Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
25 APRIL 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 74 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties.
Titre
25 AVRIL 2004. - Arrêté royal modifiant les articles 74 et 251 du Règlement général sur les Installations électriques.
Informations sur le document
Numac: 2004011209
Datum: 2004-04-25
Info du document
Numac: 2004011209
Date: 2004-04-25
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit moet onder "Reglement" worden verstaan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, dat het voorwerp is van het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard en van het koninklijk besluit van 2 september 1981 houdende wijziging van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en houdende bindendverklaring ervan op de elektrische installaties in inrichtingen gerangschikt als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk en in inrichtingen beoogd bij artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 mei 1985, 7 april 1986 en 30 maart 1993.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par "Règlement", le Règlement général sur les Installations électriques, faisant l'objet de l'arrêté royal du 10 mars 1981 rendant obligatoire le Règlement général sur les Installations électriques pour les installations domestiques et certaines lignes de transport et de distribution d'énergie électrique et de l'arrêté royal du 2 septembre 1981 modifiant le Règlement général sur les Installations électriques et le rendant obligatoire dans les établissements classés comme dangereux, insalubres ou incommodes ainsi que dans ceux visés à l'article 28 du Règlement général pour la protection du travail, modifié par les arrêtés royaux des 29 mai 1985, 7 avril 1986 et 30 mars 1993.
Art.2. Artikel 74.02 van het Reglement wordt aangevuld met het volgende lid :
" De doorsnede voor de aarding van een punt van de secundaire wikkeling van hoogspanningsmeettransformatoren is ten minste gelijk aan 2,5 mm2 voor koperen geleiders. Indien de aarding uitgevoerd is met een beschermingsgeleider zonder mechanische bescherming is de doorsnede van de beschermingsgeleider ten minste 4 mm2 in koper. "
" De doorsnede voor de aarding van een punt van de secundaire wikkeling van hoogspanningsmeettransformatoren is ten minste gelijk aan 2,5 mm2 voor koperen geleiders. Indien de aarding uitgevoerd is met een beschermingsgeleider zonder mechanische bescherming is de doorsnede van de beschermingsgeleider ten minste 4 mm2 in koper. "
Art.2. L'article 74.02 du Règlement est complété par l'alinéa suivant :
"La section pour la mise à la terre d'un point de l'enroulement secondaire des transformateurs de mesure à haute tension est au moins égale à 2,5mm2 pour les conducteurs en cuivre. Si la mise à la terre est effectuée par un conducteur de protection sans protection mécanique, la section du conducteur de protection est portée à 4 mm2 en cuivre. "
"La section pour la mise à la terre d'un point de l'enroulement secondaire des transformateurs de mesure à haute tension est au moins égale à 2,5mm2 pour les conducteurs en cuivre. Si la mise à la terre est effectuée par un conducteur de protection sans protection mécanique, la section du conducteur de protection est portée à 4 mm2 en cuivre. "
Art.3. Artikel 251.05, derde lid, van het Reglement wordt vervangen als volgt :
" Stroomopwaarts van voormelde uitgangsklemmen :
-hebben de aansluitvermogenschakelaars een minimum schakelvermogen van 6 000 A;
- hebben de beschermingsinrichtingen tegen overstroom een minimum schakelvermogen van 3 000 A en zijn de vermogenschakelaars, met uitzondering van de penautomaten, voorzien van een conforme markering voor energiebeperkingsklasse 3;
- hebben de smeltveiligheden en de penautomaten een minimum onderbrekingsvermogen van 3 000 A;
- weerstaan de differentieelstroominrichtingen en schakelinrichtingen aan een I2t-waarde van minimum 22,5 kA2s bij een stroom van 3000 A; een specifieke markering van de differentieel-stroominrichtingen zonder overstroombeveiliging, met nominale stroomsterkte <= 40 A, verzekert de identificatie van de naleving van deze karakteristieken, namelijk minimum de volgende aanduiding : " 3000 A, 22,5 kA2s ", deze karakteristieken zijnde samen aangebracht op eenzelfde vlak, zichtbaar na installatie, zo nodig, na verwijdering van de beschermingsplaten geplaatst in het kader van de bescherming tegen directe aanraking; deze informatie mag behoren tot andere markeringen en aanduidingen voorzien door de erop betrekking hebbende door de Koning gehomologeerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden. "
" Stroomopwaarts van voormelde uitgangsklemmen :
-hebben de aansluitvermogenschakelaars een minimum schakelvermogen van 6 000 A;
- hebben de beschermingsinrichtingen tegen overstroom een minimum schakelvermogen van 3 000 A en zijn de vermogenschakelaars, met uitzondering van de penautomaten, voorzien van een conforme markering voor energiebeperkingsklasse 3;
- hebben de smeltveiligheden en de penautomaten een minimum onderbrekingsvermogen van 3 000 A;
- weerstaan de differentieelstroominrichtingen en schakelinrichtingen aan een I2t-waarde van minimum 22,5 kA2s bij een stroom van 3000 A; een specifieke markering van de differentieel-stroominrichtingen zonder overstroombeveiliging, met nominale stroomsterkte <= 40 A, verzekert de identificatie van de naleving van deze karakteristieken, namelijk minimum de volgende aanduiding : " 3000 A, 22,5 kA2s ", deze karakteristieken zijnde samen aangebracht op eenzelfde vlak, zichtbaar na installatie, zo nodig, na verwijdering van de beschermingsplaten geplaatst in het kader van de bescherming tegen directe aanraking; deze informatie mag behoren tot andere markeringen en aanduidingen voorzien door de erop betrekking hebbende door de Koning gehomologeerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden. "
Art.3. L'article 251.05, alinéa 3, du Règlement, est remplacé par l'alinéa suivant :
"En amont des bornes de sortie précitées :
-les disjoncteurs de branchement ont un pouvoir de fermeture et de coupure minimal de 6 000 A;
- les dispositifs de protection contre les surintensités ont un pouvoir de fermeture et coupure minimal de 3 000 A et les disjoncteurs, à l'exception des disjoncteurs à broches, sont pourvus d'un marquage conforme pour la classe de limitation d'énergie 3;
- les coupe-circuit à fusible et les disjoncteurs à broches ont un pouvoir de coupure minimal de 3 000 A;
- les dispositifs de protection à courant différentiel-résiduel et les dispositifs de coupure ont une résistance à une valeur I2t d'au minimum 22,5 kA2s pour un courant de 3000 A; un marquage spécifique des dispositifs de protection à courant différentiel-résiduel sans dispositif de protection contre les surintensités, intensité nominale <= 40 A, assure l'identification du respect de ces caractéristiques, à savoir l'indication suivante au moins : " 3000 A, 22,5 kA2s ", ces caractéristiques étant reprises ensemble sur une même face, visible après installation, si nécessaire après l'enlèvement des écrans montés dans le cade de la protection contre les contacts directs; ces informations peuvent faire partie d'autres marquages et indications prévues par la norme y relative homologuée par le Roi ou à des dispositions assurant au moins un niveau équivalent de sécurité. ".
"En amont des bornes de sortie précitées :
-les disjoncteurs de branchement ont un pouvoir de fermeture et de coupure minimal de 6 000 A;
- les dispositifs de protection contre les surintensités ont un pouvoir de fermeture et coupure minimal de 3 000 A et les disjoncteurs, à l'exception des disjoncteurs à broches, sont pourvus d'un marquage conforme pour la classe de limitation d'énergie 3;
- les coupe-circuit à fusible et les disjoncteurs à broches ont un pouvoir de coupure minimal de 3 000 A;
- les dispositifs de protection à courant différentiel-résiduel et les dispositifs de coupure ont une résistance à une valeur I2t d'au minimum 22,5 kA2s pour un courant de 3000 A; un marquage spécifique des dispositifs de protection à courant différentiel-résiduel sans dispositif de protection contre les surintensités, intensité nominale <= 40 A, assure l'identification du respect de ces caractéristiques, à savoir l'indication suivante au moins : " 3000 A, 22,5 kA2s ", ces caractéristiques étant reprises ensemble sur une même face, visible après installation, si nécessaire après l'enlèvement des écrans montés dans le cade de la protection contre les contacts directs; ces informations peuvent faire partie d'autres marquages et indications prévues par la norme y relative homologuée par le Roi ou à des dispositions assurant au moins un niveau équivalent de sécurité. ".
Art.4. Artikel 3 van dit besluit is van toepassing op elektrische installaties en belangrijke wijzigingen en uitbreidingen waarvan de uitvoering ter plaatse nog niet is aangevangen op de publicatiedatum van dit besluit.
Art.4. L'article 3 du présent arrêté s'applique aux installations électriques et les modifications ou extensions importantes dont l'exécution sur place n'est pas encore entamée à la date de publication du présent arrêté.
Art. 5. Onze Minister van Werk, Onze Minister van Energie en Onze Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 25 april 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
F. VANDENBROUCKE
De Minister van Energie,
Mevr. F. MOERMAN
De Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk,
Mevr. K. VAN BREMPT.
Gegeven te Brussel, 25 april 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
F. VANDENBROUCKE
De Minister van Energie,
Mevr. F. MOERMAN
De Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het Werk,
Mevr. K. VAN BREMPT.
Art. 5. Notre Ministre de l'Emploi, Notre Ministre de l'Energie et Notre Secrétaire d'Etat à l'Organisation du Travail et au Bien-être au travail sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 25 avril 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
F. VANDENBROUCKE
La Ministre de l'Energie,
Mme F. MOERMAN
La Secrétaire d'Etat à l'Organisation du Travail et au Bien-être au travail,
Mme K. VAN BREMPT.
Donné à Bruxelles, le 25 avril 2004.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Emploi,
F. VANDENBROUCKE
La Ministre de l'Energie,
Mme F. MOERMAN
La Secrétaire d'Etat à l'Organisation du Travail et au Bien-être au travail,
Mme K. VAN BREMPT.