Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van producten.
Dit besluit is niet van toepassing op de primaire productie voor particulier huishoudelijk gebruik.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
14 NOVEMBER 2003. - Koninklijk besluit betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-12-2003 en tekstbijwerking tot 12-08-2019)
Titre
14 NOVEMBRE 2003. - Arrêté royal relatif à l'autocontrôle, à la notification obligatoire et à la traçabilité dans la chaîne alimentaire. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-12-2003 et mise à jour au 12-08-2019)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.
HOOFDSTUK II. - Autocontrole.
HOOFDSTUK III. - Traceerbaarheid.
Afdeling 1.
Afdeling 2. - Identificatie en registratie van ...
Afdeling 3. - Wijze van registratie en ter besc...
HOOFDSTUK IV. - Meldingsplicht.
HOOFDSTUK V. - Gidsen.
HOOFDSTUK VI. - Delegatie.
HOOFDSTUK VII. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK VIII. - Overtredingen en strafbepalin...
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définiti...
CHAPITRE II. - L'autocontrôle.
CHAPITRE III. - La traçabilité.
Section 1er.
Section 2. - Identification et enregistrement d...
Section 3. - Mode d'enregistrement et de mise à...
CHAPITRE IV. - Notification obligatoire.
CHAPITRE V. - Guides.
CHAPITRE VI. - Délégation.
CHAPITRE VII. - Dispositions générales.
CHAPITRE VIII. - Infractions et dispositions pé...
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
ANNEXES.
Tekst (35)
Texte (35)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions.
Article 1. Le présent arrêté s'applique à toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution de produits.
Le présent arrêté ne s'applique pas à la production primaire destinée à un usage domestique privé.
Le présent arrêté ne s'applique pas à la production primaire destinée à un usage domestique privé.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Het Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
2° De Minister : de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid;
3° Kwaliteit : alle kenmerken met betrekking tot de aard, de gesteldheid, de samenstelling, de nutritionele aspecten, de verpakking en de etikettering;
[2 3°/1 Verordening 852/2004 : Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne;
3°/2 Verordening 183/2005 : Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne;]2
4° Primaire productie : de productie, het fokken en het telen van primaire producten tot en met het oogsten, het melken en de productie van landbouwhuisdieren, voorafgaande aan het slachten; dit begrip omvat tevens de jacht, de visvangst en de oogst van wilde producten [2 alsook de activiteiten bedoeld in bijlage I, deel A, I, 1 van de Verordening 852/2004 of in artikel 5, 1 van de Verordening 183/2005]2;
5° [2 Operator : de onbezoldigde natuurlijke persoon, de onderneming in de zin van artikel 4 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, of de vereniging, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is, in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van een product;]2
6° [2 Vestigingseenheid : een plaats die geografisch kan geïdentificeerd worden door een adres, waar ten minste één activiteit van de operator wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;]2
7° [2 ...]2
8° Product : Elk product of materie behorend tot de bevoegdheid van het Agentschap krachtens de wet van 4 februari 2000;
9° Levensmiddel : elk product, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, dat bestemd is om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat het door de mens wordt geconsumeerd.
Dit begrip omvat tevens drank, kauwgom alsmede iedere stof, daaronder begrepen water, die opzettelijk tijdens de vervaardiging, de bereiding of de behandeling aan het levensmiddel wordt toegevoegd.
Onder deze definitie vallen niet :
- dierenvoeders,
- levende dieren, tenzij bereid om in de handel te worden gebracht voor menselijke consumptie,
- planten vóór de oogst,
- geneesmiddelen in de zin van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen,
- cosmetische producten in de zin van het koninklijk besluit van 15 oktober 1997 betreffende cosmetica,
- tabak en tabaksproducten in de zin van het koninklijk besluit van 13 augustus 1990 betreffende het fabriceren en het in de handel brengen van producten op basis van tabak en soortgelijke producten,
- verdovende middelen en psychotrope stoffen in de zin van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen ondertekend te New York op 30 maart 1961 en het Verdrag inzake psychotrope stoffen, ondertekend te Wenen op 21 februari 1971;
- residuen en contaminanten;
10° In de handel brengen : het voorhanden hebben van producten met het oog op de verkoop, met inbegrip van het te koop aanbieden, of enige andere vorm van overdracht ten kosteloze of bezwarende titel, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf;
11° Stadia van productie, verwerking en distributie : alle stadia, met inbegrip van de invoer, de primaire productie of vervaardiging van een product tot en met het verpakken, de opslag, het vervoer, de verkoop, de distributie of de levering daarvan aan de eindverbruiker of gebruiker;
12° [2 Autocontrole : het geheel van maatregelen die door de operatoren worden genomen om ervoor te zorgen dat de producten in alle stadia van de productie, verwerking en distributie die onder hun beheer vallen :
- voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen;
- voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake kwaliteit van de producten, waarvoor het Agentschap bevoegd is;
- voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3
en het toezicht op de effectieve naleving van deze voorschriften;]2
13° Traceerbaarheid : mogelijkheid om een product door alle stadia van de productie, verwerking en distributie te traceren en te volgen;
14° Identificatie : elke benaming en/of code die éénduidig en ondubbelzinnig verwijst naar de etikettering van het product of de geregistreerde gegevens [2 van een inrichting]2 of een vestigingseenheid;
15° Etikettering : de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, beelden of tekens die betrekking hebben op een product en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat (die) bij dit product is gevoegd of daarop betrekking heeft.
[2 16° Veiligheid van de voedselketen : de veiligheid van elk product of materie behorende tot de bevoegdheid van het Agentschap krachtens de wet van 4 februari 2000;]2
[2 17° Primaire productie van niet-eetbare plantaardige producten : de primaire productie van plantaardige producten die niet van die aard zijn om geconsumeerd te worden door mens of dier;]2
[2 18° Plantengezondheid : de toestand die bekomen wordt door naleving van de bepalingen in uitvoering van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen;]2
[2 19° Diervoeders : alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeelt, verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;]2
[2 20° Inrichting : een plaats die geografisch gezien kan geïdentificeerd worden door een adres, waar ten minste een activiteit wordt uitgeoefend of van waaruit deze wordt uitgeoefend en die het geheel van de infrastructuur en de uitrusting omvat noodzakelijk voor het uitoefenen van de activiteit;]2
[3 21° Derde land: land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte en waartoe bij of krachtens een handels- of associatieakkoord het vrij verkeer van goederen niet volledig werd uitgebreid.]3
1° Het Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
2° De Minister : de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid;
3° Kwaliteit : alle kenmerken met betrekking tot de aard, de gesteldheid, de samenstelling, de nutritionele aspecten, de verpakking en de etikettering;
[2 3°/1 Verordening 852/2004 : Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne;
3°/2 Verordening 183/2005 : Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne;]2
4° Primaire productie : de productie, het fokken en het telen van primaire producten tot en met het oogsten, het melken en de productie van landbouwhuisdieren, voorafgaande aan het slachten; dit begrip omvat tevens de jacht, de visvangst en de oogst van wilde producten [2 alsook de activiteiten bedoeld in bijlage I, deel A, I, 1 van de Verordening 852/2004 of in artikel 5, 1 van de Verordening 183/2005]2;
5° [2 Operator : de onbezoldigde natuurlijke persoon, de onderneming in de zin van artikel 4 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, of de vereniging, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is, in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van een product;]2
6° [2 Vestigingseenheid : een plaats die geografisch kan geïdentificeerd worden door een adres, waar ten minste één activiteit van de operator wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;]2
7° [2 ...]2
8° Product : Elk product of materie behorend tot de bevoegdheid van het Agentschap krachtens de wet van 4 februari 2000;
9° Levensmiddel : elk product, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, dat bestemd is om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat het door de mens wordt geconsumeerd.
Dit begrip omvat tevens drank, kauwgom alsmede iedere stof, daaronder begrepen water, die opzettelijk tijdens de vervaardiging, de bereiding of de behandeling aan het levensmiddel wordt toegevoegd.
Onder deze definitie vallen niet :
- dierenvoeders,
- levende dieren, tenzij bereid om in de handel te worden gebracht voor menselijke consumptie,
- planten vóór de oogst,
- geneesmiddelen in de zin van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen,
- cosmetische producten in de zin van het koninklijk besluit van 15 oktober 1997 betreffende cosmetica,
- tabak en tabaksproducten in de zin van het koninklijk besluit van 13 augustus 1990 betreffende het fabriceren en het in de handel brengen van producten op basis van tabak en soortgelijke producten,
- verdovende middelen en psychotrope stoffen in de zin van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen ondertekend te New York op 30 maart 1961 en het Verdrag inzake psychotrope stoffen, ondertekend te Wenen op 21 februari 1971;
- residuen en contaminanten;
10° In de handel brengen : het voorhanden hebben van producten met het oog op de verkoop, met inbegrip van het te koop aanbieden, of enige andere vorm van overdracht ten kosteloze of bezwarende titel, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf;
11° Stadia van productie, verwerking en distributie : alle stadia, met inbegrip van de invoer, de primaire productie of vervaardiging van een product tot en met het verpakken, de opslag, het vervoer, de verkoop, de distributie of de levering daarvan aan de eindverbruiker of gebruiker;
12° [2 Autocontrole : het geheel van maatregelen die door de operatoren worden genomen om ervoor te zorgen dat de producten in alle stadia van de productie, verwerking en distributie die onder hun beheer vallen :
- voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen;
- voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake kwaliteit van de producten, waarvoor het Agentschap bevoegd is;
- voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3
en het toezicht op de effectieve naleving van deze voorschriften;]2
13° Traceerbaarheid : mogelijkheid om een product door alle stadia van de productie, verwerking en distributie te traceren en te volgen;
14° Identificatie : elke benaming en/of code die éénduidig en ondubbelzinnig verwijst naar de etikettering van het product of de geregistreerde gegevens [2 van een inrichting]2 of een vestigingseenheid;
15° Etikettering : de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, beelden of tekens die betrekking hebben op een product en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat (die) bij dit product is gevoegd of daarop betrekking heeft.
[2 16° Veiligheid van de voedselketen : de veiligheid van elk product of materie behorende tot de bevoegdheid van het Agentschap krachtens de wet van 4 februari 2000;]2
[2 17° Primaire productie van niet-eetbare plantaardige producten : de primaire productie van plantaardige producten die niet van die aard zijn om geconsumeerd te worden door mens of dier;]2
[2 18° Plantengezondheid : de toestand die bekomen wordt door naleving van de bepalingen in uitvoering van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen;]2
[2 19° Diervoeders : alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeelt, verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;]2
[2 20° Inrichting : een plaats die geografisch gezien kan geïdentificeerd worden door een adres, waar ten minste een activiteit wordt uitgeoefend of van waaruit deze wordt uitgeoefend en die het geheel van de infrastructuur en de uitrusting omvat noodzakelijk voor het uitoefenen van de activiteit;]2
[3 21° Derde land: land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte en waartoe bij of krachtens een handels- of associatieakkoord het vrij verkeer van goederen niet volledig werd uitgebreid.]3
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté il faut entendre par :
1° L'Agence : l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;
2° Le Ministre : le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
3° Qualité : toutes les caractéristiques relatives à la nature, à l'état, à la composition, aux aspects nutritionnels, à l'emballage et à l'étiquetage;
[2 3°/1 Règlement 852/2004 : Règlement (CE) n° 852/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif à l'hygiène des denrées alimentaires;
3°/2 Règlement 183/2005 : Règlement (CE) n° 183/2005 du Parlement européen et du Conseil du 12 janvier 2005 établissant des exigences en matière d'hygiène des aliments pour animaux;]2
4° Production primaire : la production, l'élevage et la culture de produits primaires, y compris la récolte, la traite et la production d'animaux d'élevage avant l'abattage; cette notion couvre également la chasse, la pêche et la cueillette de produits sauvages [2 , ainsi que les activités visées à l'annexe I, partie A, I, 1 du Règlement 852/2004 ou à l'article 5, 1 du Règlement 183/2005]2;
5° [2 Opérateur : la personne physique non salariée, l'entreprise au sens de l'article 4 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions, ou l'association de droit public ou de droit privé, assurant, dans un but lucratif ou non, des activités liées aux étapes de la production, de la transformation et de la distribution d'un produit;]2
6° [2 Unité d'établissement : lieu d'activité, géographiquement identifiable par une adresse, où s'exerce au moins une activité de l'opérateur ou à partir duquel elle est exercée;]2
7° [2 ...]2
8° Produit : tout produit ou substance relevant de la compétence de l'Agence aux termes de la loi du 4 février 2000;
9° Denrée alimentaire : tout produit, transformé, partiellement transformé ou non transformé, destiné à être ingéré ou raisonnablement susceptible d'être ingéré par l'être humain.
Ce terme recouvre les boissons, les gommes à mâcher et toute substance, y compris l'eau, intégrée intentionnellement dans les denrées alimentaires au cours de leur fabrication, de leur préparation ou de leur traitement.
Cette définition ne couvre pas :
- les aliments pour animaux,
- les animaux vivants à moins qu'ils ne soient préparés en vue de la consommation humaine,
- les plantes avant leur récolte,
- les médicaments au sens de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments,
- les cosmétiques au sens de l'arrêté royal du 15 octobre 1997 relatif aux produits cosmétiques,
- le tabac et les produits du tabac au sens de l'arrêté royal du 13 août 1990 relatif à la fabrication et à la mise dans le commerce de produits à base de tabac et de produits similaires,
- les stupéfiants et les substances psychotropes au sens de la Convention unique sur les stupéfiants signée à New York le 30 mars 1961 ainsi que de la Convention des Nations unies sur les substances psychotropes signée à Vienne le 21 février 1971;
- les résidus et contaminants;
10° Mise sur le marché : la détention de produits en vue de leur vente, y compris l'offre en vue de la vente ou toute autre forme de cession, à titre gratuit ou onéreux, ainsi que la vente, la distribution et les autres formes de cession proprement dites;
11° Etapes de la production, de la transformation et de la distribution : toutes les étapes, dont l'importation, y compris la production primaire ou la fabrication d'un produit, jusque et y compris son emballage, son entreposage, son transport, sa vente, sa distribution ou sa livraison au consommateur final ou à l'utilisateur;
12° [2 Autocontrôle : l'ensemble des mesures prises par les opérateurs pour faire en sorte que les produits à toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution et dont ils ont en charge la gestion :
- répondent aux prescriptions réglementaires relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire;
- répondent aux prescriptions réglementaires relatives à la qualité des produits, pour lesquelles l'Agence est compétente;
- répondent aux prescriptions du chapitre 3
et la surveillance du respect effectif de ces prescriptions;]2
13° Traçabilité : la capacité de retracer le cheminement d'un produit, à travers toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution;
14° Identification : toute dénomination et/ou code qui fait clairement et explicitement référence à l'étiquetage du produit ou aux données enregistrées [2 d'un établissement]2 ou d'une [1 unité d'établissement]1;
15° Etiquetage : les mentions, indications, marques de fabrique ou commerciales, images ou signes se rapportant à un produit et figurant sur tout emballage, document, écriteau, étiquette, bague ou collerette accompagnant ou se référant à ce produit.
[2 16° Sécurité de la chaîne alimentaire : la sécurité de chaque produit ou matière relevant de la compétence de l'Agence en vertu de la loi du 4 février 2000;]2
[2 17° Production primaire de produits végétaux non comestibles : la production primaire de produits végétaux qui ne sont pas de nature à être consommés par l'homme ou l'animal;]2
[2 18° Santé végétale : l'état qui est obtenu par le respect des dispositions définies en exécution de la loi du 2 avril 1971 relative à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux;]2
[2 19° Aliments pour animaux : toute substance ou produit, y compris les additifs, transformé, partiellement transformé ou non transformé, destiné à l'alimentation des animaux par voie orale;]2
[2 20° Etablissement : lieu d'activité, géographiquement identifiable par une adresse, où s'exerce au moins une activité ou à partir duquel elle est exercée et qui comprend l'ensemble de l'infrastructure et des équipements nécessaires à l'exercice de l'activité;]2
[3 21° Pays tiers : pays n'appartenant pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen et auxquels la libre circulation des marchandises n'a pas été totalement étendue par ou en vertu d'un accord de commerce ou d'association. ]3
1° L'Agence : l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;
2° Le Ministre : le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
3° Qualité : toutes les caractéristiques relatives à la nature, à l'état, à la composition, aux aspects nutritionnels, à l'emballage et à l'étiquetage;
[2 3°/1 Règlement 852/2004 : Règlement (CE) n° 852/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif à l'hygiène des denrées alimentaires;
3°/2 Règlement 183/2005 : Règlement (CE) n° 183/2005 du Parlement européen et du Conseil du 12 janvier 2005 établissant des exigences en matière d'hygiène des aliments pour animaux;]2
4° Production primaire : la production, l'élevage et la culture de produits primaires, y compris la récolte, la traite et la production d'animaux d'élevage avant l'abattage; cette notion couvre également la chasse, la pêche et la cueillette de produits sauvages [2 , ainsi que les activités visées à l'annexe I, partie A, I, 1 du Règlement 852/2004 ou à l'article 5, 1 du Règlement 183/2005]2;
5° [2 Opérateur : la personne physique non salariée, l'entreprise au sens de l'article 4 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions, ou l'association de droit public ou de droit privé, assurant, dans un but lucratif ou non, des activités liées aux étapes de la production, de la transformation et de la distribution d'un produit;]2
6° [2 Unité d'établissement : lieu d'activité, géographiquement identifiable par une adresse, où s'exerce au moins une activité de l'opérateur ou à partir duquel elle est exercée;]2
7° [2 ...]2
8° Produit : tout produit ou substance relevant de la compétence de l'Agence aux termes de la loi du 4 février 2000;
9° Denrée alimentaire : tout produit, transformé, partiellement transformé ou non transformé, destiné à être ingéré ou raisonnablement susceptible d'être ingéré par l'être humain.
Ce terme recouvre les boissons, les gommes à mâcher et toute substance, y compris l'eau, intégrée intentionnellement dans les denrées alimentaires au cours de leur fabrication, de leur préparation ou de leur traitement.
Cette définition ne couvre pas :
- les aliments pour animaux,
- les animaux vivants à moins qu'ils ne soient préparés en vue de la consommation humaine,
- les plantes avant leur récolte,
- les médicaments au sens de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments,
- les cosmétiques au sens de l'arrêté royal du 15 octobre 1997 relatif aux produits cosmétiques,
- le tabac et les produits du tabac au sens de l'arrêté royal du 13 août 1990 relatif à la fabrication et à la mise dans le commerce de produits à base de tabac et de produits similaires,
- les stupéfiants et les substances psychotropes au sens de la Convention unique sur les stupéfiants signée à New York le 30 mars 1961 ainsi que de la Convention des Nations unies sur les substances psychotropes signée à Vienne le 21 février 1971;
- les résidus et contaminants;
10° Mise sur le marché : la détention de produits en vue de leur vente, y compris l'offre en vue de la vente ou toute autre forme de cession, à titre gratuit ou onéreux, ainsi que la vente, la distribution et les autres formes de cession proprement dites;
11° Etapes de la production, de la transformation et de la distribution : toutes les étapes, dont l'importation, y compris la production primaire ou la fabrication d'un produit, jusque et y compris son emballage, son entreposage, son transport, sa vente, sa distribution ou sa livraison au consommateur final ou à l'utilisateur;
12° [2 Autocontrôle : l'ensemble des mesures prises par les opérateurs pour faire en sorte que les produits à toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution et dont ils ont en charge la gestion :
- répondent aux prescriptions réglementaires relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire;
- répondent aux prescriptions réglementaires relatives à la qualité des produits, pour lesquelles l'Agence est compétente;
- répondent aux prescriptions du chapitre 3
et la surveillance du respect effectif de ces prescriptions;]2
13° Traçabilité : la capacité de retracer le cheminement d'un produit, à travers toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution;
14° Identification : toute dénomination et/ou code qui fait clairement et explicitement référence à l'étiquetage du produit ou aux données enregistrées [2 d'un établissement]2 ou d'une [1 unité d'établissement]1;
15° Etiquetage : les mentions, indications, marques de fabrique ou commerciales, images ou signes se rapportant à un produit et figurant sur tout emballage, document, écriteau, étiquette, bague ou collerette accompagnant ou se référant à ce produit.
[2 16° Sécurité de la chaîne alimentaire : la sécurité de chaque produit ou matière relevant de la compétence de l'Agence en vertu de la loi du 4 février 2000;]2
[2 17° Production primaire de produits végétaux non comestibles : la production primaire de produits végétaux qui ne sont pas de nature à être consommés par l'homme ou l'animal;]2
[2 18° Santé végétale : l'état qui est obtenu par le respect des dispositions définies en exécution de la loi du 2 avril 1971 relative à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux;]2
[2 19° Aliments pour animaux : toute substance ou produit, y compris les additifs, transformé, partiellement transformé ou non transformé, destiné à l'alimentation des animaux par voie orale;]2
[2 20° Etablissement : lieu d'activité, géographiquement identifiable par une adresse, où s'exerce au moins une activité ou à partir duquel elle est exercée et qui comprend l'ensemble de l'infrastructure et des équipements nécessaires à l'exercice de l'activité;]2
[3 21° Pays tiers : pays n'appartenant pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen et auxquels la libre circulation des marchandises n'a pas été totalement étendue par ou en vertu d'un accord de commerce ou d'association. ]3
HOOFDSTUK II. - Autocontrole.
CHAPITRE II. - L'autocontrôle.
Art. 3. § 1. Elke [1 operator]1, uitgezonderd voor de primaire productie, moet [2 voor elke vestigingseenheid]2 een systeem van autocontrole instellen, toepassen en handhaven, dat de veiligheid van zijn producten omvat.
§ 2. Voor de veiligheid van levensmiddelen [2 en van de diervoeders]2 moet het autocontrolesysteem gebaseerd zijn op de volgende principes van het " Hazard analysis and critical control points-systeem " (HACCP-systeem) :
1° het identificeren van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;
2° het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;
3° het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te kunnen bepalen wat al dan niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;
4° het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures voor de kritische controlepunten;
5° het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking blijkt dat een kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;
6° het vaststellen van procedures om na te gaan of de in de punten 1° tot en met 5° bedoelde maatregelen naar behoren functioneren. Regelmatig worden er verificatieprocedures uitgevoerd. De procedures worden herzien telkens het productieproces [1 in de inrichting]1 op zodanige wijze wordt gewijzigd dat de voedselveiligheid zou kunnen worden aangetast;
7° het opstellen van documenten en registers, aangepast aan de aard en de omvang [1 van de inrichting]1, teneinde aan te tonen dat de in de punten 1° tot en met 6° omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast;
8° indien nodig het opstellen van bemonsterings- en analyseplannen die toelaten zich te verzekeren van de geldigheid van het autocontrolesysteem.
De Ministers die de Volksgezondheid en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben, bepalen, in voorkomend geval, op basis van sociale, economische of traditionele factoren, de toepassingsmodaliteiten voor bepaalde sectoren, subsectoren of categorieën van [1 inrichtingen]1 met betrekking tot de in deze § aangegeven verplichtingen. De toepassingsmodaliteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de veiligheid van de levensmiddelen.
§ 3. Elke [1 operator]1, kan een systeem van autocontrole instellen, toepassen en handhaven dat de kwaliteit van zijn producten verzekert.
§ 4. [2 Elke operator binnen de primaire productie moet, voor zover hij plantaardige producten produceert of oogst, de voorschriften die opgenomen zijn in de bijlage IV respecteren.
Elke operator binnen de primaire dierlijke en plantaardige productie voert, uitgezonderd voor de activiteiten die betrekking hebben op de primaire productie van niet-eetbare plantaardige producten, enerzijds een regelmatige controle uit op de hygiënevoorschriften bedoeld in bijlage I, deel A, II van de Verordening 852/2004 en bijlage I, deel A, I van de Verordening 183/2005 en houdt anderzijds de nodige registers bij zoals voorzien in bijlage I, deel A, III van de Verordening 852/2004 en bijlage I, deel A, II van de Verordening 183/2005.]2
[2 § 5. De analyses die uitgevoerd worden in het kader van dit artikel worden uitgevoerd in laboratoria die deelnemen aan ringtesten, vermeld op de website van het Agentschap.]2
[2 § 6.[3 Elke operator kan zijn autocontrolesysteem en de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 4, per vestigingseenheid door het Agentschap laten valideren. Indien in een inrichting meerdere vestigingseenheden hun activiteit uitoefenen binnen één erkenning of toelating dan moet het autocontrolesysteem van deze vestigingseenheden en/of de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 4, betrekking hebbend op deze vestigingseenheden gelijktijdig gevalideerd worden]3.]2
[3 § 7. De Minister kan, op vraag van bepaalde sectoren, de validatie van het autocontrolesysteem of de validatie van de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 4 opleggen voor deze sector.]3
[3 Elke operator moet, voor elke vestigingseenheid van waaruit producten geëxporteerd worden naar derde landen en voor zover hiervoor aan specifieke bijkomende voorwaarden inzake de veiligheid van de voedselketen moet voldaan worden, zijn autocontrolesysteem / de naleving van de bepalingen vermeld in paragraaf 4, laten valideren.
Voor zover dit noodzakelijk is om aan de eisen van het derde land te voldoen moet eveneens de toeleverancier van de in de eerste alinea bedoelde operator zijn autocontrolesysteem / de naleving van de bepalingen vermeld in paragraaf 4, laten valideren.
Het Agentschap stelt, na overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken sector, vast voor welke land - productcombinaties aan deze specifieke bijkomende voorwaarden moet voldaan worden en publiceert deze op zijn website.]3
[3 § 9. Ingeval de validatie verplicht is volgens de bepalingen van paragrafen 7 en 8 kan een operator waarvoor de validatie verlopen, geschorst of ingetrokken is, voor zover de veiligheid van zijn producten niet in het gedrang is en hij aan de andere bepalingen van de regelgeving voldoet zijn activiteiten voor maximaal 3 maand voortzetten. Producten bestemd voor derde landen kunnen enkel geëxporteerd worden indien het respecteren van de eisen van de derde landen gegarandeerd kan worden.]3
[3 § 10. Elke operator die een validatie zoals bedoeld in paragraaf 6 of artikel 10 bekomen heeft, houdt de inspectieverslagen van het Agentschap alsook de in het kader van de validatie bekomen auditverslagen, minstens tot 1 jaar na de geldigheidsperiode van de bekomen validatie ter beschikking van het Agentschap en van de in artikel 10 bedoelde organismen.]3
[3 § 11. De validatie als bedoeld in artikel 10 wordt geschorst door het betrokken inspectie- of certificeringsorganisme die de validatie heeft uitgevoerd of door het Agentschap:
1° indien vastgesteld wordt dat niet langer voldaan is aan de voorwaarden voor de validatie, of
2° indien de operatoren worden onderworpen aan een versterkte controle zoals bedoeld in artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 betreffende de controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in dierlijke producten.]3
[3 § 12. In het geval, beschreven in paragraaf 11, kan de operator zijn autocontrolesysteem of de naleving van de bepalingen, vermeld in artikel 3, § 4 opnieuw laten valideren indien hij het nodige gedaan heeft om terug aan de voorwaarden van de validatie te voldoen.
De schorsing van de validatie in het geval, beschreven in paragraaf 11, 2°, duurt voor de periode van de versterkte controle.]3
[3 § 13. Bij schorsing van de validatie beëindigt, in het geval er een visueel teken werd afgeleverd, het recht om dit uit te hangen en de operator is ertoe gehouden het visuele teken dat in zijn bezit is te vernietigen.]3
§ 2. Voor de veiligheid van levensmiddelen [2 en van de diervoeders]2 moet het autocontrolesysteem gebaseerd zijn op de volgende principes van het " Hazard analysis and critical control points-systeem " (HACCP-systeem) :
1° het identificeren van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;
2° het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;
3° het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te kunnen bepalen wat al dan niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;
4° het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures voor de kritische controlepunten;
5° het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking blijkt dat een kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;
6° het vaststellen van procedures om na te gaan of de in de punten 1° tot en met 5° bedoelde maatregelen naar behoren functioneren. Regelmatig worden er verificatieprocedures uitgevoerd. De procedures worden herzien telkens het productieproces [1 in de inrichting]1 op zodanige wijze wordt gewijzigd dat de voedselveiligheid zou kunnen worden aangetast;
7° het opstellen van documenten en registers, aangepast aan de aard en de omvang [1 van de inrichting]1, teneinde aan te tonen dat de in de punten 1° tot en met 6° omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast;
8° indien nodig het opstellen van bemonsterings- en analyseplannen die toelaten zich te verzekeren van de geldigheid van het autocontrolesysteem.
De Ministers die de Volksgezondheid en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben, bepalen, in voorkomend geval, op basis van sociale, economische of traditionele factoren, de toepassingsmodaliteiten voor bepaalde sectoren, subsectoren of categorieën van [1 inrichtingen]1 met betrekking tot de in deze § aangegeven verplichtingen. De toepassingsmodaliteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de veiligheid van de levensmiddelen.
§ 3. Elke [1 operator]1, kan een systeem van autocontrole instellen, toepassen en handhaven dat de kwaliteit van zijn producten verzekert.
§ 4. [2 Elke operator binnen de primaire productie moet, voor zover hij plantaardige producten produceert of oogst, de voorschriften die opgenomen zijn in de bijlage IV respecteren.
Elke operator binnen de primaire dierlijke en plantaardige productie voert, uitgezonderd voor de activiteiten die betrekking hebben op de primaire productie van niet-eetbare plantaardige producten, enerzijds een regelmatige controle uit op de hygiënevoorschriften bedoeld in bijlage I, deel A, II van de Verordening 852/2004 en bijlage I, deel A, I van de Verordening 183/2005 en houdt anderzijds de nodige registers bij zoals voorzien in bijlage I, deel A, III van de Verordening 852/2004 en bijlage I, deel A, II van de Verordening 183/2005.]2
[2 § 5. De analyses die uitgevoerd worden in het kader van dit artikel worden uitgevoerd in laboratoria die deelnemen aan ringtesten, vermeld op de website van het Agentschap.]2
[2 § 6.[3 Elke operator kan zijn autocontrolesysteem en de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 4, per vestigingseenheid door het Agentschap laten valideren. Indien in een inrichting meerdere vestigingseenheden hun activiteit uitoefenen binnen één erkenning of toelating dan moet het autocontrolesysteem van deze vestigingseenheden en/of de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 4, betrekking hebbend op deze vestigingseenheden gelijktijdig gevalideerd worden]3.]2
[3 § 7. De Minister kan, op vraag van bepaalde sectoren, de validatie van het autocontrolesysteem of de validatie van de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 4 opleggen voor deze sector.]3
[3 Elke operator moet, voor elke vestigingseenheid van waaruit producten geëxporteerd worden naar derde landen en voor zover hiervoor aan specifieke bijkomende voorwaarden inzake de veiligheid van de voedselketen moet voldaan worden, zijn autocontrolesysteem / de naleving van de bepalingen vermeld in paragraaf 4, laten valideren.
Voor zover dit noodzakelijk is om aan de eisen van het derde land te voldoen moet eveneens de toeleverancier van de in de eerste alinea bedoelde operator zijn autocontrolesysteem / de naleving van de bepalingen vermeld in paragraaf 4, laten valideren.
Het Agentschap stelt, na overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken sector, vast voor welke land - productcombinaties aan deze specifieke bijkomende voorwaarden moet voldaan worden en publiceert deze op zijn website.]3
[3 § 9. Ingeval de validatie verplicht is volgens de bepalingen van paragrafen 7 en 8 kan een operator waarvoor de validatie verlopen, geschorst of ingetrokken is, voor zover de veiligheid van zijn producten niet in het gedrang is en hij aan de andere bepalingen van de regelgeving voldoet zijn activiteiten voor maximaal 3 maand voortzetten. Producten bestemd voor derde landen kunnen enkel geëxporteerd worden indien het respecteren van de eisen van de derde landen gegarandeerd kan worden.]3
[3 § 10. Elke operator die een validatie zoals bedoeld in paragraaf 6 of artikel 10 bekomen heeft, houdt de inspectieverslagen van het Agentschap alsook de in het kader van de validatie bekomen auditverslagen, minstens tot 1 jaar na de geldigheidsperiode van de bekomen validatie ter beschikking van het Agentschap en van de in artikel 10 bedoelde organismen.]3
[3 § 11. De validatie als bedoeld in artikel 10 wordt geschorst door het betrokken inspectie- of certificeringsorganisme die de validatie heeft uitgevoerd of door het Agentschap:
1° indien vastgesteld wordt dat niet langer voldaan is aan de voorwaarden voor de validatie, of
2° indien de operatoren worden onderworpen aan een versterkte controle zoals bedoeld in artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 betreffende de controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in dierlijke producten.]3
[3 § 12. In het geval, beschreven in paragraaf 11, kan de operator zijn autocontrolesysteem of de naleving van de bepalingen, vermeld in artikel 3, § 4 opnieuw laten valideren indien hij het nodige gedaan heeft om terug aan de voorwaarden van de validatie te voldoen.
De schorsing van de validatie in het geval, beschreven in paragraaf 11, 2°, duurt voor de periode van de versterkte controle.]3
[3 § 13. Bij schorsing van de validatie beëindigt, in het geval er een visueel teken werd afgeleverd, het recht om dit uit te hangen en de operator is ertoe gehouden het visuele teken dat in zijn bezit is te vernietigen.]3
Art. 3. § 1er. Tout [1 opérateur]1, sauf pour ce qui concerne la production primaire, doit instaurer, appliquer et maintenir un système d'autocontrôle couvrant la sécurité de ses produits [2 pour chaque unité d'établissement]2.
§ 2. Pour la sécurité des denrées alimentaires [2 et des aliments pour animaux]2 le système d'autocontrôle doit être basé sur les principes suivants du système de " Hazard analysis and critical control points " (système HACCP) :
1° l'identification de tout danger qu'il y a lieu d'éviter, d'éliminer ou de ramener à un niveau acceptable;
2° l'identification des points critiques de contrôle au niveau desquels un contrôle est indispensable pour éviter ou éliminer un danger ou pour le ramener à un niveau acceptable;
3° l'établissement, aux points critiques de contrôle, des limites critiques qui différencient l'acceptabilité de l'inacceptabilité pour la prévention, l'élimination ou la réduction des dangers identifiés;
4° l'établissement et l'application de procédures de surveillance efficaces des points critiques de contrôle;
5° l'établissement d'actions correctives lorsque la surveillance révèle qu'un point critique de contrôle n'est pas entièrement maîtrisé;
6° l'établissement de procédures permettant de vérifier si les mesures visées aux points 1° à 5° fonctionnent correctement. Des procédures de vérification sont exécutées régulièrement. Les procédures sont réexaminées chaque fois que le processus de production [1 de l'établissement]1 est modifié de telle manière que la sécurité alimentaire pourrait en être affectée;
7° l'établissement de documents et de registres adaptés à la nature et à la taille [1 de l'établissement]1, afin de prouver l'application effective des mesures décrites aux points 1° à 6° inclus;
8° si nécessaire l'établissement de plans d'échantillonnages et d'analyses permettant de s'assurer de la validité du système d'autocontrôle.
Les Ministres ayant la Santé publique et les Classes moyennes dans leurs attributions déterminent, le cas échéant, sur base de facteurs sociaux, économiques ou traditionnels, les modalités d'application à certains secteurs, sous-secteurs ou catégories d' [1 établissements]1, concernant les obligations figurant dans le présent §. Ces modalités d'application ne peuvent pas avoir d'influence préjudiciable sur la sécurité des denrées alimentaires.
§ 3. Tout [1 opérateur]1, peut instaurer, appliquer et maintenir un système d'autocontrôle assurant la qualité de ses produits.
§ 4. [2 Tout opérateur dans le domaine de la production primaire, dès l'instant où il produit ou récolte des produits végétaux, doit respecter les exigences reprises à l'annexe IV.
Excepté pour les activités se rapportant à la production primaire de produits végétaux non comestibles, tout opérateur dans le domaine de la production primaire animale et végétale effectue, d'une part, un contrôle régulier du respect des prescriptions en matière d'hygiène visées à l'annexe Ire, partie A, II du Règlement 852/2004 et à l'annexe Ire, partie A, I du Règlement 183/2005, et tient, d'autre part, les registres prévus à l'annexe Ire, partie A, III du Règlement 852/2004 et à l'annexe Ire, partie A, II du Règlement 183/2005.]2
[2 § 5. Les analyses qui sont effectuées dans le cadre du présent article, sont effectuées dans les laboratoires qui participent à des analyses circulaires, mentionnées sur le site internet de l'Agence.]2
[2 § 6. [3 Chaque opérateur peut faire valider par l'Agence son système d'autocontrôle et le respect des dispositions reprises au paragraphe 4, pour chaque unité d'établissement. Si, dans un établissement, plusieurs unités d'établissement exercent leurs activités dans le cadre d'un seul agrément ou d'une seule autorisation, le système d'autocontrôle de ces unités d'établissement et / ou le respect des dispositions reprises au paragraphe 4 relatives à ces unités d'établissement doivent être validés simultanément]3.]2
[3 § 7. Le ministre peut imposer, à la demande de certains secteurs, la validation du système d'autocontrôle ou la validation du respect des dispositions prévues au paragraphe 4 pour ce secteur.]3
[3 § 8. Chaque opérateur doit faire valider son système d'autocontrôle / le respect des dispositions prévues au paragraphe 4 de chaque unité d'établissement à partir de laquelle des produits sont exportés vers des pays tiers, et pour autant qu'il doive être satisfait à des conditions spécifiques supplémentaires en matière de sécurité de la chaîne alimentaire.
Pour autant que cela soit nécessaire pour satisfaire aux exigences du pays tiers le fournisseur de l'opérateur visé au premier alinéa doit également faire valider son système d'autocontrôle / le respect des dispositions prévues au paragraphe 4.
L'Agence, après consultation des représentants du secteur concerné, détermine pour quelles combinaisons pays - produit, il doit être satisfait à ces conditions spécifiques supplémentaires et publie celles-ci sur son site Internet.]3
[3 § 9.Dans le cas où la validation est obligatoire conformément aux dispositions des paragraphes 7 et 8, un opérateur dont la validation est expirée, suspendue ou retirée, peut, pour autant que la sécurité de ses produits ne soit pas compromise et qu'il satisfasse aux autres dispositions de la réglementation, poursuivre ses activités pendant maximum 3 mois. Les produits destinés aux pays tiers peuvent uniquement être exportés si le respect des exigences des pays tiers peut être garanti.]3
[3 § 10. Tout opérateur qui a obtenu une validation telle que visée au paragraphe 6 ou à l'article 10, conserve à disposition de l'Agence et des organismes visés à l'article 10 au moins un an après la période de validité de la validation obtenue, les rapports d'inspection de l'Agence, ainsi que les rapports d'audit obtenus dans le cadre de la validation.]3
[3 § 11. La validation visée à l'article 10 est suspendue par l'organisme d'inspection ou de certification qui a procédé à la validation ou par l'Agence :
1° s'il est constaté que les conditions pour la validation ne sont plus respectées, ou
2° si les opérateurs sont soumis à un contrôle renforcé visé aux articles 7 et 8 de l'arrêté royal du 27 février 2013 fixant les mesures de contrôle à l'égard de certaines substances et leurs résidus dans les animaux vivants et les produits animaux.]3
[3 § 12. Dans le cas décrit au paragraphe 11, l'opérateur peut à nouveau faire valider son système d'autocontrôle ou le respect des dispositions reprises à l'article 3, § 4 s'il a fait le nécessaire pour satisfaire à nouveau aux conditions de la validation.
La suspension de la validation, dans le cas décrit au paragraphe 11, 2°, dure pour la période du contrôle renforcé.]3
[3 § 13. En cas de suspension de la validation, si un signe visuel a été délivré, le droit d'afficher celui-ci prend fin et l'opérateur est tenu de détruire le signe visuel en sa possession.]3
§ 2. Pour la sécurité des denrées alimentaires [2 et des aliments pour animaux]2 le système d'autocontrôle doit être basé sur les principes suivants du système de " Hazard analysis and critical control points " (système HACCP) :
1° l'identification de tout danger qu'il y a lieu d'éviter, d'éliminer ou de ramener à un niveau acceptable;
2° l'identification des points critiques de contrôle au niveau desquels un contrôle est indispensable pour éviter ou éliminer un danger ou pour le ramener à un niveau acceptable;
3° l'établissement, aux points critiques de contrôle, des limites critiques qui différencient l'acceptabilité de l'inacceptabilité pour la prévention, l'élimination ou la réduction des dangers identifiés;
4° l'établissement et l'application de procédures de surveillance efficaces des points critiques de contrôle;
5° l'établissement d'actions correctives lorsque la surveillance révèle qu'un point critique de contrôle n'est pas entièrement maîtrisé;
6° l'établissement de procédures permettant de vérifier si les mesures visées aux points 1° à 5° fonctionnent correctement. Des procédures de vérification sont exécutées régulièrement. Les procédures sont réexaminées chaque fois que le processus de production [1 de l'établissement]1 est modifié de telle manière que la sécurité alimentaire pourrait en être affectée;
7° l'établissement de documents et de registres adaptés à la nature et à la taille [1 de l'établissement]1, afin de prouver l'application effective des mesures décrites aux points 1° à 6° inclus;
8° si nécessaire l'établissement de plans d'échantillonnages et d'analyses permettant de s'assurer de la validité du système d'autocontrôle.
Les Ministres ayant la Santé publique et les Classes moyennes dans leurs attributions déterminent, le cas échéant, sur base de facteurs sociaux, économiques ou traditionnels, les modalités d'application à certains secteurs, sous-secteurs ou catégories d' [1 établissements]1, concernant les obligations figurant dans le présent §. Ces modalités d'application ne peuvent pas avoir d'influence préjudiciable sur la sécurité des denrées alimentaires.
§ 3. Tout [1 opérateur]1, peut instaurer, appliquer et maintenir un système d'autocontrôle assurant la qualité de ses produits.
§ 4. [2 Tout opérateur dans le domaine de la production primaire, dès l'instant où il produit ou récolte des produits végétaux, doit respecter les exigences reprises à l'annexe IV.
Excepté pour les activités se rapportant à la production primaire de produits végétaux non comestibles, tout opérateur dans le domaine de la production primaire animale et végétale effectue, d'une part, un contrôle régulier du respect des prescriptions en matière d'hygiène visées à l'annexe Ire, partie A, II du Règlement 852/2004 et à l'annexe Ire, partie A, I du Règlement 183/2005, et tient, d'autre part, les registres prévus à l'annexe Ire, partie A, III du Règlement 852/2004 et à l'annexe Ire, partie A, II du Règlement 183/2005.]2
[2 § 5. Les analyses qui sont effectuées dans le cadre du présent article, sont effectuées dans les laboratoires qui participent à des analyses circulaires, mentionnées sur le site internet de l'Agence.]2
[2 § 6. [3 Chaque opérateur peut faire valider par l'Agence son système d'autocontrôle et le respect des dispositions reprises au paragraphe 4, pour chaque unité d'établissement. Si, dans un établissement, plusieurs unités d'établissement exercent leurs activités dans le cadre d'un seul agrément ou d'une seule autorisation, le système d'autocontrôle de ces unités d'établissement et / ou le respect des dispositions reprises au paragraphe 4 relatives à ces unités d'établissement doivent être validés simultanément]3.]2
[3 § 7. Le ministre peut imposer, à la demande de certains secteurs, la validation du système d'autocontrôle ou la validation du respect des dispositions prévues au paragraphe 4 pour ce secteur.]3
[3 § 8. Chaque opérateur doit faire valider son système d'autocontrôle / le respect des dispositions prévues au paragraphe 4 de chaque unité d'établissement à partir de laquelle des produits sont exportés vers des pays tiers, et pour autant qu'il doive être satisfait à des conditions spécifiques supplémentaires en matière de sécurité de la chaîne alimentaire.
Pour autant que cela soit nécessaire pour satisfaire aux exigences du pays tiers le fournisseur de l'opérateur visé au premier alinéa doit également faire valider son système d'autocontrôle / le respect des dispositions prévues au paragraphe 4.
L'Agence, après consultation des représentants du secteur concerné, détermine pour quelles combinaisons pays - produit, il doit être satisfait à ces conditions spécifiques supplémentaires et publie celles-ci sur son site Internet.]3
[3 § 9.Dans le cas où la validation est obligatoire conformément aux dispositions des paragraphes 7 et 8, un opérateur dont la validation est expirée, suspendue ou retirée, peut, pour autant que la sécurité de ses produits ne soit pas compromise et qu'il satisfasse aux autres dispositions de la réglementation, poursuivre ses activités pendant maximum 3 mois. Les produits destinés aux pays tiers peuvent uniquement être exportés si le respect des exigences des pays tiers peut être garanti.]3
[3 § 10. Tout opérateur qui a obtenu une validation telle que visée au paragraphe 6 ou à l'article 10, conserve à disposition de l'Agence et des organismes visés à l'article 10 au moins un an après la période de validité de la validation obtenue, les rapports d'inspection de l'Agence, ainsi que les rapports d'audit obtenus dans le cadre de la validation.]3
[3 § 11. La validation visée à l'article 10 est suspendue par l'organisme d'inspection ou de certification qui a procédé à la validation ou par l'Agence :
1° s'il est constaté que les conditions pour la validation ne sont plus respectées, ou
2° si les opérateurs sont soumis à un contrôle renforcé visé aux articles 7 et 8 de l'arrêté royal du 27 février 2013 fixant les mesures de contrôle à l'égard de certaines substances et leurs résidus dans les animaux vivants et les produits animaux.]3
[3 § 12. Dans le cas décrit au paragraphe 11, l'opérateur peut à nouveau faire valider son système d'autocontrôle ou le respect des dispositions reprises à l'article 3, § 4 s'il a fait le nécessaire pour satisfaire à nouveau aux conditions de la validation.
La suspension de la validation, dans le cas décrit au paragraphe 11, 2°, dure pour la période du contrôle renforcé.]3
[3 § 13. En cas de suspension de la validation, si un signe visuel a été délivré, le droit d'afficher celui-ci prend fin et l'opérateur est tenu de détruire le signe visuel en sa possession.]3
HOOFDSTUK III. - Traceerbaarheid.
CHAPITRE III. - La traçabilité.
Afdeling 1.
Section 1er.
Afdeling 2. - Identificatie en registratie van producten.
Section 2. - Identification et enregistrement des produits.
Art. 5. Onverminderd de bestaande reglementaire bepalingen, kan de Minister, met het oog op de traceerbaarheid, van de in de handel gebrachte producten aanvullende vermeldingen op het etiket bepalen.
Art. 5. Sans préjudice des dispositions réglementaires en vigueur, le Ministre peut, en vue de faciliter la traçabilité des produits mis sur le marché, fixer des mentions d'étiquetage supplémentaires.
Art. 6. § 1. Elke [1 operator]1 moet beschikken over systemen of procedures waarmee van de ontvangen producten wordt geregistreerd : de aard, de identificatie en de hoeveelheid van het product, de ontvangstdatum, de identificatie van de vestigingseenheid die het product levert en, in voorkomend geval, andere gegevens die door de Minister worden voorgeschreven.
De Minister kan naargelang de sector en het product bijkomende validatietesten opleggen betreffende de identificatie en de kenmerken van het product of de vestigingseenheid die het product levert.
§ 2. Elke [1 operator]1 moet beschikken over systemen of procedures waarmee van de afgevoerde producten wordt geregistreerd : de aard, de identificatie en de hoeveelheid van het product, de leveringsdatum, de identificatie van de vestigingseenheid die het product afneemt en, in voorkomend geval, andere gegevens die door de Minister worden voorgeschreven.
De Minister kan naargelang de sector en het product bijkomende validatietesten opleggen betreffende de identificatie en de kenmerken van de vestigingseenheid die het product afneemt.
§ 3. Elke [1 van de inrichting]1 moet beschikken over systemen of procedures waarmee het verband tussen de aangevoerde en de afgevoerde producten kan worden gelegd en waarmee ze in alle stadia van productie, verwerking en distributie traceerbaar zijn.
In overleg met de betrokken sector bepaalt de Minister tot op welk niveau dit verband moet worden aangegeven.
[2 § 4. In afwijking van de bepalingen, vermeld in § 1, 2 en 3 gelden de volgende bepalingen :
1° In het geval van leveringen aan liefdadigheidsverenigingen en aan voedselbanken volstaat als registratie van uitgaande producten de lijst van vestigingseenheden van liefdadigheidsverenigingen en voedselbanken waaraan geleverd wordt.
2° In het geval van liefdadigheidsverenigingen en voedselbanken volstaat als registratie van inkomende producten de lijst van vestigingseenheden waarvan de producten afkomstig zijn.]2
De Minister kan naargelang de sector en het product bijkomende validatietesten opleggen betreffende de identificatie en de kenmerken van het product of de vestigingseenheid die het product levert.
§ 2. Elke [1 operator]1 moet beschikken over systemen of procedures waarmee van de afgevoerde producten wordt geregistreerd : de aard, de identificatie en de hoeveelheid van het product, de leveringsdatum, de identificatie van de vestigingseenheid die het product afneemt en, in voorkomend geval, andere gegevens die door de Minister worden voorgeschreven.
De Minister kan naargelang de sector en het product bijkomende validatietesten opleggen betreffende de identificatie en de kenmerken van de vestigingseenheid die het product afneemt.
§ 3. Elke [1 van de inrichting]1 moet beschikken over systemen of procedures waarmee het verband tussen de aangevoerde en de afgevoerde producten kan worden gelegd en waarmee ze in alle stadia van productie, verwerking en distributie traceerbaar zijn.
In overleg met de betrokken sector bepaalt de Minister tot op welk niveau dit verband moet worden aangegeven.
[2 § 4. In afwijking van de bepalingen, vermeld in § 1, 2 en 3 gelden de volgende bepalingen :
1° In het geval van leveringen aan liefdadigheidsverenigingen en aan voedselbanken volstaat als registratie van uitgaande producten de lijst van vestigingseenheden van liefdadigheidsverenigingen en voedselbanken waaraan geleverd wordt.
2° In het geval van liefdadigheidsverenigingen en voedselbanken volstaat als registratie van inkomende producten de lijst van vestigingseenheden waarvan de producten afkomstig zijn.]2
Art. 6. § 1er. Tout [1 opérateur]1 doit disposer de systèmes ou de procédures permettant d'enregistrer pour les produits entrants : la nature, l'identification, la quantité, la date de réception, l'identification de l'[1 unité d'établissement]1 qui fournit le produit et, le cas échéant, d'autres données prescrites par le Ministre.
Le Ministre peut, selon le secteur et le produit, imposer des tests de validation complémentaires concernant l'identification et les caractéristiques du produit ou de l'[1 unité d'établissement]1 qui fournit le produit.
§ 2. Tout [1 opérateur]1 doit disposer pour les produits sortants, de systèmes ou de procédures permettant d'enregistrer : la nature, l'identification, la quantité, la date de livraison, l'identification de l'[1 unité d'établissement]1 qui prend livraison du produit et, le cas échéant, d'autres données prescrites par le Ministre.
Le Ministre peut, selon le secteur et le produit, imposer des tests de validation complémentaires concernant l'identification et les caractéristiques de l'[1 unité d'établissement]1 qui prend livraison du produit.
§ 3. Tout [1 opérateur]1 doit disposer de systèmes ou de procédures permettant d'établir la relation entre les produits entrants et les produits sortants et permettant leur traçabilité à toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution.
En concertation avec le secteur concerné, le Ministre détermine jusqu'a quel niveau cette relation doit être indiquée.
[2 § 4. Par dérogation aux dispositions des § 1er, 2 et 3, les dispositions suivantes sont applicables :
1° En cas de livraisons à des associations caritatives ou à des banques alimentaires, la liste des unités d'établissement des associations caritatives et banques alimentaires auxquelles on livre, est suffisante en guise d'enregistrement des produits sortants.
2° Dans le cas des associations caritatives et des banques alimentaires, la liste des unités d'établissement dont proviennent les produits, est suffisante en guise d'enregistrement des produits entrants.]2
Le Ministre peut, selon le secteur et le produit, imposer des tests de validation complémentaires concernant l'identification et les caractéristiques du produit ou de l'[1 unité d'établissement]1 qui fournit le produit.
§ 2. Tout [1 opérateur]1 doit disposer pour les produits sortants, de systèmes ou de procédures permettant d'enregistrer : la nature, l'identification, la quantité, la date de livraison, l'identification de l'[1 unité d'établissement]1 qui prend livraison du produit et, le cas échéant, d'autres données prescrites par le Ministre.
Le Ministre peut, selon le secteur et le produit, imposer des tests de validation complémentaires concernant l'identification et les caractéristiques de l'[1 unité d'établissement]1 qui prend livraison du produit.
§ 3. Tout [1 opérateur]1 doit disposer de systèmes ou de procédures permettant d'établir la relation entre les produits entrants et les produits sortants et permettant leur traçabilité à toutes les étapes de la production, de la transformation et de la distribution.
En concertation avec le secteur concerné, le Ministre détermine jusqu'a quel niveau cette relation doit être indiquée.
[2 § 4. Par dérogation aux dispositions des § 1er, 2 et 3, les dispositions suivantes sont applicables :
1° En cas de livraisons à des associations caritatives ou à des banques alimentaires, la liste des unités d'établissement des associations caritatives et banques alimentaires auxquelles on livre, est suffisante en guise d'enregistrement des produits sortants.
2° Dans le cas des associations caritatives et des banques alimentaires, la liste des unités d'établissement dont proviennent les produits, est suffisante en guise d'enregistrement des produits entrants.]2
Afdeling 3. - Wijze van registratie en ter beschikking stellen van de gegevens.
Section 3. - Mode d'enregistrement et de mise à disposition des données.
Art. 7. § 1. Bij de in artikelen 5 en 6 bedoelde identificaties en registraties zijn de volgende bepalingen van toepassing :
1° Bij de registraties moet er, voor zover mogelijk, gebruik gemaakt worden van ingebouwde controleberekeningen of andere technieken die fouten uitsluiten;
Voor niet-Belgische vestigingseenheden die niet beschikken over een unieke identificatie binnen Europa, moet de naam en het adres geregistreerd worden in plaats van de identificatie.
[1 1°/1. De minister kan bepalen met welke frequentie deze registraties geregistreerd worden en binnen welke termijn deze registraties ter beschikking gesteld worden aan het Agentschap.]1
2° Voor de identificatie van de vestigingseenheden moet, daar waar deze aanwezig is, het uniek, federaal identificatienummer gebruikt worden, of een ander door het Agentschap erkend nummer dat hiermee in verband kan gebracht worden.
3° De producten moeten in de vestigingseenheid die het product afneemt geregistreerd worden met dezelfde identificatie als diegene die er door de vestigingseenheid die het product levert aan gegeven werd.
§ 2. Ten einde het Agentschap de mogelijkheid te geven snel een volledig inzicht te krijgen in de tracering van de producten kan de Minister :
- voor zover dit nog niet in een andere reglementering is vastgelegd, het formaat bepalen, waaronder de overeenkomstig artikel 6 geregistreerde gegevens ter beschikking gesteld moeten worden aan het Agentschap;
- naargelang de sector of het product bepalen om de overeenkomstig artikel 6 geregistreerde gegevens op te slaan in een door hem erkende gegevensbank en de modaliteiten hiertoe vastleggen.
1° Bij de registraties moet er, voor zover mogelijk, gebruik gemaakt worden van ingebouwde controleberekeningen of andere technieken die fouten uitsluiten;
Voor niet-Belgische vestigingseenheden die niet beschikken over een unieke identificatie binnen Europa, moet de naam en het adres geregistreerd worden in plaats van de identificatie.
[1 1°/1. De minister kan bepalen met welke frequentie deze registraties geregistreerd worden en binnen welke termijn deze registraties ter beschikking gesteld worden aan het Agentschap.]1
2° Voor de identificatie van de vestigingseenheden moet, daar waar deze aanwezig is, het uniek, federaal identificatienummer gebruikt worden, of een ander door het Agentschap erkend nummer dat hiermee in verband kan gebracht worden.
3° De producten moeten in de vestigingseenheid die het product afneemt geregistreerd worden met dezelfde identificatie als diegene die er door de vestigingseenheid die het product levert aan gegeven werd.
§ 2. Ten einde het Agentschap de mogelijkheid te geven snel een volledig inzicht te krijgen in de tracering van de producten kan de Minister :
- voor zover dit nog niet in een andere reglementering is vastgelegd, het formaat bepalen, waaronder de overeenkomstig artikel 6 geregistreerde gegevens ter beschikking gesteld moeten worden aan het Agentschap;
- naargelang de sector of het product bepalen om de overeenkomstig artikel 6 geregistreerde gegevens op te slaan in een door hem erkende gegevensbank en de modaliteiten hiertoe vastleggen.
Modifications
Art. 7. § 1er. Les dispositions suivantes sont applicables aux identifications et enregistrements visés aux articles 5 et 6 :
1° Pour les enregistrements, il faut faire appel autant que possible à des calculs de contrôle intégrés ou à d'autres techniques excluant les erreurs;
Pour les [1 unités d'établissement]1 non-belges qui ne disposent pas d'une identification unique au sein de l'Europe, le nom et l'adresse doivent être enregistrés au lieu de l'identification.
[2 1°/1. Le Ministre peut fixer la fréquence des enregistrements et le délai dans lequel ceux-ci sont mis à la disposition de l'Agence.]2
2° Pour l'identification des [1 unités d'établissement]1, il y a lieu d'utiliser, pour autant qu'il existe, le numéro d'identification fédéral unique ou un autre numéro reconnu par l'Agence qui peut être mis en relation avec celui-ci.
3° Les produits doivent être enregistrés dans l'[1 unité d'établissement]1 qui prend livraison du produit au moyen de la même identification que celle qui leur a été donnée par l'[1 unité d'établissement]1 qui fournit le produit.
§ 2. Afin de donner à l'Agence la possibilité d'avoir rapidement un aperçu complet de la traçabilité des produits, le Ministre peut :
- pour autant que cela n'ait pas encore été fixé dans une autre réglementation, déterminer le format sous lequel les données enregistrées, dont il est question à l'article 6, doivent être mises à la disposition de l'Agence;
- en fonction du secteur ou du produit, prescrire de stocker les donnees enregistrées, dont il est question à l'article 6, dans une banque de données agréée par lui, et fixer les modalités de cette opération.
1° Pour les enregistrements, il faut faire appel autant que possible à des calculs de contrôle intégrés ou à d'autres techniques excluant les erreurs;
Pour les [1 unités d'établissement]1 non-belges qui ne disposent pas d'une identification unique au sein de l'Europe, le nom et l'adresse doivent être enregistrés au lieu de l'identification.
[2 1°/1. Le Ministre peut fixer la fréquence des enregistrements et le délai dans lequel ceux-ci sont mis à la disposition de l'Agence.]2
2° Pour l'identification des [1 unités d'établissement]1, il y a lieu d'utiliser, pour autant qu'il existe, le numéro d'identification fédéral unique ou un autre numéro reconnu par l'Agence qui peut être mis en relation avec celui-ci.
3° Les produits doivent être enregistrés dans l'[1 unité d'établissement]1 qui prend livraison du produit au moyen de la même identification que celle qui leur a été donnée par l'[1 unité d'établissement]1 qui fournit le produit.
§ 2. Afin de donner à l'Agence la possibilité d'avoir rapidement un aperçu complet de la traçabilité des produits, le Ministre peut :
- pour autant que cela n'ait pas encore été fixé dans une autre réglementation, déterminer le format sous lequel les données enregistrées, dont il est question à l'article 6, doivent être mises à la disposition de l'Agence;
- en fonction du secteur ou du produit, prescrire de stocker les donnees enregistrées, dont il est question à l'article 6, dans une banque de données agréée par lui, et fixer les modalités de cette opération.
HOOFDSTUK IV. - Meldingsplicht.
CHAPITRE IV. - Notification obligatoire.
Art. 8. § 1. Elke [1 operator]1 stelt het Agentschap onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een door hem ingevoerd, geproduceerd, gekweekt, geteeld, verwerkt, vervaardigd [2 , gedistribueerd of in de handel gebracht]2 product schadelijk kan zijn voor de gezondheid van mens, dier of plant. Hij stelt het Agentschap in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om risico's te voorkomen en verhindert of ontmoedigt niemand om overeenkomstig de wetgeving en de juridische praktijk, met het Agentschap samen te werken, indien hierdoor een risico in verband met een product kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen.
Elk laboratorium, inspectie- of certificeringsorganisme of [2 elke beroepsbeoefenaar die sanitair toezicht houdt op de veehouderijen of elke loonwerker die diensten verricht in de primaire plantaardige productie die]2 redenen heeft om aan te nemen dat een in de handel gebracht product niet beantwoordt aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 stelt het Agentschap daarvan onverwijld in kennis.
§ 2. Indien een [1 van de inrichting]1 van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een product dat hij ingevoerd, geproduceerd, gekweekt, geteeld, verwerkt, vervaardigd [2 , gedistribueerd of in de handel gebracht]2 heeft niet aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken product uit de handel te nemen wanneer dit de directe controle van deze eerste [1 van de inrichting]1 heeft verlaten, en het Agentschap daarvan in kennis te stellen. Indien het product de consument bereikt kan hebben, stelt de [1 van de inrichting]1 de consumenten op doeltreffende en nauwkeurige wijze in kennis van de redenen voor het uit de handel nemen, in voorkomend geval door middel van een persbericht, en roept zo nodig, wanneer andere maatregelen niet volstaan om een hoog niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, de reeds aan consumenten geleverde producten terug.
Een [1 operator]1 die verantwoordelijk is voor activiteiten met betrekking tot de detailhandel of distributie die niet van invloed zijn op de verpakking, etikettering, veiligheid en integriteit van het product leidt, binnen het bestek van zijn activiteiten, procedures in om het product dat niet aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 voldoet, uit de handel te nemen en draagt bij tot de [2 veiligheid van de voedselketen]2 door relevante informatie door te geven die nodig is om een product te traceren, waarbij hij meewerkt aan de door de producenten, de verwerkers, de fabrikanten en/of het Agentschap ondernomen actie.
§ 3. De [1 operatoren]1 werken samen met het Agentschap aan maatregelen om risico's, verbonden aan een product dat zij leveren of geleverd hebben, te vermijden of te beperken.
Producten die niet aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 beantwoorden, worden vernietigd tenzij op een andere wijze aan de eisen van het Agentschap kan worden voldaan.
§ 4. De bepalingen van §§ 1, 2 en 3 zijn eveneens van toepassing op producten verkregen onder vergelijkbare omstandigheden als deze van de bedoelde producten.
§ 5. De Minister bepaalt de modaliteiten voor de melding en de samenwerking als bedoeld in [2 dit artikel]2.
§ 6. De melding is niet vereist indien een gevaar [1 in de inrichting]1 of tijdens het verwerkingsproces vastgesteld wordt en ontstaat voor zover het autocontrolesysteem interne corrigerende acties voorziet die het mogelijk maken dit gevaar uit te schakelen of tot een aanvaardbaar peil terug te dringen en voor zover de traceerbaarheid van deze corrigerende acties gegarandeerd wordt.
[3 § 7. Wanneer een operator analyses van producten laat uitvoeren bij laboratoria die niet vallen onder paragraaf 1, tweede lid, dan legt de operator met deze laboratoria contractueel vast dat de naleving van de vereisten inzake vertrouwelijkheid niet van toepassing zijn ten aanzien van het Agentschap.]3
Elk laboratorium, inspectie- of certificeringsorganisme of [2 elke beroepsbeoefenaar die sanitair toezicht houdt op de veehouderijen of elke loonwerker die diensten verricht in de primaire plantaardige productie die]2 redenen heeft om aan te nemen dat een in de handel gebracht product niet beantwoordt aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 stelt het Agentschap daarvan onverwijld in kennis.
§ 2. Indien een [1 van de inrichting]1 van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een product dat hij ingevoerd, geproduceerd, gekweekt, geteeld, verwerkt, vervaardigd [2 , gedistribueerd of in de handel gebracht]2 heeft niet aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken product uit de handel te nemen wanneer dit de directe controle van deze eerste [1 van de inrichting]1 heeft verlaten, en het Agentschap daarvan in kennis te stellen. Indien het product de consument bereikt kan hebben, stelt de [1 van de inrichting]1 de consumenten op doeltreffende en nauwkeurige wijze in kennis van de redenen voor het uit de handel nemen, in voorkomend geval door middel van een persbericht, en roept zo nodig, wanneer andere maatregelen niet volstaan om een hoog niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, de reeds aan consumenten geleverde producten terug.
Een [1 operator]1 die verantwoordelijk is voor activiteiten met betrekking tot de detailhandel of distributie die niet van invloed zijn op de verpakking, etikettering, veiligheid en integriteit van het product leidt, binnen het bestek van zijn activiteiten, procedures in om het product dat niet aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 voldoet, uit de handel te nemen en draagt bij tot de [2 veiligheid van de voedselketen]2 door relevante informatie door te geven die nodig is om een product te traceren, waarbij hij meewerkt aan de door de producenten, de verwerkers, de fabrikanten en/of het Agentschap ondernomen actie.
§ 3. De [1 operatoren]1 werken samen met het Agentschap aan maatregelen om risico's, verbonden aan een product dat zij leveren of geleverd hebben, te vermijden of te beperken.
Producten die niet aan de [2 voorschriften inzake veiligheid van de voedselketen]2 beantwoorden, worden vernietigd tenzij op een andere wijze aan de eisen van het Agentschap kan worden voldaan.
§ 4. De bepalingen van §§ 1, 2 en 3 zijn eveneens van toepassing op producten verkregen onder vergelijkbare omstandigheden als deze van de bedoelde producten.
§ 5. De Minister bepaalt de modaliteiten voor de melding en de samenwerking als bedoeld in [2 dit artikel]2.
§ 6. De melding is niet vereist indien een gevaar [1 in de inrichting]1 of tijdens het verwerkingsproces vastgesteld wordt en ontstaat voor zover het autocontrolesysteem interne corrigerende acties voorziet die het mogelijk maken dit gevaar uit te schakelen of tot een aanvaardbaar peil terug te dringen en voor zover de traceerbaarheid van deze corrigerende acties gegarandeerd wordt.
[3 § 7. Wanneer een operator analyses van producten laat uitvoeren bij laboratoria die niet vallen onder paragraaf 1, tweede lid, dan legt de operator met deze laboratoria contractueel vast dat de naleving van de vereisten inzake vertrouwelijkheid niet van toepassing zijn ten aanzien van het Agentschap.]3
Art. 8. § 1er. Tout [1 opérateur]1 informe immédiatement l'Agence lorsqu'il considère ou a des raisons de penser qu'un produit qu'il a importé, produit, cultivé, élevé, transformé, fabriqué [2 , distribué ou mis sur le marché]2 peut être préjudiciable à la santé humaine, animale ou végétale. Il informe l'Agence des mesures qu'il a prises pour prévenir les risques et n'empêche ni ne décourage personne de coopérer avec l'Agence, conformément aux législations et pratiques juridiques, lorsque cela peut permettre de prévenir, réduire ou éliminer un risque provoqué par un produit.
Tout laboratoire, organisme d'inspection ou de certification ou [2 tout professionnel assurant le suivi sanitaire des élevages ou tout entrepreneur de travaux agricoles qui effectue des travaux dans la production primaire végétale qui]2 a des raisons de penser qu'un produit qui a été mis sur le marché ne répond pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2 en informe immédiatement l'Agence.
§ 2. Si un [1 opérateur]1 considère ou a des raisons de penser qu'un produit qu'il a importé, produit, cultivé, élevé, transformé, fabriqué [2 , distribué ou mis sur le marché]2 ne répond pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2, il engage immédiatement les procédures de retrait du marché du produit en question, lorsque celui-ci ne se trouve plus sous son contrôle direct et en informe l'Agence. Lorsque le produit peut avoir atteint le consommateur, l'[1 opérateur]1 informe les consommateurs de façon effective, le cas échéant par un communiqué de presse, et précise des raisons du retrait et, au besoin, rappelle les produits déjà fournis aux consommateurs lorsque les autres mesures sont insuffisantes pour atteindre un niveau élevé de protection de la santé.
Tout [1 opérateur]1 responsable d'activités de commerce de détail ou de distribution qui n'affectent pas l'emballage, l'étiquetage, la sécurité ou l'intégrité des produits engage, dans les limites de ses activités propres, les procédures de retrait du marché d'un produit ne répondant pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2 et contribue à la [2 sécurité de la chaîne alimentaire]2 en transmettant les informations nécessaires pour retracer le cheminement d'un produit et en coopérant aux mesures prises par les producteurs, les transformateurs, les fabricants et/ou l'Agence.
§ 3. Les [1 opérateurs]1 collaborent avec l'Agence en ce qui concerne les actions engagées pour éviter ou réduire les risques présentés par un produit qu'ils fournissent ou ont fourni.
Les produits ne répondant pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2 sont détruits, sauf si d'une autre façon il pourraient répondre aux exigences de l'Agence.
§ 4. Les dispositions des §§ 1er, 2 et 3 sont également d'application pour les produits obtenus dans des conditions comparables aux produits visés.
§ 5. Le Ministre détermine les modalités de la notification et de la collaboration visée [2 au présent article]2.
§ 6. La notification n'est pas requise dans le cas où un danger est constaté et généré [1 dans l'établissement]1 ou lors du processus de transformation, alors que le système d'autocontrôle prévoit des actions correctives internes permettant d'éliminer ou de réduire à un niveau acceptable ce danger et pour autant que la traçabilité de ces actions correctives sont garanties.
[3 § 7. Quand un opérateur fait réaliser des analyses sur des produits dans des laboratoires non couverts par le paragraphe 1er, deuxième alinéa, l'opérateur précise dans un accord contractuel avec ces laboratoires que le respect de l'exigence de confidentialité n'est pas d'application pour l'Agence.]3
Tout laboratoire, organisme d'inspection ou de certification ou [2 tout professionnel assurant le suivi sanitaire des élevages ou tout entrepreneur de travaux agricoles qui effectue des travaux dans la production primaire végétale qui]2 a des raisons de penser qu'un produit qui a été mis sur le marché ne répond pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2 en informe immédiatement l'Agence.
§ 2. Si un [1 opérateur]1 considère ou a des raisons de penser qu'un produit qu'il a importé, produit, cultivé, élevé, transformé, fabriqué [2 , distribué ou mis sur le marché]2 ne répond pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2, il engage immédiatement les procédures de retrait du marché du produit en question, lorsque celui-ci ne se trouve plus sous son contrôle direct et en informe l'Agence. Lorsque le produit peut avoir atteint le consommateur, l'[1 opérateur]1 informe les consommateurs de façon effective, le cas échéant par un communiqué de presse, et précise des raisons du retrait et, au besoin, rappelle les produits déjà fournis aux consommateurs lorsque les autres mesures sont insuffisantes pour atteindre un niveau élevé de protection de la santé.
Tout [1 opérateur]1 responsable d'activités de commerce de détail ou de distribution qui n'affectent pas l'emballage, l'étiquetage, la sécurité ou l'intégrité des produits engage, dans les limites de ses activités propres, les procédures de retrait du marché d'un produit ne répondant pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2 et contribue à la [2 sécurité de la chaîne alimentaire]2 en transmettant les informations nécessaires pour retracer le cheminement d'un produit et en coopérant aux mesures prises par les producteurs, les transformateurs, les fabricants et/ou l'Agence.
§ 3. Les [1 opérateurs]1 collaborent avec l'Agence en ce qui concerne les actions engagées pour éviter ou réduire les risques présentés par un produit qu'ils fournissent ou ont fourni.
Les produits ne répondant pas aux [2 prescriptions relatives à la sécurité de la chaîne alimentaire]2 sont détruits, sauf si d'une autre façon il pourraient répondre aux exigences de l'Agence.
§ 4. Les dispositions des §§ 1er, 2 et 3 sont également d'application pour les produits obtenus dans des conditions comparables aux produits visés.
§ 5. Le Ministre détermine les modalités de la notification et de la collaboration visée [2 au présent article]2.
§ 6. La notification n'est pas requise dans le cas où un danger est constaté et généré [1 dans l'établissement]1 ou lors du processus de transformation, alors que le système d'autocontrôle prévoit des actions correctives internes permettant d'éliminer ou de réduire à un niveau acceptable ce danger et pour autant que la traçabilité de ces actions correctives sont garanties.
[3 § 7. Quand un opérateur fait réaliser des analyses sur des produits dans des laboratoires non couverts par le paragraphe 1er, deuxième alinéa, l'opérateur précise dans un accord contractuel avec ces laboratoires que le respect de l'exigence de confidentialité n'est pas d'application pour l'Agence.]3
HOOFDSTUK V. - Gidsen.
CHAPITRE V. - Guides.
Art. 9. § 1. Om te voldoen aan de in artikel 3, §§ 1, 2, 3 en 4 vermelde bepalingen kan de [1 operator]1 gebruik maken van door het Agentschap goedgekeurde gidsen, opgesteld per sector of deelsector.
De gidsen worden opgesteld en verspreid door de verschillende sectoren of deelsectoren in overleg met de vertegenwoordigers van belanghebbende partijen wiens belangen wezenlijk in het geding kunnen zijn.
De bepalingen van de gidsen moeten op praktische en adequate wijze de vereiste maatregelen weergeven om te voldoen aan de bepalingen van artikel 3, §§ 1, 2, en eventueel 3 en 4.
§ 2. Om door het Agentschap goedgekeurd te kunnen worden, moeten de gidsen tenminste voldoen aan de voorschriften opgenomen in de bijlage III gevoegd bij dit besluit.
§ 3. Voor de goedkeuring van de gidsen door het Agentschap, moet het dossier ingediend worden door een sector of deelsector en moet de volgende procedure gevolgd worden :
1° de aanvrager dient bij het Agentschap een aanvraag tot goedkeuring in, [3 vergezeld van een elektronisch formaat van de gids in het Nederlands en in het Frans]3;
2° het Agentschap gaat na of voldaan is aan de voorwaarden vermeld in § 2 en legt het dossier ter advies voor aan het Wetenschappelijk Comité van het Agentschap. De aanvrager stelt alle bijkomende informatie die nodig geacht wordt door het Agentschap te zijner beschikking;
3° de aanvrager past de documenten aan om rekening te houden met de opmerkingen van het Agentschap.
§ 4. De gids mag steeds op initiatief van de aanvrager of op vraag van het Agentschap herwerkt worden volgens de in § 3 beschreven procedure.
§ 5. De goedkeuring van de gids wordt opgeschort indien niet meer voldaan wordt aan de in dit artikel vermelde voorwaarden. Het voornemen tot schorsing wordt per aangetekende brief aan de betrokkene meegedeeld.
De betrokkene beschikt over vijftien dagen na ontvangst van deze brief om zijn bezwaren bij een ter post aangetekende brief in te dienen.
Het ingediende bezwaar schorst de beslissing tot opschorting.
Het Agentschap beschikt over zestig dagen na ontvangst van dit bezwaar om zijn definitieve beslissing bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de betrokkene te brengen.
De gidsen worden opgesteld en verspreid door de verschillende sectoren of deelsectoren in overleg met de vertegenwoordigers van belanghebbende partijen wiens belangen wezenlijk in het geding kunnen zijn.
De bepalingen van de gidsen moeten op praktische en adequate wijze de vereiste maatregelen weergeven om te voldoen aan de bepalingen van artikel 3, §§ 1, 2, en eventueel 3 en 4.
§ 2. Om door het Agentschap goedgekeurd te kunnen worden, moeten de gidsen tenminste voldoen aan de voorschriften opgenomen in de bijlage III gevoegd bij dit besluit.
§ 3. Voor de goedkeuring van de gidsen door het Agentschap, moet het dossier ingediend worden door een sector of deelsector en moet de volgende procedure gevolgd worden :
1° de aanvrager dient bij het Agentschap een aanvraag tot goedkeuring in, [3 vergezeld van een elektronisch formaat van de gids in het Nederlands en in het Frans]3;
2° het Agentschap gaat na of voldaan is aan de voorwaarden vermeld in § 2 en legt het dossier ter advies voor aan het Wetenschappelijk Comité van het Agentschap. De aanvrager stelt alle bijkomende informatie die nodig geacht wordt door het Agentschap te zijner beschikking;
3° de aanvrager past de documenten aan om rekening te houden met de opmerkingen van het Agentschap.
§ 4. De gids mag steeds op initiatief van de aanvrager of op vraag van het Agentschap herwerkt worden volgens de in § 3 beschreven procedure.
§ 5. De goedkeuring van de gids wordt opgeschort indien niet meer voldaan wordt aan de in dit artikel vermelde voorwaarden. Het voornemen tot schorsing wordt per aangetekende brief aan de betrokkene meegedeeld.
De betrokkene beschikt over vijftien dagen na ontvangst van deze brief om zijn bezwaren bij een ter post aangetekende brief in te dienen.
Het ingediende bezwaar schorst de beslissing tot opschorting.
Het Agentschap beschikt over zestig dagen na ontvangst van dit bezwaar om zijn definitieve beslissing bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de betrokkene te brengen.
Art. 9. § 1er. Pour satisfaire aux dispositions de l'article 3, §§ 1er, 2, 3 et 4 l'[1 opérateur]1 peut utiliser des guides approuvés par l'Agence etablis par secteur ou par sous-secteur.
Les guides sont rédigés et diffusés par les differents secteurs ou sous-secteurs, en concertation avec les représentants des parties intéressées dont les intérêts peuvent réellement être en cause.
Les dispositions des guides doivent donner une représentation pratique et adéquate des mesures requises pour satisfaire aux dispositions de l'article 3, §§ 1er, 2, et éventuellement 3 et 4.
§ 2. Pour pouvoir être approuvés par l'Agence, les guides doivent au moins satisfaire aux prescriptions reprises à l'annexe III du présent arrêté.
§ 3. Pour l'approbation des guides par l'Agence, le dossier doit être introduit par un secteur ou un sous-secteur, et la procédure suivante doit être respectée :
1° le demandeur introduit auprès de l'Agence une demande d'approbation [3 accompagnée du guide en néerlandais et en français en format électronique]3;
2° l'Agence vérifie si les conditions figurant au § 2 sont respectées et soumet le dossier pour avis au Comité Scientifique de l'Agence. Le demandeur met à la disposition de l'Agence toute information supplémentaire jugée utile par cette dernière;
3° le demandeur adapte les documents pour tenir compte des remarques formulées par l'Agence.
§ 4. A l'initiative du demandeur ou à la demande de l'Agence, le guide peut toujours être remanié selon la procédure décrite au § 3.
§ 5. L'approbation du guide est suspendue si les conditions mentionnées dans le présent article ne sont plus respectées. Le projet de suspension est signifié à l'intéressé par lettre recommandée.
L'intéressé dispose de quinze jours après réception de cette lettre pour introduire son objection par pli recommandé.
L'objection introduite suspend la décision de suspension.
L'Agence dispose de soixante jours après réception de cette objection pour porter sa décision définitive à la connaissance de l'intéressé par lettre recommandée.
Les guides sont rédigés et diffusés par les differents secteurs ou sous-secteurs, en concertation avec les représentants des parties intéressées dont les intérêts peuvent réellement être en cause.
Les dispositions des guides doivent donner une représentation pratique et adéquate des mesures requises pour satisfaire aux dispositions de l'article 3, §§ 1er, 2, et éventuellement 3 et 4.
§ 2. Pour pouvoir être approuvés par l'Agence, les guides doivent au moins satisfaire aux prescriptions reprises à l'annexe III du présent arrêté.
§ 3. Pour l'approbation des guides par l'Agence, le dossier doit être introduit par un secteur ou un sous-secteur, et la procédure suivante doit être respectée :
1° le demandeur introduit auprès de l'Agence une demande d'approbation [3 accompagnée du guide en néerlandais et en français en format électronique]3;
2° l'Agence vérifie si les conditions figurant au § 2 sont respectées et soumet le dossier pour avis au Comité Scientifique de l'Agence. Le demandeur met à la disposition de l'Agence toute information supplémentaire jugée utile par cette dernière;
3° le demandeur adapte les documents pour tenir compte des remarques formulées par l'Agence.
§ 4. A l'initiative du demandeur ou à la demande de l'Agence, le guide peut toujours être remanié selon la procédure décrite au § 3.
§ 5. L'approbation du guide est suspendue si les conditions mentionnées dans le présent article ne sont plus respectées. Le projet de suspension est signifié à l'intéressé par lettre recommandée.
L'intéressé dispose de quinze jours après réception de cette lettre pour introduire son objection par pli recommandé.
L'objection introduite suspend la décision de suspension.
L'Agence dispose de soixante jours après réception de cette objection pour porter sa décision définitive à la connaissance de l'intéressé par lettre recommandée.
Art. 9/1. [1 Het Agentschap kan eveneens zelf gidsen opstellen, aanpassen en verspreiden na overleg met de vertegenwoordigers van belanghebbende partijen wiens belangen wezenlijk in het geding kunnen zijn.
De bepalingen van de gidsen moeten op praktische en adequate wijze de vereiste maatregelen weergeven om te voldoen aan de bepalingen van artikel 3, §§ 1, 2, en eventueel 3 en 4.]1
De bepalingen van de gidsen moeten op praktische en adequate wijze de vereiste maatregelen weergeven om te voldoen aan de bepalingen van artikel 3, §§ 1, 2, en eventueel 3 en 4.]1
Art. 9/1. [1 L'Agence peut également rédiger, modifier et diffuser elle-même des guides après concertation avec les représentants des parties intéressées dont les intérêts peuvent réellement être en cause.
Les dispositions des guides doivent donner une représentation pratique et adéquate des mesures requises pour satisfaire aux dispositions de l'article 3, §§ 1er, 2, et éventuellement 3 et 4.]1
Les dispositions des guides doivent donner une représentation pratique et adéquate des mesures requises pour satisfaire aux dispositions de l'article 3, §§ 1er, 2, et éventuellement 3 et 4.]1
Modifications
HOOFDSTUK VI. - Delegatie.
CHAPITRE VI. - Délégation.
Art. 10. § 1. Het Agentschap kan aan inspectie- of certificeringsorganismen, die hiertoe geaccrediteerd zijn en door haar erkend zijn, toevertrouwen :
1° [2 1° [3 de validatie van het autocontrolesysteem en van de naleving van de bepalingen, vermeld in artikel 3, § 4,]3 als bedoeld in art. [3 art. 3, § 6, § 7 en § 8]3, voor de activiteiten die vallen onder het toepassingsgebied van een door het Agentschap goedgekeurde gids;]2
2° in uitzonderlijke gevallen, de controle op de waarborgen geboden door deze systemen, toegepast door de [1 operatoren]1.
§ 2. Om erkend te kunnen worden, moeten de in § 1 bedoelde [2 organismen]2 voldoen aan de volgende voorschriften :
1° [2 geaccrediteerd zijn volgens[3 de normen EN ISO/IEC 17020 - type A, EN ISO/IEC 17065 of EN ISO/IEC 17021-1]3 (reeks ISO 17000) volgens de in de goedgekeurde gidsen vastgestelde voorschriften;]2
2° de inspecteurs en/of auditoren moeten voldoen aan de volgende eisen :
- basisopleiding hoger onderwijs in een vak dat verband houdt met de [2 veiligheid van de voedselketen]2. Voor inspecties en audits in de primaire sector kan een opleiding hoger secundair onderwijs worden toegestaan;
- [2 beschikken over een relevante beroepservaring van ten minste twee jaar in een productie-entiteit of als medewerker van de dienst kwaliteit in een inrichting in de betrokken sector of deelsector of een equivalente ervaring in de betrokken sector of deelsector hebben verworven door zijn of haar activiteiten in een consultancybedrijf of in een inspectie- of certificeringsorganisme, actief in deze sector of deelsector;]2
- een kwalificatie als inspecteur en/of auditeur bezitten die overeenstemt met de op internationaal vlak gestelde eisen voor de gebruikte accreditatienorm, onder andere Gids ISO 19011 wat de accreditatie betreft volgens de norm [3 EN ISO/IEC 17021-1 ]3;
- binnen het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 een gepaste en voortdurende opleiding krijgen;
3° een auditor of inspecteur mag, op eigen verantwoordelijkheid, bepaalde taken in verband met bemonstering of meting delegeren naar andere personen van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 die andere kwalificaties hebben dan die beschreven in punt 2° hierboven, op voorwaarde dat die personen formeel gekwalificeerd zijn voor de taken die hun bij delegatie worden toevertrouwd;
4° de onafhankelijkheid van beoordeling van de inspecteurs en/of auditoren moet worden gegarandeerd. Het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 en het personeel ervan mogen zich niet bezighouden met enige activiteit die onverenigbaar is met hun onafhankelijkheid van beoordeling en hun integriteit met betrekking tot hun werkzaamheden op het gebied van inspectie en certificering;
[2 Een auditor kan enkel een audit in een inrichting uitvoeren als hij/zij niet gedurende de laatste 3 jaar voorafgaand aan de audit als consultant, werknemer of zelfstandige heeft gewerkt voor deze inrichting.
De inspectie- of certificeringsorganismen tonen aan dat deze vereiste gerespecteerd wordt.]2
5° de personeelsleden van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 zijn door het beroepsgeheim gebonden met betrekking tot alles wat zij vernemen bij de uitoefening van hun functies in samenhang met hetgeen in dit besluit is bepaald, behalve ten aanzien van het door het Agentschap gemachtigde personeel.
§ 3. Om erkend te kunnen worden, moeten de in § 1 bedoelde organismen tevens voldoen aan de volgende voorschriften :
1° de instructies in acht nemen die door het Agentschap zijn opgelegd met betrekking tot de toepassing van de regelgeving;
2° [1 rekening houden met de inspectieverslagen van de ambtenaren van het Agentschap die bij de operator voorhanden zijn;]1
3° deelnemen aan validatie- of bemonsteringsprogramma's op verzoek van het Agentschap en op de door het Agentschap vastgestelde wijze;
4° het Agentschap onmiddellijk in kennis stellen van alle vastgestelde inbreuken die de veiligheid van de betrokken producten in het gedrang brengt;
5° aan het Agentschap de verslagen van de audits en inspecties ter beschikking stellen en alle andere documentatie over de [1 inrichtingen]1 ter beschikking houden van het Agentschap;
6° het Agentschap onmiddellijk in kennis stellen van alle belangrijke wijzigingen in de structuur van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2, van het personeel en de organisatie daarvan die betrekking hebben op de aan deze erkenning onderworpen activiteiten;
7° aan derden geen enkel in het kader van de controleopdrachten verkregen gegeven ter beschikking stellen dat uitgaat van het Agentschap of van de gecontroleerde [1 inrichtingen]1, behalve met schriftelijke toestemming van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 dat aan de basis ligt van dat gegeven.
[3 8° naar aanleiding van de in paragraaf 1, 1° bedoelde validatie telkens een volledig auditverslag bezorgen aan de betrokken operator.]3
§ 4. De erkenningsaanvraag wordt bij het Agentschap ingediend, samen met :
1° een kopie van het accreditatiecertificaat met het toepassingsgebied en twee kopieën van het kwaliteitshandboek;
2° het bewijs dat aan de in § 2 vermelde voorwaarden wordt voldaan;
3° een verklaring op erewoord dat de in § 3 vastgestelde voorwaarden strikt in acht worden genomen.
§ 5. De erkenning wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 jaar en kan telkens worden verlengd met een maximale periode van gelijke duur.
De aanvraag voor verlenging moet ten minste 3 maand voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van de erkenning worden ingediend overeenkomstig de in § 4 beschreven procedure.
[3 5/1. Het Agentschap kan de toekenning van een erkenning weigeren indien niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragrafen 2, 3 of 4.
Het Agentschap deelt de redenen van de weigering mee aan het betreffende organisme bij een ter post aangetekende brief. Het organisme beschikt over een periode van 30 dagen om tegemoet te komen aan de redenen van weigering. Op basis van de binnen deze periode ontvangen informatie, eventueel na een bijkomend onderzoek ter plaatse, neemt het Agentschap een eindbeslissing en deelt het deze mee bij een ter post aangetekende brief.]3
[3 § 5/2. Het Agentschap kan de afgeleverde erkenning schorsen of aan bijzondere beperkingen onderwerpen wanneer het onregelmatigheden vaststelt met betrekking tot het respecteren van de in paragrafen 2 en 3 vermelde voorwaarden, die binnen een redelijke termijn kunnen worden opgelost.
Aan de schorsing of aan bijzondere beperkingen bedoeld in het eerste lid, kan een einde gesteld worden indien het organisme hiertoe een aanvraag indient uiterlijk 30 dagen voor het verstrijken van de schorsing, respectievelijk van de bijzondere beperkingen en na gunstig onderzoek door het Agentschap.
Indien het betreffende organisme geen aanvraag heeft ingediend tot beëindiging van de schorsing, respectievelijk de bijzondere beperkingen, vervalt de erkenning van rechtswege.
Indien het onderzoek niet gunstig is, wordt de schorsing, respectievelijk de bijzondere beperkingen niet beëindigd.]3
§ 6. [3 erkenning wordt ingetrokken:
1° indien de in paragrafen 2 en 3 vermelde voorwaarden niet langer worden nagekomen;
2° indien een onderzoek door het Agentschap omtrent de werking van het organisme wordt belemmerd, verhinderd of geweigerd;
3° indien fraude wordt vastgesteld met betrekking tot activiteiten waarvoor de erkenning werd verleend;
4° indien de voorwaarden van de schorsing van de erkenning of de bijzondere beperkingen niet worden nageleefd]3.
[3 § 6/1. De erkenning vervalt van rechtswege:
1° indien niet langer aan de voorwaarde tot accreditatie voldaan is;
2° indien het organisme het voorwerp heeft uitgemaakt van een gerechtelijke uitspraak tot verbod tot het uitoefenen van de activiteit.]3
[3 § 6/2. Wanneer het Agentschap van oordeel is dat er redenen bestaan om de bepalingen van artikel 10, §§ 5/2 of 6 toe te passen, deelt het deze redenen samen met de voorgenomen maatregelen mee aan het betreffende organisme bij een ter post aangetekende brief.
Het betreffende organisme beschikt over een periode van vijftien dagen om per aangetekende brief haar bezwaren aan het Agentschap mee te delen en, in voorkomend geval, te verzoeken door deze gehoord te worden en/of verbeteringen voor te stellen teneinde tegemoet te komen aan de ingeroepen motieven.
Indien het organisme binnen de gestelde termijn geen bezwaren indient, gaan de in lid 1 bedoelde maatregelen in op de eerste dag volgend op het verstrijken van de termijn.
Het Agentschap onderzoekt de bezwaren en voorgestelde verbeteringen en voert eventueel een nieuw onderzoek uit ter plaatse bij het betreffende organisme.
Indien het Agentschap van oordeel is dat het organisme nog steeds niet voldoet aan de voorwaarden, deelt het zijn beslissing mee met een ter post aangetekende brief.
Het organisme beschikt over een periode van vijf dagen om tegen deze beslissing beroep aan te tekenen bij een beroepscommissie, ingesteld bij het Agentschap. Deze beroepscommissie onderzoekt de ontvangen bezwaren, de voorgestelde verbeteringen, het verslag van het onderzoek van het Agentschap en hoort, in voorkomend geval, de betrokkene.
Deze beroepscommissie is samengesteld uit een vertegenwoordiger van de diensten van de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap, een vertegenwoordiger van het bestuur Controle en een vertegenwoordiger van de Juridische dienst van het Agentschap. Deze commissie geeft een advies aan de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap.
Het Agentschap beschikt over vijfenveertig dagen vanaf de datum van ontvangst van de bezwaren, bedoeld in lid 2, om op basis van voornoemd advies, een eindbeslissing te nemen over het beroep en deze bij een ter post aangetekende brief mee te delen.]3
[2 § 7. Het organisme kan als bewijs van de validatie een certificaat afleveren volgens de voorschriften, opgenomen in de door het Agentschap goedgekeurde gids.]2
[3 In geval van artikel 10, § 6 blijven de reeds uitgereikte certificaten geldig tot de erop vermelde einddatum, tenzij aangetoond werd dat de reden van de intrekking van de erkenning een directe impact heeft op de certificaten.]3
[3 § 8. De organismen krijgen, onder de modaliteiten bepaald door het Agentschap, toegang tot informatie met betrekking tot gegevens inzake naam, adres, activiteiten, audit- en inspectieresultaten van operatoren, actief in de voedselketen voor zover zij dit nodig hebben voor de uitoefening van hun taak als bedoeld in artikel 10, § 1.]3
1° [2 1° [3 de validatie van het autocontrolesysteem en van de naleving van de bepalingen, vermeld in artikel 3, § 4,]3 als bedoeld in art. [3 art. 3, § 6, § 7 en § 8]3, voor de activiteiten die vallen onder het toepassingsgebied van een door het Agentschap goedgekeurde gids;]2
2° in uitzonderlijke gevallen, de controle op de waarborgen geboden door deze systemen, toegepast door de [1 operatoren]1.
§ 2. Om erkend te kunnen worden, moeten de in § 1 bedoelde [2 organismen]2 voldoen aan de volgende voorschriften :
1° [2 geaccrediteerd zijn volgens[3 de normen EN ISO/IEC 17020 - type A, EN ISO/IEC 17065 of EN ISO/IEC 17021-1]3 (reeks ISO 17000) volgens de in de goedgekeurde gidsen vastgestelde voorschriften;]2
2° de inspecteurs en/of auditoren moeten voldoen aan de volgende eisen :
- basisopleiding hoger onderwijs in een vak dat verband houdt met de [2 veiligheid van de voedselketen]2. Voor inspecties en audits in de primaire sector kan een opleiding hoger secundair onderwijs worden toegestaan;
- [2 beschikken over een relevante beroepservaring van ten minste twee jaar in een productie-entiteit of als medewerker van de dienst kwaliteit in een inrichting in de betrokken sector of deelsector of een equivalente ervaring in de betrokken sector of deelsector hebben verworven door zijn of haar activiteiten in een consultancybedrijf of in een inspectie- of certificeringsorganisme, actief in deze sector of deelsector;]2
- een kwalificatie als inspecteur en/of auditeur bezitten die overeenstemt met de op internationaal vlak gestelde eisen voor de gebruikte accreditatienorm, onder andere Gids ISO 19011 wat de accreditatie betreft volgens de norm [3 EN ISO/IEC 17021-1 ]3;
- binnen het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 een gepaste en voortdurende opleiding krijgen;
3° een auditor of inspecteur mag, op eigen verantwoordelijkheid, bepaalde taken in verband met bemonstering of meting delegeren naar andere personen van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 die andere kwalificaties hebben dan die beschreven in punt 2° hierboven, op voorwaarde dat die personen formeel gekwalificeerd zijn voor de taken die hun bij delegatie worden toevertrouwd;
4° de onafhankelijkheid van beoordeling van de inspecteurs en/of auditoren moet worden gegarandeerd. Het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 en het personeel ervan mogen zich niet bezighouden met enige activiteit die onverenigbaar is met hun onafhankelijkheid van beoordeling en hun integriteit met betrekking tot hun werkzaamheden op het gebied van inspectie en certificering;
[2 Een auditor kan enkel een audit in een inrichting uitvoeren als hij/zij niet gedurende de laatste 3 jaar voorafgaand aan de audit als consultant, werknemer of zelfstandige heeft gewerkt voor deze inrichting.
De inspectie- of certificeringsorganismen tonen aan dat deze vereiste gerespecteerd wordt.]2
5° de personeelsleden van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 zijn door het beroepsgeheim gebonden met betrekking tot alles wat zij vernemen bij de uitoefening van hun functies in samenhang met hetgeen in dit besluit is bepaald, behalve ten aanzien van het door het Agentschap gemachtigde personeel.
§ 3. Om erkend te kunnen worden, moeten de in § 1 bedoelde organismen tevens voldoen aan de volgende voorschriften :
1° de instructies in acht nemen die door het Agentschap zijn opgelegd met betrekking tot de toepassing van de regelgeving;
2° [1 rekening houden met de inspectieverslagen van de ambtenaren van het Agentschap die bij de operator voorhanden zijn;]1
3° deelnemen aan validatie- of bemonsteringsprogramma's op verzoek van het Agentschap en op de door het Agentschap vastgestelde wijze;
4° het Agentschap onmiddellijk in kennis stellen van alle vastgestelde inbreuken die de veiligheid van de betrokken producten in het gedrang brengt;
5° aan het Agentschap de verslagen van de audits en inspecties ter beschikking stellen en alle andere documentatie over de [1 inrichtingen]1 ter beschikking houden van het Agentschap;
6° het Agentschap onmiddellijk in kennis stellen van alle belangrijke wijzigingen in de structuur van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2, van het personeel en de organisatie daarvan die betrekking hebben op de aan deze erkenning onderworpen activiteiten;
7° aan derden geen enkel in het kader van de controleopdrachten verkregen gegeven ter beschikking stellen dat uitgaat van het Agentschap of van de gecontroleerde [1 inrichtingen]1, behalve met schriftelijke toestemming van het orgaan [2 (NOTA : het KB 2011-05-26/12, art. 8, beschikt dat in het onderhavig artikel het woord " organen " telkens wordt vervangen door het woord " organismen ")]2 dat aan de basis ligt van dat gegeven.
[3 8° naar aanleiding van de in paragraaf 1, 1° bedoelde validatie telkens een volledig auditverslag bezorgen aan de betrokken operator.]3
§ 4. De erkenningsaanvraag wordt bij het Agentschap ingediend, samen met :
1° een kopie van het accreditatiecertificaat met het toepassingsgebied en twee kopieën van het kwaliteitshandboek;
2° het bewijs dat aan de in § 2 vermelde voorwaarden wordt voldaan;
3° een verklaring op erewoord dat de in § 3 vastgestelde voorwaarden strikt in acht worden genomen.
§ 5. De erkenning wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 jaar en kan telkens worden verlengd met een maximale periode van gelijke duur.
De aanvraag voor verlenging moet ten minste 3 maand voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van de erkenning worden ingediend overeenkomstig de in § 4 beschreven procedure.
[3 5/1. Het Agentschap kan de toekenning van een erkenning weigeren indien niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragrafen 2, 3 of 4.
Het Agentschap deelt de redenen van de weigering mee aan het betreffende organisme bij een ter post aangetekende brief. Het organisme beschikt over een periode van 30 dagen om tegemoet te komen aan de redenen van weigering. Op basis van de binnen deze periode ontvangen informatie, eventueel na een bijkomend onderzoek ter plaatse, neemt het Agentschap een eindbeslissing en deelt het deze mee bij een ter post aangetekende brief.]3
[3 § 5/2. Het Agentschap kan de afgeleverde erkenning schorsen of aan bijzondere beperkingen onderwerpen wanneer het onregelmatigheden vaststelt met betrekking tot het respecteren van de in paragrafen 2 en 3 vermelde voorwaarden, die binnen een redelijke termijn kunnen worden opgelost.
Aan de schorsing of aan bijzondere beperkingen bedoeld in het eerste lid, kan een einde gesteld worden indien het organisme hiertoe een aanvraag indient uiterlijk 30 dagen voor het verstrijken van de schorsing, respectievelijk van de bijzondere beperkingen en na gunstig onderzoek door het Agentschap.
Indien het betreffende organisme geen aanvraag heeft ingediend tot beëindiging van de schorsing, respectievelijk de bijzondere beperkingen, vervalt de erkenning van rechtswege.
Indien het onderzoek niet gunstig is, wordt de schorsing, respectievelijk de bijzondere beperkingen niet beëindigd.]3
§ 6. [3 erkenning wordt ingetrokken:
1° indien de in paragrafen 2 en 3 vermelde voorwaarden niet langer worden nagekomen;
2° indien een onderzoek door het Agentschap omtrent de werking van het organisme wordt belemmerd, verhinderd of geweigerd;
3° indien fraude wordt vastgesteld met betrekking tot activiteiten waarvoor de erkenning werd verleend;
4° indien de voorwaarden van de schorsing van de erkenning of de bijzondere beperkingen niet worden nageleefd]3.
[3 § 6/1. De erkenning vervalt van rechtswege:
1° indien niet langer aan de voorwaarde tot accreditatie voldaan is;
2° indien het organisme het voorwerp heeft uitgemaakt van een gerechtelijke uitspraak tot verbod tot het uitoefenen van de activiteit.]3
[3 § 6/2. Wanneer het Agentschap van oordeel is dat er redenen bestaan om de bepalingen van artikel 10, §§ 5/2 of 6 toe te passen, deelt het deze redenen samen met de voorgenomen maatregelen mee aan het betreffende organisme bij een ter post aangetekende brief.
Het betreffende organisme beschikt over een periode van vijftien dagen om per aangetekende brief haar bezwaren aan het Agentschap mee te delen en, in voorkomend geval, te verzoeken door deze gehoord te worden en/of verbeteringen voor te stellen teneinde tegemoet te komen aan de ingeroepen motieven.
Indien het organisme binnen de gestelde termijn geen bezwaren indient, gaan de in lid 1 bedoelde maatregelen in op de eerste dag volgend op het verstrijken van de termijn.
Het Agentschap onderzoekt de bezwaren en voorgestelde verbeteringen en voert eventueel een nieuw onderzoek uit ter plaatse bij het betreffende organisme.
Indien het Agentschap van oordeel is dat het organisme nog steeds niet voldoet aan de voorwaarden, deelt het zijn beslissing mee met een ter post aangetekende brief.
Het organisme beschikt over een periode van vijf dagen om tegen deze beslissing beroep aan te tekenen bij een beroepscommissie, ingesteld bij het Agentschap. Deze beroepscommissie onderzoekt de ontvangen bezwaren, de voorgestelde verbeteringen, het verslag van het onderzoek van het Agentschap en hoort, in voorkomend geval, de betrokkene.
Deze beroepscommissie is samengesteld uit een vertegenwoordiger van de diensten van de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap, een vertegenwoordiger van het bestuur Controle en een vertegenwoordiger van de Juridische dienst van het Agentschap. Deze commissie geeft een advies aan de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap.
Het Agentschap beschikt over vijfenveertig dagen vanaf de datum van ontvangst van de bezwaren, bedoeld in lid 2, om op basis van voornoemd advies, een eindbeslissing te nemen over het beroep en deze bij een ter post aangetekende brief mee te delen.]3
[2 § 7. Het organisme kan als bewijs van de validatie een certificaat afleveren volgens de voorschriften, opgenomen in de door het Agentschap goedgekeurde gids.]2
[3 In geval van artikel 10, § 6 blijven de reeds uitgereikte certificaten geldig tot de erop vermelde einddatum, tenzij aangetoond werd dat de reden van de intrekking van de erkenning een directe impact heeft op de certificaten.]3
[3 § 8. De organismen krijgen, onder de modaliteiten bepaald door het Agentschap, toegang tot informatie met betrekking tot gegevens inzake naam, adres, activiteiten, audit- en inspectieresultaten van operatoren, actief in de voedselketen voor zover zij dit nodig hebben voor de uitoefening van hun taak als bedoeld in artikel 10, § 1.]3
Art. 10. § 1er. L'Agence peut confier à des organismes d'inspection ou de certification qui ont été accrédités à cette fin et qui sont agréés par elle :
1° [2 [3 la validation du système d'autocontrôle et le respect des dispositions reprises à l'article 3, § 4, ]3 visé à l' [3 art. 3, § 6, § 7 et § 8]3, pour les activités relevant du champ d'application d'un guide validé par l'Agence;]2
2° dans des circonstances exceptionnelles, le contrôle des garanties offertes par ces systemes, appliqués par les [1 opérateurs]1.
§ 2. Pour pouvoir être agréés, les organismes visés au § 1er doivent satisfaire aux prescriptions suivantes :
1° [1 être accrédités selon les normes [3 EN ISO/IEC 17020 - type A, EN ISO/IEC 17065 ou EN ISO/IEC 17021-1]3 (série ISO 17000) selon les règles fixées dans les guides approuvés;]1
2° les inspecteurs et/ou auditeurs doivent satisfaire aux exigences suivantes :
- formation de base de niveau supérieur dans une matière liée à la [2 sécurité de la chaîne alimentaire]2. Pour les inspections et audits dans le secteur primaire, une formation de niveau secondaire supérieur peut-être admise;
- [2 disposer d'une expérience professionnelle pertinente d'au moins deux ans dans une entité de production ou comme collaborateur du service qualité dans un établissement du secteur ou du sous-secteur concerné, ou avoir acquis une expérience équivalente dans le secteur ou le sous-secteur concerné par le biais d'activités exercées dans une entreprise de consultance ou un organisme d'inspection ou de certification actif dans ce secteur ou sous-secteur;]2
- avoir une qualification d'inspecteur et/ou d'auditeur correspondant aux exigences requises au niveau international pour la norme d'accréditation utilisée, entre autres le Guide ISO 19011 pour ce qui concerne l'accréditation selon la norme [3 EN ISO/IEC 17021-1]3;
- recevoir au sein de l'organisme une formation adéquate et continue;
3° un auditeur ou un inspecteur peut, sous sa responsabilité, déléguer certaines tâches de prélèvement ou de mesurage à d'autres personnes de l'organisme disposant d'autres qualifications que celles décrites au point 2° ci-dessus, à condition que ces personnes soient formellement qualifiées pour les missions qui leur sont déléguées;
4° l'independance de jugement des inspecteurs et/ou auditeurs doit être garantie. L'organisme et son personnel ne doivent s'engager dans aucune activité incompatible avec leur indépendance de jugement et leur intégrité en ce qui concerne leur activité d'inspection ou de certification;
[2 Un auditeur ne peut réaliser un audit dans un établissement que si il/elle n'a pas travaillé pour cet établissement comme consultant, comme salarié ou comme indépendant les trois dernières années qui précèdent l'audit.
Les organismes d'inspection ou de certification démontrent que cette exigence est respectée.]2
5° le personnel de l'organisme est lié par le secret professionnel pour tout ce qu'il apprend dans l'exercice de ses fonctions dans le cadre des dispositions du présent arrêté, sauf à l'égard du personnel mandaté par l'Agence.
§ 3. Pour pouvoir être agréés, les organismes visés au § 1er doivent également satisfaire aux prescriptions suivantes :
1° suivre les instructions imposées par l'Agence concernant l'application de la réglementation;
2° [2 tenir compte des rapports d'inspection des agents de l'Agence, disponibles chez l'opérateur;]2
3° participer à des programmes de validation et d'échantillonnage à la demande de l'Agence et selon les modalités fixées par elle;
4° avertir immédiatement l'Agence de toute infraction constatée qui met en danger la sécurité des produits concernés;
5° mettre à la disposition de l'Agence les rapports des audits ou inspections et tenir à la disposition de l'Agence toute autre documentation relative aux [1 établissements]1;
6° informer immédiatement l'Agence de toute modification majeure survenant dans la structure de l'organisme, son personnel et son organisation pour ce qui concerne les activités soumises au présent agrément;
7° ne mettre à la disposition de tiers aucune information recueillie dans le cadre des missions de contrôle et émanant de l'Agence ou des [1 établissements contrôlés]1, sauf autorisation écrite de l'organisation qui est à la base de l'information.
[3 8° suite à la validation visée au paragraphe 1, 1° un rapport d'audit complet est fourni à chaque fois à l'opérateur concerné.]3
§ 4. La demande d'agrément est introduite auprès de l'Agence, en même temps que :
1° une copie du certificat d'accréditation avec le domaine d'application et deux copies du manuel de qualité;
2° la preuve du respect des conditions mentionnées au § 2;
3° une déclaration sur l'honneur que les conditions fixées au § 3 seront strictement respectées.
§ 5. L'agrément est délivré pour une période maximale de 3 ans et peut être prolongé chaque fois pour une période maximale de la même durée.
La demande de prolongation doit être introduite au moins 3 mois avant l'échéance de la durée de validité de l'agrément précédent selon la procédure décrite au § 4.
[3 § 5/1. L'Agence peut refuser l'octroi d'un agrément si les conditions mentionnées aux paragraphes 2, 3 ou 4 ne sont pas respectées.
L'Agence communique les motifs du refus à l'organisme concerné dans un courrier recommandé. L'organisme dispose d'une période de 30 jours pour se conformer aux motifs du refus. Sur base des informations reçues dans ce laps de temps, et éventuellement après une enquête complémentaire sur place, l'Agence prend une décision finale et la communique par lettre recommandée. ]3
[3 § 5/2. L'Agence peut suspendre l'agrément délivré ou le soumettre à des restrictions particulières lorsqu'elle constate des irrégularités concernant le respect des conditions mentionnées aux paragraphes 2 et 3, qui doivent être résolues dans un délai raisonnable.
Il peut être mis fin à la suspension ou aux restrictions particulières visées au premier alinéa si l'organisme introduit une demande en ce sens au plus tard 30 jours avant l'expiration de la suspension ou des restrictions particulières, et après examen favorable par l'Agence.
Si l'organisme concerné n'a pas introduit de demande de mettre fin à la suspension ou aux restrictions particulières, l'agrément est supprimé de plein droit.
Si l'examen n'est pas favorable, il n'est pas mis fin à la suspension ou aux restrictions particulières. ]3
§ 6. [3 § 6. L'agrément est retiré :
1° si les conditions mentionnées aux paragraphes 2 et 3 ne sont plus respectées;
2° si un examen par l'Agence concernant le fonctionnement de l'organisme est entravé, empêché ou refusé;
3° si une fraude est constatée concernant les activités faisant l'objet de l'agrément octroyé;
4° si les conditions de la suspension de l'agrément ou des restrictions particulières ne sont pas respectées.]3.
[3 § 6/1. L'agrément expire de plein droit :
1° s'il n'est plus satisfait aux conditions d'accréditation;
2° si l'organisme a fait l'objet d'un arrêt judiciaire d'interdiction d'exercice de l'activité. ]3
[3 § 6/2. Si l'Agence estime qu'il existe des raisons de faire appliquer les dispositions de l'article 10, §§ 5/2 ou 6, elle communique ces raisons ainsi que les mesures proposées à l'organisme concerné par lettre recommandée.
L'organisme concerné dispose d'une période de quinze jours pour communiquer ses objections à l'Agence par lettre recommandée et, le cas échéant, demander à être auditionné par cette dernière et/ou proposer des améliorations destinées à se conformer aux motifs invoqués.
Si l'organisme n'introduit pas d'objections dans le délai fixé, les mesures visées à l'alinéa 1er prennent cours le premier jour qui suit l'expiration du délai.
L'Agence examine les objections et les améliorations proposées et mène éventuellement une nouvelle enquête sur place dans les installations de l'organisme concerné.
Si l'Agence estime que l'organisme ne satisfait toujours pas aux conditions, elle communique sa décision par lettre recommandée.
L'organisme dispose d'une période de cinq jours pour interjeter appel de cette décision auprès d'une commission de recours instituée auprès de l'Agence. Cette commission de recours examine les objections reçues, les améliorations proposées, le rapport de l'enquête de l'Agence et entend, le cas échéant, l'intéressé.
Cette commission de recours est composée d'un représentant des services de l'Administrateur délégué de l'Agence, d'un représentant de l'administration du Contrôle et d'un représentant du service juridique de l'Agence. Cette commission donne un avis à l'Administrateur délégué de l'Agence.
L'Agence dispose de quarante-cinq jours à dater de la réception des objections visées à l'alinéa 2 pour prendre, sur base de l'avis précité, une décision finale à propos du recours et la communiquer par lettre recommandée.]3
[2 § 7. Comme preuve de la validation, l'organisme peut produire un certificat selon les prescriptions figurant dans le guide validé par l'Agence.]2
[3 Dans le cas de l'article 10, § 6, les certificats déjà délivrés restent valables jusqu'à la date finale mentionnée sur ceux-ci, sauf s'il a été démontré que le motif de retrait de l'agrément a un impact direct sur les certificats. ]3
[3 § 8. Les organismes ont, aux conditions déterminées par l'Agence, accès aux informations concernant les données relatives au nom, à l'adresse, aux activités, aux résultats d'audit et d'inspection des opérateurs actifs dans la chaîne alimentaire pour autant qu'ils en aient besoin dans l'exercice de leurs tâches, comme visé à l'article 10, § 1er. ]3
1° [2 [3 la validation du système d'autocontrôle et le respect des dispositions reprises à l'article 3, § 4, ]3 visé à l' [3 art. 3, § 6, § 7 et § 8]3, pour les activités relevant du champ d'application d'un guide validé par l'Agence;]2
2° dans des circonstances exceptionnelles, le contrôle des garanties offertes par ces systemes, appliqués par les [1 opérateurs]1.
§ 2. Pour pouvoir être agréés, les organismes visés au § 1er doivent satisfaire aux prescriptions suivantes :
1° [1 être accrédités selon les normes [3 EN ISO/IEC 17020 - type A, EN ISO/IEC 17065 ou EN ISO/IEC 17021-1]3 (série ISO 17000) selon les règles fixées dans les guides approuvés;]1
2° les inspecteurs et/ou auditeurs doivent satisfaire aux exigences suivantes :
- formation de base de niveau supérieur dans une matière liée à la [2 sécurité de la chaîne alimentaire]2. Pour les inspections et audits dans le secteur primaire, une formation de niveau secondaire supérieur peut-être admise;
- [2 disposer d'une expérience professionnelle pertinente d'au moins deux ans dans une entité de production ou comme collaborateur du service qualité dans un établissement du secteur ou du sous-secteur concerné, ou avoir acquis une expérience équivalente dans le secteur ou le sous-secteur concerné par le biais d'activités exercées dans une entreprise de consultance ou un organisme d'inspection ou de certification actif dans ce secteur ou sous-secteur;]2
- avoir une qualification d'inspecteur et/ou d'auditeur correspondant aux exigences requises au niveau international pour la norme d'accréditation utilisée, entre autres le Guide ISO 19011 pour ce qui concerne l'accréditation selon la norme [3 EN ISO/IEC 17021-1]3;
- recevoir au sein de l'organisme une formation adéquate et continue;
3° un auditeur ou un inspecteur peut, sous sa responsabilité, déléguer certaines tâches de prélèvement ou de mesurage à d'autres personnes de l'organisme disposant d'autres qualifications que celles décrites au point 2° ci-dessus, à condition que ces personnes soient formellement qualifiées pour les missions qui leur sont déléguées;
4° l'independance de jugement des inspecteurs et/ou auditeurs doit être garantie. L'organisme et son personnel ne doivent s'engager dans aucune activité incompatible avec leur indépendance de jugement et leur intégrité en ce qui concerne leur activité d'inspection ou de certification;
[2 Un auditeur ne peut réaliser un audit dans un établissement que si il/elle n'a pas travaillé pour cet établissement comme consultant, comme salarié ou comme indépendant les trois dernières années qui précèdent l'audit.
Les organismes d'inspection ou de certification démontrent que cette exigence est respectée.]2
5° le personnel de l'organisme est lié par le secret professionnel pour tout ce qu'il apprend dans l'exercice de ses fonctions dans le cadre des dispositions du présent arrêté, sauf à l'égard du personnel mandaté par l'Agence.
§ 3. Pour pouvoir être agréés, les organismes visés au § 1er doivent également satisfaire aux prescriptions suivantes :
1° suivre les instructions imposées par l'Agence concernant l'application de la réglementation;
2° [2 tenir compte des rapports d'inspection des agents de l'Agence, disponibles chez l'opérateur;]2
3° participer à des programmes de validation et d'échantillonnage à la demande de l'Agence et selon les modalités fixées par elle;
4° avertir immédiatement l'Agence de toute infraction constatée qui met en danger la sécurité des produits concernés;
5° mettre à la disposition de l'Agence les rapports des audits ou inspections et tenir à la disposition de l'Agence toute autre documentation relative aux [1 établissements]1;
6° informer immédiatement l'Agence de toute modification majeure survenant dans la structure de l'organisme, son personnel et son organisation pour ce qui concerne les activités soumises au présent agrément;
7° ne mettre à la disposition de tiers aucune information recueillie dans le cadre des missions de contrôle et émanant de l'Agence ou des [1 établissements contrôlés]1, sauf autorisation écrite de l'organisation qui est à la base de l'information.
[3 8° suite à la validation visée au paragraphe 1, 1° un rapport d'audit complet est fourni à chaque fois à l'opérateur concerné.]3
§ 4. La demande d'agrément est introduite auprès de l'Agence, en même temps que :
1° une copie du certificat d'accréditation avec le domaine d'application et deux copies du manuel de qualité;
2° la preuve du respect des conditions mentionnées au § 2;
3° une déclaration sur l'honneur que les conditions fixées au § 3 seront strictement respectées.
§ 5. L'agrément est délivré pour une période maximale de 3 ans et peut être prolongé chaque fois pour une période maximale de la même durée.
La demande de prolongation doit être introduite au moins 3 mois avant l'échéance de la durée de validité de l'agrément précédent selon la procédure décrite au § 4.
[3 § 5/1. L'Agence peut refuser l'octroi d'un agrément si les conditions mentionnées aux paragraphes 2, 3 ou 4 ne sont pas respectées.
L'Agence communique les motifs du refus à l'organisme concerné dans un courrier recommandé. L'organisme dispose d'une période de 30 jours pour se conformer aux motifs du refus. Sur base des informations reçues dans ce laps de temps, et éventuellement après une enquête complémentaire sur place, l'Agence prend une décision finale et la communique par lettre recommandée. ]3
[3 § 5/2. L'Agence peut suspendre l'agrément délivré ou le soumettre à des restrictions particulières lorsqu'elle constate des irrégularités concernant le respect des conditions mentionnées aux paragraphes 2 et 3, qui doivent être résolues dans un délai raisonnable.
Il peut être mis fin à la suspension ou aux restrictions particulières visées au premier alinéa si l'organisme introduit une demande en ce sens au plus tard 30 jours avant l'expiration de la suspension ou des restrictions particulières, et après examen favorable par l'Agence.
Si l'organisme concerné n'a pas introduit de demande de mettre fin à la suspension ou aux restrictions particulières, l'agrément est supprimé de plein droit.
Si l'examen n'est pas favorable, il n'est pas mis fin à la suspension ou aux restrictions particulières. ]3
§ 6. [3 § 6. L'agrément est retiré :
1° si les conditions mentionnées aux paragraphes 2 et 3 ne sont plus respectées;
2° si un examen par l'Agence concernant le fonctionnement de l'organisme est entravé, empêché ou refusé;
3° si une fraude est constatée concernant les activités faisant l'objet de l'agrément octroyé;
4° si les conditions de la suspension de l'agrément ou des restrictions particulières ne sont pas respectées.]3.
[3 § 6/1. L'agrément expire de plein droit :
1° s'il n'est plus satisfait aux conditions d'accréditation;
2° si l'organisme a fait l'objet d'un arrêt judiciaire d'interdiction d'exercice de l'activité. ]3
[3 § 6/2. Si l'Agence estime qu'il existe des raisons de faire appliquer les dispositions de l'article 10, §§ 5/2 ou 6, elle communique ces raisons ainsi que les mesures proposées à l'organisme concerné par lettre recommandée.
L'organisme concerné dispose d'une période de quinze jours pour communiquer ses objections à l'Agence par lettre recommandée et, le cas échéant, demander à être auditionné par cette dernière et/ou proposer des améliorations destinées à se conformer aux motifs invoqués.
Si l'organisme n'introduit pas d'objections dans le délai fixé, les mesures visées à l'alinéa 1er prennent cours le premier jour qui suit l'expiration du délai.
L'Agence examine les objections et les améliorations proposées et mène éventuellement une nouvelle enquête sur place dans les installations de l'organisme concerné.
Si l'Agence estime que l'organisme ne satisfait toujours pas aux conditions, elle communique sa décision par lettre recommandée.
L'organisme dispose d'une période de cinq jours pour interjeter appel de cette décision auprès d'une commission de recours instituée auprès de l'Agence. Cette commission de recours examine les objections reçues, les améliorations proposées, le rapport de l'enquête de l'Agence et entend, le cas échéant, l'intéressé.
Cette commission de recours est composée d'un représentant des services de l'Administrateur délégué de l'Agence, d'un représentant de l'administration du Contrôle et d'un représentant du service juridique de l'Agence. Cette commission donne un avis à l'Administrateur délégué de l'Agence.
L'Agence dispose de quarante-cinq jours à dater de la réception des objections visées à l'alinéa 2 pour prendre, sur base de l'avis précité, une décision finale à propos du recours et la communiquer par lettre recommandée.]3
[2 § 7. Comme preuve de la validation, l'organisme peut produire un certificat selon les prescriptions figurant dans le guide validé par l'Agence.]2
[3 Dans le cas de l'article 10, § 6, les certificats déjà délivrés restent valables jusqu'à la date finale mentionnée sur ceux-ci, sauf s'il a été démontré que le motif de retrait de l'agrément a un impact direct sur les certificats. ]3
[3 § 8. Les organismes ont, aux conditions déterminées par l'Agence, accès aux informations concernant les données relatives au nom, à l'adresse, aux activités, aux résultats d'audit et d'inspection des opérateurs actifs dans la chaîne alimentaire pour autant qu'ils en aient besoin dans l'exercice de leurs tâches, comme visé à l'article 10, § 1er. ]3
HOOFDSTUK VII. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions générales.
Art. 11. Alle documenten die betrekking hebben op autocontrole en traceerbaarheid moeten bewaard worden gedurende twee jaar volgend op het verstrijken van de periode van houdbaarheid van het betreffende product of bij gebrek daaraan minimum twee jaar. Voor de primaire productie is de bewaartijd van deze documenten vijf jaar.
De Ministers die de Volksgezondheid en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben, kunnen afwijkingen toestaan voor bepaalde sectoren of producten.
De totaliteit van deze documenten moet worden voorgelegd aan de personen belast met de controle op hun verzoek.
De Ministers die de Volksgezondheid en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben, kunnen afwijkingen toestaan voor bepaalde sectoren of producten.
De totaliteit van deze documenten moet worden voorgelegd aan de personen belast met de controle op hun verzoek.
Art. 11. Tous les documents se rapportant à l'autocontrôle et à la traçabilité doivent être conservés durant les deux années suivant l'expiration de la période de validité du produit concerné ou à défaut minimum deux ans. Pour la production primaire la durée de conservation de ces documents est de cinq ans.
Les Ministres ayant la Santé publique et les Classes moyennes dans leurs attributions peuvent déroger à ces dispositions pour certains secteurs ou produits.
L'ensemble de ces documents doit pouvoir être présenté aux personnes chargées du contrôle à leur demande.
Les Ministres ayant la Santé publique et les Classes moyennes dans leurs attributions peuvent déroger à ces dispositions pour certains secteurs ou produits.
L'ensemble de ces documents doit pouvoir être présenté aux personnes chargées du contrôle à leur demande.
Art. 12. [1 De goedkeuring overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiëne van de gidsen van goede hygiënepraktijken, vervalt op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 26 mei 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen.]1
Modifications
Art. 12. [1 L'approbation, conformément aux articles 6 et 7 de l'arrêté royal du 7 février 1997 relatif à l'hygiène générale des denrées alimentaires, des guides de bonnes pratiques d'hygiène, est supprimée à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 26 mai 2011 modifiant l'arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l'autocontrôle, à la notification obligatoire et à la traçabilité dans la chaîne alimentaire.]1
Modifications
Art. 12bis. [1 § 1. De operatoren in de horecasector die aan de eindverbruiker dranken of onmiddellijk te consumeren schotels evenals meeneemschotels aanbieden, de operatoren van gaarkeukens, van bedrijfsrestaurants en van frituren, die beschikken over een autocontrolesysteem als bedoeld in artikel 3, gevalideerd door een inspectie - of certificeringsorganisme als bedoeld in artikel 10, § 1, kunnen voor de duur van de geldigheid van de validatie van het autocontrolesysteem een visueel teken bekomen en uithangen, waarvan het model wordt vastgelegd door de Minister.
§ 2. De overige operatoren van de inrichtingen die behoren tot de distributie en die beschikken over een autocontrolesysteem als bedoeld in artikel 3, gevalideerd door een inspectie - of certificeringsorganisme als bedoeld in artikel 10, § 1, kunnen eveneens voor de duur van de geldigheid van de validatie van het autocontrolesysteem een visueel teken bekomen en uithangen, waarvan het model wordt vastgelegd door de Minister. De Minister bepaalt de datum waarop deze paragraaf in voege treedt.]1
§ 2. De overige operatoren van de inrichtingen die behoren tot de distributie en die beschikken over een autocontrolesysteem als bedoeld in artikel 3, gevalideerd door een inspectie - of certificeringsorganisme als bedoeld in artikel 10, § 1, kunnen eveneens voor de duur van de geldigheid van de validatie van het autocontrolesysteem een visueel teken bekomen en uithangen, waarvan het model wordt vastgelegd door de Minister. De Minister bepaalt de datum waarop deze paragraaf in voege treedt.]1
Art. 12bis. [1 § 1er. Les opérateurs dans le secteur de l'horeca qui offrent au consommateur final des boissons ou des plats à consommer sur place ainsi que des plats à emporter, les opérateurs des cuisines de collectivités, des restaurants d'entreprise et des friteries, qui disposent d'un système d'autocontrôle visé à l'article 3, validé par un organisme d'inspection ou de certification visé à l'article 10, § 1er, peuvent obtenir et afficher pendant la durée de la validation du système d'autocontrôle un signe visuel, dont le modèle est fixé par le Ministre.
§ 2. Les autres opérateurs d'établissements qui appartiennent à la distribution et qui disposent d'un système d'autocontrôle visé à l'article 3, validé par un organisme d'inspection ou de certification visé à l'article 10, § 1er, peuvent également pour la durée de la validation du système d'autocontrôle obtenir et afficher un signe visuel dont le modèle est fixé par le Ministre. Le Ministre fixe la date à laquelle le présent paragraphe entre en vigueur.]1
§ 2. Les autres opérateurs d'établissements qui appartiennent à la distribution et qui disposent d'un système d'autocontrôle visé à l'article 3, validé par un organisme d'inspection ou de certification visé à l'article 10, § 1er, peuvent également pour la durée de la validation du système d'autocontrôle obtenir et afficher un signe visuel dont le modèle est fixé par le Ministre. Le Ministre fixe la date à laquelle le présent paragraphe entre en vigueur.]1
HOOFDSTUK VIII. - Overtredingen en strafbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Infractions et dispositions pénales.
Art. 13. De overtredingen op de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.
Art. 13. Les infractions aux dispositions du présent arrêté sont recherchées, constatées et punies conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2005 met uitzondering van hoofdstuk 4 dat in werking treedt op 1 januari 2004.
[1 Artikel 3, § 7 treedt in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
[1 Artikel 3, § 7 treedt in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
Modifications
Art. 14. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2005 à l'exception des dispositions du chapitre 4 qui entre en vigueur le 1er janvier 2004.
[1 L'article 3, § 7 entre en vigueur le premier jour du douzième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.]1
[1 L'article 3, § 7 entre en vigueur le premier jour du douzième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.]1
Modifications
Art. 15. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Notre Ministre des Affaires Sociales et de la Santé publique est chargé de l'exécution du présent arrête.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. [1 opgeheven]1
Modifications
Art. N1. Annexe I. - Règles générales d'hygiène applicables à la production primaire. [1 abrogée]1
Modifications
Art. N2. Bijlage II. [1 opgeheven]1
Modifications
Art. N2. Annexe II. [1 abrogée]1
Modifications
Art. N3. Bijlage III.- Voorschriften voor gidsen.
1. Het toepassingsgebied omschrijven.
In een gids moet er duidelijk worden bepaald op welke activiteiten (een volledige of gedeeltelijke voedselketen, afzonderlijke stappen), op welke procédés voor fabricage of in de handel brengen en op welke producten hij betrekking heeft.
Eenzelfde toepassingsgebied (zelfde activiteiten en/of zelfde gamma producten) mag niet in verschillende gidsen worden behandeld. Mogelijke overlappingen tussen het toepassingsveld van verschillende gidsen moeten tot een minimum worden beperkt.
2. Het verwachte gebruik omschrijven.
Alle mogelijke gebruikers moeten worden gedefinieerd en er moet worden uitgelegd hoe zij de gidsen dienen te gebruiken (gebruiksaanwijzing, instructies, ...). Zo moet worden vermeld wat het doel is van de gidsen, welke gegevens de gids bevat, op welke manier deze bepalingen verband houden met de wettelijke voorschriften, hoe die gegevens concreet kunnen worden gebruikt, ...
3. De werkgroep en het overleg aanwijzen.
In een gids moet(en) de beroepsvereniging(en), die het initiatief voor het opstellen ervan heeft (hebben) genomen, duidelijk worden vermeld. Ook moet worden aangegeven hoe representatief deze vereniging(en) in de betrokken sector(en) is (zijn) (bv % [1 inrichtingen]1 uit de sector die lid zijn van de beroepsvereniging).
De werkgroep die gemachtigd werd om de gids uit te werken en op te stellen moet duidelijk aangegeven zijn (naam, hoedanigheid, oorsprong en deskundigheid van alle leden).
[2 Bij de ontwikkeling van een gids worden alle partijen, met inbegrip van de bevoegde overheid en de gebruiksgroeperingen, die bij de gids betrokken zijn, geraadpleegd. De partijen die geraadpleegd werden, worden vermeld in de gids.]2
4. De middelen opgeven.
In een gids moet worden vermeld van welke middelen en deskundigheid bij het opstellen ervan gebruik werd gemaakt. Bijvoorbeeld : adviesbureau, studie uitgevoerd door een universiteit, analysen, bibliografische verwijzingen, andere.
5. Richtlijnen over de inhoud.
a) [3 De gids moet gemakkelijk te gebruiken zijn, begrijpbaar zijn en aangepast zijn aan de voorziene gebruikers en de betrokken operatoren in staat stellen om aan hun resultaatsverbintenis te voldoen als de reglementering een te bereiken doel vastlegt.
[4 ]4. In de gids wordt vermeld dat de operatoren ook eigen registratieformulieren kunnen hanteren voor zover ze alle noodzakelijke informatie bevatten]3
b) Een gids [2 wordt]2 opgesteld uitgaande van :
- een gevarenanalyse in verband met de activiteiten, de procédés, de voorzieningen, het personeel, de omgeving en de desbetreffende producten;
- de aanbevolen internationale gebruikscodes op het gebied van de betrokken producten;
- de verschillende vereisten van de wetgeving;
- alle andere relevante bronnen.
c) Alle essentiële hygiënevereisten moeten door de bepalingen van een gids worden ontwikkeld en verduidelijkt. Deze bepalingen en hun manier van toepassing moeten worden aangepast aan de [1 inrichtingen]1 van de betrokken sector (zie Toepassingsgebied en Verwacht gebruik). Deze bepalingen van de gids mogen de wettelijke basisvereisten niet zomaar parafraseren. [3 Voor zover de reglementering een te behalen doelstelling vastlegt, omvatten de gidsen deze doelstelling en wordt deze verduidelijkt. De gidsen beschrijven de middelen om deze doelstelling te bereiken. In de gidsen wordt vermeld dat alternatieve middelen gebruikt kunnen worden voor zover de reglementering niet preciseert welke middelen verplicht moeten gebruikt worden en dat de operatoren kunnen aantonen dat met deze alternatieve middelen de doelstelling uit de reglementering bereikt wordt.]3
d) Een gids moet rekening houden met alle soorten contaminatiegevaar van de producten (biologisch, chemisch en fysisch).
e) [2 Een gids mag geen bepalingen bevatten die afbreuk doen aan de wetgeving.]2
f) De concrete voorbeelden van het autocontrolesysteem die beschreven zijn in de gids moeten voorafgegaan worden door de volgende - of een soortgelijke - waarschuwing;
" Dit voorbeeld geldt enkel ter illustratie; het mag [3 , met uitzondering van de inrichtingen die kunnen genieten van versoepelingen op de toepassingsmodaliteiten van de autocontrole,]3 in geen geval als zodanig worden gebruikt voor de toepassing van het autocontrolesysteem in [2 een bepaalde inrichting]2. "
g) Een gids kan enkel de aspecten met betrekking tot de [2 veiligheid van de voedselketen]2, de kwaliteit van de producten waarvoor het Agentschap bevoegd is, en de traceerbaarheid omvatten. Andere aspecten die niet onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen moeten in ander gidsen opgenomen worden.
h) Een gids geeft tevens de voorschriften weer die van toepassing zijn op de organismen die erkend zijn om de toepassing van de gids in de [1 inrichtingen]1 van de sector na te gaan. Die voorschriften moeten ten minste de volgende punten bevatten :
- de referentienormen voor de accreditatie van het organisme (referentienorm [3[4 EN ISO/IEC 17020, EN ISO/IEC 17065 of EN ISO/IEC 17021-1]4 of de reeks ISO 17000);
- als een certificeringssysteem wordt gebruikt, de te hanteren certificeringsvoorschriften, met inbegrip van de periodiciteit en de draagwijdte van de vervolgaudits;
- als een inspectiesysteem wordt gebruikt, de periodiciteit van de inspecties;
- [2 ...]2
- de eventuele voorschriften in verband met bemonstering en ontleding van producten;
- de tijd die de auditoren/inspecteurs [1 in de inrichting]1 ten minste moeten besteden aan het controleren van de toepassing van de gids;
- [2 ...]2
- de eventuele specifieke eisen met betrekking tot de kwalificaties van de inspecteurs/auditoren.
6. Richtlijnen over de vorm.
Alle elementen van deze gids moeten duidelijk, samenhangend en logisch worden voorgesteld.
7. [2 Verspreiding
In de gids moet ook zijn aangegeven onder welke voorwaarden deze beschikbaar is. Deze gids moet verkrijgbaar zijn voor iedereen waarvan de belangstelling voor de gids gemotiveerd is. Indien de gidsen niet gratis ter beschikking gesteld worden, kan maximaal een vergoeding gevraagd worden die de kostprijs voor de ontwikkeling, het onderhoud, het beheer en de verspreiding ervan niet overschrijdt.]2
1. Het toepassingsgebied omschrijven.
In een gids moet er duidelijk worden bepaald op welke activiteiten (een volledige of gedeeltelijke voedselketen, afzonderlijke stappen), op welke procédés voor fabricage of in de handel brengen en op welke producten hij betrekking heeft.
Eenzelfde toepassingsgebied (zelfde activiteiten en/of zelfde gamma producten) mag niet in verschillende gidsen worden behandeld. Mogelijke overlappingen tussen het toepassingsveld van verschillende gidsen moeten tot een minimum worden beperkt.
2. Het verwachte gebruik omschrijven.
Alle mogelijke gebruikers moeten worden gedefinieerd en er moet worden uitgelegd hoe zij de gidsen dienen te gebruiken (gebruiksaanwijzing, instructies, ...). Zo moet worden vermeld wat het doel is van de gidsen, welke gegevens de gids bevat, op welke manier deze bepalingen verband houden met de wettelijke voorschriften, hoe die gegevens concreet kunnen worden gebruikt, ...
3. De werkgroep en het overleg aanwijzen.
In een gids moet(en) de beroepsvereniging(en), die het initiatief voor het opstellen ervan heeft (hebben) genomen, duidelijk worden vermeld. Ook moet worden aangegeven hoe representatief deze vereniging(en) in de betrokken sector(en) is (zijn) (bv % [1 inrichtingen]1 uit de sector die lid zijn van de beroepsvereniging).
De werkgroep die gemachtigd werd om de gids uit te werken en op te stellen moet duidelijk aangegeven zijn (naam, hoedanigheid, oorsprong en deskundigheid van alle leden).
[2 Bij de ontwikkeling van een gids worden alle partijen, met inbegrip van de bevoegde overheid en de gebruiksgroeperingen, die bij de gids betrokken zijn, geraadpleegd. De partijen die geraadpleegd werden, worden vermeld in de gids.]2
4. De middelen opgeven.
In een gids moet worden vermeld van welke middelen en deskundigheid bij het opstellen ervan gebruik werd gemaakt. Bijvoorbeeld : adviesbureau, studie uitgevoerd door een universiteit, analysen, bibliografische verwijzingen, andere.
5. Richtlijnen over de inhoud.
a) [3 De gids moet gemakkelijk te gebruiken zijn, begrijpbaar zijn en aangepast zijn aan de voorziene gebruikers en de betrokken operatoren in staat stellen om aan hun resultaatsverbintenis te voldoen als de reglementering een te bereiken doel vastlegt.
[4 ]4. In de gids wordt vermeld dat de operatoren ook eigen registratieformulieren kunnen hanteren voor zover ze alle noodzakelijke informatie bevatten]3
b) Een gids [2 wordt]2 opgesteld uitgaande van :
- een gevarenanalyse in verband met de activiteiten, de procédés, de voorzieningen, het personeel, de omgeving en de desbetreffende producten;
- de aanbevolen internationale gebruikscodes op het gebied van de betrokken producten;
- de verschillende vereisten van de wetgeving;
- alle andere relevante bronnen.
c) Alle essentiële hygiënevereisten moeten door de bepalingen van een gids worden ontwikkeld en verduidelijkt. Deze bepalingen en hun manier van toepassing moeten worden aangepast aan de [1 inrichtingen]1 van de betrokken sector (zie Toepassingsgebied en Verwacht gebruik). Deze bepalingen van de gids mogen de wettelijke basisvereisten niet zomaar parafraseren. [3 Voor zover de reglementering een te behalen doelstelling vastlegt, omvatten de gidsen deze doelstelling en wordt deze verduidelijkt. De gidsen beschrijven de middelen om deze doelstelling te bereiken. In de gidsen wordt vermeld dat alternatieve middelen gebruikt kunnen worden voor zover de reglementering niet preciseert welke middelen verplicht moeten gebruikt worden en dat de operatoren kunnen aantonen dat met deze alternatieve middelen de doelstelling uit de reglementering bereikt wordt.]3
d) Een gids moet rekening houden met alle soorten contaminatiegevaar van de producten (biologisch, chemisch en fysisch).
e) [2 Een gids mag geen bepalingen bevatten die afbreuk doen aan de wetgeving.]2
f) De concrete voorbeelden van het autocontrolesysteem die beschreven zijn in de gids moeten voorafgegaan worden door de volgende - of een soortgelijke - waarschuwing;
" Dit voorbeeld geldt enkel ter illustratie; het mag [3 , met uitzondering van de inrichtingen die kunnen genieten van versoepelingen op de toepassingsmodaliteiten van de autocontrole,]3 in geen geval als zodanig worden gebruikt voor de toepassing van het autocontrolesysteem in [2 een bepaalde inrichting]2. "
g) Een gids kan enkel de aspecten met betrekking tot de [2 veiligheid van de voedselketen]2, de kwaliteit van de producten waarvoor het Agentschap bevoegd is, en de traceerbaarheid omvatten. Andere aspecten die niet onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen moeten in ander gidsen opgenomen worden.
h) Een gids geeft tevens de voorschriften weer die van toepassing zijn op de organismen die erkend zijn om de toepassing van de gids in de [1 inrichtingen]1 van de sector na te gaan. Die voorschriften moeten ten minste de volgende punten bevatten :
- de referentienormen voor de accreditatie van het organisme (referentienorm [3[4 EN ISO/IEC 17020, EN ISO/IEC 17065 of EN ISO/IEC 17021-1]4 of de reeks ISO 17000);
- als een certificeringssysteem wordt gebruikt, de te hanteren certificeringsvoorschriften, met inbegrip van de periodiciteit en de draagwijdte van de vervolgaudits;
- als een inspectiesysteem wordt gebruikt, de periodiciteit van de inspecties;
- [2 ...]2
- de eventuele voorschriften in verband met bemonstering en ontleding van producten;
- de tijd die de auditoren/inspecteurs [1 in de inrichting]1 ten minste moeten besteden aan het controleren van de toepassing van de gids;
- [2 ...]2
- de eventuele specifieke eisen met betrekking tot de kwalificaties van de inspecteurs/auditoren.
6. Richtlijnen over de vorm.
Alle elementen van deze gids moeten duidelijk, samenhangend en logisch worden voorgesteld.
7. [2 Verspreiding
In de gids moet ook zijn aangegeven onder welke voorwaarden deze beschikbaar is. Deze gids moet verkrijgbaar zijn voor iedereen waarvan de belangstelling voor de gids gemotiveerd is. Indien de gidsen niet gratis ter beschikking gesteld worden, kan maximaal een vergoeding gevraagd worden die de kostprijs voor de ontwikkeling, het onderhoud, het beheer en de verspreiding ervan niet overschrijdt.]2
Art. N3. Annexe III.- Instructions pour les guides.
1. Définir le champ d'application.
Dans un guide doivent être déterminés clairement quelles activités (l'ensemble ou une partie d'une filière, étapes), quels procédés de fabrication ou de mise dans le commerce et quels produits sont visés.
Un même champ d'application (mêmes activités et/ou même gamme de produits) ne peut pas être couvert par des guides différents. Les chevauchements éventuels entre les champs d'application de guides différents doivent être réduits au minimum.
2. Définir l'utilisation attendue.
Il faut définir tous les utilisateurs potentiels et expliquer comment ils doivent utiliser le guide (mode d'emploi, instructions, ...). Par exemple, il est nécessaire d'indiquer quel est l'objectif du guide, quelles sont les informations contenues dans le guide, comment ces informations sont liées aux exigences légales, comment utiliser concrètement ces informations, ...
3. Identifier le groupe de travail et les consultations.
Un guide doit identifier l'(les) association(s) professionnelle(s) qui a (ont) pris l'initiative de l'élaborer. Il doit indiquer la représentativité de cette (ces) association(s) dans le(s) secteur(s) concerné(s) (exemple : % d' [1 établissements]1 du secteur qui sont membres de l'association).
Le groupe de travail qui a été mandaté pour élaborer et rédiger le guide (nom, qualité, origine et compétences de tous les membres) doit être identifié.
[2 Lors de l'élaboration d'un guide, toutes les parties concernées par le guide, y compris les autorités compétentes et les groupes d'utilisateurs, sont consultées. Les parties consultées sont mentionnées dans le guide.]2
4. Identifier les moyens.
Dans un guide doivent être référencés tous les moyens et compétences qui ont été utilisés pour son élaboration. Par exemple : recours à un bureau conseil, études réalisées par un centre universitaire, analyses, références bibliographiques, ...
5. Directives concernant le contenu.
a) [3 Le guide doit être facile à utiliser, compréhensible et adapté aux utilisateurs visés et permettre aux opérateurs concernés de répondre à leur obligation de résultat lorsque la règlementation fixe un objectif à atteindre.
[4 Le guide doit aussi être applicable aux établissements qui peuvent bénéficier des assouplissements, comme prévus dans l'arrêté ministériel du 22 mars 2013 relatif aux assouplissements des modalités d'application de l'autocontrôle et de la traçabilité dans certains établissements dans la chaîne alimentaire. Le guide comporte également des modèles de formulaires d'enregistrement.]4. Le guide fait mention que les opérateurs peuvent également utiliser leurs propres formulaires d'enregistrement à condition que ceux-ci contiennent tous les renseignements nécessaires.]3
b) Un guide [2 est]2 élaboré à partir :
- d'une analyse des dangers liés aux activites, aux procédés, aux équipements, au personnel, à l'environnement et aux produits concernés;
- des codes d'usage internationaux recommandés concernant les produits couverts;
- des différentes exigences de la législation;
- de toutes autres sources pertinentes.
c) Toutes les exigences essentielles d'hygiène doivent être développées et précisées par les dispositions d'un guide. Ces dispositions et la manière de les appliquer doivent être adaptées aux [1 établissements]1 du secteur considéré (voir champ d'application et utilisation attendue). Ces dispositions du guide ne peuvent pas paraphraser les exigences réglementaires de base. [3 Pour autant que la règlementation fixe un objectif à atteindre, les guides reprennent cet objectif et celui-ci est clarifié. Les guides décrivent les moyens permettant d'atteindre cet objectif. Les guides mentionnent que des moyens alternatifs peuvent être utilisés pour autant que la règlementation ne précise pas quels moyens doivent être impérativement utilisés et que les opérateurs puissent démontrer qu'avec ces moyens alternatifs l'objectif repris dans la règlementation est atteint.]3
d) Un guide doit prendre en considération tous les types de dangers de contamination des produits (biologique, chimique et physique).
e) [2 Un guide ne peut pas contenir des dispositions qui vont à l'encontre de la législation.]2
f) Les exemples concrets de système d'autocontrôle qui sont décrits dans le guide doivent être précédés de l'avertissement suivant ou d'un avertissement analogue :
" L'exemple n'est donné qu'à titre d'illustration; en aucun cas, [3 excepté pour les établissements pouvant bénéficier d'un assouplissement des modalités d'application de l'autocontrôle,]3 cet exemple ne peut être utilisé tel quel pour la mise en place du système d'autocontrôle dans [2 un établissement particulier]2. "
g) Un guide ne peut comporter que les aspects qui sont en rapport avec la [2 sécurité de la chaîne alimentaire]2, les aspects en rapport avec la qualite des produits pour lesquels l'Agence est compétente et la traçabilité. Les autres aspects qui n'entrent pas dans la compétence de l'Agence doivent être repris dans d'autres guides.
h) Un guide décrit également les règles applicables aux organismes agréés pour vérifier l'application du guide dans les [1 établissements]1 du secteur. Ces prescriptions contiendront au minimum les élements suivants :
- les normes de référence pour l'accréditation de l'organisme (norme de référence [3 [4 EN ISO/IEC 17020, EN ISO/IEC 17065 ou EN ISO/IEC 17021-1 ]4]3 ou la série ISO 17000);
- si un système de certification est utilisé, les règles de certification à utiliser, y compris la périodicité et la portée des audits de suivi;
- si un systeme d'inspection est utilisé, la périodicité des inspections;
- [2 ...]2
- les éventuelles règles d'échantillonnage et d'analyse des produits;
- le temps minimum à consacrer par les auditeurs/inspecteurs en entreprise pour vérifier l'application du guide;
- [2 ...]2
- des exigences spécifiques éventuelles concernant les qualifications des inspecteurs/auditeurs.
6. Directives concernant la forme.
Tous les éléments repris dans le guide doivent être présentés avec clarté, cohérence et logique.
7. [2 Diffusion
Dans le guide, doivent être précisées les conditions de mise à disposition de celui-ci. Ce guide doit être accessible à toute personne dont l'intérêt pour le guide est motivé. Si les guides ne sont pas mis à disposition gratuitement, seul peut être demandé un dédommagement qui ne dépasse pas le coût de leur élaboration, de leur maintenance, de leur gestion et de leur diffusion.]2
1. Définir le champ d'application.
Dans un guide doivent être déterminés clairement quelles activités (l'ensemble ou une partie d'une filière, étapes), quels procédés de fabrication ou de mise dans le commerce et quels produits sont visés.
Un même champ d'application (mêmes activités et/ou même gamme de produits) ne peut pas être couvert par des guides différents. Les chevauchements éventuels entre les champs d'application de guides différents doivent être réduits au minimum.
2. Définir l'utilisation attendue.
Il faut définir tous les utilisateurs potentiels et expliquer comment ils doivent utiliser le guide (mode d'emploi, instructions, ...). Par exemple, il est nécessaire d'indiquer quel est l'objectif du guide, quelles sont les informations contenues dans le guide, comment ces informations sont liées aux exigences légales, comment utiliser concrètement ces informations, ...
3. Identifier le groupe de travail et les consultations.
Un guide doit identifier l'(les) association(s) professionnelle(s) qui a (ont) pris l'initiative de l'élaborer. Il doit indiquer la représentativité de cette (ces) association(s) dans le(s) secteur(s) concerné(s) (exemple : % d' [1 établissements]1 du secteur qui sont membres de l'association).
Le groupe de travail qui a été mandaté pour élaborer et rédiger le guide (nom, qualité, origine et compétences de tous les membres) doit être identifié.
[2 Lors de l'élaboration d'un guide, toutes les parties concernées par le guide, y compris les autorités compétentes et les groupes d'utilisateurs, sont consultées. Les parties consultées sont mentionnées dans le guide.]2
4. Identifier les moyens.
Dans un guide doivent être référencés tous les moyens et compétences qui ont été utilisés pour son élaboration. Par exemple : recours à un bureau conseil, études réalisées par un centre universitaire, analyses, références bibliographiques, ...
5. Directives concernant le contenu.
a) [3 Le guide doit être facile à utiliser, compréhensible et adapté aux utilisateurs visés et permettre aux opérateurs concernés de répondre à leur obligation de résultat lorsque la règlementation fixe un objectif à atteindre.
[4 Le guide doit aussi être applicable aux établissements qui peuvent bénéficier des assouplissements, comme prévus dans l'arrêté ministériel du 22 mars 2013 relatif aux assouplissements des modalités d'application de l'autocontrôle et de la traçabilité dans certains établissements dans la chaîne alimentaire. Le guide comporte également des modèles de formulaires d'enregistrement.]4. Le guide fait mention que les opérateurs peuvent également utiliser leurs propres formulaires d'enregistrement à condition que ceux-ci contiennent tous les renseignements nécessaires.]3
b) Un guide [2 est]2 élaboré à partir :
- d'une analyse des dangers liés aux activites, aux procédés, aux équipements, au personnel, à l'environnement et aux produits concernés;
- des codes d'usage internationaux recommandés concernant les produits couverts;
- des différentes exigences de la législation;
- de toutes autres sources pertinentes.
c) Toutes les exigences essentielles d'hygiène doivent être développées et précisées par les dispositions d'un guide. Ces dispositions et la manière de les appliquer doivent être adaptées aux [1 établissements]1 du secteur considéré (voir champ d'application et utilisation attendue). Ces dispositions du guide ne peuvent pas paraphraser les exigences réglementaires de base. [3 Pour autant que la règlementation fixe un objectif à atteindre, les guides reprennent cet objectif et celui-ci est clarifié. Les guides décrivent les moyens permettant d'atteindre cet objectif. Les guides mentionnent que des moyens alternatifs peuvent être utilisés pour autant que la règlementation ne précise pas quels moyens doivent être impérativement utilisés et que les opérateurs puissent démontrer qu'avec ces moyens alternatifs l'objectif repris dans la règlementation est atteint.]3
d) Un guide doit prendre en considération tous les types de dangers de contamination des produits (biologique, chimique et physique).
e) [2 Un guide ne peut pas contenir des dispositions qui vont à l'encontre de la législation.]2
f) Les exemples concrets de système d'autocontrôle qui sont décrits dans le guide doivent être précédés de l'avertissement suivant ou d'un avertissement analogue :
" L'exemple n'est donné qu'à titre d'illustration; en aucun cas, [3 excepté pour les établissements pouvant bénéficier d'un assouplissement des modalités d'application de l'autocontrôle,]3 cet exemple ne peut être utilisé tel quel pour la mise en place du système d'autocontrôle dans [2 un établissement particulier]2. "
g) Un guide ne peut comporter que les aspects qui sont en rapport avec la [2 sécurité de la chaîne alimentaire]2, les aspects en rapport avec la qualite des produits pour lesquels l'Agence est compétente et la traçabilité. Les autres aspects qui n'entrent pas dans la compétence de l'Agence doivent être repris dans d'autres guides.
h) Un guide décrit également les règles applicables aux organismes agréés pour vérifier l'application du guide dans les [1 établissements]1 du secteur. Ces prescriptions contiendront au minimum les élements suivants :
- les normes de référence pour l'accréditation de l'organisme (norme de référence [3 [4 EN ISO/IEC 17020, EN ISO/IEC 17065 ou EN ISO/IEC 17021-1 ]4]3 ou la série ISO 17000);
- si un système de certification est utilisé, les règles de certification à utiliser, y compris la périodicité et la portée des audits de suivi;
- si un systeme d'inspection est utilisé, la périodicité des inspections;
- [2 ...]2
- les éventuelles règles d'échantillonnage et d'analyse des produits;
- le temps minimum à consacrer par les auditeurs/inspecteurs en entreprise pour vérifier l'application du guide;
- [2 ...]2
- des exigences spécifiques éventuelles concernant les qualifications des inspecteurs/auditeurs.
6. Directives concernant la forme.
Tous les éléments repris dans le guide doivent être présentés avec clarté, cohérence et logique.
7. [2 Diffusion
Dans le guide, doivent être précisées les conditions de mise à disposition de celui-ci. Ce guide doit être accessible à toute personne dont l'intérêt pour le guide est motivé. Si les guides ne sont pas mis à disposition gratuitement, seul peut être demandé un dédommagement qui ne dépasse pas le coût de leur élaboration, de leur maintenance, de leur gestion et de leur diffusion.]2
Art. N4. [1 Bijlage IV. - Voorschriften inzake plantengezondheid
I. HYGIENEVOORSCHRIFTEN INZAKE PLANTENGEZONDHEID
1. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, zien er in de mate van het mogelijke op toe dat primaire plantaardige producten beschermd worden tegen verontreiniging met betrekking tot elke verdere verwerking van primaire plantaardige producten.
2. Onverminderd de in punt 1 bedoelde algemene verplichting, moeten operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, voldoen aan de toepasselijke communautaire en nationale wettelijke bepalingen die verband houden met de plantengezondheid.
3. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, nemen afdoende maatregelen om, indien van toepassing :
a. voorzieningen, uitrusting, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen schoon te houden en indien nodig na het schoonmaken op passende wijze te ontsmetten;
b. zo nodig te zorgen voor hygiënische productie, vervoers- en opslagomstandigheden voor, en de reinheid van plantaardige producten;
c. voor zover mogelijk te voorkomen dat dieren en schadelijke organismen verontreiniging van producten veroorzaken;
d. afval, gevaarlijke stoffen en preparaten zo op te slaan en te hanteren dat verontreiniging van producten voorkomen wordt;
e. rekening te houden met voor de plantengezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters; en
f. gewasbeschermingsmiddelen [3 ...]3 correct toe te passen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.
4. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, moeten passende correctieve acties nemen wanneer zij in kennis worden gesteld van tijdens de officiële controles vastgestelde problemen.
II. HET BIJHOUDEN VAN REGISTERS INZAKE PLANTENGEZONDHEID
1. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, moeten registers inzake maatregelen ter beheersing van gevaren voor de plantaardige producten gedurende ten minste vijf jaar bijhouden en bewaren. Zij moeten de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteit en van de ontvangende operatoren.
2. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten moeten in het bijzonder registers bijhouden over :
a) elke aanwezigheid van schadelijke organismen of ziekten die de gezondheid van producten van plantaardige oorsprong in het gedrang kunnen brengen; en
b) de resultaten van voor de plantengezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters.
[2 c) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig artikel 67, lid 1, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad.]2
3. Andere personen zoals agronomen en landbouwtechnici mogen de operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, bijstaan bij het bijhouden van de registers.]1
I. HYGIENEVOORSCHRIFTEN INZAKE PLANTENGEZONDHEID
1. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, zien er in de mate van het mogelijke op toe dat primaire plantaardige producten beschermd worden tegen verontreiniging met betrekking tot elke verdere verwerking van primaire plantaardige producten.
2. Onverminderd de in punt 1 bedoelde algemene verplichting, moeten operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, voldoen aan de toepasselijke communautaire en nationale wettelijke bepalingen die verband houden met de plantengezondheid.
3. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, nemen afdoende maatregelen om, indien van toepassing :
a. voorzieningen, uitrusting, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen schoon te houden en indien nodig na het schoonmaken op passende wijze te ontsmetten;
b. zo nodig te zorgen voor hygiënische productie, vervoers- en opslagomstandigheden voor, en de reinheid van plantaardige producten;
c. voor zover mogelijk te voorkomen dat dieren en schadelijke organismen verontreiniging van producten veroorzaken;
d. afval, gevaarlijke stoffen en preparaten zo op te slaan en te hanteren dat verontreiniging van producten voorkomen wordt;
e. rekening te houden met voor de plantengezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters; en
f. gewasbeschermingsmiddelen [3 ...]3 correct toe te passen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.
4. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, moeten passende correctieve acties nemen wanneer zij in kennis worden gesteld van tijdens de officiële controles vastgestelde problemen.
II. HET BIJHOUDEN VAN REGISTERS INZAKE PLANTENGEZONDHEID
1. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, moeten registers inzake maatregelen ter beheersing van gevaren voor de plantaardige producten gedurende ten minste vijf jaar bijhouden en bewaren. Zij moeten de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteit en van de ontvangende operatoren.
2. Operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten moeten in het bijzonder registers bijhouden over :
a) elke aanwezigheid van schadelijke organismen of ziekten die de gezondheid van producten van plantaardige oorsprong in het gedrang kunnen brengen; en
b) de resultaten van voor de plantengezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters.
[2 c) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig artikel 67, lid 1, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad.]2
3. Andere personen zoals agronomen en landbouwtechnici mogen de operatoren binnen de primaire productie die plantaardige producten produceren of oogsten, bijstaan bij het bijhouden van de registers.]1
Art. N4. [1 Annexe IV. - Prescriptions en matière de santé végétale
I. PRESCRIPTIONS D'HYGIENE EN MATIERE DE SANTE VEGETALE
1. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux veillent, dans la mesure du possible, à ce que les produits primaires végétaux soient protégés de toute contamination eu égard à toute transformation que les produits primaires végétaux subiront ultérieurement.
2. Sans préjudice de l'obligation générale visée au point 1, les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent satisfaire aux dispositions légales communautaires et nationales applicables liées à la santé végétale.
3. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux, prennent, le cas échéant, des mesures adéquates visant les objectifs suivants :
a. entretenir les équipements, le matériel, les récipients, les caisses, les véhicules et bateaux et, si nécessaire, désinfecter de manière appropriée après le nettoyage;
b. veiller, si nécessaire, au caractère hygiénique de la production, des conditions de transport et de stockage, et à la propreté des produits végétaux;
c. éviter autant que possible que des animaux et organismes nuisibles ne causent une pollution des produits;
d. stocker et manipuler les déchets, les substances et préparations dangereuses de sorte à éviter une pollution des produits;
e. tenir compte des analyses pertinentes pour la santé végétale d'échantillons pris sur les plantes ou d'autres échantillons; et
f. appliquer correctement les produits phytopharmaceutiques [3 ...]3 conformément à la législation applicable.
4. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent prendre des actions correctives adéquates lorsqu'ils sont informés de problèmes constatés pendant les contrôles officiels.
II. TENUE DE REGISTRES EN MATIERE DE SANTE VEGETALE
1. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent tenir et conserver des registres relatifs aux mesures visant la gestion des dangers pour les produits végétaux durant au moins cinq années. Ils doivent mettre les informations pertinentes de ces registres sur demande à la disposition des autorités compétentes et des opérateurs destinataires.
2. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent en particulier indiquer ce qui suit dans ces registres :
a. toute présence d'organismes nuisibles ou de maladies qui peuvent compromettre la santé de produits d'origine végétale; et
b. les résultats des analyses pertinentes pour la santé végétale d'échantillons pris sur les plantes ou d'autres échantillons.
[2 c) l'utilisation de pesticides conformément à l'article 67, alinéa 1er du Règlement (CE) N° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil.]2
3. D'autres personnes telles qu'agronomes et techniciens agricoles peuvent assister les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux lors de la tenue des registres.]1
I. PRESCRIPTIONS D'HYGIENE EN MATIERE DE SANTE VEGETALE
1. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux veillent, dans la mesure du possible, à ce que les produits primaires végétaux soient protégés de toute contamination eu égard à toute transformation que les produits primaires végétaux subiront ultérieurement.
2. Sans préjudice de l'obligation générale visée au point 1, les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent satisfaire aux dispositions légales communautaires et nationales applicables liées à la santé végétale.
3. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux, prennent, le cas échéant, des mesures adéquates visant les objectifs suivants :
a. entretenir les équipements, le matériel, les récipients, les caisses, les véhicules et bateaux et, si nécessaire, désinfecter de manière appropriée après le nettoyage;
b. veiller, si nécessaire, au caractère hygiénique de la production, des conditions de transport et de stockage, et à la propreté des produits végétaux;
c. éviter autant que possible que des animaux et organismes nuisibles ne causent une pollution des produits;
d. stocker et manipuler les déchets, les substances et préparations dangereuses de sorte à éviter une pollution des produits;
e. tenir compte des analyses pertinentes pour la santé végétale d'échantillons pris sur les plantes ou d'autres échantillons; et
f. appliquer correctement les produits phytopharmaceutiques [3 ...]3 conformément à la législation applicable.
4. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent prendre des actions correctives adéquates lorsqu'ils sont informés de problèmes constatés pendant les contrôles officiels.
II. TENUE DE REGISTRES EN MATIERE DE SANTE VEGETALE
1. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent tenir et conserver des registres relatifs aux mesures visant la gestion des dangers pour les produits végétaux durant au moins cinq années. Ils doivent mettre les informations pertinentes de ces registres sur demande à la disposition des autorités compétentes et des opérateurs destinataires.
2. Les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux doivent en particulier indiquer ce qui suit dans ces registres :
a. toute présence d'organismes nuisibles ou de maladies qui peuvent compromettre la santé de produits d'origine végétale; et
b. les résultats des analyses pertinentes pour la santé végétale d'échantillons pris sur les plantes ou d'autres échantillons.
[2 c) l'utilisation de pesticides conformément à l'article 67, alinéa 1er du Règlement (CE) N° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil.]2
3. D'autres personnes telles qu'agronomes et techniciens agricoles peuvent assister les opérateurs de production primaire qui produisent ou récoltent des produits végétaux lors de la tenue des registres.]1