Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° wet : de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
2° Minister : de Minister die de tegemoetkomingen aan personen met een handicap onder zijn bevoegdheid heeft of zijn afgevaardigde;
3° tegemoetkomingen : de inkomensvervangende, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;
4° burgemeester : de burgemeester, of de door de burgemeester gemachtigde ambtenaar (...);
5° hoofdverblijfplaats : de hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen;
6° (Dienst : de Directie-generaal Personen met een handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;)
7° (...)
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
22 MEI 2003. - Koninklijk besluit betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij BWG2020-12-10/36, art. 4, 2°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2021)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-06-2003 en tekstbijwerking tot 22-01-2026)
Titre
22 MAI 2003. - Arrêté royal relatif à la procédure concernant le traitement des dossiers en matière des allocations aux personnes handicapées. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par ARW2020-12-10/36, art. 4, 2°, 015; En vigueur : 01-01-2021)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-06-2003 et mise à jour au 22-01-2026)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
INLEIDENDE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen inzake de to...
Afdeling 1. - De aanvraag.
Afdeling 2. - Het onderzoek van de aanvraag.
Afdeling 3. - De beslissingen.
HOOFDSTUK II. - De nieuwe beslissingen.
Afdeling 1. - De nieuwe aanvraag.
Afdeling 1bis. De aangifte.
Afdeling 2. - De intrekking van de beslissing.
Afdeling 3. - Het ambtshalve onderzoek.
HOOFDSTUK III. - Algemene bepalingen inzake de ...
Afdeling 1. - Betalingsmodaliteiten..
Afdeling 2. - De betaling van voorschotten.
Afdeling 3. - Betalingsvoorwaarden.
Afdeling 4. - De terugvordering van ten onrecht...
HOOFDSTUK IV. - De betaling van de vervallen en...
HOOFDSTUK V. - Opheffingsbepalingen.
Afdeling 1. - Opheffingen in het koninklijk bes...
Afdeling 2. - Opheffingen in het koninklijk bes...
HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding.
Table des matières
DISPOSITIONS INTRODUCTIVES.
CHAPITRE I. - Dispositions générales concernant...
Section 1. - La demande.
Section 2. - L'examen de la demande.
Section 3. - Les décisions.
CHAPITRE II. - Les nouvelles décisions.
Section 1. - La nouvelle demande.
Section 1rebis. La déclaration.
Section 2. - Le rapport de la décision.
Section 3. - L'examen d'office.
CHAPITRE III. - Dispositions générales concerna...
Section 1. - Modalités de paiement.
Section 2. - Le paiement d'avances.
Section 3. - Les conditions de paiement.
Section 4. - La récupération des allocations pe...
CHAPITRE IV. - Le paiement des allocations échu...
CHAPITRE V. - Dispositions abrogatoires.
Section 1. - Abrogations dans l'arrêté du 6 jui...
Section 2. - Abrogations dans l'arrêté royal du...
CHAPITRE VI. - Entrée en vigueur.
Tekst (66)
Texte (66)
INLEIDENDE BEPALINGEN.
DISPOSITIONS INTRODUCTIVES.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° loi : la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
2° Ministre : le Ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions ou son délégué;
3° allocations : l'allocation de remplacement de revenus, l'allocation d'intégration et l'allocation pour l'aide aux personnes âgées;
4° bourgmestre : le bourgmestre, ou le fonctionnaire (...) délégué par le bourgmestre;
5° résidence principale : la résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
6° (Service : la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale;)
7° (...)
1° loi : la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
2° Ministre : le Ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions ou son délégué;
3° allocations : l'allocation de remplacement de revenus, l'allocation d'intégration et l'allocation pour l'aide aux personnes âgées;
4° bourgmestre : le bourgmestre, ou le fonctionnaire (...) délégué par le bourgmestre;
5° résidence principale : la résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
6° (Service : la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale;)
7° (...)
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde wordt onder dienstige inlichtingen verstaan, alle inlichtingen die de persoon met een handicap op het gebied waarop zijn aanvraag tot tegemoetkoming betrekking heeft, duidelijkheid verschaffen over zijn persoonlijke toestand.
Deze inlichtingen worden verstrekt op basis van de wetgeving en jurisprudentie die toepasselijk zijn op de datum van het verzoek tot inlichtingen.
De in het eerste lid bedoelde inlichtingen betreffen :
1° de voorwaarden voor de opening van het recht op een tegemoetkoming;
2° het bedrag van de tegemoetkoming alsook de elementen die in aanmerking werden genomen om dit bedrag vast te stellen.
§ 2. De in artikel 3, vierde lid, van dezelfde wet bepaalde termijn van 45 dagen gaat in op de datum van ontvangst van het verzoek tot inlichtingen bij de dienst.
Deze inlichtingen worden verstrekt op basis van de wetgeving en jurisprudentie die toepasselijk zijn op de datum van het verzoek tot inlichtingen.
De in het eerste lid bedoelde inlichtingen betreffen :
1° de voorwaarden voor de opening van het recht op een tegemoetkoming;
2° het bedrag van de tegemoetkoming alsook de elementen die in aanmerking werden genomen om dit bedrag vast te stellen.
§ 2. De in artikel 3, vierde lid, van dezelfde wet bepaalde termijn van 45 dagen gaat in op de datum van ontvangst van het verzoek tot inlichtingen bij de dienst.
Art. 2. § 1er. Pour l'application de l'article 3, alinéa 1er, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social il y a lieu d'entendre par information utile tous les renseignements qui, dans le domaine concerné par sa demande d'allocation, éclairent la situation personnelle de la personne handicapée.
Ces renseignements sont établis sur base de la législation et de la jurisprudence applicables à la date de la demande de renseignements.
Les renseignements visés à l'alinéa 1er portent sur :
1° les conditions d'ouverture du droit à une allocation;
2° le montant de l'allocation ainsi que les éléments pris en considération pour l'établissement de ce montant.
§ 2. Le délai de 45 jours prévu à l'article 3, alinéa 4, de la même loi prend cours à la date de la réception de la demande de renseignements par le service.
Ces renseignements sont établis sur base de la législation et de la jurisprudence applicables à la date de la demande de renseignements.
Les renseignements visés à l'alinéa 1er portent sur :
1° les conditions d'ouverture du droit à une allocation;
2° le montant de l'allocation ainsi que les éléments pris en considération pour l'établissement de ce montant.
§ 2. Le délai de 45 jours prévu à l'article 3, alinéa 4, de la même loi prend cours à la date de la réception de la demande de renseignements par le service.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen inzake de toekenning van de tegemoetkomingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales concernant l'octroi des allocations.
Afdeling 1. - De aanvraag.
Section 1. - La demande.
Art. 3. De aanvraag tot tegemoetkoming wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de persoon met een handicap zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De burgemeester kan een ambtenaar (...) aanstellen aan wie hij de machtiging verleent om deze aanvraag in ontvangst te nemen.
[1 De aanvraag tot tegemoetkoming mag eveneens worden ingediend bij het ziekenfonds waarbij de aanvrager is aangesloten.]1
Het toezenden van de stukken aan de persoon met een handicap gebeurt op zijn hoofdverblijfplaats.
Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op [1 ...]1 verzoek dat aan de Dienst gericht wordt door de gerechtigde of één van de personen bedoeld in artikel 24, § 3, eerste lid.
De burgemeester kan een ambtenaar (...) aanstellen aan wie hij de machtiging verleent om deze aanvraag in ontvangst te nemen.
[1 De aanvraag tot tegemoetkoming mag eveneens worden ingediend bij het ziekenfonds waarbij de aanvrager is aangesloten.]1
Het toezenden van de stukken aan de persoon met een handicap gebeurt op zijn hoofdverblijfplaats.
Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op [1 ...]1 verzoek dat aan de Dienst gericht wordt door de gerechtigde of één van de personen bedoeld in artikel 24, § 3, eerste lid.
Modifications
Art. 3. La demande est introduite auprès du bourgmestre de la commune où la personne handicapée a sa résidence principale.
Le bourgmestre peut désigner un fonctionnaire (...), qu'il autorise à recevoir cette demande.
[1 La demande d'allocation peut également être introduite auprès de la mutualité à laquelle le demandeur est affilié.]1
L'envoi de documents à la personne handicapée se fait à sa résidence principale.
Toutefois, il peut être dérogé à cette obligation sur demande [1 ...]1 adressée au service par le bénéficiaire ou par une des personnes visées à l'article 24, § 3, alinéa 1er.
Le bourgmestre peut désigner un fonctionnaire (...), qu'il autorise à recevoir cette demande.
[1 La demande d'allocation peut également être introduite auprès de la mutualité à laquelle le demandeur est affilié.]1
L'envoi de documents à la personne handicapée se fait à sa résidence principale.
Toutefois, il peut être dérogé à cette obligation sur demande [1 ...]1 adressée au service par le bénéficiaire ou par une des personnes visées à l'article 24, § 3, alinéa 1er.
Modifications
Art.3/1.[1 In afwijking van artikel 3 wordt de persoon die tot de leeftijd van [2 achttien]2 jaar recht heeft op de zorgtoeslag bedoeld in artikel 16 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of op een bijslag voor kinderen met een beperking bedoeld in de artikelen 21 en 22 in het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 betreffende de gezinsbijslagen of op de maandelijkse toeslag ten gunste van de rechtgevende kinderen met een handicap bedoeld in artikel 16 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen (de verhoging van de kinderbijslag), of op de toeslag op basis van de zelfredzaamheidsgraad van het kind of de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind bedoeld in artikel 12 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, geacht op de leeftijd van [2 achttien]2 jaar een aanvraag om tegemoetkoming te hebben ingediend.
Hiertoe brengt de Dienst in voorkomend geval de persoon schriftelijk op de hoogte dat het onderzoek naar het recht op een tegemoetkoming wordt opgestart. De Dienst nodigt de persoon uit om aanvullende inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor het onderzoek van de aanvraag.
De persoon heeft het recht om met een schriftelijk antwoord af te zien van het opstarten van het onderzoek.]1
Hiertoe brengt de Dienst in voorkomend geval de persoon schriftelijk op de hoogte dat het onderzoek naar het recht op een tegemoetkoming wordt opgestart. De Dienst nodigt de persoon uit om aanvullende inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor het onderzoek van de aanvraag.
De persoon heeft het recht om met een schriftelijk antwoord af te zien van het opstarten van het onderzoek.]1
Art. 3/1. [1 Par dérogation à l'article 3, la personne ayant droit, jusqu'à l'âge de [2 dix-huit]2 ans, à l'allocation de soins visée à l'article 16 du décret de la Communauté flamande du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, ou à un supplément pour enfants handicapés visé aux articles 21 et 22 du décret de la Communauté germanophone du 23 avril 2018 relatif aux prestations familiales, ou au supplément mensuel en faveur des enfants bénéficiaires atteints d'un handicap visé à l'article 16 du décret de la Région wallonne du 8 février 2018 relatif à la gestion et au paiement des prestations familiales (l'augmentation des allocations familiales), ou au supplément dû en fonction du degré d'autonomie de l'enfant ou de la gravité des conséquences de l'affection présentée par l'enfant visé à l'article 12 de l'ordonnance de la Commission communautaire commune du 25 avril 2019 réglant l'octroi des prestations familiales, est réputée avoir introduit une demande d'allocation à l'âge de [2 dix-huit]2 ans.
Le cas échéant, le Service l'informe par écrit de l'ouverture de l'examen du droit à une allocation. Le Service l'invite à fournir les informations complémentaires qui sont nécessaires à l'examen de sa demande.
La personne a le droit de renoncer à l'ouverture de cet examen en répondant par écrit au courrier adressé par le Service.]1
Le cas échéant, le Service l'informe par écrit de l'ouverture de l'examen du droit à une allocation. Le Service l'invite à fournir les informations complémentaires qui sont nécessaires à l'examen de sa demande.
La personne a le droit de renoncer à l'ouverture de cet examen en répondant par écrit au courrier adressé par le Service.]1
Art. 4. De aanvraag mag ten vroegste worden ingediend de eerste dag van de twaalfde maand voor deze tijdens welke de aanvrager de leeftijd van [1 18]1 jaar bereikt of, vóór de leeftijd van [1 18]1 jaar, vanaf de dag waarop hij huwt of een kind ten laste heeft of voldoet aan de in artikel 3, laatste lid, van de wet bedoelde voorwaarde.
Modifications
Art. 4. La demande peut être introduite au plus tôt le premier jour du douzième mois précédant celui au cours duquel le demandeur atteint l'âge de [1 18]1 ans ou, avant l'âge de [1 18]1 ans, à partir du jour où il se marie ou a un enfant à charge ou répond à la condition visée à l'article 3, alinéa dernier, de la loi.
Modifications
Art. 5. [1 De aanvrager moet zich persoonlijk bij de burgemeester of het ziekenfonds aanmelden en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart.
Hij kan zich evenwel laten vertegenwoordigen door een derde aan wie hij een speciale lastgeving verleent. Deze moet meerderjarig zijn en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart, de identiteitskaart van de aanvrager en een volmacht.]1
Hij kan zich evenwel laten vertegenwoordigen door een derde aan wie hij een speciale lastgeving verleent. Deze moet meerderjarig zijn en in het bezit zijn van zijn identiteitskaart, de identiteitskaart van de aanvrager en een volmacht.]1
Modifications
Art. 5. [1 Le demandeur doit se présenter personnellement auprès du bourgmestre ou de la mutualité et être en possession de sa carte d'identité.
Il peut toutefois se faire représenter par un tiers qu'il charge d'un mandat spécial. Ce tiers doit être majeur et être en possession de sa propre carte d'identité, de la carte d'identité du demandeur et d'une procuration.]1
Il peut toutefois se faire représenter par un tiers qu'il charge d'un mandat spécial. Ce tiers doit être majeur et être en possession de sa propre carte d'identité, de la carte d'identité du demandeur et d'une procuration.]1
Modifications
Art. 5bis.
Art. 5bis.
Art. 6. [1 § 1. De burgemeester of het ziekenfonds dient de aanvraag tot tegemoetkoming in door middel van een elektronische toepassing door de Dienst ter beschikking gesteld.
§ 2. De burgemeester of het ziekenfonds geeft aan de aanvrager een ontvangstbewijs en de inlichtingenformulieren.
§ 3. In geen enkel geval mag de burgemeester de indiening van een aanvraag weigeren.]1
§ 2. De burgemeester of het ziekenfonds geeft aan de aanvrager een ontvangstbewijs en de inlichtingenformulieren.
§ 3. In geen enkel geval mag de burgemeester de indiening van een aanvraag weigeren.]1
Modifications
Art. 6. [1 § 1er. Le bourgmestre ou la mutualité introduit la demande d'allocation au moyen de l'application électronique mise à disposition par le Service.
§ 2. Le bourgmestre ou la mutualité remet au demandeur un accusé de réception et les formulaires de renseignements.
§ 3. Le bourgmestre ne peut, en aucun cas, refuser l'introduction d'une demande.]1
§ 2. Le bourgmestre ou la mutualité remet au demandeur un accusé de réception et les formulaires de renseignements.
§ 3. Le bourgmestre ne peut, en aucun cas, refuser l'introduction d'une demande.]1
Modifications
Art. 7. (Opgeheven)
Art. 7. (Abrogé)
Art. 7bis.
Art. 7bis.
Art. 8. Wanneer de aanvraag rechtstreeks ingediend wordt bij de Dienst, stelt deze de betrokkene schriftelijk in kennis van de ter zake te vervullen formaliteiten.
In dit geval en op voorwaarde dat de betrokkene binnen 3 maanden na de verzendingsdatum van de brief van de Dienst een aanvraag indient bij het gemeentebestuur, wordt als datum van indiening van de aanvraag beschouwd :
1° de datum van de aangetekende zending, indien de betrokkene zijn brief bij aangetekend schrijven gericht heeft aan de Dienst;
2° de datum van ontvangst van de brief bij de Dienst indien de betrokkene zijn brief bij gewone post verstuurd heeft.
In dit geval en op voorwaarde dat de betrokkene binnen 3 maanden na de verzendingsdatum van de brief van de Dienst een aanvraag indient bij het gemeentebestuur, wordt als datum van indiening van de aanvraag beschouwd :
1° de datum van de aangetekende zending, indien de betrokkene zijn brief bij aangetekend schrijven gericht heeft aan de Dienst;
2° de datum van ontvangst van de brief bij de Dienst indien de betrokkene zijn brief bij gewone post verstuurd heeft.
Art. 8. Lorsque la demande est introduite directement auprès du Service, celui-ci informe l'intéressé par écrit des formalités à remplir en la matière.
Dans ce cas, et à condition que l'intéressé introduise dans les 3 mois de la date d'envoi de la lettre du Service une demande auprès de l'administration communale, est considérée comme date d'introduction de la demande :
1° la date de l'envoi recommandé, si l'intéressé a envoyé sa lettre sous pli recommandé au Service;
2° la date de réception de la lettre par le Service, si l'intéressé a envoyé sa lettre par courrier ordinaire.
Dans ce cas, et à condition que l'intéressé introduise dans les 3 mois de la date d'envoi de la lettre du Service une demande auprès de l'administration communale, est considérée comme date d'introduction de la demande :
1° la date de l'envoi recommandé, si l'intéressé a envoyé sa lettre sous pli recommandé au Service;
2° la date de réception de la lettre par le Service, si l'intéressé a envoyé sa lettre par courrier ordinaire.
Afdeling 2. - Het onderzoek van de aanvraag.
Section 2. - L'examen de la demande.
Art. 9. § 1. De Dienst is verplicht zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen te richten om de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen te verkrijgen of wanneer hij de juistheid van deze informatiegegevens nagaat.
Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan in de mate waarin de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister verkregen kunnen worden.
§ 2. De informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen en opgetekend op een identificatiefiche toegevoegd aan het dossier, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Deze fiche mag gedateerd en ondertekend worden om de herkomst van deze gegevens en de datum van hun bewijskracht te waarmerken. In dit geval wijst de Minister de personeelsleden aan die gemachtigd zijn tot het aanbrengen van deze waarmerking.
Wanneer het bewijs van het tegendeel aanvaard wordt door de Dienst, deelt deze de inhoud van het aldus aangevraagde informatiegegeven, ten titel van inlichting, mee aan het Rijksregister van de natuurlijke personen en voegt er de bewijsstukken bij.
Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan in de mate waarin de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister verkregen kunnen worden.
§ 2. De informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen en opgetekend op een identificatiefiche toegevoegd aan het dossier, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Deze fiche mag gedateerd en ondertekend worden om de herkomst van deze gegevens en de datum van hun bewijskracht te waarmerken. In dit geval wijst de Minister de personeelsleden aan die gemachtigd zijn tot het aanbrengen van deze waarmerking.
Wanneer het bewijs van het tegendeel aanvaard wordt door de Dienst, deelt deze de inhoud van het aldus aangevraagde informatiegegeven, ten titel van inlichting, mee aan het Rijksregister van de natuurlijke personen en voegt er de bewijsstukken bij.
Art. 9. § 1er. Le Service est tenu de s'adresser au Registre national des personnes physiques pour obtenir les informations visées à l'article 3, alinéas 1er et 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou lorsqu'il vérifie l'exactitude de ces informations.
Le recours à une autre source n'est autorisé que dans la mesure où les informations nécessaires ne peuvent pas être obtenues auprès du Registre national.
§ 2. Les informations obtenues auprès du Registre national des personnes physiques et consignées sur une fiche d'identification versée au dossier font foi jusqu'à preuve du contraire.
Cette fiche peut être datée et signée pour certifier cette origine des informations et la date à laquelle elles font foi. Dans ce cas, le Ministre désigne les agents autorisés à procéder à cette certification.
Lorsque la preuve du contraire est acceptée par le Service, celui-ci communique le contenu de l'information ainsi acceptée, à titre de renseignement, au Registre national des personnes physiques en y joignant les documents justificatifs.
Le recours à une autre source n'est autorisé que dans la mesure où les informations nécessaires ne peuvent pas être obtenues auprès du Registre national.
§ 2. Les informations obtenues auprès du Registre national des personnes physiques et consignées sur une fiche d'identification versée au dossier font foi jusqu'à preuve du contraire.
Cette fiche peut être datée et signée pour certifier cette origine des informations et la date à laquelle elles font foi. Dans ce cas, le Ministre désigne les agents autorisés à procéder à cette certification.
Lorsque la preuve du contraire est acceptée par le Service, celui-ci communique le contenu de l'information ainsi acceptée, à titre de renseignement, au Registre national des personnes physiques en y joignant les documents justificatifs.
Art. 10. § 1. De Dienst onderzoekt de aanvraag, op basis van de inlichtingen die door de persoon met een handicap worden verstrekt en de inlichtingen die hij rechtstreeks inzamelt bij de instantie of de persoon die over de inlichtingen beschikt.
De inlichtingen, bescheiden en bewijsstukken die de aanvrager verstrekt, worden voor waar aangenomen, onverminderd de controlebevoegdheid die de Dienst heeft.
§ 2. De vermindering van het verdienvermogen of het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid wordt vastgesteld door een daartoe aangeduide arts of een multidisciplinair team onder toezicht van de Dienst.
Indien nodig worden aan de persoon met een handicap of aan de persoon die de persoon met een handicap daartoe gemachtigd heeft, bijkomende inlichtingen gevraagd.
Indien de bijkomende inlichtingen niet binnen de maand worden verstrekt, wordt de persoon met een handicap hiervan in kennis gesteld.
Indien nodig wordt de persoon met een handicap opgeroepen voor een onderzoek.
Indien de persoon met een handicap in de onmoegelijkheid verkeert zich te verplaatsen, wordt het onderzoek ter plaatse verricht.
Het onderzoek is onderworpen aan de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, wat onder meer inhoudt dat de persoon met een handicap het recht heeft om zich te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.
Indien de persoon met een handicap nalaat om zich voor het onderzoek aan te melden, ontvangt hij een tweede oproeping.
Indien de persoon met een handicap, ondanks de tweede oproeping, nalaat zich voor het onderzoek aan te melden, of indien de bijkomende inlichtingen na het verstrijken van een maand volgend op de kennisgeving bedoeld in het derde lid, nog ontbreken, wordt een beslissing getroffen op grond van de elementen waarover beschikt wordt.
§ 3. Voor het administratief onderzoek verzamelt de Dienst onder meer rechtstreeks bij de instantie die over de inlichtingen beschikt, volgende gegevens :
1° de wettelijke identificatiegegevens opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de belastbare inkomsten van het jaar -2, zoals bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming;
3° de aanvang van een beroepsactiviteit als werknemer;
4° het beroepsinkomen, zoals bedoeld in artikel 8ter, eerste lid, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 6 juli 1987 en artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;
5° de inkomsten voortvloeind uit de toepassing van de wetgeving met betrekking tot de oorlogsslachtoffers.
[1 6° de onroerende goederen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.]1
Indien de Dienst genoodzaakt is om bijkomende inlichtingen in te winnen bij de aanvrager, is de aanvrager ertoe gehouden om die bijkomende inlichtingen te verstrekken binnen de maand.
Indien de bijkomende inlichtingen niet binnen de maand worden verstrekt, ontvangt de aanvrager van de Dienst een bericht met het verzoek om die bijkomende inlichtingen alsnog te verstrekken.
Indien de aanvrager, ondanks het bericht bedoeld in het vorig lid, gedurende meer dan een maand nalaat de gevraagde inlichtingen te verschaffen, beslist de Dienst op grond van de elementen waarover hij beschikt.
De inlichtingen, bescheiden en bewijsstukken die de aanvrager verstrekt, worden voor waar aangenomen, onverminderd de controlebevoegdheid die de Dienst heeft.
§ 2. De vermindering van het verdienvermogen of het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid wordt vastgesteld door een daartoe aangeduide arts of een multidisciplinair team onder toezicht van de Dienst.
Indien nodig worden aan de persoon met een handicap of aan de persoon die de persoon met een handicap daartoe gemachtigd heeft, bijkomende inlichtingen gevraagd.
Indien de bijkomende inlichtingen niet binnen de maand worden verstrekt, wordt de persoon met een handicap hiervan in kennis gesteld.
Indien nodig wordt de persoon met een handicap opgeroepen voor een onderzoek.
Indien de persoon met een handicap in de onmoegelijkheid verkeert zich te verplaatsen, wordt het onderzoek ter plaatse verricht.
Het onderzoek is onderworpen aan de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, wat onder meer inhoudt dat de persoon met een handicap het recht heeft om zich te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.
Indien de persoon met een handicap nalaat om zich voor het onderzoek aan te melden, ontvangt hij een tweede oproeping.
Indien de persoon met een handicap, ondanks de tweede oproeping, nalaat zich voor het onderzoek aan te melden, of indien de bijkomende inlichtingen na het verstrijken van een maand volgend op de kennisgeving bedoeld in het derde lid, nog ontbreken, wordt een beslissing getroffen op grond van de elementen waarover beschikt wordt.
§ 3. Voor het administratief onderzoek verzamelt de Dienst onder meer rechtstreeks bij de instantie die over de inlichtingen beschikt, volgende gegevens :
1° de wettelijke identificatiegegevens opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de belastbare inkomsten van het jaar -2, zoals bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming;
3° de aanvang van een beroepsactiviteit als werknemer;
4° het beroepsinkomen, zoals bedoeld in artikel 8ter, eerste lid, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 6 juli 1987 en artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;
5° de inkomsten voortvloeind uit de toepassing van de wetgeving met betrekking tot de oorlogsslachtoffers.
[1 6° de onroerende goederen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.]1
Indien de Dienst genoodzaakt is om bijkomende inlichtingen in te winnen bij de aanvrager, is de aanvrager ertoe gehouden om die bijkomende inlichtingen te verstrekken binnen de maand.
Indien de bijkomende inlichtingen niet binnen de maand worden verstrekt, ontvangt de aanvrager van de Dienst een bericht met het verzoek om die bijkomende inlichtingen alsnog te verstrekken.
Indien de aanvrager, ondanks het bericht bedoeld in het vorig lid, gedurende meer dan een maand nalaat de gevraagde inlichtingen te verschaffen, beslist de Dienst op grond van de elementen waarover hij beschikt.
Modifications
Art. 10. Le Service examine la demande, sur la base des renseignements fournis par la personne handicapée et des renseignements qu'il recueille directement auprès de l'instance ou de la personne qui dispose des informations.
Les renseignements, documents et pièces justificatives sont considérés comme authentiques, indépendamment de la compétence de contrôle du Service.
§ 2. La réduction de la capacité de gain ou le manque ou la diminution d'autonomie est constaté(e) par un médecin désigné ou par un team multidisciplinaire sous le contrôle du Service.
Si nécessaire, des renseignements complémentaires sont demandés à la personne handicapée ou à la personne que la personne handicapée a habilitée à cet effet.
Si les renseignements complémentaires ne sont pas fournis dans le mois, la personne handicapée en est informée.
Si nécessaire, la personne handicapée est convoquée pour un examen.
Si la personne handicapée se trouve dans l'impossibilité de se déplacer, l'examen est effectué sur place.
L'examen est soumis à la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient, ce qui implique entre autres que la personne handicapée a le droit de se faire assister par une personne de confiance.
Si la personne handicapée omet de se présenter à l'examen, elle reçoit une deuxième convocation.
Si la personne handicapée, malgré la deuxième convocation, omet de se présenter à l'examen, ou si les renseignements complémentaires font encore défaut après expiration d'un délai d'un mois suivant la notification, une décision est prise sur la base des éléments disponibles.
§ 3. En vue de l'examen administratif, le Service recueille directement auprès de l'instance qui dispose des renseignements entre autres les données suivantes :
1° les données d'identification légales contenues dans le Registre national des personnes physiques;
2° les revenus imposables de l'année -2, visés à l'article 8 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration;
3° le début d'une activité professionnelle de travailleur salarié;
4° le revenu professionnel, visé à l'article 8ter, alinéa 1er, 1° de l'arrêté royal précité du 6 juillet 1987 et à l'article 7 de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées;
5° les revenus résultant de l'application de la législation en matière de victimes de la guerre.
[1 6° les biens immobiliers, visés dans l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées.]1
Si le Service est obligé de recueillir des renseignements complémentaires auprès du demandeur, le demandeur est tenu de fournir ces renseignements complémentaires dans le mois.
Si les renseignements complémentaires ne sont pas fournis dans le mois, le demandeur reçoit du Service une communication par laquelle il est à nouveau invité à fournir les renseignements complémentaires.
Si le demandeur, malgré la communication visée à l'alinéa précédent, omet de fournir les renseignements demandés pendant plus d'un mois, le Service prend une décision sur la base des éléments dont il dispose.
Les renseignements, documents et pièces justificatives sont considérés comme authentiques, indépendamment de la compétence de contrôle du Service.
§ 2. La réduction de la capacité de gain ou le manque ou la diminution d'autonomie est constaté(e) par un médecin désigné ou par un team multidisciplinaire sous le contrôle du Service.
Si nécessaire, des renseignements complémentaires sont demandés à la personne handicapée ou à la personne que la personne handicapée a habilitée à cet effet.
Si les renseignements complémentaires ne sont pas fournis dans le mois, la personne handicapée en est informée.
Si nécessaire, la personne handicapée est convoquée pour un examen.
Si la personne handicapée se trouve dans l'impossibilité de se déplacer, l'examen est effectué sur place.
L'examen est soumis à la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient, ce qui implique entre autres que la personne handicapée a le droit de se faire assister par une personne de confiance.
Si la personne handicapée omet de se présenter à l'examen, elle reçoit une deuxième convocation.
Si la personne handicapée, malgré la deuxième convocation, omet de se présenter à l'examen, ou si les renseignements complémentaires font encore défaut après expiration d'un délai d'un mois suivant la notification, une décision est prise sur la base des éléments disponibles.
§ 3. En vue de l'examen administratif, le Service recueille directement auprès de l'instance qui dispose des renseignements entre autres les données suivantes :
1° les données d'identification légales contenues dans le Registre national des personnes physiques;
2° les revenus imposables de l'année -2, visés à l'article 8 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration;
3° le début d'une activité professionnelle de travailleur salarié;
4° le revenu professionnel, visé à l'article 8ter, alinéa 1er, 1° de l'arrêté royal précité du 6 juillet 1987 et à l'article 7 de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées;
5° les revenus résultant de l'application de la législation en matière de victimes de la guerre.
[1 6° les biens immobiliers, visés dans l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées.]1
Si le Service est obligé de recueillir des renseignements complémentaires auprès du demandeur, le demandeur est tenu de fournir ces renseignements complémentaires dans le mois.
Si les renseignements complémentaires ne sont pas fournis dans le mois, le demandeur reçoit du Service une communication par laquelle il est à nouveau invité à fournir les renseignements complémentaires.
Si le demandeur, malgré la communication visée à l'alinéa précédent, omet de fournir les renseignements demandés pendant plus d'un mois, le Service prend une décision sur la base des éléments dont il dispose.
Modifications
Art. 11. De tegemoetkomingen mogen zonder nader onderzoek geweigerd worden als voldoende elementen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de aanvrager niet de voorwaarden vervult om de tegemoetkomingen te verkrijgen.
Art. 11. Les allocations peuvent être refusées sans examen complémentaire si sur la base d'éléments suffisants, il apparaît que le demandeur ne remplit pas les conditions pour obtenir les allocations.
Art. 12. (Opgeheven)
Art 12. (Abrogé)
Art. 13. § 1. De termijn tussen de datum van ontvangst van de aanvraag of de datum van de kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve onderzoek en de eerste dag van de maand waarin de betaling van de eerste maandelijkse termijn van de tegemoetkoming wordt verricht, mag niet hoger zijn dan [1 het aantal maanden vermeld in artikel 8bis, 3°, van de wet]1.
Indien de Dienst geen beslissing kan nemen binnen de gestelde termijn [1 ...]1, deelt hij dit schriftelijk mee aan de betrokkene.
Indien de tussenkomst van een andere instelling van sociale zekerheid vereist is om een beslissing te kunnen nemen, wordt deze instelling door de Dienst ondervraagd.
§ 2. De termijn [1 ...]1 bedoeld in § 1 wordt geschorst zolang de betrokkene of een buitenlandse instelling de door de Dienst gevraagde inlichtingen, noodzakelijk voor het nemen van een beslissing, niet volledig verstrekt heeft.
Het opvragen van het [van bijkomende inlichtingen, zoals bedoeld in artikel 10, § 2, tweede lid] aan de betrokkene schorst de termijn evenwel niet, op voorwaarde dat de betrokkene de gevraagde gegevens aan de Dienst bezorgt binnen de maand [...] na de toezending ervan door de Dienst.
§ 3. De tegemoetkomingen brengen van rechtswege verwijlintresten op vanaf hun eisbaarheid maar ten vroegste vanaf het verstrijken van de termijn [1 ...]1 bedoeld in § 1.
[Deze intresten worden tegen de wettelijke voet berekend. Zij hebben betrekking op de maandelijkse termijnen alsmede op de eventuele achterstallige bedragen.]
[Onder achterstallige bedragen wordt verstaan : de bedragen die aan de persoon met een handicap maandelijks hadden betaald moeten worden na het verstrijken van de termijn van acht maanden bedoeld in § 1.]
§ 4. Er worden geen verwijlintresten betaald zoals bedoeld in dit artikel voor de periode waarvoor gerechtelijke intresten moeten betaald worden.
Indien de Dienst geen beslissing kan nemen binnen de gestelde termijn [1 ...]1, deelt hij dit schriftelijk mee aan de betrokkene.
Indien de tussenkomst van een andere instelling van sociale zekerheid vereist is om een beslissing te kunnen nemen, wordt deze instelling door de Dienst ondervraagd.
§ 2. De termijn [1 ...]1 bedoeld in § 1 wordt geschorst zolang de betrokkene of een buitenlandse instelling de door de Dienst gevraagde inlichtingen, noodzakelijk voor het nemen van een beslissing, niet volledig verstrekt heeft.
Het opvragen van het [van bijkomende inlichtingen, zoals bedoeld in artikel 10, § 2, tweede lid] aan de betrokkene schorst de termijn evenwel niet, op voorwaarde dat de betrokkene de gevraagde gegevens aan de Dienst bezorgt binnen de maand [...] na de toezending ervan door de Dienst.
§ 3. De tegemoetkomingen brengen van rechtswege verwijlintresten op vanaf hun eisbaarheid maar ten vroegste vanaf het verstrijken van de termijn [1 ...]1 bedoeld in § 1.
[Deze intresten worden tegen de wettelijke voet berekend. Zij hebben betrekking op de maandelijkse termijnen alsmede op de eventuele achterstallige bedragen.]
[Onder achterstallige bedragen wordt verstaan : de bedragen die aan de persoon met een handicap maandelijks hadden betaald moeten worden na het verstrijken van de termijn van acht maanden bedoeld in § 1.]
§ 4. Er worden geen verwijlintresten betaald zoals bedoeld in dit artikel voor de periode waarvoor gerechtelijke intresten moeten betaald worden.
Modifications
Art. 13. § 1er. Le délai entre la date de réception de la demande ou la date de notification du fait qui donne lieu à la révision d'office et le premier jour du mois au cours duquel le paiement de la première mensualité de l'allocation est effectué, ne peut dépasser [1 le nombre de mois mentionné dans l'article 8bis, 3°, de la loi]1.
Si le Service ne peut prendre de décision pendant le délai fixé [1 ...]1, il en informe le demandeur par écrit.
Si la demande nécessite l'intervention d'une autre institution de sécurité sociale, cette institution est interrogée par le Service.
§ 2. Le délai [1 ...]1 visé à l'article 1er est suspendu tant que l'intéressé ou une institution étrangère n'ont pas fourni complètement au Service les renseignements demandés, nécessaires pour prendre une décision.
La demande [de renseignements complémentaires visés à l'article 10, § 2, alinéa 2] à l'intéressé ne suspend toutefois pas le délai, à condition que l'intéressé transmette les données demandées au Service dans le mois suivant [...] l'envoi de celui-ci par le Service.
§ 3. Les allocations produisent de plein droit des intérêts moratoires à partir de leur exigibilité mais au plus tôt à partir de l'expiration du délai [1 ...]1 visé au § 1er.
[Ces intérêts sont calculés au taux légal. Ils s'appliquent aux mensualités ainsi qu'aux arriérés éventuels.]
[On entend par arriérés : les sommes qui auraient dû être liquidées à la personne handicapée à titre de mensualités après l'expiration du délai de huit mois visé au § 1er.]
§ 4. Les intérêts moratoires visés à cet article ne sont pas payés pour la période pour laquelle des intérêts judiciaires doivent être payés.
Si le Service ne peut prendre de décision pendant le délai fixé [1 ...]1, il en informe le demandeur par écrit.
Si la demande nécessite l'intervention d'une autre institution de sécurité sociale, cette institution est interrogée par le Service.
§ 2. Le délai [1 ...]1 visé à l'article 1er est suspendu tant que l'intéressé ou une institution étrangère n'ont pas fourni complètement au Service les renseignements demandés, nécessaires pour prendre une décision.
La demande [de renseignements complémentaires visés à l'article 10, § 2, alinéa 2] à l'intéressé ne suspend toutefois pas le délai, à condition que l'intéressé transmette les données demandées au Service dans le mois suivant [...] l'envoi de celui-ci par le Service.
§ 3. Les allocations produisent de plein droit des intérêts moratoires à partir de leur exigibilité mais au plus tôt à partir de l'expiration du délai [1 ...]1 visé au § 1er.
[Ces intérêts sont calculés au taux légal. Ils s'appliquent aux mensualités ainsi qu'aux arriérés éventuels.]
[On entend par arriérés : les sommes qui auraient dû être liquidées à la personne handicapée à titre de mensualités après l'expiration du délai de huit mois visé au § 1er.]
§ 4. Les intérêts moratoires visés à cet article ne sont pas payés pour la période pour laquelle des intérêts judiciaires doivent être payés.
Modifications
Afdeling 3. - De beslissingen.
Section 3. - Les décisions.
Art. 14. [1 § 1.]1 Het recht op de tegemoetkoming gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die in de loop waarvan de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de wet en ten vroegste de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de indiening van de aanvraag.
Het recht op de tegemoetkoming gaat evenwel in op de eerste dag van de maand die volgt op die in de loop waarvan de aanvrager de leeftijd van [1 18]1 jaar bereikt, voor zover hij tot deze leeftijd de bijkomende gezinsbijslag voor kinderen met een handicap heeft genoten, dat hij aan de voorwaarden bepaald bij de wet voldoet, en dat de aanvraag ingediend wordt ten laatste zes maanden na de datum waarop de aanvrager de leeftijd van [1 21]1 jaar heeft bereikt.
[1 § 2. [2 In afwijking van paragraaf 1, voor personen die zich vanaf 1 januari 2025 tussen de leeftijd van 65 jaar en de wettelijke pensioenleeftijd bevinden, gaat het recht op de tegemoetkoming ten vroegste in op de eerste dag van de maand die volgt op de 65ste verjaardag indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de wet en de aanvraag uiterlijk op 31 maart 2026 ingediend wordt.]2]1
Het recht op de tegemoetkoming gaat evenwel in op de eerste dag van de maand die volgt op die in de loop waarvan de aanvrager de leeftijd van [1 18]1 jaar bereikt, voor zover hij tot deze leeftijd de bijkomende gezinsbijslag voor kinderen met een handicap heeft genoten, dat hij aan de voorwaarden bepaald bij de wet voldoet, en dat de aanvraag ingediend wordt ten laatste zes maanden na de datum waarop de aanvrager de leeftijd van [1 21]1 jaar heeft bereikt.
[1 § 2. [2 In afwijking van paragraaf 1, voor personen die zich vanaf 1 januari 2025 tussen de leeftijd van 65 jaar en de wettelijke pensioenleeftijd bevinden, gaat het recht op de tegemoetkoming ten vroegste in op de eerste dag van de maand die volgt op de 65ste verjaardag indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de wet en de aanvraag uiterlijk op 31 maart 2026 ingediend wordt.]2]1
Art. 14. [1 § 1er.]1 Le droit à l'allocation prend cours le premier jour du mois suivant celui durant lequel le demandeur remplit les conditions fixées par la loi et au plus tôt le premier jour du mois suivant la date d'introduction de la demande.
Le droit à l'allocation prend toutefois cours le premier jour du mois suivant celui durant lequel le demandeur atteint l'âge de [1 18]1 ans, pour autant qu'il ait bénéficié jusqu'à cet âge des prestations familiales supplémentaires pour enfants handicapés, qu'il remplisse les conditions fixées par la loi et que la demande soit introduite au plus tard six mois après la date à laquelle le demandeur a atteint l'âge de [1 18]1 ans.
[1 § 2. [2 Par dérogation au paragraphe 1er, en ce qui concerne les personnes qui ont entre 65 ans et l'âge légal de la pension à partir du 1er janvier 2025, le droit à l'allocation prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit le mois du 65e anniversaire si le demandeur remplit les conditions fixées par la loi et que la demande est introduite au plus tard le 31 mars 2026.]2]1
Le droit à l'allocation prend toutefois cours le premier jour du mois suivant celui durant lequel le demandeur atteint l'âge de [1 18]1 ans, pour autant qu'il ait bénéficié jusqu'à cet âge des prestations familiales supplémentaires pour enfants handicapés, qu'il remplisse les conditions fixées par la loi et que la demande soit introduite au plus tard six mois après la date à laquelle le demandeur a atteint l'âge de [1 18]1 ans.
[1 § 2. [2 Par dérogation au paragraphe 1er, en ce qui concerne les personnes qui ont entre 65 ans et l'âge légal de la pension à partir du 1er janvier 2025, le droit à l'allocation prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit le mois du 65e anniversaire si le demandeur remplit les conditions fixées par la loi et que la demande est introduite au plus tard le 31 mars 2026.]2]1
Art. 15. Wanneer de Dienst een beslissing ter kennis brengt na haar ingangsdatum, houdt hij van rechtswege rekening met de feiten die zich hebben voorgedaan en de elementen die werden voorgelegd tussen de ingangsdatum van de beslissing en de datum waarop ze ter kennis gebracht werd voor zover de Dienst vóór de datum van de kennisgeving van de beslissing in kennis gesteld werd van deze elementen en feiten.
Art. 15. Lorsque le Service notifie une décision après sa date de prise de cours, il tient compte de plein droit des faits survenus et des éléments présentés entre la date de prise de cours de la décision et la date de sa notification pour autant que ces faits et ces éléments étaient portés à la connaissance du service avant la date de la notification de la décision.
HOOFDSTUK II. - De nieuwe beslissingen.
CHAPITRE II. - Les nouvelles décisions.
Art. 16. [1 Wanneer de Dienst een nieuwe beslissing neemt die uitwerking heeft nadat de gerechtigde op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, is het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid die in aanmerking wordt genomen, deze die voor de laatste maal is vastgesteld vóór de wettelijke pensioenleeftijd.]1
Modifications
Art. 16. [1 Lorsque le Service prend une nouvelle décision produisant ses effets après que le bénéficiaire d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration ait atteint l'âge légal de la pension, la capacité de gain ou le degré d'autonomie pris en considération sont ceux qui ont été fixés pour la dernière fois avant l'âge légal de la pension.]1
Modifications
Afdeling 1. - De nieuwe aanvraag.
Section 1. - La nouvelle demande.
Art. 17. § 1. Een nieuwe aanvraag mag worden ingediend wanneer zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen die de toekenning of verhoging van de tegemoetkomingen rechtvaardigen.
De nieuwe aanvragen kunnen strekken tot herziening ofwel van de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, wegens een wijziging van zijn lichamelijke of psychische toestand, ofwel van het voldoen aan de andere toekenningsvoorwaarden.
Vanaf [1 het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd kan een nieuwe aanvraag voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden ingediend wanneer deze tegemoetkoming betaalbaar was op het moment dat de persoon met een handicap de wettelijke pensioenleeftijd bereikte]1 en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef.
§ 2. (...)
§ 3. De beslissing die ten gevolge van de nieuwe aanvraag genomen wordt, heeft uitwerking op de eerste van de maand die volgt op die tijdens welke de nieuwe aanvraag werd ingediend.
Zo (de nieuwe aanvraag) evenwel wordt ingediend binnen drie maanden volgend op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat de toekenning of de verhoging van de uitkering rechtvaardigt of de datum waarop de aanvrager hiervan kennis gekregen heeft, kan de nieuwe beslissing uitwerking hebben op de eerste van de maand die op eerstgenoemde datum volgt en ten vroegste op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing.
De nieuwe aanvragen kunnen strekken tot herziening ofwel van de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, wegens een wijziging van zijn lichamelijke of psychische toestand, ofwel van het voldoen aan de andere toekenningsvoorwaarden.
Vanaf [1 het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd kan een nieuwe aanvraag voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden ingediend wanneer deze tegemoetkoming betaalbaar was op het moment dat de persoon met een handicap de wettelijke pensioenleeftijd bereikte]1 en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef.
§ 2. (...)
§ 3. De beslissing die ten gevolge van de nieuwe aanvraag genomen wordt, heeft uitwerking op de eerste van de maand die volgt op die tijdens welke de nieuwe aanvraag werd ingediend.
Zo (de nieuwe aanvraag) evenwel wordt ingediend binnen drie maanden volgend op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat de toekenning of de verhoging van de uitkering rechtvaardigt of de datum waarop de aanvrager hiervan kennis gekregen heeft, kan de nieuwe beslissing uitwerking hebben op de eerste van de maand die op eerstgenoemde datum volgt en ten vroegste op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing.
Modifications
Art. 17. § 1er. Une nouvelle demande peut être introduite lorsque, selon le demandeur, des modifications sont intervenues qui justifient l'octroi ou l'augmentation des allocations.
Les nouvelles demandes peuvent tendre à une révision de l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie de la personne handicapée, en raison d'un changement de son état physique ou psychique, ou du fait de satisfaire aux autres conditions d'octroi.
Une nouvelle demande d'allocation de remplacement de revenus ou d'allocation d'intégration ne peut être introduite [1 par la personne handicapée ayant atteint l'âge légal de la pension que pour l'allocation qui lui était payable à cet âge]1 et pour autant qu'elle restait payable après cette date.
§ 2. (...)
§ 3. La décision prise suite à la nouvelle demande produit ses effets le premier jour du mois suivant celui au cours duquel la nouvelle demande a été introduite.
Toutefois, lorsque la nouvelle demande est introduite dans les trois mois suivant la date de survenance d'un fait justifiant l'octroi ou la majoration de l'allocation ou la date à laquelle le demandeur en a eu connaissance, la nouvelle décision peut produire ses effets le premier jour du mois suivant la date visée en premier lieu et au plus tôt au premier jour du mois suivant la même date que celle de la décision à modifier.
Les nouvelles demandes peuvent tendre à une révision de l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie de la personne handicapée, en raison d'un changement de son état physique ou psychique, ou du fait de satisfaire aux autres conditions d'octroi.
Une nouvelle demande d'allocation de remplacement de revenus ou d'allocation d'intégration ne peut être introduite [1 par la personne handicapée ayant atteint l'âge légal de la pension que pour l'allocation qui lui était payable à cet âge]1 et pour autant qu'elle restait payable après cette date.
§ 2. (...)
§ 3. La décision prise suite à la nouvelle demande produit ses effets le premier jour du mois suivant celui au cours duquel la nouvelle demande a été introduite.
Toutefois, lorsque la nouvelle demande est introduite dans les trois mois suivant la date de survenance d'un fait justifiant l'octroi ou la majoration de l'allocation ou la date à laquelle le demandeur en a eu connaissance, la nouvelle décision peut produire ses effets le premier jour du mois suivant la date visée en premier lieu et au plus tôt au premier jour du mois suivant la même date que celle de la décision à modifier.
Modifications
Art. 18. (Opgeheven)
Art. 18. (Abrogé)
Art. 19. (Opgeheven)
Art. 19. (Abrogé)
Art. 19bis. [1 De nieuwe aanvragen worden ingediend op de wijze zoals bepaald in de artikelen 3, 5, 6 en 8.]1
Modifications
Art. 19bis. [1 Les nouvelles demandes sont introduites de la manière prévue aux articles 3, 5, 6 et 8. ]1
Modifications
Art. 20. De nieuwe aanvraag wordt onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 9 tot 13.
Wanneer de nieuwe aanvraag geen betrekking heeft op de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid wordt niet tot een nieuw medisch onderzoek overgegaan.
Wanneer de nieuwe aanvraag geen betrekking heeft op de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid wordt niet tot een nieuw medisch onderzoek overgegaan.
Art. 20. La nouvelle demande est instruite conformément aux dispositions des articles 9 à 13.
Lorsque la nouvelle demande ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie, il n'est pas procédé à un nouvel examen médical.
Lorsque la nouvelle demande ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie, il n'est pas procédé à un nouvel examen médical.
Afdeling 1bis. De aangifte.
Section 1rebis. La déclaration.
Art. 20bis. § 1. De aangifte bedoeld in artikel 8ter van de wet wordt gedaan bij gewone brief gericht aan de Dienst. De aangever vermeldt hierin de nieuwe gegevens die tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming aanleiding zouden kunnen geven.
§ 2. De persoon met een handicap is evenwel niet verplicht de nieuwe gegevens mede te delen aan de Dienst, wanneer het gaat om wijzigingen van de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat deze wijziging meegedeeld werd aan het bevoegde gemeentebestuur.
§ 3. De persoon met een handicap is evenmin verplicht een nieuw gegeven mede te delen aan de Dienst indien het een gegeven betreft dat reeds werd meegedeeld aan een andere instelling van sociale zekerheid in het kader van de daar geldende reglementering en voorzover de Minister dat gegeven heeft opgenomen in een specifiek daartoe opgestelde lijst.
§ 2. De persoon met een handicap is evenwel niet verplicht de nieuwe gegevens mede te delen aan de Dienst, wanneer het gaat om wijzigingen van de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat deze wijziging meegedeeld werd aan het bevoegde gemeentebestuur.
§ 3. De persoon met een handicap is evenmin verplicht een nieuw gegeven mede te delen aan de Dienst indien het een gegeven betreft dat reeds werd meegedeeld aan een andere instelling van sociale zekerheid in het kader van de daar geldende reglementering en voorzover de Minister dat gegeven heeft opgenomen in een specifiek daartoe opgestelde lijst.
Art. 20bis. § 1er. La déclaration visée à l'article 8ter de la loi est faite par simple lettre adressée au Service. Le déclarant mentionne dans celle-ci les éléments nouveaux susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation.
§ 2. Toutefois, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service les éléments nouveaux lorsqu'il s'agit de modifications aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, pour autant qu'il ait signalé ces modifications à l'administration communale compétente.
§ 3. De même, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service un nouvel élément si cet élément a déjà été communiqué à une autre institution de sécurité sociale dans le cadre de la réglementation en vigueur et pour autant que le Ministre ait repris cet élément dans une liste rédigée à cet effet.
§ 2. Toutefois, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service les éléments nouveaux lorsqu'il s'agit de modifications aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, pour autant qu'il ait signalé ces modifications à l'administration communale compétente.
§ 3. De même, la personne handicapée est dispensée de communiquer au Service un nouvel élément si cet élément a déjà été communiqué à une autre institution de sécurité sociale dans le cadre de la réglementation en vigueur et pour autant que le Ministre ait repris cet élément dans une liste rédigée à cet effet.
Afdeling 2. - De intrekking van de beslissing.
Section 2. - Le rapport de la décision.
Art. 21. De Dienst kan zijn beslissing intrekken en een nieuwe beslissing nemen binnen de termijn voor het instellen van een beroep bij het bevoegde arbeidsgerecht of, indien het beroep reeds is ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten, wanneer :
1° op de datum waarop de tegemoetkoming is ingegaan, het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling is gewijzigd;
2° een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een weerslag heeft op de rechten van de verzoeker, tijdens het geding wordt ingeroepen;
3° vastgesteld wordt dat de administratieve beslissing aangetast is door een onregelmatigheid of een materiële vergissing.
1° op de datum waarop de tegemoetkoming is ingegaan, het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling is gewijzigd;
2° een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een weerslag heeft op de rechten van de verzoeker, tijdens het geding wordt ingeroepen;
3° vastgesteld wordt dat de administratieve beslissing aangetast is door een onregelmatigheid of een materiële vergissing.
Art. 21. Le Service peut rapporter sa décision et en prendre une nouvelle dans le délai d'introduction d'un recours devant la juridiction du travail compétente ou, si un recours a été introduit, jusqu'à la clôture des débats lorsque :
1° à la date de prise de cours de l'allocation, le droit a été modifié par une disposition légale ou réglementaire;
2° un fait nouveau ou des éléments de preuve nouveaux ayant une incidence sur les droits du demandeur sont invoqués en cours d'instance;
3° il est constaté que la décision administrative est entachée d'irrégularité ou d'erreur matérielle.
1° à la date de prise de cours de l'allocation, le droit a été modifié par une disposition légale ou réglementaire;
2° un fait nouveau ou des éléments de preuve nouveaux ayant une incidence sur les droits du demandeur sont invoqués en cours d'instance;
3° il est constaté que la décision administrative est entachée d'irrégularité ou d'erreur matérielle.
Afdeling 3. - Het ambtshalve onderzoek.
Section 3. - L'examen d'office.
Art. 22. Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de Dienst van ambtswege een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan.
Onverminderd de toepassing van artikel 21, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de Dienst te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan, als het recht op de tegemoetkoming kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht.
Onverminderd de toepassing van artikel 21, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de Dienst te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan, als het recht op de tegemoetkoming kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht.
Art. 22. Lorsqu'il est constaté que la décision est entachée d'une erreur de droit ou matérielle, le Service prend d'office une nouvelle décision produisant ses effets à la date à laquelle la décision rectifiée aurait dû prendre effet.
Sans préjudice de l'article 21, la nouvelle décision produit ses effets, en cas d'erreur due au Service, le premier jour du mois qui suit la notification, si le droit à l'allocation est inférieur à celui reconnu initialement.
Sans préjudice de l'article 21, la nouvelle décision produit ses effets, en cas d'erreur due au Service, le premier jour du mois qui suit la notification, si le droit à l'allocation est inférieur à celui reconnu initialement.
Art. 23. § 1. Er wordt ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming :
1° wanneer de gerechtigde niet meer beantwoordt aan de in artikel 4 van de wet bedoelde voorwaarden van nationaliteit of verblijf;
2° wanneer de gerechtigde een kind of geen kind meer ten laste heeft en dit feit een weerslag heeft op de categorie bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet;
3° wanneer de gerechtigde zich in één van de volgende situaties bevindt :
- wijziging van burgerlijke staat;
- wijziging in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen.
4° wanneer de gerechtigde de voorwaarden vervult opdat de betaling geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort of niet meer geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort in de zin van artikel 12 van de wet;
5° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
6° wanneer de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :
1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste (20 pct.) zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.
[2 ...]2
Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht (indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid) het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;
3° vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming werd toegekend. Deze herziening heeft nochtans geen betrekking op de beoordeling van het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid;
[2 4° op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de maand waarin de persoon met een handicap zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 9bis, § 1, 2°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, voor zover ze nog steeds de vrijstelling bedoeld in voormeld lid geniet.]2
§ 1ter. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden :
1° op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens dewelke de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 10 pct. zijn gestegen;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk gepresteerde arbeid met ten minste 10 pct. is gestegen ten opzichte van het vorig kalenderjaar.
(§ 1quater. Voor de toepassing van § 1 en § 1bis van dit artikel kan vanaf [3 het moment dat de persoon met een handicap de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt een ambtshalve herziening voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden doorgevoerd wanneer de tegemoetkoming op dat moment betaalbaar was]3 en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef.)
§ 2. [2 De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 1ter, 1° en 2° bedoelde situaties bevindt.]2
[2 Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1°, 2°, en 4°, en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.]2
[2 ...]2
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing. [1 Indien het bedrag van de tegemoetkoming toegekend krachtens de in § 1, 5°, bedoelde beslissing hoger is dan het aanvankelijk toegekende recht, heeft deze uitwerking vanaf de eerste dag van de maand volgend op de geplande herzieningsdatum.]1
§ 3. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend.
1° wanneer de gerechtigde niet meer beantwoordt aan de in artikel 4 van de wet bedoelde voorwaarden van nationaliteit of verblijf;
2° wanneer de gerechtigde een kind of geen kind meer ten laste heeft en dit feit een weerslag heeft op de categorie bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet;
3° wanneer de gerechtigde zich in één van de volgende situaties bevindt :
- wijziging van burgerlijke staat;
- wijziging in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen.
4° wanneer de gerechtigde de voorwaarden vervult opdat de betaling geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort of niet meer geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort in de zin van artikel 12 van de wet;
5° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
6° wanneer de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :
1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste (20 pct.) zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.
[2 ...]2
Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht (indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid) het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;
3° vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming werd toegekend. Deze herziening heeft nochtans geen betrekking op de beoordeling van het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid;
[2 4° op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de maand waarin de persoon met een handicap zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 9bis, § 1, 2°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, voor zover ze nog steeds de vrijstelling bedoeld in voormeld lid geniet.]2
§ 1ter. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden :
1° op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens dewelke de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste 10 pct. zijn gestegen;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk gepresteerde arbeid met ten minste 10 pct. is gestegen ten opzichte van het vorig kalenderjaar.
(§ 1quater. Voor de toepassing van § 1 en § 1bis van dit artikel kan vanaf [3 het moment dat de persoon met een handicap de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt een ambtshalve herziening voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden doorgevoerd wanneer de tegemoetkoming op dat moment betaalbaar was]3 en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef.)
§ 2. [2 De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 1ter, 1° en 2° bedoelde situaties bevindt.]2
[2 Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1°, 2°, en 4°, en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.]2
[2 ...]2
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing. [1 Indien het bedrag van de tegemoetkoming toegekend krachtens de in § 1, 5°, bedoelde beslissing hoger is dan het aanvankelijk toegekende recht, heeft deze uitwerking vanaf de eerste dag van de maand volgend op de geplande herzieningsdatum.]1
§ 3. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend.
Art. 23. § 1er. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation :
1° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de nationalité ou de résidence visées à l'article 4 de la loi;
2° lorsque le bénéficiaire a ou n'a plus d'enfant à charge et ce fait à une influence sur la catégorie visée à l'article 6, § 1er, de la loi;
3° lorsque le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
- modification d'état civil;
- modification de la composition de la famille qui a une incidence sur le droit aux allocations.
4° lorsque le bénéficiaire remplit les conditions afin que le paiement soit totalement ou partiellement suspendu ou ne soit plus totalement ou partiellement suspendu au sens de l'article 12 de la loi;
5° à la date fixée par une décision antérieure lorsque celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif;
6° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de capacité de gain ou de degré d'autonomie.
§ 1erbis. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation de remplacement de revenus et du droit à l'allocation d'intégration :
1° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins (de 20 pc.) par rapport à l'année civile précédente.
[2 ...]2
Toutefois il n'est pas procédé à une révision d'office du droit si (l'augmentation de revenus visée à l'alinéa 1er) résulte d'une mise au travail de trois mois ou moins par année civile;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté par la personne handicapée est remplacé depuis au moins trois mois par une prestation visée à l'article 7, § 2, de la loi, à condition que les revenus de l'année civile au cours de laquelle la modification est intervenue aient augmenté ou diminué d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente;
3° cinq ans après la date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. Toutefois, cette révision ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie;
[2 4° le 31 décembre de la deuxième année civile qui suit le mois au cours duquel la personne handicapée se trouve dans la situation visée à l'article 9bis, § 1er, 2°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration, pour autant qu'elle bénéficie toujours de l'immunisation prévue à l'alinéa précité.]2
§ 1erter. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées :
1° le ler jour du mois qui suit le mois au cours duquel les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins 10 pc.;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté a augmenté d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente.
(§ 1erquater. Pour l'application du § 1er et § 1erbis du présent article il ne peut être procédé à une révision d'office de l'allocation de remplacement de revenus ou de l'allocation d'intégration [3 après que la personne handicapée ait atteint l'âge légal de la pension, sauf pour l'allocation qui lui était déjà payable à cet âge]3 et pour autant qu'elle restait payable après cette date.)
§ 2. [2 La nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire se trouve dans une des situations visées au § 1er, 1°, 2° et 3°, et § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter, 1° et 2°.]2
[2 Toutefois si la nouvelle décision entraîne une diminution du droit aux allocations et si l'événement visé au § 1er, 1° et 2°, § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter a été déclaré ou constaté dans les trois mois suivant sa survenance, ou a été déclaré dans les trois mois suivant la date à laquelle l'événement est porté à la connaissance de la personne handicapée, la nouvelle décision produit ses effets au premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision.]2
[2 ...]2
La nouvelle décision qui est prise suite à l'événement visé au § 1er, 4° produit ses effets le 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel le bénéficiaire se trouvait dans cette situation.
Dans les cas visés au § 1, 5° et 6° et § 1erbis, 3° la nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit la date de la notification de la décision. [1 Si le montant de l'allocation octroyée en vertu de la décision visée au § 1er, 5°, est plus élevé que le montant de l'allocation découlant du droit reconnu initialement, celui-ci prend cours le premier jour du mois qui suit la date de révision programmée.]1
§ 3. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une allocation.
1° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de nationalité ou de résidence visées à l'article 4 de la loi;
2° lorsque le bénéficiaire a ou n'a plus d'enfant à charge et ce fait à une influence sur la catégorie visée à l'article 6, § 1er, de la loi;
3° lorsque le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
- modification d'état civil;
- modification de la composition de la famille qui a une incidence sur le droit aux allocations.
4° lorsque le bénéficiaire remplit les conditions afin que le paiement soit totalement ou partiellement suspendu ou ne soit plus totalement ou partiellement suspendu au sens de l'article 12 de la loi;
5° à la date fixée par une décision antérieure lorsque celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif;
6° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de capacité de gain ou de degré d'autonomie.
§ 1erbis. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation de remplacement de revenus et du droit à l'allocation d'intégration :
1° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins (de 20 pc.) par rapport à l'année civile précédente.
[2 ...]2
Toutefois il n'est pas procédé à une révision d'office du droit si (l'augmentation de revenus visée à l'alinéa 1er) résulte d'une mise au travail de trois mois ou moins par année civile;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté par la personne handicapée est remplacé depuis au moins trois mois par une prestation visée à l'article 7, § 2, de la loi, à condition que les revenus de l'année civile au cours de laquelle la modification est intervenue aient augmenté ou diminué d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente;
3° cinq ans après la date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. Toutefois, cette révision ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie;
[2 4° le 31 décembre de la deuxième année civile qui suit le mois au cours duquel la personne handicapée se trouve dans la situation visée à l'article 9bis, § 1er, 2°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration, pour autant qu'elle bénéficie toujours de l'immunisation prévue à l'alinéa précité.]2
§ 1erter. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées :
1° le ler jour du mois qui suit le mois au cours duquel les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins 10 pc.;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté a augmenté d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente.
(§ 1erquater. Pour l'application du § 1er et § 1erbis du présent article il ne peut être procédé à une révision d'office de l'allocation de remplacement de revenus ou de l'allocation d'intégration [3 après que la personne handicapée ait atteint l'âge légal de la pension, sauf pour l'allocation qui lui était déjà payable à cet âge]3 et pour autant qu'elle restait payable après cette date.)
§ 2. [2 La nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire se trouve dans une des situations visées au § 1er, 1°, 2° et 3°, et § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter, 1° et 2°.]2
[2 Toutefois si la nouvelle décision entraîne une diminution du droit aux allocations et si l'événement visé au § 1er, 1° et 2°, § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter a été déclaré ou constaté dans les trois mois suivant sa survenance, ou a été déclaré dans les trois mois suivant la date à laquelle l'événement est porté à la connaissance de la personne handicapée, la nouvelle décision produit ses effets au premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision.]2
[2 ...]2
La nouvelle décision qui est prise suite à l'événement visé au § 1er, 4° produit ses effets le 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel le bénéficiaire se trouvait dans cette situation.
Dans les cas visés au § 1, 5° et 6° et § 1erbis, 3° la nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit la date de la notification de la décision. [1 Si le montant de l'allocation octroyée en vertu de la décision visée au § 1er, 5°, est plus élevé que le montant de l'allocation découlant du droit reconnu initialement, celui-ci prend cours le premier jour du mois qui suit la date de révision programmée.]1
§ 3. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une allocation.
Art.23_VLAAMS_GEWEST.
§ 1. Er wordt ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming :
1° wanneer de gerechtigde niet meer beantwoordt aan de in artikel 4 van de wet bedoelde voorwaarden van nationaliteit of verblijf;
2° wanneer de gerechtigde een kind of geen kind meer ten laste heeft en dit feit een weerslag heeft op de categorie bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet;
3° wanneer de gerechtigde zich in één van de volgende situaties bevindt :
- wijziging van burgerlijke staat;
- wijziging in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen.
4° wanneer de gerechtigde de voorwaarden vervult opdat de betaling geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort of niet meer geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort in de zin van artikel 12 van de wet;
5° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
6° wanneer de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :
1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste (20 pct.) zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.
[2 ...]2
Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht (indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid) het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;
3° vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming werd toegekend. Deze herziening heeft nochtans geen betrekking op de beoordeling van het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid;
[2 4° op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de maand waarin de persoon met een handicap zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 9bis, § 1, 2°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, voor zover ze nog steeds de vrijstelling bedoeld in voormeld lid geniet.]2
§ 1ter. [1 ...]1
(§ 1quater. Voor de toepassing van § 1 en § 1bis van dit artikel kan vanaf de 65-ste verjaardag een ambtshalve herziening voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden doorgevoerd wanneer deze tegemoetkoming betaalbaar was op de 65-ste verjaardag van de persoon met een handicap en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef.)
§ 2. [2 De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 1ter, 1° en 2° bedoelde situaties bevindt.]2
[2 Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1°, 2°, en 4°, en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.]2
[2 ...]2
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
§ 3. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend.
§ 1. Er wordt ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming :
1° wanneer de gerechtigde niet meer beantwoordt aan de in artikel 4 van de wet bedoelde voorwaarden van nationaliteit of verblijf;
2° wanneer de gerechtigde een kind of geen kind meer ten laste heeft en dit feit een weerslag heeft op de categorie bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet;
3° wanneer de gerechtigde zich in één van de volgende situaties bevindt :
- wijziging van burgerlijke staat;
- wijziging in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen.
4° wanneer de gerechtigde de voorwaarden vervult opdat de betaling geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort of niet meer geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort in de zin van artikel 12 van de wet;
5° op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
6° wanneer de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid.
§ 1bis. Er wordt ambtshalve overgaan tot een herziening van het recht op de inkomensvervangende tegemoetkoming en het recht op de integratietegemoetkoming :
1° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk de in artikel 7 van de wet bedoelde inkomsten met ten minste (20 pct.) zijn gestegen ten opzichte van het voorafgaand kalenderjaar.
[2 ...]2
Er wordt evenwel niet overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht (indien deze stijging van de inkomsten bedoeld in het eerste lid) het gevolg is van een tewerkstelling van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
2° op 31 december van het kalenderjaar tijdens hetwelk het inkomen voortkomend uit werkelijk door de persoon met een handicap gepresteerde arbeid sedert ten minste drie maanden is vervangen door een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet, op voorwaarde dat de inkomsten van het kalenderjaar tijdens hetwelk de wijziging zich heeft voorgedaan met ten minste 10 pct. zijn gestegen of gedaald ten opzichte van het vorig kalenderjaar;
3° vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming werd toegekend. Deze herziening heeft nochtans geen betrekking op de beoordeling van het verdienvermogen of de graad van zelfredzaamheid;
[2 4° op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de maand waarin de persoon met een handicap zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 9bis, § 1, 2°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, voor zover ze nog steeds de vrijstelling bedoeld in voormeld lid geniet.]2
§ 1ter. [1 ...]1
(§ 1quater. Voor de toepassing van § 1 en § 1bis van dit artikel kan vanaf de 65-ste verjaardag een ambtshalve herziening voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden doorgevoerd wanneer deze tegemoetkoming betaalbaar was op de 65-ste verjaardag van de persoon met een handicap en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef.)
§ 2. [2 De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gerechtigde zich in een van de in § 1, 1°, 2° en 3°, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 1ter, 1° en 2° bedoelde situaties bevindt.]2
[2 Indien de nieuwe beslissing evenwel een vermindering van het recht op de tegemoetkomingen tot gevolg heeft en indien de in § 1, 1° en 2°, § 1bis, 1°, 2°, en 4°, en § 1ter bedoelde gebeurtenis werd meegedeeld of vastgesteld binnen de drie maanden volgend op het plaatsvinden ervan, of werd aangegeven binnen de drie maanden volgend op de datum van kennisgeving aan de persoon met een handicap, heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.]2
[2 ...]2
De nieuwe beslissing die wordt getroffen ingevolge de in § 1, 4° vermelde gebeurtenis heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gerechtigde zich in bedoelde toestand bevindt.
In de in § 1, 5° en 6° en § 1bis, 3° bedoelde gevallen heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.
§ 3. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben voor de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste maal een tegemoetkoming wordt toegekend.
Art. 23 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation :
1° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de nationalité ou de résidence visées à l'article 4 de la loi;
2° lorsque le bénéficiaire a ou n'a plus d'enfant à charge et ce fait à une influence sur la catégorie visée à l'article 6, § 1er, de la loi;
3° lorsque le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
- modification d'état civil;
- modification de la composition de la famille qui a une incidence sur le droit aux allocations.
4° lorsque le bénéficiaire remplit les conditions afin que le paiement soit totalement ou partiellement suspendu ou ne soit plus totalement ou partiellement suspendu au sens de l'article 12 de la loi;
5° à la date fixée par une décision antérieure lorsque celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif;
6° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de capacité de gain ou de degré d'autonomie.
§ 1erbis. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation de remplacement de revenus et du droit à l'allocation d'intégration :
1° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins (de 20 pc.) par rapport à l'année civile précédente.
[2 ...]2
Toutefois il n'est pas procédé à une révision d'office du droit si (l'augmentation de revenus visée à l'alinéa 1er) résulte d'une mise au travail de trois mois ou moins par année civile;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté par la personne handicapée est remplacé depuis au moins trois mois par une prestation visée à l'article 7, § 2, de la loi, à condition que les revenus de l'année civile au cours de laquelle la modification est intervenue aient augmenté ou diminué d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente;
3° cinq ans après la date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. Toutefois, cette révision ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie;
[2 4° le 31 décembre de la deuxième année civile qui suit le mois au cours duquel la personne handicapée se trouve dans la situation visée à l'article 9bis, § 1er, 2°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration, pour autant qu'elle bénéficie toujours de l'immunisation prévue à l'alinéa précité.]2
§ 1erter. [1 ...]1
(§ 1erquater. Pour l'application du § 1er et § 1erbis du présent article il ne peut être procédé à une révision d'office de l'allocation de remplacement de revenus ou de l'allocation d'intégration à partir du 65e anniversaire que pour l'allocation qui était payable à la personne handicapée à son 65e anniversaire et pour autant qu'elle restait payable après cette date.)
§ 2. [2 La nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire se trouve dans une des situations visées au § 1er, 1°, 2° et 3°, et § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter, 1° et 2°.]2
[2 Toutefois si la nouvelle décision entraîne une diminution du droit aux allocations et si l'événement visé au § 1er, 1° et 2°, § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter a été déclaré ou constaté dans les trois mois suivant sa survenance, ou a été déclaré dans les trois mois suivant la date à laquelle l'événement est porté à la connaissance de la personne handicapée, la nouvelle décision produit ses effets au premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision.]2
[2 ...]2
La nouvelle décision qui est prise suite à l'événement visé au § 1er, 4° produit ses effets le 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel le bénéficiaire se trouvait dans cette situation.
Dans les cas visés au § 1, 5° et 6° et § 1erbis, 3° la nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit la date de la notification de la décision.
§ 3. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une allocation.
§ 1er. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation :
1° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de nationalité ou de résidence visées à l'article 4 de la loi;
2° lorsque le bénéficiaire a ou n'a plus d'enfant à charge et ce fait à une influence sur la catégorie visée à l'article 6, § 1er, de la loi;
3° lorsque le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
- modification d'état civil;
- modification de la composition de la famille qui a une incidence sur le droit aux allocations.
4° lorsque le bénéficiaire remplit les conditions afin que le paiement soit totalement ou partiellement suspendu ou ne soit plus totalement ou partiellement suspendu au sens de l'article 12 de la loi;
5° à la date fixée par une décision antérieure lorsque celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif;
6° lorsque le bénéficiaire ne répond plus aux conditions de capacité de gain ou de degré d'autonomie.
§ 1erbis. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation de remplacement de revenus et du droit à l'allocation d'intégration :
1° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle les revenus visés à l'article 7 de la loi ont augmenté d'au moins (de 20 pc.) par rapport à l'année civile précédente.
[2 ...]2
Toutefois il n'est pas procédé à une révision d'office du droit si (l'augmentation de revenus visée à l'alinéa 1er) résulte d'une mise au travail de trois mois ou moins par année civile;
2° le 31 décembre de l'année civile au cours de laquelle le revenu d'un travail effectivement presté par la personne handicapée est remplacé depuis au moins trois mois par une prestation visée à l'article 7, § 2, de la loi, à condition que les revenus de l'année civile au cours de laquelle la modification est intervenue aient augmenté ou diminué d'au moins 10 pc. par rapport à l'année précédente;
3° cinq ans après la date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. Toutefois, cette révision ne porte pas sur l'appréciation de la capacité de gain ou du degré d'autonomie;
[2 4° le 31 décembre de la deuxième année civile qui suit le mois au cours duquel la personne handicapée se trouve dans la situation visée à l'article 9bis, § 1er, 2°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration, pour autant qu'elle bénéficie toujours de l'immunisation prévue à l'alinéa précité.]2
§ 1erter. [1 ...]1
(§ 1erquater. Pour l'application du § 1er et § 1erbis du présent article il ne peut être procédé à une révision d'office de l'allocation de remplacement de revenus ou de l'allocation d'intégration à partir du 65e anniversaire que pour l'allocation qui était payable à la personne handicapée à son 65e anniversaire et pour autant qu'elle restait payable après cette date.)
§ 2. [2 La nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire se trouve dans une des situations visées au § 1er, 1°, 2° et 3°, et § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter, 1° et 2°.]2
[2 Toutefois si la nouvelle décision entraîne une diminution du droit aux allocations et si l'événement visé au § 1er, 1° et 2°, § 1bis, 1°, 2° et 4°, et § 1ter a été déclaré ou constaté dans les trois mois suivant sa survenance, ou a été déclaré dans les trois mois suivant la date à laquelle l'événement est porté à la connaissance de la personne handicapée, la nouvelle décision produit ses effets au premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision.]2
[2 ...]2
La nouvelle décision qui est prise suite à l'événement visé au § 1er, 4° produit ses effets le 1er jour du mois qui suit le mois au cours duquel le bénéficiaire se trouvait dans cette situation.
Dans les cas visés au § 1, 5° et 6° et § 1erbis, 3° la nouvelle décision produit ses effets le premier jour du mois qui suit la date de la notification de la décision.
§ 3. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une allocation.
HOOFDSTUK III. - Algemene bepalingen inzake de betaling van de tegemoetkomingen.
CHAPITRE III. - Dispositions générales concernant le paiement des allocations.
Afdeling 1. - Betalingsmodaliteiten..
Section 1. - Modalités de paiement.
Art. 24. [1 § 1. De tegemoetkomingen worden per maand en per twaalfden uitbetaald.
§ 2. De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is.
Onverminderd artikel 29, gaat de persoon aan wie de tegemoetkoming wordt uitbetaald, ermee akkoord dat bedragen die ten onrechte betaald werden ten gevolge van overlijden of vertrek naar het buitenland, teruggevorderd kunnen worden via de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening beheert. Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de gerechtigde. In dit kader wordt een overeenkomst afgesloten tussen de betalingsdienstaanbieder en de Dienst waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen nader worden omschreven. De Minister kan nader bepalen wat in de overeenkomst moet staan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt onder "betalingsdienstaanbieder", begrepen de rechtspersonen bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, of bedoeld in het recht van een andere lidstaat die de Richtlijn 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG, omzet.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 gebeurt de uitbetaling van de tegemoetkomingen:
1° aan de persoon die de ouderlijke macht uitoefent over de gerechtigde;
2° aan de bewindvoerder van goederen bedoeld in artikel 494, c), van het oud Burgerlijk wetboek, van de gerechtigde, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om zijn rechten en plichten in fiscale en sociale zaken uit te oefenen. Als er meerdere bewindvoerders van goederen aangeduid zijn, aan de bewindvoerder van goederen die bevoegd werd verklaard om handelingen te stellen met betrekking tot de rechten en plichten in fiscale en sociale zaken;
3° aan de voogd wanneer het een minderjarige betreft die onder voogdij staat;
4° aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld door de commissie voor sociale bescherming of door de vrederechter bij toepassing van artikel 29 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers.
In de gevallen bedoeld in vorig lid, geschiedt de betaling op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de gerechtigde waarop de ouder, de aangestelde bewindvoerder van goederen, de voogd of de voorlopig bewindvoerder een volmacht heeft.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2, als de gerechtigde geen toegang heeft tot de basisbankdienst zoals bedoeld in de artikelen VII.56/1 tot VII.59/3 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht van 28 februari 2013, kan de uitbetaling gebeuren door middel van circulaire cheques waarvan het bedrag betaalbaar is in handen van de gerechtigde.
Deze afwijking is niet mogelijk indien de tegemoetkoming wordt uitbetaald aan een ander persoon dan de persoon met een handicap in toepassing van paragraaf 3, 2° en 4°.]1
§ 2. De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is.
Onverminderd artikel 29, gaat de persoon aan wie de tegemoetkoming wordt uitbetaald, ermee akkoord dat bedragen die ten onrechte betaald werden ten gevolge van overlijden of vertrek naar het buitenland, teruggevorderd kunnen worden via de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening beheert. Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de gerechtigde. In dit kader wordt een overeenkomst afgesloten tussen de betalingsdienstaanbieder en de Dienst waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen nader worden omschreven. De Minister kan nader bepalen wat in de overeenkomst moet staan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt onder "betalingsdienstaanbieder", begrepen de rechtspersonen bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, of bedoeld in het recht van een andere lidstaat die de Richtlijn 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG, omzet.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 gebeurt de uitbetaling van de tegemoetkomingen:
1° aan de persoon die de ouderlijke macht uitoefent over de gerechtigde;
2° aan de bewindvoerder van goederen bedoeld in artikel 494, c), van het oud Burgerlijk wetboek, van de gerechtigde, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om zijn rechten en plichten in fiscale en sociale zaken uit te oefenen. Als er meerdere bewindvoerders van goederen aangeduid zijn, aan de bewindvoerder van goederen die bevoegd werd verklaard om handelingen te stellen met betrekking tot de rechten en plichten in fiscale en sociale zaken;
3° aan de voogd wanneer het een minderjarige betreft die onder voogdij staat;
4° aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld door de commissie voor sociale bescherming of door de vrederechter bij toepassing van artikel 29 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers.
In de gevallen bedoeld in vorig lid, geschiedt de betaling op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de gerechtigde waarop de ouder, de aangestelde bewindvoerder van goederen, de voogd of de voorlopig bewindvoerder een volmacht heeft.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2, als de gerechtigde geen toegang heeft tot de basisbankdienst zoals bedoeld in de artikelen VII.56/1 tot VII.59/3 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht van 28 februari 2013, kan de uitbetaling gebeuren door middel van circulaire cheques waarvan het bedrag betaalbaar is in handen van de gerechtigde.
Deze afwijking is niet mogelijk indien de tegemoetkoming wordt uitbetaald aan een ander persoon dan de persoon met een handicap in toepassing van paragraaf 3, 2° en 4°.]1
Modifications
Art. 24. [1 § 1er. Les allocations sont payées par mois et par douzièmes.
§ 2. Le paiement des allocations est effectué par virement sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement, au nom du bénéficiaire ou dont la personne handicapée est co-titulaire.
Sans préjudice de l'article 29, la personne à laquelle l'allocation est payée marque son accord pour que les montants versés indûment à la suite de son décès ou de son départ à l'étranger puissent être récupérés auprès du prestataire de services de paiement qui gère le compte de paiement. Cette autorisation reste en vigueur après le décès du bénéficiaire. Dans ce cadre, une convention est conclue entre le prestataire de services de paiement et le Service, dans lequel les droits et obligations réciproques sont précisés. Le Ministre peut déterminer plus précisément le contenu de cette convention.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par " prestataire de services ", les personnes morales visées à l'article 5, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, ou visés par le droit d'un autre Etat membre qui transpose la directive 2015/2366 du Parlement Européen et du Conseil du 25 novembre 2015 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifiant les directives 2002/65/CE, 2009/110/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010, et abrogeant la directive 2007/64/CE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les allocations sont payées :
1° à la personne qui exerce l'autorité parentale sur le bénéficiaire ;
2° à l'administrateur des biens, visé à l'article 494, c), de l'ancien Code civil, du bénéficiaire pour autant que le bénéficiaire ait été déclaré expressément incapable d'exercer ses droits et obligations en matière fiscale et sociale. Lorsqu'il y a plusieurs administrateurs des biens désignés, à l'administrateur des biens déclaré compétent pour accomplir les actes relatifs aux droits et obligations en matière fiscale et sociale;
3° au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis à la tutelle;
4° à l'administrateur provisoire désigné par la commission de défense sociale ou désigné par le juge de paix en application de l'article 29 de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude.
Dans les cas visés à l'alinéa précédent, le paiement est effectué sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement au nom du bénéficiaire, sur lequel le parent, l'administrateur des biens désigné, le tuteur ou l'administrateur provisoire a procuration.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, dans le cas où le bénéficiaire ne dispose pas d'accès au service bancaire de base visé aux articles VII.56/1 à VII59/3 du Livre VII du Code de droit économique du 28 février 2013, le paiement peut s'effectuer au moyen de chèques circulaires dont le montant est payable au bénéficiaire.
Cette dérogation n'est pas possible si l'allocation est payée à une autre personne que la personne en situation de handicap en application du paragraphe 3, 2° et 4°.]1
§ 2. Le paiement des allocations est effectué par virement sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement, au nom du bénéficiaire ou dont la personne handicapée est co-titulaire.
Sans préjudice de l'article 29, la personne à laquelle l'allocation est payée marque son accord pour que les montants versés indûment à la suite de son décès ou de son départ à l'étranger puissent être récupérés auprès du prestataire de services de paiement qui gère le compte de paiement. Cette autorisation reste en vigueur après le décès du bénéficiaire. Dans ce cadre, une convention est conclue entre le prestataire de services de paiement et le Service, dans lequel les droits et obligations réciproques sont précisés. Le Ministre peut déterminer plus précisément le contenu de cette convention.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par " prestataire de services ", les personnes morales visées à l'article 5, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, ou visés par le droit d'un autre Etat membre qui transpose la directive 2015/2366 du Parlement Européen et du Conseil du 25 novembre 2015 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifiant les directives 2002/65/CE, 2009/110/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010, et abrogeant la directive 2007/64/CE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les allocations sont payées :
1° à la personne qui exerce l'autorité parentale sur le bénéficiaire ;
2° à l'administrateur des biens, visé à l'article 494, c), de l'ancien Code civil, du bénéficiaire pour autant que le bénéficiaire ait été déclaré expressément incapable d'exercer ses droits et obligations en matière fiscale et sociale. Lorsqu'il y a plusieurs administrateurs des biens désignés, à l'administrateur des biens déclaré compétent pour accomplir les actes relatifs aux droits et obligations en matière fiscale et sociale;
3° au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis à la tutelle;
4° à l'administrateur provisoire désigné par la commission de défense sociale ou désigné par le juge de paix en application de l'article 29 de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude.
Dans les cas visés à l'alinéa précédent, le paiement est effectué sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement au nom du bénéficiaire, sur lequel le parent, l'administrateur des biens désigné, le tuteur ou l'administrateur provisoire a procuration.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, dans le cas où le bénéficiaire ne dispose pas d'accès au service bancaire de base visé aux articles VII.56/1 à VII59/3 du Livre VII du Code de droit économique du 28 février 2013, le paiement peut s'effectuer au moyen de chèques circulaires dont le montant est payable au bénéficiaire.
Cette dérogation n'est pas possible si l'allocation est payée à une autre personne que la personne en situation de handicap en application du paragraphe 3, 2° et 4°.]1
Modifications
Art. 25. In afwijking van artikel 24, § 1, gebeurt de betaling per [1 circulaire cheque]1 jaarlijks in december voor de in de loop van het jaar vervallen termijnen, wanneer het per maand te betalen globaal bedrag lager is dan 11,45 EUR.
Het bovenvermelde bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
Het bovenvermelde bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
Modifications
Art. 25. Par dérogation à l'article 24, § 1er, le paiement [1 par chèque circulaire]1 s'effectue annuellement, en décembre, pour les arrérages échus au cours de l'année, lorsque le montant global à payer par mois est inférieur à 11,45 EUR.
Le montant précité est lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Le montant précité est lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Modifications
Art. 26. Het bedrag van de uit te betalen tegemoetkomingen wordt vastgesteld zonder rekening te houden met de eurogedeelten beneden de vijftig honderdsten van een cent. De eurogedeelten van vijftig honderdsten van een cent en meer worden voor één eurocent gerekend. De afronding op de euro geschiedt op het uit te betalen maandelijks bedrag.
Art. 26. Le montant des allocations à payer est fixé en négligeant les fractions d'euro qui n'atteignent pas cinquante centièmes d'un centime. Les fractions d'euro qui atteignent ou dépassent cinquante centièmes d'un centime sont comptées pour un centime. L'ajustement à l'euro s'opère sur le montant mensuel à payer.
Afdeling 2. - De betaling van voorschotten.
Section 2. - Le paiement d'avances.
Art. 27. In geval van toepassing van artikel 7, § 4, van de wet moet de aanvrager van het voorschot aanduiden op welke uitkeringen of vergoedingen hij een voorschot wenst te verkrijgen, door wie deze naar zijn mening verschuldigd zijn en voor welke periode.
Hij moet eveneens mededelen of de instanties welke deze uitkeringen of vergoedingen verschuldigd zijn, voorschotten hebben toegekend.
De aanvrager moet de Dienst bovendien verwittigen van zodra hij deze uitkeringen of vergoedingen verkrijgt.
Het voorschot wordt niet toegekend voor perioden voorafgaand aan de aanvraag.
Het wordt verleend ten belope van de bedragen van de tegemoetkoming waarop de persoon met een handicap aanspraak kan maken.
Hij moet eveneens mededelen of de instanties welke deze uitkeringen of vergoedingen verschuldigd zijn, voorschotten hebben toegekend.
De aanvrager moet de Dienst bovendien verwittigen van zodra hij deze uitkeringen of vergoedingen verkrijgt.
Het voorschot wordt niet toegekend voor perioden voorafgaand aan de aanvraag.
Het wordt verleend ten belope van de bedragen van de tegemoetkoming waarop de persoon met een handicap aanspraak kan maken.
Art. 27. En cas d'application de l'article 7, § 4, de la loi, le demandeur de l'avance doit indiquer sur quelles prestations ou indemnités il souhaite obtenir une avance, par qui celles-ci sont, selon son avis, dues et pour quelle période.
Il doit également communiquer si les instances qui doivent les prestations ou indemnités ont accordé des avances.
Le demandeur doit en outre avertir le Service dès qu'il obtient ces prestations ou indemnités.
L'avance n'est pas accordée pour des périodes antérieures à la demande.
Elle est accordée jusqu'à concurrence des montants de l'allocation à laquelle la personne handicapée peut prétendre
Il doit également communiquer si les instances qui doivent les prestations ou indemnités ont accordé des avances.
Le demandeur doit en outre avertir le Service dès qu'il obtient ces prestations ou indemnités.
L'avance n'est pas accordée pour des périodes antérieures à la demande.
Elle est accordée jusqu'à concurrence des montants de l'allocation à laquelle la personne handicapée peut prétendre
Afdeling 3. - Betalingsvoorwaarden.
Section 3. - Les conditions de paiement.
Art. 28. De tegemoetkomingen worden niet uitbetaald voor de duur van hun gevangenschap of opsluiting aan de personen met een handicap die in gevangenis zijn opgesloten of die in een instelling van sociaal verweer zijn opgenomen.
De belanghebbenden mogen evenwel aanspraak maken op de tegemoetkomingen die betrekking hebben op de periode van hun voorlopige hechtenis op voorwaarde dat zij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke uitspraak werden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.
De belanghebbenden mogen evenwel aanspraak maken op de tegemoetkomingen die betrekking hebben op de periode van hun voorlopige hechtenis op voorwaarde dat zij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke uitspraak werden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.
Art. 28. Les allocations ne sont pas payées pendant la durée de leur détention ou de leur internement aux personnes handicapées détenues dans une prison ou internées dans un établissement de défense sociale.
Les personnes intéressées peuvent toutefois prétendre aux allocations afférentes à la période de leur détention préventive à condition pour elles d'établir qu'elles ont été acquittées par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette détention. Il en est de même dans les cas de non-lieu et de mise hors cause.
Les personnes intéressées peuvent toutefois prétendre aux allocations afférentes à la période de leur détention préventive à condition pour elles d'établir qu'elles ont été acquittées par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette détention. Il en est de même dans les cas de non-lieu et de mise hors cause.
Afdeling 4. - De terugvordering van ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen.
Section 4. - La récupération des allocations perçues indûment.
Art. 29. De Minister kan, in behartenswaardige gevallen en na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de personen met een handicap, voor het geheel of voor een gedeelte afzien van de terugvordering van de tegemoetkomingen die ten onrechte uitbetaald werden, ingeval de schuldenaar geen enkele fout of nalatigheid treft.
De Minister gaat niet over tot de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen wanneer het onverschuldigd betaalde bedrag lager is dan 335,00 EUR op voorwaarde dat de schuldenaar geen bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen heeft begaan en dat er geen vervallen en nog niet uitbetaalde achterstallen van tegemoetkomingen voorhanden zijn. In dat laatste geval wordt schuldvergelijking toegepast.
Het bovenvermelde bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
De Minister gaat niet over tot de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen wanneer het onverschuldigd betaalde bedrag lager is dan 335,00 EUR op voorwaarde dat de schuldenaar geen bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen heeft begaan en dat er geen vervallen en nog niet uitbetaalde achterstallen van tegemoetkomingen voorhanden zijn. In dat laatste geval wordt schuldvergelijking toegepast.
Het bovenvermelde bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art. 29. Le Ministre peut, dans des cas dignes d'être pris en considération et sur avis de la Commission d'aide sociale aux personnes handicapées, renoncer en tout ou en partie à la récupération d'allocations payées indûment lorsque le débiteur n'a commis aucune faute ou négligence.
Le Ministre ne procède pas à la récupération des allocations payées indûment lorsque la somme payée indûment est inférieure à 335,00 EUR, à la condition que le débiteur n'ait commis aucune fraude, dol ou manoeuvres frauduleuses et que des arriérés échus et non encore payés d'allocations aux personnes handicapées ne soient pas disponibles. Dans ce dernier cas la compensation des dettes est appliquée.
Le montant précité est lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Le Ministre ne procède pas à la récupération des allocations payées indûment lorsque la somme payée indûment est inférieure à 335,00 EUR, à la condition que le débiteur n'ait commis aucune fraude, dol ou manoeuvres frauduleuses et que des arriérés échus et non encore payés d'allocations aux personnes handicapées ne soient pas disponibles. Dans ce dernier cas la compensation des dettes est appliquée.
Le montant précité est lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. 30. § 1. De aanvraag tot verzaking gebeurt per brief.
§ 2. Indien de aanvraag bij aangetekende brief gebeurt, begint de termijn bedoeld in artikel 16, § 6 van de wet te lopen vanaf de datum van neerlegging van de aangetekende brief. Indien de aanvraag bij gewone brief gebeurt begint deze termijn te lopen vanaf de datum van ontvangst van de brief door de Dienst.
§ 2. Indien de aanvraag bij aangetekende brief gebeurt, begint de termijn bedoeld in artikel 16, § 6 van de wet te lopen vanaf de datum van neerlegging van de aangetekende brief. Indien de aanvraag bij gewone brief gebeurt begint deze termijn te lopen vanaf de datum van ontvangst van de brief door de Dienst.
Art. 30. § 1er. La demande en renonciation se fait par lettre.
§ 2. Si la demande se fait par lettre recommandée, le terme du délai visé à l'article 16, § 6 de la loi est établi à partir de la date du dépôt de la lettre recommandée. Si la demande se fait par simple lettre, ce même délai est établi à partir de la date de réception de la lettre par le Service.
§ 2. Si la demande se fait par lettre recommandée, le terme du délai visé à l'article 16, § 6 de la loi est établi à partir de la date du dépôt de la lettre recommandée. Si la demande se fait par simple lettre, ce même délai est établi à partir de la date de réception de la lettre par le Service.
Art. 31. De Commissie voor sociaal hulpbetoon aan personen met een handicap omvat een Franstalige en een Nederlandstalige afdeling.
Elke afdeling is samengesteld uit een voorzitter en zeven leden die, uit hoofde van hun deelname aan de activiteiten van instellingen die zich met zorg voor personen met een handicap bezighouden of wegens hun sociale activiteiten, daartoe bijzonder geschikt zijn.
De voorzitters en de leden worden door Ons benoemd voor een termijn van zes jaar.
De voorzitter of het lid dat ter vervanging van een overleden of uittredend voorzitter of lid wordt benoemd, voleindigt diens mandaat.
Een ambtenaar, vertegenwoordiger van de Minister, woont de vergadering bij. Hij heeft raadgevende stem.
Het secretariaat van elke afdeling wordt waargenomen door een ambtenaar, aangewezen door de Minister.
Elke afdeling is samengesteld uit een voorzitter en zeven leden die, uit hoofde van hun deelname aan de activiteiten van instellingen die zich met zorg voor personen met een handicap bezighouden of wegens hun sociale activiteiten, daartoe bijzonder geschikt zijn.
De voorzitters en de leden worden door Ons benoemd voor een termijn van zes jaar.
De voorzitter of het lid dat ter vervanging van een overleden of uittredend voorzitter of lid wordt benoemd, voleindigt diens mandaat.
Een ambtenaar, vertegenwoordiger van de Minister, woont de vergadering bij. Hij heeft raadgevende stem.
Het secretariaat van elke afdeling wordt waargenomen door een ambtenaar, aangewezen door de Minister.
Art. 31. La Commission d'aide sociale aux personnes handicapées comporte une section francophone et une section néerlandophone.
Chaque section comprend un président et sept membres spécialement qualifiés en raison de leur participation aux activités d'organisations s'intéressant aux personnes handicapées ou en raison de leurs activités sociales.
Les présidents et les membres sont nommés par Nous, pour un terme de six ans.
Le président ou le membre nommé en remplacement d'un président ou d'un membre décédé ou démissionnaire achève le mandat de celui-ci.
Un fonctionnaire représentant le Ministre assiste aux réunions avec voix consultative.
Le secrétariat de chaque section est assumé par un fonctionnaire désigné par le Ministre.
Chaque section comprend un président et sept membres spécialement qualifiés en raison de leur participation aux activités d'organisations s'intéressant aux personnes handicapées ou en raison de leurs activités sociales.
Les présidents et les membres sont nommés par Nous, pour un terme de six ans.
Le président ou le membre nommé en remplacement d'un président ou d'un membre décédé ou démissionnaire achève le mandat de celui-ci.
Un fonctionnaire représentant le Ministre assiste aux réunions avec voix consultative.
Le secrétariat de chaque section est assumé par un fonctionnaire désigné par le Ministre.
Art. 32. De Commissie geeft haar advies binnen dertig dagen na de voorlegging van de gevallen door het secretariaat.
De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
Art. 32. La Commission donne son avis dans les trente jours à partir du moment où les cas lui sont soumis par le secrétariat.
Les décisions sont prises à la majorité des voix des membres présents. En cas de parité de voix, celle du président est prépondérante.
Les décisions sont prises à la majorité des voix des membres présents. En cas de parité de voix, celle du président est prépondérante.
Art. 33. De voorzitters, de leden en de ambtenaar-vertegenwoordiger van de Minister hebben recht op een presentiegeld. De secretarissen genieten een vergoeding.
De bedragen van presentiegeld en vergoeding zijn dezelfde als deze voor de Nationale Hoge Raad voor de personen met een handicap.
De voorzitters en de leden van de Commissie krijgen in voorkomend geval verblijfsvergoedingen en de terugbetaling van de reiskosten, overeenkomstig de reglementering die geldt voor de ambtenaar van rang 13 van de ministeries.
De bedragen van presentiegeld en vergoeding zijn dezelfde als deze voor de Nationale Hoge Raad voor de personen met een handicap.
De voorzitters en de leden van de Commissie krijgen in voorkomend geval verblijfsvergoedingen en de terugbetaling van de reiskosten, overeenkomstig de reglementering die geldt voor de ambtenaar van rang 13 van de ministeries.
Art. 33. Les présidents, les membres et le fonctionnaire représentant le Ministre ont droit à un jeton de présence. Les secrétaires bénéficient d'une indemnité.
Les montants du jeton de présence et de l'indemnité sont identiques à ceux du Conseil supérieur national des personnes handicapées.
Les présidents et les membres de la Commission obtiennent, le cas échéant, des indemnités de séjour et le remboursement de leurs frais de déplacement, conformément à la réglementation applicable aux fonctionnaires de rang 13 des ministères.
Les montants du jeton de présence et de l'indemnité sont identiques à ceux du Conseil supérieur national des personnes handicapées.
Les présidents et les membres de la Commission obtiennent, le cas échéant, des indemnités de séjour et le remboursement de leurs frais de déplacement, conformément à la réglementation applicable aux fonctionnaires de rang 13 des ministères.
HOOFDSTUK IV. - De betaling van de vervallen en bij het overlijden van de gerechtigde niet betaalde tegemoetkomingen.
CHAPITRE IV. - Le paiement des allocations échues et non payées au moment du décès du bénéficiaire.
Art. 34. (In geval van overlijden van de gerechtigde op een tegemoetkoming, worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen van ambtswege uitbetaald aan de echtgenoot of de persoon met wie de gerechtigde een huishouden vormde in de zin van artikel 7, § 3 van de wet.)
Bij ontstentenis van de in het eerste lid bedoelde echtgenoot of persoon worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen, met inbegrip van de uitkering voor de maand van overlijden voor zover de gerechtigde niet overleden was op de in het nationaal compensatiesysteem geldende uitvoeringsdatum of, bij betaling [1 via circulaire cheque, op de uitgiftedatum ervan]1, uitbetaald in volgende orde :
1° aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
2° aan de vader en de moeder met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
3° aan ieder persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide kwam;
5° aan de persoon die de begrafeniskosten betaalde.
De vervallen en aan de overleden gerechtigde niet uitbetaalde termijnen worden van ambtswege uitbetaald aan de in het eerste lid beoogde rechthebbende en bij ontstentenis van deze, aan de in het tweede lid, 1° beoogde rechthebbenden, en bij ontstentenis van deze aan de in het tweede lid, 2°, beoogde rechthebbende.
De overige hierboven vermelde rechthebbenden, die de betaling van de vervallen en aan een overleden gerechtigde niet uitgekeerde termijnen in hun voordeel verlangen, moeten een aanvraag tot de Minister richten.
De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Dienst. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had of de burgemeester van de gemeente waar de overledene samenleefde met één der in het tweede lid, 3°, bedoelde personen bevestigt de juistheid van de op dit formulier vermelde gegevens en ondertekent dit mede. De personen bedoeld in het tweede lid, 4° en 5°, kunnen de aanvraag laten ondertekenen door de burgemeester van hun hoofdverblijfplaats.
Op straffe van verval moeten de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend worden binnen een termijn van zes maanden.
Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gerechtigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, indien deze na het overlijden verzonden werd.
Wanneer deze kennisgeving aan de afzender teruggezonden wordt wegens het overlijden van de gerechtigde, wordt een nieuwe kennisgeving gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had. De burgemeester bezorgt deze kennisgeving aan de persoon, die krachtens het eerste of tweede lid, voor de uitbetaling van de termijnen in aanmerking komt.
Bij ontstentenis van de in het eerste lid bedoelde echtgenoot of persoon worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen, met inbegrip van de uitkering voor de maand van overlijden voor zover de gerechtigde niet overleden was op de in het nationaal compensatiesysteem geldende uitvoeringsdatum of, bij betaling [1 via circulaire cheque, op de uitgiftedatum ervan]1, uitbetaald in volgende orde :
1° aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
2° aan de vader en de moeder met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
3° aan ieder persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide kwam;
5° aan de persoon die de begrafeniskosten betaalde.
De vervallen en aan de overleden gerechtigde niet uitbetaalde termijnen worden van ambtswege uitbetaald aan de in het eerste lid beoogde rechthebbende en bij ontstentenis van deze, aan de in het tweede lid, 1° beoogde rechthebbenden, en bij ontstentenis van deze aan de in het tweede lid, 2°, beoogde rechthebbende.
De overige hierboven vermelde rechthebbenden, die de betaling van de vervallen en aan een overleden gerechtigde niet uitgekeerde termijnen in hun voordeel verlangen, moeten een aanvraag tot de Minister richten.
De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Dienst. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had of de burgemeester van de gemeente waar de overledene samenleefde met één der in het tweede lid, 3°, bedoelde personen bevestigt de juistheid van de op dit formulier vermelde gegevens en ondertekent dit mede. De personen bedoeld in het tweede lid, 4° en 5°, kunnen de aanvraag laten ondertekenen door de burgemeester van hun hoofdverblijfplaats.
Op straffe van verval moeten de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend worden binnen een termijn van zes maanden.
Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gerechtigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, indien deze na het overlijden verzonden werd.
Wanneer deze kennisgeving aan de afzender teruggezonden wordt wegens het overlijden van de gerechtigde, wordt een nieuwe kennisgeving gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had. De burgemeester bezorgt deze kennisgeving aan de persoon, die krachtens het eerste of tweede lid, voor de uitbetaling van de termijnen in aanmerking komt.
Modifications
Art. 34. (En cas de décès du bénéficiaire de l'allocation, les termes échus et non payés sont payés d'office au conjoint ou à la personne avec laquelle il était établi en ménage dans le sens de l'article 7, § 3 de la loi.)
A défaut du conjoint ou de la personne visée à l'alinéa 1er, les termes échus et non payés, y compris la prestation du mois du décès pour autant que le bénéficiaire n'était pas décédé à la date de l'exécution du paiement auprès du système national de compensation ou, en cas de paiement [1 par chèque circulaire, à la date d'émission de celui-ci]1, sont versés dans l'ordre ci-après :
1° aux enfants avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
2° aux père et mère avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
3° à toute personne avec qui le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
4° à la personne qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation;
5° à la personne qui a acquitté les frais funéraires.
Les termes échus et non payés à un bénéficiaire décédé sont versés d'office à l'ayant droit visé à l'alinéa premier, et à défaut de celui-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 1°, et à défaut de ceux-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 2°.
Les autres ayants droit énumérés ci-dessus qui désirent obtenir la liquidation, à leur profit, des arrérages échus et non payés à un bénéficiaire décédé, doivent adresser une demande au Ministre.
La demande datée et signée est introduite sur un formulaire dont le modèle est établi par le Service. Le bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale ou le bourgmestre de la commune où le défunt vivait avec une des personnes visées à l'alinéa 2, 3°, certifie l'exactitude des renseignements qui sont mentionnés sur cette formule et la contresigne. Les personnes visées à l'alinéa 2, 4° et 5°, peuvent faire signer la demande par le bourgmestre de leur résidence principale.
Sous peine de forclusion, les demandes de paiement d'arrérages doivent être introduites dans un délai de six mois.
Ce délai prend cours le jour du décès du bénéficiaire ou le jour de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci a été envoyée après le décès.
Lorsque cette notification est renvoyée à l'expéditeur en raison du décès du bénéficiaire, une nouvelle notification est envoyée au bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale. Le bourgmestre fait parvenir cette notification à la personne qui, en vertu du premier ou du deuxième alinéa, entre en ligne de compte pour le paiement des arrérages.
A défaut du conjoint ou de la personne visée à l'alinéa 1er, les termes échus et non payés, y compris la prestation du mois du décès pour autant que le bénéficiaire n'était pas décédé à la date de l'exécution du paiement auprès du système national de compensation ou, en cas de paiement [1 par chèque circulaire, à la date d'émission de celui-ci]1, sont versés dans l'ordre ci-après :
1° aux enfants avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
2° aux père et mère avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
3° à toute personne avec qui le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
4° à la personne qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation;
5° à la personne qui a acquitté les frais funéraires.
Les termes échus et non payés à un bénéficiaire décédé sont versés d'office à l'ayant droit visé à l'alinéa premier, et à défaut de celui-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 1°, et à défaut de ceux-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 2°.
Les autres ayants droit énumérés ci-dessus qui désirent obtenir la liquidation, à leur profit, des arrérages échus et non payés à un bénéficiaire décédé, doivent adresser une demande au Ministre.
La demande datée et signée est introduite sur un formulaire dont le modèle est établi par le Service. Le bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale ou le bourgmestre de la commune où le défunt vivait avec une des personnes visées à l'alinéa 2, 3°, certifie l'exactitude des renseignements qui sont mentionnés sur cette formule et la contresigne. Les personnes visées à l'alinéa 2, 4° et 5°, peuvent faire signer la demande par le bourgmestre de leur résidence principale.
Sous peine de forclusion, les demandes de paiement d'arrérages doivent être introduites dans un délai de six mois.
Ce délai prend cours le jour du décès du bénéficiaire ou le jour de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci a été envoyée après le décès.
Lorsque cette notification est renvoyée à l'expéditeur en raison du décès du bénéficiaire, une nouvelle notification est envoyée au bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale. Le bourgmestre fait parvenir cette notification à la personne qui, en vertu du premier ou du deuxième alinéa, entre en ligne de compte pour le paiement des arrérages.
Modifications
HOOFDSTUK V. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions abrogatoires.
Afdeling 1. - Opheffingen in het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.
Section 1. - Abrogations dans l'arrêté du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et l'allocation d'intégration.
Art. 35. De artikelen 1bis, 11 tot en met 20, 22, 24 tot en met 27, 29, 33 tot en met 38 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming worden opgeheven op datum van 1 juli 2003.
Art. 35. Les articles 1erbis, 11 à 20, 22, 24 à 27, 29, 33 à 38 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration sont abrogés au 1er juillet 2003.
Art. 35bis. De artikelen 10, 21, 23, 30 en 31 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming worden opgeheven op datum van 1 juli 2004.
Art. 35bis. Les articles 10, 21, 23, 30 et 31 de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration sont abrogés au 1er juillet 2004.
Afdeling 2. - Opheffingen in het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.
Section 2. - Abrogations dans l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées.
Art. 36. De artikelen 1bis, 25 tot en met 37, 39, 41 tot en met 46, 48 tot en met 50bis van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden worden opgeheven op datum van 1 juli 2003.
Art. 36. Les articles 1erbis, 25 à 37, 39, 41 à 46, 48 à 50bis de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont abrogés au 1er juillet 2003.
Art. 36bis. De artikelen 24, 38, 40 en 47 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden worden opgeheven op datum van 1 juli 2004.
Art. 36bis. Les articles 24, 38, 40 et 47 de l'arrêté royal du 5 mars 1990 relatif à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont abrogés au 1er juillet 2004.
HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE VI. - Entrée en vigueur.
Art. 37. Behoudens andersluidende bepaling treedt dit besluit in werking op 1 juli 2003, met uitzondering van artikel 34 dat in werking treedt op 1 januari 2003.
Art. 37. Sauf disposition contraire, le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2003, à l'exception de l'article 34, qui entre en vigueur le 1er janvier 2003.
Art. 38. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 38. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l'exécution du présent arrêté.