Artikel 1. Voorliggend besluit is toepasselijk op de stagiairs, ambtenaren en contractuelen van :
1° het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
2° [2 ...]2;
3° het Instituut voor de opleiding en de voortgezette opleiding in de Middenstand en de KMO's;
4° [2 ...]2;
5° van het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap[2 ;]2
[2 6° het centrum voor kinderopvang van de Duitstalige Gemeenschap,]2
hierna " personeelsleden " genoemd.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
5 JUNI 2003. - Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap betreffende het vakantiegeld toegekend aan de personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en van de paragemeenschappelijke instellingen van de Duitstalige Gemeenschap (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-10-2003 en tekstbijwerking tot 07-11-2023)
Titre
5 JUIN 2003. - Arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone relatif au pécule de vacances octroyé aux membres du personnel du Ministère de la Communauté germanophone et des organismes paracommunautaires de la Communauté germanophone (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-10-2003 et mise à jour au 07-11-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (16)
Texte (16)
Toepassingsgebied.
Champ d'application.
Article 1. Le présent arrêté s'applique aux stagiaires, fonctionnaires et agents contractuels.
1° du Ministère de la Communauté germanophone;
2° [2 ...]2;
3° de l'Institut pour la formation et la formation continue dans les Classes moyennes et les P.M.E.;
4° [2 ...]2;
5° du Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision de la Communauté germanophone[2 ;]2
6°[2 Centre de la Communauté germanophone pour l'accueil d'enfants,]2
ci-après appelés " membres du personnel ".
1° du Ministère de la Communauté germanophone;
2° [2 ...]2;
3° de l'Institut pour la formation et la formation continue dans les Classes moyennes et les P.M.E.;
4° [2 ...]2;
5° du Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision de la Communauté germanophone[2 ;]2
6°[2 Centre de la Communauté germanophone pour l'accueil d'enfants,]2
ci-après appelés " membres du personnel ".
Definities.
Définitions.
Art. 2. Voor de toepassing van voorliggend besluit dient te worden verstaan onder :
1° referentiejaar : het jaar vóór het jaar waarin de jaarlijkse vakanties toegekend worden;
2° lopend jaar : het jaar waarin de jaarlijkse vakanties toegekend worden;
3° bezoldiging : de bezoldiging, de wedde, de vergoeding of de met de bezoldiging of wedde gelijkgestelde toelage, de haard- of standplaatstoelage inbegrepen;
4° volledige maand : maand waar de gepresteerde dienste van het begin tot het einde van de maand lopen;
5° deeltijdse prestaties : prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit niet volkomen in beslag neemt.
1° referentiejaar : het jaar vóór het jaar waarin de jaarlijkse vakanties toegekend worden;
2° lopend jaar : het jaar waarin de jaarlijkse vakanties toegekend worden;
3° bezoldiging : de bezoldiging, de wedde, de vergoeding of de met de bezoldiging of wedde gelijkgestelde toelage, de haard- of standplaatstoelage inbegrepen;
4° volledige maand : maand waar de gepresteerde dienste van het begin tot het einde van de maand lopen;
5° deeltijdse prestaties : prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit niet volkomen in beslag neemt.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° année de référence : l'année précédant celle au cours de laquelle les vacances annuelles sont accordées;
2° année en cours : année au cours de laquelle les vacances annuelles sont accordées;
3° rémunération : la rémunération, le traitement, l'indemnité ou l'allocation tenant lieu de rémunération ou de traitement, y compris l'allocation de foyer ou de résidence;
4° mois complet : mois où les services prestés s'étendent du début à la fin;
5° prestations à temps partiel : prestations qui ne couvrent pas un horaire tel qu'il absorbe normalement une activité complète.
1° année de référence : l'année précédant celle au cours de laquelle les vacances annuelles sont accordées;
2° année en cours : année au cours de laquelle les vacances annuelles sont accordées;
3° rémunération : la rémunération, le traitement, l'indemnité ou l'allocation tenant lieu de rémunération ou de traitement, y compris l'allocation de foyer ou de résidence;
4° mois complet : mois où les services prestés s'étendent du début à la fin;
5° prestations à temps partiel : prestations qui ne couvrent pas un horaire tel qu'il absorbe normalement une activité complète.
Berekening van het vakantiegeld.
Calcul du pécule de vacances.
Art. 3. § 1. De personeelsleden hebben recht op een vakantiegeld, berekend op grond van de volgende formules :
Art. 3. § 1er. Les membres du personnel ont droit à un pécule de vacances calculé selon les formules suivantes :
1° bij volledige maanden tijdens het referentiejaar
Y
(G x --) x P
12
Y
(G x --) x P
12
1° lors de mois complets pendant l'année de reference :
Y
(G x --) x P
12
Y
(G x --) x P
12
2. bij niet volledige maanden tijdens het referentiejaar
Z
(G x
Z
(G x
Modifications
) x P
30xm
2. lors de mois non complets pendant l'année de reference :
Z
(G x
Z
(G x
Modifications
) x P
30xm
3° bij volledige en niet volledige maanden tijdens het referentiejaar
Y Z
(G x -- + G x
Y Z
(G x -- + G x
Modifications
) x P
12 30xm
3. lors de mois complets et non complets pendant l'année de reference :
Y Z
(G x -- + G x
Y Z
(G x -- + G x
Modifications
) x P
12 30xm
G = bezoldiging van het personeelslid voor de maand maart van het lopende jaar bij volledige prestaties
Y = aantal volledige maanden van het referentiejaar
Z = som van alle dagen van de niet volledige maanden van het referentiejaar
m = aantal niet volledige maanden van het referentiejaar
[1 P = percentage dat voor de personeelsleden van de verschillende niveaus als volgt is vastgelegd :
1. voor de niveaus IV en III 92 % vanaf 2008;
2. voor het niveau II :
a) 85 % in 2008;
b) 92 % vanaf 2009;
[2 3° voor het niveau II+
a) 80 % in 2010, 2011 en 2012;
b) 85 % vanaf 2013
4° voor het niveau I
a) 75 % in 2010, 2011 en 2012;
b) 80 % vanaf 2013.]1 ]2
[3 c) 85
vanaf 2024]3
Voor de berekening van het vakantiegeld worden in aanmerking genomen de perioden gedurende welke het personeelslid :
1° zijn bezoldiging geheel of gedeeltelijk heeft genoten;
2° met ouderschapsverlof was;
3° afwezig is geweest in het kader van een geboorte, zoals bepaald in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
4° afwezig is geweest wegens georganiseerde werkonderbreking;
5° niet in dienst kon treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst krachtens de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of krachtens de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting van de wederoproeping om tuchtredenen.
Gaat het om een personeelslid dat op het einde van het referentiejaar nog geen 25 jaar oud is, dan wordt de periode tussen 1 januari van het referentiejaar en de indiensttreding eveneens in aanmerking genomen, indien het personeelslid uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op de datum waarop het studies heeft beëindigd die het recht op kinderbijslag openen of op de datum waarop zijn leerovereenkomst een einde heeft genomen.
§ 2. Indien in de loop van het referentiejaar slechts een gedeelte van de bezoldiging werd uitbetaald tijdens bepaalde periodes wegens deeltijdse prestaties, dan wordt het in § 1 bepaalde bedrag, voor deze periodes, naar rato verminderd door het percentage van de werkelijke prestaties t.o.v. de voltijdse prestaties als verminderingscoëfficiënt toe te passen.
§ 3. Het vakantiegeld bepaald met toepassing van de §§ 1 en 2 wordt desgevallend naar de hogere eurocent afgerond.
Y = aantal volledige maanden van het referentiejaar
Z = som van alle dagen van de niet volledige maanden van het referentiejaar
m = aantal niet volledige maanden van het referentiejaar
[1 P = percentage dat voor de personeelsleden van de verschillende niveaus als volgt is vastgelegd :
1. voor de niveaus IV en III 92 % vanaf 2008;
2. voor het niveau II :
a) 85 % in 2008;
b) 92 % vanaf 2009;
[2 3° voor het niveau II+
a) 80 % in 2010, 2011 en 2012;
b) 85 % vanaf 2013
4° voor het niveau I
a) 75 % in 2010, 2011 en 2012;
b) 80 % vanaf 2013.]1 ]2
[3 c) 85
vanaf 2024]3
Voor de berekening van het vakantiegeld worden in aanmerking genomen de perioden gedurende welke het personeelslid :
1° zijn bezoldiging geheel of gedeeltelijk heeft genoten;
2° met ouderschapsverlof was;
3° afwezig is geweest in het kader van een geboorte, zoals bepaald in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
4° afwezig is geweest wegens georganiseerde werkonderbreking;
5° niet in dienst kon treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst krachtens de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of krachtens de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting van de wederoproeping om tuchtredenen.
Gaat het om een personeelslid dat op het einde van het referentiejaar nog geen 25 jaar oud is, dan wordt de periode tussen 1 januari van het referentiejaar en de indiensttreding eveneens in aanmerking genomen, indien het personeelslid uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op de datum waarop het studies heeft beëindigd die het recht op kinderbijslag openen of op de datum waarop zijn leerovereenkomst een einde heeft genomen.
§ 2. Indien in de loop van het referentiejaar slechts een gedeelte van de bezoldiging werd uitbetaald tijdens bepaalde periodes wegens deeltijdse prestaties, dan wordt het in § 1 bepaalde bedrag, voor deze periodes, naar rato verminderd door het percentage van de werkelijke prestaties t.o.v. de voltijdse prestaties als verminderingscoëfficiënt toe te passen.
§ 3. Het vakantiegeld bepaald met toepassing van de §§ 1 en 2 wordt desgevallend naar de hogere eurocent afgerond.
G = rémunération du membre du personnel pour le mois de mars de l'année en cours lors de prestations complètes
Y = nombre de mois complets de l'année de référence
Z = somme de tous les jours des mois non complets de l'année de référence
m = nombre de mois non complets de l'année de référence
[1 P = pourcentage fixé comme suit pour les membres du personnel des différents niveaux :
1° pour les niveaux IV et III 92 % à partir de 2008;
2° pour le niveau II :
a) 85 % en 2008;
b) 92 % à partir de 2009;
[2 3° pour le niveau II+
a) 80 % en 2010, 2011 et 2012;
b) 85 % à partir de 2013
4° pour le niveau I
a) 75 % en 2010, 2011 et 2012;
b) 80 % à partir de 2013.]1 ]2
[3 c) 85
à partir de l'année 2024.]3
Sont prises en considération pour le calcul du pécule de vacances les périodes où le membre du personnel :
1° a perçu une rémunération totale ou partielle;
2° a bénéficié d'un congé parental;
3° a été absent dans le cadre d'une naissance, tel que prévu à l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971;
4° a été absent pour cessation concertée du travail;
5° n'a pu entrer en fonction ou a suspendu ses fonctions en vertu des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, ou des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980, à l'exclusion du rappel par mesure disciplinaire.
Lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel qui n'a pas encore atteint l'âge de 25 ans à la fin de l'année de référence, la période allant du 1er janvier de l'année de référence à l'entrée en service est également prise en considération s'il prend son service au plus tard le dernier jour ouvrable d'une période de 4 mois qui suit la date où il a terminé des études ouvrant le droit aux allocations familiales ou la date où son contrat d'apprentissage a pris fin.
§ 2. Lorsqu'au cours de l'année de référence, seule une partie de la rémunération a été liquidée pendant certaines périodes en raison de prestations à temps partiel, le montant déterminé au § 1er est, pour ces périodes, réduit au prorata en appliquant comme coefficient de réduction le pourcentage des prestations effectives par rapport aux prestations complètes.
§ 3. Le pécule de vacances déterminé en application des §§ 1er et 2 est, le cas échéant, arrondi au centime d'euro supérieur.
Y = nombre de mois complets de l'année de référence
Z = somme de tous les jours des mois non complets de l'année de référence
m = nombre de mois non complets de l'année de référence
[1 P = pourcentage fixé comme suit pour les membres du personnel des différents niveaux :
1° pour les niveaux IV et III 92 % à partir de 2008;
2° pour le niveau II :
a) 85 % en 2008;
b) 92 % à partir de 2009;
[2 3° pour le niveau II+
a) 80 % en 2010, 2011 et 2012;
b) 85 % à partir de 2013
4° pour le niveau I
a) 75 % en 2010, 2011 et 2012;
b) 80 % à partir de 2013.]1 ]2
[3 c) 85
à partir de l'année 2024.]3
Sont prises en considération pour le calcul du pécule de vacances les périodes où le membre du personnel :
1° a perçu une rémunération totale ou partielle;
2° a bénéficié d'un congé parental;
3° a été absent dans le cadre d'une naissance, tel que prévu à l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971;
4° a été absent pour cessation concertée du travail;
5° n'a pu entrer en fonction ou a suspendu ses fonctions en vertu des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, ou des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980, à l'exclusion du rappel par mesure disciplinaire.
Lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel qui n'a pas encore atteint l'âge de 25 ans à la fin de l'année de référence, la période allant du 1er janvier de l'année de référence à l'entrée en service est également prise en considération s'il prend son service au plus tard le dernier jour ouvrable d'une période de 4 mois qui suit la date où il a terminé des études ouvrant le droit aux allocations familiales ou la date où son contrat d'apprentissage a pris fin.
§ 2. Lorsqu'au cours de l'année de référence, seule une partie de la rémunération a été liquidée pendant certaines périodes en raison de prestations à temps partiel, le montant déterminé au § 1er est, pour ces périodes, réduit au prorata en appliquant comme coefficient de réduction le pourcentage des prestations effectives par rapport aux prestations complètes.
§ 3. Le pécule de vacances déterminé en application des §§ 1er et 2 est, le cas échéant, arrondi au centime d'euro supérieur.
Tijdstip van de uitbetaling.
Moment de la liquidation.
Art. 4. Het vakantiegeld wordt in mei of juni van het lopende jaar uitbetaald.
In afwijking van het eerste lid vindt de uitbetaling plaats in de maand volgend op de maand van de inruststelling van het personeelslid, van zijn ontslagneming, van zijn afdanking of van zijn overlijden.
In afwijking van het eerste lid vindt de uitbetaling plaats in de maand volgend op de maand van de inruststelling van het personeelslid, van zijn ontslagneming, van zijn afdanking of van zijn overlijden.
Art. 4. Le pécule de vacances est liquidé en mai ou juin de l'année en cours.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la liquidation est effectuée le mois suivant le mois de la mise à la retraite du membre du personnel, de sa démission, de son licenciement ou de son décès.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la liquidation est effectuée le mois suivant le mois de la mise à la retraite du membre du personnel, de sa démission, de son licenciement ou de son décès.
Inhouding.
Retenue.
Art. 5. Op het bruto bedrag van het vakantiegeld wordt 13,07 % ingehouden.
Art. 5. Une retenue de 13,07 % est effectuée sur le montant brut du pécule de vacances.
Overgangsbepalingen.
Dispositions transitoires.
Art. 6. § 1. Indien het met toepassing van vorige artikelen toegekend vakantiegeld niet hoger ligt dan het bedrag toegekend krachtens het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur, dan wordt het hogere percentage bepaald in artikel 3, § 1, voor het niveau van het betrokken personeelslid toegepast om dit bedrag te overschrijden.
§ 2. In 2003 verkrijgen de personeelsleden van niveau II verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.
In 2003 en 2004 verkrijgen de personeelsleden van niveau II+ verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.
In 2003, 2004 en 2005 verkrijgen de personeelsleden van niveau II verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.
§ 2. In 2003 verkrijgen de personeelsleden van niveau II verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.
In 2003 en 2004 verkrijgen de personeelsleden van niveau II+ verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.
In 2003, 2004 en 2005 verkrijgen de personeelsleden van niveau II verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.
Art. 6. § 1er. Lorsque le pécules de vacances accordé en application des articles précédents n'est pas supérieur au montant accordé en vertu de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume, on applique le pourcentage supérieur prévu à l'article 3, § 1er, pour le niveau du membre du personnel concerné, afin de dépasser ce montant.
§ 2. Les membres du personnel de niveau II continuent en 2003 de percevoir le pécule de vacances en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume.
Les membres du personnel de niveau II+ continuent en 2003 et 2004 de percevoir le pécule de vacances en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume.
Les membres du personnel de niveau I continuent en 2003, 2004 et 2005 de percevoir le pécule de vacances en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume.
§ 2. Les membres du personnel de niveau II continuent en 2003 de percevoir le pécule de vacances en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume.
Les membres du personnel de niveau II+ continuent en 2003 et 2004 de percevoir le pécule de vacances en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume.
Les membres du personnel de niveau I continuent en 2003, 2004 et 2005 de percevoir le pécule de vacances en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume.
Inwerkingtreding.
Entrée en vigueur.
Art. 7. Voorliggend besluit heeft uitwerking op 1 mei 2003.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er mai 2003.
Uitvoering.
Exécution.
Art. 8. De Minister-President, bevoegd inzake Begroting en Personeel, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 8. Le Ministre-Président, compétent en matière de Budget et de Personnel, est chargé de l'exécution du présent arrêté.