Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
4 APRIL 2003. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-05-2003 en tekstbijwerking tot 27-10-2005).
Titre
4 AVRIL 2003. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 21 mai 1965 portant règlement général des établissements pénitentiaires. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-05-2003 et mise à jour au 27-10-2005).
Informations sur le document
Numac: 2003009447
Datum: 2003-04-04
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2003009447
Date: 2003-04-04
Moniteur: Voir
Tekst (11)
Texte (11)
Artikel 1. In artikel 7 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 juli 1979, worden de volgende wijzingen aangebracht :
  1° de woorden " Hoge Raad voor penitentiair beleid " worden vervangen door " Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen ";
  2° het woord " Bestuurscommissie " wordt vervangen door de woorden " Commissie van Toezicht ".
Article 1er. A l'article 7 de l'arrêté royal du 21 mai 1965 portant règlement général des établissements pénitentiaires, modifié par l'arrêté royal du 9 juillet 1979, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " Conseil supérieur de la Politique pénitentiaire " sont remplacés par les mots " Conseil central de Surveillance pénitentiaire ";
  2° les mots " Commission administrative " sont remplacés par les mots " Commission de surveillance ".
Art. 2. In artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 september 1995, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord " Bestuurscommissie " wordt vervangen door de woorden " Commissie van Toezicht ";
  2° de woorden " Hoge Raad voor Penitentiair Beleid " worden vervangen door de woorden " Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen ".
Art. 2. A l'article 24, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 septembre 1995, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " Commission administrative " sont remplacés par les mots " Commission de surveillance ";
  2° les mots " Conseil supérieur de la politique pénitentiaire " sont remplacés par les mots " Conseil central de surveillance pénitentiaire ".
Art. 3. In de artikelen 25 en 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 december 1990 en 23 maart 2001, wordt het woord " Bestuurscommissie " vervangen door de woorden " Commissie van Toezicht ".
Art. 3. Dans les articles 25 et 26 du même arrêté, modifiés par les arrêtés royaux des 4 décembre 1990 et 23 mars 2001, les mots " Commission administrative " sont remplacés par les mots " Commission de surveillance ".
Art. 4. Artikel 115 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 april 1991, wordt vervangen als volgt :
  " Artikel 115. De directeur kan het initiatief nemen voor genadevoorstellen ten voordele van gedetineerden wanneer er bijzondere omstandigheden zijn en wanneer hij meent dat deze gedetineerden waardig zijn om in de clementie van de Koning aanbevolen te worden. "
Art. 4. L'article 115 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 4 avril 1991, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 115. Le directeur peut prendre l'initiative des propositions de grâce en faveur de détenus lorsqu'il existe des circonstances particulières et lorsqu'il estime ces détenus dignes d'être recommandés à la clémence royale. "
Art. 5. Het opschrift van Titel III van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " TITEL III. - INSPECTIE EN TOEZICHT "
Art. 5. L'intitulé du Titre III du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant :
  " TITRE III. - INSPECTION ET SURVEILLANCE "
Art. 6. Hoofdstuk II van Titel III van hetzelfde besluit, bestaande uit de artikelen 129 tot 138, wordt vervangen als volgt :
  " HOOFDSTUK II. - Toezicht
  Afdeling 1. - Algemene bepaling
  Art. 129. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen en de Commissies van Toezicht houden toezicht op alles wat betrekking heeft op de bejegening van gedetineerden en op de naleving van de voorschriften ter zake.
  Afdeling 2. - Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen
  Onderafdeling 1. - Oprichting en taakomschrijving
  Art. 130. Er wordt bij de Federale Overheidsdienst Justitie een Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen opgericht.
  Art. 131. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen heeft tot taak :
  1° ten behoeve van de Minister van Justitie, een onafhankelijk toezicht te houden op alles wat betrekking heeft op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de voorschriften ter zake;
  2° ten behoeve van de Minister van Justitie, hetzij ambtshalve, hetzij op zijn verzoek en eventueel binnen een door hem bepaalde termijn, advies te verlenen over de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;
  3° zowel voor de werking van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen als voor de werking van de Commissies van Toezicht, een ontwerp van deontologische code op te stellen, die ter goedkeuring aan de Minister van Justitie wordt voorgelegd;
  4° de Minister van Justitie te adviseren over de aanstellingen en ontslagen van de leden van de Commissie van Toezicht;
  5° de werking van de Commissies van Toezicht te coördineren en te ondersteunen en erop toe te zien dat hun werkzaamheden zich beperken tot de hen in artikel 138ter toevertrouwde taken;
  6° ten behoeve van de Minister van Justitie jaarlijks een verslag op te stellen betreffende de werking van de commissies van toezicht en hun bevindingen inzake alles wat betrekking heeft op de bejegening van gedetineerden en op de naleving van de voorschriften terzake.
  Art. 132. § 1. Voorzover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen het recht om ter plaatse, behoudens wettelijke uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, en mits voorafgaande schriftelijke instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
  § 2. Zij hebben eveneens het recht om zonder toezicht in contact te treden met gedetineerden.
  Onderafdeling 2. - Samenstelling van de Centrale Toezichtsraad
  voor het Gevangeniswezen en benoeming van haar leden
  Art. 133. § 1. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen bestaat uit ten hoogste 10 leden, die door de Minister van Justitie worden aangesteld en ontslagen en waarvan door hem één lid wordt aangewezen als voorzitter en één lid als ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter dienen van een verschillende taalrol te zijn. Bij de samenstelling van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen wordt de taalpariteit in acht genomen.
  § 2. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid met betrekking tot de taken die krachtens artikel 131 aan de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen worden toevertrouwd.
  § 3. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen is samengesteld uit ten minste :
  1° één magistraat;
  2° één advocaat;
  3° één arts;
  4° één criminoloog.
  Art. 134. Het lidmaatschap van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
  1° het lidmaatschap van een Commissie van Toezicht;
  2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor het Directoraat - Generaal Uitvoering van straffen en maatregelen van de Federale Overheidsdienst Justitie.
  Onderafdeling 3. - Werking
  Art. 135. § 1. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen houdt ten minste één zitting per maand, op bijeenroeping van zijn voorzitter. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen kan slechts vergaderen als twee derde van de leden aanwezig is.
  § 2. De Minister van Justitie kan de vergaderingen bijwonen. In dit geval zit hij de vergadering voor.
  Art. 136. § 1. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen stelt zijn huishoudelijk reglement op dat wordt goedgekeurd door de Minister van Justitie. Het moet in het bijzonder bepalen :
  - de wijze van oproeping;
  - de wijze van beraadslaging;
  - de wijze van coördinatie en ondersteuning van de Commissies van Toezicht;
  - het beroep op personen, van wie het advies haar nuttig lijkt.
  § 2. Het jaarlijks verslag wordt aan de Minister van Justitie overhandigd in de maand december.
  Art. 137. § 1. Teneinde de in artikel 131, 5°, bepaalde taak te kunnen uitoefenen, kan de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen instructies geven aan de Commissies van Toezicht.
  § 2. In geval van een betwisting tussen een gevangenisdirecteur en een Commissie van Toezicht met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 138ter aan de Commissie van Toezicht toevertrouwde taken, wordt deze betwisting, met advies van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen en van de ambtenaar generaal van het gevangeniswezen, ter beslissing voorgelegd aan de Minister van Justitie.
  § 3. Ingeval van een betwisting tussen de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen en een Commissie van Toezicht wordt deze betwisting ter beslissing voorgelegd aan de Minister van Justitie.
  Art. 138. § 1. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen wordt bijgestaan door een secretaris, zijnde een rijksambtenaar van de Federale Overheidsdienst Justitie die wordt aangewezen door de Minister van Justitie. De Minister van Justitie duidt tevens een plaatsvervangend secretaris aan. De secretaris en de plaatsvervangend secretaris zijn geen lid van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.
  § 2. De taak van de secretaris wordt bepaald door de Minister van Justitie.
  Afdeling 3. - Commissies van Toezicht
  Onderafdeling 1. - Oprichting
  Art. 138bis. Bij elke gevangenis wordt door de Minister van Justitie een Commissie van Toezicht opgericht. Wanneer twee of meerdere gevangenissen dicht bij elkaar gelegen zijn, kan een zelfde Commissie van Toezicht bevoegd zijn.
  Onderafdeling 2. - Taakomschrijving
  Art. 138ter. De Commissie van Toezicht heeft tot taak :
  1° ten behoeve van de Minister van Justitie, toezicht te houden op alles wat betrekking heeft op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de voorschriften ter zake, in de gevangenis waarbij zij is opgericht;
  2° aan de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen, hetzij ambtshalve, hetzij op zijn verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende alles wat betrekking heeft op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de voorschriften ter zake, en voorstellen te doen die zij gepast acht, in de gevangenis waarvoor zij bevoegd is;
  3° ten behoeve van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen jaarlijks een verslag op te stellen betreffende alles wat betrekking heeft op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de voorschriften terzake, in de gevangenis waarvoor zij bevoegd is.
  Art. 138quater. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Commissies van Toezicht het recht om ter plaatse, behoudens wettelijke uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, en mits voorafgaande schriftelijke instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
  § 2. Zij hebben eveneens het recht zonder toezicht in contact te treden met de gedetineerden.
  § 3. Met betrekking tot aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Commissie van Toezicht behoren, doet de directeur, op vraag van de Voorzitter van de Commissie van Toezicht, verslag van incidenten in de gevangenis.
  § 4. De directeur van de gevangenis ontvangt de voorzitter van de Commissie van Toezicht éénmaal op de maand. Indien uitzonderlijke omstandigheden dit vereisen, kan de voorzitter van de Commissie van Toezicht de directeur van de gevangenis om een onderhoud verzoeken.
  Onderafdeling 3. - Samenstelling van de Commissie van Toezicht
  en benoeming van haar leden
  Art. 138quinquies. § 1. Elke Commissie van Toezicht bestaat uit minimum zes leden en uit maximum tien leden, waaronder ten minste :
  1° één magistraat;
  2° één advocaat;
  3° één arts.
  § 2. De Minister wijst één lid aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter. Voor de Commissies van Toezicht bij een gevangenis gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dienen de voorzitter en de ondervoorzitter tot een verschillende taalrol te behoren.
  § 2. De leden worden door de Minister van Justitie benoemd op voordracht van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen en op advies van de voorzitter van de Commissie van Toezicht. Zij worden benoemd op grond van hun deskundigheid met betrekking tot de taken die aan de Commissie van Toezicht worden toevertrouwd.
  § 3. Bij de aanvang van hun mandaat mogen de leden van de Commissie van Toezicht niet ouder zijn dan 60 jaar. Minstens twee leden dienen bij de aanvang van hun mandaat jonger dan vijftig jaar te zijn.
  § 4. Het lidmaatschap van de Commissie van Toezicht is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
  1° het lidmaatschap van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen;
  2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor het Directoraat-generaal Uitvoering van straffen en maatregelen van de Federale Overheidsdienst Justitie.
  Art. 138sexies. De duur van de mandaten van de leden van de Commissie van Toezicht is vastgesteld op vier jaar.
  Het mandaat van lid van de Commissie van Toezicht kan eenmaal hernieuwd worden.
  Art. 138septies. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen bij gemotiveerde beslissing worden opgeheven door de Minister van Justitie op voorstel van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen of na het advies van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen hierover te hebben ingewonnen. Tegen deze beslissing staat geen enkel beroep open. Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord is over de aangevoerde redenen.
  Onderafdeling 4. - Werking
  Art. 138octies. § 1. De Commissie van Toezicht houdt ten minste één zitting per maand. De Commissie kan slechts vergaderen als twee derde van de leden aanwezig is.
  § 2. Eén of meer leden van de Commissie van Toezicht zijn er beurtelings mee belast gedurende één maand, ten minste éénmaal per week als maand-commissaris de gevangenis of gevangenissen waarbij zij zijn ingericht, te bezoeken.
  Art. 138nonies. De Commissie van Toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen en aan de Minister van Justitie. Het moet in het bijzonder bepalen :
  - de wijze van oproeping;
  - de wijze van beraadslaging.
  Art. 138decies. § 1. Elke Commissie van Toezicht wordt bijgestaan door een secretaris, zijnde een rijksambtenaar van de Federale Overheidsdienst Justitie die wordt aangewezen door de Minister van Justitie. De Minister van Justitie duidt tevens een plaatsvervangend secretaris aan. De secretaris en de plaatsvervangend secretaris zijn geen lid van de Commissies van Toezicht.
  § 2. De taak van de secretaris wordt bepaald door de Minister van Justitie. "
Art. 6. Le Chapitre II du Titre III du même arrêté, comprenant les articles 129 à 138, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " CHAPITRE II. - Surveillance
  Section 1. - Disposition générale
  Art. 129. Le Conseil central de surveillance pénitentiaire et les Commissions de surveillance exercent la surveillance sur tout ce qui concerne le traitement réservé aux détenus et le respect des règles en la matière.
  Section 2. - Conseil central de surveillance pénitentiaire
  Sous-section 1. - Création et missions
  Art. 130. Il est institué au sein du Service public fédéral Justice un Conseil central de Surveillance pénitentiaire.
  Art. 131. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire a pour mission :
  1° d'exercer, pour le Ministre de la Justice, un contrôle indépendant sur tout ce qui concerne le traitement réservé aux détenus et le respect des règles en la matière;
  2° de soumettre des avis au Ministre de la Justice, soit d'office, soit à la demande de celui-ci et éventuellement dans un délai fixé par lui, sur l'exécution des peines et mesures privatives de liberté;
  3° de rédiger un projet de code de déontologie pour le fonctionnement tant du Conseil central de Surveillance pénitentiaire que des Commissions de Surveillance, qui sera soumis à l'approbation du Ministre de la Justice;
  4° de conseiller le Ministre de la Justice sur la désignation et la révocation des membres de la Commission de Surveillance;
  5° de coordonner et d'encadrer le fonctionnement des Commissions de Surveillance et de veiller à ce que leurs activités se limitent aux missions qui leur sont confiées à l'article 138ter ;
  6° de rédiger annuellement pour le Ministre de la Justice un rapport concernant le fonctionnement des commissions de Surveillance et leurs constatations sur tout ce qui concerne le traitement réservé aux détenus et le respect des règles en la matière.
  Art. 132. § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement des missions, les membres du Conseil central de Surveillance pénitentiaire ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison et, moyennant accord écrit préalable du détenu, toutes les pièces contenant des informations individuelles le concernant.
  § 2. Ils ont également le droit d'entrer en contact avec des détenus sans être surveillés.
  Sous-section 2. - Composition du Conseil central
  de Surveillance pénitentiaire et nomination de ses membres
  Art. 133. § 1er. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire se compose de 10 membres au plus, qui sont désignés et révoqués par le Ministre de la Justice et parmi lesquels celui-ci désigne un membre en qualité de président et un autre membre en qualité de vice-président. Le président et le vice-président doivent appartenir à un rôle linguistique différent. Pour la composition du Conseil central de Surveillance pénitentiaire, il est tenu compte de la parité linguistique.
  § 2. Les membres sont nommés sur la base de leur compétence en rapport avec les missions qui sont confiées au Conseil central de Surveillance pénitentiaire en vertu de l'article 131.
  § 3. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire est composé d'au moins :
  1° un magistrat;
  2° un avocat;
  3° un médecin;
  4° un criminologue.
  Art. 134. Pendant la durée du mandat, l'appartenance au Conseil central de Surveillance pénitentiaire est incompatible avec :
  1° l'appartenance à une Commission de Surveillance;
  2° l'exercice d'une fonction auprès de la Direction générale Exécution des Peines et Mesures du Service public fédéral Justice ou l'exécution d'une mission pour celle-ci.
  Sous-section 3. - Fonctionnement
  Art. 135. § 1er. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire se réunit au moins une fois par mois sur la convocation de son président. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire ne peut se réunir que si deux tiers de ses membres sont présents.
  § 2. Le Ministre de la Justice peut assister aux réunions. Dans ce cas, il les préside.
  Art. 136. § 1er. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire établit son règlement d'ordre intérieur, lequel doit être approuvé par le Ministre de la Justice. Le règlement fixe en particulier :
  - les modalités de convocation;
  - les modalités de délibération;
  - les modalités de coordination et d'encadrement des Commissions de Surveillance;
  - les modalités de recours aux personnes dont l'avis lui semble utile.
  § 2. Le rapport annuel est communiqué au Ministre de la Justice dans le courant du mois de décembre.
  Art. 137. § 1er. Aux fins de l'accomplissement de la mission prévue à l'article 131, 5°, le Conseil central de Surveillance pénitentiaire peut donner des instructions aux Commissions de Surveillance.
  § 2. En cas de différend entre un directeur de prison et une Commission de Surveillance en rapport avec l'accomplissement des missions confiées à la Commission de Surveillance en vertu de l'article 138ter, ce différend, accompagné des avis du Conseil central de Surveillance pénitentiaire et du fonctionnaire général de l'administration pénitentiaire, est soumis à la décision du Ministre de la Justice.
  § 3. En cas de différend entre le Conseil central de Surveillance pénitentiaire et une Commission de Surveillance, ce différend est soumis à la décision du Ministre de la Justice.
  Art. 138. § 1er. Le Conseil central de Surveillance pénitentiaire est assisté par un secrétaire, étant un agent de l'Etat du Service public fédéral Justice désigné par le Ministre de la Justice. Le Ministre de la Justice désigne également un secrétaire suppléant. Le secrétaire et le secrétaire suppléant ne sont pas des membres du Conseil central de Surveillance pénitentiaire.
  § 2. La mission du secrétariat est fixée par le Ministre de la Justice.
  Section 3. - Commissions de Surveillance
  Sous-section 1. - Création
  Art. 138bis. Le Ministre de la Justice institue une Commission de Surveillance auprès de chaque prison. En cas de proximité géographique entre deux ou plusieurs prisons, une même Commission de Surveillance peut être compétente.
  Sous-section 2. - Missions
  Art. 138ter. La Commission de Surveillance a pour mission :
  1° d'exercer, pour le Ministre de la Justice, un contrôle sur tout ce qui concerne le traitement réservé aux détenus et le respect des règles en la matière dans la prison auprès de laquelle elle est instituée;
  2° de soumettre au Conseil central de Surveillance pénitentiaire, soit d'office, soit à la demande de celui-ci, des avis et des informations sur tout ce qui concerne le traitement réservé aux détenus et le respect des règles en la matière, et de formuler des propositions qu'elle juge appropriées, ce dans la prison pour laquelle elle est compétente;
  3° de rédiger annuellement pour le Conseil central de Surveillance pénitentiaire un rapport sur tout ce qui concerne le traitement réservé aux détenus et le respect des règles en la matière dans la prison pour laquelle elle est compétente.
  Art. 138quater. § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement de leurs missions, les membres des Commissions de Surveillance ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison et, moyennant accord écrit préalable du détenu, toutes les pièces contenant des informations individuelles le concernant.
  § 2. Ils ont également le droit d'entrer en contact avec les détenus sans être surveillés.
  § 3. Concernant les matières qui sont de la compétence de la Commission de Surveillance, le directeur fait rapport, à la demande du président de la Commission de Surveillance, sur les incidents survenus dans la prison.
  § 4. Le directeur de la prison reçoit le président de la Commission de Surveillance une fois par mois. Lorsque des circonstances exceptionnelles le requièrent, le président de la Commission de Surveillance peut solliciter une entrevue auprès du directeur de la prison.
  Sous-section 3. - Composition de la Commission de surveillance
  et nomination de ses membres
  Art. 138quinquies. § 1er. Chaque Commission de surveillance se compose de six membres au moins et de 10 membres au plus, dont au moins :
  1° un magistrat;
  2° un avocat;
  3° un médecin.
  § 2. Le Ministre désigne un membre en qualité de président et un membre en qualité de vice-président. Pour les Commissions de Surveillance instituées auprès d'une prison située dans la Région de Bruxelles-Capitale, le président et le vice-président doivent appartenir à un rôle linguistique différent.
  § 2. Les membres sont nommés par le Ministre de la Justice sur la proposition du Conseil central de Surveillance pénitentiaire et sur l'avis du président de la Commission de Surveillance. Ils sont nommés sur la base de leur compétence en rapport avec les missions sont confiées à la Commission de surveillance.
  § 3. Les membres de la Commission de Surveillance ne peuvent être âgés de plus de soixante ans au début de leur mandat. Au moins deux membres doivent être âgés de moins de cinquante ans au début de leur mandat.
  § 4. Pendant la durée du mandat, l'appartenance à la Commission de Surveillance est incompatible avec :
  1° l'appartenance au Conseil central de Surveillance pénitentiaire;
  2° l'exercice d'une fonction auprès de la Direction générale Exécution des Peines et Mesures du Service public fédéral Justice ou l'exécution d'une mission pour celle-ci.
  Art. 138sexies. La durée des mandats des membres de la Commission de Surveillance est fixée à quatre ans.
  Le mandat de membre de la Commission de Surveillance peut être renouvelé une seule fois.
  Art. 138septies. Par une décision motivée, le Ministre de la Justice peut, sur la proposition du Conseil central de Surveillance pénitentiaire ou après avoir recueilli l'avis de celui-ci, mettre un terme au mandat d'un membre pour raisons graves. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours. Il ne peut être mis fin au mandat qu'après avoir entendu le membre sur les raisons invoquées.
  Sous-section 4. - Fonctionnement
  Art. 138octies. § 1er. La Commission de Surveillance se réunit au moins une fois par mois. La Commission ne peut se réunir que si deux tiers de ses membres sont présents.
  § 2. Un ou plusieurs membres de la Commission de Surveillance sont chargés à tour de rôle, pendant un mois et à raison d'au moins une fois par semaine, de visiter en qualité de commissaire de mois le ou les prisons auprès desquelles la Commission est établie.
  Art. 138nonies. La Commission de Surveillance établit son règlement d'ordre intérieur, lequel est soumis à l'approbation du Conseil central de Surveillance pénitentiaire et du Ministre de la Justice. Le règlement fixe en particulier :
  - les modalités de convocation;
  - les modalités de délibération.
  Art. 138decies. § 1er. Chaque Commission de surveillance est assisté par un secrétaire, étant un agent de l'Etat du Service public fédéral Justice désigné par le Ministre de la Justice. Le Ministre de la Justice désigne également un secrétaire suppléant. Le secrétaire et le secrétaire suppléant ne sont pas des membres des Commissions de Surveillance.
  § 2. La mission du secrétaire est fixée par le Ministre de la Justice. "
Art. 8. Artikel 37 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement op de strafinrichtingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 december 1990 en 10 februari 1999, wordt opgeheven.
Art. 8. L'article 37 de l'arrêté royal du 21 mai 1965 portant règlement général des établissements pénitentiaires, modifié par les arrêtés royaux des 4 décembre 1990 et 10 février 1999, est abrogé.
Art. 9. Het koninklijk besluit van 23 oktober 1978 tot oprichting van een Hoge Raad voor penitentiair beleid, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 2 juni 1998, wordt opgeheven.
Art. 9. L'arrêté royal du 23 octobre 1978 portant création d'un Conseil supérieur de la Politique pénitentiaire, modifié par l'arrêté royal du 2 juin 1998, est abrogé.
Art. 10. Het koninklijk besluit van 19 februari 1956 houdende instelling van een vaste commissie tot bescherming van de maatschappij bij het Ministerie van Justitie, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 14 oktober 2002 tot overname van opdrachten van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie, andere dan die voor de toepassing van de statutaire bepalingen, door de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, wordt opgeheven.
Art. 10. L'arrêté royal du 19 février 1956 instituant une commission permanente de défense sociale au Ministère de la Justice, modifié par l'arrêté royal du 14 octobre 2002 relatif à la reprise des attributions du secrétaire général du Ministère de la Justice, autres que celles pour l'application des dispositions statutaires, par le président du Comité de Direction du Service public fédéral Justice, est abrogé.
Art. 11. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 4 april 2003.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN.
Art. 11. Notre Ministre de la Justice est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 4 avril 2003.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN.