Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
22 DECEMBER 2004. - Koninklijk besluit houdende wijziging van de artikelen 8bis, tweede lid en 31bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Titre
22 DECEMBRE 2004. - Arrêté royal portant modification des articles 8bis, alinéa 2 et 31bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Informations sur le document
Numac: 2004023043
Datum: 2004-12-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2004023043
Date: 2004-12-22
Moniteur: Voir
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. In artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1994, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 december 1995 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 juli 1997, 9 juli 2000, 12 augustus 2000 en 24 februari 2003, worden het eerste tot het vijfde lid vervangen als volgt :
  " Art. 8bis. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor de verplichte verzekering tegen ziekte -en invaliditeit, tot de regeling van de werkloosheid, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de kinderbijslagregeling voor werknemers, wat betreft de gelegenheidsarbeiders tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw.
  In de zin van dit artikel wordt als gelegenheidsarbeider beschouwd :
  1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar, tenzij de tewerkstelling bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen;
  2° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker van diensten, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  3° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar bij een gebruiker die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen valt en de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de gebruiker die onder het Paritair Comité voor de landbouw valt, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar.
  De beperking van de onderwerping bedoeld in het eerste lid wordt beperkt tot maximaal 65 dagen per handarbeider en per kalenderjaar.
  In geval van arbeid uitgevoerd zowel bij werkgevers en gebruikers die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf vallen, als bij werkgevers en gebruikers die onder het Paritair Comité voor de landbouw vallen, is de toepassing van dit artikel beperkt tot 65 dagen per arbeider en per kalenderjaar.
  De werkgever duidt de tewerkstellingsdagen van de gelegenheidsarbeiders aan in het aanwezigheidsregister bedoeld bij het koninklijk besluit van 17 juni 1994 betreffende het bijhouden van een aanwezigheidsregister.
  De gebruiker houdt voor de werknemer bedoeld in het tweede lid, 3°, een aanwezigheidsregister bij. Hij duidt in dit register de dagen aan waarop de gelegenheidsarbeiders door een uitzendbureau te zijner beschikking worden gesteld.
  Wordt voor een kwartaal niet als gelegenheidsarbeider in de zin van dit artikel beschouwd, de werknemer die in de loop van dat kwartaal en de twee voorafgaande kwartalen in de land- of tuinbouwsector heeft gewerkt met toepassing van de wet in een andere hoedanigheid dan die van gelegenheidsarbeider zoals hier omschreven.
  Wanneer nagelaten wordt gelegenheidsarbeiders in te schrijven in de ter zake opgelegde sociale documenten, of wanneer nagelaten wordt de modaliteiten van het bijhouden van, respectievelijk, de plukkaart of de landbouwkaart bedoeld in artikel 31bis, § 2, na te leven, kunnen de betrokken werknemers voor het hele kalenderjaar waarin dit werd nagelaten, niet in de hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden aangegeven. "
Article 1. A l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par l'arrêté royal du 21 juin 1994, remplacé par l'arrêté royal du 22 décembre 1995 et modifié par les arrêtés royaux des 18 juillet 1997, 9 juillet 2000, 12 août 2000 et 24 février 2003, les alinéas 1er à 5 sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Art. 8bis. L'application de la loi est limitée au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, au régime du chômage, au régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés et au régime des allocations familiales pour travailleurs salariés en ce qui concerne les travailleurs occasionnels occupés chez un employeur ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles ou à la Commission paritaire de l'agriculture.
  Au sens du présent article, est considéré comme travailleur occasionnel :
  1° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles : le travailleur manuel occupé durant un maximum de 65 jours par année civile à moins que l'emploi ne consiste en la plantation et l'entretien de parcs et jardins;
  2° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire de l'agriculture : le travailleur manuel occupé aux travaux sur les terrains propres de l'employeur ou de l'utilisateur de services, durant un maximum de 30 jours par année civile;
  3° en ce qui concerne les travailleurs relevant de la Commission paritaire pour le travail intérimaire : le travailleur manuel qui est occupé auprès d'un utilisateur qui relève de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles à l'exception de la plantation et de l'entretien des parcs et jardins durant un maximum de 65 jours par année civile ainsi que le travailleur manuel qui est occupé aux travaux sur les terrains propres de l'utilisateur qui relève de la commission paritaire de l'agriculture, durant un maximum de 30 jours par année civile.
  La limitation à l'assujettissement visée à l'alinéa 1er est limitée à maximum 65 jours par travailleur manuel et par année civile.
  En cas de travaux effectués tant auprès d'employeurs ou d'utilisateurs relevant de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles que de la Commission paritaire de l'agriculture, l'application du présent article est limitée à 65 jours par travailleur et par année civile.
  L'employeur indique dans le registre de présence visé dans l'arrêté royal du 17 juin 1994 relatif à la tenue d'un registre de présence les jours d'occupation des travailleurs occasionnels.
  L'utilisateur tient un registre de présence pour les travailleurs visés à l'alinéa 2, 3°. Il y indique les jours pendant lesquels une entreprise de travail intérimaire met les travailleurs occasionnels à sa disposition.
  N'est pour un trimestre pas considéré comme travailleur occasionnel au sens du présent article, le travailleur qui, dans le courant du trimestre et des deux trimestres précédant celui-ci, a travaillé dans le secteur agricole ou horticole en étant soumis à l'application de la loi dans une qualité autre que celle de travailleur occasionnel telle que décrite ici.
  Lorsqu'il a été omis d'inscrire les travailleurs occasionnels dans les documents sociaux imposés en la matière ou lorsqu'il a été omis de respecter les modalités de tenue de, respectivement, la carte cueillette ou la carte d'agriculture visée à l'article 31bis, § 2, les travailleurs concernés ne peuvent pas être déclarés à l'Office national de Sécurité sociale en qualité de travailleur occasionnel pendant toute l'année civile pour laquelle ceci a été omis. "
Art. 2. Artikel 31bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1994 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 9 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  " Wanneer nagelaten wordt de gelegenheidsarbeiders aan te duiden in het aanwezigheidsregister bedoeld in artikel 8bis, vijfde en zesde leden, worden de bijdragen op de werkelijke lonen berekend. "
Art. 2. L'article 31bis, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 21 juin 1994 et modifié par les arrêtés royaux du 22 décembre 1995 et du 9 juillet 2000, est remplacé comme suit :
  " Lorsqu'il a été omis d'indiquer les travailleurs occasionnels dans le registre de présence mentionné dans l'article 8bis, alinéa 5 et 6, les cotisations sont calculées sur les salaires effectifs. "
Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 4. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 22 december 2004.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Werk,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE.
Art. 4. Notre Ministre des Affaires sociales et Notre Ministre de l'Emploi sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 22 décembre 2004.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre des Affaires sociales,
  R. DEMOTTE
  La Ministre de l'Emploi,
  Mme F. VAN DEN BOSSCHE.