Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 DECEMBER 2001. - Ministerieel besluit tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement van zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen. (NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Overheid bij MB2012-05-21/06, art. 6, 1°, 004; Inwerkingtreding : 30-06-2012) (NOTA : Opgeheven voor het Waals Gewest bij BWG2012-12-06/18, art. 28, 005; Inwerkingtreding : 09-03-2013) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-03-2002 en tekstbijwerking tot 27-02-2013)
Titre
21 DECEMBRE 2001. - Arrêté ministériel établissant un règlement de contrôle et de certification des semences de plantes oléagineuses et à fibres. (NOTE : Abrogé pour la Communauté flamande par AM2012-05-21/06, art. 6, 1°, 004; En vigueur : 30-06-2012) (NOTE : Abrogé pour la Région Wallonne par ARW2012-12-06/18, art. 28, 005; En vigueur : 09-03-2013) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-03-2002 et mise à jour au 27-02-2013)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
Tekst (33)
Texte (33)
Artikel 1. Het keurings- en certificeringsreglement van zaaizaden en oliehoudende planten en vezelgewassen, zoals bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen, wordt vastgesteld in bijlage I : algemeenheden en in bijlage II : bijzonderheden " zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen met uitzondering van vezelvlas " en in bijlage III : bijzonderheden " zaaizaad van vezelvlas ".
Article 1. Le règlement de contrôle et de certification des semences de plantes oléagineuses et à fibres, comme prévu à l'article 22 de l'arrêté royal du 2 mai 2001 portant réglementation du commerce et du contrôle des semences de plantes oléagineuses et à fibres, est établi en annexe I : généralités et en annexe II : particularités des " Semences de plantes oléagineuses et à fibres à l'exception de lin textile " et en annexe III : particularités " Semences de lin textile ".
Art. 2. Het ministerieel besluit van 3 september 1979 tot vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen van het koninklijk besluit van 3 september 1979 houdende inrichting van de keuring van zaaizaad van landbouwgewassen, te verrichten door de nationale dienst voor de afzet van land- en tuinbouwproducten, wordt opgeheven.
Art. 2. L'arrêté ministériel du 3 septembre 1979 fixant les mesures d'exécution de l'arrêté royal du 3 septembre 1979 organisant le contrôle à exercer par l'Office National des débouchés agricoles et horticoles sur les semences des espèces agricoles est abrogé.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Mme A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Mme A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
BIJLAGEN. (VLAAMSE OVERHEID)
ANNEXES.
Art. N1.
Art. N1.
Art. 1N1.
Art. 1N1.
Art. 2N1.
Art. 2N1.
Art. 3N1.
Art. 3N1.
Art. 4N1.
Art. 4N1.
Art. 5N1.
Art. 5N1.
Art. 6N1.
Art. 6N1.
Art. 7N1.
Art. 7N1.
Art. 8N1.
Art. 8N1.
Art. 9N1.
Art. 9N1.
Art. 10N1.
Art. 10N1.
Art. 11N1.
Art. 11N1.
Art. N2.
Art. N2.
Art. 1N2.
Art. 1N2.
Art. 2N2.
Art. 2N2.
Art. 3N2.
Art. 3N2.
Art. 4N2.
Art. 4N2.
Art. 5N2.
Art. 5N2.
Art. 6N2.
Art. 6N2.
Art. 7N2.
Art. 7N2.
Art. 8N2.
Art. 8N2.
Art. N3. Bijlage III. - Bijzonderheden : zaaizaad van vezelvlas.
Art. N3. Annexe III. - Particularités : semences de lin textile.
Art. 1N3. 1. Betrokken soorten.
Dit hoofdstuk behandelt volgende landbouwsoort :
Vezelvlas, Linum usitatissimum L.
Dit hoofdstuk behandelt volgende landbouwsoort :
Vezelvlas, Linum usitatissimum L.
Art. 1N3. 1. Espèces concernées.
Le présent chapitre concerne l'espèce agricole suivante :
Lin textile, Linum usitatissimum L.
Le présent chapitre concerne l'espèce agricole suivante :
Lin textile, Linum usitatissimum L.
Art. 2N3. 2. Categorieën en klassen.
De zaaizaden kunnen officieel goedgekeurd worden in één van de volgende categorieën en klassen :
- Prebasiszaad (PB);
- Basiszaad E2;
- Basiszaad E3;
- Gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering (R1).
- Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering (R2).
- Gecertificeerd zaad van de derde vermeerdering (R3).
De zaaizaden kunnen officieel goedgekeurd worden in één van de volgende categorieën en klassen :
- Prebasiszaad (PB);
- Basiszaad E2;
- Basiszaad E3;
- Gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering (R1).
- Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering (R2).
- Gecertificeerd zaad van de derde vermeerdering (R3).
Art. 2N3. 2. Catégories et classes.
Les semences peuvent être certifiées dans une des catégories ou classes suivantes :
- Semences prébase (PB).
- Semences de base E2.
- Semences de base E3.
- Semences certifiées de première reproduction (R1).
- Semences certifiées de deuxième reproduction (R2).
- Semences certifiées de troisième reproduction (R3).
Les semences peuvent être certifiées dans une des catégories ou classes suivantes :
- Semences prébase (PB).
- Semences de base E2.
- Semences de base E3.
- Semences certifiées de première reproduction (R1).
- Semences certifiées de deuxième reproduction (R2).
- Semences certifiées de troisième reproduction (R3).
Art. 3N3. 3. Bemonstering van partijen bestemd voor vermeerdering.
Uit alle moederpartijen, vooraleer ze over de diverse vermeerderaars worden verdeeld, worden monsters genomen voor het controleveld. De aanvraag tot bemonstering verloopt volgens de modaliteiten vastgelegd in 4.1.1.
Percelen aangelegd met zaaizaad uit moederpartijen waaruit geen officieel monster werd genomen kunnen niet ter keuring worden ingeschreven.
De keurmeester dient de zaaizaden aan te treffen in officieel gesloten verpakkingen voorzien van officiële etiketten.
De verpakkingen, waarin het zaad is opgeborgen, dienen zodanig gestapeld te zijn dat het voor de keurmeester mogelijk is een reglementair monster te nemen en kennis te nemen van de gegevens die voorkomen op alle officiële etiketten.
Het gewicht van de monsters wordt in de tabel 1 aangegeven.
Tabel 1.
Uit alle moederpartijen, vooraleer ze over de diverse vermeerderaars worden verdeeld, worden monsters genomen voor het controleveld. De aanvraag tot bemonstering verloopt volgens de modaliteiten vastgelegd in 4.1.1.
Percelen aangelegd met zaaizaad uit moederpartijen waaruit geen officieel monster werd genomen kunnen niet ter keuring worden ingeschreven.
De keurmeester dient de zaaizaden aan te treffen in officieel gesloten verpakkingen voorzien van officiële etiketten.
De verpakkingen, waarin het zaad is opgeborgen, dienen zodanig gestapeld te zijn dat het voor de keurmeester mogelijk is een reglementair monster te nemen en kennis te nemen van de gegevens die voorkomen op alle officiële etiketten.
Het gewicht van de monsters wordt in de tabel 1 aangegeven.
Tabel 1.
Art. 3N3. 3. Echantillonnage des lots destinés à la multiplication.
Avant leur partage entre les différents multiplicateurs, des échantillons sont prélevés de chaque lot mère pour le champ de contrôle. La demande d'échantillonnage se déroule selon les modalités décrites au point 4.1.1.
Les parcelles emblavees au moyen de semences issues de lots-mères sur lesquels aucun échantillon officiel n'a été préleve, ne peuvent pas être inscrites au contrôle.
L'inspecteur doit trouver les semences dans des emballages fermés officiellement et pourvus d'étiquettes officielles.
Les emballages dans lesquels les semences sont stockées doivent être entreposés de telle sorte que l'inspecteur puisse prélever aisément un échantillon réglementaire et prendre connaissance des données qui figurent sur toutes les étiquettes officielles.
Le poids des échantillons est repris dans le tableau 1
Tableau 1.
Avant leur partage entre les différents multiplicateurs, des échantillons sont prélevés de chaque lot mère pour le champ de contrôle. La demande d'échantillonnage se déroule selon les modalités décrites au point 4.1.1.
Les parcelles emblavees au moyen de semences issues de lots-mères sur lesquels aucun échantillon officiel n'a été préleve, ne peuvent pas être inscrites au contrôle.
L'inspecteur doit trouver les semences dans des emballages fermés officiellement et pourvus d'étiquettes officielles.
Les emballages dans lesquels les semences sont stockées doivent être entreposés de telle sorte que l'inspecteur puisse prélever aisément un échantillon réglementaire et prendre connaissance des données qui figurent sur toutes les étiquettes officielles.
Le poids des échantillons est repris dans le tableau 1
Tableau 1.
Uitgangsmateriaal Gewicht (g)
Kwekerszaad (a) 500
Prebasis- en basiszaad E2 (b) 250
Basiszaad E3 (b) 150
Gecertificeerd zaad R1 en R2 (b)
Kwekerszaad (a) 500
Prebasis- en basiszaad E2 (b) 250
Basiszaad E3 (b) 150
Gecertificeerd zaad R1 en R2 (b)
| Semences mères utilisées | Poids (g) |
| Semences d'obtenteurs (a) | 500 |
| Semences de prébase et de base E2 (b) | 250 |
| Semences de base E3 (b) | 150 |
| Semences certifiées R1 en R2 (b) |
(a) De monsters worden geleverd door de inschrijvingsnemer (de kweker, instandhouder of hun mandataris).
(b) De bemonstering wordt aangevraagd door de inschrijvingsnemer (de kweker, instandhouder of hun mandataris, de repelaar-stockeerder van vlas of de handelaar-bereider) aan de hand van het formulier " bemonsterings-aanvraag " (zie verder).
(b) De bemonstering wordt aangevraagd door de inschrijvingsnemer (de kweker, instandhouder of hun mandataris, de repelaar-stockeerder van vlas of de handelaar-bereider) aan de hand van het formulier " bemonsterings-aanvraag " (zie verder).
(a) Les échantillons sont fournis par le preneur d'inscription (l'obtenteur, le mainteneur ou leur mandataire).
(b) L'échantillonnage est demandé par le preneur d'inscription (l'obtenteur, le mainteneur ou leur mandataire, l'égreneur-stockiste de lin ou le négociant-préparateur) au moyen de formulaires " demande d'échantillonnage " (voir plus loin).
(b) L'échantillonnage est demandé par le preneur d'inscription (l'obtenteur, le mainteneur ou leur mandataire, l'égreneur-stockiste de lin ou le négociant-préparateur) au moyen de formulaires " demande d'échantillonnage " (voir plus loin).
Art. 4N3. 4. Inschrijving van vermeerderingspercelen.
4.1. Opgave van de teelten.
4.1.1. Eerste fase van de inschrijving ter keuring : Bemonstering.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor bemonsteringsaanvraag, waarvan het model door de Dienst is vastgelegd, en dit vóór 15 maart. Afwijkingen hierop kunnen door de Dienst toegestaan worden mits voorafgaandelijk gemotiveerde schriftelijke aanvraag.
4.1.2. Tweede fase van de inschrijving ter keuring : Definitieve inschrijving.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor definitieve inschrijving (inschrijvingsbulletin), waarvan het model door de Dienst is vastgelegd, en dit vóór 15 mei.
Voor de productie van prebasis zaad moet het inschrijvingsbulletin vergezeld zijn van de etiketten of documenten die het gebruikte zaaizaad dekten.
Voor de productie van zaaizaad van andere categorieën worden de etiketten overhandigd aan de keurmeester bevoegd voor de veldkeuring tijdens zijn eerste bezoek.
Percelen waarvoor de etiketten niet kunnen voorgelegd worden, worden geweigerd.
4.2. Vóórvrucht.
Het perceel mag gedurende de drie voorafgaande jaren geen vlas gedragen hebben.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 4N3. (VLAAMSE OVERHEID)
4. Inschrijving van vermeerderingspercelen.
4.1. Opgave van de teelten.
4.1.1. Eerste fase van de inschrijving ter keuring : Bemonstering.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor bemonsteringsaanvraag, waarvan het model door (de bevoegde entiteit) is vastgelegd, en dit vóór 15 maart. Afwijkingen hierop kunnen door (de bevoegde entiteit) toegestaan worden mits voorafgaandelijk gemotiveerde schriftelijke aanvraag.
4.1.2. Tweede fase van de inschrijving ter keuring : Definitieve inschrijving.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor definitieve inschrijving (inschrijvingsbulletin), waarvan het model door (de bevoegde entiteit) is vastgelegd, en dit vóór 15 mei.
Voor de productie van prebasis zaad moet het inschrijvingsbulletin vergezeld zijn van de etiketten of documenten die het gebruikte zaaizaad dekten.
Voor de productie van zaaizaad van andere categorieën worden de etiketten overhandigd aan de keurmeester bevoegd voor de veldkeuring tijdens zijn eerste bezoek.
Percelen waarvoor de etiketten niet kunnen voorgelegd worden, worden geweigerd.
4.2. Vóórvrucht.
Het perceel mag gedurende de drie voorafgaande jaren geen vlas gedragen hebben.
++++++++++
4.1. Opgave van de teelten.
4.1.1. Eerste fase van de inschrijving ter keuring : Bemonstering.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor bemonsteringsaanvraag, waarvan het model door de Dienst is vastgelegd, en dit vóór 15 maart. Afwijkingen hierop kunnen door de Dienst toegestaan worden mits voorafgaandelijk gemotiveerde schriftelijke aanvraag.
4.1.2. Tweede fase van de inschrijving ter keuring : Definitieve inschrijving.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor definitieve inschrijving (inschrijvingsbulletin), waarvan het model door de Dienst is vastgelegd, en dit vóór 15 mei.
Voor de productie van prebasis zaad moet het inschrijvingsbulletin vergezeld zijn van de etiketten of documenten die het gebruikte zaaizaad dekten.
Voor de productie van zaaizaad van andere categorieën worden de etiketten overhandigd aan de keurmeester bevoegd voor de veldkeuring tijdens zijn eerste bezoek.
Percelen waarvoor de etiketten niet kunnen voorgelegd worden, worden geweigerd.
4.2. Vóórvrucht.
Het perceel mag gedurende de drie voorafgaande jaren geen vlas gedragen hebben.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 4N3. (VLAAMSE OVERHEID)
4. Inschrijving van vermeerderingspercelen.
4.1. Opgave van de teelten.
4.1.1. Eerste fase van de inschrijving ter keuring : Bemonstering.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor bemonsteringsaanvraag, waarvan het model door (de bevoegde entiteit) is vastgelegd, en dit vóór 15 maart. Afwijkingen hierop kunnen door (de bevoegde entiteit) toegestaan worden mits voorafgaandelijk gemotiveerde schriftelijke aanvraag.
4.1.2. Tweede fase van de inschrijving ter keuring : Definitieve inschrijving.
Deze bestaat in het indienen van het formulier voor definitieve inschrijving (inschrijvingsbulletin), waarvan het model door (de bevoegde entiteit) is vastgelegd, en dit vóór 15 mei.
Voor de productie van prebasis zaad moet het inschrijvingsbulletin vergezeld zijn van de etiketten of documenten die het gebruikte zaaizaad dekten.
Voor de productie van zaaizaad van andere categorieën worden de etiketten overhandigd aan de keurmeester bevoegd voor de veldkeuring tijdens zijn eerste bezoek.
Percelen waarvoor de etiketten niet kunnen voorgelegd worden, worden geweigerd.
4.2. Vóórvrucht.
Het perceel mag gedurende de drie voorafgaande jaren geen vlas gedragen hebben.
++++++++++
Art. 4N3. 4. Inscription des parcelles de multiplication.
4.1. Déclaration des cultures.
4.1.1. Première phase de l'inscription au contrôle : Echantillonnage.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire de demande d'échantillonnage, dont le modèle est établi par le Service, et ceci avant le 15 mars. Le Service peut accorder des dérogations à cette règle, moyennant une demande écrite préalable et motivée.
4.1.2. Deuxième phase de l'inscription au contrôle : Inscription définitive.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire d'inscription définitive (bulletin d'inscription), dont le modèle est etabli par le Service, et ceci avant le 15 mai.
Pour la production des semences de prébase les demandes doivent être accompagnées des étiquettes ou documents qui couvraient les semences utilisées.
Pour la production de semences d'autres catégories les étiquettes sont remises à l'inspecteur désigné pour les contrôles sur pied lors de sa première visite.
Les parcelles pour lesquelles les étiquettes ne peuvent pas être présentées sont refusées.
4.2. Précédents culturaux.
La parcelle ne peut pas avoir porté du lin au cours des trois années précédentes.
++++++++++
COMMUNAUTES ET REGIONS
======================
Art. 4N3. (AUTORITE FLAMANDE)
4. Inscription des parcelles de multiplication.
4.1. Déclaration des cultures.
4.1.1. Première phase de l'inscription au contrôle : Echantillonnage.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire de demande d'échantillonnage, dont le modèle est établi par (l'entité compétente), et ceci avant le 15 mars. (L'entité compétente) peut accorder des dérogations à cette règle, moyennant une demande écrite préalable et motivée.
4.1.2. Deuxième phase de l'inscription au contrôle : Inscription définitive.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire d'inscription définitive (bulletin d'inscription), dont le modèle est établi par (l'entité compétente), et ceci avant le 15 mai.
Pour la production des semences de prébase les demandes doivent être accompagnées des étiquettes ou documents qui couvraient les semences utilisées.
Pour la production de semences d'autres catégories les étiquettes sont remises à l'inspecteur désigné pour les contrôles sur pied lors de sa première visite.
Les parcelles pour lesquelles les étiquettes ne peuvent pas être présentées sont refusées.
4.2. Précédents culturaux.
La parcelle ne peut pas avoir porté du lin au cours des trois années précédentes.
++++++++++++++
4.1. Déclaration des cultures.
4.1.1. Première phase de l'inscription au contrôle : Echantillonnage.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire de demande d'échantillonnage, dont le modèle est établi par le Service, et ceci avant le 15 mars. Le Service peut accorder des dérogations à cette règle, moyennant une demande écrite préalable et motivée.
4.1.2. Deuxième phase de l'inscription au contrôle : Inscription définitive.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire d'inscription définitive (bulletin d'inscription), dont le modèle est etabli par le Service, et ceci avant le 15 mai.
Pour la production des semences de prébase les demandes doivent être accompagnées des étiquettes ou documents qui couvraient les semences utilisées.
Pour la production de semences d'autres catégories les étiquettes sont remises à l'inspecteur désigné pour les contrôles sur pied lors de sa première visite.
Les parcelles pour lesquelles les étiquettes ne peuvent pas être présentées sont refusées.
4.2. Précédents culturaux.
La parcelle ne peut pas avoir porté du lin au cours des trois années précédentes.
++++++++++
COMMUNAUTES ET REGIONS
======================
Art. 4N3. (AUTORITE FLAMANDE)
4. Inscription des parcelles de multiplication.
4.1. Déclaration des cultures.
4.1.1. Première phase de l'inscription au contrôle : Echantillonnage.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire de demande d'échantillonnage, dont le modèle est établi par (l'entité compétente), et ceci avant le 15 mars. (L'entité compétente) peut accorder des dérogations à cette règle, moyennant une demande écrite préalable et motivée.
4.1.2. Deuxième phase de l'inscription au contrôle : Inscription définitive.
Celle-ci consiste en l'introduction du formulaire d'inscription définitive (bulletin d'inscription), dont le modèle est établi par (l'entité compétente), et ceci avant le 15 mai.
Pour la production des semences de prébase les demandes doivent être accompagnées des étiquettes ou documents qui couvraient les semences utilisées.
Pour la production de semences d'autres catégories les étiquettes sont remises à l'inspecteur désigné pour les contrôles sur pied lors de sa première visite.
Les parcelles pour lesquelles les étiquettes ne peuvent pas être présentées sont refusées.
4.2. Précédents culturaux.
La parcelle ne peut pas avoir porté du lin au cours des trois années précédentes.
++++++++++++++
Art. 5N3. 5. Controle van de teelten en inontvangstname van de bruto-partijen.
5.1. Aantal en tijdstip van de veldkeuringen.
Het aantal veldkeuringen bedraagt ten minste 2 voor alle categorieën :
(a). de eerste veldkeuring vindt plaats bij de bloei;
(b). de tweede veldkeuring grijpt plaats na afrijping en kort vóór het transport.
De stand van de teelt en het ontwikkelingsstadium moeten een doeltreffend onderzoek mogelijk maken.
5.2. Buurschap.
De teelten moeten voldoende verwijderd zijn van elke stuifmeelbron die een ongewenste kruisbestuiving zou kunnen teweegbrengen.
De minimumafstanden tot in de buurt liggende vlaspercelen zijn voor :
- Prebasiszaad : 20 m;
- Basiszaad : 10 m;
- Gecertificeerd zaad : 0,5 m;
Voor prebasis- en basiszaad kan de afstand teruggebracht worden tot 0,5 m op voorwaarde dat bij het oogsten het product, afkomstig van een strook met een breedte gelijk aan de hierboven aangegeven minimum afstand, wordt verwijderd.
5.3. Scheiding.
Elk ingeschreven perceel dient van elk naburig perceel gescheiden te zijn door een vrije ruimte van ten minste 0,5 m, tenzij er geen mechanische menging mogelijk is op het ogenblik van de oogst.
5.4. Soort- en Raszuiverheid.
De keurmeester onderzoekt of de teelt in zijn geheel behoort tot het ingeschreven ras, voldoende homogeen is en of het onkruid niet te talrijk is.
5.4.1. Tellingsmethode.
5.4.1.1. Soortonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de soortzuiverheid verricht de keurmeester :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
5.4.1.2. Rasonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de raszuiverheid verricht de keurmeester :
- voor wat de bloeikleur betreft :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
- voor wat de andere kenmerken betreft, namelijk :
- de stippeling van de kelkbladeren,
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes,
- deze door de Dienst te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken,
is het aantal te observeren planten afhankelijk van de te produceren categorie en klasse en vermeld in tabel 2. Dit dient enkel te gebeuren indien er aanwijzingen zijn voor vermenging.
5.4.2. Veldkeuringsnormen.
Tabel 2.
5.1. Aantal en tijdstip van de veldkeuringen.
Het aantal veldkeuringen bedraagt ten minste 2 voor alle categorieën :
(a). de eerste veldkeuring vindt plaats bij de bloei;
(b). de tweede veldkeuring grijpt plaats na afrijping en kort vóór het transport.
De stand van de teelt en het ontwikkelingsstadium moeten een doeltreffend onderzoek mogelijk maken.
5.2. Buurschap.
De teelten moeten voldoende verwijderd zijn van elke stuifmeelbron die een ongewenste kruisbestuiving zou kunnen teweegbrengen.
De minimumafstanden tot in de buurt liggende vlaspercelen zijn voor :
- Prebasiszaad : 20 m;
- Basiszaad : 10 m;
- Gecertificeerd zaad : 0,5 m;
Voor prebasis- en basiszaad kan de afstand teruggebracht worden tot 0,5 m op voorwaarde dat bij het oogsten het product, afkomstig van een strook met een breedte gelijk aan de hierboven aangegeven minimum afstand, wordt verwijderd.
5.3. Scheiding.
Elk ingeschreven perceel dient van elk naburig perceel gescheiden te zijn door een vrije ruimte van ten minste 0,5 m, tenzij er geen mechanische menging mogelijk is op het ogenblik van de oogst.
5.4. Soort- en Raszuiverheid.
De keurmeester onderzoekt of de teelt in zijn geheel behoort tot het ingeschreven ras, voldoende homogeen is en of het onkruid niet te talrijk is.
5.4.1. Tellingsmethode.
5.4.1.1. Soortonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de soortzuiverheid verricht de keurmeester :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
5.4.1.2. Rasonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de raszuiverheid verricht de keurmeester :
- voor wat de bloeikleur betreft :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
- voor wat de andere kenmerken betreft, namelijk :
- de stippeling van de kelkbladeren,
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes,
- deze door de Dienst te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken,
is het aantal te observeren planten afhankelijk van de te produceren categorie en klasse en vermeld in tabel 2. Dit dient enkel te gebeuren indien er aanwijzingen zijn voor vermenging.
5.4.2. Veldkeuringsnormen.
Tabel 2.
Art. 5N3. 5. Contrôle des cultures et de la réception des lots bruts.
5.1. Nombre et époque des contrôles sur pied.
Le nombre de contrôles sur pied est de 2 au minimum pour toutes les catégories :
(a). le premier contrôle a lieu au moment de la floraison;
(b). le second contrôle a lieu à la maturation et peu avant le transport.
L'état de la culture et le stade de développement doivent permettre un examen satisfaisant.
5.2. Isolement.
Les cultures doivent être distantes de toute source de pollen, pouvant provoquer une pollinisation croisée indésirable.
Les distances minimales par rapport a des parcelles de lin environnantes sont pour :
- les semences de prébase : 20 m;
- les semences de base : 10 m;
- les semences certifiées : 0,5 m.
Pour les semences de prébase et de base la distance peut être ramenee à 0,5 m a condition qu'à la récolte le produit provenant d'une bande d'une largeur égale à la distance minimale mentionnée ci dessus est écarté.
5.3. Séparation.
Chaque parcelle inscrite doit être séparée de toute parcelle avoisinante par une bande libre d'au moins 0,5 m, à moins qu'il n'existe aucun risque de mélange mécanique au moment de la récolte.
5.4. Pureté d'espèce et pureté variétale.
L'inspecteur examine si la culture appartient dans l'ensemble à la variété inscrite, si elle est suffisamment homogène et si le nombre d'adventices n'est pas trop important.
5.4.1. Méthode de comptage.
5.4.1.1. Impuretés d'espèce.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté d'espèce, l'inspecteur effectue :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
5.4.1.2. Impuretés variétales.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté variétale l'inspecteur effectue :
- pour ce qui concerne la couleur des fleurs :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
- pour ce qui concerne les autres caractéristiques, notamment :
- la moucheture des sépales,
- la ciliation des fausses parois des capsules,
- celles a déterminer par le Service sur base des caractères spécifiques variétaux,
le nombre des plantes à observer est fonction de la catégorie et de la classe a produire et est mentionné au tableau 2. Ceci doit uniquement être réalisé s'il y a des indications de mélange.
5.4.2. Normes des contrôles sur pied.
Tableau 2.
5.1. Nombre et époque des contrôles sur pied.
Le nombre de contrôles sur pied est de 2 au minimum pour toutes les catégories :
(a). le premier contrôle a lieu au moment de la floraison;
(b). le second contrôle a lieu à la maturation et peu avant le transport.
L'état de la culture et le stade de développement doivent permettre un examen satisfaisant.
5.2. Isolement.
Les cultures doivent être distantes de toute source de pollen, pouvant provoquer une pollinisation croisée indésirable.
Les distances minimales par rapport a des parcelles de lin environnantes sont pour :
- les semences de prébase : 20 m;
- les semences de base : 10 m;
- les semences certifiées : 0,5 m.
Pour les semences de prébase et de base la distance peut être ramenee à 0,5 m a condition qu'à la récolte le produit provenant d'une bande d'une largeur égale à la distance minimale mentionnée ci dessus est écarté.
5.3. Séparation.
Chaque parcelle inscrite doit être séparée de toute parcelle avoisinante par une bande libre d'au moins 0,5 m, à moins qu'il n'existe aucun risque de mélange mécanique au moment de la récolte.
5.4. Pureté d'espèce et pureté variétale.
L'inspecteur examine si la culture appartient dans l'ensemble à la variété inscrite, si elle est suffisamment homogène et si le nombre d'adventices n'est pas trop important.
5.4.1. Méthode de comptage.
5.4.1.1. Impuretés d'espèce.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté d'espèce, l'inspecteur effectue :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
5.4.1.2. Impuretés variétales.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté variétale l'inspecteur effectue :
- pour ce qui concerne la couleur des fleurs :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
- pour ce qui concerne les autres caractéristiques, notamment :
- la moucheture des sépales,
- la ciliation des fausses parois des capsules,
- celles a déterminer par le Service sur base des caractères spécifiques variétaux,
le nombre des plantes à observer est fonction de la catégorie et de la classe a produire et est mentionné au tableau 2. Ceci doit uniquement être réalisé s'il y a des indications de mélange.
5.4.2. Normes des contrôles sur pied.
Tableau 2.
Soortonzuiverheden Rasonzuiverheden (a)
(a)
Te produceren klasse Aantal pl. van Andere Andere kenmerken (c)
vreemde soorten bloeikleur
per are Andere pl. Andere pl. Tolerantie
per are te
observeren
Prebasiszaad 3 5 3 000 9
Basiszaad E2 3 5 2 000 6
Basiszaad E3 3 5 1 000 3
Gecertificeerd zaad
1e vermeerdering R1 5 (b) 20 200 4
2e vermeerdering R2 5 (b) 50 200 5
3e vermeerdering R3 5 (b) 100 100 2,5
(a)
Te produceren klasse Aantal pl. van Andere Andere kenmerken (c)
vreemde soorten bloeikleur
per are Andere pl. Andere pl. Tolerantie
per are te
observeren
Prebasiszaad 3 5 3 000 9
Basiszaad E2 3 5 2 000 6
Basiszaad E3 3 5 1 000 3
Gecertificeerd zaad
1e vermeerdering R1 5 (b) 20 200 4
2e vermeerdering R2 5 (b) 50 200 5
3e vermeerdering R3 5 (b) 100 100 2,5
Classes a produire Impuretes Impuretes varietales (a)
d'especes (a) Autre couleur Autres
florale caracteristiques
Nbre de plantes Nbre de Nbre de Tolerance
d'especes plantes plantes a
etrangeres par are observer
par are
Semences de prebase 3 5 3 000 9
Semences de base E2 3 5 2 000 6
Semences de base E3 3 5 1 000 3
Semences certifiees
1er reproduction (R1) 5 (b) 20 200 4
2e reproduction (R2) 5 (b) 50 200 5
3e reproduction (R3) 5 (b) 100 100 2,5
d'especes (a) Autre couleur Autres
florale caracteristiques
Nbre de plantes Nbre de Nbre de Tolerance
d'especes plantes plantes a
etrangeres par are observer
par are
Semences de prebase 3 5 3 000 9
Semences de base E2 3 5 2 000 6
Semences de base E3 3 5 1 000 3
Semences certifiees
1er reproduction (R1) 5 (b) 20 200 4
2e reproduction (R2) 5 (b) 50 200 5
3e reproduction (R3) 5 (b) 100 100 2,5
(a) Het aantal onzuiverheden wordt opgetekend op het veldkeuringsverslag.
De aanwezigheid van Orobanche spp. en van Cuscuta spp. brengt de weigering mee.
(b) Voor de categorie gecertificeerd zaad wordt alleen rekening gehouden met de soorten waarvan het zaad de afmetingen van deze van het lijnzaad benaderen en moeilijk kunnen verwijderd worden tijdens de triage.
(c) Normen enkel van toepassing in geval van aanwijzingen voor vermenging.
5.4.3. Gezondheidstoestand van de teelt.
De teelten met een onvoldoende gezondheidstoestand worden geweigerd.
5.5. Oogst- en transportmodaliteiten.
5.5.1. Algemeen.
Alvorens te transporteren dient een tweede veldkeuring uitgevoerd te worden teneinde de algemene toestand bij afrijping te onderzoeken. Hierbij let de keurmeester vooral op de kwaliteit van de zaaddoosjes.
Indien hij twijfels heeft omtrent de raszuiverheid neemt hij een monster van de zaaddoosjes voor onderzoek van de beharing van de valse tussenschotten. In afwachting van de uitslag van deze analyse dient de partij afzonderlijk te worden opgeslagen.
De inschrijvingsnemer moet alvorens te transporteren nagaan of de tweede veldkeuring heeft plaatsgehad. Indien de inschrijvingsnemer wenst te transporteren vóór 10 augustus, moet hij zelf deze tweede veldkeuring aanvragen en dit ten minste 24 uur vóór het transport.
Voor de percelen waarvoor geen dergelijke aanvraag is ontvangen op de Dienst, wordt de tweede veldkeuring uitgevoerd op een tijdstip bepaald door de Dienst maar vóór 10 augustus.
Indien het resultaat van de tweede veldkeuring gunstig is, wordt een vervoermachtiging opgesteld welke geldig is tot 10 september.
De inschrijvingsnemer dient aan de Dienst te bevestigen dat het transport heeft plaats gevonden.
Percelen waarvoor de inschrijvingsnemer vóór 10 september de Dienst niet op de hoogte heeft gebracht van het transport worden beschouwd als teruggetrokken tenzij de inschrijvingsnemer een nieuwe veldkeuring aanvraagt. Bij een gunstige uitslag van deze keuring wordt de geldigheidsdatum van de vervoermachtiging aangepast.
De bovenvermelde data kunnen door de Dienst gewijzigd worden (oa in functie van de weersomstandigheden).
De Dienst levert de nodige identificatie-etiketten af aan de, door de inschrijvingsnemer aangeduide, verantwoordelijke voor het aanbrengen van deze etiketten. Bij voorkeur worden deze etiketten op het veld aangebracht. In ieder geval moeten zij bij het bergen in de magazijnen aangebracht zijn.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Binnenlands transport.
(A) Strovlas.
Er worden voldoende etiketten afgeleverd voor de identificatie van de balen.
De personen aangeduid door de inschrijvingsnemer zijn verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de balen of aan de bussels (indien geen balen worden gevormd).
Samenvoegingen van partijen zijn enkel toegelaten indien elke afzonderlijke baal of verpakkingseenheid voorzien is van een individueel identificatie-etiket.
Er wordt één vervoermachtiging per perceel afgeleverd.
Voor vrije teelten dateert en ondertekent de vermeerderaar de vervoermachtiging bij vertrek van de laatste lading van het perceel.
De weging gebeurt per vracht of steekproefsgewijs per baal.
(B) Te velde ontzaad (= geëcapsuleerd) vlas (zaaddoosjes blijven behouden).
Voor elke transporteenheid (verpakking) wordt een identificatie-etiket afgeleverd.
De stockeerder is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de verpakkingen.,Er wordt één vervoermachtiging afgeleverd per perceel.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
De weging gebeurt per vracht.
Transport kan enkel gebeuren naar een erkende repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
(C) Op het veld gedorst vlaszaad (zonder zaaddoosjes).
De keurmeester belast met het toezicht is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de identificatie-etiketten. Een monster wordt genomen voor uitzaai op het controleveld.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
Elke verpakkingseenheid wordt geëtiketteerd.
Er wordt een vervoermachtiging afgeleverd per vracht.
De weging gebeurt per vracht.
5.5.2.2. Grensoverschrijdend transport.
Elke vracht is gedekt door het document voor het transport van niet definitief goedgekeurd zaad (internationaal geleidebiljet). Transport kan enkel mits goedkeuring van de bevoegde certificeringdiensten die de repelaars-stockeerders of handelaars-bereiders erkend hebben.
Voor binnen te brengen of in te voeren partijen dient de Dienst 24 uur op voorhand op de hoogte gebracht te worden.
Elke baal of verpakkingseenheid is geïdentificeerd.
Elke vracht is gewogen.
5.6. Inontvangstname.
Vóór de aanvang van het oogstseizoen dient de repelaar-stockeerder aangifte te doen van alle overjaarse partijen strovlas die nog in zijn magazijnen aanwezig zijn, met aanduiding van hun ligging op een situatieschets.
De inontvangstneming van het geoogste product gebeurt bij de inschrijvingsnemer of, mits schriftelijke toelating van deze laatste, bij een repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
In geval van strovlas legt hij voor elk magazijn eveneens een situatieschets aan met de ligging van elke partij.
De repelaar-stockeerder houdt daarenboven een magazijnboek bij waarin elke binnenkomende en uitgaande waar, dag na dag, wordt opgetekend volgens aanduidingen van de Dienst. De Dienst kan een repelproef instellen (steekproefsgewijs). Deze proef heeft tot doel het vaststellen van het brutogewicht aan zaad dat uit een partij kan worden bekomen. In geval van abnormaal hoge gewichten welke te wijten zijn aan ongeoorloofde bijmengingen wordt de erkenning van de betrokken repelaar-stockeerder ingetrokken.
De vervoermachtiging die het bruto-zaad vergezelt, wordt aan de keurmeester bevoegd voor de controle van de inontvangstneming voorgelegd, samen met de weegdocumenten.
Na het afrepelen wordt een monster genomen voor het controleveld, wordt er een repelverslag opgemaakt en pas nadien mag het bruto-zaad vervoerd worden naar de handelaar-bereider.
De handelaar-bereider noteert op een steekkaart de aan- en afvoer van bruto-zaden.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 5N3. (VLAAMSE OVERHEID)
5. Controle van de teelten en inontvangstname van de bruto-partijen.
5.1. Aantal en tijdstip van de veldkeuringen.
Het aantal veldkeuringen bedraagt ten minste 2 voor alle categorieën :
(a). de eerste veldkeuring vindt plaats bij de bloei;
(b). de tweede veldkeuring grijpt plaats na afrijping en kort vóór het transport.
De stand van de teelt en het ontwikkelingsstadium moeten een doeltreffend onderzoek mogelijk maken.
5.2. Buurschap.
De teelten moeten voldoende verwijderd zijn van elke stuifmeelbron die een ongewenste kruisbestuiving zou kunnen teweegbrengen.
De minimumafstanden tot in de buurt liggende vlaspercelen zijn voor :
- Prebasiszaad : 20 m;
- Basiszaad : 10 m;
- Gecertificeerd zaad : 0,5 m;
Voor prebasis- en basiszaad kan de afstand teruggebracht worden tot 0,5 m op voorwaarde dat bij het oogsten het product, afkomstig van een strook met een breedte gelijk aan de hierboven aangegeven minimum afstand, wordt verwijderd.
5.3. Scheiding.
Elk ingeschreven perceel dient van elk naburig perceel gescheiden te zijn door een vrije ruimte van ten minste 0,5 m, tenzij er geen mechanische menging mogelijk is op het ogenblik van de oogst.
5.4. Soort- en Raszuiverheid.
De keurmeester onderzoekt of de teelt in zijn geheel behoort tot het ingeschreven ras, voldoende homogeen is en of het onkruid niet te talrijk is.
5.4.1. Tellingsmethode.
5.4.1.1. Soortonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de soortzuiverheid verricht de keurmeester :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
5.4.1.2. Rasonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de raszuiverheid verricht de keurmeester :
- voor wat de bloeikleur betreft :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
- voor wat de andere kenmerken betreft, namelijk :
- de stippeling van de kelkbladeren,
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes,
- deze door (de bevoegde entiteit) te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken,
is het aantal te observeren planten afhankelijk van de te produceren categorie en klasse en vermeld in tabel 2. Dit dient enkel te gebeuren indien er aanwijzingen zijn voor vermenging.
5.4.2. Veldkeuringsnormen.
Tabel 2.
De aanwezigheid van Orobanche spp. en van Cuscuta spp. brengt de weigering mee.
(b) Voor de categorie gecertificeerd zaad wordt alleen rekening gehouden met de soorten waarvan het zaad de afmetingen van deze van het lijnzaad benaderen en moeilijk kunnen verwijderd worden tijdens de triage.
(c) Normen enkel van toepassing in geval van aanwijzingen voor vermenging.
5.4.3. Gezondheidstoestand van de teelt.
De teelten met een onvoldoende gezondheidstoestand worden geweigerd.
5.5. Oogst- en transportmodaliteiten.
5.5.1. Algemeen.
Alvorens te transporteren dient een tweede veldkeuring uitgevoerd te worden teneinde de algemene toestand bij afrijping te onderzoeken. Hierbij let de keurmeester vooral op de kwaliteit van de zaaddoosjes.
Indien hij twijfels heeft omtrent de raszuiverheid neemt hij een monster van de zaaddoosjes voor onderzoek van de beharing van de valse tussenschotten. In afwachting van de uitslag van deze analyse dient de partij afzonderlijk te worden opgeslagen.
De inschrijvingsnemer moet alvorens te transporteren nagaan of de tweede veldkeuring heeft plaatsgehad. Indien de inschrijvingsnemer wenst te transporteren vóór 10 augustus, moet hij zelf deze tweede veldkeuring aanvragen en dit ten minste 24 uur vóór het transport.
Voor de percelen waarvoor geen dergelijke aanvraag is ontvangen op de Dienst, wordt de tweede veldkeuring uitgevoerd op een tijdstip bepaald door de Dienst maar vóór 10 augustus.
Indien het resultaat van de tweede veldkeuring gunstig is, wordt een vervoermachtiging opgesteld welke geldig is tot 10 september.
De inschrijvingsnemer dient aan de Dienst te bevestigen dat het transport heeft plaats gevonden.
Percelen waarvoor de inschrijvingsnemer vóór 10 september de Dienst niet op de hoogte heeft gebracht van het transport worden beschouwd als teruggetrokken tenzij de inschrijvingsnemer een nieuwe veldkeuring aanvraagt. Bij een gunstige uitslag van deze keuring wordt de geldigheidsdatum van de vervoermachtiging aangepast.
De bovenvermelde data kunnen door de Dienst gewijzigd worden (oa in functie van de weersomstandigheden).
De Dienst levert de nodige identificatie-etiketten af aan de, door de inschrijvingsnemer aangeduide, verantwoordelijke voor het aanbrengen van deze etiketten. Bij voorkeur worden deze etiketten op het veld aangebracht. In ieder geval moeten zij bij het bergen in de magazijnen aangebracht zijn.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Binnenlands transport.
(A) Strovlas.
Er worden voldoende etiketten afgeleverd voor de identificatie van de balen.
De personen aangeduid door de inschrijvingsnemer zijn verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de balen of aan de bussels (indien geen balen worden gevormd).
Samenvoegingen van partijen zijn enkel toegelaten indien elke afzonderlijke baal of verpakkingseenheid voorzien is van een individueel identificatie-etiket.
Er wordt één vervoermachtiging per perceel afgeleverd.
Voor vrije teelten dateert en ondertekent de vermeerderaar de vervoermachtiging bij vertrek van de laatste lading van het perceel.
De weging gebeurt per vracht of steekproefsgewijs per baal.
(B) Te velde ontzaad (= geëcapsuleerd) vlas (zaaddoosjes blijven behouden).
Voor elke transporteenheid (verpakking) wordt een identificatie-etiket afgeleverd.
De stockeerder is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de verpakkingen.,Er wordt één vervoermachtiging afgeleverd per perceel.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
De weging gebeurt per vracht.
Transport kan enkel gebeuren naar een erkende repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
(C) Op het veld gedorst vlaszaad (zonder zaaddoosjes).
De keurmeester belast met het toezicht is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de identificatie-etiketten. Een monster wordt genomen voor uitzaai op het controleveld.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
Elke verpakkingseenheid wordt geëtiketteerd.
Er wordt een vervoermachtiging afgeleverd per vracht.
De weging gebeurt per vracht.
5.5.2.2. Grensoverschrijdend transport.
Elke vracht is gedekt door het document voor het transport van niet definitief goedgekeurd zaad (internationaal geleidebiljet). Transport kan enkel mits goedkeuring van de bevoegde certificeringdiensten die de repelaars-stockeerders of handelaars-bereiders erkend hebben.
Voor binnen te brengen of in te voeren partijen dient de Dienst 24 uur op voorhand op de hoogte gebracht te worden.
Elke baal of verpakkingseenheid is geïdentificeerd.
Elke vracht is gewogen.
5.6. Inontvangstname.
Vóór de aanvang van het oogstseizoen dient de repelaar-stockeerder aangifte te doen van alle overjaarse partijen strovlas die nog in zijn magazijnen aanwezig zijn, met aanduiding van hun ligging op een situatieschets.
De inontvangstneming van het geoogste product gebeurt bij de inschrijvingsnemer of, mits schriftelijke toelating van deze laatste, bij een repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
In geval van strovlas legt hij voor elk magazijn eveneens een situatieschets aan met de ligging van elke partij.
De repelaar-stockeerder houdt daarenboven een magazijnboek bij waarin elke binnenkomende en uitgaande waar, dag na dag, wordt opgetekend volgens aanduidingen van de Dienst. De Dienst kan een repelproef instellen (steekproefsgewijs). Deze proef heeft tot doel het vaststellen van het brutogewicht aan zaad dat uit een partij kan worden bekomen. In geval van abnormaal hoge gewichten welke te wijten zijn aan ongeoorloofde bijmengingen wordt de erkenning van de betrokken repelaar-stockeerder ingetrokken.
De vervoermachtiging die het bruto-zaad vergezelt, wordt aan de keurmeester bevoegd voor de controle van de inontvangstneming voorgelegd, samen met de weegdocumenten.
Na het afrepelen wordt een monster genomen voor het controleveld, wordt er een repelverslag opgemaakt en pas nadien mag het bruto-zaad vervoerd worden naar de handelaar-bereider.
De handelaar-bereider noteert op een steekkaart de aan- en afvoer van bruto-zaden.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 5N3. (VLAAMSE OVERHEID)
5. Controle van de teelten en inontvangstname van de bruto-partijen.
5.1. Aantal en tijdstip van de veldkeuringen.
Het aantal veldkeuringen bedraagt ten minste 2 voor alle categorieën :
(a). de eerste veldkeuring vindt plaats bij de bloei;
(b). de tweede veldkeuring grijpt plaats na afrijping en kort vóór het transport.
De stand van de teelt en het ontwikkelingsstadium moeten een doeltreffend onderzoek mogelijk maken.
5.2. Buurschap.
De teelten moeten voldoende verwijderd zijn van elke stuifmeelbron die een ongewenste kruisbestuiving zou kunnen teweegbrengen.
De minimumafstanden tot in de buurt liggende vlaspercelen zijn voor :
- Prebasiszaad : 20 m;
- Basiszaad : 10 m;
- Gecertificeerd zaad : 0,5 m;
Voor prebasis- en basiszaad kan de afstand teruggebracht worden tot 0,5 m op voorwaarde dat bij het oogsten het product, afkomstig van een strook met een breedte gelijk aan de hierboven aangegeven minimum afstand, wordt verwijderd.
5.3. Scheiding.
Elk ingeschreven perceel dient van elk naburig perceel gescheiden te zijn door een vrije ruimte van ten minste 0,5 m, tenzij er geen mechanische menging mogelijk is op het ogenblik van de oogst.
5.4. Soort- en Raszuiverheid.
De keurmeester onderzoekt of de teelt in zijn geheel behoort tot het ingeschreven ras, voldoende homogeen is en of het onkruid niet te talrijk is.
5.4.1. Tellingsmethode.
5.4.1.1. Soortonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de soortzuiverheid verricht de keurmeester :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
5.4.1.2. Rasonzuiverheden.
Om te controleren of het perceel voldoet aan de veldkeuringsnormen (tabel 2) voor de raszuiverheid verricht de keurmeester :
- voor wat de bloeikleur betreft :
minimum 4 tellingen per hectare, elke telling beslaat een oppervlakte van 10 m2, telkens willekeurig gekozen in de teelt.
Gemiddelde x 10 = X/are.
- voor wat de andere kenmerken betreft, namelijk :
- de stippeling van de kelkbladeren,
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes,
- deze door (de bevoegde entiteit) te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken,
is het aantal te observeren planten afhankelijk van de te produceren categorie en klasse en vermeld in tabel 2. Dit dient enkel te gebeuren indien er aanwijzingen zijn voor vermenging.
5.4.2. Veldkeuringsnormen.
Tabel 2.
(a) Le nombre d'impuretés est indiqué sur le rapport de contrôle sur pied.
La présence de Orobanche spp. et de Cuscuta spp. entraîne le refus.
(b) Pour la catégorie semences certifiées, il ne sera tenu compte que des espèces dont les semences sont de dimensions proches à celles des semences de lin et qui sont par conséquent difficiles à écarter lors du triage.
(c) Normes d'application uniquement en cas d'indication de mélange.
5.4.3. Etat sanitaire de la culture.
Les cultures dont l'état sanitaire est insatisfaisant sont refusées.
5.5. Modalités de récolte et de transport.
5.5.1. Géneralités.
Avant le transport un deuxième contrôle sur pied doit être effectué pour examiner l'état général à la maturation. L'inspecteur fait principalement attention à la qualité des capsules.
S'il a des doutes quant à la pureté variétale il prélève un échantillon de capsules pour un examen de la ciliation des fausses parois. Dans l'attente du résultat de l'analyse le lot doit être stocke séparément.
Avant de procéder au transport, le preneur d'inscription doit s'assurer que le deuxième contrôle sur pied a effectivement eu lieu. Si le preneur d'inscription désire effectuer le transport avant le 10 août, il doit demander lui-même ce deuxième contrôle sur pied et ceci au moins 24 heures avant le transport.
Pour les parcelles pour lesquelles cette demande n'a pas été réceptionnée, le deuxième contrôle sur pied sera exécuté à un moment défini par le Service mais avant le 10 août.
Quand le résultat, de ce deuxième contrôle sur pied, est favorable, une autorisation de transport est délivrée. Cette autorisation de transport est valable jusqu'au 10 septembre.
Le preneur d'inscription doit confirmer auprès du Service que le transport a eu lieu.
Les parcelles pour lesquelles le transport n'a pas été communiqué au Service par le preneur d'inscription avant le 10 septembre sont considérées comme retirées du contrôle à moins que le preneur d'inscription ne demande un nouveau contrôle sur pied. Si le résultat de ce contrôle est positif la date de validité de l'autorisation de transport est ajustée.
Les dates indiquees ci-dessus peuvent être modifiées par le Service (ea en fonction des conditions climatiques).
Le Service fournit les étiquettes d'identification nécessaires à la personne désignée par le preneur d'inscription comme responsable de leur mise en place. De preférence ces étiquettes sont mises en place au champ. Dans tous les cas elles doivent être apposées au moment du rangement dans les magasins.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Transport intérieur.
(A) Lin non égrené.
Les étiquettes pour l'identification des ballots sont fournies en nombre suffisant.
Les personnes désignées par le preneur d'inscription sont responsables pour la fixation des étiquettes aux ballots ou aux gerbes (en l'absence de ballots).
Les groupages de lots ne sont autorisés que si chaque ballot ou unite d'emballage est muni d'une étiquette d'identification individuelle.
Une seule autorisation de transport est délivrée par parcelle.
Pour les cultures libres, le multiplicateur date et signe l'autorisation de transport au départ du dernier chargement.
La pesée se fait par chargement ou par sondage par ballot.
(B) Lin écapsulé sur le champ (capsules restant entières).
Pour chaque unité de transport (emballage) une étiquette d'identification est délivrée.
Le stockiste est responsable de la fixation des étiquettes aux emballages.
Il est délivré une autorisation de transport par parcelle.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales pour les mélanges des semences brutes.
La pesée se fait par chargement.
Le transport ne peut se faire que vers un égreneur-stockiste agréé ou négociant-préparateur agréé.
(C) Lin égrené sur le champ (sans capsules).
L'inspecteur chargé du contrôle est responsable de l'application des étiquettes d'identification. Un échantillon destiné au champ de contrôle est prélevé.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales concernant les mélanges des semences brutes.
Chaque unité d'emballage est étiquetée.
Il est délivré une autorisation de transport par chargement.
La pesée se fait par chargement.
5.5.2.2. Transport transfrontalier.
Tout chargement est couvert par un document de transport de semences pas encore certifiées définitivement (laissez-passer international). Le transport ne peut se faire qu'avec l'autorisation de l'instance de certification mandatée qui a agréé les égreneurs-stockistes ou les negociants-préparateurs. Pour des lots à introduire ou importer le Service doit être averti au moins 24 heures à l'avance.
Chaque ballot ou unité d'emballage est identifié.
Chaque chargement est pesé.
5.6. Réception.
Avant le début de la saison de récolte l'égreneur-stockiste doit déclarer tous les lots surannés qui se trouvent encore dans ses magasins en indiquant leur position sur un plan de situation.
La réception du produit récolté se fait chez le preneur d'inscription ou, moyennant autorisation écrite de ce dernier, chez un égreneur-stockiste ou un négociant-préparateur.
En cas de lin non égrené un plan de situation, avec la position de chaque lot, est dressé pour chaque magasin.
L'égreneur-stockiste tient en outre un livre de magasin dans lequel tout lot entrant et sortant est enregistré au jour le jour, selon les indications du Service. Le Service peut organiser un contrôle à l'égrenage (par sondage). Ce contrôle a pour but de déterminer la quantité de semences brutes qu'un lot déterminé peut produire. Quand des poids excessifs, dus à des ajouts non autorisés, sont constatés l'agrément de l'égreneur-stockiste concerné est retiré.
L'autorisation de transport accompagnant la semence brute est presentée à l'inspecteur chargé du contrôle de la réception, en même temps que les documents de pesée.
Après l'égrenage, un échantillon est prélevé pour le champ de contrôle, un rapport d'égrenage est dressé et, uniquement à partir de ce moment là, la semence brute peut être transportée vers le négociant-préparateur.
Le négociant-préparateur note sur une fiche tout arrivée ou départ de semences brutes.
++++++++++
COMMUNAUTES ET REGIONS
======================
Art. 5N3. (AUTORITE FLAMANDE)
5. Contrôle des cultures et de la réception des lots bruts.
5.1. Nombre et époque des contrôles sur pied.
Le nombre de contrôles sur pied est de 2 au minimum pour toutes les catégories :
(a). le premier contrôle a lieu au moment de la floraison;
(b). le second contrôle a lieu à la maturation et peu avant le transport.
L'état de la culture et le stade de développement doivent permettre un examen satisfaisant.
5.2. Isolement.
Les cultures doivent être distantes de toute source de pollen, pouvant provoquer une pollinisation croisée indésirable.
Les distances minimales par rapport à des parcelles de lin environnantes sont pour :
- les semences de prébase : 20 m;
- les semences de base : 10 m;
- les semences certifiées : 0,5 m.
Pour les semences de prébase et de base la distance peut être ramenée à 0,5 m à condition qu'à la récolte le produit provenant d'une bande d'une largeur égale à la distance minimale mentionnée ci dessus est écarté.
5.3. Séparation.
Chaque parcelle inscrite doit être séparée de toute parcelle avoisinante par une bande libre d'au moins 0,5 m, à moins qu'il n'existe aucun risque de mélange mécanique au moment de la récolte.
5.4. Pureté d'espèce et pureté variétale.
L'inspecteur examine si la culture appartient dans l'ensemble à la variété inscrite, si elle est suffisamment homogène et si le nombre d'adventices n'est pas trop important.
5.4.1. Méthode de comptage.
5.4.1.1. Impuretés d'espèce.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté d'espèce, l'inspecteur effectue :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
5.4.1.2. Impuretés variétales.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté variétale l'inspecteur effectue :
- pour ce qui concerne la couleur des fleurs :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
- pour ce qui concerne les autres caracteristiques, notamment :
- la moucheture des sépales,
- la ciliation des fausses parois des capsules,
- celles à déterminer par (l'entité compétente) sur base des caractères spécifiques variétaux,
le nombre des plantes à observer est fonction de la catégorie et de la classe à produire et est mentionné au tableau 2. Ceci doit uniquement être réalisé s'il y a des indications de melange.
5.4.2. Normes des contrôles sur pied.
Tableau 2.
La présence de Orobanche spp. et de Cuscuta spp. entraîne le refus.
(b) Pour la catégorie semences certifiées, il ne sera tenu compte que des espèces dont les semences sont de dimensions proches à celles des semences de lin et qui sont par conséquent difficiles à écarter lors du triage.
(c) Normes d'application uniquement en cas d'indication de mélange.
5.4.3. Etat sanitaire de la culture.
Les cultures dont l'état sanitaire est insatisfaisant sont refusées.
5.5. Modalités de récolte et de transport.
5.5.1. Géneralités.
Avant le transport un deuxième contrôle sur pied doit être effectué pour examiner l'état général à la maturation. L'inspecteur fait principalement attention à la qualité des capsules.
S'il a des doutes quant à la pureté variétale il prélève un échantillon de capsules pour un examen de la ciliation des fausses parois. Dans l'attente du résultat de l'analyse le lot doit être stocke séparément.
Avant de procéder au transport, le preneur d'inscription doit s'assurer que le deuxième contrôle sur pied a effectivement eu lieu. Si le preneur d'inscription désire effectuer le transport avant le 10 août, il doit demander lui-même ce deuxième contrôle sur pied et ceci au moins 24 heures avant le transport.
Pour les parcelles pour lesquelles cette demande n'a pas été réceptionnée, le deuxième contrôle sur pied sera exécuté à un moment défini par le Service mais avant le 10 août.
Quand le résultat, de ce deuxième contrôle sur pied, est favorable, une autorisation de transport est délivrée. Cette autorisation de transport est valable jusqu'au 10 septembre.
Le preneur d'inscription doit confirmer auprès du Service que le transport a eu lieu.
Les parcelles pour lesquelles le transport n'a pas été communiqué au Service par le preneur d'inscription avant le 10 septembre sont considérées comme retirées du contrôle à moins que le preneur d'inscription ne demande un nouveau contrôle sur pied. Si le résultat de ce contrôle est positif la date de validité de l'autorisation de transport est ajustée.
Les dates indiquees ci-dessus peuvent être modifiées par le Service (ea en fonction des conditions climatiques).
Le Service fournit les étiquettes d'identification nécessaires à la personne désignée par le preneur d'inscription comme responsable de leur mise en place. De preférence ces étiquettes sont mises en place au champ. Dans tous les cas elles doivent être apposées au moment du rangement dans les magasins.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Transport intérieur.
(A) Lin non égrené.
Les étiquettes pour l'identification des ballots sont fournies en nombre suffisant.
Les personnes désignées par le preneur d'inscription sont responsables pour la fixation des étiquettes aux ballots ou aux gerbes (en l'absence de ballots).
Les groupages de lots ne sont autorisés que si chaque ballot ou unite d'emballage est muni d'une étiquette d'identification individuelle.
Une seule autorisation de transport est délivrée par parcelle.
Pour les cultures libres, le multiplicateur date et signe l'autorisation de transport au départ du dernier chargement.
La pesée se fait par chargement ou par sondage par ballot.
(B) Lin écapsulé sur le champ (capsules restant entières).
Pour chaque unité de transport (emballage) une étiquette d'identification est délivrée.
Le stockiste est responsable de la fixation des étiquettes aux emballages.
Il est délivré une autorisation de transport par parcelle.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales pour les mélanges des semences brutes.
La pesée se fait par chargement.
Le transport ne peut se faire que vers un égreneur-stockiste agréé ou négociant-préparateur agréé.
(C) Lin égrené sur le champ (sans capsules).
L'inspecteur chargé du contrôle est responsable de l'application des étiquettes d'identification. Un échantillon destiné au champ de contrôle est prélevé.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales concernant les mélanges des semences brutes.
Chaque unité d'emballage est étiquetée.
Il est délivré une autorisation de transport par chargement.
La pesée se fait par chargement.
5.5.2.2. Transport transfrontalier.
Tout chargement est couvert par un document de transport de semences pas encore certifiées définitivement (laissez-passer international). Le transport ne peut se faire qu'avec l'autorisation de l'instance de certification mandatée qui a agréé les égreneurs-stockistes ou les negociants-préparateurs. Pour des lots à introduire ou importer le Service doit être averti au moins 24 heures à l'avance.
Chaque ballot ou unité d'emballage est identifié.
Chaque chargement est pesé.
5.6. Réception.
Avant le début de la saison de récolte l'égreneur-stockiste doit déclarer tous les lots surannés qui se trouvent encore dans ses magasins en indiquant leur position sur un plan de situation.
La réception du produit récolté se fait chez le preneur d'inscription ou, moyennant autorisation écrite de ce dernier, chez un égreneur-stockiste ou un négociant-préparateur.
En cas de lin non égrené un plan de situation, avec la position de chaque lot, est dressé pour chaque magasin.
L'égreneur-stockiste tient en outre un livre de magasin dans lequel tout lot entrant et sortant est enregistré au jour le jour, selon les indications du Service. Le Service peut organiser un contrôle à l'égrenage (par sondage). Ce contrôle a pour but de déterminer la quantité de semences brutes qu'un lot déterminé peut produire. Quand des poids excessifs, dus à des ajouts non autorisés, sont constatés l'agrément de l'égreneur-stockiste concerné est retiré.
L'autorisation de transport accompagnant la semence brute est presentée à l'inspecteur chargé du contrôle de la réception, en même temps que les documents de pesée.
Après l'égrenage, un échantillon est prélevé pour le champ de contrôle, un rapport d'égrenage est dressé et, uniquement à partir de ce moment là, la semence brute peut être transportée vers le négociant-préparateur.
Le négociant-préparateur note sur une fiche tout arrivée ou départ de semences brutes.
++++++++++
COMMUNAUTES ET REGIONS
======================
Art. 5N3. (AUTORITE FLAMANDE)
5. Contrôle des cultures et de la réception des lots bruts.
5.1. Nombre et époque des contrôles sur pied.
Le nombre de contrôles sur pied est de 2 au minimum pour toutes les catégories :
(a). le premier contrôle a lieu au moment de la floraison;
(b). le second contrôle a lieu à la maturation et peu avant le transport.
L'état de la culture et le stade de développement doivent permettre un examen satisfaisant.
5.2. Isolement.
Les cultures doivent être distantes de toute source de pollen, pouvant provoquer une pollinisation croisée indésirable.
Les distances minimales par rapport à des parcelles de lin environnantes sont pour :
- les semences de prébase : 20 m;
- les semences de base : 10 m;
- les semences certifiées : 0,5 m.
Pour les semences de prébase et de base la distance peut être ramenée à 0,5 m à condition qu'à la récolte le produit provenant d'une bande d'une largeur égale à la distance minimale mentionnée ci dessus est écarté.
5.3. Séparation.
Chaque parcelle inscrite doit être séparée de toute parcelle avoisinante par une bande libre d'au moins 0,5 m, à moins qu'il n'existe aucun risque de mélange mécanique au moment de la récolte.
5.4. Pureté d'espèce et pureté variétale.
L'inspecteur examine si la culture appartient dans l'ensemble à la variété inscrite, si elle est suffisamment homogène et si le nombre d'adventices n'est pas trop important.
5.4.1. Méthode de comptage.
5.4.1.1. Impuretés d'espèce.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté d'espèce, l'inspecteur effectue :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
5.4.1.2. Impuretés variétales.
Pour contrôler si la parcelle répond aux normes de contrôle sur pied (tableau 2) pour la pureté variétale l'inspecteur effectue :
- pour ce qui concerne la couleur des fleurs :
minimum 4 comptages par ha, chaque comptage couvrant une surface, choisie au hasard dans la culture, de 10 m2.
Moyenne x 10 = X/are.
- pour ce qui concerne les autres caracteristiques, notamment :
- la moucheture des sépales,
- la ciliation des fausses parois des capsules,
- celles à déterminer par (l'entité compétente) sur base des caractères spécifiques variétaux,
le nombre des plantes à observer est fonction de la catégorie et de la classe à produire et est mentionné au tableau 2. Ceci doit uniquement être réalisé s'il y a des indications de melange.
5.4.2. Normes des contrôles sur pied.
Tableau 2.
Soortonzuiverheden Rasonzuiverheden (a)
(a)
Te produceren klasse Aantal pl. van Andere Andere kenmerken (c)
vreemde soorten bloeikleur
per are Andere pl. Andere pl. Tolerantie
per are te
observeren
Prebasiszaad 3 5 3 000 9
Basiszaad E2 3 5 2 000 6
Basiszaad E3 3 5 1 000 3
Gecertificeerd zaad
1e vermeerdering R1 5 (b) 20 200 4
2e vermeerdering R2 5 (b) 50 200 5
3e vermeerdering R3 5 (b) 100 100 2,5
(a)
Te produceren klasse Aantal pl. van Andere Andere kenmerken (c)
vreemde soorten bloeikleur
per are Andere pl. Andere pl. Tolerantie
per are te
observeren
Prebasiszaad 3 5 3 000 9
Basiszaad E2 3 5 2 000 6
Basiszaad E3 3 5 1 000 3
Gecertificeerd zaad
1e vermeerdering R1 5 (b) 20 200 4
2e vermeerdering R2 5 (b) 50 200 5
3e vermeerdering R3 5 (b) 100 100 2,5
Classes a produire Impuretes Impuretes varietales (a)
d'especes (a) Autre couleur Autres
florale caracteristiques
Nbre de plantes Nbre de Nbre de Tolerance
d'especes plantes plantes a
etrangeres par are observer
par are
Semences de prebase 3 5 3 000 9
Semences de base E2 3 5 2 000 6
Semences de base E3 3 5 1 000 3
Semences certifiees
1er reproduction (R1) 5 (b) 20 200 4
2e reproduction (R2) 5 (b) 50 200 5
3e reproduction (R3) 5 (b) 100 100 2,5
d'especes (a) Autre couleur Autres
florale caracteristiques
Nbre de plantes Nbre de Nbre de Tolerance
d'especes plantes plantes a
etrangeres par are observer
par are
Semences de prebase 3 5 3 000 9
Semences de base E2 3 5 2 000 6
Semences de base E3 3 5 1 000 3
Semences certifiees
1er reproduction (R1) 5 (b) 20 200 4
2e reproduction (R2) 5 (b) 50 200 5
3e reproduction (R3) 5 (b) 100 100 2,5
(a) Het aantal onzuiverheden wordt opgetekend op het veldkeuringsverslag.
De aanwezigheid van Orobanche spp. en van Cuscuta spp. brengt de weigering mee.
(b) Voor de categorie gecertificeerd zaad wordt alleen rekening gehouden met de soorten waarvan het zaad de afmetingen van deze van het lijnzaad benaderen en moeilijk kunnen verwijderd worden tijdens de triage.
(c) Normen enkel van toepassing in geval van aanwijzingen voor vermenging.
5.4.3. Gezondheidstoestand van de teelt.
De teelten met een onvoldoende gezondheidstoestand worden geweigerd.
5.5. Oogst- en transportmodaliteiten.
5.5.1. Algemeen.
Alvorens te transporteren dient een tweede veldkeuring uitgevoerd te worden teneinde de algemene toestand bij afrijping te onderzoeken. Hierbij let de keurmeester vooral op de kwaliteit van de zaaddoosjes.
Indien hij twijfels heeft omtrent de raszuiverheid neemt hij een monster van de zaaddoosjes voor onderzoek van de beharing van de valse tussenschotten. In afwachting van de uitslag van deze analyse dient de partij afzonderlijk te worden opgeslagen.
De inschrijvingsnemer moet alvorens te transporteren nagaan of de tweede veldkeuring heeft plaatsgehad. Indien de inschrijvingsnemer wenst te transporteren vóór 10 augustus, moet hij zelf deze tweede veldkeuring aanvragen en dit ten minste 24 uur vóór het transport.
Voor de percelen waarvoor geen dergelijke aanvraag is ontvangen op (de bevoegde entiteit), wordt de tweede veldkeuring uitgevoerd op een tijdstip bepaald door (de bevoegde entiteit) maar vóór 10 augustus.
Indien het resultaat van de tweede veldkeuring gunstig is, wordt een vervoermachtiging opgesteld welke geldig is tot 10 september.
De inschrijvingsnemer dient aan (de bevoegde entiteit) te bevestigen dat het transport heeft plaats gevonden.
Percelen waarvoor de inschrijvingsnemer vóór 10 september (de bevoegde entiteit) niet op de hoogte heeft gebracht van het transport worden beschouwd als teruggetrokken tenzij de inschrijvingsnemer een nieuwe veldkeuring aanvraagt. Bij een gunstige uitslag van deze keuring wordt de geldigheidsdatum van de vervoermachtiging aangepast.
De bovenvermelde data kunnen door (de bevoegde entiteit) gewijzigd worden (oa in functie van de weersomstandigheden).
(De bevoegde entiteit) levert de nodige identificatie-etiketten af aan de, door de inschrijvingsnemer aangeduide, verantwoordelijke voor het aanbrengen van deze etiketten. Bij voorkeur worden deze etiketten op het veld aangebracht. In ieder geval moeten zij bij het bergen in de magazijnen aangebracht zijn.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Binnenlands transport.
(A) Strovlas.
Er worden voldoende etiketten afgeleverd voor de identificatie van de balen.
De personen aangeduid door de inschrijvingsnemer zijn verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de balen of aan de bussels (indien geen balen worden gevormd).
Samenvoegingen van partijen zijn enkel toegelaten indien elke afzonderlijke baal of verpakkingseenheid voorzien is van een individueel identificatie-etiket.
Er wordt één vervoermachtiging per perceel afgeleverd.
Voor vrije teelten dateert en ondertekent de vermeerderaar de vervoermachtiging bij vertrek van de laatste lading van het perceel.
De weging gebeurt per vracht of steekproefsgewijs per baal.
(B) Te velde ontzaad (= geëcapsuleerd) vlas (zaaddoosjes blijven behouden).
Voor elke transporteenheid (verpakking) wordt een identificatie-etiket afgeleverd.
De stockeerder is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de verpakkingen.,Er wordt één vervoermachtiging afgeleverd per perceel.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
De weging gebeurt per vracht.
Transport kan enkel gebeuren naar een erkende repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
(C) Op het veld gedorst vlaszaad (zonder zaaddoosjes).
De keurmeester belast met het toezicht is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de identificatie-etiketten. Een monster wordt genomen voor uitzaai op het controleveld.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
Elke verpakkingseenheid wordt geëtiketteerd.
Er wordt een vervoermachtiging afgeleverd per vracht.
De weging gebeurt per vracht.
5.5.2.2. Grensoverschrijdend transport.
Elke vracht is gedekt door het document voor het transport van niet definitief goedgekeurd zaad (internationaal geleidebiljet). Transport kan enkel mits goedkeuring van de bevoegde certificeringdiensten die de repelaars-stockeerders of handelaars-bereiders erkend hebben.
Voor binnen te brengen of in te voeren partijen dient (de bevoegde entiteit) 24 uur op voorhand op de hoogte gebracht te worden.
Elke baal of verpakkingseenheid is geïdentificeerd.
Elke vracht is gewogen.
5.6. Inontvangstname.
Vóór de aanvang van het oogstseizoen dient de repelaar-stockeerder aangifte te doen van alle overjaarse partijen strovlas die nog in zijn magazijnen aanwezig zijn, met aanduiding van hun ligging op een situatieschets.
De inontvangstneming van het geoogste product gebeurt bij de inschrijvingsnemer of, mits schriftelijke toelating van deze laatste, bij een repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
In geval van strovlas legt hij voor elk magazijn eveneens een situatieschets aan met de ligging van elke partij.
De repelaar-stockeerder houdt daarenboven een magazijnboek bij waarin elke binnenkomende en uitgaande waar, dag na dag, wordt opgetekend volgens aanduidingen van (de bevoegde entiteit). (De bevoegde entiteit) kan een repelproef instellen (steekproefsgewijs). Deze proef heeft tot doel het vaststellen van het brutogewicht aan zaad dat uit een partij kan worden bekomen. In geval van abnormaal hoge gewichten welke te wijten zijn aan ongeoorloofde bijmengingen wordt de erkenning van de betrokken repelaar-stockeerder ingetrokken.
De vervoermachtiging die het bruto-zaad vergezelt, wordt aan de keurmeester bevoegd voor de controle van de inontvangstneming voorgelegd, samen met de weegdocumenten.
Na het afrepelen wordt een monster genomen voor het controleveld, wordt er een repelverslag opgemaakt en pas nadien mag het bruto-zaad vervoerd worden naar de handelaar-bereider.
De handelaar-bereider noteert op een steekkaart de aan- en afvoer van bruto-zaden.
++++++++++
De aanwezigheid van Orobanche spp. en van Cuscuta spp. brengt de weigering mee.
(b) Voor de categorie gecertificeerd zaad wordt alleen rekening gehouden met de soorten waarvan het zaad de afmetingen van deze van het lijnzaad benaderen en moeilijk kunnen verwijderd worden tijdens de triage.
(c) Normen enkel van toepassing in geval van aanwijzingen voor vermenging.
5.4.3. Gezondheidstoestand van de teelt.
De teelten met een onvoldoende gezondheidstoestand worden geweigerd.
5.5. Oogst- en transportmodaliteiten.
5.5.1. Algemeen.
Alvorens te transporteren dient een tweede veldkeuring uitgevoerd te worden teneinde de algemene toestand bij afrijping te onderzoeken. Hierbij let de keurmeester vooral op de kwaliteit van de zaaddoosjes.
Indien hij twijfels heeft omtrent de raszuiverheid neemt hij een monster van de zaaddoosjes voor onderzoek van de beharing van de valse tussenschotten. In afwachting van de uitslag van deze analyse dient de partij afzonderlijk te worden opgeslagen.
De inschrijvingsnemer moet alvorens te transporteren nagaan of de tweede veldkeuring heeft plaatsgehad. Indien de inschrijvingsnemer wenst te transporteren vóór 10 augustus, moet hij zelf deze tweede veldkeuring aanvragen en dit ten minste 24 uur vóór het transport.
Voor de percelen waarvoor geen dergelijke aanvraag is ontvangen op (de bevoegde entiteit), wordt de tweede veldkeuring uitgevoerd op een tijdstip bepaald door (de bevoegde entiteit) maar vóór 10 augustus.
Indien het resultaat van de tweede veldkeuring gunstig is, wordt een vervoermachtiging opgesteld welke geldig is tot 10 september.
De inschrijvingsnemer dient aan (de bevoegde entiteit) te bevestigen dat het transport heeft plaats gevonden.
Percelen waarvoor de inschrijvingsnemer vóór 10 september (de bevoegde entiteit) niet op de hoogte heeft gebracht van het transport worden beschouwd als teruggetrokken tenzij de inschrijvingsnemer een nieuwe veldkeuring aanvraagt. Bij een gunstige uitslag van deze keuring wordt de geldigheidsdatum van de vervoermachtiging aangepast.
De bovenvermelde data kunnen door (de bevoegde entiteit) gewijzigd worden (oa in functie van de weersomstandigheden).
(De bevoegde entiteit) levert de nodige identificatie-etiketten af aan de, door de inschrijvingsnemer aangeduide, verantwoordelijke voor het aanbrengen van deze etiketten. Bij voorkeur worden deze etiketten op het veld aangebracht. In ieder geval moeten zij bij het bergen in de magazijnen aangebracht zijn.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Binnenlands transport.
(A) Strovlas.
Er worden voldoende etiketten afgeleverd voor de identificatie van de balen.
De personen aangeduid door de inschrijvingsnemer zijn verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de balen of aan de bussels (indien geen balen worden gevormd).
Samenvoegingen van partijen zijn enkel toegelaten indien elke afzonderlijke baal of verpakkingseenheid voorzien is van een individueel identificatie-etiket.
Er wordt één vervoermachtiging per perceel afgeleverd.
Voor vrije teelten dateert en ondertekent de vermeerderaar de vervoermachtiging bij vertrek van de laatste lading van het perceel.
De weging gebeurt per vracht of steekproefsgewijs per baal.
(B) Te velde ontzaad (= geëcapsuleerd) vlas (zaaddoosjes blijven behouden).
Voor elke transporteenheid (verpakking) wordt een identificatie-etiket afgeleverd.
De stockeerder is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de etiketten aan de verpakkingen.,Er wordt één vervoermachtiging afgeleverd per perceel.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
De weging gebeurt per vracht.
Transport kan enkel gebeuren naar een erkende repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
(C) Op het veld gedorst vlaszaad (zonder zaaddoosjes).
De keurmeester belast met het toezicht is verantwoordelijk voor het aanbrengen van de identificatie-etiketten. Een monster wordt genomen voor uitzaai op het controleveld.
Samenvoegingen van partijen zijn onderworpen aan de algemene voorwaarden van menging van bruto-zaadpartijen.
Elke verpakkingseenheid wordt geëtiketteerd.
Er wordt een vervoermachtiging afgeleverd per vracht.
De weging gebeurt per vracht.
5.5.2.2. Grensoverschrijdend transport.
Elke vracht is gedekt door het document voor het transport van niet definitief goedgekeurd zaad (internationaal geleidebiljet). Transport kan enkel mits goedkeuring van de bevoegde certificeringdiensten die de repelaars-stockeerders of handelaars-bereiders erkend hebben.
Voor binnen te brengen of in te voeren partijen dient (de bevoegde entiteit) 24 uur op voorhand op de hoogte gebracht te worden.
Elke baal of verpakkingseenheid is geïdentificeerd.
Elke vracht is gewogen.
5.6. Inontvangstname.
Vóór de aanvang van het oogstseizoen dient de repelaar-stockeerder aangifte te doen van alle overjaarse partijen strovlas die nog in zijn magazijnen aanwezig zijn, met aanduiding van hun ligging op een situatieschets.
De inontvangstneming van het geoogste product gebeurt bij de inschrijvingsnemer of, mits schriftelijke toelating van deze laatste, bij een repelaar-stockeerder of handelaar-bereider.
In geval van strovlas legt hij voor elk magazijn eveneens een situatieschets aan met de ligging van elke partij.
De repelaar-stockeerder houdt daarenboven een magazijnboek bij waarin elke binnenkomende en uitgaande waar, dag na dag, wordt opgetekend volgens aanduidingen van (de bevoegde entiteit). (De bevoegde entiteit) kan een repelproef instellen (steekproefsgewijs). Deze proef heeft tot doel het vaststellen van het brutogewicht aan zaad dat uit een partij kan worden bekomen. In geval van abnormaal hoge gewichten welke te wijten zijn aan ongeoorloofde bijmengingen wordt de erkenning van de betrokken repelaar-stockeerder ingetrokken.
De vervoermachtiging die het bruto-zaad vergezelt, wordt aan de keurmeester bevoegd voor de controle van de inontvangstneming voorgelegd, samen met de weegdocumenten.
Na het afrepelen wordt een monster genomen voor het controleveld, wordt er een repelverslag opgemaakt en pas nadien mag het bruto-zaad vervoerd worden naar de handelaar-bereider.
De handelaar-bereider noteert op een steekkaart de aan- en afvoer van bruto-zaden.
++++++++++
(a) Le nombre d'impuretés est indiqué sur le rapport de contrôle sur pied.
La présence de Orobanche spp. et de Cuscuta spp. entraîne le refus.
(b) Pour la catégorie semences certifiées, il ne sera tenu compte que des espèces dont les semences sont de dimensions proches à celles des semences de lin et qui sont par conséquent difficiles à écarter lors du triage.
(c) Normes d'application uniquement en cas d'indication de mélange.
5.4.3. Etat sanitaire de la culture.
Les cultures dont l'état sanitaire est insatisfaisant sont refusées.
5.5. Modalités de récolte et de transport.
5.5.1. Généralités.
Avant le transport un deuxième contrôle sur pied doit être effectué pour examiner l'état général à la maturation. L'inspecteur fait principalement attention à la qualité des capsules.
S'il a des doutes quant à la pureté variétale il prélève un échantillon de capsules pour un examen de la ciliation des fausses parois. Dans l'attente du résultat de l'analyse le lot doit être stocké séparément.
Avant de procéder au transport, le preneur d'inscription doit s'assurer que le deuxième contrôle sur pied a effectivement eu lieu. Si le preneur d'inscription désire effectuer le transport avant le 10 août, il doit demander lui-même ce deuxième contrôle sur pied et ceci au moins 24 heures avant le transport.
Pour les parcelles pour lesquelles cette demande n'a pas été réceptionnée, le deuxième contrôle sur pied sera exécuté à un moment défini par (l'entité compétente) mais avant le 10 août.
Quand le résultat, de ce deuxième contrôle sur pied, est favorable, une autorisation de transport est délivrée. Cette autorisation de transport est valable jusqu'au 10 septembre.
Le preneur d'inscription doit confirmer auprès (de l'entité compétente) que le transport a eu lieu.
Les parcelles pour lesquelles le transport n'a pas été communiqué (à l'entité compétente) par le preneur d'inscription avant le 10 septembre sont considérées comme retirées du contrôle à moins que le preneur d'inscription ne demande un nouveau contrôle sur pied. Si le résultat de ce contrôle est positif la date de validité de l'autorisation de transport est ajustée.
Les dates indiquées ci-dessus peuvent être modifiées par (l'entité compétente) (ea en fonction des conditions climatiques).
(L'entité compétente) fournit les étiquettes d'identification nécessaires à la personne désignée par le preneur d'inscription comme responsable de leur mise en place. De préférence ces étiquettes sont mises en place au champ. Dans tous les cas elles doivent être apposées au moment du rangement dans les magasins.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Transport intérieur.
(A) Lin non égrené.
Les étiquettes pour l'identification des ballots sont fournies en nombre suffisant.
Les personnes désignées par le preneur d'inscription sont responsables pour la fixation des étiquettes aux ballots ou aux gerbes (en l'absence de ballots).
Les groupages de lots ne sont autorisés que si chaque ballot ou unite d'emballage est muni d'une étiquette d'identification individuelle.
Une seule autorisation de transport est délivrée par parcelle.
Pour les cultures libres, le multiplicateur date et signe l'autorisation de transport au départ du dernier chargement.
La pesée se fait par chargement ou par sondage par ballot.
(B) Lin écapsulé sur le champ (capsules restant entières).
Pour chaque unité de transport (emballage) une étiquette d'identification est délivrée.
Le stockiste est responsable de la fixation des etiquettes aux emballages.
Il est délivré une autorisation de transport par parcelle.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales pour les mélanges des semences brutes.
La pesée se fait par chargement.
Le transport ne peut se faire que vers un égreneur-stockiste agréé ou négociant-préparateur agréé.
(C) Lin égrené sur le champ (sans capsules).
L'inspecteur chargé du contrôle est responsable de l'application des étiquettes d'identification. Un échantillon destiné au champ de contrôle est prélevé.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales concernant les mélanges des semences brutes.
Chaque unité d'emballage est étiquetée.
Il est délivré une autorisation de transport par chargement.
La pesée se fait par chargement.
5.5.2.2. Transport transfrontalier.
Tout chargement est couvert par un document de transport de semences pas encore certifiées définitivement (laissez-passer international). Le transport ne peut se faire qu'avec l'autorisation de l'instance de certification mandatée qui a agréé les égreneurs-stockistes ou les négociants-preparateurs. Pour des lots à introduire ou importer (l'entité compétente) doit être averti au moins 24 heures à l'avance.
Chaque ballot ou unité d'emballage est identifié.
Chaque chargement est pesé.
5.6. Réception.
Avant le début de la saison de récolte l'égreneur-stockiste doit déclarer tous les lots surannés qui se trouvent encore dans ses magasins en indiquant leur position sur un plan de situation.
La réception du produit récolté se fait chez le preneur d'inscription ou, moyennant autorisation écrite de ce dernier, chez un égreneur-stockiste ou un négociant-préparateur.
En cas de lin non égrené un plan de situation, avec la position de chaque lot, est dressé pour chaque magasin.
L'égreneur-stockiste tient en outre un livre de magasin dans lequel tout lot entrant et sortant est enregistré au jour le jour, selon les indications (de l'entité compétente). (L'entité compétente) peut organiser un contrôle à l'égrenage (par sondage). Ce contrôle a pour but de déterminer la quantité de semences brutes qu'un lot déterminé peut produire. Quand des poids excessifs, dus à des ajouts non autorisés, sont constatés l'agrément de l'égreneur-stockiste concerné est retiré.
L'autorisation de transport accompagnant la semence brute est présentée à l'inspecteur chargé du contrôle de la réception, en même temps que les documents de pesée.
Après l'égrenage, un échantillon est prélevé pour le champ de contrôle, un rapport d'égrenage est dressé et, uniquement à partir de ce moment là, la semence brute peut être transportée vers le négociant-préparateur.
Le négociant-préparateur note sur une fiche tout arrivée ou départ de semences brutes.
++++++++++++++
La présence de Orobanche spp. et de Cuscuta spp. entraîne le refus.
(b) Pour la catégorie semences certifiées, il ne sera tenu compte que des espèces dont les semences sont de dimensions proches à celles des semences de lin et qui sont par conséquent difficiles à écarter lors du triage.
(c) Normes d'application uniquement en cas d'indication de mélange.
5.4.3. Etat sanitaire de la culture.
Les cultures dont l'état sanitaire est insatisfaisant sont refusées.
5.5. Modalités de récolte et de transport.
5.5.1. Généralités.
Avant le transport un deuxième contrôle sur pied doit être effectué pour examiner l'état général à la maturation. L'inspecteur fait principalement attention à la qualité des capsules.
S'il a des doutes quant à la pureté variétale il prélève un échantillon de capsules pour un examen de la ciliation des fausses parois. Dans l'attente du résultat de l'analyse le lot doit être stocké séparément.
Avant de procéder au transport, le preneur d'inscription doit s'assurer que le deuxième contrôle sur pied a effectivement eu lieu. Si le preneur d'inscription désire effectuer le transport avant le 10 août, il doit demander lui-même ce deuxième contrôle sur pied et ceci au moins 24 heures avant le transport.
Pour les parcelles pour lesquelles cette demande n'a pas été réceptionnée, le deuxième contrôle sur pied sera exécuté à un moment défini par (l'entité compétente) mais avant le 10 août.
Quand le résultat, de ce deuxième contrôle sur pied, est favorable, une autorisation de transport est délivrée. Cette autorisation de transport est valable jusqu'au 10 septembre.
Le preneur d'inscription doit confirmer auprès (de l'entité compétente) que le transport a eu lieu.
Les parcelles pour lesquelles le transport n'a pas été communiqué (à l'entité compétente) par le preneur d'inscription avant le 10 septembre sont considérées comme retirées du contrôle à moins que le preneur d'inscription ne demande un nouveau contrôle sur pied. Si le résultat de ce contrôle est positif la date de validité de l'autorisation de transport est ajustée.
Les dates indiquées ci-dessus peuvent être modifiées par (l'entité compétente) (ea en fonction des conditions climatiques).
(L'entité compétente) fournit les étiquettes d'identification nécessaires à la personne désignée par le preneur d'inscription comme responsable de leur mise en place. De préférence ces étiquettes sont mises en place au champ. Dans tous les cas elles doivent être apposées au moment du rangement dans les magasins.
5.5.2. Transport.
5.5.2.1. Transport intérieur.
(A) Lin non égrené.
Les étiquettes pour l'identification des ballots sont fournies en nombre suffisant.
Les personnes désignées par le preneur d'inscription sont responsables pour la fixation des étiquettes aux ballots ou aux gerbes (en l'absence de ballots).
Les groupages de lots ne sont autorisés que si chaque ballot ou unite d'emballage est muni d'une étiquette d'identification individuelle.
Une seule autorisation de transport est délivrée par parcelle.
Pour les cultures libres, le multiplicateur date et signe l'autorisation de transport au départ du dernier chargement.
La pesée se fait par chargement ou par sondage par ballot.
(B) Lin écapsulé sur le champ (capsules restant entières).
Pour chaque unité de transport (emballage) une étiquette d'identification est délivrée.
Le stockiste est responsable de la fixation des etiquettes aux emballages.
Il est délivré une autorisation de transport par parcelle.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales pour les mélanges des semences brutes.
La pesée se fait par chargement.
Le transport ne peut se faire que vers un égreneur-stockiste agréé ou négociant-préparateur agréé.
(C) Lin égrené sur le champ (sans capsules).
L'inspecteur chargé du contrôle est responsable de l'application des étiquettes d'identification. Un échantillon destiné au champ de contrôle est prélevé.
Le groupage de lots est soumis aux conditions générales concernant les mélanges des semences brutes.
Chaque unité d'emballage est étiquetée.
Il est délivré une autorisation de transport par chargement.
La pesée se fait par chargement.
5.5.2.2. Transport transfrontalier.
Tout chargement est couvert par un document de transport de semences pas encore certifiées définitivement (laissez-passer international). Le transport ne peut se faire qu'avec l'autorisation de l'instance de certification mandatée qui a agréé les égreneurs-stockistes ou les négociants-preparateurs. Pour des lots à introduire ou importer (l'entité compétente) doit être averti au moins 24 heures à l'avance.
Chaque ballot ou unité d'emballage est identifié.
Chaque chargement est pesé.
5.6. Réception.
Avant le début de la saison de récolte l'égreneur-stockiste doit déclarer tous les lots surannés qui se trouvent encore dans ses magasins en indiquant leur position sur un plan de situation.
La réception du produit récolté se fait chez le preneur d'inscription ou, moyennant autorisation écrite de ce dernier, chez un égreneur-stockiste ou un négociant-préparateur.
En cas de lin non égrené un plan de situation, avec la position de chaque lot, est dressé pour chaque magasin.
L'égreneur-stockiste tient en outre un livre de magasin dans lequel tout lot entrant et sortant est enregistré au jour le jour, selon les indications (de l'entité compétente). (L'entité compétente) peut organiser un contrôle à l'égrenage (par sondage). Ce contrôle a pour but de déterminer la quantité de semences brutes qu'un lot déterminé peut produire. Quand des poids excessifs, dus à des ajouts non autorisés, sont constatés l'agrément de l'égreneur-stockiste concerné est retiré.
L'autorisation de transport accompagnant la semence brute est présentée à l'inspecteur chargé du contrôle de la réception, en même temps que les documents de pesée.
Après l'égrenage, un échantillon est prélevé pour le champ de contrôle, un rapport d'égrenage est dressé et, uniquement à partir de ce moment là, la semence brute peut être transportée vers le négociant-préparateur.
Le négociant-préparateur note sur une fiche tout arrivée ou départ de semences brutes.
++++++++++++++
Art. 6N3. 6. Triage - Herbewerking - Certificering.
6.1. Grootte en homogeniteit van partijen - Monstergrootte.
Partijen die ter certificering worden aangeboden, moeten homogeen zijn.
Het maximum gewicht van een partij en het minimum gewicht van de monsters worden weergegeven in tabel 3.
Tabel 3.
6.1. Grootte en homogeniteit van partijen - Monstergrootte.
Partijen die ter certificering worden aangeboden, moeten homogeen zijn.
Het maximum gewicht van een partij en het minimum gewicht van de monsters worden weergegeven in tabel 3.
Tabel 3.
Art. 6N3. 6. Triage - Reconditionnement - Certification.
6.1. Taille et homogénéité des lots - Taille des échantillons.
Les lots présentés à la certification doivent être homogènes.
Le poids maximal d'un lot et le poids minimal des échantillons sont indiqués au tableau 3.
Tableau 3.
6.1. Taille et homogénéité des lots - Taille des échantillons.
Les lots présentés à la certification doivent être homogènes.
Le poids maximal d'un lot et le poids minimal des échantillons sont indiqués au tableau 3.
Tableau 3.
Max. gewicht Minimum gewicht van een Gewicht van het monster
van een partij monster te nemen van voor de bepaling van
(in ton) een partij * (in gram) de aantallen voorzien
in tabel 5 kolommen 3
tot 7 (in gram)
(1) (2) (3)
10 300 150
van een partij monster te nemen van voor de bepaling van
(in ton) een partij * (in gram) de aantallen voorzien
in tabel 5 kolommen 3
tot 7 (in gram)
(1) (2) (3)
10 300 150
Poids max. d'un lot Poids minimum de Poids de l'echantillon
(en tonnes) l'echantillon a prelever pour les comptages
sur un lot * (en g) prevus au tableau 5
colonnes 3 a 7 (en g)
(1) (2) (3)
10 300 150
(en tonnes) l'echantillon a prelever pour les comptages
sur un lot * (en g) prevus au tableau 5
colonnes 3 a 7 (en g)
(1) (2) (3)
10 300 150
* Het gewicht van het monster kan op vraag van de handelaar-bereider verhoogd worden.
6.2. Certificeringsnormen.
De zaden die ter certificering worden aangeboden, moeten aan volgende normen beantwoorden :
6.2.1. Minimale raszuiverheid.
Tabel 4.
6.2. Certificeringsnormen.
De zaden die ter certificering worden aangeboden, moeten aan volgende normen beantwoorden :
6.2.1. Minimale raszuiverheid.
Tabel 4.
* Le poids de l'échantillon peut être augmenté à la demande du négociant-préparateur.
6.2. Normes de certification.
Les semences présentées à la certification doivent répondre aux normes suivantes :
6.2.1. Pureté variétale minimale.
Tableau 4.
6.2. Normes de certification.
Les semences présentées à la certification doivent répondre aux normes suivantes :
6.2.1. Pureté variétale minimale.
Tableau 4.
Voortgebrachte categorieen en klassen Minimum
raszuiverheid
(%)
Prebasis- en basiszaad 99,7
Gecertificeerd zaad 1e vermeerdering (R1) 98
Gecertificeerd zaad 2e (R2) en 3de vermeerdering (R3) 97,5
raszuiverheid
(%)
Prebasis- en basiszaad 99,7
Gecertificeerd zaad 1e vermeerdering (R1) 98
Gecertificeerd zaad 2e (R2) en 3de vermeerdering (R3) 97,5
Categories et classes produites Purete varietale
minimale (%)
Semences de prebase et de base 99,7
Semences certifiees 1ere reproduction (R1) 98
Semences certifiees 2e (R2) en 3e reproduction (R3) 97,5
minimale (%)
Semences de prebase et de base 99,7
Semences certifiees 1ere reproduction (R1) 98
Semences certifiees 2e (R2) en 3e reproduction (R3) 97,5
De minimale raszuiverheid wordt hoofdzakelijk nagegaan tijdens de veldkeuringen en op het controleveld.
6.2.2. Andere kenmerken.
Het zaaizaad moet op het gebied van de kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten (inclusief Orobanche spp.) voldoen aan de normen of eisen vermeld in tabel 5.
Tabel 5.
6.2.2. Andere kenmerken.
Het zaaizaad moet op het gebied van de kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten (inclusief Orobanche spp.) voldoen aan de normen of eisen vermeld in tabel 5.
Tabel 5.
La pureté variétale minimale est contrôlée principalement lors des contrôles sur pied et au champ de contrôle.
6.2.2. Autres caractéristiques.
Les semences doivent répondre, en ce qui concerne le pouvoir germinatif, la pureté spécifique (% en poids) et la teneur en graines d'autres espèces de plantes (y compris Orobanche spp.) aux normes et exigences indiquées dans le tableau 5.
Tableau 5.
6.2.2. Autres caractéristiques.
Les semences doivent répondre, en ce qui concerne le pouvoir germinatif, la pureté spécifique (% en poids) et la teneur en graines d'autres espèces de plantes (y compris Orobanche spp.) aux normes et exigences indiquées dans le tableau 5.
Tableau 5.
Maximum gehalte aan zaden van andere plantensoorten
in een monster waarvan het gewicht is aangegeven in
6.1. (kolom 3 van tabel 3)
Minimum Minimum Andere Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
kiemkracht mecha- planten- fatua spp. myosuroi- remotum
(% zuiver nische soorten Avena (b)(c) des
zaad) zuiver- (a) ludovi-
heid ciana
(in ge- Avena
wicht %) sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
in een monster waarvan het gewicht is aangegeven in
6.1. (kolom 3 van tabel 3)
Minimum Minimum Andere Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
kiemkracht mecha- planten- fatua spp. myosuroi- remotum
(% zuiver nische soorten Avena (b)(c) des
zaad) zuiver- (a) ludovi-
heid ciana
(in ge- Avena
wicht %) sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
Teneur maximale en nombre de semences d'autres
especes dans un echantillon d'un poids comme
specifie en 6.1. (colonne 3 du tableau 3)
Pouvoir Purete Autres Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
germinatif specifi- especes de fatua spp. myosuroi- remotum
(% semences que plantes Avena (b)(c) des
pures) minimale (a) ludovi-
(% en ciana
poids) Avena
sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
especes dans un echantillon d'un poids comme
specifie en 6.1. (colonne 3 du tableau 3)
Pouvoir Purete Autres Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
germinatif specifi- especes de fatua spp. myosuroi- remotum
(% semences que plantes Avena (b)(c) des
pures) minimale (a) ludovi-
(% en ciana
poids) Avena
sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
Normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer daarnaar wordt verwezen in tabel 5.
(a). Het in kolom 3 vastgestelde maximumgehalte aan zaden heeft ook betrekking op de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 7 genoemde soorten.
(b). Het aantal zaden van Cuscuta spp. wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde eisen is voldaan.
(c). De aanwezigheid van één zaadkorrel van Cuscuta spp. in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta spp..
6.2.3. Gezondheidstoestand van het zaad.
De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.
Het zaaizaad moet in het bijzonder voldoen aan de normen vermeld in tabel 6.
Tabel 6.
(a). Het in kolom 3 vastgestelde maximumgehalte aan zaden heeft ook betrekking op de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 7 genoemde soorten.
(b). Het aantal zaden van Cuscuta spp. wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde eisen is voldaan.
(c). De aanwezigheid van één zaadkorrel van Cuscuta spp. in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta spp..
6.2.3. Gezondheidstoestand van het zaad.
De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.
Het zaaizaad moet in het bijzonder voldoen aan de normen vermeld in tabel 6.
Tabel 6.
Normes ou autres exigences à respecter lorsqu'il en est fait référence au tableau 5.
(a) La teneur maximale de semences visées à la colonne 3 concerne aussi les semences des espèces visées aux colonnes 6 à 7.
(b) Le nombre de graines de Cuscuta spp. n'est déterminé que s'il existe un doute quant au respect des normes fixées à la colonne 5.
(c) La présence d'une graine de Cuscuta spp. dans un échantillon de poids prescrit n'est pas considérée comme impureté si un deuxième échantillon de même poids est exempt de graines de Cuscuta spp.
6.2.3. Etat sanitaire des semences.
La présence d'organismes nuisibles réduisant la valeur d'utilisation des semences doit rester limitée autant que possible.
Les semences doivent répondre en particulier aux normes indiquées au tableau 6.
Tableau 6.
(a) La teneur maximale de semences visées à la colonne 3 concerne aussi les semences des espèces visées aux colonnes 6 à 7.
(b) Le nombre de graines de Cuscuta spp. n'est déterminé que s'il existe un doute quant au respect des normes fixées à la colonne 5.
(c) La présence d'une graine de Cuscuta spp. dans un échantillon de poids prescrit n'est pas considérée comme impureté si un deuxième échantillon de même poids est exempt de graines de Cuscuta spp.
6.2.3. Etat sanitaire des semences.
La présence d'organismes nuisibles réduisant la valeur d'utilisation des semences doit rester limitée autant que possible.
Les semences doivent répondre en particulier aux normes indiquées au tableau 6.
Tableau 6.
Maximum aantal door schadelijke organismen aangetaste zaden (in %)
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
Nombre maximal de semences contaminees par des organismes
nuisibles (en %)
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
nuisibles (en %)
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
6.3. Controleveld.
De monsters kunnen op twee percelen (herhalingen) uitgezaaid worden. Voor de monsters afkomstig van de moederpartijen zijn het aantal te onderzoeken planten en de toleranties vermeld in tabel 7.
Tabel 7.
De monsters kunnen op twee percelen (herhalingen) uitgezaaid worden. Voor de monsters afkomstig van de moederpartijen zijn het aantal te onderzoeken planten en de toleranties vermeld in tabel 7.
Tabel 7.
6.3. Champ de contrôle.
Les échantillons peuvent être semés sur deux parcelles (répétitions). Pour les échantillons originaires des lots mères, le nombre de plantes à examiner et les tolérances sont indiquées au tableau 7.
Tableau 7.
Les échantillons peuvent être semés sur deux parcelles (répétitions). Pour les échantillons originaires des lots mères, le nombre de plantes à examiner et les tolérances sont indiquées au tableau 7.
Tableau 7.
Te produceren categorie Aantal planten Andere Andere kenmerken
en klasse bloei- (c)(d)
kleur
(a)(b) Aantal Tolerantie
planten
Prebasiszaad 15 000 6 3 000 9
Basiszaad E2 12 000 5 2 000 6
Basiszaad E3 9 000 4 1 000 3
Gecertificeerd R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
en klasse bloei- (c)(d)
kleur
(a)(b) Aantal Tolerantie
planten
Prebasiszaad 15 000 6 3 000 9
Basiszaad E2 12 000 5 2 000 6
Basiszaad E3 9 000 4 1 000 3
Gecertificeerd R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
Categorie et classe Nombre de plantes Autre Autres
a produire par parcelle couleur caracteristiques
des fleurs (c) (d)
(a) (b) Nombre de Tolerance
plantes
Sem. de prebase 15 000 6 3 000 9
Sem. de base E2 12 000 5 2 000 6
Sem. de base E3 9 000 4 1 000 3
Sem. certif. R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
a produire par parcelle couleur caracteristiques
des fleurs (c) (d)
(a) (b) Nombre de Tolerance
plantes
Sem. de prebase 15 000 6 3 000 9
Sem. de base E2 12 000 5 2 000 6
Sem. de base E3 9 000 4 1 000 3
Sem. certif. R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
(a) Gemiddelde van twee herhalingen.
(b) De tolerantie kan aangepast worden in functie van het aantal planten per perceel.
(c) Onder " andere kenmerken " wordt verstaan :
- de stippeling van kelkbladeren
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes
- deze door de Dienst te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken.
(d). Indien het aantal afwijkende planten bij het onderzoek hoger is dan de tolerantie, doch minder dan het dubbele ervan, wordt een bijkomend onderzoek uitgevoerd van een zelfde aantal planten. De overeenkomstige teelten worden
geweigerd indien de som van de afwijkende planten van de twee tellingen hoger is dan het dubbele van de tolerantie.
(e) Steekproefsgewijze controle.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 6N3. (VLAAMSE OVERHEID)
6. Triage Herbewerking - Certificering.
6.1. Grootte en homogeniteit van partijen - Monstergrootte.
Partijen die ter certificering worden aangeboden, moeten homogeen zijn.
Het maximum gewicht van een partij en het minimum gewicht van de monsters worden weergegeven in tabel 3.
Tabel 3.
(b) De tolerantie kan aangepast worden in functie van het aantal planten per perceel.
(c) Onder " andere kenmerken " wordt verstaan :
- de stippeling van kelkbladeren
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes
- deze door de Dienst te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken.
(d). Indien het aantal afwijkende planten bij het onderzoek hoger is dan de tolerantie, doch minder dan het dubbele ervan, wordt een bijkomend onderzoek uitgevoerd van een zelfde aantal planten. De overeenkomstige teelten worden
geweigerd indien de som van de afwijkende planten van de twee tellingen hoger is dan het dubbele van de tolerantie.
(e) Steekproefsgewijze controle.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 6N3. (VLAAMSE OVERHEID)
6. Triage Herbewerking - Certificering.
6.1. Grootte en homogeniteit van partijen - Monstergrootte.
Partijen die ter certificering worden aangeboden, moeten homogeen zijn.
Het maximum gewicht van een partij en het minimum gewicht van de monsters worden weergegeven in tabel 3.
Tabel 3.
(a) Moyenne de deux répétitions.
(b) La tolérance peut être adaptée en fonction du nombre de plantes par parcelle.
(c) Par " autres caractéristiques " il est entendu :
- la moucheture des sépales;
- la ciliation des fausses parois des capsules;
- celles à déterminer par le Service sur base des caractères spécifiques variétaux.
(d) Si, lors de l'examen, le nombre de plantes aberrantes est supérieur à la tolérance, mais inférieur au double, une observation complémentaire est effectuée sur un même nombre de plantes. La culture correspondante est refusée si le total des plantes aberrantes des deux comptages est supérieur au double de la tolérance.
(e) Contrôle par sondage.
++++++++++
COMMUNAUTES ET REGIONS
======================
Art. 6N3. (AUTORITE FLAMANDE)
6. Triage Reconditionnement - Certification.
6.1. Taille et homogénéité des lots - Taille des échantillons.
Les lots présentés à la certification doivent être homogènes.
Le poids maximal d'un lot et le poids minimal des échantillons sont indiqués au tableau 3.
Tableau 3.
(b) La tolérance peut être adaptée en fonction du nombre de plantes par parcelle.
(c) Par " autres caractéristiques " il est entendu :
- la moucheture des sépales;
- la ciliation des fausses parois des capsules;
- celles à déterminer par le Service sur base des caractères spécifiques variétaux.
(d) Si, lors de l'examen, le nombre de plantes aberrantes est supérieur à la tolérance, mais inférieur au double, une observation complémentaire est effectuée sur un même nombre de plantes. La culture correspondante est refusée si le total des plantes aberrantes des deux comptages est supérieur au double de la tolérance.
(e) Contrôle par sondage.
++++++++++
COMMUNAUTES ET REGIONS
======================
Art. 6N3. (AUTORITE FLAMANDE)
6. Triage Reconditionnement - Certification.
6.1. Taille et homogénéité des lots - Taille des échantillons.
Les lots présentés à la certification doivent être homogènes.
Le poids maximal d'un lot et le poids minimal des échantillons sont indiqués au tableau 3.
Tableau 3.
Max. gewicht Minimum gewicht van een Gewicht van het monster
van een partij monster te nemen van voor de bepaling van
(in ton) een partij * (in gram) de aantallen voorzien
in tabel 5 kolommen 3
tot 7 (in gram)
(1) (2) (3)
10 300 150
van een partij monster te nemen van voor de bepaling van
(in ton) een partij * (in gram) de aantallen voorzien
in tabel 5 kolommen 3
tot 7 (in gram)
(1) (2) (3)
10 300 150
Poids max. d'un lot Poids minimum de Poids de l'echantillon
(en tonnes) l'echantillon a prelever pour les comptages
sur un lot * (en g) prevus au tableau 5
colonnes 3 a 7 (en g)
(1) (2) (3)
10 300 150
(en tonnes) l'echantillon a prelever pour les comptages
sur un lot * (en g) prevus au tableau 5
colonnes 3 a 7 (en g)
(1) (2) (3)
10 300 150
* Het gewicht van het monster kan op vraag van de handelaar-bereider verhoogd worden.
6.2. Certificeringsnormen.
De zaden die ter certificering worden aangeboden, moeten aan volgende normen beantwoorden :
6.2.1. Minimale raszuiverheid.
Tabel 4.
6.2. Certificeringsnormen.
De zaden die ter certificering worden aangeboden, moeten aan volgende normen beantwoorden :
6.2.1. Minimale raszuiverheid.
Tabel 4.
* Le poids de l'échantillon peut être augmenté à la demande du négociant-préparateur.
6.2. Normes de certification.
Les semences présentées à la certification doivent répondre aux normes suivantes :
6.2.1. Pureté variétale minimale.
Tableau 4.
6.2. Normes de certification.
Les semences présentées à la certification doivent répondre aux normes suivantes :
6.2.1. Pureté variétale minimale.
Tableau 4.
Voortgebrachte categorieen en klassen Minimum
raszuiverheid
(%)
Prebasis- en basiszaad 99,7
Gecertificeerd zaad 1e vermeerdering (R1) 98
Gecertificeerd zaad 2e (R2) en 3de vermeerdering (R3) 97,5
raszuiverheid
(%)
Prebasis- en basiszaad 99,7
Gecertificeerd zaad 1e vermeerdering (R1) 98
Gecertificeerd zaad 2e (R2) en 3de vermeerdering (R3) 97,5
Categories et classes produites Purete varietale
minimale (%)
Semences de prebase et de base 99,7
Semences certifiees 1ere reproduction (R1) 98
Semences certifiees 2e (R2) en 3e reproduction (R3) 97,5
minimale (%)
Semences de prebase et de base 99,7
Semences certifiees 1ere reproduction (R1) 98
Semences certifiees 2e (R2) en 3e reproduction (R3) 97,5
De minimale raszuiverheid wordt hoofdzakelijk nagegaan tijdens de veldkeuringen en op het controleveld.
6.2.2. Andere kenmerken.
Het zaaizaad moet op het gebied van de kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten (inclusief Orobanche spp.) voldoen aan de normen of eisen vermeld in tabel 5.
Tabel 5.
6.2.2. Andere kenmerken.
Het zaaizaad moet op het gebied van de kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten (inclusief Orobanche spp.) voldoen aan de normen of eisen vermeld in tabel 5.
Tabel 5.
La pureté variétale minimale est contrôlée principalement lors des contrôles sur pied et au champ de contrôle.
6.2.2. Autres caractéristiques.
Les semences doivent répondre, en ce qui concerne le pouvoir germinatif, la pureté spécifique (% en poids) et la teneur en graines d'autres espèces de plantes (y compris Orobanche spp.) aux normes et exigences indiquées dans le tableau 5.
Tableau 5.
6.2.2. Autres caractéristiques.
Les semences doivent répondre, en ce qui concerne le pouvoir germinatif, la pureté spécifique (% en poids) et la teneur en graines d'autres espèces de plantes (y compris Orobanche spp.) aux normes et exigences indiquées dans le tableau 5.
Tableau 5.
Maximum gehalte aan zaden van andere plantensoorten
in een monster waarvan het gewicht is aangegeven in
6.1. (kolom 3 van tabel 3)
Minimum Minimum Andere Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
kiemkracht mecha- planten- fatua spp. myosuroi- remotum
(% zuiver nische soorten Avena (b)(c) des
zaad) zuiver- (a) ludovi-
heid ciana
(in ge- Avena
wicht %) sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
in een monster waarvan het gewicht is aangegeven in
6.1. (kolom 3 van tabel 3)
Minimum Minimum Andere Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
kiemkracht mecha- planten- fatua spp. myosuroi- remotum
(% zuiver nische soorten Avena (b)(c) des
zaad) zuiver- (a) ludovi-
heid ciana
(in ge- Avena
wicht %) sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
Teneur maximale en nombre de semences d'autres
especes dans un echantillon d'un poids comme
specifie en 6.1. (colonne 3 du tableau 3)
Pouvoir Purete Autres Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
germinatif specifi- especes de fatua spp. myosuroi- remotum
(% semences que plantes Avena (b)(c) des
pures) minimale (a) ludovi-
(% en ciana
poids) Avena
sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
especes dans un echantillon d'un poids comme
specifie en 6.1. (colonne 3 du tableau 3)
Pouvoir Purete Autres Avena Cuscuta Alopecurus Lolium
germinatif specifi- especes de fatua spp. myosuroi- remotum
(% semences que plantes Avena (b)(c) des
pures) minimale (a) ludovi-
(% en ciana
poids) Avena
sterilis
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
92 99 15 0 0 4 2
Normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer daarnaar wordt verwezen in tabel 5.
(a). Het in kolom 3 vastgestelde maximumgehalte aan zaden heeft ook betrekking op de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 7 genoemde soorten.
(b). Het aantal zaden van Cuscuta spp. wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde eisen is voldaan.
(c). De aanwezigheid van één zaadkorrel van Cuscuta spp. in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta spp..
6.2.3. Gezondheidstoestand van het zaad.
De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.
Het zaaizaad moet in het bijzonder voldoen aan de normen vermeld in tabel 6.
Tabel 6.
(a). Het in kolom 3 vastgestelde maximumgehalte aan zaden heeft ook betrekking op de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 7 genoemde soorten.
(b). Het aantal zaden van Cuscuta spp. wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde eisen is voldaan.
(c). De aanwezigheid van één zaadkorrel van Cuscuta spp. in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta spp..
6.2.3. Gezondheidstoestand van het zaad.
De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.
Het zaaizaad moet in het bijzonder voldoen aan de normen vermeld in tabel 6.
Tabel 6.
Normes ou autres exigences à respecter lorsqu'il en est fait référence au tableau 5.
(a) La teneur maximale de semences visées à la colonne 3 concerne aussi les semences des espèces visées aux colonnes 6 à 7.
(b) Le nombre de graines de Cuscuta spp. n'est déterminé que s'il existe un doute quant au respect des normes fixées à la colonne 5.
(c) La présence d'une graine de Cuscuta spp. dans un échantillon de poids prescrit n'est pas considérée comme impureté si un deuxième échantillon de même poids est exempt de graines de Cuscuta spp.
6.2.3. Etat sanitaire des semences.
La presence d'organismes nuisibles réduisant la valeur d'utilisation des semences doit rester limitée autant que possible.
Les semences doivent répondre en particulier aux normes indiquées au tableau 6.
Tableau 6.
(a) La teneur maximale de semences visées à la colonne 3 concerne aussi les semences des espèces visées aux colonnes 6 à 7.
(b) Le nombre de graines de Cuscuta spp. n'est déterminé que s'il existe un doute quant au respect des normes fixées à la colonne 5.
(c) La présence d'une graine de Cuscuta spp. dans un échantillon de poids prescrit n'est pas considérée comme impureté si un deuxième échantillon de même poids est exempt de graines de Cuscuta spp.
6.2.3. Etat sanitaire des semences.
La presence d'organismes nuisibles réduisant la valeur d'utilisation des semences doit rester limitée autant que possible.
Les semences doivent répondre en particulier aux normes indiquées au tableau 6.
Tableau 6.
Maximum aantal door schadelijke organismen aangetaste zaden (in %)
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
Nombre maximal de semences contaminees par des organismes
nuisibles (en %)
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
nuisibles (en %)
Botrytis spp. Alternaria spp., Colletotrichum Ascochyta linicola
lini, Fusarium spp. (syn. Phoma linicola)
5 5 1
6.3. Controleveld.
De monsters kunnen op twee percelen (herhalingen) uitgezaaid worden. Voor de monsters afkomstig van de moederpartijen zijn het aantal te onderzoeken planten en de toleranties vermeld in tabel 7.
Tabel 7.
De monsters kunnen op twee percelen (herhalingen) uitgezaaid worden. Voor de monsters afkomstig van de moederpartijen zijn het aantal te onderzoeken planten en de toleranties vermeld in tabel 7.
Tabel 7.
6.3. Champ de contrôle.
Les échantillons peuvent être semés sur deux parcelles (répétitions). Pour les échantillons originaires des lots mères, le nombre de plantes à examiner et les tolérances sont indiquées au tableau 7.
Tableau 7.
Les échantillons peuvent être semés sur deux parcelles (répétitions). Pour les échantillons originaires des lots mères, le nombre de plantes à examiner et les tolérances sont indiquées au tableau 7.
Tableau 7.
Te produceren categorie Aantal planten Andere Andere kenmerken
en klasse bloei- (c)(d)
kleur
(a)(b) Aantal Tolerantie
planten
Prebasiszaad 15 000 6 3 000 9
Basiszaad E2 12 000 5 2 000 6
Basiszaad E3 9 000 4 1 000 3
Gecertificeerd R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
en klasse bloei- (c)(d)
kleur
(a)(b) Aantal Tolerantie
planten
Prebasiszaad 15 000 6 3 000 9
Basiszaad E2 12 000 5 2 000 6
Basiszaad E3 9 000 4 1 000 3
Gecertificeerd R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
Categorie et classe Nombre de plantes Autre Autres
a produire par parcelle couleur caracteristiques
des fleurs (c) (d)
(a) (b) Nombre de Tolerance
plantes
Sem. de prebase 15 000 6 3 000 9
Sem. de base E2 12 000 5 2 000 6
Sem. de base E3 9 000 4 1 000 3
Sem. certif. R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
a produire par parcelle couleur caracteristiques
des fleurs (c) (d)
(a) (b) Nombre de Tolerance
plantes
Sem. de prebase 15 000 6 3 000 9
Sem. de base E2 12 000 5 2 000 6
Sem. de base E3 9 000 4 1 000 3
Sem. certif. R1 6 000 20 200 4
R2 3 000 10 200 5
R3 (e) 1 500 5 100 2,5
(a) Gemiddelde van twee herhalingen.
(b) De tolerantie kan aangepast worden in functie van het aantal planten per perceel.
(c) Onder " andere kenmerken " wordt verstaan :
- de stippeling van kelkbladeren
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes
- deze door (de bevoegde entiteit) te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken.
(d). Indien het aantal afwijkende planten bij het onderzoek hoger is dan de tolerantie, doch minder dan het dubbele ervan, wordt een bijkomend onderzoek uitgevoerd van een zelfde aantal planten. De overeenkomstige teelten worden
geweigerd indien de som van de afwijkende planten van de twee tellingen hoger is dan het dubbele van de tolerantie.
(e) Steekproefsgewijze controle.
+++++++++++++
(b) De tolerantie kan aangepast worden in functie van het aantal planten per perceel.
(c) Onder " andere kenmerken " wordt verstaan :
- de stippeling van kelkbladeren
- de beharing van de valse tussenschotten van de zaaddoosjes
- deze door (de bevoegde entiteit) te bepalen op grond van de specifieke raskenmerken.
(d). Indien het aantal afwijkende planten bij het onderzoek hoger is dan de tolerantie, doch minder dan het dubbele ervan, wordt een bijkomend onderzoek uitgevoerd van een zelfde aantal planten. De overeenkomstige teelten worden
geweigerd indien de som van de afwijkende planten van de twee tellingen hoger is dan het dubbele van de tolerantie.
(e) Steekproefsgewijze controle.
+++++++++++++
(a) Moyenne de deux répétitions.
(b) La tolérance peut être adaptée en fonction du nombre de plantes par parcelle.
(c) Par " autres caractéristiques " il est entendu :
- la moucheture des sepales;
- la ciliation des fausses parois des capsules;
- celles à déterminer par (l'entité compétente) sur base des caractères spécifiques variétaux.
(d) Si, lors de l'examen, le nombre de plantes aberrantes est supérieur à la tolérance, mais inférieur au double, une observation complémentaire est effectuée sur un même nombre de plantes. La culture correspondante est refusée si le total des plantes aberrantes des deux comptages est supérieur au double de la tolérance.
(e) Contrôle par sondage.
+++++++++++++++
(b) La tolérance peut être adaptée en fonction du nombre de plantes par parcelle.
(c) Par " autres caractéristiques " il est entendu :
- la moucheture des sepales;
- la ciliation des fausses parois des capsules;
- celles à déterminer par (l'entité compétente) sur base des caractères spécifiques variétaux.
(d) Si, lors de l'examen, le nombre de plantes aberrantes est supérieur à la tolérance, mais inférieur au double, une observation complémentaire est effectuée sur un même nombre de plantes. La culture correspondante est refusée si le total des plantes aberrantes des deux comptages est supérieur au double de la tolérance.
(e) Contrôle par sondage.
+++++++++++++++
Art. 7N3. 7. Wijzigingen aan het onderhavig reglement.
Elke wijziging aangebracht aan de normen en voorschriften van het Koninklijk Besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en van de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen brengt ambtshalve aanpassing van onderhavig reglement met zich mee.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van 21 december 2001.
De Minister belast met Landbouw,
Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Elke wijziging aangebracht aan de normen en voorschriften van het Koninklijk Besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en van de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen brengt ambtshalve aanpassing van onderhavig reglement met zich mee.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van 21 december 2001.
De Minister belast met Landbouw,
Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Art. 7N3. 7. Modifications du présent règlement.
Toute modification apportée aux normes et prescriptions de l'Arrêté Royal du 2 mai 2001 portant réglementation du commerce et du contrôle des semences de plantes oléagineuses et à fibres entraîne d'office l'adaptation du présent règlement.
Vu pour être annexé à l'arrêté du 21 décembre 2001.
La Ministre chargé de l'Agriculture,
Mme. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Toute modification apportée aux normes et prescriptions de l'Arrêté Royal du 2 mai 2001 portant réglementation du commerce et du contrôle des semences de plantes oléagineuses et à fibres entraîne d'office l'adaptation du présent règlement.
Vu pour être annexé à l'arrêté du 21 décembre 2001.
La Ministre chargé de l'Agriculture,
Mme. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK