Artikel 1. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1960 en 30 november 1982, wordt vervangen als volgt :
" Art. 4. Wanneer de slachting van een slachtdier in een slachthuis plaatsvindt, moet de aangifte bedoeld in artikel 4 van de wet van 5 september 1952 gedaan worden bij de exploitant van het slachthuis, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 AUGUSTUS 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren.
Titre
10 AOUT 2004. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 9 mars 1953 concernant le commerce des viandes de boucherie et réglementant l'expertise des animaux abattus à l'intérieur du pays.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1. L'article 4 de l'arrêté royal du 9 mars 1953 concernant le commerce des viandes de boucherie et réglementant l'expertise des animaux abattus à l'intérieur du pays, modifié par les arrêtés royaux des 19 août 1960 et 30 novembre 1982, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4. Lorsque l'abattage d'un animal de boucherie a lieu dans un abattoir, la déclaration visée à l'article 4 de la loi du 5 septembre 1952 doit être faite auprès de l'exploitant de l'abattoir, conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 4 juillet 1996 relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements. "
" Art. 4. Lorsque l'abattage d'un animal de boucherie a lieu dans un abattoir, la déclaration visée à l'article 4 de la loi du 5 septembre 1952 doit être faite auprès de l'exploitant de l'abattoir, conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 4 juillet 1996 relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements. "
Art. 2. Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 1982, wordt opgeheven.
Art. 2. L'article 5 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 30 novembre 1982, est abrogé.
Art. 3. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 1982, wordt vervangen als volgt :
" Art. 6. § 1. Wanneer het de slachting betreft van een dier waarvan het vlees bestemd is voor de uitsluitende behoeften van de eigenaar en zijn huisgezin, hierna particuliere slachting genoemd, moet de eigenaar van het dier zich voorafgaandelijk laten identificeren bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen dat een registratienummer aan de eigenaar toekent.
§ 2. Een particuliere slachting is buiten het slachthuis alleen toegestaan als de aangifte door de eigenaar van het dier persoonlijk en ten minste twee werkdagen vooraf werd gedaan bij de gemeenteontvanger of de daartoe speciaal door de gemeente aangestelde ambtenaar.
Het gemeentebestuur stelt de plaatsen en tijdstippen vast waarop de aangiften in ontvangst worden genomen; aangiften moeten op elke werkdag kunnen worden gedaan.
De eigenaar van het dier is verplicht zijn registratienummer bedoel in § 1 op te geven.
De gemeenteontvanger of de voornoemde ambtenaar voert de slachtaangifte in het geïnformatiseerde register in middels de door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aan de gemeente beschikbaar gestelde specifieke software. De gemeente stelt op haar kosten de vereiste informatica- en communicatie-uitrusting ter beschikking en zorgt voor het personeel dat nodig is om met deze uitrusting te werken.
De gemeenteontvanger of de voornoemde ambtenaar overhandigen een aangiftebewijs aan de eigenaar van het dier. Dit aangiftebewijs blijft acht dagen geldig.
Het bewijs wordt ten huize van de eigenaar van het dier bewaard ten minste tot op het einde van het jaar dat volgt op dat van de slachting.
De Minister bevoegd voor de Volksgezondheid kan de modellen van het register en van het aangiftebewijs bepalen. "
" Art. 6. § 1. Wanneer het de slachting betreft van een dier waarvan het vlees bestemd is voor de uitsluitende behoeften van de eigenaar en zijn huisgezin, hierna particuliere slachting genoemd, moet de eigenaar van het dier zich voorafgaandelijk laten identificeren bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen dat een registratienummer aan de eigenaar toekent.
§ 2. Een particuliere slachting is buiten het slachthuis alleen toegestaan als de aangifte door de eigenaar van het dier persoonlijk en ten minste twee werkdagen vooraf werd gedaan bij de gemeenteontvanger of de daartoe speciaal door de gemeente aangestelde ambtenaar.
Het gemeentebestuur stelt de plaatsen en tijdstippen vast waarop de aangiften in ontvangst worden genomen; aangiften moeten op elke werkdag kunnen worden gedaan.
De eigenaar van het dier is verplicht zijn registratienummer bedoel in § 1 op te geven.
De gemeenteontvanger of de voornoemde ambtenaar voert de slachtaangifte in het geïnformatiseerde register in middels de door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aan de gemeente beschikbaar gestelde specifieke software. De gemeente stelt op haar kosten de vereiste informatica- en communicatie-uitrusting ter beschikking en zorgt voor het personeel dat nodig is om met deze uitrusting te werken.
De gemeenteontvanger of de voornoemde ambtenaar overhandigen een aangiftebewijs aan de eigenaar van het dier. Dit aangiftebewijs blijft acht dagen geldig.
Het bewijs wordt ten huize van de eigenaar van het dier bewaard ten minste tot op het einde van het jaar dat volgt op dat van de slachting.
De Minister bevoegd voor de Volksgezondheid kan de modellen van het register en van het aangiftebewijs bepalen. "
Art. 3. L'article 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 30 novembre 1982, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6. § 1er. Lorsqu'il s'agit de l'abattage d'un animal dont la viande est destinée aux besoins exclusifs du propriétaire et de son ménage, ci-après dénommé abattage privé, le propriétaire de l'animal doit au préalable se faire identifier auprès de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, qui attribue au propriétaire un numéro d'enregistrement.
§ 2. Un abattage privé n'est autorisé en dehors d'un abattoir que si la déclaration en a été faite par le propriétaire de l'animal en personne, au moins deux jours ouvrables avant l'abattage, auprès du receveur communal ou de l'agent spécialement désigné à cet effet par la commune.
L'administration communale fixe les lieux et heures auxquels les déclarations sont reçues; celles-ci doivent pouvoir être faites chaque jour ouvrable.
Le propriétaire de l'animal est tenu de décliner son numéro d'enregistrement visé au § 1er.
Le receveur communal ou l'agent précité inscrit la déclaration de l'abattage dans le registre informatisé, au moyen d'un logiciel spécifique mis à disposition de la commune par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. La commune met à disposition, à ses frais, les équipements informatiques et de communications ainsi que le personnel nécessaires à leurs utilisations.
Le receveur communal ou l'agent précité délivre au propriétaire de l'animal un récépissé de déclaration. Le récépissé de déclaration est valable pour une durée de huit jours.
Le propriétaire de l'animal conserve le récépissé à son domicile au moins jusqu'à la fin de l'année qui suit celle de l'abattage.
Le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut fixer les modèles du registre et du récépissé de déclaration. "
" Art. 6. § 1er. Lorsqu'il s'agit de l'abattage d'un animal dont la viande est destinée aux besoins exclusifs du propriétaire et de son ménage, ci-après dénommé abattage privé, le propriétaire de l'animal doit au préalable se faire identifier auprès de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, qui attribue au propriétaire un numéro d'enregistrement.
§ 2. Un abattage privé n'est autorisé en dehors d'un abattoir que si la déclaration en a été faite par le propriétaire de l'animal en personne, au moins deux jours ouvrables avant l'abattage, auprès du receveur communal ou de l'agent spécialement désigné à cet effet par la commune.
L'administration communale fixe les lieux et heures auxquels les déclarations sont reçues; celles-ci doivent pouvoir être faites chaque jour ouvrable.
Le propriétaire de l'animal est tenu de décliner son numéro d'enregistrement visé au § 1er.
Le receveur communal ou l'agent précité inscrit la déclaration de l'abattage dans le registre informatisé, au moyen d'un logiciel spécifique mis à disposition de la commune par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. La commune met à disposition, à ses frais, les équipements informatiques et de communications ainsi que le personnel nécessaires à leurs utilisations.
Le receveur communal ou l'agent précité délivre au propriétaire de l'animal un récépissé de déclaration. Le récépissé de déclaration est valable pour une durée de huit jours.
Le propriétaire de l'animal conserve le récépissé à son domicile au moins jusqu'à la fin de l'année qui suit celle de l'abattage.
Le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut fixer les modèles du registre et du récépissé de déclaration. "
Art. 4. Het register bedoeld in artikel 6, § 2, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 9 maart 1953, zoals gewijzigd bij dit besluit, mag in een niet geïnformatiseerde vorm worden bijgehouden gedurende een periode van twaalf maand vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt.
Art. 4. Le registre visé à l'article 6, § 2, de l'arrêté royal du 9 mars 1953 précité, tel que modifié par le présent arrêté, peut être tenu sous une forme non informatisée pendant une période de douze mois à compter du jour de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 5. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 5. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Art. 6. Onze Minister bevoegd voor de Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Nice, 10 augustus 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE.
Gegeven te Nice, 10 augustus 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE.
Art. 6. Notre Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Nice, le 10 août 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE.
Donné à Nice, le 10 août 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE.