieve stand plaatst.
Art. 71. Principe. Un membre du personnel est toujours censé être en activité de service sauf disposition formelle le plaçant dans une autre position administrative.
Art. 72. Recht op wedde en verlof.
§ 1 - Behoudens andersluidende bepalingen heeft een personeelslid in dienstactiviteit recht op een wedde en op de desbetreffende periodieke verhogingen.
§ 2 - Een personeelslid kan bij de inrichtende macht een verlof aanvragen onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs.
De inrichtende macht moet elk verzoek om verlof waarvoor in het gemeenschapsonderwijs een beslissing van de Regering nodig is om verder de wedde te kunnen genieten, aan de Regering ter goedkeuring voorleggen.
§ 1 - Behoudens andersluidende bepalingen heeft een personeelslid in dienstactiviteit recht op een wedde en op de desbetreffende periodieke verhogingen.
§ 2 - Een personeelslid kan bij de inrichtende macht een verlof aanvragen onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs.
De inrichtende macht moet elk verzoek om verlof waarvoor in het gemeenschapsonderwijs een beslissing van de Regering nodig is om verder de wedde te kunnen genieten, aan de Regering ter goedkeuring voorleggen.
Art. 72. Droit au traitement et aux conges.
§ 1er - Sauf dispositions contraires, un membre du personnel en activité de service a droit à un traitement et aux augmentations périodiques y relatives.
§ 2 - Un membre du personnel peut solliciter auprès du pouvoir organisateur un congé aux mêmes conditions que dans l'enseignement communautaire.
Toute demande de congé pour laquelle, dans l'enseignement communautaire, une décision du Gouvernement est nécessaire afin de garder le bénéfice du traitement est soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation du Gouvernement.
§ 1er - Sauf dispositions contraires, un membre du personnel en activité de service a droit à un traitement et aux augmentations périodiques y relatives.
§ 2 - Un membre du personnel peut solliciter auprès du pouvoir organisateur un congé aux mêmes conditions que dans l'enseignement communautaire.
Toute demande de congé pour laquelle, dans l'enseignement communautaire, une décision du Gouvernement est nécessaire afin de garder le bénéfice du traitement est soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation du Gouvernement.
Afdeling 3. - Non-activiteit.
Section 3. - Non-activité.
Art. 73. Opsomming.
Een personeelslid bevindt zich in non-activiteit in geval van [1 :]1
1° schorsing bij tuchtmaatregel;
2° op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;
3° veroorloofde langdurige afwezigheid om familiale redenen [1 ;]1
[1 4° een afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]1
Met uitzondering van het in het eerste lid, 3°, vermelde geval mag een personeelslid dat zich in de toestand van non-activiteit bevindt, zijn aanspraak op een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt niet doen gelden.
(Een personeelslid dat op onrechtvaardige wijze afwezig is, wordt van ambtswege in non-activiteit gesteld en heeft, voor de duur van zijn afwezigheid, geen recht op wedde en op tussentijdse verhogingen.)
Een personeelslid bevindt zich in non-activiteit in geval van [1 :]1
1° schorsing bij tuchtmaatregel;
2° op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;
3° veroorloofde langdurige afwezigheid om familiale redenen [1 ;]1
[1 4° een afwezigheid op grond van verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid.]1
Met uitzondering van het in het eerste lid, 3°, vermelde geval mag een personeelslid dat zich in de toestand van non-activiteit bevindt, zijn aanspraak op een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt niet doen gelden.
(Een personeelslid dat op onrechtvaardige wijze afwezig is, wordt van ambtswege in non-activiteit gesteld en heeft, voor de duur van zijn afwezigheid, geen recht op wedde en op tussentijdse verhogingen.)
Modifications
Art. 73. Enumération.
Un membre du personnel est en non-activité [1 :]1
1° lorsqu'il est suspendu de ses fonctions par mesure disciplinaire;
2° lorsqu'il a été placé en non-activité par mesure disciplinaire;
3° lorsqu'il a été autorisé à s'absenter longtemps pour raisons familiales[1 ; ]1
[1 4° lorsqu'il bénéficie d'une absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité. ]1
A l'exception du cas visé à l'alinéa 1, 3°, un membre du personnel en non-activité ne peut faire valoir ses titres à une désignation ou une nomination dans une fonction de sélection ou de promotion.
(Un membre du personnel absent sans raison valable se trouve d'office en non-activité de service et n'a droit à aucun traitement ni à aucune augmentation intercalaire pour la durée de l'absence.)
Un membre du personnel est en non-activité [1 :]1
1° lorsqu'il est suspendu de ses fonctions par mesure disciplinaire;
2° lorsqu'il a été placé en non-activité par mesure disciplinaire;
3° lorsqu'il a été autorisé à s'absenter longtemps pour raisons familiales[1 ; ]1
[1 4° lorsqu'il bénéficie d'une absence pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité. ]1
A l'exception du cas visé à l'alinéa 1, 3°, un membre du personnel en non-activité ne peut faire valoir ses titres à une désignation ou une nomination dans une fonction de sélection ou de promotion.
(Un membre du personnel absent sans raison valable se trouve d'office en non-activité de service et n'a droit à aucun traitement ni à aucune augmentation intercalaire pour la durée de l'absence.)
Modifications
Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling.
Section 4. - Mise en disponibilité.
Art. 74. Opsomming. Een vastbenoemd personeelslid kan
1° wegens ontstentenis van betrekking;
2° wegens bijzondere opdracht;
3° wegens ziekte of gebrekkigheid;
4° om persoonlijke redenen;
5° wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;
6° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst
ter beschikking gesteld worden.
[1 Het eerste lid, met uitzondering van de punten 1°, 3° en 5°, is van toepassing op de tijdelijke personeelsleden die voor een doorlopende duur [2 overeenkomstig artikel 22bis]2 aangesteld zijn.]1
1° wegens ontstentenis van betrekking;
2° wegens bijzondere opdracht;
3° wegens ziekte of gebrekkigheid;
4° om persoonlijke redenen;
5° wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;
6° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst
ter beschikking gesteld worden.
[1 Het eerste lid, met uitzondering van de punten 1°, 3° en 5°, is van toepassing op de tijdelijke personeelsleden die voor een doorlopende duur [2 overeenkomstig artikel 22bis]2 aangesteld zijn.]1
Art. 74. Enumération.
Un membre du personnel nommé à titre définitif peut être mis en disponibilité :
1° par défaut d'emploi;
2° pour mission;
3° pour maladie ou infirmité;
4° pour convenance personnelle;
5° pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
6° par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
[1 Le premier alinéa, à l'exception des points 1°, 3° et 5°, s'applique aux membres du personnel temporaires désignés pour une durée indéterminée [2 conformément à l'article 22bis]2.]1
Un membre du personnel nommé à titre définitif peut être mis en disponibilité :
1° par défaut d'emploi;
2° pour mission;
3° pour maladie ou infirmité;
4° pour convenance personnelle;
5° pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
6° par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
[1 Le premier alinéa, à l'exception des points 1°, 3° et 5°, s'applique aux membres du personnel temporaires désignés pour une durée indéterminée [2 conformément à l'article 22bis]2.]1
Art. 75. Modaliteiten m.b.t. de terbeschikkingstelling.
§ 1. Met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst gebeurt de terbeschikkingstelling onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs. Dit geldt eveneens voor de toekenning van een wachtweddetoelage.
De inrichtende macht moet elke terbeschikkingstelling waarvoor in het gemeenschapsonderwijs een beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde nodig is om verder een wachtwedde te genieten, aan de Regering ter goedkeuring voorleggen.
§ 2. Slechts een personeelslid dat met toepassing van [1 artikel 74, lid 1, 1°, 2° en 3°]1, ter beschikking werd gesteld, mag zijn aanspraken op een tijdelijke aanstelling of op een vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt doen gelden.
§ 3. [3 Met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht mag geen enkel personeelslid ter beschikking gesteld worden of in disponibiliteit blijven wanneer het aan de voorwaarden voldoet om met rustpensioen te gaan.]3
[2 § 4. § 3 is niet van toepassing wanneer het personeelslid [3 gebruik maakt]3 van de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat, vermeld in artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.]2
§ 1. Met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst gebeurt de terbeschikkingstelling onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs. Dit geldt eveneens voor de toekenning van een wachtweddetoelage.
De inrichtende macht moet elke terbeschikkingstelling waarvoor in het gemeenschapsonderwijs een beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde nodig is om verder een wachtwedde te genieten, aan de Regering ter goedkeuring voorleggen.
§ 2. Slechts een personeelslid dat met toepassing van [1 artikel 74, lid 1, 1°, 2° en 3°]1, ter beschikking werd gesteld, mag zijn aanspraken op een tijdelijke aanstelling of op een vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt doen gelden.
§ 3. [3 Met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht mag geen enkel personeelslid ter beschikking gesteld worden of in disponibiliteit blijven wanneer het aan de voorwaarden voldoet om met rustpensioen te gaan.]3
[2 § 4. § 3 is niet van toepassing wanneer het personeelslid [3 gebruik maakt]3 van de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat, vermeld in artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.]2
Art. 75. Modalités de mise en disponibilité.
§ 1er. A l'exception de la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service, la mise en disponibilité s'effectue aux mêmes conditions que dans l'enseignement communautaire. Ceci vaut également pour l'octroi d'une subvention-traitement d'attente.
Toute mise en disponibilité pour laquelle une décision du Gouvernement ou de son délégué est nécessaire en vue de l'octroi du traitement d'attente dans l'enseignement communautaire doit être soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation du Gouvernement.
§ 2. Seul un membre du personnel mis en disponibilité en application de [1 l'article 74, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°]1, peut faire valoir ses titres à une désignation ou une nomination dans une fonction de sélection ou de promotion.
§ 3. [3 A l'exception de la mise en disponibilité pour mission spéciale, aucun membre du personnel ne peut être mis ou rester en disponibilité lorsqu'il remplit les conditions requises pour être admis à la pension de retraite.]3
[2 § 4. La disposition du § 3 ne s'applique pas lorsque le membre du personnel [3 bénéficie]3, de la mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, telle que prévue à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux.]2
§ 1er. A l'exception de la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service, la mise en disponibilité s'effectue aux mêmes conditions que dans l'enseignement communautaire. Ceci vaut également pour l'octroi d'une subvention-traitement d'attente.
Toute mise en disponibilité pour laquelle une décision du Gouvernement ou de son délégué est nécessaire en vue de l'octroi du traitement d'attente dans l'enseignement communautaire doit être soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation du Gouvernement.
§ 2. Seul un membre du personnel mis en disponibilité en application de [1 l'article 74, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°]1, peut faire valoir ses titres à une désignation ou une nomination dans une fonction de sélection ou de promotion.
§ 3. [3 A l'exception de la mise en disponibilité pour mission spéciale, aucun membre du personnel ne peut être mis ou rester en disponibilité lorsqu'il remplit les conditions requises pour être admis à la pension de retraite.]3
[2 § 4. La disposition du § 3 ne s'applique pas lorsque le membre du personnel [3 bénéficie]3, de la mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la mise à la retraite, telle que prévue à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux.]2
Art. 76. Modaliteiten m.b.t. de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst.
§ 1 - De terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wordt door de inrichtende macht ter goedkeuring van de Regering voorgelegd.
§ 2 - De inrichtende macht betekent het personeelslid een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst per aangetekende brief. Deze aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Binnen een termijn van 20 dagen na de betekening van het voorstel tot terbeschikkingstelling kan het personeelslid ertegen een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep. Het beroep is opschortend.
Binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het beroep van het personeelslid zendt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht.
Ten laatste 30 dagen na de ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing aan het personeelslid mede, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
De inrichtende macht vermeldt desgevallend waarom het advies niet gevolgd wordt.
Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, dan kan de terbeschikkingstelling uitsluitend in onderlinge overeenstemming met de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, worden uitgevoerd.
§ 3 - Het personeelslid dat wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ter beschikking wordt gesteld, verkrijgt een wachtwedde berekend op basis van de bepalingen die van toepassing zijn in het gemeenschapsonderwijs.
§ 1 - De terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wordt door de inrichtende macht ter goedkeuring van de Regering voorgelegd.
§ 2 - De inrichtende macht betekent het personeelslid een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst per aangetekende brief. Deze aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
Binnen een termijn van 20 dagen na de betekening van het voorstel tot terbeschikkingstelling kan het personeelslid ertegen een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep. Het beroep is opschortend.
Binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het beroep van het personeelslid zendt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht.
Ten laatste 30 dagen na de ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing aan het personeelslid mede, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
De inrichtende macht vermeldt desgevallend waarom het advies niet gevolgd wordt.
Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, dan kan de terbeschikkingstelling uitsluitend in onderlinge overeenstemming met de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, worden uitgevoerd.
§ 3 - Het personeelslid dat wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ter beschikking wordt gesteld, verkrijgt een wachtwedde berekend op basis van de bepalingen die van toepassing zijn in het gemeenschapsonderwijs.
Art. 76. Modalités de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
§ 1er - La mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service est soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation du Gouvernement.
§ 2 - Le pouvoir organisateur notifie au membre du personnel, par recommandé, une proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service. Ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Dans un délai de vingt jours à dater de la notification, le membre du personnel peut introduire devant la chambre de recours compétente un recours contre la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service. Le recours est suspensif.
Dans un délai de nonante jours à dater du jour où elle a reçu le recours du membre du personnel, la chambre de recours transmet un avis motivé au membre du personnel et au pouvoir organisateur.
Au plus tard 30 jours après la réception de l'avis émis par la chambre de recours, le pouvoir organisateur communique sa décision au membre du personnel par exploit d'huissier ou par recommandé qui produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Le cas échéant, le pouvoir organisateur mentionne les raisons pour lesquelles il n'a pas suivi l'avis.
S'il s'agit d'un professeur ou maître de religion, la mise en disponibilité ne peut intervenir que de commun accord avec l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
§ 3 - Le membre du personnel mis en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service perçoit un traitement d'attente calculé sur la base des dispositions applicables dans l'enseignement communautaire.
§ 1er - La mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service est soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation du Gouvernement.
§ 2 - Le pouvoir organisateur notifie au membre du personnel, par recommandé, une proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service. Ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Dans un délai de vingt jours à dater de la notification, le membre du personnel peut introduire devant la chambre de recours compétente un recours contre la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service. Le recours est suspensif.
Dans un délai de nonante jours à dater du jour où elle a reçu le recours du membre du personnel, la chambre de recours transmet un avis motivé au membre du personnel et au pouvoir organisateur.
Au plus tard 30 jours après la réception de l'avis émis par la chambre de recours, le pouvoir organisateur communique sa décision au membre du personnel par exploit d'huissier ou par recommandé qui produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Le cas échéant, le pouvoir organisateur mentionne les raisons pour lesquelles il n'a pas suivi l'avis.
S'il s'agit d'un professeur ou maître de religion, la mise en disponibilité ne peut intervenir que de commun accord avec l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe.
§ 3 - Le membre du personnel mis en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service perçoit un traitement d'attente calculé sur la base des dispositions applicables dans l'enseignement communautaire.
HOOFDSTUK IX. - Definitieve ambtsneerlegging.
CHAPITRE IX. - De la cessation définitive des fonctions.
Art. 77. Beëindiging van rechtswege van een aanstelling of benoeming.
Onverminderd de bepalingen betreffende de beëindiging van de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van rechtswege zonder opzegging wanneer de personeelsleden niet meer voldoen aan één van de volgende voorwaarden :
1° a) [1 één van de voorwaarden vermeld in artikel 20, § 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 37, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden;]1
b) de politieke en burgerlijke rechten genieten;
c) aan de dienstplichtwetten voldoen.
2° na een veroorloofde afwezigheid, zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan 10 dagen afwezig blijven;
3° zonder geldige reden hun betrekking verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;
4° zich in de gevallen bevinden waarin de toepassing van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
5° wegens een overeenkomstig de wet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen;
6° na hun terugroeping in dienstactiviteit zonder geldige reden weigeren de door de inrichtende macht toegewezen betrekking te bekleden;
7° na de in artikel 16, lid 4, bedoelde beroepsmogelijkheid te hebben uitgeput, verder weigeren een einde te maken aan een vastgestelde onverenigbaarheid;
8° onregelmatig tijdelijk aangesteld of vastbenoemd zijn geweest, indien de onregelmatigheid :
a) ofwel binnen 60 dagen na de aanstelling resp. benoeming is vastgesteld;
b) ofwel door een bedrieglijke handeling vanwege het personeelslid veroorzaakt is;
c) ofwel zo zwaar is dat de aanstelling resp. de benoeming als niet bestaand moet worden geacht;
9° wegens het bereiken van de leeftijdsgrens op pensioen gesteld zijn.
De inrichtende macht verwittigt het personeelslid van de ambtsneerlegging hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief. Zij vermeldt er de reden van.
In het onder lid 1, 8°, bedoelde geval behoudt het personeelslid de verworven rechten verbonden aan zijn voorafgaande stand.
Onverminderd de bepalingen betreffende de beëindiging van de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van rechtswege zonder opzegging wanneer de personeelsleden niet meer voldoen aan één van de volgende voorwaarden :
1° a) [1 één van de voorwaarden vermeld in artikel 20, § 1, 1°, voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden of in artikel 37, lid 1, 1°, voor de vastbenoemde personeelsleden;]1
b) de politieke en burgerlijke rechten genieten;
c) aan de dienstplichtwetten voldoen.
2° na een veroorloofde afwezigheid, zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan 10 dagen afwezig blijven;
3° zonder geldige reden hun betrekking verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;
4° zich in de gevallen bevinden waarin de toepassing van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
5° wegens een overeenkomstig de wet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen;
6° na hun terugroeping in dienstactiviteit zonder geldige reden weigeren de door de inrichtende macht toegewezen betrekking te bekleden;
7° na de in artikel 16, lid 4, bedoelde beroepsmogelijkheid te hebben uitgeput, verder weigeren een einde te maken aan een vastgestelde onverenigbaarheid;
8° onregelmatig tijdelijk aangesteld of vastbenoemd zijn geweest, indien de onregelmatigheid :
a) ofwel binnen 60 dagen na de aanstelling resp. benoeming is vastgesteld;
b) ofwel door een bedrieglijke handeling vanwege het personeelslid veroorzaakt is;
c) ofwel zo zwaar is dat de aanstelling resp. de benoeming als niet bestaand moet worden geacht;
9° wegens het bereiken van de leeftijdsgrens op pensioen gesteld zijn.
De inrichtende macht verwittigt het personeelslid van de ambtsneerlegging hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief. Zij vermeldt er de reden van.
In het onder lid 1, 8°, bedoelde geval behoudt het personeelslid de verworven rechten verbonden aan zijn voorafgaande stand.
Modifications
Art. 77. Cessation d'office d'une désignation ou d'une nomination.
Sans préjudice des dispositions relatives à la cessation d'une désignation temporaire dans une fonction de recrutement, une désignation à titre temporaire ou une nomination à titre définitif prend fin d'office sans préavis si les membres du personnel cessent de répondre à l'une des conditions suivantes :
1° a) [1 une des conditions énoncées à l'article 20, § 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 37, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommes à titre définitif;]1
b) jouir des droits civils et politiques;
c) satisfaire aux lois sur la milice;
2° négligent sans motif valable, après une absence autorisée, de reprendre leur service et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
3° abandonnent, sans motif valable, leur emploi et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
4° se trouvent dans les cas où l'application des lois pénales entraîne la cessation des fonctions;
5° sont dans une situation d'incapacité permanente de travail, reconnue conformément à la loi ou au règlement, qui les empêche de remplir correctement leurs fonctions;
6° refusent, sans motif valable, après avoir été rappelés en activité de service, d'occuper l'emploi attribué par le pouvoir organisateur;
7° continuent de refuser, après épuisement de la possibilité de recours visée à l'article 16, alinéa 4, de mettre fin à une incompatibilité;
8° ont été désignés ou nommés de façon irrégulière, dans l'un des cas suivants :
a) l'irrégularité a été constatée dans les soixante jours suivant la désignation ou la nomination;
b) l'irrégularité est le fait d'une manoeuvre frauduleuse dans le chef du membre du personnel;
c) l'irrégularité est d'une gravité telle que la désignation ou la nomination doit être considérée comme nulle et non avenue;
9° sont mis à la retraite parce qu'ils ont atteint la limite d'âge.
Le pouvoir organisateur informe le membre du personnel de la cessation définitive des fonctions par exploit d'huissier ou par recommandé. Il invoque le motif de la cessation des fonctions.
Dans le cas visé à l'alinéa 1, 8°, le membre du personnel conserve les droits acquis liés à sa situation précédente.
Sans préjudice des dispositions relatives à la cessation d'une désignation temporaire dans une fonction de recrutement, une désignation à titre temporaire ou une nomination à titre définitif prend fin d'office sans préavis si les membres du personnel cessent de répondre à l'une des conditions suivantes :
1° a) [1 une des conditions énoncées à l'article 20, § 1er, 1°, pour les membres du personnel désignés à titre temporaire ou à l'article 37, alinéa 1er, 1°, pour les membres du personnel nommes à titre définitif;]1
b) jouir des droits civils et politiques;
c) satisfaire aux lois sur la milice;
2° négligent sans motif valable, après une absence autorisée, de reprendre leur service et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
3° abandonnent, sans motif valable, leur emploi et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
4° se trouvent dans les cas où l'application des lois pénales entraîne la cessation des fonctions;
5° sont dans une situation d'incapacité permanente de travail, reconnue conformément à la loi ou au règlement, qui les empêche de remplir correctement leurs fonctions;
6° refusent, sans motif valable, après avoir été rappelés en activité de service, d'occuper l'emploi attribué par le pouvoir organisateur;
7° continuent de refuser, après épuisement de la possibilité de recours visée à l'article 16, alinéa 4, de mettre fin à une incompatibilité;
8° ont été désignés ou nommés de façon irrégulière, dans l'un des cas suivants :
a) l'irrégularité a été constatée dans les soixante jours suivant la désignation ou la nomination;
b) l'irrégularité est le fait d'une manoeuvre frauduleuse dans le chef du membre du personnel;
c) l'irrégularité est d'une gravité telle que la désignation ou la nomination doit être considérée comme nulle et non avenue;
9° sont mis à la retraite parce qu'ils ont atteint la limite d'âge.
Le pouvoir organisateur informe le membre du personnel de la cessation définitive des fonctions par exploit d'huissier ou par recommandé. Il invoque le motif de la cessation des fonctions.
Dans le cas visé à l'alinéa 1, 8°, le membre du personnel conserve les droits acquis liés à sa situation précédente.
Modifications
Art. 78. Beëindiging van een vaste benoeming.
Een vaste benoeming neemt ook een einde :
1° bij vrijwillig ontslag van het personeelslid;
2° bij ontslag van rechtswege;
3° [1 als op het evaluatieverslag van het personeelslid de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat en het personeelslid in het voorgaande schooljaar ook al een evaluatieverslag met de vermelding "niet tevredenstellend" of "onvoldoende" heeft gekregen;]1
4° [1 ...]1
Bij vrijwillig ontslag mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten als het door de inrichtende macht daartoe gemachtigd is of na inachtneming van een opzeggingstermijn van [2 dertig]2 dagen. De opzegging wordt aan de inrichtende macht per aangetekende brief betekend, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Op straffe van nietigheid moet de betekening de duur van de opzegging vermelden.
Wanneer de beëindiging van de vaste benoeming de toepassing met zich brengt van artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, stort de Duitstalige Gemeenschap het in dat artikel bepaald bedrag aan de Rijksdienst voor sociale Zekerheid.
Een vaste benoeming neemt ook een einde :
1° bij vrijwillig ontslag van het personeelslid;
2° bij ontslag van rechtswege;
3° [1 als op het evaluatieverslag van het personeelslid de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat en het personeelslid in het voorgaande schooljaar ook al een evaluatieverslag met de vermelding "niet tevredenstellend" of "onvoldoende" heeft gekregen;]1
4° [1 ...]1
Bij vrijwillig ontslag mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten als het door de inrichtende macht daartoe gemachtigd is of na inachtneming van een opzeggingstermijn van [2 dertig]2 dagen. De opzegging wordt aan de inrichtende macht per aangetekende brief betekend, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Op straffe van nietigheid moet de betekening de duur van de opzegging vermelden.
Wanneer de beëindiging van de vaste benoeming de toepassing met zich brengt van artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, stort de Duitstalige Gemeenschap het in dat artikel bepaald bedrag aan de Rijksdienst voor sociale Zekerheid.
Art. 78. Fin d'une nomination à titre définitif.
Une nomination à titre définitif prend également fin :
1° lorsque le membre du personnel démissionne volontairement;
2° par licenciement d'office;
3° [1 lorsque le rapport d'évaluation du membre du personnel porte en conclusion la mention "insuffisant" et si ledit membre du personnel a déjà obtenu un rapport d'évaluation portant l'une des mentions "insatisfaisant" ou "insuffisant" au cours de l'année scolaire précédente;]1
4° [1 ...]1.
En cas de démission volontaire, le membre du personnel ne peut abandonner son service qu'à condition d'y avoir été autorisé par le pouvoir organisateur ou après avoir respecté un préavis de [2 trente jours]2. Le préavis est notifié au pouvoir organisateur par recommandé; ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition. A peine de nullité, le recommandé indique la durée du préavis.
Lorsque la cessation de la nomination définitive entraîne l'application de l'article 10 de la loi du 20 juillet 1991 portant dispositions sociales et diverses, la Communauté germanophone verse à l'Office national de Sécurité sociale le montant prévu à cet article.
Une nomination à titre définitif prend également fin :
1° lorsque le membre du personnel démissionne volontairement;
2° par licenciement d'office;
3° [1 lorsque le rapport d'évaluation du membre du personnel porte en conclusion la mention "insuffisant" et si ledit membre du personnel a déjà obtenu un rapport d'évaluation portant l'une des mentions "insatisfaisant" ou "insuffisant" au cours de l'année scolaire précédente;]1
4° [1 ...]1.
En cas de démission volontaire, le membre du personnel ne peut abandonner son service qu'à condition d'y avoir été autorisé par le pouvoir organisateur ou après avoir respecté un préavis de [2 trente jours]2. Le préavis est notifié au pouvoir organisateur par recommandé; ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition. A peine de nullité, le recommandé indique la durée du préavis.
Lorsque la cessation de la nomination définitive entraîne l'application de l'article 10 de la loi du 20 juillet 1991 portant dispositions sociales et diverses, la Communauté germanophone verse à l'Office national de Sécurité sociale le montant prévu à cet article.
HOOFDSTUK X. - Tuchtregeling.
CHAPITRE X. - Du régime disciplinaire.
Afdeling 1. - Tuchtmaatregelen.
Section 1re. - Mesures disciplinaires.
Art. 79. Opsomming.
§ 1 - Indien de vastbenoemde [2 overeenkomstig artikel 22bis]2 [1 en de voor een doorlopende duur tijdelijk aangestelde]1 personeelsleden hun plichten niet nakomen, kunnen zij één van de volgende tuchtstraffen oplopen :
1° de terechtwijzing;
2° de blaam;
3° de inhouding van wedde;
4° de schorsing bij tuchtmaatregel;
5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;
6° [1 ...]1
6° [1 (vroeger 7°)]1 het ontslag van rechtswege.
§ 2 - Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, kan de tuchtstraf slechts op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, of met haar toestemming op voordracht van de inrichtende macht opgelegd worden
§ 1 - Indien de vastbenoemde [2 overeenkomstig artikel 22bis]2 [1 en de voor een doorlopende duur tijdelijk aangestelde]1 personeelsleden hun plichten niet nakomen, kunnen zij één van de volgende tuchtstraffen oplopen :
1° de terechtwijzing;
2° de blaam;
3° de inhouding van wedde;
4° de schorsing bij tuchtmaatregel;
5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;
6° [1 ...]1
6° [1 (vroeger 7°)]1 het ontslag van rechtswege.
§ 2 - Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, kan de tuchtstraf slechts op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, of met haar toestemming op voordracht van de inrichtende macht opgelegd worden
Art. 79. Enumération.
§ 1er - Les membres du personnel nommés à titre définitif [1 ou désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée]1 [2 conformément à l'article 22bis]2 peuvent, s'ils manquent à leurs devoirs, encourir les peines suivantes :
1° le rappel à l'ordre;
2° le blâme;
3° la retenue sur traitement;
4° la suspension disciplinaire;
5° la mise en non-activité par mesure disciplinaire;
6° [1 ...]1
6° [1 (ancien 7°)]1 le licenciement d'office.
§ 2 - S'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, la peine disciplinaire ne peut être imposée que sur proposition de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe, ou sur proposition du pouvoir organisateur avec l'accord de celle-ci.
§ 1er - Les membres du personnel nommés à titre définitif [1 ou désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée]1 [2 conformément à l'article 22bis]2 peuvent, s'ils manquent à leurs devoirs, encourir les peines suivantes :
1° le rappel à l'ordre;
2° le blâme;
3° la retenue sur traitement;
4° la suspension disciplinaire;
5° la mise en non-activité par mesure disciplinaire;
6° [1 ...]1
6° [1 (ancien 7°)]1 le licenciement d'office.
§ 2 - S'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, la peine disciplinaire ne peut être imposée que sur proposition de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe, ou sur proposition du pouvoir organisateur avec l'accord de celle-ci.
Art. 80. Procedure.
§ 1 - Behoudens de regeling bedoeld in het tweede lid worden de tuchtmaatregelen door de tot benoemen bevoegde overheid uitgesproken.
In de onderwijsinrichtingen of in de psycho-medisch-sociale centra die door een gemeente, door de provincie, door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door een intercommunale worden georganiseerd, worden de terechtwijzing, de blaam en de inhouding van wedde in afwijking van het eerste lid door het college van burgemeester en schepenen, door de bestendige deputatie van de provincieraad, door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of door de beheerraad opgelegd.
Na overleg met het college van burgemeester en schepenen, de bestendige deputatie van de provincieraad, de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of de beheerraad, indien de inrichtende macht een gemeente, een provincie, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een intercommunale is, betekent het inrichtingshoofd of de directeur van het PMS-centrum aan het personeelslid, na hem gehoord te hebben, het voorstel tot tuchtstraf per aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
In afwijking van lid 3 stelt de inrichtende macht de straf voor als de maatregel het schoolhoofd of de directeur van het PMS-centrum betreft.
Binnen twintig dagen na de betekening kan het personeelslid, vóór de bevoegde raad van beroep, een beroep aantekenen tegen het voorstel tot tuchtstraf.
Het beroep is opschortend.
§ 2 - Binnen negentig dagen na de datum van ontvangst van het door het personeelslid aangetekend beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht.
§ 3 - Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, is steeds het advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst vereist, indien die instantie bestaat.
§ 4 - Ten laatste 30 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht het personeelslid haar beslissing mede ofwel bij een gerechtsdeurwaarderexploot ofwel bij een aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Zij vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt.
§ 5 - De in de §§ 1 tot 4 vermelde procedure kan op een vastbenoemd personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is en bij een andere inrichtende macht in dienstactiviteit teruggeroepen is of weder aangesteld is, ook gelijktijdig door beide inrichtende machten toegepast worden.
Om de in het eerste lid vermelde gemeenschappelijke toepassing mogelijk te maken, informeert de inrichtende macht waarbij het personeelslid teruggeroepen is of weder aangesteld is schriftelijk de inrichtende macht waarbij het vastbenoemd is over de opzet om een tuchtprocedure in te stellen.
De tuchtstraf kan door beide inrichtende machten of door één inrichtende macht opgelegd worden; in dit laatste geval heeft de tuchtstraf slechts tegenover deze inrichtende macht uitwerking.
§ 1 - Behoudens de regeling bedoeld in het tweede lid worden de tuchtmaatregelen door de tot benoemen bevoegde overheid uitgesproken.
In de onderwijsinrichtingen of in de psycho-medisch-sociale centra die door een gemeente, door de provincie, door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door een intercommunale worden georganiseerd, worden de terechtwijzing, de blaam en de inhouding van wedde in afwijking van het eerste lid door het college van burgemeester en schepenen, door de bestendige deputatie van de provincieraad, door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of door de beheerraad opgelegd.
Na overleg met het college van burgemeester en schepenen, de bestendige deputatie van de provincieraad, de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of de beheerraad, indien de inrichtende macht een gemeente, een provincie, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een intercommunale is, betekent het inrichtingshoofd of de directeur van het PMS-centrum aan het personeelslid, na hem gehoord te hebben, het voorstel tot tuchtstraf per aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum.
In afwijking van lid 3 stelt de inrichtende macht de straf voor als de maatregel het schoolhoofd of de directeur van het PMS-centrum betreft.
Binnen twintig dagen na de betekening kan het personeelslid, vóór de bevoegde raad van beroep, een beroep aantekenen tegen het voorstel tot tuchtstraf.
Het beroep is opschortend.
§ 2 - Binnen negentig dagen na de datum van ontvangst van het door het personeelslid aangetekend beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht.
§ 3 - Indien het een leermeester of leraar godsdienst betreft, is steeds het advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst vereist, indien die instantie bestaat.
§ 4 - Ten laatste 30 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht het personeelslid haar beslissing mede ofwel bij een gerechtsdeurwaarderexploot ofwel bij een aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Zij vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt.
§ 5 - De in de §§ 1 tot 4 vermelde procedure kan op een vastbenoemd personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is en bij een andere inrichtende macht in dienstactiviteit teruggeroepen is of weder aangesteld is, ook gelijktijdig door beide inrichtende machten toegepast worden.
Om de in het eerste lid vermelde gemeenschappelijke toepassing mogelijk te maken, informeert de inrichtende macht waarbij het personeelslid teruggeroepen is of weder aangesteld is schriftelijk de inrichtende macht waarbij het vastbenoemd is over de opzet om een tuchtprocedure in te stellen.
De tuchtstraf kan door beide inrichtende machten of door één inrichtende macht opgelegd worden; in dit laatste geval heeft de tuchtstraf slechts tegenover deze inrichtende macht uitwerking.
Art. 80. Procédure.
§ 1er - Sans préjudice de la règle énoncée à l'alinéa 2, les peines disciplinaires sont prononcées par l'autorité qui exerce le pouvoir de nomination.
Dans les établissements d'enseignement ou centres P.M.S. organisés par une commune, par la Province, par un centre public d'aide sociale ou par une intercommunale, ce sont le Collège des bourgmestre et échevins, la Députation permanente du conseil provincial, le conseil de l'aide sociale ou le conseil d'administration qui, par dérogation à l'alinéa 1, prononcent le rappel à l'ordre, le blâme et la retenue sur traitement.
Après concertation avec le collège des bourgmestre et échevins, la Députation permanente du conseil provincial, le conseil de l'aide sociale ou le conseil d'administration si le pouvoir organisateur est une commune, une Province, un centre public d'aide sociale ou une intercommunale, et après avoir entendu le membre du personnel, le chef d'établissement ou le directeur du centre P.M.S. lui notifie une proposition de peine disciplinaire par recommandé, lequel produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition.
Si la mesure est prise à l'encontre du chef d'établissement ou du directeur du centre P.M.S., c'est le pouvoir organisateur qui propose la peine, par dérogation à l'alinéa 3.
Dans un délai de vingt jours à dater de la notification, le membre du personnel peut exercer, devant la chambre de recours compétente, un recours contre la proposition de peine disciplinaire.
Le recours est suspensif.
§ 2 - La chambre de recours transmet, dans un délai de nonante jours à dater de la réception du recours introduit par le membre du personnel, un avis motivé au membre du personnel et au pouvoir organisateur.
§ 3 - S'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, l'avis de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe, est toujours requis.
§ 4 - Au plus tard 30 jours après réception de l'avis de la chambre de recours, le pouvoir organisateur communique sa décision au membre du personnel par exploit d'huissier ou par recommandé; ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition. S'il ne suit pas l'avis, il en mentionne les raisons.
§ 5 - La procédure visée dans les §§ 1er à 4 peut également être appliquée simultanément et conjointement par deux pouvoirs organisateurs pour un membre du personnel nommé à titre définitif après qu'il a été mis en disponibilité par défaut d'emploi et rappelé en service ou remis au travail auprès d'un autre pouvoir organisateur.
Afin de permettre l'application conjointe visée à l'alinéa 1, le pouvoir organisateur auprès duquel le membre du personnel a été rappelé en service ou remis au travail informe par écrit le pouvoir organisateur auprès duquel il a été nommé à titre définitif quant à l'intention d'entamer une procédure disciplinaire.
La peine disciplinaire peut être prononcée par les deux pouvoirs organisateurs ou par un seul d'entre eux; dans ce cas, elle n'est exécutoire que vis-à-vis de ce pouvoir organisateur.
§ 1er - Sans préjudice de la règle énoncée à l'alinéa 2, les peines disciplinaires sont prononcées par l'autorité qui exerce le pouvoir de nomination.
Dans les établissements d'enseignement ou centres P.M.S. organisés par une commune, par la Province, par un centre public d'aide sociale ou par une intercommunale, ce sont le Collège des bourgmestre et échevins, la Députation permanente du conseil provincial, le conseil de l'aide sociale ou le conseil d'administration qui, par dérogation à l'alinéa 1, prononcent le rappel à l'ordre, le blâme et la retenue sur traitement.
Après concertation avec le collège des bourgmestre et échevins, la Députation permanente du conseil provincial, le conseil de l'aide sociale ou le conseil d'administration si le pouvoir organisateur est une commune, une Province, un centre public d'aide sociale ou une intercommunale, et après avoir entendu le membre du personnel, le chef d'établissement ou le directeur du centre P.M.S. lui notifie une proposition de peine disciplinaire par recommandé, lequel produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition.
Si la mesure est prise à l'encontre du chef d'établissement ou du directeur du centre P.M.S., c'est le pouvoir organisateur qui propose la peine, par dérogation à l'alinéa 3.
Dans un délai de vingt jours à dater de la notification, le membre du personnel peut exercer, devant la chambre de recours compétente, un recours contre la proposition de peine disciplinaire.
Le recours est suspensif.
§ 2 - La chambre de recours transmet, dans un délai de nonante jours à dater de la réception du recours introduit par le membre du personnel, un avis motivé au membre du personnel et au pouvoir organisateur.
§ 3 - S'il s'agit d'un maître ou professeur de religion, l'avis de l'autorité compétente pour le culte concerné, si cette autorité existe, est toujours requis.
§ 4 - Au plus tard 30 jours après réception de l'avis de la chambre de recours, le pouvoir organisateur communique sa décision au membre du personnel par exploit d'huissier ou par recommandé; ce recommandé produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition. S'il ne suit pas l'avis, il en mentionne les raisons.
§ 5 - La procédure visée dans les §§ 1er à 4 peut également être appliquée simultanément et conjointement par deux pouvoirs organisateurs pour un membre du personnel nommé à titre définitif après qu'il a été mis en disponibilité par défaut d'emploi et rappelé en service ou remis au travail auprès d'un autre pouvoir organisateur.
Afin de permettre l'application conjointe visée à l'alinéa 1, le pouvoir organisateur auprès duquel le membre du personnel a été rappelé en service ou remis au travail informe par écrit le pouvoir organisateur auprès duquel il a été nommé à titre définitif quant à l'intention d'entamer une procédure disciplinaire.
La peine disciplinaire peut être prononcée par les deux pouvoirs organisateurs ou par un seul d'entre eux; dans ce cas, elle n'est exécutoire que vis-à-vis de ce pouvoir organisateur.
Art. 81. Modaliteiten m.b.t. de inhouding van wedde.
Een inhouding van wedde wordt opgelegd voor ten minste één maand en ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van het bruto bedrag van de laatste activiteitswedde of wachtwedde bedragen.
Een inhouding van wedde wordt opgelegd voor ten minste één maand en ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van het bruto bedrag van de laatste activiteitswedde of wachtwedde bedragen.
Art. 81. Modalités de la retenue sur traitement.
Une retenue sur traitement est appliquée pendant un mois au moins et trois mois au plus et ne peut excéder 1/5 du dernier traitement brut d'activité ou du traitement d'attente.
Une retenue sur traitement est appliquée pendant un mois au moins et trois mois au plus et ne peut excéder 1/5 du dernier traitement brut d'activité ou du traitement d'attente.
Art. 82. Modaliteiten m.b.t. de schorsing.
De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het bruto bedrag van zijn laatste activiteitswedde of wachtwedde.
De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het bruto bedrag van zijn laatste activiteitswedde of wachtwedde.
Art. 82. Modalités de la suspension.
La suspension par mesure disciplinaire est prononcée pour un an au maximum. Le membre du personnel est écarté de ses fonctions et bénéficie de la moitié de son dernier traitement brut d'activité ou de son traitement d'attente.
La suspension par mesure disciplinaire est prononcée pour un an au maximum. Le membre du personnel est écarté de ses fonctions et bénéficie de la moitié de son dernier traitement brut d'activité ou de son traitement d'attente.
Art. 83. Modaliteiten m.b.t. de op non-activiteitstelling.
De op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar en niet meer dan 5 jaar duren.
Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de eerste twee jaar een wachtwedde die gelijk is aan de helft van zijn activiteitswedde. Zonder dat dit bedrag mag worden overschreden, wordt de wachtwedde vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou bekomen als hij voortijdig op pensioen was gesteld.
Na de helft van de duur van zijn straf mag het personeelslid erom vragen, opnieuw in het onderwijs te worden opgenomen.
De op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar en niet meer dan 5 jaar duren.
Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de eerste twee jaar een wachtwedde die gelijk is aan de helft van zijn activiteitswedde. Zonder dat dit bedrag mag worden overschreden, wordt de wachtwedde vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou bekomen als hij voortijdig op pensioen was gesteld.
Na de helft van de duur van zijn straf mag het personeelslid erom vragen, opnieuw in het onderwijs te worden opgenomen.
Art. 83. Modalités de la mise en non-activité.
La durée de mise en non-activité par mesure disciplinaire ne peut être inférieure à 1 an ni supérieure à 5 ans.
Le membre du personnel est écarté de ses fonctions et bénéficie pendant les deux premières années, d'un traitement d'attente égal à la moitié du traitement d'activité. Sans pouvoir jamais dépasser ce dernier montant, le traitement d'attente est fixé ensuite au taux de la pension que l'intéressé obtiendrait s'il était admis prématurément à la retraite.
Après avoir subi la moitié de sa peine, le membre du personnel peut demander sa réintégration dans l'enseignement.
La durée de mise en non-activité par mesure disciplinaire ne peut être inférieure à 1 an ni supérieure à 5 ans.
Le membre du personnel est écarté de ses fonctions et bénéficie pendant les deux premières années, d'un traitement d'attente égal à la moitié du traitement d'activité. Sans pouvoir jamais dépasser ce dernier montant, le traitement d'attente est fixé ensuite au taux de la pension que l'intéressé obtiendrait s'il était admis prématurément à la retraite.
Après avoir subi la moitié de sa peine, le membre du personnel peut demander sa réintégration dans l'enseignement.
Art. 84. Minimumbedrag in geval van inhouding van wedde of toekenning van een wachtwedde.
De inhouding van wedde of de toekenning van een wachtwedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder bedraagt dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in het stelsel van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers.
De inhouding van wedde of de toekenning van een wachtwedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder bedraagt dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in het stelsel van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers.
Art. 84. Montant minimal en cas de retenue sur traitement ou d'attribution d'un traitement d'attente.
La retenue sur traitement ou l'attribution d'un traitement d'attente ne peut avoir pour conséquence que le traitement du membre du personnel soit ramené à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
La retenue sur traitement ou l'attribution d'un traitement d'attente ne peut avoir pour conséquence que le traitement du membre du personnel soit ramené à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art. 85. [1 In geval van strafvervolging kan de tuchtprocedure voortgezet worden, indien de inrichtende macht een met redenen omklede beslissing in die zin neemt.
De tuchtstraf wordt door de inrichtende macht bekrachtigd, ingetrokken of aangepast binnen zes maanden na de dag waarop een rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.]1
De tuchtstraf wordt door de inrichtende macht bekrachtigd, ingetrokken of aangepast binnen zes maanden na de dag waarop een rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.]1
Modifications
Art. 85. [1 En cas de poursuites pénales, la procédure disciplinaire pourra être poursuivie si le pouvoir organisateur prend une décision motivée allant dans ce sens.
La peine disciplinaire est confirmée, retirée ou adaptée par le pouvoir organisateur dans les six mois suivant le jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.]1
La peine disciplinaire est confirmée, retirée ou adaptée par le pouvoir organisateur dans les six mois suivant le jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.]1
Modifications
Afdeling 2. - Doorhaling van een tuchtstraf.
Section 2. - Radiation des peines disciplinaires.
Art. 86. Doorhaling.
De doorhaling van een tuchtstraf geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgelegd op :
1° één jaar voor de terechtwijzing en de blaam;
2° drie jaar voor de inhouding van wedde;
3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;
4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel.
De termijn loopt vanaf de dag waarop de tuchtstraf is uitgesproken.
Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden, inzonderheid voor het recht op een selectie- of bevorderingsambt. De doorgehaalde tuchtstraf wordt van het dossier van het personeelslid geschrapt.
De doorhaling van een tuchtstraf geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgelegd op :
1° één jaar voor de terechtwijzing en de blaam;
2° drie jaar voor de inhouding van wedde;
3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;
4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel.
De termijn loopt vanaf de dag waarop de tuchtstraf is uitgesproken.
Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden, inzonderheid voor het recht op een selectie- of bevorderingsambt. De doorgehaalde tuchtstraf wordt van het dossier van het personeelslid geschrapt.
Art. 86. Radiation.
La radiation d'une peine disciplinaire se fait d'office après un délai dont la durée est fixée à :
1° un an pour le rappel à l'ordre et le blâme;
2° trois ans pour la retenue sur traitement;
3° cinq ans pour la suspension disciplinaire;
4° sept ans pour la mise en non-activité par mesure disciplinaire.
Le délai prend cours à la date où est prononcée la peine disciplinaire.
Sans préjudice de l'exécution de la peine disciplinaire, la radiation de cette peine a pour conséquence qu'il ne peut plus en être tenu compte, notamment pour les droits à une fonction de sélection ou de promotion. La mesure disciplinaire radiée est supprimée du dossier personnel.
La radiation d'une peine disciplinaire se fait d'office après un délai dont la durée est fixée à :
1° un an pour le rappel à l'ordre et le blâme;
2° trois ans pour la retenue sur traitement;
3° cinq ans pour la suspension disciplinaire;
4° sept ans pour la mise en non-activité par mesure disciplinaire.
Le délai prend cours à la date où est prononcée la peine disciplinaire.
Sans préjudice de l'exécution de la peine disciplinaire, la radiation de cette peine a pour conséquence qu'il ne peut plus en être tenu compte, notamment pour les droits à une fonction de sélection ou de promotion. La mesure disciplinaire radiée est supprimée du dossier personnel.
HOOFDSTUK XI. - Raad van beroep.
CHAPITRE XI. - De la chambre de recours.
Art. 87. Oprichting.
Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt een raad van beroep opgericht, belast met de beroepen bedoeld in de artikelen 16, 28, 30, 67 en 80.
Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt een raad van beroep opgericht, belast met de beroepen bedoeld in de artikelen 16, 28, 30, 67 en 80.
Art. 87. Installation.
Il est institué, pour l'enseignement officiel subventionné, une chambre de recours qui examine les recours visés aux articles 16, 28, 30, 67 et 80.
Il est institué, pour l'enseignement officiel subventionné, une chambre de recours qui examine les recours visés aux articles 16, 28, 30, 67 et 80.
Art. 88. Samenstelling.
§ 1 - De raad van beroep is samengesteld uit
1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Voor elke categorie zijn er evenveel plaatsvervangers als werkende leden;
2° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters;
3° een secretaris en een adjunct-secretaris.
De werkende leden en de plaatsvervangers van de raad van beroep worden door de Regering aangewezen op voordracht van de met toepassing van de wet van 19 december1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 representatieve vakorganisaties van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële PMS-centra. Bij gebrek aan overeenstemming tussen die inrichtende machten of tussen die organisaties kan de Regering beslissen.
De Regering wijst de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters aan onder de magistraten [1 die in dienstactiviteit zijn of op rust gesteld zijn]1.
§ 2 - Het aantal leden van de raad van beroep en de duur van hun mandaat worden door de Regering bepaald. De raad telt ten minste drie werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en drie werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen.
§ 1 - De raad van beroep is samengesteld uit
1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Voor elke categorie zijn er evenveel plaatsvervangers als werkende leden;
2° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters;
3° een secretaris en een adjunct-secretaris.
De werkende leden en de plaatsvervangers van de raad van beroep worden door de Regering aangewezen op voordracht van de met toepassing van de wet van 19 december1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 representatieve vakorganisaties van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële PMS-centra. Bij gebrek aan overeenstemming tussen die inrichtende machten of tussen die organisaties kan de Regering beslissen.
De Regering wijst de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters aan onder de magistraten [1 die in dienstactiviteit zijn of op rust gesteld zijn]1.
§ 2 - Het aantal leden van de raad van beroep en de duur van hun mandaat worden door de Regering bepaald. De raad telt ten minste drie werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en drie werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen.
Modifications
Art. 88. Composition.
§ 1- La chambre de recours est composée :
1° d'un nombre égal de représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné. Il y a, pour chaque catégorie, autant de membres suppléants que de membres effectifs;
2° d'un président et de deux présidents suppléants;
3° d'un secrétaire et d'un secrétaire adjoint.
Les membres effectifs et suppléants des chambres de recours sont désignés par le Gouvernement sur proposition des pouvoirs organisateurs et des organisations syndicales représentatives de l'enseignement officiel subventionne et des centres P.M.S. officiels subventionnés en application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et en application de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. A défaut d'accord au sein de ces pouvoirs organisateurs ou organisations, le Gouvernement peut trancher.
Les président et présidents suppléants sont choisis par le Gouvernement parmi les magistrats en activité [1 de service ou retraités]1.
§ 2 - Le Gouvernement fixe le nombre de membres de la chambre de recours ainsi que la durée de leur mandat. La chambre de recours compte au moins trois membres effectifs représentant les pouvoirs organisateurs et trois membres effectifs représentant le personnel.
§ 1- La chambre de recours est composée :
1° d'un nombre égal de représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné. Il y a, pour chaque catégorie, autant de membres suppléants que de membres effectifs;
2° d'un président et de deux présidents suppléants;
3° d'un secrétaire et d'un secrétaire adjoint.
Les membres effectifs et suppléants des chambres de recours sont désignés par le Gouvernement sur proposition des pouvoirs organisateurs et des organisations syndicales représentatives de l'enseignement officiel subventionne et des centres P.M.S. officiels subventionnés en application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et en application de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. A défaut d'accord au sein de ces pouvoirs organisateurs ou organisations, le Gouvernement peut trancher.
Les président et présidents suppléants sont choisis par le Gouvernement parmi les magistrats en activité [1 de service ou retraités]1.
§ 2 - Le Gouvernement fixe le nombre de membres de la chambre de recours ainsi que la durée de leur mandat. La chambre de recours compte au moins trois membres effectifs représentant les pouvoirs organisateurs et trois membres effectifs représentant le personnel.
Modifications
Art. 89. Huishoudelijk reglement.
De raad van beroep maakt zijn huishoudelijk reglement op, dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt.
De raad van beroep maakt zijn huishoudelijk reglement op, dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt.
Art. 89. Règlement d'ordre intérieur.
La chambre de recours élabore son règlement d'ordre intérieur, qu'elle soumet à l'approbation du Gouvernement.
La chambre de recours élabore son règlement d'ordre intérieur, qu'elle soumet à l'approbation du Gouvernement.
Art. 90. Wraking en ontlasting van leden.
Zodra een zaak voorgelegd is aan de raad van beroep, deelt de voorzitter aan het personeelslid en aan de inrichtende macht de lijst mee van de werkende leden en plaatsvervangers. Binnen 10 dagen na ontvangst van die lijst kan zowel het personeelslid als de inrichtende macht de wraking van ten hoogste twee leden aanvragen. Zij mogen evenwel niet tegelijkertijd een werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken.
Een lid mag om ontlasting verzoeken als het van oordeel is dat het ter zake morele belangen heeft of als het vreest dat zijn onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken. De voorzitter beslist of er al dan niet aan de aanvraag gevolg wordt gegeven. Hij kan ook een lid om dezelfde redenen ontlasten.
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangers mogen geen zitting hebben in een zaak die betrekking heeft op hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.
Zodra een zaak voorgelegd is aan de raad van beroep, deelt de voorzitter aan het personeelslid en aan de inrichtende macht de lijst mee van de werkende leden en plaatsvervangers. Binnen 10 dagen na ontvangst van die lijst kan zowel het personeelslid als de inrichtende macht de wraking van ten hoogste twee leden aanvragen. Zij mogen evenwel niet tegelijkertijd een werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken.
Een lid mag om ontlasting verzoeken als het van oordeel is dat het ter zake morele belangen heeft of als het vreest dat zijn onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken. De voorzitter beslist of er al dan niet aan de aanvraag gevolg wordt gegeven. Hij kan ook een lid om dezelfde redenen ontlasten.
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangers mogen geen zitting hebben in een zaak die betrekking heeft op hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.
Art. 90. Récusation et décharge de membres.
Dès que la chambre de recours est saisie d'une affaire, le président communique au membre du personnel et au pouvoir organisateur la liste des membres effectifs et suppléants. Dans les dix jours qui suivent la réception de cette liste, le membre du personnel et le pouvoir organisateur peuvent demander la récusation de deux membres au maximum. Toutefois, ils ne peuvent récuser en même temps un membre effectif et son suppléant.
Un membre peut demander à être déchargé s'il estime avoir un intérêt moral en la cause ou s'il croit que l'on pourrait douter de son impartialité. Le président décide si une suite sera réservée à cette demande. Il peut aussi décharger un membre pour les mêmes motifs.
Le président, les présidents suppléants, les membres effectifs et les membres suppléants ne peuvent siéger dans une affaire concernant leur conjoint ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré inclusivement.
Dès que la chambre de recours est saisie d'une affaire, le président communique au membre du personnel et au pouvoir organisateur la liste des membres effectifs et suppléants. Dans les dix jours qui suivent la réception de cette liste, le membre du personnel et le pouvoir organisateur peuvent demander la récusation de deux membres au maximum. Toutefois, ils ne peuvent récuser en même temps un membre effectif et son suppléant.
Un membre peut demander à être déchargé s'il estime avoir un intérêt moral en la cause ou s'il croit que l'on pourrait douter de son impartialité. Le président décide si une suite sera réservée à cette demande. Il peut aussi décharger un membre pour les mêmes motifs.
Le président, les présidents suppléants, les membres effectifs et les membres suppléants ne peuvent siéger dans une affaire concernant leur conjoint ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré inclusivement.
Art. 91. Procedure.
[1 ...]1 na ontvangst van het beroep worden de partijen door de voorzitter opgeroepen.
Het personeelslid en de inrichtende macht worden door de raad van beroep gehoord.
Het personeelslid kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van één der in artikel 88 vermelde representatieve vakorganisaties, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van deze inrichtende machten behartigt.
De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en getuigen horen.
Het niet verschijnen van het personeelslid resp. zijn vertegenwoordiger of van de inrichtende macht resp. de vertegenwoordiger ervan belet in geen geval de raad van beroep uitspraak te doen.
[1 ...]1 na ontvangst van het beroep worden de partijen door de voorzitter opgeroepen.
Het personeelslid en de inrichtende macht worden door de raad van beroep gehoord.
Het personeelslid kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van één der in artikel 88 vermelde representatieve vakorganisaties, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van deze inrichtende machten behartigt.
De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en getuigen horen.
Het niet verschijnen van het personeelslid resp. zijn vertegenwoordiger of van de inrichtende macht resp. de vertegenwoordiger ervan belet in geen geval de raad van beroep uitspraak te doen.
Modifications
Art. 91. Procédure.
Les parties sont convoquées par le président [1 dès]1 la réception du recours.
Le membre du personnel et le pouvoir organisateur sont entendus par la chambre de recours.
Le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un délégué d'une organisation syndicale représentative visée à l'article 88, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné qui sont en activité de service, en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite ou pensionnés.
Le pouvoir organisateur peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les représentants des pouvoirs organisateurs de l'enseignement officiel subventionné ou par un délégué d'une association qui défend les intérêts du pouvoir organisateur.
La chambre de recours peut ordonner une enquête complémentaire et entendre des témoins.
La non-comparution du membre du personnel, du pouvoir organisateur ou de leur représentant n'empêche pas la chambre de recours de statuer en l'affaire.
Les parties sont convoquées par le président [1 dès]1 la réception du recours.
Le membre du personnel et le pouvoir organisateur sont entendus par la chambre de recours.
Le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un délégué d'une organisation syndicale représentative visée à l'article 88, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné qui sont en activité de service, en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite ou pensionnés.
Le pouvoir organisateur peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les représentants des pouvoirs organisateurs de l'enseignement officiel subventionné ou par un délégué d'une association qui défend les intérêts du pouvoir organisateur.
La chambre de recours peut ordonner une enquête complémentaire et entendre des témoins.
La non-comparution du membre du personnel, du pouvoir organisateur ou de leur représentant n'empêche pas la chambre de recours de statuer en l'affaire.
Modifications
Art. 92. Aanwezigheids- en stemmenquorum.
De raad van beroep mag slechts geldig beraadslagen, indien ten minste twee leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen, aanwezig zijn. Er moeten evenveel vertegenwoordigers van de inrichtende machten als vertegenwoordigers van het personeel aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer bij loting aangewezen leden.
Als het in vorig lid bedoelde aanwezigheidsquorum niet bereikt wordt, roept de voorzitter binnen vijftien dagen een nieuwe vergadering bijeen. Op die vergadering kan beslist worden, ongeacht het aantal aanwezige leden van elke groep.
De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden zijn stemgerechtigd.
Het met redenen omkleed advies wordt uitgebracht na geheime stemming, bij gewone meerderheid van de stemmen. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend.
De raad van beroep mag slechts geldig beraadslagen, indien ten minste twee leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen, aanwezig zijn. Er moeten evenveel vertegenwoordigers van de inrichtende machten als vertegenwoordigers van het personeel aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer bij loting aangewezen leden.
Als het in vorig lid bedoelde aanwezigheidsquorum niet bereikt wordt, roept de voorzitter binnen vijftien dagen een nieuwe vergadering bijeen. Op die vergadering kan beslist worden, ongeacht het aantal aanwezige leden van elke groep.
De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden zijn stemgerechtigd.
Het met redenen omkleed advies wordt uitgebracht na geheime stemming, bij gewone meerderheid van de stemmen. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend.
Art. 92. Quorum de présences et de vote.
La chambre de recours ne peut délibérer valablement que si au moins deux membres représentant les pouvoirs organisateurs et deux membres représentant les membres du personnel sont présents. Les représentants des pouvoirs organisateurs et ceux des membres du personnel doivent être en nombre égal pour prendre part au vote. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination du vote d'un ou de plusieurs membres après tirage au sort.
Si le quorum requis pour délibérer valablement, visé à l'alinéa précédent, n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion dans les quinze jours. Au cours de cette réunion, une décision pourra être prise quel que soit le nombre de membres présents pour chaque groupe.
Ont voix délibérative les représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel.
L'avis motivé est émis après un vote secret acquis à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante
La chambre de recours ne peut délibérer valablement que si au moins deux membres représentant les pouvoirs organisateurs et deux membres représentant les membres du personnel sont présents. Les représentants des pouvoirs organisateurs et ceux des membres du personnel doivent être en nombre égal pour prendre part au vote. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination du vote d'un ou de plusieurs membres après tirage au sort.
Si le quorum requis pour délibérer valablement, visé à l'alinéa précédent, n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion dans les quinze jours. Au cours de cette réunion, une décision pourra être prise quel que soit le nombre de membres présents pour chaque groupe.
Ont voix délibérative les représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel.
L'avis motivé est émis après un vote secret acquis à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante
Art. 93. Mededeling van het advies.
Het met redenen omkleed advies van de raad van beroep wordt binnen 5 dagen na de vergadering waarop de raad zijn advies heeft uitgebracht per aangetekende brief aan de partijen medegedeeld.
Het met redenen omkleed advies van de raad van beroep wordt binnen 5 dagen na de vergadering waarop de raad zijn advies heeft uitgebracht per aangetekende brief aan de partijen medegedeeld.
Art. 93. Communication de l'avis.
L'avis motivé de la chambre de recours est communiqué aux parties par lettre recommandée dans les cinq jours qui suivent la réunion au cours de laquelle il a été émis.
L'avis motivé de la chambre de recours est communiqué aux parties par lettre recommandée dans les cinq jours qui suivent la réunion au cours de laquelle il a été émis.
Art. 94. Werkingskosten en vergoedingen.
De werkingskosten van de raad van beroep vallen ten laste van de Gemeenschap.
De Regering bepaalt het presentiegeld waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters alsook de reiskostenvergoeding waarop de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de leden aanspraak hebben.
De werkingskosten van de raad van beroep vallen ten laste van de Gemeenschap.
De Regering bepaalt het presentiegeld waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters alsook de reiskostenvergoeding waarop de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de leden aanspraak hebben.
Art. 94. Frais de fonctionnement et indemnités.
Les frais de fonctionnement de la chambre de recours sont à charge de la Communauté.
Le Gouvernement détermine les jetons de présence auxquels le président et les présidents suppléants ont droit ainsi que les indemnités pour frais de déplacement auxquels ont droit le président, les présidents suppléants et les membres.
Les frais de fonctionnement de la chambre de recours sont à charge de la Communauté.
Le Gouvernement détermine les jetons de présence auxquels le président et les présidents suppléants ont droit ainsi que les indemnités pour frais de déplacement auxquels ont droit le président, les présidents suppléants et les membres.
HOOFDSTUK XII. - Preventieve schorsing.
CHAPITRE XII. - De la suspension préventive.
Art. 94bis. [1 Toepassingsgebied
Voorliggend hoofdstuk is van toepassing op alle personeelsleden die vastbenoemd of [2 overeenkomstig artikel 22bis]2 voor een doorlopende duur tijdelijk aangesteld zijn.]1
Voorliggend hoofdstuk is van toepassing op alle personeelsleden die vastbenoemd of [2 overeenkomstig artikel 22bis]2 voor een doorlopende duur tijdelijk aangesteld zijn.]1
Art. 94bis. [1 Champ d'application
Le présent chapitre s'applique à tous les membres du personnel nommés à titre définitif ou désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée [2 conformément à l'article 22bis]2.]1
Le présent chapitre s'applique à tous les membres du personnel nommés à titre définitif ou désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée [2 conformément à l'article 22bis]2.]1
Art. 95. Toepassing en procedure.
§ 1 - De preventieve schorsing is een administratieve maatregel zonder disciplinair karakter. Zij heeft de verwijdering van het personeelslid uit zijn ambt tot gevolg.
In de volgende gevallen kan een personeelslid preventief geschorst worden als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist :
1° bij strafrechtelijke vervolgingen;
2° [1 vóór of in de loop van een tuchtprocedure;]1
3° vanaf het moment waarop de aangetekende brief uitwerking heeft waarmee de inrichtende macht het personeelslid daarvan verwittigt dat een onverenigbaarheid vastgesteld is;
4° vanaf het ogenblik waar de aangetekende brief waarmee de inrichtende macht aan het personeelslid het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst betekent, uitwerking heeft.
§ 2 - Vóór elke maatregel houdende preventieve schorsing wordt het personeelslid door de inrichtende macht voor een verhoor opgeroepen.
De oproeping alsmede de motivering van de preventieve schorsing worden aan het personeelslid betekend ofwel per aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzending ervan ofwel per brief met ontvangstbewijs welke uitwerking heeft op de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Het verhoor vindt ten vroegste plaats op de tweede werkdag na de dag waarop de oproeping uitwerking heeft.
Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van één der in artikel 88 bedoelde representatieve vakorganisaties, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
Binnen de drie werkdagen na de dag waarop het verhoor gepland is, deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede, zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger bij het verhoor niet verschenen is; de beslissing heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzending van de aangetekende brief.
§ 3 - In afwijking van § 2, lid 1, kan een personeelslid in de volgende gevallen onmiddellijk uit zijn ambt verwijderd worden :
1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;
2° wanneer de ten last gestelde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid in de onderwijsinrichting in het belang van de dienst of van het onderwijs niet wenselijk is.
De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt ten laatste op de derde werkdag na de dag genomen waarop de inrichtende macht van de feiten kennis neemt.
Ten laatste de derde werkdag na de dag waarop de inrichtende macht de maatregel bedoeld in het eerste lid heeft genomen, past ze de procedure bedoeld in § 2 toe; zo niet eindigt de verwijdering uit het ambt na afloop van die termijn. Het personeelslid kan dan slechts met toepassing van de procedure bedoeld in § 2 voor dezelfde feiten uit zijn ambt verwijderd worden.
§ 4 - De duur van de preventieve schorsing mag één jaar niet overschrijden. Dit geldt niet bij strafrechtelijke vervolgingen.
De preventieve schorsing verstrijkt [2 in het geval van § 1, tweede lid, 2°,]2 na 45 dagen, indien het voorstel tot tuchtstraf bedoeld in artikel 80, § 1, leden 3 en 4, niet binnen die termijn aan het personeelslid betekend is. Zij verstrijkt eveneens op de laatste dag waarop de inrichtende macht met toepassing van artikel 80, § 4, een beslissing moet nemen na ontvangst van het advies van de raad van beroep.
§ 5 - Vanaf de datum waarop de preventieve schorsing uitgesproken wordt in het kader van een tuchtprocedure, wordt ze om de drie maanden door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting schriftelijk bekrachtigd.
Die bekrachtiging wordt aan de betrokkene per aangetekende brief betekend. Bij ontstentenis ervan binnen de gestelde termijn [2 hervat het personeelslid zijn werk,]2 indien het ten minste 10 werkdagen voordat het zijn werk hervat de inrichtende macht per aangetekende brief verwittigd heeft.
Na ontvangst van die mededeling kan de inrichtende macht het voortbestaan van de preventieve schorsing bekrachtigen volgens de hierboven beschreven procedure.
§ 1 - De preventieve schorsing is een administratieve maatregel zonder disciplinair karakter. Zij heeft de verwijdering van het personeelslid uit zijn ambt tot gevolg.
In de volgende gevallen kan een personeelslid preventief geschorst worden als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist :
1° bij strafrechtelijke vervolgingen;
2° [1 vóór of in de loop van een tuchtprocedure;]1
3° vanaf het moment waarop de aangetekende brief uitwerking heeft waarmee de inrichtende macht het personeelslid daarvan verwittigt dat een onverenigbaarheid vastgesteld is;
4° vanaf het ogenblik waar de aangetekende brief waarmee de inrichtende macht aan het personeelslid het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst betekent, uitwerking heeft.
§ 2 - Vóór elke maatregel houdende preventieve schorsing wordt het personeelslid door de inrichtende macht voor een verhoor opgeroepen.
De oproeping alsmede de motivering van de preventieve schorsing worden aan het personeelslid betekend ofwel per aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzending ervan ofwel per brief met ontvangstbewijs welke uitwerking heeft op de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Het verhoor vindt ten vroegste plaats op de tweede werkdag na de dag waarop de oproeping uitwerking heeft.
Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van één der in artikel 88 bedoelde representatieve vakorganisaties, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
Binnen de drie werkdagen na de dag waarop het verhoor gepland is, deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede, zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger bij het verhoor niet verschenen is; de beslissing heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzending van de aangetekende brief.
§ 3 - In afwijking van § 2, lid 1, kan een personeelslid in de volgende gevallen onmiddellijk uit zijn ambt verwijderd worden :
1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;
2° wanneer de ten last gestelde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid in de onderwijsinrichting in het belang van de dienst of van het onderwijs niet wenselijk is.
De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt ten laatste op de derde werkdag na de dag genomen waarop de inrichtende macht van de feiten kennis neemt.
Ten laatste de derde werkdag na de dag waarop de inrichtende macht de maatregel bedoeld in het eerste lid heeft genomen, past ze de procedure bedoeld in § 2 toe; zo niet eindigt de verwijdering uit het ambt na afloop van die termijn. Het personeelslid kan dan slechts met toepassing van de procedure bedoeld in § 2 voor dezelfde feiten uit zijn ambt verwijderd worden.
§ 4 - De duur van de preventieve schorsing mag één jaar niet overschrijden. Dit geldt niet bij strafrechtelijke vervolgingen.
De preventieve schorsing verstrijkt [2 in het geval van § 1, tweede lid, 2°,]2 na 45 dagen, indien het voorstel tot tuchtstraf bedoeld in artikel 80, § 1, leden 3 en 4, niet binnen die termijn aan het personeelslid betekend is. Zij verstrijkt eveneens op de laatste dag waarop de inrichtende macht met toepassing van artikel 80, § 4, een beslissing moet nemen na ontvangst van het advies van de raad van beroep.
§ 5 - Vanaf de datum waarop de preventieve schorsing uitgesproken wordt in het kader van een tuchtprocedure, wordt ze om de drie maanden door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting schriftelijk bekrachtigd.
Die bekrachtiging wordt aan de betrokkene per aangetekende brief betekend. Bij ontstentenis ervan binnen de gestelde termijn [2 hervat het personeelslid zijn werk,]2 indien het ten minste 10 werkdagen voordat het zijn werk hervat de inrichtende macht per aangetekende brief verwittigd heeft.
Na ontvangst van die mededeling kan de inrichtende macht het voortbestaan van de preventieve schorsing bekrachtigen volgens de hierboven beschreven procedure.
Art. 95. Application et procédure.
§ 1er - La suspension préventive est une mesure administrative sans caractère disciplinaire. Elle a pour effet d'écarter le membre du personnel de ses fonctions.
Dans les cas suivants, le membre du personnel peut être suspendu préventivement de ses fonctions lorsque l'intérêt du service ou de l'enseignement l'exige :
1° lors de poursuites pénales;
2° [1 avant ou pendant une procédure disciplinaire;]1
3° à partir du moment où prend cours le recommandé par lequel le pouvoir organisateur informe le membre du personnel qu'une incompatibilité a été constatée;
4° à partir du moment où prend cours le recommandé par lequel le pouvoir organisateur transmet au membre du personnel la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
§ 2 - Avant toute mesure de suspension préventive, le membre du personnel est convoqué par le pouvoir organisateur pour être entendu.
La convocation ainsi que les motifs justifiant la suspension préventive sont notifiés au membre du personnel soit par recommandé produisant ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition, soit par lettre avec accusé de réception, lettre produisant ses effets à la date indiquée sur l'accusé de réception. L'audition a lieu au plus tôt le deuxième jour ouvrable suivant le jour où la convocation produit ses effets.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un délégué d'une organisation syndicale représentative visée à l'article 88, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné qui sont en activité de service, mis en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite ou pensionnés.
Dans les trois jours ouvrables suivant le jour où l'audition était prévue, le pouvoir organisateur communique sa décision par recommandé au membre du personnel, même si ce dernier ou son représentant n'a pas comparu à l'audience. Cette décision produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant l'expédition du recommandé.
§ 3 - Par dérogation au § 2, alinéa 1, un membre du personnel peut être immédiatement écarté de ses fonctions dans les cas suivants :
1° lorsqu'il y a faute grave avec flagrant délit;
2° lorsque les faits reprochés sont d'une gravité telle que, dans l'intérêt du service ou de l'enseignement, sa présence dans l'école n'est pas indiquée.
La mesure visée au premier alinéa est prise au plus tard le troisième jour ouvrable suivant le jour où le pouvoir organisateur prend connaissance des faits.
Au plus tard le troisième jour ouvrable suivant celui où il a pris la mesure visée à l'alinéa 1, le pouvoir organisateur applique la mesure visée au § 2, sinon, l'écartement des fonctions cesse au terme de ce délai. Le membre du personnel ne peut alors être à nouveau écarté de ses fonctions pour les mêmes faits qu'en application de la procédure visée au § 2.
§ 4 - La durée de la suspension préventive ne peut dépasser un an. Ceci ne vaut pas dans le cas d'une poursuite pénale.
La suspension préventive expire [2 dans le cas prévu au § 1er, alinéa 2, 2°]2 après 45 jours lorsque la proposition de peine disciplinaire visée à l'article 80, § 1, alinéas 3 et 4, n'a pas été notifiée dans ce délai au membre du personnel. Elle expire également le jour ultime où le pouvoir organisateur, après réception de l'avis de la chambre de recours, doit prendre une décision en application de l'article 80, § 4.
§ 5 - La suspension préventive dans le cadre d'une procédure disciplinaire fait l'objet d'une confirmation écrite par le pouvoir organisateur tous les trois mois à dater de la prise d'effet.
Cette confirmation est notifiée à l'intéresse par lettre recommandée. A défaut de confirmation de la suspension préventive dans le délai requis, [2 le membre du personnel concerné réintègre ses fonctions]2 après en avoir informé le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement, par lettre recommandée, au moins dix jours ouvrables avant la reprise effective du travail.
Apres réception de cette notification, le pouvoir organisateur peut confirmer le maintien de la suspension préventive, selon la procédure décrite ci-avant.
§ 1er - La suspension préventive est une mesure administrative sans caractère disciplinaire. Elle a pour effet d'écarter le membre du personnel de ses fonctions.
Dans les cas suivants, le membre du personnel peut être suspendu préventivement de ses fonctions lorsque l'intérêt du service ou de l'enseignement l'exige :
1° lors de poursuites pénales;
2° [1 avant ou pendant une procédure disciplinaire;]1
3° à partir du moment où prend cours le recommandé par lequel le pouvoir organisateur informe le membre du personnel qu'une incompatibilité a été constatée;
4° à partir du moment où prend cours le recommandé par lequel le pouvoir organisateur transmet au membre du personnel la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
§ 2 - Avant toute mesure de suspension préventive, le membre du personnel est convoqué par le pouvoir organisateur pour être entendu.
La convocation ainsi que les motifs justifiant la suspension préventive sont notifiés au membre du personnel soit par recommandé produisant ses effets le troisième jour ouvrable suivant son expédition, soit par lettre avec accusé de réception, lettre produisant ses effets à la date indiquée sur l'accusé de réception. L'audition a lieu au plus tôt le deuxième jour ouvrable suivant le jour où la convocation produit ses effets.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un délégué d'une organisation syndicale représentative visée à l'article 88, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné qui sont en activité de service, mis en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite ou pensionnés.
Dans les trois jours ouvrables suivant le jour où l'audition était prévue, le pouvoir organisateur communique sa décision par recommandé au membre du personnel, même si ce dernier ou son représentant n'a pas comparu à l'audience. Cette décision produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant l'expédition du recommandé.
§ 3 - Par dérogation au § 2, alinéa 1, un membre du personnel peut être immédiatement écarté de ses fonctions dans les cas suivants :
1° lorsqu'il y a faute grave avec flagrant délit;
2° lorsque les faits reprochés sont d'une gravité telle que, dans l'intérêt du service ou de l'enseignement, sa présence dans l'école n'est pas indiquée.
La mesure visée au premier alinéa est prise au plus tard le troisième jour ouvrable suivant le jour où le pouvoir organisateur prend connaissance des faits.
Au plus tard le troisième jour ouvrable suivant celui où il a pris la mesure visée à l'alinéa 1, le pouvoir organisateur applique la mesure visée au § 2, sinon, l'écartement des fonctions cesse au terme de ce délai. Le membre du personnel ne peut alors être à nouveau écarté de ses fonctions pour les mêmes faits qu'en application de la procédure visée au § 2.
§ 4 - La durée de la suspension préventive ne peut dépasser un an. Ceci ne vaut pas dans le cas d'une poursuite pénale.
La suspension préventive expire [2 dans le cas prévu au § 1er, alinéa 2, 2°]2 après 45 jours lorsque la proposition de peine disciplinaire visée à l'article 80, § 1, alinéas 3 et 4, n'a pas été notifiée dans ce délai au membre du personnel. Elle expire également le jour ultime où le pouvoir organisateur, après réception de l'avis de la chambre de recours, doit prendre une décision en application de l'article 80, § 4.
§ 5 - La suspension préventive dans le cadre d'une procédure disciplinaire fait l'objet d'une confirmation écrite par le pouvoir organisateur tous les trois mois à dater de la prise d'effet.
Cette confirmation est notifiée à l'intéresse par lettre recommandée. A défaut de confirmation de la suspension préventive dans le délai requis, [2 le membre du personnel concerné réintègre ses fonctions]2 après en avoir informé le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement, par lettre recommandée, au moins dix jours ouvrables avant la reprise effective du travail.
Apres réception de cette notification, le pouvoir organisateur peut confirmer le maintien de la suspension préventive, selon la procédure décrite ci-avant.
Art. 96. Inhouding van wedde.
§ 1. In de volgende gevallen wordt de wedde van een preventief geschorst personeelslid tot de helft van zijn bruto activiteitswedde teruggebracht :
1° als het strafrechtelijk vervolgd en in beschuldiging gesteld is;
2° (als hem het voorstel m.b.t. één van de tuchtmaatregelen betekend wordt die in artikel 79, § 1, 4°, [1 5° en 6°]1, opgenomen zijn.)
In het geval bedoeld in lid 1, 1°, gebeurt de inhouding op de eerste dag van de maand volgende op degene waar het personeelslid in beschuldiging gesteld is.
In het geval bedoeld in lid 1, 2°, gebeurt de inhouding op de dag waarop het voorstel betekend wordt.
§ 2 - De inhouding van wedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder bedraagt dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in het stelsel van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers.
§ 1. In de volgende gevallen wordt de wedde van een preventief geschorst personeelslid tot de helft van zijn bruto activiteitswedde teruggebracht :
1° als het strafrechtelijk vervolgd en in beschuldiging gesteld is;
2° (als hem het voorstel m.b.t. één van de tuchtmaatregelen betekend wordt die in artikel 79, § 1, 4°, [1 5° en 6°]1, opgenomen zijn.)
In het geval bedoeld in lid 1, 1°, gebeurt de inhouding op de eerste dag van de maand volgende op degene waar het personeelslid in beschuldiging gesteld is.
In het geval bedoeld in lid 1, 2°, gebeurt de inhouding op de dag waarop het voorstel betekend wordt.
§ 2 - De inhouding van wedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder bedraagt dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in het stelsel van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers.
Modifications
Art. 96. Retenue sur traitement.
§ 1er - Le traitement d'un membre du personnel suspendu préventivement est fixé à la moitié de son traitement brut d'activité dans les cas suivants :
1° s'il fait l'objet de poursuites pénales et a été mis en accusation;
2° (si la proposition relative à l'une des mesures disciplinaires énoncées à l'article 79, § 1er, 4°, [1 5° et 6°]1, lui a été notifiée.)
Dans le cas visé à l'alinéa 1, 1°, la retenue s'opère le premier jour du mois suivant celui où le membre du personnel a été mis en accusation.
Dans le cas visé à l'alinéa 1, 2°, la retenue s'opère le jour de la notification de la proposition.
§ 2 - La retenue sur traitement ne peut avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
§ 1er - Le traitement d'un membre du personnel suspendu préventivement est fixé à la moitié de son traitement brut d'activité dans les cas suivants :
1° s'il fait l'objet de poursuites pénales et a été mis en accusation;
2° (si la proposition relative à l'une des mesures disciplinaires énoncées à l'article 79, § 1er, 4°, [1 5° et 6°]1, lui a été notifiée.)
Dans le cas visé à l'alinéa 1, 1°, la retenue s'opère le premier jour du mois suivant celui où le membre du personnel a été mis en accusation.
Dans le cas visé à l'alinéa 1, 2°, la retenue s'opère le jour de la notification de la proposition.
§ 2 - La retenue sur traitement ne peut avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Modifications
Art. 97. Intrekking van de inhouding van wedde.
§ 1 - (Na de tuchtprocedure of de gerechtelijke procedure wordt de inhouding van wedde ingetrokken behalve als één van de in artikel 79, § 1, 4°, [1 5° en 6°]1, bedoelde tuchtmaatregelen genomen wordt of als het personeelslid definitief strafrechtelijk veroordeeld wordt.)
Wordt de inhouding van wedde ingetrokken, dan verkrijgt het personeelslid - voor de duur van de schorsing - een bijkomende weddetoelage, verhoogd met de verwijlinteresten tegen de wettelijke rentevoet, berekend vanaf de dag van de inhouding. De inrichtende macht betaalt het aanvullende bedrag aan de Gemeenschap.
§ 2 - Wordt een maatregel tot preventieve schorsing zonder inhouding van wedde in het kader van een tuchtprocedure of van de procedure van terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst genomen, betaalt de inrichtende macht aan de Gemeenschap een bedrag overeenstemmend met de helft van de weddetoelage die het personeelslid tijdens de schorsing heeft gekregen, indien
1° geen tuchtstraf is uitgesproken,
2° geen afdanking ter gevolge van een onverenigbaarheid heeft plaats gevonden;
3° geen terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft plaatsgevonden.
§ 3 - Het personeelslid behoudt de wedde die het tijdens de preventieve schorsing verkregen heeft.
Als de schorsing bij tuchtmaatregel minder lang duurt dan de preventieve schorsing, ontvangt het personeelslid zijn volle wedde zodra de schorsing bij tuchtmaatregel een einde neemt.
§ 1 - (Na de tuchtprocedure of de gerechtelijke procedure wordt de inhouding van wedde ingetrokken behalve als één van de in artikel 79, § 1, 4°, [1 5° en 6°]1, bedoelde tuchtmaatregelen genomen wordt of als het personeelslid definitief strafrechtelijk veroordeeld wordt.)
Wordt de inhouding van wedde ingetrokken, dan verkrijgt het personeelslid - voor de duur van de schorsing - een bijkomende weddetoelage, verhoogd met de verwijlinteresten tegen de wettelijke rentevoet, berekend vanaf de dag van de inhouding. De inrichtende macht betaalt het aanvullende bedrag aan de Gemeenschap.
§ 2 - Wordt een maatregel tot preventieve schorsing zonder inhouding van wedde in het kader van een tuchtprocedure of van de procedure van terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst genomen, betaalt de inrichtende macht aan de Gemeenschap een bedrag overeenstemmend met de helft van de weddetoelage die het personeelslid tijdens de schorsing heeft gekregen, indien
1° geen tuchtstraf is uitgesproken,
2° geen afdanking ter gevolge van een onverenigbaarheid heeft plaats gevonden;
3° geen terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft plaatsgevonden.
§ 3 - Het personeelslid behoudt de wedde die het tijdens de preventieve schorsing verkregen heeft.
Als de schorsing bij tuchtmaatregel minder lang duurt dan de preventieve schorsing, ontvangt het personeelslid zijn volle wedde zodra de schorsing bij tuchtmaatregel een einde neemt.
Modifications
Art. 97. Rapport de la retenue sur traitement.
§ 1er - (A l'issue de la procédure disciplinaire ou judiciaire, la retenue sur traitement est rapportée, sauf si l'une des mesures énoncées à l'article 79, § 1, 4°, [1 5° et 6°]1, est prise ou si le membre du personnel a été définitivement condamne au pénal.)
Si la retenue sur traitement est rapportée, le membre du personnel perçoit, pour la durée de la suspension, une subvention-traitement complémentaire majorée des intérêts de retard calculés à partir du jour de la retenue en appliquant le taux d'intérêt légal. Le pouvoir organisateur verse ce montant complémentaire à la Communauté.
§ 2 - Si une mesure de suspension préventive sans retenue sur traitement est prise dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou d'une mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service, le pouvoir organisateur paie à la Communauté un montant correspondant à la moitié de la subvention-traitement que le membre du personnel a perçue pendant la suspension
1° lorsque n'a été prise aucune mesure disciplinaire;
2° lorsqu'il n'a pas été procédé à un licenciement pour incompatibilité;
3° lorsqu'il n'y a pas eu de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
§ 3 - Le traitement perçu par le membre du personnel durant la suspension préventive lui reste acquis.
Si la durée de la suspension disciplinaire est inférieure à celle de la suspension préventive, le membre du personnel perçoit la totalité de son traitement des la fin de la période de suspension disciplinaire.
§ 1er - (A l'issue de la procédure disciplinaire ou judiciaire, la retenue sur traitement est rapportée, sauf si l'une des mesures énoncées à l'article 79, § 1, 4°, [1 5° et 6°]1, est prise ou si le membre du personnel a été définitivement condamne au pénal.)
Si la retenue sur traitement est rapportée, le membre du personnel perçoit, pour la durée de la suspension, une subvention-traitement complémentaire majorée des intérêts de retard calculés à partir du jour de la retenue en appliquant le taux d'intérêt légal. Le pouvoir organisateur verse ce montant complémentaire à la Communauté.
§ 2 - Si une mesure de suspension préventive sans retenue sur traitement est prise dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou d'une mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service, le pouvoir organisateur paie à la Communauté un montant correspondant à la moitié de la subvention-traitement que le membre du personnel a perçue pendant la suspension
1° lorsque n'a été prise aucune mesure disciplinaire;
2° lorsqu'il n'a pas été procédé à un licenciement pour incompatibilité;
3° lorsqu'il n'y a pas eu de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
§ 3 - Le traitement perçu par le membre du personnel durant la suspension préventive lui reste acquis.
Si la durée de la suspension disciplinaire est inférieure à celle de la suspension préventive, le membre du personnel perçoit la totalité de son traitement des la fin de la période de suspension disciplinaire.
Modifications
Art. 98. Verwittiging van de Regering.
De preventieve schorsing wordt ter kennis van de Regering gebracht met het oog op de onmiddellijke uitvoering van die maatregel.
De preventieve schorsing wordt ter kennis van de Regering gebracht met het oog op de onmiddellijke uitvoering van die maatregel.
Art. 98. Information au Gouvernement.
La suspension préventive est portée à la connaissance du Gouvernement afin que l'exécution immédiate de cette mesure soit assurée.
La suspension préventive est portée à la connaissance du Gouvernement afin que l'exécution immédiate de cette mesure soit assurée.
HOOFDSTUK XIII. - Paritair comité.
CHAPITRE XIII. - Commission paritaire.
Art. 99. Oprichting.
Na raadpleging van de inrichtende machten en van de met toepassing van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 representatieve vakorganisaties van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële PMS-centra, richt de Regering een paritair comité op voor het gesubsidieerd officieel onderwijs.
Het besluit van de Regering houdende oprichting van een paritair comité vermeldt de benaming en de samenstelling ervan.
Na raadpleging van de inrichtende machten en van de met toepassing van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 representatieve vakorganisaties van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële PMS-centra, richt de Regering een paritair comité op voor het gesubsidieerd officieel onderwijs.
Het besluit van de Regering houdende oprichting van een paritair comité vermeldt de benaming en de samenstelling ervan.
Art. 99. Installation.
Après consultation des pouvoirs organisateurs et des organisations syndicales représentatives du personnel de l'enseignement officiel subventionné et des centres P.M.S. officiels subventionnés en application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et en application de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974, le Gouvernement institue une Commission paritaire pour l'enseignement officiel subventionné.
L'arrêté du Gouvernement instituant la commission paritaire en mentionne la dénomination et la composition.
Après consultation des pouvoirs organisateurs et des organisations syndicales représentatives du personnel de l'enseignement officiel subventionné et des centres P.M.S. officiels subventionnés en application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et en application de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974, le Gouvernement institue une Commission paritaire pour l'enseignement officiel subventionné.
L'arrêté du Gouvernement instituant la commission paritaire en mentionne la dénomination et la composition.
Art. 100. Huishoudelijk reglement.
Het paritair comité maakt zijn eigen huishoudelijk reglement op, dat de Regering ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Het paritair comité maakt zijn eigen huishoudelijk reglement op, dat de Regering ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Art. 100. Règlement d'ordre intérieur.
La commission paritaire élabore son propre règlement d'ordre intérieur et le soumet au Gouvernement pour approbation.
La commission paritaire élabore son propre règlement d'ordre intérieur et le soumet au Gouvernement pour approbation.
Art. 101. Samenstelling.
Het paritair comité bestaat uit :
1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden. Voor elke categorie zijn er evenveel plaatsvervangers als werkende leden;
2° een voorzitter en een ondervoorzitter;
3° referendarissen die het comité alle inlichtingen leveren, zodat het beslissingen kan nemen;
4° een secretaris en een adjunct-secretaris.
De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en die van de personeelsleden kunnen vergezeld zijn van technische adviseurs, wier maximumaantal door het in artikel 100 bedoeld huishoudelijk reglement vastgesteld is.
Het aantal leden van het paritair comité en de duur van hun mandaat worden vastgesteld bij besluit van de Regering. Het comité telt ten minste 4 werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en 4 werkende leden die het personeel vertegenwoordigen.
Het paritair comité bestaat uit :
1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden. Voor elke categorie zijn er evenveel plaatsvervangers als werkende leden;
2° een voorzitter en een ondervoorzitter;
3° referendarissen die het comité alle inlichtingen leveren, zodat het beslissingen kan nemen;
4° een secretaris en een adjunct-secretaris.
De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en die van de personeelsleden kunnen vergezeld zijn van technische adviseurs, wier maximumaantal door het in artikel 100 bedoeld huishoudelijk reglement vastgesteld is.
Het aantal leden van het paritair comité en de duur van hun mandaat worden vastgesteld bij besluit van de Regering. Het comité telt ten minste 4 werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en 4 werkende leden die het personeel vertegenwoordigen.
Art. 101. Composition.
La commission paritaire est composée :
1° d'un nombre égal de représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel. Il y a autant de membres suppléants que de membres effectifs pour chaque catégorie;
2° d'un président et d'un vice-président;
3° de référendaires qui fournissent à la commission toutes les informations nécessaires à la prise de décisions;
4° d'un secrétaire et d'un secrétaire adjoint.
Les représentants des pouvoirs organisateurs et les représentants des membres du personnel peuvent se faire accompagner de conseillers techniques dont le nombre maximal sera déterminé dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 100.
Le nombre de membres de la commission paritaire ainsi que la durée de leur mandat sont fixés par arrêté du Gouvernement. La commission comprend au moins quatre membres effectifs représentant les pouvoirs organisateurs et quatre membres effectifs représentant le personnel.
La commission paritaire est composée :
1° d'un nombre égal de représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel. Il y a autant de membres suppléants que de membres effectifs pour chaque catégorie;
2° d'un président et d'un vice-président;
3° de référendaires qui fournissent à la commission toutes les informations nécessaires à la prise de décisions;
4° d'un secrétaire et d'un secrétaire adjoint.
Les représentants des pouvoirs organisateurs et les représentants des membres du personnel peuvent se faire accompagner de conseillers techniques dont le nombre maximal sera déterminé dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 100.
Le nombre de membres de la commission paritaire ainsi que la durée de leur mandat sont fixés par arrêté du Gouvernement. La commission comprend au moins quatre membres effectifs représentant les pouvoirs organisateurs et quatre membres effectifs représentant le personnel.
Art. 102. Aanwijzing van de voorzitter en van de leden.
De werkende leden en de plaatsvervangers worden door de Regering aangewezen op voordracht van de in artikel 99 bedoelde groeperingen. Indien de inrichtende machten of de vakorganisaties niet tot een overeenstemming komen, wordt het aantal mandaten dat elke groepering toegewezen wordt, door de Regering vastgelegd.
De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Regering aangewezen onder de ter zake bevoegde personen, die los staan van de belangen waarover het comité moet beslissen. De Regering benoemt de referendarissen, de secretaris en de adjunct-secretaris.
De uitoefening van het voorzitter- of ondervoorzitterschap is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat, van een Gewest- of Gemeenschapsraad, van het Europees Parlement, van de provincieraad, van een gemeenteraad, van de Federale Regering of van een Gewest- of Gemeenschapsregering, van de bestendige deputatie van de provincieraad of van medewerker bij een ministerieel kabinet; bovendien is ze ook onverenigbaar met die van provinciegouverneur, arrondissementscommissaris of burgemeester.
De werkende leden en de plaatsvervangers worden door de Regering aangewezen op voordracht van de in artikel 99 bedoelde groeperingen. Indien de inrichtende machten of de vakorganisaties niet tot een overeenstemming komen, wordt het aantal mandaten dat elke groepering toegewezen wordt, door de Regering vastgelegd.
De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Regering aangewezen onder de ter zake bevoegde personen, die los staan van de belangen waarover het comité moet beslissen. De Regering benoemt de referendarissen, de secretaris en de adjunct-secretaris.
De uitoefening van het voorzitter- of ondervoorzitterschap is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat, van een Gewest- of Gemeenschapsraad, van het Europees Parlement, van de provincieraad, van een gemeenteraad, van de Federale Regering of van een Gewest- of Gemeenschapsregering, van de bestendige deputatie van de provincieraad of van medewerker bij een ministerieel kabinet; bovendien is ze ook onverenigbaar met die van provinciegouverneur, arrondissementscommissaris of burgemeester.
Art. 102. Désignation du président et des membres.
Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le Gouvernement sur proposition des groupements dont question à l'article 99. A défaut d'accord entre les pouvoirs organisateurs ou organisations syndicales, le Gouvernement détermine le nombre de mandats attribués à chacun de ces groupements.
Les président et vice-président sont désignés par le Gouvernement parmi les personnes compétentes en la matière, indépendantes des intérêts dont la commission a à connaître. Les référendaires, le secrétaire et le secrétaire adjoint sont nommés par le Gouvernement.
L'exercice des fonctions de président et vice-président est incompatible avec la qualité de membre de la Chambre des Représentants, du Sénat, d'un Conseil régional ou communautaire, du Parlement européen, du Conseil provincial, du Conseil communal, du Gouvernement fédéral, d'un Gouvernement régional ou communautaire, de la Députation permanente du Conseil provincial ou d'un cabinet ministériel. Il est en outre incompatible avec la fonction de gouverneur de la Province, de commissaire d'arrondissement et de bourgmestre.
Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le Gouvernement sur proposition des groupements dont question à l'article 99. A défaut d'accord entre les pouvoirs organisateurs ou organisations syndicales, le Gouvernement détermine le nombre de mandats attribués à chacun de ces groupements.
Les président et vice-président sont désignés par le Gouvernement parmi les personnes compétentes en la matière, indépendantes des intérêts dont la commission a à connaître. Les référendaires, le secrétaire et le secrétaire adjoint sont nommés par le Gouvernement.
L'exercice des fonctions de président et vice-président est incompatible avec la qualité de membre de la Chambre des Représentants, du Sénat, d'un Conseil régional ou communautaire, du Parlement européen, du Conseil provincial, du Conseil communal, du Gouvernement fédéral, d'un Gouvernement régional ou communautaire, de la Députation permanente du Conseil provincial ou d'un cabinet ministériel. Il est en outre incompatible avec la fonction de gouverneur de la Province, de commissaire d'arrondissement et de bourgmestre.
Art. 103. Opdrachten.
Het paritair comité heeft vooral als opdracht
1° over de algemene arbeidsvoorwaarden te beraadslagen;
2° elk geschil te voorkomen of bij te leggen dat zou kunnen rijzen of gerezen is tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder de toepassing van dit decreet vallen;
3° aanvullende regels voor te stellen naast de statutaire bepalingen van dit decreet.
De Regering kan het paritair comité erom verzoeken de in 3° bedoelde aanvullende regels voor te stellen binnen een termijn die ze bepaalt.
Het paritair comité heeft vooral als opdracht
1° over de algemene arbeidsvoorwaarden te beraadslagen;
2° elk geschil te voorkomen of bij te leggen dat zou kunnen rijzen of gerezen is tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder de toepassing van dit decreet vallen;
3° aanvullende regels voor te stellen naast de statutaire bepalingen van dit decreet.
De Regering kan het paritair comité erom verzoeken de in 3° bedoelde aanvullende regels voor te stellen binnen een termijn die ze bepaalt.
Art. 103. Missions.
La commission paritaire a principalement pour mission :
1° de délibérer sur les conditions générales de travail;
2° de prévenir ou de régler tout différend qui menacerait de s'élever ou se serait élevé entre les pouvoirs organisateurs et les membres du personnel relevant du présent décret;
3° de proposer des règles complémentaires aux dispositions statutaires du présent décret.
Le Gouvernement peut inviter la commission paritaire à proposer dans un délai qu'il fixe les règles complémentaires visées au 3°.
La commission paritaire a principalement pour mission :
1° de délibérer sur les conditions générales de travail;
2° de prévenir ou de régler tout différend qui menacerait de s'élever ou se serait élevé entre les pouvoirs organisateurs et les membres du personnel relevant du présent décret;
3° de proposer des règles complémentaires aux dispositions statutaires du présent décret.
Le Gouvernement peut inviter la commission paritaire à proposer dans un délai qu'il fixe les règles complémentaires visées au 3°.
Art. 104. Aanwezigheids- en stemmenquorum.
Het comité mag slechts geldig beraadslagen als in elke groep vermeld in artikel 101, lid 1, 1°, de meerderheid van de leden aanwezig is. De beslissingen van het comité worden genomen bij eenparigheid van de aanwezige leden. Onthoudingen zijn niet toegelaten. De voorzitter, de ondervoorzitters, de referendarissen en de secretarissen zijn niet stemgerechtigd.
Indien niet in elke groep de meerderheid van de leden aanwezig is of als geen eenparigheid bereikt wordt, komt het comité binnen vijftien dagen opnieuw bijeen. Bij die vergadering mag een beslissing genomen worden, welk het aantal aanwezige leden van elke groep ook mag zijn. Een beslissing wordt geacht goedgekeurd te zijn, indien ten minste 2/3 van de aanwezige leden van elke groep instemmen.
Het comité mag slechts geldig beraadslagen als in elke groep vermeld in artikel 101, lid 1, 1°, de meerderheid van de leden aanwezig is. De beslissingen van het comité worden genomen bij eenparigheid van de aanwezige leden. Onthoudingen zijn niet toegelaten. De voorzitter, de ondervoorzitters, de referendarissen en de secretarissen zijn niet stemgerechtigd.
Indien niet in elke groep de meerderheid van de leden aanwezig is of als geen eenparigheid bereikt wordt, komt het comité binnen vijftien dagen opnieuw bijeen. Bij die vergadering mag een beslissing genomen worden, welk het aantal aanwezige leden van elke groep ook mag zijn. Een beslissing wordt geacht goedgekeurd te zijn, indien ten minste 2/3 van de aanwezige leden van elke groep instemmen.
Art. 104. Quorum de présences et de vote.
La commission ne peut délibérer valablement que si la majorité des membres est présente au sein de chaque groupe mentionné à l'article 101, alinéa 1, 1°. Les décisions de la commission sont prises à l'unanimité des membres présents. Les abstentions ne sont pas autorisées. Les président, vice-président, référendaires et secrétaires n'ont pas voix délibérative.
Si la majorité des membres n'est pas présente au sein de chaque groupe ou s'il n'y a pas unanimité, la Commission se réunit une nouvelle fois dans les quinze jours. Pendant cette réunion, une décision pourra être prise quel que soit le nombre de membres présents. Une décision est considérée comme adoptée lorsqu'elle est approuvée par au moins 2/3 des membres présents au sein de chaque groupe.
La commission ne peut délibérer valablement que si la majorité des membres est présente au sein de chaque groupe mentionné à l'article 101, alinéa 1, 1°. Les décisions de la commission sont prises à l'unanimité des membres présents. Les abstentions ne sont pas autorisées. Les président, vice-président, référendaires et secrétaires n'ont pas voix délibérative.
Si la majorité des membres n'est pas présente au sein de chaque groupe ou s'il n'y a pas unanimité, la Commission se réunit une nouvelle fois dans les quinze jours. Pendant cette réunion, une décision pourra être prise quel que soit le nombre de membres présents. Une décision est considérée comme adoptée lorsqu'elle est approuvée par au moins 2/3 des membres présents au sein de chaque groupe.
Art. 105. Werkingskosten en vergoedingen.
De werkingskosten van het comité vallen ten laste van de Gemeenschap.
De Regering bepaalt het presentiegeld waarop de voorzitter en de ondervoorzitter alsook de reiskostenvergoeding waarop de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden aanspraak hebben.
De werkingskosten van het comité vallen ten laste van de Gemeenschap.
De Regering bepaalt het presentiegeld waarop de voorzitter en de ondervoorzitter alsook de reiskostenvergoeding waarop de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden aanspraak hebben.
Art. 105. Frais de fonctionnement et indemnités.
Les frais de fonctionnement de la commission sont à charge de la Communauté.
Le Gouvernement détermine les jetons de présence auxquels le président et les vice-présidents ont droit ainsi que les indemnités pour frais de déplacement auxquels ont droit le président, les vice-présidents et les membres.
Les frais de fonctionnement de la commission sont à charge de la Communauté.
Le Gouvernement détermine les jetons de présence auxquels le président et les vice-présidents ont droit ainsi que les indemnités pour frais de déplacement auxquels ont droit le président, les vice-présidents et les membres.
HOOFDSTUK XIV. - Opheffings-, wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE XIV. - Dispositions abrogatoires, modificatives, transitoires et finales.
Art. 106. Opheffing.
Opgeheven worden
1° artikel 9, leden 3 en 6 en artikel 45, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1973 en bij het decreet van 14 december 1998, van de wet van 25 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, wat het gesubsidieerd officieel onderwijs en de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra betreft;
2° het koninklijk besluit van 18 juli 1933 betreffende de terbeschikkingstelling van de leden van het onderwijzend personeel, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 132 van 28 februari 1935, bij de wetten van 10 juni 1937, 23 juli 1952, 18 februari 1954 en 17 december 1956, alsmede bij het decreet van 14 december 1998, wat het gesubsidieerd officieel onderwijs en de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra betreft;
3° artikel 30, gewijzigd bij het decreet van 4 maart 1996, alsmede de artikelen 74, 75 en 76, gewijzigd bij de wet van 29 mei 1959, van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957;
4° artikel 149, 2°, en artikel 150, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 mei 1989 en bij de wet van 24 mei 1991, alsmede de artikelen 151 en 152, gewijzigd bij de wet van 24 mei 1991, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988.
Opgeheven worden
1° artikel 9, leden 3 en 6 en artikel 45, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1973 en bij het decreet van 14 december 1998, van de wet van 25 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, wat het gesubsidieerd officieel onderwijs en de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra betreft;
2° het koninklijk besluit van 18 juli 1933 betreffende de terbeschikkingstelling van de leden van het onderwijzend personeel, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 132 van 28 februari 1935, bij de wetten van 10 juni 1937, 23 juli 1952, 18 februari 1954 en 17 december 1956, alsmede bij het decreet van 14 december 1998, wat het gesubsidieerd officieel onderwijs en de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra betreft;
3° artikel 30, gewijzigd bij het decreet van 4 maart 1996, alsmede de artikelen 74, 75 en 76, gewijzigd bij de wet van 29 mei 1959, van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957;
4° artikel 149, 2°, en artikel 150, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 mei 1989 en bij de wet van 24 mei 1991, alsmede de artikelen 151 en 152, gewijzigd bij de wet van 24 mei 1991, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988.
Art. 106. Abrogation.
Sont abrogés :
1° l'article 9, alinéas 3 et 6 et l'article 45 - modifié par la loi du 11 juillet 1973 et le décret du 14 décembre 1998 - de la loi du 25 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, en ce qui concerne l'enseignement officiel subventionné et les centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnes;
2° l'arrêté royal du 18 juillet 1933 concernant la mise en disponibilité des membres du personnel enseignant, modifié par l'arrêté royal n° 132 du 28 février 1935 et par les lois des 10 juin 1937, 23 juillet 1952, 18 février 1954 et 17 décembre 1956 et par le décret du 14 décembre 1998, en ce qui concerne l'enseignement officiel subventionné et les centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés;
3° l'article 30 - modifié par le décret du 4 mars 1996 - ainsi que les articles 74, 75 et 76 - modifies par la loi du 29 mai 1959 - des lois sur l'enseignement primaire coordonnées le 20 août 1957;
4° l'article 149, 2°, et l'article 150 - modifié par l'arrêté royal du 30 mai 1989 et la loi du 24 mai 1991 - ainsi que les articles 151 et 152 - modifiés par la loi du 24 mai 1991 - de la nouvelle loi communale du 24 juin 1988.
Sont abrogés :
1° l'article 9, alinéas 3 et 6 et l'article 45 - modifié par la loi du 11 juillet 1973 et le décret du 14 décembre 1998 - de la loi du 25 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, en ce qui concerne l'enseignement officiel subventionné et les centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnes;
2° l'arrêté royal du 18 juillet 1933 concernant la mise en disponibilité des membres du personnel enseignant, modifié par l'arrêté royal n° 132 du 28 février 1935 et par les lois des 10 juin 1937, 23 juillet 1952, 18 février 1954 et 17 décembre 1956 et par le décret du 14 décembre 1998, en ce qui concerne l'enseignement officiel subventionné et les centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés;
3° l'article 30 - modifié par le décret du 4 mars 1996 - ainsi que les articles 74, 75 et 76 - modifies par la loi du 29 mai 1959 - des lois sur l'enseignement primaire coordonnées le 20 août 1957;
4° l'article 149, 2°, et l'article 150 - modifié par l'arrêté royal du 30 mai 1989 et la loi du 24 mai 1991 - ainsi que les articles 151 et 152 - modifiés par la loi du 24 mai 1991 - de la nouvelle loi communale du 24 juin 1988.
Art. 107. Wijzigingsbepaling.
In artikel 46 van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-Centrum wordt een lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Wat het basisonderwijs betreft vindt een vaste benoeming in een vacante betrekking van een wervingsambt - in afwijking van het eerste lid - slechts plaats als deze betrekking tijdens de beide voorafgaande schooljaren vacant is geweest. "
In artikel 46 van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij PMS-Centrum wordt een lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Wat het basisonderwijs betreft vindt een vaste benoeming in een vacante betrekking van een wervingsambt - in afwijking van het eerste lid - slechts plaats als deze betrekking tijdens de beide voorafgaande schooljaren vacant is geweest. "
Art. 107. Disposition modificative.
A l'article 46 du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné est inséré un alinéa, libellé comme suit :
" Par dérogation au premier alinéa, une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement n'intervient dans l'enseignement fondamental que lorsque cet emploi a été vacant pendant les deux années scolaires précédentes. "
A l'article 46 du décret du 14 décembre 1998 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et du centre PMS libre subventionné est inséré un alinéa, libellé comme suit :
" Par dérogation au premier alinéa, une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement n'intervient dans l'enseignement fondamental que lorsque cet emploi a été vacant pendant les deux années scolaires précédentes. "
Art. 108. Overgangsregel.
§ 1 - De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet in vast verband benoemd zijn en de met hen gelijkgestelde personeelsleden worden geacht vastbenoemd te zijn zoals bedoeld in dit decreet.
§ 2 - De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een selectieambt bekleden, kunnen in dat ambt vastbenoemd worden, zodra zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 54, 1°, waarbij de vereiste anciënniteit ook kan verkregen worden door het ambt tijdelijk uit te oefenen, en voor zover zij de lichamelijke geschiktheid vereist in artikel 37, lid 1, 7°, bezitten.
De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een bevorderingsambt bekleden, kunnen in dat ambt vastbenoemd worden, zodra zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 62, waarbij de vereiste anciënniteit ook kan verkregen worden door het ambt tijdelijk uit te oefenen, en voor zover zij de lichamelijke geschiktheid vereist in artikel 37, lid 1, 7°, bezitten.
De in de leden 1 en 2 bedoelde vaste benoemingen mogen slechts geschieden in betrekkingen die, op grond van de vigerende reglementering, niet meer toegankelijk zijn door reaffectatie of wedertewerkstelling van een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid.
In afwijking van artikel 55, § 1, 3°, resp. van artikel 63, § 1, 3°, en in afwachting van hun vaste benoeming kunnen de in de leden 1 en 2 bedoelde personeelsleden het ambt, waarvoor zij tijdelijk aangewezen werden, blijven uitoefenen.
§ 1 - De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet in vast verband benoemd zijn en de met hen gelijkgestelde personeelsleden worden geacht vastbenoemd te zijn zoals bedoeld in dit decreet.
§ 2 - De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een selectieambt bekleden, kunnen in dat ambt vastbenoemd worden, zodra zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 54, 1°, waarbij de vereiste anciënniteit ook kan verkregen worden door het ambt tijdelijk uit te oefenen, en voor zover zij de lichamelijke geschiktheid vereist in artikel 37, lid 1, 7°, bezitten.
De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een bevorderingsambt bekleden, kunnen in dat ambt vastbenoemd worden, zodra zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 62, waarbij de vereiste anciënniteit ook kan verkregen worden door het ambt tijdelijk uit te oefenen, en voor zover zij de lichamelijke geschiktheid vereist in artikel 37, lid 1, 7°, bezitten.
De in de leden 1 en 2 bedoelde vaste benoemingen mogen slechts geschieden in betrekkingen die, op grond van de vigerende reglementering, niet meer toegankelijk zijn door reaffectatie of wedertewerkstelling van een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid.
In afwijking van artikel 55, § 1, 3°, resp. van artikel 63, § 1, 3°, en in afwachting van hun vaste benoeming kunnen de in de leden 1 en 2 bedoelde personeelsleden het ambt, waarvoor zij tijdelijk aangewezen werden, blijven uitoefenen.
Art. 108. Règle transitoire.
§ 1er - Les membres du personnel subsidié nommés à titre définitif et y assimilés avant l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés comme nommés à titre définitif au sens du présent décret.
§ 2 - Les membres du personnel subsidié qui, avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi vacant dans une fonction de sélection peuvent être nommés à titre définitif dans cette fonction dès qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 54, 1°, l'ancienneté requise pouvant être également acquise dans l'exercice temporaire de la fonction, et pour autant qu'ils possèdent l'aptitude physique requise par l'article 37, alinéa 1, 7°.
Les membres du personnel subsidié qui, avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi vacant dans une fonction de promotion peuvent être nommés à titre définitif dans cette fonction dès qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 62, l'ancienneté requise pouvant être également acquise dans l'exercice temporaire de la fonction, et pour autant qu'ils possèdent l'aptitude physique requise par l'article 37, alinéa 1, 7°.
Les nominations définitives visées dans les alinéas 1 et 2 ne peuvent intervenir que pour des emplois qui, sur la base de la réglementation en vigueur, ne sont plus accessibles par réaffectation ou par remise au travail d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
Par dérogation à l'article 55, § 1, 3°, et à l'article 63, § 1, 3°, et en attendant leur nomination définitive, les membres du personnel visés dans les alinéas 1 et 2 peuvent continuer à exercer la fonction pour laquelle ils ont été désignés à titre temporaire.
§ 1er - Les membres du personnel subsidié nommés à titre définitif et y assimilés avant l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés comme nommés à titre définitif au sens du présent décret.
§ 2 - Les membres du personnel subsidié qui, avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi vacant dans une fonction de sélection peuvent être nommés à titre définitif dans cette fonction dès qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 54, 1°, l'ancienneté requise pouvant être également acquise dans l'exercice temporaire de la fonction, et pour autant qu'ils possèdent l'aptitude physique requise par l'article 37, alinéa 1, 7°.
Les membres du personnel subsidié qui, avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi vacant dans une fonction de promotion peuvent être nommés à titre définitif dans cette fonction dès qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 62, l'ancienneté requise pouvant être également acquise dans l'exercice temporaire de la fonction, et pour autant qu'ils possèdent l'aptitude physique requise par l'article 37, alinéa 1, 7°.
Les nominations définitives visées dans les alinéas 1 et 2 ne peuvent intervenir que pour des emplois qui, sur la base de la réglementation en vigueur, ne sont plus accessibles par réaffectation ou par remise au travail d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
Par dérogation à l'article 55, § 1, 3°, et à l'article 63, § 1, 3°, et en attendant leur nomination définitive, les membres du personnel visés dans les alinéas 1 et 2 peuvent continuer à exercer la fonction pour laquelle ils ont été désignés à titre temporaire.
Art. 109. Overgangsregel.
De gesubsidieerde personeelsleden op wie de bepalingen van artikel 108 niet toepasselijk zijn, worden geacht als tijdelijke personeelsleden aangesteld te zijn zoals bedoeld in dit decreet, met dien verstande dat de gepresteerde diensten ook in aanmerking worden genomen om de anciënniteit bedoeld in de artikelen 22, 23, 37, lid 1, 8° en 41, lid 2 te berekenen.
De gesubsidieerde personeelsleden op wie de bepalingen van artikel 108 niet toepasselijk zijn, worden geacht als tijdelijke personeelsleden aangesteld te zijn zoals bedoeld in dit decreet, met dien verstande dat de gepresteerde diensten ook in aanmerking worden genomen om de anciënniteit bedoeld in de artikelen 22, 23, 37, lid 1, 8° en 41, lid 2 te berekenen.
Art. 109. Règle transitoire.
Les membres du personnel subsidié auxquels les dispositions de l'article 108 ne sont pas applicables sont réputés avoir la qualité de temporaires au sens du présent décret, étant entendu que les services prestés sont pris en considération pour le calcul de l'ancienneté visée aux articles 22, 23, 37, alinéa 1, 8°, et 41, alinéa 2.
Les membres du personnel subsidié auxquels les dispositions de l'article 108 ne sont pas applicables sont réputés avoir la qualité de temporaires au sens du présent décret, étant entendu que les services prestés sont pris en considération pour le calcul de l'ancienneté visée aux articles 22, 23, 37, alinéa 1, 8°, et 41, alinéa 2.
Art. 110. Overgangsregel.
De godsdienstleerkrachten die vóór de inwerkingtreding van dit decreet door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst in vast verband benoemd zijn, worden geacht in vast verband benoemd te zijn bij de overeenkomstige bevoegde inrichtende macht van de onderwijsinrichting die de vaste benoeming ter kennis heeft genomen.
De godsdienstleerkrachten die vóór de inwerkingtreding van dit decreet door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst in vast verband benoemd zijn, worden geacht in vast verband benoemd te zijn bij de overeenkomstige bevoegde inrichtende macht van de onderwijsinrichting die de vaste benoeming ter kennis heeft genomen.
Art. 110. Règle transitoire.
Les maîtres et professeurs de religion qui ont été nommes à titre définitif par l'autorité compétente pour le culte concerné avant l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés comme nommés à titre définitif auprès du pouvoir organisateur qui a pris connaissance de la nomination définitive ou l'a reconnue.
Les maîtres et professeurs de religion qui ont été nommes à titre définitif par l'autorité compétente pour le culte concerné avant l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés comme nommés à titre définitif auprès du pouvoir organisateur qui a pris connaissance de la nomination définitive ou l'a reconnue.
Art. 111. Overgangsregel.
Wat de personeelsleden betreft die vóór de inwerkingtreding van dit decreet wegens een overneming bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs tijdelijk aangesteld werden, worden de bij de andere inrichtende macht vóór de overneming gepresteerde diensten voor de berekening van de dienstanciënniteit op dezelfde wijze in aanmerking genomen als zij bij de overnemende inrichtende macht gepresteerd zouden zijn.
Wat de personeelsleden betreft die vóór de inwerkingtreding van dit decreet wegens een overneming bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs tijdelijk aangesteld werden, worden de bij de andere inrichtende macht vóór de overneming gepresteerde diensten voor de berekening van de dienstanciënniteit op dezelfde wijze in aanmerking genomen als zij bij de overnemende inrichtende macht gepresteerd zouden zijn.
Art. 111. Règle transitoire.
Pour les membres du personnel qui, à la suite d'une reprise, sont devenus membres temporaires d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné avant l'entrée en vigueur du présent décret, les services prestés avant la reprise auprès d'un autre pouvoir organisateur sont pris en considération pour calculer l'ancienneté comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur.
Pour les membres du personnel qui, à la suite d'une reprise, sont devenus membres temporaires d'un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné avant l'entrée en vigueur du présent décret, les services prestés avant la reprise auprès d'un autre pouvoir organisateur sont pris en considération pour calculer l'ancienneté comme s'ils avaient été prestés auprès du pouvoir organisateur repreneur.
Art. 111bis. [1 Overgangsregeling.
Afwijkingen inzake diploma die personeelsleden in de schooljaren 2006-2007 en/of 2007-2008 krachtens de toen geldige afwijkingsbepalingen werden verleend, worden als afwijkingen in de zin van artikel 20bis beschouwd. De betrokken personeelsleden hoeven niet het in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs te verkrijgen.]1
Afwijkingen inzake diploma die personeelsleden in de schooljaren 2006-2007 en/of 2007-2008 krachtens de toen geldige afwijkingsbepalingen werden verleend, worden als afwijkingen in de zin van artikel 20bis beschouwd. De betrokken personeelsleden hoeven niet het in artikel 20, § 1, lid 1, 5°, vermeld pedagogisch bekwaamheidsbewijs te verkrijgen.]1
Art. 111bis. [1 Régime transitoire.
Les dérogations de diplôme accordées aux membres du personnel au cours des années scolaires 2006-2007 et/ou 2007-2008 sur la base des dispositions dérogatoires alors en vigueur sont considérées comme des dérogations accordées conformément à l'article 20bis. Les membres du personnel ne doivent pas obtenir le titre pédagogique mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°.]1
Les dérogations de diplôme accordées aux membres du personnel au cours des années scolaires 2006-2007 et/ou 2007-2008 sur la base des dispositions dérogatoires alors en vigueur sont considérées comme des dérogations accordées conformément à l'article 20bis. Les membres du personnel ne doivent pas obtenir le titre pédagogique mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°.]1
Art. 111ter. [1 Overgangsregel
Artikel 20, § 1, eerste lid, nummer 5, letter d), is niet van toepassing [2 tijdens de schooljaren 2010-2011 tot en met 2015-2016]2.]1
[3 In afwijking van het eerste lid is artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, d), van toepassing op de voorrangsregeling vermeld in artikel 22.]3
Artikel 20, § 1, eerste lid, nummer 5, letter d), is niet van toepassing [2 tijdens de schooljaren 2010-2011 tot en met 2015-2016]2.]1
[3 In afwijking van het eerste lid is artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, d), van toepassing op de voorrangsregeling vermeld in artikel 22.]3
Art. 111ter. [1 Dispositions transitoires
L'article 20, § 1, alinéa 1, 5ème, lettre d) ne s'applique pas [2 pendant les années 2010-2011 à 2015-2016 incluse]2.]1
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, d), s'applique à la règle de priorité mentionnée à l'article 22.]3
L'article 20, § 1, alinéa 1, 5ème, lettre d) ne s'applique pas [2 pendant les années 2010-2011 à 2015-2016 incluse]2.]1
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, d), s'applique à la règle de priorité mentionnée à l'article 22.]3
Art. 111quater. [1 Overgangsregeling.
In afwijking van artikel 64.8, § 1, eerste lid, bedraagt de maandelijkse premie voor de academiedirecteur 424,20 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 419,91 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.
In afwijking van artikel 64.19, § 1, eerste lid, bedraagt de maandelijkse premie voor het inrichtingshoofd van een gewone secundaire school met minder dan 600 leerlingen 282,79 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 279,94 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.
In afwijking van artikel 64.19, § 1, eerste lid, bedraagt de maandelijkse premie voor het inrichtingshoofd van een gewone secundaire school met 600 leerlingen en meer 424,20 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 419,91 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.
In afwijking van artikel 64.19, § 1, tweede lid, bedraagt de maandelijkse premie voor het inrichtingshoofd van een gespecialiseerde secundaire school 424,20 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 419,91 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.]1
In afwijking van artikel 64.8, § 1, eerste lid, bedraagt de maandelijkse premie voor de academiedirecteur 424,20 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 419,91 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.
In afwijking van artikel 64.19, § 1, eerste lid, bedraagt de maandelijkse premie voor het inrichtingshoofd van een gewone secundaire school met minder dan 600 leerlingen 282,79 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 279,94 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.
In afwijking van artikel 64.19, § 1, eerste lid, bedraagt de maandelijkse premie voor het inrichtingshoofd van een gewone secundaire school met 600 leerlingen en meer 424,20 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 419,91 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.
In afwijking van artikel 64.19, § 1, tweede lid, bedraagt de maandelijkse premie voor het inrichtingshoofd van een gespecialiseerde secundaire school 424,20 euro voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 en voor de periode van [2 1 januari 2017]2 tot 31 december 2018 en 419,91 euro voor de periode van 1 januari 2014 tot 31 december [2 2016]2.]1
Art. 111quater. [1 Règle transitoire.
Par dérogation à l'article 64.8, § 1er, alinéa 1er, la prime mensuelle octroyée au directeur d'une académie est de 424,20 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et de 419,91 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.
Par dérogation à l'article 64.19, § 1er, alinéa 1er, la prime mensuelle octroyée au chef d'établissement d'une école secondaire ordinaire comptant moins de 600 élèves est de 282,79 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et est de 279,94 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.
Par dérogation à l'article 64.19, § 1er, alinéa 1er, la prime mensuelle octroyée au chef d'établissement d'une école secondaire ordinaire comptant 600 élèves et plus est de 424,20 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et de 419,91 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.
Par dérogation à l'article 64.19, § 1er, alinéa 2, la prime mensuelle octroyée au chef d'établissement d'une école secondaire spécialisée est de 424,20 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et de 419,91 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.]1
Par dérogation à l'article 64.8, § 1er, alinéa 1er, la prime mensuelle octroyée au directeur d'une académie est de 424,20 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et de 419,91 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.
Par dérogation à l'article 64.19, § 1er, alinéa 1er, la prime mensuelle octroyée au chef d'établissement d'une école secondaire ordinaire comptant moins de 600 élèves est de 282,79 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et est de 279,94 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.
Par dérogation à l'article 64.19, § 1er, alinéa 1er, la prime mensuelle octroyée au chef d'établissement d'une école secondaire ordinaire comptant 600 élèves et plus est de 424,20 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et de 419,91 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.
Par dérogation à l'article 64.19, § 1er, alinéa 2, la prime mensuelle octroyée au chef d'établissement d'une école secondaire spécialisée est de 424,20 euros pour les périodes allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 et du [2 1er janvier 2017]2 au 31 décembre 2018 et de 419,91 euros pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre [2 2016]2.]1
Art. 111quinquies. [1 Godsdienstleerkrachten die op 31 december 2013 voldoen aan de voorrangsregel vermeld in artikel 22, hebben vanaf 1 september 2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of op een benoeming overeenkomstig de voorwaarden die op 31 augustus 2014 van toepassing waren.]1
Art. 111quinquies. [1 Les maîtres et professeurs de religion qui, au 31 décembre 2013, satisfont à la règle de priorité mentionnée à l'article 22 ont, à partir du 1er septembre 2014, droit à une désignation à titre temporaire pour une durée indéterminée ou à une nomination conformément aux conditions applicables au 31 août 2014.]1
Art. 111sexies. [1 Voor personeelsleden die beschikken over een op 31 december 2013 geldig vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en die op 31 december 2013 aan de voorrangsregel voldoen, blijft het bekwaamheidsbewijs ook na 31 december 2013 als vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs gelden.]1
Art. 111sexies. [1 Lorsque des membres du personnel porteurs d'un titre requis ou jugé suffisant valable au 31 décembre 2013 sont prioritaires au 31 décembre 2013, le titre concerné continue d'être considéré comme titre requis ou jugé suffisant après cette date.]1
Art. 111septies. [1 Diensten die tijdens de schooljaren 2010-2011 tot en met 2012-2013 in een ambt in het gespecialiseerd onderwijs gepresteerd werden door een personeelslid dat houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor het betrokken ambt noodzakelijk is - met uitzondering van het bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 10 ECTS-punten in de bevorderingspedagogiek, de heilpedagogie of de orthopedagogie vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, e), - mogen in aanmerking worden genomen voor de berekening van de anciënniteit vermeld in de artikelen 22 en 37.]1
Art. 111septies. [1 Les services qui, au cours des années scolaires 2010-2011 à 2012-2013 incluse, ont été prestés dans une fonction de l'enseignement spécialisé par un membre du personnel porteur du titre requis pour ladite fonction, à l'exception du titre mentionné à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, e), et sanctionnant une formation complémentaire d'au moins 10 points ECTS en pédagogie de soutien, pédagogie curative ou orthopédagogie, peuvent être pris en compte pour calculer l'ancienneté mentionnée aux articles 22 et 37.]1
Art. 111octies. [1 Artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, e), is niet van toepassing tijdens de schooljaren 2010-2011 tot en met 2012-2013.
In afwijking van het eerste lid is artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, e), van toepassing op de voorrangsregeling vermeld in artikel 22.]1
In afwijking van het eerste lid is artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, e), van toepassing op de voorrangsregeling vermeld in artikel 22.]1
Art. 111octies. [1 L'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, e), ne s'applique pas aux années scolaires 2010-2011 à 2012-2013 incluse.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, e), s'applique à la règle de priorité mentionnée à l'article 22.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, e), s'applique à la règle de priorité mentionnée à l'article 22.]1
Art. 111novies. [1 Voor personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2009 met toepassing van de geldige afwijkingsbepalingen bij de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs voor het toe te wijzen ambt beschouwd werden als houders van een vereist bekwaamheidsbewijs, geldt de voorwaarde vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, en de voorwaarde vermeld in artikel 37, eerste lid, 5°, als vervuld.
Voor personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2010 met toepassing van de geldige afwijkingsbepalingen bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs of van het gesubsidieerd vrij onderwijs voor het toe te wijzen ambt beschouwd werden als houders van een vereist bekwaamheidsbewijs, geldt de voorwaarde vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, en de voorwaarde vermeld in artikel 37, eerste lid, 5°, als vervuld.]1
Voor personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2010 met toepassing van de geldige afwijkingsbepalingen bij een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs of van het gesubsidieerd vrij onderwijs voor het toe te wijzen ambt beschouwd werden als houders van een vereist bekwaamheidsbewijs, geldt de voorwaarde vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, en de voorwaarde vermeld in artikel 37, eerste lid, 5°, als vervuld.]1
Art. 111novies. [1 La condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, et à l'article 37, alinéa 1er, 5°, est considérée comme étant remplie lorsque les membres du personnel étaient, au plus tard le 1er septembre 2009, porteurs d'un titre requis pour la fonction à conférer, et ce, en application des dispositions dérogatoires en vigueur auprès du pouvoir organisateur de l'enseignement communautaire.
La condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, et à l'article 37, alinéa 1er, 5°, est considérée comme étant remplie lorsque les membres du personnel étaient, au plus tard le 1er septembre 2010, porteurs d'un titre requis pour la fonction à conférer, et ce, en application des dispositions dérogatoires en vigueur auprès du pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné ou de l'enseignement libre subventionné.]1
La condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, et à l'article 37, alinéa 1er, 5°, est considérée comme étant remplie lorsque les membres du personnel étaient, au plus tard le 1er septembre 2010, porteurs d'un titre requis pour la fonction à conférer, et ce, en application des dispositions dérogatoires en vigueur auprès du pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné ou de l'enseignement libre subventionné.]1
Art. 111decies. [1 Artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, f), en artikel 37, eerste lid, 5°, f), zijn niet van toepassing op personeelsleden die op 31 augustus 2017 voldoen aan de voorrangsregel vermeld in artikel 22 voor het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in het lager of secundair onderwijs.]1
Art. 111decies. [1 L'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, f), et l'article 37, alinéa 1er, 5°, f), ne s'appliquent pas aux membres du personnel qui, au 31 août 2017, satisfont au régime de priorité mentionné à l'article 22 pour la fonction de maître/professeur de morale non confessionnelle dans l'enseignement primaire ou secondaire.]1
Art. 111undecies. [1 - De voorwaarde vermeld in artikel 20, § 1, eerste lid, 5°, h), overeenkomstig welke het personeelslid dat het ambt van leermeester taalklassen of taalcursussen of het ambt van leraar taalklassen bekleedt, beschikt over het bewijs vermeld in artikel 7, bepaling onder 9.2, of artikel 9quater, 2°, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psycho-sociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, is niet van toepassing tijdens de schooljaren 2017-2018 tot en met 2019-2020.]1
Art. 111undecies. [1 - La condition mentionnée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 5°, h), selon laquelle le membre du personnel qui occupe la fonction de maitre de classes ou cours d'apprentissage linguistique ou de professeur de classes d'apprentissage linguistique, est porteur d'un diplôme mentionné à l'article 7, 9.2, ou à l'article 9quater, 2°, de l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical et sociopsychologique des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements, ne s'applique pas pendant les années scolaires 2017-2018 à 2019-2020 incluse.]1
Art. 111duodecies. [1 - Vanaf 1 september 2017 worden de personeelsleden die op die datum gedurende minstens tien schooljaren leerkracht zijn geweest in een overgangsklas die is ingericht overeenkomstig het decreet van 17 december 2001 betreffende de scolarisatie van nieuwkomers, door de inrichtende macht aangesteld in het ambt van leermeester taalklassen of taalcursussen of in het ambt van leraar taalklassen.
Een door het inrichtingshoofd opgesteld attest waarin gepreciseerd wordt welke taken het personeelslid heeft uitgeoefend, geldt als bewijs voor de inrichtende macht.]1
Een door het inrichtingshoofd opgesteld attest waarin gepreciseerd wordt welke taken het personeelslid heeft uitgeoefend, geldt als bewijs voor de inrichtende macht.]1
Art. 111duodecies. [1 - Au 1er septembre 2017, le pouvoir organisateur désigne, dans la fonction de maitre de classes ou cours d'apprentissage linguistique ou dans la fonction de professeur de classes d'apprentissage linguistique, les membres du personnel qui, à ce moment, ont été pendant au moins 10 années scolaires professeur d'une classe-passerelle créée conformément au décret du 17 décembre 2001 visant la scolarisation des élèves primo-arrivants.
Une attestation rédigée par le chef d'établissement peut être présentée comme preuve au pouvoir organisateur, attestation précisant les missions assurées par le membre du personnel.]1
Une attestation rédigée par le chef d'établissement peut être présentée comme preuve au pouvoir organisateur, attestation précisant les missions assurées par le membre du personnel.]1
Art. 111terdecies. [1 Personeelsleden die op 31 augustus 2018 voor doorlopende duur tijdelijk aangesteld zijn in het ambt van administratieve coördinator, worden vanaf 1 september 2018 beschouwd als voor doorlopende duur tijdelijk aangesteld in het ambt van hoofdsecretaris. De diensten die in het ambt van administratieve coördinator worden gepresteerd, worden in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit in het ambt van hoofdsecretaris.]1
Art. 111terdecies. [1 Les membres du personnel qui, au 31 août 2018, sont désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée dans la fonction de coordinateur administratif, sont considérés, à partir du 1er septembre 2018 comme étant désignés à titre temporaire pour une durée indéterminée dans la fonction de secrétaire en chef. Les services prestés dans la fonction de coordinateur administratif sont pris en compte pour calculer l'ancienneté dans la fonction de secrétaire en chef.]1
Art. 111quaterdecies. [1 Voor een personeelslid dat op 31 augustus 2018 voor doorlopende duur tijdelijk aangesteld is in het ambt van administratieve coördinator, wordt de in artikel 37, eerste lid, 5°, vermelde voorwaarde voor een vaste benoeming in het ambt van hoofdsecretaris als vervuld beschouwd.]1
Art. 111quaterdecies. [1 La condition mentionnée à l'article 37, alinéa 1er, 5°, pour la nomination à titre définitif dans la fonction de secrétaire en chef est considérée comme étant remplie pour le membre du personnel qui, au 31 août 2018, est désigné à titre temporaire pour une durée indéterminée dans la fonction de coordinateur administratif.]1
Art. 111quinquiesdecies. [1 - Als de wedde - toelagen inbegrepen - die een inrichtingshoofd met toepassing van artikel 64.19, § 1, eerste lid, ontvangt, lager is dan de wedde - toelagen inbegrepen - die hij op 31 augustus 2021 voor de uitoefening van het ambt van inrichtingshoofd heeft ontvangen, dan wordt hij verder bezoldigd op basis van de op 31 augustus 2021 geldende weddeschalen tot hij met toepassing van artikel 64.19, § 1, eerste lid, een minstens even hoge wedde ontvangt.]1
Art. 111quinquiesdecies. [1 - Si le traitement, allocations comprises, perçu par un chef d'établissement en application de l'article 64.19, § 1er, alinéa 1er, est inférieur à celui, allocations comprises, qu'il recevait pour l'exercice de la fonction de chef d'établissement au 31 août 2021, il continue à être rémunéré sur la base de l'échelle de traitement, allocations comprises, en vigueur à cette date jusqu'à ce qu'il perçoive un traitement au moins équivalent en application de l'article 64.19, § 1er, alinéa 1er.]1
Art. 111sexiesdecies. [1 § 1 - Personeelsleden die op 31 december 2022 vast benoemd resp. tijdelijk aangesteld zijn in het ambt van leerkracht voor zang en cursussen geven in de studierichting klassiek/musical, worden vanaf 1 januari 2023 beschouwd als vast benoemd resp. tijdelijk aangesteld in het ambt van leerkracht voor zang (klassiek/musical). Een door het inrichtingshoofd opgesteld attest waaruit blijkt dat het personeelslid cursussen geeft in de studierichting klassiek/musical, geldt als bewijs voor de inrichtende macht.
Personeelsleden die op 31 december 2022 vast benoemd resp. tijdelijk aangesteld zijn in het ambt van leerkracht voor zang en cursussen geven in de studierichting rock/pop, worden vanaf 1 januari 2023 beschouwd als vast benoemd resp. tijdelijk aangesteld in het ambt van leerkracht voor zang (rock/pop). Een door het inrichtingshoofd opgesteld attest waaruit blijkt dat het personeelslid cursussen geeft in de studierichting rock/pop, geldt als bewijs voor de inrichtende macht.
§ 2 - De dienstdagen die het vanaf 1 januari 2023 in het ambt van leerkracht voor zang (klassiek/musical) resp. in het ambt van leerkracht voor zang (rock/pop) tijdelijk aangesteld resp. vast benoemd personeelslid met toepassing van artikel 48 vóór die datum in het ambt van leerkracht voor zang heeft gepresteerd, worden voor de berekening van de ambtsanciënniteit in aanmerking genomen alsof zij in het ambt van leerkracht voor zang (klassiek/musical) resp. in het ambt van leerkracht voor zang (rock/pop) werden gepresteerd.]1
Personeelsleden die op 31 december 2022 vast benoemd resp. tijdelijk aangesteld zijn in het ambt van leerkracht voor zang en cursussen geven in de studierichting rock/pop, worden vanaf 1 januari 2023 beschouwd als vast benoemd resp. tijdelijk aangesteld in het ambt van leerkracht voor zang (rock/pop). Een door het inrichtingshoofd opgesteld attest waaruit blijkt dat het personeelslid cursussen geeft in de studierichting rock/pop, geldt als bewijs voor de inrichtende macht.
§ 2 - De dienstdagen die het vanaf 1 januari 2023 in het ambt van leerkracht voor zang (klassiek/musical) resp. in het ambt van leerkracht voor zang (rock/pop) tijdelijk aangesteld resp. vast benoemd personeelslid met toepassing van artikel 48 vóór die datum in het ambt van leerkracht voor zang heeft gepresteerd, worden voor de berekening van de ambtsanciënniteit in aanmerking genomen alsof zij in het ambt van leerkracht voor zang (klassiek/musical) resp. in het ambt van leerkracht voor zang (rock/pop) werden gepresteerd.]1
Art. 111sexiesdecies. [1 § 1er - Les membres du personnel qui, au 31 décembre 2022, sont nommés à titre définitif ou désignés à titre temporaire dans la fonction de professeur de chant et donnent des cours dans la discipline "classique/comédie musicale" sont, à partir du 1er janvier 2023, nommés à titre définitif ou, selon le cas, désignés à titre temporaire dans la fonction de professeur de chant (classique/comédie musicale). Est présentée comme preuve au pouvoir organisateur une attestation, rédigée par le chef d'établissement, précisant que le membre du personnel donne des cours dans la discipline "classique/comédie musicale".
Les membres du personnel qui, au 31 décembre 2022, sont nommés à titre définitif ou désignés à titre temporaire dans la fonction de professeur de chant et donnent des cours dans la discipline "rock/pop" sont, à partir du 1er janvier 2023, nommés à titre définitif ou, selon le cas, désignés à titre temporaire dans la fonction de professeur de chant (rock/pop). Est présentée comme preuve au pouvoir organisateur une attestation, rédigée par le chef d'établissement, précisant que le membre du personnel donne des cours dans la discipline "rock/pop".
§ 2 - Pour calculer l'ancienneté de fonction, les jours d'activité de service que le membre du personnel désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif à partir du 1er janvier 2023 dans la fonction de professeur de chant (classique/comédie musicale) ou, selon le cas, dans la fonction de professeur de chant (rock/pop) en application de l'article 48 a prestés avant cette date dans la fonction de professeur de chant sont pris en considération comme s'ils avaient été prestés dans la fonction de professeur de chant (classique/comédie musicale) ou de professeur de chant (rock/pop).]1
Les membres du personnel qui, au 31 décembre 2022, sont nommés à titre définitif ou désignés à titre temporaire dans la fonction de professeur de chant et donnent des cours dans la discipline "rock/pop" sont, à partir du 1er janvier 2023, nommés à titre définitif ou, selon le cas, désignés à titre temporaire dans la fonction de professeur de chant (rock/pop). Est présentée comme preuve au pouvoir organisateur une attestation, rédigée par le chef d'établissement, précisant que le membre du personnel donne des cours dans la discipline "rock/pop".
§ 2 - Pour calculer l'ancienneté de fonction, les jours d'activité de service que le membre du personnel désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif à partir du 1er janvier 2023 dans la fonction de professeur de chant (classique/comédie musicale) ou, selon le cas, dans la fonction de professeur de chant (rock/pop) en application de l'article 48 a prestés avant cette date dans la fonction de professeur de chant sont pris en considération comme s'ils avaient été prestés dans la fonction de professeur de chant (classique/comédie musicale) ou de professeur de chant (rock/pop).]1
Art.111septiesdecies. [1 Onverminderd artikel 20 en artikel 37 wordt in het ambt van leraar algemene vakken in het gedifferentieerd onderwijs rekening gehouden met afwijkingen die een personeelslid vóór 1 september 2024 heeft doorlopen in het ambt van leraar algemene vakken in het lager secundair onderwijs. ]1
Art.111septiesdecies. [1 Sans préjudice de l'article 20 et de l'article 37, il est tenu compte dans la fonction de professeur de cours généraux dans l'enseignement différencié des dérogations dont a bénéficié un membre du personnel avant le 1er septembre 2024 dans la fonction de professeur de cours généraux dans l'enseignement secondaire inférieur. ]1
Art.111octiesdecies. [1 Voor de berekening van de ambtsanciënniteit vermeld in artikel 22 en artikel 37 wordt in het ambt van leraar algemene vakken in het gedifferentieerd onderwijs ook rekening gehouden met dienstdagen die het personeelslid vóór 1 september 2024 heeft gepresteerd in het gedifferentieerd onderwijs in het ambt van leraar algemene vakken in het lager secundair onderwijs. Dat betrokkene als leraar algemene vakken in het gedifferentieerd onderwijs werkzaam was, wordt bewezen aan de hand van een attest dat is opgesteld door het inrichtingshoofd. ]1
Art.111octiesdecies. [1 onction mentionnée à l'article 22 et à l'article 37, il est également tenu compte dans la fonction de professeur de cours généraux dans l'enseignement différencié des jours de service que le membre du personnel a prestés avant le 1er septembre 2024 dans l'enseignement différencié dans la fonction de professeur de cours généraux dans l'enseignement secondaire inférieur. Une attestation délivrée par le chef d'établissement permet de prouver que ledit membre a exercé une activité comme professeur de cours généraux dans l'enseignement différencié. ]1
Art. 112. Inwerkingtreding.
Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2004, behoudens de artikelen 25, 27, 38, 39, 50 en 58 die op 1 april 2004 in werking treden.
Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2004, behoudens de artikelen 25, 27, 38, 39, 50 en 58 die op 1 april 2004 in werking treden.
Art. 112. Entrée en vigueur.
Le présent décret entre en vigueur le 1er juillet 2004, à l'exception des articles 25, 27, 38, 39, 50 et 58, lesquels produisent leurs effets au 1er avril 2004.
Le présent décret entre en vigueur le 1er juillet 2004, à l'exception des articles 25, 27, 38, 39, 50 et 58, lesquels produisent leurs effets au 1er avril 2004.