Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
13 SEPTEMBER 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
Titre
13 SEPTEMBRE 2004. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 22 mai 2003 relatif à la procédure concernant le traitement des dossiers en matière des allocations aux personnes handicapées.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (19)
Texte (19)
Artikel 1. In artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden de woorden " van het gemeentebestuur " geschrapt.
Article 1. A l'article 1er, 4°, de l'arrêté royal du 22 mai 2003 relatif à la procédure concernant le traitement des dossiers en matière des allocations aux personnes handicapées, les mots " de l'administration communale " sont supprimés.
Art. 2. In artikel 3, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " van het gemeentebestuur " geschrapt.
Art. 2. A l'article 3, alinéa 2, du même arrêté les mots " de l'administration communale " sont supprimés.
Art. 3. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " de personen met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt ";
2° § 4 wordt opgeheven;
3° in § 6, worden de woorden " de formulieren " vervangen door de woorden " het formulier " en vervallen de woorden ", de aangifte der inkomsten en het geneeskundig getuigschrift ".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " de personen met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt ";
2° § 4 wordt opgeheven;
3° in § 6, worden de woorden " de formulieren " vervangen door de woorden " het formulier " en vervallen de woorden ", de aangifte der inkomsten en het geneeskundig getuigschrift ".
Art. 3. A l'article 7 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " les personnes avec lesquelles il forme éventuellement un ménage " sont remplacés par les mots " la personne avec laquelle il forme éventuellement un ménage ";
2° le § 4 est abrogé;
3° dans le § 6, les mots " les formules " sont remplacés par les mots " la formule " et les mots ", de déclaration de revenus et de certificat médical " sont supprimés.
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " les personnes avec lesquelles il forme éventuellement un ménage " sont remplacés par les mots " la personne avec laquelle il forme éventuellement un ménage ";
2° le § 4 est abrogé;
3° dans le § 6, les mots " les formules " sont remplacés par les mots " la formule " et les mots ", de déclaration de revenus et de certificat médical " sont supprimés.
Art. 4. In artikel 13, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " na de afgifte ervan door de burgemeester of " geschrapt.
Art. 4. Dans l'article 13, § 2, alinéa 2, du même arrêté les mots " la délivrance de celui-ci par le bourgmestre ou " sont supprimés.
Art. 5. In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt opgeheven;
2° in het tweede lid van § 3 van de Nederlandse versie worden de woorden " de aanvraag " vervangen door de woorden " de nieuwe aanvraag ".
1° § 2 wordt opgeheven;
2° in het tweede lid van § 3 van de Nederlandse versie worden de woorden " de aanvraag " vervangen door de woorden " de nieuwe aanvraag ".
Art. 5. A l'article 17 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2 est abrogé;
2° dans l'alinéa 2 du § 3 de la version néerlandaise les mots " de aanvraag " sont remplacés par les mots " de nieuwe aanvraag ".
1° le § 2 est abrogé;
2° dans l'alinéa 2 du § 3 de la version néerlandaise les mots " de aanvraag " sont remplacés par les mots " de nieuwe aanvraag ".
Art. 6. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 6. L'article 18 du même arrêté est abrogé.
Art. 7. Artikel 19, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 19, alinéa 2, du même arrêté est abrogé.
Art. 8. In Hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt een Afdeling 1bis ingevoegd, luidende :
" Afdeling 1bis. De aangifte
Art. 20bis § 1. De aangifte bedoeld in artikel 8ter van de wet wordt gedaan bij gewone brief gericht aan de Dienst. De aangever vermeldt hierin de nieuwe gegevens die tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming aanleiding zouden kunnen geven.
§ 2. De persoon met een handicap is evenwel niet verplicht de nieuwe gegevens mede te delen aan de Dienst, wanneer het gaat om wijzigingen van de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat deze wijziging meegedeeld werd aan het bevoegde gemeentebestuur.
§ 3. De persoon met een handicap is evenmin verplicht een nieuw gegeven mede te delen aan de Dienst indien het een gegeven betreft dat reeds werd meegedeeld aan een andere instelling van sociale zekerheid in het kader van de daar geldende reglementering en voorzover de Minister dat gegeven heeft opgenomen in een specifiek daartoe opgestelde lijst. "
" Afdeling 1bis. De aangifte
Art. 20bis § 1. De aangifte bedoeld in artikel 8ter van de wet wordt gedaan bij gewone brief gericht aan de Dienst. De aangever vermeldt hierin de nieuwe gegevens die tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming aanleiding zouden kunnen geven.
§ 2. De persoon met een handicap is evenwel niet verplicht de nieuwe gegevens mede te delen aan de Dienst, wanneer het gaat om wijzigingen van de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat deze wijziging meegedeeld werd aan het bevoegde gemeentebestuur.
§ 3. De persoon met een handicap is evenmin verplicht een nieuw gegeven mede te delen aan de Dienst indien het een gegeven betreft dat reeds werd meegedeeld aan een andere instelling van sociale zekerheid in het kader van de daar geldende reglementering en voorzover de Minister dat gegeven heeft opgenomen in een specifiek daartoe opgestelde lijst. "
Art. 8. Il est inséré dans le Chapitre II du même arrêté une Section 1bis, rédigée comme suit :
" Section 1rebis. La déclaration
Art. 20bis § 1er. La déclaration visée à l'article 8ter de la loi est faite par simple lettre adressée au Service. Le déclarant mentionne dans celle-ci les éléments nouveaux susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation.
§ 2. Toutefois, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service les éléments nouveaux lorsqu'il s'agit de modifications aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, pour autant qu'il ait signalé ces modifications à l'administration communale compétente.
§ 3. De même, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service un nouvel élément si cet élément a déjà été communiqué à une autre institution de sécurité sociale dans le cadre de la réglementation en vigueur et pour autant que le Ministre ait repris cet élément dans une liste rédigée à cet effet. "
" Section 1rebis. La déclaration
Art. 20bis § 1er. La déclaration visée à l'article 8ter de la loi est faite par simple lettre adressée au Service. Le déclarant mentionne dans celle-ci les éléments nouveaux susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation.
§ 2. Toutefois, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service les éléments nouveaux lorsqu'il s'agit de modifications aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, pour autant qu'il ait signalé ces modifications à l'administration communale compétente.
§ 3. De même, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service un nouvel élément si cet élément a déjà été communiqué à une autre institution de sécurité sociale dans le cadre de la réglementation en vigueur et pour autant que le Ministre ait repris cet élément dans une liste rédigée à cet effet. "
Art. 9. Artikel 23 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" § 1. Er wordt ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming :
1° wanneer de gerechtigde niet meer beantwoordt aan de in artikel 4 van de wet bedoelde voorwaarden van nationaliteit of verblijf;
2° wanneer de gerechtigde een kind of geen kind meer ten laste heeft en dit feit een weerslag heeft op de categorie bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet;
3° wanneer de gerechtigde zich in één van de volgende situaties bevindt :
- wijziging van burgerlijke staat;
- wijziging in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen.
4° wanneer de gerechtigde de voorwaarden vervult opdat de betaling geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort of niet meer geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort in de zin van artikel 12 van de wet;
5° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
6° wanneer de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :
1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 10 pct. zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.
Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht indien deze stijging van de inkomsten het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;
3° vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming werd toegekend. Deze herziening heeft nochtans geen betrekking op de beoordeling van het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid.
§ 1ter. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden :
1° op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens dewelke de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 10 pct. zijn gestegen;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk gepresteerde arbeid met ten minste 10 pct. is gestegen ten opzichte van het vorig kalenderjaar.
§ 2. De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter, 1° en 2° bedoelde toestanden bevindt.
Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
§ 3. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend. "
" § 1. Er wordt ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming :
1° wanneer de gerechtigde niet meer beantwoordt aan de in artikel 4 van de wet bedoelde voorwaarden van nationaliteit of verblijf;
2° wanneer de gerechtigde een kind of geen kind meer ten laste heeft en dit feit een weerslag heeft op de categorie bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet;
3° wanneer de gerechtigde zich in één van de volgende situaties bevindt :
- wijziging van burgerlijke staat;
- wijziging in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen.
4° wanneer de gerechtigde de voorwaarden vervult opdat de betaling geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort of niet meer geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort in de zin van artikel 12 van de wet;
5° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
6° wanneer de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :
1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 10 pct. zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.
Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht indien deze stijging van de inkomsten het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;
3° vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming werd toegekend. Deze herziening heeft nochtans geen betrekking op de beoordeling van het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid.
§ 1ter. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden :
1° op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens dewelke de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 10 pct. zijn gestegen;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk gepresteerde arbeid met ten minste 10 pct. is gestegen ten opzichte van het vorig kalenderjaar.
§ 2. De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter, 1° en 2° bedoelde toestanden bevindt.
Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1° en 2° en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
§ 3. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend. "
Art. 9. L'article 23 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation :
1° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de nationalité ou de résidence visées à l'article 4 de la loi;
2° lorsque le bénéficiaire a ou n'a plus d'enfant à charge et ce fait à une influence sur la catégorie visée à l'article 6, § 1er, de la loi;
3° lorsque le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
- modification d'état civil;
- modification de la composition de la famille qui a une incidence sur le droit aux allocations.
4° lorsque le bénéficiaire remplit les conditions afin que le paiement soit totalement ou partiellement suspendu ou ne soit plus totalement ou partiellement suspendu au sens de l'article 12 de la loi;
5° à la date fixée par une décision antérieure lorsque celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif;
6° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de capacité de gain ou de degré d'autonomie.
§ 1bis. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation de remplacement de revenus et du droit à l'allocation d'intégration :
1° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins de 10 pc. par rapport à l'année civile précédente.
Toutefois il n'est pas procédé à une révision d'office du droit si cette augmentation de revenus résulte d'une mise au travail de trois mois ou moins par année civile;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté par la personne handicapée est remplacé depuis au moins trois mois par une prestation visée à l'article 7, § 2, de la loi, à condition que les revenus de l'année civile au cours de laquelle la modification est intervenue aient augmenté ou diminué d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente;
3° cinq ans après la date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. Toutefois, cette révision ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie.
§ 1ter. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées :
1° le ler jour du mois qui suit le mois au cours duquel les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins 10 pc.;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté a augmenté d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente.
§ 2. La nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire se trouve dans une des situations visées au § 1er, 1°, 2° et 3°, § 1erbis, 1° et 2° et § 1erter, 1° et 2°.
Toutefois si la nouvelle décision entraîne une diminution du droit aux allocations et si l'événement visé au § 1er, 1° et 2°, § 1erbis, 1° et 2° et § 1erter a été déclaré ou constaté dans les trois mois suivant sa survenance, ou a été déclaré dans les trois mois suivant la date à laquelle l'événement est porté à la connaissance de la personne handicapée, la nouvelle décision produit ses effets au premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision.
La nouvelle décision qui est prise suite à l'événement visé au § 1er, 4° produit ses effets le 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel le bénéficiaire se trouvait dans cette situation.
Dans les cas visés au § 1, 5° et 6° et § 1erbis, 3° la nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit la date de la notification de la décision.
§ 3. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une allocation. "
" § 1er. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation :
1° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de nationalité ou de résidence visées à l'article 4 de la loi;
2° lorsque le bénéficiaire a ou n'a plus d'enfant à charge et ce fait à une influence sur la catégorie visée à l'article 6, § 1er, de la loi;
3° lorsque le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
- modification d'état civil;
- modification de la composition de la famille qui a une incidence sur le droit aux allocations.
4° lorsque le bénéficiaire remplit les conditions afin que le paiement soit totalement ou partiellement suspendu ou ne soit plus totalement ou partiellement suspendu au sens de l'article 12 de la loi;
5° à la date fixée par une décision antérieure lorsque celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif;
6° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de capacité de gain ou de degré d'autonomie.
§ 1bis. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation de remplacement de revenus et du droit à l'allocation d'intégration :
1° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins de 10 pc. par rapport à l'année civile précédente.
Toutefois il n'est pas procédé à une révision d'office du droit si cette augmentation de revenus résulte d'une mise au travail de trois mois ou moins par année civile;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté par la personne handicapée est remplacé depuis au moins trois mois par une prestation visée à l'article 7, § 2, de la loi, à condition que les revenus de l'année civile au cours de laquelle la modification est intervenue aient augmenté ou diminué d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente;
3° cinq ans après la date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. Toutefois, cette révision ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie.
§ 1ter. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées :
1° le ler jour du mois qui suit le mois au cours duquel les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins 10 pc.;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté a augmenté d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente.
§ 2. La nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire se trouve dans une des situations visées au § 1er, 1°, 2° et 3°, § 1erbis, 1° et 2° et § 1erter, 1° et 2°.
Toutefois si la nouvelle décision entraîne une diminution du droit aux allocations et si l'événement visé au § 1er, 1° et 2°, § 1erbis, 1° et 2° et § 1erter a été déclaré ou constaté dans les trois mois suivant sa survenance, ou a été déclaré dans les trois mois suivant la date à laquelle l'événement est porté à la connaissance de la personne handicapée, la nouvelle décision produit ses effets au premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision.
La nouvelle décision qui est prise suite à l'événement visé au § 1er, 4° produit ses effets le 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel le bénéficiaire se trouvait dans cette situation.
Dans les cas visés au § 1, 5° et 6° et § 1erbis, 3° la nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit la date de la notification de la décision.
§ 3. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une allocation. "
Art. 10. Het eerste lid van § 2 van artikel 24 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" § 2. De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een zichtrekening bij een financiële instelling die werd geopend op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is. "
" § 2. De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een zichtrekening bij een financiële instelling die werd geopend op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is. "
Art. 10. L'alinéa 1er du § 2 de l'article 24 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le paiement des allocations est effectué par virement sur un compte à vue ouvert au nom du bénéficiaire ou dont la personne handicapée est co-titulaire. "
" § 2. Le paiement des allocations est effectué par virement sur un compte à vue ouvert au nom du bénéficiaire ou dont la personne handicapée est co-titulaire. "
Art. 11. Artikel 30 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" § 1. De aanvraag tot verzaking gebeurt per brief.
§ 2. Indien de aanvraag bij aangetekende brief gebeurt, begint de termijn bedoeld in artikel 16, § 6 van de wet te lopen vanaf de datum van neerlegging van de aangetekende brief. Indien de aanvraag bij gewone brief gebeurt begint deze termijn te lopen vanaf de datum van ontvangst van de brief door de Dienst. "
" § 1. De aanvraag tot verzaking gebeurt per brief.
§ 2. Indien de aanvraag bij aangetekende brief gebeurt, begint de termijn bedoeld in artikel 16, § 6 van de wet te lopen vanaf de datum van neerlegging van de aangetekende brief. Indien de aanvraag bij gewone brief gebeurt begint deze termijn te lopen vanaf de datum van ontvangst van de brief door de Dienst. "
Art. 11. L'article 30 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La demande en renonciation se fait par lettre.
§ 2. Si la demande se fait par lettre recommandée, le terme du délai visé à l'article 16, § 6 de la loi est établi à partir de la date du dépôt de la lettre recommandée. Si la demande se fait par simple lettre, ce même délai est établi à partir de la date de réception de la lettre par le Service. "
" § 1er. La demande en renonciation se fait par lettre.
§ 2. Si la demande se fait par lettre recommandée, le terme du délai visé à l'article 16, § 6 de la loi est établi à partir de la date du dépôt de la lettre recommandée. Si la demande se fait par simple lettre, ce même délai est établi à partir de la date de réception de la lettre par le Service. "
Art. 12. Het eerste lid van artikel 34 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 34. In geval van overlijden van de gerechtigde op een tegemoetkoming, worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen van ambtswege uitbetaald aan de echtgenoot of de persoon met wie de gerechtigde een huishouden vormde in de zin van artikel 7, § 3 van de wet. "
" Art. 34. In geval van overlijden van de gerechtigde op een tegemoetkoming, worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen van ambtswege uitbetaald aan de echtgenoot of de persoon met wie de gerechtigde een huishouden vormde in de zin van artikel 7, § 3 van de wet. "
Art. 12. L'alinéa 1er de l'article 34 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 34. En cas de décès du bénéficiaire de l'allocation, les termes échus et non payés sont payés d'office au conjoint ou à la personne avec laquelle il était établi en ménage dans le sens de l'article 7, § 3 de la loi. "
" Art. 34. En cas de décès du bénéficiaire de l'allocation, les termes échus et non payés sont payés d'office au conjoint ou à la personne avec laquelle il était établi en ménage dans le sens de l'article 7, § 3 de la loi. "
Art. 13. Artikel 35 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 35. De artikelen 1bis, 11 tot en met 20, 22, 24 tot en met 27, 29, 33 tot en met 38 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming worden opgeheven op datum van 1 juli 2003. "
" Art. 35. De artikelen 1bis, 11 tot en met 20, 22, 24 tot en met 27, 29, 33 tot en met 38 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming worden opgeheven op datum van 1 juli 2003. "
Art. 13. L'article 35 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 35. Les articles 1erbis, 11 à 20, 22, 24 à 27, 29, 33 à 38 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration sont abrogés au 1er juillet 2003. "
" Art. 35. Les articles 1erbis, 11 à 20, 22, 24 à 27, 29, 33 à 38 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration sont abrogés au 1er juillet 2003. "
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt een artikel 35bis ingevoegd, luidende :
" Art. 35bis. De artikelen 10, 21, 23, 30 en 31 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming worden opgeheven op datum van 1 juli 2004. "
" Art. 35bis. De artikelen 10, 21, 23, 30 en 31 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming worden opgeheven op datum van 1 juli 2004. "
Art. 14. Un article 35bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 35bis. Les articles 10, 21, 23, 30 et 31 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration sont abrogés au 1er juillet 2004. "
" Art. 35bis. Les articles 10, 21, 23, 30 et 31 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration sont abrogés au 1er juillet 2004. "
Art. 15. Artikel 36 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 36. De artikelen 1bis, 25 tot en met 37, 39, 41 tot en met 46, 48 tot en met 50bis van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden worden opgeheven op datum van 1 juli 2003. "
" Art. 36. De artikelen 1bis, 25 tot en met 37, 39, 41 tot en met 46, 48 tot en met 50bis van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden worden opgeheven op datum van 1 juli 2003. "
Art. 15. L'article 36 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 36. Les articles 1erbis, 25 à 37, 39, 41 à 46, 48 à 50bis de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont abrogés au 1er juillet 2003. "
" Art. 36. Les articles 1erbis, 25 à 37, 39, 41 à 46, 48 à 50bis de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont abrogés au 1er juillet 2003. "
Art. 16. In hetzelfde besluit wordt een artikel 36bis ingevoegd, luidende :
" Art. 36bis. De artikelen 24, 38, 40 en 47 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden worden opgeheven op datum van 1 juli 2004. "
" Art. 36bis. De artikelen 24, 38, 40 en 47 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden worden opgeheven op datum van 1 juli 2004. "
Art. 16. Un article 36bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 36bis. Les articles 24, 38, 40 et 47 de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont abrogés au 1er juillet 2004. "
" Art. 36bis. Les articles 24, 38, 40 et 47 de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont abrogés au 1er juillet 2004. "
Art. 17. Artikel 37 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 37. Behoudens andersluidende bepaling treedt dit besluit in werking op 1 juli 2003, met uitzondering van artikel 34 dat in werking treedt op 1 januari 2003. "
" Art. 37. Behoudens andersluidende bepaling treedt dit besluit in werking op 1 juli 2003, met uitzondering van artikel 34 dat in werking treedt op 1 januari 2003. "
Art. 17. L'article 37 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 37. Sauf disposition contraire, le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2003, à l'exception de l'article 34, qui entre en vigueur le 1er janvier 2003. "
" Art. 37. Sauf disposition contraire, le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2003, à l'exception de l'article 34, qui entre en vigueur le 1er janvier 2003. "
Art. 18. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2004, met uitzondering van de artikelen 13, 14, 15, 16 en 17 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2003.
Art. 18. Le présent arrêté produit ses effets le 1er juillet 2004, à l'exception des articles 13, 14, 15, 16 et 17 qui produisent ses effets le 1er juillet 2003.
Art. 19. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en Onze Staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Kos, 13 september 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap,
G. MANDAILA.
Gegeven te Kos, 13 september 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap,
G. MANDAILA.
Art. 19. Notre Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et Notre Secrétaire d'Etat aux Familles et aux Personnes handicapées sont chargés de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Kos, le 13 septembre 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE
La Secrétaire d'Etat aux Familles et aux Personnes handicapées,
G. MANDAILA.
Donné à Kos, le 13 septembre 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique,
R. DEMOTTE
La Secrétaire d'Etat aux Familles et aux Personnes handicapées,
G. MANDAILA.