Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
28 SEPTEMBER 2003. - [Koninklijk besluit tot invoering van een verlof voorafgaand aan het pensioen ten gunste van sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Directoraat-generaal EPI - Penitentiaire Inrichtingen] <Opschrift vervangen door KB2011-04-28/05, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-11-2009> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-10-2003 en tekstbijwerking tot 09-08-2016)
Titre
28 SEPTEMBRE 2003. - [Arrêté royal instituant un congé préalable à la pension en faveur de certains agents en service dans les services extérieurs de la Direction générale EPI - Etablissements pénitentiaires] <Intitulé remplacé par AR2011-04-28/05, art. 1, 002; En vigueur : 01-11-2009> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-10-2003 et mise à jour au 09-08-2016)
Informations sur le document
Numac: 2003009749
Datum: 2003-09-28
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2003009749
Date: 2003-09-28
Moniteur: Voir
Tekst (13)
Texte (13)
Artikel 1. [1 Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren verbonden aan de continudienst van de buitendiensten van het Directoraat-generaal EPI - Penitentiaire Inrichtingen, die :
   1° bekleed zijn met één van de hierna vermelde graden :
   - penitentiair bewakingsassistent;
   - penitentiair bewakingsassistent ploegchef;
   - penitentiair technisch assistent;
   - penitentiair technisch assistent ploegchef;
   - penitentiair technisch deskundige (medische functies);
   2° bekleed zijn met één van de hierna vermelde afgeschafte graden :
   - adjunct-penitentiair assistent;
   - adjunct-technisch assistent;
   - penitentiair assistent;
   - technisch assistent;
   - hoofdpenitentiair assistent;
   - hoofdtechnisch assistent;
   - penitentiair verpleegassistent;
   - penitentiair gebrevetteerd verpleger.]1

  
Article 1. [1 Le présent arrêté s'applique aux agents des services extérieurs de la Direction générale EPI - Etablissements pénitentiaires, astreints à un service continu et qui sont :
   1° revêtus d'un des grades ci-après :
   - assistant de surveillance pénitentiaire;
   - assistant de surveillance pénitentiaire chef d'équipe;
   - assistant technique pénitentiaire;
   - assistant technique pénitentiaire chef d'équipe;
   - expert technique pénitentiaire (fonctions médicales);
   2° revêtus d'un des grades supprimés ci-après :
   - assistant pénitentiaire adjoint;
   - assistant technique adjoint;
   - assistant pénitentiaire;
   - assistant technique;
   - assistant pénitentiaire en chef;
   - assistant technique en chef;
   - hospitalier pénitentiaire;
   - infirmier breveté pénitentiaire.]1

  
Art. 2. [1 § 1. De ambtenaren bedoeld in artikel 1, kunnen op hun verzoek in verlof voorafgaand aan het pensioen worden gesteld.
   § 2. Het verlof vangt ten vroegste aan, onder de volgende cumulatieve voorwaarden :
   1°. [3 Op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de aanvrager de volle leeftijd heeft bereikt van :
   - 55 jaar voor het verlof dat ingaat in 2012;
   - 55 jaar en 6 maanden voor het verlof dat ingaat in 2013;
   - 56 jaar voor het verlof dat ingaat in 2014;
   - 56 jaar en 6 maanden voor het verlof dat ingaat in 2015;
   - 57 jaar voor het verlof dat ingaat in 2016;
   - 57 jaar en 6 maanden voor het verlof dat ingaat in 2017;
   - 58 jaar voor het verlof dat ingaat vanaf 2018.]3

   2° [2 Onverminderd de leeftijdsvoorwaarden vervat in 1° kan het verlof ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de aanvrager het vereiste aantal dienstjaren heeft bereikt om tot het vervroegd pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar te worden toegelaten overeenkomstig artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, verminderd met vijf dienstjaren;
   Voor de ambtenaren die niet het vereiste aantal dienstjaren hebben om te kunnen genieten van het vervroegd pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar, kan het verlof ten vroegste aanvangen de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de aanvrager 37 dienstjaren telt die overeenkomstig artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984, in aanmerking worden genomen voor de opening van het recht op pensioen.]2

  [4 In afwijking van het tweede lid worden de in dat lid bedoelde 37 dienstjaren gebracht op :
   1° 38 dienstjaren voor de verloven die ingaan tussen 1 januari 2017 en 31 december 2018;
   2° 39 dienstjaren voor de verloven die ingaan vanaf 1 januari 2019.
   In afwijking van het eerste lid en tweede lid wordt de in deze leden bedoelde leeftijd van 65 jaar gebracht op :
   1° 66 jaar indien het pensioen ingaat tussen 1 februari 2025 en 31 januari 2030;
   2° 67 jaar indien het pensioen ingaat vanaf 1 februari 2030.]4

   3° Van de in 2° bedoelde dienstjaren moeten de laatste 15 jaren werkelijk gepresteerd zijn in penitentiaire inrichtingen in één van de graden bedoeld in artikel 1.
   § 3. De aanvraag voor het verlof moet samen met de aanvraag voor het al dan niet vervroegd pensioen, bij aangetekend schrijven gericht worden tot de directeur-generaal van het Directoraat-generaal EPI - Penitentiaire Inrichtingen. Een kopie van deze aanvragen moet tevens verzonden worden naar het inrichtingshoofd.
   [5 De aanvragen moeten worden ingediend ten vroegste 1 jaar vóór de eerste dag van de maand waarin het verlof een aanvang neemt en ten laatste 9 maanden vóór de eerste dag van de maand waarin het verlof een aanvang neemt, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.]5
   Het verlof voorafgaand aan pensioen vangt aan op de eerste dag van een kalendermaand.]1

  
Art. 2. [1 § 1er. Les agents mentionnés à l'article 1er peuvent être mis, à leur demande, en congé préalable à la pension.
   § 2. Le congé peut commencer au plus tôt, aux conditions cumulatives suivantes :
   1°. [3 Le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le demandeur a atteint l'âge de :
   - 55 ans pour un congé qui débute en 2012;
   - 55 ans et 6 mois pour un congé qui débute en 2013;
   - 56 ans pour un congé qui débute en 2014;
   - 56 ans et 6 mois pour un congé qui débute en 2015;
   - 57 ans pour un congé qui débute en 2016;
   - 57 ans et 6 mois pour un congé qui débute en 2017;
   - 58 ans pour un congé qui débute à partir de 2018.]3

   2° [2 En plus des exigences d'âge reprises au point 1°, le congé peut, au plus tôt, commencer le premier jour du mois suivant la date à laquelle le demandeur atteint le nombre d'années de service requis pour bénéficier de la pension anticipée avant l'âge de 65 ans conformément aux dispositions de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, diminué de cinq années de service.
   Pour les agents n'ayant pas le nombre d'années de service requis pour bénéficier de la pension anticipée avant l'âge de 65 ans, le congé peut, au plus tôt, commencer le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le demandeur atteint 37 années de services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension conformément à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée.]2

  [4 Par dérogation au deuxième alinéa, les 37 années de service visées à cet alinéa sont portés à :
   1° 38 années de service pour les congés qui prennent cours entre le 1er janvier 2017 et le 31 décembre 2018;
   2° 39 années de service pour les congés qui prennent cours à partir du 1er janvier 2019.
   Par dérogation au premier et deuxième alinéas, l'âge de 65 ans visés à ces alinéas est porté à :
   1° 66 ans si la pension prend cours entre le 1er février 2025 et le 31 janvier 2030;
   2° 67 ans si la pension prend cours à partir du 1er février 2030.]4

   3° Les 15 dernières années de service visées au 2° doivent être prestées effectivement au sein des établissements pénitentiaires dans l'un des grades mentionnés à l'article 1er.
   § 3. La demande de congé accompagnée de la demande de pension, anticipée ou non, doit être adressée, par lettre recommandée à la poste au Directeur général de la Direction générale EPI - Etablissements pénitentiaires. Une copie de ces demandes doit également être adressée au chef d'établissement.
   [5 Les demandes doivent être introduites au plus tôt 1 an avant le premier jour du mois où débute le congé et au moins 9 mois avant le premier jour du mois où débute le congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.]5
   Le congé préalable à la pension commence le premier jour du mois calendrier.]1

  
Art. 3. [1 § 1. De duur van het in artikel 2 bedoeld verlof is vastgesteld op maximum vijf jaar.
   De verlofperiode wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld en de ambtenaar behoudt tijdens deze periode zijn rechten op bevordering in de weddenschaal die hij genoot vóór de aanvang van het verlof.
   § 2. Wanneer de ambtenaar tijdens de verlofperiode bedoeld in § 1 de minimale voorwaarden vervult om aanspraak te kunnen maken op het vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984, [2 ...]2 eindigt zijn verlof de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop hij die voorwaarden vervult. Het verlof eindigt in elk geval de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
   § 3. De aanvraag voor verlof voorafgaand aan het pensioen dient eveneens als aanvraag voor het al dan niet vervroegd pensioen, pensioen bedoeld in artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984 [2 ...]2.]1

  
Art. 3. [1 § 1er. La durée du congé visée à l'article 2 est fixée à cinq ans au maximum.
   La période du congé est assimilée à une période d'activité de service et l'agent conserve pendant cette période ses titres à l'avancement dans l'échelle de traitement dont il bénéficiait avant le début du congé.
   § 2. Quand l'agent remplit les conditions minimales pour pouvoir prétendre à la pension anticipée conformément aux dispositions de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée, [2 ...]2 durant la période du congé mentionné au § 1er, son congé expire le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il remplit ces conditions. En tout état de cause, le congé expire le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'agent atteint l'âge de 65 ans.
   § 3. La demande de congé préalable à la pension vaut demande de pension, anticipée ou non, visée à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée [2 ...]2.]1

  
Art. 4. De ambtenaar, met verlof voorafgaand aan het pensioen, ontvangt :
  1° [1 een wachtgeld gelijk aan vijfenzeventig procent van de wedde waarop de ambtenaar recht zou hebben gehad, binnen de weddenschaal die hij genoot op de dag voorafgaand aan de aanvang van het verlof, indien hij effectief voltijds in dienst zou zijn gebleven; de ambtenaar behoudt het recht op de tussentijdse verhogingen binnen diezelfde weddenschaal;]1
  2° een forfaitair jaarlijks bedrag van 2.000 EUR, gekoppeld aan het spilindexcijfer dat van kracht is op 1 januari 2004.
  
Art. 4. L'agent, en congé préalable à la pension, perçoit :
  1° [1 un traitement d'attente égal à septante-cinq pour cent du traitement auquel l'agent aurait droit, dans l' échelle de traitement dont il bénéficiait le jour préalable au début du congé, s'il était resté effectivement en service à prestations complètes; l'agent conserve le droit aux augmentations intercalaires dans cette même échelle de traitement;]1
  2° un montant annuel forfaitaire de 2.000,00 EUR, lié à l'indice-pivot en vigueur à la date du 1er janvier 2004.
  
Art. 5. De ambtenaar ontvangt tevens :
  - het vakantiegeld;
  - de Copernicuspremie;
  - de eindejaarstoelage;
  - de haard- en standplaatstoelage.
Art. 5. L'agent reçoit aussi :
  - le pécule de vacances;
  - la prime Copernic;
  - l'allocation de fin d'année;
  - l'allocation de foyer ou de résidence.
Art. 6. Op de datum van pensionering en op deze van de daaraan voorafgaandelijke inverlofstelling kan na het indienen van de aanvraag niet meer teruggekomen worden.
Art. 6. Une fois la demande introduite, il n'est plus possible de revenir sur la date de la pension, ni sur celle de la mise en congé préalable à la pension.
Art. 7. Gedurende de verlofperiode worden de ambtenaren buiten de personeelsformatie geplaatst en zij worden in hun betrekking vervangen door statutaire personeelsleden.
Art. 7. Pendant la période de congé les agents sont placés hors cadre et remplacés dans leur emploi par des membres du personnel statutaire.
Art. 8. [1 De ambtenaren die genieten van het in artikel 2 bedoeld verlof mogen, mits voorafgaande toelating, andere beroepsactiviteiten uitoefenen.
   Indien de inkomsten uit die beroepsactiviteiten de grenzen inzake cumulatie bepaald bij de artikelen 80 en 84 tot en met 86 van de Programmawet van 28 juni 2013 overschrijden, worden het wachtgeld en het forfaitair jaarlijks bedrag vermeld in artikel 4, 2°, verminderd of geschorst op dezelfde wijze als een rustpensioen bepaald bij de artikelen 87 tot en met 89 van de Programmawet van 28 juni 2013.]1

  
Art. 8. [1 Les agents qui bénéficient du congé prévu à l'article 2, peuvent, moyennant autorisation préalable, exercer une activité professionnelle.
   Dans le cas où les revenus de cette activité professionnelle dépassent les limites prévues aux articles 80 et 84 à 86 inclus de la Loi-programme du 28 juin 2013, le traitement d'attente ainsi que le montant annuel forfaitaire prévu à l'article 4, 2°, seront réduits ou supprimés de la même manière qu'une pension de retraite prévues aux articles 87 à 89 inclus de la Loi-programme du 28 juin 2013.]1

  
Art. 9. § 1. [1 De ambtenaren bedoeld in artikel 1 die in dienst blijven, kunnen 5 jaar vóór de ingangsdatum van het al dan niet vervroegd pensioen, waarop zij aanspraak kunnen maken overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984, [2 ...]2 het genot van een jaarlijkse toelage van 2.500 vragen. Bij onvolledige prestaties wordt deze toelage uitbetaald naar rato van de geleverde prestaties.]1
  § 1bis. [1 De ambtenaren bedoeld in artikel 1, 2°, met uitzondering van de penitentiair verpleegassistent en penitentiair gebrevetteerd verpleger, kunnen vanaf 5 jaar vóór de aanvangsdatum van het al dan niet vervroegd pensioen, waarop zij aanspraak kunnen maken overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984, zoals die bepaling van toepassing zal zijn vanaf 1 januari 2013, het genot vragen van de jaarlijkse toelage bedoeld in § 1, in geval van bevordering in de graad van technisch deskundige.]1
  § 2. De toelage bedoeld in § 1 wordt maandelijks en na vervallen termijn betaald.
  De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel der ministeries geldt eveneens voor deze toelage.
  Zij wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer dat van kracht is op 1 januari 2004.
  § 3. De toelage bedoeld in § 1 wordt geschorst overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries.
  
Art. 9. § 1er. [1 Les agents mentionnés à l'article 1er qui restent en service, peuvent, 5 ans avant la date d'admissibilité à la pension, anticipée ou non, à laquelle ils peuvent prétendre conformément aux dispositions de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée, [2 ...]2 demander le bénéfice d'une allocation annuelle de 2.500 . En cas de prestation incomplète, cette allocation est payée au prorata des prestations fournies.]1
  § 1erbis. [1 Les agents mentionnés à l'article 1er, 2°, à l'exception de l'hospitalier pénitentiaire et de l'infirmier breveté pénitentiaire, peuvent, à partir de cinq ans avant la date d'admissibilité à la pension, anticipée ou non, à laquelle ils peuvent prétendre conformément aux dispositions de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée, telle que cette disposition sera d'application à partir du 1er janvier 2013, demander le bénéfice de l'allocation annuelle mentionnée au § 1er en cas de promotion dans le grade d'expert technique.]1
  § 2. L'allocation visée au § 1er est payée mensuellement, à terme échu.
  Le régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères s'applique également à cette allocation.
  Elle est liée à l'indice-pivot en vigueur à la date du 1er janvier 2004.
  § 3. L'allocation visée au § 1er est suspendue conformément aux dispositions de l'article 5 de l'arrêté royal du 26 mars 1965 portant réglementation générale des indemnités et allocations quelconques accordées au personnel des ministères.
  
Art. 9bis. [1 § 1. De ambtenaren in verlof voorafgaand aan het pensioen op 1 januari 2012 blijven onderworpen aan de bepalingen van dit besluit zoals deze van toepassing waren op deze datum.
   § 2. De eerste paragraaf is eveneens van toepassing op de in artikel 1 bedoelde ambtenaren die vóór 1 januari 2012 een aanvraag indienden voor verlof voorafgaand aan het pensioen dat werkelijk ingaat binnen het jaar volgend op de aanvraag en ten laatste op 1 december 2012.
   § 3. De eerste paragraaf is eveneens van toepassing op de in artikel 1 bedoelde ambtenaren die na 31 december 2011 en ten vroegste één jaar voorafgaand aan de begindatum van het verlof, een aanvraag indienden voor verlof voorafgaand aan het pensioen op voorwaarde dat deze door de Minister van Justitie of zijn afgevaardigde werd ingewilligd vóór 5 maart 2012.
   § 4. [2 Voor de in artikel 1 bedoelde ambtenaren van 55 jaar of ouder in 2012 die geen aanvraag voor verlof voorafgaand aan het pensioen indienden vóór 1 januari 2012, is de jaarlijkse toelage van 2.500 , betaald naar rato van de geleverde prestaties, verworven.]2
   § 5. In afwijking van artikel 2, § 3, tweede lid, moet de aanvraag voor het verlof dat ingaat in 2012, ten minste 6 maanden vóór de aanvang van het verlof ingediend worden, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
   § 6. De aanvragen voor een verlof dat ingaat in 2012, ingediend door ambtenaren die geen aanspraak kunnen maken op de toepassing van § 2 of 3, kunnen enkel ingewilligd worden voor zover de aanvrager de in artikel 2, § 2, bepaalde cumulatieve voorwaarden vervult, rekening houdend met artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984 [2 ...]2.
   § 7. In afwijking van artikel 3, § 2 kan de ambtenaar van wie het verlof ingaat vóór 1 januari 2018 en die de minimale voorwaarden vervult om, vóór de leeftijd van 62 jaar, aanspraak te kunnen maken op het vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984, zoals die bepaling van toepassing zal zijn vanaf 1 januari 2013, vragen om zijn verlof te verlengen tot uiterlijk de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, voor zover de duur van zijn verlof de 5 jaar niet overschrijdt.
   § 8. In afwijking van artikel 3, § 2, kan de ambtenaar van wie het verlof ingaat tussen 1 januari 2018 en 31 december 2022 en die de minimale voorwaarden vervult om vóór de leeftijd van 61 jaar aanspraak te kunnen maken op het vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984, zoals die bepaling van toepassing zal zijn vanaf 1 januari 2013, vragen om zijn verlof te verlengen tot uiterlijk de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop hij de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, voor zover de duur van zijn verlof de 5 jaar niet overschrijdt.]1

  
Art. 9bis. [1 § 1er. Les agents en congé préalable à la pension au 1er janvier 2012 restent soumis aux dispositions du présent arrêté telles qu'elles étaient en vigueur à cette date.
   § 2. Le paragraghe premier est également applicable aux agents visés à l'article 1er ayant introduit avant le 1er janvier 2012 une demande de congé préalable à la pension qui débute effectivement dans l'année suivant la demande et le 1er décembre 2012 au plus tard.
   § 3. Le paragraphe premier est également applicable aux agents visés à l'article 1er ayant introduit, après le 31 décembre 2011 et au plus tôt un an avant la date du début du congé, une demande de congé préalable à la pension à la condition que celle-ci ait été approuvée par le Ministre de la Justice ou son délégué avant le 5 mars 2012.
   § 4. [2 Pour les agents visés à l'article 1er de 55 ans ou plus en 2012 et qui n'ont pas introduit de demande de congé préalable à la pension avant le 1er janvier 2012, l'allocation annuelle de 2.500 , payée au prorata des prestations fournies, est acquise.]2
   § 5. En dérogation à l'article 2, § 3, 2e alinéa, les demandes pour un congé commençant en 2012 doivent être introduites au moins 6 mois avant le début du congé, à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
   § 6. Les demandes pour un congé prenant cours en 2012, introduites par des agents qui ne peuvent pas prétendre à l'application du § 2 ou 3 ne pourront être approuvées que pour autant que le demandeur remplisse les conditions cumulatives visées à l'article 2, § 2, compte tenu de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée [2 ...]2.
   § 7. Par dérogation à l'article 3, § 2, l'agent dont le congé prend cours avant le 1er janvier 2018 et qui remplit les conditions minimales pour pouvoir prétendre, avant l'âge de 62 ans, à la pension anticipée conformément aux dispositions de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée, telle que cette disposition sera d'application à partir du 1er janvier 2013, peut demander de prolonger son congé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à laquelle il atteint l'âge de 62 ans au plus tard, pour autant que la durée de son congé ne dépasse pas 5 ans.
   § 8. Par dérogation à l'article 3, § 2, l'agent dont le congé prend cours entre le 1er janvier 2018 et le 31 décembre 2022 et qui remplit les conditions minimales pour pouvoir prétendre, avant l'âge de 61 ans, à la pension anticipée conformément aux dispositions de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée, telle que cette disposition sera d'application à partir du 1er janvier 2013, peut demander de prolonger son congé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à laquelle il atteint l'âge de 61 ans au plus tard, pour autant que la durée de son congé ne dépasse pas 5 ans.]1

  
Art. 10. In uitzondering van artikel 2 dat in werking treedt op 1 november 2003, treedt dit besluit in werking op 1 januari 2004.
Art. 10. A l'exception de l'article 2 qui entre en vigueur à partir du 1er novembre 2003, le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2004.
Art. 11. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Notre Ministre de la Justice est chargée de l'exécution du présent arrêté.