Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
16 MEI 2003. - Koninklijk besluit tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-06-2003 en tekstbijwerking tot 31-12-2025)
Titre
16 MAI 2003. - Arrêté royal pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-06-2003 et mise à jour au 31-12-2025)
Informations sur le document
Numac: 2003012302
Datum: 2003-05-16
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2003012302
Date: 2003-05-16
Moniteur: Voir
Tekst (229)
Texte (229)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Voor de toepassing van het onderhavige besluit, wordt verstaan onder :
  1° Wet van 24 december 2002 : de Programmawet (I) van 24 december 2002;
  2° Wet van 24 december 1999 : de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
  3° Koninklijk besluit van 19 december 2001 : het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van de langdurig werkzoekende;
  4° Werkzoekende : de niet-werkende werknemer als bepaald in het koninklijk besluit van 19 december 2001;
  5° Periode van werkzoekend zijn : de periode zoals bepaald in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 19 december 2001;
  6° (opgeheven) <KB 2004-01-21/33, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  7° Gerechtigde op maatschappelijke integratie : de rechthebbende bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
  8° Rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp : de rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
  9° (...) leerling : de leerling of de stagiair verbonden met een [1 overeenkomst]1 zoals gedefinieerd in artikel 27, eerste lid, 3° van de wet van 24 december 1999; <KB 2004-01-21/33, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  10° Dienstbode : de werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard uitvoert voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin;
  11° [2 Deeltijds leerplichtige: de werknemer bedoeld bij artikel 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;]2
  [2 12° Gelegenheidswerknemer: de werknemer bedoeld in artikel 8bis en 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   13° Flexi-jobwerknemer: de werknemer met een flexi-job bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.]2

  
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° Loi du 24 décembre 2002 : la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
  2° Loi du 24 décembre 1999 : la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
  3° Arrêté royal du 19 décembre 2001 : l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée;
  4° Demandeur d'emploi : le travailleur inoccupé tel que défini à l'arrêté royal du 19 décembre 2001;
  5° Période pendant laquelle on est demandeur d'emploi : la période telle que définie à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001;
  6° (abrogé) <AR 2004-01-21/33, art. 51, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  7° Ayant droit à l'intégration sociale : l'ayant droit visé par l'article 1er de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et déterminant la dispense de cotisations patronales;
  8° Ayant droit à l'aide sociale financière : un ayant droit à une aide sociale financière visée par l'article 1er de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et déterminant la dispense de cotisations patronales;
  9° Apprenti (...) : l'apprenti ou le stagiaire lié par un [1 contrat]1 tel que défini à l'article 27, premier alinéa, 3° de la loi du 24 décembre 1999; <AR 2004-01-21/33, art. 51, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  10° Employé domestique : le travailleur qui, en vertu d'un contrat de travail pour employés domestiques, est principalement employé pour l'exécution de travaux ménagers de nature physique pour le besoin du ménage de l'employeur ou de sa famille;
  11° [2 Jeune soumis à l'obligation scolaire à temps partiel : le travailleur visé à l'article 5bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 sur la sécurité sociale des travailleurs;]2
  [2 12° Travailleur occasionnel: le travailleur occasionnel visé à l'article 8bis et 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 sur la sécurité sociale des travailleurs;
   13° Travailleur exerçant un flexi-job: le travailleur salarié occupé avec un contrat de travail flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.]2

  
Art. 2. <KB 2004-01-21/33, art. 52, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De berekening van de vermindering van de bijdragen bedoeld in het hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 wordt per tewerkstelling gedaan. Ten behoeve van deze berekening, wordt verstaan onder :
  1° tewerkstelling : een arbeidsverhouding als werknemer waarvan de volgende kenmerken ongewijzigd blijven :
  - de werkgeverscategorie waartoe de werkgever behoort, bepaald door de instelling belast met het innen van de socialezekerheidsbijdragen;
  - de werknemerscategorie waartoe de werknemer behoort, bepaald door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - de begindatum van de arbeidsverhouding;
  - de einddatum van de arbeidsverhouding;
  - het nummer van het paritair comité of subcomité dat bevoegd is voor de uitgeoefende activiteit;
  - het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel;
  - de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer;
  - de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon;
  - het type arbeidsovereenkomst : voltijds of deeltijds;
  - in het voorkomend geval, het type maatregel tot reorganisatie van de arbeidstijd, waaronder de tewerkstelling gebeurt, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - in het voorkomend geval, het type maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, waaronder de tewerkstelling gebeurt, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - in het voorkomend geval, het bijzonder statuut van de werknemer; zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - in het voorkomend geval, het feit dat de werknemer gepensioneerd is;
  - in het voorkomend geval, het type leerovereenkomst, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - in het voorkomend geval, de bijzondere bezoldigingswijze : per stuk, per taak, per prestatie, op commissie, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - bij werknemers die geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld worden bezoldigd, voor de gelegenheidsarbeiders in de landbouw- en tuinbouwsectoren en voor de zeevissers, het functienummer, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - bij werknemers van luchtvaartmaatschappijen die aan boord van vliegtuigen werken en de militaire piloten, de categorie vliegend personeel waartoe zij behoren, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
  - bij onderwijzend personeel, de wijze van betaling van het loon : in tienden of in twaalfden.
  Bij wijziging van minstens één van deze kenmerken heeft men te maken met een andere tewerkstelling van dezelfde werknemer. Periodes gedekt door een verbrekingsvergoeding vormen een onderscheiden tewerkstelling van periodes gedekt door een loon voor effectieve prestaties.
  2° de factoren betreffende de arbeidsduur :
  a) J = het aantal arbeidsdagen van een uitsluitend met dagen aangegeven tewerkstelling, zoals bedoeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitsluiting van de dagen wettelijke vakantie voor handarbeiders, de dagen " inhaalrust bouwbedrijf" en de bijkomende vakantiedagen toegekend bij algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, die niet door de werkgever betaald zijn [18 , en met uitsluiting van de prestaties geleverd in het kader van de in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken bedoelde flexi-job-arbeidsovereenkomst, en met uitsluiting van de in artikel 3, 5°, van dezelfde wet bedoelde overuren in de horeca-sector]18 [28 , en met uitsluiting van de vakantiedagen opgenomen na het vakantiejaar in toepassing van artikel 64, 1°/1, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers]28.
  De dagen gedekt door een verbrekingsvergoeding komen niet in aanmerking voor de berekening van J.
  b) X = J, plus de dagen wettelijke vakantie voor handarbeiders, plus de dagen "inhaalrust bouwbedrijf", plus de dagen van de tewerkstelling, bedoeld in het artikel 50 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de bijkomende vakantiedagen toegekend bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten, die niet door de werkgever betaald zijn [28 , plus de vakantiedagen opgenomen na het vakantiejaar in toepassing van artikel 64, 1°/1, van het voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967]28.
  Deze dagen komen in aanmerking voor zover ze binnen de tewerkstelling van de werknemer liggen.
  c) H = het aantal arbeidsuren van een met dagen en uren aangegeven tewerkstelling, overeenkomstig de hierboven gedefinieerde factor J.
  d) Z = het aantal arbeidsuren van een met dagen en uren aangegeven tewerkstelling, overeenkomstig de hierboven gedefinieerde factor X.
  e) U = het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon.
  f) D = het aantal arbeidsdagen per week van het arbeidsstelsel.
  g) 'mu' = de prestatiebreuk van de prestaties. 'mu' wordt op de volgende manier berekend :
  voor de tewerkstellingen die uitsluitend in dagen werden aangegeven :
  'mu' = X/13 x D
  voor de tewerkstellingen die in dagen en uren werden aangegeven :
  'mu' = Z/13 x U
  'mu' wordt tot op de tweede decimaal na de komma afgerond, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
  h) 'mu' (glob) = de som van alle tewerkstellingen van een werknemer bij een en dezelfde werkgever tijdens een kwartaal.
  i) [15 'beta' = de vaste multiplicatiefactor bedoeld in artikelen 332 en 337 van de programmawet van 24 december 2002.
   Als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,80 dan is beta gelijk aan 1/mu(glob).
   Voor de structurele vermindering zoals bedoeld in Titel II van dit besluit geldt het volgende :
   - als mu(glob) kleiner is dan 0,55 dan is beta gelijk aan 1,18;
   - als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,55 en kleiner dan 0,80 dan is beta gelijk aan 1,18 + ((mu(glob) - 0,55) * 0,28).
   Voor de doelgroepvermindering zoals bedoeld in Titel III van dit besluit geldt het volgende :
   - als mu(glob) kleiner is dan 0,55 dan is beta gelijk aan 1;
   - als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,55 en kleiner dan 0,80 dan is beta gelijk aan 1 + (mu(glob) - 0,55).
   Indien 'mu'(glob) kleiner is dan 0,275, dan wordt beta van elke tewerkstelling beschouwd als zijnde gelijk aan nul zowel voor de structurele vermindering als voor de doelgroepvermindering, behalve :
   - voor de tewerkstellingen van een werknemer behorende tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;
   - vanaf 1 april 2004, voor de voltijdse tewerkstellingen;
   - vanaf 1 april 2004, voor de deeltijdse tewerkstellingen waarvan de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer ten minste de helft bedraagt van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon. Het gaat hierbij telkens om de arbeidsduur zoals deze in de trimestriële aangifte aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen wordt aangegeven;
   - voor wat de structurele vermindering betreft, vanaf 1 april 2007, voor de tewerkstellingen van een werknemer bij een werkgever die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren;
  [12 - Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in de artikelen 353bis/9 en 353bis/10 van de programmawet van 24 december 2002;
   - Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in artikel 353bis/13 van de programmawet van 24 december 2002;
   - Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in artikel 353bis/14 van de programmawet van 24 december 2002.]12

   Beta wordt nooit afgerond.]15

  3° de factoren betreffende het loon :
  a) W = de loonmassa die per tewerkstelling en per kwartaal wordt aangegeven (tegen 100 %), met uitzondering van de vergoedingen die worden betaald ingevolge een verbreking van de arbeidsovereenkomst en die in arbeidsduur worden uitgedrukt en van de eindejaarspremies die betaald worden door tussenkomst van een derde persoon [28 en van het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis, tweede lid, van het voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967.]28
  (Het enkel vertrekvakantiegeld zoals bedoeld in artikel 23bis, § 1, 3°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers [24 en het positief saldo bij de eindafrekening van het vertrekvakantiegeld in het enkel vakantiegeld van de werknemer, zoals bedoeld in de artikelen 48, vierde lid, en 49, vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, maken]24 geen deel uit van deze loonmassa. Het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen bedoeld bij artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en dat vervroegd werd uitbetaald door de vroegere werkgever, maakt wel deel uit van deze loonmassa.) <W 2006-12-27/30, art. 262, 035; Inwerkingtreding : 07-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 185>
  Werkgevers die verbonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan vóór 1 januari 1994 en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit, die voorziet in de toekenning van vergoedingen voor uren die geen arbeidsuren zijn in de zin van de arbeidswet van 16 maart 1971, moeten die vergoedingen in mindering brengen op de voor de tewerkstelling uitgekeerde loonmassa.
  De loonmassa van elke tewerkstelling van het vierde kwartaal van elk jaar wordt vermenigvuldigd met 1,25 voor de categorieën van werknemers voor wie de eindejaarspremie door tussenkomst van een derde wordt uitbetaald. Voor de uitzendkrachten tewerkgesteld door een uitzendbureau echter wordt de loonmassa van elke tewerkstelling van het eerste kwartaal van elk jaar, vermenigvuldigd met 1,15. De resultaten van deze vermenigvuldigingen worden tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
  b) S1 = de loongrens S1 bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002; S1 = 12.000,00 EUR.
  [13 Vanaf het tweede kwartaal 2012 is S1 gelijk aan 12.240,00 EUR.]13
  [15 Vanaf het 2e kwartaal 2013 is S1 gelijk aan 13.359,80 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het 1e kwartaal 2014 is S1 gelijk aan 13.401,07 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15

  [17 Van 1 april 2016 tot 31 december 2017 is S1 gelijk aan 12.484,80 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 2 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal 2018 is S1 gelijk aan [19 12.990,00]19 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal 2018 is S1 gelijk aan 0,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]17

  [13 bbis) Het bedrag van de loongrens S1, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
   Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
   Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S1 werd vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002. [15 In afwijking op het voorgaande wordt de loongrens S1 die geldt vanaf het 1e kwartaal 2014 voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 verhoogd met een factor 1,02 voor elke spilindexoverschrijding in de periode van 1 april 2013 tot en met 1 januari 2014.]15
   De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S1 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.]13

  c) S = het refertekwartaalloon, m.a.w. de loonmassa die in aanmerking wordt genomen om het basisbedrag van de vermindering R te bepalen. S wordt op volgende wijze verkregen :
  a. voor de uitsluitend in dagen aangegeven tewerkstellingen :
  S = W x (13 x D/J)
  Het resultaat van de berekening (13 x D/J) wordt afgerond tot op het tweede cijfer na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond op 0,01;
  b. voor de tewerkstellingen aangegeven in dagen en uren :
  S = W x (13 x U/H)
  Het resultaat van de berekening (13 x U/H) wordt afgerond tot op het tweede cijfer na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond op 0,01.
  S wordt afgerond tot op de cent, waarbij 0,005 EUR afgerond wordt op 0,01 EUR.
  De factor S wordt forfaitair verminderd met 241,70 EUR per tewerkstelling indien, voor de tewerkstelling, één van de verminderingen wordt toegekend voorzien in artikelen 367, 369 of 370 van de programmawet van 24 december 2002.
  d) (S0 = de loongrens bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
  S0 is gelijk aan 5 310,00 EUR voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004.
  Vanaf het eerste kwartaal 2005 is S0 gelijk aan 5 870,71 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 en 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
  Vanaf het eerste kwartaal 2005 is S0 gelijk aan 5 988,12 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2005-11-10/58, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (Vanaf het eerste kwartaal 2006 is S0 gelijk aan 6157,78 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
  Vanaf het eerste kwartaal 2007 is S0 gelijk aan 6260,58 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
  Vanaf het eerste kwartaal 2008 is S0 gelijk aan 6230,04 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2007-04-26/62, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [1 Vanaf het tweede kwartaal 2009 is S0 gelijk aan 7.075,20 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het eerste kwartaal 2010 is S0 gelijk aan 6.611,36 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]1

  [15 Vanaf het eerste kwartaal 2010 tot het vierde kwartaal 2011 is S0 gelijk aan 6.030,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de wet van 24 december 2002.]15
  [12 Vanaf het eerste kwartaal 2011 is S0 gelijk aan 6.787,67 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
  [14 Vanaf het eerste kwartaal 2012 is S0 gelijk aan 6.968,37 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het eerste kwartaal 2013 is S0 gelijk aan [15 7.225,00]15 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]14
]12

  [15 Vanaf het 1ste kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 5.900,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het 1ste kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 6.150,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15

  [15 Vanaf het 2e kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 5.575,93 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het 1e kwartaal van 2014 is S0 gelijk aan 5.560,49 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15

  [17 Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 6.900,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 7.110,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 8.185,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 7.500,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;
   Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan 8.850,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan [19 7400,00]19 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan 8.850,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 en waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 9.450,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;
   Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 9.035,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 7.590,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 9.035,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan [20 9.640,00]20 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;]17

  [21 Vanaf het eerste kwartaal van 2021 is S0 gelijk aan 9.480,90 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 9.985,80 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is.]21
  [14 dbis) Het bedrag van de loongrens S0 [11 ...]11, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999 met ingang vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang vanaf dat kwartaal.
   Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
   Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S0 wordt vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
   De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S0 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
  [15 Laatste lid opgeheven.]15]14

  [27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S0 gelijk aan 9.780,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]27
  [23 e) S2 = de loongrens bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het tweede kwartaal 2022 is S2 gelijk aan 5.889,70 EUR behoudens voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor S2 gelijk is aan 6.048,89 EUR.
  [25 Vanaf het tweede kwartaal 2024 is S2 gelijk aan 6807,18 EUR, voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vanaf het tweede kwartaal 2024 is S2 gelijk aan 6.995,54 EUR, voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]25
  [27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 8.400,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
   Vanaf het derde kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 9.360,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 9.780,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]27

   f) Het bedrag van de loongrens S2, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999 met ingang vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang vanaf dat kwartaal.
   Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
   Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S2 wordt vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
   De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S2 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.]23

  4° de factoren betreffende de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen :
  a) F = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
  [17 Van 1 april 2016 tot 31 december 2017 is F gelijk aan 24,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
   Vanaf het eerste kwartaal 2018 is F gelijk aan 49,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;]17

  [21 Vanaf het eerste kwartaal 2021 is F gelijk aan 79,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
   Vanaf het eerste kwartaal 2021 is F gelijk aan 495,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 voor wie de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is, zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]21

  b) G1 = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
  c) G2 = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
  (cbis ) G3 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2006-07-20/41, art. 1, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  [14 cter ) G4 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
  [14 cquater ) G5 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
  [14 cquinquies ) G6 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
  [10 csexies [13 G7 is het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]13]10
  [14 csepties) G8 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
  [15 cocties) G9 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]15
  [10 cnonies) G10 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002. ]10
  [13 cdecies G11 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
  cundecies G12 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
  cduodecies G13 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]13

  [16 cterdecies) G14 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
  [16 cquaterdecies) G15 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
  [16 cquindecies) G16 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
  [22 csedecies G18 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]22
  [26 cseptemdecies) G20 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]26
  d) R = de basisvermindering van de structurele vermindering bedoeld in hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002, per kwartaal, en afhankelijk van de in aanmerking genomen loonmassa S van de tewerkstelling.
  e) [11 'α']11 = de coëfficiënt a bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
  Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 of 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt [11 'α']11 0,1750 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is [11 'α']11 gelijk aan 0,1444. (Vanaf het tweede kwartaal 2007 is " alfa " gelijk aan 0,1620.) [15 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt 0,1785 vanaf het 2e kwartaal 2013.]15 <KB 2007-04-21/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt [11 'α']11 0,2706 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is [11 'α']11 gelijk aan 0,2266. (Vanaf het tweede kwartaal 2007 is " alfa " gelijk aan 0,2467.) <KB 2007-04-21/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  [15 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt 0,2557 vanaf het 2e kwartaal 2013.]15
  [27 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,23 vanaf het tweede kwartaal 2025.]27
  [17 Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1369 vanaf het tweede kwartaal 2016;
   Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1280 vanaf het eerste kwartaal 2018.
   Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1400 vanaf het eerste kwartaal 2019;
   Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1369 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het tweede kwartaal 2016;
   Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1280 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het eerste kwartaal 2018;
   Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1400 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het eerste kwartaal 2019.]17

  [23 ebis) {gamma}= de coëfficiënt {gamma} bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
   Vanaf het tweede kwartaal 2022 bedraagt {gamma} 0,4000.]23

  [27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 bedraagt [gamma] 0,15 voor categorie 2 en 0,21 voor categorie 1 en 3.
   Vanaf het derde kwartaal 2025 bedraagt [gamma] 0,15.
   Vanaf het tweede kwartaal 2026 bedraagt [gamma] 0,16.]27

  f) 'delta' = de coëfficiënt 'delta' bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
  'delta' bedraagt 0,0173 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is 'delta' gelijk aan 0,0600.
  [17 Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 is 'delta' gelijk aan 0,00 vanaf het eerste kwartaal 2018.]17
  g) [15 G = het hoogste forfaitair bedrag als doelgroepvermindering waarop een werknemer recht geeft afhankelijk van de voorwaarden waaraan hij voldoet. G is gelijk aan [13 G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, G8, G9, G10, G11, G12 [16 , G13, G14, G15 [22 , G16 of G18]22]16]13 zoals bepaald in afdeling 3 van hoofdstuk 7 van titel IV van de wet van 24 december 2002.]15
  h) Ps = de uiteindelijk toegestane structurele vermindering, per kwartaal, afhankelijk van de prestatiebreuk 'mu' van de tewerkstelling. Ps mag nooit groter zijn dan R.
  i) [15 Pg = de uiteindelijk toegestane doelgroepvermindering, per kwartaal, afhankelijk van de prestatiebreuk 'mu' van de tewerkstelling. Pg mag nooit groter zijn dan G.]15 [13 Pg mag voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/13 van de Programmawet van 24 december 2002 nooit hoger zijn dan 517,00 EUR per kwartaal.]13
  (5° de beoordeling van de leeftijd van de werknemer :
  voor de toepassing van de doelgroepvermindering bedoeld bij (artikelen 339 en 346) van de programmawet van 24 december 2002 verstaat men onder " leeftijd ", de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het betrokken kwartaal.) <KB 2006-07-20/41, art. 1, 4°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2006> <KB 2007-06-29/30, art. 1, 3°, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  

Modifications

Art. 2. <AR 2004-01-21/33, art. 52, 002; En vigueur : 01-01-2004> Le calcul de la réduction des cotisations visée au chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 s'effectue par occupation. Pour ce calcul, on entend par :
  1° occupation : une relation de travail comme travailleur salarié, dont les caractéristiques suivantes restent inchangées :
  - la catégorie d'employeur, déterminée par l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, à laquelle l'employeur appartient;
  - la catégorie de travailleurs, déterminée par l'organisme percepteur précité, à laquelle le travailleur appartient;
  - la date de début de la relation de travail;
  - la date de fin de la relation de travail;
  - le numéro de la commission ou de la sous-commission paritaire, compétente pour l'activité exercée;
  - le nombre de jours par semaine du régime de travail;
  - la durée contractuelle hebdomadaire moyenne de travail du travailleur salarié;
  - la durée hebdomadaire moyenne de travail de la personne de référence;
  - le type de contrat de travail : à temps plein ou à temps partiel;
  - le cas échéant, le type de mesure de réorganisation du temps de travail, selon laquelle l'occupation a lieu, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
  - le cas échéant, le type de mesure de promotion de l'emploi, selon laquelle l'occupation a lieu, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
  - le cas échéant, le statut spécial du travailleur tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
  - le cas échéant, le fait que le travailleur soit pensionné;
  - le cas échéant, le type de contrat d'apprentissage, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
  - le cas échéant, les modalités particulières du paiement de la rémunération : à la pièce, à la tâche, à la prestation, à la commission, telles qu'elles ont été définies par l'organisme percepteur précité;
  - pour les travailleurs payés complètement ou partiellement au pourboire, pour les travailleurs occasionnels dans les secteurs de l'horticulture et de l'agriculture et pour les marins-pêcheurs : le numéro de fonction, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
  - pour les travailleurs des compagnies aériennes, occupés à bord des avions et les pilotes militaires, la catégorie de personnel volant à laquelle ils appartiennent, telle qu'elle a été définie par l'organisme percepteur précité;
  - pour le personnel enseignant, les modalités de paiement de la rémunération : en dixièmes ou en douzièmes.
  Le changement d'au moins une de ces caractéristiques entraîne une autre occupation du même travailleur. Les périodes couvertes par une indemnité de rupture constituent des occupations distinctes des périodes couvertes par une rémunération pour prestations réelles.
  2° les facteurs relatifs à la durée du travail :
  a) J = le nombre de jours de travail d'une occupation qui a été déclarée exclusivement avec des journées telles que visées à l'article 24 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, à l'exclusion des jours de vacances légales des travailleurs manuels, des jours de "repos compensatoire secteur de la construction" et des jours de vacances complémentaires octroyés par convention collective de travail rendue obligatoire, qui ne sont pas payés par l'employeur [18 et à l'exception des prestations délivrées dans le cadre du contrat de travail flexi-job, visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale et à l'exception des heures supplémentaires dans le secteur de l'Horeca, visées à l'article 3, 5°, de la même loi]18 [28 et à l'exception des jours de vacances pris après l'année de vacances en application de l'article 64, 1°/1, de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés]28.
  Les jours couverts par une indemnité de rupture ne sont pas pris en compte dans le calcul de J.
  b) X = J, plus les jours de vacances légales des travailleurs manuels, plus les jours de "repos compensatoire secteur de la construction", plus les jours de l'occupation tels que visés à l'article 50 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et les journées de vacances complémentaires octroyées par convention collective du travail rendue obligatoire, qui ne sont pas payées par l'employeur [28 , plus les jours de vacances pris après l'année de vacances en application de l'article 64, 1°/1, de l'arrêté royal du 30 mars 1967 précité]28.
  Ces jours sont pris en considération pour autant qu'ils se situent dans une période d'occupation du travailleur.
  c) H = le nombre d'heures de travail d'une occupation qui a été déclarée en jours et en heures conformément au facteur J défini ci-dessus.
  d) Z = le nombre d'heures de travail d'une occupation qui a été déclarée en jours et en heures conformément au facteur X défini ci-dessus.
  e) U = le nombre moyen d'heures par semaine, de la personne de référence.
  f) D = le nombre de jours par semaine du régime de travail.
  g) μ = la fraction des prestations. μ est déterminé de la façon suivante :
  pour les occupations qui sont exclusivement déclarées en jours :
  μ = X/13 x D
  pour les occupations qui sont déclarées en jours et en heures :
  μ = Z/13 x U
  μ est arrondi à la deuxième décimale après la virgule, 0,005 étant arrondi vers le haut.
  h) μ (glob) = la somme de toutes les occupations d'un travailleur auprès d'un même employeur pendant un trimestre.
  i) [15 beta = le facteur de multiplication fixe visé aux articles 332 et 337 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
   Lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,80, alors beta est égal à 1/mu(glob).
   Ce qui suit est valable pour la réduction structurelle telle que visée au Titre II de cet arrêté :
   - lorsque mu(glob) est inférieur à 0,55, alors beta est égal à 1,18;
   - lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,55 et inférieur à 0,80, alors beta est égal à 1,18 + ((mu(glob) - 0,55)* 0,28).
   Ce qui est valable pour la réduction groupe cible telle que visée au Titre III de cet arrêté :
   - lorsque mu(glob) est inférieur à 0,55, alors beta est égal à 1;
   - lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,55 et inférieur à 0,80, alors beta est égal à 1 + (mu(glob) - 0,55).
   Si mu(glob) est inférieur à 0,275, alors beta de chaque occupation est considéré comme étant égal à zéro, aussi bien pour la réduction structurelle que pour la réduction groupe cible, sauf :
   - pour les occupations d'un travailleur appartenant à la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
   - à partir du 1er avril 2004, pour les occupations à temps plein;
   - à partir du 1er avril 2004, pour les occupations à temps partiel dont la durée du travail hebdomadaire moyenne contractuelle du travailleur s'élève au moins à la moitié de la durée du travail hebdomadaire moyenne de la personne de référence; il est tenu compte de la durée du travail telle qu'elle est mentionnée dans la déclaration trimestrielle à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale;
   - en ce qui concerne la réduction structurelle, à partir du 1er avril 2007, pour les occupations d'un travailleur auprès d'un employeur qui relève de la Commission paritaire de l'industrie hôtelière;
  [12 - A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé aux articles 353bis/9 et 353bis/10 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
   - A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé à l'article 353bis/13 de la Loi-programme du 24 décembre 2002;
   - A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé à l'article 353bis/14 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]12

   beta n'est jamais arrondi.]15

  3° les facteurs relatifs à la rémunération :
  a) W = la masse salariale déclarée trimestriellement par occupation (à 100 % ), à l'exception des indemnités payées en raison de la rupture du contrat de travail et exprimées en temps de travail, ainsi que des primes de fin d'année payées à l'intervention d'un tiers. [28 , ainsi que le pécule de vacances visé à l'article 67bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 30 mars 1967 précité.]28
  (Le simple pécule de sortie visé à l'article 23bis, § 1er, 3°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés [24 et le solde positif du décompte final du pécule de vacances de départ dans le simple pécule de vacances du travailleur, tel que visé aux articles 48, alinéa 4, et 49, alinéa 4, de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, ne font pas]24 partie de cette masse salariale. Fait par contre partie de cette masse salariale la partie du pécule correspondant au salaire normal pour les jours de vacances visés à l'article 19, § 1er de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs qui a été payée anticipativement par l'ancien employeur.) <L 2006-12-27/30, art. 262, 035; En vigueur : 07-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
  Les employeurs liés par une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire avant le 1er janvier 1994 et rendue obligatoire par arrêté royal, prévoyant l'octroi d'indemnités pour des heures qui ne constituent pas des heures de travail au sens de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, doivent soustraire ces indemnités de la masse salariale déclarée pour l'occupation.
  La masse salariale de chaque occupation du quatrième trimestre de chaque année est multipliée par 1,25 pour les catégories de travailleurs pour lesquels les primes de fin d'année sont payées à l'intervention d'un tiers. Toutefois, pour les travailleurs intérimaires occupés par une entreprise de travail intérimaire, la masse salariale de chaque occupation du premier trimestre est multiplié par 1,15. Les résultats de ces multiplications sont arrondis au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
  b) S1 = le plafond salarial S1 visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002; S1 = 12.000,00 EUR.
  [13 A partir du deuxième trimestre 2012, S1 est égal à 12.240,00 EUR.]13
  [15 A partir du 2e trimestre 2013, S1 est égal à 13.359,80 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
   A partir du 1er trimestre 2014, S1 est égal à 13.401,07 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15

  [17 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, S1 est égal à 12.484,80 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 2 et 3 telle que visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du premier trimestre 2018, S1 est égal à [19 12.990,00]19 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du premier trimestre 2018, S1 est égal à 0,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 1 et 3 telle que visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]17

  [13 bbis) Le montant du plafond salarial S1, comme déterminé par le présent arrêté en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002, est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
   Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Cette disposition est appliqué à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S1 est déterminé par le présent arrêté, en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002. [15 Contrairement à ce qui précède, le montant du plafond salarial S1 qui est d'application dès le 1er trimestre 2014 pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002 est augmenté d'un facteur 1,02 pour chaque dépassement de l'index pivot dans la période du 1er avril 2013 jusqu'au 1er janvier 2014 inclus.]15
   Le calcul, visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S1 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.]13

  c) S = le salaire de référence du trimestre, c'est-à-dire la masse salariale prise en compte pour déterminer le montant de base R de la réduction. S s'obtient de la manière suivante :
  a. pour les occupations déclarées exclusivement en jours :
  S = W x (13 x D/J)
  Le résultat du calcul (13 x D/J) est arrondi au second chiffre après la virgule, 0,005 étant arrondi à 0,01;
  b. pour les occupations déclarées en jours et en heures :
  S = W x (13 x U/H)
  Le résultat du calcul (13 x U/H) est arrondi au second chiffre après la virgule, 0,005 étant arrondi à 0,01.
  S est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
  Le facteur S est diminué forfaitairement de 241,70 EUR par trimestre lorsque, pour l'occupation, est octroyée une des réductions prévues par les articles 367, 369 ou 370 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  d) (S0 = le plafond salarial visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  S0 est égal à 5 310,00 EUR pour les trimestres de l'année 2004.
  A partir du premier trimestre 2005, S0 est égal à 5 870,71 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 1 et 2 telles que visées à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  A partir du premier trimestre 2005, S0 est égal à 5 988,12 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2005-11-10/58, art. 1, 003; En vigueur : 01-01-2005>
  (A partir du premier trimestre 2006, S0 est égal à 6157,78 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
  A partir du premier trimestre 2007, S0 est égal à 6260,58 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
  A partir du premier trimestre 2008, S0 est égal à 6230,04 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.) <AR 2007-04-26/62, art. 1, 010; En vigueur : 01-01-2006>
  [1 A partir du deuxième trimestre 2009, S0 est égal à 7.075,20 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
   A partir du premier trimestre 2010, S0 est égal à 6.611,36 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.]1

  [15 A partir du premier trimestre 2010 et jusqu'au quatrième trimestre 2011, S0 est égal à 6.030,00 euro pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi du 24 décembre 2002.]15
  [12 A partir du premier trimestre 2011, S0 est égal à 6.787,67 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
  [14 A partir du premier trimestre 2012, S0 est égal à 6.968,37 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
   A partir du premier trimestre 2013, S0 est égal à [15 7.225,00]15 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.]14
]12

  [15 A partir du 1er trimestre 2013, S0 est égal à 5.900,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
   A partir du 1er trimestre 2013, S0 est égal à 6.150,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15

  [15 A partir du 2e trimestre 2013, S0 est égal à 5.575,93 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
   A partir du 1er trimestre 2014, S0 est égal à 5.560,49 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15

  [17 A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 6.900,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 7.110,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 8.185,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 7.500,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
   A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à 8.850,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à [19 7400,00 ]19 pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à 8.850,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 9.450,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
   A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 9.035,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 7.590,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 9.035,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à [20 9.640,00]20 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;]17

  [21 A partir du 1er trimestre 2021, S0 est égal à 9.480,90 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 9.985,80 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale.]21
  [27 A partir du deuxième trimestre 2025 le S0 est égal à 9.780,00 EUR, pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]27
  [14 dbis) Le montant du plafond salarial S0 [11 ...]11, comme déterminé par le présent arrêté en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002, est augmenté de 2 %, pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de cette trimestre.
   Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S0 est déterminé par le présent arrêté en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.
   Le calcul visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S0 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.
  [15 Dernier alinéa abrogé.]15]14

  [23 e) S2 = le plafond salarial S1 visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
   A partir du deuxième trimestre 2022, S2 est égal à 5.889,70,00 EUR, sauf pour les employeurs de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002 pour lesquels S2 est égal à 6.048,89 EUR.
  [25 A partir du deuxième trimestre 2024 le S2 est égal à 6807,18 EUR, pour les employeurs de la catégorie 1 et 3, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002. A partir du deuxième trimestre 2024 le S2 est égal à 6.995,54 EUR, pour les employeurs de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002.]25
  [27 A partir du deuxième trimestre 2025, le S2 est égal à 8.400,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 et 3, visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
   A partir du troisième trimestre 2025, le S2 est égal à 9.360,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 et 3, visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. A partir du deuxième trimestre 2025, le S2 est égal à 9.780,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]27

   f) Le montant du plafond salarial S2, comme déterminé par le présent arrêté en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002, est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
   Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S2 est déterminé par le présent arrêté, en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.
   Le calcul, visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S2 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.]23

  4° les facteurs relatifs à la réduction des cotisations de sécurité sociale :
  a) F = le montant forfaitaire visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  [17 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, F est égal à 24,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
   A partir du premier trimestre 2018, F est égal à 49,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;]17

  [21 A partir du premier trimestre 2021, F est égal à 79,00 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
   A partir du premier trimestre 2021, F est égal à 495,00 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 pour lequel la cotisation de modération salariale n'est pas due, telle que visée à l'article 330 de la la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. ]21

  b) G1 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  c) G2 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  (cbis ) G3 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2006-07-20/41, art. 1, 1°, 004; En vigueur : 01-07-2006>
  [14 cter ) G4 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
  [14 cquater ) G5 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
  [14 cquinquies ) G6 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
   [10 csexies [13 G7 est le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]13]10
  [14 csepties) G8 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
  [15 cocties) G9 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
  [10 cnonies) G10 : le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]10
  [13 cdecies) G11 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ";
   3° cundecies) G12 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ";
   4° cduodecies) G13 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]13

  [16 cterdecies) G14 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
  [16 cquaterdecies) G15 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
  [16 cquindecies) G16 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
  [22 csedecies G18 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]22
  [26 cseptemdecies) G20 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]26
  d) R = la réduction de base de la réduction structurelle visée au chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002, par trimestre, dépendant de la masse salariale S de l'occupation prise en compte.
  e) [11 'α' ]11 = le coefficient a tel que visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 1 ou 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, [11 'α' ]11 s'élève à 0,1750 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, [11 'α' ]11 est égal à 0,1444. (A partir du deuxième trimestre 2007 " alpha " est égal à 0,1620.) [15 Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, s'élève à 0,1785 à partir du 2e trimestre 2013.]15 <AR 2007-04-21/45, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2007>
  Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, [11 'α' ]11 s'élève à 0,2706 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, [11 'α' ]11 est égal à 0,2266. (A partir du deuxième trimestre 2007 " alpha " est égal à 0,2467.) <AR 2007-04-21/45, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2007>
  [15 Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, s'élève à 0,2557 à partir du 2e trimestre 2013.]15
  [27 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève à 0,23 à partir du deuxième trimestre 2025;]27
  [17 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève à 0,1369 à partir du 2ième trimestre 2016;
   Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève à 0,1280 à partir du 1er trimestre 2018;
   Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève à 0,1400 à partir du 1er trimestre 2019;
   Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève, à partir du 2ième trimestre 2016, à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 0,1369 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
   Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 0,1280 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur sont redevables de la cotisation de modération salariale à partir du 1er trimestre 2018;
   Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élève à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotisation de modération salariale et à 0,1400 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale à partir du 1er trimestre 2019.]17

  [23 ebis) {gamma} = le coefficient {gamma} visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
   A partir du 2ième trimestre 2022 {gamma} s'élève à 0,4000.]23

  [27 A partir du deuxième trimestre 2025 [gamma] s'élève à 0,15 pour la catégorie 2 et à 0,21 pour les catégories 1 et 3.
   A partir du troisième trimestre 2025 [gamma] s'élève à 0,15.
   A partir du deuxième trimestre 2026 [gamma] s'élève à 0,16.]27

  f) Δ = le coefficient visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
  Δ s'élève à 0,0173 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, Δ est égal à 0,0600.
  [17 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant à catégories 1 et 3 visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, Δ est égal à 0,00 à partir du premier trimestre 2018.]17
  g) [15 G = le montant forfaitaire maximum comme réduction groupe-cible auquel un travailleur à droit tenant compte des conditions auxquelles il satisfait. G est égal à [13 G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, G8, G9, G10, G11, G12 [16 , G13, G14, G15 [22 , G16 ou G18]22]16]13 tel que défini à la section 3 du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
  h) Ps = la réduction structurelle finalement octroyée, par trimestre, tenant compte de la fraction des prestations μ de l'occupation. Ps ne peut jamais être supérieur à R.
  i) [15 Pg = la réduction groupe-cible finalement octroyée, par trimestre, tenant compte de la fraction des prestations μ de l'occupation. Pg ne peut jamais être supérieure à G. [13 Pg pour les travailleurs visés à l'article 353bis/13 de la loi-programme du 24 décembre 2002 ne peut jamais être supérieur à 517,00 EUR par trimestre.]13]15
  (5° l'appréciation de l'âge du travailleur :
  pour l'application de la réduction groupe cible visée à (les articles 339 et 346) de la loi-programme du 24 décembre 2002, on entend par " âge ", l'âge du travailleur le dernier jour du trimestre concerné.) <AR 2006-07-20/41, art. 1, 4°, 004; En vigueur : 01-07-2006> <AR 2007-06-29/30, art. 1, 3°, 012; En vigueur : 01-04-2007>
  

Modifications

TITEL II. - De structurele vermindering.
TITRE II. - La réduction structurelle.
Art. 3. De structurele vermindering wordt als volgt berekend :
  1° [2 het forfaitaire bedrag R :
   R = F + alpha x (S0 - S) + {gamma} x (S2 - S) + delta x (W - S1)
   Indien S0 - S kleiner is dan 0, dan wordt S0 - S beschouwd als gelijk aan 0.
   De vermenigvuldiging alpha x (S0 - S) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.
   Indien S2 - S kleiner is dan 0, dan wordt S2 - S beschouwd als gelijk aan 0.
   De vermenigvuldiging {gamma} x (S2 - S) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.
   Indien W - S1 kleiner is dan 0, dan wordt W - S1 beschouwd als gelijk aan 0.
  [3 Als het basisloon zoals bedoeld in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers hoger is dan het grensbedrag zoals bedoeld in datzelfde lid, dan wordt het basisloon in het bedrag van W gelijkgesteld aan het grensbedrag. ]3
   De vermenigvuldiging delta x (W - S1) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.]2

  2° het bedrag van de vermindering Ps
  [1 Ps = R x mu x beta]1
  Ps wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond op 0,01 EUR.
  
Art. 3. La réduction structurelle est calculée comme suit :
  1° [2 le montant forfaitaire R :
   R = F + alpha x (S0 - S) + {gamma} x (S2 - S) + delta x (W - S1)
   Si S0 - S est inférieur à 0, S0 - S est considéré comme étant égal à 0.
   La multiplication alpha x (S0 - S) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Si S2 - S est inférieur à 0, S2 - S est considéré comme étant égal à 0.
   La multiplication {gamma} x (S2 - S) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Si W - S1 est inférieur à 0, W - S1 est considéré comme étant égal à 0.
  [3 Si le salaire de base, visé à l'article 38, § 1er, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés est plus haut que le plafond visé au même article, alors le salaire de base dans le montant W est égal au plafond.]3
   La multiplication delta x (W - S1) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.]2

  2° le montant de la réduction Ps
  [1 Ps = R x 'Mu' x beta)]1
  Ps est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
  
TITEL III. - De doelgroepvermindering.
TITRE III. - Réduction groupe-cible.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 4. <KB 2007-06-29/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. [1 Het bedrag van de doelgroepvermindering wordt als volgt berekend :
   Pg = G * mu * beta.
   Pg wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond op 0,01 EUR.]1

  § 2. [1
  ]1.
  § 3. [1
  ]1.
  § 4. [1
  ]1.
  § 5. [1
  ]1.
  § 6. [1 ...]1.
  
Art. 4. <AR 2007-06-29/30, art. 2, 012; En vigueur : 01-04-2007> § 1er. [2 Le montant de la réduction groupe-cible est calculé comme suit :
   Pg = G * mu * beta.
   Pg est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.]2

  § 2. [2 ...]2.
  § 3. [2 ...]2.
  § 4. [2 ...]2.
  § 5. [2 ...]2.
  § 6. [1 ...]1.
  
Art. 4/1. _BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
   Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.]1

  
Art. 4/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
  [1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
   Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.]1

  
Art. 4/1. _WAALS_GEWEST.
  [1 De loongrens bepaald in artikel 6/1 wordt met 2 % verhoogd voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, voortvloeiend uit de koppeling aan de index bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van de voornoemde wet van 20 december 1999, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrens wordt verhoogd of, als deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, vanaf dat kwartaal.
   Het resultaat van de berekening bedoeld in het vorig lid, wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, en 0,005 wordt naar 0,01 EUR afgerond.
   Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het bedrag van de betrokken loongrens wordt bepaald.]1

  
Art. 4/1 _REGION_WALLONNE.
  [1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6/1 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ce plafond salarial est augmenté ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
   Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
   Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé]1

  
HOOFDSTUK II. - Oudere werknemers.
CHAPITRE II. - Travailleurs âgés.
Art. 5. De toepassing van de doelgroepvermindering voor oudere werknemers wordt beperkt tot de werkgevers die werknemers tewerkstellen welke onderworpen zijn aan het geheel der takken bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Deze werkgevers kunnen trimestrieel voor elk van deze werknemers genieten van een doelgroepvermindering voor oudere werknemers volgens de principes zoals uiteengezet in hetgeen volgt.
Art. 5. L'application de la réduction groupe cible pour travailleurs âgés est limitée aux employeurs occupant des travailleurs qui sont assujettis à l'ensemble des branches, visées à l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés. Ces employeurs peuvent bénéficier trimestriellement pour chacun desdits travailleurs d'une réduction groupe-cible pour travailleurs âgés correspondant aux principes développés ci-après.
Art. 5_VLAAMS_GEWEST.   [1 ...]1
  
Art. 5 _REGION_FLAMANDE.
  [1 ...]1
  
Art. 6. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339 van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend ten belope van het forfaitaire bedrag G2 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 54 jaar hebben, ten belope van het forfaitaire bedrag G1 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 58 jaar hebben, ten belope van het forfaitaire bedrag G8 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 62 jaar hebben en ten belope van het forfaitaire bedrag G9 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 65 jaar hebben.
Art. 6. La réduction groupe-cible, visée à l'article 339 de la loi-programme du 24 décembre 2002, peut être octroyée pour un montant forfaitaire s'élevant à G2 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 54 ans, pour un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 58 ans, pour un montant forfaitaire s'élevant à G8 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 62 ans et pour un montant forfaitaire s'élevant à G9 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 65 ans.
Art. 6 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [3 De doelgroepvermindering vermeld in artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002 kan toegekend worden als volgt :
   1° ten belope van het forfaitair bedrag G3 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt hebben;
   2° ten belope van het forfaitair bedrag G2 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 56 jaar bereikt hebben;
   3° ten belope van het forfaitair bedrag G1 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 59 jaar bereikt hebben;
   4° ten belope van het forfaitair bedrag G8 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 62 jaar bereikt hebben.]3

  
Art. 6 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
  [3 La réduction pour groupe cible mentionnée à l'article 339 de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I) peut être octroyée comme suit :
   1° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G3 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins 55 ans;
   2° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G2 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins 56 ans;
   3° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins 59 ans;
   4° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G8 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins 62 ans.]3

  
Art. 6_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339, § 1 van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend voor een forfaitaire som van G2 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 55 jaar oud zijn en voor een forfaitaire som van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 58 jaar oud zijn.
   § 2. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339, § 2, van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend voor een forfaitaire som van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 60 jaar oud zijn en voor een forfaitaire som van G8 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 65 jaar oud zijn.
   § 3. Paragrafen 1 en 2 treden in werking op 1 juli 2023. De vóór hun inwerkingtreding geldende bepalingen blijven van toepassing op elke rechtspositie die vóór 31 december 2023 recht geeft op doelgroepvermindering, voor de duur van de ononderbroken tewerkstelling van de werknemer bij dezelfde werkgever.]1

  
Art. 6 _REGION_WALLONNE.[1 § 1er. La réduction groupe-cible, visée à l'article 339, § 1er, de la loiprogramme du 24 décembre 2002, peut être octroyée pour un montant forfaitaire s'élevant à G2 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 55 et pour un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 58 ans.
   § 2. La réduction groupe-cible, visée à l'article 339, § 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002, peut être octroyée pour un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 60 ans et pour un montant forfaitaire s'élevant à G8 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 65 ans.
   § 3. Les paragraphes 1er et 2 entrent en vigueur au 1er janvier 2024. Les dispositions applicables avant leur entrée en vigueur continuent à s'appliquer pour toute situation juridique donnant droit à une réduction groupes-cibles avant le 31 décembre 2023, pour la durée de l'occupation continue du travailleur auprès du même employeur.]1

  
Art. 6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De doelgroepvermindering, zoals bedoeld in artikel 339 van de programmawet van 24 december 2002, kan worden toegekend voor een forfaitair bedrag van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal tenminste de leeftijd van 61 jaar en ten hoogste de leeftijd van 66 jaar bereikt hebben en in zoverre het refertekwartaalloon de loongrens van 8.000 euro niet overschrijdt.
   In afwijking van het eerste lid bedraagt de loongrens voor het vierde kwartaal 10.666,67 euro, behalve voor uitzendkrachten."
   In afwijking van het eerste lid bedraagt de loongrens voor het eerste kwartaal 10.666,67 euro voor uitzendkrachten.]1

  
Art. 6 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 La réduction groupe-cible, visée à l'article 339 de la loi-programme du 24 décembre 2002, peut être octroyée pour un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont âgés d'au moins 61 ans et d'au maximum 66 ans et pour autant que le salaire trimestriel de référence ne dépasse pas le plafond salarial qui s'élève à 8.000 euros.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le plafond salarial pour le quatrième trimestre s'élève à 10.666,67 euros, sauf pour les travailleurs intérimaires. "
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le plafond salarial pour le premier trimestre s'élève à 10.666,67 euros pour les travailleurs intérimaires.]1

  
Art. 6/1_WAALS_GEWEST. [1 De loongrens bedoeld in artikel 339, eerste lid, 2°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, [2 bedraagt 13.500 euro]2 per kwartaal.]1
  
Art. 6/1 _REGION_WALLONNE.[1 Le plafond salarial visé à l'article 339, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, [2 s'élève à 13.500 euros]2 par trimestre.]1
  
Art. 6/1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De loongrens vermeld in artikel 339, eerste lid, 3°, van de programmawet (I) van 24 december 2002 ligt bij 13.942,47 euro.]1
  
Art. 6/1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
  [1 Le plafond salarial mentionné à l'article 339, alinéa 1er, 3°, de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I) s'élève à 13 942,47 euros.]1
  
HOOFDSTUK III. - Langdurig werkzoekenden.
CHAPITRE III. - Demandeurs d'emploi de longue durée.
Art. 7. Met uitzondering van artikel 14, is dit hoofdstuk van toepassing op de werkgevers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Art. 7. A l'exception de l'article 14, ce chapitre est applicable aux employeurs qui tombent dans le champ d'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Art. 8. De (artikelen 9, 9bis en 12) van dit besluit zijn niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 8. Les (articles 9, 9bis et 12) du présent arrêté ne sont pas applicables aux travailleurs visés à l'article 12 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 9, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 8_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 8 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 8_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
[1 Het artikel 9bis van dit besluit is]1 niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.   
Art. 8 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
[1 L'article 9bis du présent arrêté n'est pas applicable ]1 aux travailleurs visés à l'article 12 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 9, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  
Art. 9. Een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden wordt op volgende wijze toegekend :
  1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende vier kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens driehonderd en twaalf dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 624 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende vier kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 936 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  4° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende twaalf kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 1 560 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  5° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vier volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende zestien kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens honderd zesenvijftig dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  6° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de twintig volgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens driehonderd en twaalf dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand of gedurende minstens (vierhonderd achtenzestig) dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand, telkens gerekend in het zesdagenstelsel. <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet echter niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [1 7° een forfaitaire vermindering G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende elf kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
   a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan [2 30 jaar]2 ;
   b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
   c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens [2 156 dagen]2, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de [2 9 kalendermaanden]2 daaraan voorafgaand;
   d) hij bezit geen diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
   De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b.]1

  
Art. 9. Une réduction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durée, est accordée de la manière suivante :
  1° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les quatre trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 18 mois calendrier qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 624 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent puis une réduction forfaitaire G2 durant les quatre trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 936 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 54 mois calendrier qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  4° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent puis une réduction forfaitaire G2 durant les douze trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 1 560 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 90 mois calendrier qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  5° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les quatre trimestres qui suivent, puis une réduction forfaitaire G2 durant les seize trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  6° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les vingt trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins trois cent douze jours au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent ou pendant au moins (quatre cent soixante-huit) jours au cours de la période du mois de l'engagement et des vingt-sept mois calendrier qui précèdent, chaque fois calculés dans le régime de six jours. <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  [1 7° une réduction forfaitaire G8 durant le trimestre d'engagement et les onze trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
   a) il a moins de [2 30 ans]2 à la date de l'engagement;
   b) il est demandeur d'emploi à la date de l'engagement;
   c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins [2 156 jours]2 , calculés dans le régime des 6 jours, au cours du mois de l'engagement et des [2 9 mois calendrier]2 qui précèdent;
   d) il n'est pas titulaire d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
   Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b.]1

  
Art. 9bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 57; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In afwijking van artikel 9 wordt aan de werkgever bedoeld in artikel 11quater van het koninklijk besluit van 19 december 2001 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden op volgende wijze toegekend :
  1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende twintig kwartalen voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) (hij is op de dag van de indienstneming minstens 25 jaar, maar jonger dan 45 jaar;) <KB 2007-03-28/32, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens zeshonderd en vierentwintig dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b) ;
  2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens honderdzesenvijftig dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gerekend in het zesdagenstelsel.
  De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet echter niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).
  (3° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende twintig kwartalen voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 25 jaar;
  b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 312 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <KB 2007-03-28/32, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 9bis. Par dérogation à l'article 9, une réduction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durée est accordée de la manière suivante à l'employeur visé à l'article 11quater de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 :
  1° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les vingt trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) (il est âgé d'au moins 25 ans mais de moins de 45 ans à la date de l'engagement;) <AR 2007-03-28/32, art. 10, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois civils qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b) ;
  2° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).
  (3° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les vingt trimestres suivants pour autant que le travailleur engagé remplisse simultanément les conditions suivantes :
  a) il a moins de 25 ans à la date de l'engagement;
  b) il est demandeur d'emploi à la date de l'engagement;
  c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 312 jours, calculés dans le régime des 6 jours, au cours du mois de l'engagement et des 18 mois calendrier qui précèdent.
  Le travailleur qui poursuit une occupation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, ne doit toutefois pas remplir la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2007-03-28/32, art. 10, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 9bis_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 9bis _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 10. Een werkgever kan genieten van de voordelen zoals voorzien in (artikelen 9 en 9bis) indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 1999, wordt, in afwijking van de bepalingen van (artikelen 9 en 9bis), de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in (artikelen 9 en 9bis) kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werkkaarten over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Art. 10. Un employeur peut bénéficier des avantages prévus aux (articles 9 et 9bis) lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durée de validité de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  Par dérogation aux dispositions des (articles 9 et 9bis) lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du délai prévu à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 1999, la période pendant laquelle la réduction groupe-cible visée par les (articles 9 et 9bis) peut être accordée, est diminuée de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux cartes de travail à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Art. 10_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 10 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 10_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
Een werkgever kan genieten van de voordelen zoals voorzien in [1 artikel 9bis]1 indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 1999, wordt, in afwijking van de bepalingen van [1 artikel 9bis]1, de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in (artikelen 9 en 9bis) kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werkkaarten over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
  
Art. 10 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
Un employeur peut bénéficier des avantages prévus [1 à l'article 9bis]1 lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durée de validité de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  Par dérogation aux dispositions [1 de l'article 9bis]1 lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du délai prévu à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 1999, la période pendant laquelle la réduction groupe-cible visée par [1 l'article 9bis]1 peut être accordée, est diminuée de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux cartes de travail à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
  
Art. 11. (Voor de toepassing van (artikelen 9 en 9bis)) wordt de werkzoekende die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden (van respectievelijk de voormelde (artikelen 9 en 9bis)) gelijkgesteld aan een werkzoekende die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indiensttreding. <KB 2004-01-21/33, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2007-03-28/32, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 11. (Pour l'application des (articles 9 et 9bis),) le demandeur d'emploi qui satisfait aux conditions (desdits (articles 9 et 9bis)) au moment de la demande de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est assimilé à un demandeur d'emploi qui satisfait à ces conditions au moment de l'engagement. <AR 2004-01-21/33, art. 60, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2007-03-28/32, art. 13, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 11_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 11 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 11_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
[1 Voor de toepassing van artikel 9bis]1wordt de werkzoekende die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden [1 , vermeld artikel 9bis]1 gelijkgesteld aan een werkzoekende die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indiensttreding. <KB 2004-01-21/33, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2007-03-28/32, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  
Art. 11 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
[1 Pour l'application de l'article 9bis]1 le demandeur d'emploi qui satisfait aux conditions [1 visées à l'article 9bis]1 au moment de la demande de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est assimilé à un demandeur d'emploi qui satisfait à ces conditions au moment de l'engagement. <AR 2004-01-21/33, art. 60, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2007-03-28/32, art. 13, 008; En vigueur : 01-01-2007>
  
Art. 12. § 1. De werkgever die een werknemer, (in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997) tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de doorstromingsprogramma's, in dienst neemt, geniet een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden gelijk aan : <KB 2004-01-21/33, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  1° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 4 volgende kwartalen, dan van een forfaitair bedrag G2 tijdens de vier volgende kwartalen voor de werkzoekende die jonger is dan 45 jaar op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, eerste of tweede streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
  2° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen voor de werkzoekende die jonger is dan 45 jaar op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, derde streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
  3° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 4 volgende kwartalen, dan van een forfaitair bedrag G2 tijdens de acht volgende kwartalen voor de werkzoekende die minstens 45 jaar is op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, tweede streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
  4° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 12 volgende kwartalen voor de werkzoekende die minstens 45 jaar is op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, derde streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997.
  De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende deze tewerkstellingen over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
  § 2. 1° Aan de werkgever die een werknemer tewerkstelt binnen het kader van een doorstromingsprogramma met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen of met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financieel maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt dezelfde doelgroepvermindering toegekend onder dezelfde voorwaarden en modaliteiten als deze voorzien in § 1 van dit artikel.
  2° Wanneer een werkgever een werknemer, bedoeld in 1°, in dienst neemt, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
  - de naam en voornaam van de werknemer;
  - het rijksregisternummer van de werknemer;
  - het volledig adres van de werknemer;
  - het geslacht van de werknemer;
  - de taal van de werknemer;
  - het type voordeel van doelgroepvermindering;
  - de datum van indiensttreding.
  (- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de tewerkstellingen bedoeld in 1° over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Art. 12. § 1er. L'employeur qui engage un travailleur (dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997) d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durée égale à : <AR 2004-01-21/33, art. 61, 002; En vigueur : 01-01-2004>
   1° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 4 trimestres qui suivent puis un montant forfaitaire G2 durant les quatre trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui a moins de 45 ans au moment de l'engagement et qui est engagé en application de l'article 5, § 1er, 2°, premier ou deuxième tiret, de l'arrêté royal précité du 9 juin 1997;
   2° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 8 trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui a moins de 45 ans au moins au moment de l'engagement et qui est engagé en application de l'article 5, § 1er, 2°, troisième tiret, de l'arrêté royal précité du 9 juin 1997;
   3° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 4 trimestres qui suivent puis un montant forfaitaire G2 durant les huit trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui est âgé de 45 ans au moins au moment de l'engagement et qui est engagé en application de l'article 5, § 1er, 2°, deuxième tiret, de l'arrêté royal du 9 juin 1997 précité;
   4° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 12 trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui est âgé de 45 ans au moment de l'engagement et qui est engagé en application de l'article 5, § 1er, 2°, troisième tiret, de l'arrêté royal du 9 juin 1997, précité.
   L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives à ces occupations à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
   § 2. 1° L'employeur qui occupe un travailleur dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'article 2 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle et déterminant la réduction temporaire ou la dispense de cotisations patronales ou en application de l'article 2 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle et déterminant la réduction temporaire ou la dispense de cotisations patronales, bénéficie d'une dispense de cotisations patronales identique à celle prévue au § 1er de cet article, dans les mêmes conditions et selon les mêmes modalités.
   2°. Lorsqu'un employeur engage un travailleur visé au 1°, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
   - le nom et prénom du travailleur;
   - le numéro de Registre national du travailleur;
   - l'adresse complète du travailleur;
   - le sexe du travailleur;
   - la langue du travailleur;
   - le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
   - la date de l'engagement.
   (- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 61, 002; En vigueur : 01-01-2004>
   3° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux occupations visées au 1° à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Art. 12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
Art. 12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 ...]1
Art. 12_WAALS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 12 _REGION_WALLONNE.
  [1 ...]1
  
Art. 13. Komt niet in aanmerking voor de toekenning van de doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden, de werknemer die van het voordeel van vrijstelling werd uitgesloten door een beslissing van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, genomen op basis van een rapport van de hierna vernoemde inspectiediensten, indien na klacht werd vastgesteld dat de werknemer werd aangenomen ter vervanging en in dezelfde functie van een ontslagen werknemer met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit hoofdstuk te bekomen. Het toezicht gebeurt door de hierna vermelde inspecties, waarvan de bevoegdheden zijn bepaald bij de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie :
  1. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de inspectie van de sociale wetten van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  2. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg;
  3. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  4. de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Art. 13. N'entre pas en ligne de compte pour l'obtention de la réduction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durée, le travailleur qui a été exclu de l'avantage de l'exonération par une décision du Comité de gestion de l'Office national de Sécurité sociale prise sur base d'un rapport des services d'inspection mentionnés ci-après, lorsqu'il a été constaté, après une plainte, que le travailleur a été engagé en remplacement et dans la même fonction qu'un travailleur licencié, avec comme but principal d'obtenir les avantages du présent chapitre. La surveillance est effectuée par les inspections mentionnées ci-après dont les compétences sont fixées par la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail :
  1. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Administration de l'inspection des lois sociales du Ministère de l'Emploi et du Travail;
  2. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Inspection sociale du Ministère de la Prévoyance sociale;
  3. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Office national de Sécurité sociale;
  4. les contrôleurs en chef, les contrôleurs et les contrôleurs adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteurs adjoints principaux, les inspecteurs adjoints de 2e classe et les inspecteurs adjoints de 1re classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi.
Art. 14. § 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
  1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
  2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
  a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
  6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
  8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
  10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
  a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
  b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
  c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
  Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
  - de naam en voornaam van de werknemer;
  - het rijksregisternummer van de werknemer;
  - het volledig adres van de werknemer;
  - het geslacht van de werknemer;
  - de taal van de werknemer;
  - het type voordeel van doelgroepvermindering;
  - de datum van indiensttreding.
  (- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
  § 7. (Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1° verlengd met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen.
  Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2° verlengd met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen.
  De bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling licht, naar gelang het geval, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 14. § 1er. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une reduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'integration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intégration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent.
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéfice d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intégration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 3. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, béneficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chômeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financière :
  1° les périodes situées dans une période de chômage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
  2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chômage complet;
  3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
  a) soit à l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
  b) soit à l'article 4 de l'arrête royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
  c) soit à l'article 4 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
  4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
  5° les périodes de chômage complet indemnisé;
  6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
  7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financière aux personnes de nationalité étrangère, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financière;
  8° les périodes d'occupation auprès d'un employeur visé à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal précité du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visés à l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
  9° les périodes de chômage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financière, couvertes par un pécule de vacances;
  10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chômage complet;
  11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
  a) soit à l'article 8, § 1er, de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
  b) soit à l'article 10 de l'arrêté royal du 9 février 1999 pris en exécution de l'article 2, § 5, alinéa 1er, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
  c) soit à l'article 10 de l'arrêté royal du 9 février 1999 pris en exécution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
  12° les périodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°, de l'arrêté précité du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas lié par un contrat de travail soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 5. (Pour bénéficier de la réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au préalable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visé à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 3 mai 1999 précité. Cette attestation est délivrée dans un délai de 45 jours par le Directeur général de la Direction générale Emploi et Marché du Travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
  Pour ouvrir le droit à la réduction groupe cible visée au § 1er, le travailleur doit en outre bénéficier d'une allocation de réinsertion visée à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalités fixées dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et ses arrêtés d'exécution. Une copie de l'attestation visée à l'alinéa 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation à sa demande d'allocation de réinsertion.
  Pour ouvrir le droit à la réduction groupe cible visée aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bénéficier d'une intervention dans la rémunération par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalités de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visée à l'alinéa 1er est jointe à la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
  - le nom et prénom du travailleur;
  - le numéro de Registre national du travailleur;
  - l'adresse complète du travailleur;
  - le sexe du travailleur;
  - la langue du travailleur;
  - le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
  - la date de l'engagement.
  (- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 7. (Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 10 trimestres visés dans les § 1er, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1° est prolongée avec une nouvelle période de 10 trimestres maximum.
  Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 20 trimestres visés dans les § 1er, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2° est prolongée avec une nouvelle période de 20 trimestres maximum.
  L'organisme régional de placement compétent avertit, selon le cas, l'Office national de l'emploi ou le centre public d'aide sociale concerné.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art.14_WAALS_GEWEST.
   § 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
  1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
  2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
  a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
  6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
  8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
  10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
  a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
  b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
  c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
  Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
  - de naam en voornaam van de werknemer;
  - het rijksregisternummer van de werknemer;
  - het volledig adres van de werknemer;
  - het geslacht van de werknemer;
  - de taal van de werknemer;
  - het type voordeel van doelgroepvermindering;
  - de datum van indiensttreding.
  (- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
  § 7. (Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1° verlengd met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen.
  Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2° verlengd met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen.
  De bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling licht, naar gelang het geval, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [1 De verlenging van de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op een betrekking die wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen. ]1
  [1 § 8. De in §§ 1, 2 en 3 bedoelde doelgroepvermindering voor werknemers die zijn aangeworven in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, eindigt op 30 juni 2026.]1
Art.14_REGION_WALLONNE.
   § 1er. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une reduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'integration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intégration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent.
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéfice d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intégration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 3. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, béneficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chômeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financière :
  1° les périodes situées dans une période de chômage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
  2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chômage complet;
  3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
  a) soit à l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
  b) soit à l'article 4 de l'arrête royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
  c) soit à l'article 4 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
  4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
  5° les périodes de chômage complet indemnisé;
  6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
  7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financière aux personnes de nationalité étrangère, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financière;
  8° les périodes d'occupation auprès d'un employeur visé à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal précité du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visés à l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
  9° les périodes de chômage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financière, couvertes par un pécule de vacances;
  10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chômage complet;
  11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
  a) soit à l'article 8, § 1er, de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
  b) soit à l'article 10 de l'arrêté royal du 9 février 1999 pris en exécution de l'article 2, § 5, alinéa 1er, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
  c) soit à l'article 10 de l'arrêté royal du 9 février 1999 pris en exécution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
  12° les périodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°, de l'arrêté précité du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas lié par un contrat de travail soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 5. (Pour bénéficier de la réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au préalable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visé à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 3 mai 1999 précité. Cette attestation est délivrée dans un délai de 45 jours par le Directeur général de la Direction générale Emploi et Marché du Travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
  Pour ouvrir le droit à la réduction groupe cible visée au § 1er, le travailleur doit en outre bénéficier d'une allocation de réinsertion visée à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalités fixées dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et ses arrêtés d'exécution. Une copie de l'attestation visée à l'alinéa 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation à sa demande d'allocation de réinsertion.
  Pour ouvrir le droit à la réduction groupe cible visée aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bénéficier d'une intervention dans la rémunération par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalités de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visée à l'alinéa 1er est jointe à la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
  - le nom et prénom du travailleur;
  - le numéro de Registre national du travailleur;
  - l'adresse complète du travailleur;
  - le sexe du travailleur;
  - la langue du travailleur;
  - le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
  - la date de l'engagement.
  (- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 7. (Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 10 trimestres visés dans les § 1er, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1° est prolongée avec une nouvelle période de 10 trimestres maximum.
  Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 20 trimestres visés dans les § 1er, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2° est prolongée avec une nouvelle période de 20 trimestres maximum.
  L'organisme régional de placement compétent avertit, selon le cas, l'Office national de l'emploi ou le centre public d'aide sociale concerné.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  [1 La prolongation de la durée de la réduction groupe-cible visée aux alinéas 1er et 2 n'est pas applicable pour un poste occupé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services visé à l'article 7bis de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ]1
  [1 § 8. La réduction groupe-cible visée aux §§ 1er, 2 et 3, et obtenue pour les travailleurs engagés dans le cadre d'un contrat de travail titres-services visé à l'article 7bis de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité prend fin le 30 juin 2026.]1
Art. 14_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 14 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 ...]1
  
Art. 14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 14 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 14 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
  b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
  c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
  (De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
  1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
  2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
  a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
  6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
  8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
  10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
  a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
  b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
  c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;)
  [2 13° de tewerkstellingsperioden bij een werkgever vermeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen in het kader van het besluit van het Waals Gewest van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, zoals van kracht op 31 december 2017.]2 <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [1 In afwijking van het eerste lid, 8°, wordt de daarin bepaalde "periode" niet gelijkgesteld voor personen die binnen het toepassingsgebied vallen van het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, met uitzondering van de personen die behoren tot de toelagecategorieën B1, B2 of B3 vermeld in artikel 5, §§ 1 tot 3, van datzelfde besluit.]1
  § 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
  Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
  - de naam en voornaam van de werknemer;
  - het rijksregisternummer van de werknemer;
  - het volledig adres van de werknemer;
  - het geslacht van de werknemer;
  - de taal van de werknemer;
  - het type voordeel van doelgroepvermindering;
  - de datum van indiensttreding.
  (- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
  § 7. [3 ...]3
  [3 § 8 - Voor de werkgevers die werknemers tewerkstellen die binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen en die na 31 december 2018 in dienst zijn getreden, wordt de doelgroepvermindering vermeld in dit artikel niet meer toegekend.]3
  
Art. 14 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   § 1er. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une reduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est chômeur complet indemnisé à la date d'engagement;
  c) il a été chômeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'integration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intégration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent.
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéfice d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intégration sociale, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 3. 1° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, béneficie d'une réduction groupe-cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précèdent;
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  3° L'employeur visé à l'article 1er, § 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, bénéficie d'une réduction groupe cible pour économie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit à l'aide sociale financière, à concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recruté satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  a) il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  b) il est un ayant droit à l'aide sociale financière à la date d'engagement;
  c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financière indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précèdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  d) il ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.
  (Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chômeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financière :
  1° les périodes situées dans une période de chômage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
  2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chômage complet;
  3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
  a) soit à l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
  b) soit à l'article 4 de l'arrête royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
  c) soit à l'article 4 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
  4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
  5° les périodes de chômage complet indemnisé;
  6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
  7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financière aux personnes de nationalité étrangère, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financière;
  8° les périodes d'occupation auprès d'un employeur visé à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal précité du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visés à l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
  9° les périodes de chômage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financière, couvertes par un pécule de vacances;
  10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chômage complet;
  11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
  a) soit à l'article 8, § 1er, de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
  b) soit à l'article 10 de l'arrêté royal du 9 février 1999 pris en exécution de l'article 2, § 5, alinéa 1er, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
  c) soit à l'article 10 de l'arrêté royal du 9 février 1999 pris en exécution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
  12° les périodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 4°, de l'arrêté précité du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas lié par un contrat de travail soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;)
  [2 13° les périodes d'occupation auprès d'un employeur mentionné à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, dans le cadre de l'arrêté de la Région wallonne du 11 mai 1995 relatif à l'engagement d'agents contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés, dans sa version au 31 décembre 2017.]2 <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 8°, la période y prévue n'est pas assimilée pour les personnes qui tombent dans le champ d'application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif à l'engagement de travailleurs contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés, à l'exception des personnes qui appartiennent aux catégories de subventionnement B1, B2 ou B3 mentionnées à l'article 5, §§ 1er à 3, du même arrêté.]1
  § 5. (Pour bénéficier de la réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au préalable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visé à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 3 mai 1999 précité. Cette attestation est délivrée dans un délai de 45 jours par le Directeur général de la Direction générale Emploi et Marché du Travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
  Pour ouvrir le droit à la réduction groupe cible visée au § 1er, le travailleur doit en outre bénéficier d'une allocation de réinsertion visée à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalités fixées dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et ses arrêtés d'exécution. Une copie de l'attestation visée à l'alinéa 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation à sa demande d'allocation de réinsertion.
  Pour ouvrir le droit à la réduction groupe cible visée aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bénéficier d'une intervention dans la rémunération par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalités de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visée à l'alinéa 1er est jointe à la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
  - le nom et prénom du travailleur;
  - le numéro de Registre national du travailleur;
  - l'adresse complète du travailleur;
  - le sexe du travailleur;
  - la langue du travailleur;
  - le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
  - la date de l'engagement.
  (- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 7. [3 ...]3
  [3 § 8 - Pour les employeurs qui occupent des travailleurs relevant du champ d'application du présent article et dont l'entrée en service est postérieure au 31 décembre 2018, la réduction pour groupe cible mentionnée dans le présent article n'est plus octroyée.]3
  
Art. 14bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 63; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van (artikelen 9 of 9bis) genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van dertig maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden, onverminderd de toepassing van artikel 10, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet. <KB 2007-03-28/32, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Art. 14bis. Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages des (articles 9 ou 9bis) pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de trente mois après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 10, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés. <AR 2007-03-28/32, art. 14, 008; En vigueur : 01-01-2007>
   Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
Art. 14bis_WAALS_GEWEST.    [1 ...]1
  Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
  
Art. 14bis _REGION_WALLONNE.
   [1 ...]1
   Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
  
Art. 14bis_VLAAMS_GEWEST.   <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 63; Inwerkingtreding : 01-01-2004>[4 ...]4
  Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
  
Art. 14bis _REGION_FLAMANDE.
  [4 ...]4
  Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés
  
HOOFDSTUK IV. - Eerste aanwervingen.
CHAPITRE IV. - Premiers engagements.
Art. 15. De toepassing van de doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen is beperkt tot de werkgevers van de privé-sector bedoeld in artikel 335 van de wet van 24 december 2002.
Art. 15. L'application de la réduction groupe cible pour premiers engagements est limitée aux employeurs du secteur privé visés à l'article 335 de la loi du 24 décembre 2002.
Art. 15/1. [1 In toepassing van artikel 344 van de wet van 24 december 2002, moet men, voor het bepalen van de hoedanigheid van vervanger van een werknemer, het volgende vergelijken:
   - A: het maximum aantal werknemers dat gelijktijdig bij de technische bedrijfseenheid in dienst was in de loop van de twaalf maanden die de indiensttreding voorafgaan, waarbij geen rekening wordt gehouden met het hoogste aantal werknemers dat tewerkgesteld was op eenzelfde kalenderdag en dit voor maximum 5 dagen in diezelfde referteperiode van 12 maanden;
   - B: het totale aantal werknemers dat bij de technische bedrijfseenheid in dienst is op de datum dat de nieuwe werknemer in dienst treedt.
   Als B niet groter is dan A, dan wordt de nieuw aangeworven werknemer beschouwd als een vervanger.
   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een werknemer beschouwd als zijnde in dienst wanneer hij op grond van zijn tewerkstelling onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitzondering van de werknemers die niet in aanmerking worden genomen voor het onderzoek naar de hoedanigheid van nieuwe werkgever zoals bedoeld in artikel 343, § 1, 2° en 3°, van de wet van 24 december 2002.]1

  
Art. 15/1. [1 En application de l'article 344 de la loi du 24 décembre 2002, pour la détermination de la qualité de remplaçant d'un travailleur, il faut comparer les deux éléments suivants:
   - A: le nombre maximal de travailleurs qui étaient simultanément en service au sein de la même unité technique d'exploitation dans le courant des douze mois qui précèdent l'entrée en service, sans tenir compte du nombre le plus élevé de travailleurs qui étaient occupés le même jour calendrier et ce pour maximum 5 jours au sein de cette même période de référence de 12 mois;
   - B: le nombre total de travailleurs qui sont en service au sein de l'unité technique d'exploitation à la date de l'entrée en service du nouveau travailleur.
   Lorsque B n'est pas plus grand que A, le nouveau travailleur engagé est considéré comme un remplaçant.
   Pour l'application de ce chapitre, un travailleur est considéré comme étant en service quand il est, sur base de son occupation, soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, à l'exception des travailleurs salariés qui ne sont pas pris en considération pour l'examen de la qualité de nouvel employeur visée à l'article 343, § 1, 2° et 3°, de la loi du 24 décembre 2002.]1

  
Art. 16. § 1. [5 Een doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen wordt op de volgende wijze toegekend :
   1° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering [8 G20]8 gedurende zijn volledige tewerkstelling, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 2°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een eerste werknemer in dienst neemt [6 ...]6;
   2° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering G14 voor maximum 5 kwartalen, een vermindering G15 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 5 volgen en een vermindering G16 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 9 volgen voor zover hij tijdens deze kwartalen minimum twee werknemers in dienst heeft. De betreffende kwartalen moeten zich in een periode van 20 kwartalen situeren, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 3°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een tweede werknemer in dienst neemt;
   3° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering G15 voor maximum 9 kwartalen en een vermindering G16 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 9 volgen, voor zover hij tijdens deze kwartalen minimum drie werknemers in dienst heeft. De betreffende kwartalen moeten zich in een periode van 20 kwartalen situeren, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 3°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een derde werknemer in dienst neemt;
   4° [8 ...]8
   5° [8 ...]8
   6° [8 ...]8]5

  § 2. Met (leerlingen), dienstboden, deeltijds leerplichtigen (, [7 gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers]7) wordt geen rekening gehouden voor wat betreft de toepassing van § 1. <KB 2004-01-21/33, art. 64, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [7 § 3. Per werkgever kan de vermindering voor de n-de werknemer, bedoeld in § 1, telkens maar één keer per kwartaal worden genoten.
   § 4. De verminderingen bedoeld in § 1, kunnen telkens maar voor één werknemer per simultane technische bedrijfseenheid genoten worden.
   De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op de vóór 1 januari 2022 reeds aangevatte verminderingen voor simultane technische bedrijfseenheden die als dusdanig bestonden op 1 januari 2022.
   § 5. In afwijking van § 3, wanneer de n-de werknemer bedoeld in § 1, in de loop van het betrokken kwartaal uit dienst gaat en een andere n-de werknemer in datzelfde kwartaal in dienst komt, dan kan de werkgever voor deze laatste werknemer de vermindering voor de n-de werknemer verder toepassen.
   § 6. Wanneer werknemers deel uitmaken van een historische technische bedrijfseenheid, wordt de waarde n-1, bedoeld in artikel 343, § 1, 3°, van de wet van 24 december 2002, verhoogd met het aantal werknemers die op dezelfde dag in dienst treden als deze waarop de n-de werknemer in dienst treedt, en die vervanger zijn in de zin van artikel 15/1.
   § 7. De verminderingen voor de n-de werknemer, bedoeld in § 1, 2° tot [9 ]9, kunnen maar genoten worden indien de betrokken werkgever in het betrokken kwartaal gelijktijdig minstens n werknemers tewerkstelt en de bijkomende tewerkstelling minstens één maand na de datum van indiensttreding aanhoudt.]7

  
Art. 16. § 1er. [5 Une réduction groupe cible pour premiers engagements est accordée de la manière suivante :
   1° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction [8 G20]8 pendant la durée totale de son occupation, à partir du trimestre durant lequel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 2°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un premier travailleur [6 ...]6;
   2° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction G14 pour maximum 5 trimestres, d'une réduction G15 pour maximum 4 trimestres qui suivent les 5 premiers et d'une réduction G16 pour 4 trimestres qui suivent les 9 premiers trimestres pour autant que pendant les trimestres en question il emploie au moins deux travailleurs. Les trimestres en question doivent se situer dans une période de 20 trimestres commençant à courir le trimestre durant lequel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 3°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un deuxième travailleur;
   3° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction G15 pour maximum 9 trimestres et d'une réduction G16 pour maximum 4 trimestres qui suivent les 9 premiers, pour autant que pendant les trimestres en question il emploie au moins trois travailleurs. Les trimestres en question doivent se situer dans une période de 20 trimestres commençant à courir le trimestre à partir duquel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 3°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un troisième travailleur;
   4° [8 ...]8
   5° [8 ...]8
   6° [8 ...]8]5

  § 2. Les (apprentis), les travailleurs domestiques, les travailleurs soumis à l'obligation scolaire à temps partiel (, les [7 travailleurs occasionnels et travailleurs exerçant un flexi-job]7) ne sont pas pris en considération pour l'application du § 1er. <AR 2004-01-21/33, art. 64, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  [7 § 3. La réduction pour le n-ième travailleur, visé au § 1er, ne peut chaque fois être appliquée qu'une fois par employeur par trimestre.
   § 4. Les réductions visées au § 1er, ne peuvent être appliquées que pour un travailleur par unité technique d'exploitation simultanée.
   La disposition de l'alinéa précédent ne s'applique pas aux réductions déjà entamées avant le 1er janvier 2022 pour les unités techniques d'exploitation simultanées qui existaient en tant que telles au 1er janvier 2022.
   § 5. Par dérogation au § 3, quand le n-ième travailleur, visé au § 1er, quitte son emploi dans le courant du trimestre concerné et un autre n-ième travailleur entre en service dans le même trimestre, l'employeur peut continuer à appliquer, pour ce dernier travailleur, la réduction pour le n-ième travailleur.
   § 6. Quand les travailleurs font partie d'une unité technique d'exploitation historique, la valeur n-1, visée à l'article 343, § 1, 3°, de la loi du 24 décembre 2002, est augmenté avec le nombre de travailleurs qui entrent en service le même jour qu'entre en service le n-ième travailleur et qui sont remplaçants au sens de l'article 15/1.
   § 7. Les réductions pour le n-ième travailleur, visé au § 1er, 2° jusqu'au [9 ]9, peuvent être appliquées quand l'employeur concerné dans le trimestre concerné, simultanément au minimum occupe n travailleurs et l'occupation supplémentaire continue au minimum un mois après la date d'entrée.]7

  
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 65; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Het bedrag van de bijdrage voor administratiekosten verschuldigd aan een erkend sociaal secretariaat bedoeld in artikel 345 van de programmawet van 24 december 2002, wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid ten laste genomen ten belope van 36,45 EUR per kwartaal waarvoor de werkgever effectief de doelgroepvermindering waarin voorzien bij artikel 16, § 1, 1° heeft genoten.
  § 2. Per kwartaal in de loop van de eerste maand van het tweede kwartaal dat volgt stelt de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag vast dat aan elk erkend sociaal secretariaat voor werkgevers is verschuldigd aan de hand van de binnen de wettelijke termijn ingediende kwartaalaangiften.
  Bij het verstrijken van die maand maakt de Rijksdienst voor sociale zekerheid een kredietnota over aan het erkend sociaal secretariaat voor werkgevers.
  Het bedrag verschuldigd voor een kwartaal op basis van de laattijdig ingediende kwartaalaangiften of aan de hand van de verbeterde kwartaalaangiften wordt opgesteld in de loop van de eerste maand van het tweede kwartaal dat volgt op dat van de ontvangst of de verbetering ervan. Een kredietnota wordt overgemaakt bij het verstrijken van die maand.
  § 3. Na ontvangst van het akkoord van het erkend sociaal secretariaat voor werkgevers betreffende het bedrag van de kredietnota stort de Rijksdienst voor sociale zekerheid dit bedrag op het krediet van het sociaal secretariaat bij DE POST.
  § 4. Een bedrag bestemd om de kosten te dekken die voortvloeien uit de toepassing van dit besluit wordt ingeschreven op de begroting van de Rijksdienst voor sociale zekerheid ten titel van administratiekosten.
Art. 16bis. § 1er. Le montant de la cotisation pour les frais d'administration due à un secrétariat social agréé, visée a l'article 345 de la loi-programme du 24 décembre 2002, est prise en charge par l'Office national de sécurité sociale a concurrence de 36,45 EUR par trimestre pour lequel l'employeur a effectivement bénéficié de la réduction groupe cible prévue à l'article 16, § 1er, 1°.
  § 2. L'Office national de sécurité sociale fixe par trimestre, au cours du premier mois du deuxième trimestre suivant, le montant dû à chaque secrétariat social agréé d'employeurs, sur la base des déclarations trimestrielles introduites dans le délai légal.
  Au terme de ce mois, l'Office national de sécurité sociale envoie une note de crédit au secrétariat social agréé d'employeurs.
  Le montant dû pour un trimestre sur la base de déclarations trimestrielles introduites tardivement ou de déclarations trimestrielles corrigées est fixé au cours du premier mois du deuxième trimestre suivant la réception ou la correction de la déclaration. Une note de crédit est envoyée au terme de ce mois.
  § 3. Apres réception de l'accord du secrétariat social agréé d'employeurs au sujet du montant de la note de crédit, l'Office national de sécurité sociale verse ce montant au crédit du secrétariat social agréé à LA POSTE.
  § 4. Un montant destiné à couvrir les frais résultant de l'application du présent arrêté est inscrit au budget de l'Office national de sécurité sociale au titre de frais d'administration.
HOOFDSTUK V. - Jonge werknemers.
CHAPITRE V. - Jeunes travailleurs.
Art. 17. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers bedoeld in artikel 26 van de wet van 24 december 1999.
Art. 17. Ce chapitre est applicable aux employeurs visés à l'article 26 de la loi du 24 décembre 1999.
Art. 18. <KB 2006-03-29/32, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2006> Een doelgroepvermindering voor jonge werknemers wordt op de volgende wijze toegekend [4 , voor zover het refertekwartaalloon maximaal 9.000 EUR bedraagt]4 :
   1° een forfaitair bedrag G1 voor de tewerkstelling van een jongere bedoeld in artikel 4 of 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   2° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de zeven daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
   a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
   b) hij is een laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999;]3

   3° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de elf daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
   a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
   b) hij is een erg laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 2°, van de wet van 24 december 1999;]3

   [4 3°bis voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de drie daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daarop volgende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
   a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
   b) hij is een middengeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 3°, van de wet van 24 december 1999;
   c) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming, behalve indien het een persoon betreft zoals bedoeld in artikel 23, § 1bis, 2de lid van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
   d) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 156 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden voorafgaand aan het moment van indienstneming, behalve indien het een persoon betreft zoals bedoeld in artikel 23, § 1bis, 2de lid van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;]4

   4° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de elf daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
   a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
   b) hij is een laaggeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999, die bovendien beantwoordt aan de definitie van artikel 23, § 1bis, eerste of tweede lid, van de wet van 24 december 1999;]3

   [1 [2 ...]2]1;
   De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, zijn enkel van toepassing indien het kwartaal van indienstneming het tweede kwartaal van het jaar 2006 niet voorafgaat.
   [2 Derde lid opgeheven.]2.
   [3 Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, en het tweede en derde lid, wordt als kwartaal van indienstneming beschouwd het kwartaal waarin een jongere voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.]3
   [3 Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, wordt beschouwd als dag van indienstneming, 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, indien hij reeds vóór deze datum in dienst was bij dezelfde werkgever.
   [4 Indien het kwartaal van indienstneming zich voorafgaand aan het 1ste kwartaal 2013 situeert, zijn de bepalingen van het eerste lid, 2°, 3° en 4° van toepassing zoals ze golden voorafgaand aan 1 januari 2013.]4]3

  
Art. 18. <AR 2006-03-29/32, art. 1, 005; En vigueur : 01-04-2006> Une réduction groupe cible pour jeunes travailleurs est accordée de la manière suivante [4 pour autant que le salaire trimestriel de référence s'élève à maximum 9.000 EUR]4 :
   1° un montant forfaitaire G1 pour la mise au travail d'un jeune visé à l'article 4 ou 5bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
   2° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
   a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
   b) il est un jeune peu qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999.]3

   3° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les onze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
   a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
   b) il est un jeune très peu qualifié tel que visé à l'article 24, 2°, de la loi du 24 décembre 1999.]3

   [4 3°bis pour la mise au travail d'un jeune, un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les trois trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres restants au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
   a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
   b) il est un jeune moyennement qualifié tel que visé à l'article 24, 3°, de la loi du 24 décembre 1999;
   c) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement, sauf s'il s'agit d'une personne visée à l'article 23, § 1erbis, 2e alinéa de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
   d) il est demandeur d'emploi depuis au moins 156 jours, calculés en régime de 6 jours, au cours du mois de l'engagement, et des 9 mois calendrier qui précèdent le moment de l'engagement, sauf s'il s'agit d'une personne visée à l'article 23, § 1erbis, 2e alinéa de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;]4

   4° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les onze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupé chez le même employeur, pour autant que le jeune engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
   a) il est âgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
   b) il est un jeune moins qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999 et qu'il réponde également à la définition de l'article 23, § 1erbis, alinéa 1er ou 2, de la loi du 24 décembre 1999.]3

   [1 [2 ...]2]1.
   Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°, ne sont d'application que lorsque le trimestre de l'engagement n'est pas antérieur au deuxième trimestre de l'année 2006.
   [2 Alinéa 3 abrogé.]2
   [3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, et des alinéas 2 et 3, est considéré comme trimestre de l'engagement, le trimestre au cours duquel un jeune est occupé pour la première fois auprès de l'employeur concerné.]3
   [3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, est considérée comme date d'engagement, le 1er janvier de l'année au cours de laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans, s'il était déjà avant cette date en service chez le même employeur.
   [4 Si le trimestre de l'engagement se situe avant le 1er trimestre 2013, les dispositions du premier alinéa, 2°, 3° et 4° sont d'application telles qu'elles l'étaient avant le 1er janvier 2013.]4]3

  
Art. 20. <KB 2004-01-21/33, art. 68, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Voor de toepassing van (artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°) worden enkel de nieuwe werknemers bedoeld in artikel 25 van de wet van 24 december 1999 die als dusdanig worden aangeduid op de aangifte aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen beschouwd als jongeren met een startbaanovereenkomst bedoeld in artikel 27 van de wet van 24 december 1999. <KB 2006-03-29/32, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
   [1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 2°, op de dag van indienstneming.]1
   [1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°, op de dag van indienstneming.]1
   [2 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°bis, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°bis, op de dag van indienstneming.]2
   [1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 4°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 4°, op de dag van indienstneming.]1
   § 2. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de [2 werkkaarten]2 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
   [1 § 3. Onverminderd de bepalingen van § 1, kan een werkgever genieten van de voordelen voorzien in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4° indien hij een jongere in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
   De aanvraag van de werkkaart die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1, wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt of op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.
   Wanneer de tewerkstelling van de jongere aanving vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt en vanaf deze datum wordt verder gezet, kan in afwijking van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 enkel de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer een werkkaart vragen die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
   De in het vorig lid bedoelde aanvraag van werkkaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt bij het bevoegd werkloosheidsbureau ingediend worden.
   Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 of in het vierde lid, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° of 4°, de periode gedurende dewelke de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
   § 4. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°, wordt de jongere die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°, gelijkgesteld aan een jongere die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indienstneming.]1

  
Art. 20. <AR 2004-01-21/33, art. 68, 002; En vigueur : 01-01-2004> § 1er. Pour l'application de (l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 et 4°), seuls les nouveaux travailleurs visés à l'article 25 de la loi du 24 décembre 1999 et déclarés en tant que tel sur la déclaration adressée à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale sont considérés comme jeunes bénéficiant d'une convention de premier emploi visée à l'article 27 de la loi du 24 décembre 1999. <AR 2006-03-29/32, art. 2, 005; En vigueur : 01-04-2006>
   [1 La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 2°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 2°, à la date d'engagement.]1
   [1 La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 3°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 3°, à la date d'engagement.]1
   [2 La réduction groupe-cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 3°bis, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 3°bis, à la date d'engagement.]2
   [1 La réduction groupe cible visée à l'article 18, alinéa 1er, 4°, est uniquement accordée si la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 atteste du fait que le jeune visé remplit aux conditions visées à l'article 18, alinéa 1er, 4°, à la date d'engagement.]1
   § 2. L'Office national de l'emploi transmet par voie électronique les données relatives aux [2 cartes de travail]2 à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
   [1 § 3. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, un employeur peut bénéficier des avantages prévus à l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 et 4° lorsqu'il engage un jeune pendant la durée de validité de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001.
   La demande de la carte de travail qui se rapporte à l'attestation visée au paragraphe 1er, est déclarée irrecevable quand la demande se situe avant le 1er janvier de l'année dans laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans ou à un moment où le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour.
   Lorsque l'occupation du jeune employeur a débuté avant le 1er janvier de l'année dans laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans et qu'elle se prolonge au-delà de cette date, la carte de travail portant sur l'attestation visée au paragraphe 1er, ne peut, par dérogation à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, être demandée que par l'employeur du nouveau travailleur concerné. Cette demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement, qu'elle mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification à la sécurité sociale, ainsi que la date de l'engagement.
   La demande de carte de travail visée à l'alinéa précédent doit être introduite auprès du bureau de chômage compétent au plus tard au 31 janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'âge de dix-neuf ans.
   Lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du délai prévu à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 1999 ou dans l'alinéa 4, la période pendant laquelle les réductions groupe-cible visée l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, peut être accordée, est diminuée, par dérogation aux dispositions de l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
   § 4. Pour l'application de l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis] et 4°, le jeune qui satisfait aux conditions dudit article 18, alinéa 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis] et 4°, au moment de la demande de la carte de travail visée à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est assimilé à un jeune qui satisfait à ces conditions au moment de l'engagement.]1

  
HOOFDSTUK Vbis. [1 - Mentors 1.]1
CHAPITRE Vbis. [1 - Tuteurs]1
HOOFDSTUK Vbis. WAALS_GEWEST.
CHAPITRE Vbis. REGION_WALLONNE.
Art. 20/1. [1 [2 Onder de voorwaarden van dit hoofdstuk kan een doelgroepvermindering voor mentors toegekend worden in de vorm van een forfaitair bedrag G9.]2
   Onder 'de opvolging verzekeren van stages' en het 'instaan voor opleiding' wordt verstaan de begeleiding [3 ...]3 door een mentor van [3 ...]3 personen die behoren tot de doelgroepen, bepaald in artikel 347bis, eerste lid, van de wet van 24 december 2002.]1

  [2 De toepassing van artikel 347bis van de programmawet (I) van 24 december 2002 en van dit hoofdstuk wordt uitgebreid tot de werkzoekenden die een instapstage doorlopen zoals bedoeld in artikel 36quater van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]2
  
Art. 20/1. [1 [2 Dans les conditions déterminées au présent chapitre, une réduction groupe cible pour des tuteurs peut être octroyée sous la forme d'une réduction forfaitaire G9.]2
   On entend par " suivi de stages " et " responsabilité pour des formations ", l'accompagnement [3 ...]3, par un tuteur, de [3 ...]3 personnes appartenant aux groupes cibles déterminés à l'article 347bis, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 2002.]1

  [2 L'application de l'article 347bis de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et du présent chapitre est étendue aux demandeurs d'emploi qui effectuent un stage de transition, tel que visé par l'article 36quater de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant la réglementation du chômage.]2
  
Art. 20/2. [1 Onder mentor wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan, de werknemer die voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° hij heeft een beroepservaring van ten minste vijf jaar in het beroep dat geheel of gedeeltelijk aangeleerd wordt in het kader van de stage of opleiding;
   2° hij is in het bezit van
   - hetzij een getuigschrift, uitgereikt door een onderwijs- of opleidingsverstrekker die door de bevoegde Gemeenschap [2 of door het bevoegd sectorfonds]2 werd ingericht of erkend, dat aantoont dat hij met succes een mentoropleiding heeft gevolgd,
   - hetzij een getuigschrift, uitgereikt door de bevoegde Gemeenschap of door een door de bevoegde Gemeenschap erkende instantie, dat aantoont dat hij geslaagd is in een beoordeling ter validatie van zijn competenties als mentor.]1

  [2 Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, eerste gedachtestreepje, wordt onder "mentoropleiding" verstaan, elke opleiding die tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° als doel hebben aan werknemers vaardigheden bij te brengen op het vlak van begeleiding, coaching en opleiding van personen die op de werkvloer een opleiding krijgen;
   2° technieken aanleren om
   - een opleidingsplan op te stellen,
   - instructies te geven,
   - afdoende te communiceren,
   - vorderingen op te volgen,
   - feedback te geven,
   - bij te sturen,
   - te evalueren;
   3° verstrekt worden door of op initiatief van en onder de verantwoordelijkheid van instanties, ingericht of erkend door de autoriteiten, bevoegd inzake opleiding.]2

  
Art. 20/2. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par " tuteur ", le travailleur qui répond aux conditions suivantes :
   1° il dispose d'une expérience professionnelle d'au moins cinq années dans la profession apprise en tout ou partie dans le cadre du stage ou de la formation;
   2° il est détenteur
   - soit d'un certificat ou d'une attestation, délivré par un établissement d'enseignement ou de formation institué ou agréé par la Communauté compétente [2 ou par le fonds sectoriel compétent]2, prouvant qu'il a suivi avec fruit une formation de tuteur,
   - soit d'une attestation de réussite, délivrée par la Communauté compétente ou par une instance agréée par la Communauté compétente, d'un test de validation de ses compétences en tant que tuteur.]1

  [2 Pour l'application de l'alinéa 1er, premier tiret, on entend par "formation de tuteur", toute formation qui réunit simultanément les conditions suivantes :
   1° viser à apprendre à des travailleurs des compétences sur le plan de l'orientation, de l'encadrement et de la formation de personnes qui reçoivent une formation en milieu de travail;
   2° apprendre des techniques visant à
   - établir un plan de formation,
   - donner des instructions,
   - communiquer adéquatement,
   - suivre des progrès,
   - donner du feedback,
   - corriger et ajuster,
   - évaluer;
   3° être dispensée par ou à l'initiative ou sous la responsabilité des instances instituées ou agréées par les autorités compétentes en matière de formation.]2

  
Art. 20/3. [1 § 1. De werkgever die in aanmerking wenst te komen voor de doelgroepvermindering bedoeld in dit hoofdstuk, moet zich ertoe verbinden stages of opleidingen te organiseren ten behoeve van de personen die behoren tot de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepen, en daartoe mentors, zoals bedoeld in artikel 20/2, te belasten met de uitvoering en opvolging.
   § 2. Voor de in § 1 bedoelde personen voor wie tijdens hun stage of opleiding bij de werkgever geen aangifte vereist is, noch overeenkomstig artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, noch overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, kan de in § 1 bedoelde verbintenis enkel worden vastgesteld aan de hand van een overeenkomst die beantwoordt aan de volgende kenmerken :
   1° zij wordt gesloten tussen de werkgever en een of meer onderwijs- of opleidingsinstellingen of -operatoren op wiens initiatief of onder wiens toezicht de stages of opleidingen georganiseerd worden, ingeval van opleiding van leerkrachten of van jongeren, buiten diegene bedoeld onder 2°;
   2° zij wordt gesloten tussen de werkgever en de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding of een instelling voor volwassenenonderwijs, ingeval van opleiding van jonge werkzoekenden;
   3° zij bepaalt duidelijk de begin- en einddatum van de periode tijdens dewelke de verbintenis geldt, zonder dat deze periode 12 maanden kan overschrijden; overeenkomsten voor een langere duur dan 12 maanden worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als overeenkomsten met een geldigheidsduur van 12 maanden. De begindatum van de overeenkomst moet samenvallen met de eerste dag van een kwartaal, terwijl de einddatum moet samenvallen met de laatste dag van een kwartaal;
   4° zij bevat in duidelijke bewoordingen de verbintenis van de werkgever om gedurende een welbepaald aantal uren aan een welbepaald aantal, naargelang het geval, jongeren of leerkrachten gedurende de in 3° bedoelde periode de mogelijkheid te geven stage te lopen of een opleiding te volgen;
   5° zij kan nadere verbintenissen bevatten tussen de werkgever en de betrokken onderwijs- of opleidingsinstelling(en) of -operator(en) omtrent de organisatie van de stages en opleidingen, de pedagogische omkadering en de spreiding in de tijd van de stages en opleidingen;
   6° zij wordt, op straffe van nietigheid, gedateerd en ondertekend, uiterlijk op de laatste dag van het eerste kwartaal van haar geldigheidsperiode, door de werkgever en door de verantwoordelijke van elke betrokken onderwijs- of opleidingsinstelling of -operator of van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
   7° indien de werkgever reeds eerder verbonden was door een of meer overeenkomsten zoals bedoeld in dit lid : zij bevat een gedateerde en ondertekende verklaring vanwege de verantwoordelijke(n) van de onderwijs- of opleidingsinstelling(en) of gewestelijke dienst(en) voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding die betrokken waren bij de overeenkomst(en) die de werkgever had gesloten met het oog op de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering, ter bevestiging dat de werkgever zijn verbintenis(sen), vervat in die overeenkomst(en), effectief is nagekomen.
   Wanneer de werkgever na afloop van de laatst lopende overeenkomst die hij sloot in toepassing van het eerste lid, geen nieuwe overeenkomst sluit waarvan de geldigheidsperiode onmiddellijk aansluit op die van de afgelopen overeenkomst, bezorgt hij uit eigen beweging aan de in artikel 20/4 bedoelde directie een verklaring zoals bedoeld in het eerste lid, 7°, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de einddatum van de laatst afgelopen overeenkomst gelegen is.
   Alle in artikel 20/1 bedoelde doelgroepverminderingen, waarvoor een in het eerste lid bedoelde overeenkomst gesloten wordt, worden geweigerd voor de kwartalen waarop die overeenkomst betrekking heeft indien
   - hetzij de verklaring, bedoeld in het eerste lid, 7°, ontbreekt;
   - hetzij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, niet binnen de in het tweede lid bepaalde termijn aan de in artikel 20/4 bedoelde directie bezorgd wordt;
   - hetzij uit deze verklaring blijkt dat de werkgever zijn verbintenis(sen), vervat in die overeenkomst, niet of niet volledig is nagekomen.
   § 3. Voor de in § 1 bedoelde personen voor wie op grond van hun stage of opleiding bij de werkgever een aangifte vereist is, hetzij overeenkomstig artikel 21 van voornoemde wet van 27 juni 1969, hetzij overeenkomstig voornoemd koninklijk besluit van 5 november 2002, wordt de in § 1 bedoelde verbintenis vastgesteld aan de hand van die aangifte, meer bepaald de datum van indiensttreding en de datum van uitdiensttreding die daarbij meegedeeld worden.
   § 4. Wanneer de werkgever een overeenkomst sluit overeenkomstig § 2, eerste lid, dan wordt het in artikel 20/1 bedoeld voordeel enkel toegekend in de kwartalen die vallen binnen de geldigheidsduur van die overeenkomst.
   Wanneer de werkgever een aangifte doet overeenkomstig § 3, dan wordt het in artikel 20/1 bedoeld voordeel enkel toegekend vanaf het kwartaal waarin de aangegeven begindatum van de stage of opleiding valt tot en met het kwartaal waarin de aangegeven einddatum van de stage of opleiding valt.
   § 5. Wanneer de werkgever een overeenkomst sluit overeenkomstig § 2, eerste lid, dan wordt de toepassing van de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering beperkt tot het aantal mentors dat gelijk is aan het laagste resultaat van de volgende berekeningen :
   - een vijfde van het aantal jongeren of leerkrachten, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid;
   - het aantal uren, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°, gedeeld door 400. De afronding van deze deling gebeurt naar de lagere eenheid. Indien de overeenkomst, gesloten overeenkomstig § 2, eerste lid, een kortere duurtijd heeft dan één jaar, dan is de noemer van deze deling gelijk aan 100 maal het aantal kwartalen binnen de duurtijd van de overeenkomst.
   Wanneer de werkgever een aangifte doet overeenkomstig § 3, dan wordt de toepassing van de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering in een bepaald kwartaal beperkt tot een aantal mentors dat gelijk is aan een vijfde van het aantal in § 1 bedoelde personen waarvan de stage of opleiding blijkens de aangifte begint, loopt of eindigt in dat kwartaal. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid.
   De berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden steeds van elkaar gescheiden gemaakt, waarna de aparte resultaten ervan desgevallend samengeteld worden. Vervolgens wordt de toepassing van de doelgroepvermindering beperkt tot een aantal mentors dat gelijk is aan één vijfde van de som van het aantal jongeren of leerkrachten, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°, en het aantal in § 1 bedoelde personen waarvan de stage of opleiding blijkens de aangifte begint, loopt of eindigt in het kwartaal. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid.]1

  
Art. 20/3. [1 § 1er. L'employeur qui souhaite entrer en ligne de compte pour la réduction groupe cible visée au présent chapitre, doit s'engager à organiser des stages ou des formations au profit de personnes appartenant aux groupes cibles visés à l'article 20/1, et, à cette fin, de charger des tuteurs, tels que visés à l'article 20/2, de l'exécution et du suivi.
   § 2. En ce qui concerne les personnes, visées au § 1er, pour lesquelles le stage ou la formation auprès de l'employeur ne nécessite pas de déclaration ni conformément à l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ni conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, l'engagement, visé au § 1er, ne peut être constaté que moyennant une convention qui répond aux caractéristiques suivantes :
   1° elle est conclue entre l'employeur et un ou plusieurs établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation, à l'initiative ou sous la supervision desquels les stages ou les formations sont organisés, en cas de formation d'enseignants ou de jeunes, à l'exception de ceux visés au 2°;
   2° elle est conclue entre l'employeur et le service régional de l'emploi et de la formation professionnelle compétent ou un établissement de promotion sociale, en cas de formation de jeunes demandeurs d'emploi;
   3° elle fixe clairement les dates de début et de fin de la période durant laquelle l'engagement est valable, sans que cette période ne puisse excéder douze mois; les conventions d'une durée de plus de douze mois sont considérées, pour l'application du présent article, comme des conventions d'une durée de validité de douze mois. La date de début de la convention doit coïncider avec le premier jour d'un trimestre, tandis que la date de fin doit coïncider avec le dernier jour d'un trimestre;
   4° elle contient, en termes clairs, l'engagement de la part de l'employeur d'offrir, durant la période visée au 3°, la possibilité pour un nombre déterminé de jeunes ou d'enseignants, selon le cas, d'effectuer un stage ou de suivre une formation durant un nombre déterminé d'heures;
   5° elle peut contenir des engagements particuliers entre l'employeur et le ou les établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation concernés sur le plan de l'organisation des stages et des formations, de l'encadrement pédagogique et de la répartition dans le temps des stages et des formations;
   6° elle est datée et signée, sous peine de nullité, au plus tard le dernier jour du premier trimestre de sa validité, par l'employeur et par le responsable de chaque établissement ou opérateur d'enseignement ou de formation concerné ou du service régional d'emploi et de formation professionnelle compétent;
   7° lorsque l'employeur a déjà précédemment été lié par une ou plusieurs conventions telles que visées au présent alinéa : elle contient une déclaration datée et signée de la part du ou des responsables du ou des établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation ou du ou des services régionaux d'emploi et de formation professionnelle qui étaient concernés par la ou les conventions conclues par l'employeur en vue de la réduction groupe cible visée à l'article 20/1, confirmant que l'employeur a effectivement respecté son ou ses engagements repris dans cette ou ces conventions.
   Lorsqu'à l'issue de la dernière convention en vigueur, conclue en application de l'alinéa 1er, l'employeur ne conclut pas de nouvelle convention dont la période de validité succède sans interruption à celle de la convention venue à échéance, il fournit de sa propre initiative une déclaration, telle que visée à l'alinéa 1er, 7°, à la direction visée à l'article 20/4, et ce au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel se situe la date de fin de la dernière convention venue à échéance.
   Toute réduction groupe cible, visée à l'article 20/1 et en vue de laquelle une convention, telle que visée à l'alinéa 1er, a été conclue, est refusée pour les trimestres visés par cette convention, lorsque
   - soit la déclaration, visée à l'alinéa 1er, 7°, fait défaut;
   - soit la déclaration, visée à l'alinéa 2, n'est pas fournie à la direction, visée à l'article 20/4, dans le délai déterminé à l'alinéa 2;
   - soit il se révèle de cette déclaration que l'employeur n'a pas ou pas entièrement respecté son ou ses engagements repris dans cette convention.
   § 3. En ce qui concerne les personnes, visées au § 1er, pour lesquelles le stage ou la formation auprès de l'employeur nécessite une déclaration soit conformément à l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 précitée, soit conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 précité, l'engagement, visé au § 1er, est constaté au moyen de cette déclaration, plus particulièrement les dates d'entrée en service et de sortie de service qui sont communiquées dans ce cadre.
   § 4. Lorsque l'employeur conclut une convention conformément au § 2, alinéa 1er, l'avantage visé à l'article 20/1, n'est accordé que durant les trimestres qui se situent dans la période de validité de cette convention.
   Lorsque l'employeur effectue une déclaration conformément au § 3, l'avantage visé à l'article 20/1, n'est accordé qu'à partir du trimestre dans lequel se situe la date de début du stage ou de la formation, telle que déclarée, jusques et y compris au trimestre dans lequel se situe la date de fin du stage ou de la formation, telle que déclarée.
   § 5. Lorsque l'employeur conclut une convention conformément au § 2, alinéa 1er, l'application de la réduction groupe cible, visée à l'article 20/1, est limitée au nombre de tuteurs égal au résultat le plus bas des calculs suivants :
   - un cinquième du nombre de jeunes ou d'enseignants, visé au § 2, alinéa 1er, 4°. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure;
   - le nombre d'heures, visé au § 2, alinéa 1er, 4°, divisé par 400. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité inférieure. Si la convention, conclue conformément au § 2, alinéa 1er, a une durée de moins d'une année, le dénominateur de cette division est égal à 100 fois le nombre de trimestres dans la durée de la convention.
   Lorsque l'employeur effectue une déclaration conformément au § 3, l'application de la réduction groupe cible, visée à l'article 20/1, au cours d'un trimestre donné, est limitée à un nombre de tuteurs qui est égal à un cinquième du nombre des personnes visées au § 1er, dont la déclaration indique que leur stage ou leur formation débute, se déroule ou se termine au cours de ce trimestre. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure.
   Les calculs, visés aux alinéas 1er et 2, sont toujours effectués séparément; le cas échéant, leurs résultats séparés sont additionnés. Ensuite, l'application de la réduction groupe cible est limitée à un nombre de tuteurs égal à un cinquième de la somme du nombre de jeunes ou d'enseignants, visé au § 2, alinéa 1er, 4°, et du nombre des personnes visées au § 1er, dont la déclaration indique que leur stage ou leur formation débute, se déroule ou se termine au cours du trimestre. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure.]1

  
Art. 20/4. [1 De werkgever komt enkel in aanmerking voor de in dit hoofdstuk bedoelde voordelen indien hij aan de bevoegde directie de volgende stukken bezorgt :
   1° een lijst van de mentors die hij tewerkstelt;
   2° voor elke mentor : het bewijs van de minimaal vereiste praktijkervaring, bepaald in artikel 20/2, eerste lid, 1°. Komen hiervoor in aanmerking : een attest van de werkgever zelf en/of van een of meer vroegere werkgevers en/of een kopie van de inschrijving van de mentor in de Kruispuntbank van Ondernemingen, indien hij vóór zijn activiteit als werknemer in loondienst een zelfstandige activiteit uitoefende in het beroep waarvoor de ervaring moet aangetoond worden;
   3° voor elke mentor : een kopie van een van de getuigschriften zoals bedoeld in artikel 20/2, eerste lid, 2°;
   4° indien de werkgever een overeenkomst sloot overeenkomstig artikel 20/3, § 2, eerste lid : een kopie van deze overeenkomst.
   De in het eerste lid bedoelde gegevens of stukken die nodig zijn om te kunnen vaststellen dat voor de toepassing van een doelgroepvermindering voor een mentor in een bepaald kwartaal voldaan is aan de bepalingen van artikel 20/3, §§ 4 en 5, moeten bij de bevoegde directie toekomen, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op dat bepaald kwartaal.
   Wordt de in het vorig lid bedoelde termijn overschreden, dan wordt de in het vorig lid bedoelde doelgroepvermindering slechts toegekend vanaf het kwartaal waarin de daartoe vereiste, in het eerste lid bedoelde gegevens en stukken bij de bevoegde directie toekomen, onverminderd artikel 20/3, § 4.
   Onder "bevoegde directie" wordt verstaan de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
   De bevoegde directie maakt de noodzakelijke gegevens over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen.]1

  
Art. 20/4. [1 L'employeur ne peut prétendre aux avantages, visés au présent chapitre, que s'il fournit à la direction compétente les pièces suivantes :
   1° la liste des tuteurs qu'il occupe;
   2° pour chaque tuteur : l'attestation de l'expérience pratique minimale requise, déterminée à l'article 20/2, alinéa 1er, 1°. Peuvent servir à cet effet : une attestation de l'employeur lui-même et/ou d'un ou de plusieurs employeurs précédents et/ou une copie de l'inscription du tuteur à la Banque-Carrefour des Entreprises, si avant son activité comme travailleur salarié, il a effectué un activité comme indépendant dans la profession pour laquelle l'expérience doit être démontrée;
   3° pour chaque tuteur : une copie de l'un des certificats, tels que visés à l'article 20/2,, alinéa 1er, 2°;
   4° lorsque l'employeur a conclu une convention conformément à l'article 20/3, § 2, alinéa 1er : une copie de cette convention.
   Les données ou pièces, visées à l'alinéa 1er, qui sont requises pour pouvoir constater que pour l'application d'une réduction groupe-cible pour un tuteur dans un trimestre déterminé, il a été satisfait aux dispositions de l'article 20/3, §§ 4 et 5, doivent parvenir à la direction compétente au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit ce trimestre déterminé.
   Au cas où le délai visé à l'alinéa précédent est dépassé, la réduction groupe-cible visée à l'alinéa précédent n'est octroyée qu'à partir du trimestre au cours duquel les données et pièces requises à cette fin et visées à l'alinéa 1er, parviennent à la direction compétente, sans préjudice de l'article 20/3, § 4.
   On entend par " direction compétente ", la Direction générale Emploi et Marché du Travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
   La direction compétente transmet les données nécessaires à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.]1

  
Art. 20/5_VLAAMS_GEWEST.   [1 De termijnen die overeenkomstig artikel 20/3, § 2, eerste lid, 6°, en tweede lid, en artikel 20/4, tweede lid, op 31 maart 2020 eindigen, worden wegens de coronacrisis verlengd tot en met 30 juni 2020.]1
  
Art. 20/5 _REGION_FLAMANDE.
  [1 A cause de la crise du coronavirus, les délais, qui conformément à l'article 20/3, § 2, alinéa premier, 6° et alinéa deux, et à l'article 20/4, alinéa deux, prennent fin le 31 mars 2020, sont prolongés jusqu'au 30 juin 2020 inclus. ]1
  
HOOFDSTUK VI. - Collectieve arbeidsduurvermindering en Vierdagenweek.
CHAPITRE VI. - Réduction collective du temps de travail et semaine des quatre jours.
Art. 21. Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de wet van 24 december 2002.
  (Dit hoofdstuk is van toepassing op de voltijds werknemers. Voor wat betreft de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 22, 1°, 2° en 3°, is zij eveneens van toepassing voor de werknemers bedoeld in artikel 350, derde lid, van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2004-01-21/33, art. 69, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 21. Ce chapitre est applicable aux employeurs visés à l'article 335, alinéa 3 de la loi du 24 décembre 2002.
  (Ce chapitre est applicable aux travailleurs à temps plein. En ce qui concerne les réductions groupes cibles visées à l'article 22, 1°, 2° et 3°, il est également applicable aux travailleurs visés à l'article 350, alinéa 3, de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2004-01-21/33, art. 69, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 22. Een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend :
  1° een forfaitair bedrag G2 tijdens 8 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 37 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
  2° een forfaitair bedrag G2 tijdens 12 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 36 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
  3° een forfaitair bedrag G2 tijdens 16 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 35 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
  4° een forfaitair bedrag G2 tijdens de vier kwartalen die volgen op het kwartaal tijdens hetwelk de vierdagenweek werd ingevoerd;
  5° indien een werknemer in eenzelfde kwartaal tegelijk in aanmerking komt voor een doelgroepvermindering bedoeld in 1°, 2° of 3° en voor de doelgroepvermindering bedoeld in 4°, wordt in dit kwartaal een forfaitair bedrag G1 toegekend.
Art. 22. Une réduction groupe-cible pour réduction du temps de travail est accordée de la manière suivante :
  1° un montant forfaitaire G2 pendant 8 trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 37 heures par semaine ou moins, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
  2° un montant forfaitaire G2 pendant douze trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 36 heures par semaine ou moins, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
  3° un montant forfaitaire G2 pendant 16 trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 35 heures par semaine ou moins, a partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
  4° un montant forfaitaire G2 pendant les 4 trimestres qui suivent le trimestre durant lequel la semaine de quatre jours a été instaurée;
  5° si durant un même trimestre, le travailleur entre en ligne de compte à la fois pour la réduction groupe-cible mentionnée en 1°, 2° ou 3° et pour la réduction groupe-cible mentionnée en 4°, un montant forfaitaire G1 sera accordé durant ce trimestre.
Art. 23. In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij de artikelen 350 en 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van :
  1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
  2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel;
  3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering.
Art. 23. Dans les déclarations a la sécurité sociale relatives aux trimestres au cours desquels les réductions groupe-cible visées aux articles 350 et 351, de la loi du 24 décembre 2002 sont accordées, l'employeur doit renseigner :
  1° les travailleurs concernés par le système introduit et par la réduction de cotisations;
  2° la date d'entrée en vigueur du système;
  3° la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et après l'introduction du système de réduction de la durée du travail.
Art. 24. De in artikel 23 bepaalde procedure dient te worden doorlopen telkenmale de onderneming overgaat tot een wijziging van het arbeidsreglement welke betrekking heeft op of een weerslag kan hebben op het stelsel van arbeidsduurvermindering en/of van de vierdagenweek waarvoor de werkgever bijdragevermindering geniet.
Art. 24. La procédure définie à l'article 23 doit être suivie chaque fois que l'entreprise procède à une modification du règlement de travail qui a trait ou peut avoir une influence sur le système de réduction de la durée du travail et/ou de la semaine de quatre jours pour lequel l'employeur bénéficie de réduction de cotisations.
Art. 25. Voor de toepassing van artikel 351 van de wet van 24 december 2002 wordt verstaan onder "vierdagenweek" : de regeling waarbij de wekelijkse arbeidsduur gespreid wordt hetzij over vier arbeidsdagen per week, hetzij over vijf arbeidsdagen per week welke drie volledige en twee halve arbeidsdagen inhouden. Onder "halve arbeidsdag" verstaat men : ten hoogste de helft van het aantal arbeidsuren dat voorzien wordt in het werkrooster van die van de drie volledige arbeidsdagen welke het hoogst aantal arbeidsuren omvat.
  (De werkgever kan de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 22, 4° enkel toepassen indien de vierdagenweek wordt ingevoerd voor onbepaalde tijd.) <KB 2004-01-21/33, art. 70, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 25. Pour l'application de l'article 351 de la loi du 24 décembre 2002, on entend par "semaine de quatre jours" : le régime dans lequel la durée hebdomadaire de travail est répartie soit sur quatre jours de travail par semaine, soit sur cinq jours de travail par semaine comportant trois jours de travail complets et deux demi-jours de travail. On entend par " demi-jour de travail " : au plus la moitié du nombre d'heures de travail qui est prévu dans l'horaire de celui des trois jours complets de travail qui comporte le plus d'heures de travail.
  (L'employeur ne peut appliquer la réduction groupe cible visée à l'article 22, 4°, que si la semaine de quatre jours est instaurée pour une durée illimitée.) <AR 2004-01-21/33, art. 70, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 26. De bij artikel 350 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen kunnen niet opnieuw voor eenzelfde arbeidsduurvermindering en voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend.
  De bij artikel 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepvermindering kan niet opnieuw voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend.
  (De bij artikel 350 van de programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen kunnen niet voor eenzelfde arbeidsduurvermindering en voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend, indien deze eerdere arbeidsduurvermindering vóór 1 oktober 2003 het recht opende op de vermindering bedoeld in artikel 8 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit in het leven.
  De bij artikel 351 van de programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepvermindering kan niet opnieuw voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend indien voor deze werknemerscategorie vóór 1 oktober 2003 het recht werd geopend op de vermindering bedoeld in artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit in het leven.) <KB 2004-01-21/33, art. 71, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 26. Les réductions groupes-cibles visées à l'article 350 de la loi du 24 décembre 2002 ne peuvent être à nouveau accordées pour une même réduction de la durée du travail et pour une même catégorie de travailleurs.
  La réduction groupe-cible visée à l'article 351 de la loi du 24 décembre 2002 ne peut être à nouveau accordée pour une même catégorie de travailleurs.
  (Les réductions groupes cibles visées à l'article 350 de la loi-programme du 24 décembre 2002 ne peuvent être accordées pour une même réduction de la durée du travail et pour une même catégorie de travailleurs si cette réduction antérieure de la durée du travail a ouvert avant le 1er octobre 2003 le droit à la réduction visée à l'article 8 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie.
  La réduction groupe cible visée à l'article 351 de la loi-programme du 24 décembre 2002 ne peut être à nouveau accordée pour une même catégorie de travailleurs si le droit à la reduction visée à l'article 9 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualite de vie a été ouvert pour cette catégorie de travailleurs avant le 1er octobre 2003.) <AR 2004-01-21/33, art. 71, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 27. <KB 2004-01-21/33, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004; voir également l'art. 19> De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 22 worden slechts toegekend in de vermelde periodes in zover de arbeidsduurvermindering of invoering van de vierdagenweek, gedurende het volledige kwartaal werd gehandhaafd voor de betrokken werknemerscategorie.
Art. 27. <AR 2004-01-21/33, art. 72, 002; En vigueur : 01-01-2004> La réduction groupe cible visée à l'article 22 n'est accordée au cours des périodes visées que pour autant que la réduction de la durée du travail ou l'instauration de la semaine de quatre jours ait été maintenue pour la catégorie de travailleurs concernée pendant la totalité du trimestre.
Art. 28. De bij de artikelen 350 en 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend.
Art. 28. Les réductions groupes-cibles visées aux articles 350 et 351 de la loi du 24 décembre 2002 sont estimées être définitivement accordées lorsqu'il est établi que l'employeur a satisfait à toutes les conditions prévues par ou en vertu de la même loi. Jusqu'à ce moment-là, elles sont seulement accordées provisoirement.
HOOFDSTUK VII. - Herstructureringen.
CHAPITRE VII. - Restructurations.
Art. 28/1. <KB 2007-03-28/30, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Een doelgroepvermindering voor werknemers ontslagen in het kader van een herstructurering wordt op de volgende wijze toegekend :
  1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende vier kwartalen, indien de werknemer op de dag van de indiensttreding jonger dan 45 jaar is;
  2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de vier volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende zestien kwartalen, indien de werknemer op de dag van de indiensttreding minstens 45 jaar is.
  Een werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
  1° hij neemt een werknemer in dienst tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart herstructureringen bedoeld in [1 artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen]1;
  2° hij is een nieuwe werkgever in de zin van [1 artikel 1, § 1, 8°, van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006]1;
  3° het refertekwartaalloon van de werknemer, bedoeld in artikel 2, 3°, c), is niet hoger dan :
  - de loongrens S1, bedoeld in artikel 2, 3°, b) wanneer de werknemer op het ogenblik van de indiensttreding minstens 30 jaar is
  - de loongrens S0 zoals van toepassing voor een werknemer van categorie 1, bedoeld in artikel 2, 3°, d) wanneer de werknemer op het ogenblik van de indiensttreding minder dan 30 jaar is.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt als kwartaal van indiensttreding beschouwd het kwartaal waarin de werknemer tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart herstructureringen bedoeld in [1 artikel 15/1 van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006]1 voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.
  
Art. 28/1. <AR 2007-03-28/30, art. 12, 007; En vigueur : 01-01-2007> Une diminution s'adressant à un groupe cible est octroyée pour des travailleurs licenciés dans le cadre d'une restructuration de la manière suivante :
  1° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les quatre trimestres suivants, si le travailleur a moins de 45 ans le jour de l'entrée en service;
  2° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les quatre trimestres suivants, suivie d'une diminution forfaitaire G2 pendant les seize trimestres suivants, si le travailleur a au moins 45 ans le jour de l'entrée en service.
  Un employeur peut uniquement bénéficier des avantages visés à l'alinéa précédent si les conditions suivantes sont simultanément remplies :
  1° il engage un travailleur pendant la période de validité de la carte de réduction restructurations visée à l'[1 article 15/1 de l'arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations]1;
  2° il s'agit d'un nouvel employeur au sens de l'[1 article 1er, § 1er, 8°, de l'arrêté royal précité du 9 mars 2006]1;
  3° le salaire trimestriel de référence du travailleur visé à l'article 2, 3°, c) ne dépasse pas :
  - la limite salariale S1, visée à l'article 2, 3°, b) lorsque le travailleur a au moins 30 ans au moment de l'entrée en service
  - la limite salariale S0 telle que d'application pour un travailleur de catégorie 1, visée à l'article 2, 3°, d) lorsque le travailleur a moins de 30 ans au moment de l'entrée en service.
  Pour l'application du premier alinéa, on considère comme trimestre d'entrée en service le trimestre au cours duquel le travailleur a été occupé pour la première fois auprès de l'employeur concerné pendant la période de validité de la carte de réduction restructurations visée à l'[1 article 15/1 de l'arrêté royal précité du 9 mars 2006]1.
  
Art. 28/1bis. [1 Artikel 28/1 is eveneens van toepassing voor werknemers die als gevolg van het faillissement, de sluiting of de vereffening van de onderneming, ontslagen worden uiterlijk op de uiterste datum van ontslag bedoeld in artikel 31 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis [2 ...]2.]1
  [3 Artikel 28/1 is eveneens van toepassing voor werknemers die als gevolg van het faillissement, de sluiting of de vereffening van de onderneming ontslagen worden vanaf 1 juli 2011.]3
  
Art. 28/1bis. [1 L'article 28/1 est également d'application pour les travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise, au plus tard à la date limite de licenciement, visée à l'article 31 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise.]1
  [3 L'article 28/1 est également d'application pour les travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise, à partir du 1er juillet 2011.]3
  
Art. 28/1ter. [1 Een doelgroepvermindering voor opleiders of begeleiders wordt toegekend onder de vorm van een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende zeven kwartalen.
   De werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien de werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 februari 2010 tot bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden ontslagen in het kader van een herstructurering, ten behoeve van onderwijs- en opleidingsinstellingen en openbare bemiddelingsdiensten en de werknemer bij de aanvang van zijn tewerkstelling een uitkeringsaanvraag heeft ingediend en de uitkering toegekend gekregen zoals bedoeld in artikel 8 van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010.
   De werkgever moet daarenboven voldoen aan volgende voorwaarden :
   1° hij is een werkgever als bedoeld in artikel 1, 1°, van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010;
   2° hij is een nieuwe werkgever in de zin van artikel 1, § 1, 8°, van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006.
   De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend voor de kwartalen waarin de werkgever met de Minister van Werk een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 2 van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010 heeft.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt als kwartaal van indiensttreding beschouwd het kwartaal waarin de werknemer tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart bedoeld in artikel 1, 4° van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010 voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.
   De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend indien de werknemer vóór 1 januari 2012 bij de werkgever in dienst is getreden.
   Wanneer de overeenkomst, bedoeld in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, een einde neemt omwille van een reden vermeld in artikel 5, eerste lid, 2° of 3°, van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, zal de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten, naargelang het geval, op het ogenblik van ontvangst van de lijst, bedoeld in artikel 5 van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, de bijdrageverminderingen bedoeld in dit artikel annuleren voor de vijf kwartalen die de datum van het einde van voornoemde overeenkomst voorafgaan.
   De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers bedoeld in het tweede lid over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.]1

  
Art. 28/1ter. [1 Une réduction groupe cible pour des formateurs ou accompagnateurs est octroyée sous la forme d'une réduction forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les sept trimestres suivants.
   L'employeur ne peut bénéficier des avantages visés à l'alinéa précédent que si le travailleur remplit les conditions visées à l'article 6 de l'arrêté royal du 3 février 2010 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi, licenciés dans le cadre d'une restructuration, au profit des établissements d'enseignement et de formation et des services publics d'emploi et que si, au début de son occupation, le travailleur a introduit une demande et obtenu l'octroi d'allocation telle que visée à l'article 8 de l'arrêté royal du 3 février 2010 précité.
   En outre, l'employeur doit répondre aux conditions suivantes :
   1° il est un employeur tel que visé à l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 3 février 2010 précité;
   2° il est un nouvel employeur au sens de l'article 1er, § 1er, 8°, de l'arrêté royal précité du 9 mars 2006.
   La réduction groupe-cible ne peut être accordée que pour les trimestres durant lesquels l'employeur est lié par une convention conclue avec la Ministre de l'Emploi, telle que visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 3 février 2010 précité.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, est considéré comme trimestre d'entrée en service, le trimestre au cours duquel le travailleur a été occupé pour la première fois par l'employeur concerné au cours de la période de validité de la carte de réduction visée à l'article 1er, 4° de l'arrêté royal 3 février 2010 précité.
   La réduction groupe-cible ne peut être accordée que si le travailleur est engagé chez l'employeur avant le 1er janvier 2012.
   Lorsque la convention, visée à l'article 2 de l'arrêté royal 3 février 2010 précité, prend fin pour une cause visée à l'article 5, alinéa 1er, 2° ou 3°, de l'arrêté royal 3 février 2010 précité, l'Office national de Sécurité sociale ou l'Office national de Sécurité sociale des Administrations provinciales et locales, selon le cas, au moment où il reçoit la liste, visée à l'article 5 de l'arrêté royal 3 février 2010 précité, annulera les réductions de cotisations visées au présent article, et ce pour ce qui concerne les cinq trimestres qui précèdent la date de fin de la convention susmentionnée.
   L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs visés à l'alinéa 2 à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.]1

  
HOOFDSTUK VIII. [1 Tijdelijke crisis-aanpassing van de arbeidsduur ]1
Chapitre VIII. [1 Adaptation temporaire de crise de la durée du travail]1
Art. 28/2. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, die overgaan tot een tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens dit hoofdstuk, op grond van het feit dat ze in economische moeilijkheden verkeren als gevolg van de Brexit, zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie ]1.
  
Art. 28/2. [1 Le présent chapitre s'applique aux employeurs visés à l'article 335, alinéa 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, qui procèdent à une adaptation temporaire de la durée du travail dans les conditions fixées par ou en vertu du présent chapitre, au motif qu'ils sont soumis à des difficultés économiques en raison du Brexit, tel que prévu à l'article 2 de la loi du 6 mars 2020 visant à maintenir l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne ]1.
  
Art. 28/3. [1 Een doelgroepvermindering voor tijdelijke arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend :
   1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
   2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
   3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
   4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
   De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
   De verminderingen bedoeld in het eerste lid in de bepalingen onder 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers ]1
.
  
Art. 28/3. [1 Une réduction groupe-cible pour réduction temporaire de la durée du travail est accordée de la manière suivante :
   1° un montant G4 à partir du trimestre de l'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduite d'un cinquième;
   2° un montant G5 à partir du trimestre de l'introduction du régime de réduction temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel la réduction temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduite d'un quart;
   3° un montant G1 si l'adaptation de la durée du travail, visée au 1°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours;
   4° un montant G6 si l'adaptation de la durée du travail, visée au 2°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours.
   Les réductions groupes-cibles sont accordées pour les occupations durant la période de l'adaptation temporaire de la durée du travail.
   Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°, sont uniquement applicables pour les travailleurs à temps plein ]1
.
  
Art. 28/4. [1 In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij de artikelen 353bis/3 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van :
   1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
   2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
   3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur ]1
.
  
Art. 28/4. [1 Dans les déclarations à la sécurité sociale relatives aux trimestres au cours desquels les réductions groupes-cibles visées aux articles 353bis/3 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 sont accordées, l'employeur doit renseigner:
   1° les travailleurs concernés par le système introduit et par la réduction de cotisations;
   2° la date de l'entrée en vigueur du système ainsi que la date à laquelle il cesse d'être en vigueur;
   3° la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et après l'introduction de l'adaptation de la durée du travail ]1
.
  
Art. 28/5. [1 e collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen in het arbeidsreglement vermelden uitdrukkelijk dat ze gesloten, respectievelijk opgenomen worden in het kader van Titel 2, hoofdstuk 3 - Tijdelijke aanpassing van de Arbeidsduur - van de voormelde wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.
   De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De begindatum mag de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van titel 2 - Tijdelijke aanpassing van de arbeidstijd - van de voornoemde wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, niet voorafgaan, noch na de datum vallen waarop voornoemde titel 2 buiten werking treedt. De einddatum moet liggen voor de datum waarop voornoemde titel 2 buiten werking treedt. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
   De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
   De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/4, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
   Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
   Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg ]1
.
  
Art. 28/5. [1 Les conventions collective de travail ou les dispositions du règlement de travail mentionnent explicitement qu'elles sont conclues, respectivement incluses dans le cadre du Titre 2, chapitre 3 - Adaptation temporaire de la durée du travail - de la loi précitée du 6 mars 2020 visant à maintenir l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne.
   La convention collective de travail doit clairement mentionner les dates de début et de fin de l'adaptation temporaire de la durée du travail et, le cas échéant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours. La date de début ne peut pas précéder le jour de l'entrée en vigueur du chapitre 3 du titre 2 - Adaptation temporaire de la durée du travail - de la loi précitée du 6 mars 2020 visant à maintenir de l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne, ni se situer après la date à laquelle le titre 2 précité, cesse d'être en vigueur. La date de fin doit se situer avant la date à laquelle le titre 2 précité cesse d'être en vigueur. La convention collective de travail ne peut pas contenir de disposition par laquelle elle peut être prorogée par tacite reconduction.
   La convention collective de travail doit prévoir une réduction temporaire de la durée du travail, de soit un cinquième soit un quart de la durée du travail qui était d'application avant son entrée en vigueur.
   La compensation salariale prévue par l'article 353bis/4, alinéa 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 doit s'élever au moins à trois quart du montant de la réduction forfaitaire visée à l'article 28/3 du présent arrêté.
   En cas d'instauration de la semaine de quatre jours, la convention collective de travail mentionne clairement le régime de travail hebdomadaire; dans ce cadre, la notion de "semaine de quatre jours" doit répondre à la définition de l'article 25. La période de l'instauration de la semaine de quatre jours doit se situer durant la période de l'adaptation temporaire de la durée de travail.
   Dans le mois qui suit la signature de la convention collective de travail, l'employeur en fait parvenir une copie au chef de direction compétent de la Direction générale Contrôle des Lois Sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale ]1
.
  
Art. 28/6. [1 De bij artikel 353bis/3 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend ]1.
  
Art. 28/6. [1 Les réductions groupes-cibles visées à l'article 353bis/3 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 sont réputées avoir été définitivement octroyées lorsqu'il a été établi que l'employeur a satisfait à toutes les conditions prévues par ou en vertu de la même loi. Jusqu'à ce moment-là, elles sont accordées seulement de façon provisoire ]1.
  
HOOFDSTUK VIII/1. [1 - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie.]1
CHAPITRE VIII/1. [1 - Réduction temporaire de la durée du travail dans le cadre de la pandémie COVID-19.]1
Art. 28/6/1. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de wet van 24 december 2002, op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, waarvan de periode van de erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.]1
  
Art. 28/6/1. [1 Le présent chapitre s'applique aux employeurs visés à l'article 335, alinéa 3 de la loi du 24 décembre 2002 auxquels s'appliquent une reconnaissance comme entreprise en restructuration ou comme entreprise en difficulté, dont la période de reconnaissance commence au plus tôt le 1er mars 2020 et au plus tard le 31 décembre 2020.]1
  
Art. 28/6/2. [1 Een doelgroepvermindering voor tijdelijke arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend:
   1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
   2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
   3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
   4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
   De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
   De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers.]1

  
Art. 28/6/2. [1 Une réduction groupe-cible pour réduction temporaire de la durée du travail est accordée de la manière suivante :
   1° un montant G4 à partir du trimestre de l'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduit d'un cinquième ;
   2° un montant G5 à partir du trimestre de l'introduction du régime de réduction temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel la réduction temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduit d'un quart;
   3° un montant G1 si l'adaptation temporaire de la durée du travail, visée au 1°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours;
   4° un montant G6 si l'adaptation temporaire de la durée du travail, visée au 2°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours.
   Les réductions groupes-cibles sont accordées pour les occupations durant la période de l'adaptation temporaire de la durée du travail.
   Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4° sont uniquement applicables pour les travailleurs à temps plein.]1

  
Art. 28/6/3. [1 In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij artikel 353bis/7/4 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van:
   1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
   2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
   3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur.]1

  
Art. 28/6/3. [1 Dans les déclarations à la sécurité sociale relatives aux trimestres au cours desquels les réductions groupes-cibles visées à l'article 353bis/7/4 de la loi du 24 décembre 2002 sont accordées, l'employeur doit renseigner :
   1° les travailleurs concernés par le système introduit et par la réduction de cotisations;
   2° la date de l'entrée en vigueur du système ainsi que la date à laquelle il cesse d'être en vigueur;
   3° la durée hebdomadaire du travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et après l'introduction de l'adaptation de la durée du travail.]1

  
Art. 28/6/4. [1 § 1. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 353bis/7/5 van de wet van 24 december 2002 moet uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten is in onderafdeling 8/1. "Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie" van afdeling 3, van hoofdstuk 7, van titel IV, van de programmawet (I) van 24 december 2002.
   De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
   De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
   De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/7/5, vierde lid, van de wet van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
   Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
   Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
   § 2. In geval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek worden vastgesteld door een wijziging van het arbeidsreglement, zijn daarop dezelfde voorschriften en minimale inhoud van toepassing als bepaald in paragraaf 1.]1

  
Art. 28/6/4. [1 § 1er. La convention collective de travail visée à l'article 353bis/7/5 de la loi du 24 décembre 2002 doit mentionner expressément qu'elle est conclue dans le cadre de la sous-section 8/1. " Réduction temporaire de la durée du travail dans le cadre de la pandémie COVID-19 " de la section 3, du chapitre 7 du titre IV, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
   La convention collective de travail doit clairement mentionner les dates de début et de fin de l'adaptation temporaire de la durée du travail et, le cas échéant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours. La convention collective de travail ne peut pas contenir de disposition par laquelle elle peut être prorogée par tacite reconduction.
   La convention collective de travail doit prévoir une réduction temporaire de la durée du travail, de soit un cinquième, soit un quart de la durée du travail qui était d'application avant son entrée en vigueur.
   La compensation salariale prévue par l'article 353bis/7/5, alinéa 4, de la loi du 24 décembre 2002 doit s'élever au moins à trois quart du montant de la réduction forfaitaire visée à l'article 28/3 du présent arrêté.
   En cas d'instauration de la semaine de quatre jours, la convention collective de travail mentionne clairement le régime de travail hebdomadaire ; dans ce cadre, la notion de " semaine de quatre jours " doit répondre à la définition de l'article 25. La période de l'instauration de la semaine de quatre jours doit se situer durant la période de l'adaptation temporaire de la durée de travail.
   Dans le mois qui suit la signature de la convention collective de travail, l'employeur en fait parvenir une copie au chef de service compétent de la Direction générale du Contrôle des Lois Sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
   § 2. Au cas où l'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont introduites par une modification du règlement de travail, les mêmes prescriptions et le même contenu minimum visés au paragraphe 1er, sont d'application.]1

  
Art. 28/6/5. [1 De bij artikel 353bis/7/3 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend.]1
  
Art. 28/6/5. [1 Les réductions groupes-cibles visées à l'article 353bis/7/3 de la loi du 24 décembre 2002 sont réputées avoir été définitivement octroyées lorsqu'il a été établi que l'employeur a satisfait à toutes les conditions prévues par ou en vertu de la même loi. Jusqu'à ce moment-là, elles sont accordées seulement de façon provisoire.]1
  
HOOFDSTUK IX. [1 - Forfaitaire bijdragevermindering voor vaste werknemers met een voltijdse arbeidsovereenkomst in de horeca.]1
CHAPITRE IX. [1 - Réduction forfaitaire de cotisations pour les travailleurs fixes de l'horeca disposant d'un contrat de travail à temps plein.]1
Art. 28/7. [1 Werkgevers bedoeld in artikel 353bis/8, eerste lid, van de programmawet van 24 december 2002 genieten voor 5 vaste voltijdse werknemers naar keuze van een vermindering van een forfaitair bedrag G10, gedurende een onbeperkt aantal kwartalen.
   Voor werknemers die op het einde van het kwartaal de leeftijd van 26 jaar niet bereikt hebben, wordt het forfaitair bedrag G9 toegepast.
   De referteperiode en de wijze waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend, zoals bedoeld in artikel 353bis/8 van de programmawet van 24 december 2002, worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 oktober 2009 waarbij de referteperiode en de wijze worden bepaald waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend met het oog op de inning, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van de bijdragen bedoeld in de artikelen 58 en 60 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en van de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 9° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1

  
Art. 28/7. [1 Les employeurs visés à l'article 353bis/8, alinéa 1er de la loi-programme du 24 décembre 2002 bénéficient d'une réduction d'un montant forfaitaire G10 pendant un nombre de trimestres illimité, pour 5 travailleurs fixes de leur choix prestant à temps plein.
   Le montant forfaitaire G9 s'applique aux travailleurs qui n'ont pas atteint l'âge de 26 ans à la fin du trimestre.
   La période de référence ainsi que les modalités du calcul de la moyenne des travailleurs occupés pendant cette période de référence, telles que visées à l'article 353bis/8 de la loi-programme du 24 décembre 2002, sont déterminés conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 28 octobre 2009 déterminant la période de référence et les modalités du calcul de la moyenne des travailleurs occupés pendant cette période de référence en vue de la perception, par l'Office national de Sécurité sociale, des cotisations visées aux articles 58 et 60 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et de la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 9° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs.]1

  
Art. 28/8. [1 Onder een "voltijdse arbeidsovereenkomst" wordt verstaan de arbeidsovereenkomst van een werknemer zoals bedoeld in artikel 9, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]1
  
Art. 28/8. [1 Il faut entendre par "contrat de travail à temps plein", le contrat de travail d'un travailleur tel que visé à l'article 9, 1° et 2° de l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.]1
  
Art. 28/9. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een "vaste werknemer" verstaan, een werknemer andere dan deze bedoeld in artikel 31ter, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
  
Art. 28/9. [1 Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par "travailleur fixe", un travailleur autre que celui visé à l'article 31ter, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]1
  
Art. 28/10. [1 § 1. De vermindering kan slechts worden toegekend in de kwartalen waarin de geregistreerde kassa operationeel is van de eerste dag tot en met de laatste dag van het kwartaal.
   Voor de periode van 1 januari 2014 tot en met [2 30 juni]2 2014 kan de vermindering, in afwijking van het vorige lid, evenwel toegekend worden indien de werkgever voldoet aan alle volgende voorwaarden :
   1. hij dient zich voor 31 december 2013 te registreren bij de FOD Financiën overeenkomstig artikel 2bis van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen en,
   2. het geregistreerde kassasysteem moet uiterlijk op [2 30 juni]2 2014 operationeel zijn,
   § 2. De werkgever heeft recht op de bijdragevermindering op voorwaarde dat hij het begin en einde van de aanwezigheid van al zijn werknemers, met uitzondering van de gelegenheidswerknemers bedoeld in artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die hij aangeeft in dimona overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gedurende de volledige duur van de toekenning van de vermindering registreert.
   Deze registratie moet gebeuren :
   1° via het geregistreerde kassasysteem, zoals bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 30 december 2009 of
   2° via een alternatief systeem van dagelijkse aanwezigheidsregistratie, dat ter beschikking wordt gesteld bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat dezelfde garanties biedt als 1° ".
   Indien de werkgever de registratie doet op de wijze bepaald in 1° van het vorige lid, dient hij nog steeds een aangifte te verrichten overeenkomstig artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 5 november 2002.
   Deze paragraaf is niet van toepassing op de werkgevers die voldoen aan de voorwaarden gesteld in paragraaf 1, tweede lid van dit artikel en dit tot op het moment dat hun geregistreerd kassasysteem operationeel is.]1

  
Art. 28/10. [1 § 1er. La réduction ne peut être octroyée que pour les trimestres au cours desquels la caisse enregistreuse est opérationnelle du premier au dernier jour inclus du trimestre.
   Pour la période du 1er janvier 2014 jusqu'au [2 30 juin]2 2014 inclus, par dérogation à l'alinéa précédent, la réduction peut cependant être octroyée lorsque l'employeur répond aux conditions suivantes :
   1. il doit s'enregistrer avant le 31 décembre 2013 auprès du SPF Finances conformément à l'article 2bis de l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca et,
   2. le système de caisse enregistreuse doit être opérationnel au plus tard le [2 30 juin]2 2014,
   § 2. L'employeur a droit à la réduction à condition qu'il enregistre le début et la fin de la présence de l'ensemble de ses travailleurs salariés, à l'exception des travailleurs occasionnels visés à l'article 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs qu'il déclare en dimona conformément à l'article 5bis, § 3 de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, pendant la durée totale de l'octroi de la réduction.
   Cet enregistrement doit se faire :
   1° via la caisse enregistreuse, visée à l'arrêté royal susmentionné du 30 décembre 2009 ou
   2° via un système alternatif d'enregistrement de présences journalier mis en place à l'Office national de Sécurité sociale, qui offre les mêmes garanties que le 1° ".
   Dans le cas où l'employeur fait l'enregistrement de la manière fixée au point 1° de l'alinéa précédent, il doit toujours introduire une déclaration conformément à l'article 4 de l'arrêté royal susvisé du 5 novembre 2002.
   Ce paragraphe n'est pas d'application pour les employeurs qui répondent aux conditions du paragraphe 1er, alinéa 2, de cet article et ceci jusqu'au moment que leur système de caisse enregistreuse est opérationnel.]1

  
HOOFDSTUK X. [1 - Gesubsidieerde contractuelen.]1
Chapitre X. [1 - Agents contractuels subventionnés.]1
Art. 28/11. [1 Een doelgroepvermindering G13 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/9, eerste lid, 1° van de programmawet van 24 december 2002 die tewerkgesteld zijn door de werkgevers die aangesloten zijn bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling. "
   Voor de andere werknemers bedoeld in artikel 353bis/9 van de programmawet van 24 december 2002 wordt een doelgroepvermindering G7 toegekend gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
   Een doelgroepvermindering G13 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/10 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1

  
Art. 28/11. [1 Une réduction groupe-cible G13 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/9, alinéa premier, 1° de la loi-programme du 24 décembre 2002 et occupés auprès des employeurs affiliés à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales, pendant toute la durée de l'occupation. "
   Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les autres travailleurs visés à l'article 353bis/9 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
   Une réduction groupe-cible G13 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/10 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1

  
Art. 28/11 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 [2 ...]2
   [2 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend aan de werknemers vermeld in artikel 353bis/9, eerste lid, 2°, en tweede lid, van de programmawet van 24 december 2002 voor de volledige duur van hun tewerkstelling.]2
   [2 ...]2]1

  
Art. 28/11 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   [1 [2 ...]2
   [2 Une réduction pour groupe cible G7 est octroyée, pour toute la durée de leur occupation, aux travailleurs mentionnés à l'article 353bis/9, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]2
   [2 ...]2]1
HOOFDSTUK XI. [1 - Huispersoneel.]1
Chapitre XI. [1 - Personnel de maison.]1
Art. 28/12. [1 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in de artikel 353bis/11 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
   De in het eerste lid bedoelde werknemers moeten, sedert ten minste zes maanden :
   - hetzij uitkeringsgerechtigd volledig werkloze zijn;
   - hetzij gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie.
   Voor de toepassing van het tweede lid wordt de tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit, beschouwd als een periode van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid.
   Wanneer de arbeidsovereenkomst van die werknemer een einde neemt, blijft de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid evenwel behouden indien de werkgever binnen de drie maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een andere werknemer in dienst neemt onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald bij dit besluit.
   Om het voordeel van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever kunnen bewijzen dat de werknemer de in het tweede lid vermelde voorwaarde vervult.]1

  
Art. 28/12. [1 Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/11 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
   Les travailleurs visés au premier alinéa doivent depuis au moins six mois :
   - soit être chômeurs complets indemnisés;
   - soit bénéficier de l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et les périodes d'octroi de l'aide sociale financière aux personnes de nationalité étrangère, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale.
   Pour l'application du deuxième alinéa, l'occupation, dans le cadre d'une convention de premier emploi d'un travailleur qui ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur, est considérée comme une période de chômage complet indemnisé en vertu du chapitre VIII du Titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi.
   Lorsque le contrat de travail de ce travailleur prend fin, l'employeur peut toutefois continuer de bénéficier de la réduction des cotisations patronales de sécurité sociale si, dans les trois mois qui suivent, il engage un autre travailleur dans les conditions et selon les modalités prévues par le présent arrêté.
   Pour bénéficier de l'avantage de ce chapitre, l'employeur doit pouvoir démontrer que le travailleur remplit la condition visée au deuxième alinéa.]1

  
HOOFDSTUK XII. [1 - Onthaalouders.]1
Chapitre XII. [1 - Parents d'accueil.]1
Art. 28/13. [1 Een doelgroepvermindering G11 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/12 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1
  
Art. 28/13. [1 Une réduction groupe-cible G11 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/12 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1
  
Art. 28/13 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
  
Art. 28/13 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
  
HOOFDSTUK XIII. [1 - Kunstenaars.]1
Chapitre XIII. [1 - Artistes.]1
Art. 28/14. [1 Een doelgroepvermindering G12 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/13 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
   Een werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien het refertekwartaalloon van de werknemer, bedoeld in artikel 2, 3°, c), minstens gelijk is aan 3 maal het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van de eerste maand van het kwartaal, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.]1

  
Art. 28/14. [1 Une réduction groupe-cible G12 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/13 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
   Un employeur peut bénéficier de l'avantage visé à l'alinéa précédent seulement si le salaire trimestriel de référence du travailleur, visé à l'article 2, 3°, c) est au moins égal à trois fois le revenu mensuel minimum moyen garanti du premier mois du trimestre, tel que défini à l'article 3, premier alinéa, de la Convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.]1

  
HOOFDSTUK XIV. [1 - Werknemers tewerkgesteld in toepassing van artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
Chapitre XIV. [1 - Travailleurs occupés en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.]1
Art. 28/15. [1 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/14 van de Programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1
  
Art. 28/15. [1 Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/14 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1
  
Art. 28/15_VLAAMS_GEWEST.   [1 ...]1
  
Art. 28/15 _REGION_FLAMANDE.
  [1 ...]1
  
HOOFDSTUK XV. [1 - Betaalde sportbeoefenaars.]1
Chapitre XV. [1 - Sportifs rémunérés.]1
Art. 28/16. [1 Een doelgroepvermindering G19 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/16 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
   G19 is gelijk aan 65 procent van het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, van dezelfde programmawet na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en na aftrek van de structurele vermindering. Artikel 337 van dezelfde programmawet is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing.]1

  
Art. 28/16. [1 Une réduction groupe-cible G19 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/16 de la loi programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
   G19 est égal à 65 pourcent du solde des cotisations dues visées à l'article 326, alinéa 1er, de la même loi programme après application de l'article 326, alinéas 2, 3, 4 et 5, et après déduction de la réduction structurelle. A l'exception du seuil minimum en matière de prestations globales, l'article 337 de la même loi programme n'est pas d'application.]1

  
Hoofdstuk XVI_VLAAMS_GEWEST.[1 Personen zonder recente, duurzame werkervaring]1
Chapitre XVI_REGION_FLAMANDE.[1 Personnes sans expérience professionnelle récente et durable]1
Art.28/17_VLAAMS_GEWEST.. [1 § 1. In dit artikel wordt onder personen zonder recente, duurzame werkervaring personen verstaan die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
   1° op de laatste dag van het kwartaal van de indiensttreding minstens de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben en de leeftijd van 58 jaar nog niet bereikt hebben;
   2° voor de indiensttreding minstens twee jaar als niet-werkende werkzoekende bij de VDAB zijn ingeschreven.
   § 2. De doelgroepvermindering voor de indienstneming van personen zonder recente, duurzame werkervaring bestaat uit een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de drie daaropvolgende kwartalen.
   § 3. Voor de bepaling van de periode, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden de volgende periodes van inactiviteit gelijkgesteld:
   1° de periodes van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval;
   2° de periodes van detentie;
   3° de periodes van onderbreking van de inschrijving als niet-werkende werkzoekende als die onderbreking maximaal drie maanden bedraagt.
   De persoon die op het moment van de indiensttreding arbeidsongeschikt is wegens ziekte of ongeval, is vrijgesteld van de voorwaarde, vermeld in artikel 353bis/17, tweede lid, 1° van de programmawet van 24 december 2002 (I).
   De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan bijkomende periodes van inactiviteit gelijkstellen met de inschrijving als niet-werkende werkzoekende.
   § 4. De loongrens, vermeld in artikel 353bis/17, tweede lid, 2°, van de Programmawet van 24 december 2002 (I), bedraagt 10.000 euro.
   § 5. De werkgever of werknemer die de juistheid van de gegevens, vermeld in paragraaf 3, betwist, kan bij het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie een aanvraag tot wijziging indienen. Bij de voormelde aanvraag worden de nodige bewijsstukken gevoegd.
   § 6. Als aan een werkgever een doelgroepvermindering is toegekend voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend niet.]1

  
Art.28/17_REGION_FLAMANDE.. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par personnes sans expérience professionnelle récente et durable les personnes qui remplissent toutes les conditions suivantes :
   1° au dernier jour du trimestre de l'entrée en service, avoir atteint au moins l'âge de 25 ans et ne pas encore avoir atteint l'âge de 58 ans ;
   2° être inscrit au VDAB comme demandeur d'emploi inoccupé depuis au moins deux ans avant l'entrée en service.
   § 2. La réduction groupes-cibles pour l'embauche de personnes sans expérience professionnelle récente et durable consiste en une réduction forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'embauche et les trois trimestres suivants.
   § 3. Pour la détermination de la période visée au paragraphe 1er, 2°, les périodes d'inactivité suivantes sont assimilées :
   1° les périodes d'incapacité de travail pour cause de maladie ou d'accident ;
   2° les périodes de détention ;
   3° les périodes d'interruption de l'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé si cette interruption n'excède pas trois mois.
   La personne qui est en incapacité de travail pour cause de maladie ou d'accident au moment de l'entrée en service est exemptée de la condition mentionnée à l'article 353bis/17, alinéa 2, 1° de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I).
   Le ministre flamand ayant l'emploi dans ses attributions peut assimiler les périodes d'inactivité supplémentaires à une inscription en tant que demandeur d'emploi inoccupé.
   § 4. Le plafond salarial visé à l'article 353bis/17, alinéa 2, 2°, de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), s'élève à 10 000 euros.
   § 5. L'employeur ou le travailleur qui conteste l'exactitude des données visées au paragraphe 3 peut introduire une demande de modification auprès du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale. La demande précitée est accompagnée des pièces justificatives nécessaires.
   § 6. Lorsqu'une réduction groupes-cibles est accordée à un employeur pour un travailleur qu'il engage à nouveau dans une période de quatre trimestres après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont considérées, pour la fixation de la réduction groupes-cibles forfaitaire et pour sa durée, comme une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge la période pendant laquelle la réduction groupes-cibles est accordée.]1

  
TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et modificatives.
HOOFDSTUK I. - Opheffende bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions abrogatoires.
Art. 29. Worden opgeheven :
  1° (ingetrokken) <KB 2004-01-21/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 november 2001 en 4 december 2002;
  3° artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 23, § 3, 32, tweede en derde lid, 33, § 2, derde lid, 34, 36, 37, § 1, 1°, 39, § 4, tweede lid, en § 5, tweede lid, 42, § 2, 44, § 4, derde lid, 46, eerste lid, 47, § 4, eerste en vierde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001;
  4° artikel 6, tweede lid van het koninklijk besluit van 18 juli 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen;
  5° artikelen 2, § 2, (...) 13°, 5, 6, 8, 9, (...) alle gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 2002, (...) 17 en 30, tweede lid van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden; <KB 2004-01-21/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  6° artikel 7 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen;
  7° artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
  8° artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen;
  9° artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
Art. 29. Sont abrogés :
  1° (rapporté) <AR 2004-01-21/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  2° l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, modifié par les arrêtés royaux des 30 novembre 2001 et 4 décembre 2002;
  3° l'article 7 de l'arrêté royal du 30 mars 2000 d'exécution des articles 23, § 3, 32, alinéas 2 et 3, 33, § 2, alinéa 3, 34, 36, 37, § 1er, 1°, 39, § 4, alinéa 2, et § 5, alinéa 2, 42, § 2, 44, § 4, alinéa 3, 46, alinéa 1er, 47, § 4, alinéas 1er et 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, remplacé par l'arrêté royal du 23 mars 2001;
  4° l'article 6, alinéa 2, de l'arrêté royal du 18 juillet 2000 modifiant l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses;
  5° les articles 2, § 2, (...) 13°, 5, 6, 8, 9, (...) tous modifiés par l'arrêté royal du 9 décembre 2002, (...) 17 et 30, alinéa 2 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée; <AR 2004-01-21/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  6° l'article 7 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle et déterminant la réduction temporaire ou la dispense de cotisations patronales;
  7° l'article 5 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et déterminant la dispense de cotisations patronales;
  8° l'article 7 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit a une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle et déterminant la réduction temporaire ou la dispense de cotisations patronales;
  9° l'article 5 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et déterminant la dispense de cotisations patronales.
Art. 30. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 22 mei 1987 tot uitvoering van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1991, 9 november 1992, 8 oktober 1998 en 20 juli 2000;
  2° het koninklijk besluit van 3 november 1987 tot uitvoering van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 495 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 1990 en 8 juli 1998;
  3° het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wat betreft de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 1996, 31 oktober 1996 en 30 november 2001;
  4° het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot uitvoering van artikel 18, § 4, tweede lid van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;
  5° het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de te volgen procedure door de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk om te kunnen genieten van het banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003;
  6° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
  7° het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 35, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003;
  8° het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 35, § 4, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 2000 en 7 juli 2002;
  9° het koninklijk besluit van 15 mei 2000 tot uitvoering van de artikelen 118, § 1, 8°, van de programmawet van 30 december 1988 en 6, § 1, 13°, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  10° het koninklijk besluit van 27 september 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten betreffende de maatregelen van de algemene arbeidsduurvermindering tot 38 uren per week en de collectieve arbeidsduurvermindering;
  11° het koninklijk besluit van 27 september 2001 tot uitvoering van artikel 8, § 1, tweede lid, en § 3, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven.
Art. 30. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 22 mai 1987 pris en exécution de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifié par les arrêtés royaux des 19 août 1991, 9 novembre 1992, 8 octobre 1998 et 20 juillet 2000;
  2° l'arrêté royal du 3 novembre 1987 portant exécution de l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal n° 495 visant à instaurer un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et visant une diminution temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifié par les arrêtés royaux des 23 mai 1990 et 8 juillet 1998;
  3° l'arrêté royal du 30 mars 1995 portant exécution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses aux entreprises d'insertion et aux sociétés à finalité sociale, modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1996, 31 octobre 1996 et 30 novembre 2001;
  4° l'arrêté royal du 22 décembre 1995 portant exécution de l'article 18, § 4, deuxième alinéa, de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi;
  5° l'arrêté royal du 28 octobre 1996 déterminant la procédure à suivre par les entreprises d'insertion et les sociétés à finalité sociale pour bénéficier du plan d'embauche pour la promotion du recrutement des demandeurs d'emploi, modifié par l'arrêté royal du 13 janvier 2003;
  6° l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1erbis, alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer;
  7° l'arrêté royal du 7 mai 1999 pris en exécution de l'article 35, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par l'arrêté royal du 13 janvier 2003;
  8° l'arrêté royal du 7 mai 1999 pris en exécution de l'article 35, § 4, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par les arrêtés royaux des 17 septembre 2000 et 7 juillet 2002;
  9° l'arrêté royal du 15 mai 2000 pris en exécution des articles 118, § 1er, 8°, de la loi-programme du 30 décembre 1988 et 6, § 1er, 13°, de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité;
  10° l'arrêté royal du 27 septembre 2001 fixant les modalités d'exécution des mesures de la réduction générale du temps de travail à 38 heures par semaine et de la réduction collective du temps de travail;
  11° l'arrêté royal du 27 septembre 2001 pris en exécution de l'article 8, § 1er, alinéa 2, et § 3, de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie.
HOOFDSTUK II. - Wijzigende bepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives.
Art. 31. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 augustus 1984, 29 juni 1987 en 22 april 1999, wordt de eerste volzin als volgt aangevuld :
  ", en dit tot 31 december van het jaar waarin voornoemde leerlingen of stagiairs de leeftijd van achttien jaar bereiken. ";
Art. 31. A l'article 4 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par les arrêtés royaux du 13 août 1984, du 29 juin 1987 et du 22 avril 1999, la première phrase est complétée comme suit :
  ", et ce jusqu'au 31 décembre de l'année dans laquelle les apprentis ou stagiaires précités atteignent l'âge de dix-huit ans. ";
Art. 32. In artikel 5bis van hetzelfde besluit van 28 november 1969, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 augustus 1984 en 30 november 2001, worden de woorden " van deeltijdse leerplicht, bedoeld bij artikel 1, § 1, 3°, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, " vervangen door de woorden " die eindigt op 31 december van het jaar waarin zij de leeftijd van achttien jaar bereiken, ".
Art. 32. Dans l'article 5bis du même arrêté du 28 novembre 1969, modifié par les arrêtés royaux du 13 août 1984 et du 30 novembre 2001, les mots " de l'obligation scolaire à temps partiel, visée à l'article 1er, § 1er, 3°, de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire, " sont remplacés par les mots " qui se termine au 31 décembre de l'année dans laquelle ils atteignent l'âge de dix-huit ans, ".
Art. 33. In het opschrift van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 23, § 3, 32, tweede en derde lid, 33, § 2, derde lid, 34, 36, 37, § 1, 1°, 39, § 4, tweede lid, en § 5, tweede lid, 42, § 2, 44, § 4, derde lid, 46, eerste lid, 47, § 4, eerste en vierde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, worden de woorden " 27, eerste lid, 2°, " ingevoegd tussen de woorden " 23, § 3, " en " 32, tweede en derde lid ".
Art. 33. Dans l'intitulé de l'arrêté royal du 30 mars 2000 d'exécution des articles 23, § 3, 32, alinéas 2 et 3, 33, § 2, alinéa 3, 34, 36, 37, § 1er, 1°, 39, § 4, alinéa 2, et § 5, alinéa 2, 42, § 2, 44, § 4, alinéa 3, 46, alinéa 1er, 47, § 4, alinéas 1er et 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, les mots " 27, alinéa 1er, 2°, " sont insérés entre les mots " 23, § 3, " et " 32, alinéas 2 et 3 ".
Art. 34. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) § 1, eerste lid, wordt opgeheven;
  b) in § 1, tweede lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
  c) § 1, derde lid, wordt opgeheven;
  d) in § 1, vierde lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
  e) § 1, zesde lid, wordt opgeheven;
  f) in § 1, zevende lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
  g) in § 2, eerste lid, worden de woorden " 1°, " geschrapt;
  h) in § 2, tweede lid, wordt het woord " drie " geschrapt;
  i) in § 2, vijfde lid, worden de woorden " de jongeren bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet en, in voorkomend geval, " geschrapt;
  j) in § 2, zesde lid, worden de woorden " en, in voorkomend geval, de jongeren bepaald in artikel 23, § 1, 1°, van de wet, " geschrapt;
  k) in § 3, eerste lid, worden in de eerste zin de woorden " in artikel 23, § 1, 1°, van de wet " vervangen door de woorden " in artikel 23, § 1, 2°, van de wet ";
  l) in § 3, eerste lid, worden in de tweede zin de woorden " in artikel 23, § 1, 2° en 3°, " vervangen door de woorden " in artikel 23, § 1, 3°, van de wet ".
Art. 34. A l'article 2 du même arrêté, modifié par l'arrête royal du 23 mars 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  a) § 1er, alinéa 1er, est abrogé;
  b) dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 1° et, " sont supprimés;
  c) § 1er, alinéa 3, est abrogé;
  d) dans le § 1er, alinéa 4, les mots " 1° et, " sont supprimés;
  e) § 1er, alinéa 6, est abrogé;
  f) dans le § 1er, alinéa 7, les mots " 1° et, " sont supprimés;
  g) dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1°, " sont supprimés;
  h) dans le § 2, alinéa 2, le mot " trois " est supprimé;
  i) dans le § 2, alinéa 5, les mots " les jeunes définis par l'article 23, § 1er, 2°, de la loi et, le cas échéant, " sont supprimés;
  j) dans le § 2, alinéa 6, les mots " et, le cas échéant, les jeunes définis par l'article 23, § 1er, 1°, de la loi, " sont supprimés;
  k) dans le § 3, alinéa 1er, première phrase, les mots " par l'article 23, § 1er, 1°, de la loi " sont remplaces par les mots " par l'article 23, § 1er, 2°, de la loi ";
  l) dans le § 3, alinéa 1er, seconde phrase, les mots " par l'article 23, § 1er, 2° et 3°, de la loi " sont remplacés par les mots " par l'article 23, § 1er, 3°, de la loi. "
Art. 35. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 2bis. De duur van de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2° en 3°, van de wet, is minstens gelijk aan de duur van de periode die aanvangt bij het begin van de uitvoering van de startbaanovereenkomst en eindigt op 30 juni van het lopend schooljaar, zonder echter minder dan zes maanden te mogen bedragen. "
Art. 35. Dans le même arrêté, est inséré l'article 2bis, rédigés comme suit :
  " Art. 2bis. La durée de la période visée à l'article 27, alinéa 1er, 2° et 3°, de la loi, est au moins égale à la durée de la période qui commence au début de l'exécution de la convention de premier emploi et qui se termine au 30 juin de l'année scolaire en cours, sans toutefois pouvoir être inférieure à six mois. "
Art. 36. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 2ter. Alle door de bevoegde Gewest- of Gemeenschapsoverheden ingerichte, gesubsidieerde of erkende types of vormen van onderwijs, cursussen, opleidingen of vormingen, alsook sectorale opleidingen, georganiseerd op grond van een beslissing van het bevoegd paritair comité, mogen door de betrokken jongere gevolgd worden in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet. "
Art. 36. Un article 2ter, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 2ter. Tous types ou formes d'enseignement, de cours ou de formations organisés, subventionnés ou agréés par les autorités régionales ou communautaires compétentes, ainsi que des formations sectorielles organisées en vertu d'une décision de la commission paritaire compétente, peuvent être suivis par le jeune concerné dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi. "
Art. 37. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2quater ingevoegd, luidende :
  " Art. 2quater. De opleiding, gevolgd in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet op jaarbasis gemiddeld minstens 240 uren bedragen. "
Art. 37. Un article 2quater, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 2quater. La formation suivie dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi doit porter au minimum sur un total de 240 heures en moyenne par an. "
Art. 38. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2quinquies ingevoegd, luidende :
  " Art. 2quinquies. In afwijking op de bepalingen van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten mag de deeltijdse, minstens halftijdse tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, op jaarbasis vastgesteld worden, zonder dat de jaarlijkse gemiddelde conventionele arbeidsduur voor een voltijdse tewerkstelling, verminderd met de jaarlijkse gemiddelde duur van de opleiding, overschreden mag worden.
  Duurt de startbaanovereenkomst minder dan 12 maanden, dan moet de jaarlijkse gemiddelde conventionele arbeidsduur voor een voltijdse tewerkstelling proportioneel verminderd worden voor de in het eerste lid voorziene vaststelling van de deeltijdse tewerkstelling.
  De tijd die de betrokken jongere aan zijn opleiding besteedt wordt beschouwd als arbeidstijd voor de toepassing van de arbeidswet van 16 maart 1971. "
Art. 38. Un article 2quinquies, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 2quinquies. Par dérogation aux dispositions de l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, l'occupation à temps partiel, à mi-temps au moins, dans le cadre d'une convention de premier emploi visée a l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi peut être fixée sur une base annuelle, sans que la durée de travail conventionnelle annuelle moyenne pour un emploi à temps plein diminuée de la durée annuelle moyenne de la formation puisse être dépassée.
  Lorsque la durée de la convention de premier emploi n'atteint pas les 12 mois, la durée de travail conventionnelle annuelle moyenne pour un emploi à temps plein doit être réduite proportionnellement en vue de la fixation de l'occupation à temps partiel prévue à l'alinéa 1er.
  Le temps consacré à la formation est considéré comme temps de travail pour l'application de la loi du 16 mars 1971 sur le travail. "
Art. 39. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2sexies ingevoegd, luidende :
  " Art. 2sexies. Elke startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet opgesteld worden op basis van het als bijlage bij dit besluit gevoegd model. "
Art. 39. Un article 2sexies, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 2sexies. Toute convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi doit être établie sur base du modèle joint en annexe au présent arrêté. "
Art. 40. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2septies ingevoegd, luidende :
  " Art. 2septies. § 1. De werkgever die betrokken is bij een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet in het bezit zijn van een bewijs dat de jongere daadwerkelijk voor de lessen, cursussen, opleiding of vorming is ingeschreven of daadwerkelijk een bedrijfs- of beroepsopleiding gaat volgen.
  Dit bewijs kan een inschrijvingsattest zijn, afgeleverd door de verantwoordelijke van de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling, hetzij een overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding, geviseerd door de bevoegde toezichthoudende overheidsdienst.
  § 2. De jongere die betrokken is bij een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet op het einde van elk kwartaal zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van dit besluit, aan de werkgever een attest bezorgen dat bewijst dat hij de lessen, cursussen, opleiding of vorming regelmatig volgt of dat hij zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding regelmatig uitvoert.
  Dit attest wordt afgeleverd door de verantwoordelijke van de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling of door de bevoegde overheidsdienst die toezicht houdt op de bedrijfs- of beroepsopleiding.
  § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde attesten of stukken worden beschouwd als stavingsstukken in de zin van artikel 328 van de wet van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen. "
Art. 40. Un article 2septies, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 2septies. § 1er. L'employeur concerné par une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi doit être en possession d'une preuve que le jeune a été effectivement inscrit aux cours ou à la formation ou qu'il suivra effectivement une formation en entreprise ou professionnelle.
  Cette preuve peut avoir la forme d'une attestation d'inscription délivrée par le responsable de l'établissement d'enseignement ou de formation, soit d'un contrat ou d'une convention de formation en entreprise ou professionnelle visé par le service public de tutelle compétent.
  § 2. Le jeune concerné par une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi doit, à la fin de chaque trimestre, tel que visé à l'article 1er, 4°, du présent arrêté, donner à l'employeur une attestation prouvant qu'il fréquente régulièrement les cours ou la formation ou qu'il exécute régulièrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle.
  Cette attestation est délivrée par le responsable de l'établissement d'enseignement ou de formation ou par le service public compétent qui contrôle la formation en entreprise ou professionnelle.
  § 3. Les attestations ou pièces visées aux §§ 1er et 2 sont considérées comme des pièces justificatives au sens de l'article 328 de la loi du 24 décembre 2002 visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale. "
Art. 41. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2octies ingevoegd, luidende :
  " Art. 2octies. De startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, kan door de betrokken partijen in onderling akkoord verlengd worden, zonder dat de maximumduur van de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, kan overschreden worden, wanneer de jongere niet slaagt in zijn opleiding, om hem de mogelijkheid te geven de volledige cyclus van de begonnen opleiding met vrucht te beëindigen.
  Elke eventuele verlenging, overeengekomen in toepassing van het eerste lid, moet schriftelijk vastgesteld worden in een aanhangsel dat bij de startbaanovereenkomst gevoegd wordt, met vermelding van de begin- en einddatum van de verlenging.
  De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing wanneer de arbeidsovereenkomst in het kader van de startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, gesloten werd voor een bepaalde duur. "
Art. 41. Un article 2octies, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 2octies. La convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi peut être prolongée de commun accord entre les parties concernées, sans que la durée maximale de la période, visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, puisse être dépassée, lorsque le jeune ne réussit pas sa formation, pour lui permettre de terminer avec fruit le cycle complet de la formation entamée.
  Toute prolongation éventuelle convenue en application de l'alinéa 1er doit être constatée par écrit dans un avenant joint à la convention de premier emploi, indiquant la date de début et de fin de la prolongation.
  Les dispositions de l'alinéa 1er ne sont pas d'application lorsque le contrat de travail dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi a été conclu à durée déterminée. "
Art. 42. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2nonies (NOTA van Justel : het zou "novies" in plaats van "nonies" moeten zijn) ingevoegd, luidende :
  " Art. 2nonies. De startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, eindigt
  1° wanneer de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, verstrijkt, hetzij
  2° wanneer de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, v an de wet, eindigt, hetzij
  3° wanneer de opleiding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, voortijdig beëindigd wordt, hetzij
  4° wanneer de jongere blijkens het in artikel 2septies, § 2, bedoeld attest de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig volgt of dat hij zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig uitvoert.
  De jongere volgt de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig of voert zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig uit in de zin van het eerste lid, 4°, wanneer hij in de loop van een bepaald kwartaal, zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van dit besluit, ongewettigd afwezig is ten belope van meer dan 20 procent van het aantal uren dat normalerwijze in de loop van dat kwartaal aan de lessen, cursussen, opleiding of vorming of aan de uitvoering van de overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding besteed moet worden.
  Alle afwezigheden worden beschouwd als ongewettigd, met uitzondering van
  1° deze veroorzaakt door periodes van verlof en onderbreking van de arbeid bedoeld in de artikelen 39, 41 tot 43 en 45 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
  2° deze veroorzaakt door periodes van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval;
  3° deze toegelaten voor de werknemers krachtens artikel 30 van de wet van 3 juli 1978;
  4° de afwezigheden toegelaten krachtens de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat;
  5° deze veroorzaakt door periodes bedoeld in artikel 29 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  6° deze veroorzaakt door maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving;
  7° deze die het gevolg zijn van het presteren van overwerk in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 26, § 1, 1° en 2°, van de wet van 16 maart 1971.
  In het in het eerste lid, 4°, bedoeld geval eindigt de startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de jongere de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig heeft gevolgd of zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig heeft uitgevoerd. "
Art. 42. Un article 2nonies (NOTE de Justel : il faudrait "novies" au lieu de "nonies"), rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté : :
  " Art. 2nonies. La convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi prend fin
  1° à l'échéance de la période visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, soit
  2° lorsque le contrat de travail, visé à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, prend fin, soit
  3° lorsqu'il est mis fin prématurément à la formation, visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, soit
  4° lorsqu'il apparaît de l'attestation visée à l'article 2septies, § 2, que le jeune ne fréquente pas régulièrement les cours ou la formation ou qu'il n'exécute pas régulièrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle.
  Le jeune ne fréquente pas régulièrement les cours ou la formation ou n'exécute pas régulièrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle au sens de l'alinéa 1er, 4°, lorsque, au cours d'un certain trimestre, tel que visé à l'article 1er, 4°, du présent arrêté, il s'absente irrégulièrement à concurrence de plus de 20 pourcent du nombre d'heures qu'il faut normalement consacrer au cours de ce trimestre aux cours ou à la formation ou à l'exécution du contrat ou de la convention de formation en entreprise ou professionnelle.
  Sont considérées comme irrégulières, toutes les absences autres que
  1° celles occasionnées par les périodes de congé et d'interruption de travail visées aux articles 39, 41 à 43 et 45 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
  2° celles occasionnées par les périodes d'incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident;
  3° celles autorisées pour les travailleurs en vertu de l'article 30 de la loi du 3 juillet 1978;
  4° les absences autorisées en vertu de la loi du 19 juillet 1976 instituant un congé pour l'exercice d'un mandat politique;
  5° celles occasionnées par les périodes visées à l'article 29 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
  6° celles occasionnées par des mesures privatives de liberté à caractère préventif;
  7° celles qui sont la conséquence de la prestation d'heures supplémentaires dans les cas et les conditions fixées à l'article 26, § 1er, 1° et 2°, de la loi du 16 mars 1971.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 4°, la convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi prend fin le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel le jeune n'a pas fréquenté régulièrement les cours ou la formation ou n'a pas régulièrement exécuté son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle. "
Art. 43. Artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 3. De startbaankaart afgeleverd in toepassing van artikel 32, § 2, eerste lid, van de wet, dient te vermelden dat de jongere voldoet aan de voorwaarden bepaald door artikel 23 van de wet en dat hij wel of niet een laaggeschoolde jongere is in de zin van artikel 24 van de wet.
  De nieuwe startbaankaart bedoeld in artikel 32, § 2, achtste lid, van de wet dient, in het geval de jongere een nieuwe startbaanovereenkomst afgesloten heeft bij een andere werkgever aangevraagd binnen een termijn van 60 dagen na het begin van deze nieuwe overeenkomst. De werkgever kan eveneens binnen deze termijn voor de betrokken jongere een nieuwe startbaankaart aanvragen.
  Teneinde een nieuwe startbaankaart te kunnen bekomen dient de jongere aan te geven welke arbeidsprestaties hij reeds verricht heeft sedert de aflevering van de vorige startbaankaart. Het werkloosheidsbureau vermeldt op deze nieuwe startbaankaart op basis van de aangifte van de betrokken jongere, de periodes van arbeidsprestaties die hij reeds verricht heeft na de aflevering van de vorige startbaankaart alsook de vermeldingen die de eerste startbaankaart bevatte. "
Art. 43. L'article 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 23 mars 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 3. La carte premier emploi délivrée en application de l'article 32, § 2, premier alinéa, de la loi, doit mentionner que le jeune répond aux conditions prévues à l'article 23 de la loi et que le jeune est ou non un jeune moins qualifié au sens de l'article 24 de la loi.
  La nouvelle carte premier emploi octroyée en exécution de l'article 32, § 2, alinéa 8, de la loi, lorsque le jeune a conclu une nouvelle convention de premier emploi auprès d'un autre employeur, doit être demandée dans un délai de 60 jours à dater du début de cette nouvelle convention de premier emploi. L'employeur peut également dans le même délai demander une nouvelle carte premier emploi pour le jeune concerné.
  Pour qu'une nouvelle carte premier emploi puisse être délivrée, le jeune doit indiquer quelles prestations de travail il a déjà exécutées depuis la délivrance de la précédente carte premier emploi. Le bureau de chômage indique sur cette nouvelle carte premier emploi, sur base de la déclaration du jeune concerné, les périodes de travail qu'il a déjà prestées après la délivrance de la précédente carte de travail ainsi que les données mentionnées sur la carte de premier emploi précédente. "
Art. 44. In artikel 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in § 1 worden de woorden " de artikelen 39, § 4, eerste lid, en 54, § 1, derde lid, § 3, vijfde lid en § 4, derde lid, " vervangen door de woorden " artikel 39, § 4, eerste lid, ";
  b) in § 2 worden de woorden " de artikelen 39, § 4, eerste lid, en 54, § 1, derde lid, § 3, vijfde lid en § 4, derde lid, " vervangen door de woorden " artikel 39, § 4, eerste lid, ".
Art. 44. A l'article 8 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 23 mars 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans le § 1er, les mots " des articles 39, § 4, alinéa 1er, et 54, § 1er, alinéa 3, § 3, alinéa 5, et § 4, alinéa 3, " sont remplacés par les mots " de l'article 39, § 4, alinéa 1er, ";
  b) dans le § 2, les mots " des articles 39, § 4, alinéa 1er, et 54, § 1er, alinéa 3, § 3, alinéa 5, et § 4, alinéa 3, " sont remplacés par les mots " de l'article 39, § 4, alinéa 1er, ".
Art. 45. In het opschrift van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 30, 39, § 1 en § 4, tweede lid, 40, tweede lid, 41, 43, tweede lid, en 47, § 1, vijfde lid, en § 5, tweede lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, worden de woorden " 40bis, tweede lid, " ingevoegd tussen de woorden " 40, tweede lid, " en " 41 ".
Art. 45. Dans l'intitulé de l'arrêté royal du 30 mars 2000 d'exécution des articles 30, 39, § 1er et § 4, alinéa 2, 40, alinéa 2, 41, 43, alinéa 2, et 47, § 1er, alinéa 5, et § 5, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, les mots " 40bis, alinéa 2, " sont insérés entre les mots " 40, alinéa 2, " et " 41 ".
Art. 46. In hetzelfde koninklijk besluit van 30 maart 2000 wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 7bis. § 1. Voor de toepassing van artikel 40bis van de wet, wordt verstaan onder geleidelijke afbouw van het personeelsbestand de aanhoudende en structurele vermindering van het personeelsbestand gedurende verscheidene kwartalen voorafgaand aan de datum van aanvraag tot vrijstelling.
  Voor de in het eerste lid bedoelde vermindering van het personeelsbestand wordt rekening gehouden met de datum van het begin van de opzeggingstermijn en niet met de datum van de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
  § 2. De Minister van Werkgelegenheid kan de werkgever uit de private sector die een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand gekend heeft, vrijstellen van de verplichting, bedoeld in artikel 39 van de wet, op voorwaarde dat hij aantoont dat door het verlenen van de vrijstelling het ontslag van andere personeelsleden kan vermeden worden.
  § 3. Om de in § 2 bedoelde vrijstelling te bekomen dient de werkgever bij de Minister van Werkgelegenheid een aanvraag in, samen met een dossier dat minstens de volgende gegevens of documenten bevat :
  1° de personeelssituatie op het einde van elk kwartaal en dit voor minstens de vier kwartalen die de aanvraag voorafgaan;
  2° een kopie van de kennisgevingen met betrekking tot de ontslagen of de stopzettingen van beroepsactiviteit, die plaatsvonden in de in 1° bedoelde periode;
  3° de elementen waaruit blijkt dat door het bekomen van de gevraagde vrijstelling het ontslag van personeelsleden kan vermeden worden.
  De bepalingen van artikel 7, § 4, zijn eveneens van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde aanvragen. "
Art. 46. Dans le même arrêté royal du 30 mars 2000, il est inséré un article 7bis, rédigé comme suit :
  " Art. 7bis. § 1er. Pour l'application de l'article 40bis de la loi, on entend par diminution graduelle de l'effectif du personnel, la diminution continue et structurelle de l'effectif du personnel intervenue au cours des différents trimestres qui précèdent la date de la demande de dispense.
  Pour la diminution de l'effectif du personnel visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte de la date du début du délai de préavis et non pas de la date de la fin effective du contrat de travail.
  ,§ 2. Le Ministre de l'Emploi peut dispenser de tout ou partie de l'obligation visée à l'article 39 de la loi, l'employeur privé qui a connu une diminution graduelle de son effectif du personnel, à condition qu'il démontre que grâce à l'octroi de la dispense le licenciement d'autres membres du personnel peut être évité.
  § 3. Afin d'obtenir la dispense visée au § 2, l'employeur introduit auprès du Ministre de l'Emploi une demande accompagnée d'un dossier qui contient au moins les renseignements ou documents suivants :
  1° la situation du personnel à la fin de chaque trimestre, et ce au moins pour les quatre trimestres qui précèdent la demande;
  2° une copie des notifications relatives aux licenciements ou aux cessations d'activités professionnelles, intervenus au cours de la période visée au 1°;
  3° les éléments sur base desquels il apparaît qu'en obtenant la dispense demandée, il est possible d'éviter le licenciement de membres du personnel.
  Les dispositions de l'article 7, § 4, s'appliquent également aux demandes visées par le présent paragraphe. "
Art. 47. Artikel 1 van het voornoemde koninklijk besluit van 19 december 2001 wordt vervangen door volgende bepaling :
  " Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van toepassing is en op de werkgevers die aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen zijn. "
Art. 47. L'article 1er de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 précité est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1er. Le présent arrêté s'applique aux employeurs soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et aux employeurs soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. "
Art. 48. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
  " Art. 7. § 1. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de vijftien daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 624 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking.
  § 2. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 936 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking.
  § 3. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de negenentwintig daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
  2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
  3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 1560 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking. "
Art. 48. L'article 7 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 7. § 1er. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, était chômeur complet indemnisé a, par dérogation à l'article 44 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité et selon les conditions de l'arrêté royal du 25 novembre précité, droit à une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les quinze mois suivants, pour autant que le travailleur engage satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  1° il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  2° il est demandeur d'emploi a la date d'engagement;
  3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 624 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précèdent.
  L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupe à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
  § 2. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, était chômeur complet indemnisé a, par dérogation à l'article 44 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité et selon les conditions de l'arrêté royal du 25 novembre précité, droit à une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-trois mois suivants, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  1° il est agé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 936 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 54 mois calendrier qui précèdent.
  L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
  § 3. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, était chômeur complet indemnisé a, par dérogation à l'article 44 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité et selon les conditions de l'arrêté royal du 25 novembre précité, droit à une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-neuf mois suivants, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  1° il est âgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
  2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 1560 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 90 mois calendrier qui précèdent.
  L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel. "
Art. 49. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 10. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de negenentwintig daaropvolgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
  1° hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
  2° hij is werkzoekende op de dag van de indiensttreding;
  3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 468 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de van loop de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
  De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking. "
Art. 49. L'article 10 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 10. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, était chômeur complet indemnisé a, par dérogation à l'article 44 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité et selon les conditions de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, droit à une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-neuf mois suivants, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
  1° il est âgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
  2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
  3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 468 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 27 mois calendrier qui précèdent.
  L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi a temps partiel. "
Art. 50. Artikel 11ter, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 november 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 2. De werknemer bedoeld in artikel 9, 5° en 6° van het koninklijk besluit van 16 mei 2002 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, die op het ogenblik van de aanwerving uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is in afwijking van de bepalingen van artikel 10 van dit besluit gerechtigd op een werkuitkering van maximum 500 EUR per kalendermaand voor de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende maanden. "
Art. 50. L'article 11ter, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 27 novembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Le travailleur visé à l'article 9, 5° et 6° de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, qui au moment de l'engagement était chômeur complet indemnisé, a, par dérogation aux dispositions de l'article 10 de cet arrêté droit à une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-trois mois suivants. "
Art. 51. In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het 1e lid, worden de woorden " voor een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in de artikelen 5, 6, 8 en 9 en " opgeheven;
  2° lid 2 wordt opgeheven.
Art. 51. A l'article 12 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 1er alinéa, les mots " pour une exonération des cotisations patronales de sécurité sociale visée aux articles 5, 6, 8 et 9 et " sont supprimés;
  2° l'alinéa 2 est supprimé.
Art. 52. Artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 november 2002 en 9 december 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 13. Een werkgever kan de voordelen genieten bedoeld in artikelen 7 en 10 tot 11ter indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de geldigheidsduur van een werkkaart.
  Door middel van deze werkkaart attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de woonplaats van de werkzoekende, dat de werkzoekende voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 7 en 10 tot 11ter en in hoofdstuk III van titel III van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
  De werkkaart kan worden aangevraagd door de werkzoekende. De werkkaart kan tevens worden aangevraagd door een werkgever indien de werkzoekende op het ogenblik van de indienstneming geen geldige werkkaart bezit. Deze aanvraag wordt slechts aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt alsmede de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
  Om van de voordelen van artikel 7 en 10 tot 11ter te kunnen genieten, moet de aanvraag van de werkkaart, bedoeld in het vorige lid, ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden op het bevoegde werkloosheidsbureau. Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten deze termijn, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikelen 7 en 10 tot 11ter, en onverminderd de toepassing van artikel 15, § 1, vierde en vijfde lid, de periode gedurende dewelke de voordelen bedoeld in de artikelen 7 en 10 tot 11ter kunnen worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
  Indien de aanvraag bedoeld in de vorige leden per post wordt verstuurd, wordt de postdatum als de datum van indiening beschouwd.
  De werkkaart draagt als geldigheidsdatum :
  1° de datum waarop de aanvraag wordt ingediend indien de werkzoekende nog niet in dienst is genomen.
  2° de datum van de indienstneming indien de werkzoekende reeds in dienst is genomen.
  De werkkaart heeft een geldigheidsduur van drie maanden en is geldig voor elke indienstneming die plaatsvindt tijdens haar geldigheidsperiode.
  Wanneer een nieuwe werkkaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige werkkaart, wordt een werkkaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige werkkaart.
  De geldigheid van de werkkaart is verlengbaar met periodes van telkens drie maanden voorzover de werkzoekende aantoont dat hij op de datum van indiening van de nieuwe aanvraag of op de datum van de indienstneming opnieuw voldoet aan de gestelde voorwaarden.
  De werkkaart vermeldt duidelijk de periode gedurende dewelke de werkzoekende recht heeft op een werkuitkering evenals de periodes en de forfaitaire bedragen bedoeld in hoofdstuk III van titel III van het koninklijk besluit van voornoemde 16 mei 2003 waarop de werkgever recht heeft na aanwerving van de werkzoekende. "
Art. 52. L'article 13 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux du 27 novembre 2002 et 9 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 13. Un employeur peut bénéficier des avantages prévus aux articles 7 et 10 à 11ter lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durée de validité de la carte de travail.
  Au moyen de cette carte de travail, le bureau du chômage de l'Office national de l'Emploi compétent pour la résidence du demandeur d'emploi, atteste que le demandeur d'emploi remplit les conditions prévues aux articles 7 et 10 à 11ter et au chapitre III du Titre III de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale.
  La carte de travail peut être demandée par le demandeur d'emploi. La carte de travail peut également être demandée par un employeur lorsque le demandeur d'emploi au moment de l'engagement ne dispose pas de carte de travail valable. Cette dernière demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement et mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification pour la sécurité sociale et la date de l'engagement.
  Afin de pouvoir bénéficier des avantages prévus aux articles 7 et 10 à 11ter, la demande de la carte de travail visée à l'alinéa précédent doit être introduite au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement au bureau de chômage compétent. Par dérogation aux dispositions des articles 7 et 10 à 11ter et nonobstant l'application de l'article 15, § 1er, alinéas 4 et 5, lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du délai précité, la période pendant laquelle les avantages prévus aux articles 7 et 10 à 11ter peuvent être accordés, est diminuée de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
  Lorsque la demande visée aux alinéas précédents est envoyée par la poste, la date de la poste est prise en compte comme date d'introduction.
  La carte de travail porte comme date de validité :
  1° la date à laquelle la demande est introduite lorsque le demandeur d'emploi n'a pas encore été engagé;
  2° la date de l'engagement lorsque le travailleur a déjà été engagé.
  La carte de travail a une durée de validité de trois mois et est valable pour tout engagement effectué pendant sa période de validité.
  Lorsqu'une nouvelle carte de travail est demandée durant la période de validité d'une carte précédente, il est délivré une carte de travail ayant la même période de validité que la carte de travail précédente.
  La validité de la carte de travail peut être prolongée par période de trois mois chacune, pour autant que le demandeur d'emploi démontre qu'il satisfait à nouveau aux conditions requises au moment de l'introduction de la demande de prolongation ou au moment de l'engagement.
  La carte de travail indique clairement la durée de la période durant laquelle le demandeur d'emploi a droit à une allocation de travail ainsi que les périodes et les montants forfaitaires visés au chapitre III du Titre III de l'arrêté royal du 16 mai 2003 auxquels les employeurs ont droit suite à l'engagement du demandeur d'emploi. "
Art. 53. In artikel 17bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 december 2002, worden de woorden " de artikelen 7, 10, 11 en 11ter " vervangen door de woorden " de artikelen 7, 10 en 11ter ".
Art. 53. Dans l'article 17bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 9 décembre 2002, les mots " aux articles 7, 10, 11 et 11ter " sont remplacés par les mots " aux articles 7, 10 et 11ter ".
Art. 54. In artikel 28 van hetzelfde besluit worden de woorden " Dit koninklijk besluit blijft evenwel van toepassing op indienstnemingen die plaatsvonden vóór 1 januari 2002 en blijft eveneens van toepassing voor de indienstnemingen vanaf deze datum wanneer deze gebeurd zijn met gebruik van een banenkaart bedoeld in het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen. " geschrapt.
Art. 54. A l'article 28 du même arrêté, les mots " Toutefois, cet arrêté royal reste d'application aux engagements effectués avant le 1er janvier 2002 et reste également d'application aux engagements effectués à partir de cette date lorsque ceux-ci ont eu lieu moyennant l'usage d'une carte d'embauche telle que visée à l'arrêté royal du 23 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales. " sont supprimés.
Art. 55. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2002 wordt vervangen als volgt :
  " Art. 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "werkgevers" :
  1° de sociale werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen;
  2° inschakelingsbedrijven, zijnde de ondernemingen en verenigingen met een rechtspersoonlijkheid, als dusdanig erkend en gesubsidieerd door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap, en die, als sociaal doel de socioprofessionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit van productie van goederen of diensten.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent de inschakelingsbedrijven in het kader van dit besluit;
  3° de werkgevers die initiatieven inzake sociale inschakelingseconomie organiseren bedoeld in artikel 59, eerste lid van de wet van 26 maart 1999;
  4° de sociale verhuurkantoren bedoeld bij de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 12 februari 1998 tot oprichting van sociale verhuurkantoren en bij het besluit van 19 november 1998;
  5° de agentschappen voor sociale huisvesting bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering van 17 maart 1999 houdende erkenning van agentschappen voor sociale huisvesting gewijzigd bij het besluit van 13 december 2001;
  6° de sociale verhuurkantoren bedoeld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 1997 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
  7° de openbare vastgoedmaatschappijen bedoeld bij de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 9 september 1993 houdende de wijziging van de Huisvestingscode voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en betreffende de sector van de Sociale Huisvesting;
  8° de sociale huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
  9° de openbare huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 29 oktober 1998 houdende de Waalse Huisvestingscode;
  10° de invoegbedrijven en invoegafdelingen erkend krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 en 7 december 2001;
  11° de vennootschappen met een sociaal oogmerk bedoeld in artikel 661 van het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999.
  § 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder werkzoekende' de niet-werkende werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt onder "periode van werkzoekend zijn" verstaan de periode bedoeld in artikel 2, § 2 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden. "
  Onder uitkeringsgerechtigde volledig werkloze' wordt verstaan een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden ".
Art. 55. L'article 1er de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1er, § 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par "employeurs" :
  1° les ateliers sociaux appartenant à la commission paritaire pour les entreprises de travail adapté et les ateliers sociaux;
  2° les entreprises d'insertion, soit les entreprises et associations dotées d'une personnalité juridique, reconnues en tant que telles et subventionnées par les autorités de la Région ou de la Communauté et qui ont comme finalité sociale l'insertion socioprofessionnelle de chômeurs particulièrement difficiles à placer, par le biais d'une activité de production de biens ou de services.
  Le Ministre de l'Emploi et du Travail reconnaît les entreprises d'insertion dans le cadre du présent arrêté;
  3° les employeurs qui organisent des initiatives en matière d'économie d'insertion sociale, visées à l'article 59, alinéa premier de la loi du 26 mars 1999;
  4° les agences immobilières sociales visées par l'ordonnance du Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale du 12 février 1998 portant création des agences immobilières sociales et par l'arrêté du 19 novembre 1998;
  5° les agences immobilières sociales visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 mars 1999 portant agrément d'agences immobilières sociales modifie par l'arrêté du 13 décembre 2001;
  6° les offices de location sociale visés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 1997 fixant les conditions d'agrément et de subvention des offices de location sociale;
  7° les sociétés immobilières de service public visées par l'ordonnance du Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 septembre 1993 portant modification du Code du logement pour la Région de Bruxelles-Capitale et relative au secteur du logement social;
  8° les sociétés de logement sociaux visées par le décret du 15 juillet 1997 du Conseil flamand contenant le Code flamand du logement;
  9° les sociétés de logement de service public visées par le décret du Conseil régional wallon du 29 octobre 1998 contenant le Code du logement wallon;
  10° les entreprises d'insertion et les divisions d'insertion agréées en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 portant un programme d'impulsion et de soutien de l'économie plurielle, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 6 juillet 2001 et 7 décembre 2001;
  11° les sociétés à finalité sociale visées à l'article 661 du code des sociétés du 7 mai 1999.
  § 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par "demandeur d'emploi" le travailleur inoccupé tel que visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée.
  Pour l'application du présent arrêté, on entend par "période pendant laquelle on est demandeur d'emploi" la période telle que visée à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée.
  On entend par "chômeur complet indemnisé" un chômeur complet indemnisé tel que déterminé à l'article 3 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée. "
Art. 56. Artikel 4 van het hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 4. De uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die het recht opent op de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 14, § 1 en § 7, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, is tijdens de maanden die vallen in de kwartalen, waarvoor de doelgroepvermindering voorzien is, onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en zijn uitvoeringsbesluiten, gerechtigd op de herinschakelingsuitkeringen bedoeld in artikel 131quinquies van het voormeld koninklijk besluit, onder de voorwaarden bepaald in dit laatste artikel.
  De bepalingen van artikel 15 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden zijn van toepassing op de werknemers en de werkgevers bedoeld in onderhavig besluit.
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt de herinschakelingsuitkering gelijkgesteld met de werkuitkering. "
Art. 56. L'article 4 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 19 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. Le chômeur complet indemnisé qui ouvre le droit à la réduction groupe cible visé à l'article 14, § 1er en § 7, de l'arrête royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et a simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale bénéficie pendant les mois qui tombent dans les trimestres pour lesquels la réduction groupe cible est prévue, moyennant le respect des conditions et des modalités fixées dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité et dans ses arrêtés d'exécution, des allocations de réinsertion visées à l'article 131quinquies de l'arrêté royal susmentionné, aux conditions fixées dans ce dernier article.
  Les dispositions de l'article 15 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de la mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée sont d'application aux travailleurs et aux employeurs visés dans le présent arrêté.
  Pour l'application du précédent alinéa l'allocation de réinsertion est assimilée à l'allocation de travail. "
Art. 56bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 74; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Voor de jongeren die vóór 1 januari 2004 voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren en daarbij niet in aanmerking komen voor de vermindering bedoeld in artikel 18 van dit besluit wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toegekend tijdens de duur van de overeenkomst werk-opleiding, bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de eerste 7 kwartalen van deze overeenkomst werk-opleiding en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende periode.
  § 2. Voor de jongeren die vóór 1 januari 2004 voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 en daarbij niet in aanmerking komen voor de vermindering bedoeld in artikel 18 van dit besluit wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toegekend tijdens de duur van de leerovereenkomst, bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de eerste 7 kwartalen van deze leerovereenkomst en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende periode.
Art. 56bis. § 1er. Pour les jeunes qui remplissaient avant le 1er janvier 2004 les conditions d'obtention de la réduction visée à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes et qui n'entrent pas en considération pour la réduction visée à l'article 18 de cet arrête, une réduction groupe cible pour jeunes travailleurs est octroyée à partir du 1er janvier 2004 pendant la durée de la convention travail-formation, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les 7 premiers trimestres de cette convention travail-formation et d'un montant forfaitaire G2 pendant la période restante.
  § 2. Pour les jeunes qui remplissaient avant le 1er janvier 2004 les conditions d'obtention de la réduction visée à l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 précité et qui n'entrent pas en considération pour la réduction visée à l'article 18 de cet arrêté, une reduction groupe cible pour jeunes travailleurs est octroyée à partir du 1er janvier 2004 pendant la durée du contrat d'apprentissage, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les 7 premiers trimestres de ce contrat d'apprentissage et d'un montant forfaitaire G2 pendant la période restante.
TITEL V. - Overgangsbepalingen.
TITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 57. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een eerste werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 115bis van de programmawet van 30 december 1988 wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende de vier kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die eerste werknemer en van een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daaropvolgende kwartalen. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in artikel 16, 1° enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 als nieuwe werkgever (in de zin van artikel 343, § 1, van de programmawet van 24 december 2002) kan worden beschouwd. <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (De werkgever die voor een werknemer effectief geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 16, § 1, 1°, op basis van het eerste lid, geniet eveneens van de tenlasteneming van de administratiekosten zoals bedoeld in artikel 16bis, volgens de regels en modaliteiten van dit artikel.) <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 57. (Pour les employeurs qui ont engagé un premier travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 115bis de la loi-programme du 30 décembre 1988, une réduction groupe cible premiers engagements est octroyée, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et d'un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres suivants. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs à mi-temps auxquels il applique cette réduction.) <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  A l'exception des employeurs visés à l'alinéa précédent, la réduction visée à l'article 16, 1° ne peut être accordée que si l'employeur peut être considéré comme nouvel employeur (au sens de l'article 343, § 1er, de la loi-programme du 24 décembre 2002) après le 31 décembre 2003. <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  (L'employeur qui, pour un travailleur, bénéficie effectivement de la réduction groupe cible visée à l'article 16, § 1er, 1°, sur la base de l'alinéa 1er bénéficie également de la prise en charge des frais d'administration visés à l'article 16bis, selon les règles et modalités de cet article.) <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 58. Voor de werknemers aangeworven voor 1 april 2002 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3 (...) van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt : <KB 2004-01-21/33, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  1° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 1°, van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G2 in het eerste kwartaal 2004;
  2° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G1 in het eerste kwartaal 2004;
  3° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart vóór 1 april 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 3°, a) van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G2 gedurende het vijfde tot en met het vierentwintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indienstneming;
  4° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart vóór 1 april 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 3°, b), van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G1 gedurende het vijfde tot en met het vierentwintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indienstneming;
Art. 58. Pour les travailleurs engagés avant le 1er avril 2002, qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3 (...) de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, une réduction de groupe-cible pour les demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004 de la manière suivante : <AR 2004-01-21/33, art. 76, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  1° pour le travailleur engagé avec une carte d'embauche entre le 1er janvier 2002 et le 31 mars 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3, 1°, de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G2 dans le premier trimestre 2004;
  2° pour le travailleur engagé avec une carte d'embauche entre le 1er janvier 2002 et le 31 mars 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3, 2°, de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G1 dans le premier trimestre 2004;
  3° pour le travailleur engagé avec une carte d'embauche avant le 1er avril 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3, 3°, a) de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G2 pendant le cinquième jusqu'au vingt-quatrième trimestre inclus suivant le trimestre de l'engagement;
  4° pour le travailleur engagé avec une carte d'embauche avant le 1er avril 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3, 3°, b), de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G1 pendant le cinquième jusqu'au vingt-quatrième trimestre inclus suivant le trimestre de l'engagement.
Art. 58bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 77; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De voordelen van hoofdstuk 3 van titel III van dit besluit worden niet toegekend voor een werknemer die door dezelfde werkgever terug in dienst genomen wordt binnen een periode van 12 maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst die gesloten was voor een onbepaalde duur, wanneer de werkgever voor deze werknemer en voor deze tewerkstelling genoten heeft van de voordelen van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van hoofdstuk II van titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen of van de voordelen van artikel 58 van onderhavig besluit.
  De voordelen van hoofdstuk 3 van titel III van dit besluit worden wel toegekend wanneer de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bedoeld in het vorige lid is gesloten in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's.
Art. 58bis. Les avantages du chapitre 3 du titre III du présent arrêté ne sont pas accordés pour un travailleur engagé à nouveau par le même employeur au cours d'une période de 12 mois suivant la fin du contrat de travail précédent conclu pour une durée indéterminée, lorsque l'employeur a bénéficié pour ce travailleur et pour cette occupation des avantages de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du chapitre II du titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses ou des avantages de l'article 58 du présent arrêté.
  Les avantages du chapitre 3 du titre III du présent arrêté sont néanmoins accordés lorsque le contrat de travail à durée indéterminée visé dans l'alinéa précédent est conclu dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle.
Art. 59. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wat betreft de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de twaalf daaropvolgende kwartalen.
Art. 59. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 30 mars 1995 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses aux entreprises d'insertion et aux sociétés à finalité sociale, une réduction de groupe-cible pour les demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des douze trimestres subséquents.
Art. 60. Voor de werkgevers die vóór 1 oktober 2001 de arbeidsduur verminderden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2 en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, of in het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G2 per betrokken werknemer. Deze doelgroepvermindering wordt toegekend voor een aantal kwartalen dat wordt bekomen door het verminderingsbedrag waarvan de werkgever per werknemer nog kon genieten na 1 januari 2004 op basis van artikel 9 van voormeld koninklijk besluit van 24 februari 1997 of op basis van het voormelde koninklijk besluit van 24 november 1997 te totaliseren en te delen door 400, waarbij het resultaat wordt afgerond naar boven.
Art. 60. Pour les employeurs qui ont réduit avant le 1er octobre 2001 le temps de travail tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 9 de l'arrêté royal du 24 février 1997 contenant des conditions plus précises relatives aux accords pour l'emploi en application des articles 7, § 2, 30, § 2, et 33, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, ou dans l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, une réduction de groupe-cible pour la réduction du temps de travail est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G2 par travailleur concerné. Cette réduction de groupe cible est octroyée pour un certain nombre de trimestres obtenu en totalisant le montant de la réduction dont l'employeur pouvait encore bénéficier par travailleur après le 1er janvier 2004 sur la base de l'article 9 de l'arrêté royal du 24 février 1997 précité ou sur la base de l'arrêté royal du 24 novembre 1997 précité et en divisant ce montant total par 400, le résultat étant arrondi à l'unité supérieure.
Art. 61. § 1. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een tweede werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G2 gedurende de twaalf kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die tweede werknemer. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in (artikel 16, § 1, 2°) enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 (, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van artikel 343, § 2, van de programmawet van 24 december 2002 een tweede werknemer in dienst neemt). <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een derde werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4, § 2, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die derde werknemer. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in (artikel 16, § 1, 3°) enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 (, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van artikel 343, § 3, van de programmawet van 24 december 2002 een derde werknemer in dienst neemt). <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 61. § 1er. (Pour les employeurs qui ont engagé un deuxième travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 4, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, une réduction groupe cible premiers engagements est octroyée, composée d'un montant forfaitaire G2 pendant les douze trimestres suivant le trimestre de l'engagement de ce deuxième travailleur. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs à mi-temps auxquels il applique cette réduction.) <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  A l'exception des employeurs visés à l'alinéa précédent, la réduction visée à l' (article 16, § 1er, 2°) ne peut être accordée que si l'employeur (,en qualité de nouvel employeur au sens de l'article 343, § 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un second travailleur après le 31 décembre 2003). <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. (Pour les employeurs qui ont engagé un troisième travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 4, § 2, alinéas 2 et 3, de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, une réduction groupe cible premiers engagements est octroyée, composée d'un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement de ce troisième travailleur. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs à mi-temps auxquels il applique cette réduction.) <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  A l'exception des employeurs visés à l'alinéa précédent, la réduction visée à l'(article 16, § 1er, 3°) ne peut être accordée que si l'employeur (, en qualité de nouvel employeur au sens de l'article 343, § 3, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un troisième travailleur après le 31 décembre 2003). <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 62. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2002 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G1 per kwartaal gedurende de tewerkstelling van de werknemer in een erkende arbeidspost zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van langdurig werklozen. Deze doelgroepvermindering kan maximaal slechts worden toegekend tot 31 december 2004.
Art. 62. Pour les travailleurs engagés avant le (1er janvier 2002) et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 13 février 1998 portant exécution de l'article 7, § 1erbis, alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, une réduction de groupe-cible pour les demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 par trimestre pendant la mise au travail d'un travailleur dans un poste de travail reconnu visé dans l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée. Cette réduction de groupe-cible ne peut être octroyée que jusqu'au 31 décembre 2004 au plus tard. <AR 2004-01-21/33, art. 79, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 63. Voor de werkgevers die voor 1 oktober 2001 de vierdagenweek invoerden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in Hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G1 per betrokken werknemer gedurende vijf kwartalen.
Art. 63. Pour les employeurs qui ont instaure avant le 1er octobre 2001 la semaine de quatre jours tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée au Chapitre II, section VI, sous-section 2 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, une réduction de groupe cible est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 par travailleur concerné pendant cinq trimestres.
Art. 64. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de kwartalen waarin de werknemer geniet van een uitkering bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, zoals dit van kracht was voor 1 januari 2004.
  (Een werknemer kan verder de herinschakelingsuitkering genieten bedoeld in artikel 4 van het voormeld koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen zoals van toepassing vóór 1 januari 2004, op voorwaarde dat hij in dienst is getreden vóór 1 januari 2004 en zonder onderbreking verder in dienst blijft na 31 december 2003.
  Indien het contractueel voorzien wekelijks uurrooster van de werknemer die in dienst is getreden vóór 1 januari 2004, tijdens die tewerkstelling, doch na 31 december 2003, wordt gewijzigd, kan deze werknemer de herinschakelingsuitkering verder genieten gedurende de periode waarin hij verbonden is door de arbeidsovereenkomst, maar wordt het bedrag ervan vastgesteld op grond van artikel 131quinquies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering zoals van toepassing vanaf 1 januari 2004.) <KB 2004-01-21/33, art. 80, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 64. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1erbis, alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, une réduction de groupe cible est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les trimestres au cours desquels le travailleur bénéficie d'une allocation visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, tel qu'il était applicable avant le 1er janvier 2004.
  (Un travailleur peut continuer de bénéficier de l'allocation de réinsertion visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif a la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer, tel qu'il était applicable avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, à condition qu'il soit entré en service avant le 1er janvier 2004 et qu'il reste en service sans interruption après le 31 décembre 2003.
  Si l'horaire de travail hebdomadaire prévu dans le contrat du travailleur entré en service avant le 1er janvier 2004 est modifié au cours de cette occupation, mais après le 31 décembre 2003, le travailleur peut continuer de bénéficier de l'allocation de réinsertion pendant la période au cours de laquelle il est lié par un contrat de travail. Toutefois, le montant de cette allocation est fixé sur base de l'article 131quiniquies de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, tel qu'il est applicable à partir du 1er janvier 2004.) <AR 2004-01-21/33, art. 80, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 64_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 64 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 64bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 81; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2002 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 2, § 5bis, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en van artikel 57quater, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G1 per kwartaal gedurende de tewerkstelling van de werknemer in een erkende arbeidspost zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van langdurig werklozen. Deze doelgroepvermindering kan maximaal slechts worden toegekend tot 31 december 2004.
Art. 64bis. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2002 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 7 mai 1999 portant exécution de l'article 2, § 5bis, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence et de l'article 57quater, § 3, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale, une réduction groupe cible pour chômeurs de longe durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 par trimestre pendant l'occupation du travailleur dans un poste de travail reconnu au sens de l'arrêté royal du 8 août 1997 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer. Cette réduction groupe cible ne peut être octroyée que jusqu'au 31 décembre 2004 au plus tard.
Art. 65. Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een jongere op het einde van een startbaanovereenkomst in het kader van een geschreven arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst heeft gehouden, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor (jonge werknemers) toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G2 per kwartaal gedurende de vier kwartalen die volgen op het kwartaal waarin de jongere in dienst werd gehouden. <KB 2004-01-21/33, art. 82, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 65. Pour les employeurs qui ont maintenu à leur service, avant le 1er janvier 2004, un jeune au terme d'un contrat de premier emploi dans le cadre d'un contrat de travail écrit à durée indéterminée, une réduction de groupe cible pour (jeunes travailleurs) est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G2 par trimestre pendant les quatre trimestres suivant le trimestre au cours duquel le jeune a été maintenu en service. <AR 2004-01-21/33, art. 82, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 66. § 1. Voor de werkgevers die tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 de arbeidsduur verminderden en/of de vierdagenweek invoerden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in (artikelen 5 tot 12) van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering zoals bedoeld in artikel 22 toegekend. <KB 2004-01-21/33, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. Voor de werkgevers die vóór 1 oktober 2003 de arbeidsduur verminderden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 8, § 1, 2° van voornoemde wet van 10 augustus 2001 wordt vanaf 1 januari 2004 (, in afwijking van artikel 26, derde lid,) een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering, zoals bepaald in artikel 22 toegekend. <KB 2004-01-21/33, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Het aantal kwartalen waarin de vermindering bedoeld in artikel 22, § 1, 1°, 2° en 3° kan worden toegepast, wordt verminderd met een aantal kwartalen dat wordt bekomen door het verminderingsbedrag bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, a), b) of c) van de voormelde wet van 10 augustus 2001 te vermenigvuldigen met het aantal kwartalen waarvoor de werknemer voor deze bijdragevermindering in aanmerking kwam en daarna te delen door 400, waarbij het resultaat naar beneden wordt afgerond.
Art. 66. § 1er. Pour les employeurs qui, entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003, ont réduit le temps de travail et/ou ont instauré la semaine de quatre jours tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 5 à 12 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie, une réduction groupe cible telle que visée à l'article 22 est octroyée à partir du 1er janvier 2004.
  § 2. Pour les employeurs qui avant le 1er octobre 2003 ont réduit le temps de travail en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 8, § 1er, 2° de la loi précitée du 10 août 2001, une réduction groupe cible pour réduction du temps de travail telle que visée à l'article 22 est octroyée (, par dérogation à l'article 26, alinéa 3,) à partir du 1er janvier 2004. <AR 2004-01-21/33, art. 83, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  Le nombre de trimestres durant lesquels la réduction visée à l'article 22, § 1er, 1°, 2° et 3° peut être appliquée est diminué par un nombre de trimestres qui est obtenu en multipliant le montant de la réduction visée à l'article 8, § 1er, 2°, a), b) ou c) de la loi précitée du 10 août 2001 par le nombre de trimestres pour lesquels l'employeur est venu en compte et divise par 400, le résultat de cette division étant arrondi vers le bas.
Art. 67. § 1. Voor de werknemers aangeworven vóór 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in de artikelen 5, 6, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
  1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daaropvolgende kwartalen;
  2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de acht kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
  3° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de zestien daaropvolgende kwartalen;
  4° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in van artikel 9 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twintig kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming.
  § 2. voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
  1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daaropvolgende kwartalen;
  2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de acht kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
  3° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daaropvolgende kwartalen;
  4° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twaalf kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming.
  (§ 3. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit van 19 december 2001, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 maart 2003 wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend zoals bepaald in § 1, 1°.
  § 4. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in de artikelen 11quinquies en 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2003, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
  1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 11quinquies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twintig kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
  2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 voor de duur van de tewerkstelling.
  § 5. Een werknemer kan verder de werkuitkering genieten bedoeld in artikel 7, 7bis, 10 of 11, van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001, zoals van toepassing vóór 1 januari 2004, op voorwaarde dat hij in dienst is getreden vóór 1 januari 2004 en zonder onderbreking verder in dienst blijft na 31 december 2003.
  Aan een werknemer wordt een werkuitkering toegekend gedurende een periode die wordt vastgesteld op grond van de artikelen 7, 7bis, 10 of 11 van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001 zoals van toepassing vanaf 1 januari 2004, doch gerekend vanaf de datum vastgesteld in toepassing van artikel 16, eerste lid, van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001, indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
  1° gedurende een tewerkstelling aangevat vóór 1 januari 2004 genoot de werknemer de werkuitkering bedoeld in artikel 7, 7bis, 10 of 11 van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001 zoals van toepassing vóór 1 januari 2004;
  2° de werknemer is uit dienst getreden en na een onderbreking opnieuw bij dezelfde werkgever in dienst getreden na 31 december 2003;
  3° de datum van de nieuwe indiensttreding is gesitueerd binnen een periode van 30 maanden volgend op de vorige uitdiensttreding.) <KB 2004-01-21/33, art. 84, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 67. § 1er. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 5, 6, 8 et 9 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, une réduction de groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004 de la manière suivante :
  1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 5 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des quatre trimestres subséquents;
  2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
  3° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 8 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des seize trimestres subséquents;
  4° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 9 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des vingt trimestres suivant le trimestre de l'engagement.
  § 2. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 17 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, une réduction de groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004 de la manière suivante :
  1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 17, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des quatre trimestres subséquents;
  2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 17, alinéa 2, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
  3° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 17, alinéa 3, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des huit trimestres subséquents;
  4° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 17, alinéa 4, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des douze trimestres suivant le trimestre de l'engagement.
  (§ 3. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 7bis de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, inséré par l'arrêté royal du 26 mars 2003, une réduction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004 conformément aux dispositions du § 1er, 1°.
  § 4. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 11quinquies et 11septies de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, insérés par l'arrêté royal du 19 mars 2003, une réduction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durée est octroyée à partir du 1er janvier 2004 de la manière suivante :
  1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 11quinquies de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des vingt trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
  2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 11septies de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, un montant forfaitaire G1 pour la durée de l'occupation.
  § 5. Un travailleur peut continuer de bénéficier de l'allocation de travail visée à l'article 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrêté royal précité du 19 décembre 2001, tel qu'il était applicable avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, à condition qu'il soit entré en service avant le 1er janvier 2004.
  Une allocation de travail est octroyée à un travailleur pendant une période fixée sur la base des articles 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrêté royal précité du 19 décembre 2001 tel qu'il est applicable à partir du 1er janvier 2004, mais calculée à partir de la date fixée en application de l'article 16, alinéa 1er, de l'arrêté royal précité du 19 décembre 2001, si les conditions suivantes sont remplies simultanément :
  1° pendant une occupation entamée avant le 1er janvier 2004, le travailleur bénéficiait de l'allocation de travail visée à l'article 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrêté royal précité du 19 juillet 2001 tel qu'il est applicable à partir du 1er janvier 2004;
  2° le travailleur a mis fin à son occupation et, après une interruption, est à nouveau entré en service auprès du même employeur après le 31 décembre 2003;
  3° la date de la nouvelle entrée en service est située dans une période de 30 mois suivant la fin d'occupation antérieure.) <AR 2004-01-21/33, art. 84, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 67bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer de werkgever vóór 1 januari 2004 reeds van één van de voordelen van artikelen 5, 6, 7bis, 8, 9, 11quinquies of 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden of van een doelgroepvermindering bedoeld in artikel 67, §§ 1, 3 of 4 van onderhavig besluit genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug indienst neemt binnen een periode van dertig maanden na beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden, onverminderd de toepassing van artikel 10 en volgens de modaliteiten van artikel 67, §§ 1, 3 of 4, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en de duur voor dewelke zij worden toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Art. 67bis. Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié avant le 1er janvier 2004 d'un des avantages de l'article 5, 6, 7bis, 8, 9, 11quinquies ou 11septies de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise a l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée ou d'une réduction groupe-cible visée dans l'article 67, §§ 1er, 3 ou 4 de présent arrêté pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de trente mois après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 10 et selon les modalités de l'article 67, §§ 1er, 3 ou 4, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
Art. 68. Voor de werknemers aangeworven vóór 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de kwartalen waarin de werknemer geniet van een financiële tussenkomst bedoeld bij artikel 2 van dit koninklijk besluit van 11 juli 2002, zoals dit van kracht was voor 1 januari 2004.
Art. 68. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 5 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et déterminant la dispense de cotisations patronales, une réduction de groupe-cible est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les trimestres au cours desquels le travailleur bénéficie d'une intervention financière visée à l'article 2 dudit arrêté royal du 11 juillet 2002, tel qu'il était applicable avant le 1er janvier 2004.
Art. 68_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 68 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
Art. 69. Voor de werknemers aangeworven vóór 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de kwartalen waarin de werknemer geniet van een financiële tussenkomst bedoeld bij artikel 2 van dit koninklijk besluit van 14 november 2002, zoals dit van kracht was voor 1 januari 2004.
Art. 69. Pour les travailleurs engagés avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 5 de l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit (à l'aide sociale financière) mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et déterminant la dispense de cotisations patronales, une réduction de groupe cible est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les trimestres au cours desquels le travailleur bénéficie d'une intervention financière visée à l'article 2 dudit arrêté royal du 14 novembre 2002, tel qu'il était applicable avant le 1er janvier 2004. <AR 2004-01-21/33, art. 86, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 69_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 69 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
  
TITEL VI. - Slotbepalingen.
TITRE VI. - Dispositions finales.
Art. 70. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004, met uitzondering van de artikelen 34, 45 en 46, die in werking treden op 1 januari 2003.
Art. 70. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2004, à l'exception des articles 34, 45 et 46 qui produisent leurs effets le 1er janvier 2003.
Art. 71. Onze Minister van Werkgelegenheid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 71. Notre Ministre de l'Emploi et Notre Ministre des Affaires sociales sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.