Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en werklieden van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de edele metalen.
Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt onder "werklieden" verstaan : de werklieden en de werksters.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
24 JUNI 1999. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor de edele metalen, betreffende de vorming en opleiding (Overeenkomst geregistreerd op 30 juli 1999 onder het nummer 51801/COF/149.03).
Titre
24 JUIN 1999. - Convention collective de travail du 24 juin 1999, conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour les métaux précieux, relative à la formation (Convention enregistrée le 30 juillet 1999 sous le numéro 51801/COF/149.03).
Informations sur le document
Numac: 2002A12156
Datum: 1999-06-24
Info du document
Numac: 2002A12156
Date: 1999-06-24
Table des matières
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux ouvriers des entreprises relevant de la compétence de la Sous-commission paritaire pour les métaux précieux.
Pour l'application de la présente convention collective de travail, on entend par "ouvriers" les ouvriers et les ouvrières.
Pour l'application de la présente convention collective de travail, on entend par "ouvriers" les ouvriers et les ouvrières.
Voorwerp.
Objet.
Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de sector, in uitvoering van het interprofessioneel akkoord 1999-2000, gesloten op 8 december 1998 en van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen.
Art. 2. La présente convention collective de travail est conclue en vue de la promotion de l'emploi dans le secteur, en exécution de l'accord interprofessionnel 1999-2000, conclu le 8 décembre 1998 et de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses.
Risicogroepen.
Groupes à risque.
Art. 3. § 1. In uitvoering van hoofdstuk III, afdeling VI, onderafdeling 1 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen wordt de inning van 0,15 pct. voorzien in het nationaal akkoord 1997-1998 (artikel 3.2, § 1) en afgesloten voor onbepaalde duur, bevestigd.
§ 2. Rekening houdende met de bepalingen van hoger genoemde wet, wordt deze inning aangewend tot ondersteuning van vormings- en opleidingsinitiatieven van personen uit risicogroepen, met name langdurig werkzoekenden, laaggeschoolde werkzoekenden, werkzoekenden van 45 jaar en ouder, werkzoekenden die het begeleidingsplan hebben gevolgd, herintreders en herintreedsters, bestaansminimumtrekkers, gehandicapten, migranten, werkzoekenden in een herinschakelingsstatuut, deeltijdse leerplichtigen, laaggeschoolde werklieden, werklieden die geconfronteerd worden met meervoudig ontslag, herstructurering of de introductie van nieuwe technologie en werklieden van 45 jaar en ouder.
Voor deze laatste categorie wordt daarenboven aanbevolen om vooraleer over te gaan tot de afdanking van een werkman van 45 jaar of meer, contact op te nemen met de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis hiervan, met één van de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, teneinde alternatieve mogelijkheden inzake beroepsopleiding of herscholing te onderzoeken.
Individuele gevallen kunnen overgemaakt worden aan het fonds voor bestaanszekerheid, teneinde begeleidingsmaatregelen te onderzoeken.
§ 3. Gezien deze inspanning, vragen partijen dat de Minister van Werkgelegenheid de sector zou vrijstellen van de stortingen van 0,10 pct. in 1999 en 2000 bestemd voor het "Tewerkstellingsfonds".
§ 2. Rekening houdende met de bepalingen van hoger genoemde wet, wordt deze inning aangewend tot ondersteuning van vormings- en opleidingsinitiatieven van personen uit risicogroepen, met name langdurig werkzoekenden, laaggeschoolde werkzoekenden, werkzoekenden van 45 jaar en ouder, werkzoekenden die het begeleidingsplan hebben gevolgd, herintreders en herintreedsters, bestaansminimumtrekkers, gehandicapten, migranten, werkzoekenden in een herinschakelingsstatuut, deeltijdse leerplichtigen, laaggeschoolde werklieden, werklieden die geconfronteerd worden met meervoudig ontslag, herstructurering of de introductie van nieuwe technologie en werklieden van 45 jaar en ouder.
Voor deze laatste categorie wordt daarenboven aanbevolen om vooraleer over te gaan tot de afdanking van een werkman van 45 jaar of meer, contact op te nemen met de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis hiervan, met één van de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, teneinde alternatieve mogelijkheden inzake beroepsopleiding of herscholing te onderzoeken.
Individuele gevallen kunnen overgemaakt worden aan het fonds voor bestaanszekerheid, teneinde begeleidingsmaatregelen te onderzoeken.
§ 3. Gezien deze inspanning, vragen partijen dat de Minister van Werkgelegenheid de sector zou vrijstellen van de stortingen van 0,10 pct. in 1999 en 2000 bestemd voor het "Tewerkstellingsfonds".
Art. 3. § 1er. En exécution du chapitre III, section VI, sous-section 1re, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, la perception de 0,15 p.c. prévue dans l'accord national 1997-1998 (article 3.2, § 1er) et conclue pour une durée indéterminée, est confirmée.
§ 2. Compte tenu des dispositions de la loi susmentionnée, cette perception est utilisée pour soutenir les initiatives de formation de personnes appartenant aux groupes à risque, à savoir les demandeurs d'emploi de longue durée, les demandeurs d'emploi peu qualifiés, les demandeurs d'emploi de 45 ans et plus, les demandeurs d'emploi ayant suivi le plan d'accompagnement, les personnes qui entrent à nouveau dans la vie active, les minimexés, les handicapés, les immigrés, les demandeurs d'emploi dans un statut de réinsertion, les élèves en obligation scolaire partielle, les ouvriers peu qualifiés, les ouvriers qui sont confrontés à un licenciement multiple, à une restructuration ou à l'introduction de nouvelles technologies et les ouvriers de 45 ans et plus.
Pour cette dernière catégorie, il est en outre recommandé de contacter préalablement la délégation syndicale ou, à défaut, l'une des organisations de travailleurs représentées à la sous-commission paritaire, avant de procéder au licenciement d'un ouvrier de 45 ans ou plus, afin d'examiner des possibilités alternatives en matière de formation professionnelle ou de réadaptation professionnelle.
Des cas individuels peuvent être transmis au fonds de sécurité d'existence en vue d'examiner des mesures d'accompagnement.
§ 3. Vu cet effort, les parties demandent au Ministre de l'Emploi d'exempter le secteur en 1999 et 2000 des versements de 0,10 p.c. destinés au "Fonds pour l'emploi".
§ 2. Compte tenu des dispositions de la loi susmentionnée, cette perception est utilisée pour soutenir les initiatives de formation de personnes appartenant aux groupes à risque, à savoir les demandeurs d'emploi de longue durée, les demandeurs d'emploi peu qualifiés, les demandeurs d'emploi de 45 ans et plus, les demandeurs d'emploi ayant suivi le plan d'accompagnement, les personnes qui entrent à nouveau dans la vie active, les minimexés, les handicapés, les immigrés, les demandeurs d'emploi dans un statut de réinsertion, les élèves en obligation scolaire partielle, les ouvriers peu qualifiés, les ouvriers qui sont confrontés à un licenciement multiple, à une restructuration ou à l'introduction de nouvelles technologies et les ouvriers de 45 ans et plus.
Pour cette dernière catégorie, il est en outre recommandé de contacter préalablement la délégation syndicale ou, à défaut, l'une des organisations de travailleurs représentées à la sous-commission paritaire, avant de procéder au licenciement d'un ouvrier de 45 ans ou plus, afin d'examiner des possibilités alternatives en matière de formation professionnelle ou de réadaptation professionnelle.
Des cas individuels peuvent être transmis au fonds de sécurité d'existence en vue d'examiner des mesures d'accompagnement.
§ 3. Vu cet effort, les parties demandent au Ministre de l'Emploi d'exempter le secteur en 1999 et 2000 des versements de 0,10 p.c. destinés au "Fonds pour l'emploi".
Voortdurende vorming.
Formation permanente.
Art. 4. § 1. Daarenboven zullen de inspanningen op het gebied van de voortdurende vorming van werknemers verder ondersteund worden door de inning van 0,10 pct. van de brutolonen, voorzien in het protocol van nationaal akkoord 1995-1996 (artikel 3.2, § 4, eerste lid) en afgesloten voor onbepaalde duur, vanaf 1 oktober 1999 op te trekken tot 0,20 pct.
§ 2. De basisopdracht van "Educam" omvat :
Het ondersteunen van een sectoraal opleidingsbeleid, met name :
- onderzoek van kwalificatie- en opleidingsnoden;
- ontwikkeling van opleidingstrajecten in functie van de instroom en de permanente vorming;
- kwaliteitsbewaking en certificering van de opleidingsinspanningen ten behoeve van de sector;
- andere door de sector te bepalen opleidingsinitiatieven;
- het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de werkzekerheid van werklieden, meer specifiek zoals voorzien in artikel 3, § 1, van deze collectieve arbeidsovereenkomst.
§ 3. De ondertekenende partijen engageren zich om het actieterrein van "Educam" uit te breiden met de volgende initiatieven :
- het erkennen en certificeren van productgebonden opleidingen evenwel steeds gekaderd in de bestaande trajectaanpak (basistechnieken gekoppeld aan productspecifieke opleiding), en rekening houdend met de eigen kwaliteitseisen;
- het organiseren en het logistiek ondersteunen van opleidingssessies voor werknemers uit ondernemingen die omwille van hun structuur en hun omvang niet in staat zijn om de organisatie van de opleiding waar te nemen;
- actief samenwerken met opleidingsfondsen die ressorteren onder andere paritaire comités of subcomités, in functie van een inhoudelijke afstemming van de opleidingsprogramma's;
- het voeren van een promotiebeleid rond de "Educam"-producten en -dienstverlening, in de eerste plaats ten aanzien van de bedrijven die ressorteren onder het toepassingsgebied van het Paritair Subcomité voor de edele metalen, alsook ten aanzien van andere opleidingsactoren (Onderwijs, Middenstandsopleiding, VDAB, FOREm,...). Dit promotiebeleid moet bijdragen tot een betere bekendheid van "Educam" als dusdanig en haar rol in de realisatie van een paritair opleidingsbeleid, alsook tot het imago van de sector in het algemeen;
- "Educam" zal haar opleidingssteun bij gecertificeerde opleidingen verhogen;
- "Educam" zal vóór 30 juli 2000 haar certificeringsopdracht operationaliseren.
§ 2. De basisopdracht van "Educam" omvat :
Het ondersteunen van een sectoraal opleidingsbeleid, met name :
- onderzoek van kwalificatie- en opleidingsnoden;
- ontwikkeling van opleidingstrajecten in functie van de instroom en de permanente vorming;
- kwaliteitsbewaking en certificering van de opleidingsinspanningen ten behoeve van de sector;
- andere door de sector te bepalen opleidingsinitiatieven;
- het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de werkzekerheid van werklieden, meer specifiek zoals voorzien in artikel 3, § 1, van deze collectieve arbeidsovereenkomst.
§ 3. De ondertekenende partijen engageren zich om het actieterrein van "Educam" uit te breiden met de volgende initiatieven :
- het erkennen en certificeren van productgebonden opleidingen evenwel steeds gekaderd in de bestaande trajectaanpak (basistechnieken gekoppeld aan productspecifieke opleiding), en rekening houdend met de eigen kwaliteitseisen;
- het organiseren en het logistiek ondersteunen van opleidingssessies voor werknemers uit ondernemingen die omwille van hun structuur en hun omvang niet in staat zijn om de organisatie van de opleiding waar te nemen;
- actief samenwerken met opleidingsfondsen die ressorteren onder andere paritaire comités of subcomités, in functie van een inhoudelijke afstemming van de opleidingsprogramma's;
- het voeren van een promotiebeleid rond de "Educam"-producten en -dienstverlening, in de eerste plaats ten aanzien van de bedrijven die ressorteren onder het toepassingsgebied van het Paritair Subcomité voor de edele metalen, alsook ten aanzien van andere opleidingsactoren (Onderwijs, Middenstandsopleiding, VDAB, FOREm,...). Dit promotiebeleid moet bijdragen tot een betere bekendheid van "Educam" als dusdanig en haar rol in de realisatie van een paritair opleidingsbeleid, alsook tot het imago van de sector in het algemeen;
- "Educam" zal haar opleidingssteun bij gecertificeerde opleidingen verhogen;
- "Educam" zal vóór 30 juli 2000 haar certificeringsopdracht operationaliseren.
Art. 4. § 1er. En outre, les efforts en matière de formation permanente des travailleurs continueront à être soutenus via la perception de 0,10 p.c. sur les salaires bruts, prévue dans le protocole d'accord national 1995-1996 (article 3.2, § 4, premier alinéa) et conclue pour une durée indéterminée, ce pourcentage est porté à 0,20 p.c. à partir du 1er octobre 1999.
§ 2. La mission de base d' "Educam" consiste à :
Appuyer une politique de formation sectorielle, en particulier :
- examen des besoins de qualification et de formation;
- développement de trajets de formation en fonction de la première formation et de la formation permanente;
- surveillance de la qualité et certification des efforts de formation destinés au secteur;
- autres initiatives de formation à déterminer par le secteur;
- déployer des initiatives en vue de promouvoir la sécurité d'emploi des ouvriers, comme prévu plus spécifiquement à l'article 3, § 1er, de la présente convention collective de travail.
§ 3. Les parties signataires s'engagent à élargir le terrain d'action d' "Educam" par les initiatives suivantes :
- la reconnaissance et la certification de formations liées à un produit, mais toujours inscrites dans le cadre de l'approche inhérente au trajet existant (technique de base liées à une formation spécifique au produit), et compte tenu des exigences propres en matière de qualité;
- l'organisation et l'appui logistique de sessions de formation pour des travailleurs d'entreprises qui, à cause de leur structure et leur volume, ne sont pas capables d'assurer l'organisation de la formation;
- collaboration active avec les fonds de formation qui relèvent de la compétence d'autres commissions ou sous-commissions paritaires, en vue d'une harmonisation des programmes de formation sur le plan du contenu;
- mener une politique de promotion des produits et des services "Educam", en premier lieu à l'égard des entreprises relevant du champ d'application de la Sous-commission paritaire des entreprises pour les métaux précieux et à l'égard d'autres acteurs de la formation (Enseignement, Formation des classes moyennes, FOREm, VDAB,...). Cette politique de promotion doit contribuer à améliorer la renommée d' "Educam" et son rôle dans la réalisation d'une politique de formation paritaire, ainsi que l'image du secteur en général;
- "Educam" intensifiera son soutien de formation aux formations certifiées;
- "Educam" rendra sa mission de certification opérationnelle avant le 30 juillet 2000.
§ 2. La mission de base d' "Educam" consiste à :
Appuyer une politique de formation sectorielle, en particulier :
- examen des besoins de qualification et de formation;
- développement de trajets de formation en fonction de la première formation et de la formation permanente;
- surveillance de la qualité et certification des efforts de formation destinés au secteur;
- autres initiatives de formation à déterminer par le secteur;
- déployer des initiatives en vue de promouvoir la sécurité d'emploi des ouvriers, comme prévu plus spécifiquement à l'article 3, § 1er, de la présente convention collective de travail.
§ 3. Les parties signataires s'engagent à élargir le terrain d'action d' "Educam" par les initiatives suivantes :
- la reconnaissance et la certification de formations liées à un produit, mais toujours inscrites dans le cadre de l'approche inhérente au trajet existant (technique de base liées à une formation spécifique au produit), et compte tenu des exigences propres en matière de qualité;
- l'organisation et l'appui logistique de sessions de formation pour des travailleurs d'entreprises qui, à cause de leur structure et leur volume, ne sont pas capables d'assurer l'organisation de la formation;
- collaboration active avec les fonds de formation qui relèvent de la compétence d'autres commissions ou sous-commissions paritaires, en vue d'une harmonisation des programmes de formation sur le plan du contenu;
- mener une politique de promotion des produits et des services "Educam", en premier lieu à l'égard des entreprises relevant du champ d'application de la Sous-commission paritaire des entreprises pour les métaux précieux et à l'égard d'autres acteurs de la formation (Enseignement, Formation des classes moyennes, FOREm, VDAB,...). Cette politique de promotion doit contribuer à améliorer la renommée d' "Educam" et son rôle dans la réalisation d'une politique de formation paritaire, ainsi que l'image du secteur en général;
- "Educam" intensifiera son soutien de formation aux formations certifiées;
- "Educam" rendra sa mission de certification opérationnelle avant le 30 juillet 2000.
Vormingskrediet.
Crédit-formation.
Art. 5. § 1. Vanaf 1 januari 1999 wordt er collectief per onderneming een vormingskrediet à rato van 4 uur per kwartaal per werkman opgebouwd. Met dit vormingskrediet zal de permanente vorming van de werklieden verzekerd worden. Onder permanente vorming wordt verstaan : de vorming die het vakmanschap van de werkman bevordert, zijn arbeidsmarktpositie versterkt en beantwoordt aan de noden van de ondernemingen en de sector.
Het vormingskrediet wordt berekend op basis van het gemiddeld aantal werklieden tijdens het eerste kwartaal van het voorgaande kalenderjaar. Deze berekening resulteert in een "vormingskredietteller".
Bijvoorbeeld : een bedrijf dat tijdens het eerste kwartaal 1998 10 arbeiders tewerkstelde, beschikt in 1999 over een vormingskrediet van 160 uren. De vormingskredietteller bedraagt na het eerste kwartaal 1999, 40 uren.
§ 2. De vormingskredietteller wordt verminderd naar rata van het aantal door de werkman of werklieden gevolgde opleidingsuren. Hiertoe komen enkel door "Educam" gecertificeerde of georganiseerde opleidingsuren in aanmerking. Het saldo van de "vormingskredietteller" op het einde van het kalenderjaar is overdraagbaar naar het volgend kalenderjaar. "Educam" beheert de vormingskredietteller.
Ieder jaar in de loop van het derde kwartaal, meldt "Educam" aan de bedrijven die ressorteren onder het paritair subcomité hun vormingskrediet.
Het vormingskrediet wordt in overleg met de syndicale afvaardiging, bij ontstentenis in overleg met de arbeiders, maximaal gespreid over alle categorieën werklieden van de onderneming.
Het vormingskrediet wordt berekend op basis van het gemiddeld aantal werklieden tijdens het eerste kwartaal van het voorgaande kalenderjaar. Deze berekening resulteert in een "vormingskredietteller".
Bijvoorbeeld : een bedrijf dat tijdens het eerste kwartaal 1998 10 arbeiders tewerkstelde, beschikt in 1999 over een vormingskrediet van 160 uren. De vormingskredietteller bedraagt na het eerste kwartaal 1999, 40 uren.
§ 2. De vormingskredietteller wordt verminderd naar rata van het aantal door de werkman of werklieden gevolgde opleidingsuren. Hiertoe komen enkel door "Educam" gecertificeerde of georganiseerde opleidingsuren in aanmerking. Het saldo van de "vormingskredietteller" op het einde van het kalenderjaar is overdraagbaar naar het volgend kalenderjaar. "Educam" beheert de vormingskredietteller.
Ieder jaar in de loop van het derde kwartaal, meldt "Educam" aan de bedrijven die ressorteren onder het paritair subcomité hun vormingskrediet.
Het vormingskrediet wordt in overleg met de syndicale afvaardiging, bij ontstentenis in overleg met de arbeiders, maximaal gespreid over alle categorieën werklieden van de onderneming.
Art. 5. § 1er. A partir du 1er janvier 1999, un crédit-formation à raison de 4 heures par trimestre et par ouvrier est constitué sur le plan collectif et par entreprise. La formation permanente des ouvriers sera assurée au moyen de ce crédit-formation. L'on entend par "formation permanente" : la formation qui améliore le savoir-faire de l'ouvrier, renforce sa position sur le marché de l'emploi et répond aux besoins des entreprises et du secteur.
Le crédit-formation est calculé sur base du nombre moyen d'ouvriers pendant le premier trimestre de l'année civile précédente. Ce calcul aboutit à un "compteur de crédit-formation".
Exemple : une entreprise qui occupait 10 ouvriers pendant le premier trimestre de 1998 dispose d'un crédit-formation de 160 heures en 1999. Le compteur de crédit-formation s'élève à 40 heures après le premier trimestre de 1999.
§ 2. Le compteur de crédit-formation est diminué à raison du nombre d'heures de formation suivies par l'ouvrier ou les ouvriers. Seules les heures de formation organisées ou certifiées par "Educam" sont prises en compte. A la fin de l'année civile, le solde du "compteur de crédit-formation" peut être transféré à l'année civile suivante. "Educam" gère le compteur de crédit-formation.
Chaque année, au cours du troisième trimestre, "Educam" communique aux entreprises qui relèvent de la compétence de la sous-commission paritaire leur crédit-formation.
Le crédit-formation est réparti au maximum sur toutes les catégories d'ouvriers de l'entreprise en concertation avec la délégation syndicale ou, à défaut, en concertation avec les ouvriers.
Le crédit-formation est calculé sur base du nombre moyen d'ouvriers pendant le premier trimestre de l'année civile précédente. Ce calcul aboutit à un "compteur de crédit-formation".
Exemple : une entreprise qui occupait 10 ouvriers pendant le premier trimestre de 1998 dispose d'un crédit-formation de 160 heures en 1999. Le compteur de crédit-formation s'élève à 40 heures après le premier trimestre de 1999.
§ 2. Le compteur de crédit-formation est diminué à raison du nombre d'heures de formation suivies par l'ouvrier ou les ouvriers. Seules les heures de formation organisées ou certifiées par "Educam" sont prises en compte. A la fin de l'année civile, le solde du "compteur de crédit-formation" peut être transféré à l'année civile suivante. "Educam" gère le compteur de crédit-formation.
Chaque année, au cours du troisième trimestre, "Educam" communique aux entreprises qui relèvent de la compétence de la sous-commission paritaire leur crédit-formation.
Le crédit-formation est réparti au maximum sur toutes les catégories d'ouvriers de l'entreprise en concertation avec la délégation syndicale ou, à défaut, en concertation avec les ouvriers.
Bedrijfsopleidingsplan.
Plan de formation de l'entreprise.
Art. 6. § 1. Elke onderneming van 20 werklieden en meer, stelt jaarlijks een bedrijfsopleidingsplan op. Dergelijk bedrijfsopleidingsplan wordt ter goedkeuring aan de ondernemingsraad, bij ontstentenis aan de vakbondsafvaardiging of aan het personeel voorgelegd.
Het bedrijfsopleidingsplan wordt jaarlijks vóór 25 december aan "Educam" overgemaakt.
Dit plan houdt rekening met de opleidingsnoden en de gewenste antwoorden hierop van het bedrijf. In functie van een sectorale certificering, een optimaal gebruik van het vormingskrediet en van het genot op de wet op het betaald educatief verlof, verloopt de uitvoering van dit plan - hoewel niet exclusief - in samenwerking met "Educam".
§ 2. De uitvoering van dit plan wordt eveneens gezamenlijk opgevolgd en jaarlijks geëvalueerd. De jaarlijkse evaluatie gebeurt in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis in samenspraak met de vakbondsafvaardiging of door het paritair subcomité.
Het bedrijfsopleidingsplan wordt jaarlijks vóór 25 december aan "Educam" overgemaakt.
Dit plan houdt rekening met de opleidingsnoden en de gewenste antwoorden hierop van het bedrijf. In functie van een sectorale certificering, een optimaal gebruik van het vormingskrediet en van het genot op de wet op het betaald educatief verlof, verloopt de uitvoering van dit plan - hoewel niet exclusief - in samenwerking met "Educam".
§ 2. De uitvoering van dit plan wordt eveneens gezamenlijk opgevolgd en jaarlijks geëvalueerd. De jaarlijkse evaluatie gebeurt in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis in samenspraak met de vakbondsafvaardiging of door het paritair subcomité.
Art. 6. § 1er. Chaque entreprise de 20 ouvriers ou plus rédige chaque année un plan de formation de l'entreprise. Ce plan de formation de l'entreprise sera soumis à l'approbation du conseil d'entreprise ou, à défaut, à la délégation syndicale ou au personnel.
Le plan sera transmis à "Educam" avant le 25 décembre de chaque année.
Ce plan tiendra compte des besoins de formation et de la réponse que l'entreprise souhaite y apporter. En fonction d'une certification sectorielle, d'une utilisation optimale du crédit-formation et de la jouissance de la loi sur le congé-éducation payé, l'exécution de ce plan se fera en collaboration avec "Educam" (quoique pas exclusivement).
§ 2. Le suivi de l'exécution de ce plan se fera en commun et une évaluation est assurée chaque année. L'évaluation annuelle se fait au conseil d'entreprise ou, à défaut, en concertation avec la délégation syndicale ou par la sous-commission paritaire.
Le plan sera transmis à "Educam" avant le 25 décembre de chaque année.
Ce plan tiendra compte des besoins de formation et de la réponse que l'entreprise souhaite y apporter. En fonction d'une certification sectorielle, d'une utilisation optimale du crédit-formation et de la jouissance de la loi sur le congé-éducation payé, l'exécution de ce plan se fera en collaboration avec "Educam" (quoique pas exclusivement).
§ 2. Le suivi de l'exécution de ce plan se fera en commun et une évaluation est assurée chaque année. L'évaluation annuelle se fait au conseil d'entreprise ou, à défaut, en concertation avec la délégation syndicale ou par la sous-commission paritaire.
Middelen.
Moyens.
Art. 7. Voor de aanwending van de sommen bepaald in artikel 3, § 1 en artikel 4, § 1, in functie van de uitvoering van de opdrachten opgesomd in artikel 4, § 2 en § 3, artikel 5 en artikel 6, zal het fonds voor bestaanszekerheid - edele metalen de verdere uitvoeringsmodaliteiten bepalen.
De in artikel 4, § 3, artikel 5 en artikel 6, gestelde bepalingen zullen in een paritaire werkgroep, in samenspraak met Educam verder worden uitgewerkt en geconcretiseerd.
De in artikel 4, § 3, artikel 5 en artikel 6, gestelde bepalingen zullen in een paritaire werkgroep, in samenspraak met Educam verder worden uitgewerkt en geconcretiseerd.
Art. 7. Pour l'affectation des sommes déterminées aux articles 3, § 1er et article 4, § 1er, en fonction de l'exécution des missions énumérées aux articles 4, § 2, et § 3, article 5 et article 6, le fonds de sécurité d'existence - métaux précieux déterminera les autres modalités d'exécution.
Les dispositions mentionnées aux articles 4, § 3, article 5, et article 6, seront élaborées et concrétisées au sein d'un groupe de travail paritaire, en collaboration avec Educam.
Les dispositions mentionnées aux articles 4, § 3, article 5, et article 6, seront élaborées et concrétisées au sein d'un groupe de travail paritaire, en collaboration avec Educam.
Geldigheid.
Validité.
Art. 8. Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 30 juni 2001, met uitzondering van :
- artikel 3, § 1 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1999 voor onbepaalde duur en dat kan opgezegd worden met een opzeggingstermijn van drie maanden, betekend per aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Subcomité voor de edele metalen alsook aan de ondertekenende organisaties;
- artikel 4, § 1 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 1999 voor onbepaalde duur en dat kan opgezegd worden met een opzeggingstermijn van drie maanden, betekend per aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Subcomité voor de edele metalen alsook aan de ondertekenende organisaties.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 23 januari 2002.
(Voor het KB, zie %%2002-01-23/80%%)
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX.
- artikel 3, § 1 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1999 voor onbepaalde duur en dat kan opgezegd worden met een opzeggingstermijn van drie maanden, betekend per aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Subcomité voor de edele metalen alsook aan de ondertekenende organisaties;
- artikel 4, § 1 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 1999 voor onbepaalde duur en dat kan opgezegd worden met een opzeggingstermijn van drie maanden, betekend per aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Subcomité voor de edele metalen alsook aan de ondertekenende organisaties.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 23 januari 2002.
(Voor het KB, zie %%2002-01-23/80%%)
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. 8. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er janvier 1999 et cesse d'être en vigueur le 30 juin 2001 inclus, sauf stipulation contraire :
- article 3, § 1er qui produit ses effets le 1er janvier 1999 et qui est valable pour une durée indéterminée; cet article peut être dénoncé moyennant un préavis de trois mois, signifié par lettre recommandée au président de la Sous-commission paritaire des métaux précieux ainsi qu'à toutes les parties signataires;
- article 4, § 1er qui produit ses effets le 1er octobre 1999 et qui est valable pour une durée indéterminée; cet article peut être dénoncé moyennant un préavis de trois mois, signifié par lettre recommandée au président de la Sous-commission paritaire des métaux précieux ainsi qu'à toutes les parties signataires.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 23 janvier 2002.
(Pour l'AR, voir %%2002-01-23/80%%)
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX.
- article 3, § 1er qui produit ses effets le 1er janvier 1999 et qui est valable pour une durée indéterminée; cet article peut être dénoncé moyennant un préavis de trois mois, signifié par lettre recommandée au président de la Sous-commission paritaire des métaux précieux ainsi qu'à toutes les parties signataires;
- article 4, § 1er qui produit ses effets le 1er octobre 1999 et qui est valable pour une durée indéterminée; cet article peut être dénoncé moyennant un préavis de trois mois, signifié par lettre recommandée au président de la Sous-commission paritaire des métaux précieux ainsi qu'à toutes les parties signataires.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 23 janvier 2002.
(Pour l'AR, voir %%2002-01-23/80%%)
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX.